/ˈsnɑxs/
adverb
1. gedurende de nacht.
istoíche
/ˌsxraːvə(n)ˈɦaːɣə/, /ˌsχravə(n)ˈɦaχə/
pronoun
1. een stad en gemeente in de Nederlandse provincie [[Zuid-Holland]]
Háig
noun
1. gedeelte van het voetbalveld
loca pionóis
noun
1. gedeelte van het voetbalveld
loca pionóis
symbol
2. afkorting voor de toonsoort
A
noun
  1. 4. de naam van een toon
  2. 5. afkorting van “a-mineur”
a
/aka'pɛla/
adverb
1. zonder instrumentale begeleiding
a cappella
/aʔyˈbe/
interjection
le do thoil
noun
1. streling, liefkozing
béim
verb
1. zachtjes strelen
déan peataireacht
noun
muirnigh
noun
1. zachte aanraking van een bal tijdens het spelen van biljart
béim
noun
  1. 1. (plantkunde) bepaalde soort esdoorn
    mailp
  2. 1. lang vaartuig met een platte bodem en een brede boeg
    báirse
noun
    1. 3. paling
    2. 4. kleine en jonge paling
    eascann
  1. 2. licht bier
    leann
noun
carthanachta
noun
1. geestelijke voor militairen, gevangenen en leden van jeugdbewegingen
almsóir
noun
1.bepaald soort plant, Artemisia absinthium
mormónta
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalacrocorax
broigheall
noun
inneoin
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
fíocas
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
fíocas
adjective
1. (predicatief) actief, in bedrijf
do
noun
1. een aanvulling met aarde
láithreán líonadh talún
verb
1. door het bakken aankoeken, vasthechten
camán
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
inneoin
verb
1. bij iemand (aan de deur) bellen
cró troda
noun
1. een kans om uitgekozen te worden voor een werk of levering
armacach
noun
1. vereerder van een goddelijk wezen
adhraitheoir
noun
1. een verering, een eerbiedvolle bewondering
adhair
noun
  1. 1. vereerster van een goddelijk wezen
  2. 2. een vrouwelijk verliefd persoon, die een ander het hof maakt
adhraitheoir
verb
ofráil
noun
1. iets voordelig te koop aanbieden
tairiscint
noun
1. een aanbieding
tairiscint
/ˈambʌʊsəɫ/
noun
1. het aangebouwde
fadú
/ˈambradə(n)/
verb
1. even laten braden
donn
verb
dóigh
verb
2. beginnen van tijd
breacadh an lae
verb
1. brengen naar
dathúil
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
aoidh
adverb
1. met belangstelling, met aandacht, met interesse
aireach
noun
1. waardepapier
roinn
noun
1. eigenaar van aandelen, actionaris
scairshealbhóir
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
scairshealbhóir
noun
1. de handel in aandelen in het algemeen
stocmhargadh
noun
  1. 1. een herinnering
    cuimhne
  2. 2. een object ter herinnering ergens aan
    cuimhneachán
verb
1. dikker worden
pléasc
adjective
corraitheach
noun
1. emotioneel geraakt kunnen worden
céadfacht
verb
  1. 2. iets in werking stellen
    cuir ar siúl
  2. 1. vaster draaien
    dlúthaigh
noun
spadhar
verb
2. doen bewegen
tiomáin
verb
  1. 2. iets proberen te verkrijgen
    brostaigh
  2. 1. doorgaan met verzoeken
    fáisc
verb
1. vaster drukken
fáisc
verb
1. aanwijzen
cuir in iúl
noun
1. aanwijzing
innéacs
/'ʔan.dɵr.və(n)/
verb
1. Moed hebben
dúshlán
verb
1. vaster duwen
fáisc
noun
1.
cleamhnas
noun
1. iets dat belachelijk of schandelijk is
adhnáire
verb
1. betreffen
bain do
adjective
1. bij de geboorte verkregen eigenschappen
dúchasach
noun
cás
adjective
1. een positief gevoel oproepend
aiteasach
adjective
1. getroffen
urchar
noun
1.iemand die ergens lid van is; iemand die ergens bij is aangesloten
ball
verb
1. vastmaken met een gesp
timpeallaigh
verb
  1. 2. aanduiden
    ball
  2. 1. aanreiken
    meil
  3. 3. een gezocht persoon bij de autoriteiten melden
    tuairisc
noun
aghaidh
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
ó
noun
    1. 1.1. het melden van een delict bij de politie; aangifte doen
    2. 2. formulier of schriftelijke verklaring waarmee werd aangegeven
    acaoineadh
  1. 1.2. het melden van inkomen bij de belastingen; aangifte doen
    dearbhú
  2. 1.3. het melden van goederen bij de douane; aangifte doen
    dearbhú custaim
noun
1.
dearbhú
verb
1. vals aankijken
straoise
adjective
1. aandoenlijk, ontroerend
corraitheach
/aːnɣrɛipɪŋzpʏnt/
noun
2. iets dat als basis dient
leithscéal
noun
1. toename
borrúlacht
verb
2. toenemen
fás
verb
2. eigen of andermans woorden ontlenen
luaigh
adjective
1. lief doend, geneigd tot toenadering
caithiseach
noun
1. een letterlijke passage die door iemand anders aangehaald wordt uit een bron
luaigh
noun
2. rijdend object dat achter de auto gehangen kan worden voor het vervoeren van goederen.
eireaball
noun
eireaball
adjective
caithiseach
noun
1. de mate waarin een mens of dier trouw en toegenegen is
caithis
verb
ráca
verb
1.
caith
verb
1. vastmaken
ceangail
noun
4. aanspreking aan het begin van een brief
achomharc
verb
buail suas
verb
1.horen naar iemand
éist
verb
  1. 6. niet behandelen, uitstellen
    barróg
  2. 1. staande houden
    coisc
  3. 2. arresteren
    gabh
adverb
síor-
noun
coinneáil
verb
féach
noun
1. bij de rechtbank ingediende beschuldiging of klacht
costas
verb
1. iemands handelingen bij een hof aanhangig maken met een officiële beschuldiging
díotáil
noun
1. iemand die een proces aanspant
gníomhaire
verb
1. enteren
iontráil
verb
  1. 2. iemand kleren aandoen
    gléas
  2. 1. meubileren, van toebehoor of uitbreiding voorzien
    maisigh
noun
2. feit of gegeven op basis waarvan wordt voortgebouwd, verder geredeneerd enz.
luaidhe
noun
1. de bestemming bereiken, het aankomen
teacht
noun
1. iemand die zegt wat er gaat gebeuren
aralt
noun
1. datgene wat men aankoopt
ceannach
verb
1. door kopen verwerven
ceannaigh
verb
ball
verb
1. aan land gaan
faigh
noun
3. talent
éirimiúlacht
verb
3. café
caorán
noun
1. datgene wat iets tot gevolg heeft
réasún
verb
caol
verb
foghlaim
verb
1. iemand voorzien met de gevraagde goederen
lón
verb
1.
taitin
noun
briocht
noun
  1. 5. bezoek
    domhan
  2. 3. een loop of tred voorafgaand aan een sprong, duik, enzovoort
    ruthag
  3. 4. een inleiding
    réamhghiotán
verb
5. een bepaalde kleur krijgen van opwinding of koude
deil
noun
déantús
noun
adhantaí
verb
  1. 1. een bepaalde substantie produceren
    meas
  2. 3. doen branden
    tuirling
verb
agóid
adjective
andóchasach
noun
1.
anuaill
verb
  1. 2. zich bekend maken met gebruikersnaam en wachtwoord
    logáil isteach
  2. 1. zich opgeven
    sainréim teanga
verb
caorán
adjective
1. goed uitziend, van een zekere schoonheid
caithiseach
verb
1. moed inspreken
spreag
noun
1. het inspreken van moed
spreagadh
noun
1. het aanmelden als bemanningslid op een schip
comhrac
noun
foshuíomh
verb
8. in dienst nemen
bain úsáid as
/ˈaːneːmər/
noun
1. iemand die een (bouw)werk uitvoert tegen een bepaalde prijs
conraitheoir
noun
admháil
noun
1. manier van aanpakken
ionsaigh
verb
  1. 3. een probleem oplossen
    pléigh le
  2. 1. aanvatten
    urghabh
/ˈaːmpɑsə(n)/
verb
  1. 2. aantrekken om te passen
    dathúil
  2. 1. aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken
    oiriúnaigh
noun
2. het zich aanpassen
ceartú
noun
1. affiche
postálaí
noun
1.
airle
verb
1. raad geven om iets te doen
abhcóide
verb
1. fysiek contact maken met iets
bain do
noun
1. het aanraken
bain do
noun
2. een persoon, in de regel van het mannelijke geslacht die iemand anders aanvalt om seksuele redenen
éigneoir
noun
2. aanval
ruaig
noun
1. vaste tafel met kastjes langs keukenwand
cuntar
verb
1. iemand iets aangeven
lámh
verb
  1. 2. de schuld geven van
    a
  2. 1. een bepaalde prijs vragen bij een aankoop
    costas
verb
1. veroorzaken, met name van schade
réasún
verb
1. aan een draad rijgen
snáithe
verb
3. een subprogramma uitvoeren
glaoigh
noun
1. de keer dat men vraagt om steun en bijstand bij een hogere macht
gairm bheatha
verb
1. aanraken
bain do
noun
aicseam
verb
1. kopen
ceannaigh
noun
1. de handeling van het kopen van iets
ceannach
verb
1. scherper maken
faobhraigh
verb
1. licht raken
créacht
verb
1. ambtelijk schrijven naar
deachtaigh
verb
  1. 7. blaffen
    amhastraigh
  2. 4. waarderen
    luacháil
  3. 1. tegen iets slaan
    treo
  4. 3. in beslag nemen
    urghabh
noun
  1. 4. terroristische aanval
    aimsiú
  2. 1,2 het aanslaan van iets
    bain do
  3. 5. korst van afgezet vuil
    taisc
noun
1. kalenderjaar waar een belastingaangifte betrekking op heeft
bliain airgeadais
verb
1. een onderwerp ter sprake brengen
tosaigh
/ˈanslœytɪŋ/
noun
cleamhnas
verb
1. besmeren
smearadh
verb
1. het eerste stuk er afsnijden
bain
adjective
1. verantwoordelijk, om vergoeding of betaling aangesproken kunnen worden
faoi dhliteanas
noun
freagracht
noun
adhlacóir
verb
1. bevallen
le do thoil
noun
1. de mate waarin iemands stemming, mening of gedachte gemakkelijk op anderen overgaat
gabhálacht
verb
  1. 1. doen ontbranden
    adhain
  2. 4. besmetten met een begin van rotting
    galraigh
noun
1. apparaatje om vuur te maken
lastóir
verb
1. benoemen
ceap
noun
1. iemand die zich aanstelt
cáithnín
noun
deasaigh
noun
1. benoeming in een functie, dienst etc.
coinne
adverb
1. binnen zeer korte tijd
ar ball
verb
1. een ergernis
múisiam
verb
cuimil
noun
1. een telbare hoeveelheid
uimhir
verb
1. (langzaam) beschadigen, aangrijpen
cuir isteach ar
noun
ríomhaire glúine
noun
2. klein formaat bundel onbeschreven papier die men bij zich draagt om opmerkingen in op te schrijven
ríomhaire glúine
verb
1. opschrijven om te onthouden
nótáil
noun
nótáil
verb
1. aantrekken
cuirt ort
verb
2. de finishlijn halen
críochnaigh
adjective
1. bekoorlijk
caithiseach
verb
  1. 1. dankzij een kracht objecten naar zich toe doen bewegen
    aom
  2. 3. kleding aandoen
    cuir ar
noun
1. het elkaar aantrekken van massa, de kracht die dingen met massa naar elkaar laat bewegen
caithis
verb
2. accepteren, in bezit ontvangen
glac
noun
glacadh
noun
1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven
ionsaí
verb
ionsaigh
noun
  1. 1. iemand die aanvalt
  2. 2. een persoon in de voorste linie
ionsaitheoir
adjective
1. bekoorlijk
caithiseach
noun
1.bekoorlijkheid, bevalligheid meestal van kinderen en jonge vrouwen
briocht
noun
tosach
verb
1. beginnen, starten
tosaigh
adjective
1. in het begin
iniseal
verb
ceist
verb
1. vegend reinigen
scuab
adverb
gaolmhar
noun
1. werkwoordswijs van mogelijkheid
foshuiteach
/ˈanvulə(n)/
verb
  1. 2. met het gevoel begrijpen
  2. 3. het genoemde gevoel geven
  3. 1. gevoel hebben voor, bij intuïtie begrijpen
airigh
noun
  1. 1. het aanbrengen
  2. 2. het aangebrachte
lón
noun
1. een bevelhebber, een leider
ceann
verb
  1. 2. aanbrengen, naartoe transporteren
    lón
  2. 1. bevel voeren over
    tiomnú
noun
scaradh
noun
1. weg waarover mensen en goederen een gebied of plaats kunnen bereiken
bealach rochtana
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
iarr
noun
1. een papieren of elektronisch blad waarin men de benodigde informatie dient in te vullen voor het aanvragen ergens van
iarr
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
iarr
verb
1. verzoeken, min of meer officieel
iarr
/ˈanvʏlə(n)/
verb
1. het ontbrekende bijvoegen
folíon
noun
slánú
verb
brostaigh
verb
2. sterker worden
breisiú
/'a:nwɑsən/
verb
1. toenemen, aangroeien
breisiú
verb
1. gebruik maken van
úsáid
noun
1. hebbelijkheid
béas
adjective
i láthair
noun
1. het aanwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
fianaise
verb
1. door wijzen tonen
cuir in iúl
noun
3. inlichting of voorschrift over hoe men moet handelen
teagasc
noun
1. iets nieuws dat erbij komt
aicseam
verb
1. ten laste leggen
a
noun
1. iemand die anderen stimuleert om bepaalde dingen te gaan doen
teilgeoir
noun
meas
noun
saol
/ˈanzuk/
noun
1. verzoek
achaine
/ˈanzœʏɣə(n)/
verb
1. door zuiging of ventilatie een stof in de richting van de zuiging doen bewegen
análaigh
noun
1. het door het veroorzaken van een negatieve druk iets naar zich toe trekken
análú
verb
1. door toevoeging van een kleine hoeveelheid zuur de zuurgraad verlagen
aigéadaigh
verb
1. toenemen in omvang, luidheid of intensiteit
mórtas
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
moncaí
noun
  1. 1. bloeiwijze van granen
  2. 2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
croithleog
/aːrt/
noun
1. wezen, natuur, karakter
spiorad
noun
miotal cré-alcaileach
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
práta
/ˈardɑˌpəɫpyˈre/
noun
1. een puree van zeer fijn gemaakte, met melk aangemengde aardappels
brúitín
/\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
sú talún
noun
1. bepaald soort plant, Arbutus unedo
caithne
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
crith talún
noun
domhan
/ʔardbɔl/
noun
leaba dhearg
/ˈardə/
pronoun
Domhan
/ˈardə/
noun
1. planeet
domhan
adjective
chomh dubh le pic
adjective
1. van aarde gemaakt
criaga
verb
  1. 1. zich thuis voelen, wennen, gewoon worden
    airigh
  2. 5. ~ naar
    téigh le
noun
ceirmeacht
/artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
gás nádúrtha
/ˈart.ɦɔ.mɔɫ/, /ˈart.ɦɔ.məɫ/, /ˈaːrd.hɔ.məl/
noun
1. benaming voor insecten uit vier nauw verwante soorten hommels, Bombus (Bombus), die hun nest onder de grond hebben
beach fhiáin
/ˈar.dəx/, /ˈar.dəχ/, /ˈaːr.dɪx/
adjective
1. aangenaam in omgang
cineálta
/ˈar.dəx/, /ˈar.dəχ/, /ˈaːr.dɪx/
adverb
  1. 2. zeer, veel
    a lán
  2. 1. aangenaam
    duiniúil
noun
  1. 1. het prettige, het bevallige
    aer
  2. 2. grapje
    cleas
noun
1. kleine attentie of gift die iemands waardering of genegenheid uitdrukt
cleas
noun
1. de aarde, de blauwe planeet
leaba dhearg
noun
geolaíocht
noun
amhlabhrach
/ˈartpɪːr/
noun
bepaald soort zonnebloem, Helianthus tuberosus
bliosán gréine
noun
1. de aarde met alles wat zij bevat
leaba dhearg
/ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
tíreolaíocht
noun
geografaí
adjective
1. betrekking hebbende op de aarde, tot de aarde behorend
domhanda
noun
1. een plotselinge aardbeving
crith talún
noun
seilide
noun
1. zeer zwakke aardbeving
creathán
/ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
arcán talún
noun
1. bepaald soort altijd groene heester die zich met wortelvezels aan de omringende omgeving vasthecht, Glechoma hederacea
eidhneán talún
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
sciorradh talún
noun
domhaneolaíocht
noun
agaill
noun
1. en 2. (blaadjes van) de plant Mentha spicata
cartlainn gharraí
noun
anas
noun
1.
athán
prefix
ard-
/ˈaːrz.bɪz.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪs.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪz.dɔm/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
ard-deoise
/ˈaːrzbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
ardeaspag
noun
1. rooms-katholieke priester met bijstand van de aartsbisschop als taak
ard-deagánach
/ˈaːrz.di.jo.ˌses/, /ˈaːrʦ.di.ʲo.ˌses/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
ard-deoise
noun
1. een hemelgeest in een rang boven een engel
ardaingeal
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
ard-diúc
noun
ardathair
adjective
1. aarzelend
leadrán
noun
  1. 1. speelkaart
    cíoná
  2. 2. dood dier
    ablach
  3. 1. lokmiddel
    móinéar
noun
bailitheoir
/'as.xir/
noun
  1. 1. bepaald soort roofvogel, Neophron percnopterus
    amach
  2. 2. iemand die profijt probeert te halen uit de tegenslag van iemand anders
    badhbh
noun
1.
ablach
noun
1.
bailitheoir
/ˈɑbɑkʏs/
noun
  1. 1. raam met staven
  2. 2. dekplaat van een kapiteel
abacas
/a.bɑ.ˈtwaːr/, /ɑ.bɑ.ˈtβ̞ar/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
seamlas
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
giorrú
noun
ab
noun
1. een ophoping van pus in het lichaam, daarbij een onnatuurlijke holte vormend
easpa
/ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
  1. an abcáisis
  2. Abcáisis
noun
tabhairt suas
verb
1. afstand doen van de troon, aftreden als vorst
tabhair suas
/ɑbˈdɛɪ̯/, /ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
mainistir
/ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
  1. ban-ab
  2. banab
noun
abdóman
/ˌɑbdoʊmiˈnaːɫ/
adjective
1. de onderbuik betreffend
abdómain
verb
1. van de middellijn af bewegen
fuadaigh
noun
wegvoering
fuadach
/abəl/
adjective
1.
in ann
noun
iomrall
pronoun
Aibisín
verb
adhfhuathaigh
/aˈbɪp/
noun
1.
Áibíb
adjective
niet levend
aibitheach
/ˈɑb.laut/, /ˈɑp.lɔut/, /ˈɑp.lʌut/
noun
1. regelmatige, grammaticaal bepaalde klinkerwisseling
ablabht
adverb
1. ongewoon
mínormálta
/ɑbomɪˈnabəl/
adjective
bijzonder slecht
adhfhuafar
noun
adhfhuafaireacht
adjective
fairsing
noun
flúirse
/ɑbɔ'ne/
noun
1. iemand die op iets geabonneerd is
foscríobhaí
noun
liostáil
/ɑbɔ'nerə(n)/
verb
1. een abonnement aangaan
foscríobh
noun
1. oorspronkelijke bewoner van Australië
Bunúsach
verb
1. een foetus weghalen
beir go hanabaí
/ɑ'bɔrtəs/
noun
ginmhilleadh
adjective
1.
Abrahámach
noun
1. (medisch) schaafwond, afkrabbing
scríobchaitheamh
noun
aibreog
/ɑp'rʏpt/
adverb
1. onverwachts optredend
tobann
noun
1. de afstand tot de opstaande as van een coördinatenstelsel
aibsíse
noun
1.
asláithreacht
/ɑp'sɛnsi/
noun
asláithreacht
/ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
apsaint
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
mormónta
noun
1. Cucullia absinthii
mormónta
/ɑpso'lysi/
noun
1. het vergeven van de zonden
aspalóid
/ɑpso'lyt/
adjective
  1. 1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
  2. 2. volledig, volkomen
  3. 3. beslist, zeker
  4. 4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
absalóid
/ɑpsɔr'berə(n)/
verb
súigh
noun
1. absorptielijn
líne ionsúcháin
noun
lánstaonadh
/ɑp'strɑksi/
noun
1. een begrip dat los staat van de dagelijkse werkelijkheid
teibiú
verb
1. concretiseren
achomaireacht
/ɑb/, /ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
ab
/ˈɑpt.sχɑp/
noun
ambt of ambtsduur van een abt
abacht
/aˈbœys/
noun
botún
adjective
fairsing
noun
1. in ruime mate aanwezig of voorhanden zijn
flúirse
noun
acadamh
/ɑkɑ'demis/
adjective
acadúil
noun
acantas
verb
cearn
noun
1. toename van de snelheid
luasghéarú
verb
luathaigh
noun
  1. 1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
  2. 2. een teken dat op een klinker kan worden geplaatst
aiceann
verb
aiceannaigh
/ɑk.sep.ˈtaː.tʃi/
noun
1.
glacadh
/ɑksɛp'terə/
verb
  1. 1. aanvaarden
  2. 2. aannemen, graag ontvangen
glac
/ɑksiˈdɛnt/
noun
  1. 1. ongeval, ongeluk
  2. 2. een incidentele wijziging van toonhoogte
timpiste
adjective
aimseach
noun
1.
ceadú
noun
1. voorzieningen ten behoeve van ...
ciútraimintí
verb
1. gelegenheid bieden
dídean
verb
1. begeleiden vooral in de muziek
comóir
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
cairdín
noun
1. iemand die zijn beroep maakt van het inrichten en controleren van boekhoudingen en administraties
cuntasóir
noun
1.
fuilleamh
noun
1. een toestel om elektriciteit op te slaan
bailitheoir
noun
1. ophoping van stoffen
tiomsú
noun
1. toestel dat de opeenhoping van elektrische lading mogelijk maakt
bailitheoir
verb
tiomsaigh
noun
1. een ester of zout afgeleid van azijnzuur
aicéatáit
noun
1. kleurloze, vluchtige, sterk riekende vloeistof die als oplosmiddel wordt gebruikt met als chemische formule: C₃H₆O
aicéatón
/ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
aicéitiolcoilín
/ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
  1. 1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
  2. 1&2.1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
aicéitiléin
/xxxx/
noun
1.
aigéad aicéitiolsalaicileach
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
Aichill
cardinalNumeral
1. het getal 8
ocht
/ˈɑxtbaːn/
noun
1. een attractie met een karretje dat over een baan met bochten, stijgingen en dalingen rijdt
rollchóstóir
adjective
1. zonder de vereiste belangstelling of zorg
anaireach
noun
1. gebrek aan aandacht voor mogelijke problemen
leibideacht
adjective
1. respect verdienend
oiriúnach
cardinalNumeral
1. het getal 28
fiche a hocht
preposition
taobh thiar
adverb
1. in de laatste of een van de laatste posities in een rangschikking, op een verder weg liggende plaats
ar chúl
adverb
1. na afloop
ina dhiaidh sin
noun
1.
cúlsráid
/ɑxtər'bɑks/
adjective
1. stiekem, stom
críonna
noun
1. de bank in het achterste deel van een voertuig
suíochán deiridh
noun
codhlatacháin
noun
2.het vlees van het achterste kwart van slachtvee
ceathrú deiridh
noun
1. het achterste deel van het dek van een schip
lárbhord
noun
1. indruk dat iemands houding of gedrag ongunstige bedoelingen verhult
bain do
adjective
amhrasach
adverb
as a chéile
noun
1. het achterste deel van een voorwerp dat een voorkant en achtereinde heeft
ceathrú deiridh
noun
3. de tweede begiftigde, legataris
bean ionaid
/ɑ'xtərxevəl/
noun
1.
cúlbhalla
noun
1. de indirecte oorzaak van actualiteiten
cúlra
/ɑxtər'ɦalt/
adjective
1. niet langer van toepassing, niet langer als nuttig erkend
seanchaite
noun
1. een van de beenderen van de schedel
ocsapatach
/ˈɑxtərkɑnt/
noun
cúl
noun
1. kwaadsprekerij achter iemands rug om
míchlú
noun
1. streek die geografisch verder weg ligt, maar economisch verbonden is met een voorliggende streek of stad
cúlchríoch
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
fág
noun
1. lamp(en) aan de achterkant van een voertuig
cúlsolas
adjective
  1. 3. afkeurenswaardig, stompzinnig
    ar gcúl
  2. 1. achterstand vertonend in de ontwikkeling
    mallintinneach
noun
1. achterstand in sociaal-culturele ontwikkeling
ráiméis
noun
1. achterste begrenzing van het speelveld
bonnlíne
/ɑxtər'na/
adverb
1. iemand of iets volgend
ar deireadh
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
sloinne
adjective
1. niet op tijd
ar deireadh
adjective
ar deireadh
verb
1. iets of iemand te laag waarderen, of in een ongunstige positie plaatsen
fo-ordaigh
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Deireadh na Loinge
noun
1. de achterzijde van een schip
deireadh
noun
1. een tuin aan de achterzijde van een huis
gairdín cúil
adverb
1. in achterwaartse richting
ar gcúl
verb
1. door schrik of angst terug gaan
cúlaigh
verb
1. slechter worden
aife
noun
1. een spiegel aan een auto of motorfiets waarmee men de situatie op de weg achter zich kan zien
scáthán siar
verb
ar ais
verb
2.verslechteren, verminderen
díghrádaigh
/'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
iarmhír
noun
tóir
noun
1. de achterste muur van een gebouw of vertrek
cúlbhalla
noun
1. achterste deel
taobh thiar
noun
aisiompaigh
noun
1. een vorm met acht hoeken
ochtagán
/ɑxt'ɦukəx/
adjective
1.
ochtagánach
suffix
coth-
noun
1. aanzien
ardmheas
adjective
1.
ochtagánach
noun
ochtú
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
ocht déag
/ˌasidiˈtɛɪt/
noun
1. de zuurgraad, geeft aan hoeveel H+ er in een oplossing voorkomt
aigéadacht
noun
aigéadóis
noun
aicne
noun
1. in de Rooms-katholieke Kerk een misdienaar die ouder is dan 16 jaar
acalaí
noun
2. de verwerving van klanten door een bedrijf
aicseam
pronoun
1. braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noord van het land. Hoofdstad is Rio Branco
Acre
noun
1. oude oppervlaktemaat
acra
noun
1. gymnast
cleasaí
noun
acrainm
noun
1.
aicrileach
noun
1. een organisch zuur
aigéad aicrileach
/ɑkˈtør/
noun
1. persoon
aisteoir
noun
comhrac
noun
1. de afstand die iets af kan leggen
réim
noun
1. Scheikundig element
achtainiam
noun
1. iets waarmee men actief is
fuadar
noun
1. bedrijvende vorm
faí ghníomhach
noun
1. vrouw
aisteoir mná
verb
achtáil
noun
achtáil
noun
achtúire
/ɑktyˈwel/
adjective
sruth
noun
1.
snáthaidpholladóir
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
snáthaidpholladh
adjective
aerach
/aˈdaɣijʏm/
noun
1.
abairt
pronoun
Ádhamh
/ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
úll na brád
verb
oiriúnaigh
/aˈdɑr/
noun
1.
Adár
noun
1. bijlage
aguisín
noun
  1. 1. gifslang
  2. 2. persoon
nathair
noun
1. verslaving
andúil
noun
agús
adjective
1. toegevoegd
breise
noun
1. bevoorrechte groep personen
uaisle
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
iolar
noun
1. de groep van mensen die van edele afkomst is
uaisleacht
noun
1.
tiarnas
/adəm/
noun
anáil
/ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
análaigh
/ˈa.də.ˌma.lə(n)/
verb
1. door levende wezens inblazen en uitblazen van lucht om zuurstof te krijgen
análaigh
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
riospráid
noun
1.
anáil
noun
1. de route die de lucht volgt naar de longen
aerbhealach
noun
1. goedaardig klierweefselgezwel
adanóma
noun
1. virus dat verkoudheden veroorzaakt
adanaivíreas
noun
1. de mate waarin iets of iemand voldoende is om een bepaald doel te bereiken
leorgacht
noun
1. bloedvat met zuurstofarm bloed
  1. cuisle
  2. féith
verb
síog
/ˈadərlatə(n)/
verb
fuiligh
noun
1.
greamú
/ɑtˈhezi/
noun
  1. 1. een vergroeiing van organen
  2. 2. onderlinge aantrekkingskracht tussen ongelijke moleculen zonder dat er sprake is van een chemische binding
greamú
adjective
aidiabatach
noun
beannacht Dé leat
noun
1. van een persoon dat hij te veel vet heeft
beathaitheacht
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
aidiacht
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
aidiacht
noun
aidiúnach
noun
1.
maorsháirsint
noun
cúntóir
/ɑtmənɪstra'tør/
noun
  1. 2. iemand die namens de eigenaar een onderneming o.i.d. beheert
    bainisteoir
  2. 1. iemand die de administratie
    riarthóir
/ˌɑtminɪsˈtrasi/, /ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
1. de plaats waar gegevens zorgvuldig worden vastgelegd zodat ze later terug te vinden of te controleren zijn
riarachán
noun
bainisteoireacht
noun
riarthóir
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
aimiréal
noun
1. veel voorkomende vlinder met rode strepen
aimiréal dearg
noun
aimiréalacht
noun
1. toelating, vergunning
admháil
noun
1. jeugdig persoon, puber
déagóir
pronoun
Adónas
noun
  1. 1. schone jongeling
    Adónas
  2. 3. splant met grote alleenstaande bloem
    Adónas bliantúil
  3. 2.
    gaige
noun
uchd-mhacachd
verb
1. aanbidden, verafgoden, vereren
adhair
/aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
seoladh
noun
1. kaartje waarop de naam, adres, telefoonnummer en emailadres van iemand staan vermeld
cárta gnó
verb
1. Iets toezenden
seoladh
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
Muir Aidriad
/ɑd.zɔr.ˈbeː.rə(n)/, /ɑt.sɔr.ˈbɪː.rə(n)/
verb
1. aantrekken, aan de oppervlakte binden
asúigh
noun
1. een fenomeen dat optreedt aan het grensvlak van twee fasen, waarbij moleculen of atomen zich aan dit grensvlak hechten
asú
noun
1. toelichting
díonmhar
adjective
d'aosaigh
/ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis    2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
Aidbhint
noun
1. toevallig ergens gekomen zonder dat daar natuurlijke oorzaken voor zijn
aidbhinteach
noun
fógróir
noun
  1. 1. een gegeven raad
    airle
  2. 2. bericht
    fógra
/ɑtfiˈzerə(n)/
verb
1. raad geven aan
abhcóide
noun
1. raadgever, raadsman
comhairleoir
noun
1. pleiter, verdediger in rechtszaken
  1. dlíodóir
  2. abhcóide
noun
1. de verzameling van alle advocaten
abhcóideacht
/eˈɛːa/
pronoun
1. mytisch eiland
Aeia
noun
1. vliegveld
aeradróm
noun
aeraidinimic
adjective
aeraidinimic
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die een toon voortbrengen door een trillende luchtkolom
aerafón
noun
een kleine, op basis van lucht werkende verfspuit
aerdhathadóir
adjective
1.
aeróbach
/ˌæːroˈzol/, /ˌɛːroˈzɔɫ/
noun
2. scheikunde
aerasól
adjective
slachtmhar
adverb
1. op onregelmatige tijden
anois agus arís
noun
1. het onvermogen te spreken
afáise
verb
pictiúr
noun
1. een grafisch beeld
pictiúr
verb
1. een besteld iets afzeggen
cealaigh
noun
1.
aisíoc
verb
1. iets afsluiten door er een touw of koord omheen te binden
cuibhrigh
/ˈɑvblɑfə(n)/
verb
1. door bejegening met ruwe woorden van zich afschrikken
drantán
noun
1. materiaal dat overblijft na de afbraak van iets
clábar
noun
bris
verb
1. van richting veranderen
deil
noun
tuirlingt
noun
1.
araoid
/ˈɑf.dɛ.kə(n)/, /ˈɑv.dɛ.kə(n)/
verb
1. iets over iets anders heen plaatsen
cumhdaigh
noun
1.
bainisteoir
verb
1. door onderhandelen een prijs omlaag zien te krijgen
conradh
verb
  1. 2. een sieraad of kledingstuk afleggen
    bain de
  2. 4. minder belangrijk maken
    beagaigh
  3. 3. ten einde brengen, niet langer werkzaam of geldig zijn
    críochnaigh
verb
1. door dragen afslijten
caith
noun
1. resultaat van het afdrukken
prionta
verb
2. (op papier) weergeven d.m.v. een printer of een drukpers
clóbhuail
noun
1.
clóbhuail
noun
1.
fán
verb
  1. 2. via de wet of regels iets bewerkstelligen
    cuir i bhfeidhm
  2. 2. onweerlegbaar iets bewerkstelligen
    tiomnú
noun
cásáil
noun
3. het toewijzen van een baan
garraí scóir
verb
cuir isteach ar
noun
1. genegenheid, liefde
grá
/ɑfiniˈtɛit/
noun
  1. 1. een geestelijk verwantschap
  2. 2.
  3. 3.
cleamhnas
noun
1.1 bepaald soort sierplant, Asphodelus albus
lus caisil
/ˌɑfriˈkat/
noun
1. een combinatie van twee medeklinkers, waarvan de eerste een plosief...
aifricéad
noun
achasán
verb
achasán
noun
carráiste gunna
verb
1. naar beneden gaan
ísligh
adjective
1.
pictiúr
/'ɑfxəˌlɑstə(n)/
verb
1. de opdracht geven om iets niet door te laten gaan
cealaigh
/ɑfxəlegə/
adjective
iargúlta
verb
1.
dínasc
/ˈɑfɣevə(n)/
verb
  1. in te delen vertalingen
    bí ag clamhsán
  2. 1. achterlaten op de plek van bestemming
    fuascail
  3. 2. bij aanraking een substantie afscheiden
    rith
verb
slachtmhar
adjective
1. saai, alledaags, overbekend
seanchaite
noun
1. iemand die als officiële vertegenwoordiger naar een andere partij gestuurd wordt
eachlach
preposition
1. buiten beschouwing latend
diomaite de
/ɑf.ˈxan/, /ɑf.ˈχan/
noun
1. Afghaanse windhond
Afganastánach
/ɑf.ˈxans/, /ɑf.ˈχans/, /ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
Afganastánach
/ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
  1. An Afganastáin
  2. Afganastáin
noun
caith
/ɑfxodə'rɛi/
noun
íolacht
verb
1.
cuir ar féarach
verb
1.
ag triall ar
noun
1. een gevoel van ontzetting en afkeer
adhfhuath
/ˈɑfxrɔnt/, /ˈɑfχrɔnt/, /ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
aibhéis
/ˈɑfxɵnst/, /ˈɑfxʏnst/
noun
1. gevoel
formad
adjective
1. iemand niet gunnen dat die iets heeft dat men zelf wil hebben
éad a bheith agat/ort
verb
1. goederen die klaargelegd zijn in bezit komen nemen
tóg
verb
1. ~ van: naargelang iets verandert mee veranderen
braith
adjective
spleách
noun
spleá
verb
1. een draad waarmee men genaaid heeft zo vastmaken dat hij niet meer los kan schieten (ook figuurlijk gebruikt)
ancaire
verb
1. iemand verlossen van een last; iemand ergens van bevrijden
ligean
verb
1. het afwerken van de zijkant van een breiwerk
caith lúb anuas
verb
1. een voorstel verwerpen
eitigh
verb
1. niet geschikt verklaren
eitigh
verb
1. een idee stelen van iemand
cóip
verb
1. afdalen waarbij men ook de handen moet gebruiken
tuirling
/'ʔɑfkulən/
verb
1. kouder worden
fuaraigh
verb
cnoga
noun
1.
bain
verb
1. kortere versies voor veelgebruikte woorden of woordgroepen bedenken
giorraigh
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
giorrú
verb
1. vernietigend beoordelen
feann
/ˈɑf.krɛɪ̯.ɣə(n)/, /ˈɑf.krɛɪ̯.χə(n)/, /ˈɑf.krɛː.ɣə(n)/
verb
1. erin slagen iets te voltooien
críochnaigh
verb
1.
críochnaigh
verb
1. ophouden, stoppen, uitscheiden
coisc
verb
  1. 2. afstand overbruggen
    araoid
  2. 4. van het lichaam doen
    bain de
  3. 5. doen, volbrengen
    caith
noun
2. nieuwe plant die ontstaat waar takken van de moederplant de grond raken
sraith
noun
1. een gebeurtenis of activiteit die de gedachten op iets anders richt
cur isteach
verb
1. brengen naar en achterlaten op de plek van bestemming
fuascail
noun
1. elk onderdeel van een tv-serie dat op regelmatige tijden wordt uitgebracht of uitgezonden
clár
noun
1. het aflezen van iets
léitheoireacht
/ˈɑflop/, /ˈɑfloːp/
noun
6. Rand in drukwerk
fuiligh
/ˈɑflopə(n)/, /ˈɑfloːpə(n)/
verb
  1. 1. eindigen
    críochnaigh
  2. 3. klinken van alarmsignaal
    cró troda
verb
1. de plaats innemen van
fuascail
verb
1. ongemerkt luisteren naar de communicatie van anderen
cúléist
verb
1. iets tot voltooiing brengen
críochnaigh
verb
folmhaigh
verb
1. de sessie binnen een programma beëindigen
logáil amach
verb
1. van de monsterrol schrappen zodat iemand niet meer een bemanningslid van een schip is
folmhaigh
verb
1. een project voltooien door de laatste montagewerkzaamheden te verrichten
críochnaigh
noun
1. het minder worden
laghdú
noun
1. korte spreuk met een kernachtige boodschap
nathán
verb
1. ontnemen
bain
verb
1. duidelijk aangeven waar het ene eindigt en het andere begint
imchruth
/'ɑfpɑsə(n)/
verb
1. nauwkeurig afmeten
barra
verb
1.
sceall
verb
piocóid
verb
1. iets goedkoper maken
laghdaigh
noun
1.
greasáil
verb
1. een pak slaag geven
gread
noun
1.
failpeadh
noun
eangach léarscáile
verb
1. een aankoop of schuld betalen
díol
noun
1.
measarthacht
verb
3. rennend verwijderen
teith
verb
1. door middel van oefening voor iets geschikt maken
treoraigh
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
  1. an Afraic
  2. Afraic
noun
1. bewoner van Afrika of iemand die uit Afrika afkomstig is
Afracach
/afriˈkaːns/
adjective
1. komende van of betreffende het continent Afrika
Afracach
/afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
  1. Afracáinis
  2. Afracáinise
verb
1. van planten de blaadjes of vruchten met een wrijvende beweging verwijderen
lom
noun
1. een verkeersweg waarlangs men naar beneden van een autoweg of autosnelweg af kan rijden
slí amach
verb
2. vervolmaken, afmaken
críochnaigh
verb
2. door een rottingsproces verloren gaan
lobh
verb
1.
cruinn
noun
1. iets dat een teken is van, of een gevolg van iets anders
scáth
verb
1. tot een einde brengen
scrios
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
beannacht Dé leat
verb
3. een apart (kerk)genootschap of aparte staat gaan vormen
dealaigh
noun
folmhaigh
verb
1. door een scheurbeweging van een groter geheel losraken
deoir
verb
2. het bijzonder snel afkoelen van een heet voorwerp door het in een koelvloeistof te dompelen
cosc
verb
1. het schuin afwerken van de rand van een materiaal.
faobhar beibhealta
verb
tabhair suas
noun
1. geologische breuk
milleán
noun
1. wand die men gebruikt om twee ruimtes van elkaar te scheiden
déan pionsóireacht
noun
1. hevige afkeer
fuath
verb
1. iets weigeren aan te nemen
ísligh
/ˈɑfslɑxtɪŋ/
noun
1. het zinloos vermoorden van mensen op een gruwelijke manier
eirleach
noun
1. een uitrit die van een snelweg afvoert
bealach amach
verb
1. met een spaan room of schuim verwijderen
scinn
verb
  1. 3. iets door veelvuldig bespelen bederven en onbruikbaar maken
    caith
  2. 2. tot het einde toe spelen
    críochnaigh
  3. 1. afdraaien
    seinn
  4. 4. zich ~: gebeuren
    tarlaigh
verb
frithchaith
noun
athmhachnamh
noun
1. een overeenkomst
coinne
noun
2. belofte van twee verliefde mensen om elkaar op een bepaalde tijd en plaats te ontmoeten
coinne
noun
sliochtach
noun
1. de genetische voorgescheidenis van een individu, volk of soort
tuirlingt
/ˈɑfstɑnt/
noun
  1. 1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
    achar
  2. 2. opgeven van een aanspraak
    dearadh
noun
1. het ergens niet emotioneel bij betrokken zijn
fuacht
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
cianrialtán
noun
cianrialtán
/'ɑfstɛlə(n)/
verb
1. regelbare parameters zo kiezen dat een toestel voor een bepaald doel gereed is
sceallán
noun
ceartú
/'ɑfstɛmə(n)/
verb
  1. 3. bij stemming verwerpen
    eitigh
  2. 1. op de juiste toonhoogte brengen
    tiúin
verb
1. ontdoen van stof
púdráil
verb
3. herkennen als niet lichaamseigen en dan met een ontstekingsreactie uit het lichaam verwijderen
eitigh
noun
1. een kracht die twee voorwerpen zich van elkaar doet verwijderen.
éaradh
noun
1. straf die iemand ondergaat na iets verkeerds te hebben gedaan
pionós
verb
1. de buitenste laag ergens vanaf halen, met name de vacht van een dier
climir
verb
1.
céimí
verb
1. door botsen stuiten zonder dat iets doorboord wordt en verdergaan in een andere richting
athléim
verb
1. slechter worden
aife
noun
craobh
verb
  1. 1. een lijn of markering op materiaal tekenen
    dreach
  2. 2. met een handtekening verklaren dat een handeling volbracht is
    fógra
verb
  1. 1. dalend tellen tot aan het moment dat iets volgens plan gebeuren moet
  2. 2. door tellen nauwkeurig afpassen
scór
verb
1. uitgeput raken door veel zorgen en werk
cuir imní ar
noun
1. het weggaan
cúlaigh
verb
1. een bepaalde positie of een bepaald ambt opgeven
éirigh as
verb
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
dealaigh
/ˈɑftrɛksəɫ/
noun
1. een vloeistof waarin men de oplosbare delen van iets heeft laten oplossen
bain
noun
tiomnú
noun
1. wegvaren van de wal van een vaartuig
imeacht
noun
1. onbruikbare resten die weggegooid worden
dríodar
noun
1. bak waar het afval in wordt gedeponeerd totdat de vuilnisdienst het ophaalt
bruscar
noun
1. een berg gemaakt van afval
carnán
/ˈɑfɑlɦop/
noun
1. archeologie
carnán bruscair
adjective
1. niet trouw of loyaal aan
aindílis
noun
1. het ontrouw worden aan zijn geloof
athchreideamh
verb
cuir tús le
verb
1. met een doekje of papiertje vuil weghalen
cuimil
noun
folmhaigh
verb
deireadh
noun
2. middel om de darmen en daarmee het hele lichaam te reinigen
purgóid
verb
  1. 1. zich ~: zichzelf een vraag stellen
  2. 2. zich ~: vraagtekens plaatsen bij
ionadh
noun
dúil
adjective
in-nite
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
miasniteoir
/'ɑfwɑsə(n)/, /'ɑfʋɑsə(n)/, /'ɑfβ̞ɑsə(n)/
verb
[1] het schoonmaken van de vaat, zoals, messen, vorken, lepels, borden
anspülen
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
miasniteoir
noun
1. het sop waarin met het eetgerei schoonmaakt of -gemaakt heeft
uisce soitheach
verb
1. overtollig water afvoeren
draein
noun
1.gebied waaruit het water wordt afgevoerd via een bepaalde waterweg
abhantrach
noun
antashubstaint
verb
1. op de wei rondlopen om voedsel te zoeken
cuir ar féarach
verb
múin
/ɑfwɛrəkɪŋ/
noun
2
bailchríoch
adjective
2. geestelijk afgeleid
dearmadach
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
asláithreacht
noun
2. lichamelijk gebrek of het niet volledig bij het verstand zijn
aimhrialtacht
verb
1. een negatieve beslissing ergens over nemen
eitigh
/'ɑfʋɛɪzɪŋ/
noun
1. een bericht dat op een voorstel of aanzoek niet ingegaan wordt
dearadh
verb
2. een bepaalde zaak geheel afhandelen
socraigh
noun
2. afhandeling van een bepaald zakelijk of technisch proces
rialacháin
/ˈɑfʋɪsələ(n)/
verb
1. om en om plaatsvinden
ailtéarnaigh
/ˈɑfʋɪsəlɪŋ/
noun
1. variatie
athruithe
verb
1. aangeven dat men niet gaat komen
cealaigh
noun
1. iemand die iets naar een adres verzendt
seoltóir
noun
díol
noun
1. materiaal dat uit een vloeistof neerslaat op een vast voorwerp
dríodar
noun
1.
bithiúnach
verb
  1. 9. tot afstand dwingen
    (Ceannaire) do briseadh amach
  2. 11. afnemen
    bain de
  3. 8. uitschakelen
    cuir as
  4. 4. eieren leggen
    eochraí
  5. 6. bezinken
    taisc
noun
1. gesteente dat ontstaan is uit verweringsmateriaal dat later weer ergens anders is neergeslagen
carraig dríodair
verb
  1. 2. lijden, ongemak doorstaan
    cuir suas le
  2. 1. besluiten iets niet te doen
    lig ó
adjective
neodrach
/ˈɑfˌsɔnd(ə)rən/
verb
2. afscheiden
deighil
/ˈɑfsɔndərɪŋ/
noun
1. het afzonderen
deighilt
adjective
deighil
noun
1.
aeráil
verb
1.
cas as
noun
1.
dearadh
noun
1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
agáit
noun
1.
carthanacht
noun
1.
éan suirí
noun
1. benaming voor vetplanten uit het geslacht Agave
agáibhe
/a.ˈɣɛn.da/, /a.ˈχɛn.da/
noun
  1. 1. een notitieboek waarin afspraken genoteerd worden
    dialann
  2. 2. een lijst van te bespreken punten op een vergadering
    féilire
/aɤ'ɛntsxɑp/
noun
1. lokale vertegenwoording van een grotere organisatie
gníomhaireacht
noun
gníomhaireacht
noun
1. opwinding
suaitheadh
verb
múscail
noun
1. iemand die ten aanzien van het bovennatuurlijke stelt dat dit niet te kennen valt
agnóisí
adjective
agnóisíoch
noun
  1. agrafóibe
  2. uamhan sráide
noun
feirmeoir
adjective
1. aanvallend
ionsaitheach
noun
1. aanvaller
ionsaitheoir
noun
talmhaíocht
/aɣriˈmoni/
noun
1. benaming voor overblijvende, kruidachtige planten uit het geslacht Agrimonia
airgeadán
noun
1. de landbouwkunde
geilleagar talmhaíochta
/a.ˈhɔrn/
noun
1. een boom of heester van het geslacht Acer.
mailp
noun
síoróip mhailpe
noun
1. drievingerige zoogdier
aimhleisce
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
SEIF
noun
1. bepaald soort watervogel, Egretta garzetta
éigrit
noun
comharthaí
noun
1. een apparaat dat voor airconditioning zorgt
aerchóiritheoir
noun
1. met een vliegtuig verzonden post
aerphost
noun
1. klein, eenvoudig vliegveld vaak zonder een verharde landingsbaan
aerpháirc
/aʔyˈbe/
interjection
le do thoil
adjective
argail
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
Aachen
/'akər/
noun
  1. 2. vrucht van de eik
    breall
  2. 1. koperen of ijzeren emmertje, dat men aan een touw neerlaat om water te putten
    buicéad
/ɑkəˈfitɕə/
noun
1. karweitje
réadán
noun
1. afgeperkt stuk land dat bestemd is bebouwd te worde met een gewas of graan
ceantar
noun
ar
noun
talmhaí
noun
1. een stuk bewerkte grond waarop cultuurgewassen zoals graan of suikerbieten worden verbouwd
acra
noun
broimín
noun
  1. 1. overeenkomst
    aontas
  2. 2. samenklank van drie of meer, verschillende tonen
    corda
noun
1. mededeling dat men iets goed vindt, dat men ergens toestemming voor geeft
ceadú
/ˌakusˈtik/
noun
1. de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting ...
acústaic
adjective
acústach
adverb
1. reeds
cheana
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Alagoas
noun
alainín
/alɑrṃ/
noun
aláram
/ɑlɑr'merən/
verb
1. door alarm oproepen of bijeenroepen
aláram
noun
1.
aláram
/ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
  1. Albáinis
  2. Albanés
/ɑlˈbaːni.jə/, /ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
  1. Albáin
  2. an Albáin
noun
albastar
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
albatras
noun
ailb
noun
het ontbreken van pigmentkleurstof in de huid
ailbíneachas
noun
albam
noun
1. in water oplosbaar eiwit dat veel in bloed voorkomt
albaimin
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
ailceimic
noun
ailceimiceoir
noun
ailceimiceoir
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
alcól
adjective
1. alcoholhoudend
alcólach
noun
1.
alcólach
noun
alcólach
adverb
1. in de eerder genoemde plaats
ansin
noun
aildéad
adverb
  1. 2. volgens
    dar le
  2. 1. zo, op deze manier
    mar sin
noun
Engels bier
leann
conjunction
le hucht
pronoun
1. keten van vulkanische eilanden in Alaska ,die zich boogvormig uitstrekt en een scheiding vormt tussen de Grote Oceaan en de Beringzee
Oileáin Ailiúit
/aˈlɛrt/, /əˈlʏːrt/
adjective
1. oplettend
airdeallach
/ˈɑlfa/
noun
1. een aanduiding of markering van "de eerste" van een reeks
alfa
noun
de lettertekens van een taal
aibítir
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
aibítre
noun
1. ontkiemde zaden van luzerne
alfalfa
/ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
ailgéabar
noun
comhchoiteann
/ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
Ailgéir
/ɑɫˈxiːrs/, /ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
Cathair na hAilgéire
adverb
1. in deze plaats
anseo
conjunction
1. leidt een toegeving in waarvan de hoofdzin de geldigheid wegneemt
cé go
/aliɑs/
adverb
1. anders gezegd, ook wel genaamd
ailias
/aliɑs/
noun
1. een bijnaam
ailias
noun
1. het geheel van rechte lijnen, bogen en overgangsbogen waarmee de as van een verkeersweg, spoorbaan of waterweg is gedefinieerd in drie dimensies
ailíniú
verb
1. met elkaar in overeenstemming brengen; zorgen dat iedereen op één lijn zit
ailínigh
noun
1. het op één lijn brengen
ailíniú
noun
1. eetbare zeeslak
faocha
noun
ailiúnas
/aˈlinija/
noun
alt
noun
1. een rood pigment
alasairin
/ɑlk/
noun
1. bepaald soort zeevogel die veel op de zeekoet lijkt, maar een dikkere snavel heeft
crosán
noun
alcán
noun
alcaile
noun
1.
alcaileach
adjective
met betrekking tot alkali
alcaileach
noun
1. een stikstof bevattende plantenbase
alcalóideach
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
Allah
/ˈɑlə/
indefinitePronoun
1. elke, geen, uitgezonderd
uile
cardinalNumeral
1. alle twee
araon
adjective
gnáth-
adverb
1. iedere dag; een gewone niet bijzondere dag
gnáth-
/ɑl.ˈen/
adjective
1. zonder gezelschap
aonraic
/ɑl.ˈen/
adverb
1. slechts
ach
noun
1. een bonte verzameling
meascán
noun
fáthchiall
/ɑ.ˈlɛl/, /ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
  1. ailléile
  2. ailléil
indefinitePronoun
gach rud
indefinitePronoun
gach
/ˈɑlən/
cardinalNumeral
hoofdtelwoord
ar fad
/ˈɑlən/
indefinitePronoun
1. alle
ar fad
noun
1. stof die overgevoeligheid veroorzaakt
ailléirgin
/ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
ailléirge
adjective
1. overgevoelig
ailléirgeach
indefinitePronoun
il-
/ɑlərˈmɪnst/
adjective
1. bijzonder gering
íosta
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
gach rud
noun
1. een bondgenootschap
comhaontas
/ɑˈlɪxt/
adverb
1. zeer waarschijnlijk
is dócha (go)
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
ailigéadar
noun
uaim
noun
1.
uaim
adjective
  1. 2. (van gesteenten) zich bevindend op een andere tectonische plaat na een overschuiving
    aindíleasach
  2. 1. uit een ander land of plaats afkomstig
    allúrach
noun
1. iemand die van elders afkomstig is
eachtrannach
noun
1.
allafón
/ˌɑ.lo.tro.ˈpi/
noun
1. scheikundig verschijnsel
allatrópacht
noun
1. artistieke toespeling of zinspeling
ailléideach
adjective
glárach
/ɑˈlʏvijʏm/
noun
1. los materiaal (regoliet) dat als sediment door een rivier is afgezet
glár
/ɑɫmɑxt/
noun
1. absolute macht, macht over alles
uilechumhacht
adjective
mórchumhachtach
noun
almanag
adverb
1. overal, onder velen
i ngach áit
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
aló
noun
1. bepaald soort succulent, Aloe vera
aló íceach
noun
1. bepaald soort zoogdier Vicugna pacos
alpaca
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
  1. Na hAlpa
  2. Alpa
noun
1. een van hout vervaardigd blaasinstrument met een lengte tot vier meter
alpchorn
adjective
Alpach
noun
beiré
adverb
gan mhoill
/ɑls/, /ɑs/
conjunction
  1. 3. in de hoedanigheid van
    chomh
  2. 2. indien
    dá
  3. 1. wanneer
    nuair
phraseologicalUnit
1. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
fad a bhíos an cat amuigh bíonn na luchain ag rince
noun
1. benaming voor planten van het composietengeslacht Artemisia
mormónta
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
le do thoil
conjunction
1. en ook
agus
adverb
1. toch nog
ar fad
conjunction
1. luidt een vergelijking in
amhail is
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
le do thoil
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Altóir
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
altóir
/ɑltərnaˈtif/
noun
1. een andere mogelijkheid of methode
rogha
noun
ailtéarnóir
verb
1. (elkaar) min of meer regelmatig afwisselen
ailtéarnaigh
conjunction
1. geeft in het tweede gedeelte meer specifiek aan wat er bedoeld wordt
ar aon nós
adverb
  1. 1. op elk moment, blijvend
  2. 2. telkens opnieuw
  3. 3. in elk geval
i gcónaí
noun
altrúchas
noun
1. altsaxofoon
altsacsafón
noun
1. een teken geplaatst op de derde lijn van een balk dat aangeeft dat deze een c weergeeft
eochair altach
noun
1.
alt
noun
1. altviolist
vióladóir
/ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
vióla
noun
1. aluminiumoxide
alúmana
/alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
alúmanam
adverb
faoi ​​láthair
/ˌɑɫveˈol(ə)/
noun
1. wetenschappelijke benaming voor longblaasje
ailbheolas
noun
gilín
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
paincréas
conjunction
1. luidt een handeling in die in de tijd voorafgaat aan die van de hoofdzin
le hucht
adverb
arís
noun
  1. 1. kleine bladverliezende loofboom, Amygdalus dulcis
  2. 1. eetbare pit van de amandelvrucht
almóinn
noun
crann almóinní
noun
lus Oilealla
noun
1. of 2. (zaden van) geslacht Amaranthus
amarantas
noun
éimear
noun
1. narcisachtige sierplant meest bekend is de Amaryllis Belladonna, ze heeft een lange stengel en een paar grote bloemen
amairillídí
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
amaitéarach
pronoun
An Amasóin
noun
1. een handwerkvak dat vaak aanzienlijke vaardigheden vereist
lámhcheardaíocht
noun
ceardaí
noun
ceardaí
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
ambasáid
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
ambasadóir
noun
1. vrouwelijke vorm van ambassadeur
ambasadóir
noun
2.
ómra
adjective
1. vervelend, onprettig
bearránach
adjective
comhdheas
adjective
1. vol van de wens en het vertrouwen om iets te bereiken
aidhmeannach
noun
ambróise
adjective
oifigiúil
noun
1. de macht van de ambtenaren
maorlathas
noun
1. iemand die een gelijkt beroep of ambt beoefent
athghin
noun
1.
gúna
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
otharcharr
verb
1.
leasaigh
noun
1. het uitblijven van de menstruatie
aimhíostrú
noun
aimeiriciam
/aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
Meiriceá
noun
  1. 1. een persoon die in Amerika woont
  2. 2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
Meiriceánach
adjective
1. betreffende of komende van Amerika
Meiriceánach
noun
1. vrouwelijke inwoner van Noord- of Zuid-Amerika
Meiriceánach
pronoun
1. gebarentaal gebruikt door 500 duizend mensen in de VS en Canada
TCM
noun
1. Bubo virginianus
mórulchabhán cluasach
noun
1. Ursus americanus, een zwarte berensoort die in Noord - Amerika leeft.
béar dubh Meiriceánach
noun
1. een vaak prachtig violet gekleurde vorm van kristallijn kwarts, die kleine hoeveelheden titaan en ijzer bevat
aimitis
noun
1. in water en op land levend dier
amfaibiach
adjective
1. geschikt zowel voor in het water als op het land
amfaibiach
adjective
1.
amfaiteireach
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
Ámáiris
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
Ámáiris
adjective
cairdiúil
noun
cara
noun
aimíd
noun
1. een organische verbinding die kan worden beschouwd afgeleid te zijn van ammoniak...
aimín
noun
aimínaigéad
noun
amóinia
noun
1. een chemische verbinding van stikstof en waterstof
amóinia
noun
amóiniam
noun
carbónáit amóiniam
noun
1. NH₄NO₃, het ammoniumzout van salpeterzuur
níotráit amóiniam
noun
armlón
noun
1. geheugenverlies
aimnéise
noun
1. een verklaring dat afgezien zal worden van strafvervolging voor een bepaalde groep
maithiúnas
noun
1. lamsvlies, het binnenste der eivliezen van het embryo in het moederlichaam
aimnín
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
aiméibe
noun
  1. 1. het gerechtelijk afschrijven
  2. 2. aflossing
fuascailt
verb
bodhraigh
/aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
  1. Ámós
  2. Leabhar Ámós
adverb
1. nauwelijks
ní móide
noun
aimplitiúid
noun
1. de uitslag van een slinger- of golfbeweging
aimplitiúid
noun
teascadh
noun
aimpéar
noun
1. stroommeter
aimpmhéadar
/ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
Amstardam
noun
1. iets waarmee men zich vermaakt
áibhéar
noun
amaláis
noun
amalós
adjective
1. met betrekking tot de darmuitgang van de mens
anasach
noun
1. synthetische steroïde afgeleid van het mannelijk geslachtshormoon testosteron
anabalach
adjective
1. betrekking hebbend op of gerelateerd aan het anabolisme
anabalach
noun
1. opbouw bij de stofwisseling waarbij simpele stoffen omgezet worden tot chemisch ingewikkeldere stoffen
anabalacht
adjective
1. weefselopbouwend
anabalach
noun
ancaire
noun
anacrónachas
/ɑnakroˈnɪstis/
adjective
1. niet passend in de tijdsvolgorde of in de periode waarin het wordt gepresenteerd
mí-aimseartha
/anaˈkɔnda/
noun
1. zeer grote en zware wurgslang uit het geslacht Eunectes
anacanda
adjective
1.
anaeróbach
noun
1. seks waarbij de anus en het rectum een rol spelen
gnéas tóna
noun
anaileipteach
noun
1. iemand die niet kan lezen of schrijven
neamhliteartha
adjective
1. niet in staat om teksten te lezen
ainléannta
noun
1. het voorkomen van mensen die niet kunnen lezen of schrijven
neamhlitearthacht
noun
1. een pijnstiller
anailgéiseach
noun
anailísí
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
analach
/ˌɑnəˈloːx/
adjective
1. overeenkomend met
analógach
/ɑnɐ'liːzə/
noun
anailís
verb
1. gedetailleerd en nauwkeurig bekijken
anailísigh
adjective
anailíseach
noun
1. een vrucht van de ananasplant
anann
noun
ainrialachas
noun
ainrialaí
adjective
1. betrekking hebbend op anarchisme
ainrialta
noun
1. een vaatverbinding, het aan elkaar verbinden van twee vaten
anastamóis
noun
coinnealbhá
noun
anatamaíocht
noun
1. een persoon die kennis draagt van de (menselijke) anatomie
anatamaí
adjective
sinsearach
pronoun
An Andalúis
pronoun
An Andalúis
adjective
1. niet deze
eile
noun
1. diegene die je niet zelf bent
eile
adverb
1. (maar) aan de andere kant
ar an lámh eile
pronoun
Na hAindéis
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
Andóra
adjective
1. van/uit Andorra
Andórach
noun
1. iemand die afkomstig is uit Andorra
Andórach
noun
1. mannelijk geslachtshormoon
andraigin
pronoun
  1. 1. mythologische figuur
  2. 2. sterrenbeeld
Andraiméide
adjective
1. aan bloedarmoede lijdend
anaemach
/ɑnəmon/
noun
1. een plant van het geslacht Anemone
anamóine
noun
1. geneeskundige die is gespecialiseerd in het verdoven van patiënten die een operatie of een pijnlijk, belastend onderzoek moeten ondergaan
ainéistéisí
noun
  1. 1. het orgaan waarmee wespen, bijen en soortgelijke dieren steken
    cealg
  2. 2. een vishaak
    duán
/ɑŋəl'sɑksis/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die tussen ca. tussen 400 en 1100 werd gesproken en die geldt als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels
Angla-Shacsanach
noun
1. hartkramp, pijn op de borst
aingíne chléibh
noun
angagrafaíocht
noun
1.
angagrafaíocht
noun
angagram
noun
angaplaiste
noun
Anglacánach
noun
Anglacánachas
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Engels of gevormd naar Engels voorbeeld
Béarlachas
pronoun
1. een taalvariëteit van de Normandische taal die werd gebruikt in Engeland en, in mindere mate, elders in de Britse eilanden tijdens de Anglo-Normandische periode
Angla-Normannach
/ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
  1. Angóla
  2. Poblacht Angóla
noun
gabhar angóra
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
eagla
adjective
gránna
noun
1. een angst veroorzakende droom
tromluí
adjective
anbhách
adjective
beacht
adjective
gránna
noun
fuarallas
pronoun
Angaíle
adjective
1. watervrij (zonder water)
ainhidriúil
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
ainís
noun
is een bloemdragende plant die behoort tot de schermbloemenfamilie Umbelliferae of Apiaceae
ainís
noun
1. het zaad van de anijsplant
síol ainíse
noun
anailín
noun
beochantóir
verb
1. opmonteren, opvrolijken
spreag
noun
ainian
/ˌɑniˈonis/
adjective
1. met negatief geladen deeltjes
ainianach
adjective
1. van iets dat de eigenschappen niet in iedere richting dezelfde zijn
ainiseatrópach
noun
bándearg
noun
  1. 1. onderdeel van een vaartuig
  2. 2. muuranker
  3. 3. onderdeel van een uurwerk
ancaire
verb
1. het anker uitgooien met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen
ancaire
noun
acarsóid
pronoun
  1. 2. spelwoord voor de letter a
    Ailfrid
  2. 1. meisjesnaam
    Áine
/ɑny'lerə/
verb
1. iets afgelasten
cealaigh
noun
1. een uit de Bijbel afkomstige aankondiging van een engel aan de maagd Maria dat zij de zoon van God zou baren
Teachtaireacht an Aingil
noun
aisíoc
noun
1-2 scheikunde + elektronica
anóid
verb
1. een oppervlaktebehandeling om metalen te voorzien van een oxidelaag
anóidigh
noun
1. afwijking van organen
aimhrialtacht
adjective
1. naamloos
dí-ainm
noun
1. naamloosheid
díth ainm
adjective
1. niet tot de koolstofverbindingen behorend
neamhorgánach
noun
anocsacht
noun
ainseabhaí
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
Antartaice
noun
1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
aeróg
noun
1. hoge antenne-ondersteuningsconstructie
crann
noun
1. antenneversterking
sroich
noun
1. antennewinst
sroich
noun
1. een wormdrijvend middel
péistphurgóid
adjective
1.
frithbhaictéarach
noun
  1. antaibheathach
  2. frithbheathach
noun
Ainchríost
noun
1. een weinig spannende, soms teleurstellende ontknoping van het verhaal
frithbhuaic
noun
1. een stof die de bloedstolling vertraagt of tegengaat
antaithéachtach
/ˌɑntideprɛˈsivʏm/
noun
1. een middel tegen ziekelijke neerslachtigheid
frithdhúlagrán
noun
1. een tegengif
frithnimh
noun
ceannaí seandachtaí
noun
1.
ainteafanúil
noun
1. vers dat gezongen wordt als inleiding of afsluiting van een psalm
ainteafan
noun
1. lichaamsvreemde afweeropwekkende stof
antaigin
/ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
Antigua agus Barbúda
noun
1. een hoofdpersonage in een verhaal met niet de typerende positieve eigenschappen van een held
ana-laoch
noun
1. stof die de werking van de weefselstof histamine vermindert
frith-hiostaimín
noun
antashubstaint
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
na hAintillí
/ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
antalóp
noun
1.
frithdhamhna
adjective
1. (medisch) tegen ziekteverwekkers gericht
frithmhiocróbach
noun
1. aanhanger van een (politieke) beweging die tegen het leger is
síochánaí
noun
antamón
noun
1. stof die reacties tegengaat waarbij elektronen worden uitgewisseld
frithocsaídeoirí
adjective
1. anti-Joods, tegen het Joodse volk
frith-Sheimíteach
noun
antaiseipteach
noun
antaiseipteach
adjective
aiseipteach
noun
glóbailin imdhíonachta
noun
1.een middel dat gebruikt worden om de natuurlijke stollingsneiging van het bloed te onderdrukken
antaithéachtach
noun
1. het tegenovergestelde
fritéis
noun
antatocsain
noun
1. een stof die veelal aan koelwater wordt toegevoegd om het vriespunt ervan te verlagen om bevriezen ervan te voorkomen
frithreo
noun
1.
frithreo
noun
1. aromatische koolwaterstof, een bestanddeel van koolteer
antraicéin
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
adjective
clochghual
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
noun
1. een vorm aan steenkopl die hoge temperatuur heeft gehad
clochghual
noun
1. een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
antrasc
noun
antraipeolaí
noun
antrapamorfachas
/ˈantˌwɛrpə(n)/, /ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
1. een provinciehoofdstad in België
Antuairp
/ˈantwɛrps/, /ˈɑntʋɛrps/, /ˈɑntβ̞ɛrps/
adjective
1. van, uit, betreffende of als in Antwerpen.
Antuairp
/ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
freagra
/ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
freagair
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
anas
noun
1. angstgevoel
imní
/aˈɔrta/
noun
1. de slagader die van het hart naar het lichaam, behalve de longen, loopt
aorta
noun
1. (Parijse) gangster
bithiúnach
noun
1. lusteloosheid
dímhothú
adjective
fuarchúiseach
noun
2. onder het grondoppervlak groeiende peulvrucht
pis talún
noun
1. een eetlust opwekkende alcoholische drank die voor de maaltijd genuttigd wordt
greadóg
adjective
follasach
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
apacailipsis
adjective
apacailipteach
noun
1. wegval van slotklank
coimriú deiridh
adjective
1. niet als gezaghebbend erkend
apacrafa
noun
apaigí
adjective
1.
neamhpholaitiúil
noun
1. een mondelinge of schriftelijke verdediging van een persoon, zaak of leer tegen onrechtvaardige aanvallen
apalacht
noun
1. geprogrammeerde celdood
apaptóis
noun
1. afstand nemen van het geloof waarin men eerst aanhanger van was
athchreideamh
/ɑˈpɔstəl/
noun
  1. 1. leerling van Jezus
  2. 2. verkondiger van een nieuwe leer
aspal
noun
aspalacht
noun
aspalacht
adjective
aspalach
noun
  1. 1. afkappings- of weglatingsteken
  2. 2. aanspreking van afwezige personen of zaken
aitheasc
/apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
  1. poitigéireacht
  2. cogaslann
noun
dáileoir drugaí
noun
1. toepassing
aip
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
adhmad
noun
1. het geheel aan toestellen en toebehoor dat men voor een bepaalde taak benodigt
acmhainn
noun
1. een afzonderlijke woning in een groter gebouw
árasán
/ɑ.ˈpɛl/, /ɑ.ˈpɛɫ/, /ˈɑ.pəl/, /ˈɑ.pəɫ/, /ˈɑpəɫ/
noun
1. vrucht
úll
noun
1. boom waaraan appels groeien
abhaill
noun
1. grove appelmoes met stukjes appel
anlann úll
noun
achomharcach
verb
achomharc
noun
1. een moes van gekookte appels
anlann úll
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
  1. sú úill
  2. sú úll
/ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
oráiste
noun
1. een moes van gekookte appels
anlann úll
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
pióg úll
noun
1. alcoholhoudende drank gemaakt van vergist appelsap
ceirtlis
/ɑˈpɛndɪks/
noun
2. wormvormig aanhangsel
aguisín
noun
1. een bewuste waarneming
brathadóireacht
noun
1. eetlust
dúil
/[ɑpə'tɛitələk]/
adjective
blasta
/ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
bualadh bos
noun
1. toepassing
feidhmchlár
verb
bheith buíoch as
noun
ardnós
verb
críochnaigh
noun
ionsaigh
/ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
Aibreán
noun
1.
amadán Aibreáin
/ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
uisceadán
adjective
1. waterig
uiscí
noun
carr sleamhnáin
pronoun
1. Omotische taal die door 290 duizend mensen in Ethiopië wordt gesproken
Altóir
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
macá
/ɑ'rabis/
pronoun
  1. 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
  2. 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
Araibis
pronoun
Araib
noun
aracnafóibe
noun
1. Een inwoner van Aragon
Aragóinis
pronoun
1. taal gesproken in Aragon
Aragóinis
/araˈmes/
adjective
Aramais
pronoun
1.
Arainis
pronoun
1. Algonquintaal gesproken door duizend mensen in de staten Wyoming en Oklahoma in de VS
Arapachóis
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
obair
verb
1. werk verrichten
obair
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
sclábhaí
adjective
1.zonder arbeid
dífhostaithe
adjective
duine faoi mhíchumas
noun
obair
noun
1. de hoeveelheid arbeidskracht die aanwezig is in een land
fearchumhacht
noun
1.
obair
noun
measúnóir
adjective
ansmachtúil
pronoun
an Arcáid
verb
haiste
adjective
1. behorend tot of betrekking hebbend op een zeer oud tijdperk
ársa
noun
ársaíocht
/ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
seandálaíocht
noun
  1. aircív
  2. cartlann
noun
achtúire
noun
1. een eilandengroep
oileánrach
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
ailtire
noun
1. de bouwstijl van een gebouw
ailtireacht
/ɑrxivaːrɨs/
noun
1. een persoon die een archief beheert
cartlannaí
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
aircív
pronoun
1. naam voor het noordpoolgebied
Artach
adjective
Artach
adjective
1. extreem koud, behorend bij heel lage temperaturen
Artach
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
Aigéan Artach
noun
ár
noun
achar
noun
1. schouwtoneel ...
airéine
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Iolar
noun
1. roofvogel
iolar
noun
Airgintín
/ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
Airgintín
noun
argainín
noun
1. het plegen van bedrog of misleiding
meang
adjective
glic
noun
1. het arglistig zijn
meang
pronoun
2. vroeger gebruikte benaming van een groot sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Long
/ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
argón
/ˌɑrɣyˈmɛnt/
noun
  1. 1. een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
    argóint
  2. 2. een reden om iets te doen
    ciall
noun
argóinteacht
verb
1. met argumenten tot een conclusie trachten te komen
áitigh
noun
1. gekoesterd gevoel van verdenking
drochamhras
adjective
amhrasach
/arijaˈnɪsmə/
noun
1.
Airiasachas
adjective
1. dor en droog
tur
noun
1. een persoon die lid is van de aristocratie
uaslathaí
noun
1. het aantal variabelen waarvan een functie afhangt
nárthacht
noun
áirc
/ɑrṃ/
noun
1. lichaamsdeel
  1. géag
  2. lámh
noun
cumhdach
noun
1. sieraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
bráisléad
/ɑrˈmen/, /ɑrˈmeːn/
noun
1. een inwoner van Armenië, of iemand afkomstig uit Armenië
Airméanach
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
adjective
1. betreffende Armenië of het Armeens
Airméinis
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Armenië
  1. Airméinis
  2. Armenio
pronoun
cinedhíothú na nAirméanach
pronoun
1. taalfamilie van het Armeens, of de daarbinnen onderscheiden talen die ten zuiden van de Kaukasus worden gesproken
Airméanach
adjective
1. op een armoedige bekrompen manier
bocht
/ɑrˈmeni.jə/, /ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
  1. Airméin
  2. An Airméin
noun
1.
glas ascaille
noun
taca uillinne
/ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
bochtaineacht
noun
1. een hoeveelheid die men in één keer in zijn armen kan dragen
uchtán
/aruˈmens/
pronoun
1. een Romaanse taal die in de Balkan gesproken wordt
Arómáinis
noun
1. (aangename) geur van spijzen, dranken, genotmiddelen enz
dea-bholadh
/aroˈmans/
pronoun
1. een Romaanse taal die in de Balkan gesproken wordt
Arómáinis
noun
2. muziekbewerking
ceartú
verb
cuir caoi ar
noun
1. een aanhouding
coisc
noun
1. een aanhouding door de sterke arm der wet
coinneáil
verb
1. van overheidswege in hechtenis nemen
gabh
adjective
ainteann
noun
anuaill
/ˈɛrɔwru:t/
noun
1. meel van de pijlwortel dat vaak wordt gebruikt als bindmiddel voor voedsel.
ararút
noun
arsanaic
noun
1. stijlbeweging
Art Deco
noun
  1. 1. kunstvoorwerp of -product
  2. 4. een bewerkt voorwerp uit prehistorische tijd
  3. 5. een kunstmatig veroorzaakte misvorming; zelf toegebracht letsel
déantán
adjective
1. met betrekking tot de arteriën
artaireach
adjective
airtéiseach
verb
1. de uitspraakklanken zorgvuldig vormen
fuaimnigh
noun
ceardaí
noun
ceardaí
adjective
1. kunstmatig
saorga
phraseologicalUnit
intleacht shaorga
/ɑrˈtiːkəl/
noun
  1. 4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
    airteagal
  2. 1. een voorwerp dat te koop is
    earra
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
airtléire
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
bliosán
noun
1. gewrichtspijn
artrailge
noun
1. gewrichtsontsteking
airtríteas
noun
1. gewrichtsaandoening
artrapaite
noun
1. een aandoening van het gewrichtskraakbeen
oistéairtríteas
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
dochtúir
noun
1. geneesmiddel dat men inneemt
druga
/a.ˈru.ba/, /a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Arúba
noun
  1. 1. centrale staaf
    acastóir
  2. 2. lijn
    ais
  3. 3. deel van een plant
    coisc
  4. 1. verbrandingsrest
    luaith
/ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
luaithreadán
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
aispeist
pronoun
Oileán na Deascabhála
adjective
aiséitiúil
noun
aigéad ascorbach
adjective
1. volkomen bepaald door het toeval
fánach
adjective
1. vrij van ziektekiemen, kiemvrij
aiseipteach
noun
asfalt
noun
plúchadh
adjective
1. de grauwe kleur van as hebbend
fuinseach
noun
tearmann
pronoun
1. hoofdstad van Turkmenistan
Ashgabat
noun
1. een kant of zijde
dreach
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
asparagas
noun
iarrthóir
pronoun
1. een taal die in Assam, een staat in India, gesproken wordt
Asaimis
noun
1. toetsing
measúnacht
noun
1. vergadering van afgevaardigden; algemene vergadering
tiomsú
noun
tiomsú
verb
1. bouwen of maken door onderdelen samen te voegen of te monteren
cruinnigh
/ˈɑsəˌpustər/
pronoun
1. het meisje dat hoofdpersoon is het het gelijknamige sprookje
Luaithríona
/ɑsɛrˈtif/
adjective
forránach
noun
fógra
noun
comhshamhlú
noun
1. een persoon die ondersteunt
cúntóir
/ɑsɪsˈtɛntə/
noun
1. vrouwelijk persoon die ondersteunt
cúntóir
noun
cabhair
noun
comhchaidreamh
noun
páirtnéir
noun
amas
noun
táille árachais
verb
cuir árachas ar
pronoun
Aisiria
noun
astaitín
noun
1. scheikundig element met symbool At en atoomnummer 85
astaitín
noun
2. een bloem van de aster
astar
/ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
réalta
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
astaróideach
adjective
1. van een lens dat de kromming niet in alle richtingen gelijk is en dat een scherpe afbeelding dus niet mogelijk is
aistiogmatach
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
asma
adjective
1. last hebbend van astma
asmach
/ɑstrolo'gi/
noun
1. de leer die gebeurtenissen aan het hemelgewelf in verband brengt met gebeurtenissen op aarde
astralaíocht
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
astralaí
noun
réaltmhéadracht
/ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
spásaire
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
réalteolaíocht
noun
réalteolaí
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Asturië
Astúiris
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Asturias
noun
1. eerste dag van de vastentijd
Céadaoin an Luaithrigh
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
aimiréal dearg
noun
1. onverstoorbare staat die zich kenmerkt door vrijheid van zorgen, affectieloosheid en emotionele gelatenheid
ataraicse
/atɑkˈsi/
noun
1. een onzekere gang bij het lopen
ataicse
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
  1. Aithin
  2. Ataen
/ˌa.te.ˈjɪsmə/, /ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
aindiachas
/ˌa.te.ˈjɪst/, /ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
aindiachaí
adjective
1.
aindiach
/ɑtˈlɑntikʏm/
noun
Atlantach
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
An tAigéan Atlantach
pronoun
  1. 1. figuur uit de Griekse mythologie
  2. 2. gebergte in Noord-Afrika
Atlás
noun
  1. 1. een boek dat geografische kaarten bevat
  2. 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
  3. 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
atlas
/ɑtlet/
noun
1. iemand die grote prestaties op sportief gebied verricht
lúthchleasaí
noun
sporttak waarin vooral lopen, springen en werpen aan bod komen
lúthchleasaíocht
adjective
lúthchleasach
noun
  1. 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
  2. 2. een stemming.
  3. 2. eenheid.
aerbhrat
adjective
atmaisféarach
noun
atall
adjective
1.
adamhach
adjective
atonúil
noun
atonúlacht
noun
adamh
noun
1. een bom waarvan de vernietigingskracht berust op het vrijkomen van energie door de splitsing van atomen
buama núicléach
noun
uimhir adamhach
noun
1. de massa van een atoom, uitgedrukt in atomaire massa-eenheden (u), het waterstofatoom heeft een atoomgewicht van 1
meáchan adamhach
noun
núicléas adamhach
noun
clog adamhach
noun
1. de massa van een atoom, uitgedrukt in de atomaire massa-eenheid u
mais adamhach
noun
1. de kernlading van een atoom
uimhir adamhach
noun
  1. 1. deel van het hart
  2. 2. centraal vertrek
aitriam
noun
ceangaltán
noun
aoidh
noun
1. schriftelijk bewijs
teastas
noun
1. formele getuigenverklaring
dearbhú
adjective
áiléar
noun
1. houding
mana
noun
caithis
adjective
atractivo
noun
aitreabúideacht
/ɑtrɪbʏˈtif/
adjective
1. wanneer het voor een zelfstandig naamwoord geplaatst wordt
aitreabúideach
noun
4. tot het wezen (de entiteit) behorende eigenschap
aitreabúid
noun
págán
/obɛrˈʒinə/
noun
2. purperachtige, vlezige vrucht
ubhthoradh
adjective
onversaagd, durf, overmoed tonend
neamhnáireach
noun
fuaim
/ˈɑuˌdi<sup>j</sup>oɣrɑm/
noun
closghram
noun
1.
aimplitheoir
noun
1.
ágar
/aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
Lúnasa
noun
3. een grote gehoorzaal van een universiteit
halla éisteachta
adjective
1. met betrekking tot het oor of het gehoor
clos-
noun
1. luisteren naar lichaamsgeruis van bijv. hart of longen
cliabhéisteacht
/aʊ̯ˈstraːlɪs/, /ɔʊ̯ˈstraːlis/, /ʌʊ̯ˈstralis/
adjective
1. van Australië
Astrálach
/aʊ̯ˈstraːli.jə/, /ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
  1. an Astráil
  2. Astráil
/aʊ̯ˈstraːli.jər/, /ɔʊ̯ˈstraːli.jər/, /ʌʊ̯ˈstrali.jər/
noun
1. een inwoner van Australië
Astrálach
/ɑustro'nezis/
adjective
behorend tot groep van talen
Astrainéiseach
noun
átarcacht
noun
neamhthuilleamaíocht eacnamaíochta
/oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
údar
noun
cóipcheart
noun
barántúlacht
adverb
barántúil
/ʌuˈtɪsmə/, /ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
uathachas
/ʌuˈtɪstɪs/, /ʌˈtɪstɪs/
adjective
1. lijdend aan autisme
uathach
/ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
carr
adjective
1. met betrekking tot afweerstoffen gericht tegen de eigen lichaamsweefsels
uath-imdhíonachta
noun
mótarbhealach
noun
dírbheathaisnéis
adjective
dírbheathaisnéiseach
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
bus
adjective
1. oorspronkelijk in een bepaald gebied thuishorend
uatheascarthach
noun
uathlathas
adjective
uathlathach
noun
1. gemotoriseerd voertuig op vier of meer wielen
carr
noun
1. vakman die beroepshalve reparaties verricht aan en onderhoud doet van auto's
meicneoir
/aʊ̯.to.no.ˈmi/, /ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
féinriail
/ˌʌʊtoˈnom/
adjective
1. op zichzelf staand
féinrialaitheach
noun
scútar
noun
1. de overheid
údarás
noun
1. weg voor snelverkeer (dat sneller kan en mag rijden dan 60 km per uur), met gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen
mótarbhealach
noun
1. een weg waarop alleen gemotoriseerd verkeer zoals autos, motorfietsen en vrachtautos wordt toegelaten en waar voor dat verkeer toepasselijke voorzieningen zijn aangebracht
motárbhealach
/ɑu̯ˈtri.sə/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
banúdar
adjective
briathar cúnta
/ɑf/
noun
2.
Ab
verb
1.
airleacan
adjective
2. breien met de draad aan de voorkant van het breiwerk
lúb iompaithe
/avə'rɛi/
noun
damáiste
noun
drogall
noun
eitleoir
noun
aerloingseoireacht
/aˈvif/
noun
1.
Áibíb
/ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
  1. piorra
  2. abhcóide
  3. abhacád
/ˌavoˈkadobom/
noun
1. immergroene boom uit Midden-Amerika die de avocadoperen voortbrengt
abhacád
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
tráthnóna
noun
1. een maaltijd die 's avonds genuttigd wordt
suipéar
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
cuirfiú
noun
1. de maaltijd die men 's avonds nuttigt
dinnéar
noun
1. het warme eten dat men vroeg in de avond nuttigt
dinnéar
noun
clapsholas
pronoun
Véineas
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
eachtra
pronoun
1. Indische taal gesproken door 4,5 miljoen mensen in India en Nepal
Avaidis
adjective
1. de as betreffend of volgend, behorend tot de as
aiseach
noun
1. een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden
aicsím
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
Ayatollah
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
Aidhmearach
noun
1. sierstruik van het geslacht rhododendron
asáilia
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
  1. Asarbaiseáin
  2. Poblacht na hAsarbaiseáine
/aˈzeːri/, /aˈzɪːri/
pronoun
1. Turkse taal die door 22 miljoen mensen vooral in Azerbeidzjan, maar ook in Iran, Georgië en Turkije wordt gesproken
Asarbaidseáinis
noun
Áiseach
adjective
1. afkomstig uit of betreffend Azië
Áiseach
/aˈzɛɪn/, /aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
fínéagar
noun
1. CH₃COOH
aigéad aicéiteach
/azimɵt/
noun
1. horizontale hoek
asamat
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
  1. An Áise
  2. Áise
pronoun
Asóir
adjective
1. met een diepblauwe kleur
spéirghorm
noun
gorm
noun
2. afkorting voor de toonsoort
H
noun
  1. 2. de toonnaam
  2. 3. afkorting van “b-mineur”
h
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
bá
adjective
baise
noun
1. een stapel bijeengebonden plantaardig materiaal zoals hooi of tabak
liathróid
/baːn/
noun
  1. 6. bovenblad van aambeeld
    aghaidh
  2. 2. verkeersweg
    carrbhealach
  3. 5. strook materiaal
    climir
  4. 3. traject van een projectiel/hemellichaam
    conair
  5. 1. het werk
    jab
  6. 4. sportterrein
    slí
noun
1. een stuk spoor tussen twee punten
rannóg
noun
1. de mate waarin een voertuig contact heeft en houdt met de weg met name bij remmen,...
greamú
adjective
1. in gereed geld, cash
airgead tirim
/baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
  1. féasóg
  2. meigeall
adjective
maol
adjective
1. een (zware) baard dragend
féasógach
noun
3. bepaald soort vogel, Panurus biarmicas
meantán croiméalach
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
broinn
noun
1. smal en buisvormig gedeelte van de baarmoeder dat aan een kant in de vagina eindigt ...
ceirbheacs
noun
1. een vorm van kanker die zich in de baarmoederhals ontwikkelt
ailse cheirbheacs
noun
1. stekelvinnige riviervis
péirse
/baːs/
noun
1. overste, leider, chef
bas
noun
1. iets met een gunstig effect
brabach
adjective
1. inhalig
cóngarach duit féin
verb
1. gezellig praten over zaken van weinig belang
caislín
noun
cabaire
noun
1. jonge aantrekkelijke sexy vrouw
bean bhreá
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
babaí
noun
buidéal
noun
1.
feighlí leanaí
noun
ar ais
noun
1. een bacteriedodend middel
baictéiricíd
noun
baictéar
/bɑk'teridodənt/
adjective
1. desinfecterend
baictéiricíd
/bɑkteriɔfaɣ/
noun
1.
baictéarafagach
noun
1. een wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van bacteriën
baictéareolaíocht
noun
1. een wetenschapper die zich bezighoudt met de bacteriologie
baictéareolaí
/bɑt/
noun
1. voorwerp waarin men zich wast met water
dabhach
noun
1.
tuáille folctha
verb
  1. 1. een bad nemen
  2. 3. in bad doen
folc
noun
1. grote handdoek gemaakt van badstof om (delen van) het lichaam af te drogen na het wassen
tuáille folctha
noun
fallaing folctha
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
seomra folctha
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
culaith shnámha
noun
1. kledingstuk om in te zwemmen of te zonnen
culaith shnámha
/ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
dabhach fholctha
noun
garda tarrthála
noun
1. een sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
badmantan
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
culaith shnámha
noun
1.
Bá Baffin
pronoun
1.
Oileán Baffin
/ba.ˈɣaːʃ/, /ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
bagáiste
noun
1. schip dat gebruikt wordt voor het uitdiepen van waterwegen
crannóg
/ba.ˈha.mas/, /ba.ˈɦa.mas/, /bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
  1. Bahámaí
  2. Comhlathas na mBahámaí
/ba.ˈrɛɪ̯n/, /bɑx.ˈrɛːn/, /bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
Bairéin
noun
1. redding door de overheid van een bedrijf of land dat in financiële moeilijkheden verkeerd, door het geven van leningen tegen een lage rente
tarrtháil
noun
béar
/ˈbajəs/
noun
1. een gevangenis
bruig
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
Beaignit
/ˈbɑgbaˌnaːn/
noun
plantán
noun
1. de linkerzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
clébhord
noun
1. een markering, meer in het bijzonder gebruikt in de lucht- en scheepvaart...
baoi
/bakər/
noun
banaltra
noun
bunphointe
noun
1. deel van het baardhaar dat groeit vanaf de kaaklijnen tot aan de haargrens boven de oren.
féasóg leicinn
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
bácáil
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
báicéir
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
bácús
noun
1. Term voor het aantal dertien
dosaen báicéara
noun
1.
bácús
noun
1. een winkel waar bakkerijproducten verkocht worden
bácús
noun
oigheann
noun
1.
scilléad
noun
1. speciaal geprepareerd papier dat in de oven gebruikt wordt om te bakken etenswaar niet aan de bakplaat of de bakvorm te laten kleven
páipéar párach
noun
1. rijsmiddel op basis van natriumbicarbonaat
púdar bácála
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
bríce
adjective
bríce
noun
1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
liathróid
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
balaláice
verb
1. evenwicht behouden om er niet vanaf te vallen
fuílleach
noun
  1. 1. evenwicht
  2. 2. een meetapparaat met twee armen (bedoeld om het verschil te kunnen meten)
  3. 3. (economie) een volledige opsomming van de waarde van alle bezit en alle tegoeden en ...
fuílleach
adjective
1. wild, uitgelaten
macnasach
noun
1. stoffen overdekking als ornament, meestal boven een troon, altaar of hemelbed
ceannbhrat
pronoun
Na hOileáin Bhailéaracha
noun
boilg
noun
1.
báille
/bɑlk/, /bɑɫk/
noun
  1. 1. deel van een constructie met een lengte die veel groter is dan de breedte en de hoogte in doorsnede
    bíoma
  2. 2. veelvlak met 6 rechthoekige zijvlakken, 8 hoekpunten en 12 ribben
    ciúbóideach
/ˈbɑlkə(n)/, /ˈbɑɫkə(n)/
verb
1. het geluid van een ezel maken
béic
noun
1. een bouwkundig onderdeel
balcóin
noun
bailéad
noun
2. een damesschoen zonder sluiting en zonder hak
pumpa
noun
1. een artistieke dansvorm
bailé
noun
1. een man die ballet danst
damhsóir bailé
noun
cailín bailé
noun
!. gokspelletje
cleas na méaracán
noun
1. iemand die verbannen is
deoraí
noun
1. gedwongen verblijf elders dan waar men thuis is
deoraíocht
noun
1. leer die de banen van projectielen bestudeert
balaistíocht
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
balún
noun
1. een pen die de inkt met een bal of kogel op het papier overbrengt.
badhró
adverb
crosáil
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
peann gránbhiorach
noun
fínéagar balsamach
noun
balsam
verb
1. het prepareren van een stoffelijk overschot om het tegen ontbinding te beschermen
balsamaigh
noun
balsaimín
noun
gormshúileach
adjective
ceanndána
noun
1.huidplooi waarin de testikels liggen
bosán
pronoun
1. de nationale taal van Mali
Bambairis
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
bambú
noun
1. sneetje brood, meestal met beleg
ceapaire
noun
  1. 2. uitsluiting uit de kerkgemeenschap
    coinnealbhá
  2. 6. magisch lijkende invloed
    rith tinnis
noun
1. een vrucht van de bananenboom
banana
noun
1. de schil van een banaaan
craiceann banana
noun
1. ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
aerbhonn
noun
1. een schurk of misdadiger
tóraí
noun
1. apparaat waarmee men geluid kan vastleggen op magnetische tape
téipthaifeadán
noun
1. een toestel dat geluid opnam op een band magnetiseerbaar materiaal
téipthaifeadán
adjective
1. angst hebbend
eaglach
/ˈbɑŋɦɛːt/, /ˈbɑŋɦɛːɪt/
noun
  1. 1. toestand van schrik
  2. 2. het gauw bang zijn
eagla
/ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
Bhanglaidéis
noun
3. een financiële instelling
banc
noun
1. een betaalmiddel van papier
nóta
noun
féimheacht
/bɑŋ'kɛt/
noun
1. een feestelijke, officiële maaltijd
cóisir
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het vervaardigen van gebak, taart en andere lekkernijen
milseogra
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
baincéir
verb
1. de geldzaken regelen met een bank of financiële instelling
múr
noun
2. kleine zitbank of voetenbank
fearadh
noun
1. een rekening-courant bij een bank
cuntas bainc
/ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
deoraí
verb
coisc
noun
bean sí
noun
barbarach
adjective
  1. 1. zonder beperkingen opgelegd door beschaafd gedrag
    ainchríostúil
  2. 2. strijdig met zeden en gewoonten van de beschaafde, gecultiveerde samenleving
    barbarach
noun
1. de gruwelijkheid, wreedheid en achterlijkheid die zou passen bij onderontwikkelde mensen en volkeren
ainchríostúlacht
/ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
Barbadós
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in de middenlopen van rivieren, Barbus barbus
sprochaille
noun
1. een herenkapper die ook baarden bijwerkt
bearbóir
noun
1. Een slaapmiddel in de vorm van een barbituurzuur verbinding
barbatúráit
pronoun
  1. Barcelona
  2. Barsalóin
/bɑrt/
noun
1. middeleeuws dichter en zanger bij de Kelten
bard
verb
1. op de wereld brengen
beir
noun
Muir Barents
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
beiré
/bɑrx/
noun
1. gecastreerd mannetjesvarken
borra
noun
béarlagair
noun
bairít
noun
breith clainne
noun
bairiam
noun
1. bepaald type zeilschip met drie of meer masten
bád
noun
lainse
noun
buachaill tábhairne
noun
1. iemand die achter de bar staat en drankjes voor de gasten inschenkt
buachaill tábhairne
noun
1. iemand die achter de bar staat en drankjes voor de gasten inschenkt
buachaill tábhairne
/bɑrn/
noun
1. eenheid van oppervlakte in de atoomfysica, 10−28 m²
leanbh
noun
ómra
/ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
baraiméadar
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
barúin
noun
1. vrouwelijke baron
banbharún
noun
barúntacht
noun
  1. 2. dam
    damba
  2. 1. versperring
    fál
noun
cleite
noun
1. straatversperring die de doorgang door een straat onmogelijk maakt
baracáid
verb
1. het versperren van de doorgang door middel van een barricade of andere hindernis
bloc
noun
1. begrenzing, bescherming
fál
adjective
1. onverbiddelijk, onvriendelijk
garg
noun
1. het boos, lomp en onvriendelijk zijn
gairge
verb
1. heftig breken of uiteenspatten
pléasc
noun
buachaill tábhairne
pronoun
2. apocrief boek uit de Bijbel
Barúch
noun
1. vrouwelijke barkeeper, serveerster in een café
buachaill tábhairne
noun
rilíf íseal
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
basalt
noun
fuílleach
noun
  1. 1. stof die een of meer hydroxylgroepen bevat en in een waterige oplossing OH-ionen afsplitst
  2. 2. ion of molecuul dat de neiging heeft een proton op te nemen
bun
verb
neamhlómhar
/baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
basal
noun
baisleac
noun
3. fundament
bunsraith
adjective
1. werkend als een scheikundige stof die H+ ionen kan binden, of in water opgelost aanleiding geeft tot OH- ionen
alcaileach
noun
1.
cúlra
noun
1. de onbewerkte grondstof die men kan gaan bewerken om tot een product te komen
amh-
/ˈbazɪsxoɫ/
noun
1. een school voor lager onderwijs
bunscoil
noun
Bascach
/'bɑskən,lɑnd/
pronoun
  1. 2. regio waar Baskisch gesproken wordt
    An Tír Bhascach
    1. 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
    2. 3. Spaanse autonome regio
    1. An Tír Bhascach
    2. Tír na mBascach
noun
1. doel
cis
noun
  1. 1. sport
  2. 2. bal
cispheil
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
  1. Bascais
  2. Basco
verb
donnrua
noun
1. bekken met een ondoorlaatbare bodem waarin water opgelagen kan worden
dabhach
noun
1. contrabasspeler
dordóir
noun
1. een teken geplaatst op de vierde lijn van een balk dat aangeeft dat deze lijn een d weergeeft
dordeochair
noun
1. buitenste laag...
coirt
noun
1. een kind dat niet geboren is uit een wettig huwelijk
tabhartha
noun
crosanta
noun
donnóg
noun
1. stokslagen op de voeten of op de rug als bestraffing
failpeadh
noun
práta Spáinneach
noun
cathlán
noun
1. stokje dat een dirigent bij het dirigeren hanteert
smachtín
verb
2. geslachtsgemeenschap hebben
scriú
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
cadhnra
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
babún
noun
análú tarrthála
noun
análaitheoir
noun
1. kleine hond van een bepaald ras
pocadán
/'biːmən/, /bə'amən/
verb
1. bevestigen dat men het eens is met iets
daingnigh
adjective
is eagal le
verb
1.
cuir eagla ar
/bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
freagair
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
féasógach
adjective
flann
verb
1. een boete uitdelen aan een persoon
cáin
verb
1. met bomen bedekken
coilltigh
verb
1.
im
verb
  1. 1. vullen met gebouwen
    cruth
  2. 2. landbouwgrond bewerken
    rómhair
/bə.ˈbaʊ̯.wɪŋ/, /bə.ˈbɔʊ̯.β̞ɪŋ/, /bə.ˈbʌʊ̯.β̞ɪŋ/
noun
1. het construeren van een gebouw op een stuk land
déantús
noun
1. becijferde bas
dord figiúrtha
verb
  1. 2. door cijfers aanwijzen
  2. 3. (muziek) notaties door cijfers aangeven
amhlachas
/bɛd/, /bɛt/
noun
1. een meubel gemaakt om in te slapen
leaba
adjective
1. op leeftijd zijnd
seandaoine
adjective
1. rustig, kalm
státúil
noun
1. het dak van een gebouw
ceann
verb
  1. 2. weigeren aan te nemen
    aife
  2. 3. een lidmaatschap of abonnement opzeggen
    cealaigh
  3. 1. erkentelijkheid tot uitdrukking brengen
    gabh buíochas (le)
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
go raibh maith agat
/bə'darə(n)/
verb
2. kalm maken
calma
noun
cóir leapa
noun
1. een sierkleed voor over een bed
blaincéad
noun
1. de uitholling in het landschap waarin een stroom of beek zich voortbeweegt
leaba
noun
1. dringend verzoek
achainí
adjective
1. weinig assertief
faiteach
noun
1. het weinig assertief zijn; het slecht opkomen voor de eigen belangen
cotadh
/ˈbedəˌhœys/
noun
teach pobail
verb
1. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
cumhdaigh
noun
1. het bedekken van iets
araoid
noun
briocht
noun
1. een persoon die vraagt om geld zonder daar iets voor te doen
bacach
noun
1.
ord bocht
verb
1. bedekt zijn of worden met een dikke laag aarde of sneeuw
rabharta
verb
  1. 1. gedachten laten gaan over, denken over
    ceap
  2. 3. iets schenken aan
    cuimhne a bheith agat ar
  3. 2. door nadenken vinden
    cum
noun
1. iemand die iets ontworpen of bedacht heeft
aireagóir
noun
agó
noun
1. iets wat alleen maar door mensen is bedacht zonder dat het echt hoeft te bestaan
ficsean
noun
1. een proces van aantasting en verslechtering dat iets onbruikbaar maakt
meathlú
adjective
antaiseipteach
verb
  1. 1. iets kapot maken, beschadigen
    ballóg
    1. 2. verpesten, verknoeien
    2. 3. te veel verwennen
    3. 4. verrotten, oneetbaar worden
    loit
noun
oilithreacht
noun
oilithreach
noun
1. iemand die eten en of drinken brengt in een horecagelegenheid
cléireach
noun
2. iets of iemand die ervoor moet zorgen dat de wensen van een ander worden vervult
riarthóir
noun
  1. 1. de groep van personen die eten en of drinken brengen in een horecagelegenheid
    feidhmeannas
  2. 4. het toedienen van de sacramenten
    freastal
adjective
1. op een onaangename manier bemoeizuchtig
beachtaíoch
verb
1. alles op een precieze manier regelen voor andere mensen (heeft een wat ongunstige betekenis)
ceartaigh
noun
1.
buidéal te
/bɛdleɣərəɣ/
adjective
1. niet in staat uit bed te komen
cróilí
verb
  1. 1. met een woord of toespeling iets of iemand aanduiden of proberen aan te duiden
  2. 2. iets met een bepaald oogmerk doen
ceachartha
noun
fothragadh
verb
amadán
adjective
1. niet langer voor consumptie geschikt
millte
verb
1. iemand bedrieglijk in een waan brengen, gewoonlijk spelenderwijs
dallamullóg
noun
1.
áras fuail
noun
suim
verb
1. iemand met een mogelijk gevaar confronteren
bagair
adjective
sciliúil
verb
1. iemand met kwade opzet in de waan brengen
cúigleáil
noun
1.
aisiléireacht
adjective
fallásach
/bəˈdrɛɪ̯f/, /bəˈdrɛːf/
noun
  1. 4. in bedrijf stellen
    ar
  2. 1. organisatie, samenspel van mensen en middelen om producten en of diensten te leveren
    comhlacht
noun
bainisteoir
noun
bainisteoireacht
noun
1. min of meer zelfstandige afdeling van een bedrijf
deighilt
adjective
1. de mate waarin je erop kunt vertrouwen dat iets naar behoren functioneert; zonder storingen
iontaofa
noun
faí ghníomhach
/bəˈdrɛɪ̯vəχ/, /bəˈdrɛɪ̯vɪx/, /bəˈdrɛːvəx/
adjective
tot hard werken geneigd
saothrach
noun
corraí
noun
  1. 1. onderste laag van het aardoppervlak
  2. 2. zelfbeschadigingswond die de botten bereikt
buncharraig
adjective
1. verdrietige gevoelens koesterend
brónach
noun
1.
brón
verb
1. triest stemmen
buair
adjective
1. van iets dat men er droevig van wordt; van iets dat men zich er voor schaamt
aimléiseach
/bə'drɔx/
noun
1. het met kwade opzet misleiden van iemand
calaois
verb
clóbhuail
noun
am luí
noun
eagla
verb
1. ergens naar verwijzen
ceachartha
noun
1.
airigh
adjective
meath-thinneas
verb
1. bedriegen
dallamullóg
noun
1.1 Cimex lectularius, een parasitair insect
míol leapa
noun
1. aandoening waarbij men tijdens de slaap urineert
fliuchadh leapa
adjective
1. van iets dat men erdoor in slaap valt
meisciúil
verb
  1. 2. in bedwang houden
    ceansaigh
  2. 1. onderwerpen of onderdrukken
    coisc
/bek/
noun
1. stromend watertje
sruth
noun
1. bepaalde ondersoort van vissen die voorkomt in stromend water, Salmo trutta fario
breac
noun
  1. 3. frame
    cuir i bhfráma
  2. 1. driedimensionaal kunstwerk
    pictiúr
  3. 2. visualisatie
    íomhá
verb
1. uit steen een beeld vervaardigen
dealbhóireacht
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
dealbhóir
/'beltɦɑʊʋɛrk/
noun
1. een kunstwerk vervaardigd door het houwen van steen
dealbh
adjective
1. mooi alsof het een plaatje is
caithiseach
noun
scáileán
noun
íomháineachas
noun
1.
íomháineachas
/beːn/
noun
1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
cos
noun
1. een verkoper van vlees
búistéir
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
smior
/beːr/, /bɪːr/
noun
1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
  1. béar donn
  2. béar
/beːst/
noun
  1. 1. dier
  2. 2. benaming voor een mens, meestal een man, als men wild en dierlijk gedrag wil aangeven
ainmhí
adjective
ainmhí
/ˈbeːtʃjə/
noun
1. kleine hoeveelheid
blúire
verb
gabháil
verb
2. iemand een loer draaien, het slachtoffer van een streek maken
amadán
noun
biatas
adjective
1. op een goede manier bekend staan
cáiliúil
noun
1. bepaald soort lijster, Turdus torquatus
lon creige
adjective
1. met veel talent
tréitheach
noun
1. een bijzondere aanleg, een gave
bronntanas
verb
2. een plaats betreden
trácht
noun
1. verlangen
dúil
/bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
1. vergezellen
tionlaic
noun
tionlaic
noun
1. personen die iemand vergezellen of bewaken
tionlacan
verb
1. iemand geen straf geven die het wel zou verdienen
maith do
verb
1. sterk verlangen om iets te bezitten
dúil
adjective
1. vol verlanging iets te verkrijgen waar men vaak geen recht op heeft
dúilmhear
noun
1. het heel ergens naar verlangen
airc
verb
1. een gift geven
maoinigh
/bəˈχɪn/
noun
1. het eerste deel
tosach
verb
  1. 2. initiëren
    cuir tús le
  2. 1. aanvangen
    tosaigh
noun
tús
noun
1. regel waar je je in ieder geval aan wilt houden
prionsabal
noun
1. begintoon
fréamh
verb
1.
gloinigh
noun
1. alle glazen ruiten van een gebouw tezamen en alles wat direkt met de bevestiging van het glas te maken heeft
gloiniú
verb
brathadóir
noun
1. (plantk.) Begonia, een geslacht bloeiende planten uit de begoniafamilie
beagóinia
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
reilig
noun
1. een ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd
sochraid
/bəˈɣrafənɪsɔndərˌnemər/
noun
1. Een persoon die de begrafenis van overledenen verzorgt
adhlacóir
noun
1. een onderneming die zorgdraagt voor de begrafenis of crematie van een overledene
adhlacóir
verb
  1. 1. iets onder de grond stoppen
  2. 2. een overledene begraven
  3. 3. iets wegstoppen
adhlaic
noun
1.
sochraid
adjective
teoranta
verb
1. beperken, limiteren
cum
adjective
intuigthe
/bə.χrɛɪ.pə(n)/
verb
1. met het verstand vatten
tuig
noun
2. datgene wat men ergens onder verstaat of hoe men iets kent
coincheap
verb
1. bij de ontmoeting een teken van erkenning en welwillendheid geven aan iemand
Dé bhur mbeatha
verb
ráta
/bəˈɣrotɪŋ/
noun
1. raming van de te maken uitgaven voor de komende tijd
buiséad
noun
1.
éarlamh
noun
fabhraigh
/beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
cíochbheart
noun
1.
aiteas
adjective
1. bedekt met haren
clúmhach
/bə.ˈhaː.ɣə(n)/
noun
1. aan iemand welgevallig zijn
sásaigh
verb
1. een diploma of certificaat verwerven
sroich
preposition
1. met uitzondering van
ach amháin go
verb
  1. 3. medisch verzorgen
    cóireáil
  2. 1. verwerken
    lámh
  3. 2. bespreken, spreken of schrijven over
    pléigh
noun
1. ruimte waarin een (kleine) medische behandeling kan plaatsvinden
cur faoi scian
noun
1. ter versiering op de muur aangebrachte papieren bedekking
páipéar balla
verb
1. het bedekken van wanden met een laag papier
páipéar balla
noun
1. muurbedekking
ballapháipéar
noun
1. de verzameling haren die de huid van mens of dier bedekken
clúmh
/bə'her/
noun
1. het beheren van, de zorg en verantwoording voor eigendommen van derden
bainisteoireacht
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
riarthóir
verb
1. meester zijn, het gezag uitoefenen
ceansaigh
noun
1. iemand die iets beheerst
rialtóir
adjective
2.
abúil
verb
  1. 1. het beheer hebben over iets
  2. 2. iets leiden, besturen
bainistigh
noun
1.
cosantóir
adjective
1. op zijn of haar hoede om gevaar te voorkomen
aireach
noun
1. het voorzichtig en zorgvuldig zijn
críonnacht
/ˈbə'huftə/
noun
1. iets wat benodigd is
gá
/bəˈhuvə(n)/
verb
  1. 1. moeten
    bhí ar
  2. 2. nodig hebben
    is gá do
adjective
2. net, fatsoenlijk
aonach
noun
1. het behoeden voor of verhinderen van een teloorgang
cothabháil
adjective
  1. 2. redden
    ainic
  2. 1. iets niet verliezen
    comhlíon
adjective
cúntach
noun
1. het geneigd zijn om andere mensen te helpen
sástacht
noun
1. muziekinstrument met klokken
clogaireacht
cardinalNumeral
1. alle twee
araon
cardinalNumeral
1. met zijn tweeën
... agus ... le chéile
pronoun
An Bhaváir
pronoun
1. taal gesproken door ten minste 12 miljoen mensen in Oostenrijk...
Bavárach
adjective
béas
noun
1. gebak gemaakt van gefrituurd beslag dat ook wel gevuld kan worden met een vrucht, groente, vlees of vis zit
friochtóg
/bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Béiriút
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
siséal
verb
1. iets met een beitel (be)werken, met een scherp voorwerp steen bewerken
gearrthóir
noun
smál
adjective
críonna
verb
1.
fiach
verb
1. luidkeels iets beklagen
aiféala
verb
1. iemand op een bepaalde wijze behandelen
cóireáil
noun
  1. 5. deel van een bankschroef
    draid
  2. 1. snavel van vogels
    gob
verb
1. van kabels voorzien
cábla
verb
1.
aol
adjective
1. vertrouwd
aithnidiúil
noun
1. een persoon waarvan je weet wie het is
aitheantas
noun
aitheantas
/bəˈkɛntmakɪŋ/
noun
airle
verb
  1. 3.
    a fhios a bheith agat
  2. 1. toegeven
    admhaigh
noun
1. een verklaring waarin men toegeeft een bepaalde daad gepleegd te hebben
admháil
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Cupán
verb
1. tot een bepaald geloof overhalen
iompaitheach
noun
eascra
noun
1. het (doen) overgaan van iemand tot een bepaald geloof.
tiontú
noun
1. een boete die wordt opgelegd voor het overtreden van een wet
cáin
/bə.ˈkɛɪ̯.kə(n)/, /bə.ˈkɛː.kə(n)/
verb
1. ergens naar kijken
faire
noun
  1. 3. (muziekinstrument) slaginstrument bestaande uit een metalen schaalvormige voorwerp
    ciombal
  2. 2. gebeente tussen beide heupen
    peilbheas
noun
urlár peilbheach
/bəˈklaxdə/
noun
1. iemand die voor de rechter van iets beschuldigd wordt
cosantóir
verb
2. iemands goede naam schaden
aithisigh
noun
casaoid
verb
  1. 1. ontevredenheid uiten, klachten indienen
    bí ag clamhsán
  2. 2. iemands leed bejammeren
    trua
adjective
1. zielig
aimléiseach
verb
  1. 1. met stof bedekken
    araoid
  2. 2. een ambt vervullen
    áitigh
/bəˈkledɪŋ/
noun
1. een laag stof ter versiering en berscherming aangebracht op een hard oppervlak of een meubelstuk
cumhdach
noun
1. datgene wat gebruikt wordt om iets te bekleden
cumhdach
noun
1. de mate waarin men zich angstig of somber voelt
ansmacht
/bə'klɛmə(n)/
verb
2. een bedrukt gevoel geven
cuir faoi chois
noun
1. drukkend gevoel van benauwdheid en vast te zitten
eagla
verb
1. de nadruk leggen op iets
béim
verb
ar deireadh
verb
1. naar de top van iets, zoals een berg, klimmen
dreap
verb
1.
deireadh a chur ar
verb
2. een tekst in Arabisch of Hebreeuws schrift van klinkertekens voorzien
guta
adjective
1. tot het belangrijkste en noodzakelijkste teruggebracht
achomair
verb
ceartaigh
noun
1.
laghdú
verb
1.
fuaraigh
verb
  1. 3. in eigendom krijgen
    bain
  2. 1. een goede of slechte uitwerking hebben
    cuir isteach ar
noun
1.
cúraimí
adjective
1. aantrekkelijk, bekoring opwekkend
taitneamhach
/bəˈkopə(n)/
verb
1. iets ~ met een prijs ergens voor betalen
díol
verb
1. aantrekkingskracht uitoefenen
briocht
noun
1. het kleiner maken van iets
aicearra
verb
1. ervoor zorgen dat de kosten betaald worden
íoc
verb
2. kracht van wet geven
daingnigh
noun
cinntiú
verb
1.
cuir ar ceal
verb
1. kritiek uiten op iets of iemand
beachtaigh
adjective
2. krap
caol
verb
1. belonen voor uitmuntendheid
baithis
/ˈbɛkfɛxtə/, /ˈbɛkfɛχtə/
verb
1. ruzie maken
caitleáil
adjective
in ann
noun
  1. 2. Falkenschelle
    ceolán
    1. 1. klok, schel, zoemer
    2. 6. een rond, schaalvormig metalen voorwerp in de vorm van een klok of halve bol al dan niet met klepel...
    clog
/bəˈlɑɣələk/, /bəˈlɑχələk/
adjective
1. lachwekkend, om uit te lachen
áiféiseach
verb
1. een lading aanbrengen op een lastdier of een voer- of vaartuig
lód
noun
1.
lód
verb
1. iemand agressief/intimiderend benaderen
imdhruid
noun
2. tegenstander in de strijd
namhaid
noun
1. iets wat belangrijk is voor een persoon
tábhacht
/bəˈlɑŋəlos/
adjective
1. zonder geldelijke belangen
in aisce
noun
1. het zich inzetten voor iets dat belangrijk is voor iemand
abhcóideacht
/bəlɑŋˈhɛbənt/
adjective
1. er belang bij hebben
leasmhar
adjective
1. van grote betekenis
  1. mórluachach
  2. tábhachtach
noun
1. het van grote betekenis zijn
tábhacht
adjective
leasmhar
noun
1. bereidheid en verlangen aandacht aan iets te schenken
spéis
verb
1. gewichten plaatsen op
lód
verb
1. iemands goede naam geweld aandoen met onware aantijgingen
aithisigh
noun
1. de daad van het belasteren.
aithisiú
noun
  1. 1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
    cáin
  2. 2. de mate waarin een machine belast wordt ofwel het vermogen dat van de machine
    lód
noun
1. post die aanleiding geeft tot een vermindering van de hoeveelheid belasting die men moet betalen
faoiseamh cánach
noun
tearmann cánach
/be.ˈlaʊ̯/, /be.ˈlɔʊ̯/, /be.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Oileáin Palau
verb
amadán
verb
1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
maslaigh
adjective
1.
maslach
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
achasán
adjective
1. van goede omgangsvormen getuigend
béasach
/bəˈlɛx/
noun
1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
léigear
adjective
1. lang of een voldoende tijd gelegen hebbend
abúil
verb
1. met een leger omsingeld houden
imdhruid
verb
  1. 3. bedekken door er iets op te leggen
    araoid
  2. 4. bijeenroepen
    barróg
  3. 2. vastsjorren
    ceangail
noun
1. iemand die geld belegt
fuilleamhóir
noun
1. geld besteed aan iets waarvan men verwacht dat het later meer waarde zal hebben
fuilleamh
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
beartas
/bəˈlɛmərə(n)/
verb
1. een factor vormen die een gebeurtenis of handeling (bijna) onmogelijk maakt
cuir isteach ar
noun
1. wat hinder en oponthoud veroorzaakt
constaic
verb
1. als onderpand voor een lening gebruiken
ceithearnach
noun
1. leesteken bestaand uit drie puntjes (…)
comhartha focalbhá
verb
1. iets of iemand storen in zijn/haar bezigheden
bloc
verb
1. meemaken
eispéireas
noun
1. alles wat mensen ervaren
eispéireas
noun
1. een stedelijke wachttoren met een stormklok
clogás
/bɛlx/, /bɛɫx/, /bɛɫχ/
noun
1. een staatsburger van België
Beilgeach
/ˈbɛl.ɣɪs/, /ˈbɛɫ.ɣis/, /ˈbɛɫ.χis/
adjective
1. met betrekking tot België
Beilgeach
pronoun
Congó na Beilge
/ˈbɛlɣijə/, /ˈbɛɫɣijə/, /ˈbɛɫχijə/
pronoun
  1. an Bheilg
  2. An Bheilg
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
Béalgrád
/bɛlhaməl/
noun
2. ondeugende jongen
alfraits
noun
1. zichtbaar gemaakte vorm van een idee of begrip
gearrinsint
/bə.ˈlɪx.tə(n)/, /bə.ˈlɪχ.tə(n)/
verb
1. licht schijnen op iets
tuirling
verb
1. naar de zin zijn
le do thoil
noun
1. het afleggen van een verklaring om een bepaald geloof aan te hangen
admháil
/be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
  1. An Bheilís
  2. Beilís
verb
    1. 1. de deurbel over laten gaan
    2. 2. door middel van een bel een signaal geven
    cró troda
  1. 3. iemand opbellen, telefoneren naar iemand
    glao
verb
brathadóir
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
gealltanas
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
gealltanas
verb
1.
aeraigh
verb
1. aandachtig naar iets luisteren
éist
verb
1. met moeite in handen krijgen
gabháil
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
criú
noun
1. een werknemer aan boord van een vlieg- of vaartuig
fear foirne
verb
masc
pronoun
1. een taal gesproken door 3 600 000 mensen in Zambia, Botswana, de Democratische Republiek Kongo en Malawi
Beimbis
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
criú
verb
1. zich ergens bewust van worden
fógra
verb
1. het toevoegen van meststoffen aan de aarde
leasaigh
noun
toirchiú
adjective
maoineach
/bəˈmɪndə/
noun
ansacht
verb
1. amoureuze gevoelens voor iemand koesteren
gráigh
adjective
1.
abarach
verb
1. als een moeder verzorgen, optreden voor
máithrigh
verb
1.iemand een positievere kijk op de kansen geven
spreag
noun
spreagadh
noun
1. iemand die zich bemoeit met zaken van anderen
  1. gliúcálaí
  2. socadán
/bəmujləkə(n)/, /bəmujləkən/
verb
1. moeilijker maken
cuir isteach ar
verb
1. door knoeien iets vuilmaken; iets smerig maken
smearadh
verb
1. iemand of iets nadeel toebrengen, iemand of iets schade toebrengen
anachain
noun
1. het ondervonden verlies of nadeel
anachain
verb
  1. 1. naartoe gaan en aanspreken
  2. 3. bijna bereiken
ionsaigh
noun
2. gezichtspunt, de richting van waaruit men naar iets beschouwd .
ionsaí
/bəˈnadrʏkə(n)/
verb
béim a chur ar
adjective
2. angstig
is eagal le
verb
aláram
/ˈbɛn.də/
noun
1. een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
meitheal
preposition
laistíos
adjective
1. angstig
is eagal le
pronoun
1. een taal die in Bangladesh en West-Bengalen gesproken wordt
Beangálach
noun
boschrann
verb
luascán
/bəˈniu̯t/
adjective
1. reikhalzend uitziend naar iets
aisteach
verb
1. wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft
formad
/be.ˈnin/, /ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Beinin
verb
1. nodig hebben
is gá do
/bə.ˈnu.mɪŋ/
noun
1. het toewijzen van een ambt aan iemand
ainmniú
verb
bain úsáid as
noun
beinséin
/bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
peitreal
noun
1. een installatie voor het tanken van benzine
stáisiún breosla
noun
míona
verb
1. bij regelmaat zich in iets bekwamen
déan staidéar
noun
crábhadh
verb
1. tot een oordeel komen over iets
luacháil
adjective
  1. 2. niet nader aan te duiden
    aon
  2. sonrach
noun
1. het duidelijk te onderscheiden zijn van andere zaken
gléine
noun
  1. 1. wat een soldaat aan voedingsmiddelen, kleding enz. zelf medevoert
  2. 2. wat iemand allemaal moet dragen of aanhebben
acmhainn
verb
2. vaststellen, voorschrijven, regelen
sceallán
noun
1. een voorwaarde
bail
verb
1. een verminderde reikwijdte geven
cum
/bə.ˈpɛr.kɪŋ/
noun
1. iets dat ervoor zorgt dat de mogelijkheden beperkt worden
teorannú
adjective
1. verminderd, met specifieke grenzen
teoranta
noun
1. het maar bescheiden (geestelijke, lichamelijke, financiële) middelen bezitten
laghad
/bə.ˈplɑn.tə(n)/
verb
1. bezetten met de geschikte planten
lus
verb
brataigh
adjective
1.
áitigh
verb
1. argumenten aandragen om een te nemen beslissing in bepaalde zin te beïnvloeden
pléadáil
verb
púdar a chur ar
verb
1. onderzoeken of het de juiste is
úd
noun
1. overweging, overleg
athmhachnamh
/bə'ramə(n)/
verb
1. iets bedenken
plean
verb
1. metselwerk met kalkspecie bedekken
roiseálaí
noun
barbróg
pronoun
Beirbeireach
verb
breitheamh
noun
1.
tástáil
verb
1. in staat zijn zelfstandig dagelijkse dingen te doen
bainistigh
verb
1. iets door (kunstmatige) regenen nat maken
croith
adjective
1. akkoord gaand, instemmend: bereid tot actie
fonnmhar
verb
1. het klaarmaken van bijvoorbeeld een maaltijd
stócáil
noun
1. de wil om iets te doen
sástacht
adjective
cineál
adjective
1. tot hulp en dienst bereid zijn of daarvan blijk geven
fonnmhar
noun
1. de afstand die afgelegd kan worden
réim
/bə'rɛɪkən/
verb
  1. 3. een bepaald doel verwezenlijken
    bain amach
    1. 1. fysiek bij de andere kant aankomen
    2. 2. het informeren van personen
    ionsaigh
/bəˈrekənənt/
adjective
1. alleen maar denkend aan het eigenbelang
críonna
/bə.ˈre.kə.nɪŋ/
noun
1. een numerieke uitwerking ergens van
ríomh
noun
1.
craiceann béir
/bɛrx/
noun
  1. 1. hoge terreinverheffing
  2. 2. een grote hoeveelheid
sliabh
adjective
1. met bergen
sléibhteach
pronoun
1. een dialect van het Lombardisch
Sípéir Bergamasco
noun
beirgeamat
noun
1.
gleann
noun
1. Tadorna tadorna, een forse bijna gansachtige eend
lacha bhreach
pronoun
1. stad in Noorwegen
Beirbhe
verb
  1. 1. het ergens plaatsen van iets om het te bewaren
    coinnigh
  2. 2. het in de haven brengen van een schip met problemen
    tarrtháil
noun
1. nauwe doorgang tussen twee bergen
bearnas
noun
rothar sléibhe
noun
1.
ardchríoch
noun
1. een soort geit die leeft op rotsachtige ondergrond in de bergen.
seamaí
noun
2. de hoogte van een berg, bijvoorbeeld in meters boven zeeniveau
airde
/ˈbɛrgɪŋ/
noun
1. het bergen van iets
aisghabháil
noun
1. een small en diep dal met stijle wandenin een berglandschap
ailt
noun
tarrtháil
noun
1. een lager
bearnas
/ˈbɛrxrʏx/, /ˈbɛrχrʏχ/
noun
1. een langgerekte bergachtige hoogte
droim
noun
1. een beek die in de bergen loopt
rois
/'bɛrxtɔp/, /'bɛrχtɔp/
noun
1. de top van een berg
gob
noun
1. de steile zijkant van een berg
mullach
noun
1. overgebrachte korte communicatie, meestal over een recente gebeurtenis
teachtaireacht
verb
1. van nieuws voorzien over iets
Comaoineach a ghlacadh
/bə'rɛidbar/
adjective
sodhéanta
verb
1. het voortbewegen op een rijdier, zoals een paard of een voertuig zoals een fiets
síob
noun
beiril
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
Caolas Bheiring
pronoun
1. is de zee in het noordelijk deel van de Grote Oceaan
Muir Bheiring
verb
1. streng zeggen dat het gedrag wordt afgekeurd
achasán a thabhairt
/bə.ˈrɪs.pɪŋ/
noun
1. een strenge afkeuring van gedrag
aifirt
/bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
beith
noun
beircéiliam
pronoun
  1. 1. de hoofdstad van Duitsland
  2. 2. een duitse deelstaat
Beirlín
noun
1. de onverharde kant van een weg
broinne
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
Beirmiúda
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Beirn
noun
1. Borago officinalis, een kruid dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
borráiste
pronoun
2. spelwoord voor de letter b
Biniáimin
/bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
cáiliúil
/beˈrumə(n)/
verb
1. zich ~ op: krediet opeisen op basis van beweringen van verworvenheden of kunde
braig
noun
  1. 2. dringend verzoek om bijstand
    achomharc
  2. 1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
    gairm
noun
dualeolaíocht
adjective
aimléiseach
verb
bain do
/bə.ˈruː.rɪŋ/
noun
1. onrust door iets veroorzaakt
suaitheadh
noun
1. een acute beschadiging van de hersenen die veroorzaakt wordt door een bloeduitstorting in de hersenen
béim
noun
1. een toestel dat rook produceert waarmee de imker zijn bijenvolk rustig kan houden
caiteoir tobac
verb
1. de oorzaak zijn van
réasún
noun
1. het betreuren van een eerdere kwalijke daad
aithrí
/bəˈrɑuwə(n)/
verb
aiféala
adjective
1. met spijt vervuld
aithríoch
verb
1. iemand met geweld zijn bezit ontnemen
creach
noun
sínteán
/'bɛrstə(n)/
verb
1. onder inwendige druk uit elkaar breken
pléasc
adjective
1. kalm en accepterend
calma
/bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
beirilliam
/bɛs/
noun
1. kleine vrucht
caor
adjective
1. net en goed opgevoed
banúil
adverb
1. vol met de neiging zich te verbergen voor anderen
is náir leat
noun
1. het zich schuldig en minderwaardig voelen
adhnáire
verb
1. het toebrengen van schade
damáistigh
/bə.ˈsxa.di.ɣɪŋ/, /bə.ˈsxa.də.ɣɪŋ/, /bə.ˈsχa.də.χɪŋ/
noun
  1. 1. aangebrachte schade
    damáiste
  2. 2. het beschadigen van iets of iemand bijv. diens reputatie
    gortú
/bəˈsxaːvə(n)/
verb
1. glad maken (met een schaaf)
eitleán
/bə.ˈsxa.vɪŋ/, /bə.ˈsχa.vɪŋ/
noun
1. de complexe maatschappij waarin veel van de mensen in steden leven en hun voedsel door middel van landbouw verkrijgen
sibhialtacht
/bə'sxɛi(d)ə/
adjective
  1. 1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
  2. 2. niet de indruk makend te hoge verwachtingen van zichzelf te hebben
  3. 3. niet groots of talrijk
adhnáireach
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
ainic
noun
éarlamh
noun
1. een heilige onder wiens bescherming een bepaalde persoon of groep staat
éarlamh
/bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
anacal
/bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
ar fáil
verb
1. beslissen, regelen
ceartaigh
/bə.ˈsxɪ.kɪŋ/, /bə.ˈsχɪ.kɪŋ/
noun
méin
verb
1. met scheldwoorden overladen
oirbhire
noun
1. bekleding van de walkant die met een paalwerk aan de waterkant op zijn plaats blijft
bulcaid
adjective
1. meer nadenkend en observerend dan praktisch handelend
cuimhneach
verb
  1. 1. bekijken als
  2. 2. denken over
dearc ar
/bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
comharthaí
noun
1. een persoon die de schuld heeft gekregen van iets
cosantóir
/bəˈsxʌldəgə/
verb
1. iemand de schuld geven van iets
coirigh
adjective
1.
cuspóireach
/bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
costas
verb
1. beschermen, met name tegen weer en wind
ainic
noun
anacal
noun
1. een reëel bewustzijn
nóisean
verb
1. het reëel bewust worden van iets
réadaigh
verb
  1. 1. een bepaald gebied betreffen
    araoid
  2. 2. een paard van een hoefijzer voorzien
    bróg
  3. 3. door condensatie dof of ondoorzichtig worden
    ceo
noun
2. vloeibaar deeg
fuidreamh
noun
1. gerechtelijke handeling waardoor iemand niet meer vrij over zijn eigendom kan beschikken
astú
verb
1. vaststellen wat er gaat gebeuren
cinn
/bə.ˈslɪ.sɪŋ/
noun
cinneadh
adjective
1. niet onderhevig aan aarzeling of twijfel
comhlacht
adverb
cinnte
noun
diongbháilteacht
noun
  1. 2. het afgesloten zijn
    banrach
  2. 1. de niet-openbare privésfeer
    príobháideachas
/bəˈslœɪt/
noun
1. een vastgestelde keuze
cinneadh
verb
  1. 1. vaststellen hoe het moet
    cinn
  2. 2. afsluiten
    críochnaigh
adjective
1. vaardig in het maken van besluiten
cinniúnach
adjective
1. blootgesteld aan een ziektekiem of radioactief materiaal
galrach
/bə'smɛtələk/
adjective
1. het vermogen hebbend gemakkelijk van persoon op persoon overgedragen te worden
gabhálach
verb
1. blootstellen aan een ziektekiem, gif of radioactief materiaal
galraigh
noun
1. blootstelling aan een ziektekiem
galar
verb
1. insmeren met iets om vies te maken
smearadh
verb
voorzien van snaren
sreang
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
imghearr
/bəˈsnɛidənɪs/
noun
imghearradh
/bəˈsnujə(n)/
verb
1. in aantal doen verminderen
bain
adjective
1. een snor dragend; in het bezit zijn van een snor
croiméalach
verb
gabháil
verb
  1. 1. minder van iets gebruiken of verbruiken
  2. 2. minder geld uitgeven, bezuinigen
ainic
/bə.spa.rɪŋ/
noun
1. het voordeel door ergens minder voor uit te geven
barainneacht
verb
1.
croith
verb
1. muziek maken op een muziekinstrument
seinn
verb
1. met aanzienlijke moeite waarnemen
airigh
noun
1.
brathadóir
verb
1. iets met kleine vlekjes bedekken
ponc séimhithe
verb
1. een proces of ontwikkeling versnellen, sneller tot het eind brengen
luathaigh
adjective
1. uitermate vreemd
áiféiseach
noun
1. het iemand belachelijk maken
dímheas
verb
  1. 3. vooruit bestellen
    cuir in áirithe
  2. 1. een gesprek over een bepaald onderwerp voeren
    pléigh
/bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
aighneas
verb
1. druppels van een vloeistof ergens over strooien
croith
adverb
1. als bevestiging dat iets goed is om te doen
dícheall
verb
1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
bí ann
adjective
féideartha
noun
1.
slándáil shóisialach
noun
  1. 1. een verzameling van gegevens die een eenheid vormen
    comhad
  2. 3. een wapenstilstand
    sos cogaidh
/bəˈstedə(n)/
verb
1. schaarse middelen een bestemming geven
caith
verb
1. iemand iets wederrechtelijk ontnemen
creach
verb
  1. 2. bespreken, reserveren
    cuir in áirithe
  2. 3. aan huis bezorgen
    fuascail
  3. 1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
    ordaigh
/bə.ˈstɛ.lɪŋ/
noun
1. een verzoek of opdracht om diensten of goederen te leveren
bail
noun
1. diegene voor wie een brief of pakket bestemd is
seolaí
verb
  1. 2. iets of iemand -al of niet terecht- in een bepaalde categorie plaatsen
    glao
  2. 1. ergens een stempel opzetten
    gread
adjective
1. (op afzienbare termijn) duurzaam
gréasach
verb
1. zekerder maken, iets laten voortduren
neartaigh
noun
seasmhacht
verb
1.het begin van het ontbindingsproces na de dood ondergaan
dísle
/bəstɔrmə(n)/
verb
1. met een strijdmacht snel te voet een positie van de vijand trachten te overweldigen
anfa
verb
aifir
verb
1. de strijd aanbinden met iets of iemand
bruíon
noun
pailniú
/be.ˈstyː.rɪŋ/
noun
2. het besturen
rialtas
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
córas oibriúcháin
noun
1. de leiding van een organisatie, de verzameling managers
rialtas
/bəˈstyrdər/
noun
1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
tiománaí
noun
1. de zitting waarop de chauffeur van een voertuig zit
suíochán an tiománaí
noun
1. groep mensen die samen het dagelijks bestuur van een organisatie, bedrijf of land vormen
bord stiúrthóirí
verb
1. iets zoeter laten smaken
milsigh
adjective
1. niet te duur om te betalen
d'acmhainn
noun
1. (financieel) bankrekening waarmee alle betalingen gedaan worden, dit is meestal ook de rekening waarop het loon wordt ontvangen
cuntas reatha
/bə.ˈta.kə.lɪŋ/
noun
1. een methode om het uitrafelen van de einden van een touw of lijn te voorkomen
failpeadh
/bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
íoc
/bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
íocaíocht
/bə'tamələk/
adjective
diongbháilte
verb
1. een vloer of wand van tegels voorzien
tíl
verb
  1. 1. ergens toe doen
    ceachartha
  2. 1. ergens voor staan
    ciallaigh
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
airigh
/ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Betelgeuse
/'beːtər/
adverb
níos fearr
noun
1. herstelde toestand
forás
verb
1. in bedwang houden, intomen, bedwingen
coisc
adjective
2. teleurgesteld
díomá a bheith ort
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
Beitheal
verb
1. iemand op valse gronden beschuldigen
a
verb
1. een serie argumenten als een verhaal presenteren, bijvoorbeeld in een rechtszaak
áitigh
noun
agóideoir
/bə.ˈto.ɣɪŋ/, /bə.ˈto.χɪŋ/
noun
1. een samenkomst van velen, meestal op straat, met als doel een protest te laten horen
léirsiú
verb
1. onder controle houden
seic
verb
1. ergens de aandacht op vestigen
aiceannaigh
verb
1. getuige worden van het feit dat iemand iets (verbodens) doet
beir ar
verb
1. zich ergens (met de voeten) op begeven
iontráil
verb
1. gaan over, als onderwerp hebben
bain do
adjective
1. waar het over gaat
i dtaca le
noun
coibhneasacht
verb
  1. 2. kopen
    bain
  2. 4. betrekken bij
    bain do
  3. 6. somber worden
    uraigh
  4. 1. een woning betrekken
    áitigh
/bə.ˈtrɛ.kɪŋ/
noun
2. bezigheid waarvoor je een geregeld inkomen krijgt
feidhmeannas
verb
1. leedwezen tonen over iets
aiféala
adjective
iontaofa
noun
dílseacht
verb
daba
/bəˈtœʏxə(n)/
verb
1. iets duidelijk stellen
cuir in iúl
noun
1.
dearbhú
verb
1. iemand iets ~ iemand het recht ergens toe trachten te ontzeggen
imreas
noun
1. boomsoort
feá
adjective
1. hout van de beuk, een Europese hardhoutboom
feá
verb
1. ergens fors op slaan
tuargain
noun
1. hout afkomstig van een beuk
fea
/bøːl/
noun
  1. 2. wreedaard
    ainmhí
  2. 1. uitvoerder van lijfstraffen
    básadóir
verb
ardaigh
noun
4. bijeenkomst waar producenten van een bepaald vakgebied meest nieuwe producten tentoonspreiden
aonach
/bøːrt/
noun
1. gelegenheid of opdracht die bewust telkens aan een andere persoon uit en groep gegeven wordt
seal
noun
1. eigendoms- en ontvangstbewijs waarin zeevrachtbrief en vervoersovereenkomst worden gecombineerd
bille luchtaithe
noun
giob geab
adjective
1. breed, diep en stromingsarm genoeg om bevaren te worden
inseolta
verb
  1. 2. het leven schenken aan een kind
    fuascail
  2. 1. iets als aangenaam ervaren
    sásaigh
adjective
1. -gewoonlijk vrouwelijke- schoonheid bezittend die bij anderen -gewoonlijk mannen- in de smaak valt
cuanna
/bə.ˈvɑ.lɪŋ/
noun
1. het baren van een kind
breith clainne
verb
1. op een bepaald water varen
seol
adjective
  1. 2. van iets dat het helder en duidelijk is en daardoor makkelijk te begrijpen
    intuigthe
  2. 1. vlug van begrip zijn
    meabhrach
verb
2. begrijpen
tuig
noun
faisnéis
verb
1. de strijd aanbinden met iets/iemand
troid
adjective
1. voorzien van vogelveren
eiteach
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt
ainic
/bə.ˈvɛɪ̯.lə.χɪŋ/, /bə.ˈvɛɪ̯.lɪ.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛː.lə.ɣɪŋ/
noun
1. de genomen maatregelen die er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt
anacal
noun
1. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak.
bail
verb
1. een dwingende opdracht geven.
tiomnú
verb
1. hard en heftig trillen
creath
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
béabhar
verb
  1. 2. vastmaken
    ceangail
  2. 1. zeggen dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
    daingnigh
/bəˈvɛstəxənt/
adjective
1. op een manier die aangeeft dat het zo is
dearfach
/bə.ˈvɛs.ti.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈvɛs.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛs.tə.χɪŋ/
noun
1. het bevestigen, het mededelen aan iemand dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
diongbháil
noun
airnéis
noun
1. aardbeving
creathán
adjective
1. voorzien van een ruime hoeveelheid vlees
méith
verb
2. iemands goede naam aantasten
smál
verb
dobhar
noun
1.
inspioráid
adjective
cáilithe
/bə'vuxtɛit/
noun
urlámhas
verb
1. door tasten onderzoeken
bain do
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
daonra
verb
1. iemand ~: aan iemand bijzondere gunsten verlenen
brabach
verb
1. voorzien van benodigdheden
lón
verb
  1. 1. een hogere rang verlenen aan iemand
  2. 2. aanmoedigen, promoten
ardaigh
verb
1. beantwoorden aan een sterk verlangen
sásaigh
noun
1. de beantwoording aan een sterk verlangen
sásamh
adjective
1. dat iets wat normaal is vreemd wordt
uafásach
/bə'vrizə(n)/
verb
1. door afkoeling in vaste toestand komen
cuisnigh
verb
1. iemand of een bevolking van gevangenschap of onderdrukking verlossen
fuascail
/bə.ˈvrɛɪ̯.dɪŋ/, /bə.ˈvrɛː.dɪŋ/
noun
1. het vrij maken van mensen die gevangen gehouden of onderdrukt worden
fuascailt
adjective
1. door afkoeling in vaste toestand gekomen; volledig met ijs bedekt
reoite
verb
1. vuil maken; verontreinigen
salaigh
noun
2. een persoon die ervoor zorgt dat gevangenen niet kunnen ontsnappen
coimirceoir
noun
1.
aingeal coimhdeachta
noun
1. handeling waarbij men een goed van een ander ter bewaring aanneemt onder teruggaveverplichting
taisc
verb
1. toezicht houden op de veiligheid van iets of iemand
garda
noun
1. een persoon die toezicht houdt op de veiligheid van iets of iemand
garda
/bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
1. iemand van wapens voorzien
armáil
/bə.ˈwa.pə.nɪŋ/, /bə.ˈʋa.pə.nɪŋ/, /bə.ˈβ̞a.pə.nɪŋ/
noun
arm
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet verloren raakt
leasaigh
noun
  1. 1. tijdelijke opslag
    costas
  2. 2. opsluiting van verdachten
    cumhdach
adjective
1. niet gefixeerd in een bepaalde stand of positie, flexibel
aclaí
noun
1. de neiging om van bewegen; het kunnen bewegen
luaineacht
/bə.ˈweː.ɣə(n)/, /bə.ˈʋe.χə(n)/, /bə.ˈβ̞e.ɣə(n)/
verb
1. van plaats veranderen
bog
/bə.ˈwe.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈʋe.χɪŋ/, /bə.ˈβ̞e.ɣɪŋ/
noun
  1. 1. in de staat verkeren waarin de locatie steeds verandert
  2. 2. van plaats/positie veranderen
  3. 3. een organisatie
corraí
verb
1. ergens over huilen; ergens over treuren
buair
adjective
maslach
/bə'wɛrkə(n)/
verb
  1. 2. een bestand of map wijzigen om voor een ander doel geschikt te maken
    cuir in eagar
  2. 4. iets met een mes anders maken
    faisean
  3. 1. veranderen om iets voor een of ander doel geschikt te maken
    obair
/bə.ˈwɛr.kɪŋ/, /bə.ˈʋɛr.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɛr.kɪŋ/
noun
1. een verandering om iets voor een bepaald doel geschikt te maken
starr
verb
bain amach
verb
  1. 2. iemand lof toezwaaien
    bladair
  2. 1. wierookdampen over iets of iemand aanbrengen
    túis
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
díonmhar
noun
1. alles wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vastlegt
fianaise
noun
1. een stuk waarin iets als waar wordt gesteld
díonmhar
noun
1. een groep personen die de macht uitoefent
ceansaigh
/bə'wɪn(t)smɑn/
noun
1. een man die als minister of staatssecretaris deel uitmaakt van een regering
aire
verb
1. met wolken bedekt worden
néal
/bə.ˈwɔl.kɪŋ/, /bə.ˈʋɔɫ.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔɫ.kɪŋ/
noun
1. het geheel aan wolken dat in de lucht aanwezig is
brat scamall
/bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
néaltach
verb
wonen in, wonen op
áitrigh
noun
1. iemand die in of op iets woont
áitreabhach
/bə.ˈwo.nɪŋ/, /bə.ˈʋo.nɪŋ/, /bə.ˈβ̞o.nɪŋ/
noun
1. de permanente aanwezigheid van een bepaalde plaats
aicíocht
/[bəˈʋɵst]/
adjective
1. iets waarvan kennis is genomen
comhfhiosach
/bəw'ɤstəlos/
adverb
1. in een toestand waarin men het bewustzijn voor de omgeving is verloren
gan mhothú
/bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
comhfhios
verb
1. een akker met zaad bestrooien
cráin
noun
1. de achterste mast van een zeilschip
crann deiridh
abbreviation
1. de achterste mast van een zeilschip
crann deiridh
verb
rón
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
scuab
noun
1. de lange stok waaraan de borstel van een bezem bevestigd is
scuab caillí
verb
1. zich pijn doen
déan díobháil
adjective
2. veel bezigheden hebbend, niet beschikbaar
broidiúil
noun
  1. 2. iemand die heel erg actief met één bepaalde zaak bezig is of heel extreme meningen heeft
    ainmhianach
  2. 1. iemand die lijdt aan een psychiatrische aandoening
    gan chiall
verb
1. in gebruik nemen
áitigh
/bə.ˈzɛ.tɪŋ/
noun
1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
gabháil
verb
1. naar een object kijken
radharc
/bə.ˈzɪx.ti.ɣɪŋ/, /bə.ˈzɪx.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈzɪχ.tə.χɪŋ/
noun
1. het bekijken
ar cuairt
noun
1. bes
caor
verb
1. inspireren
spreag
adjective
1. van iets dat het mensen enthousiast maakt
coscrach
/bezəx/
adjective
1. aan het werken
gnóthach
verb
1. gebruik maken van iets
caith
noun
1. iets waarmee men bezig is
gníomhaíocht
/ˈbe.zəx.ɦʌː.də(n)/, /ˈbe.zəχ.ɦʌʊ.də(n)/, /ˈbeː.zɪx.haʊ̯.də(n)/
verb
  1. 2. iets te doen geven
    bain úsáid as
  2. 1. de aandacht afleiden
    áitigh
noun
comhfhios
noun
  1. 1. al iemands bezittingen
  2. 2. het houden van een goed voor zichzelf
seilbh
/bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
bí + object + ag + subject
noun
1. dat wat iemand in eigendom heeft, dat wat van iemand is
sealúchas
verb
  1. 2. vuil maken
    cré
  2. 1. te schande maken
    smál
noun
1. het bezoeken
ar cuairt
/bəˈzukə(n)/
verb
1. bij iemand langsgaan of langskomen
ar cuairt
verb
1. salaris geven aan
díol
noun
tuarastal
adjective
1. met zorgen beladen
imní a bheith ort
noun
cuir imní ar
verb
    1. 1. iemand iets ~: bij iemand aan huis afleveren
    2. 3. goederen op een bepaalde plaats brengen
    fuascail
  1. 2. bij iemand veroorzaken
    meas
/bə'zʌʏniɣə(n)/
verb
1. door zuinig met geld of iets anders om te gaan de uitgaven verminderen
ainic
noun
barainneacht
noun
1. moeilijkheid, bedenking
agóid
/bəˈzwar hɛbə(n) ˈtexə(n)/
phraseologicalUnit
1. tegengaan, het hoofd bieden
an fód a sheasamh
verb
1. bezoedelen
salaigh
verb
1. belasten
muirear
noun
mionn
verb
  1. bezwijken aan: sterven
    bás a fháil
  2. 1. zwichten
    cliseadh
verb
1. het bewustzijn verliezen
tit i laige
verb
1. tot een afsluiting brengen
críochnaigh
/bəˈɪnvludə(n)/
verb
1. iemand of iets proberen te veranderen, invloed nemen op
téigh i bhfeidhm ar
pronoun
1. taal die in de Indiase staten Bihar and Jharkhand gesproken wordt
Vóispiris
/bu.ˈtan/, /bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
  1. Bútáin
  2. Bhútáin
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
dé-atlan
verb
1. hevig trillen van kou of angst
creath
/ˌbi.bəˈlo/
noun
1. klein decoratief voorwerp
daighsín
noun
1.
bibleagrafaíocht
/ˌbiblijotekaˈrɛsə/
noun
1. beheerster van een bibliotheek
leabharlannaí
/ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
leabharlannaí
/bib(l)ijo'tek/
noun
  1. 1. een plaats waar boeken verzameld staan
  2. 2. een instelling die boeken en andere media aan het publiek uitleent of ter inzage biedt
leabharlann
noun
décharbónáit
noun
1. tweehoofdige spier
matán
verb
1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
guigh
noun
1. een snoer met kralen als hulpmiddel bij het bidden
Coróin Mhuire
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Mantodea
maintis chrábhaidh
/ˈbɪt.stul/, /ˈbɪt.stuɫ/
noun
stól urnaí
noun
1. de erkenning van zonden aan een geestelijke
faoistin
noun
1. een meubelstuk dat bedoeld is voor het aanhoren en afleggen van de biecht
bosca faoistine
noun
1. een priester die biechten afneemt
athair faoistine
noun
1.
armacach
noun
1. biefstuk
mairteoil
noun
1. dunne lap vlees van de bovenbil van een rund
stéig
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
  1. beoir
  2. leann
/birbrɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
grúdlann
noun
1. vette buik
maróg óil
noun
giosta bríbhéireachta
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om bier uit te drinken
corriasc
noun
1.
caifé
noun
maróg óil
noun
1.
tancard
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
síobhas
/bist/
noun
1. colostrum van koe
béal
noun
biatas
noun
bifóibe
/bɪx/, /bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
banbh
noun
1. de volgens de bigbangtheorie enorme explosie waaruit het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden zou zijn ontstaan
ollphléasc
noun
biogamacht
pronoun
1. een Indiase deelstaat met de hoofdstad Patna die in het oosten van het land ligt
Biohár
/bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
beach
verb
1. door gebruik te maken van goedgelovigheid misleiden
bob a bhualadh ar
noun
1. een andere heimelijke bedoeling naast die degene die men aangeeft
aidhm fholaigh
noun
1. (de heilige tekst van) het heilige boek der christenen
Bíobla
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
Bíobla
verb
coinnigh suas le
verb
1.
iontráil
noun
1. een klein bootje, dat gebouwd en bestemd is om op een binnenschip te worden meegenomen of als volgboot achter een klein binnenschip of jacht te worden gesleept
armacach
verb
1.
cruth
verb
2. zorgen dat iemand iets leert
múin
adjective
nua-aimseartha
/ˈbɛːdraʝə/, /ˈbɛːɪdraɣə/
noun
1. iemands aandeel
ranníocaíocht
/bɛi'embrɛŋə(n)/
verb
1. bij elkaar brengen
cuideachtaigh
noun
1. het bij elkaar komen van een groep van personen
cruinniú
noun
1. de handeling van het bijeenroepen
comhghairm
noun
1. benaming voor veelkleurige en insectenetende vogels die...
beachadóir
/ˈbɛɪ̯.jə(n).ˌɦaʊ̯.dər/, /ˈbɛɪ̯.jə(n).ˌɦʌʊ̯.dər/, /ˈbɛː.jə(n).ˌɦɔʊ̯.dər/
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
beachaire
noun
1. moeder van alle bijen in een bijenkorf
cráinbheach
noun
1. kunstmatige behuizing waarbinnen een bijenvolk zijn raten kan bouwen, oorspronkelijk in de vorm van een gevlochten korf
beachaire
noun
1.
coirceog bheach
/ˈbɛː.jə(n)ˌteɫt/
noun
1. het houden van bijen
beachadóireacht
/ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
piseog
adjective
1. iemand die gelooft in bijgeloof
piseogach
noun
klein, licht gerecht dat als begeleiding bij een andere maaltijdgang
fomhias
/bɛɪˈkɑns/
adverb
beagnach
adjective
1. een andere zaak dan de hoofdzaak aanduidend
aidbhinteach
/bɛɪ̯l/, /bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
tua
noun
  1. 2. een bestand dat bij een e-mail is meegezonden
  2. 1. geschrift ter aanvulling
ceangaltán
verb
2. meningsverschil of ruzie oplossen.
scaoil
verb
1.
fuascail
/'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
beagnach
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
forainm
noun
faireog aidréineach
adjective
1. goed staan bij elkaar
diongbháilte
verb
1.
bearradh
noun
1. korte geschreven mededeling die de betekenis van een voorwerp of afbeelding verduidelijkt
ceannscríbhinn
verb
1. emotioneel ondersteunen
branra
noun
1. hulp
cabhair
verb
1. een naar verhouding kleine verandering aanbrengen in de instelling van iets
ceartaigh
verb
1. een koerscorrectie uitvoeren
beacht
/ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
bain greim as
noun
ceadú
noun
ceadú
verb
1. als extra ergens aan toevoegen
cuir faoi iamh
noun
1. een werkwoordswijs waarmee men een wens of onzekerheid tot uitdrukking kan brengen.
modh foshuiteach
noun
1. iets wat men aan een groter geheel toevoegt
agús
/bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
aidiacht
noun
1. Artemisia vulgaris, een plant uit de composietenfamilie Asteraceae
liathlus
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
mar shampla
noun
1. ongemotoriseerde aanhangwagen
réamhbhlaiseadh
/'bɛɪʋɛrkə(n)/
verb
1.
achtáil
/ˈbɛɪ̯.wo.nə(n)/, /ˈbɛɪ̯.ʋo.nə(n)/, /ˈbɛː.β̞o.nə(n)/
verb
1. opzettelijk aanwezig zijn bij iets
freastail
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
dobhriathar
adjective
1. alleen van dichtbij scherp kunnen zien
dallradharcach
/bɛizɪn/
noun
1. een deel van een uiting dat een ondergeschikte rol speelt ten opzichte van de hoofdzin
fochlásal
noun
1.vrouw met wie een man in ongehuwde staat...
bean leapa
/biˈzɔndər/, /bɛ<sup>ɪ</sup>ˈzɔndər/
adjective
1. een hoogst eigenaardige kwaliteit of eigenschap hebbend
ar leith
noun
sonra
noun
1. klein klompje hard materiaal
rúitín
pronoun
1. macrotaal binnen de Filipijnse talen, gesproken door 3,8 miljoen mensen op het Bicolschiereiland van het eiland Luzon in de Filipijnen
Bíocailis
noun
1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
mása
adjective
1. aan twee kanten, in twee richtingen (buitenkanten)
déthaobhach
noun
1. spel
billéardaí
noun
  1. 1. een stuk van staatswege uitgegeven papier waaraan geldswaarde is toegekend
    nótáil
  2. ticéad
/ˈbɪlək/
adverb
1, redelijk
aonach
noun
1. redelijkheid
cothromas
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
caoch na gcearc
verb
1. vastmaken (evt. figuurlijk)
cuibhrigh
noun
1. bindtouw
sníomh
noun
1. en 2. (bladeren van) sla met een stevige rechte krop
cósleitís
noun
1.een ontsteking van het bindvlies dat de buitenkant van het oogwit en de binnenkant van de oogleden bekleedt
toinníteas
/ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
fíochán tacaíochta
/ˈbɪnənˌbɑnt/
noun
1. binnenste band, de band waarin de lucht aanwezig is
aerchill
verb
1. ergens in gaan
iontráil
verb
1. een ruimte betreden
iontráil
adverb
1. binnen afzienbare tijd
gan mhoill
noun
1. een open ruimte omringd door gebouwen, vaak tussen voor- en achterhuis
clós
noun
1. (langwerpig) schip dat hoofdzakelijk dient voor goederenvervoer op de binnenwateren.
báirse
noun
1. iemand die voor zijn beroep op de binnenwateren (alle bevaarbare wateren behalve de zee) vaart
bádóir
adjective
1. voor twee ogen
déshúileach
noun
bithfhuinneamh
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
bitheitic
noun
1. biologische beschikbaarheid
bith-infhaighteacht
/'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
bithcheimic
adjective
1. met betrekking tot de chemische omzetting van stoffen in levende wezens
bithcheimiceach
/bio:sidə/
noun
bithicíd
noun
1. natuurlijke afbreekbaarheid
bithmhilleadh
/ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
bithéagsúlacht
noun
1. levensbeschrijver
beathaisnéisí
noun
beathaisnéis
adjective
beathaisnéiseach
noun
1.
bitheolaí
/ˌbiʲoloˈɣi/, /ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
bitheolaíocht
/ˌbijo'loːɣis/
adjective
    1. 1. te maken hebbend met de biologie
    2. 2. van gelijke afstamming
    bitheolaíoch
  1. 3. van dier en plantvriendelijke landbouw en veeteeld
    orgánach
/ˌbioˈlox/, /ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
bitheolaí
noun
bithmhais
noun
  1. 1. wiskundige-statistische kant van de biologie
  2. 2. verzameling technieken gericht op het meten en vaststellen van alle meetbare eigenschappen van levende wezens
bithmhéadracht
noun
bitheonaic
noun
1. een stukje weefsel uit een orgaan verwijderen voor onderzoek
bithóipse
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
pictiúrlann
noun
bithsféar
/ˈbiosɪnˌtezə/
noun
1.
bithshintéis
adjective
Burmach
pronoun
1. een taal die in Myanmar gesproken wordt, een minderheidstaal in Bangladesh, Maleisië en Thailand is...
Burmach
noun
1. middelgroot waterbewonend zoogdier
muscfhrancach
/ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
deoise
/bisɛksye:l/
adjective
1. seksueel gericht op beide geslachten
déghnéasach
pronoun
1. streek en provincie van Spanje rond de stad Bilbao
Bioscáin
pronoun
1. de taal die naast Engels en Frans in de staat Vanuatu wordt gesproken
Bioslaimis
noun
biosmat
/bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
easpag
noun
1.
bachall
verb
1. een studiejaar overdoen na gezakt te zijn
aisghabh
/bɪt/
abbreviation
1. in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
béalbhach
/bɪt/
noun
1. een metalen staaf die een paard in de bek gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken.
béalbhach
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
searbh
adjective
1. op een vervelende manier heel erg koud
oighreata
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in schoon stilstaand of langzaam stromend water Rhodeus amarus
géaróg
noun
1. een viskeuze vloeistof die van nature voorkomt als de minst vluchtige fractie van ruwe aardolie
asfalt
noun
1. muts die tot onder de kin doorloopt met openingen om door te kijken en te ademen
balacláva
adjective
áit
noun
1. Noord-Amerikaans zoogdier, Bison bison
bíosún Meiriceánach
noun
1. een stout en lastig kind
dailtín
noun
a
/blaːr/
noun
1. onderhuidse vochtophoping
pusca
noun
  1. 2.
    boilgeog
  2. 1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
    lamhnán
noun
1. een luchtzak die samengedrukt kan worden om een sterke luchtstroom te veroorzaken
boilg
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
gaothuirlis
noun
pusca
noun
1. een orkest dat bestaat uit blaasinstrumenten en vaak ook slaginstrumenten
banna práis
noun
  1. 1. plat, groen onderdeel van planten
  2. 2. vel papier
duilleog
noun
pusca
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
aifid
noun
1. muziek die in notenschrift op papier is gezet
bileog cheoil
noun
peitín
noun
  1. 1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
  2. 2. bewaarde hyperlink
leabharmharc
noun
1. één kant van één blad papier
giolla
/ˈblɑtsɛidɚ/
noun
1. elk van de beide zijden van een blad papier in boek, krant of tijdschrift
leathanach
noun
1. het geluid van een hond
amhastraigh
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
amhastraigh
noun
1. een afgang veroorzaakt door eigen falen
míchlú
verb
1. onteren
míchlú
verb
1. het gedurende zeer korte tijd in kokend water gaar laten worden van voedingsmiddelen, zodat geur, smaak en uiterlijk optimaal behouden blijven
bánaigh
/blɑŋk/
adjective
  1. 1. met lichte huidskleur
  2. 2. onbeschreven
bán
noun
1. iemand met een van nature bleke (pigmentarme) huid
gealacán
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Rutilus rutilus
roiste
noun
1. een uiting die als belastering van de godheid gezien wordt
blaisféim
adjective
1. beledigend naar god of godsdienst
blaisféimeach
/blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
gorm
/blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
gorm
noun
1. bepaald soort lijsterachtige, Luscinia svecica
ghormphíb
noun
1. bepaald soort vaste plant, Vaccinium myrtillus
fraochán
noun
1. witte kraaiachtige met lavendelblauw verenkleed op de rug en kop Cyanocitta cristata
scréachóg ghorm
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
corr réisc
noun
1. Balaenoptera musculus, een baleinwalvis, de grootste van alle walvisachtige
míol mór gorm
noun
1. bepaald soort vaste plant, Eryngium maritimum
cuileann duimhche
/ˈblʌʊəχ/, /ˈblʌːβ̞əx/
adjective
2. op blauw lijkend
scothghorm
noun
1. bepaald soort karperachtige riviervis Vimba vimba
srón
adjective
1. met blauwe ogen
gormshúileach
noun
aigéad prúiseach
/'bla.zə(n)/, /'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
séid
/bla'zun/
noun
1. een bord waarop een (adellijk) wapen is geschilderd en dat gedecoreerd is met sieraden
armas
adjective
1. gering van kleur
cuaille
noun
1. een grasveld waarop wasgoed in het zonlicht te bleken werd gelegd
crochta
adjective
rós
noun
tuarthóir
verb
1. witter of lichter doen worden
tuarthóir
noun
1. een verwonding die men door sportbeoefening heeft gekregen
gortú
noun
1. het verlegen zijn
cotadh
/blɛi̯/
adjective
sona
noun
1. een aangename stemming
aogall
adjective
1. fris en vrolijk
lainneach
/ˈblɛɪ̯ɦɛɪ̯t/, /ˈblɛːɦɛːt/
noun
1. een positieve stemming
lúcháir
noun
fógra
verb
taibhsigh
noun
1. een toneelstuk, film of boek dat het doel heeft het publiek te vermaken en aan het lachen te maken
coiméide
/blɛ.və(n)/
verb
  1. 2. voortduren, doorgaan
    bí i mbun
    1. 1. niet veranderen
    2. 3. ergens vertoeven
    fan
noun
2.1 cilindervormig luchtdicht afgesloten vaatje van dun metaal
stán
verb
1. in een bepaalde richting kijken
faire
/blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
tintreach
noun
1. een metalen stang of constructie die de bliksem aantrekt en naar de grond afvoert.
conduchtaire tintrí
interjection
dearnáil
noun
1.
tintreach
adjective
1. niet in staat te zien
dall
verb
1.zorgen dat je ergens niet doorheen kunt kijken, onzichtbaar maken
caoch
/'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
daille
verb
1. in opvallende mate licht weerkaatsen of uitzenden
taitin
noun
1. bepaalde ideografische kunsttaal
siombailí Bliss
/'blo/, /beɛ'lo/
adjective
clis
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
fuil
noun
1. stuwing van bloed in de bloedvaten
brú tráchta
noun
1. bloiedvat
síog
noun
tástáil fola
noun
banc fola
noun
cill fola
adjective
1. vooral van de ogen dat er bloedvaatjes op het oogwit te zien zijn (door huilen, ouderdom of ontsteking)
sreangach
noun
brú fola
adjective
1. van je eigen (dus niet aangetrouwde) familie
féin
verb
1. het vloeien van bloed
cuir fuil
noun
1. Brits hondenras met grote kop, lange hangende oren en een lange staart
madra fola
adjective
  1. 1. met bloed (bedekt)
  2. 2. waarbij veel bloed vloeit, met veel slachtoffers
crólinnteach
noun
tástáil fola
noun
1. de vloeistof van het bloed waar geen bloedlichaampjes meer in zitten maar nog wel stollingseiwitten
fuilphlasma
adjective
1. rood als de kleur van bloed
craorag
noun
ciorrú coil
noun
1. het proces waarbij bloed klontert en hard wordt
trombóis
noun
1.
téachtán fola
noun
fuilaistriú
noun
1. bloeduitstorting in de huid
brúigh
noun
1. een bloedader
fuileadán
noun
1. het vallen van doden en gewonden tijdens een conflict
doirteadh fola
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
diúgaire
/bluj/, /bluɪ̯/
noun
  1. 1. toestand waarin een plant bloemen draagt
    bláth
  2. 2. toestand waarin iemand of iets op zijn best is
    rath
noun
  1. 1. een deel van plant met zaden
    1. bláth
    2. plúr
  2. 2. fijngemalen poeder, meestal van granen
    plúr
noun
1. deel van een bloed
peiteal
noun
1. ringvormig vlechtwerk van bloemen
fleasc
noun
1. een tuin met veel bloemen
gairdín bláthanna
noun
1. de meestal gekleurde bladeren van de bloem
cocán
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
cóilis
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
próca bláthanna
noun
  1. 1. een vaak hoekig massief stuk materiaal
    bloc
  2. 2. een katrol
    puilín
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
taifeadán
noun
imshuí
/ˈblɔkə(n)/
verb
  1. 2.
    bloc
  2. 1. heel hard studeren
    pulc
verb
1.de toe- of doorgang versperren
coisc
noun
1.
balbh
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
eitleán
noun
1. aanleg van een langgerekt beschermend raamwerk van houten palen
eisléir
/blɔnd/, /blɔnt/
adjective
1.
fionn
noun
1.
botún
adverb
lom
noun
1. het ongewapend, onbeschermd in contact komen met een gevaar
nochtadh
adjective
1. met of op blote voeten
cosnochta
noun
een rode kleur op de konen
sruthlaigh
noun
1. kledingstuk
blús
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
dearg
noun
  1. 1. een melancholieke muziekstijl
  2. 2. een droeve stemming
gruaim
/blʏf/
noun
1. poging tot intimidatie
leathaill
verb
braig
noun
1. een onverwacht domme, vaak erg publieke, daad die meestal iemands geloofwaardigheid aantast
tuisligh
noun
1. toestel waarmee men een beginnende brand kan blussen
múchtóir dóiteáin
verb
1. het doven van een brand
múch
verb
brúigh
verb
1. heel hard huilen
osóg
noun
1.
olltáirgeacht náisiúnta
noun
1. gevaarlijke Braziliaanse wurgslang
buachrapaire
noun
clár
verb
1.
baibín
noun
1. een onnatuurlijk vergroeiing van de wervelkolom die tot een vervormde rug leidt
cruitíneach
noun
  1. 2. een brede baai aan de kustlijn
    bá
  2. 1. gebogen weg of pad
    cuar
noun
armacach
noun
1. iemand die gezonden wordt om een bericht, dienst, voorwerp enz. af te leveren
eachlach
noun
1. een onderkant
íochtar
interjection
bí ag faíreach
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Búdaipeist
pronoun
Búda
noun
Búdachas
noun
1. volger van de leer van Boeddha
Búdaí
noun
1. iemand die zich onbehoorlijk of misdadig gedraagt
alfraits
noun
1. de voorkant van een schip
ceann
noun
1. een beeld dat ter versiering aangebracht werd op de voorsteven van een schip
dealbh tosaigh
noun
  1. 1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
    baoi
  2. 2. een kluister voor hand of voet, een werktuig om iemand gevangen te houden
    iarnach
/bujə(n)/
verb
1. kluisteren
iarnach
noun
1. bovenste rand van de zijkant van het schip
bábhún
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
leabhar
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Búcairist
noun
1. (meestal schriftelijke) samenvatting, interpretatie en vaak ook een beoordeling van een boek
anailís
/ˈbuɡdel/
noun
1. drukwerk dat zoveel bladzijden heeft dat het in aparte band kan worden gebonden, maar waarvan de inhoud onderdeel is van een groter werk
imleabhar
verb
clóbhuail
noun
clódóir
noun
1. de in de 15de eeuw ontwikkelde kunst om teksten door middel van een drukpers te vermenigvuldigen
clódóireacht
/ˈbukən/
verb
1. reserveren van bijvoorbeeld een hotelkamer
cuir in áirithe
/ˈbu.kə.ˌkɑs/, /ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
leabhragán
noun
1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
leabharmharc
noun
1. een plank in een kast waarop je boeken kunt zetten
seilf leabhar
noun
comhad
noun
1. een winkel waar je boeken kunt kopen
siopa leabhar
noun
  1. 1. insect dat men veel in oude boeken kan vinden, Ctenolepisma longicaudata
  2. 2. iemand die heel veel leest
léitheoir craosach
noun
leabharlann
noun
1. een bos snijbloemen, vaak sierlijk gerangschikt
ostrais
noun
1. iemand die de inkomsten en uitgaven van een organisatie bijhoudt
cuntasóir
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van boek
leabhrán
noun
goile an leabhair
noun
1. bepaald soort vogel, Fringilla coelebs
rí rua
noun
1. en 2. (gepelde zaden van) plant Fagopyrum esculentum
ruán
noun
obair
/ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
siopa leabhar
/bul/
noun
caitín
noun
2. markt voor tweedehands spullen
margadh na míol
/'bunən/
verb
  1. 1. schrobben tot het glanst
    cuimil
  2. 2.Inwrijven met was tot het glanst.
    snas
/buːr/
noun
  1. 4. speelkaart
    cuireata
  2. 1. landbouwer
    feirmeoir
noun
  1. 2. een onderneming van een boer
  2. 1. een woning met bedrijfsruimte van een boer
feirm
noun
1. een onbeschaafd, onwetend persoon
abhlóir
noun
1. woon- en bedrijfsgebouw voor een boerenfamilie en hun bedrijf
aicíocht
noun
1. een werkjas zonder voorsluiting die over het hoofd wordt aangetrokken
éadaí imeachtair
/burə'kol/
noun
1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
càl
noun
  1. 1. dom persoon
    cábóg
  2. 1. agrariër
    feirmeoir
noun
1. bepaald soort samengesteldbloemige plant Tanacetum vulgare
franclus
/ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
andoriña
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
burgúin
adjective
1. weinig beschaafd, weinig verfijnd
aibéiseach
noun
  1. 2. straf voor (vermeend?) bedreven kwaad
    aithrí
  2. 1. een bedrag dat je moet betalen als je een overtreding hebt begaan
    cáin
noun
aithrí
verb
2. het repareren van een visnet
ceartaigh
verb
eiseamláir
adjective
1. bereid om boete te doen als men een fout heeft gemaakt
aithríoch
noun
1.
broinne
noun
1. een vrouw waarmee men een innige vriendschapsband heeft
cara cnis
noun
1. arbeiders hemd van grof linnen meestal blauw gekleurd met lange mouwen
forbhríste
/bɔf/
noun
  1. 1. geluk, mazzel
    cuisle
  2. 2. ziekte
    plucamas
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
An Bhoihéim
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
bóiriam
noun
  1. 1. mannelijke geit
    poc
  2. 1. platform waarop een dirigent voor het orkest staat
    póidiam
noun
1. groot sierglas of sierbeker op een voet waaruit meerdere mensen kunnen drinken
cuach
/ˈbɔkə(n)/
verb
  1. 2. (van paarden) de achterhand in de lucht gooien
    poc
  2. 1. mokken omdat men zich verongelijkt voelt
    stuaic
noun
3. een grappige, vreemde beweging of handeling
tor caprais
adjective
dínáireach
pronoun
1. meest gebruikte schrijfwijze van het Noors
Bocmál
noun
1. een gevechtswapen bestaande uit een stuk ijzer dat men gebruikt om mee te slaan
miotóg phráis
noun
1. een tactische vechtsport
dornáil
verb
1. vuistvechten als sport
dornáil
noun
1. een persoon die het boksen beoefent
bacsálaí
noun
1. handschoen gedragen tijdens het boksen
lámhainn dornála
noun
miotóg phráis
verb
1.
caitheamh cliobóg
noun
1.
dornálaíocht
noun
1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
sféar
noun
1. een helder oplichtend bolvormig object met een diameter van maximaal 40 centimeter, dat soms waargenomen wordt in de buurt van een blikseminslag en dan gedurende meerdere seconden zichtbaar is
caorthintreach
noun
1. Agrostemma githago
diasa fia
noun
1. een vierwielige ongemotoriseerde bak die wordt voortgetrokken aan een hendel vooraan
féan
/boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
An Bholaiv
noun
2. zacht broodje
cuach
noun
1. lid van een factie van de marxistische Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (RSDAP) die zich ...
Boilséiveach
noun
Boilséiveachas
noun
crotal
/bɔm/
noun
1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
buama
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
buamáil
noun
1. een korte, sportieve jas van het type dat oorspronkelijk in de jaren '50 en '60 is ontwikkeld als kleding voor piloten van de Amerikaanse luchtmacht en de Amerikaanse marine
casóg píolóta
/bomə(n)/
verb
1. langdurig en uitgebreid praten over minder belangrijke zaken
caislín
noun
1.
mamó
noun
1.
buamálaí
noun
1. een militair vliegtuig dat is ontworpen voor het werpen van bommen op gronddoelen
buamadóir
noun
1. vader van een ouder
athair críonna
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Bonaire
noun
1.
binn
/bɔnt/
noun
comhthiomsú
noun
comhaontas
adjective
achomair
noun
1. vakbondslid
aondachtóir
/ˈbɔnd.staːt/
noun
cónaidhm
noun
2. een harde klont
dréacht
noun
1. Pan paniscus, een mensaap, staat samen met de chimpansee van alle diersoorten...
mionsimpeansaí
/bɔnt/
noun
clúmh
noun
1. bepaalde vogelsoort uit de familie van plevieren, Charadrius hiaticula
feadóg chladaigh
noun
cóta fionnaidh
noun
1. van bont gemaakte jas
cóta fionnaidh
verb
1. bij herhaling slaande, een luid, laag geluid maken
garraí gabhainn
noun
1. overgebracht bericht
teachtaireacht
/ˈbotsxɑpər/
noun
1. berichtenoverbrenger
eachlach
noun
1. wapen
bogha
noun
1.
arclampa
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
Saighdeoir
noun
1. meerjarige plant met houten stam
crann
/ˈbom.bɑst/
noun
coirt
noun
1. een stuk grond met vruchtbomen
úllord
adjective
1.
borrúil
/ˈbom.kɑn.ɣə.ru/, /ˈbom.kɑn.χə.ru/
noun
1. een dier uit het geslacht der boomkangoeroes
cangarú crainn
noun
1. Hyla arborea, klein kikkertje dat zich in bomen en heesters kan begeven
frog crainn
/ˈbom.pi.pər/
noun
1. een vogelsoort die inheems is vrijwel geheel europa
riabhóg choille
/ˈbompjə/
noun
srúb
/ˈbom.sxɔrs/, /ˈbom.sχɔrs/
noun
1. het dode buitenste deel van de bast van een boom
amhastraigh
noun
1. een rechtop gaande houten schacht van een boom
stoc
noun
1. kleine sierlijke valk, familie van de torenvalk, Falco subbuteo
fabhcún coille
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
Pónaire
noun
B. chemisch element en een zwart metalloïde
bórón
/bɔːrt/
noun
  1. 2. de verbrede bovenrand van een hemd rond de nek
    bóna
  2. 4. rand
    ciumhais
  3. 3. oever
    cladach
  4. 1. het dek van een schip
    clár
noun
1. versiersel aan de randen van kledingstukken
ciumhais
noun
innealtóir eitilte
noun
crágán
/ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
druilire
noun
1. een schelpdier dat zich in hout, veen of zachte steensoorten ingraaft
pideog
/boʊs/, /boːs/
adjective
  1. 1. kwaad, woedend
    cochallach
  2. 2. kwaad, tegen de moraal
    dona
/bo'zardəx/
adverb
1. met de intentie om kwaad te doen
mailíseach
noun
  1. 2. de hoedanigheid van het kwaadaardig zijn
    coireacht
  2. 1. de hoedanigheid van het boos zijn
    corraí
noun
bithiúnach
/boʊt/, /boːt/
noun
1. klein vaartuig
bád
noun
1. een rang gelijk aan sergeant bij de marine en de hoogste onderofficier bij de koopvaardij
bósan
noun
1. zout van boorzuur met de chemische formule BO₃3−
bóráit
noun
bórás
noun
1. darmgeruis
geonaíl
/bɔRd/, /bɔrt/
noun
  1. 2. Vlak voorwerp aan een muur
    clár dubh
  2. [1] Schijfvormig voorwerp
    pláta
noun
1. lijst van bezittingen, inkomsten, bedragen e.d.
bille
noun
léibheann
/bɔrdjə/
noun
fochupán
noun
cairtchlár
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
bróidnigh
noun
1. weefselversiering aangebracht met naaldwerk
bróidnéireacht
noun
1. iets wat men geborduurd heeft op aan het borduren is
bróidnéireacht
noun
1. een pasgeboren kind
babaí
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
druilire
noun
1. iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag
urra
/'bɔrxsɔm/
noun
1.
taom
/'bɔrxstɛlɪŋ/
noun
1.
taisc
noun
2.
bannaí
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
bórón
pronoun
Boirneo
noun
1. drankje
deoch
verb
beirigh
noun
1. kletspraatjes die verteld worden tijdens informele bijeenkomsten
cabaireacht
noun
2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
  1. brollach
  2. cíoch
noun
1. beeldhouwwerk dat enkel het hoofd, de borst en de schouders toont
busta
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
cnámh uchta
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
bruis
adjective
1. ruigharig, ruwharig net zo als een borstel
guaireach
noun
1. geraamte van de borst
cliabhrach
noun
1. een groep bomen
coill
noun
1. Calopteryx virgo, een bepaald soort van de beekjuffers.
brídeog
noun
1. en 3. plant, en bessen, uit geslacht Vaccinium
fraochán
/ˈbɔsbɑuw/
noun
1. het systematisch bosbeheer (teelt en verzorging van bossen) voor de productie van hout
cranneolaíocht
noun
1. gebied dat aaneengesloten begroeid is met bomen
coill
noun
1.
gamhnach
/ˈbɔsnis/, /ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
Boisnis
/ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
Boisnia-Heirseagaivéin
/ˈbɔsni.jər/
noun
1. een inwoner van Bosnië en Herzegovina
Boisniach
pronoun
1. zeestraat tussen de Zee van Marmara en de Zwarte Zee
an Bhosparais
noun
1. jonge, onvolgroeide geboste ui met blad
ciobúl
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
ulchabhán donn
noun
1. een beheerder van een boswachterij
foraoiseoir
adjective
2. onbeleefd
amhlánta
noun
  1. 3. onderdeel van het skelet
    cnámh
  2. 1. platvis
    leadhbóg
noun
1. een onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van planten
luibheolaíocht
/ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
im
noun
1. een aantal planten uit het geslacht Ranunculus behorende tot de familie Ranunculaceae
crobh préacháin
noun
2. een belegde snee brood
ceapaire
noun
1.
saill ime
noun
1. dom, grof en onbeschaafd
boirbe
pronoun
1.
Murascaill Bhotnia
noun
1. verlies van kalk uit de botten vooral optredend bij vrouwen na de overgang
oistéapóróis
/bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /bɔts.ˈʋa.na/, /bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
  1. Botsuáin
  2. An Bhotsuáin
verb
bachlaigh
noun
  1. 1. een buisje van gepolijst glas of metaal, door gitaristen gebruikt om bepaalde typische klanken te produceren
  2. 2. een wegvernauwing, in het bijzonder een die voor vertraging zorgt
  3. 3. iets dat het tot stand komen van een bepaald proces bemoeilijkt
bac
noun
botalas
noun
1. ewone vink
rí rua
adjective
dalba
noun
seál
noun
1. het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
spréachphlocóid
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
anraith
noun
1.
búilime néarógach
noun
cumhracht
noun
beach fhiáin
noun
meánaicme
noun
1. rode Franse wijn uit de streek Haute-Loire
burgúnach
adjective
1. op Bourgondië betrekking hebbend
Burgúnach
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Burgúin
noun
1.
Burgúnach
noun
1. kompas
compás
/bɑu̯/
noun
  1. 5. de aanbouw, het telen (van gewassen)
    cultúr
  2. 1. het doen verrijzen van een gebouw
    déantús
/ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
tóg
noun
1. een persoon die dingen bouwt
foirgneoir
noun
1.
teilgeoir
noun
1. alle vertrekken in een gebouw die een vloer hebben die op dezelfde hoogte ligt, uitgezonderd zolder en souterrain
urlár
adjective
ainriochtach
noun
1. een constructie van enige omvang die verbonden is met de grond en waarin men kan wonen of werken
foirgneamh
/ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
os cionn
noun
1. het bovenste gedeelte van de arm tussen de schouder en de elleboog
brac
noun
1.bovenbeen
ceathrú
/bovənˈdin/
adverb
1. op de koop toe, daarenboven
le cois
verb
2. aan de oppervlakte komen
flóta
noun
1. de kleding die zichtbaar is en gedragen wordt boven de onderkleding
éadach imeachtair
noun
cuar
noun
1. een hooggeplaatst raam, boven een deur of in het dak
fuinneog fhardorais
adverb
1. heel erg, in grote hoeveelheid
cumasach
adjective
foirceann
adjective
1.
uachtar
adjective
lastuas
adjective
2. boven de plaats waar de kelk en de kroon zijn ingeplant zich bevindend
ardchéimiúil
adjective
1. boven het normale aantal uitgaande, met name voor een werknemer die ergens werkt waar...
iomarcach
noun
1. een sport waarbij de speler door middel van een bowlingbal moet proberen om alle tien de pins omver te gooien
Bol
verb
1. iemand uitsluiten, niet meer willen werken voor, leveren aan of kopen bij
baghcatáil
noun
1. pan met dikke wand, die geschikt is om er vlees enz. in te braden
friochtán
adjective
béasach
noun
1.
donnbhuí
noun
1.
urlacach
noun
1. gevoel dat men moet overgeven
déistin
noun
1. dat wat is uitgekotst
aiseag
noun
1. struik & 2. vrucht
sméar dhubh
noun
1.
sméar dhubh
verb
1. slecht en onduidelijk praten met name van baby's
bí ag cabaireacht
verb
1. vlees bereiden door het in vet te verhitten
frioch
noun
braille
noun
1. een plotseling opkomend idee, een prachtige inval
léargas
noun
1. een jachthond die gebruikt wordt voor de jacht op lopend wild
cú
verb
  1. 2. vlas of hennep breken
    bris
  2. 1. genuttigd voedselwaar ongewild door de mond naar buiten brengen
    caith suas
adjective
1.
mórfhoclach
noun
1. een draagbaar bedoeld om patiënten te vervoeren die niet ambulant zijn
sínteán
noun
1. bedrijfstak
craobh
/ˈbrɑnd/, /ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
tine
adjective
inadhainte
noun
1.
pusca
noun
1. toestel dat men gebruikt voor het blussen van een beginnende brand
múchtóir dóiteáin
verb
  1. 1. verteerd worden door vuur
    dóigh
  2. 2.
    rósta
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
Brandenburg
adjective
práinneach
noun
1. bepaald soort gans, Branta leucopsis
gé ghiúrainn
adjective
1.
inadhainte
noun
1. hout dat gebruikt wordt om te verbranden
adhmad tine
noun
slán
noun
1. een apparaat dat automatisch of handmatig bij brandt de brandweer waarschuwt
aláram dóiteáin
verb
1. (vee) merken door het inbranden van een teken
splanc
noun
2-3. een harige plant die bij aanraking een brandend gevoel en zwelling veroorzaakt
cál faiche
noun
fócas
noun
píobán dóiteáin
noun
biotáille mheitileach
noun
brosna
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
coirloisceoir
noun
coirloscadh
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
breosla
noun
amáille
noun
briogáid dóiteáin
noun
inneall dóiteáin
noun
stáisiún dóiteáin
noun
1.
briogáid dóiteáin
noun
1. lid van de brandweer
fear dóiteáin
noun
inneall dóiteáin
noun
dóigh
noun
sciathán
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
luaidhe
/braˈʃɛːrə/
noun
1. dameskledingstuk
cíochbheart
/braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
  1. An Bhrasaíl
  2. Brasaíl
noun
1.
leithe
noun
1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
leithead
adjective
1. tijd en ruimte nemend om alle kanten uitgebreid te bezien
scóipiúil
noun
1. het makkelijk kunnen breken
aibrisce
noun
1. stevige metalen stang, meestal voorzien van een gespleten einde, de koevoet, gebruikt om zaken open te breken.
gró
verb
1.
calc
noun
coisc
/ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
cniotáil
/brɛi̯n/
noun
1. orgaan
inchinn
/ˈbrɛɪ̯nald/, /ˈbrɛɪ̯naɫt/, /ˈbrɛːnalt/
noun
1. een naald die gebruikt kan worden bij het breien
biorán cniotála
noun
1. een lange pen waarmee men kan breien
biorán cniotála
noun
cniotáil
verb
  1. 1. in stukken uiteenvallen
  2. 5. in stukken uiteen doen vallen
bris
/ˈbre.kənt/
adjective
3. overslaand (van stem)
briste
noun
creabhar
/ˈbrɛŋ.ə(n)/
verb
1. ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
tabhair
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
Briotáin
noun
1. broekophouder
teanntáin fiacla
noun
Briotáinis
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
Briotáinis
noun
  1. 2. een gebroken gedeelte van een object
    briseadh
  2. 1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
    codán
noun
1. streep die teller en noemer in een deling van elkaar scheidt
fleasc
noun
3. noot die twee- of driemaal de lengte van een hele noot had
lán-nóta dúbailte
noun
1. mogelijk vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie
Breatimeacht
noun
  1. 1. een spel gespeeld door vier spelers, verdeeld in twee paren en gespeeld in dertien slagen
  2. 2. de kam van een elektrische gitaar
beiriste
noun
1. verzonden geschreven boodschap
  1. litis
  2. litir
noun
1. een korte brief in de vorm van een kaart
cárta poist
noun
1. een doorgaans sierlijk mesje dat men gebruikt om briefomslagen met te openen
scian pháipéir
noun
páipéar litreach
/bris/
noun
1. zachte frisse wind
brisa
verb
1. tekeergaan
tormán
noun
bosca litreacha
noun
1.
tiachóg
noun
garr
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
spéaclaí
/ˈbrɪl.beːr/, /ˈbrɪɫ.beːr/, /ˈbrɪɫ.bɪːr/
noun
1. een beer met grote cirkels rond de ogen, als een bril
béar spéaclach
adjective
1. buitengewoon slim
lonrach
noun
1. slijpvorm voor onder andere diamant
lonrach
noun
1. de houder waarin brillenglazen zijn gevat
teampall
noun
1. reptiel, gevaarlijke gifslang
cobra
noun
1. het scharnierend zijstuk van een brilmontuur dat over de oorschelp ligt
teampall
/brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
Briotanach
pronoun
Oileáin Bhriotanacha na Maighdean
pronoun
an Bhreatain
/ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
brocailí
noun
bróisiúr
verb
1. knoeien, prutsen
abach a dhéanamh ar
/'bru.də(n)/
verb
1. een gelegd ei met lichaamswarmte warm houden
gor
/brudər/
noun
  1. 5. een verpleger
    banaltra
  2. 1. een broer
    bráthair
adjective
bráithriúil
noun
  1. 1. kerkelijk goedgekeurde vereniging
  2. 2. vereniging van beroepsgenoten
  3. 1. vriendschappelijke betrekking als tussen broers
bráithreachas
noun
crág
adjective
1. drukkend heet, met onweer dreigend
anfhorlannach
noun
1. bouwsel met glazen wanden voor het opkweken van gewassen
teach gloine
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
  1. bríste
  2. treabhsar
noun
1. band waarmee je een broek stevig om heup of middel kunt binden zodat de broek niet afzakt; tailleband bovenaan de broek
banda coime
noun
1. klein jongetje dat pak sinds korte tijd een broek aanheeft
buachaill
noun
1. jonge man
aosánach
noun
1. riem die dient om een broek op te houden
beilt
noun
osán
noun
1. zak in een broek
póca bríste
/bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
deartháir
noun
1. een blok met een grillige vorm, stuk van iets groters
daba
noun
1. zijdeweefsel met ingeweven, meestal grote figuren, vaak met goud- of zilverdraad doorweven
broicéad
noun
1.
ráiméis
noun
móipéid
noun
1. wetenschappelijke naam voor het scheikundig element Broom
bróimín
noun
móipéid
adjective
1.
cnáimhseáil
noun
  1. 1. daar waar men informatie vandaan haalt
  2. 2. begin van een waterloop
foinse
adjective
1. met betrekking tot de luchtpijp-takken
broinceach
noun
1. ontsteking van de luchtpijptak
broincíteas
noun
1. luchtpijptak
broncas
noun
1. een meest door inhaleren ingenomen medicament dat vernauwing in de luchtwegen bestrijdt
broncaileathóir
noun
cré-umha
noun
paartijd
adhall
adjective
1.van brons gemaakt
dealbh chré-umha
verb
1.
dealbh chré-umha
/broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
arán
noun
1. boom Artocarpus altilis
crann toraidh aráin
noun
1.
fostóir
noun
2. klein brood, vaak versierd, belegd of in een speciale vorm, voor één persoon
cuach
noun
bruscar aráin
noun
tóstaer
noun
1. vrucht van de broodboom Artocarpus altilis
crann toraidh aráin
noun
1. lid van een huishouding met betaald werk
saothraí
noun
1. het werk waar iemand zijn geld (kost) mee verdient
gairm
noun
bróimín
adjective
1.
aibrisc
noun
1.
aibrisce
noun
1. iemand die bier maakt om te verhandelen
bríbhéir
/brɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
grúdlann
noun
1.
donnóg
/brʏx/, /brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
droichead
noun
ceann droichid
noun
1.
Idirbhliain
noun
1. hek langs de zijkant van een brug die voetgangers beschermt tegen in het water
uchtbharr
/brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
brídeach
noun
1. man die in het huwelijk treedt
buachaill óg
noun
1. huwelijksbed
leaba lánúine
noun
1.
coibhche
noun
1. jurk gedragen door een bruid
gúna pósta
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
coibhche
noun
1.
cáca bainise
adjective
1. nuttig, eenvoudig in het gebruik
abairt
noun
1.
cáca bainise
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
donn
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
donn
noun
1. brood gebakken van tarwemeel dat rijk is aan zemelen
arán donn
/ˌbrœʏnəˈbeːr/
noun
1. Ursus arctos, een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt.
béar donn
noun
1. hemellichaam met een massa tussen die van een gasreus en een ster, onvoldoende voor kernfusie tussen protonen
abhac donn
verb
  1. 1. bruin worden
  2. 1. iets bruin maken
dealbh chré-umha
/ˈbrœyŋɣəˌbrɑnt/
adjective
1. door zonlicht donker gekleurd
coirtithe
adjective
1.
díograiseoir
adjective
1. met bruine haren.
bean dhonn
/ˈbrœʏnəχ/, /ˈbrœːnəx/, /ˈbrœːnɪx/
adjective
2. op bruin lijkend
scothdhonn
/ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
muc mhara
noun
Amerikaanse apen die een brullend lawaai kunnen produceren
moncaí uallach
/bry.ˈnɛɪ̯/, /bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
  1. Brúiné
  2. Brúiné Darasalám
noun
1. een vrouw met (donker)bruin (of zwart) haar en soms ook met een donkere gelaatstint
bean dhonn
/brʏs/
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders (zonder de connotatie met zorg)
deartháireacha agus/nó deirfiúracha
pronoun
1. de hoofdstad van België
  1. An Bhruiséil
  2. Bruiséil
adjective
Bruiséil
adjective
  1. 2.
    drochmhúinte
  2. 3. vrijpostig
    frainc
noun
brúidiúlacht
noun
1. winst van een onderneming voor aftrek van de belastingen
brabús comhlán
adjective
gearrbhéalach
adjective
1. nietsontziend en gewelddadig
brúidiúil
noun
1. iemand die nietsontziend en veelal gewelddadig optreedt
amhas
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
CBL
/ˈbʏdʒɛt/
noun
buiséad
adjective
1. met betrekking tot een budget, begroting
buiséad
/'bɵfəl/
noun
1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
buabhall
/ˈbyfɛt/
noun
  1. 1. meubelstuk waarin men tafelgoed en -zilver opbergt
  2. 2. toonbank waarop allerlei etenswaar ligt die men kan bekomen of zelf pakken
gread
/bœʏ/, /bœː/
noun
2. gril
fíbín
noun
2. huidplooi bij buideldieren ...
póca
noun
zoogdier uit de orde Didelphimorphia
apasam
/bœʏ̯χə(n)/, /bœːɣə(n)/
verb
    1. 1. krom maken
    2. 2. krom worden
    bandán
    1. 3. een buiging maken, zich buigen
    2. 4. aandacht besteden aan iets
    bogha
noun
1. nijging als beleefde groet
bogha
noun
1.
teanchair
adjective
aclaí
noun
1. het vermogen om te kunnen buigen
aclaíocht
/bœʏ̯k/, /bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
bolg
noun
bolg
adjective
feolmhar
noun
buinneach
noun
crios
noun
1.de kunst van het buikspreken
bolgchaint
noun
1.
seicin
noun
1. de meest voorkomende vorm van pest en wordt veroorzaakt door de
plá bhúbónach
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
píopa
noun
2. buisklokken
clogfheadáin
noun
1. buisklokkenspel
clogfheadáin
/bœʏ̯t/, /bœːt/
noun
goederen gewonnen door diefstaf of verovering
aicseam
/ˈbœʏ̯tə(n)/, /ˈbœːtə(n)/
adverb
amuigh
noun
araoid
adverb
diomaite de
adjective
1. boven het normale uitstijgend
ar leith
noun
imeachtar
noun
1. ieder land buiten het eigene
thar lear
/ˈbœytə(n)lɑndər/
noun
1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
allúrach
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
eachtrach
noun
1.
urphost
adjective
1. buiten alle maten
iomarcach
noun
ainmheasarthacht
/ˈbœy̯.tə(n)ˌsta:n.dər/
noun
iemand buiten de groep, van buiten
coimhthíoch
noun
imeachtar
verb
argain
verb
  1. 1. een buis in de school geven
  2. 2. een buis in de school krijgen
tréig
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
clamhán
/bʏl/
noun
  1. 1. mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
  2. 2. pauselijke oorkonde
tarbh
noun
Bulgárach
/bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
  1. Bulgáiris
  2. Bulgárach
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
  1. An Bhulgáir
  2. Bhulgáir
noun
  1. 1. hol bolletje of blaasje gevuld met gas of vocht
    boilgeog
  2. 2. blaar op de huid
    pusca
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
ollscartaire
noun
tuairt
noun
1. iemand met een bochel
cruitíneach
adjective
1.
aindreanta
noun
1. zijdelings bijeengehouden verzameling langwerpige voorwerpen
allatán
noun
1. woning of vakantiehuis zonder bovenverdieping
bungaló
noun
1. zwaar versterkte verdedigingsstelling
dídean
noun
1. in een konijnenkostuum geklede serveerster in een nachtclub
banfhreastalaí
noun
1. gasbrander met regelbare luchttoevoer die men gebruikt in een laboratorium
dóire Bunsen
noun
1. kasteel
caisleán
noun
2. een (politie)kantoor
oifig
noun
maorlathas
noun
1. (Belgisch) een kantoor, de ruimte waarin een bureau staat
feidhmeannas
noun
1. overlast uit nabuurschap
crá croí
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
méara
noun
  1. 1. inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
    saoránach
  2. 2. lid van de burgerbevolking, in tegenstelling tot een strijdende partij of ordedienst
    sibhialtach
  3. 1. schijfvormig gebakken of gegrild rundergehakt of iets vergelijkbaars
    borgaire
/ˈbʏrɣərlək/
adjective
1. tot de burgers behorend, tot de middenstand behorend
buirgéiseach
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
cogadh cathartha
noun
1. een recht dat men geniet als staatsburger van een land
cearta sibhialta
noun
cathróireacht
noun
1. hoogste bestuurder op gemeentelijk niveau
méara
noun
1. edelman
bíocunta
noun
bíocuntaois
noun
1. beitel met ruitvormige punt
bior greanta
/bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
Buircíne Fasó
/bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
  1. An Bhurúin
  2. Burúin
/bɵs/
noun
1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
bus
/ˈbʏshɑltə/, /ˈbʏshɑɫtə/
noun
1. een plek waar een bus stopt
stad bus
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
púdar gunna
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
cíochbheart
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
puimcín imchnó
/byr/
noun
1. een persoon die in andermans omgeving woont
comharsa
noun
1. een man naast wie men woont
comharsa
noun
  1. 1. een (deel van een) wijk
    ceathrú
  2. 2. de nabijheid
    cóngas
noun
gráig
noun
1. vrouw woonachtig in het belendende huis
comharsa
noun
Biosántach
adjective
Biosántach
noun
béite
noun
2. afkorting voor de toonsoort
C
noun
  1. 1. de toonnaam
  2. 2. afkorting van “c-mineur”
c
/kakaˈoː/, /kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
cócó
verb
1. iets bijv. met lak verzegelen
rón
noun
1.
carcair
noun
1. een stekelige vrucht van de Opuntia
piorra deilgneach
noun
rithim
/kaˈdoː/
noun
1. iets dat men aan iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
bronntanas
noun
1. glanzend of gekleurd papier waarin met een product verpakt dat men als feestelijke presentje wil geven
páipéar beartán
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
caidmiam
pronoun
1. het sterrenbeeld “Graveerstift“
Siséal
noun
1.
deachtóir
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
caiféin
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar men dranken kan nuttigen
caifé
noun
1. gebundelde hoeveelheid bladeren papier waarin je kunt schrijven
ríomhaire glúine
/kɛˈsɔn/
noun
1. doosvormige constructie
vaigín armlóin
noun
1. luchtig gebak
calc
/ˈka.la/, /ˈkaː.la/
noun
1. een kleine ronde baai langs een steile kust met een nauwe doorgang naar de open zee
cuainín
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
cailciam
noun
1. berekening
ríomh
/kɑlkʏˈlatɔr/
noun
  1. 1. machine
  2. 2. persoon
áireamhán
pronoun
Caladóin
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
calafoirniam
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten. De staat grenst aan de Pacifische Oceaan en aan de Mexicaanse deelstaat Baja California, alsmede aan de Amerikaanse deelstaten Nevada, Oregon en Arizona.
Calafóirn
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
calra
noun
meting van hoeveelheden vrijgekomen warmte
calraiméadracht
noun
2. een woord of woordgroep die is gevormd door middel van een één-op-één vertaling...
lomaistriúchán
noun
bille malairte
/kɑm.ˈbɔ.dja/, /kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
  1. An Chambóid
  2. Cambóid
pronoun
Cambridge
/ˈkɑmbrijʏm/
noun
Caimbriach
/ˈkaməˌra/
noun
1. een apparaat om beelden mee te registreren
ceamara
noun
1.
veain
noun
duaithníocht
/kɑmuflerən/
verb
1. een voorwerp onopvallend maken
duaithnigh
/kɑmˈpɑɲə/
noun
feachtas
/ˈkɑmpɪŋ/, /ˈkɛmpɪŋ/
noun
1. een terrein met voorzieningen om te kamperen
láthair champála
/ˈkɑmpʏs/
noun
1. universiteitsterrein
campas
/ˈka.na.da/, /ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
Ceanada
noun
1. slecht volk
gramaisc
noun
1. bank om op te zitten of te liggen en alle standen daar tussen in
tolg
pronoun
Na hOileáin Chanáracha
pronoun
Oileáin Chanáracha
verb
1. iets afgelasten
cealaigh
noun
1. schimmelziekte van huid en slijmvliezen
candaidiáis
noun
1. elk van de (verticale) groeven op zuilen en pilasters
cuisle
/'ka.nɔn/
noun
1. de strengste vorm van een meerstemmige compositie, waarin de stemmen elkaar in de tijd verschoven imiteren
urchar
/ˌka.no.ˈnik/
adjective
3. standaard voorgeschreven
caighdeán
verb
1. tot canon maken
canónaigh
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Cantabria
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. cantalupensis
cantalúp
noun
cantáid
/ˌkɑntaˈrɛɫ/
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak, Cantharellus cibarius
cantarnaid
noun
1. spiraalvorming opgewonden goud- of zilverdraad
lúb iompaithe
noun
1. kerkkoor dat bestaat uit leden van de gemeente
cór
noun
anairt
/kɑˈpabəl/
adjective
1. kundig, bekwaam
ábalta
noun
1. mogelijkheid om iets te bevatten
ábaltacht
/ˌkapiˈbaːra/
noun
1. Hydrochoerus hydrochaeris, een groot knaagdier...
capabára
/ˌka.pɪ.la.ri.ˈtɛɪ̯t/
noun
ribeadas
noun
captaen
/ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
cochall
noun
1. bepaald soort zoogdier, Profelis caracal
lincse chluasdubh
noun
1. kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonst
carbhán
noun
1. carbidgas/acetyleen
aicéitiléin
noun
1. steenkoolproduct dat men gebruikt om hout te beschermen tegen weersinvloeden, het mag niet meer gebruikt worden i.v.m. de kankerverwekkende eigenschappen
créasóid
noun
carbónáit
noun
páipéar carbóin
noun
carbradóir
noun
1. toestel dat vloeibare brandstof (bv. benzine) in fijn verdeelde toestand vermengt met lucht
carbradóir
adjective
1. kankerverwekkend
carcanaigineach
noun
1. kankergezwel
carcanóma
/ˈkɑrdɪɡən/
noun
1. vest met V-hals dat met knoopjes aan de voorkant wordt gesloten
cairdeagan
adjective
1. door het hart veroorzaakt
cardaigineach
noun
cardagraf
noun
leictreacardagram
/kɑrdijolo'xi/
noun
1. een medisch specialisme dat zich bezighoudt met het opsporen, diagnosticeren en behandelen van hartziekten
cairdeolaíocht
adjective
1. met betrekking tot hartziekten
cairdeolaíoch
/kɑrdijo'lox/
noun
cairdeolaí
adjective
1. hart en longen betreffend
cardascamhógach
adjective
1. met betrekking tot hart en ademhaling
cardairiospráideach
adjective
1. met betrekking tot hart en bloedvaten
cardashoithíoch
pronoun
1. de zee ten westen van de Atlantische Oceaan, begrensd door de Kleine en de Grote Antillen, de noordkust van Zuid-Amerika en de oostkust van Midden-Amerika
Muir na Cairibe
noun
1. muziekinstrument met klokken
clogaireacht
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
carnabhal
noun
1. loopbaan, werkgerelateerde maatschappelijke positie
réim
noun
1. koetswerk van een voertuig
comhlacht
noun
timpeallán spraoi
pronoun
Cartaig
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
cartagrafaíocht
noun
eas
noun
1. romp van een gebouw, auto of schip
sceall
noun
1. een diepgaand onderzoek met maar één studieobject
cás-staidéar
noun
cnó caisiú
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
caiséad
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Caiseoipé
verb
1. iemand voor een film- of toneelrol werven
teilgeoireacht
pronoun
Castilla y León
pronoun
Castilla-La Mancha
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
coill
noun
  1. 1. een naamval
  2. 2. concrete voorbeeld(en) van iets in de praktijk, vooral gebruikt in wetenschappelijke uitleg en cursussen
cásáil
noun
1.
Catalónach
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
Catalóinis
verb
1. in een register onderbrengen
ainmliosta
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
an Chatalóin
noun
1.
ainmliosta
noun
1. grijze staar, een troebeling van de ooglens die het zien verstoort
fionn
noun
1. aandoening van het slijmvlies waarbij het veel vocht verliest
réama
noun
1. een algemene ramp
anachain
noun
1. de leer van een godsdienst in de vorm van vragen en antwoorden gebruikt in het godsdienstonderwijs...
teagasc Críostaí
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
catagóir
adjective
1. met betrekking tot het (staart) uiteinde, ook gebruikt voor het onderste deel van ruggemerg
eireabaill
verb
1. uitbranden van wonden
loisc
noun
1. strijdmacht te paard
marcra
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
muc ghuine
noun
1. een gat of ruimte bijv. gaatje door tandbederf
cuas
noun
1. en 2. een peper, een scherp specerij
piobar Chéin
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
Caireo
noun
1. register
liosta
/ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
céadar
adjective
1. gemaakt van het hout dat afkomstig is van de cederboom
céadar
noun
liosta
noun
  1. 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
  2. 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
cill
verb
1. plechtig herdenken
ceiliúir
noun
1. slagwerkinstrument met een klavier
ceileiste
adjective
aontumhach
noun
baitsiléir
/sɛlkɛrən/
noun
1.
núicléas
noun
1. musicus die een violoncello of kortweg een cello bespeelt
dordveidhleadóir
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
dordveidhil
/sɛ.ly.ˈlɛːr/
adjective
ceallach
/ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
ceallalós
noun
1. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
cillscannán
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
  1. stroighin
  2. suimint
noun
ceint
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Ceinteár
noun
1.
ceinteár
/'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
ceintiméadar
/sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
Poblacht na hAfraice Láir
pronoun
Meiriceá Láir
pronoun
Eoraip Láir
adjective
1. afkomstig uit of betrekking hebbend op het middelste deel van het continent Europa
Lár na hEorpa
pronoun
1. Iraanse taal gesproken door 6 miljoen mensen in Irak en Iran
Coirdis
noun
cumhachtstáisiún
adjective
1.
lártheifeach
noun
1. centrifugaalmachine
lártheifneoir
verb
1. met een centrifuge scheiden, zuiveren of drogen
deighil
noun
1.
sa lár
noun
1. middelpunt
ionad
noun
1. romeins legeraanvoerder die leiding geeft aan honderd soldaten
ceantúir
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Ceiféas
noun
ceirmeacht
noun
1. iemand die (sier)aardewerk maakt voor zijn beroep
ceardaí
adjective
1. met betrekking tot de grote hersenen
ceirbreach
adjective
1. met betrekking tot hersenen en ruggemerg
ceirbrispíonach
adjective
1. met betrekking tot de bloedvaten in de hersenen
ceirbreashoithíoch
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ceiréas
adjective
crann silíní
noun
ceiriam
/ˌsɛrtifiˈkat/
noun
1. een schriftelijk bewijs
teastas
adjective
1. met betrekking tot de hals en de nek
ceirbheacsach
noun
caeisiam
noun
1. overdracht van schuldvordering
tasc
pronoun
Ceuta
pronoun
Siolóin
adjective
1. in slechte stemming, slecht gehumeurd
cantalach
pronoun
Caildé
/ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
seaimpéin
noun
anraith muisiriún
noun
copla
verb
1. het ritmisch spreken of het zingen van woorden of geluiden
bí ag cantaireacht
noun
1. grote wanorde
anord
adjective
anordúil
noun
1. oudere vrouw die een jonge ongehuwde vrouw begeleidt
bean choimhdeachta
noun
1. hoofdstuk van een boek
caibidil
verb
1. met kracht aanvallen, een charge uitvoeren
ruaig
noun
1. liefde en zorg voor de noodlijdende medemens
carthanacht
adjective
1. omkijkend naar andere mensen en zich medeverantwoordelijk voelen voor het welzijn van zijn medemens
daonchairdiúil
/ˈʃar.la.tan/
noun
potrálaí
/sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
caithis
verb
1. bekoren
briocht
noun
1.
caisleán
/ˈtʃɑtə(n)/, /ˈtʃɛtə(n)/
verb
1. op synchrone wijze met elkaar korte tekstberichten uitwisselen
caislín
verb
bagair
/ʃaʊ̯.ˈføːr/, /ʃo.ˈføːr/, /ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
tiománaí
noun
seobhaineachas
noun
seobhaineach
adjective
  1. 1. behept met een overdreven vorm van vaderlandsliefde
  2. 2. met betrekking tot het chauvinisme
seobhaineach
/ˈtʃɛkən/
verb
1. controleren, nakijken
coisc
noun
1. Acinonyx jubatus, een zeer snel Afrikaans katachtig roofdier
síota
noun
1. de baas, iemand die de leiding heeft
cnoga
noun
ceimiceoir
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
ceimic
pronoun
1.
Chemnitz
/ʃɛk/
noun
seic
/tʃɛ.ˈrɔ.ki/, /ˈtʃeː.ro.keː/
pronoun
1. inheemse taal gesproken door enkele duizenden mensen in Noord-Amerika
Seiricis
noun
chí
noun
croseagar
pronoun
Chicago
adjective
Sileach
/ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
  1. Sile
  2. An tSile
/ˈtʃɪlə(n)/
verb
1. tot rust komen, ontspannen
é a thógáil go bog
noun
ciméara
/ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
simpeansaí
noun
ciméara
/ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
Sín
/ʃi.ˈnes/
pronoun
1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
Sínis
noun
(bladeren van) Brassica rapa subsp. pekinensis
cabáiste Síneach
noun
1. bepaald soort grasachtige plant, Eleocharis dulcis
castán uisce
noun
  1. 1. dun reepje gefrituurde aardappel
    briosc
  2. 2. een klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
    mant
noun
iora talún
/ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
máinlia
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
máinliacht
adjective
1. betrekking hebben op operatief
críochnúil
noun
clóirín
noun
clóiríd
/ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
seacláid
/sʲoko'latʲə/
noun
2. stukje chocola
donn seacláide
/ˌʃo.ko.ˈla.də/, /ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
seacláid
noun
1. drank gemaakt van cacao, suiker en melk
seacláid
noun
1. een veelal ronde, bruingekleurde taart, waarin chocolade of cacao verwerkt is
cáca seacláide
noun
tachtaire
/χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
calar
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
colaistéaról
noun
cóiréagrafaíocht
adjective
1. te maken hebbend met het christendom
Críostaí
/ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
Críostaí
/ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
  1. Críostaíocht
  2. críostaíocht
/ˈxrɪstʏs/
pronoun
Críost
noun
crómáit
noun
cróimiam
/ˌɣro.mo.zo.ˈmal/, /ˌɣro.mo.zo.ˈmaɫ/, /ˌχro.mo.zo.ˈmaɫ/
adjective
1. met betrekking tot de chromosomen, de eiwitten die erfelijke informatie bevatten
crómasómach
/ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
crómasóm
noun
1. iemand die kronieken schrijft
croiniceoir
/xrono.lo'ɣiː/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
croineolaíocht
adjective
1. naar tijdstip gerangschikt
cróineolaíoch
noun
1. een uurwerk waarop zeer kleine tijdsdelen kunnen worden afgelezen
cronaiméadar
noun
cróimiam
noun
1.
criosantamam
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
bod
/ˌsikoˈrɛɪ/
noun
siocaire
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
ceirtlis
noun
1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
figiúr
verb
amhlachas
noun
figiúr
noun
ómós
noun
sorcóra
noun
1. een metalen slagwerkinstrument bestaande uit een ronde schijf
ciombal
noun
1.
pictiúrlann
noun
1.
cineamatagrafaíocht
noun
1.
cionnabar
noun
1. iemand die gevangenen bewaakt en verzorgt
séiléir
abbreviation
ar tí
noun
  1. 1. omloop voor snelheidswedstrijden
  2. 2. elektronisch netwerk
ciorcad
adjective
ciorclach
verb
1. in omloop zijn
scaip
noun
imghearradh
noun
1. attractie
sorcas
/ˈsɪrkəɫ/
noun
ciorcal
verb
1. in cirkels ronddraaien of rondvliegen
ciorcal
noun
timpeall
/ˈsɪrkəlzax/
noun
1. motorzaag met een rond zaagblad
sábh ciorclach
noun
1.
chiorróis
/'sɪrɵs/
noun
1. een zeer hoog drijvende wolk die eruitziet als katoenvlokken, pluimen of veren, in regelmatige strepen aan de hemel verdeeld
ciorras
noun
1. aanhaling, ontleende passage
rá
noun
1. versterking die een vestingstad domineert, hetzij om de inwoners van die stad onder bedwang te houden,...
daingean
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
siotar
verb
1. eigen of andermans woorden ontlenen
luaigh
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
líomóid
noun
beirbhéine líomóideach
noun
1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
líomanáid
noun
1. Melissa officinalis, een vaste plant die naar citroen ruikt; van de bladeren kan thee gezet worden
lus na meala líomóide
noun
aigéad citreach
noun
1.
lus na meala líomóide
noun
crann citris
noun
innealtóireacht shibhialta
noun
1. artistieke techniek
chiaroscuro
noun
clann
adjective
1. in de stijl van de klassieke oudheid; in de stijl van het classicisme
clasaiceach
noun
aicmiú
verb
rangaigh
/klʌstrofoˈbiː/, /klʌustrofoˈbiː/
noun
1. vrees voor afgesloten ruimten
clástrafóibe
/klʌʊˈsylə/
noun
1. een extra bepaling in een ambtelijke brief.
agús
noun
1. afsluiting van bepaalde delen van een klooster
ráille
noun
1.
adharc
noun
1. klimplant uit de ranonkel familie met veel bloemen
cleimeatas
adjective
1. het toegevend zijn van een gezagdrager ten opzichte van de minderen
mín
noun
1. de leiders van een kerkgenootschap
cléir
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
brillín
noun
1. de gecombineerde darm- en urineuitgang bij bepaalde diersoorten
clóáca
noun
1. een Franse en m.n. Parijse dronken, dakloze zwerver
rianaí
noun
1. pot waarin je kunt poepen en plassen
babhla leithris
noun
een verwijzing naar het internet
néal
/kloːn/, /klʌːun/
noun
  1. 1. komische artiest
  2. 2. bespottelijk iemand
abhlóir
/klɵp/
noun
  1. 2. gemakkelijke stoel
    cathaoir uilleach
    1. 1. besloten gemeenschap
    2. 3. golfstok
    club
noun
1. een compacte groep van gelijksoortige objecten, verschijnselen, klanken etc
braisle
prefix
leathcheann
noun
comheinsím
verb
1. instructies en leiding geven aan een sportteam of sporter
bus
/kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
comhghuaillíocht
noun
1. vrachtschip kleiner dan 1800 Brut Register Ton (1 BRT = 2,83 m³)
mata
adjective
1.
comhaiseach
noun
cábla comhaiseach
noun
1. gevaarlijke gifslang
cobra
noun
1.
cocbhád
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
cócaon
noun
cocún
noun
1. eigendoms- en ontvangstbewijs waarin zeevrachtbrief en vervoersovereenkomst worden gecombineerd
bille luchtaithe
noun
comhsheasmhacht
noun
1. de vorm en de manier waarin iemand zijn haar draagt
bearradh gruaige
noun
1. ontgaste steenkool
cóc
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
cóc
noun
cumhdaigh
noun
1. nette kleding voor mannen bestaande uit een colbert en een pantalon
fóir
noun
colláis
noun
1. flauwvallen
cliseadh
noun
bailiúchán
verb
bailigh
noun
bailiúchán
noun
1. meerdere groepen die onder één noemer worden aangesproken
tiomsaitheach
verb
bailigh
noun
1. stellen van het belang van de gemeenschap boven dat van het individu
aonseilbh
/kɔˈleɣa/, /kɔˈleχa/
noun
  1. 1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt
  2. 2. een vak- of ambtgenoot
comhghleacaí
noun
  1. 1. scholengemeenschap
    coláiste
  2. 1. de tijd waarin een docent een bepaald onderwerp uitlegt aan studenten
    léacht
adjective
1. zoals gepast en gebruikelijk is onder goede collega's en gelijken
bráithriúil
adjective
collóideach
noun
collóideach
/ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Cholóim
noun
1. een inwoner van Colombia of persoon die de Colombiaanse nationaliteit bezit
Colómach
/ko'lɔnə/
noun
1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
colún páipéir
adjective
1. met betrekking tot de karteldarm en de endeldarm
colaireicteach
noun
1. de eerste, gelige moedermelk
gruth buí
/ˈkomaˌzœypə(n)/
verb
1. alcohol consumeren totdat men het bewustzijn verliest
ragús óil
noun
1. militair, bestemd om aan de strijd deel te nemen
gaiscíoch
noun
comhcheangal
noun
1.een filmgenre waarin de nadruk ligt op humor
coiméide
/kɔnˈfɔrt/
noun
1. een toestand waarin men zonder onrust, vrees of verlegenheid is
compord
adjective
1. gerieflijk
compordach
noun
coiste
noun
1. iemand die het commando heeft over een leger of vloot
ceannasaí
verb
bail
noun
ceannasaí
/kɔ.ˈmɑn.do/
noun
  1. 1. bevel, leiding
  2. 3. opdracht om een bepaald proces uit te voeren
tiomnú
noun
droichead sróine
/kɔmən'tar/
noun
2. kritiek
beachtaíocht
noun
tráchtáil
noun
stáisiún na bpéas
noun
1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
coimisiún
noun
1. onrust bij een groep mensen
anfais
noun
1. schudding, gebruikt voor hersenschudding
anfais
adjective
1. betrekking hebbend op de gemeenschap
comhchoiteann
/ˌkɔ.my.nɪ.ˈkaː.si/, /ˌkɔmyniˈkasi/, /ˌkɔmyniˈkaʦi/
noun
1. het uitwisselen van informatie
cumarsáid
verb
2. met elkaar in contact komen
cuir in iúl
/kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
cumannachas
noun
cumannach
/ko.ˈmoː.rə(n)/, /ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
Oileáin Chomóra
adjective
1. ruimte beperkende uitvoering, gedrongen
dlúth
verb
1. het volume van iets kleiner maken
acht
noun
2. vennootschap
comhlacht
verb
2. voor rechter of notaris verschijnen
taibhsigh
noun
1. verschijning in rechte
láithreas
verb
1. iets goed (proberen te) maken, terug in balans brengen
cúitigh
noun
1. wedijver, concurrentie
comórtas
noun
1. (informatica) computerprogramma dat een in een brontaal geschreven programma (broncode) vertaalt in een semantisch equivalent programma in een doeltaal (objectcode) (en meestal tegelijk met andere programma´s 'linkt')
teaglamaí
verb
tiomsaigh
adjective
1. volledig, voltallig
foirfe
noun
1. kostuum
fóir
/kɔmplɛks/
adjective
1. ingewikkeld
ollionad
noun
1. de mate waarin iets complex is
castacht
noun
1. bijkomende ziekte (verergering)
aimpléis
noun
1. geheime samenwerking van meerdere personen om een bepaald (verboden of slecht) doel te bereiken
comhcheilg
verb
cum
noun
  1. 1. een muziekstuk, werkstuk van een componist
  2. 2. samenstelling
comhdhéanamh
verb
1. samenpersen, compact maken
dlúthaigh
/kɔm.ˈpju.tər/, /kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
ríomhaire
noun
1. een programma dat geïnstalleerd en gebruikt kan worden op een computer
ríomhchlár
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
cluiche ríomhaire
noun
1. de taal waarin computerprogramma's worden geschreven, de programmeertaal.
teanga ríomhaire
noun
1.
víreas ríomhaireachta
noun
ríomheolaíocht
verb
  1. 1. op één plek samenbrengen
  2. 2. zich ~ op één zaak toespitsen
comhchruinnigh
noun
1. een ontwerp, een project
imchruth
noun
1. bevruchting
coimpeart
noun
bain do
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
ceolchoirm
adjective
achomair
/kɔn.si.ˈjɛr.ʒə/, /kɔn.ˈʒɛr.ʒə/
noun
1. een huisbewaarder, een toezichter in een gebouw
pórtar
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
comhthionól cairdinéal
/ˌkɔŋklyˈderən/
verb
2. (overgankelijk) tot een besluit komen
achomaireacht
noun
coimhlint
/kɔnˈkret/
adjective
2. in realiteit bestaand
coincréitigh
noun
1.vrouw met wie een man in ongehuwde staat...
bean leapa
noun
1. mededinger, wedijveraar
iomaitheoir
noun
1.
coimhlint
noun
taisleach
/kɔndɛn'zasi/
noun
comhdhlúthú
noun
1. elektrische component
toilleoir
noun
acmhainn
verb
1. overgaan van gasvormige naar vloeibare toestand
comhdhlúthaigh
noun
  1. 1. gezondheidstoestand
  2. 2. voorwaarde
bail
verb
2. in zekere toestand brengen of houden
bail
noun
condam
noun
1. benaming voor sommige roofvogels uit de Amerikaanse tak (Cathartidae) van de gierenfamilie
condar
noun
1. een medewerker van de spoorwegen die reizigers op vervoersbewijzen controleert en de orde in de trein of tram dient te bewaren
stiúrthóir
noun
conduchtaire
noun
cónaidhm
noun
comhdháil
noun
rún
/kɔnfixy'rerə(n)/
verb
1. opbouwen en aanpassen aan eigen behoefte
cumrú
noun
1.
cóineartú
verb
daingnigh
noun
1.
forghabháil
noun
milsíneoir
verb
1. van staatswege in beslag nemen
coigistigh
noun
coimhlint
noun
admháil
noun
verwardheid
cíor thuathail
noun
1. ophoping van vloeistof bijv. bloed
brú tráchta
/kɔŋˈɣrɛs/, /kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
comhdháil
adjective
comhionann
noun
comhionannas
noun
1. "ontslag"
folmhaigh
adjective
1. de vorm hebbend van een (afgeknotte) kegel
coirceogach
noun
1. binding
réimniú
noun
cónasc
/ˈkɔn.jʏŋk.tif/
noun
1. aanvoegende wijs
foshuiteach
noun
1. bindvliesontsteking van het oog
toinníteas
noun
1.een ontsteking van het bindvlies dat de buitenkant van het oogwit en de binnenkant van de oogleden bekleedt
toinníteas
noun
ceangal
noun
1. de mate waarin iets of iemand verbonden is of kan zijn met anderen
lúdracht
noun
1. de bijklank of gevoelswaarde van een woord of woordgroep, die tot op zekere hoogte losstaat van de letterlijke betekenis
fochiall
verb
1. consecratie verrichten
coisric
adjective
1. met wederzijdse toestemming; met wederzijdse instemming
comhthoiliúil
noun
1. een noodzakelijk gevolg
iarmhairt
/kɔnsɛrvaˈtif/
adjective
1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde
coimeádach
noun
coimeádachas
verb
1.
caomhnaigh
noun
teagasc
/kɔnso'nɑnt/
adjective
consan
adjective
1. Altijd onveranderlijk
diongbháilte
pronoun
Cathair Chonstaintín
/kɔnsta'terə(n)/
verb
1. vaststellen
cuir ar bun
noun
1. een situatie waarin men zich geen raad meer weet
anbhá
noun
1. verstopping, harde of uitblijvende ontlasting
iatacht
noun
2. grondwet
bunreacht
adjective
bunreachtúil
/xxxx/
noun
déantús
noun
  1. 1. Romeins overheidspersoon
  2. 1. vertegenwoordiger
consal
noun
1.
consalacht
verb
  1. 1. verorberen
  2. 2. verbruik van goederen en diensten in de economie
caith
noun
1. het nuttigen van voedsel
ionghabháil
noun
oighear
/kɔn.ˈtɑk/, /kɔn.ˈtɑkt/
noun
5. een elektrische schakelaar
ladhróg
noun
1. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
lionsa tadhaill
noun
coimeádán
adjective
1.
airgead tirim
adjective
1.
comhaois
noun
1.
cath
/ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
comhthéacs
noun
1. een werelddeel
mór-roinn
adjective
mór-roinneach
noun
1.
comhrian
noun
1. het laagstklinkende muziekinstrument van de strijkinstrumenten
olldord
/kɔnˈtrɑkt/
noun
1. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
conradh
verb
1. een contract sluiten
conraigh
noun
1. (muziekinstrument) fagot waarvan de noten een octaaf lager klinken dan de gewone fagot
ollbhasún
adjective
ciotrúnta
noun
1. opvallende tegenstelling
fritéis
adjective
1. sterk van elkaar verschillend
contrártha
noun
liostáil
noun
scrúdú
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
ceansaigh
noun
1. iemand die belast is met de controle
ard-reachtaire
noun
1.
ard-reachtaire
adjective
1. onderwerp zijnde van een twist
aighneasach
noun
aosáid
adjective
1. wat door het vaste gebruik bepaald is
gnásúil
/kɔn.vɛr.ˈsa.tsi/
noun
comhrá
verb
1. een gesprek voeren
déan comhrá
noun
1. omzetting
tiontú
noun
comhghairm
adjective
1.
cúileach
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
coipeirniciam
adjective
1. rijkelijk, overvloedig
fairsing
noun
cóipcheart
noun
1. het hoornvlies van het oog
coirne
noun
1. gezouten, gekookt en meestal ingeblikt rundvlees
mairteoil leasaithe
pronoun
2. spelwoord voor de letter c
Séarlas
/ˈkɔrnis/, /ˈkɔrnɪs/
pronoun
1. een Keltische taal die gesproken wordt in Cornwall
Coirnis
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
Corn na Breataine
adjective
1. met betrekking tot de krans-slagaders van het hart
corónach
noun
1. het te dik zijn van een mens of dier
róthrom
adjective
1.
beacht
noun
1. verbetering
ceartú
noun
1. samenhang
comhghaolú
/ˌkɔriˈʒeːrə(n)/, /ˌkɔriˈʒɪːrə(n)/
verb
1. iets van fouten ontdoen
beachtaigh
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
creimeadh
adjective
1. met behulp van geschenken, geld e.d. over te halen om zijn plicht, partij, of overtuiging te verzaken
truailligh
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
éillitheacht
/'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Corsaic
pronoun
1. een taal die op Corsica gesproken wordt
Corsacach
/ˈkɔrso/
noun
paráid
noun
1. schors
coirtéis
noun
comhshíneas
/ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
Cósta Ríce
noun
púma
noun
véarsa
noun
1. de grootte waarin waardepapieren worden uitgegeven
aicme
noun
urrann
noun
láidreacht
noun
1. massamedium
nuachtán
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
cúirséad
noun
1. beloning voor de tussenpersoon
bróicéireacht
noun
cúscús
noun
1. modeontwerper,ontwerper en maker van modieuze kledij
gúnadóir
noun
1. veedrijver/veehoeder
buachaill bó
noun
1.
iartharán
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
cadhóit
noun
1. een constante factor van een onbekende of van een veranderlijke grootheid
comhéifeacht
verb
1. zo organiseren dat alles en iedereen goed kan samenwerken
comhordán
adverb
1. koste wat het kost
cóir máireach
noun
1.
crann fia-úll
noun
1. uitblinker
cíoná
noun
1. bepaald soort struik en 2. vrucht daarvan, Vaccinium macrocarpon
mónóg
adjective
1. met betrekking tot de schedel
blaoisce
noun
  1. 1. ernstig verkeersongeluk
  2. 2. ineenstorting van de aandelenmarkt
cliseadh
noun
2. stropdas
crabhat
verb
  1. 1. zwemmen met de crawlslag
  2. 2. doorzoeken van een groot aantal webpagina's door een computerprogramma
bí ag lámhacán
noun
1. een schepping, iets totaal nieuw
déantús
noun
1. schepsel; iets dat gemaakt is
créatúr
noun
creidmheas
noun
cárta creidmheasa
verb
1. als tegoed boeken
creidmheas
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
cobhthach
noun
creidmheas
noun
  1. 1. religie
  2. 2. geloof of overtuiging
cré
noun
Craíoch
pronoun
1. Noord-Amerindische taal gesproken door vijfduizend mensen in het zuiden van de VS
Créicis
noun
1. de lijkverbranding, de verassing
créamadh
verb
créam
verb
(dysfemisch) doodgaan, omkomen
grág
noun
1. een uit Engeland afkomstig slagbalspel in de open lucht
cruicéad
adjective
1. met betrekking tot misdaad
coirpeach
noun
1. iemand door zich onderhoudt door de wet te breken
coirpeach
noun
cóta fonsaí
noun
1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
aothú
noun
1. haakwerk
fuáil
/krʋɑˈsɑ̃/
noun
1. halvemaanvormig broodje
croissant
adverb
aindreanta
adjective
1. beslissend, doorslaggevend
cinniúnach
noun
1. vakantie op een varend schip met uitgebreide voorzieningen voor de passagiers
aistear mara
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
cúrsóir
noun
cúrsóir
adjective
bánbhuí
noun
1.
páipéar síprise
/ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
Cúba
noun
cultas
/kɵl'tyːr/
noun
1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
cultúr
noun
1. beker die dient als trofee
cuach
noun
1.
borróg
noun
1. belangenbehartiging van meerderjarige
bardacht
noun
coimeádaí
noun
2. gele voedselkleurstof
curcumina
verb
cóireáil
adjective
aisteach
noun
ciúiriam
noun
1. een precisiesport die lijkt op bowls, jeu de boules en bocce, die op ijs gespeeld wordt gespeeld met zware stenen in plaats van metalen (of plastic) ballen
curláil
adjective
1.
iodálach
/ˈkʏrsʏs/
noun
cúrsa
noun
cuar
noun
1. een blauwgroene kleur
cian
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
cibirnitic
/ˈsiklis/
adjective
1. regelmatig terugkerend
ciorclach
noun
2.
cioclón
noun
1. terugkerende, regelmatige reeks
timthriall
adjective
1. met een bepaalde tekening in de vacht, bestaande uit onregelmatig gevormde strepen en langgerekte vlekken dwars op de lengterichting, in verschillende kleuren, vaak bruingrijs
riabhach
noun
1. inwoner van Cyprus
Cipireach
/ˈki.prʏs/, /ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
  1. an Chipir
  2. An Chipir
/sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
Coireallach
noun
1. een alfabet dat geschreven wordt in het cyrillisch schrift
aibítir Chirilieach
/ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
cist
noun
1. kijkonderzoek van de blaas
cisteascópacht
/ˌsitɔˈplɑsma/
noun
cíteaplasma
noun
1. een van de vier nucleotiden (stikstofbasen) die men in DNA en RNA kan vinden
cíotóisín
noun
2. afkorting voor de toonsoort
D
noun
  1. 1. de toonnaam
  2. 2. afkorting van “d-mineur”
d
/dər/
personalPronoun
  1. 1. clitische vorm van haar, accusatief van zij, derde persoon enkelvoud
  2. 2. clitische vorm van haar, datief van zij, derde persoon enkelvoud
a
/dər/
possessivePronoun
1. clitische vorm van haar, bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
a
/daːt/
noun
1. bewust gepleegde handeling
gníomhas
adjective
laethúil
/daːr/
adverb
1. op die plaats
ansin
/daːr/
conjunction
1. omdat
arae
/ˈdarɑxtər/
adverbialPronoun
1. vervangt achter dat, achter die
taobh thiar
adverb
1.
lastuas
adverb
le cois
conjunction
ar feadh an ama
/dar.ˈχɪn(t)s/, /ˈdar.ɣɪn(t)s/
adverb
1. op een plaats in de verte
ansiúd
adverb
1. heel kort geleden
anois beag
adverbialPronoun
1. met die reden
dá bhrí sin
adverb
compal
noun
creabhar
noun
1. een inwoner van het voormalige rijk Dacië
Dáiciach
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
dáta
adverb
1. spoedig
go díreach
noun
1. iemand die iets (slechts) gedaan heeft
ciontach
/dɑx/, /dɑχ/
noun
  1. 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
  2. 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
lá
/ˌdɑɣɛˈnɑxtevəˌnɪŋ/, /ˌdɑɣɛˈnɑɣevəˌnɪŋ/, /ˌdɑχɛˈnɑχtevəˌnɪŋ/
noun
1. een dag waarop de dag en de nacht even lang duren
cónocht
noun
1. een lijst met gemaakte betalingen en afschrijvingen van een bepaalde tijd (die langer dan een dag kan zijn) op een bepaalde bankrekening
ráiteas bainc
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
páipéar laethúil
noun
dialann
adverb
1. iedere dag
laethúil
noun
1. gedeelte van de dag
lá
adverb
1. iedere dag
laethúil
noun
1. het aanbreken van de nieuwe dag, de tijd net voor zonopkomst
amhscarthanach
/'dɑxlɪxt/
noun
1. licht van de zon
solas an lae
noun
1. bepaalde soort dagvlinder, Aglais io
péacóg
verb
1. voorzien van een datum
coinne
noun
1. een oproep om voor een rechtbank te verschijnen
fógra
noun
1.
dáilia
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
  1. díon
  2. ceann
noun
1.
tuíodóir
noun
1. een langgerekte bakvormige of halfronde constructie voor het afvoeren van (regen)water dat van het dak komt
silteán
noun
2. accentteken ^ dat vooral uit het Frans bekend is
cuairín
noun
1.
coirnis
noun
1. iemand die op de straat leeft, zonder vaste verblijfplaats
gan dídean
noun
1. raam dat in een dak zit
fuinneog dhormánta
/dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
gleann
noun
1. de belangrijkste tulku, gereïncarneerde lama, van de gelug, een van de tradities binnen het Tibetaans boeddhisme; de geestelijk leider van Tibetaanse boeddhisten
Dalaí Láma
verb
1. naar beneden gaan
sileadh
noun
1. het dalen, het lager worden
sileadh
/dɑl'matis/
adjective
Dalmátach
pronoun
1.
Dalmáit
noun
dalmátach
noun
1. (bij het damspel) twee gestapelde schijven
rí
noun
1. weeftechniek, waarbij tekeningen aangebracht worden op een achtergrond van dezelfde kleur
damasc
/daːmə/
noun
1. beschaafde vrouw
bantiarna
noun
1.
a dhaoine uaisle
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
fia buí
noun
1. een bordspel
táiplis
/dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
gal
verb
1. damp, geur produceren
taisleach
adverb
1. toekomstig tijdstip
i ndiadh sin
conjunction
1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord.
ná
/'danəx/
adverb
1. in aanzienlijke mate
cumasach
pronoun
3. jongensnaam
Dónall
noun
1. een goede gezindheid jegens iemand voor bewezen diensten
buíochas
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
go raibh maith agat
adjective
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
buíoch
noun
1. het dankbaar zijn
buíochas
verb
gabh buíochas (le)
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
damhsa
verb
1. ritmisch bewegen
rinc
noun
1. mannelijk persoon die danst
damhsóir
/dɑnsə'rɛs/
noun
1. een vrouwelijk persoon die danst
damhsóir
noun
urlár rince
pronoun
Gdańsk
/ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
tabhair dúshlán
noun
1. mannelijke bij
crónán
/dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
stéig
verb
pocléim
/dɑs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
broc
noun
1. paneel met instrumenten waarmee een voertuig of installatie kan worden bestuurd of bediend
deais
noun
broc-chú
/ˈdɑs.lok/
noun
1. sterk riekende, eetbare plant uit de lookfamilie
creamh
conjunction
1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
go
interjection
mar atá
noun
1. een plaats waar informatie over bepaalde onderwerpen in digitale vorm verzameld,...
bunachar sonraí
verb
1. meerdere dates, afspraakjes maken met iemand.
coinne
verb
1. de datum van ontstaan bepalen
coinne
noun
coinne
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
tabharthach
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
dáta
noun
deilf
noun
drúcht
noun
drúchtphointe
noun
2. eczeem
aicne
verb
athshondach
pronoun
Dáibhí
article
1. (de) wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en altijd voor het meervoud, waarbij het een specifieke persoon of ding aanduidt in plaats van het algemene geval
an
phraseologicalUnit
1. het opgeven
an tuáille a chaitheamh isteach
noun
1. Verkoper
trádálaí
/deˈbil/
adjective
  1. in lichte mate zwakzinnig
    mallintinneach
  2. bespottelijk, ridicuul
    áiféiseach
adjective
meatach
noun
1. verwildering van zeden
meath
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
  1. Nollaig
  2. Mí na Nollag
noun
1. dat iets niet aan je verwachtingen voldoet
bréag
noun
1. kwijting van een bepaalde verantwoordelijkheid
folmhaigh
verb
cinn
noun
1.
deichiú
noun
breith
noun
aithriseoir
noun
  1. 1. mislukking
    cliseadh
  2. 2. faillissement, bankroet
    féimheacht
noun
maisiú
noun
maisiú
verb
1. methoden en technieken gebruikt om bouwwerken, meubels of andere objecten te verfraaien
maisigh
verb
1. bij decreet vaststellen
achtaigh
noun
tíolacadh
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
taos
noun
1. rol om deeg uit te rollen
crann fuinte
noun
1. rol om deeg uit te rollen
crann fuinte
/ˈdeːl/
noun
  1. 1. een afsplitsing van een geheel
  2. 2. één uit een reeks
cuid
verb
1. meedoen, meevoelen
rannpháirtigh
noun
1. iemand die meedoet aan een wedstrijd of ander evenement
rannpháirtí
noun
1.
brí
noun
1.
deighilt
adjective
1. van een functie dat deze niet de volledige arbeidstijd vult
páirtaimseartha
noun
2. onderdeel van een atoom
cáithnín
noun
fisic cháithníní
noun
luasaire cáithnín
noun
rangabháil
noun
uirísle
adjective
umhal
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
clapsholas
/den/, /deːn/
noun
1. een inwoner van Denemarken
Danar
/dens/, /deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
Danmhairgis
/ˈdensə/, /ˈdeːnsə/
noun
Danar
noun
1. Duits hondenras dat gefokt werd als waakhond
danar mór
adjective
1. van iets of iemand dat het heel zielig is en veel medelijden en medeleven opwekt
uafásach
adjective
1. kapot, niet werkend
easpach
adjective
1. van iets dat het gebreken vertoont
uireasach
noun
1. verdediging, verweer
cosaint
noun
1. elektrische behandeling van hartritmestoornis
dífhibriliú
noun
1. een apparaat waarmee met behulp van stroomstoten het normale hartritme hersteld kan worden
dífhibrileoir
noun
díothacht
noun
1. begripsbepaling
sainmhíniú
verb
sonraigh
noun
1. het vallen van het prijspeil waardoor het geld in waarde toeneemt
díbhoilsciú
adjective
ardcheannach
adjective
  1. 1. goed tegen een stootje kunnend
    comhlacht
  2. 2. (van personen) eerlijk, oprecht, net in zijn manieren
    iontaofa
noun
meathlú
adjective
1.
déistineach
verb
1. in rang verlagen
ísligh
noun
1. tekort aan vocht in de weefsels, onttrekking van vocht aan de weefsels
díhiodráitiú
noun
1. een verdieping op een schip
droichead
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
cuilt
noun
1. buitenste blad van een sigaar
scaoilteog
/dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
blaincéad
noun
1.
cliabhrach
noun
graíre
noun
1. afgesloten bouwsel op het dek van een boot
teach deice
verb
    1. 1.
    2. 5. paren
    cumhdaigh
  1. 2. de tafel dekken
    sceallán
noun
araoid
noun
1. een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken
clúdach
noun
1.
bord
noun
1. ordinaire vrouw
abarlach
noun
  1. 1. afvaardiging
  2. 3. schuldoverneming
toscaireacht
verb
  1. 1. samen met een ander gebruiken
  2. 2. in meer dan één stuk snijden of hakken
roinn
noun
mianra
verb
bodhraigh
noun
fuascailt
noun
1. een wiskundige bewerking op twee getallen
deighilt
noun
1. waanzinnigheid, acuut psychische stoornis ten gevolge van lichamelijke aandoening, vergiftiging...
rámhaille
noun
triantán
verb
1. gravend iets winnen
rómhair
noun
1. een aandoening van de hersenen waardoor de verstandelijke en cognitieve vermogens verminderen
néaltrú
noun
daonlathaí
noun
2. aanhangster van de democratische partij
daonlathaí
noun
daonlathas
adjective
1. in overeenstemming met de principes van een democratie
daonlathach
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
déimeagrafaíocht
noun
deamhan
adjective
diabhlaí
noun
agóideoir
noun
  1. 1. het tonen en uitleggen van iets
  2. 3. een protestmars
léirsiú
/dɛmpən/
verb
1. zwakker maken, de kracht verminderen van
plúch
noun
1. Pinus soort naaldboom
péine
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
An Háig
adjective
1. vertakt
craobhach
/ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
  1. an Danmhairg
  2. Danmhairg
adjective
1. op een kwetsende, kleinerende, vernederende manier
mórtasach
adjective
1. zeer sterke katoenen stof die vaak blauw is geverfd
deinim
adjective
1. van iets of iemand dat je het je makkelijk kunt indenken
is dócha (go)
verb
1. een oplossing zoeken
smaoinigh
noun
1.
meitheal mhachnaimh
noun
buaircín giúise
noun
1. bepaald soort naaldboom, Pinus sylvestris
péine
adjective
1. medeklinker
déadach
noun
déadach
noun
1. tanden krijgen
déad
noun
dualeolaíocht
adjective
1. afhankelijk
spleách
noun
spleá
noun
1. lediging, ontlasten(tekort) van lichaamsvloeistof
laghdú
/ˌdepoˈneːrə(n)/
verb
  1. 2. registreren zodat het niet door een ander gebruikt kan worden
    sainréim teanga
  2. 1. weggooien
    taisc
noun
2. het laten registreren van een merknaam zodat anderen deze naam niet mogen gebruiken
taisc
noun
1. bezinksel
taisc
verb
boiseog
noun
dímheas
noun
  1. 2. gebied met lage luchtdruk
  2. 3. langdurige inzinking in de economische ontwikkeling
dúlagar
adjective
1. somber makend; depressie veroorzakend
gruama
/dər/, /dɛr/
article
1. genitief meervoud van het bepaalde lidwoord de, het
na
/ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
tríú
noun
tabharthach
verb
1. schade doen
anachain
adverb
1.
dá bhrí sin
adverb
chomh
noun
1. een specialisme binnen de geneeskunde dat zich bezighoudt met aandoeningen van de huid, de nagels en het haar, samen huidziekten genoemd
deirmeolaíocht
noun
1. Huidspecialist
deirmeolaí
cardinalNumeral
1. het getal 13
trí déag
ordinalAdjective
tríú ... déag
cardinalNumeral
1. het getal 30
tríocha
noun
1. het kwijtraken van iets
crap
/'dɛzɑlnitə'mɪn/
adverb
1. ondanks het vermelde
mar sin féin
noun
comharthaí
verb
fásach
noun
1. onjuiste of misleidende informatie, die bewust verstrekt wordt met het oogmerk...
bréagaisnéis
verb
díscaoil
adjective
1. met kennis van zaken
saineolaí
noun
1. een specialist
saineolaí
adverb
1. geeft een tegenstelling aan met het voorafgaande
dá
noun
aigéad dí-ocsairibeanúicléasach
noun
forlámhas
noun
milseog
noun
adhmhilleadh
adjective
arganach
adverb
1. om die reden
dá bhrí sin
noun
1. legereenheid die om een bepaalde taak uit te voeren van het groter geheel is afgezonderd
deighilt
verb
scar
noun
1. onderdeel, kleinigheid
sonra
verb
1.
sonra
verb
1. iets of iemand zoeken en vinden
aimsigh
noun
1. opsporing, ontdekking
brathadóireacht
/detɛkˈtivə/
noun
  1. 2. speurder die tracht misdaden op te lossen of bewijsmateriaal te verzamelen
  2. 3. boek of programma over mensen die trachten misdaden op te lossen
bleachtaire
noun
1. detector
brathadóir
/de'tɛrɣɛns/
noun
1. geneesmiddel dat zuivert
glantach
verb
cuir caoi ar
verb
1. iemand van staatswege gevangen houden
coimeád
noun
1. de stand 40 - 40 in een tennisgame
dias
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
suáilce
noun
1. ondeugend kind
fágtha
noun
1.
tiúnáil
noun
2. eenvoudig melodietje
séis
/døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
doras
noun
1. een handvat waarmee een deur wordt geopend of gesloten
murlán dorais
/dørwardər/
noun
1. gerechtelijk ambtenaar die exploten en executien doet, dagvaardingen uitbrengt en beslagen legt
báille
/dewteɾoˈnomjum/
pronoun
Dheotranaimí
noun
1. woord of korte tekst die snel en tegelijkertijd duidelijk een bepaalde boodschap moet overbrengen
mana
adjective
1. met toewijding en eerbied
cráifeach
noun
1. een bijzondere verering voor een bepaalde persoon of een heilige
crábhadh
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
arae
demonstrativePronoun
1. aanduiding voor dichtbijzijnde dingen, dieren of mensen
seo
demonstrativePronoun
céanna
/deʲɪsmə/
noun
dias
noun
1. een fotografische film die een positief beeld geeft dat direct goed zichtbaar geprojecteerd kan worden
sleamhnaigh
noun
1. band (met edelstenen versierd) voor om het hoofd
mionn (ríoga)
noun
1. de opening in een lichtdichte laag in of bij een lens om de hoeveelheid door te laten licht te regelen
cró
adjective
trasnán
noun
een vierkante matrix waarvan alle elementen buiten de hoofddiagonaal (↘) 0 zijn
maitrís thrasnánach
noun
deagánach
/diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
canúint
noun
  1. 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
  2. 2. een edelsteen gesneden uit [1]
diamant
noun
1. middellijn
trastomhas
noun
gabhlóg cheoil
noun
dialann
/diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
buinneach
/diˈjaspora/
noun
diaspóra
adjective
  1. 1. compact
    dlúth
  2. 2. gesloten
    druidte
preposition
1. op een korte afstand van
dlúth
/dɪxtˈbɛː/, /dɪɣ.ˈbɛɪ̯/, /dɪχˈbɛɪ/
adjective
1. op heel korte afstand
achomair
verb
1. sluiten van een gat, opening
dún
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
bard
noun
1.
rón
verb
1. met lak afsluiten
rón
verb
1. met behulp van naald en draad iets sluiten
siúnta
verb
1.
loisc
verb
plab
verb
plab
verb
1. iets met een touw of koord sluiten
sreang
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
deachtóir
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
deachtóireacht
/dɪk'te/
noun
1. een tekst die wordt gedicteerd en door andere personen wordt opgeschreven als toets in het correct spellen
deachtú
verb
deachtaigh
/ˈdɪk.tʏm/
noun
1. beschikkend gedeelte van een vonnis of arrest
adhmad
noun
1. Australisch, houten blaasinstrument afkomstig van de Aboriginals
didiridiú
demonstrativePronoun
  1. 1. wijst iets aan dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de spreker bevindt
    an
  2. 2. ter aankondiging van een bepaling
    ea
relativePronoun
1. in een bijzin die het nog niet geheel bekende antecedent nader bepaalt
a
noun
2. een aanpassing in het eet- en voedingspatroon
aiste bia
/dif/
noun
1. iem. die steelt
gadaí
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
goid
noun
searbhónta
noun
1. vrouwelijke knecht
ainnir
noun
tráidire
/ˈdinən/
verb
3. behoren, moeten
bhí ar
adverb
mar sin de
noun
  1. 1.
  2. 4. kerkdienst
seirbhís
noun
1. dienstverlening aan klanten en bezoekers
feidhmeannas
noun
1. instructie, opdracht of order om iets te doen of te laten, die gegeven wordt door een meerdere
bail
adjective
1. in functie zijnde, werkende
ar dualgas
adjective
buntáisteach
noun
1. slaaf, iemand die zich teveel door iemand anders de baas laat spelen
searbhónta
adjective
1.
feidhmeannas
noun
feidhmeannas
noun
1. het geheel of gedeeltelijk (alleen bezwaar tegen wapens) weigeren om aan de militaire dienstplicht te voldoen
easumhlaíocht
adjective
1. tot dienst bereid
fa réir
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
doimhin
adjective
1. heel erg verdrietig
croíbhriste
adjective
1.
gorm phrúiseach
adjective
1. van een onderzoek dat het alles onderzoekt totdat er geen onduidelijkheden meer overblijven
tolltach
adjective
1.
corcairdhearg
/'diptə/
noun
1. de mate waarin iets diep is
doimhneacht
/diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
ainmhí
adjective
1. waaraan men grote waarde hecht
dil
/'dirənrim/
noun
comhartha an Stoidiaca
/ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
zú
noun
1. een instelling die zich bezighoudt met het verzorgen en kweken van exotische diersoorten en het tonen ervan aan betalend publiek
gairdín ainmhithe
noun
1. wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van dierziektes
tréidliacht
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zó-eolaíocht
adjective
ainmhíoch
noun
1. dieselmotor
díosal
noun
inneall díosail
noun
aithisiú
verb
aithisigh
noun
difríocht
verb
idirleata
noun
1. de vermenging van twee ongelijksoortige stoffen
idirleathadh
adjective
idirleata
noun
1. infectieziekte
diftéire
/ˈdɪftɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
défhoghar
noun
díleá
noun
délitir
/dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
ceathrú
noun
1. een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
cladán
/dɪk/
adjective
  1. 3. een naar verhouding grote lichaamsomvang hebbend
    ramhar
    1. 1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
    2. 2. de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
    3. 4. ruim
    4. 5. hecht
    5. 6. nauw aaneengesloten
    6. 7. weinig vloeibaar
    tiubh
noun
1.
gaisce
noun
sailleach
adjective
1. een beetje dik, wat dik
feolmhar
noun
  1. 3. kleine bruine motachtige dagvlindersoorten met een snelle schietvlucht
    captaen
  2. 2. larve van een kikvorsachtige of salamander
    torbán
adverb
minic
noun
feolamán
noun
1. verwijding
leatacht
noun
bod bréige
/dɪ'lɛmɑ/
noun
moeilijke keuze
aincheist
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
lus mín
noun
  1. 1. afmeting in een bepaalde richting
  2. 2. parameter van een wiskundige ruimte
  3. 3. categorie waarin een fysische grootheid valt
toise
/ˈdɪmə(n)/
verb
1, 2. licht temperen
ísligh
noun
1. warme maaltijd
dinnéar
noun
1. voorwerp
ní
noun
mianach
noun
1. Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
diongó
/ˌdinoˈsʌʊriər/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
dineasár
/ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
dineasár
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
Máirt
noun
1. bestuurlijk gebied in de rooms-katholieke Kerk of andere Kerken
deoise
noun
dé-óid
noun
1. een bewijs van bevoegdheid
teastas
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
taidhleoir
noun
1. de kunst en de kunde van het voeren van overleg
taidhleoireacht
noun
1. een elektronisch testapparaat waarmee o.a. de resonantiefrequentie van een antenne of resonantiekring kan worden bepaald
gabha dubh
verb
  1. 1. iets even in een vloeistof dopen
  2. 3. een kortdurende verlaging van een (meet-) waarde
  3. 4. een krachtoefening
claonas
noun
  1. 1. iets of iemand die dipt
  2. 2. een elektronisch testapparaat waarmee o.a. de resonantiefrequentie van een antenne of resonantiekring kan worden bepaald
gabha dubh
adjective
1. zonder te wachten, zonder iets daartussen
deachtaigh
adverb
1. zonder te wachten, zonder omweg
go díreach
noun
1. de hoogste persoon bij een bedrijf
bainisteoir
noun
1. de leiding van een bedrijf, de directeur en of de topmanagers
bainisteoireacht
noun
1. passief onderdeel van een yagi-antenne
diúracóir
noun
1. staafje dat een dirigent bij het dirigeren hanteert
smachtín
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
stiúrthóir
pronoun
2. spelwoord voor de letter d
Domnech
/dɪs/
noun
  1. 1. gedekte tafel
  2. 2. maaltijd
bord
adjective
smachtaithe
verb
1.
aifir
noun
1. beschrijvend overzicht van de elpee's of cd's van een artiest of muziekgroep
dioscliosta
noun
dioscó
noun
1. onverwachte onderlinge afwijking
coimhlint
noun
  1. 1. bescheidenheid of kiesheid
  2. 2. geheimhouding
críonnacht
noun
1. een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld
aighneas
verb
pléigh
adjective
1. vatbaar voor kritiek
amhrasach
verb
pléigh
noun
1. situatie waarbij regelmatige ordening ontbreekt
cíor thuathail
noun
1.
riarthóir
verb
súigh
adjective
1. beschikbaar
ar fáil
noun
1. aanleg, vatbaar zijn voor
méin
verb
imreas
noun
1. theoretische discussie of debat
bruíon
/dɪsəl/
noun
3. houtbewerkingsbijl
tál
verb
1. uitzaaien
scaip
noun
aiste
noun
1. uiteenval
díthiomsú
adjective
1. naar het einde van de ledematen toe
aimhneasach
noun
feochadán
noun
1. product wat ontstaat door distillatie (dampvorming product opvangen en dat laten condenseren)
driogáit
noun
1.
driogadh
noun
seachmhall
noun
1. verdeling, verspreiding
leatacht
noun
1. het gebied van een lokale overheid
ceantar
demonstrativePronoun
seo
adjective
1. wat overdag plaatsheeft
laethúil
adjective
  1. 1. onderling duidelijk verschillend
  2. 2. gekenmerkt door de aanwezigheid van mensen met een verschillend achtergrond
éagsúil
noun
éagsúlacht
noun
1. de kunst van het op paranormale wijze voorspellen van de toekomst
fáistine
noun
1. leer over gezonde voeding en de toepassing van die leer in de gezondheidszorg
bia-eolaíocht
/(d)ʒi.ˈbu.ti/, /dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
Djibouti
noun
1. de afkorting van desoxyribonucleic acid (desoxyribonucleïnezuur)
ADN
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
dísle
noun
1. een vrouwelijk kind
iníon
noun
1. min of mee zelfstandig functionerend bedrijf waarvan de aandelen in bezit zijn van een holding of moedermaatschappij
fochomhlacht
/ˈdɔktɔr/
abbreviation
1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
dochtúir
adjective
foirceadail
noun
1. een verzameling leerstellingen of dogmas die niet ter discussie staan
foirceadal
noun
1. een verzameling gegevens
cáipéis
adjective
clár faisnéise
noun
1. een op waarheid beruste film
scannán faisnéise
/dokymɛn'taʦi/
noun
1. geschreven materiaal dat een bepaald onderwerp om- en beschrijft
cáipéisí
verb
1. onderbouwen, staven
cáipéis
noun
1. iemand die dood is, een gestorvene, overledene
bás
noun
1. een regelmatig veelvlak bestaande uit twaalf vijfhoeken
dóideacaihéadrán
/ˈdo.də(n)/
verb
1. iemand van het leven beroven.
maraigh
noun
1. dans van De Dood
damhsa an bháis
/ˈdudɔɫˌzɑk/, /ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
píb mhála
noun
  1. 4. gordijn
    brat
  2. 5. projectiescherm
    criathar
    1. 2. weefsel
    2. 3. doek/schilderij
    línéadach
  3. 1. een lap
    éadach
noun
  1. 1. een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld
  2. 1. het punt waarop men zich richt
báire
noun
1. de balk aan de bovenkant van een (voetbal)doel
trasnán
noun
1. de lijn die het doel scheidt van de rest van het veld
cúl-líne
adjective
1.
fánach
noun
cúl báire
adjective
acrach
noun
cuaille báire
noun
báire
noun
1. een gewenste situatie waar naar toe gewerkt wordt
aidhm
noun
1.
duarcán
verb
1. een actie ondernemen
déan
adjective
1. niet onmogelijk
féideartha
noun
1. een boom met zeer smakelijke maar stinkende vruchten
dúraíoch
verb
1. een stof door middel van een doezelaar dun uitwrijven
stoc
noun
1. niet vrolijk of levendig zijn
dímhothú
/dɔx/
noun
1. grote kortharige hond met brede kop
maistín
noun
dóg
/'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
dogma
adjective
ceanndána
pronoun
1. Indische taal gesproken door 2,6 miljoen mensen in het noorden van India en Pakistan
Dóigris
verb
1. in dok brengen
leaba nasctha
noun
dochtúir
noun
1. gebouw of ruimte waarin een arts werkt
cur faoi scian
/ˈdɔkˌʋɛr.kər/
noun
1. iemand die in de havens werkt
dugaire
/dɔl/
adjective
2. gek
duine buile
/dɔl/
noun
  1. 1. roeipen
    cnoga
  2. 2. U-vormig steunpunt waarin een roeispaan rust
    dola
noun
1. bovenste rand van een (roei)boot
gar-adhmaid
adjective
1. al te wild of enthousiast
rómhuiníneach
verb
1. doelloos, richtingloos rondlopen
síob
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Deilf
/dɔlˈfɛɪ̯n/, /dɔlˈfɛːn/, /dɔɫˈfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛːn/, /ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
deilf
noun
1.
ainmhian
noun
miodóg
/ ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
dollar
noun
1.
gan chiall
adjective
1. heel erg druk en dwaas
duine buile
noun
1. hoofdkerk van een bisdom
Teampall Mór
noun
1. huisknecht
searbhónta
noun
1. voorganger van een protestantse eredienst
sagart
/ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
  1. An Phoblacht Dhoiminiceach
  2. an Phoblacht Dhoiminiceach
noun
1. autonoom deel van het Britse Rijk, deel van het Britse gemenebest
tiarnas
noun
2. werktuig
cat
adjective
2. half slapend
ceanntrom
/ˈdɔm.or/
noun
(milde benaming) dom persoon
balbhán
noun
1.
claonas
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Danóib
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
toirneach
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
  1. Déardaoin
  2. An Déardaoin
/ˈdɔndərə(n)/
verb
  1. 1. het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading.
  2. 2. op luide en barse toon een bevel geven of zijn ongenoegen uiten.
toirneach
noun
1. een metalen stang die de bliksem aantrekt en naar de grond afvoert.
conduchtaire tintrí
noun
1. een metalen stang die de bliksem aantrekt en naar de grond afvoert.
conduchtaire tintrí
noun
1. een lastig, ondeugend persoon
alfraits
noun
1.
alfraits
verb
1. een gift geven
maoinigh
adjective
1. zonder licht
dorchacht
noun
1. toestand dat er geen licht is
dorchacht
noun
1. duister
dorchacht
noun
1. fijne veren die onder de taaiere buitenveren zitten, vaak gebruikt als vulstof voor kussens, dekbedden en slaapzakken
clúmh
noun
taoschnó
adjective
2. zacht als dons
clúmhach
/doːt/
noun
  1. 2. skeletvormige figuur, vaak met zeis, die bovengenoemde toestand personifieert
    bás
  2. 1. de toestand na het leven
    1. bás
    2. éag
adjective
1. heel erg arm
ainbhleitheach
verb
1. doodmaken, doden
meil
/ˈdotxan/
verb
  1. 1. het leven verlaten
    bás a fháil
  2. 2. theaterterm
    faigh bás
noun
  1. 2. keversoort
    ciaróg fholaigh
  2. 1. (beroep) persoon
    reiligire
noun
1.
cónra
verb
1. doden
meil
adjective
dearóil
noun
3. hevige vrees
crosáil
/dotsbə'nɑut/
adjective
1.
is eagal le
noun
cónra
noun
1. lijkwade
taisléine
noun
1. als straf gedood worden
  1. pionós an bháis
  2. pionós báis
noun
1.de periode van het getij waarin het verschil tussen hoog- en laagwater minimaal is
mallmhuir
noun
1.de periode van het getij waarin het verschil tussen hoog- en laagwater minimaal is
mallmhuir
noun
1. grondverf
bunleabhar
/doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
bodhar
noun
bodhaire
noun
buíocán
noun
  1. 1. stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
  2. 2. ingewikkelde zaak
lúbra
noun
1. plechtige besprenkeling of onderdompeling waarmee iemand tot een kerk gaat behoren
baisteadh
noun
1. de doop
baisteadh
/ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
umar baiste
/ˈdoːr/, /[doːr]/, /[dʊːr]/
preposition
    1. 3. in
    2. 6. als achterzetsel: doorheen
    trí
  1. 2. oorzaak
    ó
adjective
1. door en door gebakken waardoor het geheel gelijkmatig is gebakken
maith sibh
verb
1. een scherp voorwerp geheel door iets heen steken
poll
noun
  1. 1. een plek waar een dijk of dam is doorgeslagen
    bearna
  2. 2. een cruciale ontdekking
    urfhuascailt
verb
1. een einde aan een heersende situatie maken
bris
verb
1. een zekere tijd ergens verblijven
caith
verb
1. tot een boog vervormen door een opgelegd gewicht
bandán
conjunction
arae
/dorˈdɛŋkə(n)/, /do̝rˈdɛŋkə(n)/, /ˈdordɛŋkə(n)/, /ˈdo̝rdɛŋkə(n)/
verb
1. [doordénken] serieus en goed nadenken over een kwestie
frithchaith
verb
fáisc
adjective
aithrinneach
verb
éifeacht
/ˈdoːrɣan/, /ˈdɔːrχan/
verb
1. tot het einde meemaken
bí ar bun
/'dɔːrɣans/
adverb
1. in de meeste gevallen, met weinig uitzonderingen
de ghnáth
noun
geata
/'doːrɣevə(n)/, /'do̝ːrχevə(n)/
verb
1. iets wat men ontvangen heeft aan de volgende persoon geven
iompair
noun
1. het verzenden van iets dat men eerder ontvangen heeft
aistreog
verb
1. heel snel iets verbruiken
caith
/'dorklivə(n)/, /dorˈklivə(n)/
verb
1.
scáineadh
noun
1. een woord of ander voorwerp dat aanklikbaar is op een webpagina waardoor er naar een andere pagina genavigeerd word
hipearnasc
verb
2. op een wijze handelen die geheel in strijd is met een bepaald beleid
bar
verb
  1. 1. beleven, ervaren
    eispéireas
  2. 1. doorgaan met leven, niet sterven
    tar
/'do̝rlop/, /do̝rˈlop/
noun
2. (medisch) diarree
buinneach
verb
eispéireas
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
dealg
adjective
1. helemaal, door en door nat
báite
/ˈdornəkron/
noun
1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
Coróin Spíne
noun
1. bepaalde soort vis, Squalus acanthias
fíogach gobach
adjective
1. lijkend op een doorn
deilgneach
verb
2. debatteren
pléigh
verb
1. iets mengen door te roeren
aoire
/ˈdoːrslan/
verb
  1. 2. alles vertellen tijdens een verhoor
    aighneas
  2. 1. stukgaan zodat de verbinding doorbroken wordt
    béim
verb
caith
verb
smearadh
noun
2. diameter
trastomhas
/ˈdɔːrsne/
adjective
1. iets of iemand waarvan de eigenschappen dicht bij het gemiddelde liggen
coimín
verb
2. dwars door een bepaald gebied voeren
taobhfort
/dɔːrˈstan/
verb
  1. 1. ondanks moeilijkheden er nog goed voorstaan
    iompair
  2. 2. overleven
    tar
verb
2. doorgaan
bí ar bun
verb
  1. 4. met een lang voorwerp door een buis gaan met als doel deze open te maken
    cruinn
    1. 5. met een stekende beweging een gat maken
    2. 1. geheel doorboren met een scherp hulpmiddel
    poll
verb
treáigh
noun
1. het kunnen en willen uitvoeren en voltooien van een genomen besluit ook als dat niet vanzelf gaat
cruinneas
verb
  1. 2. doorheenreizen
    crosáil
  2. 1. langer maken in dezelfde richting
    fadaigh
  3. 3. toilet doorspoelen
    sruthlaigh
noun
1. het ergens door(heen) kunnen varen
pasáiste
verb
1. iets dat ontvangen is weer verder sturen
ar aghaidh
/doːrˈzɪxtəx/, /doːrˈzɪxtɪx/, /do̝ːrˈzɪχtəχ/
adjective
[1] waar licht zo ongehinderd door kan treden dat het zicht erdoor niet belemmerd wordt
gléineach
/dorˈzin/, /do̝rˈzin/, /ˈdorzin/, /ˈdo̝rzin/
verb
1. inzien dat iets een poging tot bedrog is
tuig
verb
1. grondig onderzoeken of zich iets ergens bevindt
cuardaigh
/doʊs/, /doːs/
noun
1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
bosca
noun
bosca
/dɔp/
noun
  1. 2. kapje ter afsluiting van iets
    caidhp
  2. 5. dop (gereedschap)
    soicéad
noun
1.
dopaimín
noun
1. drugs
druga
verb
  1. 3. een naam geven
    ainm
  2. 2. iemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
    baist
noun
1. een geslacht van planten uit de heidefamilie (Ericaceae)
fraoch
noun
1. stimulerende (genees)middelen
dópáil
verb
1. het verwijderen van de peulenschillen van erwten, bonen, enzovoort
sceall
noun
1. schijnbare frequentieverschuiving als de zender en ontvanger bewegen ten opzichte van elkaar
iarmhairt Doppler
adjective
tirim
noun
1.
aimride
/dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
sráidbhaile
noun
1. toestel dat de graankorrels uit de korenaren slaat
buailteoir
noun
  1. tart
  2. íota
noun
súiste
noun
1. vloer waarop gedorst wordt
urlár buailte
/doˈsir/, /dɔˈʃe/, /ˈdɔs·jeː/
noun
1. verzameling documenten en andere vastgelegde informatie,...
comhad
/dɔt/
noun
  1. 1. een pluk vezelig, wollig of donzig materiaal
    alt
  2. 2. (meestal als verkleinwoord) iets kleins en liefs
    muirneach
noun
1. weduwe van een edelman
baintreach dhuair
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
custam
verb
2. verdubbelen
dúbail
/duʃ/
noun
1. stortbad
cith
noun
1.
sconna cithfholcadáin
verb
1. een douche nemen
biathaigh
/ˈdovə(n)/
verb
1. een vlam uit doen gaan
múch
noun
1. een lipbloemige plant met bladeren die op die van de brandnetel lijken maar die niet branden.
caochneantóg
noun
1. taal die mensen die niet of slecht kunnen horen gebruiken om te kunnen communiceren (officiële term is gebarentaal)
teanga chomharthaíochta
/dɑun/
adjective
in ísle brí
verb
1. een bestand van een computer of server op afstand naar een lokale computer of server overbrengen
lódáil anuas
noun
1. een set van twaalf
dosaen
adverb
gan mhoill
/draːt/
noun
  1. 3. elektrisch verbindingsmateriaal
    abhras
  2. 5. de schroefdraad
    snáithe
    1. 1. in elkaar gesponnen vezels
    2. 2. de lijn in een verhaal
    snáth
noun
ionga
noun
bianna
/ˈdraxbar/, /ˈdraχbar/
noun
1. een baar waarop iets gedragen kan worden
sínteán
noun
ceannbhrat
noun
réim
noun
2. ellende
muirear
noun
1.
beilt
noun
1. stok waaraan men iets draagt
coirb
noun
1. de tijd dat een vrouwelijk dier gewoonlijk zwanger is
tréimhse iompair
noun
  1. 2. een vleugel van een vliegtuig
    aereiteog
  2. 3. een ondersteunende groep
    branra
noun
2. hoever de invloed van iets reikt
réim
/draːi̯/
noun
1. omwenteling
tiontú
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
deil
noun
1. constructie van drie of vier deurbladen die rondom een gezamenlijke verticale as kunnen draaien, ter vervanging van een gewone deur m.n. gebruikt in winkels, ziekenhuizen enz.
doras imrothlach
/ˈdraːi̯ən/
verb
Vertalingen: na te kijken
  1. cas
  2. cor
  3. fill
noun
deil
noun
1. strijkinstrument met strijkwiel
hurdaí-gurdaí
noun
timpeallán spraoi
noun
1. een mechanisch bediend of automatisch spelend orgel, meestal op straat spelend
bairille-orgán
noun
maighdeog
noun
1. zitmeubel voor één persoon waarvan de zitting kan draaien vooral in gebruik in kantoren
cathaoir sclóine
noun
1. speelgoed dat op zijn punt kan draaien
caiseal
noun
1. spiraalvormige trap
staighre bíse
pronoun
sterrenbeeld nabij de noordelijke hemelpool
Dragan
/draːk/
noun
1. fabeldier
dragan
adjective
2. met modder, lijkend op slijk;
abarach
noun
1. kleding
fóir
/drɑf/
noun
  1. 3. bezinksel
    amhaisc
  2. 1. draf bij viervoeters
    sodar
verb
  1. 2. als kledingstuk of sieraad aanhebben
    caith
  2. 1. al van de vloer houdend vervoeren
    iompair
adjective
1. van iets of iemand dat hij een belangrijke steun is
méin
noun
  1. 5. voorwerp dat iets ondersteund
    branra
  2. 3. een eigenaar
    coimeádán
/ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
dragan
noun
  1. 2. forse, bazige vrouw
    dragan
  2. 1.
    dragún
verb
1. de afvloei van water bevorderen
draein
noun
  1. 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
  2. 2. een bepaald soort film of toneelstuk
dráma
noun
1. innerlijke neiging om iets te doen
spadhar
/drɑŋk/
noun
  1. 2. vloeistof om de dorst te lessen
  2. 1. alcoholhoudende vloeistof
deoch
noun
  1. 2. glaasje drank
    deoch
  2. 3. vloeibaar medicament
    fear táiplise
noun
1.
breáthán
verb
1. van paarden
bí ag sodar
verb
1. een bestraffende handeling in het vooruitzicht stellen
bagair
noun
  1. 1. onderdorpel van een kozijn
    tairseach
  2. 2.
    urlár
noun
1. bak waaruit het vee kan drinken
trach
/ˈdrɛŋkə(n)/
verb
2. drinken geven aan
dobhar
noun
2. café dat veel wordt bezocht door een specifieke groep bezoekers
teach leanna
/ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Drenthe
verb
treoraigh
noun
1. lage brede kast voor in de woonkamer die tegen de muur geplaatst is naast...
gread
cardinalNumeral
1. telwoord
trí
noun
1. het cijfer 3
trí
noun
Tríonóid
noun
tríonóid
/dri'enəxhɛɪt/
noun
tríonóid
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Triantán
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
triantán
adjective
triantánach
noun
  1. 1. landmeetkundige methode
  2. 1.deel van de wiskunde
triantánacht
noun
1. kleine tweekleppige zoetwaterschelp, oorspronkelijk uit het bekken van de Kaspische ...
diúilicín riabhach
noun
1. (romantische) verhouding waarbij drie mensen zijn betrokken
triantán suthain
/ˈdriˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 300
trí chéad
noun
trídhathach
adjective
1. uit drie onderdelen bestaand
trí-aonta
adverb
1. in drie gevallen
trí huaire
noun
1. politiek leiderschap dat uit drie gelijkwaardige personen bestaat
triúracht
adjective
1. wilde woeste uitingen van onnadenkende, ongefundeerde moed
neamhnáireach
adjective
1. in drie stappen een volledige verandering doormakend
trí-aonta
noun
adhal
noun
1.
saidhbhéar
adjective
triarach
adjective
triarach
noun
trírothach
cardinalNumeral
1. het getal 23
fiche a trí
noun
  1. 4. kudde dieren
    sceallán
  2. 6. doorwaadbare plaats
    síob
noun
1. vloeibaar mengsel van de uitwerpselen van vee
sciodar
noun
1. bodem bestaand uit heel kleine korreltjes vergruisd gesteente, verzadigd met zoveel water dat alles wat zwaar is er in wegzakt
gaineamh beo
verb
  1. o1. iets of iemand voor zich uit doen bewegen
    bagair
  2. e1. op het oppervlak van een vloeistof rusten
    snámh
verb
2.
aclaigh
noun
1. een pudding van gelatine
geilitín
verb
dream
adjective
práinneach
noun
1.
buidéal
/'drɪŋkə(n)/
noun
ól
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
uisce óil
noun
badminton slag
bagair
/druf/
adjective
1.
brónach
noun
1. trieste, verdrietige stemming
brón
noun
1. het depressief en weinig levenslustig zijn
easca
noun
1. de mate van droef zijn
brón
noun
1. drab die in wijn achterblijft na de fermentatie
amhaisc
adverb
aimléiseach
noun
seachmall
verb
1. vocht laten of doen verdampen
triomaigh
noun
1. een toestel dat natte voorwerpen, bijvoorbeeld wasgoed droogmaakt
triomadóir
/ˈdrɔx.re.də(n)/, /ˈdrɔχ.re.də(n)/
noun
1. een reden of redenering die niet klopt, maar wel aannemelijk lijkt
lúb ar lár
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
  1. dromodaire
  2. dromadaire
verb
je een voorstelling maken van wat je graag wil
taibhrigh
noun
aislingeach
/drɔŋk/
noun
tósta
/drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
ar meisce
noun
het zwaar onder invloed van alcohol zijn
meisce
/droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
tirim
noun
1. situatie met laag vochtgehalte
triomach
noun
tirimghlanadh
verb
1. van water ontdoen
draein
noun
1. alcohol verbod
crosadh
verb
1. afdrogen, drogen
tirim
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
triomach
verb
tirim
noun
  1. 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
  2. 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
brionglóid
noun
bogán
noun
druga
/'drɵksfər'slaːfdə/
noun
1. Verslaafd persoon
andúileach
noun
2. vrucht van de wijnstok
fíonchaor
verb
1. soezen, suffen
bruth
adjective
1. lusteloos
ceanntrom
verb
sil
noun
1. geslachtziekte veroorzaakt door de bacterie Neisseria gonorrhea
gónairith
adjective
1. heel erg nat
báite
noun
1. bundel druiven
braisle
adjective
  1. 3. zeer actief zijnde
    aerach
    1. 1. weinig tijd hebbend
    2. 2. weinig tijd latend, veel tijd eisend (van bezigheden)
    broidiúil
  2. 4. met veel mensen, bedrijvigheid of verkeer
    plódaithe
noun
1.
blast
verb
  1. 2. poepen
    cac
  2. 3. verkort voor afdrukken
    clóbhuail
  3. 1. kracht uitoefenen op
    preas
noun
1. een persoon die afdrukken maakt
clódóir
noun
1. een afbeelding die gemaakt is met behulp van een drukpers
clóbhuail
noun
1. iemand die (beroepshalve) slagwerk speelt
drumadóir
noun
foireann drumaí
noun
1. een staf om sommige soorten slagwerk mee te bespelen
bata druma
/drɵ.pəl/
noun
  1. deoir
  2. braon
/drʌpələ/
verb
bogán
noun
draoi
noun
2. de opmaak van een publicatie maken met behulp van een computerprogramma
foilsitheoireacht deisce
/ˈdʏbəl/
adjective
1. tweemaal voorhanden
dúbailt
verb
1. twee keer, snel achterelkaar, met de muisknop op iets klikken
cliceáil faoi dhó
noun
1. dubbele toonverhoging
aithrinneach
noun
1. dubbele toonverlaging
maol dúbailte
/ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
déréalta
adjective
amhrasach
pronoun
1. hoofdstad van Ierland
Baile Átha Cliath
noun
1. afvoerbuis, kanaal
ducht
noun
1. een gevecht tussen twee personen, gewoonlijk onder bepaalde regels
comhrac aonair
/dʏf/
adjective
  1. 1. saai, doods
    leadránach
  2. 2. slaperig
    meirbh
noun
1. in de grond uitgegraven ruimte met overkapping aan de zijkant van het veld waarin de reservespelers en vaak ook de coach verblijven
bád scaobtha
/ˈdœy̯dələk/
adverb
  1. 1. niet mis te verstaan
  2. 2. goed te herkennen
cruinn
noun
  1. 1. het evident en vanzelfsprekend zijn
  2. 2. het goed waarneembaar zijn
gile
noun
1. het hechten van een bepaalde betekenis aan iets
míniú
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Colm
/dœʏ̯f/, /dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
  1. colm
  2. colúr
  3. colmán
noun
tum
noun
fomhuireán
/ˈdœy̯kə(n)/
verb
2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
tum
/dœy̯m/
noun
  1. 1. eerste, kortste en dikste vinger
    ordóg
  2. 2. lengtemaat
    orlach
noun
1. het hoornen gedeelte van de eerste vinger van de hand
ionga ordóige
/dœʏ̯n/, /dœːn/
noun
dumhach
noun
1. dal in de duinen
gleann
noun
dorchacht
noun
1. het eng en geheimzinnig zijn
aduaine
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
dorchadas
noun
cníopaire
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
Gearmáinis
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
Gearmáinis
/ˈdœʏ̯tsə/, /ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
Gearmánach
pronoun
Poblacht Dhaonlathach na Gearmáine
noun
1. hond uit een oorspronkelijk in Duitsland gefokt ras
alsáiseach
/ˈdœʏ̯tsər/, /ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
Gearmánach
/ˈdœʏ̯tslɑnt/, /ˈdœːtslɑnd/, /ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
  1. an Ghearmáin
  2. An Ghearmáin
  3. Gearmáin
noun
diabhal
adjective
diabhlaí
noun
1. dertiental
dosaen báicéara
noun
1. beoefenaar van de zwarte kunst
saineolaí
noun
1.
colmlann
adjective
1. een gevoel waarbij alles lijkt rond te draaien en het gevoel voor evenwicht verstoord is
meadhránach
noun
1. het gevoel zijn evenwicht te verliezen
meadhrán
noun
1.aanval van lichte duizeligheid
meadhrán
/ˈdœy̆zənt/
noun
1000
míle
noun
an athair thalún
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
céadchosach
noun
1. bloemplant uit het geslacht van de anjers (Dianthus barbatus)
lus na gile
ordinalAdjective
míliú
noun
1. een in het water geplaatst stelsel van zware palen dat dient om schepen aan vast te leggen of...
deilf
verb
1. bereid zijn iets ongestraft te laten
béar
/dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
caol
noun
2.
fógra meirge
noun
2. magerheid
caoile
noun
barúil
noun
1. tweetal bij elkaar horende personen
péire
/dywoˈdenʏm/
noun
1. twaalfvingerige darm
dúidéineam
verb
anachain
adjective
dúbail
noun
1. een identiek tweede exemplaar van iets
macasamhail
/'dyːrə(n)/
verb
1. een bepaalde tijd in beslag nemen
mair
verb
1. het vermogen om moed te tonen
misneach
noun
1. enige tetraploïde tarwesoort die nog veel wordt verbouwd
  1. dúram
  2. cruithneacht chrua
verb
1. ~ te de moed hebben om iets gewaagds te doen
dúshlán
conjunction
1.om die reden, daarom
dá bhrí sin
/dʏt/
noun
bruth
verb
bruth
verb
niet goedkoop
costasach
/ˈdyːr.zam/
adjective
1. lang meegaand
buanfasach
noun
1. een vogel die slechts zelden, vaak door verdwalen, in een gebied aangetroffen wordt
fuaidire
noun
1. een leer die afwijkt van de officiële of orthodoxe leer
eiriceacht
noun
1.
tine ghealáin
adjective
1. onverstandig, gek
amadán
noun
1. iemand die onverstandig denkt en/of handelt
amadán
verb
3. geestelijk zich op een afwijkend pad bevinden, het mis hebben
déan dearmad
/dʋɑŋ/
noun
iallach
noun
1. een kledingstuk dat de drager bewegingsvrijheid van de armen en handen ontneemt
seaicéad ceangail
noun
1. psychische stoornis die gekenmerkt wordt door dwanggedachten en dwanghandelingen
neamhord éigníoch dúghafach
/dʋɑrs/
adverb
  1. 1.
    sall
  2. 3. iemand iets dwarszitten
    stró
/ˈdwɑrzbomə(n)/
verb
1. tegenwerken, moeilijkheden geven
crosáil
/ˈdʋɑrsflœʏt/
noun
1. een blaasinstrument dat dwars op de lippen geblazen wordt
cuisle
noun
1.
cros-snáitheach
noun
1. straat of steeg die dwars op een grotere hoofdstraat uitkomt
taobhshráid
/dʋɛi̯l/
noun
1. een stuk weefsel in natte vorm gebruikt om een gladde vloer te reinigen
ceirt urláir
noun
1. een buitengewoon klein mens
abhac
noun
1. Anser erythropus
mhionghé bhánéadanach
noun
1.
abhacphláinéad
noun
1.
mionulchabhán
noun
1. kleinste soort van de vinvissen, Balaenoptera acutorostrata
droimeiteach beag
noun
1. iemand die op een hinderlijke manier de baas probeert te spelen
aintiarna
verb
1. iemand tegen zijn wil iets opleggen
éifeacht
noun
dinimic
noun
springstof waarin nitroglycerine door een poreuze stof wordt vastgehouden
dinimít
noun
1. rode loop, bloeddiarree
dinnireacht
noun
1. slikstoornis
diosfaige
noun
1. sombere stemming, somber gevoel
diosfóiria
/dɪslɛkˈsi/
noun
1. het onvermogen om woorden, waarvan men wel de letters ziet, in hun betekenis te vatten
disléicse
noun
1. niet goed kunnen spellen bij iemand met een normale intelligentie en schoolopleiding
diosgraife
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
diospróisiam
noun
1. voedingsstoornis, groeistoornis van organen, degeneratie van organen, cellen, weefsels
diostróife
pronoun
1. een taal die afgeleid is van het oud-Tibetaans
Seoinicis
noun
2. afkorting voor de toonsoort
E
noun
  1. 1. de toonnaam
  2. 2. afkorting van “e-mineur”
e
/ˈiːmeːɫ/, /ˈiːmɪːɫ/
noun
  1. 1. systeem voor het verzenden van berichten via een computernetwerk
  2. 2. bericht dat verstuurd is via e-mail
ríomhphost
adjective
1. die het snelst op heden volgt
seo chugainn
noun
1. een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
aife
noun
1, edele houtsoort
éabann
noun
1, edele houtsoort
éabann
noun
éabainnít
noun
1. de waterstroom die van de kust afgaat als het laagwater wordt en 3-4 uur na hoogwater maximaal is
taoide thrá
noun
cliseadh
noun
3. niveau in een hiërarchische organisatie
céim
/ˈɛ.xo/, /ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
macalla
/ʔɛxoə(n)/
verb
1. eerste betekenisomschrijving
allabhair
adjective
2. waarachtig, juist, niet vervalst
barántúil
noun
1.
adhaltrach
noun
1. mensen die met elkaar getrouwd zijn
cúpla
conjunction
1. een beperkende tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) beperkt
dá
/ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
fear céile
/ˈɛxtxəˌnotə/, /ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
bean
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
colscaradh
/eˈklɪps/
noun
1. het verschijnsel waarbij een ster en twee of meer andere hemellichamen in één lijn komen te staan, waardoor de schaduw van het ene hemellichaam het andere verduistert
éiclips
/ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
éiceolaíocht
adjective
éiceolaíoch
/ˌe.ko.ˈlox/, /ˌe.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
éiceolaí
noun
2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
  1. geilleagar
  2. barainneacht
adjective
1. betreffende economie
eacnamaíoch
noun
1. deskundige op het gebied van de economie
eacnamaí
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
éiceachóras
noun
éiceathurasóireacht
noun
eicteaplasma
adjective
uasal
noun
1. iemand van adel
uasal
noun
1. Cervus elaphus, hertensoort
fia rua
noun
1. iemand die tot de adel behoort
tiarna
noun
1. een metaal dat niet licht aan corrosie of oxidatie ten prooi valt
miotal lómhar
adjective
gartach
noun
1. een stuk edelgesteente
seoid
verb
1. een tekst of drukwerk zodanig verzorgen en bewerken dat het uitgegeven kan worden
cuir in eagar
noun
atheagrú
noun
eagarthóir
noun
1.
eagarfhocal
pronoun
2. spelwoord voor de letter e
Éadbhard
noun
léann
/et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
mionn
noun
1. echtgenoot of echtgenote
céile
/ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
  1. iora
  2. madra crainn
adjective
aon
verb
Ní hinnfhiúchthar fiacla an eich bhronntar
adjective
leathlámh
/eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
  1. mallard
  2. lacha
noun
1. pas uit het ei gekropen watervogel behorend tot de familie Anatidae
lachín
noun
síth
/enˈdœydəx/
adjective
1. zonder twijfel
aonchiallach
/ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
  1. fiche a haon
  2. aon is fiche
noun
  1. 2. maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt
    aonad
  2. 1. bij elkaar horend geheel met kenmerkende eigenschappen
    aontas
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Aonbheannach
noun
aonbheannach
adjective
1. bang voor vreemden, contact met onbekenden vermijdend
clis
adjective
1.
monacrómatach
adjective
1.
aonsiollach
adverb
1. een enkele keer
uair amháin
adjective
1. in het bezit van (slechts) één oog
aonsúileach
adjective
comhaontach
noun
1.
comhionannas
noun
1. bed dat geschikt is voor één volwassen persoon; slaapplaats voor één persoon
leaba shingil
adverb
uair amháin
adjective
1. dezelfde mening hebbend
comhaontach
adjective
1. betrekking hebbend op maar één geslacht
aonghnéasach
adjective
1. een gelijke inhoud hebbend
comhionann
noun
1. bij een stemming dat iedereen dezelfde stem uitbrengt
aontoilíocht
adjective
aonteangach
/enˈtonəx/
adjective
1. saai doordat het telkens hetzelfde is
aontonach
noun
1. het zonder enig variatie of spanning zijn
aontonacht
adjective
éide
/eːnˈvɑudəx/, /eːnˈvɑudəχ/
adjective
  1. 2. zonder overdaad of vertoon
    pléineáilte
  2. 1. niet ingewikkeld
    simplí
adjective
1. gebrek aan gezelschap ondervindend
aonarach
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
uaigneas
noun
1. het gelijk aan elkaar zijn van verschillende zaken
comhionannas
adjective
1. met of aan één kant, belang, partij etc.
aontaobhach
/er/
noun
1. aanzien, roem
oineach
noun
2. netheid en reinheid op andere gebieden
uaisleacht
noun
meas
noun
  1. 2.een voorstadium van de zalig- en heiligverklaring in de Rooms-Katholieke Kerk
    crábhadh
  2. 1. het waard zijn om respect te ontvangen
    meas
adverb
gan mhoill
conjunction
1. geeft een tijdstip aan voor hetwelk iets anders plaatsheeft
le hucht
/ˈeːrɣɪstər/, /ˈɪːrχɪstər/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
arú inné
/ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
arú inné
adverb
gan mhoill
/ˈeːrlək/
adverb
  1. 1. vrij van leugen en bedrog
    macánta
  2. 2. op een gepaste, eervolle wijze
    réasúnta
noun
1. het vertellen van de waarheid
ionracas
noun
cúlchaint
adverb
1.
ar an gcéad dul síos
adverb
gan mhoill
noun
1. nummer één in een volgorde
céad
noun
1. eerste kwartier
corrán gealaí
noun
ainmneach
phraseologicalUnit
1. grammaticale term die de spreker of sprekers aanduidt.
chéad phearsa
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
An Chéad Chogadh Domhanda
adjective
1. van een persoon dat deze de eerste nakomeling is van iemand
céadghin
noun
céadghin
adjective
1.de volgende gevolgd door een beschrijving van een periode of gebeurtenis
seo chugainn
adjective
diongbháilte
/ˈeːitbaːr/, /ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
inite
noun
1. plaats waar mensen tegen betaling kunnen eten
bialann
/ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
seomra bia
/etlepəl/
noun
1.
spúnóg
noun
1. de behoefte om voedsel tot zich te nemen.
dúil
noun
cipín itheacháin
noun
neamhord itheacháin
/eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
aois
/eːwɪx/, /eːʋəχ/, /eːβ̞əx/
adjective
1. voortdurend, zonder einde
síoraí
/eːwɪx/, /eːʋəχ/, /eːβ̞əx/
adverb
1. voortdurend, zonder einde
go bráth
noun
4. tabel met de stand van de zon, de maan en de planeten voor elke dag van het jaar
eifimiris
/e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Eifeasas
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
Eifeasaigh
noun
1. uitwerking
éifeacht
adverb
1. doeltreffend
éifeachtach
adjective
1. glad van oppervlak
céim
verb
1. gelijk of vlak maken
céim
adjective
1. nuttig effect hebbend
feidhmiúil
/ɛx/, /ɛχ/
noun
1. een landbouw- of tuinbouwwerktuig dat gebruikt wordt voor het zaaiklaar maken van de grond
bráca
/e'gal/
adjective
céim
verb
céim
noun
1. heel veel beleefdheid
meas
/ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
gráinneog
pronoun
Muir Aeigéach
noun
mé
/xxxx/
noun
1. het uitsluitend op eigen belangen en gewin uit zijn
féinchúis
noun
1. een zelfzuchtig persoon
féinspéisí
adjective
1. zelfzuchtig, gefocust op eigen voordeel
féinspéiseach
/e.ˈɣɪp.tə/, /e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
  1. Éigipt
  2. An Éigipt
noun
Éigipteolaíocht
/ɛɪ/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
ubh
noun
1.
cuilt
noun
1. bepaald soort zeevogel, Somateria mollissima
éadar
noun
1. het binnenste, gele deel, van een ei
buíocán
noun
1. eierschaal
blaosc uibhe
noun
1. het geslachtsorgaan van de vrouw waarin eicellen gevormd worden
síollann
noun
1. de gele eidooier die in het midden van het ei zit
buíocán
/ˈɛi̯ɣə(n)/
adjective
féin
phraseologicalUnit
1. een gezin en woning zijn het belangrijkste wat een mens kan hebben
níl aon tinteán mar do thinteán féin
noun
1. iemand die iets in eigendom heeft
úinéir
adjective
1. afwijkend van wat normaal is
saoithiúil
noun
1. de hoedanigheid van bezitter hebben; het bezitter zijn van iets
dílseacht
/'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
  1. 1. eigendomsrecht
    dílseacht
  2. 2. zaak die men zijn eigen mag noemen, bezit
    sealúchas
adjective
1. door iemand zelf gemaakt dus niet door iets of iemand anders
baile
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
ainmfhocal dílis
noun
1. een gegeven karakteristiek die eigen is aan een bepaalde persoon of zaak
dílseacht
adjective
  1. 2.
    am i láthair
  2. 1.
    comhaois
adjective
dochomhairleach
/ɛi̯k/, /ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
dair
/ˈɛɪkəɫ/
noun
1. vrucht van de eik
dearcán
/ɛɪ̯kə(n)/, /ɛːkə(n)/
adjective
1. vervaardigd van het hout van de eik
dair
/ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
  1. oileán
  2. inis
/ˌɛilɑnt ˈmɛn/
pronoun
Oileán Mhanann
noun
1. iemand die op een eiland woont
oileánach
noun
oileánra
noun
1. iemand die op een eiland woont
oileánach
/ɛɪ̯nd/, /ɛɪ̯nt/, /ɛːnt/
noun
foirceann
phraseologicalUnit
1.
gach rud i gceart ach sinn a bheith slán
noun
1.
cuspóir
/ˈɛɪ̯ndə/, /ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
deireadh
adverb
1. na een (te) lange tijd.
as deireadh na cúise
adjective
1. een einde hebbende
teoranta
verb
1. iets tot een besluit voeren
críochnaigh
noun
1.
iarmhairt
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
éinstéiniam
adjective
1. met de vorm van een ei
ubhach
/ɛɪ̯s/
noun
1. een dwingende vraag
iarratas
/ˈɛi̯sə(n)/
verb
1. zeer dringend vragen, vaak met een sanctie op het niet beantwoorden ervan
iarratas
noun
gearánaí
noun
1. het tijdstip dat de eicel door de eierstok wordt afgestoten
ubhsceitheadh
/ɛiwɪt/
noun
2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
próitéin
adjective
albaimineach
noun
seadadh
verb
sperma uitwerpen
sead
noun
caitheamh amach
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
  1. snag breac
  2. meaig
noun
1. een vaak pijnlijke, naar binnen groeiende eeltplek (verdikking van de huid)
fadharcán
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
uillinn
/ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
Salvadóir
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
  1. mús
  2. alce
noun
leaisteachas
adjective
1. van elastiek gemaakt
leaisteach
adjective
1. rekbaar
leaisteach
adverb
1.
in áit éigin eile
noun
toghchán
/eləˈɣɑnt/
adverb
1. een prettige uitstraling hebbend door de subtiele afwerking
galánta
noun
1. treurdicht
caoin
noun
1. overdreven liefde van een dochter voor haar vader
coimpléacs Éileictre
noun
1. vakman op gebied van elektriciteit
leictreoir
/eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
leictreachas
adjective
1. door middel van elektriciteit
leictreach
noun
teannas
noun
cardagraf
noun
1. een magneet waarvan het veld door een elektrische stroom veroorzaakt wordt
leictreamaighnéad
adjective
leictreamaighnéadach
noun
leictreamaighnéadas
noun
leictreoir
noun
1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
leictreon
noun
comhla
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
leictreonaic
adjective
leictreastatach
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
innealtóireacht leictreach
noun
1. legering van goud en zilver
Leictream
noun
dúil
adjective
príomh
noun
cáithníní bunúsacha
cardinalNumeral
1. het getal 11
aon déag
noun
1. haringachtige, die paait in de bovenloop van rivieren en beken en ooit inheems was in de Benelux, Alosa alosa
sead
/elimi'nasi/
noun
4. de afstoting van verstorven delen
diúltú
verb
  1. 1. verwijderen uit de vergelijking
  2. 2. verwijderen uit de bevolking, doden
deireadh
/ɛlk/
indefinitePronoun
  1. 1. ieder afzonderlijk
    gach
  2. 2. iedereen
    gach aon duine
/əl'kar/
reciprocalPronoun
1. als wederzijds lijdend voorwerp
a chéile
noun
1. Gewricht
uillinn
noun
1. armoedige, beklagenswaardige omstandigheden
aimléis
noun
bachall
adjective
1. erg onaangenaam
aimlithe
noun
  1. 2. een stijlfiguur waarbij een lopende zin wordt afgebroken, die echter door...
    focalbhá
  2. 1. twee-dimensionale figuur die wordt gevormd door alle punten waarvoor de som ...
    éilips
noun
1. grammofoonplaat met doorsede van 30 cm, een speelduur van maximaal 30 minuten aan één zijde, die afgespeeld wordt met een snelheid van 33 1/3 toeren per minuut
ceirnín
noun
1. boomsoort
fearnóg
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
Alsáis
/ɛlˈzɑsis/
noun
1. Een verzameling Alemannische dialecten die in de Elzas (Frankrijk) gesproken worden
Alsáisis
/eˈmɑj/
noun
  1. 1. glasachtige deklaag
  2. 2. met email bedekt voorwerp
  3. 3. tandglazuur
  4. 4. kleurgevende laag
amáille
verb
amáille
noun
  1. 1. streven naar gelijkgerechtigdheid
  2. 2. vrijlating van slaven
  3. 3. ontvoogding, gelijkstelling voor de wet
fuascailt
verb
deic
noun
eambólacht
noun
1. braakmiddel
urlacach
noun
imirce
/emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
éimíríocht
noun
2. uitzending van kleine deeltjes of van licht of andere elektromagnetische straling
astaíocht
verb
ceist
/ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
  1. buicéad
  2. pigín
noun
1. een trapeziumvormig zeil aan de voorste mast op een lo
lug seoil
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
éamú
noun
1.weergave van emoties door middel van een afbeelding, een teken of een combinatie van lees- en lettertekens
straoiseog
noun
1. hevig gevoel, sterke gemoedsbeweging
mothúchán
adjective
1. zeer vatbaar voor gevoelens
corraitheach
noun
gníomhaíocht
noun
fostaí
noun
eibleacht
conjunction
  1. agus
  2. is
noun
einceifealapaite
noun
1. een brief van de paus aan alle katholieke gelovigen
imlitir ón bPápa
/ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
ciclipéid
noun
1. laatste deel van het spijsverteringskanaal vlak voor de anus
athán
adjective
1. met inwendige afscheiding in de bloedstroom, hormonaal
inchríneach
adjective
1. van binnen uit
inginiúil
noun
1. een organisme dat binnenin ander organisme leeft en dat andere organisme schade berokkent
ionpharaisít
noun
ionscóp
adjective
1. met betrekking tot arbeid of energie
fuinniúil
/enər'ʒi/, /enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
fuinneamh
adjective
fuinniúil
adverb
1. aan de ene kant
ar thaobh amháin
adjective
  1. 2. met weinig tussenruimte
    caol
  2. 1. angst veroorzakend
    scanrúil
noun
1. hemels wezen
aingeal
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Sasana
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
  1. Sasanach
  2. Béarla
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
  1. Béarla
  2. Sasanach
noun
1. een grotere en lagere uitvoering van de hobo
corn Sasanach
/ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /ɛ.ŋəls.man/, /ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
Sasanach
noun
inneall
noun
1.
innealtóireacht
adjective
  1. 1. leuk, aardig, schattig
    galánta
  2. 2. uniek
    singilteach
indefinitePronoun
1. een kleine mate
daoine
indefiniteCardinalNumeral
1. een vrij klein aantal
roinnt
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
  1. murnán
  2. rúitín
noun
  1. 2. een band die om de enkel wordt gedragen
    bráisléad murnáin
  2. 3. een band om de enkel met een zendertje
    teaghrán
indefinitePronoun
1. een onbepaald, meestal klein aantal
roinnt
noun
aonánach
noun
1. bij tennis en tafeltennis als één persoon tegen één persoon speelt
cluiche dólámhach
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
uatha
/eˈnɔrm/
adjective
1. buitensporig groot
anmhór
/ɑŋ.ˈkɛː.tə/, /ɑ̃.ˈkɛt/
noun
1. een vragenlijst die aan meerdere personen wordt voorgelegd
suirbhé
noun
1. papier met voorbedrukte vragen dat men gebruikt bij een enquête
ceistiúchán
verb
1.
ardán
noun
le chéile
verb
tóg
noun
  1. A. eenjarig dier
    athrón
  2. B. een toets van een toetsenbord
    iontráil
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
noun
1. iemand die over iets of iemand geestdriftig is (vaak gebruikt als tweede deel van een samengesteld begrip
vóitín
noun
1. persoon die heel geestdriftig en hartstochtelijk is (over iets of iemand)
díograiseoir
noun
aonán
noun
feithideolaíocht
noun
1. een getal evenredig met de logaritme van het aantal realiseringmogelijkheden, ook wel gedefinieerd als de reversibele warmte gedeeld door de temperatuur
eantrópacht
/'ɛntstɔf/
noun
1. een middel dat bij een persoon (of dier) een immuunrespons opwekt
vacsaín
noun
1. materiaal dat gebruikt wordt om de openingen tussen de ent en de stam te dichten
maisteog
noun
ríomh
noun
1. papieren omslag voor brieven
clúdach
abbreviation
1. een aanduiding van het feit dat een verdere opsomming overbodig geacht wordt
agus araile
/ɛnˈzim/
noun
1. een organische molecuul dat biologische reacties mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf...
einsím
/ˈepɛnˌtezɪs/
noun
1. invoeging van middenlank
eipintéis
/epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
eipidéim
noun
eipidéimeolaíocht
adjective
eipidéimeach
/ˌepiˈfizə/
noun
1. een klier die onderdeel is van de epithalamus en melatonine uitscheidt
faireog phinéalach
noun
1. het vakgebied binnen de genetica dat de invloed bestudeert van de omkeerbare erfelijke veranderingen in de genexpressie die optreden zonder wijzigingen in de sequentie (volgorde van de basenparen) van het DNA in de celkern
eipigéineolaíocht
noun
eipeagraf
noun
1. vallende ziekte, toevallen
titimeas
adjective
titimeach
noun
1. een naschrift toegevoegd aan een boek of film
iarfhocal
noun
eachtra
noun
feartlaoi
noun
1. woord dat gevormd is op basis van een eigennaam van een persoon
eapainm
noun
  1. 1.
    comórtas
  2. 1. het in evenwicht brengen
    fuílleach
noun
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
meánchiorcal
/ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
Guine Mheánchiorclach
noun
1. passage van de zon door het vlak van de evenaar
cónocht
noun
3. rijtuig
bus
noun
cuingir
noun
1. iets gelijkwaardigs
luach-chomaoin
adverb
1. onbepaald bijwoord van plaats: ergens
ann
/ɛˈraːn/
adverbialPronoun
ea
adverbialPronoun
1. vervangt achter dit, achter deze
taobh thiar
adjective
aimléiseach
noun
taise
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
eirbiam
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
éirí
noun
cultas
verb
1. iemands prijzenswaardigheid in het daglicht stellen
clú
noun
1. onderscheiding in de vorm van een munt
bonn
noun
1. een groot geslacht van planten waarvan er 23 wilde soorten bekend zijn in Nederland
seamair chré
noun
1.
bonn
noun
1. stuk van de erfenis zoals dat aan een bepaalde erfgenaam toekomt
oidhreacht
noun
1. wat door de erflater bij zijn overlijden wordt nagelaten
oidhreacht
noun
1. degene die andermans nalatenschap erft
oidhre
noun
oidhreacht
noun
1. regeling voor de overgang van de nalatenschap
oidhreacht
noun
1. een veelal kostbaar goed van van generatie op generatie door vererving overgegeven wordt
airnéis oidhreach
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
peaca an tsinsir
adjective
1. verschrikkelijk
uafásach
adverb
1. in hoge mate
an-
verb
1. gevoelens van onvrede veroorzaken
cráigh
adverb
1. ergernis wekkend
bearránach
noun
eirgeanamaíocht
pronoun
2. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Abhainn
suffix
1.
ach
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Earas
/ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
  1. Eiritré
  2. An Eiritré
/eriˈtres/
adjective
1. met betrekking tot of afkomstig van Eritrea
Eiritréach
verb
  1. 1. inzien, toegeven
  2. 2. als wettig, echt, juist aanvaarden
aithin
noun
1. een bevestiging van de juistheid of geldigheid van iets
aitheantas
/ˌɛrˈkɛn.tə.lək/
adjective
buíoch
verb
1. door eigen inspanning kunnen beschikken over
sroich
adjective
1. zonder grappen en serieus
dáiríre
adverb
compal
adverbialPronoun
ar íochtar
noun
1-2. beschadiging en afslijting
líomhadh
adjective
anghrách
noun
1. (minderwaardig) middel om het oorspronkelijke te vervangen
tacar
noun
1. steen
mianach
verb
1.
amharc
noun
  1. 3. plotselinge huiduitslag
    ainchríonna
  2. 1. plotselinge, felle uiting
    brúchtadh
adverbialPronoun
a
verb
1. iets beleven
eispéireas
noun
1. een vorm van kennis
taithí
/ˈʔɛr.və(n)/
verb
1. de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
faigh le hoidhreacht
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
peasair
noun
arasaipil
/\ˈɛs\/
suffix
an-
noun
1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
fuinseog
/ɛsˌxatolo'gi/
noun
eascaiteolaíocht
noun
tionlaic
noun
escudo Portaingéalach
/ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
mailp
noun
síoróip mhailpe
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
crann creathach
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
Esperanto
noun
1. geestigheid, spitsvondigheid, uitdrukkingsvermogen
anam
adjective
fuinseach
noun
1.
luaith
noun
2
garr
noun
1. het meeste belangrijke
garr
adjective
1. zeer belangrijk
riachtanach
/ɛsˈter/
pronoun
3. meisjesnaam
Eistir
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
eistear
/ɛsˈtetiˌka/
noun
1. het filosofisch discours over het wezen van kunst of het wezen van schoonheid
aeistéitic
noun
1. de ethiek van de kunst
aeistéitic
adjective
aeistéitic
/ˈɛstis/, /ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
Eastóinis
/ˈɛslɑnd/, /ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
Eastóin
noun
1. een vrouwelijk hormoon
éastraigin
noun
inbhear
noun
stór
noun
seilf
noun
1. grote glazen plaat aan de straatkant van een winkel waarachter de te verkopen...
fuinneog
verb
1. het nuttigen van voedsel
ith
noun
1.
trach
noun
1. C₂H₆
eatán
/etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
eatánól
noun
eitiléin
noun
1. een praktische wijsbegeerte die zich bezighoudt met wat goed en kwaad is
eitic
adjective
1.
Aetópach
/ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
Aetóip
adjective
eiticiúil
noun
eiteolaíocht
noun
koolwaterstofgroep
eitil
noun
1. onderdeel van de pathologie dat zich bezighoudt met de oorzaken van ziekten
bunús
noun
1. tijdseenheid bestaande uit 24 uren
lá
adjective
eitneach
noun
eitneagrafaí
noun
eitneagrafaíocht
adjective
1. betrekking hebbend op de beschrijving van volkeren
eitneagrafaíoch
/ɛtnoːloːɣi/, /ɛtnoːloːʝi/
noun
eitneolaíocht
/ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
angadh
noun
1. zwelling die etter bevat
easpa
noun
  1. 1. woordherkomst
  2. 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
sanasaíocht
noun
1-2.
sofhriotal
noun
1. eufonium
eofón
noun
1. poging om de genetische eigenschappen van een individu of soort te verbeteren
eoiginic
noun
coillteán
adjective
1.
Eoráiseach
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
An Eoráise
/'øː.ro/, /'ɵː.ro/
abbreviation
1. munt en munteenheid
euro
/øːˈroːpa/, /ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
  1. Eoraip
  2. An Eoraip
/ˌøːropeˈjaːn/, /ˌʏːropeˈjan/
noun
1. bewoner van het Europese continent of iemand die daarvan afkomstig is
Eorpach
/øːroˈpeːs/, /ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
Eorpa
pronoun
Parlaimint na hEorpa
pronoun
Banc Ceannais Eorpach
pronoun
  1. An Coimisiún Eorpach
  2. Coimisiún Eorpach
pronoun
An Chomhairle Eorpach
/ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
  1. An tAontas Eorpach
  2. Aontas Eorpach
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
eoraipiam
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
eotanáis
/'øː.vəl/
noun
1. gebrek
fabht
noun
1. een verboden, onwettige, criminele handeling
drochghníomh
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Aoife
/evɑky'erə(n)/
verb
folmhaigh
noun
soiscéal
noun
galú
adjective
1. Deelbaar door twee
fiú
/evəˈnar/, /ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
meánchiorcal
/ˈevəmɪn/
adverb
1. ook niet
ceachtar
noun
meánchiorcal
adjective
1. evenredig
cionmhar
adjective
acmhainneacht
ordinalAdjective
1. in gelijke hoeveelheid
a lán
adverb
1. luidt een beperking of (schijnbare) tegenstelling in
dá
noun
1.
cothromaíocht
adjective
1. in alle punten even ver in loodrechte zin verwijderd zijnde
comhthreomhar
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
  1. torc
  2. torc allta
noun
1. wild varken
  1. torc
  2. torc allta
adjective
1. zeer duidelijk, klaarblijkelijk, in 't oog springend
follasach
/ˌevoˈlysi/, /ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
éabhlóid
adjective
éabhlóideach
prefix
iar-
adjective
1. zonder benadering, precies vastgesteld
baileach
noun
1.
cruinneas
noun
1. onderzoek naar de kennis of vaardigheden van iemand door middel van ondervraging of opgedragen verrichtingen
scrúdú
noun
1.
gá
noun
1. uitmuntendheid
feabhas
noun
eisceacht
adjective
eisceachtúil
verb
1. maken van een uittreksel of samenvatting
achoimrigh
noun
1. een beknopte beschrijving van een inhoud
achoimre
noun
ainmheasarthacht
adjective
iomarcach
noun
1. opgewondenheid
adharcacht
verb
scread
noun
coinnealbhá
verb
leithscéal
noun
1. de verontschuldiging
apalacht
verb
básaigh
noun
  1. 1. uitvoerder van een gerechtelijk vonnis
  2. 2. uitvoerder van een testament
seiceadóir
noun
2. uitvoering van een doodvonnis
bású
adjective
uitvoerend
feidhmeannas
verb
1. het oefenen in het uitvoeren...
aclaigh
noun
taispeántas
noun
saol
noun
1. onderzoek naar mogelijk leven buiten de aarde
réalt-bhitheolaíocht
pronoun
Eaxodus
noun
1. uittocht van een grote groep mensen met als doel niet meer terug te komen
Eaxodus
noun
1. een deel van het pre-mRNA dat de kern verlaat en dus getranscribeerd wordt
easón
noun
eiseapláinéad
noun
eisisféar
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
andúchasach
noun
borrúlacht
verb
long
adjective
1. van iets dat je wilt kopen, dat je er veel geld voor moet betalen
costasach
noun
turgnamh
verb
1.
turgnamh
/ɛkˈspɛːr/
noun
1. iemand die bijzonder goed bekend is met een bepaald onderwerp
saineolaí
noun
mínithe
noun
taiscéalaíocht
verb
taighde
noun
pléasc
noun
1. de verkoop van goederen aan het buitenland
easpórtáil
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
easpórtáil
noun
easpórtálaí
adverb
d'aon toisc
noun
cuir in iúl
noun
abairt
noun
cuir in iúl
/ɛkˈstɛnsi/
noun
1. het strekken van ledematen
fadú
/ɛksˈtɛrn/
adjective
1. uitwendig
imeachtrach
adjective
1. buiten de cel gelegen
eachtarcheallach
noun
1. ingedikt aftreksel
achoimre
verb
eachtarshuigh
adjective
1. uiterst, uitzonderlijk
foirceann
pronoun
Extremadura
noun
1. iemand met radicale, extremistische standpunten, een aanhanger van een ideologie die ver van het politieke of maatschappelijke centrum ligt
antoisceach
pronoun
Eizicéil
/ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
asal
noun
2. omgevouwen hoek
adharc
pronoun
Easdras
noun
2. afkorting voor de toonsoort
F
noun
  1. 1. de toonnaam
  2. 2. afkorting van “f-mineur”
f
/ˈfalɑŋst/
noun
1. angst om te falen
eagla
/fam/
noun
  1. 1. reputatie
  2. 2. roem
fama
noun
1. een der herautstukken; een horizontale band die het middelste derde deel van het veld van het wapen beslaat
balc
/ˈfabəl/
noun
  1. 3. een verhaallijn
    ceapach
    1. 1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
    2. 2. een verzinsel
    finscéal
adjective
1. ongeloofwaardig
dochreidte
noun
déantús
verb
1. een product door middel van werktuigen bewerken of vervaardigen
cum
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
  1. gléasra
  2. monarcha
noun
déantóir
noun
toisc
noun
1. iemand die vele kleine karweitjes kan opknappen
gobán
verb
sonrasc
noun
1. document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
sonrasc
noun
3. product van een reeks factoren
iolrán
verb
1. langzaam zwakker, minder luid of minder duidelijk worden; langzaam laten verdwijnen
tréig
/ˈfæːrøːə̯r/, /ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
Oileáin Fharó
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op de Faeröer
Faro
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
basún
noun
criadóireacht
/ˌfajisəˈmɛnt/
noun
1. de toestand van iemand die, blijkens rechterlijk onderzoek, niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.
féimheacht
noun
1. staaf of stok die aan de bovenkant in een brandbare stof gedrenkt is, brandend zorgt het voor verlichting
tóirse
/ˈfaːlən/
verb
1. niet bereiken van doelen
clis ar
adjective
1.
laige
noun
bod
noun
1. een manier van zingen waarbij hoge noten kunnen worden 'bereikt'
cuach
adjective
aithnidiúil
/fa.ˈmi.li/, /fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
teaghlach
noun
1. relatie tussen verschillende familieleden
cleamhnas
noun
1. naam die van generatie op generatie en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
sloinne
noun
  1. 1. een enthousiaste aanhanger
  2. 2. ventilator
gaothrán
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
fantaisíocht
adjective
iontach
noun
2. klucht
coiméide
/fariˈzes/
adjective
1.
Fairisíneach
noun
1.
Fairisíneach
/fariˈzejis/
adjective
1.
Fairisíneach
noun
cógaiseoir
adjective
1. uit de farmacie, met betrekking tot de productie van geneesmiddelen
cógaisíochta
noun
cógaisíocht
noun
cógaseolaíocht
/fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
faisisteachas
adjective
1. van het fascisme
faisisteach
noun
1. modegek, iemand die buitensporige aandacht aan zijn uiterlijk besteedt
gaige
noun
1. waanvoorselling
seachmall
noun
cinniúint
/fo.tœj/
noun
1. Soort stoel
cathaoir uilleach
noun
1.
fabhar
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
piasún
/febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
Feabhra
pronoun
1. Russische revolutie
réabhlóid na Feabhra
noun
1. ontlasting
cathaoir
adjective
cónaidhme
noun
cónaidhmeacht
noun
1. een verbond van samenwerkende staten of lichamen die hun zelfstandigheid behouden
cónaidhm
/fe:/
noun
1.
  1. bean sí
  2. sióg
noun
1. terugkoppeling
aiseolas
noun
dallóg fhraoigh
noun
1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid
comhluadar
noun
lá saoire
noun
1. een bijeenkomst om iets fijns te vieren
comhluadar
noun
1. een extra lekkere, uitgebreide maaltijd die men met meerdere mensen gebruikt als een feestelijke gebeurtenis
cóisir
verb
1. deelnemen aan een feest en uiting geven aan feestvreugde
ceiliúir
/fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
fíric
noun
1.
amhainse
noun
1. het stimuleren van de penis met de mond, tong of keel
diúl
noun
1. schending van een plechtige belofte
anbhrath
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
feimineachas
noun
1. vrouw die streeft naar gelijke rechten voor vrouwen
feimineach
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
seamair ghréagach
adjective
Féiníceach
noun
Féiníceach
noun
feanól
noun
feineolaíocht
noun
feinitíopa
pronoun
2. spelwoord voor de letter f
Feardorcha
adjective
1. krachtig, kracht tonend
comhlacht
noun
1. gisting
coipeadh
verb
1. zuurstofloos (anaeroob) omzetten van biologische materialen door bacteriën, celculturen of schimmels
corraíl
noun
1.
diongbháilteacht
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
feirmiam
noun
1. een schip dat speciaal gebouwd en uitgerust is om in een veerdienst ingelegd te worden.
bád calaidh
noun
1. een speciaal gebouwd en uitgerust schip om in een veerdienst ingelegd te worden.
bád calaidh
noun
1.
toirchiú
/ˈfɛstiˌvɑɫ/
noun
  1. 1. een reeks optredens
  2. 2. een groot evenement met zang en dans en muzikale optredens
fleá
/fɛstievieˈtĕit/
noun
comhluadar
noun
1. vervolgverhaal in een krant of tijdschrift, dan wel op de radio of televisie
sraith
noun
1. 21e letter van het Griekse alfabet
fí
noun
bolg
/'fi.jɑt/
noun
aontas
noun
1.
fibrinigin
noun
ficsean
noun
cuir in iontaoibh
/fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
rothar
verb
1. op een fiets rijden
ciogal
/ˈfiːtsər/
noun
1. iemand die met een fiets rijdt
rothaí
noun
teannaire
noun
rothaíocht
noun
aisteoir tánaisteach
/fi.ˈɣyːr/, /fi.ˈχyːr/
noun
cruth
/ˈfɛifəl/
noun
1. bepaald soort dwarsfluit
fíf
/ˈfɛifər/
noun
1. bepaald soort kleine dwarsfluit
fíf
/ˈfi.(d)ʒi/, /ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
Fidsí
adjective
  1. 1. van geringe dikte
  2. 3. leuk
mín
phraseologicalUnit
1. kerstwens
laethanta saoire sona dhuit
noun
  1. 2. de mate waarin iets of iemand heel gevoelig kan waarnemen
    céadfacht
  2. 1. iets dat getuigd van een delicaat gevoelsleven
    leiceacht
noun
1.
armacas
noun
1. brand
bácáil
verb
1. in orde maken / voor elkaar brengen
cóip
noun
1. het stoer en flink zijn
cumas
adjective
1.
daonchairdiúil
/faɪl/
noun
  1. 1. lange rij met stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen of personen
    plódú tráchta
  2. 1. bestand op de computer
    comhad
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
Filéamón
verb
1. vis of vlees ontdoen van graten of botten / het schoonmaken van vis of vlees
fleasc
/filiˈjal/
noun
1. een pand in een reeks van panden
craobh
/ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Na hOileáin Fhilipíneacha
/fili'pɛɪns/
pronoun
1. de officiële taal van de Filipijnen
Filipíneach
pronoun
Filipigh
/filɪsˈtɛin/
noun
1.
Filistíneach
noun
3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
scannán
verb
1. beelden van iets vastleggen op film
scannánaigh
noun
1. feestelijk evenement waarbij het tonen van films centraal staat
féile scannánaíochta
/'fɪlmkɵnst/
noun
1. kunstvorm die gebruikt maak van het verfilmen als medium
cineamatagrafaíocht
noun
1. bewegend beeld dat is vastgelegd met een filmcamera
urchar
noun
1. tekst die een film in woorden beschrijft; tekst die aangeeft hoe een bepaalde film gemaakt moet worden
cás
noun
focleolaíocht
/ˌfiloːˈloːɣ/
noun
1. iemand die zich specialiseert in de studie van de taal en de cultuur van een mensengemeenschap
focleolaí
/filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
fealsúnacht
noun
fealsamh
noun
1.
scagáit
adjective
ceannchluiche
noun
1. de beslissende wedstrijd in een toernooi tussen de laatste twee deelnemers
ceannchluiche
noun
1. finalis
fréamh
noun
1. deelnemer aan slotwedstrijd
iomaitheoir ceannchluiche
adjective
1. met betrekking tot geld, geldelijk
airgeadúil
verb
1. voorzien van de benodigde geldmiddelen
maoinigh
verb
1. de eindstreep van een racewedstrijd passeren
críochnaigh
/ˈfɪnlɑnd/, /ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
  1. An Fhionlainn
  2. an Fhionlainn
/fɪns/
adjective
1. betreffende Finland of het Fins
Fionlainnis
/fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
Fionlainnis
/ˈfɪnsə/
noun
Fionlainnis
pronoun
1.
Murascaill na Fionlainne
noun
1. een medicijnflesje
fial
noun
(informatica) hardware of software die een computer of netwerk beschermt tegen misbruik van buitenaf
balla dóiteáin
noun
  1. 1. een handelsvennootschap waarbij de vennoten hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk zijn
  2. 2. een zaak of bedrijf
comhlacht
noun
1. mede-eigenaar van een onderneming
páirtnéir
noun
1. een spleet, een kloof
gág
noun
1. een kanaalvormige zweer
fiostúl
/ 'fɪt /
adjective
in goede lichamelijke conditie
infheidhme
noun
1. conditie- of krachttraining, meestal in een sportzaal
oiriúint
noun
1. inrichting voor het op peil houden van de lichamelijke conditie met behulp van fitnessapparatuur
corpoideachas
verb
ceartaigh
noun
fosú
verb
diongbháilte
/fjɔrd/, /fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
caolsáile
verb
1. onrustig branden met grote en dan weer kleine vlammen, die niet altijd op dezelfde plaats zijn
lasair
noun
1. een textielsoort van los gesponnen garen, gewoonlijk van geruwde wollen of katoenen stof, ...
flainín
adjective
flainín
/flɑŋk/
noun
1. zijkant van een samenhangend geheel
taobhaigh
adjective
1.
ard
/flɑt/
noun
cothrom
verb
1. iets mooier doen voorstellen of lijken dan het in werkelijkheid is
bladair
noun
1. opgeblazenheid, een gasophoping in de darmen
gaofaireacht
adjective
2. in overdrachtelijke zin smakeloos
bacach
noun
amaidí
noun
2. lafheid
fágáil
noun
1. aanval van korturende bewusteloosheid
laige
adverb
1.
laige
verb
1. door hitte of gebrek aan frisse licht het bewustzijn verliezen
tit i laige
noun
1. een aderontsteking
fleibíteas
noun
barainn
verb
1. overdreven lief tegen iemand doen
bladair
noun
1. iemand die andere mensen te veel vleit
líodóir
noun
1. een platte, vlakke metalen plaat of ring, bevestigd aan het uiteinde van een buis ...
sceimheal
noun
1. dun soort pannenkoekje dat zowel als hoofdgerecht en als nagerecht gegeten wordt
pancóg
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
únúncuadiam
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
buidéal
/flɛts/
adjective
1. een vale kleur hebbend
cuaille
/ˈflevoˌlɑnt/, /ˈfleːvoˌlɑnd/, /ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Flevoland
/flɛkˈsibəl/
adjective
1. het vermogen hebbend gebogen te worden
aclaí
noun
1. een vrolijk, oppervlakkig persoon die zich niets aantrekt van normen en waarden en vooral lui en werkschuw is
bruachaire
verb
1. kruiperig vleien
bladair
noun
4. (scheldwoord) iemand van het mannelijke geslacht met een seksuele voorkeur voor andere mannen
brosna
verb
bladhm
noun
1. levendige, glinsterende terugkaatsing van licht
péacach
adjective
  1. 2. groot van afmeting of hoeveelheid
    ramhar
  2. 1. stevig van lichaamsbouw
    strapaire
  3. 3. sterk van karakter
    tabhair dúshlán
noun
1.
láidreacht
noun
1.
tintreach
adjective
1. buitengewoon aantrekkelijk uitgevoerd, vlot en opvallend
geal
noun
1. een kortdurend, fel licht (dat men gebruikt bij het maken van foto's)
lóchrann
noun
1. een zwarte doorzichtige stof die vooral als teken van rouw wordt gebruikt
caille
verb
1. op een levendige, onrustige, beweeglijke manier licht uitzenden of weerkaatsen
glioscarnach
noun
1. levendige, glinsterende terugkaatsing van licht
lonrach
noun
1. lampen die dienen om een toneel of voetbalveld egaal te verlichten
teilgeoir tuilsholais
adjective
1. gerelateerd aan, lijkend op bloemen
bláthach
/ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
Flórans
adjective
1. van iets of iemand dat hij zich goed ontwikkeld, dat hij gezond is, dat het goed gaat
faoi bhláth
noun
1. betaalmiddel uit Florence dat later in heel Europa is gebruikt
airgead croise
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
flas fiacla
noun
luaineacht
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
seile
verb
1. spreken met gedempte stem
bí ag cogarnach
noun
  1. 1. buisvormig blaasinstrument
  2. 3. een scheepstype
  3. 4. een slank drinkglas
fliúit
noun
1. bepaald soort watervogel, Anas penelope
rualacha
verb
  1. 2. geluid van een fluit voortbrengen
    bí ag feadaíl
  2. 1. een fluit bespelen
    lig fead
noun
1. Anthriscus sylvestris, plant uit de schermbloemen familie
peirsil bhó
noun
1.
pioca
noun
1.
feadaíl
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
fluairín
noun
1. een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde...
veilbhit
adjective
1.
veilbhitiúil
/flʏks/
noun
2.aantal krachtlijnen dat loodrecht door een oppervlakte-eenheid gaat
abhainn
adjective
1. zeer schadelijk
ainiarmhartach
noun
1. een ziekelijke vrees
fóibe
/ˈfokʏs/
noun
2. een punt of verzameling van punten waar alle stralengangen samenkomen
fócas
noun
cásáil
/ˈfu.li/
noun
1. Myristica fragrans
más
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
féatas
noun
A 1. driehoekig zeil bevestigd aan de voorstag
jib
verb
1. dieren houden om ze te laten voortplanten
póraigh
noun
1. lijn waarmee de fok bediend kan worden
tile tosaigh
noun
1. een blad met informatie of reclame
bróisiúr
noun
1.
pionsa maol
noun
1. in wateroplosbaar vitamine dat o.a. wordt voorgeschreven aan zwangeren ter preventie van geboorteafwijkingen
aigéad fólach
noun
1. alles wat een volk creëert of heeft gecreëerd
béaloideas
noun
1.
béaloideasaí
/ˈfɔltərə(n)/
verb
1. een gevangene onderwerpen aan lichamelijke en/of geestelijke pijniging, voornamelijk teneinde informatie los te krijgen
ciap
/'fɔltərɪŋ/
noun
1.
pianadh
noun
1. een voor een bepaald doel vastgelegd kapitaal
ciste
noun
1.
fóinéim
/ˌfoneˈtik/
noun
1.
foghraíocht
verb
loinnir
adjective
1. helder stralend
lonrach
noun
1.
gealán
/ˌfonoloˈɣi/
noun
  1. 1.
  2. 2.
foghareolaíocht
noun
1. lettertype, karakterset
cló
noun
  1. 1. nog niet verbeende plek in de schedel van een baby
  2. 2. beschermkoker bij sommige oude muziekinstrumenten
cró an chinn
/fɔnˈtɛɪn/, /fɔnˈtɛːn/
noun
  1. 1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
  2. 2. omhoogspuitende waterstraal
scardán
noun
1.
aisiléireacht
noun
gobán
verb
1. een beslissing afdwingen
éifeacht
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
breac
noun
  1. 2. vorm van een bestand
    fadú
  2. 1. grootte
    méid
noun
foirmle
pronoun
1. categorie in de autosport
Foirmle a hAon
verb
1. in woorden omzetten
cuir in iúl
/fɔrmyˈlir/
noun
1. een stuk papier waarop voorgedrukte vragen kunnen worden beantwoord
foirm
noun
bruthaire
noun
1.
láidreacht
adjective
sásta
noun
1. een zout van een van de vormen van fosforzuur
fosfáit
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
fosfar
noun
1.
gealán
noun
1 en 2
fótagraf
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
ceamara
noun
fótaiceimic
adjective
1.op foto's een voordelige indruk makend
fótaigineach
noun
1. iemand die fotos maakt
grianghrafadóir
verb
1. een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag
fótagraf
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
grianghrafadóireacht
noun
fótachóipeálaí
noun
1. een lichtgevoelige lak die zich verhardt onder belichting
fótafhriotaí
noun
fótalú
noun
fótaiméadracht
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
fótón
noun
1.
fótaisintéis
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
ceamara
verb
1. iemand aftasten of er iets op het lijf gedragen wordt
pocléim
/fɑut/
adjective
contráilte
/fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
earráid
/fwɑ.ˈjeː(r)/, /fʋa.ˈje/
noun
1. verzamelplaats, zaal voor de verpozing (bijvoorbeeld in een hotel of schouwburg)
forhalla
adjective
1. van opvallende kwaliteit
mín
noun
1.
ainnir
/ˈfrɑksi/
noun
1. een klein deel
codán
noun
1. een botbreuk
briseadh
noun
blúire
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
sú craobh
noun
2. een stilstaand beeld uit een bewegende film
cuir i bhfráma
noun
Proinsiasach
adjective
Proinsiasach
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
frainciam
noun
1. reeks afhangende draden die ter versiering aan de rand van een kleed of kledingstuk gehangen worden
ciumhais
/frɑŋk/
noun
munteenheid
franc
verb
1. porto betalen als afzender door een postzegel op het poststuk te plakken
gread
pronoun
Frankfurt
/ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
  1. an Fhrainc
  2. Frainc
/frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
  1. Fraincis
  2. Francach
/frɑns/
pronoun
1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
  1. Fraincis
  2. francés
pronoun
Guáin na Fraince
pronoun
Polainéis na Fraince
adjective
1. de Franse taal sprekend
Frainciseoir
noun
1. een aantal woorden die een begrip uitdrukken, vaak een zinsdeel, soms een hele zin
abairtín
/fratər/
noun
1. bepaald soort vogel, Linaria flavirostris
gleoiseach sléibhe
noun
1. bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
calaois
noun
  1. 1. Oorlogsschip
  2. 2. Driemaster
frigéad
noun
frigéad
/freˈkwɛnt/
adjective
1. vaak voorkomend
minic
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
minicíocht
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Freesia
fríse
noun
1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
firéad
verb
1. frezen
meil
noun
1. een gerecht bestaande uit gehakt dat in een oven is gebakken
builín feola
pronoun
  1. 2. benaming voor een Germaanse taal
    Freaslainnis
  2. 1. Westerlauwers Fries
    1. Freaslainnis Iartharach
    2. Freaslainnis an Iarthir
/ˈfrislɑnd/, /ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Friesland
noun
1. de benaming voor een gerecht van gefrituurde aardappelreepjes ('patat frites')
sceallóga
noun
1.
cuisneoir
adjective
1. zojuist schoongemaakt, prettig ruikend
úr
verb
an
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in het noordoosten van Italië en in Slovenië
Friúilis
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in het noordoosten van Italië en in Slovenië
Friúilis
noun
aerthacht
noun
2. rimpel op het voorhoofd
púic
verb
1. van verbazing of afkeuring de wenkbrauwen ophalen
púic
noun
  1. 1. voorkant
  2. 2. gevechtslinie
dreach
noun
1.
líne thosaigh
adjective
1. sober, karig, eenvoudig, schraal
spárálach
/frœʏ̯t/, /frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
toradh
noun
1. een gokautomaat waar je geld in moet gooien, heeft drie of meer rollen...
meaisín sliotáin
noun
1. koude schotel met verschillende soorten fruit
sailéad torthaí
/ˈfrœʏtsɑp/, /ˈfrœːtsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
sú torthaí
noun
1.
sailéad torthaí
/fœyf/
noun
comhluadar
pronoun
1. bepaalde taal uit de Atlantische tak van de Niger-Congo-taalfamilie
Fulfuildis
noun
1. een lid van een klasse van allotropen van het element koolstof met een holle moleculaire structuur
fullairéin
noun
  1. 1. taak
  2. 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
  3. 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
  4. 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
feidhm
verb
1. ~ als een bepaalde functie vervullen
feidhmigh
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
bunúsaíocht
verb
1. een bepaalde functie vervullen
feidhmigh
noun
1. schimmel
fungas
/fʏt/
noun
1. de benodigde energie en zin ergens voor
fuinneamh
noun
réadán
noun
1.
todhchaíochas
noun
1. bepaald soort watervogel, Podiceps cristatus
foitheach
/ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
fisic
adjective
1. met betrekking tot de natuurkundige aspecten van de scheikunde
fisiciceimiceach
noun
fisiceoir
noun
fiseolaíocht
noun
fisiteiripe
/føn/
noun
1. een toestel dat een warme luchtstroom voortbrengt voor het drogen en opmaken van het kapsel
triomadóir gruaige
noun
2. afkorting voor de toonsoort
G
noun
  1. 1. de toonnaam
  2. 2. afkorting van “g-mineur”
g
/ɣaːf/, /χaːf/
adjective
  1. 2. in de populaire smaak vallend
    cúileach
  2. 1. zonder beschadiging
    go léir
noun
1.
folláine
/ɣaːj/
noun
1. middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, Garrulus glandarius
scréachóg
/ɣaːn/, /χaːn/
verb
1. zich in een bepaalde richting bewegen
téigh
noun
áiléar
noun
garraí
noun
1. instelling die gratis voedsel beschikbaar stelt
cistin phoiblí
/'ɣa.bɔn/, /ɣa.'bɔn/, /χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
  1. An Ghabúin
  2. Gabúin
adjective
1. op Gabon betrekking hebbend
Gabúnach
noun
1. echtgenoot, echtgenote
bean
/ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
gadailiniam
pronoun
Gaeilge
/ˈɣɑ.fəl/, /ˈɣɑ.fəɫ/, /ˈχɑ.fəɫ/
noun
  1. 1. rondhout
    ga
    1. 1. het gewei van een tweejarig hert of ree met twee uiteinden
    2. 2. gevorkt werktuig
    gabhlóg
noun
1.
saoiste
noun
tuarastal
noun
[A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
domlas
adjective
1.erg vriendelijk en beleefd
croíán
noun
1.
cornóg
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
Galátaigh
noun
1. heel vervelend persoon
alfraits
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
domlas
noun
1.
urtacáire
noun
áiléar
noun
dánlann
/χɑlx/
noun
1. houten constructie bestaande uit één of meer staande balken met een horizontale balk haaks daarop en één of meer diagonale balken ter ondersteuning, in het verleden veel gebruikt om mensen door ophanging ter dood te brengen
croch
noun
2. slecht persoon die gestraft zou moeten worden
crochadóir
noun
1. iemand die het verdient om aan de galg te hangen; een waardeloos of verdorven persoon
alfraits
/'ɣɑlɣə(n)strɔp/
noun
1. een tot strop geknoopt touw zoals dat aan een galg gehangen wordt ter verhanging van een veroordeelde
dol
pronoun
1. Romaanse taal gesproken in Galicië
galego
/ɣɑˈlisɪə/, /ʝɑˈlisɪə/
pronoun
1. Spaanse regio
An Ghailís
pronoun
An Ghailíl
pronoun
1. uitgestorven taal
Gaillis
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
gailliam
pronoun
Gaill
noun
Gallach
noun
1. streektaal die gesproken wordt in Frankrijk
Gallóis
adjective
1.
Gall-Rómhánach
noun
1. Angelsaksische inhoudsmaat
galún
noun
1. een langdurige naklank
aisfhuaimniú
verb
1. langdurig naklinken
aisfhuaimnigh
noun
brusaireacht
noun
1. versierde band langs de naad van een uniform
galún
noun
1. een vaste structuur in de galwegen of de galblaas bestaande uit neergeslagen cholesterol, bilirubine of kalkzouten
cloch dhomlais
adjective
1. door een elektrochemisch proces aangebracht
galbhánach
noun
cloicheán
/'ɣɑm.bi.ja/, /'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
  1. An Ghaimbia
  2. Ghaimbia
adjective
Gaimbiach
noun
  1. 1. onderdeel van een wedstrijd
    cluiche
  2. 2. spel dat op een beeldscherm wordt gespeeld
    cluiche físe
noun
1. (muziekinstrument) een slaginstrument dat vooral in Indonesië wordt gebruikt
gamalan
noun
1. mannelijke gans (Anser en Branta)
gandal
noun
  1. 3. onderdeel van een maaltijd
    cúrsa
  2. 1. lange smalle ruimte
    áiléar
/'ɣɑŋbar/
adjective
1. wat gebruikelijk is
coimín
/ˈɣɑŋbarhɛit/
noun
2.1 mate waarin een bepaalde groep taalgebruikers een woord of grammaticale constructie kent of toepast
leitheadúlacht
/ˈɣɑŋ(g).pɑd/, /ˈɣɑŋ.pɑt/, /ˈχɑŋ.pɑt/
noun
1. een pad voor wandelaars, voetpad
taobhroinn
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
  1. gé ghlas
  2. gé
/ˈɣa.pə(n)/, /ˈɣaː.pə(n)/, /ˈχa.pə(n)/
verb
1. heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
déan
adjective
2. wijd openstaand
béal-leata
noun
1. #
hiatas
noun
1. iemand die steelt
ardaitheoir
/ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
  1. 1. een overdekte autostalling
  2. 2. een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
garáiste
noun
banna
/ɣa'rɑn(t)si/, /ɣa'rɑnsi/
noun
1. verklaring waarin men verklaart voor bepaalde gevolgen in te staan
dearbhú
noun
1. een roe
ladhróg
noun
bewaarplaats voor kleren
seomra cótaí
noun
gabháil
noun
mionearraí
noun
1. samengebonden bundel halmen
punann
noun
cloicheán
verb
1. versieren van voeding
maisigh
noun
1. #
breáthán
noun
1.
maisigh
/ɣɑs/, /χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
gás
adjective
1.
gásach
adjective
1.
Gascúnach
noun
1. soort ventiel dat bij benzinemotoren de hoeveelheid aangezogen mengsel doseert
plúch
noun
1. een lamp die licht geeft door het verbranden van gas
gáslampa
noun
1.
píopa seirbhíse
noun
1.
pumpa peitril
/ɣɑst/, /χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
aoi
noun
  1. 1. een man
  2. 2. (biologie) een organisme
óstach
noun
1. maagwandontsteking
gaistríteas
/ɣɑstˈfrɛɪ/, /ʝɑstˈfrɛː/
adjective
1. gul in het onthalen of herbergen van gasten
aíoch
noun
cóir
noun
banóstach
noun
1.
gáslampa
/ɣɑt/, /χɑt/
noun
  1. 6. achterste
    asal
  2. 4. een geval van tandwolf
    cuas
    1. 1. opening
    2. 2. een tekort of ontbrekend deel
    poll
/ɣʌu/, /ʝʌu/
adverb
  1. 1. binnen een kort tijdsbestek
    aibéil
  2. 2. zeer binnenkort
    gan mhoill
noun
1.
peasghadaí
noun
1. in de gauwigheid: door (te) snel te handelen
dithneas
noun
  1. 1. een bijzondere aanleg
  2. 2. een geschenk
bua
noun
gairiál
pronoun
1. exclave van Palestina tussen Egypte, Israël en de Middellandse Zee
Stráice Gaza
noun
1. benaming voor slanke hoefdieren
gasail
noun
1. onderhouden, kort gemaaid grasveld bij een huis
báinseach
/ɣə/, /χə/
personalPronoun
1. tweede persoon enkelvoud. In Nederland verouderd, maar in België in dagelijks gebruik.
tusa
noun
spiorad
adjective
1.
cnocach
/ɣə'ʔɑxt/
adjective
1. als waardig beschouwd, beleefdheidsvorm in aanhef brief
a chairde
noun
seolaí
/xəˈbar/
noun
2. een handeling waarmee men iets wil uitdrukken
comhartha
adjective
féasógach
noun
1. meestal zoet, gebakken voedsel specifiek gemaakt om van te genieten
pastae
verb
1. communiceren door het maken van gebaren
gluaisne
noun
teanga chomharthaíochta
/ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
  1. paidir
  2. urnaí
noun
1.
bacachas
noun
1.
clogaireacht
/ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
tarlaigh
/ɣəˈbit/, /χəˈbit/
noun
1. een deel van het aardoppervlak
ceantar
verb
1. een dwingende opdracht geven
tiomnú
noun
1. iemand die bevelen geeft
ceannasaí
noun
1. vrouw die bevelen geeft die men moet opvolgen
mol
adjective
1. bedekt met bladeren
bileogach
/ɣəˈbladərtə/, /χəˈbladərtə/
noun
1. een verzameling van bladeren van één of meer bomen
clúmh
/ɣəˈblɔk/, /ɣəˈblɔkt/, /χəˈblɔkt/
adjective
1. met een blok patroon
seicear
adjective
3.
tiubhaithe
/ɣəˈboːrtə/, /χəˈbo̝ːrtə/
noun
1. actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint
breith
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel geboorten er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
ráta beireatais
noun
1. de plaats waar men geboren is
tír dhúchais
noun
1.
áit bhreithe
noun
1. plaats waar men geboren is
cliabháin
adjective
3. door herkomst of natuurlijke aanleg
duiniúil
noun
1. het gevoel dat je beschermd en veilig bent en dat je je op je gemak voelt
lucht slándála
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
foirgneamh
noun
1.
gaisce
noun
1. een tekort
uireasa
adjective
1. één of meerdere gebreken hebbend
duine faoi mhíchumas
noun
1. de mate waarin iets gebreken vertoont
díothacht
/ɣəˈbroːkən/, /χəˈbroːkən/
adjective
briste
noun
  1. 2. uiting van ontevredenheid
    cnáimhseáil
  2. 1. een dof trillend geluid
    drantán
noun
  1. 1. een standaard manier van doen
    bealach
  2. 2. toepassen van iets
    caith
adjective
1. naar gewoonte, zoals men regelmatig doet
iondúil
/ɣəˈbrœʏkən/, /χəˈbrœʏkən/
verb
1. zich bedienen van, toepassen
ócáidigh
/ɣə'brœːkər/, /χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
úsáideoir
noun
1.
ainm úsáideora
noun
2. het geruis van een gas vloeistof mengsel
broidearnach
noun
1. iemand die dichtbij woont
comharsa
noun
1. het voortdurend lastig vallen, treiteren, ruzie zoeken en kritiseren
fothragadh
noun
1.
suim
adjective
1. ingewikkeld
aimpléiseach
noun
1. hoe ingewikkeld iets is
castacht
noun
cruth
/ɣə'dɑɣdə/, /ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
smaoineamh
noun
1. het oproepen van iets in de gedachten om te voorkomen dat je het zou vergeten vaak ook als eerbetoon
cuimhne
noun
1. minder dan het geheel
dréacht
noun
1.
teachta
verb
cuimhne a bheith agat ar
noun
cuimhneachán
noun
teachta
noun
uisce driogtha
noun
1. iemand die door de staat van zijn vrijheid beroofd is
cime
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
dán
noun
1. het bereid zijn om iemand diensten te verlenen; de neiging om dienstbaar te zijn
adhnáire
verb
admhaigh
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
iompraíocht
verb
1. zich ~: de manieren die iemand meest in de omgang met anderen aan de dag legt
bheith múinte
noun
beartas
noun
1.
vardaíl
adjective
1. een heel lelijke lichaamsbouw hebbend
anchúinseach
noun
1.
borrán
adjective
in ísle brí
noun
1.
easca
/ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
foighne
/gə'dʌldəx/
adjective
1. bereid te wachten en tegenslagen te verdragen
othar
preposition
tijdens
ar feadh
adjective
minicigh
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
buí
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
noun
1. kleur tussen oranje en groen
buí
noun
buióg
noun
1.
tuirmiric
noun
buíochán
indefinitePronoun
1. ontkennend onbepaald lidwoord: tegenovergestelde van één, niet een
ní hea
phraseologicalUnit
1.
fadhb dá laghad
adverb
ar chor ar bith
/ɣeːst/, /χeːst/
noun
  1. 2. een onsubstantieel wezen
  2. 1. dat wat zich afspeelt in iemands gedachten
sprid
/ɣesdrɪft/
noun
móraigeantacht
noun
1.
cléir
noun
1. de aard van de psyche van iemand
tiúin
adjective
1. met humor, gevat
tráthúil
adjective
1. veel alcohol bevattende
alcólach
noun
arracht
/ɣ̟eːβ̞/, /χeːu/
noun
1. het zich uitrekken, meestal met open mond, bij slaperigheid, ontspanning of verveling
méanfach
/ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
déan
noun
1. plotselinge erge honger als gevolg van heftige inspanning zonder eten vaak samengaand met een neiging tot flauwvallen en zweten
gorta
noun
1.
drithle
noun
cogar
adjective
1.
maoineach
noun
1.
athshondach
/ɣəˈɣevə(n)/, /χəˈχevə(n)/
noun
1. een bekend geval of feit
sonra
noun
1. iemand die gevangen genomen is om iets af te dwingen
banna
adjective
brabachúil
noun
1.
draíocht
noun
1. de mate waarin iemand zich beledigd voelt; de mate waarin men zich gekwetst voelt
aicis
noun
1. brommend geluid voortbrengen
cnáimhseáil
noun
1. bepaalde soort dagvlinder, Polygonia c-album
camóg
noun
luacháil
noun
1. iemand met een beperking van lichamelijke, verstandelijke, psychische en/of sociale aard
duine faoi mhíchumas
noun
1. geklungel
útamáil
noun
1.
gile
adverb
cuir le chéile
noun
1. het afzien van het gebruik van alcohol
lánstaonadh
adjective
dobhriste
/ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
rúnda
/ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
rún
/ɣə.ˈɦɛɪ̯m.ˌzɪ.nəx/
adjective
rúndiamhair
noun
  1. 1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
  2. 2. snel toegankelijke plaats om data op te slaan
cuimhne
noun
aimnéise
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
éisteacht
noun
áis éisteachta
adjective
1. voorzien van horens
beannach
noun
1.
raon cluas
noun
halla éisteachta
verb
1. gevolg geven aan een opdracht of bevel
géill do
adjective
1. voorzien van horens
beannach
/ɣəˈhʏxt/
noun
1. een aantal bij elkaar staande huizen op het platteland
gráig
adjective
pósta
/ɣɛi̯l/, /χɛi̯l/
adjective
adharcach
/ˈɣɛɪ̯t/, /ˈɣɛːt/, /ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
gabhar
noun
2. bepaald soort vogel, Caprimulgus europaeus
tuirne lín
/ɣəˈjaxt/
adjective
1. druk; overvol; haastig; gestrest
néarógach
noun
1. een zenuwachtige, angstige onrust die iemand voelt als hij of zij door haast gedreven wordt
aláram
noun
1.
dithneas
noun
1.
faíreach
noun
1.
sláinte
/ɣɛk/, /χɛk/
adjective
duine buile
/ɣɛk/, /χɛk/
noun
  1. 1. een persoon die (tijdelijk) iets raars doet
    amadán
    1. 2. een persoon die (regelmatig) vreemde dingen doet, een dwaas
    2. 3. iemand met zeer lage intelligentie
    fear mire
noun
2. gebabbel
cabaireacht
noun
1.
ochlán
noun
1.
bí ag cabaireacht
noun
  1. 1. grappige dwaasheid
    amaidí
  2. 2. een gebrek aan gezond verstand
    buile
noun
1. een vrouwelijke psychiatrische patiënt
gan chiall
noun
1. het aanhoudend morsen en niet netjes werken
praiseach
noun
1.
cnáimhseáil
noun
1. lawaai ontstaan door onenigheid
callánach
adjective
1.
cam
verb
cleas
noun
1.
bí ag casacht
adjective
1. op een onnatuurlijke, gedwongen manier gemaakt
tacar
noun
1.
aighneas
noun
  1. 1. een gecrosslinkt polymeer van voldoende verdunning om vervormbaar te zijn zonder spontaan te vloeien
  2. 2. een product om haar mee in model te houden
glóthach
adjective
1.
bileogach
noun
éadan dána
/ɣəˈlɑx/
noun
1. het lachen
gáire
adjective
1. voorzien van kogellagers
méin
noun
1. het aanhoudend zeuren en klagen
acaoineadh
verb
1.
costas
noun
1. geestestoestand waardoor men een onaangename situatie alleen door doffe...
sochmaíocht
/ˈɣɛlt/, /ˈχɛlt/
noun
1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
airgead
noun
1.
taisc
noun
cáin
noun
1. een zakje waarin men muntstukken kan bewaren
tiachóg
/ˈɣɛldərˌlɑnd/, /ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Gelderland
noun
1.
airgeadaí
adjective
1. waarvan de waarde of wettigheid erkend wordt
bailí
noun
1. kist voor het veilig bewaren van geld
maoinchiste
noun
margadh airgid
noun
1. hoeveelheid geld
suim
noun
1.
airgead
noun
bonn
noun
1. bepaalde infectieziekte, veroorzaakt door het gelekoortsvirus
fiabhras buí
/ɣəˈledə(n)/, /χəˈledə(n)/
adverb
1. een woord om aan te duiden dat iets zich in het verleden af heeft gespeeld
ó shin
noun
  1. 3. verbinding tussen twee delen van een voertuig
    cleamhnas
  2. 4. gewricht
    urlabhairt
adjective
1. zich veel aan studie gewijd hebbend
léannta
/ɣǝ.'le.ɣǝn.ɦɛjt/
noun
1. mogelijkheid tot
deis
noun
tionlaic
/ɣəˈlɛɪdələk/
adjective
1. in geordende, kalme opeenvolging van het een op het ander overgaand
dréimreach
verb
béasa
noun
  1. 1. elektrische stroomgeleider
  2. 2. warmtegeleider
conduchtaire
noun
1.de mate waarin iemand kan lezen en schrijven; de mate waarin men het geschreven woord kan gebruiken
litearthacht
verb
le do thoil
/ɣə.ˈlɪx/, /ˈɣe.ləx/, /ˈɣe.lɪx/, /ˈχe.ləχ/, /χə.ˈlɪχ/
adjective
2. op geel lijkend
leathbhuí
/ɣə'lɛɪk/
adjective
1. met elkaar overeenstemmend
diongbháil
/ɣə'lɛɪk/
noun
1. juistheid, recht
ceart
/ɣəlɛɪgˈbenəx/
adjective
1 & 2.
comhchosach
adverb
mar sin féin
verb
is cosúil le
adjective
ar nós
noun
1. de mate waarin iets of iemand aan een ander doet denken
cosúlacht
/xəlɛikxə'zɪnt/
adjective
1. een gelijke(religieuze) mening hebbend
oiriúnach
noun
comhionannas
adjective
céim
noun
1. een toestand van psychische stabiliteit en kalmte
sochmaíocht
noun
1. een spanning die in de tijd niet van richting (en vaak ook van grootte) verandert
sruth díreach
noun
sruth díreach
adjective
ag an am céanna
adjective
aonfhoirmeach
verb
ceartaigh
/ɣəˈlof/, /χəˈlof/
noun
1. godsdienst
creideamh
noun
1. zeggen wat je gelooft
admháil
noun
1.
dogma
noun
1. de mate waarin iets of iemand verdient geloofd te worden
inchreidteacht
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
creid
/ɣə.ˈlo.vəx/, /ɣə.ˈloː.vɪx/, /χə.ˈlo.vəχ/
adjective
1. vast en innig gelovend in een god of goden
cráifeach
/ɣə.ˈlo.vi.ɣə/, /ɣə.ˈlo.və.ɣə/, /χə.ˈlo.və.χə/
noun
1. iemand die een bepaald geloof aanhangt
creidmheach
noun
1. de mate waarin iemand gelooft in een opperwezen
beannaíocht
/ɣəˈlœʏt/, /χəˈlœʏt/
noun
1. dat wat hoorbaar is
fuaim
adjective
1. zodanig geïsoleerd dat geluiden niet binnen kunnen dringen of de ruimte verlaten
fuaimdhíonach
adjective
1. zodanig geconstrueerd dat geluid niet naar binnen of buiten kan
fuaimdhíonach
noun
1.
leisce
/ɣəˈlɵk/, /χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
ádh
adjective
  1. 2. door gunstig toeval, met mazzel
    sásta
  2. 1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
    áthasach
phraseologicalUnit
1. een traditionele wens bij een nieuw jaar
athbhliain faoi mhaise
noun
1. het heel blij en tevreden zijn
folláine
adjective
saorga
noun
1. echtgenote
céile
adjective
réasúnta
noun
1. bedaardheid
adhnáire
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
sinséar
noun
sinséar
adjective
  1. 3. gemeenschappelijk
    coiteann
  2. 4. gewoon
    coitianta
adjective
1. wat men echt denkt zonder te liegen of te overdrijven
cneasta
noun
2. een vervelende, gemene of achterbakse handeling
caimiléireacht
adverb
go hiondúil
noun
plátáil
noun
  1. 1. het met één of meer andere deel hebben aan iets
  2. 2. samenleving
  3. 3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
cumann
/ɣəmenˈsxɑpələk/, /χəmenˈsχɑpələk/
adjective
3. gerelateerd aan meer dan een entiteit
tiomsaitheach
noun
1. de mate waarin men dingen samen doet
comhthionól
noun
dlúthchomhar
noun
dlúthchomhar
/ɣəˈmentə/, /ɣəˈmeɪntə/, /ʝəˈmentə/
noun
  1. 1. bestuurlijke eenheid
    baile bardais
  2. 2. gezamenlijke gelovigen
    paróiste
noun
halla baile
adjective
1.op een voet van gelijkheid, zonder afstand
aithnidiúil
adjective
doicheallach
noun
1. gemeenschap van onafhankelijke landen
comhlathas
/ɣəˈmɪdəld/, /ɣəˈmɪdəlt/, /χəˈmɪdəɫt/
adjective
1. tot de middenmoot behorend
idirmheán
/ɣəˈmɪdəld/, /ɣəˈmɪdəlt/, /χəˈmɪdəɫt/
adverb
1. in de meeste gevallen
ar an meán
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
coitianta
noun
1.
útamáil
noun
anam
adjective
1. vriendelijk en gezellig
mór le
noun
1.
caithis
noun
1.
útamáil
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
seamaí
noun
1.
cnáimhseáil
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
géin
noun
grásta
adjective
neamhthrócaireach
/ɣə'nakən/
verb
1. dichterbij komen
seo leat!
/ˈdʒɛndər/
noun
1. sekse
inscne
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
ginealach
adjective
ginealaigh
noun
dochtúir
/γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
míochaine
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
druga
/ɣə'neɣənɦɛɪt/
noun
1. het gesteld zijn op iemand
caithis
adjective
iondúil
/ˌɣenəˈratɔr/, /ˌχenəˈratɔr/
noun
1. een apparaat of persoon die iets genereert (doet ontstaan)
gineadóir
adjective
gnaíúil
noun
1.
flaithiúlacht
pronoun
Geineasas
noun
1.de wetenschap van alles wat de werking van genen betreft, in het bijzonder erfelijke overdracht
géineolaíocht
/ɣəˈnetis/
adjective
1. gerelateerd aan de erfelijkheid
gineach
verb
1. ergatief: gezond worden, herstellen van ziekte of verwonding
leasaigh
/ xəˈneziŋ /
noun
1. het proces van het weer gezond worden
aisghabháil
adjective
1. briljant, zeer slim, uitmuntend
lonrach
noun
1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
duine ardéirime
noun
1. geheim en verborgen
rún
/ɣəˈnipəx/, /ɣəˈnipɪx/, /χəˈnipəχ/
adjective
1. op een achterbakse manier en gemeen
glic
verb
1. voordeel hebben van iets
bain spórt as
adjective
1. met betrekking tot de geslachtsorganen
ginitiúil
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
ginideach
noun
aingeal coimhdeachta
noun
1. stelselmatige uitroeiing van een volk
cinedhíothú
indefinitePronoun
dóthain
noun
1. iets waar men plezier aan beleeft
aer
noun
club
noun
  1. 2. gebruik
    caith
  2. 1. genoegen, plezier
    pléisiúr
noun
héadónachas
noun
1. categorie in een kunstvorm
seánra
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
drithle
noun
duine uasal
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Genova
noun
1. Grammaticaal geslacht
inscne
pronoun
2. stad in Zwitserland
Ginéiv
adjective
1. met veel ervaring en training
in ann
noun
geoifisic
noun
geografaí
noun
1. aardrijkskunde
tíreolaíocht
adjective
1. aardrijkskundig, met betrekking tot de aardrijkskunde
geografach
noun
1. aardkunde
geolaíocht
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
geoiméadracht
noun
geomoirfeolaíocht
/ɣeˈjɔrɣis/, /ɣeˈjɔrɣɪs/, /χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
  1. Georgiano
  2. Seoirsis
/ɣeˈjɔrɣisə/, /χeˈjɔrχisə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Georgië
Seoirseach
/ɣeˈjɔrɣi.jə/, /χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
  1. An tSeoirsia
  2. Seoirsia
noun
2. geklets
foclachas
noun
1.
athchogaint
noun
pinsinéir
noun
1. moeizame, uitputtende bezigheid
allas
noun
1.
braig
adjective
1.
múisiamach
noun
1. de mate waarin iemand geïrriteerd is of raakt
colg
noun
1. iemand die een hogere functie heeft gekregen
dochtúir
noun
creatlach
noun
1. bedrijfsleider, filiaalhouder, zaakvoerder, zaakwaarnemer, zetbaas
bainisteoir
/ˈɣeː.rɑrd/, /ˈɣeː.rɑrt/, /ˈχɪː.rɑrt/
pronoun
  1. 1. jongensnaam
    Gearóid
  2. 2. spelwoord voor de letter g
    Seoirse
noun
  1. 1. een bepaald soort voedsel op een bepaalde wijze bereid
    bia
  2. 2. rechtbank, de rechter
    binse breithimh
noun
cothromas
adjective
fa réir
/xə'retmakə(n)/
verb
1.
stócáil
noun
1. afsluitbare bak waarin gereedschap opgeborgen en bijeengehouden wordt
bosca uirlisí
/ɣəˈreɣəld/, /ɣəˈreɣəɫt/, /χəˈreχəɫt/
adjective
1. volgens vaste afspraken functionerend, ordelijk
rialta
adjective
cáiliúil
noun
1.
gligín
noun
geiriaitric
adjective
compordach
/ɣə'rɪŋ/
adjective
1. klein in afmeting of getal
beag
noun
1.
míchlú
/ɣɛrˈmaːns/, /χɛrˈmans/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de taal der Germanen of de talen die er van afstammen
  2. 1. op de Germanen betrekking hebbend
Gearmáinic
/ɣɛrˈmaːns/, /χɛrˈmans/
pronoun
1. taal zoals die eertijds door de Germanen gesproken werd
Gearmáinic
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
gearmáiniam
noun
1.
gligín
/xəˈrɔŋk/
noun
1. gesnurk
srannfach
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
eorna
noun
1.
lágar
/ɣə'rɵxt/
noun
  1. 1. lawaai; een klein geluid
  2. 2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
ráfla
adjective
1. weinig hinderlijk lawaai of bijgeluiden veroorzakend
ciúnas
adjective
calma
/ɣɛrʋ/
noun
1. Achillea millefolium, een kruidachtige plant met een dubbel veerdelig blad, waardoor het lijkt of het uit zeer veel kleine blaadjes bestaat
athair thalún
/ɣəˈsxɛŋk/, /ʝəˈsçɛŋk/
noun
1. iets dat men geeft
bronntanas
noun
1. feestelijke verpakking van iets dat men als cadeau wil geven
páipéar beartán
/ɣəˈsxidə(n)/, /χəˈsχidə(n)/
verb
1. werkelijkheid worden
rith le
/ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
stair
noun
1.
staraí
noun
staireagrafaíocht
noun
1.
lámhach
adjective
amaideach
adjective
1. met de juiste eigenschappen
fóirsteanach
noun
oiriúint
noun
1. geweldloos conflict
achrann
noun
1.
foclaíocht
noun
airtléire
noun
1. een koepel met meestal een vast machinegeweer of kanon, die het geschut en de schutter beschermt tegen de omgeving (vooral bij vliegtuigen) en/of projectielen (gepantserde schepen, voertuigen) en er tegelijkertijd voor zorgt dat het wapen gericht kan worden
túirín
/ˈɣeː.zəl/, /ˈχe.səɫ/
noun
1. werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaat
sciúirse
/ɣesələ(n)/
verb
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
failp
noun
1. het aanhoudend een sissend geluid maken
siosóg
/χəˈslɑχt/
noun
  1. 5. afstammelingen van één persoon
    clólíne
  2. 3. (biologisch) genus
    géineas
adjective
gnéasach
noun
ginealach
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
bualadh craicinn
noun
gónad
noun
ginealach
noun
1. een aandoening aan de geslachtsorganen, vaak een seksueel overdraagbare aandoening
galar gnéas-tarchurtha
noun
1. de mate waarin men weinig of niet bereid is te communiceren met de buitenwereld
cotadh
noun
1.
drantán
/ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
búcla
adjective
  1. 1. strak uitgerekt
    aimsir
  2. 3. ongemakkelijk, blijk gevend van stress, het punt van (uit-)barsten naderend
    imníoch
noun
1. het angstig en alert zijn; het nerveus zijn
masla
adjective
1. met sterk ontwikkelde stevige spieren
matánach
noun
1. in zichtzelf tegenstrijdig; gericht op onverenigbare zaken
imreas
adjective
1.
leath
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
caint
noun
1. geboefte
daoscar
noun
1. de vorm van een rechtopstaande mens
amhlachas
noun
1.
bailbhe
noun
1. zwangerschap
toircheas
/ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
carraig
noun
bail
noun
1.
ochlán
adjective
1.
cuir in eagar
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis, Alburnoides bipunctatus
táilliúir
noun
1.
ar shlí na fírinne
noun
1.
ciontaigh
/ɡɛt/, /ɣɛt/
noun
2. schriftelijke verklaring aan de vrouw waarmee de man een Joods huwelijk ontbindt
faigh
noun
uimhir
adjective
1. talent hebbend
tréitheach
noun
1.
aighneas
noun
1. de periodieke verandering van de waterstand ten gevolge van de stand van de maan
taoide
noun
1.
ceartán
noun
2. geflonker
glioscarnach
noun
1.
bheith ag bíogarnach
noun
1.
cuir imní ar
adjective
amaideach
adjective
1. voltooid deelwoord van trouwen
pósta
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
fianaise
noun
fianaise
/ɣøːr/, /χøːr/
noun
1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
boladh
adjective
cumhra
/ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
contúirt
/ɣəˈvarlək/, /ɣəˈvaːrlɪk/, /χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
dáinséarach
noun
1.
cás
noun
carcair
/ɣəˈʋɑŋə(n)/, /χəˈʋɑŋə(n)/
adjective
cime
noun
1. iemand die gevangen genomen is
cime
/ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
príosún
noun
1. een eenheid waarin gedetineerden verblijven gedurende hun opsluiting in een gevangenis
cill
noun
1. een veroordeling waarbij iemand een zekere tijd zijn vrijheid verliest
braighdeanas
verb
1. iemand van zijn vrijheid beroven en in hechtenis nemen
gabháil
noun
1. afwisseling, verscheidenheid, variatie
malartaíocht
noun
1.
amhainse
/ɣəˈvɛxt/, /χəˈvɛxt/
noun
1. een handgemeen
troid
adjective
1. met veren bedekt
eiteach
adjective
2. van vederen voorzien
eiteach
/ˈxeː.vəl/, /ˈɣeː.vəl/
noun
1. buitenmuur van een gebouw
binn
noun
1. het gedeelte van een gebouw dat, met uitzondering van het dak, van buitenaf zichtbaar is
binn
/ˈɣevə(n)/, /ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
tabhair
adjective
1. met vleugels
eiteach
noun
fabhraigh
noun
1. gewaarwording
airigh
verb
airigh
adjective
beadaí
noun
  1. 1. een aandoenlijkheid
  2. 2. de nauwkeurigheid van instrumenten
  3. 3. de spanning van een film
íogaireacht
noun
1. een verzamelnaam voor vogels die gekweekt worden als voedsel
éanlaith
/ɣəˈvɔlx/, /ɣəˈvɔɫx/, /χəˈvɔɫχ/
noun
1. iets dat voortkomt uit iets anders
iarmhairt
adjective
1. met meerdere puntige uitlopers die ontstaan uit een gemeenschappelijke basis
glacach
noun
1.
peataireacht
verb
1. bewust worden van de betekenis van sensorische prikkels of wat lijkt op sensorische prikkels en waarvan je dus denkt dat het waar is, dat het overeenkomt met de werkelijkheid
airigh
noun
1. dat wat aanwast op het veld, maar nog niet geoogst is.
barr
noun
raidhfil
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
adharc
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
foréigean
/ɣə'ʋɛldəx/
adjective
  1. 1. enorm
    anmhór
  2. 2. bijzonder goed
    diail
noun
dochar
noun
trácht
noun
réigiún
/ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
coinsias
noun
1. met het gevoel dat men zaken verkeerd heeft gedaan, dat men niet had moeten doen wat men gedaan heeft
doilíos
/ɣəˈʋɪxt/, /χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
meáchan
noun
mórchúis
noun
1. de mate waarin iets belangrijk is; de mate waarin men iets als belangrijk ervaart
tábhacht
adjective
fonnmhar
noun
1. de mate waarin iemand bereid is te doen wat een ander wil
sástacht
adjective
cinnte
noun
1.
diongbháilteacht
noun
2. conflict
suaitheadh
noun
1. Balaenoptera physalus, een groot zeezoogdier, lang en gestroomlijnd met puntige kop
droimeiteach
noun
de vrucht van de gewone walnoten- of okkernotenboom
adhmad gallchnó
/ɣəˈwoːn/, /ɣəˈβ̞oːn/, /χəˈʋon/
adjective
coiteann
noun
1. Galanthus nivalis, een vroegbloeiend bolgewas met witte bloempjes
plúirín sneachta
adverb
1. zoals de ervaring leert dat het meestal is
de ghnáth
/ɣəˈwoːntə/, /ɣəˈβ̞oːntə/, /χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
béas
adjective
1. volgens iemands gebruiken
gnásúil
adjective
seanchaite
noun
2. vechtpartij
coraíocht
noun
1. verbinding
siúnta
noun
toradh
noun
1. bevoegdheid om ergens beslissingen over te nemen
urlámhas
noun
1. lied
amhránach
noun
toscaire
noun
gebouw van een legatie
ambasáid
noun
  1. 1. een vaste idiomatische verbinding met een figuurlijke betekenis, maar zonder werkwoord
    dreach
  2. 2. alle zinsdelen behalve het onderwerp
    faisnéis
/χəˈzɛləx/
adjective
  1. 4. leuk, onderhoudend
    deas
  2. 3. knus
    seascair
noun
1. het gezellig zijn
caidreamhacht
noun
1.
caidreamhach
/ɣə'zɛlsxɑp/
noun
  1. 2. bij iemand blijven
    coimhdeacht
  2. 1. een groep mensen die iets gemeen hebben
    comhlacht
  3. 3. een vereniging met een bepaald doel
    cumann
/ɣəˈzɛt/, /χəˈzɛt/
adjective
ramhar
noun
1.
beathaitheacht
noun
1. de voorkant van een menselijk hoofd
  1. aghaidh
  2. éadan
noun
spéire
noun
2. de positie vanwaaruit men een bepaalde kwestie bekijkt en beoordeelt
dearcadh
noun
radharc
/ɣə'zɪxtfərmoɣən/
noun
radharc
/ɣəˈzin/, /χəˈzin/
adjective
a chairde
noun
1. huishouden bestaande uit een of meer ouders en hun kinderen
teaghlach
noun
1. het hoofd van een gezin
bean an tí
/ɣəˈzɔx/, /ɣəˈzɔxt/, /χəˈzɔχt/
adjective
3. niet natuurlijk, gekunsteld
tacar
/xə.ˈzɔnt/, /ɣə.ˈzɔnt/
adjective
1. vrij van ziektes en zeertes
folláin
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
sláinte
noun
1. een onnatuurlijke verdikking in het weefsel
siad
adjective
abúil
noun
1.
sclábhaíocht
adjective
1. gevoelsmatig geraakt zijn en dat ook tonen
corraitheach
adjective
gafa
phraseologicalUnit
ciorcad iomlánaithe
noun
ciorcad iomlánaithe
verb
spéis
noun
1.
braighdeanach
/'ɣa.na/, /'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
  1. Gána
  2. Poblacht Ghána
pronoun
Giobráltar
/ɣɪts/, /χɪts/
noun
persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
treoir
noun
  1. 3. bij een wegwijzer het hout dwars op de paal
    arm
  2. 1. rondhout bevestigd aan het onderlijk van een zeil
    bum
/ɣiːr/, /χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
  1. bultúr
  2. badhbh
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
ceachartha
noun
cníopaire
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
muiléad
/ˈɣirˌzʋalyw/
noun
1. bepaald soort vogel, Apus apus
gabhlán gaoithe
noun
1. zware regenbui
duartan
noun
1. merel
céirseach
verb
  1. 1. een vloeistof vallend laten vloeien
  2. 2. regenen
doirt
noun
1. Een (meestal ronde) holte in een gegoten product, waarin zich tijdens het gietproces onbedoeld lucht heeft opeengehoopt
poll séidte
noun
iarann múnla
noun
1. verdikking in een werkstuk dat is ontstaan door gieten
burra
/ɣɪf/, /χɪf/
noun
1. substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
nimh
noun
1.
faireog nimhe
noun
1. geschenk, gave
bronntanas
/'ɣɪftɑnt/
noun
1. tand waarmee bij een beet gif in het slachtoffer ingespoten wordt
starrfhiacail
/ˈɣɪftəx/, /ˈχɪftəx/
adjective
  1. 2. zeer nijdig
    aiciseach
  2. 1. gif bevattend
    nimhiúil
noun
gigibheart
adjective
anmhór
/ɣɛɪ̯/, /ɣɛː/, /χɛɪ̯/
personalPronoun
tú
/ɣɛik/
noun
  1. 3. bij een wegwijzer het hout dwars op de paal
    arm
  2. 1. rondhout bevestigd aan het onderlijk van een zeil
    búm
/ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /ˈɣɛːzəlaːr/, /ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
banna
pronoun
Ciocúis
/ɣɪɫ/
noun
1. een harde schelle ongearticuleerde uitroep
scréach
noun
cuallacht
/ˈɣɪldə/, /ˈχɪɫdə/
noun
cuallacht
/ˈɣɪlə(n)/, /ˈχɪlə(n)/
verb
1. een harde schelle ongearticuleerde uitroep slaken
liú
noun
biotáille Ghinéive
adverb
ansiúd
/ɣɪnts/
adverb
1. daar in de verte
ansiúd
noun
1.
ginseang
noun
  1. 2. pleister, gipshoudend kalkmengsel
    brataigh
  2. 1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
    plástar
/ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
sioráf
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Sioráf
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
sioráf
verb
1. geld overmaken door het uitschrijven van een giro
aistreog
noun
1.
meaisín bainc
noun
1. (financieel) (geschiedenis) in Nederland rekening-courant
cuntas reatha
verb
1. een vermoeden uitspreken over iets
tomhais
noun
1. gedachte waarvoor men onvoldoende gegevens heeft om de juistheid of onjuistheid ervan te kunnen vaststellen
amas
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
  1. giosta
  2. gabháil
verb
coip
/ˈɣɪstər/, /ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
inné
adverb
1. de avond vóór de afgelopen nacht
aréir
/ˈɣɪstərə(n)/, /ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
inné
adverb
1. de avond vóór de afgelopen nacht
aréir
adverb
1.
aréir
adverb
1.
aréir
noun
1.
buille faoi thuairim
/ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
giotár
noun
1. (muziek) een musicus die een gitaar bespeelt
giotáraí
verb
1. met een laag suiker bedekken en dan verhitten zodat de suiker glanzend wordt, kan ook gedaan worden met honing
gloinigh
noun
oigheareolaíocht
adjective
caoin
verb
1. gelijk, effen maken
caoin
verb
1. door strijken glad of effen maken
slíoc
adverb
1. helemaal, zonder enig voorbehoud
ar fad
noun
lonracht
/ˈɣlɑns.kol/, /ˈɣlɑns.koɫ/, /ˈχlɑns.ko̝ɫ/
noun
1. een vorm van steenkool die sterk verhit is geweest
clochghual
noun
1. Poecile palustris, een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae)
meantán lathaí
verb
1. in zekere mate licht weerspiegelen of voortbrengen
taitin
/ɣlɑs/, /χlɑs/
noun
  1. 2. op basis van SiO₂
  2. 3. om uit te drinken
  3. 1. niet-kristallijne vaste stof
gloine
noun
lionn gloiní
noun
1. iemand die glazen voorwerpen maakt
séidire gloine
noun
1.
leathanach
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
glácóma
adjective
1. van glas vervaardigd
gloine
noun
glantóir fuinneog
verb
  1. 1. met een laag glazuur bedekken
  2. 2. met een laag glanzende suiker bedekken
gloinigh
noun
1-2
cruan
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
oighearshruth
adjective
1. glad, moeilijk houvast op te krijgen
sciorrach
noun
sleamhnán
/ˈxlɛɪdə(n)/, /ˈɣlɛːdə(n)/
verb
1. met geringe wrijving gericht voortschuiven
flóta
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
aoibh
/'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
déan miongháire
verb
  1. 3. zichtbaar trots zijn
    bíoma
  2. 1. schitteren
    drithle
noun
1. licht schittering
drithle
/ɣloˈbal/
adjective
3. wereldwijd
domhanda
noun
1. een voortgaand proces van wereldwijde economische, culturele en politieke integratie
domhandas
noun
cruinneog
noun
1. bolvormig eiwit
glóbailin
adjective
galach
/ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
bolgán
noun
1. het omhoog of omlaag gaan van de bodem
céim fhána
verb
3. beginnen te verschijnen of gerealiseerd worden
breacadh an lae
noun
1.
alladh
adjective
1.
calma
noun
foclóirín
noun
gluais
/ˈɣlɔtɪˌslɑx/
noun
1. een klank die met de stembanden in de keel geproduceerd wordt en tot de plosieven gerekend wordt
stop glotais
noun
1. druivensuiker
glúcós
adjective
1.
lonrach
/ˈɣlyː.rə(n)/
verb
1. in het geheim aandachtig naar iemand kijken
claonfhéachaint
noun
1. een metamorf gesteente met verschillend gekleurde banden of aders
gneis
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
gnú
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Goa
noun
2. doelpunt
báire
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
Dia
/ɣɔd/, /ɣɔt/, /χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
dia
adjective
diagaire
noun
1. de drank die de goden zouden drinken en meestal zoet is en alcohol bevat
neachtar
adjective
1. heel, geheel (vooral van tijdsperiodes zoals bijvoorbeeld dag)
go léir
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
dia
pronoun
1. benaming voor het vrouwelijk opperwezen
bandia
noun
1. een vrouwelijke godheid
bandia
noun
aindiachas
interjection
1. plaats waar overledenen begraven zijn
reilig
noun
1. een geloof en alle daar bij horende rituelen en doctrines
creideamh
adjective
2. op de godsdienst betrekking hebbend
cráifeach
noun
teach pobail
noun
1. belediging of bespotting van God/een godheid
blaisféim
adjective
1. lasterlijk ten opzichte van God
blaisféimeach
adjective
1. van een persoon dat hij gelooft in god
urramach
adjective
1. heel vreselijk
aimléiseach
adjective
1.
diaga
adjective
1. op een vrome, godvruchtige, godvrezende wijze
cráifeach
adjective
1. kwaliteit bezittend
maith
/ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
Aoine an Chéasta
interjection
dia duit
/ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
maidin mhaith
interjection
avondwens
oíche mhaith
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
  1. óiche mhaith
  2. tráthnóna maith agat
noun
1. trein die uitsluitend is bestemd om goederen te vervoeren
traein earraí
adjective
Críostúil
adjective
flaithiúil
noun
1. de mate waarin iemand geneigd is anderen met gulle hand iets te schenken
flaithiúlacht
noun
1. het al te veel vertrouwen hebben in wat mensen zeggen
aerthacht
/ˌxutxəˈlœʏmt/, /ˌɣutxəˈlœʏmt/
adjective
1. in een toestand van vrolijkheid verkerend.
réidh
noun
1. het vriendelijk zijn
bá
noun
1. het heel aardig zijn
cairdiúlacht
noun
1. de hoedanigheid van het goed zijn
maitheas
adjective
1. (te) vriendelijk
cineál
verb
1. toestemming verlenen
glac
adjective
1. laag in prijs
saor
adjective
1. van een bedrijf dat het veel klanten heeft, dat er een goede omzet is
áitheasach
noun
1. een te aardige en te vriendelijke iemand
leibide
noun
1. een heel aardig en vriendelijk persoon die misschien wel te goed is voor deze wereld
leibide
noun
GULag
noun
1. gevoel dat je graag van iets wil gaan genieten
dúil
/ɣɔk/, /χɔk/
noun
  1. 2. een keuze zonder het juiste antwoord te weten
    amhantar
  2. 3. neus
    smuilc
/'ɡolɛm/
noun
1.
gólam
/gɔlf/, /χɔl(ə)f/
noun
1, 2 en 3
tonn
pronoun
1. streek en provincie van Spanje rond de stad Bilbao
Bá na Bioscáine
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
Murascaill Mheicsiceo
pronoun
1.
Murascaill Ríge
noun
machaire gailf
noun
1. een regelmatige op-en-neer gaande, zich over het oppervlak verspreidende beweging van een vloeistof
casadh
noun
1. constructie om de kracht van watergolven te weerstaan
bábhún
noun
tonnfhad
noun
1.
casadh
noun
1.
galf
noun
1.
machaire gailf
/ɣɔm/
noun
  1. 2. een kleverige vloeistof die wordt gemaakt van het sap van bomen
    guma
  2. 1. een gum
    scriosán
noun
1. alle tropische bomen die een kleverig wit melksap in de bast hebben
eocalaip
noun
gon
noun
1. dat deel van de wiskunde dat zich richt op hoeken en de metingen die men daaraan kan verrichten
triantánacht
noun
1. een geslachtziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Neisseria gonorrhea
gónairith
noun
1. iemand die een publiek verbaast met schijnbaar onmogelijke handelingen
draoi
/ˈgu:gələ(n)/, /ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
gúgláil
/ˈɣoːi̯ən/, /ˈχoːi̯ən/
verb
1. het door de lucht verplaatsen van een voorwerp, al dan niet naar een doelwit
caith
adjective
1. onsmakelijk, vies op een onhygiënische of immorele wijze
salach
/χot/
noun
1. lid van een Oost-Germaans volk
Gotach
noun
silteán
/ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
doirteal
noun
1. een band die om het middel gedragen wordt
crios
noun
1. zoogdier met pantser van beweegbare schubben uit de familie Dasipodidae
armadailín
noun
1. leren riem die men om het middel draagt
banda coime
verb
timpeallaigh
/ɣɔrˈdɛːn/, /χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
cuirtín
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
goraille
/ɣɔrs/, /χɔrs/
noun
  1. 1. benaming voor vogels uit de familie Emberizidae
    gealóg
  2. 2. buitendijks land
    riasc goirt
noun
leite
noun
soiscéal
noun
ceol gaspal
noun
1.
Gotach
pronoun
1. de uit de oostelijke tak van de Germaanse talen stammende en uitgestorven taal der Goten uit de eerste...
Gotach
/ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
ór
adjective
1. een mengsel van rood en blond met name gebruikt voor haar en bier
aonach
phraseologicalUnit
bonn óir
noun
1. bepaald soort klein vogeltje met een goudkleurig kruintje Regulus regulus
cíorbhuí
noun
1. een smid die met goud werkt
gabha óir
noun
1. bepaald soort vogel, Pyrrhul pyrrhula
corcrán coille
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Colgán
/ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
iasc órga
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
gúláis
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
gobharnóir
noun
2. district, gewest, provincie
ceantar
noun
1. eenheid om hoeken te meten
céim
noun
1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
cunta
noun
contae
/ɣrax/, /χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
le do thoil
noun
1. genoegen
antlás
noun
grán
noun
1.
gráinseach
adjective
1. heel erg slank
caol ard
/ɣrɑɣt/
noun
canáil
adjective
spéiriúil
noun
1. een instrument waarmee een hoek van een gekende grote uitgezet of gemeten kan worden
uillinntomhais
noun
1. niveau
grád
adjective
1. trapsgewijs
dréimreach
/ɣrɑf/, /χrɑf/
noun
  1. 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
  2. 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
uaigh
noun
1. kunstmatige heuvel die is opgeworpen om als graf te dienen
dumha
noun
in plaatjes gekristalliseerde koolstof
graifít
adjective
grafaic
noun
1.
grábháil
noun
1.
sochraid
noun
1. op een grafsteen gegraveerde korte tekst, gewijd aan de overledene
feartlaoi
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
leac thuama
noun
1. het algemeen een bouwwerk, grafheuvel of hunebed met als inhoud het graf van een heerser of ander machtig of rijk iemand dat fungeert als een grafmonument
tuama
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
gram
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
gramadach
/ɣṛɑm.ˌpo.zi.ˈtiː.və.bɑk.ˈteːri.jə(n)/, /χrɑm.ˌpo.zi.ˈti.və.bɑk.ˈtɪː.ri.jə(n)/
noun
1. verzamelnaam voor soorten met een dikke laag peptidoglycaan in hun celwand
Ghradhearfacha
noun
corraí
noun
  1. 5. groep kubische mineralen
    gairnéad
  2. 2. met springlading gevuld projectiel
    gránáid
noun
2. vrucht
  1. gránúll
  2. pomagránait
noun
1. Punica granatum, een tot zes meter hoge struik uit de kattenstaartfamilie (Lythraceae)...
crann pomagránaite
noun
1.
ardchéim
adjective
galánta
/ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
eibhear
adjective
1.
eibhear
noun
1. materiaal in korrelvorm, of in de vorm van korrelig poeder
gránaigh
noun
gráinnín
/ɣrɑp/, /χrɑp/
noun
1. verhaal dat of handeling die erop gericht is om de lachlust op te wekken
cleas
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
seadóg
/ˈɣrɑpəχ/
adjective
1. de lust tot (glim-) lachen opwekkend
barrúil
noun
1. iets dat getuigt van gevoel voor humor te hebben; iets dat de bedoeling heeft een andere aan het lachen te make
aisteachas
noun
  1. 1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
  2. 1.1 benaming voor planten uit de familie Poaceae die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien
féar
noun
cluain
noun
1. Sylvia communis, een zangvogel uit de familie zangers Syviidae
gilphib
noun
1.
báinseach
noun
1. Anthus pratensis, een zangvogel uit de familie Motacillidae
riabhóg mhóna
adjective
1. begroeid met veel gras
féarúil
/ˈɣrɑsvɛlt/, /ˈɣrɑzvɛld/, /ˈχrɑsvɛɫt/
noun
1. een veld dat door met name gras wordt begroeid
ceantar
noun
1. het afzien van de uitvoering van een straf
pardún
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
saor
verb
1. gratie geven
pardún
adjective
1. donkergrijs, kleurloos
liath
noun
1. bepaalde soort grijsbruine vogel met oranje snavel, Anser anser
gé glas
noun
1.het grijs, monotoon en saai zijn
gruaim
noun
1. beitel met ruitvormige punt
bior greanta
noun
breacaire
noun
1. beitel met ruitvormige punt
bior greanta
noun
1. graveersteker
bior greanta
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Siséal
/ˈgrɛ.vəɫ/
noun
1. roodkleurige steengruis die doorgaans wordt gebruikt voor de verharding van tennisbanen
cré
/ˈgrɛ.vəɫˌban/
noun
tennisbaan
cré
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
tochail
verb
1. met een scherp gereedschap iets krassen in glas of metaal
grábháil
noun
breacaire
noun
1. vrouwelijke graaf
cuntaois
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
imtharraingt
/'χrazə(n)/
verb
1. het eten van gras en andere bodemvegetatie zoals bijvoorbeeld runderen dit doen
bí ag innilt
adjective
Greagórach
noun
grán
/ɣre.ˈna.da/, /ɣrɛ.ˈna.da/, /χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Greanáda
verb
bolta
noun
  1. 1. een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
  2. 2. de raaklijn tussen twee landen
teorainn
verb
1.
ciumhais
noun
1. een elektronisch testapparaat waarmee o.a. de resonantiefrequentie van een antenne of resonantiekring kan worden bepaald
gabha dubh
/ɣrik/, /χrik/
noun
1. inwoner van Griekenland
Gréagach
noun
Gréigis
/ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
  1. an Ghréig
  2. Gréig
/ɣriks/, /χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
  1. Gréigis
  2. Gréagach
verb
1. grienen
cuach
/ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
greim
/ɣrit/, /χrit/
noun
  1. C. vissoort
    broit
  2. A. jonge vrouw, meisje
    cailín
  3. B. grutto
    guilbneach earrdhubh
verb
  1. 1. beledigen
    achasán
  2. 2. pijnigen
    angar
adjective
1. gericht om iemand te kwetsen en te beledigen
maslach
adjective
aisteach
verb
1. met een ijzeren schrijfstift schrijven of graveren
grábháil
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
gríobh
noun
straoise
noun
1. een pijnlijke, hatelijke, satirische vertrekking van het gelaat
leamh-mheangadh
noun
2. deel van een octopus
adharcán
verb
1. plotseling iets of iemand beetpakken
beir ar
adjective
1. de kleur grijs hebbend
liath
noun
1. oude man
seanduine
adjective
1. gelijkend op, of eigenschappen hebbend van grijs
scothliath
/ɣrɛɪsˈɦarəx/
adjective
1. met grijs haar
ceannliath
noun
1.
leadrán
noun
1. stevige zwarte walvis, met bolvormig voorhoofd en een heel kleine snuit
míol mór glas
noun
1. bepaald soort zoogdier, Halichoerus grypus
rón glas
adjective
1. iets dat een beetje grijs is
scothliath
noun
onredelijk en willekeurig gedrag
fíbín
adjective
meonúil
noun
1. het onberekenbaar en wispelturig zijn
luaineacht
verb
dreach
adjective
dorrga
noun
gairbhéal
noun
2. functie uit de filmwereld
greim
/ˈgrɪzliˌbeːr/, /ˈɣrɪzliˌbeːr/
noun
1. Ursus arctos horribilis, een Amerikaanse ondersoort van de bruine beer.
ollbhéar Meiriceánach
/ɣruj/, /χruj/
noun
1. het groter worden
borrúlacht
/ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
fás
noun
borrúlacht
noun
1.
borrúlacht
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
  1. glas
  2. uaine
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
  1. glas
  2. uaine
noun
  1. 1. groen verkeerslicht
  2. 2. toestemming
solas glas
adjective
praslacha
noun
1. Picus viridis
cnagaire glas
/ˈɣru.nəx/, /ˈɣru.nɪx/, /ˈχru.nəχ/
adjective
2. op groen lijkend
scothghlas
/ˈɣrun.lɑnd/, /ˈɣrun.lɑnt/, /ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
Graonlainn
adjective
Graonlainnis
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
glasra
noun
1.
grósaeir glasraí
noun
1.
garraíodóireacht mhargaidh
noun
1.
garraí cistine
/ɣrup/, /ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
dream
verb
1. in groepen stellen
dream
noun
imdhíonacht tréada
noun
1. verkrachting door een groep personen
éigniú droinge
/ˈɣrutə(n)/
noun
1. iemand goedendag of gedag zeggen
fáiltigh
noun
1. afval dat zo groot van omvang is dat het niet meer in de afval container past vaak gaat het om bijvoorbeeld afgedankte meubels
ráiméis
verb
1. een dreigend geluid voortbrengen
drantán
noun
1.
cantalán
noun
  1. 1. stuk terrein
  2. 2. de stof van het aardoppervlak waarop planten en bomen groeien
  3. 3. het aardoppervlak in algemene zin
  4. 4. basis
talamh
noun
1.
uachtarán
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Gobiidae
mac siobháin
verb
  1. 2. het grondvesten van een bedrijf
    cuir ar bun
  2. 1. het peilen van waterdiepte
    feá
noun
1. de mate waarin iets heel precies en volledig wordt uitgevoerd
cruinneas
noun
bunaitheoir
noun
1. onder het grondoppervlak groeiende peulvrucht
pis talún
noun
1. grondschaaf voor het vlakken van bodems
trumpa
noun
amh-
noun
1. verf voor eerste verflaag
bunleabhar
/'xrɔntfɛstə(n)/
verb
1. de basis leggen voor
ardcheannach
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
screamhuisce
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
bunreacht
adjective
1. in overeenstemming zijn met de artikelen van de grondwet
bunreachtúil
/ɣroːt/
adjective
1. meer dan normaal in formaat
mór
/ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
  1. An Bhreatain Mhór
  2. Breatain Mhór
noun
1. cirkel op bol met gelijk middelpunt
mórchiorcal
noun
1. bedrijf dat in het groot handelt, dat aan de detailhandel levert
mórdhíol
noun
1.
mórdhíoltóir
noun
mustar gan ghustal
noun
1. adellijke titel die hoger is dan die van hertog maar lager dan die van koning
ard-diúc.
noun
2. grootmoeder
seanbhean
noun
1. een moeder van een ouder
máthair mhór
noun
1. op een krachtige manier heel gul zijn
gart
/ˈɣrotˌʌʊdər/
noun
1. de ouder van een ouder
seantuismitheoir
noun
1. man waarvan een kind ook een kind heeft; de vader van je vader of moeder
athair críonna
adjective
1. verheven, groot van opzet
galánta
adjective
1.
mórfhoclach
adjective
1. wat kenmerkend is voor de grote stad en dus niet of veel minder voorkomt in een dorp
uirbeach
noun
1.
sean-aintín
noun
méid
/ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
seanathair
noun
3. groothertog
ard-diúc.
noun
  1. 1. in de klassieke zeilvaart de onderste, grootste zeil aan de grote mast
  2. 2. in de moderne zeilvaart het zeil bevestigd met het voorlijk aan de achterkant van de (grootste) mast
seol mór
adjective
1. gaaf
cúirialta
/ɣrɔt/
noun
1. een onderaardse holte
pluais
pronoun
1. hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk zichtbaar sterrenbeeld
Béar Mór
noun
1. bepaald soort vrij grote vogel met zwarte rug- en lichtere buikzijde, Dendrocopos major
cnag bheag
noun
1. de eindhersenen en de tussenhersenen vormen samen de grote hersenen
ceirbream
noun
cailleach dhearg
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
Na Lochanna Móra
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Aigéan Ciúin
noun
1. bepaalde soort zeevogel, te herkennen aan zijn zwarte kuif en snavel met een klein geel puntje, Sterna sandvicensis
geabhróg dhúscothach
noun
1. Aythya valisineria, de grote neef van de [[w:Tafeleend|Europese tafeleend]]...
lacha Mheiriceánach
adverb
1. voor het grootste gedeelte
den chuid is mó
noun
gairbhéal
/ˈxrʏto/, /ˈɣrʏto/
noun
1. bepaald soort weidevogel en een van de grootste steltlopers
guilbneach earrdhubh
/ˈxrywəl/
noun
1.
adhfhuafaireacht
noun
ainghníomh
adjective
1. afschuw opwekkend
gráiniúil
noun
1. iets heel vreselijks, iets heel wreeds
ainghníomh
adjective
1. afkeer en schrik opwekkend
gráiniúil
noun
diuáin
pronoun
1. taal die door de Guaraní indianen gesproken wordt
Guaráinis
/ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
Guatamala
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
guábha
/gʷaˈjave/
noun
guábha
pronoun
Geansaí
noun
guairille
pronoun
Guine
/ɣi.ˈne/, /χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
An Ghuine
/ˌɣi.ne.bɪ.ˈsaʊ̯/, /ˌɣi.ne.ˈbɪ.sɔʊ̯/, /ˌχi.ne.ˈbɪ.sʌʊ̯/
pronoun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
Guine-Bhissau
adjective
1. op Guinee betrekking hebbend
Guineach
noun
1. (bloemen)slinger
fleasc
noun
1. grappig persoon en vooral een grappig klein kind
alfraits
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk in Gujerat gesproken wordt. De taal wordt nu ook in Uganda, Tanzania, Kenia en Pakistan gesproken
Gúisearáitis
adjective
1. vrijgevig
gnaíúil
noun
slat óir
/ɣɵlp/
noun
1. een door een strook stof afgesloten opening aan de voorzijde van een broek van de man,...
cailpís
adverb
1. zonder omwegen; rechttoe rechtaan
oscailteach
/ˈxʏlzəx/
adjective
1. met overmatige gretigheid iets verorberend
airceach
adjective
guma
noun
1. toewijzing van een aanbesteding of levering
armacach
/ɣɵnst/, /χɵnst/
noun
1. het vrijwillig verlenen van een dienst of goed aan iemand om iemand ter wille te zijn
fabhar
noun
1. iemand die bevoordeeld wordt; iemand die veel gunsten ontvangt
muirneach
adjective
buntáisteach
noun
2. kille onvriendelijkheid zonder enige menselijke warmte en genegenheid
amhainse
adjective
Guánach
/ɣi.ˈja.na/, /ɣβ̞i.ˈja.na/, /χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
Ghuáin
adjective
Guánach
/ɣɪm/
noun
  1. 2. gymnasium
    ardscoil
  2. 1. gymnastiekles
    corpoideachas
/ɣinəkoˈlox/
noun
lia ban
noun
buama hidrigine
noun
1. bezit
seilbh
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
airbhe
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
crann sleamhain
/haːɪ̯/, /ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
siorc
noun
dallóg fhraoigh
/haːk/
noun
crúca
noun
2. elk van de tekens, rond of met hoeken, gebruikt in paren om woorden of getallen af te zonderen
lúibín
noun
1. een naald die wordt gebruikt bij haakwerk
crúca cróise
noun
1.
crúca cróise
/ɦaːl/
noun
béim
noun
2. de mogelijkheid van iets
féidearthacht
/ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
coileach
noun
2. schelpdier dat wel als voorafje gegeten wordt in mosselrestaurants
crotal
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
  1. folt
  2. gruaig
noun
  1. 2. plaats van waaruit zich een ziekte of andere ramp verspreidt
    fócasaigh
  2. 1. plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
    teallach
noun
2. verticaal rooster om vonken en kooltjes die van een brandend haardvuur kunnen komen tegen te houden
cliathán
noun
1. woning met een vuurplaats
foirnéis
noun
1.
curca
noun
1. Haarmos is een geslacht van mossen uit de familie Polytrichaceae
cos dhubh
noun
1. een doorgaans dunne speld waarmee het haar kan worden opgestoken.
biorán gruaige
noun
1. bundel haren
pónaí
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Giorria
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
giorria
/hast/
adverb
1. bijna
beagnach
/hast/
noun
1. de drang hebben om iets snel te doen
deabhadh
/'ɦastən/
verb
1. trachten om dat wat men te doen heeft snel af te maken
deabhadh
adjective
1. zich niet de tijd nemend
araiciseach
/ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
  1. fuath
  2. gráin
pronoun
2. boek in de Bijbel
Habacúc
adjective
1. uit gewoonte
gréasach
adjective
1. aanmerkelijk aan gevaar of risico blootstaand
contúirteach
noun
beatha
noun
1. iemand die zich onbevoegd toegang verschaft tot een computersysteem
haiceálaí
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
haifniam
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Laghairt
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
  1. laghairt
  2. earc
/haɣəɫ/
noun
1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
cloichshneachta
verb
1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
cuir cloichshneachta
noun
1. een vuurwapen om voornamelijk hagelpatronen mee af te schieten
gránghunna
pronoun
2. boek in de Bijbel
Hagaí
pronoun
1. Noord-Amerindische taal gesproken door 40 mensen in het westen van Canada en het zuiden van Alaska
Haídis
noun
  1. 3. werktuig om de grond mee open te hakken
    grafóg
  2. 1. hiel van de voet
    sáil
verb
3. bevestigen d.m.v. een haak
dorn
/ˈhaː.kə(n)ˌkrœys/
noun
svaistice
/ˈɦɑkə(n)/
verb
smiot
noun
1. zeer breed mes
scian bhúistéara
/ɦɑl/
noun
  1. 1. ruimte achter de voordeur
  2. 3. een grote overdekte ruimte gericht op het uitvoeren van activiteiten
halla
/haləlu'ja/
noun
1.
aililiú
/ˈɦalə(n)/
verb
1. ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
sroich
/ɦɑlf/
adjective
1. de helft zijnde
leath-
noun
leasdeartháir
noun
1. achterste deel van het opperdek; deel van het dek dat gelegen is achter de grote mast
deic cheathrún
noun
1-2
leathsheoltóir
noun
1. de tijd waarin een exponentieel vervalled proces tot de helft van zijn oorspronkelijke waarde vermindert
leathré
adverb
1.
leath bealaigh
adjective
2.
colpa
noun
leasdeirfiúr
/hɑleˈlyja/
noun
1.
aililiú
interjection
1. groet
haileo
adjective
siabhránach
noun
bréagchéadfa
noun
1. gras- of graanstengel
coisc
noun
muineál
noun
1.
cuingealach
noun
1. een om de hals en nek gesnoerde band
coiléar
noun
1.
pearaicít mhuinceach
adjective
1. iets wat zo gevaarlijk is om te doen dat je eraan zou kunnen doodgaan, dus heel erg gevaarlijk
contúirteach
adjective
cruamhuineálach
noun
1. het te vasthoudend zijn
ceanndánacht
noun
adhastar
/ˈhɑɫtə/
noun
1. een plaats waar gestopt wordt
stad
noun
1. plaats waar men gedurende een korte tijd stopt op een reis
coisc
noun
tromán lúith
noun
1.
cluiche leathcheannais
noun
1.schijngestalte van de maan
corrán gealaí
/ɦɑm/
noun
  1. 1. vlees van de achterkant van een varken
    bagún
  2. 2. dikke dij van een mens
    ceathrú
noun
Hamburg
/ˈham.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.χər/
noun
1. schijf gebraden gehakt
burgar
noun
1. gecastreerde ram
molt
noun
  1. 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
  2. 2. een van de gehoorsbeentjes in het oor
casúr
noun
1.
siorc ceann casúir
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
hamstar
/ɦɑnt/
noun
1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
lámh
/ˈɦɑnt.ɑr.bɛɪ̯t/, /ˈɦɑnt.ɑr.bɛːt/
noun
obair láimhe
/ˈɦɑnt.ɑr.bɛɪ̯.dər/, /ˈɦɑnt.ɑr.bɛː.dər/
noun
fear ceirde
noun
liathróid láimhe
/ˈɦɑnt.buk/
noun
1. een boek waarin getracht wordt alle informatie nuttig voor een bepaalde bezigheid bijeen te brengen
méarchlár
noun
1. een doek waarmee men zich afdroogt
tuáille
/ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
tráchtáil
noun
1. iemand die handel drijft
ceannaí
verb
2. handel drijven
tráchtáil
adjective
1. bezig zijnd met het verrichten van activiteiten
aisteoireacht
pronoun
Gníomhartha na nAspal
noun
trádmharc
noun
earra
/'ɦɑn.dəl.ʋɛɪ.zə/
noun
  1. 2. gedrag
    iompar
  2. 1. de wijze van handelen, manier van doen
    ionsaigh
/ˈɦɑn.dən.ɑr.bɛɪ̯t/, /ˈɦɑn.dən.ɑr.bɛːt/
noun
obair láimhe
noun
2. persoon waar je heel veel aandacht aan moet besteden en waarmee je maar druk bent
crág
noun
1. teken van waardering
bualadh bos
verb
  1. 1. iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
    coinnigh
  2. 2. krachtdadig in standhouden, naleving afdwingen
    cuir i bhfeidhm
noun
coinneáil
/ˈɦɑndɪɣ/, /ˈɦɑndɪχ/
adjective
1. goed met de handen om kunnen gaan
abúil
noun
crág
noun
1. vrouw die een ander persoon helpt bij kwade praktijken
comhchoirí
noun
  1. 1. leerboek dat tot leidraad...
  2. 2. gebruiksaanwijzing
méarchlár
noun
1. binnenzijde van de hand
bos
/hɑnd.sxun/, /ɦɑnt.sxun/, /ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
  1. lámhainn
  2. miotóg
noun
kastje in een auto
póca lámhainní
noun
síniú
noun
1.
cnap
noun
2. klein aantal
crág
noun
lámhcheardaíocht
noun
bábóg
adjective
1. zo klein dat iets makkelijk te gebruiken en te vervoeren is
acrach
/ˈhanə(n)kɑm/
noun
  1. 1. Cantharellus cibarius, een eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak
    cantarnaid
  2. 2.
    círín coiligh
noun
1. brug die is opgebouwd uit twee (soms één) hoge pijlers of pylonen waartussen een dikke kabel gespannen is...
droichead crochta
adjective
1.
díbheo
/'hɑŋklɔk/
noun
1.
clog
noun
  1. 1. naar beneden hangende lip
  2. 2. gelaatsuitdrukking als teken van ontevredenheid
puisín a chur ort féin
/ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
  1. leaba luascáin
  2. ámóg
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
glas
noun
  1. 2. grappenmaker
  2. 3. belachelijk persoon
abhlóir
noun
1.
caith
noun
1. stad die deel uitmaakt van de Hanze
cathair Hainseatach
noun
1. voedsel of iets anders dat je door het openen en sluiten van je lippen in je mond krijgt
greim
adjective
alpartha
noun
1.
crua-chlár
noun
1. en 2 grof gemalen meel van harde tarwe (Triticum durum)
seimilín cruithneachta dúraim
/'ɦɑrdər/
noun
1. Mugil curema, een straalvinnige vissoort
lannach
adjective
amhlabhrach
noun
1. psychische ongevoeligheid
gairge
noun
1. het slecht kunnen horen
bodhaire
adjective
1.
nach bhfuil an éisteacht go maith agat
noun
1. hout afkomstig van loofbomen dat meestal (maar niet altijd!) duurzamer en harder is dan hout van naaldbomen
crua-adhmad
adjective
2. obstipatie
ceangailte sa chorp
noun
1. een vrouwelijke beoefenaar van de hardloopsport
brat reatha
noun
1. een mannelijke beoefenaar van de hardloopsport
brat reatha
noun
ceanndánacht
adverb
os ard
noun
2. (verkeer) iemand die te snel rijdt met een auto of motorfiets
rásaí
noun
1. het zonder medelijden zijn, zonder gevoel zijn
gairge
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
crua-earraí
adjective
clúmhach
/ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
scadán
noun
1. bepaalde middelgrote haai en consumptievis, Lamna nasus
craosaire
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
ráca
verb
ráca
noun
2. een grappig, koddig persoon in het algemeen
airleacán
noun
armónach
noun
armónú
verb
1. standaardiseren
armónaigh
noun
1. (muziekinstrument) een toetsinstrument dat gerekend wordt tot de aerofonen
armóin
noun
1. een wapenuitrusting gemaakt van metalen platen die het lichaam volledig of grotendeels bedekt
gabháil
noun
1.
cláirseach
noun
3. feeks
airp
/ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
roisín
/ɦɑrt/
noun
croí
noun
1. het afsterven van hartspierweefsel door afsluiting van een kransslagader of een tak hiervan
taom croí
noun
1. het vriendelijk en gastvrij zijn
armacas
noun
1.
seirfeán na croíthe
noun
1. verstopping van een kransslagader of een tak hiervan, leidend tot het afsterven van hartspierweefsel
taom croí
adjective
1. van iets dat het iemand emotioneel raakt
corraitheach
noun
buille an chroí
noun
cairdeolaí
noun
ainmhian
noun
1.
fídeog
noun
1. emotionele pijn die ontstaat door het verlies van een geliefd persoon
briseadh croí
noun
1. softdrug, bereid uit ingedikt sap van gedroogde en fijngestampte vrouwelijke hennepbloemen
haisis
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
haisiam
adjective
1. door onvriendelijke gevoelens gedreven
aiciseach
noun
1.
dímheas
/'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
is fuath le
pronoun
1. taal die wordt gesproken door meer dan 85 miljoen mensen, vooral in Niger en Nigeria
Hásais
adjective
1.
ainteann
/ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
  1. port
  2. calafort
/ˈɦaːvən.ˌɑrbɛidər /
noun
1. arbeider die in een haven werkt
dugaire
noun
1. water in een haven waarover schepen van en naar hun aanlegplaats kunnen varen
imchuach
verb
aicseam
noun
1. een golfbreker bij een haven
muirmhúr
noun
1. gebouw waarin men goederen kan opslaan in een haven
bothán
noun
1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
coirce
noun
plantaardige melk op basis van hele haverkorrels
bainne coirce
noun
brachán coirce
noun
havervlokken
min choirce
/ˈɦavɪk/
noun
2. iemand die graag oorlog wil voeren
seabhac
noun
lus na seabhac
pronoun
1. Polynesische taal gesproken in de Amerikaanse staat Hawaï
Haváis
noun
1. een heester waaraan hazelnoten groeien
coll
/ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
cnó coill
/ˈhaː.zə(n)ˌlɪp/
noun
bearna ghiorria
noun
1. snelle hond wordt ingezet voor wedrennen of jacht op hazen
cú
/ha.ˈhi.ti/, /ɦa.ˈi.ti/, /ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Háítí
/haʔitiˈjanskreˌjols/
pronoun
1. taal gesproken door 6 000 000 mensen
Criól Fraincise Háítí
noun
1. hoofdtelefoon met ingebouwde microfoon
gléas cinn
noun
1. geheel van therapeutische en paranormale handelingen die men onder behandeling van een alternatief therapeut ondergaat of als zelftherapie uitvoert
slánú
noun
1. kenmerkende, vreemde gewoonte
faisean
/ˈɦɛbə(n)/
verb
    1. 1. bezitten
    2. 1. voor voltooide tijd
    ag
  1. 2. moeten
    bhí ar
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
Eabhrais
pronoun
Eabhraigh
/heˈbrejər/
noun
Eabhrach
noun
antlás
adjective
1. blijk gevend van hebzucht, hebberig
alpach
noun
1. arrest, gevangenschap
cumhdach
noun
1.
fostacht
noun
siúnta
noun
am i láthair
/ˌɦe:dənˈda:xs/
adjective
1. gangbaar in de huidige tijd
sruth
noun
1. leer dat genot het hoogste goed is
héadónachas
/heːl/
adjective
1. niet stuk
go léir
/heːl/
adverb
1. in hoge mate
an-
/he.ˈlal/, /ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
an chruinne
noun
1. de tak van de geneeskunde die met operatie probeert te genezen
máinliacht
/ɦeːn/
adverb
ar fad
noun
meil
noun
1.
bagair
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
Tiarna
/ɦɪːr/
noun
  1. 1.
    an tuasal
  2. 11. leger
    arm
  3. 4. welgemanierd persoon
    duine uasal
  4. 6. baas
    mol
  5. 5. heerser
    rí
adjective
1.
blasta
noun
broimín
/hersxɑˈpɛi/
noun
1. geheel der dingen waarover iemands macht zich uitstrekt, waarover hij heerst (bewind uitoefent) en het daarbij horende gezag geniet
réim
/hersə(n)/
verb
1. de macht uitoefenen
réim
noun
1. iemand die de macht uitoefent
rialtóir
noun
1. vrouwelijke heerser
bean luí
noun
tom
/ɦeːt/
adjective
1.
te
adjective
1. van een persoon dat deze nogal snel heel boos is
cochallach
noun
1.
luamhán
verb
tóg
noun
1. oplegging van belastingen: tolheffing
táille
noun
1. een luchtvaartuig dat door middel van een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
héileacaptar
/ɦɛftəx/
adjective
1. extreem in mate
anróiteach
noun
1. een (meestal lijnvormige) aanplanting van struiken en/of bomen die dient om ruimten te scheiden
fálaigh
noun
1. een zangvogel ter grootte van een huismus met opvallend grijs op de kop
donnóg
noun
fraoch
noun
dallóg fhraoigh
/ˈhɛɪ̯də/, /ˈhɛːdə/
noun
  1. 2. onbebouwde grond
    caorán
  2. 1. een met heidekruid begroeide vlakte
    fraoch
noun
1. mensen die geen jood of christen zijn
págán
noun
1. een verzamelnaam voor de polytheïstische religies waarmee het zich verspreidende christendom in aanraking kwam
págántacht
adjective
1. van de heidenen
págánach
adjective
neamhbheacht
/ɦɛjl/
noun
1. voordeel
slánú
noun
1. iemand die het goede brengt (en je van het kwade verlost)
Meisias
noun
1. bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis, Hippoglossus hippoglossus
haileabó
noun
fisiteiripe
/ɦɛj.ləɣ/
adjective
1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
naofa
noun
1. plaats of gebouw gewijd aan een god of godin
tearmann
noun
naomh
noun
1.
Naomhspiorad
noun
1.
íbis bheannaithe
noun
1. de pauselijke regering
An Suí Naofa
noun
1. officiële verklaring van de paus dat iemand als heilige vereerd mag worden door de gehele kerk
naomhainmniú
noun
1. iemand het beste toewensen voor de toekomst
beannacht
/ˈɦɛɪmələk/, /ˈɦɛːmələk/
adjective
1. geheim, opzettelijk verborgen
ceilte
/'hɛɪmʋe/
noun
1. sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
cumha
noun
déan pionsóireacht
/ɦɛk/
noun
  1. 1. omheining, afscheiding
    airbhe
  2. 3. raamwerk van latten van een molenwiek
    cuir i bhfráma
  3. 4. de bovenachterzijde van een schip (achterreling)
    deireadh
  4. 2. draaibaar deel van een omheining, het deel dat als toegang gebruikt wordt
    méirscre
noun
  1. 2. sterke afkeer
    antoil
  2. 1. werktuig gebruikt bij het verwerken van hennep of vlas
    siostal
noun
1. gedicht waarin ondeugden of misstanden aan de kaak worden gesteld
aoir
verb
2. vlasvezels van de laatste aanhangsels ontdoen
siostal
noun
1. het spottende verwijt dat men iemand maakt
aoir
/ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
cailleach
noun
asarlaíocht
/'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
ifreann
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
abhó
interjection
1. een uitroep van spijt, ontgoocheling, verdriet
abhó
/ɦɛlt/
noun
laoch
noun
1.
laochas
noun
1. de durf en de kracht van mensen, die zich, met gevaar voor eigen leven, voor de goede zaak inzetten
laochas
/'hɛl·dərˌhɛɪt/
noun
    1. 1. lichtscherpte
    2. 2. de intensiteit van uitgezonden licht
    gile
  1. 4. van geest
    gléine
adjective
bean feasa
noun
1. het heel moedig en dapper zijn
laochas
noun
1.
lán-nóta
/'ɦelə(n)/
verb
  1. 1. gezond worden
    cneasaigh
  2. 2. gestolen goed in ontvangst nemen
    faigh
/ɦɛlft/
noun
leath
/ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
héileacaptar
/ˈhe.lɪŋ/
noun
1. het gezond worden of maken van iemand
slánú
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
héiliam
noun
1. lang middeleeuws wapen
halbard
noun
1. inwoner van het oude Griekenland of persoon die de oud-Griekse nationaliteit bezit
Heilléanach
adjective
1. met betrekking tot de Hellenen of de Helleense talen
Gréagach
/ɦɛlə(n)/
verb
  1. 2. schuin doen staan
    leathcheann
  2. 1. schuin staan
    maig
adjective
1.
crochta
noun
Gréagachas
noun
1.
soith
noun
1. een glooiing in het landschap
ardú
/ɦɛlm/
noun
1. beschermend hoofddeksel
clogad
noun
meathán íochtair
/ˈɦɛlm.knɔp/
noun
antar
noun
halmadóir
/ɦɛɫp/
interjection
cabhair
/ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
cabhair
noun
cúntóir
noun
cabhair
adjective
1.
corcairdhearg
pronoun
1. de hoofdstad van Finland
Heilsincí
/ɦɛm/
personalPronoun
  1. 1.
  2. 2.
é
noun
1. kledingstuk voor het bovenlijf
léine
/ˈɦeːməl/
noun
  1. 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
  2. 2. het hiernamaals, leven na de dood
  1. spéir
  2. neamh
noun
rinn
adjective
neamhaí
adjective
spéirghorm
adjective
2. in rechte lijn gemeten
i bhfoirm líne díreach trasna tíre
noun
1. christelijke feestdag waarin gevierd wordt dat Jezus na de opstanding naar de Hemel ging
Déardaoin Deascabhála
noun
tintreach
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
fíocas
/ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
cearc
noun
einniad
/ˈhɛndrɪk/
pronoun
  1. 2. spelwoord voor de letter h
    Annraoi
  2. 1. mannelijke voornaam
    Anraí
noun
  1. 2. microfoonhouder
    búm
  2. 1. visserswerktuig
    slat iascaigh
/ɦɛŋst/
noun
1. mannelijk paard
stail
/ˈɦɛ.nəp/
noun
cnáib
adjective
1. met betrekking tot de lever
aelus
prefix
a-
/herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
araltas
adjective
araltas
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
brú
verb
2. tot verblijf dienen
teach
/hɛrbɛr'gir/
noun
óstóir
adjective
aíoch
pronoun
  1. 1. Romeinse halfgod
  2. 2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Earcail
verb
1. plechtig aandacht schenken aan een gebeurtenis uit het verleden
cuimhne a bheith agat ar
noun
cuimhneachán
/'ɦɛrdər/
noun
1. begeleider en bewaker van een kudde
aoire
noun
1.
banaoire
noun
1. hond die een kudde bewaakt
madra caorach
noun
1. erfelijkheid
dúchas
noun
1. een geestelijke die in afzondering leeft
ancaire
noun
1. een kreeftachtige (Eupagurus bernhardus) uit de orde van tienpotigen, die in de schelp van een zeeslak woont
faocha ghliomaigh
noun
ansclábhaíocht
pronoun
1. een Niger-Congotaal die gesproken wordt in Namibië en Botswana
Heiréiris
noun
eiriceacht
noun
1. derde jaargetijde
fómhar
adjective
fómharach
noun
1. een zeer dunne draad spinrag
téada an phúca
verb
1. organisaties of delen daarvan op nieuwe wijze rangschikken
athghrúpáil
noun
1. het nogmaals plaatsvinden
atarlú
noun
1. lastige en hinderlijke veldmosterd die meestal op en rond akkers groeit
praiseach bhuí
/ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
  1. 2. uit het geheugen opdiepen
    cuimhne a bheith agat ar
  2. 1. opnieuw in gedachte brengen
    cuir i gcuimhne
noun
cuimhne
noun
cuimhneachán
adjective
so-aitheanta
noun
aitheantas
verb
1. opnieuw lezen
athléigh
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
  1. easóg
  2. bláthnaid
pronoun
Heirméas
adjective
1. luchtdicht
aerdhíonach
noun
1.
cill
/ɦɛr'nemə(n)/
verb
  1. 1. opnieuw krijgen, opnieuw verkrijgen
  2. 4. opnieuw innemen
athghabh
noun
2. het opnieuw beginnen met wat eerder gestopt is
aisghabháil
noun
1. uitstulping van een orgaan of weefsel uit de lichaamsholte waar het normaliter in ligt
heirne
/hɛrˈniwə(n)/
verb
  1. 1. door nieuwe kracht weer nieuw maken, nieuw leven inblazen
  2. 3. opnieuw doen, vernieuwen, weer nieuw maken
  3. 2. renoveren
athnuaigh
noun
1. het weer starten van iets dat was stopgezet
athnuachan
verb
1. opnieuw ontdekken
athaimsigh
noun
1.
athaimsiú
verb
athoscail
noun
een verdovend middel
héaróin
noun
reiptíleolaíocht
noun
1. veel en onaangenaam geluid
callán
noun
1.
aiséirí
verb
1. zeggen dat iets, dat je eerder gezegd hebt, niet klopt
aisghair
noun
1. het teniet doen van een eerdere uitspraak
aistarraingt
noun
1. het opnieuw (en verbeterd) maken van iets dat al gemaakt was
athghiniúint
noun
bás inchinne
noun
1. brein
inchinn
noun
ciméara
adjective
ciméarach
noun
1. de buitenste laag van de grote hersenen
coirtéis cheirbreach
verb
1. terug werkend krijgen, repareren
cuir caoi ar
noun
1. kuuroord waar patiënten tijdelijk verblijven om te herstellen van een aandoening
teach altranais
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
  1. fia
  2. fiara
noun
1. een jong hert
oisín
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
diúc
noun
1. adellijke titel, vrouw van een hertog
bandiúc
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
heirts
noun
1.
atarlú
/ɦɛrˈvɔr.mə(n)/
verb
1. iets grondig wijzigen
leasaigh
/ɦɛrˈvɔr.mər/
noun
1. een persoon die hervormingen nastreeft
leasaitheoir
pronoun
Hessen
/(ɦ)ət/, /hɛt/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
  1. ea
  2. sé
  3. sí
  4. é
  5. í
phraseologicalUnit
1. het kan me niets schelen
is cuma liom
verb
an t-asal a dhíol leis an adhastar
adjective
ilchineálach
adjective
1. gericht op het andere geslacht of betrekking hebbend op liefde voor mensen met een ander geslacht
heitrighnéasach
/ˈhetroziˌgot/
adjective
1. in het bezit zijnde van twee allelen van een gen bij een (diploïd) organisme
heitrisigeach
/ˈhetroziˌgot/
noun
1. een (diploïd) organisme dat twee allelen van een gen heeft
heitrisiogót
relativePronoun
1. wat
an
pronoun
1. een dode taal die in het huidige Turkije werd gesproken
Hitis
relativePronoun
a
demonstrativePronoun
1. de gelijke identiteit bezittend; onzijdig enkelvoud, zowel zelfstandig als bijvoeglijk gebruikt
céanna
noun
cuimhne
noun
1. heil
cabhair
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
alt an chromáin
noun
een kleine platte fles
fleasc póca
/ɦøs/
adjective
1. hoffelijk, beleefd
lách
/ɦøs/
adverb
1. werkelijk, echt
dáiríre
/ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
cnoc
/'ɦøvəlɑxtəx/
adjective
1. met aanzienlijke hellingen en hoogteverschillen
cnocach
adjective
1.
aimhréidh
noun
1.
droim
noun
1. rij heuvels
droim
noun
1. hoogste punt van een heuvel
buaic capaill
/'ɦevəl/
noun
2. een geheel met vloeistof gevulde pijp of slang waarvan het ene einde lager gehouden wordt dan de andere, waardoor vloeistof van de laatste mond naar de eerste stroomt
siofón
/'ɦevələ(n)/
verb
2. het overbrengen van een vloeistof vanuit een hoger gelegen vat naar een lager door een geheel gevulde buis of slang (de hevel)
siofón
noun
1. C₆H14
heacsán
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een zestallige as bezittend
heicseagánach
noun
1.
séanas
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
sáil
/ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
anseo
/ˈhirɑxtər/
adverbialPronoun
1. vervangt achter dit, achter deze
taobh thiar
adverbialPronoun
os cionn
noun
1. leven na de dood
saol eile
/hɑj/
adjective
1. in een euforische toestand van veranderd bewustzijn verkerend
ard
noun
aird a tharraingt ar
/hɛɪ̯/, /ɦɛɪ̯/, /ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
sé
verb
1. zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
uspóg
noun
  1. 2. hijswerktuig
    ardaitheoir
    1. 1. het hijsen
    2. 3. de hoeveelheid die men in één keer op kan hijsen
    tóg
noun
1. een balk waaraan goederen omhoog of omlaag kunnen worden getransporteerd
corr
noun
puilín
verb
1. iets met een touw of kabel in opwaartse richting trekken, al dan niet middels een katrol
tóg
noun
1. apparaat waarmee men zaken omhoog kan brengen met behulp van een touw, kabel of ketting
cos a chur i dtaca
noun
1. een constructie om zware lasten op te tillen
craein
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
  1. fail
  2. snag
/ˈɦɪkə(n)/
verb
1
déan fail
noun
1. vrolijkheid of gelach
meidhir
/ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
eilit
noun
crá croí
noun
luíochán
noun
1. iets dat de voortgang verstoort
constaic
noun
1. iets of iemand die een belemmering vormt bij het bereiken van een bepaald doel
constaic
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
Hiondúis
noun
1. iemand uit Hindoestan
Hiondústánach
noun
2. kinderspel, waarbij men zich deels op één been verplaatst
cleas na bacóide
adjective
1. moeilijk, ongelijkmatig lopend
bacach
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
bí ag seitreach
noun
hipí
pronoun
Easpáinneoil
noun
histeagram
noun
staraí
noun
  1. 1. verhaal
    scéal
  2. 2. geschiedenis van een volk, een land enz
    stair
adjective
stairiúil
noun
1. lied dat in korte tijd zeer populair wordt
smiot
/ˈhɪtə/
noun
teas
/hɪ.tə.bə.stɛn.dɪx/, /ɦɪ.tə.bə.stɛn.dəx/, /ɦɪ.tə.bə.stɛn.dəχ/
adjective
1. bestand tegen hitte; kan na contact met hitte nog even goed functioneren
teasdíonach
noun
tonn teasa
noun
1. menselijk immuundeficiëntievirus
VEID
/ɦɔbəl/
noun
1. een kleine verhoging in de weg
tuairt
verb
fuílleach
noun
1.
hobad
/hɔbi/
noun
1. een liefhebberij of bezigheid ter ontspanning voor in de vrije tijd
caitheamh aimsire
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
óbó
noun
1. balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
haca
/ɦu/
adverb
1. op welke wijze
conas
/hud/, /ɦut/
noun
1. een hoofddeksel
hata
relativePronoun
cén cineál
noun
  1. een gesteldheid
    cuir in iúl
  2. een functie die men vervult
    feidhmeannas
/ˈhudə/
noun
garda
/ˈhu.də(n)/, /ˈɦu.də(n)/
verb
1. een kudde dieren verzorgen en in de gaten houden
aireachasaigh
noun
1. lint dat als versiering om een hoed is gespannen
ribín hata
noun
1. iemand die hoofddeksels voor mensen maakt
haitéir
noun
garda
/ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
crúb
noun
1. plant met grote bladeren die aan de rand van wateren groeit
borrán
noun
crú capaill
noun
crúdóir
/ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
coirneál
noun
1. vrije schop vanuit een hoek van het voetbalveld
cearn
noun
1.
dorn
noun
1. een meerhoekige of ronde toren ter verdediging aangebracht op de hoeken van een gebouw bijvoorbeeld bij een burcht, stadsmuur of stadspoort
túirín
adverb
cá fhad
noun
1.
cró cearc
noun
1.
cóta fonsaí
/ɦur/
noun
1. vrouw die tegen betaling seksuele diensten verricht
meirdreach
noun
1.
abú
noun
1. ellendeling
mac soith
noun
mac soith
noun
mac striapaigh
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
tolg
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
bí ag casacht
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
  1. cá mhéad
  2. cé mhéad
/huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
suim
conjunction
1. drukt een tegenstelling uit
cé go
/ɦɔf/
noun
  1. 2. een instelling waar recht gesproken wordt
    clós
  2. 3. een stuk bebouwd land of tuin
    garraí
pronoun
Cúirt Bhreithiúnais Eorpach
noun
1.
cúirtéireacht
noun
brúbhruthaire
noun
1. hoge cilindervormige hoed
hata ard
adverb
1. heel erg, met name in combinatie met verbazen en verbazing
foirceann
noun
  1. instelling waar hoger onderwijs wordt gegeven in bepaalde vakken
  2. onderwijsinstelling voor hoger beroepsonderwijs
ollscoil
noun
1. een bepaald dierenverblijf
cró
verb
gróig
adjective
1. zonder inhoud, zonder betekenis, leeg
cuas
noun
  1. 2. ondergrondse woning of schuilplaats van een dier
    brocais
  2. 1. grot, spelonk
    pluais
noun
1. bepaald soort vogel, Columba oenas
colm gorm
/ˈɦɔlɑnt/
pronoun
  1. 1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
  2. 2. heel Nederland
Ollainn
/ˈhɔlɑnts/
adjective
2. Nederlands
Ollainnis
verb
rith
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
hoilmiam
/ˈholokaust/
pronoun
Uileloscadh
/ˈholokaust/
noun
1. massale vernietiging van mensen of dieren
cinedhíothú
noun
1. techniek waarmee een afbeelding in een plat vlak diepte of verschillende beelden lijkt weer te geven als je er onder uiteenlopende hoeken naar kijkt
holagrafaíocht
adjective
1. hol gekromd
cuar
/'ɦɔltə/
noun
1. een lege ruimte ingesloten is iets anders
cuas
noun
hoiméamorfachas
noun
aanhanger of beoefenaar van de homeopathische geneeswijze
hoiméapat
noun
hoiméapaite
adjective
1.volgens de homeopathie
hoiméapatach
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
hoiméastáis
adjective
1.
Hóiméarach
/ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
  1. bumbóg
  2. beach fhiáin
adjective
aerach
noun
1.
aerach
noun
homafóibe
adjective
1.
homafóbach
adjective
1. muziekstijl
aonséiseach
noun
1. gelijkklinkend woord
homafón
adjective
aonchineálach
noun
1.
homaigineacht
noun
1. op dezelfde manier gespeld woord
homagraf
noun
1. een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht
pósadh aerach
adjective
1. overeenkomstig
homalógach
noun
homaighnéasacht
adjective
1. betrekking hebbend op de liefde voor geslachtsgenoten
bán
noun
1. man met seksuele voorkeur voor mannen of vrouw met seksuele voorkeur voor vrouwen
aerach
/ˈhomoziˌgot/
adjective
1. in het bezit van slechts één allel van een gen
homaisigeach
/ˈhomoziˌgot/
noun
1. een (diploïd) organisme dat slechts één allel van een gen heeft
homaisiogót
noun
bairín
/ˈhɔnd/, /ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
  1. madra
  2. gadhar
  3. cú
/ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
céad
cardinalNumeral
1. het getal 100.000, een tiende deel van een miljoen
céad míle
pronoun
1.
Cogadh Céad Bliain
noun
1. iemand die leiding geeft aan 100 soldaten
ceantúir
adjective
1. onbeschoft en brutaal
garg
adjective
1. heel erg brutaal
dínáireach
adjective
1. besmet met rabiës
confach
noun
confadh
noun
1. bepaald soort kruipende, geurende plant met paarsblauwe bloemen, Glechoma hederacea
eidhneán talún
noun
1. bepaalde kleine soort haai van ongeveer 1 m lengte, Scyliorhinus canicula
fíogach
noun
1.onbeschoftheid
brusaireacht
adjective
1.
tuirseach traochta
/hɔn.ˈdyː.rɑs/, /ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
Hondúras
adjective
1. inwoner van Honduras
Hondúrach
verb
1. bespotten
bí ag magadh
noun
mí na meala
/hɔŋ(g).ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
Ungárach
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
Ungáiris
/ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
Ungáir
/ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
ocras
noun
1. het sterven dat veroorzaakt wordt door een gebrek aan voedsel
bás
adjective
1. grote behoefte aan voedsel hebbend
ocrach
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
gorta
noun
1. het weigeren van voedsel uit protest
stailc ocrais
/hɔŋˈkɔŋ/
pronoun
1. een speciale administratieve regio van de Volksrepubliek China
Hong Cong
noun
1. munteenheid van Hongkong
dollar Hong Cong
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
mil
noun
1. een bij van de soort Apis mellifera die honing maakt uit nectar en bloemen bestuift
beach mheala
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mellivora capensis
broc meala
noun
cíor mheala
noun
1. balsport waarbij de bal met een knuppel geslagen wordt en de spelers langs een drietal honken trachten rond te lopen tot zij weer de thuisplaat bereiken
daorchluiche
noun
táille
verb
  1. 2. als geldig erkennen
    admhaigh
  2. díol
/ɦoːft/
noun
1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
ceann
noun
1.
príomhchonstábla
noun
1.
mór-ais
noun
1. het hoofdhaar onzichtbaar maken
ceannbheart
noun
1. een kledingstuk dat (een deel van) het hoofd bedekt
ceannbheart
/'ɦovduk/
noun
1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
caifirín
adjective
aonánach
noun
1.
dorchla
noun
1. een scheikundig element uit de reeks hoofdgroepmetalen van het periodiek systeem
miotal
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Folt Bheirnicé
noun
1.
cochall
noun
adhairt
noun
1. een letter die een groter formaat en meestal ook een andere vorm heeft dan een kleine letter
ceannlitir
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
babhdaí
noun
1. de militaire officiersrangen boven de subalterne officieren en onder de opperofficieren
má-oifigeach
noun
1. de voorste pagina van een website
príomhleathanach
noun
1. pijn in het hoofd
tinneas cinn
noun
1.afwijking aan de hoofdhuid gekenmerkt door witte vettige schilfers
sail chnis
noun
1.
príomhoide
/'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
príomhchathair
noun
1. het tuig dat een paard om het hoofd gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken
srian
noun
bepaalde opdeling van tekst of beeld in een boek
caibidil
noun
1. een telwoord dat een hoeveelheid of aantal aanduidt
bunuimhir
/'hoftoj/
noun
1.
ceannbheart
noun
5.
diail
noun
1. ridderlijkheid
cúirtiúlacht
/ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
ard
noun
1.
ardmheas
adjective
1. van haar: met een lichte gele kleur
barrbhuí
adjective
1. te emotionele of plechtige manier van spreken of schrijven; vol bombast
mórchúiseach
noun
1. de mate waarin iemand te gewichtig doet
airdiúlacht
adjective
1. predicaat voor hoogleraar
acadóir
noun
1. verwaande houding tegenover anderen; zich hoger achten dan anderen
anuaill
noun
Gael
noun
1. iemand met titel professor die aan een hogeschool of universiteit een leerstoel in een bepaald vak bekleedt en die het onderzoek en onderwijs in dit vak leidt
ollamh
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
Laoi na Laoithe
noun
1. smeltoven
foirnéis soinneáin
adjective
1. diep rode kleur die ontstaat in het gelaat van iemand die heftig bloost
scarlóid
noun
  1. 1. een verheffing van de aardkorst
  2. 2. niveau
airde
/ˈɦoxtəvres/, /ˈɦoçtəvres/
noun
1. angst voor hoogten
acrafóibe
noun
ardtréas
noun
2. hoge waterstand in 't algemeen
rabharta
noun
1. gedroogd gras
féar
noun
2.1. bepaald soort kleine standvlinder, Coenonympha pamphilus
fraochán beag
/ˈɦojbɛrx/
noun
1. een ter bewaring opgestapelde hoeveelheid gedroogd gras
cruach fhéir
noun
slaghdán teaspaigh
noun
1. een grasland dat gebruikt wordt om hooi van te oogsten
cluain
noun
1. vorkvormig landbouwwerktuig waarmee bijvoorbeeld hooi wordt opgestoken
píce
/ɦoːp/
noun
3. verwachting van iets wenselijks
  1. dóchas
  2. dúil
adjective
misniúil
noun
áis éisteachta
adjective
1.
inchloiste
/horn/
noun
1. hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
adharc
/hoːrnar/, /ho̝ːrnar/
noun
1. Vespa crabro, een soort grote wesp
cearnabhán
noun
1.iemand die op een hoorn blaast voor zijn beroep
buabhallaí
adjective
1. met een of meer hoornen
beannach
noun
1. apparaat dat slechthorenden helpt bij het waarnemen van geluid
áis éisteachta
/ˈhosbœː/, /ˈɦosbœʏ̯/
noun
1. een zeer heftige regenbui
cith
noun
1. bepaalde plant die onder andere wordt gebruikt bij de bereiding van bier
leannlus
adjective
1. waaraan hoop op succes ontbreekt
éadóchasach
/ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
  1. tá
  2. bí ag súil
pronoun
1. de enige Hopi-taal
Hóipis
noun
1.
captaen
/hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
  1. cluin
  2. clois
noun
daoirseach
noun
1. onderdanige en onvrije gehoorzaamheid
daoirse
noun
spéire
noun
spéire
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
cothrománach
noun
1. een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
uaireadóir
adjective
1. met betrekking tot hormonen
hormónach
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
hormón
noun
adhfhuath
noun
1. plotselinge beweging
croith
verb
croith
adjective
anois is arís
noun
1. tuinbouwkundige, tuinvriend
gairneoir
/ˈɦɔrzəɫ/
noun
1. parasitaire vliegsoort
boiteog
pronoun
Hóisé
/ˈhɔs.pɛs/, /ˈɦɔs.pɛs/
noun
1. een man die een of meer kamers in zijn eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal
tiarna talaimh
noun
1.
ospís
/ˈhɔs.pi.ˌta/, /ˈɦɔs.pi.ˌta/
noun
1. een vrouw die een of meer kamers in haar eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal
bantiarna talún
noun
aeróstach
noun
1. offerbrood
abhlann
pronoun
1. uitgestorven Iraanse taal uit het westen van China
Cótainis
/hoˈtɛl/, /ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
óstán
/ˈɦɑʊdə(n)/
verb
1. niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen
bí i mbun
verb
1. smakelijk, prettig of aantrekkelijk vinden
gráigh
noun
coimeádán
noun
1. het onder zich hebben van andermans goed
coinneáil
noun
  1. 1. een pose
    carráiste
  2. 2. gedragslijn, opstelling
    mana
/ɦɑʊ̯t/, /[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
adhmad
noun
1. bepaalde soort wilde duif, Columba palumbus
colm coille
verb
1. het met een bijl in houtblokken hakken van boomstammen
taifead
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
lománaí
adjective
1.
adhmadach
noun
q. bepaald soort zoutwatervis, Coregonus oxyrinchus
acaire
noun
1.
lománaí
noun
1. benaming voor verschillende soorten insecten die hout eten
cailleach oíche
noun
1. een door koken onder druk uit hout verkregen grondstof voor papier
laíon adhmaid
noun
1. verkoold hout
fioghual
noun
greanadh adhmaid
noun
2. kleine stukjes afvalhout
mant
noun
1. een bosgebied, tevens bedrijfseenheid, van één boseigenaar
cranneolaíocht
noun
1.
fál fothana
noun
1.
adhmadóireacht
noun
1.
sábhadóir
noun
1.
piocóid
noun
1.
habhatsar
adjective
1. hoogmoedig, verwaand
airdiúil
/hovəlɪŋ/
noun
1. een onderdaan die tot het dagelijkse gezelschap van een vorst behoort
cúirteoir
verb
1.
gairdín
noun
1. het vakgebied dat gaat over de aanleg en onderhoud van tuinen en parken
garraíodóireacht mhargaidh
verb
1. water uit een boot scheppen
taom
pronoun
1. binnenzee in Noordoost-Canada
Bá Hudson
noun
1. man die zich lomp, onbehouwen en/of aanstootgevend gedraagt
clasán
noun
1. calvinist uit het Frankrijk van de 16de en 17de eeuw die na 1685 vogelvrij verklaard werden in Frankrijk
Úgónach
noun
fimíneach
noun
1. het huichelen
bréagchrábhadh
/hœːd/, /ɦœʏ̯t/, /ɦœːt/
noun
1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
craiceann
noun
deirmeolaí
noun
1.
bánbhuí
adjective
1. bij het heden behorend
i láithir
noun
1. specialist in de geneeskunde
deirmeolaí
noun
  1. 2. een zeildoek over een wagen dat door dunne bogen ondersteund wordt
    caidhp
  2. 1. kapje dat een valk wordt opgezet om de vogel rustig te houden
    cochall
/hœːx/, /ɦœʏ̯χ/, /ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
sine siain
/hœːk/, /ɦœʏ̯k/, /ɦœːk/
noun
cochall
/ɦœy̯lə(n)/
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
caoin
/hœːs/, /ɦœʏ̯s/, /ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
teach
noun
1. een instelling waar gearresteerden die (nog) niet veroordeeld zijn in voorarrest gehouden worden
carcair
noun
1. strafbepaling
braighdeanas baile
noun
tiarna talaimh
noun
1. personeel dat in een woning huishoudelijke taken verricht
inmheánach
noun
1. iemand die in een huis woont als de eigenaar afwezig is om het te bewaken en te onderhouden
sealadach
/ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
peata
noun
circeoil
noun
1. een familie die een samenwonende economische eenheid vormt
líon tí
noun
1. vrouw die andermans huishouden verzorgt
bean tí
noun
1.
cíos
noun
teach beag
noun
seomra suí
noun
1. bediende die in een woning huishoudelijke taken verricht
giolla cóiste
noun
1. bepaald soort knaagdier dat vaak in en rond gebouwen voorkomt, Mus domesticus
luch thí
noun
1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
gealbhan binne
noun
tionscal baile
noun
1.
sclábhaí
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
bean tí
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
obair bhaile
noun
1. Delichon urbica, een zwaluw die zijn nest tegen de huizen aanbouwt
gabhlán binne
adjective
gráiniúil
verb
dearg
noun
1. eerbetoon
ómós
noun
1. teken van grote instemming, verering of respect
ómós
/ˈhʏldəgiŋ/
noun
1. gelegenheid waarbij hulde wordt bewezen
ardchíos
noun
bád
verb
scriúta
/ɦʏlp/
noun
1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
  1. cabhair
  2. cuidiú
/ˈɦʏlᵊp.tɛlˌʋoːrt/
noun
1. een woord of morfeem dat in combinatie met een nummer wordt gebruikt om het aantal van iets aan te geven
cuntar
adjective
1. graag bereid te helpen
áiseach
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
briathar cúnta
noun
1. iets dat een ander voorwerp bedekt of omhult
araoid
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
crann cuilinn
noun
1.
dair cheirmise
adjective
Críostúil
adjective
daonchairdiúil
noun
cineáltas
/ɦʏˈmør/
noun
mentale of emotionele toestand
tiúin
noun
1. puree van o.m. gekookte kikkererwten
húmas
noun
greann
adjective
barrúil
/ˈɦynəbɛt/
noun
1. neolithische begraafplaats
liagchiorcal
adjective
1.
cumha
/ˈhʏŋkərɪŋ/
noun
1. het heftige, pijnlijke verlangen naar iets of iemand
aimirne
verb
cuir a scinneadh
verb
1. opspringen
leannlus
/ɦyrə(n)/
verb
1. tegen betaling gebruiken
cíos
verb
1. op de onderbenen gaan zitten
suigh ar do ghogaide
noun
1.
suigh ar do ghogaide
/ɦʏt/
noun
2. berghut
dún
/ɦyr/
noun
1. tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
léasaigh
noun
1. verhuurder van onroerend goed
tiarna talaimh
noun
tionónta
/'ɦyr.lɪŋ/
noun
1. iemand die tegen betaling krijgsdienst verricht in vreemde dienst
amhas
noun
cíos
noun
1.
amhas
/ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
lánúnas
noun
ondertrouw; in ondertrouw gaan, aangifte doen
bannaí
noun
1.
leaba lánúine
noun
1.
bainis
noun
1.
suiríoch
noun
1. een getrouwd persoon
céile
/ˈɦiu̯ələksˌrɛɪ̯s/
noun
1. de reis die een pasgetrouwd stel gewoonlijk onmiddellijk na hun trouwen onderneemt
mí na meala
noun
1.
bainis
noun
1.
bainis
noun
3. bolgewas
bú
adjective
cros-síolrach
/hi'drat/
noun
1.
hiodráit
noun
1. een speciale uitgeruste waterkraan geplaatst ten behoeve van de brandweer
coca dóiteáin
verb
hiodráitigh
noun
1. giftige, uiterst brandbare brandstof die men in raketten en vliegtuigen gebruikt
hiodraisín
noun
1.
hidreachumhacht
noun
1. waterhoofd
hiodracafalas
adjective
waterafstotend
hidreafóbach
noun
hiodragrafaíocht
noun
hidreolaíocht
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
hiéana
noun
sláinteachas
adjective
1. schoon, gezond
sláinteach
noun
1. een toestel dat de relatieve luchtvochtigheid registreert
taisghraf
noun
1.een instrument om vochtigheid van de lucht te meten
taismhéadar
noun
taismhéadar
adjective
1. de vochtigheid van de lucht tot zich nemend
tais-scópach
noun
1. een verheven loflied op een bepaald onderwerp (zoals een land, God ...)
iomann
adjective
1. onder verhoogde druk
hipearbarach
adjective
  1. 1. als in een hyperbool d.w.z. zwaar overdreven
  2. 1. de vorm van een hyperbool hebbend of daarop lijkend
hipearbóileach
noun
hipearbóil
noun
1. een te hoog CO₂-gehalte van het bloed
hipearcaipnia
noun
forcheartú
noun
1. een gekleurd en/of onderstreept tekstgedeelte dat een onderliggende verwijzing bevat
hipearnasc
noun
1. een woord dat een verzameling van verwante specifiekere woorden samenvoegt, een overkoepelende term
scáth-théarma
noun
1. beenuitwas, op verschillende plaatsen optredende botverdikking
hipearostóis
noun
1. bovenmatige vermeerdering van weefsel
hipearpláise
noun
1. verhoogde afscheiding
hipearthál
noun
1. verhoogde gevoeligheid
hipiríogaireacht
noun
1. bovenmatige groei
hipeartrófacht
adjective
hipeartrófach
noun
1.
hiopnóis
adjective
1. met betrekking tot hypnose (een tijdelijke trance-achtige toestand)
hiopnóiseach
verb
1. het onder hypnose brengen van mensen
hiopnóisigh
noun
1. iemand die beroepsmatig anderen hypnotiseert
hiopnóisí
noun
1. de praktijk van het hypnotiseren
hiopnóiseachas
adjective
galareaglach
noun
1. overdreven bezorgdheid om de eigen gezondheid
hipeacoindriáis
/ɦipoˈkrit/
noun
1. iemand die voordoet bepaalde waarden te huldigen, maar zich er zelf niet aan houdt
fimíneach
noun
1. huichelarij
bréagchrábhadh
adjective
1. onder de huid toegediend
fodheirmeach
/ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
fhaireog phiotútach
noun
1. te weinig glucose in het bloed
hipiglicéime
noun
1. lichte vorm van ziekelijke aandrift (psychische opwindingstoestand)
hipeamáine
noun
1. term die een subcategorie van een algemenere klasse aanduidt
fo-ordaigh
noun
1. onvoldoende ontwikkeling
hipeapláise
noun
1. deel van de hersenen dat een directe verbinding heeft met het hormonale systeem
hipeatalamas
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
morgáiste
noun
1. onderkoeling
hipiteirme
noun
hipitéis
noun
1. zuurstoftekort in de weefsels
hiopocsa
adjective
histéireach
/ɦe/
interjection
  1. 1. uitroep om aandacht
  2. 2. uitroep van verbazing
  3. 3. uitroep van verrassing
  4. 4. versterking van een vraag
  5. 5. informele groet
hé
adjective
1. door medisch ingrijpen veroorzaakt
iatraigineach
/iˈbeːris/, /iˈbɪːris/, /ɪˈbeːrɪs/
pronoun
1. Uitgestorven taal van Spanje
Ibéarach
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
Leithinis na hIbéire
noun
1.
iobúpróifein
noun
ciorcad iomlánaithe
noun
íocónagrafaíocht
noun
1. een iconenwand die het altaar van het schip scheidt in de Russisch-orthodoxe kerk
íocónastáis
noun
  1. 1. heiligenafbeelding, zoals vereerd in de kerken van het oosten
  2. 2.
íocón
/ˌɪndərˈdad/, /ˌɪndərˈdat/
interjection
1. bevestiging dat iets het geval is
ambaiste
/idiˈjal/
adjective
1. zo gunstig mogelijk
idéalach
/idiˈjal/
noun
1. iets wat men zich voorstelt als het hoogste en dat men wil verwezenlijken
idéalach
/ideja'lɪst/
noun
  1. 1. iemand die idealen nastreeft
  2. 2. (filosofie) aanhanger van het idealisme
idéalaí
/iˈde/
noun
1. gedachte, plan
barúil
adjective
1. volledig hetzelfde, van dezelfde oorsprong
comhionann
noun
aitheantas
noun
1. geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
ionannas
/idɛnti'tɛitskart/
noun
1. een identiteitsbewijs dat op een kaart gedrukt is
cárta aitheantais
/ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
idé-eolaíocht
adjective
1. van, betreffend of volgens een ideologie
idé-eolaíoch
adjective
idéal
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door trillend materiaal
ideafón
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
cor cainte
/idi'ot/
adjective
1. zwakzinnig in de hoogste graad
amadán
/idi'ot/
noun
1. iemand die een grote maat van zwakzinnigheid heeft
amadán
adjective
1. van onbekende oorzaak
ideapatach
noun
1. volstrekte dwaasheid
gealtachas
pronoun
ido
personalPronoun
1. clitische vorm van de 3e persoon enkelvoud mannelijk nominatief
sé
indefinitePronoun
1.
gach
/i.də.ˈreːn/
indefinitePronoun
1. elke persoon
gach aon duine
noun
1. een loofboomsoort uit het geslacht Ulmus ...
leamhán
/iːr/
noun
1. inwoner van Ierland, of iemand afkomstig uit Ierland
Éireannach
/ˈiːrlɑnd/, /ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
  1. Éire
  2. Poblacht na hÉireann
/iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
  1. Gaeilge
  2. Gaedhlaing
  3. Gaedhlige
  4. Gaolainn
pronoun
Gaeilge
pronoun
1.
Muir Éireann
suffix
  1. 1. anion in submaximale oxidatietoestand
  2. 2. mineraal
ít
indefinitePronoun
1. een of ander ding
rud éigin
adverb
1. in bescheiden mate
breis
/ˈiɡbo/
pronoun
  1. 1. taal die door 18 miljoen mensen in Nigeria en in enige andere Afrikaanse landen wordt gesproken
  2. 1. volk in het zuidoosten van Nigeria
Íogbóis
/ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
íoglú
adjective
aibéiseach
adjective
1. vol van zelfbewondering, een te hoge dunk hebbend van het eigen voorkomen en/of de eigen bekwaamheden
arduallach
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
uaill
noun
1. teken dat een meetinstrument door een officiële instantie geijkt is
rón
/ɛːɫ/
adjective
1. met een lage dichtheid
séimh
noun
1.
annaimhe
/ɛɪ̯s/, /ɛːs/
noun
  1. 1. de vaste vorm van water, bevroren water
  2. 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
oighear
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
béar bán
noun
1. een zeer groot brok ijs dat in de zee drijft
cnoc oighir
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
bristeoir oighir
noun
oighear
noun
1.
oighearchaidhp
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
haca oighir
/ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
uachtar reoite
noun
1.
bior seaca
/ˈɛɪ̯slɑnd/, /ˈɛɪ̯slɑnt/, /ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
  1. Íoslainn
  2. An Íoslainn
/ˈɛɪ̯sˌlɑndər/, /ˈɛːsˌlɑndər/
noun
1. inwoner van IJsland
Íoslannach
/ˈɛɪ̯slɑnds/, /ˈɛɪ̯slɑnts/, /ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
Íoslainnis
noun
1. priemvormig stuk ijs dat ergens aan hangt, en ontstaat door aanvriezend smeltwater
bior seaca
noun
1. ijspriem
bior oighir
noun
1.een theevariant
tae oighrithe
noun
1.
clúid oighir
/ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
cruidín
noun
díograis
noun
2. jaloersheid
formad
/ɛɪvərˈzʏxtɪx/
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
éad a bheith agat/ort
verb
1. een gevoel van koude ervaren van schrik of angst
cuisnigh
/ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
iarann
noun
amhiarann
noun
Iarannaois
noun
1. eenvoudige handelswaren gemaakt van metaal
earraí iarainn
adjective
oighreata
adjective
1. angstaanjagend; waardoor je de koude rillingen over het lijf lopen
adhfhuafar
personalPronoun
1.
  1. mé
  2. mise
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
taim i’ ngra leat
adjective
1. in weerwil van de wet
aindleathach
adjective
1. niet door de wetgeving bekrachtigd of toegestaan
aindleathach
verb
1. verlichten
maisigh
adjective
1. beroemd, zeer bekend van reputatie
cáiliúil
verb
léirigh
adjective
samhailteach
noun
iemand die een ander persoon nadoet
aithriseoir
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
beachaire
noun
1. onrijpheid
anabaíocht
adjective
1.
ábhal
noun
aibhse
noun
1. onderdompeling
bá
/ˈɪmiɣrɑnt/
noun
inimirceach
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
inimirce
/ɪmoˈrel/
adjective
mímhorálta
noun
1. onvatbaarheid voor een ziekte
imdhíonacht
adjective
1. onvatbaar
imdhíonach
noun
iompála
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
coisceas
noun
1. de vorm waarin een werkwoord gebruikt wordt als iets zeker gedaan moet worden
tiarnúil
noun
1. iets dat niet helemaal goed is
neamhfhoirfeacht
noun
maorga
noun
impiriúlachas
noun
impiriúlaí
/ɪmˈperijʏm/
noun
impireacht
adjective
1.
neamh-thréscaoilteach
adjective
1. te intiem en niet ter zake doende
brusanta
noun
1. handeling die uiting geeft aan een gebrek aan achting of beleefdheid
boirbe
noun
1. verwikkeling
impleacht
verb
1.stilzwijgend ten gevolge hebben
tabhair le fios
verb
1. ontzag inboezemen
téigh i bhfeidhm ar
noun
tábhacht
verb
allmhairigh
noun
  1. 1. het impregneren
  2. 2. het binnendringen van de zaadcel in de eicel
toirchiú
noun
imprisean
noun
impriseanachas
noun
impriseanaí
noun
1. ter plekke verbeterde versie van een muziekstuk, voorlezing enz.
seiftiú
verb
1. iets bedenken zonder vooropgesteld plan
seiftigh
/ɪmˈpʏls/
noun
  1. 2. product van massa en snelheid
    móiminteam
  2. 1. innerlijke drang
    spadhar
preposition
  1. 1.-12. in (ruimtelijk)
  2. 2. in (tijdelijk)
as
phraseologicalUnit
1.
fág Baile Átha Cliath ar an mbóthar ag duine
adjective
foirfe
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
in ionad
adjective
fáistineach
verb
1. een periode van opsluiting beëindigen volgens de daarvoor geldende regels
ligean
noun
1.
inspioráid
/ˌɪnʌʊɣyˈratsi/
noun
1. de feestelijke of plechtige inwijding in een ambt
oirniú
noun
ciméara
verb
1. met een beitel 'graveren' in steen
grábháil
/ɪmbɪndə/
verb
  1. 1. door stevige omwikkeling bijeenhouden
  2. 2. losse geschriften tot een enkel boekwerk verwerken
cuibhrigh
/ˈɪmblɪkə(n)/
verb
1. voedsel conserveren door het in een blikken vat luchtdicht te verpakken
féad
noun
1. alle roerende niet eetbare goederen in een huis
troscán
verb
  1. 3. registreren
    ceirnín
  2. 1. opnemen in de boekhouding
    cuir in áirithe
verb
1.
spreag
noun
1. het karakter van iemand (wat iemand in het diepst van zijn hart eigenlijk is)
spiorad
noun
1. het inbreken
buirgléireacht
noun
1. iemand die inbreekt
buirgléir
noun
1.
úinéir
/ˌɪŋkɑˈseːrə(n)/, /ˌɪŋkɑˈsɪːrə(n)/
verb
  1. 1. (geld) in ontvangst nemen.
    airgead tirim
  2. 2. te verduren krijgen.
    caith
noun
ciorrú coil
noun
1. Engelse duim, lengtemaat van 2,54 cm
orlach
/ˈɪntʃɛˌkə(n)/
verb
2. via een chipkaart contactloos aanmelden (voor gebruik van het openbaar vervoer)
bain do
noun
1. voorkomen per jaar
ionsaitheacht
noun
1. hellingmeter
claonmhéadar
adjective
1. inclusief, meegerekend, met inbegrip van
san áireamh
noun
comhaireamh
preposition
1. met inbegrip van
san áireamh
adjective
1. onverenigbaar
contrártha
/ˌiŋkɔmpəˈtɛn(t)si/
noun
neamhfhulangacht
adjective
1. met zichzelf in tegenspraak, niet altijd hetzelfde
fánach
noun
1. het onvermogen om urine of ontlasting op te houden
neamhchoinneálacht
noun
1. het sluimeren van een ziektekiem
gor
noun
1. #
tréimhse ghoir
verb
rangaigh
noun
aicmiú
/ˌɪndərˈdad/, /ˌɪndərˈdat/
adverb
1. een bevestiging dat iets het geval is
ambaiste
adverb
1. met grote spoed,zonder enige voorbereiding, zonder treuzelen
deifir a bheith ort
adverb
roimh ré
/ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
India
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Indiach
noun
1. inwoner van Amerika voor de komst van de Europeanen
Indiach
noun
treotháscaire
verb
1. aanwijzen van zorg
measúnú
conjunction
1. onder de voorwaarde dat
dá
verb
1. een document zoals een aanvraag of protest, afgeven aan een instantie
aighnigh
/ɪn.ˈdi.ɣo/, /ɪn.ˈdi.χo/
noun
1. een kleur die in het het lichtspectrum voorkomt met een golflengte van 440 tot 420 nanometer
indeagó
/ˈɪndis/
adjective
  1. 2. op India betrekking hebbend of daarvan afkomstig
    Indiach
  2. 1. op Nederlands-Indië (nu Indonesië) betrekking hebbend of daarvan afkomstig
    Indinéiseach
/ˌɪndisəˌosiˈan/, /ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
Aigéan Indiach
noun
1.
brusaireacht
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
indiam
/ˌɪndiviˈdy/
noun
  1. 1. een enkele persoon in het bijzonder
  2. 2. met negatieve bijbetekenis persoon
aonánach
adjective
1. afzonderlijk, op zichzelf
aonánach
noun
Indiach
noun
  1. 2. persoon van gemengd Indonesische en Europese (veelal Nederlandse) afkomst
    Eoráiseach
  2. 1. lid van een prehistorisch volk en spreker van het Proto-Indo-Europees
    Ind-Eorpach
verb
cuir i dtaisce
adjective
1. traag en onverschillig
leasc
noun
1. iets of iemand in een hoeveelheid vloeistof doen
bá
/ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
Indinéisis
/ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Indinéis
verb
1. voorzichtig in een vloeistof stoppen
tum
verb
alvast alcohol gebruiken
réamhól
verb
1.
tirim
noun
1.
díhiodráitiú
/ˈɪndrʌk/
verb
imprisean
adjective
1. een grote indruk achterlatend
iontach
noun
6. klankverandering
athrú
verb
1. ergens binnengaan
tum
noun
1. Nijverheid
tionscal
verb
1.
preas
adverb
le chéile
verb
1.
bí ag lúbarnaíl
verb
creathnaigh
adverb
1. snel en onverwachts
de gheit
adjective
1. zonder (voldoende) werking om het gewilde resultaat op te leveren
ainéifeachtach
noun
1. traagheid
táimhe
noun
1.
tuiseal ineiseach
noun
1.
coisí
/ɪnfɛk'terən/
verb
galraigh
noun
1. een besmetting van lichaamsweefsel met ziekteverwekkers als bacteriën, virussen, schimmels of...
galar
adjective
1.
ionfhabhtaíoch
noun
1. hel, oord van helse verschrikkingen
ifreann
adjective
1. het zich niet kunnen voortplanten bij dieren en planten
ocrach
noun
1.
neamhthorthúlacht
verb
insíothlaigh
/ɪɱfinitif/
noun
1. het hele werkwoord
infinideach
noun
1. ontsteking
adhaint
noun
1. stijging van het prijspeil waardoor het geld in waarde daalt
boilsciú
noun
2. de eigenschap dat een elektrisch geladen lichaam...
tionchar
verb
4. proberen door zachtjes te spreken iemands gedachten of handelen te sturen
mol
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
ríomheolaíocht
noun
1.
eolas
noun
teoiric eolais
verb
1.
ríomhairigh
/ɪnfɔr'meːl/
adjective
neamhnósúil
verb
1. inlichten
cuir in iúl
adjective
fodhearg
/ˈɪɱfrastrʏktyr/
noun
1. het totaal van onroerende voorzieningen zoals (spoor)wegen, vliegvelden,...
bonneagar
verb
van start gaan
cuir tús le
noun
1. een trefwoord dat te vinden is in een woordenboek
iontráil
noun
1.
coimisiún
/ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
innealtóir
noun
1.
sásamh
noun
1.keurige en bescheiden manier van doen
féinsmacht collaí
preposition
ar feadh
noun
2. verzamelnaam voor de inwendige organen van het darmkanaal
inní
adjective
1. niet eenvoudig en zeer samengesteld
aimpléiseach
noun
1. de mate waarin iets complex is
castacht
verb
1. met een scherpe naald een tekst of afbeelding in metaal snijden zonder dat men daar een afdruk van wil maken
grábháil
noun
comhábhar
pronoun
1. Finoegrische taal die door ongeveer 300 Ingriërs gesproken wordt
Ingris
/'ɪnɦɑm/
noun
cuainín
noun
1. iemand die ergens al woont sinds zijn/haar geboorte
bundúchasach
noun
1. remming
urchoilleadh
/ˈɪnhɑut/
noun
  1. 2. ruimtelijke capaciteit
    imleabhar
  2. 1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
    sásta
noun
1.
lacáiste
noun
1. overzicht van de onderwerpen of hoofdstukken in een boek
clár ábhair
noun
1. feestelijke gelegenheid waarbij iemand wordt gehuldigd, zoals een koning/vorst door diens onderdanen, bij aanvaarding van diens ambt
oirniú
adjective
1. initieel, aanvankelijk
ceannlitir
noun
1-2 beginletter
ceannlitir
/ˌiniˈtʃalwort/
noun
1. en 2.
acrainm
adjective
iniseal
noun
steallaire
noun
1. een door insnijding ontstane gleuf
scór
verb
1.
scór
noun
1.
fiche
verb
3.
cuir in iúl
verb
1.
coisc
noun
1. regelmatig verkregen som geld
ioncam
verb
iontráil
noun
1. alles wat aan geld ontvangen wordt
ioncam
verb
1. door kopen een voorraad aanleggen
ceannach
verb
giorraigh
noun
1.
deisiú cnámh
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
dúch
noun
1. holle buis waarin inkt bewaard wordt
dúchán
/ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
dúchán
/ˈɪŋktfɪs/
noun
1. een koppotig weekdier met vangarmen dat een inktachtig vocht afscheidt ter verdediging
ochtapas
verb
1. gemaaide plantenresten onder luchtdichte omstandigheden bewaren in verdiepte ruimte
sadhlas
noun
1.
bileog
noun
1. iets dat versierd is door inleggen waarbij verschillende delen als een legpuzzel op elkaar aansluiten
maircíneacht
/ˈɪnlɛɪdɪŋ/, /ˈɪnlɛːdɪŋ/
noun
1. een tekst waarmee men een indruk probeert te geven van de inhoud van een langere tekst
réamhrá
noun
1. de keer dat men goederen ergens (terug) brengt
fill
/'ɪnlevɪŋsvərmoxə(n)/
noun
1. de kunde of vaardigheid om zich in te leven in de situatie en gevoelens van anderen
bá
verb
1. opheldering geven
cuir in iúl
noun
eolas
/ˈɪnlɔɣə(n)/
verb
logáil isteach
verb
caomhnaigh
verb
1.
cumhdach
verb
  1. 3. uit circulatie halen
    cúlaigh
  2. 1. binnengaan en in bezit nemen
    gabháil
verb
1. verschuldigd geld in ontvangst nemen
airgead tirim
noun
1.
ansacht
noun
bailiúchán
/ˈɪmpɑkə(n)/
verb
2. in een omhulsel doen
deic
noun
1. stevig, kleurrijk papier waarmee men gekochte producten feestelijk kan verpakken
páipéar beartán
verb
1. met grote kracht een grote hoeveelheid materiaal in een kleine ruimte proppen
práinneach
/ɪ'mplɛnə(n)/
verb
1.
plean
verb
1. diep in het geheugen vastleggen
téigh i bhfeidhm ar
verb
1. een diafilm in een diaraampje plaatsen zodat ze met een diaprojector vertoond kan worden
cuir i bhfráma
verb
1. een woning ~: een ruimte geschikt maken voor bewoning met vloerbedekking, behang, huisraad, enzovoort
maisigh
noun
1. een weg die van de straat naar een gebouw e.d. voert
iontráil
verb
1.
deoir
adjective
1. van een persoon dat deze genegen is zich aan te passen aan andere mensen
áiseach
verb
1. een lidmaatschap of deelnemerschap schriftelijk vastleggen
sainréim teanga
verb
ionsáigh
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
feithid
noun
1.1 zoogdier uit de taxonomische orde Eulipotyphla
mamach
verb
1.
achomair
adverb
mar an gcéanna
noun
1. horizontale draden die tijdens het weven tussen de opgespannen draden van de schering worden ingebracht
inneach
/ˈɪnslapə(n)/
verb
  1. imigh sall
  2. 1. in slapende toestand geraken
    téigh a chodladh
/ˈɪn.slœʏ̯.tə(n)/, /ˈɪn.slœː.tə(n)/
verb
  1. 3. iets bijvoegen
    cuir faoi iamh
  2. 2. iets omgeven
    timpeallaigh
adjective
1. onbeschaamd, grof, brutaal
drochmhúinte
noun
borrachas
adjective
1. niet betrouwbaar
anacair
noun
1. slapeloosheid
díth codlata
adjective
1. van iets dat het vermoeiend is of moeite kost
fuinniúil
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
iarracht
noun
banchigire
/ɪnspi'rasi/
noun
1. een gevoel over hoe men een klus kan aanpakken
inspioráid
verb
1. de geest gaande maken
spreag
/ˈɪnsprak/
noun
faí
noun
1. onbestendigheid
éagobhsaíocht
noun
3. een min of meer plechtige en officiële inwijding in een bepaald ambt
oirniú
noun
cothabháil
verb
  1. 2. het in het leven roepen van een organisatie
    cuir ar bun
  2. 1. het op juiste wijze afregelen van een toestel
    sceallán
noun
  1. 2. organisatie, die vaak subsidie van de overheid krijgt en geen geld wil verdienen
    bunaíocht
  2. 1. keer dat je iets instelt, of wat ingesteld is
    ceartú
verb
1. het eens zijn
aontaigh
adjective
instinneach
adjective
1.
instinneach
verb
1. zwichten voor de zwaartekracht
cliseadh
noun
múinteoir
noun
1. een order, een aanwijzing
treoir
verb
teagasc
noun
2. verkort voor muziekinstrument
uirlis
noun
vuinsciú
verb
1.
cleacht
noun
1.
easnamh
/ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
inslin
noun
1. een epileptische aanval, een toeval
forghabháil
/ɪntəɣriˈtɛit/
noun
1. onschendbaarheid, eerlijkheid, oprechtheid
ionracas
verb
1. schriftelijk een verbintenis aangaan
sainréim teanga
noun
1. het door je naam op een lijst te zetten een belofte doen
liostáil
/ɪntɛli'xɛnt/
adjective
1. met een goed verstand of daarvan blijk gevend
éirimiúil
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
meabhair
noun
2. officier van de intendance
ceathrúmháistir
adjective
1. zeer krachtig, hevig
dlúth
verb
1. intensiever maken
géaraigh
verb
géaraigh
noun
1. onderlinge beïnvloeding
caidreamh
/ɪntərɑk'tif/
adjective
idirghníomhach
adjective
1. wekt interesse
suimiúil
noun
  1. 1. belang
  2. 2. belangstelling
  3. 3. iets waar belangstelling voor is
spéis
verb
1. nieuwsgierig maken
spéis
noun
ús
noun
3. gezamelijke werking van golven
éaradh
noun
  1. 2. letterafstand
    luaidhe
  2. 1. regelafstand
    scaradh
adjective
1. met onderbrekingen
anois is arís
adjective
1. inwendig, binnen
imtheorannaigh
/ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
idirnáisiúnta
pronoun
Ciste Airgeadaíochta Idirnáisiúnta
verb
1. een verplichte verblijfplaats aanwijzen
imtheorannaigh
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
  1. Idirlíon
  2. idirlíon
noun
1.
caifé Idirlín
noun
1. uitlegging, vertaling
míniú
noun
teangaire
/'ɪntɛrpɵŋktsi/
noun
poncaíocht
noun
ceistiú
verb
1.
cuir isteach ar
noun
  1. 1. tussenperiode
  2. 3. de afstand tussen twee verschillende tonen
eadar-àm
noun
1. vraaggesprek met iemand over diens opvattingen en ervaringen
agallamh
verb
1.een vraaggesprek met iemand houden
agaill
noun
1. zeer vertrouwd persoon
comrádaí
noun
1. onverdraagzaamheid
éadulaingt
/ˈɪntomə(n)/
verb
1. bedwingen, doen matigen van (heftige) emoties
colbha
noun
cuma
verb
2. de toon aangeven
cuir suas
adjective
1. zonder de mogelijkheid van een lijdend of meewerkend voorwerp
neamhaistreach
noun
1. onovergankelijk werkwoord
neamhaistreach
verb
gread
/'ɪntredə/
noun
admháil
noun
1.
spéis
noun
3.
ceapach
adjective
riachtanach
verb
  1. 3. iemand voor het eerst voorstellen
    am i láthair
  2. 1. iets nieuws inbrengen of invoeren
    ionsáigh
/ɪntroˈdʏksi/
noun
de presentatie van iets nieuws, of de inleiding van een nieuwkomer
réamhrá
verb
1. een dier inspannen in een tuig
gabháil
verb
1.
fáinleog
/ɪn'tʌsə/
adverb
1. gedurende de tijd die het genoemde vereist
lena linn sin
noun
intinn
pronoun
Ionúitis
adjective
faoi mhíchumas
verb
  1. 2 iemands plaats tijdelijk innemen
    bean ionaid
  2. 1 vallend iets binnengaan
    tit
noun
bean ionaid
noun
aireag
adjective
airgtheach
noun
aisiompú
verb
aisiompaigh
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
fuilleamh
verb
1.
bealaigh
/ˈɪnvluːt/
noun
  1. 1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
  2. 2. het vermogen om op anderen in te werken
tionchar
noun
ionchur
/ˈɪnvurə(n)/
verb
2. gegevens in een electronisch apparaat stoppen
allmhairigh
verb
1.
insíothlaigh
noun
cás
verb
1. ritueel voor een bepaalde geheiligde functie geschikt maken
coisric
noun
1.
inimirceach
noun
1. immigratie
inimirce
verb
1. verzamelen met name in informatie
bain
noun
1.
cliseadh
verb
1. bijeenbrengen
bailigh
verb
gallúnach
noun
cuaille
noun
1.
ionsáigh
noun
1. op het spel zetten
plás
/ˈɪnzin/
verb
  1. 1. documenten (vluchtig) lezen
    faic
  2. 2. begrijpen hoe iets werkt
    feic
verb
doirteal
noun
het inzinken
cliseadh
adverb
go mór mór
/jɔn/
noun
ian
noun
1. ontleding in ionen (elektrisch geladen atomen of moleculen)
ianú
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Zuid-Italië en West-Griekenland
Muir Iónach
noun
ianaisféar
/i'peʔadrɛs/
noun
1. een combinatie van getallen waarmee een computer in een IP-netwerk kan worden herkend
seoladh IP
/i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
Iaráic
/i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
Iaráin
noun
Fairsis
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
iridiam
noun
  1. 1. orgaan in het oog van vele organismen
    bogha báistí
  2. 2. benaming voor planten uit het geslacht Iris
    glóiriam
/ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
íoróin
adjective
1.
íorónta
adjective
1. onomkeerbaar
dochúlaithe
/ˌɪ.ri.ˈɣeː.rə(n)/, /ˌɪ.ri.ˈχɪː.rə(n)/
verb
1. op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien
uiscigh
/ˌɪriˈtaʦi/
noun
1. uitslag
corraí
verb
1. op onaangename wijze prikkelen
greannaigh
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
Ioslam
pronoun
Islamabad
adjective
1. bij constant houden van de druk
iseabarach
noun
1. een verzameling punten onder constant houden van de druk gemeten
iseabar
noun
1. een verzameling punten onder constant houden van volume gemeten
iseacór
noun
1. ruimtelijke afzondering
iargúltacht
verb
  1. 1. persoonlijk
  2. 2. chemisch
aonraigh
adjective
1. uitwisseling met de omgeving voorkomend; geleiding voorkomend
teasdíonach
noun
leithlisiú
noun
comhrian
noun
1. een verzameling punten onder constant houden van de molaire samenstelling gemeten
iseacór
adjective
1. bij constante temperatuur
isiteirmeach
noun
1. een verzameling punten constante temperatuur gemeten of waar de temperatuur dezelfde waarde heeft
isiteirm
noun
iseatóp
adjective
1.
iseatópach
/ˈɪs.ra.hɛl/, /ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
Iosrael
pronoun
1. een provinciehoofdstad in Turkije
Iostanbúl
noun
1. een smalle strook land die twee grotere landmassa's verbindt
cuing
/italiˈjaːn/
noun
1. een persoon die uit Italië komt
Iodáilis
/italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
Iodáilis
/italiˈjaːnsə/
noun
1. vrouwelijke persoon die uit Italië komt
Iodálach
/iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
  1. an Iodáil
  2. Iodáil
  3. An Iodáil
suffix
  1. 1.
  2. 2.
íteas
noun
eabhar
adjective
eabhartha
/i.ˈvoːr.kʏs/, /i.ˈvoːr.kʏst/, /i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
  1. An Cósta Eabhair
  2. Cósta Eabhair
adjective
eabhair
pronoun
. spelwoord voor de letter i
Íosác
/jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
sea
/jaː/
interjection
1. kreet van opwinding
sea
/jaː/
noun
1. bevestigend of instemmend antwoord
sea
noun
1. lelijke wond, diepe snee
bain
/ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
bliain
noun
1.
leasaigh
/ˈjar.ɣə.ˌtɛɪ̯.də/, /ˈjar.ɣə.ˌtɛː.də/, /ˈjar.χə.ˌtɛɪ̯.də/
noun
1. een deel van een jaar met unieke eigenschappen
séasúr
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
bliantúil
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adverb
in éadan an bliana
noun
1.
athrón
/jɑxt/
noun
3. een snel vaartuig
luamh
noun
1.
dúshaothrú
noun
1. hond die speciaal gefokt wordt voor de jacht
cú
noun
1. een hoorn als signaalinstrument op de jacht
corn fiaigh
noun
1.
capall fiaigh
noun
1. zeer snel, betrekkelijk groot Afrikaans katachtig roofdier, Acinonyx jubatus
síota
noun
1.
scian sealgaire
noun
gevechtsvliegtuig
sealgaire
/ˈjaːɣə(n)/
verb
1. bewegende wezens proberen te vangen
seilg
noun
1. iemand die op jacht gaat
sealgaire
noun
fiagaí cnuasaitheoir
noun
1. een vrouw die jaagt
bansealgaire
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
iaguar
noun
1. bepaald soort zoogdier, Herpailurus yaguaroundi
iaguarúndaí
/ˈjɑːwe/
pronoun
Iáimhé
/ˈjɑːwɛ/
pronoun
Iáimhé
noun
geac
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
seacál
pronoun
Iacób
noun
1. benaming voor bepaald soort mosselachtig schelpdier
scolb
/jaˈkobʏs/
pronoun
Séamas
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
éad a bheith agat/ort
/jɑˈluːrshɛɪt/, /jɑˈluːrshɛːt/
noun
1. een wrok die iemand koestert omdat men een ander niet gunt wat men zelf begeert
formad
/jɑluˈziː/
noun
1. gevoel
formad
/ʃɛm/
noun
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
subh
/(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Iamáice
noun
iambus
interjection
1. uitroep van teleurstelling
is mór an trua
verb
1. klagende, huilende geluiden maken
caoin
noun
1. op een klagende toon geuit teken van pijn en verdriet
acaoineadh
noun
1.
mairteoil
/jɑn/
pronoun
. spelwoord voor de letter j
Seán
noun
1. bepaalde zeevogel, Morus bassanus
gainéad
/'jɑnbul/
noun
1. wanordelijke omstandigheden, een rommel
praiseach
noun
maraí
/jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
Eanáir
pronoun
  1. 2. Romeinse god
  2. 3. maan
Ianus
/jaˈpɑn/, /jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
  1. an-tSeapáin
  2. Seapáin
noun
Seapánach
noun
1. iets dat gemaakt is in Japan of door een Japanse firma
Seapánach
/jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
Seapáinis
/jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
Seapáinis
pronoun
1. taalfamilie van Japans en een tiental verwante talen die in Japan worden gesproken
teangacha Seapónacha
noun
1. lang kledingstuk voor vrouwen
gúna
/jɑr.ˈɣɔn/
noun
2. vaktaal, taalgebruik binnen een bepaalde groep, vaak moeilijk te volgen voor een buitenstaander
béarlagair
/ˈjaːrəx/
adjective
1. iemand is jarig tijdens zijn verjaardag
breithlá
noun
1.
cóta
noun
seaspar
verb
3.
sceall
pronoun
1. een taal die door meer dan 75 miljoen mensen op Java en Bali gesproken wordt
Iáivis
/'jɑʋɛl/
adverb
ja, antwoordend op een ontkennende vraag
dá
/jaʋɔːrt/
noun
1. het bevestigende antwoord op een huwelijksaanzoek
deoin
interjection
1. een bevestiging die alle onzekerheid ontkent
dearfa
noun
1. deel van dunne darm
aoineán
/ˈjemən/, /ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
  1. Éimin
  2. Poblacht Éimin
pronoun
1. en 2.
Jena
/jə'nevər/
noun
1. gedestilleerde alcoholische drank vervaardigd op basis van graan (mout)
scillig
noun
  1. 1. Juniperus communis
    aiteal
  2. 2. vrucht
    caor aitil
pronoun
Irimia
noun
acaoineadh
pronoun
Geirsí
noun
geansaí
pronoun
  1. Íseáia
  2. Leabhar Íseáia
/dʒɛt/
noun
1. een straalvliegtuig
scaird
noun
1.
scairdsruth
/ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
giollacht
noun
brú óige
adjective
1. jong, fris, onbevangen
óg
noun
1. iets dat de eigenschappen van de jeugd heeft
anaostacht
noun
1. kriebel
bheith ar bís
verb
bheith ar bís
/ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Íosa
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Íosa Críost
pronoun
2. apocrief boek uit de Bijbel
Leabhar Shíorach
/je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
Íosánach
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
braon
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
Giúdais
adjective
1. taal van Asjkenazische joden
Giúdais
/jEi/, /jɛɪ̯/, /jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
tú
/'jɔb/
pronoun
Iób
/ˈjodələ(n)/
verb
1. zingen met een snelle wisseling van borst- naar keelstem
geoidligh
noun
Giúdachas
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
iaidín
noun
1. jodium verbinding die men gebruikt als ontsmettingsmiddel
iadaform
pronoun
  1. An Iúgslaiv
  2. Iúgslaiv
verb
1. luidkeels van afkeuring blijkgeven
allagar
noun
1.
brat reatha
noun
bríste aclaíochta
pronoun
2.1 een van de vier Evangeliën
  1. Eóin
  2. Séan
pronoun
. spelwoord voor de letter j
Seosamh
noun
siúnta
verb
buachaill mór
noun
1.
bréagach
adjective
aerach
noun
1.
meidhir
/joˈna/
pronoun
Ióna
adjective
1. van geringe leeftijd
óg
/jɔŋəˈɦɪ:r/
noun
1. een jong persoon van het mannelijk geslacht
aosánach
noun
1. onvolwassen man
  1. buachaill
  2. gasúr
noun
brídeach
noun
1. jonge (ongehuwde) man
baitsiléir
noun
1. een jong persoon, jongeman, jongemeid
aosánach
noun
1. schip
siunca
noun
ríonaigh
/jot/
noun
Giúdach
noun
  1. 1. aanhanger van het joodse geloof
    Giúdach
  2. 1. element jodium
    iaidín
adjective
1. te maken hebbend met het joodse geloof, het jodendom
Giúdach
noun
1.
baoi
phraseologicalUnit
1.
ag Dia atá a fhios
/jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
Iordáin
/jɑu̯/
personalPronoun
thusa
/ʒurˈnaɫ/
noun
2. een boek waarin dagelijks de gebeurtenissen worden bijgehouden
dialann
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
iriseoir
noun
iriseoir
/jɑu̯/
possessivePronoun
1.
do
noun
1.
folláine
noun
1. het rijden in andermans motorvoertuig, zonder dat de eigenaar hiervoor toestemming heeft gegeven...
spraoithiomáint
/joˈʔel/
pronoun
Ióéil
noun
1. grote vreugde
lúcháireach
adjective
1. bezig met te juichen
lúcháireach
noun
1.
cothrom an lae
pronoun
2. boek in de Bijbel
Iúdás
noun
1. naam voor planten uit het geslacht Lunaria
sailchuach na gealaí
noun
breith
pronoun
2. apocrief boek uit de Bijbel
Iúidit
/'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
júdó
/jʏˈfrɑu/
noun
ógbhean
/jœyɣən/
verb
1.
scairt
adjective
1.
lúcháireach
adjective
1. zoals het moet, waar
beacht
noun
1. houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten verbindt
cuing
/jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
Iúil
pronoun
Réabhlóid na Fraince (1830)
/ˈjʏli/
personalPronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
sibh
noun
1.
léimneoir
noun
dufair
noun
1. de zesde maand van het jaar
Meitheamh
noun
1. een verzamelnaam voor snel bereid en geserveerd voedsel dat vaak ongezond is
mearbhia
noun
1. groep hoge militairen die samen de baas zijn over het bestuur van een land
giunta
/ˈjypiˌtɛr/
pronoun
Iúpatar
noun
Iúrasach
adjective
1. betrekking hebbend op het recht en de rechtsleer
dleathach
/jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
gúna
noun
1. een groep mensen die oordeelkundig geacht wordt en gevraagd een oordeel ergens over uit te spreken
giúiré
noun
1. saus voor spijzen, bereid uit vleesnat
súlach
noun
1.
réasún
noun
siúit
noun
een grof weefsel van jute vervaardigd
burlap
adjective
1. met betrekking tot de jeugd
sóisearach
noun
1. sieraad van grote schoonheid en hoge waarde
seoid
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
seodóir
noun
1. het naast elkaar zetten van meerdere zaken om zo een verband te suggereren (dat er soms helemaal niet is)
neas-suíomh
noun
cé
pronoun
Oileáin Cayman
noun
1. gemetselde oeverstrook waaraan de schepen kunnen aanleggen
bábhún
noun
1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
giall
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
teiteanas
noun
1. belediging
achasán
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
maol
adjective
1.
lom
adjective
1.
maol
noun
1. persoon
maol
noun
1. een in zee vooruitstekende landpunt
ceann tíre
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
Baile na Rinne
/kab.ˈvɛr.di.jə/, /kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Rinn Verde
verb
1. het behandelen van ruwe katoen of wol met behulp van een kaard
cardáil
/kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
coinneal
noun
céir
noun
    1. 2. bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
    2. 3. kartonnen of plastic vel uit een kaartspel, om mee te spelen
    cárta
  1. 1. schematische afbeelding van een ruimtelijk gebied op een plat vlak in een verkleinde schaal
    léarscáil
noun
2. papier(tje) of digitaal document als bewijs dat je ergens recht op hebt, zoals toegang of deelname
ticéad
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
cáis
noun
1. iemand die een bal terugkaatst zonder er zelf veel mee te doen
doirseoir slándála
/kɑˈbal/
noun
1. zeer luide verstoring van rust en orde
fothram
/'kɑbələ(n)/
verb
1. zacht stromen en geluid maken
bí ag cabaireacht
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
cábla
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
trosc
noun
1. heel sterk touw
cábla
noun
1. railvoertuig voor personenvervoer in stedelijk gebied, voortgetrokken door een touw van staal onder het wegdek
cáblabhealach aerga
noun
airí rialtais
/'kabul/
pronoun
1. Afghaanse stad/provincie
Cabúl
noun
  1. 2. padvindster
    Brigín
  2. 1. sprookjesfiguur
    gruagach
/ˈkɑ.xəl/, /ˈkɑ.xəɫ/, /ˈkɑ.χɔɫ/
noun
1. een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
sorn
noun
1. hout dat men gebruikt om in een kachel te verbranden
adhmad tine
/ˈkɑxtəl/, /ˈkɑxtəɫ/, /ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
searrach
noun
1. dood lichaam van een dier
ablach
noun
1. beschoeide of gemetselde oeverstrook waaraan de schepen kunnen aanleggen
cé
noun
1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
cuir i bhfráma
adjective
1. iets is zo beschadigd dat het zijn functie niet meer kan uitoefenen
briste
/kɑf/
noun
1. de vliezen rondom de graankorrels
cáith
noun
1. overdekte gemeenschappelijke verblijfplaats op schepen
bothán
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
blatóg
noun
1. kaalhoofdig iemand
maol
verb
calc
verb
calc
verb
1. kaal op het hoofd worden
maol
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
féilire
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
  1. gamhain
  2. lao
verb
calc
noun
1.
craiceann lao
noun
laofheoil
noun
cailif
noun
cailifeacht
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
potaisiam
/ˈkɑl(ə)k/
noun
aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium
aol
adjective
brataigh
noun
1. emulsie van gebluste kalk in water
aoldath a chur ar
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
turcaí
noun
aolchloch
verb
1.
callagrafaíocht
noun
1.
callagrafaíocht
/kɑlm/
adjective
1. weinig in beroering, zonder opwinding
ciúin
verb
1. kalm worden
calma
noun
calma
/kɑm/
noun
1. getand object om haren mee te verzorgen
cíor
/kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
camall
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Caimileon
/ka'melejɔn/
noun
1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
caimileon
noun
ainnir
noun
1. deel van een huis
cuasán
noun
comrádaí
noun
1. iets wat hoort bij de manier van doen die gebruikelijk is bij vrienden
coimhdeacht
noun
1. persoonlijke bediende van een rijk of machtig persoon
giolla páirceála
noun
1. een lange huisjas
fallaing sheomra
noun
ceol aireagail
/ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
Camarún
noun
teocht an tseomra
noun
camfar
noun
1. elk van de planten van het geslacht Matricaria
camán meall
/kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
curca
noun
  1. 1. een plaats waar een aantal troepen geruime tijd of permanent gehuisvest zijn
  2. 2. een kampeerplaats met een groep van bij elkaar horende tenten
campa
noun
1. iemand die, gewoonlijk tijdens de vakantie, in een tent bivakkeert
campálaí
noun
  1. 1.en auto waarin je kunt overnachten
    campálaí
  2. 2. een aanhangwagen waarin je kunt overnachten
    carbhán
verb
1. een vorm van openluchtrecreatie
campáil
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
féithleann
/kɑmpiun/
noun
1. de winnaar van een kampioenschap
curadh
noun
1. wedstrijd waar bepaald wordt wie de kampioenstitel mag dragen
ceannas
noun
1. plaats waar een wedstrijd plaatsvindt
airéine
noun
2. iemand die voor een bepaalde zaak of persoon zich inzet
gaiscíoch
noun
1. tandrad
acmhainn
noun
1. serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
crúsca
pronoun
Muir nIocht
/ka'naːl/
noun
canáil
noun
coinnleoir
noun
1.
iarrthóir
noun
ainmniú
/kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
cainéal
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
cangarú
/kanɪs/
noun
  1. 4.3
    colainn
  2. 4.1
    plait
  3. 4.2
    trap
noun
1.
Ceansaí
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
ailse
noun
1.
cantalán
noun
oinceolaí
pronoun
1. taal die in de Indische staat Karnataka gesproken wordt
Cannadais
noun
1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
canablach
noun
báidín
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
canóin
noun
1. de keer dat men een kanon afvuurt
urchar gunna
noun
  1. 1. mogelijkheid dat er iets gaat gebeuren
  2. 2. een mooie gelegenheid
seans
noun
1. een kerkelijk, meestal verhoogd, meubelstuk waarvanaf de voorganger in de dienst zijn preek uitspreekt
crannóg
noun
  1. 1. eerste minister
  2. 2. hoofd van een kanselarij
seansailéir
adjective
1. (veel) kans op succes hebbend
tréitheach
/kɑnt/
noun
  1. 3. zijde
    foireann
  2. 1. een vorm van vlechtwerk
    lása
/kɑnˈtel/
noun
1. elk van de opstaande delen van de getande bovenkant van (oude) verdedigingsmuren
meiril
adjective
1.
cnapánach
noun
1. eetgelegenheid in bedrijven, scholen, verenigingen
bialann
pronoun
een Chinese taal gesproken door ongeveer 54 miljoen mensen in het zuiden van China en ook buiten het land
Cantainis
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
oifig
/kɑn'torbədində/
noun
cléireach
noun
1. een titel die aan bepaalde geestelijken wordt verleend binnen enkele christelijke kerkgemeenschappen.
canóin
/kɑp/
noun
  1. 3. de afdekking van een gebouw
    ceann
  2. 2. een bedekking van het hoofd
    cochall
noun
1. klein kerkgebouw
séipéal
verb
fuadach
noun
1. onverwerkt hout, gevelde bomen
adhmad
adjective
1. ruim voldoende financiële middelen hebbend
maoineach
noun
1. markt waarop vermogenstitels worden verhandeld met een onbepaalde looptijd, of met looptijden vanaf circa twee jaar
margadh caipitil
noun
1.
caipiteal
noun
  1. 1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
  2. 2. (beroep) (militair) een rang in de hiërarchie net boven die van luitenant
captaen
noun
1.
caibidil
noun
1. bepaald soort zeevogel, Larus ridibundus
faoileán ceanndhubh
adjective
  1. 1. gebroken
  2. 2. niet meer goed functionerend
briste
verb
bris
noun
1. overjas voor soldaten
brat
/ka'pɔtʲə/
noun
2.
coiscín
/'kɑpə(n)/
verb
3. met een snelle slag met een mes of bijl een verbinding verbreken
smiot
noun
gruagaire
/kɑpsɛɪ̯zə(n)/, /kɑpsɛːzə(n)/
verb
1. ondersteboven komen liggen
iompaigh béal faoi
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
bearradh gruaige
noun
1. pretenties
ardnós
noun
gruagaire
noun
  1. 1. voertuig
    cairt
  2. 2. auto
    carr
noun
  1. 1. aard
  2. 2. letter
carachtar
verb
tréithrigh
noun
1. gebrande suiker
caramal
noun
1.
carbhán
pronoun
1. een Indiaanse taal gesproken door ca. 7500 personen in onder andere Venezuela en Suriname
Cairibigh
/kɑrboˈnadə/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
smiot
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bubalis bubalis
buabhall uisce
noun
plant en zaad
cardamam
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
cairdinéal
noun
1. en 2. bladeren van Cynara cardunculus
cardún
pronoun
1. een aan het Fins verwante taal die wordt gesproken in Karelië, Rusland en Finland
Cairéilis
/kɑˈrelɪə/
pronoun
1. deel van Rusland
Cairéil
noun
1. een zoogdier uit de familie der hertachtigen
carabú
adjective
gearreireaballach
adjective
corcairdhearg
noun
corcairdhearg
noun
1. de rode kleur van karmijn
corcairdhearg
noun
1. gefermenteerde melk
bláthach
verb
1. het langdurig mechanisch bewerken van melk
maistrigh
noun
1.
bus
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
carbán
noun
1. de verzameling verschijnselen die samenhangen met de oplosbaarheid van kalksteen onder invloed van koolzuur in de atmosfeer
boireann
noun
drólann
/kɑrˈtɔn/
noun
1. bordpapier
cairtchlár
noun
1. een klus of hoeveelheid werk die gedaan moet worden
obair
noun
plant, zaad en specerij
cearbhas
/'kɑs/
noun
  1. 1. de bak die het ontvangen geld bevat
    go dtí
  2. 3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...
    teach gloine
noun
mórleabhar
noun
1.
briseadh airgid
pronoun
1. een Westslavische taal die gesproken wordt in het oosten van Pommeren
Caisiúibiach
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
Muir Chaisp
noun
3. machine om ontvangen geld te registreren en te bewaren
scipéad cláraithe
noun
1. straatkei gemaakt van natuursteen met de grootte van het hoofd van een kind
brocach
noun
1. iemand die het beheer heeft over de kas en de mutaties ervan bijhoudt
airgeadóir
noun
1. film of uitvoering die alle verwachtingen overtreft wat betreft de opkomst van publiek
gread
/kɑs/, /kɑst/
noun
1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
  1. cupard
  2. prios
noun
  1. 1. de boom
  2. 1. de vrucht
castán
noun
castán
adjective
donn
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
caisleán
noun
1. diepe, brede gracht, droog of gevuld met water, dat een kasteel of gebouw omringt
díog
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Casuarius
casabhara
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
cat
adjective
1. aan een kat herinnerend of erop gelijkend.
catúil
noun
2. speeltuig
crann tabhaill
noun
1. Ailurus fulgens, een klein zoogdier dat in Azië leeft
panda rua
noun
2. gevolgen van alcoholgebruik
póit
noun
fillteán
/kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
ardeaglais
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
cataitéar
noun
1-2 scheikunde + elektronica
catóid
/ka.ˈtɛɪf/, /kɑ.ˈtɛːf/
adjective
1. ellendig, ongelukkig
anóiteach
/ka.ˈtɛɪf/, /kɑ.ˈtɛːf/
noun
  1. 1. ellendeling, stakker
    aimleoir
  2. 2. feeks, boosaardig vrouwmens
    dallóg fhraoigh
noun
caitian
/kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
cadás
noun
1. bepaald soort tor, Anthonomus grandis
cruimh chadáis
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
puilín
noun
miontas cait
noun
1. een vervelend lichamelijk gevoel dat kan ontstaan na overmatig alcoholgebruik
póit
noun
1. bepaald soort loofboom Salix viminalis
saileánach
noun
1. een bewusteloosheid die maar kort duurt
aisnéal
pronoun
1. gebergte
Cugas
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
cág
verb
cogain
noun
1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
guma
noun
guma
pronoun
1. Austronesische taal die op Taiwan gesproken wordt
Cavalainis
noun
cinniúint
noun
1. een afgescheiden deel van een geheel
leithdháileadh
noun
1. inwoner van Kazachstan
Casacach
pronoun
1. een taal die van oorsprong door de Kazachen in Kazachstan gesproken werd
Casachais
/ˈka.zɑx.stɑn/, /ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
An Chasacstáin
noun
1. inwoner van Kazachstan
Casacach
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
casal
pronoun
1. oudste zoon van Adam en Eva
Cáin
/keːl/
noun
1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
scornach
noun
1. bovenste opening van de slokdarm
craos
/keːp/
noun
  1. 2. kleurrijke vinkensoort
    breacán
  2. 1. kerf
    scór
/ˈkipər/
noun
cúl báire
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
uair
noun
trópaic
noun
1. de andere kant van een munt of medaille, meestal de minder goede of mooie kant
aisiompaigh
noun
1.
aisiompaigh
noun
1. langharige, middelgrote hond met pluimstaart
Pomaerach
noun
1. klein hondje dat hinderlijk veel blaft
sceamh
noun
1. een blok met een schuine kant
ding
/ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
cón
noun
1. brok gesteente
bollán
/kɛil/
noun
1. keil (wig)
ding
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
impire
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
banimpire
adjective
impiriúil
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
impireacht
noun
1. een ondergrondse bergruimte
íoslach
noun
cuach
noun
freastalaí
noun
1. een vrouwelijke kelner
banfhreastalaí
/kɛɫt/
noun
1. lid van een Indo-Europees volk waarvan na de Romeinse tijd de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
Ceilteach
/ˈkɛl.tis/, /ˈkɛɫ.tis/
adjective
1. met betrekking tot Kelten
Ceilteach
noun
zie ook kameel
camall
noun
1. bepaald soort vogel, Calidris pugnax
rufachán
noun
2. bazige, onvriendelijke vrouw
dallóg fhraoigh
/ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
An Chéinia
/'kɛnmɛrkə(n)/
verb
1. een herkenningspunt ergens van zijn
tréithrigh
/ˈkɛ.nəl/
noun
conchró
adverb
1. zoals inmiddels duidelijk is geworden
is cosúil go
verb
  1. 1. bekend, vertrouwd zijn met
  2. 2. door studie of oefening geleerd hebben
aithin
noun
saineolaí
/ˈkɛnɪs/
noun
  1. 1. wat je weet of hebt geleerd
    fios
  2. 1. iemand met wie men bekend is
    aitheantas
noun
aitheantas
noun
1. het geïnformeerd raken
scrúdú
noun
1.
carachtracht
adjective
1. waardoor iemand kort en bondig wordt omschreven
gnáth-
noun
1. een spreuk die als kenteken wordt gebruikt
sluaghairm
noun
1.
ceinteár
verb
1. omdraaien
deil
noun
corrán
verb
1. met een keper weven
corrán
/ˈkɛpəl/
noun
1. hoofddeksel in de vorm van een ondiep bolsegment
cochall
noun
ceirmeacht
adjective
2. gemaakt van keramiek
criaga
noun
1.
criadóir
verb
1. de andere zijde toewenden
deil
noun
1. een ingesneden groef
scór
/kɛrk/
noun
  1. 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
  2. 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
  3. 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
  1. eaglais
  2. teampall
/ˈkɛrk.bɑn/
noun
1. uitsluiting van de sacramenten of de kerkgemeenschap
coinnealbhá
/ˈkɛrk.bɑŋk/
noun
1. harde langwerpige constructie waar in een kerkgebouw waarop gelovigen tijdens een dienst kunnen zitten
suíochán
noun
paróiste
noun
1.leek die klusjes doet in een kerkgebouw
cléireach
noun
1. bijeenkomst van een christelijke gemeente waarin God vereerd wordt
seirbhís eaglaise
/ˈkɛr.kə.lək/
adjective
1. verband hebbend met de kerk
eaglaiseach
/kɛrkər/
noun
1. een ondergrondse ruimte die bestemd is voor het opsluiten van gevangenen
doinsiún
/ ˈkɛrkχɑŋər /
noun
1. een gelovige die zich naar de kerk begeeft om de kerkdienst bij te wonen
Aifreannach
/ ˈkɛrkχɑŋstər /
noun
1. een gelovige vrouw die zich naar de kerk begeeft om de kerkdienst bij te wonen
Aifreannach
/ˈkɛrk.ɣəˌbɔʊ̯/, /ˈkɛrk.χəˌbɑʊ̯/
noun
1. een bel naast de ingang van de sacristie die tijdens kerkdiensten geluid wordt
eaglais
/ˈkɛrk.ɣəˌsxi.də.nɪs/, /ˈkɛrk.χəˌsχi.də.nɪs/
noun
1. een deel van de wereldgeschiedenis zoals die zich verhoudt tot het christendom
Críostaíocht
/ˈkɛrk.ɣəˌzɑŋ/, /ˈkɛrk.χəˌzɑŋ/
noun
  1. 1. het zingen in een kerk van meestal religieuze liederen
    amhránach
  2. 2. een lied bedoeld voor gebruik bij [1]
    iomann
/ˈkerk.ɦɪsˌtoː.ri/, /ˈkerk.ɦɪsˌto̝ː.ri/
noun
1. een deel van de wereldgeschiedenis zoals die zich verhoudt tot het christendom
Críostaíocht
noun
1. terrein waar overledenen begraven worden
reilig
noun
1.
ard-deoise
noun
1. een toren bij een kerk
túr eaglaise
/ˈkɛrgœːl/, /ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
scréachóg reilige
noun
1. kerkbeheerder
foirfeach
noun
1. een feest met attracties
aonach
noun
ceimic núicléach
noun
1. energie geproduceerd door kernfusie of kernsplijting, waarmee in een kerncentrale elektriciteit wordt opgewekt
fuinneamh núicléach
noun
1. een rampzalige gebeurtenis waarbij de brandstof van een kernreactor smelt door het wegvallen van de koeling
leá iomlán
noun
1. een vrij zware fractie alkanen die met name als vliegtuigbrandstof gebruikt wordt
ceirisín
noun
specerij
anlann curaí
adjective
leasaigh
noun
1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
silín
/ˈkɛr.sə.ˌlaːr/
noun
2. het hout van een boom uit het geslacht Prunus
crann silíní
/kɛr.ˈsta.vɔnt/, /kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
Oíche Nollag
/ˈkɛrsd.bom/, /ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
crann Nollag
/ˈkɛrs.dɑx/, /ˈkɛrs.dɑχ/, /ˈkɛrz.dɑx/
noun
Nollaig
/ˈkɛr.stə.ˌnə(n)/
verb
2. heidense volkeren, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren; veelal in historische context
críostaigh
/ˈkɛrs.fes/, /ˈkɛrst.fest/
noun
An Nollaig
/ˈkɛrs.kart/, /ˈkɛrst.kart/
noun
1. een wenskaart die wordt gekenmerkt door een kerstgroet en wensen voor het komende nieuwe jaar
cárta Nollag
/ˈkɛrs(t)məs/, /ˈkɛrsmɪs/, /ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
  1. Nollaig
  2. An Nollaig
/ˈkɛr.stɑl/, /ˈkɛr.stɑɫ/
noun
1. een voorstelling van de geboorte van Jezus met figuren van hout of gips, die vooral in katholieke gezinnen rond Kerstmis in huis te vinden is, vaak onder de kerstboom
radharc bhreith Chríost
/ˈkɛrstɛr/
noun
poinséitia
noun
2. keukenkruid
  1. camán gall
  2. costóg
verb
1. met een scherp voorwerp een insnijding trachten te maken in een hard oppervlak
scór
noun
1.
céataimín
noun
1. een saus op basis van tomaten
citseap
noun
2. waterketel
citeal
/ˈke.təl.dɑl/, /ˈke.təɫ.dɑɫ/, /ˈkeː.təl.dɑl/
noun
1. een half cirkelvormige vallei gevormd door de erosie die een gletsjer veroorzaakt
coire
noun
scabhaitéir
noun
1. uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
slabhra
noun
1. een Indonesische sojasaus gemaakt van een mengsel van sojabonenmeel, grof gemalen tarwe, kruiden en zout
anlann soighe
noun
zuurvergiftiging bij suikerziekte
céataigéadóis
noun
1. gemalen korianderzaad
lus an choire
noun
1. iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
eiriceach
verb
  1. 1. aanhangen van een afwijkende mening of godsdienst
    diamhaslaigh
  2. 2. vloeken, schelden en tieren
    eascaine
/ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
eiriceacht
noun
  1. 4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
    bráisléad brád
    1. 1. een aaneengesloten reeks van gelijksoortige elementen, gebeurtenissen etc.
    2. 2. een stevige, maar buigzame verbinding van in elkaar grijpende ringen of achtvormige schakels
    slabhra
noun
1. metalen, linnen of plastic hoes om een fietsketting die ook de tandwielen omvat, bedoeld om de ketting en de kleding van de fietser te beschermen
garda slabhra
/ˈkøːkə(n)/
noun
  1. 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
  2. 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
cistin
noun
2. een doek om de vaat af te drogen
ceirt soithí
noun
1. alle gebruiksvoorwerpen in de keuken
gréithe cistine
noun
2. een brutale, bazige onafhankelijke keukenmeid
cócaire
noun
1.
dréimire taca
noun
1. uit natriumchloride bestaand voedingszout
salann mín
pronoun
Köln
noun
2. uitgelezen verscheidenheid
togha
verb
1.zich een oordeel vormen over de waarde of deugdelijkheid van iets
scrúdú
adverb
1. erg netjes en beleefd
cúirialta
noun
  1. 1. proces van het keuren
  2. 2. onderzoek
scrúdú
/'kø:s/
noun
gelegenheid
togha
verb
1. nutteloos bezig zijn
criadóir
verb
1. gezellig praten zonder al te veel diepgang
caislín
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
rogha
/ˈkevər/, /ˈkɛvər/
noun
1. bepaald insect
ciaróg
/ˈkiːbɔː(r)d/, /ˈkiːbɔː(r)t/
noun
2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
  1. eochairchlár
  2. méarchlár
pronoun
1. Austroaziatische taal gesproken door 1 miljoen mensen in de staat Meghalaya in het oosten van India
Caisis
pronoun
1. taal die in Cambodja gesproken wordt
Cambóidis
/kɪbələ(n)/
verb
1. woordenstrijd hebben
áitigh
/kɪk/
noun
cic
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
fuadach
noun
1.1 benaming voor roofvogels uit het geslacht Circus
cromán
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Cíle
noun
1. kledingstuk zonder voorsluiting dat het bovenlichaam bedekt
forbhríste
noun
1. onderdeel aan de bovenkant van de toets van een strijkinstrument
cnó
noun
1. spoor van waterstroom (achter een schip)
marbhshruth
adjective
1.
aiseipteach
noun
1. het weefsel in de zaden van zaadplanten, dat vaak een rol speelt bij de opslag van reservestoffen ten behoeve van de kieming, de groei van het embryo en van de jonge plant
albaimín
noun
1. een wagen met een kantelbare laadbak, zodat de lading eenvoudig gelost kan worden
dumpaire
noun
pléasc
noun
1.
vóitéir
noun
1. pijn in één of meerdere kiezen
déideadh
verb
1. het prikkelen van gevoelige stukken huid bij anderen door middel van licht aanraken
cigil
noun
1. ademhalingsorgaan van vele in water levende dieren
geolbhach
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Cív
noun
pilibín
noun
  1. 1-2
    gairbhéal
  2. 3. silicium (zie silicium)
    sileacan
noun
méaróg
verb
1. uit meerdere mogelijkheden één nemen
roghnaigh
noun
1. iemand die stemt bij een politieke verkiezing
vóitéir
verb
caitleáil
verb
  1. féach
  2. amharc
noun
1. optreden dat speciaal opgevoerd wordt om naar te kijken
clár
verb
1. ruzie maken, een woordenstrijd hebben
bruíon
noun
1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
frog
noun
1. legsel
glóthach fhroig
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
  1. piseánach
  2. sicphiseánach
noun
1. kikker- of paddenlarve
torbán
pronoun
Ciocúis
noun
1.
fuacht
noun
marfóir
abbreviation
1. kilogram
cileagram
noun
1. duizend meter
ciliméadar
noun
1.de koelte van iets
dearóil
interjection
  1. 3. strook aan de zijkant van een enkel blad
    snab
  2. 1. horizon
    spéire
noun
claonas
noun
spéire
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
smig
noun
  1. 2. persoon voortkomend uit
    1. páiste
    2. leanbh
  2. 1. mens tussen 0 en 18 jaar
    1. páiste
    2. leanbh
    3. gasúr
adjective
1. zich niet als volwassene gedragend alsof men nog een kind is
leanbaí
noun
1. toeslag van staatswege, bedoeld om de opvoeding van kinderen gemakkelijker te maken
sochar linbh
noun
peataireacht
noun
leanbhliacht
noun
1. kindermeisje (in een huishouden)
banaltra
noun
1. alle kleren die speciaal gemaakt zijn voor kinderen
éadach páistí
noun
1.
aerthacht
noun
2. jongedame die als taak heeft op de kinderen te passen
banaltra
noun
1. het om het leven brengen van een kind
dúnmharú páiste
noun
1.
feighlí páistí
noun
1.
baile altrama
noun
1.
polaimiailíteas
noun
1. een voertuig waarin zuigelingen of kleuters met de hand verreden kunnen worden
cóiste linbh
noun
1.
pósadh leanaí
noun
1. een kind dat teveel verwent wordt door de ouders
cumann
noun
1. bewegingsleer
cinéitic
adjective
1. wat beweging veroorzaakt
cinéiteach
noun
quinín
noun
abhlóir
/kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
triuch
noun
sceall
/kɪp/
noun
1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
cearc
noun
hok voor kippen
cró cearc
noun
1.
linntreog
pronoun
1. de taal die in Kirgizië gesproken wordt
Cirgeasach
/kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
an Chirgeastáin
/ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Cireabaití
pronoun
1. taal die door 67 790 mensen in Kiribati, Fiji, Nauru, de Solomoneilanden, Tuvalu en Vanuatu wordt gesproken
Cireabaití
/kis'lev/, /'kislɛv/
noun
1.
Cisléiv
/ˈkɪslew/
noun
1.
Cisléiv
/kɪst/
noun
bosca
/kɪts/
adjective
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
cits
noun
2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
cíobhaí
noun
marbhna
pronoun
Olagóin
noun
marbhna
/klaːr/
adjective
  1. 1. in staat van gereedheid gebracht, gereed
    fa réir
  2. 2. helder, duidelijk
    glan
adjective
1. kennelijk
follasach
noun
1. helderheid, transparantie
glaine
verb
  1. 2. uit ingrediënten klaarmaken
    cóirigh
  2. 1. voorbereiden
    deasaigh
verb
1. iets moeilijks in orde of ten einde brengen
bainistigh
noun
1. een aanklacht
acaoineadh
noun
  1. 1. vlek
    aimsigh
  2. 7. voorlopige opzet
    dréacht
noun
1. minderwaardig soort papier waarop je vluchtige aantekeningen kunt maken
fuíollpháipéar
noun
1.
dréacht
verb
1. ongenoegen uiten
bí ag clamhsán
/ˈklaɣər/
noun
gearánach
noun
1. in het algemeen wordt hiermee het totaal aan eigenschappen van een geluid aangeduid
fuaim
noun
1. het zich naar voren verwijdende gedeelte van de opening van sommige blaasinstrumenten
clog
noun
foghraíocht
/ˈklɑŋknabotsɪŋ/
noun
  1. 1. het (proberen) een zelfde geluid te produceren
  2. 2. een woord dat is ontstaan uit het proberen een geluid na te doen
fuaimfhoclaíocht
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
custaiméir
noun
cárta dílseachta
noun
  1. 2. bestraffing
    boiseog
  2. 1. plotselinge, luidruchtige slag
    plab
noun
diúgaire
noun
1. bepaald soort zoogdier, Cystophora cristata
rón cochallach
verb
1. applaudisseren
boiseog
noun
crann cnó cócó
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
poipín
noun
2. hoogtepunt van een uitvoering, concert
aird a tharraingt ar
verb
1. heftig slaan met de vleugels
boiseog
verb
3.
bain amach
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
clairnéid
noun
1. een soort trompet met een schelle klank
buabhall
/klɑs/
noun
  1. 2. een leerjaar op school
    foirm
  2. 1. een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
    rang
noun
aicme
adjective
clasaic
verb
lúb iompaithe
/klʌu/
noun
  1. 1. poot van een roofdier
  2. 2. hand
crúb
noun
casúr cluasach
noun
1. klauwplaat
crágán
noun
1. langwerpig vierkant toetsinstrument dat behoort tot de muzikale familie van de toetsinstrumenten.
clabhchorda
noun
1. toetsinstrument
cruitchlár
noun
seamair
noun
1. langwerpig vierkant toetsinstrument dat behoort tot de muzikale familie van de toetsinstrumenten.
clabhchorda
verb
1. kleren aandoen
gléas
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
éadach
noun
1.
éadach
noun
1.1 tapijt
cairpéad
noun
drisiúr
noun
feisteas
noun
táilliúir
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
táilliúir
/klɛɪ̯/, /klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
cré
adjective
1. van geringe grootte
beag
pronoun
Anatóil
adjective
2. benepen, bekrompen
cearnóg
/ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
gariníon
pronoun
1. een hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk sterrenbeeld
Béar Beag
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Leon Beag
noun
1.
droimneach beag
noun
1. Ailurus fulgens, een klein zoogdier dat in Azië leeft
panda rua
noun
1. bepaald soort vlinder, Aglais urticae
ruán beag
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Péist Bheag
noun
miondíoltóir
/ˈklɛːŋkɪnt/, /ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
garmhac
noun
1. klein voorwerp van hoge waarde
seoid
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
garmhac
noun
1.
poll cré
verb
liomóg
noun
blas
noun
1. verstelbare afsluiting
comhla
/ˈklepəl/
noun
peervormige staaf in een klok
boschrann
/ˈkleː.rən/
noun
1. kleding of kledingstukken
éadach
verb
2. praten, babbelen
bí ag cabaireacht
noun
1.iemand die veel en nodeloos praat
scéalaíocht
adjective
1. de neiging hebbend om te keuvelen
béalach
noun
1. nonsens, geleuter
amaidí
noun
cabaire
noun
scéalaíocht
noun
1.
cabaire
/kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
dath
adjective
1. vol opvallende kleuren
dathannach
/'kløtərsxol/
noun
1. een school voor de leeftijdsgroep 4-6 jaar
naíscoil
verb
camán
adjective
1. met de neiging om te plakken
greamachán
/ˈkleːvərɪx/
adjective
1. vasthechtend bij aanraking
greamaitheach
noun
1.
praiseach
noun
aicme
noun
2. orgaan
faireog
noun
1. steile hoge rots
aill
noun
  1. 1. kort geluid
  2. 2. actie op en computerscherm
  3. 3. soort medeklinker
cliceáil
verb
1. een klikkend geluid maken
cliceáil
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
  1. aeráid
  2. aer
noun
séantóir aeráide
noun
1.
athrú aeráide
noun
1. de verandering van het klimaat in een bepaald gebied over een bepaalde periode, m.n. de wereldwijde opwarming sinds de 19e eeuw
athrú aeráide
/klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
clíomeolaíocht
verb
1. het bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
ardaigh
adjective
1. bezig met te stijgen; bezig met te klauteren
dreapadóireacht
/'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
  1. eidheann
  2. eidhneán
noun
1. sport- of speeltoestel waarop men klimt
barraí moncaí
noun
1. klimconstructie
barraí moncaí
noun
1.
lann
verb
1. een kort, zacht, helder geluid dat ontstaat als metalen of glazen voorwerpen herhaaldelijk tegen elkaar aanstoten
cró troda
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
Tliongáinis
noun
1. een inrichting waar patiënten worden verpleegd
clinic
/klɪŋk/
noun
1. handvat om de deur te openen of te sluiten
lámh
verb
1. een bepaalde klank voortbrengen
fuaimnigh
/ˈklɪŋkər/
noun
  1. 3. een harde baksteen die door zijn structuur geen water opzuigt
    bríce
  2. 1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
    guta
adjective
1. zeer duidelijk, overduidelijk
machaire
noun
1. een metalen verbinding tussen twee platen bestaande uit twee cilidrische delen die van weerszijden,...
seam
adverb
1. zo duidelijk dat een misverstand uitgesloten is
follasach
noun
1. plant met kleverige bloemknoppen
copóg thuathail
noun
  1. 4. een zeer aanhankelijke persoon
    angarúinneach
  2. 1., 2. plant met kleverige bloemknoppen
    copóg thuathail
noun
  1. 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
  2. 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
clog
/ˈklɔkɦœs/, /ˈklɔkɦœʏs/
noun
1. binnenste van een vrucht
croí
noun
clog
noun
uaireadóirí
noun
1. muziekinstrument met klokken
clogaireacht
noun
1. een constructie die dient voor het ophangen van een of meerdere klokken
clogás
noun
1. smal hoog bouwwerk met bovenin een of meer lui- of slagklokken of een carillon
clogás
/klɔmp/
noun
  1. 2. een vrij vormeloze hoeveelheid materiaal
    baog
  2. 1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
    paitín
noun
1. een hoeveelheid verdikt materiaal met een omvang die niet goed te definiëren is.
daba
verb
1. klonten vormen
teachtán
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord klont
ciúb
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
cainneon
/klostər/
noun
  1. 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
  2. 2. een kloostergemeenschap als zodanig
mainistir
/klostərlɪŋ/
noun
1. iemand die gekozen heeft voor het leven in een klooster
bráthair
noun
clasán
verb
  1. 4. in toestand brengen
    aoire
    1. 2. hoorbaar bewegen
    2. 5. verslaan
    gread
adjective
1. van iets dat het helemaal correct is
baileach
noun
2. deurklopper
ceoltóir rap
/ˈklɔpt/
interjection
bevestiging
beacht
/klœʏs/, /klœːs/
noun
1. een tegen inbraak en brand beveiligde kist of kast
slán
verb
1.in bewegingen en invloed beperken
slabhra
/klœʏt/, /klœːt/
noun
2. een brokkelige onsamenhangende massa
daba
noun
1. iemand die alleen en in afzondering leeft
ancaire
noun
1. een onhandig persoon
útamálaí
/klyt/
noun
1. bepaald soort watervogel, Recurvirostra avosetta
abhóiséad
noun
1. tot een bol opgewonden draad
ceirtlín
/ˈknaxdiːr/, /ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
creimire
noun
1. jongen, jongeman
cuireata
verb
raisín
noun
pléasc
verb
1. een hard geluid of knal geven
plab
noun
ciúnadóir
adjective
  1. 1. verstandig
    abúil
  2. 2. aantrekkelijk
    dathúil
noun
  1. 2. intelligentie
    faisnéis
  2. 1.
    ordúlacht
verb
1. hoorbaar zijdelings bezwijken
pléasc
adjective
úr
verb
1. de kaken op elkaar geklemd over elkaar bewegen, gewoonlijk uit ergernis of frustratie
fáisc
noun
1. iemand die in dienst is van met name een boer
searbhónta
noun
1. het moeten gehoorzamen en dienen van een meester
giallacht
noun
1. een bot van een dood persoon
alt
verb
1. pijnlijk drukken
fáisc
noun
deacracht
noun
1. bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
gleoiseach
noun
1. een prop, doek of stuk plakband waarmee iemand het spreken belet wordt
gobán
verb
2. onderdrukken, de mond snoeren
béal
noun
1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
glúin
noun
  1. 1.2. buiging als vorm van sportbeoefening
    suigh ar do ghogaide
  2. 1.1. buiging als eerbetoon
    umhlú
noun
1.
pillín glún
verb
1. op de knieën gaan
bí ar do ghlúine
noun
1. het schijfvormige bot in de knie
gealacán glúine
verb
1. tussen twee punten druk uitoefenen
fáisc
noun
1.
teanchair
noun
1. balletje van glas, marmer, steen, hout of klei
mirlín
noun
bearradh gruaige
verb
  1. 1. met een schaar uitsnijden
  2. 3. (informatica) overnemen van informatie
bain
noun
2. oranje knipperende lamp aan de zijkant van een voertuig, gebruikt om aan te geven dat men het voertuig naar rechts of links wil manoeuvreren
treotháscaire
adjective
1.
casta
noun
1. kapsel waarbij het lange haar in een knot gedraaid wordt
borróg
noun
1. viezigheid ontstaan door morsen
praiseach
verb
2. iets slordig vervaardigen
abach a dhéanamh ar
adjective
1.
míshlachtmhar
noun
1.
calaois
noun
1.
ablálaí
noun
botún
noun
1.
alt
noun
2. bundel ineengedraaid haar
borróg
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
gairleog
noun
cnámh
noun
1. vingergewricht
alt
verb
  1. 1. vechten
  2. 2. (figuurlijk) vechten
bruíon
/'knɔkər/
noun
1. vechter
amhas
noun
  1. 3. aftands werkpaard.
    séad
  2. 1. verdikte plantenwortel.
    tiúbar
  3. 2. koolraap, een eetbare wortel van een plant uit het geslacht Brassica.
    tornapa
noun
tornapa
noun
soiliriac
noun
  1. 3. aan een jas e.d.
    1. cnaipe
    2. cnaipí
    1. 1. in een draad
    2. 2. snelheidsmaat
    snaidhm
noun
  1. 1. een kruispunt van twee of meer grote wegen
    nód
  2. 2. het punt waar twee rechte stukken van een open of gesloten veelhoek bij elkaar komen
    stuaic
noun
1. spleet die in een stuk stof is gemaakt zodat een ander stuk stof daaraan kan worden vastgemaakt
poll cnaipe
verb
1. een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
alt
/'knɔrə(n)/
verb
  1. 1. een geluid voortbrengen zoals een varken
    gnúsacht
  2. 3. snurken
    srann
noun
1.
cantalán
verb
uachtar
noun
1. omhelzing
barróg
verb
1. omhelzen
deasaigh isteach (le)
noun
1.
barróg
adjective
amhlabhrach
noun
1. korte dikke stok, bedoeld om lijfstraf mee uit te delen
smachtín
verb
1.
club
noun
1.
caidreamhacht
adverb
1.
seascair
noun
1.
míoltóg ghainimh
/knʌtsələ(n)/
verb
1. zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf
scabhaitéir
noun
1. een Australisch buideldier
cóála
noun
1.
cóála
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
cóbalt
adjective
gorm cóbailt
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
damhán alla
noun
1. vrouwelijk rund
bó
noun
1. koe
bó
noun
1. iemand die de wacht houdt bij runderen
aoire bó
noun
bainne
noun
1. behuizing voor rundvee
bóitheach
noun
cáca
/[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
briosca
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
cuach
noun
klok
clog cuaiche
adjective
1. met een naar verhouding lagere temperatuur dan de warme of hete omgeving
réidh
noun
1.
cuisneoir
noun
cuisneoir
noun
1. koude temperatuur
cúileach
noun
cuisniú
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
cuisneoir
noun
1.
túr fuaraithe
noun
1.
cuisneoir
/ˈkuːmɛlk/
noun
bainne
pronoun
Cúimicis
noun
1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
cruinneachán
noun
1. een vereniging of stichting waarin een aantal belangenorganisaties vertegenwoordigd zijn
brateagraíocht
noun
1. ziekte bij runderen lijkend op de pokken gebruikt bij de vaccinatiecampagne tegen de pokken
bolgach bó
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
Coirdis
noun
1.
eachlach
noun
bóthar
noun
1. de uitgezette koers die een vliegtuig / vaartuig zou moeten volgen
éadach
noun
1. overdekte ruimte waarin koeien kunnen verblijven
bóitheach
adjective
1. liefdevol verzorgend
beathúil
/ˌku.tər.ˈʋaːls/
noun
1. aanduiding voor een onverstaanbare taal
gibiris
noun
1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
carráiste
noun
1. bepaald soort vlinder, Aphantopus hyperantus
bachall
noun
1. stevige metalen stang voorzien van een gespleten einde, gebruikt om er zaken mee open te breken
gró
/ˈkuwɛɪ̯t/, /ˈkuʋɛɪ̯t/, /ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
Cuáit
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
cás
noun
1. het gedeelte van een auto waar de bagage in geplaatst wordt
búit
noun
1. een ruimte waarin men koffers kan bergen
búit
noun
1. drank uit koffiebonen
caife
noun
caife bán
noun
pónaire chaife
noun
siocaire
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
caifé
noun
1.
cáca caife
noun
1. een huishoudelijk apparaat waarin koffiebonen kunnen worden gemalen
meilteoir caife
noun
2.
bord íseal
noun
leabhar bord íseal
noun
1-2. munitie
piléar
verb
1.
roicéad
adjective
1.
urchar
noun
cócaire
verb
2. met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
cócaráil
/ˈkokənt/
adjective
1. wild en woest
aindreanta
noun
  1. 1. een smal cilindervormig hol voorwerp
    bosca
  2. 2. een keukenapparaat waarin iets kan gekookt worden
    galún
noun
  1. 1. het koken, de kookkunst
    cócaireacht
  2. 2. bedrijf waar men eten bereidt
    lónadóireacht
verb
1. behaagziek zijn
bí ag súgradh
noun
1. op een aanstellerige manier aandacht trekken
cúirtéireacht
noun
1. Cerastoderma edule een schelpdier dat wel als voorafje gegeten wordt in mosselrestaurants
crotal
noun
ruacan coiteann
noun
2. kok
cócaire
noun
1. bepaald soort zeevogel met een gekleurde kop en een lachende roep, Chroicocephalus ridibundus
droimneach beag
/ˈko.kɔsˌpɑlm/, /ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
crann cnó cócó
noun
craiceann béir
noun
calchas
noun
2. open wagen direct achter een stoomlocomotief waarin de kolen worden vervoerd die gebruikt worden voor het maken van stoom
armacach
noun
1. ganzensoort
gé bháneadanach
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
dordéan
noun
colún
noun
1. een hoge militaire rang
coirnéal
/'kolonijaˌlismə/
noun
1.
coilíneachas
/koˈloni/
noun
1. een vestiging van een deel van een bevolking, buiten het eigenlijke territorium van dat volk
coilíneacht
adjective
ábhalmhór
pronoun
Colasaeigh
noun
1. eetgerei zoals een bord, maar dan dieper
babhla
noun
1. afkomst
bunphointe
noun
aisteoir
/koˈmedi/
noun
1. een blijspel
coiméide
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
cóiméad
verb
1. bewegen van verder weg naar dichterbij
tar
adjective
seo chugainn
/kɔm'for/
noun
bruthaire
pronoun
1. macrotaal die door 220 duizend mensen in Rusland gesproken wordt
Coimis
adjective
1. lachlust opwekkend
barrúil
noun
1. iemand die een publiek vermaakt door ze aan het lachen te brengen
aisteoir coiméide
noun
plant, zaden en specerij
cuimín
adjective
greannmhar
/kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
cúcamar
/ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
camóg
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Compás an Mhairnéalaigh
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
compás
noun
snáthaid
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
mianadóir
noun
teacht
verb
1. plaatsen van levensmiddelen in suiker om deze te zoeten en te conserveren
milseán
/kɔˈnɛɪn/, /kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
  1. cóinín
  2. coinín
/ˈkonɪŋ/, /ˈkoːnɪŋ/
noun
  1. 1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
  2. 2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
rí
pronoun
Ríthe
/konɪˈŋɣɪn/, /konɪˈŋɪn/, /koʊnɪˈŋɪn/
noun
banríon
noun
ríogacht
noun
1. hoofddeksel als teken van de waardigheid van een koning
baithis
noun
1. een bewuste moord op een koning.
rímharfóir
/ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
ríoga
/ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
ríocht
noun
1. onbetrouwbaar persoon die allerlei duistere en oneerlijke zaakjes regelt
cogarnach
noun
1. de billen, het achterwerk
tóin
noun
1. weergave van het gelaat
portráid
noun
1. anus
clasán
noun
1.
conbhua
/koːɪ/
noun
    1. 4. slaapplaats op een schip
    2. te controleren vertalingen
    bunc
  1. 3. stal
    cró
  2. 1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
    cábán
noun
boek waaruit men leert koken
leabhar cócaireachta
noun
bruthaire
noun
1. metalen vat waarin men een vloeistof kan verhitten
coire
noun
1.
cistin
noun
1.
bruith
noun
1. een toestel waarop een pan geplaatst kan worden om via verwarming van de pan...
bruthaire
noun
  1. 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
    1. cabáiste
    2. cál
  2. 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
    gual
noun
scuab
noun
1. reukloos gas dat ontstaat bij volledige verbranding van koolstof
dé-ocsaíd charbóin
noun
1. een bepaald type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
carbaihiodráit
noun
meantán mór
noun
aonocsaíd charbóin
noun
svaeid
noun
cálráib
/ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
carbón
noun
timthriall carbóin
noun
1. verbinding met moleculen van één atoom zuurstof en één atoom koolstof (CO)
aonocsaíd charbóin
noun
1.teer verkregen uit steenkolen, een zwarte taaie vloeibare massa die hoofdzakelijk uit polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) bestaat
tarra guail
/kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
hidreacarbón
/'kolzyr/
noun
1. H₂CO₃
aigéad carbónach
noun
1. een gas, bestaande uit een verbinding van koolstof en zuurstof (CO₂)
dé-ocsaíd charbóin
noun
grua
/kop/
noun
aicseam
noun
1. iets wat men voordelig aanschaft
conradh
noun
ceannaí
noun
1.goederen die een koopman wilt verkopen
earra
noun
1. een groep mensen die samen zingen
cór
noun
1. streng van in elkaar gedraaide vezels
rópa
noun
1. rechte tussen twee cirkelpunten
rópa
noun
1. een wijd, wit linnen hemd, dat reikt tot aan de knieën en gedragen wordt over de toog door een priester of misdienaar
suirplís
noun
1. dirigent van een van een groep mensen die samen zingen
conduchtaire
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
fiabhras
noun
1. beentje van vinger of teen
falang
noun
    1. 1. hoofd van een dier
    2. 2. hoofd van een mens
    3. 9. zijde van een geldstuk met een afgebeeld hoofd
    ceann
  1. 1. porseleinen recipiënt met oor, om uit te drinken
    cupán
noun
1. iemand waarop iedereen zijn ergernis over een misstand afreageert
ceap milleáin
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
ceannaigh
pronoun
1.
Cóbanhávan
noun
2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
copar
noun
1. een afschrift of andere reproductie van een document of ander voorwerp
cóip
noun
fótachóipeálaí
noun
lámhscríbhinn
noun
cóipcheart
/kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
1. een duplicaat maken van
cóip
noun
1. kopje
cupán
/ˈkɔplɑmp/
noun
1. een witte of gele lamp aan de voorzijde van een voertuig
ceannlampa
noun
1.
ceann
noun
crios
verb
3.
cluiche
noun
  1. 1. een constructie die in een motor of voertuig mechanische krachten op een te onderbreken wijze overbrengt
  2. 3. een verbindingsstuk
ál
noun
1. een streepje om twee of meer woorden een eenheid te laten vormen
fleiscín
/ˈkɔpəx/, /ˈkɔpəç/
adjective
1. vasthoudend aan eigen wil of inzicht
ceanndána
noun
benaming voor dieren uit de klasse Cephalopoda
ceifileapód
noun
2. een afscheiding in de vorm van een schot die de passagiersruimte van een voertuig van de laadruimte scheidt
bulcaid
adjective
anbhách
noun
1.
cuach
noun
1. ± combinatie van een glas bier en een glas sterke drank, al dan niet gemengd
beoir
noun
1. stel van twee kleine luidsprekers die men tegen of in de oren plaatst
cluasáin
adjective
1. betrekking hebbend op de kopten (een christelijk Egyptisch volk)
Coptach
noun
1. een probleem waar je steeds aan moet blijven denken en waarvan je bang bent dat het niet goed zal aflopen
cuir imní ar
noun
1. skelet van de koraalpoliep
coiréal
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan
an Mhuir Choiréil
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
An Córan
adjective
1. vastbesloten, vastberaden
comhlacht
noun
1. het heel doortastend zijn
diongbháilteacht
noun
1. afzetting gemaakt van posten of personen om een gebied af te sluiten van de omgeving
ribín ridireachta
/koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Cóiré
/koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
Cóiréis
noun
1. plant met helderblauwe samengestelde bloemen, Centaurea cyanus
coirce gorm
noun
1.
buiséal
noun
1. een mand van vlechtwerk
cis
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
lus an choire
pronoun
Corantaigh
noun
  1. op een bugel gelijkend koperen blaasinstrument
  2. 1. rang van vaandrig bij de cavalerie en de artillerie bij de Koninklijke Landmacht
coirnéad
noun
conbhaiscne
noun
1.
comrádaí
noun
1. een enkele zaad van graan
gráinnín
/kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
screamh
noun
1. deeg voor de stevige korst van een taart
puth-thaosrán
adjective
2. van een huid met schilfers en korsten
carrach
noun
léicean
adverb
  1. 1. van geringe duur
  2. 2. van geringe lengte
gairid
adjective
1. heel snel boos zijn
gearrbhéalach
verb
1. in geldbedrag verlagen
giorraigh
noun
1.
gearrscannán
noun
1.
achomaireacht
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
lacáiste
noun
1. de eigenschap dat iets maar van korte duur is
achomaireacht
noun
1. een staaf waarmee schoten, vallen en andere lijnen op zeilschepen worden belegd
méar
adjective
1. in een wat ontstemde, dysforische, boze, geprikkelde, ongeduldige stemming zijn
crosáil
noun
cosmoloxía
/ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
  1. Cosaiv
  2. an Chosaiv
noun
2. voedsel, als onderdeel van het dagelijks bestaan
bia
adjective
luachmhar
adjective
1. zonder kosten
poc saor
verb
1. als te betalen prijs hebben
cosain
noun
1. kerkelijke bediende, die met de zorg van het kerkgebouw, en het vlot verloop van de kerkdiensten belast is
cléireach
noun
1. een vergoeding die thuiswonende kinderen aan hun ouders betalen. De vergoeding kan worden gebaseerd op de huurprijs/hypotheek, voeding, telefoonkosten en verbruik van gas, water en elektriciteit en andere dagelijkse kosten
clár
noun
1. het huis waar men eet en slaapt
iostas
noun
1. een school waar de leerlingen vijf dagen per week niet alleen les volgen, maar ook maar ook kost en inwoning krijgen
scoil chónaithe
noun
culaith
noun
fear tuillimh
noun
1. iets waarmee iemand zijn brood verdient
slí bheatha
noun
cuitéar
/kɑu̯/
noun
  1. 1. lage temperatuur
  2. 2. een virusinfectie aan keel of neus
dearóil
/kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
fuar
/kʌʊtˈbludəx/
adjective
  1. 1. niet de eigen lichaamstemperatuur regulerend
  2. 2. zonder emotie
danartha
/ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
geimhreadh
noun
1.
fronta fuar
noun
1. het een lage temperatuur hebben
dearóil
/kaʊ̯s/, /kɔʊ̯s/, /kʌʊ̯s/
noun
1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
stoca
noun
1. elastische band om de kous op te houden
glúin-chrios
noun
caislín
noun
1. lichte virusinfectie aan keel of neus
dearóil
noun
  1. 1. rand van een raam of deur waar de ruit of de deur in gevat is
    cás fuinneoige
  2. 1. zoon van oom of tante
    col ceathar
/krax/
noun
1. een kledingstuk rond de hals
bóna
noun
1. een, vaak geornamenteerde, uitstekende steen aan een gevel die een dragende functie heeft
consól
/kraɪ̯/, /kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
  1. caróg dhubh
  2. caróg
/ˈkraɪ̯.jə/, /ˈkraː.jə/
verb
1. het voor de haan kenmerkende geluid voortbrengen
gíog
noun
  1. 1. nest van een kraai
  2. 2. uitkijkplaats in de mast van een schip
crannóg
noun
2. inktvis zonder inwendig skelet
ochtapas
/ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
loingeán
noun
1. een woning bewoond door mensen die daar juridisch geen recht hebben
teach
noun
banrach
noun
both
noun
  1. 3. mechanisme waarmee de stroming van vloeistof of gas geregeld kan worden
    buacaire
  2. 4. werktuig om voorwerpen in de hoogte te verplaatsen
    corr
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Corr
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
corr
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
portán
noun
2. een chagrijnig persoon die met iedereen overhoop ligt
cat
noun
3. vluchtige schets
imchruth
verb
1. met de nagels bewerken
scríob
noun
1. vermogen om iets te verrichten
fórsa
adjective
1. beschikkend over veel kracht
borb
interjection
pléasc
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Cracó
verb
caitleáil
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
féith-chrapadh
adjective
duine buile
noun
gealtachas
noun
baithis
noun
1. twee uit de aorta ontspringende slagaders die de hartspier van bloed voorzien
artaire corónach
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
nuachtán
adjective
2. opzienbarend
garbh
noun
3. langrekte oppervlaktebeschadiging voorwerp veroorzaakt door het bewegen van een scherpe ...
cuir ar ceal
noun
1. een lot waarbij men direct weet of men wel of niet gewonnen heeft als men een beschermfolie wegkrast
scríobchárta
verb
cuir ar ceal
/kreˈdit/
noun
1. een lening
creidmheas
noun
cárta creidmheasa
noun
cumas
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
Portán
/kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
gliomach
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
Trópaic an Phortáin
/krek/
noun
4. een kleine watergeul; vaak zijarm van een rivier(tje)
sruth
noun
allagar
adjective
1.
crosáil
noun
1. Gryllidae
  1. criogar
  2. píobaire an teallaigh
pronoun
Creimil
noun
1. het – vaak al deels ontbonden – stoffelijk overschot van bepaalde dieren
corp
verb
  1. 1. beledigen
    achasán
  2. 2. benadelen
    déan díobháil
noun
  1. 3. zitvlak
    ar deireadh
  2. 2. gierigaard
    cníopaire
  3. 1. druif
    cuirín
adjective
ocrach
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
Créit
verb
1. de vorming van kreukels op een voorheen glad oppervlak
furca
verb
2. gekreukt raken
furca
/krønə(n)/
verb
1. ongearticuleerde geluiden maken, vaak van pijn of ander leed
ochlán
adjective
1. dusdanig aan lichamelijk letsel onderhevig dat men zich niet of niet goed kan voortbewegen
bacach
/krøpəɫə(n)/
verb
1. kreupel slaan, een persoon of dier dusdanig letsel toebrengen dat het zich voortbewegen blijvend bemoeilijkt of onmogelijk wordt
cláiríneach
/krɪp/
noun
1. voederbak
trach
noun
1. voederbak
trach
noun
2. chagrijnig met iedereen overhoop liggend persoon
achrannach
noun
1. een chagrijnig persoon die met iedereen overhoop ligt
achrannach
verb
1. ruzie maken
bruíon
adjective
1. zich onvriendelijk gedragend
cantalach
noun
  1. 1. ongemak dat jeuk e.d. veroorzaakt
  2. 2. onrustig, rusteloos gevoel (om te bewegen, reizen, e.d.)
bheith ar bís
verb
cigil
noun
1. vaag jeukend gevoel (ontstaan door emotionele opwinding)
bheith ar bís
noun
criogar
noun
2. een klein persoon
cnádaí
verb
1. jeuken, kriebelen
bheith ar bís
noun
cogadh
/ˈkrɛɪ.ɣə(n)/
verb
1. verwerven, ontvangen
faigh
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
  1. gaiscíoch
  2. laoch
adjective
anghlonnach
noun
taoiseach cogaidh
noun
1. de wetenschap van het oorlog voeren
beart
noun
1.
ealaín oscartha
noun
1. een handeling die erop gericht is om door list en bedrog de vijand te misleiden, zoals het verspreiden van valse geruchten
beart
noun
fórsaí armtha
verb
1. luidkeels schreeuwend een hoog geluid voortbrengen
scread
noun
  1. 1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
  2. 2. schrijfmateriaal uit dat materiaal vervaardigd
  3. 3. een periode die deel uitmaakt van het mesozoïcum
cailc
/krɛɪtə(n)/
verb
1. huilen
caoin
/krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Chrimé
verb
1. kleiner in omvang worden
crap
noun
  1. 1. een ronde figuur zoals een cirkel
    ciorcal
  2. 2. een gemeenschap van mensen
    club
noun
ciogal
verb
1. zich in allerlei bochten wringen; zich herhaaldelijk buigen
dol
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
criostal
/krɪsta'lɛɪn/
adjective
1. een inwendige structuur bezittend die zichzelf eindeloos herhaalt
criostalach
noun
1. kristalvorming
criostalú
noun
criostalagrafaíocht
adjective
1. op het scherp van de snede, met onzekere uitkomst, zeer ernstig
criticiúil
noun
  1. 1. uitingen waarmee bepaald gedrag, een bepaalde zienswijze e.d. van anderen worden veroordeeld of in twijfel getrokken
  2. 2. een document dat kunstzinnig commentaar levert op een optreden, tentoonstelling, boek , film of andere kunstuiting
beachtaíocht
adjective
  1. 1. ernaar geneigd vraagtekens te plaatsen achter iets
  2. 2. onder zulke omstandigheden dat er meer neutronen geproduceerd dan geabsorbeerd worden, waardoor een nucleaire kettingreactie op gang kan komen
beachtaíoch
verb
beachtaigh
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
  1. Cróitis
  2. Crótach
/kroˈwatsi.jə/, /kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
  1. Chróit
  2. Cróit
noun
1. verborgen, ondergrondse ruimte, een hol (ook in een figuurlijke zin)
pluais
/krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
teach leanna
noun
craicear cloicheán
noun
1. een rol ragout die gepaneerd en gefrituurd wordt
cróicéad
/krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
crogall
noun
1. irisachtige lentebloem
cróch
adjective
1. niet recht
cam
verb
bandán
noun
  1. 1. het niet logisch zijn
    caimiléireacht
  2. 2. het niet recht zijn
    cuaire
noun
1. een gebogen lijn
cuar
verb
2. bochtig zijn
cuar
noun
glúin
noun
1. het krom zijn, het niet recht zijn
deil
verb
1. vervorming van hout, planken enz. onder invloed van vochtigheid en/of temperatuursveranderingen
deilbh
noun
1. een zwaard met een gekromde kling waarvan de oorsprong van het ontwerp in West-Azië ligt
simeatár
verb
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
corónaigh
noun
croinic
noun
Leabhair na gCroinicí
/ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
corónú
noun
1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
coróin
noun
1.
peiteal
noun
coirnis
noun
1.
biatas
noun
  1. 3. aandoening van de schildklier
    ainglis
  2. 1. opstapeling van bladeren
    ceann
  3. 2. keelzak
    prócar
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva var. latifolia
searbhán muc
noun
1. oude, slechte, kapotte armoedige woning
poll
noun
1.
both
/krœʏ̯t/, /krœːd/, /krœːt/
noun
luibh
verb
1. specerij bij een gerecht doen
leasaigh
noun
  1. 1. winkelier in levensmiddelen
    grósaeir
  2. 2. winkel met levensmiddelen
    siopa grósaera
noun
1.
siopa grósaera
noun
1. een mix van verschillende kruiden
aicíd
noun
spíosra
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
clóbh
/krœyjər/
noun
1. iemand die bagage vervoert op o.a. stations en vliegvelden
aistire
noun
crúsca
/ˈkrœy.məl/
noun
bruscar
noun
1. een soort braam
eithreog
/'krʌʏ.pə(n)/
verb
bí ag lámhacán
noun
  1. 1. geometrisch figuur
  2. 4. symbool
  1. crois
  2. cros
noun
1. Ribes uva-crispa
spíonán
noun
1.
crosphailniú
verb
  1. 3. zich verplaatsen met gewone snelheid
    aistear mara
  2. 4. aan een kruis slaan, kruisigen
    céas
/ˈkrœʏsər/
noun
1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
cúrsóir
verb
1. een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt
céas
noun
crochadh
noun
1. een punt
crosaire
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
crosaire
noun
1.
crosáidí
/krœʏ̯sˈvɔr.məχ/, /krœːsˈvɔr.məx/
adjective
1. de vorm van een kruis hebbend
crosdealbhach
noun
crosfhocal
noun
1. kruiswoordpuzzel
crosfhocal
noun
1. een ontplofbaar mengsel...
púdar gunna
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
barra rotha
noun
buail
noun
  1. 2. hulpmiddel bij het lopen
    bata croise
  2. 1. simpel zitmeubel zonder leuningen
    stól
adjective
1. heel amateuristisch; zoals pas bij iemand die iets niet goed kan
amscaí
noun
2. lok haar die de vorm van [1] aanneemt
coirnín
adjective
1.
casta
adjective
1. met veel kronkels en krullen
casta
/ˈkrʏl.spɛlt/
noun
1. hulpmiddel waarom je een haarlok kunt wikkelen om krullen te maken in stijlhaar
trilseachán
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
crioptón
verb
1. tot de derde macht verheffen
ciúb
adjective
1. als hoofdassen vier gelijkwaardige drietallige assen bezittend in de richting van de lichaamsdiagonaal van een kubus samen met drie gelijkwaardige assen in de richting van de ribben van de kubus die ten minste twee- en ten hoogste viertallig zijn
ciúbach
noun
1. 20-eeuwse stroming binnen de beeldende kunst waarin de werkelijkheid op een sterk vereenvoudigde manier wordt weergegeven
ciúbachas
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
ciúb
verb
1. kort en zacht hoesten
bí ag casacht
/'kɵdə/
noun
  1. 1. een groep samenlevende (zoog)dieren
  2. een kudde schapen
tréad
noun
1. uitholling, holte, diepte
poll
noun
1. wijd, houten, metalen of plastic vat
dabhach
noun
1. kuip waarin men zich kan wassen
dabhach fholctha
noun
1. helderheid
gile
noun
1. deel van het been
gamhain
/kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
coc-a-dúdal-dú
noun
carbhaidh
noun
1. en 2. (citrusvrucht van) plant Citrus japonica
cumcuat
/ˈkʏndə/
noun
2. bekwaamheid in een vak, wetenschap of in algemene zin
aitheantas
/'kɵndəx/
adjective
1. in staat vaardigheden toe te passen
in ann
noun
cumas
/ˈkʏnə/, /ˡkʏnə/
noun
1. geslacht, sekse
bualadh craicinn
verb
1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
féad
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
ealaín
noun
1. iemand die zijn creatieve talenten gebruikt om kunst te maken
ealaíontóir
noun
ealaíontóir
noun
dánlann
noun
fiacla bréige
adjective
1. door menselijk, moedwillig ingrijpen tot stand gekomen
saorga
/ˈkʏns.tal/, /ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
teanga chumtha
/kʏrk/
noun
  1. 1. afdichting voor flessen, gemaakt uit de veerkrachtige schors van een bepaalde boomsoort, Quercus suber
  2. 1. licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
corc
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
corcscriú
noun
plant en specerij
tuirmeiric
pronoun
1. Dravidische taal gesproken door 2,3 miljoen mensen in het oosten van India en in Bangladesh, Nepal en Bhutan
Curúicis
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
póg
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
adhartán
noun
1. een vorm van uitvloeiingsgesteente, dat het uiterlijk heeft van min of meer op elkaar gestapelde kussentjes
laibhe adhartach
/'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
cósta
noun
1. kustgebied
cladach
noun
1. een vrij klein handelsschip bedoeld voor de zeevaart in de kustwateren
mata
/kɵt/
interjection
cac
/kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
pit
noun
2. vreemd gedrag, bijzondere karaktertrek
fíbín
adjective
  1. 1. schade aanrichtend
    ainciseach
  2. 2. met een slecht karakter
    mailíseach
noun
2. het schadelijk zijn (bijv. van een ziekte)
aincis
noun
tinneas
/kʋɑp/
noun
2. een gedeelte van lever, longen of hersenen
bog
adjective
1. met de eigenschappen van een grote, weke vlees- of vetmassa
feolmhar
/kwɑ'drat/
noun
cearnóg
verb
1.
cearnóg
noun
1. een jongen die dingen doet die men niet goedkeurt, maar die men toch aardig vindt
alfraits
noun
1. onschuldige, ondoordachte handeling zoals die past bij een ondeugend kind
anmhailís
/kʋɑk/
noun
  1. 2. bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax
    corr oíche
  2. 1. een hoeveelheid kleverig of gelei-achtig materiaal
    daba
verb
1. witter
dochtúir bréige
/ˈkʋɑkˌsɑlvər/
noun
1. iemand die bedrieglijk minderwaardige geneeskunde uitoefent
dochtúir bréige
/kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
smugairle róin
noun
agús
verb
1. voldoen aan de voorwaarden om ergens aan mee te kunnen doen
cáiligh
noun
  1. 1. een peil van uitmuntendheid
  2. 2. eigenschap
aitreabúid
noun
cainníocht
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
candam
noun
fisic chandamach
noun
getal dat in de kwantummechanica wordt gebruikt voor het beschrijven van de eigenschappen van bepaalde deeltjes
candamuimhir
noun
1. studie en beschrijving van het gedrag van de kleinste deeltjes
meicnic chandamach
noun
teoiric an chandaim
noun
een theoretisch kader voor de constructie van kwantummechanische modellen van veld-achtige systemen of, equivalent, veeldeeltjessystemen
réimsetheoiric chandamach
noun
fostú candamach
noun
  1. 1. een vierde deel
  2. 3,4
ceathrú
noun
een kwart van een kalenderjaar
ráithe
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
gearg
noun
1. bepaald soort vogel, Crex crex
traonach
noun
2. kwartier als maanfase
ceathrú
noun
1.
ceathrú nóta
noun
een vorm van siliciumdioxide
grianchloch
/kʋɑst/
noun
  1. 1. Versiering
    aigilín
  2. 5. Limonade
    líomanáid
adjective
1. zoals past bij een rare, vreemde, verwaande kerel
ainiontach
adjective
1. van hout dat het veel kwasten bevat
casta
noun
1. deel van tuin voor jonge planten
ceapach síl
/ˈkwe.peːr/, /ˈkʋe.pɪːr/, /ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
cainche
/'kʋekə(n)/
verb
1. dieren of planten verzorgen en hun voortplanting mogelijk maken
póraigh
verb
1.
giob geab
/kwɛl/, /kʋɛɫ/, /kβ̞ɛl/
noun
1 het opwellen van het grondwater
earrach
noun
1.
ansmachtaigh
verb
1. pijn of ergernis bezorgen
buair
noun
1. zaak, geschil, probleem
ceist
adjective
1. twijfelachtig, onzeker.
amhrasach
adjective
1. weinig beschermd tegen beschadiging
soghonta
noun
leochaileacht
verb
  1. 1. beschadigen, schaden
    déan díobháil
  2. 2. beledigen, schofferen
    gortaigh
adjective
1. op een pijnlijke, beschadigende wijze beledigend
maslach
noun
créacht
/'kwɛtərə(n)/
verb
  1. 2. babbelen van mensen
    aighneas
  2. 1. zingen van vogels
    bheith ag bíogarnach
noun
1.
áilteoir
verb
1.
languidecer
/kʋɛi̯t/
adjective
kwijt zijn
caillte
/ˈkʋɛːtrakə(n)/
verb
2. niet meer weten waar iets is
caill
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
mearcair
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Motacilla en Dendronanthus
glasóg
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
airgead beo
verb
1.
gíog
noun
1.
scéal grinn
noun
1.
cúigiú
noun
1. een pot bestemd voor het opvangen van sputum
seileadán
verb
1. druk met de staart zwaaien.
croith
verb
1. met de staart heen en weer bewegen als teken van vrolijkheid
croith
/ˈkʋɪstəx/, /ˈkβ̞istəç/
adjective
  1. 1. op lichtzinnige wijze verbruikend
    anaisteach
  2. 2. royaal gevend
    flaithiúil
noun
admháil
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Cív
noun
1. muzieknoot
á
pronoun
La Mancha
pronoun
La Rioja
noun
1. een draaibare hijs- en takelinstallatie op een boot waarmee de lading in en uit het ruim gehesen kan worden
corr
noun
1.
coimeádán
noun
1. machine waarmee men kan graven
sluaisteáil
/lax/
adjective
1. niet ver boven iets anders zijn
íseal
noun
ísealchríoch
verb
1. heftig en hoorbaar branden
las
adjective
1.
dubhghlas (dúghlas)
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
ascaill
noun
1. een open plek in een bos
réiteach
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
bróg
noun
1. schoenmaker die laarzen maakt en repareert
gréasaí
adjective
  1. 1. na het voorziene ogenblik
  2. 2. 's avonds, 's nachts
nach maireann
adjective
ainteann
noun
1.
anuaill
adjective
1. overtreffende trap van laat
ar deireadh
adverb
1. onlangs
le déanaí
noun
1. een student die bezig is met het laatste jaar van zijn studie
iníon léinn
adjective
ar deireadh
/lɑp/
noun
1. een ruimte ingericht voor het doen van natuurwetenschappelijk onderzoek
saotharlann
noun
béasaíocht
noun
1.
éagothromaíocht
noun
1. medeklinker, gevormd met onderlip en boventanden
liopa-dhéadach
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
saotharlann
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
lúbra
/lɑx/, /lɑχ/
noun
1. een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak...
gáire
noun
1. iemand (vooral over meisjes) die makkelijk en vaak lacht of giebelt en daarom wat dom wordt gevonden
áilteoir
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
  1. déan gáire
  2. gáir
noun
1.
coiméide
adjective
gearr-abartha
adjective
1.
deorach
noun
is een suiker die o.a. in melk voorkomt
lachtós
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
dréimire
/ˈlɑdərə(n)/
noun
1. beschadigd raken waardoor een of meer draadjes in een fijn weefsel losraken en een langgerekt patroon van mazen ontstaat
dréimire
noun
1. bergmeubel met een of meer platte bakken
cliabhrach
noun
1. iemand die steelt
gadaí
/ˈlaːdə(n)/
verb
  1. 2. van elektriciteit voorzien
    costas
  2. 1. van een lading voorzien
    lód
noun
  1. 4. de bijbetekenis die door een bepaalde zinsnede opgeroepen wordt
    fochiall
  2. 3. opeengehoopte elektriciteit
    lucht
    1. 1. goederen die vervoerd worden
    2. 2. een grote hoeveelheid
    lód
pronoun
1. Romaanse taal gesproken door 35 duizend mensen in Italië en de Verenigde Staten
Laidinis
pronoun
1. op het Castiliaans gebaseerde taal van nakomelingen van Sefardische joden
Laideanóis
adjective
1. op de manier die past bij een deftige, chique vrouw
galánta
/lɑf/
adjective
  1. 2. onaangenaam smakeloos
    leamh
  2. 1. een gebrek aan moed tonend
    meata
/ˈlɑfart/
noun
1. iemand die door zijn angst wegvlucht uit gevaarlijke situaties.
cladhaire
noun
1. een gebied waar relatief een lagere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
cioclón
/ˈlaːɣər/, /ˈlaːχər/
adjective
1. een constructie die er ...
méin
verb
1. in vaten te rijpen leggen van bepaalde etens- of drinkwaren
costas
noun
2. het voorzien van een (kogel)lager bij draaiende onderdelen van een machine
méin
noun
1. stof die een dunne beschermlaag vormt nadat ze opgelost in een vluchtig oplosmiddel...
laicear
/ˈlakə(n)/
noun
  1. 2. een rechthoekig stuk stof dat ter bedekking dient, m.n. bij het slapen
    braillin
  2. 1. wollen stof die eerst is geweven en daarna vervilt
    leithead mór
/ˈlakə(n)/
verb
1. iemand iets verwijten
ceartaigh
noun
1.
vearnais
noun
1.
fágáil
noun
1.
laicear
adjective
1. niet in staat om te bewegen
bacach
noun
1. jong van het schaap
uan
noun
1. soort Zuid-Amerikaans eeltpotig zoogdier Lama glama
láma
/lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
lampa
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
scáthlán lampa
/ˈlɑmpjə/
noun
bleib
noun
1. het schijnsel voortgebracht door een lamp
solas lampa
noun
1. een brandbare olie die gebruikt wordt in olielampen en petroleumlampen
ceirisín
noun
  1. 1. benaming voor vissen uit de familie Petromyzontidae
    péist an dá shúil déag
  2. jong van een konijn
    foireann
noun
1.
modartha
verb
lainse
noun
3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
tír
noun
1.
buachaill feirme
/ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
talmhaíocht
/lɑntbɑuwər/
noun
1. iemand die met landbouw of/en veeteelt zijn geld verdient
feirmeoir
noun
1.
droichead talún
adjective
1. met betrekking tot of geldend voor het hele land
náisiúnta
verb
1. vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
tuirling
noun
1. een smalle strook land die twee grotere landmassa's verbindt
cuing
noun
1.
tiarna talaimh
/ˈlɑntɛɪ̯s/, /ˈlɑntɛːs/
noun
1. de vaste vorm van water, bevroren water
oighearchaidhp
noun
2. vlucht van vliegtuigen...
tuirlingt
noun
cé
noun
1. een abstracte weergave van (een stuk van) de aarde
léarscáil
noun
1. soort vlinder, Araschnia levena
léarscáil
noun
1. een markant punt in een landschap, langs de kust, of aan de horizon
sainchomhartha
noun
taobh tíre
noun
1. schildpad uit de familie Testudinidae
toirtís
noun
1.
ciumhais
noun
réigiún
noun
1. smalle strook land die zich in zee of meer uitstrekt
ceann tíre
noun
1. het emigreren van het ene naar het andere land
imirce
noun
1. verzamelnaam van misdrijven waarbij de externe veiligheid van het eigen land in gevaar wordt gebracht
ardtréas
noun
1.
gobharnóir
adjective
  1. 2. van grote lengte
    ard
  2. 1. van grote duur
    fada
adjective
1.
fadchosach
noun
1.
giorria
noun
1. benaming voor muggen met opvallend lange broze poten, die de familie Tipulidae vormen
táilliúir
preposition
1. terzijde van, evenwijdig aan
ar feadh
verb
2. voorbijgaan
meil
noun
1.
codlatán
noun
1.
príomhscannán
/ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
mall
adjective
1. blijk gevend van bereidheid om de voorkeur van anderen te volgen
fulangach
noun
1. een lang steekwapen met een metalen punt
sleá
noun
1. constructie van glas en metaal of hout, zodat wind en regen geen vat op een brandende lichtbron hebben
laindéar
/lɑntarn̩pal/
noun
1. een paal met een lichtbron
lampa sráide
noun
1.
fágtha
noun
1. Chemisch element
lantanam
noun
lantanóidigh
noun
1. Chemisch element
lantanam
/ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
Laos
pronoun
1. een taal die in Laos gesproken wordt
Laosach
noun
1. een stuk van iets
paiste
noun
1. met een kijkbuis in de buikholte kijken en opereren
laparascópacht
adjective
greanta
noun
1.
lapis lazuli
pronoun
Laplainn
noun
1. een deken gemaakt uit verschillende losse delen die aan elkaar gestikt zijn
obair phaistí
noun
1. kleine draagbare computer
ríomhaire glúine
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Larix
learóg
adjective
  1. 1. in het strottenhoofd gevormd
  2. 2. betreffende de larynx
laraingeach
noun
1. slijmvliesontsteking van het strottenhoofd
laraingíteas
noun
1. metalen instrument met een handvat en spatel om de larynx ...
laraingeascóp
noun
1. Bovenste deel van de luchtpijp
an feadán glóir
noun
1. tape waarmee men zaken met elkaar kan verbinden
seilitéip
noun
1. bobbelige strook materiaal die door het lassen op de lasnaad ontstaat
boilgeog
verb
1. door plaatselijke sterke verhitting van de voeg twee metalen voorwerpen met elkaar verbinden
táthaigh
noun
1. iemand die stukken metaal op een naad door sterke plaatselijke verhitting verbindt
táthaire
noun
1. vermoeidheid
leisce
noun
1. iets wat een mens hindert
muirear
noun
1. geschreven opdracht
bail
noun
1. onterechte beweringen die iemand in een kwaad daglicht stellen
míchlú
verb
1. ten onrechte kwaadspreken over iemand
smearadh
noun
1. opdrachtgever
achainíoch
adjective
1.
ciotach
/ˈlɑs.təx.fɑ.lə(n)/, /ˈlɑs.təχ.fɑ.lə(n)/, /ˈlɑs.tɪɣ.vɑ.lə(n)/
verb
  1. 2. op vervelende wijze iemands aandacht trekken door na te roepen, dreigende of obscene gebaren te maken e.d.
    cráigh
  2. 1. op hinderlijke wijze iemands aandacht opeisen, storen, hinderen in iemands concentratie of bezigheden
    stró
noun
1. latei
fardoras
verb
  1. 1. veroorzaken
    ag
    1. 3. niet doen
    2. 4. niets veranderen
    3. 5. vertrekken
    4. 6. aansporing
    fág
adjective
1. aan de zijkant (buitenkant)
cliathánach
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
Laidin
pronoun
Meiriceá Laidineach
noun
1. de reeks lettertekens oorspronkelijk gebruikt om teksten in het Latijn te schrijven en tegenwoordig met aanpassingen voor veel talen gebruikt
aibítir Laidineach
pronoun
1.
Lazio
noun
1.
brollach
noun
2. (gedroogde) bladeren van Laurus nobilis
duilleog labhrais
pronoun
1.
Lausanne
/laʊ̯/, /lʌʊ̯/, /lʌː/
adjective
1. een temperatuuraanduiding die tussen warm en koud ligt
alabhog
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
laibhe
noun
1. bepaald kruid, Levisticum officinale, dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
luáiste
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
  1. labhandar
  2. lus liath
/la'ʋaj/
noun
1. luid en storend geluid
callán
/la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
maidhm shléibhe
noun
1. Chemisch element
láirinciam
noun
1. middel dat het ontlasten stimuleert
purgóid
/lɑksɑ'tif/
adjective
1. de stoelgang bevorderend
purgóid
/lɑksɑ'tif/
noun
1. een stof die de stoelgang bevordert
purgóid
noun
1. een stof die de stoelgang bevordert
purgóid
noun
purgóid
adjective
1. zo dronken dat iemand bijna dood lijkt
ar meisce
/la'zyːr/
noun
  1. 2. helderblauwe kleur
    gorm ultramhuiríneach
  2. 1. kostbaar blauw gesteente
    lasúirít
noun
1. de vierde maag van een herkauwer, zoals een rund
abomasam
noun
1. fosfatidylcholine, een fosfolipide die de hoofdmoot uitmaakt van een fosfatidefractie die uit eidooier
leicitin
noun
léachtóir
noun
1.verwijst naar alles wat gelezen kan worden
léacht
/ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
géag
noun
balbhán
noun
leathar
adjective
bánaigh
verb
1. de inhoud volledig verwijderen
bánaigh
noun
1. het niets doen, het niets te doen hebben
díomhaointeas
/let/
noun
1. verdriet en pijn
brón
noun
aiféala
noun
1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
aois
noun
1.
comhaois
/lex/
adjective
1. zonder inhoud
folamh
noun
1. iets wat zonder betekenis of enige belangrijke inhoud is, iets nietszeggends
fabhtacht
verb
1. geleidelijk zijn inhoud verliezen
bánaigh
verb
1.
creach
/lek/
noun
1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
tuata
noun
1.
siolta
noun
1.
seirbhíseach
/ˈlenvərˌtalɪŋ/
noun
1. woord dat aan een vreemde taal is ontleend in letterlijke vertaling en analoge constructie
lomaistriúchán
/ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
focal iasachta
noun
  1. 2. theorie, doctrine
    foirceadal
  2. 1. stof vervaardigd door het looien van een dierenhuid
    leathar
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
téacsleabhar
noun
1. iemand die lesgeeft
múinteoir
noun
1. iemand die onderwijs volgt
dalta
noun
1.
súdaire
noun
1.
tonnús
noun
báire
noun
2. een als waarheid geponeerde mening
foirceadal
noun
1. de verzameling van alle leermaterialen die een lerende dient te bestuderen
damhna
noun
2. rubberen opzetstuk tussen pijpstukken
ribín seoil
adjective
inléite
noun
1. een aandoening waarbij patiënten problemen hebben met het herkennen van het woordbeeld of met het uitspreken van woorden
disléicse
noun
1. een boek met teksten, meestal om kinderen te leren lezen
bunleabhar
noun
1. een lint dat aan de kop van van een boekblok bevestigd is en waarmee je kunt aangeven waar je weer wil beginnen met lezen
leabharmharc
/lest/
noun
1. schoenvorm
ceap
noun
1. een tekst om het lezen te oefenen
léacht
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
Leon
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
leon
noun
1. plant van het geslacht Antirrhinum waarvan de bloem lijkt op de muil van een leeuw
antairíneam
noun
  1. fuiseog
  2. circín starraiceach
adjective
branie, moed
ae
noun
  1. 1-2. Romeinse officier of pauselijk gezant
    leagáid
  2. 1. testamentaire beschikking
    tiomna
noun
1. iemand aan wie een legaat ontvangt
leagáidí
noun
leagáideacht
noun
1.
ubhlonnaitheoir
noun
1. de uitleg over de gebruikte symbolen
finscéal
/ˈleːɣər/, /ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
arm
noun
1. opperbevelhebber van een leger, bevelhebber in een leger
oifigeach ceannais
noun
1.
fórsaí
/ˈlɛɣə(n)/, /ˈlɛχə(n)/
verb
1. doen liggen
plás
noun
léigiún
adjective
reachtach
noun
1.
scairbh
/ˌleɣyˈwan/
noun
1. hagedis
ioguána
noun
  1. 2. schrijflei
  2. 3. daklei
slinn
verb
1. een leidinggevende functie hebben
treoraigh
/ˈlɛɪ̯dər/, /ˈlɛːdər/
noun
  1. 1. iemand die leidt of bestuurt
  2. 2. een persoon of ploeg die op de eerste plaats staat in een competitie of wedstrijd
ceann
noun
1. het bepalen wat een groep of organisatie behoort te doen
díriú
noun
3. iemand die je vertelt welke weg je moet gaan
ceann
noun
1. blauwgrijs gesteente
slinn
noun
1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
poll
noun
sileadh
verb
1. vloeistof laten ontsnappen
poll
adjective
1. aangenaam van smaak
blasta
/ˌlɛ.kər.ˈnɛi/
noun
leiceacht
noun
lile
/le.li.tʲə.vɑn.da.ləⁿ/
noun
1. bepaald soort kleine tot 30 centimeter hoge vaste plant, Convallaria majalis
lile na ngleanntán
/ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
gránna
noun
2. een woordenboekartikel
iontráil
noun
bileog
verb
1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
faigh ar iasacht
noun
  1. 1. ontlener, leningnemer
    iasachtaí
  2. 2. uitlener, leninggever
    iasachtóir
noun
1. kabeljauwachtige zoutwatervis, Molva molva
langa
/ˈlɛ.ŋə(n)/
verb
3. langer worden
sín
/ˈlɛŋktə/
noun
  1. 1. afmeting van een voorwerp
  2. 2. tijdsduur
  3. 1. op welke meridiaan een plaats ligt
fad
noun
domhanfhad
/'le.nɪx/
adjective
1. met soepele ledematen
lúfar
noun
1.
aclaíocht
noun
iasacht
adjective
leeg
bánaigh
noun
  1. 1. een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
  2. 2. een stelsel van lenzen of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
  3. 3. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
lionsa
noun
1. seizoen
earrach
adjective
dédhronnach
verb
1. leegmaken
bánaigh
pronoun
. spelwoord voor de letter l
León
/ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
  1. spúnóg
  2. spiún
noun
lobhra
/ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
múinteoir
noun
múinteoir
/ˈleːrə/, /ˈlɪːrə/
verb
  1. 1. kennis of vaardigheid verwerven
    foghlaim
  2. 2. kennis of vaardigheid doen verwerven
    múin
/lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
ceacht
verb
1. de taak van een leraar op zich nemen
múin
noun
1.
múinteoir
/le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
Leosóta
/ˈlɛsə(n)/
verb
1. met vocht de dorst beëindigen
cosc
noun
1. een standaard om bladmuziek op te plaatsen
deasc
/lɛt/
noun
1. een inwoner van Letland, of iemand afkomstig uit Letland
Laitviach
/le.ˈtal/, /le.ˈtaɫ/
adjective
1. de dood veroorzakend
marfach
/ˈlɛtlɑnd/, /ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
  1. Laitvia
  2. An Laitvia
/ˈlɛtlɑnds/, /ˈlɛtlɑnts/
adjective
1. betreffende Letland
Laitviach
/lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
Laitvis
/ˈlɛtsə/
noun
1. inwoonster van Letland
Laitviach
noun
1. lichamelijke schade met name aangericht in een ongeluk of gevecht
gortú
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
litir
/ˈlɛtərˌxrep/, /ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
siolla
noun
1. de studie van de literatuur
litríocht
/ˈlɛtərˌtekə(n)/
noun
1. elk van de symbolen voor een klank waaruit een alfabet is opgebouwd
spiorad
noun
1. een stylistisch samenhangende set tekens die meestal letters, cijfers en leestekens uitbeelden
cló
/'lɛtərzɛtər/
noun
1. tekstopmaker
cló-eagraí
/ˈløːɣən/, /ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
bréag
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
bréagadóir
noun
1. vrouw die bewust onwaarheden vertelt
bréagach
adjective
  1. 2. prettig, aangenaam
    breá
  2. 3. kalm, bedaard
    calma
  3. 1. grappig, schalks, vermakelijk
    áiféiseach
noun
2. het prettig, grappig of aangenaam zijn van iets of iemand
aiteas
adverb
1. op een fijne, grappige manier
barrúil
noun
1. een stoel met leuningen om lekker in te zitten
cathaoir uilleach
noun
1.
gligín
/'levən/
noun
  1. 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
  2. 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
  1. saol
  2. beatha
/'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
  1. mair
  2. bí beo
adjective
beo
adjective
1. vol opgewekte drukte
amhnas
noun
1. zeer belangrijke verbinding; verbinding die van levensbelang is
líne tharrthála
noun
1.
aostacht
noun
beathaisnéisí
/'levə(n)sxəzɛl/
noun
1.
céile
noun
1. vrouw waarmee men samenleeft
bean
adjective
1. veel lichamelijke en geestelijke kracht hebben die nodig is om verder...
bríomhar
noun
1. lot
gabháltas
noun
1. de kwaliteit van de omgeving die er voor zorgt dat men in leven kan blijven
cás
noun
stíl mhaireachtála
noun
1. het kunnen gaan leven
beathfhórsa
noun
1. de manier van leven van een levend wezen
beathachruth
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
ae
/ˈlevərə(n)/
verb
1. voor de aanvoer van iets zorg dragen
lón
noun
ola ae troisc
pronoun
Léivític
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
léigh
noun
léachtán
noun
1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
léitheoir
pronoun
1.
Leisgis
noun
léitheoireacht
noun
1. verzamelbegrip voor mensen met een seksuele voorkeur die minder vaak voorkomt dan heteroseksualiteit
LADT
/ˈli.ba.nɔn/, /ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
Liobáin
/li.ˈbɛl/, /li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
snáthaid mhór
noun
liobrálachas
/li.'beː.ri.ja/, /li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
Libéir
/'libido/
noun
1. geslachtsdrift
libídeo
/ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
  1. Libia
  2. An Libia
noun
ceadúnas
noun
1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
corp
/ˈlɪxamsbəˌweɣɪŋ/
noun
1. bezigheden die bijdragen aan de lichamelijke fitheid
aclaigh
/ˈlɪxaːmzdeːl/
noun
1. onderdeel van een lichaam
ball den chorp
noun
1. geur die bij een bepaald persoon hoort
boladh coirp
noun
aorta
/ˈlɪxaːmstɛmpɛrɑˌtyːr/
noun
1. temperatuur van een lichaam
teocht choirp
noun
  1. 1. Elektromagnetische golven
  2. 2. lichtbron
solas
adjective
1. een licht gele haarkleur
barrbhuí
adverb
rud beag
verb
  1. 4. lossen
    bánaigh
  2. 2. bliksemen
    péacach
  3. 1.
    taitin
noun
1. de mate waarin iemand emotioneel geprikkeld kan worden
colg
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
solasbhliain
noun
1. een rand van licht
bogha
noun
1.
maraí
noun
1. apparaat dat de lichtsterkte meet
fótaiméadar
noun
1.
ráca
noun
1. vlakke plaat die licht weerkaatst
frithchaiteoir
noun
1. de snelheid waarmee het licht zich voortplant in het luchtledige (ongeveer 299792 km/s)
velocidade da luz
noun
1. lijnvormig licht
péacach
noun
1. de mate waarin men zaken al te makkelijk benadert
andánacht
noun
1.
aimsigh
noun
  1. 6. deel van een insect
    airteagal
    1. 1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
    2. 5. deel van het lichaam
    ball
  2. 4. ooglid
    caipín súile
  3. 7. deel van de stengel dat zich tussen de twee knopen bevindt
    idirnód
noun
1. iemand die lid is van een organisatie, voornamelijk een kerk
géag
noun
1. de status van iemand als lid van een organisatie
ballraíocht
noun
1. Equisetum palustre
scuab eich chorraigh
noun
1. een staat die toegetreden is tot een inter- of supranationale organisatie
ballstát
noun
alt
/ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
Lichtinstéin
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
amhrán
noun
1. een boek met een verzameling (kerkelijke) liederen
leabhar amhrán
noun
1. groep mensen
daoine
noun
1. het heel erg armoedig, slordig, onzedelijk en losbandig zijn
ainriantacht
noun
liric
adverb
  1. 1. vriendelijk, zachtaardig
  2. 2. mooi, fijngebouwd
dil
noun
1.het geven van hulp
carthanacht
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
  1. grà
  2. grá
noun
1. uiting van genegenheid
séad suirí
noun
1. iets wat men doet uit liefde voor iets of iemand zonder dat men daarvoor een beloning vereist
carthanacht
adjective
1. met heel veel zorg en toewijding die men een ander uit liefde geeft
caithiseach
noun
1. een verklaring waarin men zegt dat men veel van iets of iemand houdt
séad suirí
noun
1. het ontstaan en het verloop van een liefdesrelatie
cleamhnas
noun
liefdesrelatie
cleamhnas
noun
1. een term die in de 19e en 20e eeuw vooral in katholieke kringen in Nederland werd gebezigd om een 'daad van naastenliefde' of een 'vorm van liefdadigheid' aan te duiden
carthanacht
adjective
binn
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
gráigh
adjective
armacach
noun
díograiseoir
noun
1.
cineáltas
verb
muirnigh
noun
1. aai, streling
béim
noun
1. kaartspel
cacamas
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
bréag
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Lir
/lir/
noun
1. een Grieks snaarinstrument
lir
noun
1. anatomie
bléin
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
bóín Dé
noun
muirneach
/ˌlivə'vraʊ̯wəˌbɛtstro/, /ˌlivəˌvrɔʊ̯β̞ə'bɛtstro/, /ˌlivəˌvrʌʊ̯β̞ə'bɛtstro/
noun
1.
lus molach
noun
1. reddingslijn waarmee iemand vast zit aan een schip
líne tharrthála
noun
1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
ardaitheoir
noun
1. opwaartse kracht
ardaitheoir
noun
conradh
noun
1. bindweefselband
ballnasc
noun
liogann
noun
cam
verb
1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
luigh
noun
1. de wijze waarop iets of iemand gelegen is
feidhmeannas
/'lɪxplats/
noun
2. een plaats waar een boot kan liggen
cáin ancaireachta
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Noordwest-Italië en Corsica
an Mhuir Liogúrach
pronoun
Liguria
noun
1. olijfachtige heester veel gebruikt voor het maken van heggen
pribhéad
noun
1. de kant waar de wind niet vandaan komt
taobh an fhoscaidh
/lɛɪdələk/
adjective
1. zonder verzet ongemak verdragend
céasta
noun
1. het op een passieve manier, zonder eigen overweging doen wat een andere zegt dat men moet doen
neamhghníomhaíocht
verb
1. smart en ellende ondergaan
cuir suas le
noun
1. het stelsel vormen van een werkwoord dat aangeeft dat het onderwerp...
faí chéasta
adverb
céasta
noun
foighne
/lɛi̯f/
noun
1. lichaam
colainn
noun
daoirseach
noun
daoirse
adjective
1.
corpartha
pronoun
1. een Finoegrische taal die in Estland en Letland gesproken wordt
Líovlainnis
noun
1. een spreuk waarnaar iemand zijn leven inricht
mana
noun
1. een straf waarbij iemand lijfelijk pijn gedaan wordt
pionós corpartha
/ˈlɛɪfʋɑxt/
noun
  1. 1. de wacht die met de bewaking van een vorst of aanzienlijk persoon belast is
  2. 2. een lid van een lijfwacht
garda cosanta
noun
1. dood lichaam
corp
/ˈlɛːkbar/, /ˈlɛːɪkbar/
noun
1. baar voor een lijk
cróchar
/ˈlɛɪkˌbəzɔrxər/
noun
1. een begrafenisondernemer
adhlacóir
/ˈlɛi.kə(n)/
verb
2. naar aanschijn zijn
taibhsigh
noun
1. een touw dat ter versteviging in de zoom van een zeil wordt genaaid
aighre
/ˈlɛɪkxeˌʋat/
noun
1. de kleding waarin een overledene begraven wordt
taisléine
/ˈlɛɪ̯.kɪs/, /ˈlɛɪ̯k.kɪst/, /ˈlɛːk.kɪst/
noun
1. de kist waarin een overledene ter aarde besteld wordt
cónra
noun
  1. 1. doek waarin men een overledene wikkelt; kleed dat men over een lijkkist legt tijdens de begrafenis
    brat bróin
  2. 2. kleding waarin men een overledene kleedt
    scriúta
noun
1. een toespraak naar aanleiding van het overlijden van iemand
adhmholadh
noun
1.
créamadh
noun
1. textiel waarin een overledene begraven wordt
taisléine
noun
1. een voortuig ingericht om een stoffelijk overschot te vervoeren
cóiste marbh
noun
1. plakmiddel
glae
verb
1. twee of meer delen aan elkaar bevestigen met behulp van een kleefstof
glae
adjective
1. op een onaangename manier eigenschappen van lijm hebbend
greamaitheach
/lɛi̯n/
noun
  1. 1. een streep
  2. 2.
dorú
noun
1. een boot die men gebruikt op een regelmatige bootverbinding
línéar
noun
1.
oll-
noun
1. (passagiers)vliegtuig waarmee men regelmatig volgens een dienstregeling vluchten uitvoert
aerlínéar
/ˈlɛɪnzat/
noun
1.
ros
/lɛist/
noun
  1. 2. een rand in een speciale vorm om iets in te vatten, zoals een schilderij
    cuir i bhfráma
  2. 1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
    liosta
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
smólach
adjective
tiubh
noun
adharc
noun
is maith liom
verb
ar nós
noun
1. een drank bereid met gestookte alcohol, aangevuld met smaakstoffen en veelal ook suiker
licéar
verb
1. met de tong aanraken
ligh
noun
1. lichte tint van paars
lileach
noun
1. en 2. (zaden van) plant Phaseolus lunatus
pónaire mhór
/ˈlɪm.bʏrx/, /ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
1. provincie in het zuidoosten van Nederland
Limburg
noun
een dichtvorm van 5 regels met een vrij strak metrum
luimneach
noun
cinnteacht
noun
linneolaíocht
noun
1. Een citrusvrucht
líoma
noun
1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
líomanáid
/ˈlɪndə/
noun
loofboom
teile
noun
1. een geslacht van bomen uit de kaasjeskruidfamilie
teile
pronoun
1. Bantoetaal gesproken door 60 miljoen sprekers vooral in de Democratische Republiek Congo en de Republiek Congo
Liongáilis
noun
1. beoefenaar van de taalkunde
teangeolaí
noun
1. wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
teangeolaíocht
adjective
teangach
/ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
rialóir
noun
clólíne
adjective
1. gevaarlijk
contúirteach
noun
  1. 1. een betrekking of relatie
  2. 2. een verwijzing
lúb
adjective
1. aan die zijde van het lichaam waar gewoonlijk het hart zit
clé
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
clé
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
ciotach
adverb
1. in een rondgaande beweging tegen de klok
tuathal
noun
1. product afkomstig uit vlas
línéadach
noun
1.
cófra línéadaigh
noun
1. lange, smalle strook stof
ribín
noun
1. een platte worm die parasiteert in de darm bij mens en dier
cailleach ghoile
noun
1. anatomie
liopa
/liˈpidə/
noun
1. vetten en vetachtige stoffen die in de biochemie een belangrijke rol spelen
lipid
noun
  1. 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
  2. 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
béaldath
noun
1. soort baars, vis behorend tot de familie van lipvissen
ballach
noun
1. Typha
coigeal
/ˈlɪspələ(n)/
verb
labhair go briotach
pronoun
1.
Liospóin
/'lɪst/
noun
2. vermogen om een oplossing die tegenstrevers verrast, te bedenken
glic
adjective
spleách
/litər/
noun
1. een inhoudsmaat voor voornamelijk vloeistoffen en gassen
lítear
noun
2. iemand die literaire teksten schrijft
scríbhneoir
noun
  1. 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
  2. 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
litríocht
/ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
litiam
noun
liteagraf
noun
1. de wetenschap van de beschrijving en het ontstaan van sedimentgesteenten (steen- en rotsenkunde)
liteolaíocht
noun
liotóid
/liˈtaʊ̯.wə(n)/, /liˈtɑuwə(n)/, /liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
  1. Liotuáin
  2. An Liotuáin
/liˈtaʊ̯.wər/, /ˈlitɔʊ̯.β̞ər/, /ˈlitʌʊ̯.β̞ər/
noun
1. inwoner van Litouwen
Liotuánach
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
Liotuáinis
/liˈtaʊ̯sə/, /ˈlitɔʊ̯β̞sə/, /ˈlitʌʊ̯sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Litouwen
Liotuánach
noun
1. een stel van twee gelijke eenpersoonsbedden
leaba dhúbailte
noun
1. zichtbaar overblijfsel van een oude verwonding
colm
noun
1. letterkunde
litríocht
adjective
deachtaigh
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
livearmóiriam
noun
1. huisbediende die een uniform draagt
giolla páirceála
verb
1. poging de besluitvorming te beïnvloeden
forhalla
noun
1. kwab
bog
noun
1. een bepaald punt in de ruimte
láthair
/loka'tif/
noun
1. de zevende naamval die een betrekking van plaats aanduidt
áitreabhach
adjective
1. een licht verlaagd bewustzijn hebbend
ceanntrom
verb
  1. 3. het peilen van waterdiepte
    feá
  2. 1. van lood vervaardigd
    luaidhe
pronoun
  1. 2. spelwoord voor de letter l
    Londain
  2. 1. eigennaam van Frankische herkomst
    Lughaidh
noun
1. de kant waar de wind op staat
síonchlár
/ˈlu.jə(n)/
verb
1. een langgerekt klagend geluid voortbrengen
géim
noun
1. met vlees en groente gevulde en gefrituurde lap deeg
rollóg earraigh
verb
1. scheel kijken
fiarshúil
noun
gloine mhéadaithe
adjective
1.
foirfe
noun
  1. 1. prijzen
    clú
  2. 2. groente
    siocaire
noun
1.
adhmholadh
noun
1+2. iedere uiting van bewondering
iomann
adjective
1. moeilijk wendbaar door een grote omvang
anásta
noun
1. snelheidsmeter voor zeegaande schepen
taifead
noun
1. de exponent van de macht waartoe een gegeven getal verheven moet worden om een ander getal te krijgen
logartam
noun
  1. 2. een chronologisch dagboek
    dialann
  2. 1. boek met gegevens over de navigatie
    leabhar loinge
verb
2. blijven slapen
fan
verb
  1. 1. vaart bepalen
  2. 2. stelselmatig registreren
taifead
noun
1. trapeziumvormig zeil aan de voorste mast op een logger
lug seoil
noun
loighic
adjective
lóistíocht
/lɔk/
noun
1. haarlok, pluk haar
ciabhóg
/loˈkal/
adjective
1. plaatselijk, van beperkte omvang
logánta
/loˈkal/
noun
plás
noun
1. een met glaswerk ed. beveiligd doorgeefluik
deis
noun
aiteas
/ˈlɔlɪ/
noun
snoepje
líreacán
pronoun
Lombaird
adjective
zich op een onwellevende en onbehouwen manier gedragend
bodúil
noun
  1. 2. een grof en onbeleefd persoon
    abhlóir
  2. 1. een onhandig persoon
    amhas
noun
abhlóir
noun
1. grove onbeleefdheid
boirbe
/ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
Londain
noun
een inwoner van Londen
Londaineach
adjective
1. van werk of andere activiteit dat je er voordeel van ondervindt; dat het de moeite waard is
brabúsach
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
scamhóg
noun
1.
féith scamhógach
/ˈlɔŋblaʃə/
noun
1. een blaasje in de longen waarin gasuitwisseling plaatsvindt
ailbheolas
/'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
niúmóine
noun
1. bloedvat dat vanuit de rechter hartkamer naar de longen gaat
artaire scamhógach
noun
1. vis met kieuwen én longen
iasc scamhógach
noun
1. koord voor ontsteking
aidhnín
/'lo.xənə(n)/
verb
1. iets tot een leugen verklaren
séan
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
luaidhe
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
pluiméir
/loːts/
noun
  1. 1. gebouw voor opslag van goederen
    bothán
  2. 2. iemand die schepen als stuurman begeleidt bij het varen van en naar een haven
    píolóta
noun
1. een witte verfstof met bestanddelen van lood
luaidhe bhán
/lo:f/
noun
clúmh
/loːx/
noun
een alkalische substantie
buac
noun
alcaile
verb
1. het bewerken van een dierenhuid ter vervaardiging van leer
cart
noun
1. (beroep) een persoon die van de huid van dieren leer maakt
súdaire
noun
1.
tonnús
adjective
van groot gewicht
múisiamach
noun
1.
codlatacht
/loːn/
noun
1. financiële vergoeding voor geleverde arbeid
díol
noun
1.
grád pá
/loːp/
noun
voorste deel van een wapen
bairille
noun
1. reeks van maatschappelijke posities
cairéal
/ˈlopχraf/
noun
1. een uitgegraven geul, diep en breed genoeg dat men er in kan lopen...
díog
noun
1.
siúlbhealach
noun
1.
adhall
noun
1. bovenzijde van een voetzool
trácht
noun
1.
siúladán
/-los/
suffix
1. een achtervoegsel dat het ontbreken van het eerste aangeeft
an
/lot/
noun
beangán
verb
1. stappen, gaan
siúil
preposition
tijdens het verloop van
ar feadh
noun
  1. 8. bovenste, ronddraaiende molensteen
    brat reatha
  2. 1. iemand die loopt
    eachlach
  3. 4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
    easpag
noun
  1. 1. een fruitboom van de rozenfamilie
  2. 2. de oranje vrucht van de Eriobotrya japonica
crann locuataí
noun
ceamach
noun
tiarna
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Larix
learóg
noun
1. een onverantwoordelijk iemand
scaoil
verb
1.
folmhaigh
verb
bris
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
fuascail
verb
1. losmaken van touwen waarmee een schip vastzit aan het land en dan vertrekken
caith lúb anuas
verb
1.
glac
noun
1. gemakkelijkheid
liobairne
verb
slánaigh
verb
1. ervoor zorgen dat iets of iemand los wordt
scaoil
noun
1. geld dat men aan ontvoerders moet betalen om de ontvoerde persoon weer vrij te krijgen
fuascail
/ˈlɔsə(n)/
verb
  1. 2. afschieten
    bácáil
  2. 4. zich ontdoen van
    cuir díot
  3. 1. losser maken
    scaoil
noun
1. kade waaraan schepen hun lading kunnen lossen
cé
verb
1.
scaoil
noun
2. noodlot, wat het toeval iemand toebedenkt
cinniúint
pronoun
Lorráin
noun
cinniúint
pronoun
1.
Louisiana
verb
1. blijk geven van bewondering
clú
noun
1. het geheel van bladeren van een of meer bomen
clúmh
noun
greamú
verb
1.iets uitwerpen, kwijt zien te raken, gewoonlijk een vloeistof
draein
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Lúcás
/lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
aer
noun
1. een aanval vanuit de lucht op een grondpositie
aer-ruathar
noun
boilgeog
adjective
aerdhíonach
noun
coinnleoir craobhach
noun
fotografie vanuit de lucht
aer-ghrianghrafadóireacht
adjective
aerfhuaraithe
noun
1.
aerghiotár
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
aerfort
adjective
  1. 2. zorgeloos
  2. 1. met lucht doortrokken
aerach
noun
1. muziekinstrumenten die een toon voortbrengen door een trillende luchtkolom
aerafón
noun
aerchúisín
/ˈlʏxmɑxt/, /ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
aerarm
noun
aerchonair
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Aerchaidéal
noun
aerchaidéal
noun
1. de luchtlagen boven een bepaald grondgebied
aerspás
noun
1. fata morgana: een irreëel vooruitzicht
seachmall
noun
1. verkeer in de lucht
eitlíocht
noun
1. een bedrijf dat vervoer door de lucht aanbiedt
aerlíne
adjective
aeracmhainneach
noun
1. (vermeende) klaarheid van geest
gile
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
lasán
/lœʏ/, /lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
anábhailleach
/lœʏ/, /lœː/
noun
1. groep mensen
daoine
noun
2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
spadán
/lœʏ̯t/, /lœːd/, /lœːt/
adjective
ard
/ˈlœʏ̯dən/, /ˈlœːdən/
verb
1. doen klinken, gewoonlijk van een bel
cró troda
adjective
callánach
noun
callaire
noun
clúidín
noun
1. het ontbreken van de wil iets te doen
drogall
/lœʏ̯k/, /lœːk/
noun
  1. 4. onderdeel van een altaar-schilderij
    eite
  2. 1. openklappend vlak, klapdeur
    haiste
noun
1. gat dat met een luik wordt afgedekt, met name op een schip
haiste
noun
1.
haiste
noun
1.
leisce
adjective
1. vrolijk, schertsend, nonchalant
aerach
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
liopard
/lœʏ̯s/, /lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
míol cnis
noun
breáichte
/'lœstərə(n)/
verb
1. gericht waarnemen met het oor
éist
noun
1. luit
liúit
noun
1. rang in het leger
leifteanant
noun
1. luitist
seinnteoir liúite
/ˈlykɑs/
pronoun
Lúcás
verb
1. tot een succes leiden
obair
noun
  1. 1. geslachtsdeel van de man
  2. 2. scheldwoord voor een man
bior
adjective
1. met betrekking tot de lende, het lage deel van de wervelkolom
lumbach
noun
1. spit, lendenpijn
lumbágó
noun
1.
lonracht
adjective
geal
adjective
éascaí
/lɵnsʲ/
noun
1. een maaltijd rond of iets na het middaguur
lón
verb
1. de lunch gebruiken
lón a ithe
noun
1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
lúipín
verb
2. passief deelnemen aan een interactief bedoelde toepassing van internet
diúgaire
/lʏst/
noun
  1. 1. seksueel verlangen
    ainmhian
    1. 2. behoefte of verlangen iets te doen
    2. 3. plezier, genot
    ar an gcaolchuid
adjective
zonder energie, fut om iets te ondernemen
fuarchúiseach
adjective
2. opgewekt
aerach
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
lúitéitiam
adjective
1. van iets dat het maar een geringe omvang heeft
beag
/lyw/
adjective
  1. 1. uit de wind, windstil
    foscúil
  2. 2. redelijk warm, lauw
    te
/ˈlywə(n)/
verb
1. minder hard gaan waaien, minder hevig worden
síothlaigh
/'lywtə/
noun
1. een windloze plek
fothain
/lyks/
adjective
1. duur, exclusief
ollmhaitheas
/lyks/
noun
1. niet alledaagse dingen die gebruikt worden voor het persoonlijk genot
ollmhaitheas
noun
1.iets wat men koopt om dat het duur en overbodig is, enig extra comfort geeft en vooral indruk kan maken op andere personen
anchaitheamh
noun
1.
saol an mhadra bháin
/ˈlyksəmˌbʏrx/, /ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
Lucsamburg
adjective
macnasach
noun
1.
lítsí
noun
limfe
noun
1.
faireog limfe
noun
1. een orgaantje op het verloop van lymfevaten
faireog limfe
noun
liomfóma
verb
1. iemand executeren zonder rechtsgeldig proces, met name door opknoping
linseáil
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Lincse
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
lincse
/mṇ/
possessivePronoun
1. van de eerste persoon enkelvoud
m'
/maːx/
noun
1. Orgaan
goile
pronoun
  1. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  2. 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
Maighdean
/maːxt/, /maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
maighdean
adjective
maighdeanúil
noun
1. eigenschap dat je niet eerder geslachtsverkeer hebt gehad
maighdeanas
pronoun
Oileáin na Maighdean
noun
1.
bláth na faochan
/ˈmaɣdəˌvlis/, /ˈmaʝdəˌvlis/
noun
vlies
dlaoi
noun
aigéad goile
/ˈmaɪ̯ə(n)/
verb
1. met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
bain
noun
1. door mensen gemaakt product
cóirigh
/ma:l/
verb
  1. 2 1. de handeling van eten zoals die dagelijks op geregelde tijden plaatsvindt
    béile
  2. 1 1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
    uair
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
béile
/maːn/
noun
gealach
/maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
mí
/ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
  1. Luan
  2. Dé Luain
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
míosúil
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adjective
1. iedere maand een keer
míosúil
noun
1. het zonlicht dat van de maan naar de aarde reflecteert
solas na gealaí
noun
poipín
adjective
gealtach
/maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
ach
/maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
  1. Márta
  2. márta
/mas/
noun
1. een van de geknoopte ringen waaruit een net bestaat
mogall
/maːt/
noun
  1. 6. (muziek) manier om een muziekstuk ritmisch in te delen
    am
  2. 3. eenheid van lengte enz.
    barra
  3. 1. makker
    comrádaí
  4. 5. grootte van kledingstuk/schoen
    méid
adjective
1. iets dat een voorbeeld is voor navolgers of kopieën
scaradh
noun
1. meetlat
rialtóir
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
beartas
/matsxɑpələk/
adjective
1. op de maatschappij betrekking hebbend
sochaíoch
noun
  1. 1. vereniging tot het drijven van handel
    comhlacht
  2. 2. de wereld, omgang en verkeer der mensen
    sochaí
noun
1.
barra
noun
1. een vertikale lijn op een notenbalk
bar
adjective
adhfhuafar
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
Macadóine
/ˌmasəˈdonisə/, /ˌmasəˈdoːnisə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Macedonië
Macadóine
/ˌmasəˈdoni.jə/, /ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
  1. 1. historisch Grieks koninkrijk
  2. 2. regio in Griekenland
  3. 3. land
Macadóin
/ˌmasəˈdoni.jər/, /ˌmasəˈdoːni.jər/
noun
1. inwoner van Macedonië
Macadónach
noun
1. oneerlijke, geheime manier van handelen
ceapach
/mɑˈʃinə/
noun
meaisín
noun
1. geweer waarmee kort na elkaar meerdere schoten kunnen worden afgevuurd, ...
meaisínghunna
noun
innealtóir
noun
1. het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
cumas
noun
1. een persoon met gezag
rialtóir
/ˈmɑxtəx/, /ˈmɑxtɪx/, /ˈmɑχtəχ/
adjective
1. meer invloed hebben dan anderen
mórchumhachtach
noun
1. een handwerktechniek om decoraties of weefsel te maken, door het met de hand knopen van draden
macraime
adjective
1. met het blote oog waarneembaar
macrascópach
/ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Madagascar
noun
1. Pootloze larve
cruimh
noun
1. Bellis perennis
nóinín
pronoun
Maidrid
/mɑf/
adjective
1. vreemd, onverwacht, ongebruikelijk, raar
duine buile
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
maifia
noun
1. opslagplaats
bialann
noun
1. kleur tussen rood en blauw
maigeanta
/ˈma.ɣər/, /ˈma.χər/
adjective
1.
séimhigh
pronoun
1. verpersoonlijking van de dood
Bás
noun
1.
caoile
noun
1. het al te slank zijn
caoile
noun
1. toverkunst; kracht waar een tovenaar over beschikt om dingen te verwezenlijken die een bovennatuurlijke indruk maken
draíocht
adjective
1.met een bijzondere, bovennatuurlijke betekenis
rúnda
adjective
1. van zeer goede kwaliteit
sciliúil
noun
  1. 2. persoon, zaak of plaats
    1. adhmaint
    2. maighnéad
  2. 1. gemagnetiseerd metaal
    1. maighnéad
    2. adhmaint
noun
réimse maighnéadach
noun
1. Chemisch element
maignéisiam
noun
1. magnetisch, ijzer bevattend mineraal; magnetisch erts
adamant
adjective
1. verschijnselen vertonend die toegeschreven kunnen worden aan een kringstroom...
  1. adhmainteach
  2. maighnéadach
verb
maighnéadaigh
noun
  1. maighnéadas
  2. adhmainteas
/ˈmɑɣ.nə.trɔn/, /ˈmɑχ.nə.trɔn/
noun
1. een toestel waarin met zeer korte en gerichte golven voedsel in zeer korte tijd warm kan worden gemaakt
micreathonnán
noun
1.
méid creatha talún
noun
1. boom met tulpachtige bloemen
magnóilia
pronoun
1. taal met verschillende dialecten in de deelstaat Maharashtra in India
Concáinis
/ˈmelə(n)/
verb
1. per elektronische post verzenden
ríomhphost
noun
1.
mol
/mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
arbhar indiach
noun
teach
noun
1.
arbhar
noun
1. majeur
maor
noun
maor
noun
1.
tromlach
adjective
1. gedwee, tam, niet wild
ceansaigh
/ma'kak/
noun
1. een aap behorende tot een geslacht (Macaca) van apen van de Oude Wereld
meacaic
noun
1. schoonheidsproducten
dreachadh
/ˈmaːkən/
verb
1. in elkaar zetten
déan
noun
1. iemand die iets maakt of gemaakt heeft
cruthaitheoir
adjective
1. niet moeilijk, waar weinig moeite en inspanning voor vereist is
furasta
/mɑkər/
noun
1. iemand aan wie men door persoonlijke voorkeur verbonden is
comrádaí
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
  1. maicréal
  2. ronnach
/mɑl/
adjective
1. blijk gevend van gebrek aan gezond verstand
amadán
/mɑl/
noun
1. een holle gietvorm
múnla
noun
easláinte
/ma.'la.wi/, /ma.'la.ʋi/, /ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
  1. an Mhaláiv
  2. Mhaláiv
pronoun
1. Dravidische taal die wordt gesproken door 47 miljoen mensen, vooral in de Indiase deelstaat Kerala
Mailéalaimis
/mɑl.ˈdi.və(n)/, /mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Oileáin Mhaildíve
pronoun
Malaicí
/mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
Malaeis
/maˈlɛ:zi.jə/, /maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
Mhalaeisia
/malə(n)/
verb
1. tussen twee harde voorwerpen fijnwrijven
meil
noun
1. misvorming
anchuma
noun
1.
aerthacht
noun
1. iets vervelends
aimléis
/'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
Mailí
adjective
1. met slechte bedoelingen
ainbhéasach
noun
4. ring in een schoen voor de veter
súilín
noun
1. plaats waar men het maliespel (een soort golf) speelde
ceantar siopaí
adjective
1. kwaadaardig
ainciseach
adjective
1. zacht en sappig
armacach
noun
1.
armacas
/ˈmɑlta/, /ˈmɑɫta/
pronoun
  1. 1. eiland in de Middellandse Zee
  2. 2. land in de Middellandse Zee
Málta
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
Máltais
/mɑlˈteːsə/, /mɑɫˈtesə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Malta
Máltach
noun
maltós
/ˈmɑmaː/
noun
1.
maime
adjective
1. met betrekking tot de vrouwelijke borstklier
cíochach
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Mammuthus
mamat
noun
1. het afbeelden van de borstklier door middel van röntgenstraling
[[X-ghathú]] cíche
/mɛn/
pronoun
1. een eiland in de Ierse Zee
Manainn
noun
  1. 3. een mens
    duine daonna
  2. 1. persoon van het mannelijk geslacht
    fear
  3. 2. een echtgenoot, een getrouwde man
    fear céile
noun
1. de leiding van een organisatie, de verzameling managers
bainisteoireacht
noun
1. een persoon die de leiding heeft over een afdeling binnen een organisatie
bainisteoir
pronoun
Manaus
noun
1. een dubbele of stevige stof aan rond de opening van de mouw of hals
cufa
noun
1. een sierknoop die de manchet aan de mouw van een overhemd sluit
lúibín cufa
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
ciseán
pronoun
1. Mandarijns Chinees
Mandairínis
noun
1. Een citrusvrucht
mandairín
noun
1.
uiríollaí
noun
1. verdediger die ervoor zorgt dat een aanvaller van de tegenpartij geen kansen krijgt
garda
adjective
mandabail
noun
1. een klein, luitvormig tokkelinstrument met vier paar snaren waarop met een plectrum getokkeld wordt
slisneoir
/manəsxɛɪn/
noun
1. Het door de maan weerkaatste licht dat op de aarde schijnt, maanlicht
solas na gealaí
/ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
manga
noun
1. Chemisch element
mangainéis
/'mɑnɣɑt/
noun
1.
dúnpholl
/ˈmɑŋələ(n)/
verb
  1. 2. ruilen, aan ruilhandel doen
    tráchtáil
  2. 1. ontbreken, tekortschieten
    uireasa
noun
biatas
noun
1. soort oranje-groene sappige tropische vrucht
mangó
noun
1. onderfamilie van de civetkatten, zeer snelle en behendige roofdiertjes...
mongús
noun
mangróbh
adjective
croíán
noun
1. de mate waarin men moedig is
fearúlacht
/ mɑˈniːr/
noun
bealach
noun
  1. 1.
  2. 2. openbare gebeurtenis
réaladh
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
casabhach
verb
lámhaigh
noun
1. hemels voedsel
manna
adjective
  1. 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
  2. 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
firinscneach
noun
1. iemand die nieuwe kledingontwerpen dragend deze aan een publiek vertoont
mainicín
noun
abhac
/ˈmɑnslɑx/
noun
1. doodslag
dúnorgain
noun
leathcheann
noun
  1. 1. omhullend kledingstuk
    brat
  2. 2. omhulsel apparaat
    dreach
pronoun
1. een Keltische taal die (als tweede taal) wordt gesproken op het eiland Man
Manainnis
pronoun
1. taal die door de Maori's wordt gesproken
Maorach
noun
1. communist die zich vooral heeft laten inspireren door Mao Zedong
cumannachas
/mɑp/
noun
    1. 1. een stevig omhulsel voor papieren
    2. 2. een gebundelde verzameling gegevens
    comhad
  1. 3. deel van het bestandssysteem
    fillteán
pronoun
1. inheemse taal gesproken door 440 duizend mensen in Chili en Argentinië
Mapúitsis
pronoun
1. taal die met name in Maharashtra, een staat in India gesproken wordt, onder andere in Mumbai (Bombay)
Maraitis
noun
maratón
verb
1.
conradh
verb
máirseáil
pronoun
2. boek in de Bijbel
Marcas
/ˈmarə/
noun
2. bericht
tuairisc
noun
1. Viscum album
drualus
noun
buíoc
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus wiedii
margae
noun
1.
corrlach
noun
1.
díbeartach
pronoun
Máire
noun
1. het hoogfeest ter gedachtenis van de aankondiging (annunciatie) van de geboorte van Jezus aan Maria
Teachtaireacht an Aingil
noun
Lá Fhéile Muire na gCoinneal
pronoun
2. spelwoord voor de letter m
Meicsiceo
/mɑˈrɪmba/
noun
1. een zeer grote houten xylofoon uit Guatemala met onder elke toets een resonator van houtsnijwerk
mairimbe
/maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
cabhlach
noun
2. kruid
oragán cumhra
pronoun
1. Italiaanse regio
Marche
/mɑr.kɪː.rə(n)/
verb
1. het afbakenen van een grens
marcáil
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
marcas
pronoun
Oileáin Mharcasacha
noun
  1. warenverkoop op pleinen en straten
  2. geheel van omstandigheden waaronder hoeveelheden van producten of diensten verhandeld worden
margadh
/'mɑrk.dɑx/
noun
1. dag waarop markt gehouden wordt
lá margaidh
noun
log margaidh
pronoun
2. boek in de Bijbel
Marcas
noun
1. broodbeleg van fijngekookt fruit
plúch
/mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
marmar
adjective
marmaraigh
verb
síog
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
marmat
/ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
Maracó
pronoun
Oileáin Mharcasacha
pronoun
  1. Mars
  2. Máirt
noun
    1. 1. regelmatige manier van lopen met afgemeten passen, vooral gebruikt door soldaten...
    2. 2. een wandeltocht
    3. 3. een mand of bak die op de rug gedragen wordt
    máirseáil
  1. 4. het halfronde platform aan de top van het onderste deel van de mast van een zeilschip
    uachtar
pronoun
1. een taal die op de Marshalleilanden gesproken wordt
Mairsillis
/mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
Oileáin Marshall
noun
1. sponzig snoepje
leamhachán
noun
1. iemand die voor een zaak lijdt of sterft en daarmee tot symbool wordt gezien van de strijd voor die zaak
mairtíreach
verb
1. een gevangene onderwerpen aan lichamelijke en/of geestelijke pijniging, voornamelijk teneinde informatie los te krijgen
pianadh
noun
1. opzettelijk toegebrachte pijniging van een gevangene
pianadh
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Martes
cat crainn
adjective
1.
míleata
noun
1. traditioneel en stelselmatig beoefende stijl van vechten
ealaín oscartha
pronoun
2. spelwoord voor de letter m
Meicsiceo
noun
1. de socialistische ideologie van de volgelingen van Karl Marx
Marxachas
adjective
1. met kenmerken die typische voor mannen zouden gelden
fir
/mɑˈʃiɑx/
noun
1.
Meisias
noun
1.
  1. púic
  2. masc
noun
1.
bréagriocht
/ˈmɑsaː/
noun
  1. 1. totale hoeveelheid materie in een object
    Aifreann
  2. 2. grote hoeveelheid
    caitín
  3. 3. menigte
    mórshlua
noun
1. massaal uitsterven van levensvormen
olldíothú
noun
suathaireacht
noun
1. een wapen dat zeer velen doodt
airm ollscriosta
verb
1. het toepassen van uitwendige druk op de zachte weefsels
suathaireacht
noun
1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
crann
noun
maisteachtóime
noun
1.
máistir-rang
noun
1. grote hond met een heel los rimpelig vel bij het hoofd
maistín
noun
1. het stimuleren van de eigen geslachtsdelen
glacaireacht
noun
1. stierenvechter
tarbhadóir
noun
cluiche
noun
barra
noun
1. een tastbare stof
damhna
noun
damhna
adjective
adhmad
adjective
máithriúil
/maθe'mat/
noun
matamaitic
noun
matamaiticeoir
adjective
matamaiticiúil
adjective
1. in geringere mate dan mogelijk of gewenst
réasúnta
verb
1. minder uitbundig of extreem optreden
réasúnta
noun
1. van een persoon dat deze niet teveel eet en drinkt
measarthacht
noun
1. minder sterk, hard en krachtig maken
measarthacht
adjective
1. geneigd om vroeg op te staan
luath
noun
2. kapsel waarbij de de zijkanten van het haar meestal opgeschoren of kort zijn, maar de achterkant lang
lannach
adjective
1.
matrarcach
noun
1. vorm die dient om meerdere gelijke producten te maken
múnla
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
maitrís
pronoun
  1. Maitiú
  2. Mathúin
/'matyritɛit/
noun
1.
abúlacht
/ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
An Mháratáin
/maʊ̯.'ri.si.jəs/, /mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
Oileán Mhuirís
noun
1. groot en rijk versierd graf
másailéam
adverb
1. ten hoogste
ar a mhéad
noun
1. de hoogst toegestane snelheid voor voertuigen op een openbare weg
luasteorainn
/ˌmajoˈnɛːzə/
noun
1. een saus op basis van eieren
maonáis
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
bruitíneach
noun
1. een vrouw die een relatie heeft met een getrouwde man
bean luí
/ˈmaʲɪs/, /ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
arbhar Indiach
noun
1.
arbhar
noun
gairmscoil
adjective
1. met betrekking op de mechanica, machinaal, automatisch zonder na te denken
meicniúil
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
bonn
adverb
1. ook
chomh maith
/ˈmedəˌdelən/
verb
  1. 2. doen vernemen
    cuir in iúl
  2. 1. deelnemen, deel hebben
    rannpháirtigh
noun
1. iemand die hetzelfde wil als jij terwijl het niet mogelijk is het beiden te verkrijgen
iomaitheoir
/ˈme.dəˌklɪŋ.kər/
noun
  1. 1. een klank waarbij de lucht niet ongehinderd door de mond naar buiten kan
  2. 2. een letter die zo'n klank in schrift weergeeft
consan
noun
1. verdriet over het leed van anderen
taise
/ˌmedəˈmɛnsələkɦɛɪ̯t/, /ˌmedəˈmɛnsələkɦɛːt/, /ˌmedəˈmɛnsəlɪkhɛɪ̯d/
noun
1. het beste met andere mensen voorhebben en mensen dat ook betonen
cineáltas
noun
1. behulpzaam persoon bij een misdrijf
comhchoirí
noun
2.
airmheán
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
cógas
noun
dochtúir
/ˈmedina/
pronoun
1.
Meidíne
noun
1. spirituele bezigheid
machnamh
/meː/
noun
1. licht alcoholische drank vervaardigd van honing
meá
/ˈmedelə(n)/
verb
1. een feit vertellen
cuir in iúl
/ˈmeɣan/, /ˈmeχan/
verb
1. op hetzelfde moment dezelfde richting uitgaan
comóir
/ˈmeɣevə(n)/, /ˈmeχevə(n)/
verb
tabhair
verb
1. anderen helpen iets te doen
cabhair
noun
1. Rubia tinctorum
madar
/mel/, /meɫ/, /mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
plúr
noun
brabúsaí
/ˈme.ma.kə(n)/
verb
1. getuige zijn van een gebeurtenis
teisteoir
/meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
loch
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
tromlach
adjective
1. de leeftijd bereikt hebbend dat men alle rechten en plichten van een volwassene heeft
d'aosaigh
noun
1. bepaald soort watervogel, Fulica atra
cearc cheannann
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
iolra
noun
1. benaming voor kleine weinig schuwe vogels uit de familie Paridae
meantán
adjective
1. van iets dat het de aandacht trekt; van iets dat men er zich bij betrokken voelt
aerach
adverb
1. in het merendeel van de gevallen
d'fhormhór
noun
1. baas, heer, patroon
máistir
noun
máistreás
noun
1.
maor
verb
1. iets erbij tellen
scór
noun
1. een bijeenkomst
cruinniú
/'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
geoiméadracht
/ˈmetlɑt/
noun
1. een langwerpig voorwerp waarmee maten opgenomen worden
rialóir
noun
1. een band met een schaalverdeling zodat men een afstand kan bepalen
miosúr
/meːβ̞/, /mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
  1. faoileán
  2. faoileog
adjective
meigiliteach
noun
1. de vijfde maand van het jaar
Bealtaine
/mɛi̯t/
noun
cailín
noun
1. een dag in de maand mei
Lá Bealtaine
/ˈmɛɪ̯.dorn/
noun
1.
sceach gheal
noun
1. Tweestijlige meidoorn
sceach gheal
noun
1. Convallaria majalis
lile na ngleanntán
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
mionn éithigh
/mɛɪˈozə/
noun
1.
méóis
noun
tornapa
/ˈmɛɪ̯ʃə/, /ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
cailín
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
meitniriam
/me'latshɛɪt/
noun
1. besmettelijke ziekte veroorzaakt door een bacteriële infectie van de huid
lobhra
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
dúchroíoch
pronoun
Meilinéis
verb
1. iets rapporteren, bekendmaken
tuairisc
/mɛl.dɪŋ(g)/
noun
1. een bericht over een gebeurtenis
ceirnín
adjective
2. lusteloos, verveeld
liosta
pronoun
Melilla
noun
1. geneeskrachtige plant waarvan de bloemen veel nectar bevatten en ruikt naar citroen
lus na meala líomóide
/mɛlk/
noun
bainne
noun
fear bainne
noun
1. chocolade die bereid is met room of melk
seacláid bhainne
/mɛlkə(n)/
verb
1.
  1. crúigh
  2. bligh
noun
1.het orgaan dat bij het zoogdier de melk produceert
faireog bhainne
noun
een suiker die o.a. in melk voorkomt
lachtós
noun
1. een tand uit de eerste set tijdelijke tanden van de mens en sommige andere dieren (zoals de hond of de koe), die na verloop van tijd worden vervangen door de permanente tanden
fiacail diúil
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
Bealach na Bó Finne
noun
1. een bijzonder grote groep sterren die samen met andere materie om een gezamenlijk middelpunt...
réaltra
noun
1. de vloeistof die bij de kaasbereiding ontstaat door het stremmen van de melk na toevoeging van stremsel
meadhg
noun
1. organisch zuur
aigéad lachtach
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
ábhann
adjective
aangenaam klinkend
duanach
adjective
1.
ceolmhar
noun
mealbhacán
/mɛmbran/
noun
2. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
scannán
/ˈme:mə/
noun
méim
indefinitePronoun
1. iemand, maar niemand in het bijzonder
ceann
/ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
meindiléiviam
/məˈneːr/, /məˈnɪːr/
noun
  1. 1. een formele manier om een man aan te spreken
  2. 2. een nette man
  3. in te delen
an tuasal
/menə(n)/
verb
  1. 1. de bedoeling hebben
    ceachartha
  2. 3. denken, een mening toegedaan zijn
    ceap
noun
1.
bolla
noun
cumasc
verb
1. het homogeniseren van twee of meer zaken
measc
noun
1.
moirtéal
noun
meascán
noun
1.
gallán
noun
1. grote groep mensen dicht op elkaar
dream
adjective
ilchineálach
adjective
2. veelsoortig
ilchineálach
/ˈmeːnɪŋ/
noun
1. oordeel, opinie
barúil
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
duine
noun
1. een gemeenschappelijke naam voor dieren uit de orde van de primaten
ápa
noun
1.alle mensen van alle plaatsen en tijden tezamen als één groep
cineáltas
adjective
  1. 2. goed voor de medemens
    Críostúil
  2. 1. zoals de mens
    duineata
/ˈmɛnsələkɦɛjt/
noun
daonnacht
noun
1.
canablach
noun
1. de bekendste en de meest gevreesde haai, Carcharodon carcharias
siorc bán mór
noun
1.een mens in het algemeen
daonna
noun
1. een grote groep mensen die dicht bij elkaar staan
dream
noun
1. mensenmassa
dream
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
cearta daonna
noun
1.iets dat door mensen gemaakt is
de dhéantús an duine
noun
1.grote groep mensen
dream
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
daonnacht
noun
1. geheel van mensen beschikbaar om arbeid te verrichten
fearchumhacht
adjective
1. van gevoel of daden: met veel sympathie voor de medemens
flaithiúil
noun
carthanacht
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
fuil mhíosta
noun
1.
timthriall míosta
adjective
míosta
adjective
1. verband houdend met het brein
meabhrach
noun
biachlár
noun
1. een klap met de hand of met een mepper
béim
adjective
1. gericht op handel drijven en geld verdienen
marsantach
noun
1.
earraíocht
pronoun
Mearcair
/meːrəl/, /ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
  1. lon dubh
  2. céirseach
verb
feistigh
noun
1. het grootste deel
tromlach
adverb
d'fhormhór
noun
meireang
noun
  1. 2.
    garr
  2. 1. zacht weefsel in de kern van een bot
    smior
noun
1. halve cirkel die de beide polen met elkaar verbindt
fadlíne
noun
tuilleamhlathas
noun
  1. 1. een kenteken aangebracht ter identificatie van iets
    ball
  2. 2. een herkenbaar product door een bepaalde producent vervaardigd
    splanc
verb
  1. 2.
    ball
  2. 1. iets waarnemen of herkennen
    fógra
noun
spiorad
adjective
1. vreemd, raar
aisteach
adjective
1. betrekking hebbend op de Merovingers, een koningsdynastie
Meirvínseach
noun
1. vrouwelijk paard
láir
noun
1. snijwerktuig
scian
/mesoˈlitikʏm/
noun
Méisiliteach
noun
1.
méasón
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
an Mheaspatáim
/ˈmɛssxedə/
noun
2. een marien tweekleppig weekdier, met een geheel rechte schelp
scian mhara
/mɛˈsijɑs/
pronoun
1. de in de joodse Tenach voorspelde Redder die door God gezonden zal worden en die door de christenen met Jezus gelijkgesteld wordt
Meisias
adjective
prás
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
aoileach
verb
leasaigh
/ˈmɛstkevər/
noun
1. een donkergekleurde kever die zich met mest voedt
priompallán
noun
1. insect dat leeft van paarden- en koeienmest
priompallán
noun
carn aoiligh
/mɛd/, /mɛt/
preposition
le
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
miotal
noun
1. instrument om metalen voorwerpen op te sporen
brathadóir miotail
/me.ta.ˈfɔːr/, /mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
meafar
adjective
1. van verf of lak: glanzend als metaal
miotalach
noun
miotalóideach
noun
miotaleolaíocht
noun
athghiniúint
noun
1. taal met behulp waarvan dezelfde of een andere taal wordt beschreven
meititheanga
/mɛ.ˈden/, /mɛ.ˈten/
adverb
1. onmiddellijk
láithreach bonn
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
tomhais
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
dreige
noun
dreigít
/meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
meitéareolaíocht
noun
1. de SI-eenheid van lengte
méadar
noun
caidreamhach
noun
1. CH₄
meatán
/meˈtodə/
noun
slí
noun
1. Een stroming in het protestantisme
modhachas
/ˌmetodoloˈɣi/, /ˌmetodoloˈχi/
noun
modheolaíocht
/mæː.to.ˈny.mi.ja/
noun
meatonaime
/mæː.to.ny.ˈmiː/
noun
meatonaime
adjective
méadrach
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
traein faoi thalamh
noun
méadranóm
noun
ardeaspag
noun
ceannchathair
noun
1. wereldstad
ceannchathair
noun
aiste
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
bríceadóir
adverb
amach is amach
/ˌmɛ.tər.ˈtɛɪ̯t/
adverb
1. na verloop van (een zekere) tijd
le himeacht aimsire
noun
1. stuk huisraad
troscán
noun
1. een vakman die beroepsmatig meubels vervaardigt
adhmadóir
/ˌmø.bi.ˈlɛːr/, /ˌmøː.by.ˈlæːr/
noun
1. verzameling meubels waarmee een gebouw is gestoffeerd
troscán
noun
1. groep (jacht)honden, e.d.
deic
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
bean
adjective
Meicsiceach
/ˈmɛg.zi.ˌko/, /ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
Meicsiceo
noun
idirurlár
pronoun
1. macrotaal binnen de Miao-Yaotalen gesproken door 7,7 miljoen mensen in het zuiden van China en het noorden van Vietnam en Laos
Hmongais
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
meamhlach
/miˈxa/, /ˈmiʃa/
pronoun
Míocá
/ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
miocrorgánach
noun
1. een levend micro-organisme
miocrób
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
micri-bhitheolaíocht
noun
micriríomhaire
noun
micreafón
noun
1. fotografie m.b.v. een microscoop
micreafótagrafaíocht
/ˈmik.ro.χɔl(ə)f/, /ˈmɪk.ro.ɣɔlf/
noun
2. elektromagnetische golf van 0,1 mm tot 1 cm lengte
micreathonn
noun
1. een kleine, van de buitenwereld afgesloten werkelijkheid (een kleine wereld)
domhnán
noun
2.
micriméadar
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Micreascóp
/mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
micreascóp
adjective
1. zeer klein, voor het blote oog onzichtbaar
micreascópach
noun
  1. 1. het midden van de dag, 12.00
    nóin
  2. 2. het gedeelte van de dag tussen 12.00 en 18.00 uur
    tráthnóna
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
lón
/ˈmɪdəɫ/
noun
  1. 3. iets dat wordt aangewend om ziekte, ongesteldheid te bestrijden
    cógas
  2. 4. geld, bezit
    gustal
  3. 2. iets met behulp waarvan een doel bereikt kan worden
    meán
/ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
Meánaois
/ˈmɪdəɫɪ:ws/
adjective
1. gerelateerd aan de middeleeuwen
meánaoiseach
pronoun
1. Hoogduitse dialecten uit de periode 1050-1350
Meán-Ard-Ghearmáinis
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
an Mheánmhuir
noun
1. middellijn
trastomhas
/ˈmɪdəlmat/
noun
ceachartha
/ˌmɪdəɫˈmatəx/
adjective
  1. 2. niet in positieve zin opvallen
    coitianta
  2. 1. zich rond het gemiddelde bevinden
    meán
noun
1. van een cirkel of bol is het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft
ionad
/mɪdəlpɵntflidənt/
adjective
1. neigend van het middelpunt weg te bewegen
lártheifeach
noun
síolta rua
noun
  1. 2. als beledigend gebaar
    méar
  2. 1. vinger
    méar mheáin
noun
1. het centrale deel
lár
preposition
i lár
pronoun
1. het gebied tussen Noord-Amerika en Zuid-Amerika
Meiriceá Láir
noun
1. regio die bestaat uit Zuidwest-Azië en het noordoosten van Afrika
Meánoirthear
adverb
i lár
noun
1. maatschappelijke, economische klasse
meánaicme
noun
chluas láir
noun
1.
taobhroinn
noun
1.
corp na heaglaise
noun
1.
miondíoltóir
noun
1.
lárpháircí
noun
2. (gulden) middenweg, de ideale positie tussen twee uitersten
meánionad
/ˌmɪdərˈnɑxt/, /ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
meán oíche
adjective
meánaicme
verb
1. via de blaas als vloeistof lozen van lichamelijke afvalstoffen
mún
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
seangán
noun
1. HCOOH
aigéad formach
noun
2. wortel
raidis fhiáin
noun
  1. 2. (scheldwoord) slappe, verwijfde homoseksueel
    goirmín
  2. 1. slapjanus, kleinzerig persoon
    piteogach
noun
1. schele hoofdpijn
mígréin
noun
imirce
abbreviation
mise
/mɛi̯l/
abbreviation
míle
noun
1.
aislingeach
adjective
1. weemoedig en slaperig nadenkend
cuimhneach
/mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
  1. m'
  2. mo
noun
1. het bedrijven van winning van delfstoffen
mianadóireacht
noun
1. een verticale, meestal cilindervormige toegangsweg tussen het aardoppervlak en plaatsen...
sloc mianaigh
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
mianadóir
noun
  1. 2. stapel
    caitín
  2. 1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
    fíneog
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
mítéar
verb
  1. 1. richten op een doel
    aidhm
  2. 2. gericht werpen
    caith
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Milano
noun
1.
flaithiúlacht
noun
1.
saighdiúir
/mi.li.ˈjøː/, /mɪɫˈjø/
noun
2. de wereldwijde natuurlijke omgeving
timpeallacht
/miɫˈjøkʏnˌdə/
noun
éiceolaíocht
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
adjective
1. met het leger te maken hebbend
míleata
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
noun
1. lid van een leger
saighdiúir
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
billiún
noun
1. 1.000.000
milliún
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
milliúnaí
noun
1. dikke koude drank
creathán bainne
noun
1. een periode van 1000 jaar
mílaoise
verb
1. zeer kort afknippen van het hoofdhaar met een tondeuse
barr
/mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
liathán
/ˈmɪltfyr/
noun
1. een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
antrasc
noun
1.
míomós
adverb
1. minus, verminderd met (-)
lúide
/mɪnɑxtə(n)/
verb
1.
anurraim
/ˈmɪnɑxtɪŋ/
noun
1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
dímheas
noun
miontúr
/ˈmɪndər/
indefiniteCardinalNumeral
1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
lú
noun
coimpléasc ísleachta
/minəˈral/
noun
mianra
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
uisce mianraí
noun
mianreolaíocht
adjective
1. mineur
mionaoiseach
/ˈminimal/
adjective
1. het kleinst mogelijk
íosta
/ˈminimal/
adverb
1. minstens
ar a laghad
verb
1. zo klein mogelijk maken, als onbeduidend voorstellen
íoslaghdaigh
adjective
1.
íostach
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
aire
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
príomh-Aire
noun
1. bepaald zoogdier, Neovison vison
minc
verb
1.knuffelen met een seksuele lading
ansacht
noun
leannán
noun
míbhuntáiste
/mɪnst/
indefiniteCardinalNumeral
íosta
adjective
beacht
noun
  1. 2. hoek
    nóiméad
  2. 1. tijdeenheid
    1. nóiméad
    2. bomaite
adjective
1.
bocht
noun
1. een godsdienstoefening in de katholieke kerk, een eucharistieviering
Aifreann
noun
1.
míchaidreamhach
adjective
1.
míchaidreamhach
noun
1. het boek waarin de liturgische gebeden voor de mis staan opgetekend
leabhar Aifrinn
/'mɪsbrʌʏk/
noun
maslaigh
/mɪzˈbrœykən/, /mɪzˈbrœːkən/
verb
op een slechte wijze gebruik maken van iets of iemand
maslaigh
noun
1. een handeling die een ernstig vergrijp tegen het wetboek van strafrecht is
cion
/mɪs'dadəx/
adjective
coirpeach
noun
1. is iemand die de priester helpt tijdens het opdragen van de mis
cléireach
noun
1. een misdaad of delict
coir
noun
1. groot verdriet en armoede
aimléis
verb
1.
tréig
verb
1.
fala
noun
1. het moedwillig toebrengen...
maslaigh
noun
1. beker waarin de miswijn wordt geconsacreerd tot bloed van Jezus Christus
cuach
noun
anabaíocht
adjective
1.
cealgach
/'mɪslopə(n)/
verb
1. niet op de juiste tijd op de juiste plaats zijn om iets mee te maken
airigh ó
/mɪsˈlʏkə(n)/
verb
verkeerd aflopen, zonder het gewenste resultaat
clis ar
noun
1. iets dat niet goed is gegaan
meath
adjective
anchruthach
verb
1.
cláiríneach
adjective
míshásta
noun
1. een gevoel van onvrede en onbehagen, gewoonlijk veroorzaakt door iemands optreden
míphléisiúr
noun
  1. 1. bepaald soort loofboom Mespilus germanica
  2. 2. vrucht van de mispelboom
meispeal Gearmánach
noun
  1. 2.
    díomá
  2. 1.
    mí-áireamh
/məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
is dócha
adjective
  1. 1. tot braken geneigd
    adhascaideach
  2. 2. een nare indruk makend, onuitstaanbaar
    déistineach
noun
adhascaid
/ˈmɪsə(n)/
verb
    1. 1. niet raken, niet treffen
    2. 6. de afwezigheid voelen van
    airigh ó
  1. 5. ontberen
    uireasa
adjective
misinéir
noun
misinéir
noun
1. een officiële schriftelijke mededeling waarvan een bepaalde stelligheid uitgaat
litir
noun
4. een slag die niet raak is
béim
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
ceo
verb
1.
déan dearmad
noun
1. bepaald soort groenblijvende plant die als halfparasiet op bomen leeft, Viscum album
drualus
verb
1.
ceomhar
adjective
1. met mist
ceoch
noun
1.
lampa ceo
noun
1. de eigenschap dat je er een sombere, verdrietige en minder hoopvolle stemming van krijgt
brón
noun
2. een verkeerd begrip
lúb ar lár
noun
anchuma
noun
1. armoedige, ellendige toestand
aimléis
/ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
miteachoindre
/miˈtozə/
noun
1.
miotóis
conjunction
1. indien, op voorwaarde dat
an
conjunction
in éineacht le
noun
1. mengsel
measc
/ˈmɪksə(n)/
verb
1. door elkaar mengen
measc
noun
cumasc
adjective
1. gemakkelijk verplaatsbaar of bewegend
guthán soghluaiste
/moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
fón póca
noun
1. beweeglijkheid
luaineacht
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
lathach
verb
abach a dhéanamh ar
/ˈmodə/
noun
faisean
noun
1.
aibhseoir
noun
cineál
verb
  1. 1. op schaal navormen
    eiseamláir
  2. 2. boetseren
    múnla
noun
2. overdreven modieus geklede man of vrouw
aibhseoir
noun
measarthacht
/moˈdɛrn/
adjective
1. van deze tijd, volgens de laatste mode
nua-aimseartha
noun
1.
leasaitheoir
noun
modernity
adjective
1. zedig en bescheiden
uirísligh
adjective
1. volgens de mode
galánta
noun
modhnú
/muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
tuirseach
/mud/, /mut/
noun
1. dapperheid, lef, branie
misneach
noun
1. een vrouwelijke ouder
máthair
noun
1. onderste laag van het aardoppervlak
buncharraig
adjective
1.met de liefde en zorg van een moeder
máithriúil
noun
3. de schoot van moeder
ucht
noun
máthairtheanga
noun
1. vrouwelijk varken dat biggetjes heeft gebaard
cráin
/ˈmuːdəx/, /ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
calma
adjective
1. expres, opzettelijk, met boze opzet, weloverwogen
d'aon toisc
noun
1. toestand waarin je door afmatting behoefte hebt om uit te rusten
tuirse
noun
socadán
/mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
ciotach
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
deacracht
/ˈmuitə/
noun
1. een grote inspanning
cráigh
adjective
maslach
noun
2. huissloof
sclábhaí
noun
[A]
cnó
noun
corcach
noun
1. schildpad uit de familie Emydidae
tiripín
noun
maoildearg
noun
1. bout waarop men een moer kan draaien
bolta
noun
castaire
noun
1. wijfjesvos
sionnach baineann
noun
1. fijngehakte of fijngekookte groente of vruchten
plúch
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
monsún
/ˈmus.tœʏ̯n/, /ˈmus.tœːn/
noun
1. een tuin waarin op kleine schaal verschillende groenten en evt kruiden en/of fruit worden verbouwd
gort
verb
1. gedwongen zijn
bhí ar
noun
1. huwelijk ingegeven door zwangerschap
pósadh práinne
adjective
1. een keuze om iets te doen
féidir
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
féidearthacht
noun
1. drinkbeker
muga
noun
1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
caochán
/mɔlˈdaːvi.jə/, /mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
An Mholdóiv
adjective
1. bestaande uit moleculen
móilíneach
/moləˈkyle/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
móilín
/moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
móilín
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
muileann
/ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
muilleoir
noun
1. molenarm
eite
verb
1. iemand in elkaar slaan
greasáil
adjective
1. een beetje dik, volslank
méith
noun
1.
carnán caochán
pronoun
Molacaí
noun
1. Chemisch element
molaibdéineam
noun
1. zeer korte tijd
nóiméad
adjective
1. van het ene op het andere moment; op één bepaald ogenblik; betrekking hebbend op het nu
láithreach
verb
1. geluiden maken die moeilijk te verstaan zijn
bí ag canrán
/moˈnako/, /ˈmo.na.ko/
pronoun
  1. 1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
  2. 2. de hoofdstad van Monaco
Monacó
noun
monarc
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
monarcacht
/[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
béal
abbreviation
1. een zeer besmettelijke virusziekte (Aphtae epizooticae) die evenhoevige dieren, vooral runderen treft
galar crúibe is béil
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
armónach
noun
1. een klein tokkelinstrument en lamellofoon waarbij de klank gevormd wordt door een dunne lamel aan te tokkelen waarbij het frame tussen de tanden of tegen de lippen wordt gehouden
trumpa
noun
1. het inwendige deel van de mond
cuas an bhéil
/ˈmɔndijal/
adjective
1. met betrekking tot of geldend voor de gehele wereld
domhanda
/ˈmɔndɪŋ/
noun
1. plaats waar een rivier uitkomt in zee of meer
béal
/ˈmɔnt.kɑp/
noun
masc
noun
1.een blaasinstrument en een lamellofoon dat qua toonvorming sterk verwant is aan de trekzak
armónach
noun
1. dat deel van een blaasinstrument dat in de mond genomen wordt of aan de lippen gezet
béalóg
noun
1. een hap of een slok die zo groot is dat ze de mond vult
bolgam
/ˈmɔntwatər/
noun
1. vloeistof waarmee de mondholte kan worden gespoeld
folcadh béil
adjective
airgeadaíochta
/mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Mhongóil
noun
  1. 1. iemand met het syndroom van Down
  2. 4.
Mongóilis
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
  1. Mongóilis
  2. Mongólach
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
manach
noun
3. plant
dáthabha
adjective
1. maar één kleur hebbend
monacrómatach
noun
1. een bril voor één oog
leathspéacla
/ˈmonokʏɫˌtyːr/
noun
  1. 1. landbouw met één gespecialiseerd gewas
  2. 2. eenzijdige samenstelling van mensen, producten of diensten binnen een samenleving.
monashaothrú
/ˈmonɔfˌtɔŋ/
noun
1. de benaming voor één enkele klinker die de nucleus vormt van een lettergreep
aonfhoghar
noun
1. het samenleven of getrouwd zijn met één persoon
aonchéileachas
/mo.no.'klin/
adjective
1. een symmetrie bezittend die ten hoogste een tweetallige hoofdas of een spiegelvlak bevat
aonchlaonasach
noun
allait
adjective
2. van iets dat het kolossaal groot is en uit één massief brok bestaat
monailiteach
noun
fiabhras faireoige
noun
1. het hebben van niet meer dan één betekenis
aonchiallachas
noun
1. door gebrek aan contrasten saai en eentonig
comhionannas
adjective
aontonach
noun
  1. 1. schrikwekkend wezen
    ainmhí
  2. 2. een willekeurige hoeveelheid ontnomen aan een grotere massa
    tástáil
adjective
anchúinseach
noun
1. lijst met de namen van de bemanningsleden op een schip
rolla mustair
noun
oisteansóir
adjective
1.
anchúinseach
noun
1. iets dat gruwelijk lelijk is
anchúinseacht
noun
tiomsú
noun
1. een foto die is gemaakt van verschillende andere foto's
fótamontáis
/ˌmɔntəneˈgrɛɪ̯ns/, /ˌmɔntəneˈgrɛːns/, /ˌmɔntəneˈɣrɛɪ̯ns/
pronoun
1. vorm van het Servo-Kroatisch, gesproken in Montenegro
Montainéagróch
/ˌmɔntəˈnegro/, /ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Montainéagró
adjective
spéiriúil
verb
1. de juiste beelden achter elkaar zetten
cuir in eagar
/mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
Montsarat
noun
2. de houder waarin brillenglazen zijn gevat
cuir i bhfráma
noun
1. een groot gedenkteken
leacht
/moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
deas
noun
1.
Seoinín
noun
1. verhaaltje dat lelijke dingen mooier doet lijken
bladar
noun
caorán
/ˈmoːrd/, /ˈmoːrt/, /ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
dúnmharú
verb
1. rondgaan om moorden te plegen
dúnmharaigh
/mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
dúnmharfóir
noun
  1. 3. (grote) metselsteen
    bríce
  2. 1. anekdote met een verrassend en komisch slot
    cleas
  3. 4. zwabber
    mapa
  4. 5. koosnaam
    muirneach
  5. 2. vlek
    smál
verb
1. onvrede uiten
geonaíl
adjective
1. veel mopperend
cnáimhseáil
adjective
1. op een grappige, vrolijke manier
barrúil
noun
1. hond uit een bepaald ras met een stompe snuit
smutmhadra
/moˈral/
noun
múineadh
noun
1. leer van de gewoontes en deugden
moráltacht
pronoun
An Mhoráiv
pronoun
1. autonome republiek van Rusland
an Mhordóiv
/moˈrel/
adjective
múineadh
noun
1.
searbhshilín
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
moirféim
/ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
  1. 1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
  2. 2. de wetenschap van de bouw van organismen
  3. 3. de vormen, structuren en texturen van een materiaal op een schaalbereik groter dan het moleculaire.
  4. 4. de wetenschap die de vorm van de oppervlakte van de aarde bestudeert
moirfeolaíocht
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
amárach
noun
1. een bruidsschat die binnen het Morganatische huwelijk door een man aan zijn vrouw wordt gegeven de ochtend na de huwelijksnacht
tionscra
noun
1. het zwakke licht van de zon rond zonsopgang
breacadh an lae
noun
1. benaming voor de planeet Venus
réalta na maidine
noun
caorán
noun
1. pejoratieve benaming voor een hond, bastaardhond
amhsán
adjective
1. op een stille manier bozig zijn
cochallach
noun
1. seinalfabet
rosualt
adjective
1. onzindelijk, slonzig
salach
noun
1. het sterftecijfer
básmhaireacht
noun
1. mengsel waarmee wordt gewerkt...
moirtéal
noun
  1. 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
  2. 2,3 korte kanontypen
moirtéar
noun
caonach
noun
1. gebedshuis
mosc
pronoun
1.
Moscó
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
Mahamadach
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
diúilicín
adjective
1. met mos bedekt
móinteach
noun
1. gistend vruchtensap, meestal van druiven
bí ar
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
mustard
noun
gás mustaird
adjective
1. met de gele kleur van mosterd
mustard
noun
1. kleur geel als die van mosterd
mustard
noun
1. een vlinderachtig insect
leamhan
noun
gluaisne
noun
  1. 2.3.
  2. 1. de reden om iets te doen
réasún
noun
inspreagadh
/'mo.tɔr/
noun
  1. 2. voertuig
    gluaisrothar
  2. 1. krachtbron
    inneall
noun
gluaisrothar
noun
1. grote kampeerauto
veain champála
noun
1. lichte neerslag in de vorm van heel kleine druppeltjes water
brádán
verb
1. regenen in zeer fijne druppeltjes
bheith ag brádán
noun
rothar sléibhe
noun
1.
croiméal
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky,...
braich
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
muinchille
adjective
1. zonder mouw
gan mhuinchillí
/ˌmo.zɑm.ˈbik/, /ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
Mósaimbíc
noun
mósáic
/ˈmysli/, /ˈmyə̯zli/
noun
1. eten gemaakt van graanvlokken, zuivel, fruit en noten
múslaí
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
míoltóg
verb
míníneacht
noun
  1. 1. bek van een groot dier
    béal
    1. 3. bepaald soort schoeisel
    2. kruising tussen een paard en een ezel
    iompróir drugaí
noun
1.
béalóg
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
miúil
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
miúil
noun
1.een leren of metalen korf die voor de bek van een dier gespannen wordt om bijten onmogelijk te maken
béalóg
verb
2. beletten te spreken
béal
/mœʏ̯s/, /mœːs/
noun
  1. 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
  2. 3. computermuis
  1. luch
  2. luchóg
/ˈmœʏsmɑt/, /ˈmœːsmɑt/
noun
1. een onderlegger voor een computermuis
ceap
adjective
1. droog, los, stoffig, zandachtig, pulverig
scaoilte
adjective
1. met, of aan veel kanten, belangen, partijen etc.
iltaobhach
adjective
1. veelvoudig
méadaí
adjective
1. meervoudig, veelvoudig
méadaí
noun
scléaróis iolrach
noun
1. composietplaat die bestaat uit meer dan 3 gelijmde laagjes hout
sraithadhmad
verb
1. onduidelijk, binnensmonds mompelen
bí ag canrán
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
seargán
verb
1.van een overledene een mummie maken
mumaigh
adjective
1. betrekking hebbend op de gemeente of gemeenteraad
bardasach
/mʏˈnitsi/, /mʏˈnisi/
noun
schietbenodigdheden
armlón
noun
1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
mismín
noun
  1. 1. een stuk metaal omvormen tot een munt
  2. 3. een nieuw woord introduceren
bonn
noun
1.
bonn
noun
1. bedrijf dat munten en medailles slaat
buail
noun
1. benaming voor kleine hertachtigen uit het geslacht Muntiacinae
muinseac
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
gealbhan
adjective
1. met betrekking tot de spieren
matánach
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
músaem
noun
ceoldráma
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
ceoltóir
noun
noitmig
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
puimcín imchnó
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
puimcín imchnó
noun
muiscít
/'mɵskɵs/
noun
1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
musc
noun
1. hertachtig dier in Centraal-Azië
muscfhia
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
puimcín imchnó
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
muscfhrancach
noun
1. een sprongsgewijze verandering
sóchán
/mʏʦ/
noun
1. hoofddeksel van textiel zonder harde rand.
caidhp
noun
brosna
adjective
frithpháirteach
/myːr/
noun
1. verticale vlakke constructie van metselwerk
balla
noun
1.
lus an bhalla
/my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
ceol
noun
1. een groep personen die zich gezamenlijk oefent ...
banda
/myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
gléas ceoil
noun
1.
séipéal
noun
1.een school waar men muziek leert maken
ceolscoil
noun
eochair
noun
1. de leer van systematiek in muziek
teoiric an cheoil
adjective
ceolmhar
noun
1. iemand die muziek maakt
ceoltóir
/ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
míceolaíocht
noun
mialóma
noun
miópaite
noun
mióisíteas
adjective
rúndiamhair
noun
misteach
/ˈmitə/
noun
miotas
/mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
déscéalaíocht
noun
1.
miotaseolaí
verb
1. door elkaar mengen
measc
preposition
  1. 4. later in volgorde (achter)
    ar deireadh
  2. 1. in tijd volgend op
    tar éis
noun
formad
noun
1.
siúnta
/naf/
noun
1. centrale as of middenstuk van een wiel of rad
mol
/ˈnaːi̯ə(n)/
verb
  1. 1. naaldwerk verrichten
    fuaigh
    1. 2. geslachtsgemeenschap hebben
    2. 3. iemand een veraderlijke streek leveren
    póg
noun
inneall fuála
noun
1.
ciseán fuála
noun
1. een vrouw die naaiwerk verricht
bean fuála
noun
fuáil
/naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
nocht
noun
1. het naakt zijn
nochtacht
verb
nochtachas
noun
drúchtín
/nald/, /naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
snáthaid
noun
  1. 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
  2. 2. bekendheid, reputatie
ainm
adjective
1. waaraan de naam van een persoon gehecht is
ainmneach
noun
cárta
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
tuiseal
/namwort/
noun
1. een woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt
ainm
/naːr/
adverb
1. in de richting van
go
/naːr/
preposition
1. in de richting van
i leith
preposition
1. ertoe gebracht door, onder verwijzing naar
ar aoi
conjunction
dar le
adjective
1. ijverig en vlug
dúthrachtach
preposition
1. aan de zijkant van
in aice le
noun
comharsa
noun
1. liefde jegens de medemens
carthanacht
noun
1. korte stuk aanvullende volgend op de eigenlijke inhoud
iarfhocal
adjective
1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
dlúth
noun
cóngas
verb
1. dicht in de buurt komen van iets
ionsaigh
noun
1. apparaat dat extra vermogen aan een straalmotor geeft met name bij de start
iardhóire
adjective
1. in de buurt ervan gelegen
in aice láimhe
noun
1. meest nabije buren
comharsa
/nɑx/, /nɑxt/, /nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
oíche
noun
1. een uitgaansgelegenheid voor volwassenen
club oíche
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
filiméala
noun
1. dag en nacht duren evenlang
cónocht
/ˈnɑxtjɑˌpɔn/
noun
1. kledij die vrouwen 's nachts dragen
gúna oíche
noun
1. lage kast of tafel zonder laden die bij het hoofdeinde van het bed staat
bord cois leapa
noun
bord cois leapa
noun
  1. 1. een zeer angstige droom
  2. 2. een schrikbeeld
tromluí
noun
1.
lus na hoíche
noun
áras fuail
noun
bord cois leapa
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
leamhan
noun
1. nachtwachter
seiceadóir
noun
tuirne lín
/na'dɑt/
conjunction
i ndiaidh
noun
1. ongunstige eigenschap
míbhuntáiste
adjective
1. kwalijk, schadelijk
aimhleasach
verb
smaoinigh
adjective
cuimhneach
adverb
1. in de tijd erna
ina dhiaidh sin
noun
1.
ionsaigh
noun
1. denkbeeldig punt aan de sterrenhemel loodrecht onder de waarnemer
nadair
/'nadrɵk/
noun
1. een bijzondere aandacht die besteed wordt
béim
noun
nafta
verb
1. zeker maken dat een bewering of gevolgtrekking klopt
coisc
noun
1. herhaaldelijk weerkaasten van geluid
aisfhuaimniú
/ˈnaː.ɣəˌbor.tə/
noun
3. de moederkoek, navelstreng en vliezen die het lichaam van de moeder verlaten nadat de baby is geboren
slánú
noun
cuimhne
noun
1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
ionga
verb
ionga
noun
bearrthóir
noun
1. schoonheidsmiddel
vearnais iongan
noun
milseog
noun
síolradh
noun
1. gewas dat na het hoofdgewas opgroeit, tweede oogst
athbharr
/ˈna.wɑtl̥̩/, /ˈna.wɑtl̩/
pronoun
1. benaming voor de talen die door de oorspronkelijke bewoners van Mexico gesproken worden
Nachuáitlis
/ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Nahúm
noun
1. herfst
fómhar
verb
1. corrigeren van een geschreven tekst of huiswerk
coisc
verb
allabhair
noun
clann
noun
clann
verb
1. iets niet doen, dat men had zullen of moeten doen
faillí
noun
1. wat door de erflater bij zijn overlijden overgedragen wordt
seilbh
noun
1.
cóip
verb
cóip
noun
1.
aithriseoir
/ˈnamələk/
abbreviation
eadhon
preposition
1.
ar son
/na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
  1. An Namaib
  2. Namaib
noun
1. tijd aan het einde van de middag
tráthnóna
noun
1. vrouw die zorgt voor de kinderen van haar opdrachtgevers
buime
noun
nanaitheicneolaíocht
pronoun
1. stad in Italië
Napoli
adjective
1. een taal die in Napels, Campanië, Basilicata en noordelijk Calabrië gesproken wordt
Iodáilis Napóileach
noun
lus an chromchinn
noun
naircisíocht
verb
druga
verb
1. controleren door iets opnieuw uit te rekenen, iets nagaan
coisc
noun
aimléis
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Monodon monoceros
narbhal
/naˈsal/
adjective
1. met betrekking tot de neus
srónach
noun
iarmhairt
noun
1. dans, toneel of muziek ter afsluiting van een theaterstuk, opera, ballet etc.
iarfhocal
verb
1. achter iemand aangaan
slí
noun
1. onderzoek om de ware aard van iets te ontdekken; onderzoek naar wat anderen mogelijk verborgen willen houden
fiosrúchán
verb
1.
ar aghaidh
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
fliuch
noun
1.
fliuchán
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
náisiún
noun
náisiúnstát
adjective
1. op een volk met een eigen land betrekking hebbend
náisiúnta
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
náisiúnachas
noun
náisiúnaí
noun
náisiúntacht
verb
1.
fliuch
verb
1. onderzoeken of iets werkelijk klopt
coisc
noun
sóidiam
noun
décharbónáit sóidiam
noun
fliuchán
noun
überhaupt
nádúr
adjective
1. precies zoals het in het echt voorkomt
réalaíoch
noun
1.
anachain nádúrtha
/naˈtyrkʏndə/, /naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
fisic
noun
fisiceoir
adjective
1. uit de natuur afkomstig
nádúrtha
adverb
1. vanzelfsprekend
ar ndóigh
noun
2. het eenvoudig, zonder al teveel poespas zijn
tréigean
noun
1. een ongelukkige gebeurtenis die door de natuur veroorzaakt wordt
anachain nádúrtha
/na.ˈu.ru/, /naˈuru/, /ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
Nárú
noun
1. misselijkheid
déistin
noun
1. stuurmanskunst
loingseoireacht
noun
1. intvisachtige met een schelp
nátalas
adjective
1. een geringe breedte hebbend
caol
noun
caol
adverb
1. slechts in geringe mate
ní móide
adjective
beacht
noun
1. de mate waarin men zaken tot in de puntjes behandelt
cruinneas
noun
1. een krappe, nauwe doorgang
caol
pronoun
1. taal die het zuidwesten van de Verenigde Staten wordt gesproken door 170 duizend Navajo's
Navachóis
pronoun
Navarra
/'navəl/
noun
imleacán
/ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
sreang imleacáin
noun
1. varkensachtig dier, met een kort gedrongen gestalte en korte kop
torc
noun
loingseoireacht
noun
1. NAVO
ECAT
noun
1. iemand die iemand anders nadoet
aithriseoir
verb
1.
déan staidéar
noun
1. het inwinnen van informatie
anailís
noun
ceist
noun
1. tekst na het eigenlijke einde van een boek of verhaal
iarfhocal
noun
1. iemand met een specifieke voorouder of specifieke voorouders
sliochtach
verb
1. herhalen wat iemand anders al gezegd heeft, bevestigen wat iemand anders al gezegd heeft
pearóid
verb
1. iets aan iemand toesturen
ar aghaidh
verb
1. corrigeren van een geschreven tekst of huiswerk
coisc
adjective
soineanta
/nɛp/
noun
bille
noun
1. interstellaire gas- en stofwolken die worden beschouwd als de geboorteplaats van de sterren
ceo
noun
1. een biografie van een overleden persoon en/of een bespreking van diens werk
scéala báis
noun
1. de afsterving van weefsel
neacróis
noun
1. suikerrijke vloeistof die door veel planten wordt geproduceerd
neachtar
noun
2. een perzikachtige vrucht van boom Prunus persica var. nucipersica
neachtairín
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
an Ostair Íochtarach
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal...
Gearmáinis Íochtarach
adjective
1. een onderdanige houding aannemend
uirísligh
noun
1. het aannemen van een houding waarbij geen aanspraak gemaakt wordt op macht of eer
uirísle
noun
1. het verlies van een strijd
briseadh
/ˈnedərˌlɑnt/, /ˈneːdərˌlɑnd/, /ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
Ísiltír
/ˈne.dər.ˌlɑn.dər/
noun
1. inwoner van Nederland of persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit
Ísiltíreach
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
  1. Ollainnis
  2. Ísiltíris
/ˈne.dər.ˌlɑn.tsə/, /ˈne.dər.ˌlɑnd.sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Nederland, vrouw uit Nederland
Ísiltíreach
/ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
Aintillí na hÍsiltíre
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal zonder Hoogduitse klankverschuiving
Gearmáinis Íochtarach
pronoun
1. een West-Slavische taal die in het gebied Neder-Lausitz in het oosten van Duitsland gesproken wordt
Soirbis Íochtarach
noun
1. een vestiging, een bewoonde plaats
lonnaíocht
/neː/
interjection
1. ontkenning
ní hea
noun
1. mannelijke oomzegger
nia
/nen/
interjection
nee
ní hea
/ner/
adverb
1. in benedenwaartse richting
anuas
verb
1. in een neerwaartse richting gaag totdat men landt
ísligh
noun
tuirlingt
noun
2.
aife
verb
1. op de hurken gaan zitten
suigh ar do ghogaide
verb
1. laten zakken
ísligh
/nerlɛgə(n)/
verb
het werk neerleggen
taisc
verb
1.
leag
verb
2. met geweld onderdrukken
coisc
noun
1. droeve, depressieve stemming
easca
noun
  1. 1. hemelwater
    comhdhlúthú
  2. 2. bezinksel
    taisc
verb
1. het vliegvermogen verliezen en onzacht op de aarde terugvallen
pléasc
noun
1. nierontsteking
neifríteas
noun
neifreolaíocht
noun
1.
neifreolaí
noun
1. het ontkennen
dearadh
adjective
1. ontkennend, afwijzend
diúltach
noun
1. een in het kader van een fotografisch procédé ontwikkelde plaat of film met een lichtgevoelige laag, waarop de lichtwaarden omgekeerd zijn t.o.v. de werkelijkheid
diúltach
/ˈne.ɣə(n)/, /ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
naoi
/ˈne.ɣən.də/, /ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
naoú
cardinalNumeral
1. het getal 29
fiche a naoi
/ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
naoi chéad
cardinalNumeral
1. het getal 19
naoi déag
/ˈne.ɣə(n).təx/, /ˈne.ɣə(n).tɪx/, /ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
nócha
noun
1. een afgelegen gehucht
gráig
noun
1. handelswaar waarmee iemand een kleine handel drijft met name bij venters en marktkooplieden
gnó
pronoun
Nihimiá
/nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
baic
/ˈne.mə(n)/
verb
1. iets vastpakken met de handen
tóg
noun
neoidimiam
/nejoˈlitikʏm/
noun
Nua-Chlochaois
adjective
1.
Neoiliteach
/ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
nuafhocal
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
neon
noun
neoplasma
noun
neoplasma
/ˈnepɑɫ/, /ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
Neipeal
pronoun
1. een taal die vooral in Nepal gesproken wordt
Neipeailis
/nepo'tɨzmə/
noun
1.
finíochas
noun
1. Chemisch element
neiptiúiniam
pronoun
Neiptiún
noun
1. iemand die sociaal en seksueel weinig in trek is en een grote voorliefde voor intellectuele zaken aan de dag legt
saoithín
noun
maide
adverb
in áit ar bith
noun
gnó
noun
  1. 1. benaming voor bepaalde pelsdieren uit de familie der marterachtigen
  2. 1. pels van een nerts
minc
adverb
1. lijdend aan gespannen zenuwen
faiteach
/nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
  1. nead
  2. sead
noun
1. namaakei dat men bij het eierrapen in het nest laat liggen
cillín
/ˈnɛstələ(n)/
verb
1. het bouwen van een nest en het grootbrengen van jongen erin, gewoonlijk van vogels
nead
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Líontán
adjective
1. proper, rein
cúirialta
adverb
1. kort geleden
go díreach
noun
  1. 1. een geheel van fijne draden
  2. 2-6. netwerk enz.
eangach
noun
3. sport die veel lijkt op korfbal en basketbal
líonpheil
noun
1. plant
cál faiche
noun
muislín
/ˈnɛcəs/
adjective
1. net, schoon
cúirialta
adverb
cúirialta
noun
1. een vlies aan de binnenkant van het oog waarop een beeld wordt gevormd
reitine
noun
eangach
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
póg
noun
1. stijve penis
adharc
adjective
1. met betrekking tot de zenuwen
néarógach
noun
1. zenuwpijn
néarailge
verb
1. met gesloten mond zingen
drantán
noun
1. de studie van alles wat met de ontwikkeling en werking van het zenuwstelsels te maken heeft.
néarbhitheolaíocht
noun
1.
néar-mháinlia
noun
1.
néar-mháinliacht
noun
1. middel gebruikt bij geestesziekte
druga néaraileipteach
adjective
1. met betrekking tot de zenuwen
néareolaíoch
noun
néareolaí
adjective
1. met betrekking tot zenuwen en spieren
néarmhatánach
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
néarchill
noun
1. zenuwziekte
néarapaite
noun
néarshíceolaíocht
noun
1. een tendens tot emotionele instabiliteit
néaróiseachas
/ˈnøːrotransˌmɪtər/, /ˈnøːrotrɑnsˌmɪtər/, /ˈnʏːrotrɑnsˌmɪtər/
noun
1. een chemische stof die fungeert als overbrenger van de zenuwprikkel
néaratharchuradóir
noun
néareolaíocht
/nøʏs/, /nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
srón
noun
1. een van de beenderen van de schedel
srónach
noun
poll sróine
noun
1. het eerste stuk van het luchtwegstelsel waar de ingeademde lucht doorheen gaat
cuas na sróine
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
srónbheannach
/ˈnøsklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
srónach
/nøˈtral/
adjective
  1. 1. geen partij kiezend in een conflict
  2. 2. natuurkunde: noch een positieve noch een negatieve lading dragend
  3. 4. scheikunde: noch zuur noch alkaline
neodrach
noun
1. opheffing
neodrú
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
neadracht
noun
neodrón
noun
1.
buama neodrón
noun
neodrónréalta
noun
2. wolken in de nabijheid van de grond, ontstaan door plaatselijke oorzaken zoals door afkoeling of door menging van koude met warme vochtige lucht
ceo
noun
1. bepaald soort zoogdier, Neofelis nebulosa
liopard marmarach
pronoun
1. nationale hoofdstad van India
Deilí Nua
/nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
Nua-Eabhrac
pronoun
1.
Talamh an Éisc
noun
1.
madra Thalamh an Éisc
/ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
Nicearagua
noun
  1. 4. mannelijke homoseksueel
    aint
  2. 3. dochter van iemands oom of tante
    col ceathar
  3. 1. dochter van iemands broer of zus
    neacht
pronoun
2. spelwoord voor de letter n
Nioclás
noun
nicitín
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
aon duine
/nimən'dɑl/
indefinitePronoun
aon cheann
indefinitePronoun
neamhní
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
duán
noun
1. glibberige stof, gewonnen uit het weefsel rond de beide organen die bij zoogdieren het bloed zuiveren
geir
noun
1.
sraoth
verb
1.
lig sraoth
noun
1. giftige plant die vroeg in het voorjaar bloeit
eileabar
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
  1. cha
  2. chan
noun
1. een apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
stáplóir
noun
2. nietmachine
stáplóir
/nitəx/
adjective
  1. 1. verwaarloosbaar klein
    beag bídeach
  2. 2. ongeldig
    breoiteachán
noun
1. het heel klein en onbelangrijk zijn als eigenschap
díomhaointeas
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
stápla
noun
1. apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
stáplóir
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
neamhní
noun
1. iemand die voor niets deugt
cúl-le-rath
adjective
1. zonder argwaan, argeloos
neamh-amhrasach
adjective
1. zonder enige waarde, onbeduidend, onbelangrijk, pet
galair
postposition
in ainneoin
adverb
dá
/niβ̞/, /nyʊ̯/
adjective
    1. 3. huidige
    2. 5. in originele staat
    3. 6. vreemd, onbekend
    4. 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
    nua
    1. 1. recentelijk gemaakt
    2. woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
    3. 2. recentelijk ontdekt
    4. 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
    1. nua
    2. úr
pronoun
Nua-Chaladóin
pronoun
1.
Nua-Guine
pronoun
1.
New Jersey
pronoun
1.
Nua-Mheicsiceo
/niβ̞.ˈze.lɑnt/, /nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
Nua-Shéalainn
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
New South Wales
adjective
2. pas sinds kort een bepaalde eigenschap hebbende
úr
noun
1. nieuwe maan
nuaré
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
Tiomna Nua
adjective
nua-aimseartha
noun
1. het feit dat iets nieuw is
rud nua
noun
1. iets dat nieuw is
adhnua
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
bliain nua
/niu̯s/
noun
  1. 1. actuele ontwikkelingen
  2. 2. een uitzending in de media waarin berichten over actuele ontwikkelingen worden verspreid aan het publiek
scéal
/ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
fiosrach
adverb
1. nergens
in áit ar bith
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
lig sraoth
/'ni.ɣər/, /'ni.χər/
pronoun
  1. 2. een rivier in West-Afrika
    Nígir
  2. 1. land in West-Afrika
    1. an Nígir
    2. Nígir
/ni.'ɣeː.ri.ja/, /ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
  1. An Nigéir
  2. Nigéir
/ˌni.ɣeː.ri.ˈjan/, /ˌni.χɪː.ri.ˈjan/
noun
Nigéarach
noun
1. binnen de filosofie een begrip dat wordt gebruikt om de ontkenning van het bestaan van betekenis...
nihileachas
noun
1. zelfstandig denker die vindt dat voor werkelijke verbetering dingen die nu...
nihilí
/nɛɪt/
noun
1. grondige afkeer
formad
noun
1. buiging als beleefde groet
bogha
pronoun
1.
Níl
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
dobhareach
verb
liomóg
adjective
  1. 1. ernstig
    léanmhar
  2. 2. dringend
    práinneach
noun
1. een tang om er ingeslagen spijkers mee uit te trekken
ordóg
adjective
1. hard werkend
dúthrachtach
noun
tionscal
noun
1. Chemisch element
nicil
noun
fágtha
noun
1. stralenkrans
bogha
noun
  1. 1. wezen dat rivieren, bossen enz. bewoont
  2. 2. bekoorlijk meisje
  3. 4. insect in de tweede toestand van gedaanteverwisseling
bé choille
adverb
1. op geen enkel moment
go deo
adverb
1. geen enkele keer; nooit meer
go deo
/niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
niaibiam
noun
  1. 1. een tepel
    ballán
  2. 2. een hol koppelstukje
    dide
noun
1. de hoogste staat die door de mens bereikt kan worden, en waardoor heiligheid behaald wordt; toestand van volkomen rust
nirbheána
/nɪs/
noun
1. een inham in een muur
almóir
/ˈnisɑn/
noun
1.
Níosán
noun
  1. 1. een zout van salpeterzuur dat het ion NO₃− bevat
  2. 2, een ester van salpeterzuur
níotráit
noun
1. een verbinding van stikstof waarin dit element in de oxidatietoestand -3 optreedt
nítríd
noun
  1. 1. een zout dat het ion NO₂− bevat
  2. 2. een ester die de NO₂− groep bevat
nítrít
noun
vloeibare springstof
nítriglicrín
noun
1. de rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, enzovoort
leibhéal
verb
1. gelijk maken, op gelijk niveau brengen
céim
pronoun
Naoi
noun
1. scheikundig element
nóbailiam
conjunction
ná
adverb
1. luidt een zin in die een onverwachte tegenstelling uitdrukt
dá
/'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
ag teastáil
verb
  1. 2. vermelden door het uitspreken van de naam
    ainm
  2. 1. met een naam aanduiden
    glaoigh
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
ainmneoir
/'nɔ.ɣɑl/
adverb
1. tamelijk, in aanzienlijke mate
ar fad
noun
ainmníocht
adjective
ainmfhoclach
noun
ainmniúchán
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
tuiseal ainmneach
/nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
bean rialta
adjective
neamh-dhénártha
adjective
1. van een organisatie: dat deze niet gericht is op het maken van winst
eagraíocht neamhbhrabúis
noun
1. het onvoldoende aandacht geven aan zaken, het verwaarlozen van bepaalde zaken
faillí
adjective
1. achteloos, onbekommerd
neamhchorrbhuaiseach
noun
1.
naoú
/ˈnɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
uncail
noun
amaidí
noun
  1. 1.
    angar
  2. 2.
    caithfidh
adjective
aimléiseach
noun
1. datgene wat het toeval iemand doet overkomen
cinniúint
/ˈnotzak/
noun
1. iets moeten hebben voor vaak praktische of medische redenen
riachtanas
adjective
1. erg nodig
ag teastáil
verb
éifeacht
/ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
ariamh
/noːr/, /no̝ːr/
noun
1. een inwoner van Noorwegen
Ioruach
/ˈnoːrd/, /ˈnoːrt/, /ˈno̝ːrt/
adverb
tuaisceart
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
Meiriceá Thuaidh
/noːrd.ˈbra.bɑnt/, /no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
Brabant Thuaidh
/noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
An Ollainn Thuaidh
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1.
Tuaisceart Éireann
/ˌnoːrt koˈre.ja/, /ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
Chóiré Thuaidh
pronoun
1.
Macadóin Thuaidh
pronoun
An Réin Thuaidh-Viostfáil
abbreviation
1. een van de Samitalen die in Scandinavië gesproken wordt
Sáimis an Tuaiscirt
pronoun
1. Australisch territorium gelegen in het noorden van het land
Críoch an Tuaiscirt
noun
1. windrichting
tuaisceart
noun
1. sterrenbeeld, bestaande uit zeven sterren die in een halve cirkel staan
Coróin an Tuaiscirt
adverb
oirthuaisceart
pronoun
1. Noordpool
Mol Thuaidh
adjective
1. komend uit het noorden
thuaidh
adverb
iarthuaisceart
noun
1.
siar ó thuaidh
/ˈnoːrdzeː/, /ˈnoːrtseː/, /ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
Muir Thuaidh
/noːrs/, /no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
Ioruach
/noːrs/, /no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
Ioruach
/ˈnoːrˌweɣə(n)/, /ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
  1. an Iorua
  2. Iorua
/noːt/
noun
    1. 1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
    2. 2. (plantkunde) boomvrucht met verhoute vruchtwand
    cnó
  1. 3. (muziek) een geluid van zekere tijdsduur
    nótáil
noun
  1. 1. en 2. (gepeld) zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
    crann noitmigí
  2. 2. gepeld zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
    noitmig
/nɔrˈmaɫ/
adjective
2. als norm dienend
normal
noun
1. oude eenheid van lichtsterkte
coinneal
noun
normáltacht
adverb
1. in het normale geval
de ghnáth
/nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Normainn
adjective
1. onvriendelijk en zwijgzaam, kortaf
doicheallach
noun
  1. 1.
    bille
  2. 2.
    nótáil
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
nótaire
noun
nodaireacht
noun
1.
adhmad gallchnó
noun
1. set van vijf lijnen
foireann
noun
1. een boomsoort uit het geslacht Juglans
adhmad gallchnó
noun
1.
adhmad gallchnó
noun
cnóire
verb
1. aantekeningen maken
nótáil
noun
nótáil
noun
1. een verslag van een bijeenkomst
miontuairisc
noun
1.
nuachtán
noun
rúnaí
adverb
1. op dit moment
adrásta
interjection
1. drukt verbazing of verontwaardiging uit
bhuel
/nʌu ˈɛn/
interjection
1. uitdrukking van onverschilligheid
nach cuma?
noun
1.
rud nua
noun
1. de elfde maand van het jaar
  1. Samhain
  2. Mí na Samhna
noun
rud nua
adverb
1. op het huidige tijdstip
anois agus
adverb
1. op onregelmatige tijden
anois agus arís
/nɵxtər/
adjective
1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
neamh-mheisciúil
adjective
eithneach
/nykleʏs/
noun
1.
núicléas
noun
1.
nochtachas
adjective
meonúil
/nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
  1. náid
  2. nialas
noun
1.
hipitéis nialasach
/ˈnumeɾi/
pronoun
Uimhreacha
adjective
1.
uimhriúil
/ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
figiúr
noun
1. een op een voertuig aangebracht teken met een registratienummer
pláta cláraithe
adjective
1. van een mens en dan vooral van een man: hatelijk, beledigend en dus onaangenaam in de omgang
cnáimhseáil
/nʏt/
noun
1. baat, voordeel
brabach
noun
1. een bedrijf dat, vaak vanuit een monopoliepositie, opereert in een sector die van openbaar nut is omdat het belangrijke producten of diensten levert die in het algemeen belang zijn (met name gas, water, elektriciteit en openbaar vervoer)
seirbhís phoiblí
adjective
1. zonder voordeel
gan mhaith
adjective
úsáideach
/'nɵtəɣə(n)/
verb
1. voedsel gebruiken
caith
noun
1.
caith
pronoun
1. taal uit de Bantoetalen, gesproken door 7 000 000 mensen in Malawi...
Siséivis
adjective
níolón
noun
1. de vijftiende letter van het alfabet
onn
noun
1. onvoltooid tegenwoordige tijd
aimsir láithreach
/otete'te/
noun
1. onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd
an aimsir fháistineach
noun
1. onvoltooid verleden tijd
aimsir chaite
/o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
ósais
/oˈbɑtja/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Óbaidiá
noun
umhlaíocht
noun
1. een bediende in een restaurant of café
freastalaí
noun
1. vetzucht
murtall
/ˈɔpjɛkt/
noun
  1. 1. voorwerp
  2. 2. grammaticaal voorwerp
  3. 3. filosofische entiteit en 4. informaticacomponent
oibiacht
noun
agó
noun
1. lens
  1. oibiachtúil
  2. réadlionsa
noun
vaiféal
adjective
graosta
noun
aduaine
adjective
1. op een dwangmatige wijze ergens door geboeid zijn
dúghafach
verb
1.gericht via de zintuigen van iets kennis nemen
coimeád
adjective
seanchaite
noun
1.
constaic
noun
1.
cnáimhseachas
adjective
1. van een persoon dat deze stug aan zijn eigen ideeën blijft vasthouden zonder zich aan anderen aan te passen
ceanntréan
noun
1. moeilijke stoelgang
iatacht
verb
1. een factor vormen die een gebeurtenis of handeling (bijna) onmogelijk maakt
cuir isteach ar
noun
1. (muziekinstrument) een fluit die veelal gemaakt wordt van gebakken klei
ócairín
adjective
1. nu en dan voorkomend
ócáideach
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
Ocsatánais
noun
1.
asarlaíocht
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
aigéan
adjective
1.
aigéanach
/oseˈjani.jə/, /oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
  1. Aigéine
  2. An Aigéine
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
osalat
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
maidin
noun
amhscarthanach
noun
1,2,3. toontrap, interval en toonhoogtereeks
ochtach
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Ochtamhán
noun
1. achtarmige inktvis
ochtapas
noun
1. machtiging om een bepaalde tijd als enige, met uitsluiting van anderen, van een uitvinding te kunnen profiteren
paiteanta
noun
1. arts gespecialiseerd in het diagnosticeren en behandelen van oogziekten
oftailmeolaí
noun
2. parfum, geurtje
cumhrán
verb
1. proberen zonder fouten uit te voeren
cleacht
noun
1. test om de kennis te peilen
aclaíocht
noun
1. iemand die zich op professionele basis bezighoudt met de prestaties van een persoon (een trainee) of dier
traenálaí
noun
balbhán
/u.'ɣɑn.da/, /u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Uganda
noun
1.
rí-ulchabhán Eoráiseach
/ukraˈɦins/, /ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
an Úcráinis
/ukraˈɦinsə/, /ukraˈʔinsə/
noun
1. een inwoonster van Oekraïne
Úcránach
/ukraˈɦinə/, /ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
  1. An Úcráin
  2. Úcráin
/ukraˈɦinər/, /ukraˈʔinər/
noun
1. een inwoner van Oekraïne
Úcránach
noun
1.
ainbhiosach
/ˈuːrknɑl/
noun
1. de volgens de bigbangtheorie enorme explosie waaruit het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden zou zijn ontstaan
ollphléasc
adjective
1.
fuafar
noun
1.
matrarc
/ˈuː.rɔs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius
áracs
adjective
1. heel erg oud
sean-
noun
dufair
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
oisre
noun
1. een vrouwelijk hormoon
éastraigin
noun
1. waterkant
bruach
noun
gabhlán gainimh
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Turks en die door de Oezbeken gesproken wordt
Úisbéicis
/us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
Úisbéiceastáin
conjunction
1. keuze
nó
adjective
1. aanvallend
amasach
noun
1. een gave aan een godheid
íobairt
noun
1. gift aan een god
íobairt
verb
  1. 1. wijden aan
    íobairt
  2. 3. betalen
    íoc
/ɔ'fɛrtə/
noun
1. een aanbieding van goederen of diensten tegen een vaste prijs
ofráil
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
oifigiúil
verb
1. aanbieden, specifiek het aanbieden van een dienst of product door een bedrijf
ofráil
noun
1.
seach-chur
conjunction
cé go
noun
1. pijn aan het oog; oogontsteking
oftailme
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
oftailmeolaíocht
noun
oftailmeolaí
noun
1. een scheikundig element met het symbool Og en het atoomnummer 118
óganasan
verb
1. de aanblik hebben van
amharc
noun
1. Een bepaald tijdstip
nóiméad
adjective
dealramhach
noun
2. plant die men gebruikt bij oogziekten
glanrosc
noun
1. ohm
óm
noun
1. een mineraal dat als gele of oranje kleurstof gebruikt wordt
ócar
noun
1. walnoot
cnó francach
noun
ocra
noun
1. holte tussen de arm en de romp
ascaill
noun
1.
ascaill
noun
1. de tiende maand van het jaar
Deireadh Fómhair
pronoun
Réabhlóid Dheireadh Fómhair
interjection
1. goed, in orde
ceart go leor
noun
1. bepaalde soort sierplant, Nerium oleander
oiliandar
noun
1. vettige vloeistof
ola
noun
1. peulvrucht van
pis talún
noun
1.
canna ola
noun
1. het belangrijkste enkelvoudig onverzadigde vetzuur met brutoformule C18H34O₂
aigéad óileach
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
eilifint
noun
olagarcacht
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
olagaiméir
noun
olagaplacht
/oˈlɛɪf/, /oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
ológ
noun
Cnoc na nOlóg
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
crann ológ
/oˈlɛɪ̯fkløːrɪx/, /oˈlɛɪ̯fklʏːrəχ/, /oˈlɛːfkløːrəx/
adjective
1. de kleur van olijven hebbend
glasbhuí
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
ola olóige
noun
1. een grappig en slim persoon
alfraits
verb
1. met olie bewerken
ola
noun
1. boom uit de iepenfamilie
leamhán
noun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
Oilimpiad
adjective
Oilimpeach
adjective
1. verband houdend met de Olympische Spelen
Oilimpeach
/o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
Cluichí Oilimpeacha
pronoun
Oilimpeas
noun
1. moeder van een ouder
mamó
/o.ˈman/, /ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
Óman
verb
1. de armen om iemand heen slaan
cuach
verb
1. omgeven door een boord of met een rand
ciumhais
verb
1. doden, om het leven brengen
meil
verb
bandán
/ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
óir
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
uibheagán
verb
timpeallaigh
noun
2. processie
mórshiúl
adjective
aisiompaigh
verb
1. zich eromheen bevinden
timpeallaigh
noun
1. de nabijheid
timpeallacht
verb
1. door graven de grond omwoelen
iompaitheach
verb
1. aan alle kanten omsluiten
crioslaigh
verb
1. de armen om iemand slaan
cuach
adverb
1. omhoog
in airde
verb
1. iets boven de gewone positie brengen
cuir suas
noun
1.
scaoilteog
verb
1.
bosca
noun
1. omdraaiing
aisiompú
verb
1.
aisiompaigh
verb
1. andere kleren aandoen
athraigh
verb
1.
barróg
/ˈɔmkomə(n)/
verb
1. bij een gebeurtenis het leven laten
dísle
/ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
breab a thabhairt
noun
breabaireacht
verb
1. een cirkel trekken rond een symbool op papier
ciorcal
adverb
1. in neerwaartse richting
thíos
noun
1.verandering van de loop van een weg of route
athbhealach
noun
1. een aangegeven andere route
athbhealach
/ɔm'lɛinɪŋ/
noun
1.
imchruth
verb
1. met een lijst omgeven
cuir i bhfráma
noun
1. iets ter verfraaiing met iets moois omgeven
cuir i bhfráma
noun
trácht
verb
  1. 2. de hele kring om een middelpunt doorlopen
    fithisigh
  2. 1. via een omweg lopen
    seach-chonair
noun
1. kleine rondwandeling, korte tocht die weer bij het vertrekpunt eindigt
meallac
noun
1. een muur die iets afsluit van de buitenwereld; het afsluiten van de buitenwereld
claí
noun
oll-
/ɔm.ˈplɑn.tə(n)/, /ˈɔm.plɑn.tə(n)/
verb
2. op een andere plaats zetten
athphlandáil
verb
2. omvouwen
mainnear
verb
1. door praten van gevoelens doen veranderen
cuir abhaile ar
verb
1. het duidelijk aftekenen van de grenzen van een vlak
ciumhais
noun
1. de rand van iets
ciumhais
verb
1. aan alle kanten omsluiten
déan pionsóireacht
noun
1.
déan pionsóireacht
verb
1. aan alle kanten omgeven
timpeallaigh
verb
1. door roeren homogeen maken
corraí
noun
1.
malairt
verb
1. omroeren
corraí
verb
1. in enige woorden een definitie ergens van geven
sonraigh
verb
1. aan alle kanten omsluiten
timpeallaigh
noun
1. het bekleedsel aan de buitenkant van een boek.
clúdach
verb
1. iets of iemand helemaal omgeven, inpakken of bedekken
araoid
verb
láí
adjective
scóipiúil
noun
hoe de zaken er voorliggen
toisc
noun
timpeallacht
verb
1.
barróg
verb
2.1 ergens een lijn omheen tekenen
dreach
preposition
2. aangaande
urchar
/omˈvɑŋrɛik/
adjective
téagartha
verb
1. een staande structuur laten omvallen met als doel het te vernietigen
clis
noun
1. het afzetten van een regering, overheid of regime
suaitheadh
noun
1.
tiontú
verb
mainnear
/ˈɔmʋɛx/
noun
1. de weg die langer is dan de gewone of kortste verbinding tussen twee plaatsen
athbhealach
verb
1. helemaal omdraaien
deil
noun
  1. 1. politieke revolutie
  2. 2. algemene grootscheepse verandering
  3. 3. volledige draaiing
réabhlóid
noun
1.iets dat om iets anders heen gedraaid is
fleasc
preposition
ar mhaithe le
noun
1.
araoid
/ˈɔmʋɪsələ(n)/
verb
2. verruilen voor een ander
malairt
verb
láí
verb
1. iets of iemand met wolken omgeven
scriúta
noun
díol
/ˈɔm.zɛ.tə(n)/
verb
  1. 2. verwisselen met een andere geldwaarde
  2. 3. veranderen
iompaitheach
/ˈɔmzɛtɪŋ/
noun
tiontú
noun
críonnacht
noun
1. de rand van een weg of een gebied
ciumhais
verb
1. geheel omwinden met een zwachtel
bindealán
prefix
1. toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord drukt dit voorvoegsel het tegendeel uit.
gan
adjective
1. zonder veel getoonde emoties
fuarchúiseach
adjective
1. van een verpakking dat deze nog nooit is geopend
neamhcheansaithe
/ɔnˈanxədan/
adjective
1.
cúileach
adjective
2. niet fysiek beroerd en daardoor onbedorven
maighdeanúil
noun
1.de mate waarin iets niet aangetast, beschadigd of afgepakt kan worden
acmhainn
adjective
1. niet belangrijk, van geringe betekenis, niet indrukwekkend
neamh-mhóiréiseach
adjective
aindreanta
adjective
anaireach
noun
1. het niet achtzaam zijn
leibideacht
adjective
1. geen verbinding hebbend met
neamhspleách
noun
neamhspleáchas
noun
forógra neamhspleáchais
adjective
1. helemaal bij elkaar horend
níl dul idir
adjective
1.
antuisceanach
noun
1. uit het evenwicht
neamhchothroime
adjective
1.
antuisceanach
adjective
1.
aimhghlic
adjective
clis
adjective
1. nog niet aangetast door kwalijke invloeden van buiten
soineanta
adjective
1. zonder grenzen, zonder einde, zonder beperkingen
éigríochta
adjective
1. niet prettig, fijn of aangenaam
míphléisiúrtha
adjective
1. zich zelf niet onder controle houdend
neamhcheansaithe
noun
1. het onhandig en ongeoefend zijn
ainnise
adjective
1. van een persoon een lomp en ruw en zonder enige beschaving
borb
adjective
1. geen woning hebbend
gan dídean
noun
1.
coimhthíoch
noun
1. het niet weten hoe iets is
aduaine
adjective
1.
nocht
noun
1. de hoedanigheid van iemand die niet in staat is om taken of functies naar behoren uit te voeren
neamhfhulangacht
noun
1. het niet van belang zijn
diomaibhse
adjective
1. slecht gemanierd
borb
adjective
poc saor
adjective
1. zonder veel financiële middelen
daibhir
noun
2. een kleinigheid
mionrud
adjective
3. het is niet duidelijk om wie of wat het gaat
éiginnte
noun
1. de onverbogen werkwoordsvorm die naar persoon en getal onvervoegd is
infinideach
noun
1. gedrag dat schaamte op zou moeten roepen maar het bij die persoon niet doet
brusaireacht
adjective
1. brutaal en nieuwsgierig
béalsceiteach
noun
andóchas
/ɔmbə'sxɔfthɛit/
noun
1. brutaal gedrag
brusaireacht
adjective
1. zonder angst of verlegenheid
dána
adjective
1.
argail
adjective
luaineach
noun
1. het onbeschoft of onbeleefd zijn
boirbe
adjective
1.
neamh-mhóiréiseach
adjective
1. niet te vertrouwen
abhógach
adjective
1.
dosheolta
noun
1. het zonder enig vooroordeel zijn
oscailteacht
adjective
1. gebaseerd op waarnemingen en niet op veronderstellingen die men al van tevoren had toen men eigenlijk nog onvoldoende kennis van de zaak had
neamhlaofa
/'ɔmbə'wexələk/
adjective
2. niet bewogen kunnen worden
anscuithe
adjective
1.
oscailteach
noun
1. de mate waarin iemand onvoorzichtig en lichtvaardig handelt
andánacht
adjective
1. zonder dat men een bloedende wond maakt; zonder bloedverlies
bán san aghaidh
adjective
1. dat iets ook bij hogere temperaturen niet kan branden
dódhíonach
adjective
1. niet passend in de christelijke tradities, normen en waarden
ainchríostúil
adjective
1. kanker veroorzakend, kanker verwekkend
carcanaigineach
noun
1. een medisch specialist die zich bezighoudt met de gezwelgroei, in het bijzonder met kanker
oinceolaí
preposition
  1. 1. ook al is het zo dat
  2. ondanks dat
ainneoin
/ˈɔn.dər/
preposition
1. niet gesorteerd
faoi
noun
1. de natuurlijke of rechtspersoon, wie werk doet voor de hoofdaannemer tegen een vooraf vastgestelde prijs
fochonraitheoir
/ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
rí
noun
1. het geheel van processen dat zich in iemands geest afspeelt en waar deze zich niet van bewust is
fo-chomhfhios
verb
1. actie ondernemen om een in gang zijnd proces tot staan te brengen
cuir isteach ar
noun
1. kledingstuk dat onder de gewone broek wordt gedragen
fobhríste
noun
1. het gedeelte van de buik dat het dichtste bij de benen is
abdóman
noun
ainmní
noun
1. plaats waar men kan verblijven of schuilen
dídean
/ˌɔndərˈdanəx/
adjective
1. gehoorzaam aan een leider
spleách
noun
1. de onderste helft van een deelbare deur
haiste
noun
1. onderdominant
focheannasach
verb
1. onder een vloeistofoppervlak laten zakken
tum
noun
1.
bá
noun
1. weg of tunnel die ergens onderdoor gaat
traein faoi thalamh
verb
1. onder water gaan
tum
noun
2-3.
fánaíocht
noun
1.
foghéineas
/ˈɔn.dər.ˌɣud/, /ˈɔn.dər.ˌɣut/, /ˈɔn.dər.ˌχut/
noun
1. kleding die direct op het lichaam gedragen wordt, doorgaans nog onder andere kleding
fo-éadaí
verb
de basis waarop iets rust eronder vandaan halen
suaith
noun
1.de grond onder de oppervlaktelaag
fo-ithir
adjective
gluaiseacht faoi choim
noun
gluaiseacht faoi choim
adjective
baill ghiniúna
adjective
1. onderworpen zijn aan het gezag van iets of iemand
fo-ordaigh
noun
  1. 1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden.
    coinneáil
  2. 2. een gesprek waarin ...
    comhrá
verb
1. zorgen dat iets in goede staat blijft
coinnigh
adjective
1. aangenaam vermaak gevend
barrúil
noun
1. jurk, meestal gemaakt van een dungeweven stof als katoen, polyester,...
cóta beag
verb
1. bewust worden van iets
aithin
/ˈɔndərkledɪŋ/
noun
1. kleding die onder de zichtbare kledingstukken wordt gedragen
fo-éadaí
noun
1. kleding die onder andere kleding gedragen wordt
ball fo-éadaigh
noun
1. gouverneur van een land of een provincie die als vervanger van de monarch optreedt
fear ionaid an rí
adjective
1. tussen de betrokken partijen
frithpháirteach
adjective
1.
borrúil
noun
1.
fiontraí
noun
1. een organisatie
borrúlacht
adjective
1. van landen en gebieden dat er weinig economische en/of culturele activiteit is
foréalta
noun
1. de voorziening van opleidingen of lessen
oideachas
verb
1. onderwijzen
múin
noun
difríocht
verb
2. iemands bijzonder gedrag erkennen, bijvoorbeeld middels een medaille
maisigh
/ɔndər'sxɛpə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iets dat onderweg is zijn bestemming niet haalt
idirlíne
noun
  1. 2. tekst onder een afbeelding
    ceannscríbhinn
  2. 1. handtekening
    síniú
noun
2.
fospeiceas
verb
1. helpen, bijstaan
iompair
noun
branra
noun
1. het benedenste gedeelte van iets
fostruchtúr
verb
sínigh
noun
síniú
/ˌɔndərˈtitələ(n)/
verb
1. ondertiteling aanbrengen
fotheidealaigh
adverb
1. in de tussentijd
lena linn sin
verb
1. iets dat al gehuurd is, verhuren aan iemand anders
foléas
/ˌɔndərˈvɪndə(n)/
verb
1. door ervaring ergens achter komen
eispéireas
noun
1. iets geleerd hebben door iets te doen of mee te maken
eispéireas
/ɔndərˈvraxə(n)/
verb
1. iemand aan een intensieve reeks vragen onderwerpen
ceistigh
/ɔndərˈwatər/, /ˈɔndərwatər/
adverb
faoi thoinn
noun
  1. 1. de kringen van de criminaliteit
  2. 2. het schimmenrijk van de doden
domhan thíos
noun
  1. 1. waar iets over gaat, een thema
  2. 2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
ainmní
verb
2. zich overgeven
géill
noun
1.
cur isteach
noun
1. de voorziening van opleidingen
  1. oideachas
  2. léann
verb
1. scholing verzorgen voor iemand
múin
adjective
1. gericht op het iemand wat aanleren
múinteoireacht
noun
1. iemand die lesgeeft
múinteoir
noun
1. een oude benaming voor een vrouwelijke leraar op een lagere school of basisschool
múinteoir
noun
fomhuireán
/ɔndərˈzes/
adjective
faoi uisce
noun
1. een vaartuig dat onder het wateroppervlak kan varen
fomhuireán
/ɔndər'zuːk/
noun
1. het onderzoeken van iets
taighde
verb
ag lorg
noun
1. iemand die een onderzoek uitvoert
taighdeoir
/ˌɔn.dər.ˈzuk.stər/
noun
1. een vrouwelijk persoon die vraagstukken onderzoekt
taighdeoir
/'ɔndøxt/
noun
  1. 1. slechte gewoonte
    ainbhéas
  2. 2. ondeugend persoon
    alfraits
adjective
1. stout, ongehoorzaam
dalba
adjective
gan mhaith
adjective
1. niet diep
tanaí
noun
ainbheithíoch
noun
ráiméis
adjective
1. niet geschikt voor voor wat je het wilt bereiken
ainéifeachtach
noun
1. de onmogelijkheid om ergens binnen te dringen
neamh-intreáiteacht
adjective
1. niet mis de verstaan, met slechts één betekenis
gan athbhrí
adjective
  1. 1. niet helder of zeker
  2. 2. niet goed zichtbaar en/of identificeerbaar
anfhollas
verb
casadh
adjective
bréag-
noun
1. het zich anders voordoen dan men echt is
neamhdhlisteanacht
adjective
3. van mensen: niet eerlijk of moreel hoogstaand
ceachartha
noun
1.
aithisiú
adjective
1.ruw en hobbelig
aindreanta
/ɔnˈɛfənhɛit/
noun
1.
mírialtacht
/ɔnˈɛiɣə(n)lək/
adjective
1. niet overeenkomend met de oorspronkelijke bedoeling
aindílis
adjective
1. zonder einde
éigríochta
adjective
1.
méith
noun
imreas
noun
1. het nog niet veel ondervinding hebben
ainchleachtadh
adjective
1. Niet deelbaar door twee
corr
adjective
  1. 1. van een persoon dat deze niet geneigd is om gasten vriendelijk te ontvangen
    doicheallach
  2. 2. van een gebied dat het onherbergzaam en onveilig is
    ocrach
adjective
1.
míchothrom
adjective
1. zonder remmingen, beperkingen of grenzen
gan chosc
adjective
1. niet conform datgene wat gebruikelijk is
éagsúlach
adjective
1. eenvoudig en dus makkelijk te begrijpen
furasta
adjective
1.
de gheit
noun
1. ongewenste dieren, die de mens op een of andere manier last bezorgen
míolra
noun
1. het vrij zijn, het zonder dwang kunnen doen wat men wil
tréigean
noun
1. volledig gebrek aan schaamte (over iets waarover men zich eigenlijk wel zou moeten schamen)
tréigean
/ɔnɣə'hoːrzam/, /ɔnɣə'ɦoːrzam/, /ɔnχə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. niet bereid gehoor te geven aan gestelde regels
aimhriarach
adjective
1. niet getrouwd
neamhphósta
adjective
1.
amh
adjective
1. eenvoudig, oprecht en eerlijk zonder aanstellerij
duiniúil
adjective
1.
amhlabhrach
adjective
1.
aibéiseach
adjective
2. niet onderricht in lezen en schrijven
neamhliteartha
noun
neamhlitearthacht
/ˌɔnɣəˈlɛi̯k/, /ˌɔnχəˈlɛi̯k/
adjective
1. niet met elkaar overeenstemmend
difriúil
adjective
1. op een onregelmatige manier wisselend
aimhréidh
adjective
1. ongepolijst, ruw, brutaal, plomp
borb
adjective
  1. 1. onmogelijk om geloof aan te schenken
  2. 2. bijzonder, uitzonderlijk
dochreidte
noun
1.het niet geloven
ainchreideamh
adjective
  1. 1. onmogelijk om geloof aan te schenken
  2. 2. bijzonder, uitzonderlijk
dochreidte
/ˈɔnɣəˌlɵk/, /ˈɔnɣəˌlʏk/
noun
1. een onvoorziene gebeurtenis met negatieve en soms zelfs fatale gevolgen
timpiste
noun
  1. 2. kwaal aan het lichaam
    breoiteacht
  2. 1. onaangename verstoring
    cuir isteach ar
adverb
aineascair
adjective
1.
go léir
adverb
1. heel bijzonder; niet normaal
urghnách
adjective
2. van een persoon dat deze humeurig en bitter is en dat op zijn omgeving afreageert
míphléisiúrtha
noun
míphléisiúr
adjective
1.
anársa
adjective
1.
amscaí
noun
1. gedrag dat niet netjes is; gedrag dat onbehoorlijk is
boirbe
noun
1.
téigh amú
noun
mírialtacht
/ɔnxə'rɛmt/
adjective
1. (te) spontaan
gan chosc
noun
caith amach
noun
1. de mate waarin iets of iemand niet beschadigd of aangetast is; de mate waarin iets nog in de oorspronkelijke toestand verkeert
maighdeanas
noun
1. de mate waarin iets strijdig is met het gezonde verstand
aimhriar
adjective
2.
meath-thinneas
noun
  1. 2. lichte ziekte
    easláinte
  2. 1. menstruatie
    fuil mhíosta
/ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
timpiste
abbreviation
bij benadering
thart ar
adjective
1. zonder dat men doet alsof
cneasta
adjective
1. zonder gevoel bij prikkeling van de zintuigen
fuarchúiseach
noun
1. de mate waarin iemand medeleven heeft of toont
acmhainn
adjective
  1. 1. afwijkend van het normale
    anchúinseach
  2. 2. niet vaak voorkomend
    éagsúlach
adjective
1. van een persoon (meestal een kind) dat je hem niets kunt zeggen omdat hij toch niet luistert en geboden niet wil opvolgen
aimhriarach
adjective
gan fheiceáil
adjective
1. niet goed met de handen om kunnen gaan
amscaí
adjective
onvriendelijk
drochbhéasach
adjective
1. ongemanierd
míphléisiúrtha
noun
1. het ongemanierd, onvriendelijk, onaangenaam en onbeschoft zijn
boirbe
/ˈɔnɦɛːl/, /ˈɔnɦɛːɪl/
noun
1. groot ongeluk
anachain
noun
1. een heel vervelend, rampzalig bericht
drochscéal
adjective
1. niet doorzichtig
laige
adjective
1.een streek: woest en zonder goede verblijfplaatsen
ocrach
adjective
borb
adjective
1.
borb
adjective
1. niet met de oren waarneembaar
dochloiste
adjective
gealacán
adjective
1. helemaal niet boeiend; niet belangwekkend; niet de moeite waard om over na te denken
leamh
noun
1. iets dat niet op waarheid berust
botún
/ˈɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
uncail
adjective
amhlabhrach
noun
1. het heel eerlijk en betrouwbaar zijn
ionracas
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
fiaile
adjective
graosta
/ɔnlaŋs/
adverb
1. recentelijk, niet lang geleden
le déanaí
adjective
1. een niet te bevredigen dorst
doshásta
adjective
1. in verbintenis met het internet
ar líne
adjective
1. van een zaak dat ze niet te ontkennen valt
dobhréagnaithe
noun
easpa cumhachta
adjective
1. op een manier die niet zou passen bij een echte man
banda
adjective
1.
mífhearúil
noun
barbarach
noun
1. extreme wreedheid tegen andere mensen of het in positie brengen van mensen zodat ze in een onmenselijke positie geraken
ainchríostúlacht
adjective
1.
as cuimse
adverb
1. zonder uitstel
láithreach bonn
noun
1. het niet heel erg goed en zorgvuldig nadenken
leibideacht
adjective
1.
anmhór
adjective
3. dwaas, naïef
soineanta
noun
1.
aerthacht
adjective
1. zonder nut, onbruikbaar en vaak zelfs schadelijk
gan mhaith
/ˌonomatoˈpe/
noun
1. door klanknabootsing gevormd woord
fuaimfhoclaíocht
adjective
1.
riachtanach
adjective
1. van iets dat het nog niet volledig onderzocht en ontwikkeld is
dearóil
adjective
1. onbeleefd, onbeschoft en onwellevend
borb
adjective
síoraí
/ˈɔnovərˌɣɑŋkələk/, /ˌɔnovərˈɣɑŋkələk/
adjective
1. (van een werkwoord) zonder lijdend voorwerp waarop de werking van het werkwoord overgedragen wordt
neamhaistreach
noun
1. een werkwoord dat niet vergezeld kan worden door een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in een zin
briathar neamhaistreach
adjective
dochloíte
adjective
niet partijdig , niet bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
neodrach
adjective
1.lijdend aan een tijdelijke aanval van misselijkheid en onwel voelen
adhascaideach
noun
1. vorm van misselijkheid en onwelbevinden
déistin
noun
aláram
adjective
anchúinseach
noun
aimhrialtacht
adjective
  1. onzuiver, onkuis
  2. vuil
neamhghlan
noun
1. het niet schoon zijn
amscaíocht
noun
1. het verstoord zijn van de maatschappelijke of sociale orde, rust
aláram
noun
1. iemand die opschudding teweegbrengt met schrikbarende verhalen die vaak overdreven of gewoonweg onwaar zijn
clampróir
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud als (direct of indirect) object of na een voorzetsel
sinn
possessivePronoun
1. van de 1e persoon meervoud
ár
/ɔnˈsxʏɫdəx/
adjective
1. niet schuldig
neamhchiontach
adjective
bithbheo
adjective
1. niet gemaakt van materie
spioradálta
adjective
1. moeilijk in toom te houden
aimhleasta
noun
1. de mate waarin men op een wilde manier enthousiast is
ainriantacht
verb
1. overgaan in iets verkeerds
meathlaigh
adjective
1. onbeleefd en te weinig voorkomend
béalsceiteach
adjective
1.
díchnámhaithe
/ɔntˈberə(n)/
verb
1. iets missen waaraan men grote behoefte heeft
uireasa
noun
1. het missen van zaken die noodzakelijk zijn om voort te kunnen leven
anró
noun
1. eerste maaltijd van de dag
bricfeasta
verb
1. een organisatie opheffen
scaoil
noun
1
aisghairm
noun
1. gevoelsuiting
admháil
noun
adhaint
noun
1. het vinden van iets nieuws
fionnachtain
noun
taiscéalaíocht
/ɔnteɣə(n)'zɛxlək/
adjective
1. niet tegen te spreken
dobhréagnaithe
verb
teith
noun
1. de manier waarop men iemand als gast ontvangt
deasc fáiltithe
verb
1. iemand gastvrij verwelkomen
Dé bhur mbeatha
verb
1. iets wat gewijd is schenden, onteren
diamhaslach
verb
1. in het geheugen bewaren
cuimhne a bheith agat ar
/ɔnt'ɦɑʊdɪŋ/
noun
1. het bewust niet een gewoonte of behoefte volgen
abstanaid
/ɔntˈɦɵlə(n)/, /ɔntˈɦʏlə(n)/
verb
  1. 1. van het hulsel ontdoen
  2. 2. openbaren van onbekende feiten
foilsigh
verb
1. in staat van verbijstering brengen
agaigh
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
séan
noun
1. handeling of uiting waarmee iemand kan laten weten dat iets niet waar is
dearadh
verb
1.
rois
verb
folmhaigh
noun
3.
pléasc
verb
3. poepen
cac
noun
4.
anailís
noun
anatamaíocht
noun
1. een klein scherp mes waarmee men een lijkschouwing kan uitvoeren
sceanóg
verb
1. een bepaald lot vermijden
seachain
verb
1. van luister of aanzien beroven
truailligh
verb
1. door te castreren of het amputeren van de penis, iemand ontdoen van zijn mannelijkheid
coill
verb
1.
deighil
noun
mímhisneach
verb
1. zorgen dat iemand ergens niet meer over beschikt
bain
verb
1. terugbrengen uit een waan of roes
tar as meisce
noun
1. van een gebied dat men daar niet in kan gaan
neamh-inrochtaineacht
noun
1. de mate waarin iemand niet genoeg doet; de mate waarin iemand in gebreke blijft
easnamh
verb
1. uitpakken
díphacáil
noun
pléasc
verb
fuascail
verb
1. ontwarren
rois
adjective
1. zo verward en ellendig dat je volledig afhankelijk van hulp bent
meath-thinneas
noun
1.
anbhá
verb
1. de regelmaat verstoren
ainriail
verb
1. gevoelens van medeleven, vertedering of getroffenheid oproepen
bain do
adjective
1. aandoenlijk, aangrijpend
coscrach
verb
1. verwijderen van room van melk; aflaten van melk
scinn
verb
1. een gebouw of gebied voorgoed verlaten en leeg achterlaten
folmhaigh
noun
dul ar saoire
verb
1. van de schoonheid beroven
ainimhigh
verb
  1. 1. arbeidsovereenkomst beëindigen
  2. 3. beëindigen van een ziekenhuisopname
folmhaigh
/ɔnt'slɑx/
noun
  1. 2. beëindiging van een ziekenhuisopname
    folmhaigh
  2. 1. het verbreken van het dienstverband met een werknemer
    lámhach
noun
tabhairt suas
verb
2. besmetting met chemicaliën of radioacitieve stoffen ongedaan maken
dí-éilligh
/ɔnt.ˈstan/
verb
1. de verandering ondergaan van niet bestaan naar wel bestaan
éirigh
noun
    1. 2. ontbranding
    2. 3. systeem
    adhaint
  1. 1. (medisch) ontsteking
    aodh
adjective
1. vreselijk op een manier die je nauwelijks kunt geloven
scanrúil
/ɔntˈstɛl.tə.nɪs/, /ɔntˈstɛɫ.tə.nɪs/
noun
1. toestand van plotselinge en grote schrik, verwarring en/of paniek
adhfhuath
noun
1. het boos, kwaad, geërgerd zijn
míphléisiúr
noun
  1. 1. het niet voorhanden zijn, ontbreken, niet aanwezig zijn, verhinderd zijn (meestal door factoren buiten de macht van de betrokkene bijvoorbeeld ziekte, familieomstandigheden)
    asláithreacht
  2. 2. het falen, mislukken
    cliseadh
/ɔn.ˈtrɛ.kə(n)/
verb
1. een bijdrage of deel ergens uit verwijderen
cúlaigh
adjective
graosta
/ɔndˈvaŋ(g)ə(n)/, /ɔntfɑŋə(n)/
verb
  1. 1. het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
  2. 2. het op bezoek krijgen van gasten
faigh
noun
1. iemand aan wie...
faighteoir
noun
1. ruimte bij de ingang van een gebouw waar men bezoekers kan binnenlaten en verwelkomen
forhalla
noun
1. ruimte in een gebouw waar men gasten welkom heet
forhalla
verb
ceil
adjective
adhantach
verb
1. vlam vatten
adhain
noun
matán abduchtach
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
fuadaigh
noun
1. het, tegen iemands zin, wederrechtelijk verplaatsen van een persoon
fuadach
noun
1.
fuascailt
verb
goid
noun
1. het plegen van een diefstal
calaois
verb
dí-armáil
verb
1. een moeilijk waarneembaar object beginnen waar te nemen
airigh
verb
1. draineren
taosc
noun
dearadh
/ɔntˈʋɛrpə(n)/
verb
1. bedenken en uitwerken op papier
dear
verb
1.
diamhaslach
adjective
2.
léannta
noun
1. geleidelijke verandering in een zekere richting
forás
noun
1. proces van ontwikkeling
breisiú
/ɔntˈzɑx/, /ɔntˈzɑχ/
noun
meas
adjective
1. vrees en eerbied inboezemend
ábhal
verb
  1. 1. een toelating weigeren of intrekken
    bruscar
  2. 2. afzien van het genot of gebruik van iets
    séan
verb
  1. 2. hevig doen schrikken
    aláram
  2. 3. de genoemde waardigheid...
    folmhaigh
/ɔntˈzin/
verb
1. het iemand gemakkelijker maken dan die persoon het anders zou hebben gehad door die persoon minder te belasten
breise
adjective
neamhfhreagrach
noun
1. de mate waarin iemand niet geneigd is om zich door smeekbeden tot andere handelwijze te laten bewegen
gairge
adjective
1.
amhlabhrach
adjective
1.
cíocrach
adjective
1. van vloeistoffen: niet vermengd met een andere vloeistof; niet aangelengd
tiubhaithe
adjective
1. niet te vergelijken
dosháraithe
adjective
1. zonder dat je zaken eigenlijk met elkaar mag vergelijken
uathúil
adjective
1.
dodhearmadta
adjective
1. plotseling zonder dat iemand er op voorbereid is
gearrbhéalach
adjective
1. open en bloot, zonder iets te verbergen of te bedekken
oscailteach
adjective
1.
bocht
/ɔnvɛrˈsxɪləɣˌɦɛit/
noun
1. houding waarbij men zich niets aantrekt van omstandigheden en de opvattingen van anderen
fuarchúis
noun
1. de mate waarin iemand niet terugdeinst voor iets moeilijks of gevaarlijks
crógacht
adjective
1. van iets dat het niet in kwaliteit kan verminderen door het te gebruiken
buanfasach
adjective
1. zijn verstand niet gebruikend en daardoor ook grote risico's lopend
aimhghlic
adjective
1. zonder de aandacht te verliezen, moeilijk van zijn stuk te brengen
fuarchúiseach
adjective
stalcánta
adjective
1. zonder vrees, met veel moed
uchtúil
adjective
barántúil
adjective
1. niet van tevoren zien aankomen
gearrbhéalach
adverb
gan choinne
adjective
1.
doicheallach
noun
1.
díothacht
adjective
anfhoirfe
noun
i láthair
noun
anfhoirfe
noun
1. het zo jong zijn dat men nog niet meerderjarig is
anabaíocht
/ɔnvor'deləx/
adjective
1.
neamhbhrabúsach
/ˌɔnvorˈzɪxtəxhɛːt/, /ˌɔnvorˈzɪxtɪxhɛɪ̯t/, /ˌɔnvo̝rˈzɪχtəχhɛɪ̯t/
noun
1. een gedraging die gemakkelijk tot ongelukken kan leiden
leibideacht
adjective
1. gevoel dat je niet mag doen en laten wat je zelf goeddunkt
ag triall ar
adjective
ainneonach
adjective
1. van iets dat het niet overeenkomt met het klassieke beeld wat sommige mensen over vrouwen hebben of hadden
míbhanúil
adjective
aimrid
adjective
bréagach
noun
bréag
adjective
1. een geringe kans bezittend om waar te worden of te blijken
andóch
adjective
1. door niets aan het wankelen te krijgen
daingean
/ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
stoirm thoirní
adjective
1. zich niet gezond voelend
meath-thinneas
adjective
1. het niet vriendelijk of toegevend zijn
drochbhéasach
adjective
aibéiseach
noun
ainbhios
/ˈɔnwɪl/
noun
1. het de keuze maken om niet mee te werken
drogall
adjective
aimhriarach
noun
1. de mate waarin iemand niet van zijn stuk te krijgen is
aindiúid
noun
een variëteit van kwarts
oinisc
/ɔn'zɑxt/
adjective
1.
garg
adjective
aimléiseach
possessivePronoun
1. attributief
ár
adjective
graosta
noun
indeterminación
adjective
1. je heel erg afhankelijk voelen van de mening van anderen en geen eigen beslissingen durven nemen
spleách
noun
1. benaming voor torren uit de familie Coccinellidae
bóín Dé
pronoun
1. christelijk gebed
Paidir
/ɔn'zɛidəx/
adjective
neodrach
noun
amaidí
noun
1. de mate waarin iets vervuild is
neamhfhoirfeacht
/ox/, /oːx/, /oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
súil
noun
2. een oogbol
dalta
noun
oftailmeolaí
noun
1.
meall súile
noun
1. een bril voor één oog
spéacla
noun
1.
log súile
noun
fithisigh
/ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
caipín súile
verb
1. het van het land halen van het rijpe gewas
fómhar
verb
1. het volgroeide gewas van het veld halen
bain
noun
1. iets of iemand die iets oogst
buainteoir
noun
  1. 1. een systeem om informatie te verzamelen
  2. 2. een landbouwmachine
buainteoir
noun
1. de schaal
gealacán
noun
1. vrouwelijk schaap
caora
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
  1. storc
  2. corr bhán
noun
2. een plantengeslacht uit de Ooievaarsbekfamilie
crobh fola
/oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
freisin
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
uncail
/oːr/
noun
1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
cluas
noun
1. medisch specialist op het gebied van oorziekten
cluaslia
noun
1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
fáinne cluaise
/ort/
noun
1. een bepaalde plaats
plás
noun
1. een mening, een opinie
barúil
noun
cníopaire
noun
1.
fáinne cluaise
noun
2. hoofdkussen
adhairt
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
cogadh
/ 'orlɔxsmɪsdadəxər/
noun
1. iemand die een oorlogsmisdaad pleegt of heeft gepleegd en daarvoor individueel aansprakelijk gesteld...
coirpeach cogaidh
noun
cuimhneachán cogaidh
noun
stroperige vloeistof in de gehoorgangen
céir chluaise
noun
bunphointe
noun
1. de mate waarin iemand zelf iets bedacht heeft; de mate waarin iemand geen navolger is
bunúlacht
noun
1.
tinniteas
noun
1.
boiseog
noun
1.1 gewone oorworm (Forficula auricularia)
gailseach
noun
réasún
adverb
oirthear
pronoun
an [[Oir-Ghearmáin]]
pronoun
Oirthear na hEorpa
/os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
Tíomór Thoir
/ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
oirthear
/ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
  1. an Ostair
  2. Ostair
/ˈo.stə.ˌrɛɪ̯.kər/, /ˈo.stə.ˌrɛː.kər/, /ˈos.tə(n).ˌrɛɪ̯.kər/
noun
1. een inwoner van Oostenrijk of persoon die de Oostenrijkse nationaliteit bezit
Ostarach
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
Muir Bhailt
noun
uirísle
preposition
  1. 1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op
    ar
  2. 3. omhoog
    suas
noun
1. de vader van een ouder
seanathair
/o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
ópal
adjective
1. bijna doorschijnend
ópalach
/ˈɔˌbɛlə(n)/
verb
1. iemand telefonisch proberen te bereiken
foghar
verb
1. op een veilige plaats wegdoen
cuir i dtaisce
noun
1.
costas
noun
1. bergplaats voor documenten
comhad
/'ɔp.bla.zə(n)/
verb
  1. 1. doen ontploffen
  2. 2. een gas in een uitzetbare ruimte pompen
  3. 3. op overdreven manier beschrijven
pléasc
verb
1. witter worden, bleker worden, witter maken, bleker maken
aol
verb
1. met veel moeite ingaan tegen iets of iemand: vooral in combinatie met tegen
sníomh
/ˈɔpbɑu(w)ə(n)/
verb
  1. 1. maken uit losse onderdelen
  2. 2. laten ontstaan
cruth
/'ɔbrɛŋə(n)/
verb
1. als batig resultaat leveren
géill slí
/'ɔbrɛŋs/, /'ɔbrɛŋst/
noun
1. dat wat opgebracht wordt, de baat die men heeft van zijn activiteiten
géill slí
conjunction
ar nós go
noun
1.
landair
verb
cuir díot
noun
1. een harde klap of klap tegen een lichaamsdeel
anam
noun
1. een te verrichten werk
jab
verb
  1. 1. iemand iets te doen geven
    costas
  2. 2. als eerbewijs iets wijden aan iemand
    tíolaic
verb
1.
tóg
verb
carnán
noun
tiomsú
adverb
1. snel en onverwachts
de phreab
verb
1.
stáca
noun
bail
/ˈoː.pə(n)/
adverb
1. niet gesloten
  1. oscailte
  2. ar oscailt
noun
teallach
adjective
1. vrij toegankelijk
poiblí
noun
1. openbaar toegankelijk personenvervoer
iompar poiblí
noun
foilseachán
verb
1. wat voorheen een geheim was algemeen bekend maken
foilsigh
noun
1. laatste boek van de Bijbel
Apacailipsis
noun
apacailipsis
verb
1. door druk van binnenuit met geweld opengaan
pléasc
verb
  1. 1. laten beginnen, in bedrijf brengen
  2. 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
  3. 3. openstellen, toegankelijk maken
  4. 4. (informatica) een bestand inladen
oscail
/ˈoː.pə(n).ɣaːn/
verb
1. zich openen
oscail
verb
1. met kracht en grote snelheid openen
oscailteach
noun
oscailteacht
noun
  1. 1. een plaats die toegang biedt tot iets dat is afgesloten
  2. 2. het openstellen van iets wat nog niet toegankelijk of in functie was
oscailt
verb
1.
oscailteach
/ˈopə(n)lək/
adjective
1. zonder te verbergen, in het openbaar
os ard
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
ceoldráma
noun
1. theater waar opera's kunnen worden opgevoerd
teach ceoldráma
noun
1. een gebouw waarin opera's worden opgevoerd
teach ceoldráma
noun
  1. 1. aantal gecoördineerde acties
  2. 2. een chirurgische ingreep
  3. 3. een bewerking op een object
obráid
noun
1. ruimte waar heelkundige bewerkingen uitgevoerd worden
obrádlann
noun
1. zeer schone, steriele ruimte in een ziekenhuis waar men chirurgische ingrepen kan verrichten
obrádlann
noun
1. iemand die opera's zingt
amhránaí ceoldráma
verb
  1. 1. jonge dieren grootbrengen
    ardaigh
  2. 2. iemand boos maken
    múscail
verb
1. oprijzen, omhooggaan
ardaigh
noun
1. trap
staighre
adverb
1. geïsoleerd van de buitenwereld
braighdeanach
noun
1. enthousiaste stemming, houding, instelling
mórtas
verb
  1. 1. de strijd staken en zich gewonnen geven
    tabhair suas
  2. 2. een in- of uitgavepost vermelden
    tuairisc
/'ɔpxəʋɛkt/
adjective
1. in een actieve en positieve stemming
grianmhar
noun
alcól
noun
1. het seksueel of emotioneel (te) gespannen zijn
ardú
verb
dobhar
verb
1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
éirigh suas
noun
béim
verb
  1. 1. een voorwerp of persoon bij iets/iemand vandaan halen
  2. 5. een bestand van een computer of server naar een andere computer of server overbrengen
sroich
verb
1. op het hoofd dragen
caith
/'ɔpɦɛfə(n)/
verb
  1. 2. een instelling of regel ongedaan maken
    cealaigh
  2. 1. iets in opwaartse richting brengen
    tóg
verb
1. duidelijkheid scheppen in iets
fuascail
noun
1. verduidelijking
mínithe
verb
1. kwaad en opgewonden maken
dreasaigh
/'ɔphoxə(n)/
verb
1.iets hoger maken dat het was
ardaigh
/ɔ'phoxɪŋ/
noun
  1. 2. et hoger maken van iets
    breis
  2. 1. iets wat hoger gelegen is dan de omgeving
    iomaire
verb
1. op elkaar stapelen
tiomsaigh
noun
1.
bailiúchán
noun
1. een mening of oordeel
barúil
noun
1. artikel waarin een standpunt wordt bepleit
eagarfhocal
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
óipiam
verb
hois
/'ɔpkɛɪkə(n)/, /'ɔpkɛːkə(n)/
verb
  1. 4. (~ tegen) niet willen dat iets gebeurt
    adhfhuathaigh
  2. 1. de blik omhoog richten
    bheith ag feabhsú
verb
1. zorgen dat iemands stemming verbeterd
spreag
verb
1.
ardaigh
/'ɔpklarə(n)/
verb
1. het ontstaan van open plekken in wat een gesloten wolkendek was
cruinn
verb
1. naar boven klimmen
ardaigh
verb
  1. 1. zichzelf of iemand anders verdedigen
    cosain
  2. 4. op toneel verschijnen
    iontráil
    1. 5. tot ontwikkeling komen
    2. 2. omhoogkomen
    éirigh
verb
1.
coirnín
verb
  1. 1. een materiële lading op iets aanbrengen
  2. 2. een elektrische lading op iets aanbrengen
lód
noun
1. totaal aantal afdrukken van een drukwerk dat in één keer wordt vervaardigd
clódóireacht
verb
1.
téigh go h-ifreann
verb
1. iets een liggende plaats geven op iets anders
cuir i bhfeidhm
verb
1. kennis en vaardigheid bijbrengen
treoraigh
/'ɔplɛidər/
noun
1.
teagasc
noun
oiliúint
verb
1. bij voortduring aandachtig zijn
tabhair aird
/ɔpˈlɛtənt/
adjective
1. met zorgvuldige aandacht
amhnas
verb
1. uiteindelijk als resultaat geven
meas
verb
2. stijgen
breisiú
verb
    1. 1. een homogeen mengsel gaan vormen
    2. 2. een homogeen mengsel doen vormen
    díscaoil
  1. 3. een probleem ophelderen
    fuascail
noun
  1. 1. een mengsel
  2. 2. een manier om van een probleem af te komen
  3. 4. het antwoord
fuascailt
/ɔ'plʏxtə(n)/
verb
1.
fuascail
noun
1.het gevoel bevrijd te zijn van iets dat dreigde
faoiseamh
noun
2. het vormgeven van een drukwerk
eagarthóireacht
verb
1. bemerken, waarnemen
coimeád
adjective
1.
aireach
/'ɔpmetə(n)/
verb
1. van iets de maten bepalen
barra
/'ɔpnam(ə)/
noun
  1. 3-4
    admháil
  2. 2. opname beeld
    fótagraf
  3. 2. geluid
    taifeadadh
verb
  1. 2. het resultaat vaststellen
    caith
  2. 5. beginnen
    cuir ar bun
  3. 7. (beeld, geluid) registreren, vastleggen
    taifead
  4. 1. in handen nemen
    tóg
/ˈɔpniu/
adverb
1. nog een keer, een vorige gebeurtenis herhalend
arís
noun
1. opsomming
achomair
verb
1./2./3. bij noodzaak moeten gebruiken, laten doden of bewust prijsgeven
íobairt
noun
  1. 2. onverwachte vertraging in gemaakte plannen
    faillí
  2. 1. tijd die men ergens verblijft
    fan
noun
apasam
noun
1. kinderoppas
feighlí leanaí
/ɔ'pɛpər/
noun
1.
ardaitheoir
noun
1. hoop gemaaid en gedroogd gras
caitín
/ɔpər/
prefix
ard-
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
an Ostair Uachtarach
pronoun
Volta Uachtarach
/'ɔpərbəˌvɛlɦɛbər/
noun
1. de persoon die aan het hoofd staat van het gehele leger
príomhghinearál
verb
1. iets voorstellen
cuir in iúl
adjective
sabhran
verb
1. door te drukken naar boven brengen
preas
pronoun
1. een Westslavische taal die in het gebied Opper-Lausitz in het oosten van Duitsland gesproken wordt
Soirbis Uachtarach
/ˈɔpərvlɑk/
noun
1. vlak dat iets naar boven begrenst
dromchla
noun
  1. 2. uitgebreidheid
    achar
  2. 1. vlak dat iets naar boven begrenst
    dreach
/ɔ'pərwezə(n)/
noun
1.
Dia
verb
2. figuurlijk een kwestie meer in de belangstelling laten komen door erover te publiceren
múscail
verb
1. iemand aanzetten tot activiteit
múscail
/ɔpɔrtyˈnɪst/
noun
brabúsaí
noun
1. geschiktheid van tijd of gelegenheid
deis
adjective
van pas komend, gelegen
tráthúil
noun
ansmacht
verb
1.
bior
verb
1. het vuur feller doen branden door erin te poken
ráca
verb
1.
bheith caite
verb
1.
tóg
/ɔ'prɛkə(n)/
verb
1.
réimse
verb
2. een instelling in het leven roepen
cuir ar bun
verb
1.
caith
/ˈɔprɔlə(n)/
verb
  1. 1. zich ~, tot een rol vormen
  2. 2. ergens een rol van maken
déan ceirtlín díot féin
verb
1.
téigh trasna ort féin
verb
1. kwaad en opgewonden maken
dreasaigh
verb
  1. 1. iets uit de weg ruimen
    cruinn
  2. 3. iets in orde brengen, netjes maken
    glan
noun
2. boor die een gat wijder maakt
fáiscire
verb
2. een niet al te serieuze liefdesrelatie krijgen met een meisje
tóg
noun
1. een lange, grote en diepe lepel
ladar
verb
2. aangedikte beweringen doen
braigeáil
verb
1. haast maken
brostaigh (ar)
verb
2. verfraaien
barr maise a chur ar
/ˈɔpsxonə(n)/
verb
1.
cruinn
/'ɔpsxɵdɪŋ/
noun
1. een reactie van schok, verbazing of afkeer op een daad of gebeurtenis
anfais
verb
1.
barr maise a chur ar
noun
1. iets dat dient om iets of iemand mooier te maken maar verder geen functie heeft
maise
/ˈɔpslan/
verb
5. informatica: vastleggen of bewaren van gegevens
sábháil
verb
1. heel of in grote brokken inslikken
plac
verb
1. in zich opnemen
súigh
verb
1.
tóg suas
verb
1. zoeken en vinden
tóg
noun
ríomh
verb
deighil
verb
1. een draad of koord op een rol draaien
roithleán
verb
1. in de hoogte springen
léim
verb
  1. 1. gaan staan
  2. 2. het bed verlaten
éirigh
adjective
easumhal
noun
1. verrijzenis
aiséirí
noun
runga
/ˈɔpstapələ(n)/
verb
1. boven op een grote hoop leggen, ergens een hoop van maken
caitín
noun
1. een omstandigheid die gunstig voor iets of iemand werkt; iets wat blijmoedig maakt
amhantar
verb
  1. 2. op schrift zetten
    ceirnín
  2. 1. op zijn plaats zetten
    cuir ar bun
/ɔ'pstɛlər/
noun
1.
údar
/ˈɔpstɛːɣə(n)/, /ˈɔpstɛːɪχə(n)/
verb
  1. 1. in de lucht stijgen
    bain de
  2. 2. te paard stijgen
    suigh
verb
1.
teachtán
noun
2. vuistslag naar boven gericht
buille in airde
noun
1.1 kleinschalige verstoring van de openbare orde
círéib
verb
cuir isteach ar
noun
1.
boiseog
verb
1.
crap
verb
1. met de post verzenden
cuir
noun
1.
cúlaigh
verb
1. nauwkeurig omschrijven en schriftelijk vastleggen zodat men het later nog kan raadplegen
taifead
noun
1. iemand die een optelling maakt
cuntar
noun
1. het samenvoegen van een of meer termen tot een totaal, de som
agús
noun
optaic
noun
1. iemand die kundig is in de optica
radharceolaí
noun
1. een van de keuzes die gemaakt kan worden
togha
verb
téigh trasna ort féin
noun
4
ionsaigh
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
tóg
adjective
1. met betrekking tot het licht
optach
noun
paráid
noun
optaiméadracht
/ˈɔp.tre.də(n)/
noun
1. een kunstzinnig verschijnen voor een publiek
gníomhaíocht
/ˈɔp.tre.də(n)/
verb
  1. 1. voor een publiek bepaalde handelingen verrichten, bijvoorbeeld in kunstzinnige zin
    can
  2. 3. in bepaalde gevallen gebeuren
    rith le
verb
1. het ergens op aanbrengen van benodigdheden of versieringen
maisigh
verb
1.
focáil leat!
noun
obair
/'ɔpfɑlə(n)/
verb
1.
treo
verb
réasúnta
verb
2. opnemen van met name werk
caith
noun
coincheap
verb
  1. 1. vanaf de grond of een andere positie van rust aan een vlucht door de lucht beginnen
    bain de
  2. 2. plotseling in actie komen
    cuir tús le
verb
tóg
noun
  1. 2. iemands algemene vorming en ontwikkeling
    léann
  2. 1. het proces waarin iemand wordt gevormd naar de normen van diens opvoeders, en daarmee meestal de samenleving waarin hij leeft
    oiliúint
verb
1. uitvoeren wat een ander aangeraden of bevolen heeft
géill do
verb
ceap
verb
1. verbeteren, bijwerken
uasghrádaigh
verb
1. opmonteren, animeren
ardaigh
adjective
1. van iets of iemand dat je er vrolijk en levendig van wordt
spreagthach
noun
1. innerlijke drang
spadhar
verb
  1. 3. in staat van agitatie brengen
    ardaigh
  2. 2. draaiend onder spanning zetten
    gaoth
verb
1. door wrijven glanzend maken
snas
verb
cuir
noun
1. de manier waarop aan iets vorm gegeven is
dear
verb
  1. 5. taxidermie bedrijven
    mianach
  2. 1. opzwellen
    mórtas
noun
1. iemand die toezicht houdt
maor
adjective
1. bedoeld om in het oog te vallen, vaak op banale wijze
gáifeach
verb
  1. 2. iets met angst en vrees bekijken
    adhfhuathaigh
  2. 1. in hoog aanzien hebben, van hogere status achten
    bheith ag feabhsú
noun
1.
maor
/ɔpˈsɛi/
adverb
idiraisnéis
verb
súigh
/'ɔpsʋɛlə(n)/
verb
1. in volume toenemen
mórtas
noun
aitheascal
noun
1. seks waarbij geslachtsdelen met de mond gestimuleerd worden
gnéas béil
adjective
1. de kleur oranje hebbend
  1. oráiste
  2. flannbhuí
  3. dath oráiste
noun
1. bepaald soort vlinder, Pyronia tithonus
geatóir
noun
1. gewone sinaasappel
crann oráistí
noun
1. rede
caint
/ɔˈratɔr/
noun
1. redenaar
óráidí
adjective
fithiseán
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
lus na magairlí
noun
  1. 1. gewenste regelmaat
  2. 2. een hiërarchische organisatie
  3. 3. (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families
bail
noun
  1. 1. ruwe indicatie van de omvang, met weinig precisie aangeduide hoeveelheid
  2. 2. aanduiding om de grootte van een getal mee uit te drukken, uitgedrukt als de exponent van de dichtstbijzijnde macht van 10
ord méadaíochta
noun
1. iemand die belast is met het handhaven van de rust
eachlach
adjective
coimeádán
verb
ceartaigh
adjective
1.
béasach
noun
  1. 1. een verzoek om diensten of goederen te leveren
  2. 2. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak
bail
noun
1. (para)militairen die ingezet worden bij demonstraties, betogingen
fórsaí slándála
noun
1.
círéib
adjective
coimín
noun
1. officier die als taak heeft berichten, bevelen en rapporten over te brengen
aidiúnach
verb
achtaigh
noun
  1. 1. Origanum vulgare
  2. 2. keukenkruid
oragán
noun
1. Onderdeel van het organisme
orgán
noun
orgánaid
adjective
  1. 2. grondwettelijk
    bunreachtúil
  2. 1. organisch
    orgánach
/ˌɔrɣɑniˈzasi/, /ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
eagraíocht
noun
1. iemand die organiseert of die organisatietalent heeft
dialann
adjective
1.wat de organisatie betreft
eagraíochtúil
/ɔr.ˈɣa.nɪs/, /ɔr.ˈχa.nɪs/
adjective
  1. 1. met betrekking tot een orgaan of de organen
  2. 2. koolstof bevattend
  3. 3. niet werkend met of vervaardigd kunstmatige stoffen
orgánach
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
orgánach
adjective
1. werking op een orgaan uitoefenend
orgánaileipteach
noun
1. lustgevoelens bij seksuele opwinding (klaarkomen)
súnás
/ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
orgán
pronoun
2. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Bodach
noun
oirthear
noun
1.
oirthearachas
/ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
cráin dhubh
noun
1. een bijzonder hevige storm
  1. gaoth mhór
  2. hairicín
/ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
ceolfhoireann
noun
1. orkesthoorn
adharc
verb
fiche
adjective
gréagáin
noun
éaneolaíocht
noun
1.
éaneolaí
noun
1. wetenschappelijke beschrijving van bergen en gebergten
oragrafaíocht
/ɔrtodɔk'si/
noun
ceartchreideamh
noun
ortagrafaíocht
noun
máinlia ortaipéideach
noun
máinlia ortaipéideach
noun
1. gecastreerde stier
damh
verb
1. oscilleren
ascalaigh
pronoun
  1. 1. de hoofdstad en grootste stad van Noorwegen en is gelegen in het zuidoosten van het land
  2. 2. een provincie in Noorwegen
Osló
noun
1. Chemisch element
oismiam
noun
1. concentratie van een oplossing weergegeven door aantal osmols per kg oplosmiddel
osmalálacht
adjective
1. door wederzijdse doordringing veroorzaakt
osmóiseach
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Boötes
pronoun
an Oiséit
noun
1. beenvorming
cnámhú
/ɔstɛnta'tif/
adjective
1. met de bedoeling om aandacht te krijgen
gáifeach
noun
oisté-airtríteas
/ˈɔstejoˌblɑs/, /ˌɔstejoˈblɑst/, /ˌɔsteoˈblɑst/
noun
1. een cel die bot aanmaakt
oistéablast
/ˈɔstejoˌklɑs/, /ˌɔstejoˈklɑst/, /ˌɔsteoˈklɑst/
noun
1. een gespecialiseerde witte bloedcel die bot kan afbreken en opruimen
oistéaclast
noun
oistéamalaice
noun
oistéimiailíteas
noun
1. botontkalking
oistéapóróis
noun
oistéatóime
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
  1. cú dobhráin
  2. madra uisce
pronoun
2. spelwoord voor de letter o
Oilibhéar
/aʊ̯d/, /ɔʊ̯t/, /ʌʊ̯t/
adjective
  1. 2. oud ding, concept
    sean
  2. 1. oud mens, dier
    1. sean
    2. aosta
  3. 3. vorige
    1. sean
    2. ath-
prefix
iar-
pronoun
1. het Engels zoals dat tussen ca. 400 en 1100 werd gesproken en dat wordt gezien als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels en nog later het moderne Engels
Angla-Shacsainis
/ˈaʊ̯.dər/, /ˈɔʊ̯.dər/, /ˈʌʊ̯.dər/
noun
1. de moeder of vader van een kind
tuismitheoir
noun
aois
noun
1.
foirfeach
/ˈaʊ̯.dərs/, /ˈɔʊ̯.dərs/, /ˈʌʊ̯.dərs/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ouder
tuismitheoir
adjective
1. niet langer gebruikt of in de mode
ársa
pronoun
1. een nu dode taal die werd gesproken in Griekenland
Sean-Ghréigis
noun
seandálaíocht
pronoun
1. de voorloper van het huidige Duits in de periode 700-1050
Sean-Ard-Ghearmáinis
noun
Oíche Chaille
pronoun
1. een taal die de voorganger van de Scandinavische talen was
Sean-Lochlannais
/'ʌʊtom/
noun
1.
seanuncail
/'ʌʊtɑntə/
noun
1.
sean-aintín
noun
1. iemand die uit de normale samenleving is gestoten
díbeartach
noun
1.
díbeartach
noun
1. vrouw die in een theater of bioscoop de bezoekers naar hun plaatsen brengt
banghiolla
noun
cabaire
adjective
1.
críonna
noun
críonna
noun
1. chipkaart voor het openbaar vervoer
carda
/o'val/
adjective
1. in vorm gelijkend op een ei
ubhchruth
/o'val/
noun
1. een figuur in de vorm van een ei
ubhchruth
adjective
1. met betrekking tot de ovaria
ubhagánach
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Foirnéis
/ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
oigheann
noun
1. paal waarmee brood in en uit de oven gehaald wordt
snamh
adverb
  1. 1. voorbij, gedaan
    arís
  2. 2. nog resterend
    clé
preposition
  1. 4. via, langs
    ag
  2. 1. wat betreft
    ar tí
    1. 2. op of langs de oppervlakte van
    2. 5. naar de andere kant van
    3. 6. meer dan
    arís
  3. 3. na verloop van
    as
adverb
1.
i ngach áit
noun
1. een zo grote belasting van een persoon, mechanische structuur of elektrisch netwerk dat schade aan de persoon, de structuur of het netwerk kan ontstaan
anluchtaigh
verb
1. overhouden
branra
adjective
iomarcach
/ˈovərbrɛŋə(n)/
verb
  1. 3. van de ene persoon of zaak op de andere doen overgaan
    aistreog
    1. 1. van de ene locatie naar de andere brengen
    2. 2. meedelen, melden
    cuir in iúl
adjective
1. meer dan nodig
iomarcach
/ovər'dɛkə(n)/
verb
1. helemaal bedekken, iets voorzien van een dak
araoid
verb
smaoinigh
adjective
1. overdreven; teveel van het goede
gáifeach
noun
1. officieel iets in handen van de andere partij geven
aistreog
verb
1.
aistreog
adjective
1. buiten proportie weergegeven
gáifeach
verb
  1. 2. naar de overkant drijven
    arís
  2. 1. tot het verleden gaan behoren
    meil
noun
1.
áibhéil
adverb
1.
sall
adjective
1. grote gelijkenis vertonend
analógach
noun
2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
conradh
adjective
1. gelijkenis vertonend
analógach
verb
  1. 2. in overeenstemming brengen
    aontaigh
  2. 1. gelijkenis vertonen
    cluiche
adjective
1. twee of meer zaken die gelijk aan elkaar zijn
diongbháilte
verb
1. doorgeven van een erfelijke eigenschap aan het nageslacht
faigh le hoidhreacht
verb
  1. 4. van eigenaar veranderen
    aistreog
  2. 8. een belsignaal laten klinken
    cró troda
  3. 6. minder worden en uiteindelijk weggaan
    meil
noun
3. de plaats waar men iets kan passeren
pasáiste
/'ovərɣavə/
noun
  1. 2. een volledige toewijding
    crábhadh
  2. 1. het opgeven van de strijd en zich aan de wijand onderwerpen
    tabhair suas
verb
1. braken
aisig
noun
1. te groot lichaamsgewicht
beathaitheacht
verb
1. door te gieten in een ander vat brengen
doirt
noun
1.
bibe
noun
1. moeder van de grootvader of van de grootmoeder
sin-seanmháthair
/ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
garathair
/ovər'hastə(n)/
verb
1.
deabhadh
noun
1.
deabhadh
verb
1. iemand zo ver proberen te krijgen ergens in mee te gaan
cuir i bhfeidhm
noun
an lámh a bheith in uachtar agat
noun
1. operationele kosten
lastuas
adverb
sall
/ˈovərɦɛit/
noun
1. het geheel aan gezagvoerende lichamen
rialtas
/ˈovərˌɦɛmt/
noun
léine
adverb
1. wanorde
trína chéile
verb
  1. 1. in wanorde brengen
    ainriail
  2. 2. de rust verstoren met pijnlijke kwesties
    múscail
verb
1. op onbezonnen wijze iemand neersteken
rop
/ˌovərˈhorə(n)/, /ˌovərˈho̝rə(n)/
verb
1. nagaan of iemand bepaalde kennis in voldoende mate tot zich genomen heeft door het stellen van vragen over deze kennis
scrúdú
/ˌovərˈhorɪŋ/, /ˌovərˈho̝rɪŋ/
noun
1. het nagaan of iemand bepaalde kennis in voldoende mate tot zich genomen heeft door het stellen van vragen over deze kennis
béaltriail
adjective
1. met te grote haast
ainchríonna
noun
1. (te) grote haast
deabhadh
/ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Overijssel
noun
1. een jas die hoofdzakelijk als bescherming van de kleding eronder wordt gedragen
casóg mhór
verb
  1. onscheidbaar 1. getroffen worden
    tarlaigh
  2. 1. andere kant bereiken
    crosáil
  3. 2. meest onbedoeld een bepaalde indruk wekken op iemand anders
    tar ar
noun
1. het van ver weg bij ergens naar toe gaan
teacht
noun
1. stuw
cora
adjective
1. gestorven, doodgegaan
ar shlí na fírinne
noun
ar shlí na fírinne
/ovərˈlɛx/
noun
1. beraad, beraadslaging
comhdháil
/ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
tar
/ˈovərlevərɪŋ/
noun
1.
béalaireacht
verb
1. ophouden met leven
faigh bás
noun
1.
scéala báis
verb
2. laten overschrijven
aistreog
adjective
1. buitensporig
iomarcach
conjunction
1. omdat of aangezien, geeft onderschikkend een reden aan
arae
adverb
arú amárach
noun
ardán
verb
3. opvolgen van advies
caith
/o.vər.ˈnu.mə(n)/
verb
1. een andere naam geven
athainmnigh
noun
rótháirgeacht
adjective
1.
cianaibí
/ovə'rɔmpələ(n)/
verb
1. plotseling en onverwachts iemand ergens mee verrassen (kan zijn met iets vervelends maar ook met iets fijns)
breith amuigh ar
verb
1. iets domineren, naar de achtergrond drukken
sarú
/ˈo.vər.sxɔt/
noun
1. wat er overblijft, de rest
brabach
verb
2. geld overmaken
aistreog
verb
1. een beurt doen missen
caill
/ˌovərˈspɑnə(n)/
verb
2. ergens overheen spannen
réise
noun
1. seks hebben met een ander dan de echtgenoot of vaste partner
adhaltranas
verb
1. bedekken met een vloeistof
plúch
noun
2. verandering van vervoermiddel
cleamhnas
verb
1. doorkruisen om de overzijde te bereiken
téigh trasna
verb
1. het onder water komen staan van een laaggelegen gebied
rabharta
/ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
tuile
verb
1.
brollach
adjective
1. wat in te ruime mate aanwezig is
iomarcach
/ˌo.vər.ˌtrɛ.fən.də.ˈtrɑp/
noun
sárchéim
noun
araoid
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
cuir abhaile ar
adjective
cinniúnach
verb
  1. 1. bij verrassing iemand belagen of overweldigen
  2. 2. bij verrassing een pand aanvallen (om bijv. te beroven
creach
/ˈovərˌvliɣə(n)/, /ˈovərˌvliχə(n)/
verb
2. van de ene afdeling naar de volgende gaan, bijvoorbeeld bij scouting
eitil
noun
flúirse
/ovərˈvluːdəx/, /ovərˈvluːdəç/
adjective
1. in ruime hoeveelheid aanwezig
fairsing
/'ovərʋɛx/, /ovər'ʋɛx/
adverb
1. goed kunnen opschieten met iemand
ar feadh
adjective
1. voor het grootste gedeelte
d'fhormhór
noun
1. geweldadige onderwerping
gabháil
noun
1. iets dat een ruimte met een boog overspant en van boven afsluit
trácht
noun
an lámh a bheith in uachtar agat
verb
1. een tegenstander of zwakte onder de knie krijgen
buaigh ar
noun
áitheas
noun
éan gréine
adjective
thar lear
noun
1.
bád calaidh
verb
  1. 2. van het ene systeem naar het andere systeem brengen
    aistreog
    1. 3. zie vertalen
    2. 1. van de ene kant naar de andere brengen
    aistrigh
noun
  1. 2. samenvatting van de inhoud, beschrijving in hoofdlijnen
    achoimre
  2. 1. toestand dat je het geheel kunt duidelijk overzien
    foramharc
verb
1. alles tegelijk kunnen zien
radharc
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
ubhsceitheadh
pronoun
Oxford
noun
ocsaíd
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
Ózón
/pa:/
noun
1. vader
daid
/pajə(n)/
verb
1. het leggen en bevruchten van eieren door vissen
eochraí
noun
4. (heraldiek) een loodrechte band midden over een wapenschild
cuaille
noun
1. in zee levend weekdier dat zich in hout boort, Teredo navalis
giúrann
noun
2. bepaald soort Europese kleine zangvogel, Saxicola rubetra
caislín aitinn
/paːr/
indefinitePronoun
1. meerdere, maar niet heel veel
cúpla
/paːr/
noun
  1. 2. twee geliefden die een relatie hebben
    cúpla
  2. 1. twee van een soort die bij elkaar horen
    péire
/paːrt/
noun
  1. 3. schaakstuk
    capall
  2. 1. tam hoefdier met manen
    1. capall
    2. each
noun
  1. 1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
    caisearbhán
  2. 1. samengesteldbloemige plant Taraxacum officinale
    caisearbhán coiteann
/'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
each-chumhacht
/ˈpardəmolə/
noun
1. een ronddraaiende attractie met paarden om op te zitten
compal
noun
    1. 1. sporenplant
    2. 3. staart van een paard
    eireaball capaill
  1. 2. haardracht
    pónaí
/ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
stábla
noun
1. benaming voor bloedzuigende insecten uit de familie Tabanidae
creabhar
/ˈpaːrt.rɛidə(n)/
noun
het rijden op een paard, ter ontspanning of als sportbeoefening
eachaíocht
adjective
1. met een kleur tussen rood en blauw
corcairghorm
noun
1. diverse kleurschakeringen tussen blauw en rood.
corcairghorm
/ˈparsəx/, /ˈparsəχ/
adjective
2. op paars lijkend
scothchorcra
noun
1. bloem
lus an chromchinn
noun
  1. 1. ei van chocolade of suiker dat op of omstreeks Pasen gegeten wordt
  2. 2. ter gelegenheid van Pasen gekleurd en versierd kippenei
clúdóg
pronoun
Oileán na Cásca
noun
coinín na Cásca
noun
1. de dag die volgt op paaszondag
Luan Cásca
noun
1. de week na Pasen
Seachtain na Cásca
noun
1. de dag waarop christenen vieren dat Jezus opgestaan is uit de dood, op de derde dag na zijn kruisiging
Domhnach Cásca
suffix
pat
noun
séadaire
noun
léasaigh
noun
tionónta
noun
1. officieel document waarin de voorwaarden voor de huur van een stuk land worden beschreven
feirm
verb
1. tot vrede of tot rust brengen
ceansaigh
pronoun
1. oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Ausralië
Aigéan Ciúin
/pɑsiˈfɪsmə/
noun
1. een wereldbeschouwing die duurzame vrede nastreeft en tegen oorlog en geweld is
síochánachas
noun
aanhanger van het pacifisme
síochánaí
adjective
1.
síochánaí
/pɛːt/
noun
1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
buaf
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
beacán
noun
beacán draíochta
noun
1.
págán
noun
1. persoonlijke dienaar van iemand
giolla
noun
leathanach
verb
1. de bladzijden van een drukwerk voorzien van een doorlopende paginanummering
giolla
/pɑk/
noun
  1. 2. lading
    bagáiste
  2. 3. een stel bovenkleren
    culaith
noun
siopa
/ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
Pacastáin
/ˈpɑkʲə/
noun
1.
deic
verb
  1. 2. arresteren
    beir ar
  2. 1. in de handen nemen
    tóg
/pɑ'kɛt/
noun
deic
noun
1. mand waarin men goederen kan pakken om ze te versturen
cis
/'pɑkpapir/
noun
1. papier men gebruikt voor het (feestelijk) inpakken van voorwerpen
páipéar beartán
adverb
  1. 2. zeg, neem bijvoorbeeld
    abair
  2. 1. ongeveer, grof geschat
    ar tí
noun
aicme
/palaˈdɛin/
noun
2. een ridder of hofdienaar
palaidín
/pa.ˈlaʊ̯/, /pa.ˈlɔʊ̯/, /pa.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Oileáin Palau
pronoun
1. taal gesproken in Palau
Oileáin Palau
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
pálás
noun
pailéicéineach
/ˈpalejoˌlitikʏm/
noun
1. eerste periode van de steentijd
Sean-Chlochaois
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
pailé-ointeolaíocht
/ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
Pailéasóch
pronoun
An Phalaistín
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
palandróm
noun
1. bepaald soort langwerpige consumptievis, Anguilla anguilla
eascann
noun
1. hansworst
áilteoir
noun
1. chemisch element
pallaidiam
noun
  1. 1. (sub-)tropisch gewas
  2. 2. binnenzijde van de hand
bos
noun
pailm
noun
aigéad pailmíteach
noun
ola phailme
pronoun
1. de zondag voor Pasen
Domhnach an Iúir
noun
1. klopping van het hart
preabadh
/pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
friochtán
/ˈpa.na.ma/, /ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
Panama
noun
Panama
pronoun
Canáil Phanama
noun
  1. 2. een gebouw
    foirgneamh
  2. 4. kanaaldeel
    ionsaigh
noun
1. (zoogdieren) een beerachtig dier uit het Himalayagebied
ollphanda
noun
1.
ollphanda
/ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
paindéim
/pɑnde'monijʏm/
noun
1. een chaotische toestand met een hels lawaai en drukte
borrán
noun
1. bank van lening waar men geld kan krijgen als men een pand in bewaring geeft, dit pand kan men...
teach gill
noun
vuinsciú
verb
1.met geklopt ei bestrijken en daarna bestrooien met paneermeel
arán
noun
1. blaasinstrument dat is samengesteld uit een reeks van eentonige fluiten
coinlín ceoil
noun
anbhá
noun
cliseadh
noun
1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
pancóg
noun
bríste
/pɑnˈtɔfəldirtʲə/
noun
1. eencellig diertje
paraiméiciam
noun
1. een voertuig op wielen dat uitgerust is met een verstevigde buitenzijde om gewelddadige aanvallen te kunnen weerstaan
carr armúrtha
noun
1. gerecht dat meestal bestaat uit melk die is gebonden met een zetmeelproduct zoals meel
dide
noun
1. informele benaming voor vader door zijn kind
daidí
noun
1. een plantengeslacht waarin ook de opiumpapaver thuis hoort
cailleach dhearg
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
pearóid
noun
1.1 bepaald soort opvallende zeevogel die zelfs onder water kan vliegen, Fratercula arctica
puifín
noun
fáiscín páipéar
/pɑ'pir/
noun
1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
páipéar
/pa'pirxɛlt/
noun
1. papier door de overheid uitgegeven met een door de wet bepaalde geldwaarde
bille
noun
1.
fáiscín páipéar
/ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
Nua-Ghuine Phapua
noun
1.
sailleach
/ˌparaˈboɫ/
noun
1. kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt.
parabóil
noun
1. schouwspel in de vorm van een optocht
paráid
verb
1. zich in alle pracht en praal laten zien
taispeántas
noun
parthas
adjective
1.lijkend op het paradijs dus zeer mooi, heerlijk en fijn
neamhaí
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Éan Parthais
/ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoɣəl/, /ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoχəɫ/, /ˌpɑrɑˈdɛːsvoɣəl/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Paradisaeidae
éan parthais
/ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /ˈparaˌɡwe/
pronoun
Paragua
noun
saobhdhiall
adjective
1. evenwijdig
comparáid
noun
comhthreomharóid
/paralɛloˈɣrɑm/, /pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
comhthreomharán
noun
1. achtervolgingswaanzin
paranóia
/ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
scáth fearthainne
noun
  1. 2.
    failpéir
  2. 1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
    seadán
noun
scáth gréine
noun
1.benaming voor witsporige plaatjeszwammen uit het geslacht Macrolepiota
triomán uasal
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx pardinus
lincse Ibéarach
noun
  1. 1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
    péarla
  2. 3. bijnaam voor talentvolle speler of prominent bedrijf, gebouw, gebied of land
    seoid
noun
1. rond gepolijste gepelde gerst
eorna phéarlach
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Numididae
guine
/parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
néamhann
/ˌparɛntəˈral/
adjective
1. niet via het maag-darmkanaal het lichaam binnenkomend
paireintreach
noun
idiraisnéis
/pɑ'rerə(n)/
verb
coisc
noun
cumhrán
verb
cumhrán
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
Páras
noun
een inwoner van Parijs
Párasach
/pɑrᵊk/
noun
1. een groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
páirc
noun
1. lang warm jack met een met bont gevoerde capuchon oorspronkelijk kledingstuk van de Inuits
parca
noun
1. garage voor het parkeren van motorvoertuigen
carrchlós ilstórach
noun
1. een installatie met klok die na de muntinworp de toegestane parkeertijd aangeeft
méadar páirceála
noun
giolla páirceála
verb
1. (een voertuig) tijdelijk ergens laten staan
loc
noun
vogel
pearaicít
noun
parlaimint
noun
1.
cáis Parma
noun
1. gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
paróiste
/pa.ˈrɔ.xiˌkɛrk/, /pa.ˈrɔ.χiˌkɛrk/
noun
1. een lokaal kerkgebouw dat het religieuze centrum van een parochie vormt
eaglais an pharóiste
noun
parsoic
noun
cuid
noun
1. iemand die deelneemt aan een activiteit
rannpháirtí
/ˌpɑrtisiˈpeːrə(n)/
verb
1. ergens aan deelnemen
rannpháirtigh
adjective
1. niet van de overheid
baill ghiniúna
/pɑrˈsʲeːl/
adjective
neamhuilíoch
noun
  1. 5. spel dat wordt gespeeld, potje, wedstrijd
    cluiche
    1. 1. persoon of groep die een overeenkomst of strijd aangaat met een andere persoon of groep
    2. 2. vereniging van gelijkgezinden die binnen een bepaald gebied hun politieke doelstellingen...
    3. 6. feestje, party
    comhluadar
adjective
bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
leataobhach
noun
1. de mate waarin iemand kiest voor een van de partijen die strijden
leatrom
noun
1. klein deeltje
páirteagal
noun
  1. 1. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
  2. 2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
  3. 3. iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
páirtnéir
noun
1. baring
breith clainne
adverb
  1. 4. in nog hogere mate
    adrásta
  2. 1. even tevoren
    go díreach
noun
  1. 3. identiteitsbewijs
  2. 4. doorgang tussen bergtoppen
  3. 5. schot naar een medespeler
bearnas
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
Cáisc
adjective
1. kort geleden geboren
nuabheirthe
noun
brídeach
noun
pas
noun
1. de vaste oostelijke wind die waait tussen de 30 graden noorderbreedte en 30 graden zuiderbreedte en het reizen met zeilschepen over de oceaan aanzienlijk eenvoudiger maakt
trádghaoth
noun
5. ontlasting, doorgang
pasáiste
noun
1. stoel in een vervoersmiddel voor iemand die het voertuig niet bestuurt; stoel naast de chauffeur
suíochán paisinéara
noun
aerlínéar
verb
1. precies de goede maat zijn, erin kunnen
oiriúnaigh
adjective
fóirsteanach
noun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Compás
noun
compás
verb
1. voorbijgaan, voorbijsteken, inhalen
meil
noun
1
ainmhian
adjective
1. niet zelfstandig werkzaam
fulangach
noun
1. een soort toneelvoorstelling over het lijden van Jezus Christus voor en tijdens de kruisiging
dráma Páise
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
páiseog
noun
1. zonder daadkracht, niet handelend
neamhghníomhaíocht
noun
1. zinsnede
pasáiste
noun
1. de benaming voor een aantal Italiaanse deegproducten
pasta
noun
pióg
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
meacan bán
noun
sagart
/ˈpɑstɔr/
noun
athair naofa
adjective
1.
cléireachais
noun
1.
cléir
noun
1. model van kledingstuk precies aansluitend op het lichaam
dathúil
adjective
1. in een toestand waarin een speler geen enkele zet meer kan doen
leamhsháinn
noun
  1. 1. remise doordat een speler geen zet meer kan doen
    leamhsháinn
  2. 3. gekleurd strookje stof op een uniform
    paiste
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
An Phatagóin
noun
1. gefrituurde aardappelreepjes
sceallóga
noun
1. etherische olie uit de bladeren van de pogostemon patchouly
paitsiúlaí
noun
paiteanta
verb
1.
paiteanta
noun
sagart
pronoun
1. gebed dat Jezus Christus aan zijn discipelen heeft geleerd tijdens de Bergrede
Paidir
noun
1.
Paidir
noun
1. een organisme dat een ziekte verwekt
pataigin
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
paiteolaíocht
adjective
1. ziekte betreffend
galrach
noun
1. een al dan niet omheinde binnenplaats bij een huis of ander pand
paitió
noun
1. zinsdeel dat ondergaat
othar
/pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
othar
noun
1.
ardathair
noun
1. aanzienlijk persoon, burger, rijke koopman, regent, ...
paitríoch
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
patraisc
noun
1. beschermvrouw
éarlamh
noun
1. munitie voor een vuurwapen
burla
noun
1. stevig, maar smeerbaar mengsel van fijngemalen vlees
pâté
noun
1. een grote verstembare keteltrommel zoals gebruikt in een orkest
tiompán
noun
1. paukenist
tiompánaí
/'pɑupər/
noun
1. iemand die heel arm is
bochtán
noun
angar
/pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
pápa
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
An Phéacóg
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
péacóg
/ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
bris
noun
pailliún
noun
  1. 1. met de voet te bedienen hefboom
  2. 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
troitheán
noun
1.
múinteoir
noun
céasla
adjective
1. behorende tot het verlangen van een volwassene naar seksueel contact met kinderen
péidifileach
noun
1. een volwassene die verlangt naar seksueel contact met kinderen
péidifileach
noun
1.
péidifilia
noun
1. vrucht
  1. piorra
  2. péire
/pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
teannán
noun
athair baistí
/ˈpetmudər/
noun
1. vrouw die bij de doop wordt aangewezen als tweede moeder, om op het kind te letten in de opvoeding en pleegmoeder te worden mocht dat nodig zijn
máthair bhaistí
noun
athair baistí
noun
1.
mac baistí
pronoun
2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Capall Eitilte
/'pexəl /
noun
2.stalactiet van ijs
bior seaca
noun
1. ochtendjas, badjas die je over een pyjama draagt
fallaing folctha
/pɛːl/, /pɛːɫ/
noun
1. niveau of stand van bijvoorbeeld water
céim
noun
1. peiling
méin
adjective
1. diep en serieus nadenkend
cuimhneach
noun
pic
/pɛlgrɪm/
noun
oilithreach
noun
1.
oilithreacht
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
peileacán
/peloˈtɔn/
noun
een groep soldaten
buíon
noun
1. de dichtbehaarde huid van verschillende dieren
bian
noun
cóta fionnaidh
noun
1. (kleding) een mantel vervaardigd van het bont van pelsdieren
cóta fionnaidh
noun
1. groep zeezoogdieren die voornamelijk op het zuidelijk halfrond leven
rón fionnaidh
noun
1. een patroon van twee afwisselende kleuren dat het schild bedekt
bian
noun
1.
adhartán
noun
1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
peann
noun
pionós
noun
1. een directe vrije trap voor de aanvallende partij na een zware overtreding van de verdedigende partij binnen het strafschopgebied
pionós
noun
pionós
/'pɛndəlbʏs/
noun
1.
seirbhís tointeála
/pɛn'dylə/
noun
1. klein slingeruurwerk
oibriú cloig
adjective
1. van een situatie dat deze heel gevaarlijk is
beachtaíoch
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
bod
adjective
príosún
noun
1. stokje waarin men een (kroontjes)pen kan steken om mee te kunnen schrijven
cró pinn
noun
bonn
noun
1. kleinste Britse munt, Engelse stuiver
pingin
noun
3. buik
bolg
noun
cleiteán
noun
1. loon uitgesteld tot de tijd dat iemand niet langer actief is op de arbeidsmarkt
pinsean
noun
1. een gelegenheid waar men kan overnachten
teach lóistín
/pɛnʃo'nerɪŋ/
noun
1.
scor
noun
1. iemand die kamers verhuurt met kost en inwoning
tiarna talaimh
pronoun
1.
Peinteagán
noun
peinteagram
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
piobar
verb
1. met peper bestrooien, kruiden
piobar
noun
1. een zoete koek die gekruid is met peper
arán sinséir
/'pepərkɔrəl/
noun
1.
piobarchaor
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Mentha × piperita
lus an phiobair
preposition
  1. 1. door middel van
  2. 5. door, wegens
trí
noun
1. gewaarworden door een van de zintuigen
braistint
/perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
piorra
/pɛrˈfɛkt/
adjective
1. zonder enig gebrek
foirfe
noun
foirfeacht
verb
1. meer perfect of volmaakt maken
foirfe
/ˌpɛrfoˈratɔr/
noun
1. een apparaat om gaten te maken in papier, karton, kunststof folie of metaalplaat.
anam
verb
1. ergens een gat in maken dat de ene zijde met de andere verbindt
toll
noun
ciumhais
noun
gibidinic
/pɪri'jodɘ/
noun
  1. 5. cyclus
    ciogal
  2. 1. tijdperk
    peiriad
adjective
1. periodisch, regelmatig terugkerend
féiltiúil
noun
1. tijdschrift
nuachtán
noun
tábla peiriadach
noun
1. buikvliesontsteking
peireatóiníteas
noun
1. afgebakend stuk grond
péirlín
noun
1. een dun schrijfmateriaal, gemaakt van huid van kalveren, koeien, geiten, schapen, konijnen of ezels
párpháipéar
adjective
1. voortdurend
ilbhliantúil
noun
1. doordringbaarheid
tréscaoilteacht
adjective
síoraí
/pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
slí
noun
  1. 1. instrument waarmee druk uitgeoefend kan worden
  2. 2. journalistieke media
preas
verb
fáisc
pronoun
2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Peirséas
noun
2. het samendrukken
práinneach
noun
tréithe pearsanta
adjective
pearsanta
noun
fostaí
/pɛrsonifi'ka(t)si/
noun
1. van een mens zeggen dat hij de vertegenwoordiger is van een abstract begrip
gearrinsint
noun
  1. 1. menselijk individu
  2. 2. grammaticaal begrip
  1. duine
  2. daoine
adjective
1. betrekking hebbend of uitgevoerd door de persoon zelf
pearsanta
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
forainm pearsanta
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
tréithe pearsanta
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat West-Australië
Peairt
/peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Peiriú
adjective
ainbhreitheach
verb
1. iets bederven, slecht maken
truailligh
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
péitseog
noun
1.
crann péitseog
noun
1.
crann péitseog
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
  1. Peirsis
  2. Fairsis
pronoun
1.
Murascaill na Peirse
noun
duarcán
noun
(medisch) Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis
plá
verb
1. jennen, treiteren
ansmachtaigh
noun
1. iemand die veel en gemeen plaagt
ansmachtaí
noun
1. tamelijk plat hoofddeksel met een klep
caidhp
noun
athair baistí
noun
2. kruid
peirsil
noun
1. een formeel verzoek ondertekend door een groep personen met een politiek of maatschappelijk doel
achainigh
noun
1.
achainigh
adjective
betrekking hebbend op de industrie die aardolie als grondstof verwerkt
peitriceimiceach
pronoun
1. discipel van Jezus
Peadar
noun
1. harde klap die men met de blote, platte hand uitdeelt
boiseog
noun
  1. 1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
    bun
  2. 2. sigaret
    dóigh
noun
1. een jong kind in de leeftijd van een tot vier jaar
imeachtaí linbh
noun
1.
fioscaireacht
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Féinics
noun
1. musicus die een piano bespeelt
piandir
noun
1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
pianó
noun
stól pianó
noun
  1. 1. piccolofluit
    fliúiteog
  2. 1. loopjongen in hotel
    giollán
noun
íocón
noun
1. een taal die ontstaat wanneer twee bevolkingsgroepen die verschillende talen spreken...
nasctheanga
adjective
1.
colgach
noun
1. geslachtsdeel van de man, penis gebruikt voor onvolgroeide jongens
pilibín
adjective
1. zeer slim
galánta
verb
  1. 1.3 het geluid van een hijgende adem
    cársán
    1. 1.1 het geluid van een muisje
    2. 3. stiekem, snel of oppervlakkig naar iets kijken
    gíog
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Anthus
gobadán na cuaiche
adjective
1. bijzonder klein
bídeach
/piːr/
noun
  1. 1. een regenworm
    agaill
    1. 2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
    2. 3. overdekte loopbrug op luchthaven
    cé
/'pirsə(n)/
verb
1. het aanbrengen van voorwerpen door doorboring van de huid
poll
/'pisə(n)/
verb
1. het ledigen van de urineblaas
peith
noun
1.
áras fuail
pronoun
1. jongensnaam
Peadar
noun
1. benaming voor stekelige zeevissen uit de familie Trachinidae
goineadóir
adjective
meonúil
noun
1. een organische of minerale stof met een vaste kleur
lí
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Saighead
noun
1. projectiel
saighead
noun
1. een wapen bestaande uit een boog waarmee pijlen weggeschoten kunnen worden
saighead agus bogha
noun
1. weekdier met lange tentakels en zuignappen, o.a. van het geslacht Loligo
máthair shúigh
noun
ararút
/pɛɪ̯n/, /pɛːn/
noun
1. lichamelijk leed
pian
/ˈpɛɪ̯nɑpəɫˌkliːr/, /ˈpɛːnɑpəlˌkliːr/
noun
1. klier in de hersenen, die melatonine uitscheidt
faireog phinéalach
/'pɛinbom/
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht van de dennenfamilie, Pinus
giúis
verb
1. het opzettelijk veroorzaken van pijn bij iemand
ciap
/ˈpɛːinlək/, /ˈpɛːnlək/
adjective
1. pijn gevend
léanmhar
/'pɛːinstɪlər/
noun
1. middel
pianmhúchán
/pɛi̯p/
noun
1. buis
píopa
noun
  1. 1. penis
    bior
  2. 3. pek
    cuir suas
  3. 2. houweel
    gob
  4. 4. wrok
    múisiam
/ˈpɪkhʌʊʋɪ:ɫ/
noun
1. hakwerktuig met steel, voorzien van een punt aan de ene zijde en een beitelachtige voorziening aan de andere zijde
piocóid
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
eitil
adjective
1. heel zwart
chomh dubh le pic
noun
1. een langgerekt verticaal bouwelement, gewoonlijk uit één stuk en met een willekeurig gevormde doorsnede
piléar
noun
1. een bestuurder van een vliegtuig, luchtschip of race-auto
píolóta
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
meantán gorm
noun
1. een dun metalen staafje waarmee iets bevestigd kan worden
biorán
/pɪn.ˈsɛt/
noun
1. een gevorkt werktuig bestaande uit twee armen waarvan de punt bijeengeknepen kan worden
pionsúirín
noun
  1. 1. een tot de vlinderbloemenfamilie behorende plant
  2. 2. een vrucht van deze plant
pis talún
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
im piseanna talún
noun
1.
pis talún
verb
3.
conradh
/ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
piongain
noun
1. de vijfde, kleinste en buitenste vinger
laidhricín
noun
1. tweede pinksterdag
Luan Cincíse
adjective
ocrach
/piˈɔn/
noun
1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
ceithearnach
adjective
cuaille
noun
1.
píoráid
noun
1.
pirimid
noun
1. urine
peith
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
úiréadra
noun
1. glazen fles waarin mannen kunnen urineren
briollán
noun
áras fuail
verb
1. plassen
mún
noun
piostáis
noun
1. groene noot van de
piostáis
noun
airéine
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
piostal
noun
  1. 2. kaarsen- of lampenpit
    buaiceas
  2. 1. zaadhoudende kern van verschillende vruchten
    síol
noun
1.
tarbh-bhrocaire
pronoun
1. groep van vijf eilanden halverwege Paaseiland en Tahiti
Oileáin Phiotcairn
adjective
1. niet te onderschatten
righin
noun
1.1 bepaald soort vis, Callionymus lyra
iascán nimhe
verb
  1. 1. op een steunpunt in het midden ronddraaien
  2. 2. draaien met één voet aan de grond
maighdeog
noun
1. een beeldpunt
picteilín
/ˈpidza/, /ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
píotsa
pronoun
Píodmant
noun
1.
beannaíocht
noun
wijdverspreid onheil, ongemak
plá
noun
  1. 4. zandplaat
    guaire
  2. 1. vlak, plat en vrij dun stuk materiaal
    pláta
noun
2.
pictiúr
/plaːts/
noun
1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
áit
noun
nótáil
adjective
1. betrekking hebbend op een bepaalde plaats
logánta
verb
1. op een bepaalde plaats zetten
cuir
noun
1. het aantal argumenten van een relatie of functie
nárthacht
noun
1. bewijs dat met recht heeft om ergens te zijn en er gebruik van te maken m.n. voor openbaar vervoer ...
ticéad
/ˈplatsnemə(n)/
verb
1. gaan zitten op een daartoe bestemde plek
suigh
adjective
aisteoireacht
noun
1. geneesmiddel zonder werkzame stof
placebo
noun
1. moederkoek, orgaan dat verbinding vormt tussen moeder en de zich ontwikkelende vrucht in de buik van de moeder.
slánú
/plɑˈfɔnt/
noun
  1. 1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
  2. 2. hoogste niveau
síleáil
verb
  1. 1. iemand lastigvallen
    buair
  2. 1. iemand (goedmoedig) pesten
    ciap
noun
1.
cáith
noun
slis
/ˈplɑg.bɑnt/
noun
1. een lintvormige drager die aan één of beide zijden bedekt is met kleefstoffen
seilitéip
noun
  1. 2.
    fógra
  2. 1.
    postálaí
verb
lijmen , kleven
camán
noun
1. zelfklevend plaatje dat men op een voorwerp kan plakken
greamaitheoir
verb
1. steenachtige, houten of andere ondergronden met plamuur egaliseren of repareren
sáith
noun
1. een voorgenomen handelswijze
plean
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
pláinéad
verb
  1. 1. snel varen met een boot waarbij de romp op het water glijdt
  2. 1. vliegen zonder, of met afgezette motor
eitleán
adjective
pláinéadach
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
pláinéadlann
noun
1. stelsel van planeten om de zon of een ster
córas pláinéadach
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
astaróideach
/plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
clár
noun
scéin stáitse
noun
  1. 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
  2. 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
lus
/plɑntˈaːr.dəx/
adjective
1. tot de planten behorend, uit planten bestaand of daarvan afkomstig
glasra
noun
ola phlandúil
noun
2. taxonomisch rijk
lus
verb
1. (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
lus
/'plɑntə(n)xruj/
noun
1.
borrúlacht
noun
1. een structuur van meestal glas en metaal die gebruikt wordt voor het kweken van planten in een beschermde omgeving
teach gloine
noun
1. kleine gekweekte planten
athphlandáil
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
luibheolaíocht
noun
  1. 1. een verzameling van vocht
    lathach
  2. 3. een enkele afscheiding van urine
    mún
  3. 2. een door veenafgraving ontstaan meer
    poll
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
úiréadra
noun
1.
fuilphlasma
verb
1. via de urinebuis vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen
déan mún
noun
(kindertaal, kinderlijk) penis
pilibín
/'plɑstik/, /'plɛstɪk/
noun
plastisch vervormbare polymere kunststof
plaisteach
noun
plaisteacht
adjective
3. kneedbaar
plaisteach
noun
1. een chirurgisch specialisme waarin men zich richt op het uit esthetisch en/of functioneel oogpunt aanpassen van het uiterlijk
máinliacht phlaisteach
adverb
  1. 2. van weinig culterele diepgang getuigend
    aibéiseach
  2. 1. vlak van vorm met verwaarloosbare hoogteverschillen
    cothrom
  3. 3. (informeel) corrupt (bijv. van politie)
    cáidheach
adjective
1.
réthónach
verb
1. iets met kracht samendrukken
meil
noun
criadóireacht
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
platanam
adjective
1. een variant van de blonde haarkleur, herinnerend aan de kleur van platina.
fionnbhán
noun
1.
míol ceartáin
verb
3. iets of iemand zo hard slaan dat er geen beweging meer is te bespeuren
puimcín
noun
1. het landelijke gebied buiten de steden
taobh tíre
noun
1. iemand die buiten de stad woont
tuathánach
/ˈplɑtvɪs/
noun
1. een orde van vissoorten die op hun zijde op de bodem leven, en geheel plat zijn
iasc leathógach
adjective
1. van iets dat het je instemming verdient en kan krijgen
sochreidte
noun
1.
gramaisc
noun
pobalbhreith
noun
1.
gramaisc
noun
caisleán
adjective
1.
stiúgaí
noun
1. een volwassene die in zijn/haar eigen gezin het kind van iemand anders opvoedt, zonder dit kind echter te adopteren
altramaí
noun
1.
cúram altrama
noun
cearnóg an bhaile
/ˈplɛinˌvreːs/
noun
agrafóibe
noun
  1. 1. (gipshoudend) kalkmengsel
    brataigh
  2. 2. zelfklevend verband
    greimlín
verb
2. iets met kalkspecie of gips bestrijken
brataigh
noun
brataigh
noun
1. rustplaats tijdens een tocht
coisc
noun
1.
brataigh
/ˈplɛidbəzɔrxər/
noun
1.iemand die in woorden een bepaalde zaak of persoon verdedigt
abhcóide
verb
pléadáil
/plɛk/
noun
1. plaats, positie
spota
/plejoˈnɑsmə/
noun
1.
iomarcaíocht focal
verb
1. plat maken
bladair
noun
1.
feadóg
noun
aiteas
verb
1. iemand ergens van laten genieten
le do thoil
adjective
sásta
noun
1. pleziervaartuig
luamh
noun
1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen
dualgas
verb
1. het aanbrengen van fijne plooien in een gesteven stof
pléata a chur i
noun
1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
céachta
noun
1. iemand die de leiding heeft over een groep arbeiders
maor
verb
2. land met de ploeg bewerken
treabh
noun
1.
coltar
noun
1. snijdend deel van ploeg
iarnach
noun
alfraits
verb
1. gaatjes in tanden en kiezen vullen met amalgaam door de tandarts
sáith
noun
aoile
verb
1. iets in losse vouwen opstapelen
fill
noun
1.
mainnear
noun
1.
pléasc
noun
ceapach
adverb
1. bij verrassing, opeens
de gheit
adjective
1. snel en onverwacht
tobann
adverb
1. snel en onverwacht
de gheit
adverb
1.
de gheit
noun
bolscaireacht a dhéanamh
noun
  1. cleite
  2. 2. een compliment
    clú
adjective
2. het deugt er, in orde, naar behoren
slán
/'plʌʏ.zəx/
adjective
1. vol met pluizen
clúmhach
/plɵk/
noun
1. uitgetrokken bundeltje
dlaoi
/'plɵkə(n)/
verb
  1. 3. iemand geld afzetten
    argain
  2. 2. ontdoen van de veren
    cluimhrigh
    1. 1. (bloemen) afbreken of oogsten
    2. 4. (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
    pioc
verb
1. met geweld zich roerende goederen toeëigenen uit de woning van iemand anders
creach
noun
1. een zuiger zonder eigen afdichtingen die in vloeistoftechniek wordt gebruikt
reithe
conjunction
móide
pronoun
1.
Plútón
noun
1. Chemisch element
plútóiniam
noun
1. longontsteking
aicíd na scamhóg
noun
1. een pot, meestal uit kunststof of eertijds geëmailleerd ijzer, waar men zijn behoefte in kan doen
áras fuail
verb
1. zichzelf groots voorstellen
braig
adjective
1.
mórfhoclach
noun
1. digitale radio-uitzending waarbij een audiobestand op internet wordt gezet...
podchraol
noun
1. een gewoonlijk verhoogde open ruimte waarop iets voor een publiek...
póidiam
noun
1. Frans krulharig hondenras
púdal
noun
púdar
noun
1. platte doos voor cosmetisch poeder
acht
/pudərsnew/
noun
1. fijne sneeuw
púdar sneachta
noun
1. een hoop drukte en lawaai om niets
fothragadh
noun
1. een vrij klein stilstaand water
poll
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis concolor
púma
noun
1. geld
airgead tirim
noun
  1. 1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
    cac
  2. 2. achterwerk, bips
    buta
verb
4. geslachtsgemeenschap hebben
póg
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
cat
/ˈputsə(n)/
verb
1. door middel van wrijven zaken schoner maken
glan
/ˈpoɣə(n)/, /ˈpoχə(n)/
verb
1. iets met succes trachten te volbrengen, waarvan men niet weet of het gaat lukken
ionsaigh
noun
iarracht
noun
2. epidemische huidziekte
bolgach
noun
polaraíocht
/ˈpolə(n)/, /ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
  1. An Pholainn
  2. Polainn
/poˈlɛɪstə(n)/
verb
1. een stenen of glazen oppervlak bijzonder glad slijpen met steeds fijnere slijpmiddelen
snas
noun
1. virusinfectie o.a. van de grijze stof van het ruggemerg
polaimiailíteas
/ˈpo.lɪs/
noun
1. schriftelijke vastlegging van een overeenkomst
polasaí
noun
1. een discipline
eolaíocht pholaitiúil
noun
1. iemand die zich beroepsmatig met politiek bezighoudt
polaiteoir
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
  1. garda
  2. péas
noun
1. een persoon die belast is met hulpverlening en met de handhaving van de openbare orde en veiligheid
garda
noun
1. iemand die in dienst is van de politie
garda
noun
stáisiún na bpéas
/poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
polaitíocht
noun
1. iemand wiens taak het is de wet te handhaven en overtreders in de kraag te grijpen
garda
noun
1. een vrouw die bij de politie werkt
bangharda
noun
1. stuifmeel
pailin
noun
2.(België) een diepe, grote lepel met een lange steel gebruikt voor het opdienen van soepen, sauzen e.d.
ladar
noun
1. Chemisch element
polóiniam
noun
anatomie: 1. gewricht
rosta
verb
1. iemand vragen naar zijn mening, interesse voor iets
sámh
noun
1. een uurwerk dat om de pols gedragen wordt
uaireadóir
noun
cuisle
noun
il-leannánacht
noun
ilmhiostrachas
noun
ilfhónacht
noun
ilphósadh
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
polagán
adjective
1. in meer dan een vorm binnen dezelfde groep voorkomend
ilchruthach
noun
polamorfacht
pronoun
1. eilanden in de Grote Oceaan of Stille Oceaan die samen Oceanië vormen
An Pholainéis
noun
thermoplastische kunststof, bereid door polymerisatie van propeen
polaprópailéin
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
ilchiallachas
noun
1. godsdienst met meer dan één god
ildiachas
noun
1. en 2. (vrucht van de) boom Citrus maxima × Citrus ×paradisi
pomaló
noun
  1. 1.
  2. 2.
gread
adjective
1.
Pomaerach
noun
caidéal
/ˈpɔmpəlˌmus/, /ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
2. een vrucht van deze boom
pomaló
verb
1. vloeistof of gas met behulp van een pomp verplaatsen
taosc
adjective
1. overdreven prachtig, gezwollen
mórfhoclach
noun
fear dóiteáin
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
puimcín
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
punt
noun
punt steirling
verb
gaten in iets (vaak papier of metaal) maken door middel van een pons
anam
noun
kaart die tot de jaren 80 werd gebruikt voor het vastleggen van gegevens d.m.v. erin geponste gaatjes
tollchárta
noun
bád calaidh
noun
1. werkschuit met een vlak dek
pontún
noun
1. een brug die bestaat uit op het water drijvende elementen
droichead pontúin
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
capaillín
/'poːjər/
noun
1. een man die prostituees tegen betaling beschermt en helpt.
maicréal
/pok/
noun
2. versnellingshendel van een auto
camán
/pol/, /poɫ/, /po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
Polannach
noun
  1. A 1. uiteinde van een draaiingsas
  2. A 2. een van beide einden van een magneet
  3. A 3. een uitzonderlijk punt waar een functie naar oneindig neigt
mol
noun
1. hond uit een ras dat gefokt is in het Noordpoolgebied
huscaí
noun
1.
gealán
/poɫs/, /poːls/, /po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
  1. Polainnis
  2. polainnis
/pol.sə/, /poɫ.sə/, /po̝ɫ.sə/
noun
1. een vrouw van Poolse komaf
Polannach
noun
1. bepaald soort zoogdier, Alopex lagopus
raposo polar
noun
1. benaming voor zeevissen uit familie Triglidae
cnúdán
/poːrt/
noun
1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
geata
/pos/
noun
1. tijdsinterval
agus
noun
crág
noun
1. aardappelen die gebruikt worden om in het land te poten (=in de grond stoppen), uit deze pootaardappelen ontstaan dan de aardappelplanten waar men de ondergrondse knollen van kan oogsten
práta póir
noun
1. speeltuig
  1. bábóg
  2. áilleagán
noun
grán rósta
noun
1. kunstenaar achter poppenspel
puipéadóir
adjective
coiteann
noun
1.
poibleog
noun
1. politieke stroming die vindt dat een maatschappelijke elite de belangen van het volk verwaarloost...
pobalachas
noun
pornagrafaíocht
noun
  1. 2. kracht
    blast
  2. 3. energie
    sú
/pɔrsəlɛːn/, /pɔrsəˈlɛɪn/
noun
  1. 1. fijn, geglazuurd aardewerk
  2. 2. voorwerpen van fijn, geglazuurd aardewerk
poirceallán
adjective
1. van porselein gemaakt
poirceallán
noun
1,2 portaal (entree)
tairseach
adjective
fón póca
noun
platte houder voor geld, kredietkaarten, naamkaartjes en dergelijke
sparán
noun
1. geldbuidel
vallait
noun
1. een deel van een voorraad toebedeeld aan een bepaald persoon
cuid
noun
1. woningingang bestaande uit een open portaal binnen de voorgevellijn
póirse
noun
1. overgordijn
brat
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
portráid
/'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
  1. an Phortaingéil
  2. Portaingéil
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
noun
1. inwoner van Portugal
  1. Portaingéalach
  2. Portaingéileach
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
Portaingéilis
/pɔr.ty.ˈɣe.sə/, /ˌpɔr.ty.ˈχe.sə/
noun
1. vrouw
Portaingéalach
noun
2. gezicht van een persoon
aghaidh
verb
deasaigh thú féin
/po'zisi/
noun
  1. 1. een stand van het lichaam
  2. 2. een innerlijke houding
  3. 3. een plaats van waaruit men iets onderneemt
  4. 4. een toestand waarin iemand zich bevindt
  5. 5. een vaste betrekking
  6. 6. een maatschappelijke stand
  7. 7. de ligging van de hand
  8. 8. een opstelling van troepen en materieel
feidhmeannas
adjective
deimhneach
/pozi(t)ʃo'nerə(n)/
verb
1.
feidhmeannas
noun
posatrón
noun
gabháltas
adjective
gabhálach
/pɔs/, /pɔst/
noun
1. toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
post
noun
1. een afgerichte duif die berichten kan overbrengen
colúr frithinge
/ˈpɔstə(n)/
verb
1. op de post doen
post
noun
2. (aanplak)biljet
póstaer
/pɔs'terə(n)/
verb
1. ergens neerzetten
stáisiún
noun
2. het postkantoor
oifig an phoist
noun
2. pruik
bréagfholt
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
oifig an phoist
noun
cóiste
noun
1.
iarnua-aoiseachas
noun
1. postcode in België
postchód
noun
1. papier waarop men brieven schrijft
páipéar litreach
adjective
1. na de maaltijd
iarphroinne
adjective
1.
iarbháis
noun
1. de vorm van een rechtopstaande mens
amhlachas
/ˈpɔseɣəl/, /ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
  1. stampa
  2. stampa poist
noun
dingeán
noun
2. pottenbakkersklei
alúmana
verb
1. ondiep in de aarde stoppen, met name van bollen, wortels, zaden e.d. om deze te laten groeien
lus
noun
difríocht phoitéinsil
noun
1. vermogen, kracht
láidreacht
adjective
1. mogelijkheid
féideartha
noun
1. regelbare weerstand
poitéinsiméadar
/'potəx/
adjective
1. stevig uit de kluiten gewassen, weerbaar, ruig
cnapánach
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
peann luaidhe
noun
1. regelbare weerstand
corcán
noun
1. grap
scéal grinn
noun
1. bedrijf waar men aardewerk maakt; werkplaats van een pottenbakker
saotharlann photaireachta
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
caisealóid
noun
1. een groep van sporters of teams die het tegen elkaar opnemen in een competitie of toernooi
cearc
adjective
1. teleurstellend klein of gering
bocht
noun
1.
caoile
noun
1. in ritme, maat en klank verwoorden
filíocht
/prax/, /praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Prág
noun
1. uitgebreid versierd grafmonument
másailéam
noun
1. opschepper, snoever
bladhmaire
noun
1. een kleine schuit met platte bodem
cóiste linbh
noun
1. oude man die teveel kletst
cabaire
adjective
1.
béalach
noun
1. de neiging om al te veel te willen praten
aighneas
noun
gluais
/'prɑxtəx/
adjective
1. bijzonder mooi
aoibhinn
noun
1.
réadúlacht
/prɑki'zerə(n)/
verb
1. langdurig nadenken over iets, op een zorgelijke manier, zonder dat er tot een oplossing gekomen wordt
gor
/prɑkˈtɛɪ̯k/, /prɑkˈtɛːk/
noun
  1. 1. ruimte waarin een arts zijn beroep uitoefent
  2. 2. hoe dingen werkelijk gaan...
  3. 4. gewoonte(n), manier van doen
crábhadh
/prɑkti'zerə(n)/
verb
1. beoefenen van een beroep
aclaigh
noun
1. pocherij
paráid
noun
    1. 1. elk van de borsten van een zogende vrouw
    2. 2. de vrouwenborst in het algemeen
    broinne
  1. 3. de uier van een zoogdier
    úth
/ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
praiséidimiam
/ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
labhair
noun
1. een advies dat men als voorlichting geeft voordat er een besluit is genomen
tuairisc
adjective
éiginnte
/preˈkɑmbrijʏm/
noun
Réamhchaimbriach
noun
oireachas
noun
luainíocht
adjective
beacht
adjective
1. nauwkeurig, verfijnd
luachmhar
noun
comhdhlúthú
verb
1. neerslaan, bezinken
comhdhlúthaigh
/presi'serə(n)/
verb
1. nauwkeuriger omschrijven
sonraigh
noun
creachadóir
noun
3. (grammaticaal) gezegde
faisnéis
verb
1.de leer van een geloof verkondigen
seanmóir a thabhairt
pronoun
Ecclesiastes
noun
seanmóir
noun
réamhdhéanamh
noun
1.
pribhléid
verb
1. de voorkeur geven
is fearr le
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
réimír
noun
réamhstair
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
cainneann
verb
1. een preek houden
seanmóir a thabhairt
adjective
réamhbhabhta
noun
1. de betaling aan een verzekeringsmaatschappij voor een verzekering
duais
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
príomh-aire
noun
pictiúr
noun
1. bereiding van chemische stof, geneesmiddel e.d
inleadh
noun
1. voorhuid van penis
forchraiceann
noun
oideas
adjective
1. aanwezig
am i láthair
/ˌpresɛnˈtatsi/
noun
1. het presenteren van iets
láithreoireacht
noun
láithreoir
verb
1. op een goed voorbereide wijze aanbieden aan anderen
am i láthair
noun
1. aanwezig zijn van een persoon op een bepaalde plaats
fianaise
/prə'zɛncə/
noun
1.
bronntanas
adjective
1. voorbehoedmiddel
leasaitheach
noun
1. voorzitter van een vereniging
cathaoirleach
noun
1. het staatshoofd van een republiek
uachtarán
verb
1. het beoefenen van de functie van voorzitter
dul sa chathaoir
noun
1. vaak fraai gevormd, zwaar voorwerp dat men boven op een stapel losse papieren kan leggen zodat de papieren niet kunnen wegwaaien
tromán páipéir
noun
cás
noun
andóchas
noun
aiteas
verb
1. doen alsof je iets weet, kunt of bent terwijl dat misschien niet het geval is
lig ar
noun
2. aanmatiging
andóchas
adjective
1.verwaand, met veel pretenties
gaisciúil
adjective
ardchéimiúil
noun
  1. 1.
  2. 2.
leitheadúlacht
adjective
toirmeascach
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
biachacht
noun
1. priem
meana
verb
1. met een priem bewerken
poll
noun
1. priemgetal
uimhir phríomha
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
sagart
noun
1. een vrouw die de taak heeft religieuze rituelen te verzorgen
bansagart
noun
scéalaíocht
noun
  1. 1. de gevraagde geldsom bij verkoop
    costas
  2. 2. een uitzonderlijke beloning, bijvoorbeeld voor een bepaalde prestatie
    duais
noun
1. financieel document waarin staat welke vergoeding men vraagt voor bepaalde diensten of goederen
ofráil
noun
1. minder geld vragen voor een product
lacáiste
verb
1. iemand lof toezwaaien
clú
/prɨk/
noun
cealg
noun
moiminteam
noun
siondróm putóige greannaithí
noun
1. materiaal bestaande uit een dubbele, in elkaar gedraaide metalen draad...
sreang dhealgach
/ˈprɪkələn/
verb
  1. 5. (seksueel) opwinden
    ardaigh
  2. 2. aanzetten, aansporen
    brod
  3. 1. (herhaaldelijk) prikken
    cealg
    1. 3. ergeren
    2. 4. (medisch) irriteren
    greannaigh
verb
1. een prik of steek toedienen, met een dun voorwerp doorboren
poll
noun
1. een slee voor op het ijs die de sleeër met stokken moet voortbewegen
carr sleamhnáin
/'primyla/
noun
1.
bainne bó bleacht
noun
  1. 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
  2. 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
prionsa
noun
1.
prionsacht
adjective
1. als horend of passend bij een prins of prinses, bestaand uit prinsen of prinsessen
prionsúil
noun
  1. 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
  2. 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
banphrionsa
noun
1. afdruk
clóbhuail
verb
clóbhuail
/ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
  1. clóire
  2. printéir
noun
prióireacht
noun
priosma
noun
1. een bepaald recht, voordeel niet genoten door anderen
pribhléid
verb
1. voorrechten schenken aan iemand
pribhléid
adjective
1. voor persoonlijk gebruik gereserveerd
príobháideach
noun
1.
scrúdú
/proˈberə(n)/
verb
  1. 1. testen
  2. 2. onderzoeken
  3. 3. iets met succes trachten te beëindigen waarvan men niet weet of het gaat lukken
triail
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
fadhb
noun
1. het geheel van problemen en bijzonderheden rond een vraagstuk
deacracht
verb
agair
noun
starr
/proˈsɛs/
noun
2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
próiseas
abbreviation
  1. 1. de akte waarmee een overheidsambtenaar verslag uitbrengt over wat hij in de uitoefening van zijn functies heeft verricht
    ceirnín
  2. 2. bekeuring
    costas
/proˈsɛˌsi/
noun
mórshiúl
noun
1. rekeneenheid van een processor
croí
noun
fógra
noun
1. wegvallen van een of meer klanken aan het begin van een woord
aifiréis
noun
léiritheoir
verb
1. bij voortduring vervaardigen
táirg
noun
1. het resultaat van een bewerking
iolrach
adjective
1. vruchten afwerpend
bisiúil
noun
  1. 2. experiment
    turgnamh
  2. 4. monster
    tástáil
noun
1. de eerste afdruk van een drukwerk dat nog gecorrigeerd kan worden voordat het definitieve drukproces begint
díonmhar
noun
2. proefpersoon
muc ghuine
verb
  1. 1. onderzoeken hoe iets smaakt
  2. 2. smaak waarnemen
tástáil
adjective
1.
saolta
verb
1. spotten met iets dat heilig is
diamhaslach
noun
1. een persoon die boodschappen van een godheid aan de mensen doorgeeft
fáidh
/pro'fɛsi/
noun
1. het beroep dat iemand uitoefent om geld mee te verdienen, met kennis van zaken en met betrokkenheid
gairm
noun
1. een persoon, die beroepsmatig werkzaam is
gairmí
/proˈfɛsɔr/
noun
1. de aanspreektitel voor een hoogleraar
ollamh
noun
próifíl
/pro'filsxɛts/
noun
1. overzicht van de kenmerken van iets
carachtracht
noun
1. het -met name financiële- voordeel dat men heeft bij een bepaalde zaak
brabús
adjective
1.
airgeadúil
verb
brabach
noun
1. voorbehoeding, behandeling om een ziekte te voorkomen
urchoscacht
noun
prógaistéarón
noun
1. een applicatie voor de computer
clár
noun
teanga ríomhaire
noun
crosadh
/proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
tionscadal
verb
tionscadal
noun
caitheamh amach
noun
toestel om een afbeelding op een scherm te projecteren
teilgeoir
noun
fadú
verb
fadaigh
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
próiméitiam
noun
1.
ardú
/proˈmotə(n)/
verb
1. reclame maken voor
cuir chun cinn
/proˈmotsi/
noun
  1. 1. een verhoging in rang
  2. 2. bevordering naar een hogere speelklasse
ardú
verb
ardaigh
adjective
pointeáilte
noun
1. en 2. (peulvrucht van) Phaseolus coccineus
pónaire reatha
verb
1. vertoon maken met mooie dingen
clár
/prɔŋkə'rɛɪ/
noun
1. het zich met opzet in de aandacht van anderen brengen met (vermeende) schoonheid of andere bewonderenswaardige hoedanigheden
mustar
noun
1. dat wat door een dier wordt buitgemaakt
creach
/prost/
interjection
1. heildronk
sláinte
/ˈprostə(n)/
verb
1. het glas heffen en een gelukwens uitbrengen
tósta
noun
1. samengepakte massa weefsel of papier, vaak gebruikt om iets af te stoppen
bolscaireacht a dhéanamh
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
bolscaireacht
adjective
1. goed schoongemaakt, netjes verzorgd
ar fad
noun
1. het schoon en opgeruimd zijn als eigenschap
slacht
noun
comhréir
adjective
1. evenredig
cionmhar
verb
3. dicht op elkaar stuwen
puimcín
adjective
1.
bídeach
/prozeˈlit/
noun
iompaitheach
noun
1.een klier tussen de blaas en de penis van de man
próstatach
verb
1. iemand dwingen tot het aanbieden van seksuele diensten
bean choiteann
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
striapachas
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
prótachtainiam
noun
1. eiwitsplitsende giststof
próitéáis
noun
2.
cosantachas
/ˌprotəroˈzowikʏm/
noun
Prótarasóch
noun
1. een uiting van ontevredenheid met het gevolgde beleid
agóid
noun
1. christen die is aangesloten bij het protestantisme, een van de kerkgenootschappen ontstaan door afsplitsing van de Rooms-Katholieke Kerk in de zestiende eeuw
Protastúnach
/ˌpro.tə.ˈstɑnts/
adjective
1. gerelateerd aan het protestantisme
Protastúnach
noun
1. vergadering van mensen die het ergens niet mee eens zijn
léirchruthú
verb
1. grote bezwaren uiten
agóid
noun
1.
próitéin
noun
1. voorvoeging van beginklank
próistéis
pronoun
1. hypothetische, gereconstrueerde taal waar vele Europese talen, waaronder het Nederlands en het Frans, van afstammen
Próta-Ind-Eorpach
/'protɔn/
noun
prótón
noun
1.
prótaplasma
noun
1. een informele naam voor een groep eencellige, vaak beweeglijke eukaryoten, die zelfstandig leven of op andere levensvormen parasiteren
prótasón
/pro'tryzi/
noun
1. uitpuiling, iets dat uitsteekt
starr
noun
1. iets dat uitpuilt van iets anders
boiric
verb
1. iets of iemand voorzien van voedsel en drinken
lón
noun
1. het iets of iemand voorzien van voedsel en andere primaire levensbehoeften
lónadóireacht
/pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
cúige
noun
  1. 1. beloning voor de tussenpersoon
    coimisiún
    1. 2. voedselvoorraad
    2. 3. geld gereserveerd voor een toekomstige gebeurtenis
    lón
noun
1. koele ruimte onder een gebouw waarin men voedsel kan bewaren
pluais
noun
gríosú
verb
tabhair dúshlán
adjective
neasach
noun
cóngas
adjective
1. met zorg, getuigend van wijsheid, getuigend van inzicht
aireach
noun
1. een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordt
bréagfholt
verb
2. droevig zijn zonder geluid te maken
puisín a chur ort féin
adjective
1.
borrphusach
noun
1.
puisín a chur ort féin
noun
2. vrucht van de pruimenboom
pluma
pronoun
An Phrúis
noun
1. een variant van de kleur blauw met een groenachtige ondertoon
gorm phrúiseach
noun
blúire
adjective
  1. 2. smakeloos
    leamh
  2. 1. goedkoop
    saor
noun
1. iemand die slecht werk levert
ablálaí
verb
suanbhruith
/psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
salm
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
Sailm
/psœydoˈnim/
noun
1. een aangenomen naam waaronder men iets publiceert
ainm bréige
noun
síciatraí
noun
síciatracht
adjective
1. door de geest veroorzaakt
sícigineach
/psixoloˈɣi/, /psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
síceolaíocht
adjective
1. met betrekking tot het gevoelsleven.
síceolaíoch
/ˌpsi.χo.ˈloχ/, /ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
aigneolaí
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
síceapatach
/psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
síocóis
/ˌpsiχoso'ʃal/
adjective
1. Het zielenleven betreffend voor zover dit door sociale factoren beïnvloed wordt
síceasóisialta
noun
1. stroming in de psychologie
síciteiripe
adjective
1. behorende tot, zich voordoend bij pubers
sóisearach
verb
1. bekend maken aan een doorgaans groot publiek via een bepaald medium
foilsigh
noun
bolscaireacht
/pyˈblik/
adjective
  1. 1. vrij toegangelijk , openbaar
  2. 2. wat het publiek aangaat
daoine
noun
gangbare benaming voor de status van werken die geheel vrij zijn van auteursrechten en naburige rechten
an fearann poiblí
noun
1. nagerecht, vaak zoet, koud en op basis van melk
maróg
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Pórtó Rícó
noun
slíogart
/pœʏ̯n/, /pœːn/
noun
1. een massa vergruizelde steen
ráiméis
/pœyn(h)op/
noun
2. een bende
praiseach
noun
1. een ongeorganiseerde hoeveelheid zaken die vaak ook nog kapot zijn of kapot gaan
praiseach
/pœʏ̯st/, /pœːst/
noun
1. ontsteking van de huid die tot een bobbeltje leidt
goirín
noun
goirín
verb
1. met kleine vingerbewegingen ergens aan trekken
piocóid
/pʌlovər/
noun
1. gebreide herentrui met mouwen die over een overhemd gedragen wordt
geansaí
adjective
1. betrekking hebbend op de longen
scamhógach
adjective
scamhógach
verb
1. ritmisch sterker en zwakker worden
frithbhuail
adjective
1. poederig
púdrach
noun
1. een damesschoen zonder sluiting en met hoge hak
clós
noun
1. het plaatsen van leestekens in een tekst
poncaíocht
noun
  1. 1. een spits toelopend uiteinde
  2. 1. een positie in de ruimte
pointe
noun
1. taps toelopende houder met een mesje dat bedoeld is voor het aanslijpen van een verse punt aan een potlood
bioróir
adjective
1. spits
gobach
noun
1. een leesteken dat twee nauw aan elkaar gerelateerde zinnen tot een geheel verbindt (;)
leathstad
noun
coirceog
noun
Síneach
noun
1. oogappel
mac imrisc
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
coileáinín
noun
1. chocolade van zuivere cacaopasta plus suiker
seacláid dhorcha
adjective
corcairghorm
adjective
corcra
adjective
1. etterig
angaíoch
/pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
tobar
noun
2. distelvink
lasair choille
/pyzəl/, /pʏzɔl/
noun
  1. criathraigh
  2. 1. een raadsel of moeilijke opgave die men als tijdverdrijf probeert op te lossen
    fadhb
noun
acroniem van polyvinylchloride
polaiviniolclóiríd
noun
1.
pigmí
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
pitseámaí
noun
1. een oranje verkeerskegel, gebruikt bij wegwerkzaamheden
cón tráchta
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Piréiní
noun
1. koorts
teocht
noun
2. een vaste stof die het structuurtype heeft waarvan [1] het archetype is
pirít
/piˈrozɪs/
noun
1. een brandend gevoel ten gevolge van oprisping van maagzuur
daigh chroí
noun
1. een niet-giftige en grote wurgslang
píotón
/kɑt/
noun
1. blad van een bedektzadige plant Catha edulis
cait
/ka'tar/, /ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
Catar
/kʋa/
preposition
1. wat betreft
i dtaca le
adjective
1. viervoudig
ceathrúil
verb
1. verviervoudigen
ceathrúil
noun
1. volgeling van een religieuze beweging gekend onder de naam Genootschap der Vrienden
Caecar
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
candam
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
coraintín
/kwɑrk/
noun
cuarc
noun
cuasár
/kwɑtʃ/, /kʋɑtsʲ/
noun
1. onzin
ráiméis
pronoun
1. macrotaal die door indianen in Ecuador, Peru en Bolivia wordt gesproken
Ceatsuais
noun
1. lichaamsgewicht in kilogrammen gedeeld door het kwadraat van de lichaamslengte in meters
innéacs corpmhaise
/kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
cuineo
/kwot/
noun
1. letterlijke passage die door iemand anders aangehaald wordt
luaigh
interjection
1. horizontaal draaibare boom aan mast
cleith
/rat/, /raːd/
noun
1. aanbeveling hoe om te gaan met een probleem
airle
pronoun
Comhairle an Aontais Eorpaigh
pronoun
Comhairle na hEorpa
noun
halla cathrach
noun
1. iets waarnaar men moet raden
tomhas
/ratsəlɑxtəx/
adjective
1. onbegrijpelijk door dubbelzinnige of verborgen informatie
rúnda
noun
4. raadsheer
easpag
noun
  1. 1.
  2. 2.
impíoch
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Préachán
/raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
  1. fiach
  2. fiach dubh
noun
1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
fuinneog
noun
1. gewas met een groot aantal variëteiten, waarvan keukenraap en meiraap...
tornapa
adjective
1. afwijkend van gewoonlijk, verbazing opwekkend
aduain
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
  1. biabhóg
  2. rúbarb
noun
1. een vermindering van de oorspronkelijke prijs, meestal met een bepaald percentage
deisiú cnámh
noun
1. ruw persoon van het minste allooi
fágtha
noun
1. een joods geestelijk leider
raibí
/rɑˈbɛin/
noun
raibí
noun
1. wedstrijd waarbij het erom gaat een bepaald traject of parcours zo snel mogelijk af te leggen
rás
noun
1. een baan om snelheidswedstrijden op te houden
raon rásaí
noun
1.
luasbhád
noun
ciníochas
noun
raicéad
noun
1. afperser
bachall
noun
1. wielvormig voorwerp dat kracht overbrengt binnen een machine of op het water
roth
noun
1. techniek
radar
verb
  1. 2. een advies geven
    abhcóide
  2. 1. een gissing maken naar iets
    tomhais
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
raidian
noun
1. een toestel dat door straling warmte afgeeft, ofwel ter verwarming van een ruimte, ofwel ter koeling van bijvoorbeeld een motor
radaitheoir
noun
radacachas
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
raidis
/ˈradijo/
noun
  1. 1. toestel
  2. 2. medium
raidió
adjective
radaighníomhach
noun
1.
radaighníomhaíocht
noun
comhla
noun
1. frequentie van radiogolven
minicíocht raidió
noun
1. fotograferen door middel van röntgenstralen
radagrafaíocht
noun
1. het medisch specialisme...
raideolaíocht
adjective
1. met betrekking tot de leer van de radioactiviteit
raideolaíoch
noun
raideolaí
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
raidiam
noun
gaghéag
noun
1. wortel uit een getal
bunuimhir
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
radón
noun
raisín
/ˈrafələ(n)/
verb
1. van een geweven stof of touw dat deze vanaf de rand of uiteinde uit elkaar valt
comhrac
noun
líon damhán alla
noun
1. kortdurende militaire expeditie
ruathar
noun
  1. 2. een baan waar een railvoertuig over rijdt
    bóthar iarainn
  2. 1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
    ráille
verb
  1. 1. een klap, schot of stoot toebrengen
    aimsigh
  2. 1. in een bepaalde toestand of situatie komen
    deil
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
roicéad
noun
ruachán
noun
1.
teilgeoir roicéad
noun
1. ondeugend persoon, iemand die zich vrijpostigheden permiteert
alfraits
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
Reithe
noun
1. mannelijk schaap
reithe
noun
1. een harige vrucht uit de zeepboomfamilie
rambútan
/ˈramə(n)/
verb
1. inschatten, vaak middels berekening
meas
noun
1. mannetje van een dier uit de familie der Haasachtigen
poc
noun
1. gammel voertuig op wielen
trumpa
noun
1. een gammel voertuig
trumpa
verb
  1. 1. een botsing op een vijandelijk schip veroorzaken
    reithe
  2. 2. met een zwaar voorwerp een poort of deur inslaan
    tuargain
noun
1. een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
anachain
adjective
1. op een ramp uitdraaiend
ainiarmhartach
noun
fala
adjective
1. met opgekropte gevoelens van haat of wraak
aiciseach
/rɑnt/
noun
1. de bovenkant van een bak of vat
ciumhais
noun
1. tekst die in de rand van een munt is gedrukt
finscéal
noun
1.
bóthar cuarach
noun
oireachas
verb
1. een bepaalde volgorde in iets aanbrengen
rangaigh
adjective
caol
noun
craobhóg
noun
1.
caoile
noun
crobh préacháin
noun
1. bepaald soort vogel, Asio otus
ceann cait
/rɑnt'sun/
noun
1. beperkte dagelijks verstrekte hoeveelheid voedsel en andere primaire levensbenodigdheden
beatha
verb
1. verdelen van een schaars goed door iedereen een kleinere, afgepaste hoeveelheid te geven
cum
noun
1.
aibéil
noun
1.
ceol rap
noun
1. iemand die ritmisch teksten voordraagt op muziek, meestal hiphop
ceoltóir rap
noun
1. schriftelijk bericht over een gebeurtenis of toestand
tuairisc
noun
1. een cijfer dat op een (school)rapport staat en aangeeft hoe de vorderingen van de leerling zijn
ball
noun
1. een muziek of dichtwerk dat contrasterende delen bevat en toch een eenheid vormt
rosc ceoil
noun
1. iets dat vreemds is; iets dat raar is; iets dat gek is
aduaine
noun
cine
adjective
1. zuiver van ras, (bij uitbreiding) met dezelfde afkomst, streek of overtuiging als de ouders en grootouders
pórghlan
noun
1. paard dat in sterke mate een bepaalde gewenste combinatie van erfelijke eigenschappen vertoond
capall ardfhola
/rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
  1. francach dubh
  2. luch francach
  3. luchóg mhor
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
crann creathach
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
nathair shligreach
verb
1. bekrachtigen van een internationaal verdrag door het nationale parlement of regering
daingnigh
noun
1.
réasúnacht
adverb
1. ongekookt en vers
amh
noun
1. schade, verwoesting
eirleach
adjective
1.
bran
noun
1. een diepe, steile insnijding in een terrein
ailt
noun
lónadóireacht
verb
1. heel snel rijden
caise
noun
confadh
prefix
a-
noun
imoibríocht
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
frithghníomhaíocht
/rejɑk'tif/
adjective
1.
imoibríoch
noun
1. vermogen om te reageren
imoibríocht
noun
promhadán
verb
1. op een nieuwe situatie actie ondernemen
imoibrigh
adjective
1. van iets dat het werkelijkheid kan worden
féideartha
verb
meas
noun
réadúlacht
noun
réadúil
noun
nithiúlacht
adverb
1. in werkelijkheid
dáiríre
/ˈrɛbə/
noun
1.
raibí
noun
1.
athléim
verb
achoimrigh
adjective
1. een korte tijd geleden gebeurd of begonnen
deireanach
noun
  1. 1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
  2. 2. doktersvoorschrift voor (de bereiding van) een geneesmiddel
oideas
adjective
glacach
noun
fáilteoir
noun
1. bestanddeel dat gevoelig is voor prikkels
gabhdóir
noun
2. de leer hoe men medicijnen moet voorschrijven
oideas
noun
cúlú
noun
1.
sorn
noun
1. iemand die een politioneel onderzoek uitvoert
bleachtaire
noun
1. het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
ceart
noun
1. een instelling waar rechtgesproken wordt
binse breithimh
adjective
1. zonder omwegen dingen doen, zeggen wat je doet en doen wat je zegt
macánta
noun
1. hoek van 90 graden
dronuillinn
adjective
breithiúnach
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
cearta an duine
/ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
breitheamh
pronoun
Breithiúna
noun
1. de vleugel aan de rechterkant van een vliegtuig, insect of vogel
eite dheas
/'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
dronuilleog
adjective
1. volgens het recht, de wet
dleathach
adjective
1. tegenovergestelde van links
deas
noun
1. het voeren van een gerechtszaak
agra dlí
noun
1. kennis of studie van recht
dlí-eolaíocht
verb
1. rechterknop van een computermuis gebruiken
deaschliceáil
noun
1.
forlámhas an dlí
/ˈrɛxtsɔm/
adverb
1. in een rondgaande beweging met de klok mee
deiseal
noun
1.
urlámhas
noun
1. het proces waarin door een rechter een oordeel wordt gevormd over een rechtszaak
urlámhas
verb
breithnigh
noun
dlí-eolaíocht
/rɛx(t)sak/
noun
1. het voeren van een rechtsgeding
agra dlí
noun
tástáil
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
réasúnta
noun
1. de overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
ceartas
verb
2. corrigeren
ceartaigh
adjective
ceartchreidmheach
noun
tástáil
verb
1.
athfhill
noun
1. een kolf of vat voor gas of vloeistof
soitheach
verb
1. het houden van een ontvangst naar aanleiding van een huwelijk, jubileum, pensionering e.d.
cuir siamsaíocht ar fáil do
noun
3. beklag
acaoineadh
noun
ath-chomhcheangal
noun
athdhéanamh
/rəˈkɔrt/
noun
  1. 1. beste prestatie
  2. 3. bij elkaar behorende gegevens
curiarracht
adjective
1. met betrekking tot de endeldarm
reicteach
verb
ceartaigh
noun
1. het herstel van krachten
biseach
adjective
2. inkomsten voor aftrek van rente en belastingen (Recurring Earnings Before Interests and Taxes)
athfhillteach
adjective
1. terugkomend
athfhillteach
verb
1. verzamelen van opgebruikte producten en verwerken tot grondstoffen voor nieuwe producten
athchúrsáil
verb
1. na verbruik weer omzetten in iets bruikbaars
athchúrsáil
noun
1. iemand die berichten verzamelt en bewerkt voor publicatie
eagarthóir
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
sábháil
noun
tarrtháil
noun
  1. 3. een ankerplaats buitengaats
    acarsóid
  2. ciall
  3. 2. een formele toespraak
    seoladh
noun
1. de kunst van het spreken in het openbaar
reitric
adjective
1. wat op nuchtere wijze te beredeneren is
ciallmhar
adverb
1. op een beredeneerde wijze
réasúnta
/ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
fáth
noun
bruíon
verb
áitigh
noun
caint
verb
cuir in eagar
/'rɛtmɪdəl/
noun
1. remedie
leigheas
verb
  1. 1. terugbrengen tot kleinere proporties
  2. 2. het verlagen van het oxidatiegetal door het toevoegen van elektronen aan een molecuul of ion
  3. 3. het verkleinen van de hoeveelheid vloeistof door het laten verdampen van vocht onder zachte verwarming
ísligh
noun
1. scheikundige herleiding, vermindering
deisiú cnámh
noun
1. sierlijk slank hert, komt bijna in heel Europa voor
fia odhar
adverb
1. al
cheana
noun
1. strook van het zeiloppervlak dat tijdelijk kan worden opgevouwen of opgerold
scairbh
noun
1. het jong van een ree
lao eilite
noun
1. als kansrijkste geplaatste speler of ploeg uit een groep deelnemers aan de voorrondes van een toernooi
síolaigh
noun
1. vismolen van een werphengel
cor
noun
1. een naar verhouding smalle maar lange strook materiaal die ergens van afgesneden of afgebroken is
climir
noun
2. kont, billen
tóin
noun
1. een stemming over een wetsvoorstel, waarbij gestemd wordt door het volk zelf...
reifreann
noun
3. iemand waarnaar je kunt verwijzen voor meer informatie
measúnóir
verb
1. verwijzen naar
tagair
noun
1. iemand die reageert op een advertentie
iarrthóir
verb
1. een beeld weerkaatsen
frithchaith
noun
frithchaitheamh
adjective
1. reflectorisch, met betrekking tot een reflex
cuimhneach
noun
1. voorwerp bestemd om geluid of elektromagnetische straling zoals licht terug te kaatsen
frithchaiteoir
noun
1. terugvloeiing
aife
verb
leasaigh
noun
loinneog
noun
2. plaats waar men zich in veiligheid kan stellen
tearmann
noun
1.
rialtóir
/ˈreɣəɫ/
noun
  1. 3. een voorschrift, richtlijn, norm
    caighdeán
    1. 1. een zin in een tekst
    2. 2. een vers in een gedicht
    clólíne
noun
rialtán
verb
1. zorgen dat het gebeurt
ceartaigh
noun
1. een combinatie van afspraken voor een bepaalde groep
socrú
noun
1.
ceansaigh
noun
2. ordelijke schikking in de ruimte
rialtacht
adjective
1. aan een bepaalde regel gehoorzamend
rialta
noun
1.Het volgen van vaste regels
rialtacht
/reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
  1. fearthainn
  2. báisteach
adjective
1. regelmatig regenend of neigend naar regen
báistiúil
adjective
1. met weinig regenval; droog
tur
/ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
  1. bogha báistí
  2. tuar ceatha
noun
1. het gekleurde vlies in het oog waarin de pupil zich bevindt
imreasc
noun
1. een tijdelijke periode van regen tengevolge van het overtrekken van een wolkenveld
cith
noun
1.
cóta báistí
noun
1.
cos thinn
/ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
cuir (báisteach, fearthainn)
noun
2. herstelgroei
athghiniúint
noun
1. een waterdichte overjas die geschikt is voor regenachtig weer
cóta báistí
noun
1. een verticale buis die aan een dakgoot is bevestigd en dient om het hemelwater dat op het dak valt, af te voeren
sconna báistí
noun
1. een paraplu
scáth
noun
leasríocht
/'reɣəʋɔrm/
noun
1. benaming voor dieren uit de familie Lumbricidae
agaill
noun
crotach eanaigh
/re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /rə.'ɣeː.rɪŋ/, /rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
rialtas
/ˌreɣiˈsidə/
noun
1. een bewuste moord op een koning.
rímharfóir
noun
1. bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
réimeas
noun
reisimint
noun
1. geografisch gebied
réigiún
noun
diúracóir
verb
1. vastleggen in een register
sábháil
noun
rialacháin
noun
cúlú
noun
1. aanpassing aan de normale toestand
riail
noun
rialtán
noun
  1. 1. een groep personen of wezens
  2. 2. een dans/zangkoor
cór
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
corr
verb
  1. 1. ~ naar: de armen uitstrekken tot iets
  2. 2. ~ tot (aan): werkzaam of aanwezig zijn tot een bepaalde grens
ionsaigh
adjective
1. zonder vuil
ar fad
noun
gile
verb
1. zichtbare en onzichtbare vervuiling van een oppervlak verwijderen
glan
noun
1. vaste stof of vloeistof gebruikt bij het schoonmaken
glantach
/rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
aistear
noun
gníomhaireacht taistil
noun
1. papier waarop staat dat men gerechtigd is een bepaalde reis met een bepaald vervoermiddel te maken
ticéad
noun
gníomhaireacht taistil
noun
1.
bus
noun
1. koffer waarin een reiziger zijn reisbenodigdheden heeft opgeboren
búit
noun
costas taistil
noun
slí
noun
1. een rijtuig dat bedoeld is voor lange reizen
bus
verb
1. onderweg zijn
taistil
/ˈrɛɪzəɣər/
noun
  1. 1. persoon op reis
  2. 2. persoon die vaak reist
imeachtaí
noun
  1. 2. raamwerk
    aidhleann
  2. 1. uitrekking
    réimse
noun
1. dat iets langer gemaakt kan worden zonder dat het kapot gaat
leaisteachas
noun
2. mannetje van de hond, de vos, de wolf en de das
sionnach
noun
scarbhileog
/ˈre.kə.nə(n)/
verb
2. in rekening brengen
costas
noun
1. de optelsom van te betalen bedragen
bille
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
uimhríocht
noun
1. apparaat dat rekenkundige berekeningen kan uitvoeren
áireamhán
noun
1.
abacas
noun
1. een verzoekschrift waarmee men zich tot de rechter of een bestuursorgaan kan wenden om een bepaalde voorziening te krijgen
achaine
verb
fadaigh
/rekry'terɪŋ/
noun
1.
earcaíocht
noun
1. iemand die een verzoekschrift indient
achainíoch
noun
1. iemand die een verzoek indient bij een burgerlijk rechter
achainíoch
verb
urghabh
noun
1. een verstoring van de openbare orde door een menigte, meestal gepaard gaand met geweld en politieoptreden
círéib
noun
3. iemand waarmee men zakelijke contacten onderhoudt
aitheantas
/rəlaˈtif/
adverb
1. betrekkelijk
duine muinteartha
noun
coibhneasacht
noun
1. een natuurkundige theorie die ervan uitgaat dat de tijd een relatief begrip is
  1. teoiric ghinearálta na coibhneasachta
  2. teoiric na coibhneasachta
/rəlɛksə(n)/
verb
1. de tijd nemen zich te ontspannen
lig do scíth
adjective
1. van toepassing
ábhartha
noun
ábharthacht
/rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
  1. creideamh
  2. reiligiún
/relɪˈɣɪøs/, /relɪˈʝɪøs/
adjective
1. te maken hebbend met godsdienst of geloof
cráifeach
noun
1. alles wat te maken heeft met godsdienst en geloof in een opperwezen
reiligiúnacht
noun
1. een overblijfsel van het lichaam van een heilige of een voorwerp dat...
taise
/relɪŋ/
noun
1. een leuning boven de verschansing die een scheepsdek omgeeft
ráille
noun
rilíf
noun
drogall
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
coscáin
/rəˈmedi/, /reˈmedi/
noun
  1. 1. een medicijn of een op genezing gerichte behandeling
  2. 2. iets dat iets anders corrigeert of iets schadelijks wegwerkt
leigheas
noun
2. geremdheid, belemmering
urchoilleadh
noun
1. deel van een rem waar een bewegend en een stilstaand deel tegen elkaar drukken
crú coscáin
/rɛn/
verb
  1. 1. een kippenverblijf
  2. 2. een snelheidsproef op de weg of in het terrein
rith
adjective
1. met betrekking tot de nier
duánach
noun
2. vernieuwing, herleving
athbheochan
noun
coinne
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
réinfhia
noun
1. Chemisch element
réiniam
/ˈrɛn.ku.kuk/
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Geococcyx
reathaí an bhóthair
noun
  1. [A] 1. zeer snel lopen
  2. [B] 1. een snelheidsproef op de weg of in het terrein
rith
noun
athnuachan
/rənoˈverə(n)/
verb
1. opknappen, repareren, vernieuwen
athnuaigh
noun
1. paard dat gefokt is met het doel om aan paardenrennen deel te nemen
capall rása
noun
  1. 2. periodieke geldelijke opbrengst
    ioncam
  2. 1. op geregelde tijden te betalen geldbedrag voor het vruchtgebruik van een geleende som geld
    ús
/'rɛntəlɑst/
noun
1.
spéis
noun
maor
noun
reachtaireacht
noun
deisiú
verb
1. iets weer in werkende staat brengen
cuir caoi ar
noun
1. vlaskam
cuilithín
verb
1. de zaadbol van het vlas scheiden
cuilithín
noun
atarlú
noun
aisfhreagra
verb
1. vermelden, spreken over
tuairisc
/repri'mɑndə/
noun
1. bestraffende opmerking tegen iets of iemand die een fout heeft gemaakt
a
verb
síolaigh
noun
2. kopie (van een kunstwerk)
atáirgeadh
/rɛp'til/
noun
1.
reiptíl
/repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
poblacht
pronoun
Poblacht na Seacht nDúiche Aontaithe
noun
poblachtach
adjective
poblachtach
noun
éaradh
verb
1. vrijhouden
cuir in áirithe
noun
1.
bonn breise
adjective
1. residueel, overblijvend restant
fuílleach
noun
friotóir
adjective
2. immuun
imdhíonach
noun
friotóir
noun
  1. 1. motie
    gluaisne
  2. 2. pixeldichtheid
    gléine
noun
athshondas
/rɛsˈpɛkt/
noun
eerbied uit hoogachting of angst
meas
adjective
1. eerbiedwaardig
oiriúnach
verb
  1. 1. iemand in aanzien houden
  2. 2. iets naleven
meas a bheith agat ar
noun
riospráid
adjective
1. respiratoor, met betrekking tot de ademhaling
análach
noun
1. antwoord
freaga
noun
1. rechtsgebied met een zekere geografische uitbreiding
ceantar
/rɛst/
noun
1. wat er overblijft
fuílleach
noun
het restant — 1. wat is overgebleven
fuílleach
noun
bialann
noun
2. het minitieus herstellen van een voorwerp van kunstzinnig of historisch belang
bialann
/rɛstɪːrə(n)/
verb
1. ~ van: ergens van overblijven
fan
/ [rɛstity'werən] /
verb
1. teruggeven wat eerder ontvangen is
aisíoc
noun
1. een opgelegde beperking
teorannú
/rezɵl'tat/
noun
1. een uitkomst
iarmhairt
verb
iarmhairt
verb
1. kernachtig het vorige samenvatten en herhalen om iets te verhelderen
achoimrigh
noun
1. het weer tot leven komen na eerder gestorven te zijn
aiséirí
noun
1. ophouding, het vertraagd afgeven of vasthouden van iets
coinneáil
noun
1. netvliesaandoening
reitineapaite
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door 40.000 mensen in Zwitserland
Raeta-Rómáinsis
noun
1. een verouderd toestel voor het destilleren bestaande uit een vat met een neergebogen tuit
aisfhreagra
/rəturˈnerən/
verb
1. iets of iemand naar het punt van vertrek terugbrengen of terugzenden
fill
/ˈre.tro.ˌflɛks/
noun
1. een medeklinkerklank die gevormd wordt door de tong om te buigen zodat het met de onderkant naar het verhemelte staat
aislúbtha
adjective
1. terugkijkend naar het verleden
aisbhreathnaitheach
noun
1. een mannelijke hond
gadhar
noun
  1. 1. geur
  2. 2. gewaarwording van geur via de neus
boladh
noun
1. een vloeistof die bedoeld is om een aangename geur te verspreiden
cumhrán
noun
daitheacha
noun
1.
daitheacha
noun
1. een buitengewoon grote man
fathatch
adjective
  1. 1. zeer groot
  2. 2. in zeer hoge mate, enorm
anmhór
adjective
anmhór
noun
1. verkregen door uitsmelting van varkensvet
blonag
adjective
anmhór
noun
1. bepaald soort vaste plant, Equisetum telmateia
eireaball capaill mór
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita maxima
puimcín
noun
1. kermisattractie
roth mór
noun
1. ontdekking
nochtadh
verb
1. bekend maken, zichtbaar worden
foilsigh
/ˈrevə(n)/
verb
1. het effectieve oppervlak verkleinen door samenvouwing of oprolling
scairbh
/re­və­ˈrɑ̃­s(ə)/
noun
umhlú
verb
1.
coisc
noun
reachtaire
noun
1.
réabhlóid
adjective
réabhlóidí
noun
1. een handvuurwapen met een roterende trommel met kogels
gunnán
/revɔlˈveːrə(n)/
verb
grondig onderzoeken
déan staidéar
noun
2. tijdschrift
tréimhseachán
noun
1. ontvangstbewijs
admháil
noun
  1. 1. (verouderd) hereniging
    athaontú
  2. 2. (verouderd) regelmatige bijeenkomst van personen
    comhrac
pronoun
an Róidéis
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
easna
noun
  1. 1. een van de platte, dunne, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
    easna
  2. 1. de lengte van een zijde van een kubus of parallellepipedum
    stuaic
/ˈrɪbəl/
noun
smalle verhoging aan een voorwerp
féith
pronoun
2. spelwoord voor de letter r
Riobard
/ˈrɪxtɪŋ/, /ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
díriú
noun
1. een systeem om richting aan te geven in een voertuig
treotháscaire
noun
2. (juridisch) bindend voorschrift
treoir
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
ridire
adjective
1.zoals past bij een ridder
lách
noun
2. onderscheiding die door de koning wordt gegeven aan mensen die een uitzonderlijke prestatie hebben geleverd
bail
noun
1. een handwerktuig voor het verplaatsen van bladeren, gras of gewied materiaal in de vorm van een grote vork met smalle tanden
píce
/rim/
noun
  1. 1. een band van leer of een ander materiaal
    crios
  2. 2. steel met een bladvormig uiteinde, bedoeld om een vaartuig voort te bewegen
    rámh
  3. 3. hoeveelheid papier voor het drukken van 20 boeken, eerst 480 later 500 vellen
    réam
/rit/
noun
  1. 1. plantensoort
  2. 2. onderdeel muziekinstrument
biorrach
/ˈri.tə(n)/
adjective
1. gemaakt van riet
biorrach
noun
2. drinkbuisje
sop
noun
1. karperachtige zoetwatervis
ruán
noun
ceolaire cibe
noun
  1. 1. een ondiepte in water, koraalbank, klip
  2. 2. een strook van het zeiloppervlak dat tijdelijk kan worden opgevouwen of opgerold
scairbh
pronoun
1.
Ríge
/rɛɪ̯/, /rɛː/
noun
  1. 1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
    líne
  2. 2. een opeenvolging van elementen
    seicheamh
noun
1. weggedeelte bestemd voor voertuigen
carrbhealach
/ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
ceadúnas tiomána
/ˈrɛɪ̯də(n)/, /ˈrɛːdə(n)/
verb
  1. 3. zich voortbewegen op een rijdier (bijv. een paard)
    síob
  2. 1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
    tiomáin
noun
1.
meana
noun
1.
snáithe
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
saibhir
/ˈrɛik.dɔm/
noun
1. het bezitten van veel geld en goud
saibhreas
adverb
1. overvloedig, niet nauw rekenend
borrúil
noun
1. overvloed
saibhreas
noun
1. iemand die paarden verzorgt en erop rijdt
giolla stábla
noun
1. paardrijkunst
eachaíocht
noun
1. bevroren dauw
sioc bán
/rɛɪ̯n/, /rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
Réin
pronoun
Dúiche na Réine
adjective
Dúiche na Réine
adjective
1. geschikt voor de oogst
abúil
noun
1. bevroren dauw
sioc bán
verb
rijp worden
aibigh
noun
1.
aibeachan
noun
craobhóg
noun
1.
rianú
/rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
rís
noun
1. zoet gerecht van rijst met melk gekookt
maróg ríse
noun
1.
ríspháipéar
noun
lána
verb
1. met een scheurende beweging uit elkaar trekken
deoir
noun
1. korte tocht
bagair
verb
1. bij elkaar halen, opruimen
ráca
noun
rothar
verb
  1. 1. opstijgen
  2. 2. uitzetten en luchtig worden
éirigh
/ˈrɛːzəx/, /ˈrɛːɪzəx/
adjective
1. erg groot
ard
noun
1.
croí
verb
creath
verb
2. de anus van de partner likken met de tong
rimeáil
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
furca
/'rɪmpələ(n)/
verb
1. plooien of golven in het oppervlak vormen
furca
noun
  1. 1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
  2. 2. cirkelvormig voorwerp
  3. 3. plaats waar gestreden wordt
  4. 5. ringweg
cró troda
verb
1. kort houden, in bedwang houden
ansmachtaigh
verb
1. dieren (vogels) voorzien van een genummerde band
cró troda
noun
1. een zangvogel uit de familie van mussen en sneeuwvinken
gealbhan crainn
noun
1. Natrix natrix
nathair féir
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
mac an daba
/'rɪŋwɛx/
noun
1. een weg die als een ring rond een bepaald gebied ligt
bóthar cuarach
noun
1. een vaak ondergronds kanaal voor de afvoer van drek
séarach
noun
1. bruine rat, rioolrat,
francach donn
noun
1. een snelle, scherpe reactie op een opmerking
aisfhreagra
/rɪt/
noun
1. een reis in een voertuig
síob
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
rithim
noun
2. ritssluiting
sip
noun
deasghnáth
adjective
deasghnáth
/riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
abhainn
noun
1. bepaald soort slanke eetbare Euraziatisch zoetwatervis, Gobio gobio
brannóg
noun
1.
bar
/rɔp/
noun
rón
pronoun
Riobard
noun
rúibín
/ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
róbait
pronoun
Riobard
/roˈbyst/
adjective
téagartha
noun
1. muziek- en dansstijl
rac-cheol
noun
1. kwaadsprekerij, achterklap
scéalaíocht
verb
1. op een vervelende manier over anderen praten
scéalaíocht
noun
1. ongecontroleerde, onware kletspraat
aithisiú
noun
biatas
noun
1.
abhac dearg
noun
1. Trifolium pratense, een overblijvend kruid uit de vlinderbloemenfamilie
seamair chapaill
pronoun
Cros Dhearg
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx rufus
bobchat
noun
1. Ailurus fulgens, een klein zoogdier dat in Azië leeft
panda rua
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
fíon dearg
noun
1.
cúr rua
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
Muir Rua
/ˌro.də.ˈhɔnt/
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
bruitíneach dhearg
noun
1. en 2. donkerrood sluitkoolgewas
cabáiste dearg
noun
1. chemisch element met symbool Rh
róidiam
noun
ródaidéandran
/ˈrubəl/
noun
rúbal
noun
2. staaf
liúr
noun
1. een groep
deic
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
iomair
noun
1. iemand die roeit
iomróir
noun
1.
rámh
noun
rámh
noun
1.
rámhaíocht
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
rúcach
adjective
1. zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
meargánta
noun
1. eer en glorie
alladh
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
Rómáinis
/ruˈmeni.jə/, /ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
  1. an Rómáin
  2. Rómáin
adjective
1. beroemd vaak in de niet al te gunstige zin van het woord
cáiliúil
/rup/
noun
  1. 2. faam, reputatie
    alladh
  2. 1. een vrij harde klank geproduceerd met stemgeluid
    glao
/'ru.pə(n)/
verb
1. met verheffing van stem de aandacht van iemand trachten te verkrijgen
glaoigh
/'rupi/
noun
1.
rúipí
noun
1. vlak waarmee gestuurd wordt
stiúir
/ˈrur.bɑ.kə(n)/
verb
1. een kooktechniek voor het bereiden van voedsel in een wok
suaithfhrioch
/'rurdɔmp/
noun
1. schuchtere vogel uit de reigerfamilie die een dompend geluid voortbrengt
bonnán
verb
  1. 2. een emotie in iemand oproepen
    bog
    1. 1. een vloeistof met een spaan in ronde beweging brengen
    2. 4. in opstand komen
    corraigh
  2. 5. geluid (herrie) maken
    éirigh
noun
1. beweegbare, stoffelijke zaak
maoin phearsanta
noun
mothúchán
/rus/
noun
meisce
noun
    1. 4. kippenhok
    2. 5. nachtleger van kraaiachtigen
    fara
    1. 1. geoxideerd ijzer
    2. 2. schimmel behorende tot de Urediniomycetes
    meirg
verb
    1. 1. het langzaam oxideren van ijzerhoudende materialen
    2. 2. door roest vast gaan zitten
    caoch rua
    1. 3. (kippen) op stok zitten
    2. 4. (biologie) het in groepen doorbrengen van de nacht van vliegend wild
    fara
adjective
meirgeach
adjective
1. roestbestendig
inoxidábel
/rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
súiche
verb
1. snel ergens vanaf glijden
sleamhnaigh
adjective
1. niet helemaal stil
callánach
verb
1.
druma
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
roc
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
seagal
noun
1. buis- of kegelvormig kledingstuk
sciorta
/ˈroːkə(n)/
verb
  1. 1. rook afgeven
  2. 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
  3. 3. conserveren door langdurige blootstelling aan rook
caith
verb
1.1. het doen van een zet waarbij de koning en een toren elkaar passeren
caisligh
verb
1. rollen en stoeien
cuach
verb
1. zich wentelend over een oppervlak bewegen
roll
noun
ailearán
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
cathaoir rothaí
noun
1. trap met bewegende treden
staighre beo
noun
1. de verdeling van de rollen in een toneelstuk of in het maatschappelijke leven
foireann
noun
1.
cathaoir rothaí
noun
B 1. volk in Europa en Azië dat traditioneel een zwervend bestaan leidt
Romaigh
adjective
1.
úrscéal
adjective
1.
úrscéal
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
úrscéal
noun
1.
scéal ridireachta
/romaˈnɛs/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
Roimis
/roˈmani/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
Romanaí
/roˈmɑns(x)rɛɪvər/
noun
1. een mannelijke persoon die romans schrijft
úrscéalaí
pronoun
1. ook gespeld als Rumantsch, Romansch en Romanche, is een van de vier nationale talen van Zwitserland, het wordt in het kanton Graubünden gesproken
Raeta-Rómáinsis
/ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Róimh
adjective
1. met betrekking tot Rome
Róimhe
/roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
Impireacht na Róimhe
noun
dríodar
noun
margadh na míol
noun
1. hinderlijke, vervelende drukte die nergens voor nodig is
fothragadh
adjective
1. cirkelvormig
cruinn
verb
1.
ciorcal
/rɔndelə(n)/
verb
1. rondgaande aan ieder een deel geven
scaoil thart
noun
2. een wedstrijd in de vorm van een rondrit
urchar
verb
scaip
noun
2. het draaien om een spil
deil
verb
déanamh
noun
trácht
verb
1. zich ongericht kruipend voortbewegen
bí ag lámhacán
noun
1.
treoir
preposition
1.
um
noun
compal
verb
ciorclach
verb
1.
gnáthaigh
verb
1. zonder duidelijk doel en richting iets overal verspreiden
leath
verb
1. op een ongecoördineerde manier op één plaats blijven ronddraaien
sníomh
adverb
os ard
/'rɔntfərtɛlə(n)/
verb
1.
abair le
noun
1. een wandeling waarbij het eindpunt hetzelfde is als het beginpunt
meallac
/ˈrɔntwɛx/
adverb
1.
os ard
/ˈrɔntwɛx/
noun
1. verharde route die verkeer rond een plaats leidt
bóthar cuarach
/ˈrɔŋ.kə(n)/
verb
  1. 1. het maken van een aanhoudend geluid dat het midden houdt tussen zoemen en sputteren
    buille
  2. 3. diep slapen
    codladh an róin a dhéanadh
  3. 2. bovengenoemd geluid produceren tijdens het slapen
    srann
/ˈrɔnsəˌlə(n)/
verb
earcach
/rod/, /rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
  1. dearg
  2. rua
adjective
scothdhearg
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
spideog
noun
1. Turdus migratorius, een in Noord-Amerika veel voorkomende lijstersoort
spideog
adjective
1. met rood gekleurde haren
rua
noun
1.
dearg
adjective
copar
noun
1. bepaald soort vis die leeft in de Atlantische Oceaan, Lutjanus campechanus
dearg
noun
1. exotische roof- en zoetwatervis die voorkomt in de wateren van de Benelux, Leuciscus aspius
asp
/ˈrovdir/
noun
1. dier dat zijn prooi bejaagt en doodt
creachadóir
/'rojən/
verb
1. het uit de grond halen van een oogst
bain
/roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
  1. deatach
  2. toit
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
uachtar
noun
1. een soort boter dat, in tegenstelling tot margarine, gemaakt wordt van room
im
adjective
1. paaps
Caitliceach
adjective
1.
bánbhuí
/roːs/
noun
1. bloem
rós
noun
A1. object bestaande uit een
eangach léarscáile
noun
1. een elektronisch testapparaat waarmee o.a. de resonantiefrequentie van een antenne of resonantiekring kan worden bepaald
gabha dubh
verb
1. in de gloed van een vuur of andere warmtebron gaar laten worden
rósta
/'rɔskɑm/
noun
1. een grof soort kam die voor het verzorgen van paarden of het schoonmaken van andere borstels gebruikt wordt
luaineachán
verb
1. een paard met borstel en kam reinigen
cíor
adjective
rood, rossig (van haar)
bándearg
noun
1. wijn met een lichtrode kleur
bándearg
noun
1.
ainbheithíoch
noun
1. kleine wit-zwarte gans met een ver klinkende rott-rott roep, Branta bernicla
cadhan
noun
1.
fabhtacht
noun
  1. 2. een rond, pleinvormig kruispunt van wegen
    compal
  2. 1. een rond gebouw
    cruinnteach
noun
1. een grote ruwe steen
carraig
adjective
1.waar veel rotsen zijn
achrannach
noun
bollán
noun
1.
píce
noun
1. nauwe kloof in een rots
gág
/ˈrɔtstœʏn/, /ˈrɔtstœːn/
noun
1. een tuin met rotspartijen en rotsplanten
carragán
verb
1. een proces van fermentatie ondergaan
lobh
noun
A. bacteriële groei
lobh
noun
1. Duits hondenras, stevig gebouwd, kortharig met brede kop, korte snuit en hangoren
rótvaidhléir
noun
1.
alfraits
noun
2. iemand die zich eropuit is anderen ergernis te bezorgen
alfraits
noun
2. wanordelijke zaak of toestand
ainriail
noun
trácht
verb
scaip
noun
slí
noun
1. een voertuig voor het transport van overledenen
cóiste marbh
noun
1. uiting van droevige emoties bij het overlijden van iemand; uiten van medeleven bij het overlijden van iemand
bá
noun
1. ruwe, stoere, onbeschaafde man
amhas
/rʌʊβ̞ə(n)/, /rʌːβ̞ə(n)/
verb
1. de emotionele nasleep van het overlijden van een geliefd persoon
caoin
verb
slad
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
gadaí
/roˈjal/
adjective
  1. 1. vrijgevig en gul
    flaithiúil
  2. 3. van flinke afmetingen
    scóipiúil
noun
1. iemand die een aanhanger is van het koningshuis en de monarchie
ríogaí
noun
1. vergoeding om iets te mogen gebruiken m.n. in het kader van intellectueel eigendom
dleacht
noun
1. schrapping van de ledenlijst
scor
/roˈjerə(n)/
verb
folmhaigh
/roːzə/, /rɔːs/, /rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
bándearg
noun
2. keukenkruid
marós
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
paidrín
adjective
1. de kleur hebbend van een mengeling van roze en rood
bándearg
adjective
bándearg
noun
1. kleine gedroogde vruchtjes van Vitis vinifera
rísín
/ˈrɵ.bər/
noun
rubar
adjective
coiscín
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
bruitíneach dhearg
noun
1. Chemisch element
  1. rúbaidiam
  2. rubaidiam
noun
colún páipéir
adjective
daoine
noun
1. openbare bekendheid
bolscaireacht
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
ruachán
pronoun
2. spelwoord voor de letter r
Riobard
/rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
droim
noun
rugbaí
noun
cnámh droma
noun
corda an dromlaigh
verb
1. ondersteunen, helpen
ar ais
noun
1.
veirteabra
noun
1. deel van kleding dat de rug bedekt; achterkant van kleding
ar ais
noun
1.
sceall
noun
1.
eite an droma
noun
1.
veirteabra
noun
mála droma
/ˈrʌɣzɛidə/
noun
ar ais
adjective
garbh
/rœʏkə(n)/, /rœːkə(n)/
verb
1. een geur waarnemen
bolaigh
noun
1. een boeket
cumhracht
/rœʏl/, /rœːl/
noun
malairt
verb
1. overeenkomen bezit tegen dat van een ander uit te wisselen
malairt
noun
malairt
/rœy̯m/
noun
1. de laadruimte van een schip
barróg
noun
stuk gereedschap waarmee men een boorgat iets ruimer kan maken
réamaire
noun
1. het geneigd zijn om met gulheid te geven
flaithiúlacht
noun
3. heelal
spás
noun
1. vaartuig geschikt om zich buiten de aardse atmosfeer te begeven
spásárthach
noun
stáisiún spáis
noun
1. iemand die zich buiten de dampkring van de aarde begeeft
spásaire
/rœʏn/
noun
1. gecastreerde hengst
gearrán
noun
1. structuurloos en voortdurend geluid dat een continuüm van toonhoogten bevat
callán
noun
1. bepaald soort zoetwatervis die zich graag tussen het riet ophoudt, Scardinius erythrophtalmus
ruán
noun
  1. 5. figuur uit een kaartspel
    diamaint
  2. 1. een glazen plaat in een venster
    gloine fuinneoige
  3. 2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
    muileata
noun
  1. 1. berijder van een rijdier
  2. 2. uitstekend stukje
marcach
noun
marcra
/ˈrœytərlək/
adjective
1. eerlijk op een goede manier
díreach
/ˈrʏk.wɪnd/, /ˈrʏk.ʋɪnt/, /ˈrʏk.β̞ɪnt/
noun
1. een zeer harde windvlaag
osóg
adjective
aindreanta
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
rum
noun
callán
adjective
callánach
/rʏnd/, /rʏnt/
noun
  1. 1. holhoornig herkauwend zoogdier
    beithígh
  2. 2. een dom en onhandig iemand
    bó
/ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
mairteoil
/ˈrynə/
noun
1. een schriftteken van het Oud-Germaanse alfabet
rúnscríbhinn
noun
1. vlinderlarve
bolb
/ˈrʏpsbɑnt/
noun
1. brede band of ketting waarmee een voertuig over oneffen terrein kan rijden
bolb
noun
1. verscheuring
maidhm sheicne
noun
1. een inwoner van Rusland
Rúiseach
/'rʏs/
noun
plant
feag
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
  1. an Rúis
  2. Rúis
/ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
Rúisis
/ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
Rúisis
/rɵst/
noun
  1. 2. tijdelijke toestand van ontspanning na arbeid, moeite of inspanning
  2. 3. periode van weinig of geen activiteit
  3. 5. moment van stilte in muziek
  4. 6. steunpunt
fos
noun
1.
tolg
noun
1.
tolg
verb
1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
glac suaimhneas
/rʏs'tik/
adjective
1. betrekking hebbend op het platteland buiten de stad
tuathánach
adjective
1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
ciúnas
noun
2. steunpunt
branra
noun
2.
branra
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
ruitéiniam
adjective
  1. 1. oneffen, niet glad
    borb
  2. 2. grof, onbesuisd
    garbh
noun
1. toestand waarin men in ernstig conflict is met anderen
achrann
adjective
1. geneigd zijn om een conflict aan te gaan
achrannach
verb
1.
caitleáil
/ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
ballóga
/ˌryiˈnerə(n)/
verb
  1. 1. helemaal kapotmaken
  2. 2. iemand financieel te gronde richten
creach
/ru.ˈwɑn.da/, /ru.ˈʋɑn.da/, /ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
Ruanda
noun
1. scheikundig element met symbool Rg en atoomnummer 111
rointginiam
noun
1.
radagrafaí
noun
1.
X-gha
/saɪ̯/, /saːɪ̯/
adjective
leadránach
noun
1. een gebrek aan opwindende afwisseling
leadrán
adverb
1. met elkaar, tezamen, samen
ar fad
adverb
1.
le chéile
pronoun
Saba
noun
1.
Sabóid
/ˈsɑbɑt/
noun
Sabóid
verb
1. likken en zuigen aan iets
súigh
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
sabaitéireacht
noun
1. caloriearme kunstmatige zoetstof die geen directe invloed heeft het bloedsuikergehalte
siúicrín
noun
1. een disacharide, bestaande uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid
siúcrós
/sɑ'kral/
adjective
1. van een zaak of persoon dat er speciale relatie is met God of het hogere
dobhriste
noun
1. een samengegroeid bot aan de onderzijde van de wervelkolom
sacram
/sɑdyˈses/
adjective
1.
Sadúcach
/sɑdyˈsejər/
noun
1.
Sadúcach
noun
1.
toitín
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
saifír
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
cróch
pronoun
1. zandwoestijn in Noord-Afrika
An Sahára
/sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
San Uinseann agus na Greanáidíní
noun
mustairt
noun
1. Falco cherrug
fabhcún Saker
pronoun
1. Duitse deelstaat
Sacsain
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
salamandar
noun
1. regelmatige, meestal maandelijkse beloning voor werk verricht in een werkverband
tuarastal
verb
1. betalen van een loon aan een werknemer
tuarastal
noun
1.
díol
noun
1. het eindbedrag wanneer alle tegoeden en verplichtingen in rekening gebracht zijn
fuílleach
noun
aibhseoir
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
sáiste
noun
1. zouthoudend
salanda
pronoun
1. koning van Israël
Solamh
/ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
Oileáin Sholomón
noun
áglus
noun
1. een lage tafel die in een woonkamer staat
bord íseal
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
aigéad nítreach
/sɑlˈvaːʒə/
noun
berging van schepen / goederen
tarrtháil
noun
1. plantengeslacht uit de familie van de lipbloemen
eagnaí
pronoun
Samáir
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
samairiam
noun
Laplannach
adverb
le chéile
/'saməndrɵkən/
verb
1. naar binnen kracht uitoefenen
dlúthaigh
verb
aontaigh
verb
1.
armónaigh
verb
dlúthaigh
verb
1. bij elkaar verzamelen
tiomsaigh
pronoun
Laplainn
noun
1. een bevolking die een sociaal geheel vormt
sochaí
verb
1. onder druk verdichten
dlúthaigh
noun
1.
meascán
noun
comhthionól
verb
1. meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
cum
noun
  1. 1. het samenstellen
    comhdhéanamh
  2. 2. verbinding van twee of meer zelfstandige woorden
    comhfhocal
verb
1. in groten getale bijeenkomen
tréad
verb
1. in elkaar trekken
conraigh
/ˈsaːməvɑtɪŋ/
noun
1. een beknopte beschrijving van een inhoud
achoimre
verb
2. twee of meer zaken tot één geheel verenigen
aidhnín
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
Laplainnis
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
Laplainnis
/sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Samó
/ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
samúraí
pronoun
Samúéil
/ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
San Mairíne
/sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
cuarán
/ˈsɑntwɪtʃ/
noun
ceapaire
verb
1. met behulp van ingrijpende maatregelen een einde maken aan een ongezonde financiële toestand
atheagraigh
adjective
1. met betrekking tot de gezondheid
sláinteach
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
Sanscrait
/saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
São Tomé agus Príncipe
/sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Araib Shádach
noun
1. plantenvocht
sú
noun
1. soldaat die loopgraven maakt
sapar
adjective
1. vol met sap
méith
noun
1. plant die van organisch afval leeft
sapraifít
noun
1.
searbhas
noun
1. een stenen doodskist
sarcafagas
noun
sarcóma
noun
1. klein zilverkleurig haringachtig visje, Sardina pilchardus
sairdín
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
sardiña
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Sairdín
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 1,3 miljoen mensen op Sardinië
Sairdínis
/'sɑrən/
verb
1. iemand voortdurend lastig vallen
ciapaire
noun
ciabhóg
/ˈsatɑn/
pronoun
An tAinspiorad
adjective
sátanach
/sɑtɛ'lit/
noun
satailít
verb
1. iets glad en glanzend maken zodat het een satijnachtig uiterlijk krijgt
gloinigh
noun
aoir
pronoun
1.
Satarn
noun
1. een kleine, niet gerookte worst die in lange snoeren vervaardigd wordt
ispín
/saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Araib Shádach
/'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
sabhna
/sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
anlann
verb
1. schrijven van digitale gegevens naar een gegevensdrager
ainic
noun
1. en 2. (bladeren van) Brassica oleracea convar. capitata var. sabauda)
cabáiste saváí
noun
1. iemand die (beroepshalve) saxofoon speelt
sacsafónaí
/sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
sacsafón
noun
1. een bijzonder scherp, na gebruik weg te gooien mesje dat o.a. gebruikt wordt bij medische operaties
sceanóg
verb
1. verwijderen van hoofdhuid en daarmee ook van het hoofdhaar...
craiceann an chinn
/skɑn.ˈdeː.rə(n)/, /skɑn.ˈdɪː.rə(n)/
verb
2. ritmisch declameren met één sterke nadruk per versvoet.
andord
adjective
Lochlannach
pronoun
1. Denemarken, Noorwegen en Zweden.
Críoch Lochlann
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
scaindiam
/sə.ˈna.ri.jo/
noun
1. een kort uitgewerkt schema voor de handeling van een dramatisch werk
cás
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
slat ríoga
/ˈskɛptɪs/
adjective
1. geneigd tot twijfel
díchreidmheach
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
plána
noun
3. machine voor het bewerken van metaal
múnlóir
noun
cuir ar ceal
noun
2. het schaakspel als zodanig
ficheall
/ˈsxagbɔrt/, /ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
clár fichille
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
ficheall
/ˈsxakstʌk/
noun
1. een onderdeel van het schaken dat over het schaakbord bewogen wordt.
fear fichille
noun
  1. 1. voorwerp waar men iets kan inleggen
    plátáil
  2. 2. buitenkant van een ei of vrucht
    sceall
/sxaːldir/
noun
1. een dier met een schaal als uitwendig skelet
crústach
noun
1.
cnámh phúbasach
noun
1.
baill ghiniúna
noun
1. kleine parasieten die voorkomen in het schaamhaar, maar ook op wimpers...
míol ceartáin
noun
1.het deel van het menselijk lichaam waar zich de liezen en geslachtsorganen bevinden
púbas
/'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
náire
noun
1. de onprettige emotie dat je iets verkeerds hebt gedaan
adhnáire
adjective
1. zonder schaamte
dínáireach
noun
1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
caora
noun
aoire
noun
1. werktuig om te knippen
siosúr
noun
1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
scáta
verb
1. zich voortbewegen op schaatsen
scátáil
verb
clárscátáil
noun
2. bepaald soort insect, Gerris lacustris
scinnire locháin
noun
2. skateboard
clár scátála
/ˈsxɑxt/
noun
1. (holle) buis
fearsaid
noun
1. geheel van beschadigingen
damáiste
verb
1. zorgen dat een geleden nadeel zoveel mogelijk hersteld of vergoed wordt
cúitigh
/sxadə/
verb
1. iets of iemand schade toebrengen
anachain
noun
anachain
noun
leorchúiteamh
/ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
scáth
verb
1. iemand ongemerkt volgen
scáth
adjective
1. met veel schaduw (door de aanwezigheid van veel bomen)
foscúil
noun
1.
bris
noun
lúb
verb
1. een verbinding tot stand brengen
athraigh
noun
cuairt
noun
1. het zonder toestemming (van de ouders of echtgenoot) wegvoeren van een vrouw
fuadach
verb
1. weerklinken
sámh
noun
lúb
verb
1. blaasinstrument met een rechte conische boring en een los dubbel riet dat de toon vormt
seám
verb
1.
scinn
noun
1. de mate waarin men beledigend en honend is
dímheas
noun
1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
aithisiú
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
adhnáire
noun
1. een paal op een plein, waaraan mensen bij wijze van straf werden vastgemaakt om vernederd...
piolóid
noun
1. een plank om iets op te zetten
seilf
noun
2. dom en onnozel persoon
amadán
noun
1. het vlees van een schaap
caoireoil
noun
1.
scarlóid
adjective
scarlóid
/sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
inse
adjective
1. van iets dat het draait om een hengsel of scharnier
ar insí
verb
1. losse verkering hebben met
bí ag súgradh
noun
1. verzamelde rijkdom
  1. taisce
  2. stór
noun
1. iemand die zorgt voor het behoud van iets dat waardevol is
cisteoir
noun
mil
noun
muirneach
/'sxɑtə(n)/, /'sχɑtə(n)/
verb
2. benaderen van een waarde door berekening
meas
adjective
1. leuk, aardig, enig
caoin
verb
  1. 2. verwonden door wegscheuring van de huid.
    cuir ar féarach
  2. 1. gladmaken door middel van een schaaf.
    plánáil
noun
1. een stellage voorzien van een galg of een valbijl waar veroordeelden terechtgesteld worden
croch
noun
1. een persoon die kwaad bedrijft of in de zin heeft
alfraits
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
truaill
/'sχedəl/
noun
blaosc
noun
1.
treapánadh
/sxeːf/
adjective
1. niet recht, schuin
bacánach
/sxeːl/
adjective
1. het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
claonsúileach
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
lorga
noun
saoirseacht loinge
noun
1. de kale romp van een schip zonder tuig, machines en andere opbouw
cabhail
noun
1. (scheepvaart) een werkgebied
longchlós
noun
1. het verkeer op het water
loingseoireacht
/ˈsxɪːrkʋɑst/
noun
1. een dikke kwast waarmee men scheerzeep aanbrengen
scuab bhearrtha
/sxeːrmɛs/, /sχɪːrmɛs/
noun
  1. 1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
    rásúr
  2. 2. Ensis
    scian mhara
noun
1. schapenwol
olann
/sxet/, /sχet/
noun
1. gasontlading uit de darm
broim
noun
  1. 3. het verbreken van een huwelijk
    colscaradh
    1. 1. het uiteenhalen van iets in zijn onderdelen
    2. 2. de lijn aan weerszijden waarvan haar naar de ene of de andere kant valt
    deighilt
/'sxɛɪtsrɛxtər/
noun
1. iemand die tijdens een spel de spelregels toepast
moltóir
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
ceimic
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
ceimiceach
noun
ceimiceoir
adjective
aithrinneach
noun
aláram
/sxɛldə(n)/
verb
1. krenkende of beledigende woorden uitspreken op heftige of ruwe toon
eascaine
verb
1. een verschil maken
difríocht a dhéanamh
noun
caitín
noun
1. met grote felheid, scherpheid en te weinig nuance
amhainse
/sxɛlp/
noun
1. een uit kalk gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier wordt aangemaakt
sliogán
noun
1. zand gemaakt van het gruis van schelpen
creig
noun
1. bepaald soort kabeljauwachtige consumptievis, Melanogrammus aeglefinus
cadóg
noun
eiseamláir
/ˈsxemər/
noun
1. de periode van verminderend licht tussen dag en nacht
amhscarthanach
noun
amhscarthanach
noun
amhscarthanach
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
clapsholas
noun
1. flauw licht in de vroege ochtend of de late avond
amhscarthanach
/'sxɛŋ.kə(n)/
verb
  1. 2. overgieten
    doirt
  2. 1. geven
    tabhair
noun
am i láthair
noun
1. lepelvormig werktuig
sluasaid
noun
aoirigh
/ˈsxɛpə(n)/
verb
1. met bijv. een lepel of spaan een hoeveelheid van een bep. materiaal uit iets (bijv. een vat) naar boven halen, of het juist daarin doen
lán sluaiste
noun
1. iemand die iets maakt
údar
noun
1. iets nieuws dat uit het niets gemaakt is
déantús
noun
1. creatuur; iets dat gemaakt is
créatúr
/sxeːrə(n)/, /sχɪːrə(n)/
verb
  1. 1. baard afsnijden
  2. 2. zich de baard kort afsnijden
bearr
/sxɛrf/, /sχɛrf/
noun
2. een fragment van een granaat
scealp
noun
1. verticale draden van het weefgetouw
  1. deilbh
  2. dlúth
noun
spárálaí scáileáin
adjective
1. goed snijdend
géar
noun
1. gestolde zure lava die vele scherpe randen vertoont
aa
verb
faobhraigh
noun
básadóir
verb
1. een optische instrument zo instellen dat dat een scherp beeld ontstaat
fócasaigh
noun
amhainse
adjective
amhainseach
noun
1. # de mate waarin met goed kan nadenken; de mate waarin met (te) slim is
amhainse
noun
scéal grinn
verb
1. als grap opmerken
cleas
/'sxɛrtsfərtonɪŋ/
noun
1.
cleas
noun
sceitse
noun
1. tekenboek
leabhar sceitseála
verb
  1. 1. met een minimum van pennenstreken een voorlopige en gewoonlijk uitwisbare afbeelding van iets maken
  2. 2. in overdrachtelijke zin: een korte maar rake beschrijving van iets geven
graf
verb
1. lawaai maken als een ekster
aighneas
/sxøːr/, /sχʏːr/
noun
1. een kloof in een vlies of weefsel
roiseadh
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
scorbach
/sxʏːrə(n)/
verb
1. in twee of meer delen trekken
rois
noun
1.
beangán
adjective
gnaíúil
noun
1.flits
péacach
adjective
abúil
adverb
beagnach
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
leithinis
/ˈsxi.tə(n)/, /ˈsχi.tə(n)/
verb
1. een projectiel afvuren met een wapen
scaoil
noun
1. gat om door te schieten
poll lámhaigh
noun
1. een draad met loden balletje om de loodrechte stand van iets te onderzoeken
aigeach
noun
1. een confrontatie waarbij partijen elkaar beschieten
lámhach
noun
1. (industrie) een draaibare klos in een schuitje die bij het weven door het vak van de ...
spól
verb
deighil
noun
1. het selecteren van zaken en personen op basis van hun eigenschappen
rogha
/sxɛi̯n/
adverb
  1. 1. bedriegelijk voorkomen
    comharthaí
  2. 2. zweem
    taitin
/ˈsxɛːnbar/, /ˈsχɛɪnbar/
adjective
1. naar aanzien
dealramhach
/sxɛɪ̯nˈhɛɪ̯lɪx/, /sxɛːnˈhɛːləx/, /sχɛɪ̯nˈhɛɪ̯ləχ/
adjective
1. tegen beter weten in de schijn van goedheid of onschuld ophoudend
bréagchráifeach
noun
1. een procedure die tot doel heeft slechts de illusie of schone schijn op te houden
aoldath a chur ar
noun
1. iets wat lijkt op de werkelijkheid maar dat niet is
réaltacht fhíorúil
/sxɛɪt/
noun
1. vaste uitwerpselen
cac
/sxɛɪtə(n)/, /sxɛːtə(n)/, /sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
cac
noun
bastard
adjective
1. grote ergernis of walging ervaren
adhascaideach
/sxɪk/
noun
1. pret
aiteas
verb
1. goed uitkomen
fóir
noun
2. beslechting door partijen van hun rechtsgeschil(len)
socrú
noun
1. buitenste bekleding van een vrucht
snamh
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Sciath
/sxɪlt/
noun
1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
sciath
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Péintéir
noun
1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
péintéir
verb
  1. 1. een kunstwerk vervaardigen door met verf een beeld op een oppervlak te maken
  2. 2. een bouwwerk of voorwerp van een beschermend laag verf voorzien
péinteáil
/ˌsxɪldə'rɛː/, /ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
pictiúr
/sxɪldərkʌnst/
noun
1. een beeldende kunst die zich bezighoudt met het met penseel en verf op een plat vlak aanbrengen van lijnen en kleuren
péinteáil
noun
pictiúr
/sxɪldkliːr/, /sxɪɫtkliːr/, /sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
faireog thíoróideach
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
  1. turtar
  2. toirtís
noun
1. een vliesdun loskomend stukje materiaal
cáithnín
verb
1. de schil van een vrucht verwijderen
snamh
noun
sprid
noun
2. zwamsoort of substantie die op dode of levende organismen groeit.
fungas
noun
2. rijk binnen de eukaryoten, Fungi
fungas
noun
aoir
verb
oirbhire
noun
1. groot zeewaardig vaartuig
  1. long
  2. árthach
pronoun
2. vroeger gebruikte benaming van een groot sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Long
noun
1. iemand die de verantwoordelijkheid heeft voor de besturing van een schip
captaen
noun
1. gesteente
xisto
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
scitsifréine
verb
dreach
noun
1. bepaald Duits hondenras
sneabhsar
noun
1. schoft
coirpeach
verb
1. van schoeisel voorzien
bróg
noun
1. alles wat men om de voeten heen kan dragen, zoals schoenen en laarzen
coisbheart
/sxun/
noun
1. voetbekleedsel
bróg
noun
1.
bróg-ghob
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
scúnar
noun
1. iemand die als vak schoenen repareert
gréasaí
noun
ladar bróige
noun
gréasaí
noun
1. smeersel om schoenen blinkend te wrijven
céir
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
barriall
/'sxunzol/
noun
1. zool van een schoen
bonn
noun
1. blad van een molen of schroef
brobh
noun
anurraim
noun
1. schooiertje
alfraits
noun
1.
bastard
noun
1. heftige uitwerking
tionchar
noun
1. bepaald soort platvis, Pleuronectus platessa
leathóg bhallach
noun
1. zwart-witte waadvogel met luide roep, Haematopus ostralegus
roilleach
verb
1. aan een opleiding onderwerpen
báire
noun
1. een school die verschillende schooltypen omvat
scoil chuimsitheach
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
dalta
noun
1.
cailín scoile
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
luascán
verb
1. op een schommel heen en weer bewegen
luascán
/ˈsxɔməlstul/
noun
1. een stoel, gewoonlijk op gebogen staanders, waarop men heen en weer kan schommelen
cathaoir luasctha
noun
cnámh
noun
  1. 1. samengebonden bundel halmen
  2. 2. wiskundige structuur
punann
/sxoːl/, /sxoːɫ/, /sχoːɫ/
noun
  1. 1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
  2. 2. een zwemmende groep gelijksoortige vissen
scoil
noun
téacsleabhar
noun
clár dubh
noun
teagasc
noun
ardmháistir
noun
1. jongen die naar school gaat
dalta
noun
múinteoir
noun
dalta
noun
múinteoir
noun
turas allamuigh
/ˈsxoːl.tɑs/
noun
mála scoile
noun
1. niet naar school gaan
neamhláithreacht
/sxoːn/
adjective
  1. 1. mooi
    aoibhinn
  2. 2. proper
    ar fad
noun
deartháir céile
/ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
deartháir céile
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
banchliamhain
/ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
  1. áluinn
  2. maise
noun
1. klein foutje
neamhfhoirfeacht
noun
1. iemand die het uiterlijk van iemand verzorgd
sciamhlann
noun
comórtas áilleachta
verb
1. reinigen
glan
/ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
máthair chéile
verb
1. door wrijven vuil verwijderen; door wrijven iets laten glimmen
anallas
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
athair céile
verb
1. reinigen met een borstel of bezem
scuab
noun
1. de man van een dochter of zoon
cliamhain
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
simléar
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
glantóir simléar
/sxorˈvutənt/
adjective
1. aarzelend
drogallach
/ˈsxoːrwɑl/, /ˈsxoːrβ̞ɑl/, /ˈsχɔːrʋɑl/
noun
1. een lange, smalle landtong die gevormd wordt door afzetting van zand in een bocht van de zeekust, en die de bocht op deze manier geheel of gedeeltelijk afsluit van de open zee
bior
/sxot/, /sχot/
noun
  1. 2. baarmoeder
    broinn
  2. 3. een lijn, aan de benedenhoek (de schoothoek) van een zeil bevestigd om het zeil mee in de wind te richten
    leathanach
  3. 1. de bovenkant van de dijen van iemand die zit
    ucht
noun
  1. 1. graafwerktuig
    sluasaid
  2. 1. trappende aanraking met de voet
    cic
/'sxɔ.pə(n)/
verb
1. een trap geven
ciceáil
/sχɔr/
noun
riasc goirt
verb
branra
noun
1.
piachán
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 oktober tot 22 november
Scairp
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
scairp
/sxɔrs/
noun
1. buitenste laag van (boom)stam
coirt
noun
1. een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen ...
bairbéal
noun
1. een persoon afkomstig uit Schotland
Albanach
noun
  1. 2. tussenwand
    sciath
  2. 1. afvuren
    urchar
noun
  1. 2. wat opgediend wordt, gerecht
    béile
  2. 3. kop en schotel
    fochupán
  3. 1. ronde schaal
    pláta
/ˈsxɔtlɑnt/, /ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
  1. Albain
  2. Alba
pronoun
1. een Engels dialect dat gesproken wordt in Schotland
Albainis
/ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lis/, /ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lɪs/, /ˌsχɔts.χa.ˈe.lis/
pronoun
1. Keltische taal die door ongeveer 60.000 personen wordt gesproken op de Schotse eilanden ...
Gaeilge na hAlban
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
gualainn
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
slinneán
noun
1. het hoofd van het dorpsbestuur van een schoutambt vanaf de hoge middeleeuwen
báille
noun
  1. 5. pont
    bád calaidh
  2. 2-3 schoorsteen
    teallach
noun
1. een gebouw voor het vertonen en bijwonen van voorstellingen, optredens en performances
amharclann
verb
faire
noun
1.
ardán
/sraɫ/, /sxral/
adjective
1. armzalig, minimaal
ocrach
noun
1. te zeer gericht op het verzamelen van een kapitaal
caillteacht
verb
1.
cuir ar ceal
verb
branra
/ˈsrɑndər/, /ˈsxrɑndər/
adjective
1. van intelligentie getuigend
abúil
noun
1.
binse sábhadóireachta
verb
1.
leathcheann
verb
cuir ar ceal
noun
1. gierigaard
cníopaire
/'srɑpə(n)/, /'sxrɑpə(n)/
verb
  1. 4. ontslaan
    bain
    1. 2. doorhalen, verwijderen van een lijst
    2. 3. bezuinigen, een einde maken aan een programma of uitgavenpost
    sileadh
/'sxredə/
noun
1. stap
truslóg
/sxreu̯/, /sχrɪːu̯/
noun
1. een luide (uit)roep
scread
/ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
béic
adjective
1. hard en lelijk geluid makend
callánach
verb
caoin
adjective
gearreireaballach
/srɪft/, /sxrɪf/, /sxrɪft/
noun
  1. 3. de letter- en cijfertekens van een taal
  2. 4. de lettersoort gebruikt in boeken, teksten en inscripties
cló
adjective
scríofa
/ˈsrɛɪ̯fbəˌnodəχtˌhedə(n)/, /ˈsxrɛɪ̯fbəˌnodɪxtˌhedə(n)/, /ˈsxrɛːfbəˌnodəxtˌhedə(n)/
noun
1. pen, papier en andere zaken die men nodig heeft om te kunnen schrijven
páipéarachas
noun
1. stapel schrijfpapier
ríomhaire glúine
noun
1. een mechanisch apparaat, voorzien van druktoetsen waarmee schrifttekens op papier gezet kunnen worden
clóscríobhán
/ˈsrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛːfstər/
noun
1. een persoon van het vrouwelijk geslacht die op professionele manier boeken of verhalen schrijft
banúdar
noun
  1. 1. tekst die men heeft geschreven
    asphrionta
  2. 2. het schrijven als arbeid
    scríbhneoireacht
/'srɛɪ̯fʋɛɪ̯zə/, /'sxrɛɪ̯fwɛɪ̯zə/, /'sxrɛːfβ̞ɛːzə/
noun
1. spelling
litriú
adjective
1. wijdbeens
gabhalscartha
/sxrɛɪn/, /sçrɛːn/
noun
kistje
cumhdach
verb
1. branderig aanvoelen
galánta
noun
siúinéir
/ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
scríobh
/ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
scríbhneoir
noun
1. het ervaren van een gevoel van angst, bijvoorbeeld als gevolg van een plotselinge verandering of gevaarlijke situatie
scanradh
/ˈsxrɪkbelt/
noun
1. angstige voorstelling
tromluí
noun
1. een jaar met 366 dagen
bliain bhisigh
verb
1. een schokkende verrassing ondergaan
scanradh
noun
1. een natuurlijke reactie op onverwachte en intense stimuli, zoals een hard geluid
anbhá
noun
1. borstel
scuab sciúrtha
noun
  1. 3. sprong met een draai om de lengteas
    bí ag lúbarnaíl
    1. 1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
    2. 2. werktuig met twee of meer gebogen bladen die door draaiing een schip of vliegtuig voortbewegen
    scriú
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
scriúire
/ ˈsxrɔkə(n) /
verb
1. zo snel mogelijk eten
alpachán
adjective
is eagal le
/sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
lann
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
croith
noun
1. handeling waarbij iets met kracht snel heen en weer of op en neer wordt bewogen
croith
noun
1. manier om een deur te vergrendelen met een plat voorwerp
bolta
noun
1. een slot dat men met een schuif of een schuivende beweging opent en sluit
bolta
noun
1.
cró folaigh
verb
1. verbergen
ceil
noun
1.
ceil
noun
dún
noun
dídean
/sxʌʏm/
noun
  1. 1. iets dat veel luchtbellen bevat
    cúr
  2. 2. van laag allooi
    dríodar
verb
scinn
adjective
1. met veel schuim
sobalach
noun
1. een soort wijn die koolzuurbelletjes bevat
fíon súilíneach
noun
fleasc
/'sxœynsmɑrʃerdər/
noun
1. boemelaar
ráca
noun
1. de mate waarin iets schuin of scheef is
maig
/sxœyt/
noun
1. een eenvoudig open vaartuig
bád
verb
1. over de grond verplaatsen
sleamhnaigh
noun
  1. 2. een verantwoordelijkheid die iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
    ciontacht
  2. 1. een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe niet betaald wordt
    dette
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
cobhthach
/'sxɵldəx/
adverb
ciontach
noun
1. iemand die schuldig is
ciontach
/'sxʏ.nəx/
adjective
  1. 1. haveloos, armoedig
    aimlithe
  2. 3. laag, onfatsoenlijk (van gedrag, handelingen en bewoordingen)
    amhlabhrach
  3. 2. laag, onbetamelijk (van karakter)
    cáidheach
/sxyrə(n)/
verb
1. een oppervlak glad maken door wrijving met een ruw oppervlak van grotere hardheid
gaineamh
/sxɵrft/
noun
1. een huidaandoening veroorzaakt door de schurftmijt
claimhe
/sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
bithiúnach
noun
1. onfatsoenlijke staat
stát bradach
/sxɵt/
noun
claí
noun
1. vermeend hemels wezen dat iets of iemand beschermt
aingeal coimhdeachta
noun
ciabhóg
adjective
1. onhandig
amscaí
/sxyːr/, /sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
scioból
noun
1.
srianadh
noun
gealacán
noun
1. ziekelijke verharding
scléaróis
noun
1. eerste bericht over iets in de media
lán sluaiste
noun
1. het aantal behaalde punten
fiche
verb
aimsigh
noun
1. hersenziekte veroorzaakt door prionen bij schapen
scráibeach
noun
1. screensaver
spárálaí scáileáin
noun
rúnaí
noun
1.
bosán
adjective
1. zorgvuldig, zeer gewetensvol
beacht
noun
1. beeldhouwwerk
dealbhóireacht
pronoun
1. uitgestorven Iraanse talen gesproken van 8e eeuw v.C. tot de 5e eeuw n.C. in Centraal-Azië en Oost-Europa
Scitiach
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
seaboirgiam
noun
1. het fenomeen waarbij een groep individuen uit bestaande organisatiestructuren stappen waarin zij leven
deighilt
noun
1. SI-grondeenheid van tijd
soicind
noun
3. toilet
ionlann
/səkrəta'rɛsə/
noun
vrouw
rúnaí
/səkre'tarəs/
noun
1. functie in organisatie
rúnaí
noun
1. hoge functionaris binnen grote organisaties, zoals de Verenigde Naties, NAVO, FIFA
Ard-Rúnaí
noun
  1. 1. een afgezonderd deel van iets
  2. 2. een onderzoek waarbij een lichaam...
rannóg
adjective
saolta
adjective
1. niet aan de religie gebonden
saolta
/səkʏnˈdɛːr/
adjective
aidbhinteach
adjective
neamhaistreach
noun
1.
briocht
pronoun
Leabhar Zafainiá
/sə'fɑrd/
noun
1. jood uit Portugal, Spanje, Noord-Afrika of het Midden-Oosten
Giúdach Safáratach
noun
1. onderdeel
deighleog
/sɛɪn/
noun
1. een betekenisvolle beweging
fógra
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
An tSéin
verb
2. het overbrengen van een bericht
teileagraf
noun
1. een toestel dat beweging en of trillingen van de aardkorst waarneemt en registreert
seismeagraf
noun
1. grafische voorstelling van een door een seismograaf waargenomen aardbeving
seismeagram
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
seismeolaíocht
/sɛɪ̯.ˈzun/, /sɛː.ˈzun/
noun
1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
séasúr
/sɛks/
noun
2. geslachtsgemeenschap
bualadh craicinn
noun
1. sekse
gnéas
noun
  1. gnéasachas
  2. gnéasaíochas
adjective
1.
gnéasaíoch
noun
1.
bréagán gnéis
noun
collaíocht
/sɛksy'el/
adjective
1. op de geslachtsdrift betrekking hebbend
gnéasach
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
galar gnéas-tarchurtha
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
ionfhabhtú gnéas-tarchurtha
/ˈsɛks.wɛr.kər/
noun
oibrí gnéis
noun
1. tuinkruid, vergelijkbaar met peterselie, maar dan met een veel sterkere smaak
soilire
noun
1. bepaald soort plant, Apium graveolens
soilire
adjective
1. behorend tot een kleine groep met speciale rechten of eigenschappen
togh
noun
1. Scheikundig element met symbool Se en atoomnummer 34
seiléiniam
noun
seiléiniam
/sɛlfi/
noun
1. een foto die iemand van zichzelf heeft genomen
féinphic
noun
1.
féinfhreastal
pronoun
Sellafield
adjective
leathbhliantúil
adjective
1.
Seimíteach
noun
seanad
noun
seanadóir
/ˈse.ne.ˌɣɑl/, /ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Seineagáil
/seˈnil/
adjective
1. aan de ouderdom eigen, door de ouderdom afgetakeld
siabhránach
noun
1. een overdreven, onbedwingbare behoefte om spannende zaken mee te maken
gáifeachas
/sɛnzitiviˈtɛit/
noun
  1. 2. emotionele of esthetische fijngevoeligheid of overgevoeligheid
    céadfacht
  2. 1.
    íogaireacht
/ˈsɛnsɔr/
noun
1.
braiteoir
adjective
1.
céadfach
noun
1. vonnis van een rechter
abairt
noun
1. negende maand van het jaar
  1. Meán Fómhair
  2. Méan Fómhair
noun
1.
seachtú
noun
1.
seachtú
noun
1. septimool
seachtrín
adjective
1. infectiewekkend, bederfwekkend
seipteach
noun
1. septool
seachtrín
adjective
1.vredig en kalm
suaimhneach
noun
1. een rang onder de onderofficieren
sáirsint
noun
1. een aantal elementen op volgorde
foireann
adverb
1. ernstig
dáiríre
/sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
lileach
noun
1. beschuldigende, vermanende preek of toespraak
seanmóir
noun
1. een slang
nathair
noun
2. gebouw(tje) met veel glas voor het kweken van planten
teach gloine
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leptailurus serval
seirbheal
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
freastalaí
/ˈsʏːrvɪs/
noun
1. bediening, diensten ten behoeve van de klanten.
feidhmeannas
/ˈsɛrvis/, /ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
  1. Seirbis
  2. Seirbiach
/ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
Seirbia
/ˈsɛrvi.jər/
noun
1. een inwoner van Servië, of iemand afkomstig uit Servië
Seirbiach
/sɛrvoːkroːˈaːtis/
pronoun
Seirbea-Chróitis
noun
1. een uit Afrika afkomstige plant uit de familie Pedaliaceae
seasaman
noun
1. verzameling
aicme
pronoun
1.de langste Britse rivier
Sabhrainn
noun
séú
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Seiseamhán
/se.ˈʃɛ.lə(n)/, /sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
Na Séiséil
noun
1. het geheel van gedachten en gevoelens die de gemoederen in een bepaalde omgeving bezighouden
aerbhrat
/ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
seampú
pronoun
1.
Shang-hai
noun
1.sjaal
seál
noun
1. een Spaanse versterkte wijn
seiris
noun
1.
síotaicé
noun
scilling
noun
1. hemdachtig kledingstuk
léine
/ʃɔk/
noun
1. een toestand die ontstaat door acute te geringe bloedtoevoer naar weefsels door ondervulling van het slagaderlijk systeem
suaitheadh
adjective
1.
anacrach
interjection
3. overtreding waarbij de bal met het lichaam wordt aangeraakt
gróig
/ʃɔp/
noun
1. een winkel
bheith ag siopadóireacht
/ˈʃowə(n)/
verb
1. laten zien
clár
noun
1. kunstmatige verbinding tussen twee kanalen of bloedvaten
seachród
noun
1.
seirbhís tointeála
noun
zevende muzieknoot in de toonladder
dá
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
Córas Idirnáisiúnta na nAonad
noun
gormóg
noun
deartháireacha agus/nó deirfiúracha
pronoun
Sibéir
noun
1. een vrouwelijke orakel uit de Grieks-Romeinse oudheid
sibille
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 10 miljoen mensen op Sicilië, in Zuid-Calabrië en Salento
an tSicilis
/sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
Sicil
noun
1. bepaald soort grote, palingachtige vis die zware stroomstoten kan afgeven, Electrophorus electricus
eascann leictreach
noun
1. naam voor soorten platvis die hun prooi kunnen verdoven met een elektrische stroomstoot
roc nimhe
verb
maisigh
/'sirlək/
adverb
1. met gratie
spéiriúil
noun
1. de mate waarin iets er mooi of fraai uitziet
cuannacht
/ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
Siarra Leon
noun
1.
breáthán
noun
1.
bláthadóireacht
noun
todóg
/sɪɣɑˈrɛt/, /sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
toitín
noun
1. bezichtiging
turasóireacht
noun
1.
sigme
verb
1. constateren en waarschuwen
aimsigh
/ˈsɪkəl/
noun
  1. 1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
    corrán
  2. 1-4. Joodse munt
    seiceal
/siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
An tSiléis
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
scáthchruth
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
  1. sileacón
  2. sileacan
noun
1. organische silicium verbinding
sileacón
/siliˈkon/
noun
1. een siliciumhoudend polymeer op basis van siloxaanbindingen met algemene formule [-SiRR¹-O]n
sileacón
/siˈlyr/
noun
an Siolúrach
pronoun
2. spelwoord voor de letter s
Samúéil
/sɪmpəł/
adjective
1. zonder veel complicaties
gan chealg
verb
lig ar
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
oráiste
noun
1. jam waarin de schillen van sinaasappel met het vruchtvlees worden meeverwerkt
plúch
noun
1. een vruchtensap die uit sinaasappels bereid is
sú oráiste
preposition
1. sedert, vanaf het moment dat
ó
/ˌsɪŋɣaˈles/
pronoun
1. een taal die op Sri Lanka gesproken wordt
Siolóinis
/sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /sɪŋ.gɑ.poːr/, /sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Singeapór
/ˈsɪŋəl/
noun
2. weg om centrum van een stad
búlbhard
adjective
singilteach
noun
1. bepaald Zwitsers ras van grote dogachtige honden
ailpíneach
noun
gealán San Elmo
noun
1. Pecten jakobeus
muirín
pronoun
1.
Abhainn San Labhrás
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
  1. Cathair Pheadair
  2. Brí Shan Pheadair
noun
síneas
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
Síréana
pronoun
1. Sirius
Réalta an Mhadra
/siro:p/
noun
síoróip
noun
1.
siotár
/sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
cás
noun
1. korte beschrijving of simpele tekening van een bepaalde plek
plean
verb
plás
/siˈvɑn/
noun
1.
Síveán
/siˈwɑn/
noun
1.
Síveán
noun
1.
bruth
noun
1. een langwerpige lap stof die om de hals gedragen wordt
cochall
/ʃaˈbɑt/
noun
1.
Sabóid
/ˈʃɑbəs/
noun
1.
Sabóid
/ˈʃɑbɔs/
noun
1.
Sabóid
/ʃɑ'blo:n/
noun
teimpléad
verb
1. op minder fatsoenlijke manier handel drijven
malairt
noun
1.
seá
noun
1. een kleine uiensoort
seallóid
/ʃɑns/
noun
1. geluk in de liefde hebben
bí ag súgradh
/'ʃɑnsə(n)/
verb
1. laten merken dat je iemand leuk vindt
bí ag súgradh
noun
1. een nutteloos en verlopen persoon
lófaire
/'ʃɛkɛl/
noun
1.
seiceal
/ʃɪboˈlɛt/
noun
1.
teagasc seanchaite
/ʃiˈbolɛt/
noun
1.
teagasc seanchaite
verb
1. een hoog geluid voortbrengen zoals kleine zangvogels dat doen; piepen als een vogeltje
bheith ag bíogarnach
/ʃul/
noun
sionagóg
noun
1. iemand die heimelijk bedriegt
fidléir
verb
1. iets met touw stevig vastzetten, zodat deze niet kan overgaan bij transport
gread
verb
1. lopen met een zware lading
iompair
noun
1. iemand die beroepsmatig zware lasten verplaatst
pórtar
noun
clár scátála
verb
1. zich voortbewegen op een skateboard
clárscátáil
verb
1.skaten
clárscátáil
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
creatlach
noun
1. een kort, humoristisch optreden in de podiumkunst, vaak als onderdeel van een revue of show
graf
noun
scí
noun
1.
scif
noun
1. een kabelbaan voor skiërs
ardaitheoir sciála
noun
1. het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem juist op te lossen
scil
noun
1.
scinc
verb
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
sciáil
/ˈskɔp.jə/
pronoun
1. de hoofdstad van Noord-Macedonië
Scóipé
noun
2 en 3. (bladeren van) Lactuca sativa
leitís
/slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
sclábhaí
noun
1. gedrag dat duidt om te grote onderdanigheid
uirísle
/slaːx/
noun
1. het uitdelen of ontvangen van klappen
greadadh ar na mása
verb
1. een klap uitdelen; met de arm of een vastgehouden voorwerp een snelle, rakende beweging maken
buail
/slap/
noun
1. periode van inactiviteit
  1. codladh
  2. suan
noun
1.
bunc
noun
1. een van de beenderen van de schedel
aimseartha
adjective
1.slaperig
meirbh
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
  1. seomra leapa
  2. seomra codlata
noun
1. melodie met eenvoudige tekst die gezongen wordt om een kind in slaap te krijgen
suantraí
noun
1. vertrek waarin men kan slapen
seomra codlata
noun
mála codlata
/slɑp/
noun
1. doekje om op te morsen
bibe
/sla'bɑkə(n)/
verb
1. lui zijn, het werk versloffen
ligean
noun
1.
leitís
/slɑxtə(n)/
verb
1. een dier doden voor het vlees of als offer
búistéir
noun
búistéir
noun
1. slachthuis
seamlas
/ˈslɑx.hœːs/, /ˈslɑxt.ɦœːs/, /ˈslɑχ.tœʏ̯s/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
seamlas
noun
1.
scian bhúistéara
noun
3. in het bijzonder iemand die sterft (of gewond raakt) ten gevolge van een gebeurtenis (ramp of gewelddaad)
taisme
noun
  1. 1. militair treffen
    cath
  2. 1. een soort of categorie, gewoonlijk van mensen
    cineálta
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
artaire
adjective
1. arterieel
artaireach
/ˈslɑxbom/, /ˈslɑçbom/
noun
balk die dwars over een weg kan worden neergelaten als afsluiting
fál
/ˈslaːɣə(n)/, /ˈslaːχə(n)/
verb
2. het examen succesvol beëindigen
meil
noun
1. een verkoper van vlees
búistéir
/'slɑxhɑut/
noun
1.
camán
noun
uachtar coipthe
noun
1.
císte uachtair
noun
1. buitengewoon lange tand van bepaalde soorten zoogdieren
starrfhiacail
noun
1.
aclaíocht
/ˈslaxfɛlt/
noun
1. een gebied waarop een militair treffen tussen twee legers plaatsvindt of plaatsgevonden heeft
blár catha
noun
1. door schade sterk naar één kan overhellen van een schip
leathcheann
noun
    1. 1. een buikpotig weekdier (huisjesslak)
    2. 1. een buikpotig weekdier (wijngaardslak)
    seilide
  1. 2. een onoplosbaar afvalproduct bij het smelten van metaal
    slaig
verb
ruaig
noun
1. met een ~: erg langzaam
teacht an tseilide
noun
1. waardeloze persoon
fágtha
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Péist
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
nathair
noun
mealltóir nathracha
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Fear na bPéisteanna
adjective
caol
noun
1.
caoile
adjective
cothrom
noun
díth codlata
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
codail
noun
codlatóir
/ˈsla.pə.rəx/, /ˈsla.pə.rəχ/, /ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
codlatach
/ˈsla.pə.rəx.ˌɦɛːt/, /ˈsla.pə.rəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /ˈsla.pə.rɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
2. de neiging te gaan slapen
codladh
noun
1.
sácráilteacht
noun
1. iemand waarmee men een slaapvertrek deelt, een kameraad
comrádaí seomra
noun
1. sla als plant
leitís
noun
1.
leibideacht
noun
1.
sclábhaíocht
noun
sclábhaí
pronoun
1.
Slavóin
/slɛçt/
adjective
1. niet goed
dona
noun
1. een persoon met een slecht, boosaardig karakter
bithiúnach
/slɛxtxəhy'mørt/
adjective
1. chagrijnig
crosáil
noun
1. de hoedanigheid van het slecht zijn
ainnise
adverb
1. alleen maar, vervoeging van slecht
ach
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
fabhcún gorm
noun
1. slee
carr sleamhnáin
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
carr sleamhnáin
noun
1. bepaald soort plant met blauwe vruchten, Prunus spinosa
airneog
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
revocador
/ˈsle.prœʏ̯m/, /ˈsle.prœːm/
noun
1. de vrucht van de sleedoorn (Prunus spinosa)
áirne
noun
1. het met een bijl in houtblokken hakken van boomstammen
caith
noun
1.
bruachaire
verb
  1. 1. (langzaam) ergens heen lopen, futloos of lusteloos
  2. 2. (langzaam) ergens heen lopen zonder specifiek doel (zonder negatieve bijklank)
meallac
noun
striapach
/sløːtəl/, /sløːtəɫ/, /ˈslø.tɔɫ/
noun
  1. 1. werktuig om te (ont)sluiten
  2. 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
  3. 3. een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
eochair
verb
  1. 1.
  2. 2.
scabhaitéir
/ˈsløtəɫχɑt/, /ˈsløːtəlɣɑt/
noun
1. een gat in een slot waardoor een sleutel moet worden gestoken om hem te openen
poll eochrach
/slɪp/
noun
1.
siolta
adjective
1. nat, glad, koud en smerig door slib en modder
abarach
/'slɑjdɪŋ/
noun
2. glijdende beweging bij honkbal om een honk te kapen
sleamhnaigh
/slirt/
noun
7. een lange magere person
nathair
/slɛːk/, /slɛːɪk/
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
lathach
adjective
1.
abarach
adjective
1. taai, week, glibberig, vochtig en plakkerig als slijm
ronnach
noun
1. slijm afscheidend membraan
scannán ronnach
verb
1. door wrijving met een hard fijnverdeeld poeder het oppervlak van een vast voorwerp spiegelglad maken
meil
/slɛɪ̯.ˈta.zʲə/, /ˈslɛɪ̯.taːʃ/
noun
1. schade die door langdurig gebruik geleidelijk aangericht wordt
caith
verb
caith
noun
1.
scríobchaitheamh
verb
  1. 1. de slokdarm in
  2. 2. verdragen
slog
adjective
1. heel erg nat; zo nat als slik
báite
adjective
1. intelligent, snel van begrip
galánta
noun
1.
abúlacht
noun
1.
abúlacht
noun
fleasc
verb
ascalaigh
adjective
1.
casta
noun
1. een heen en weer gaande beweging
luaineacht
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Clog
/slɪpə(n)/
verb
1. door gladheid over de weg schuiven
sleamhnaigh
verb
1. foutieve uitspraak van de letter s
labhair go briotach
adjective
1.
leibideach
adjective
1. zeer slordig en rommelig zoals past bij een sloddervos
míshlachtmhar
noun
Soith
noun
1. een mondvol vloeistof die ingeslikt wordt
bolgam
noun
éasafagas
/slop/
noun
1. een stoffen omslag om een kussen
clúdach piliúir
noun
ord
/sloːt/
noun
1. smal watergang om of tussen weilanden
díog
noun
2. smerige koffie
uisce soitheach
verb
1. een structuur ontmantelen, afbreken
blúire
adjective
1. zonder de nodige zorg uitgevoerd
anaireach
noun
1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
glas
noun
glasadóir
noun
1.
díog
noun
1. slottoon
fréamh
/sloˈvens/, /sloˈveːns/, /sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
Slóivéinis
/sloˈveni.jə/, /sloˈveːni.jə/, /sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
  1. An tSlóvéin
  2. Slóivéin
/slo.ˈwaks/, /slo.ˈʋaks/, /slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
Slóvaicis
/ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Slóvaic
noun
caille
verb
1.
caille
adjective
caoin
adjective
1. bijw. gebruik
gan fhios
verb
bruth
noun
1. Alternatieve route die meestal gebruikt wordt om files te mijden
aicearra
noun
1.
seachbhealach
noun
ciabhóg
noun
1. symbool voor een verticaal streepje
píopa
verb
  1. 1. toedoen, dichtmaken
  2. [een overeenkomst] sluiten
dún
/ˈslœʏ̯.tər/, /ˈslœː.tər/
noun
1. een element van een fotocamera
comhla
noun
  1. 2. middel om meerdere objecten, losse delen of uiteindes samen te voegen
    bianna
  2. 1. het sluiten
    iamh
noun
1. laatste tijdstip dat men een handeling kan uitvoeren
sprioc-am
noun
1. het tijdstip dat een winkel, horecazaak gaat sluiten
am dúnta
noun
1. koolsoort waarvan de bladen van het bladgewas zich dicht opeen over het groeipunt sluiten en zo de eigenlijke kool vormen
cabáiste
noun
1. alle zaken waarmee men ramen en deuren van een gebouw kan afsluiten
iamh
adjective
caol ard
noun
1. verlengde snuit
búit
/slyw/
adjective
1. op een doortrapte wijze slim
bradach
noun
achasán
noun
    1. 2. gewaarwording bij het proeven van eten en drank
    2. 3. bepaalde subjectieve voorkeur
    blas
  1. 1. zintuig waarmee men mee proeft
    blaslóg
noun
blaslóg
verb
1. ~ naar een bijzonder sterk verlangen hebben naar iets dat men ontbeert
giúis
adjective
1. heel sterk verlangend
cumha
/'smadələk/
adverb
1. oneervol
maslach
adjective
1. goed van smaak zijnd of van een goede smaak genietend
saibhir
/ˈsmaː.kə.los/
adjective
  1. 1. (van voedsel) geen smaak hebbend
  2. 2. (figuurlijk) geen fatsoen of gevoel voor esthetiek of mode hebbend, vulgair
leamh
noun
2. een luidruchtige kus
póg
adjective
1. met een geringe breedte
caol
noun
smaragaid
/smɑrt/
noun
brón
adjective
1. lijden veroorzakend
léanmhar
noun
1. harde slag
gread
verb
1. het bewerken van metalen door deze heet te maken en met een hamer te slaan om het materiaal de gewenste vorm te geven
ceárta
noun
1. atelier, werkplaats van een smid, smederij
ceárta
adjective
1. smeedbaar
caoin
noun
1. een dringend maar onderdanig gesteld verzoek
agairt
noun
1. een brief waarin je een hoger geplaatst persoon iets verzoekt te doen
achainigh
noun
1. petitie
achainigh
noun
geir
noun
1. en vuile, smerige plaats
praiseach
noun
breab a thabhairt
noun
ungadh
noun
1.
bealadh
noun
lus na gcnámh briste
noun
1. iemand die om een gunst vraagt
aisceánach
/smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
achair
noun
meirliún
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
leáigh
noun
1. water dat afkomstig is van gesmolten sneeuw of ijs
leá-uisce
verb
  1. 1. met een zachte massa bestrijken
    leath
  2. smearadh
adjective
1. Bijzonder vuil
cáidheach
noun
aimsigh
noun
1. besmet materiaal
ábhar salaithe
verb
aimsigh
adjective
1. onschuldig
soineanta
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
gabha
noun
1.
ceárta
noun
1. smient
rualacha
adjective
aclaí
/smɛitə(n)/
verb
1. hard gooien of werpen
caith
noun
1. gezicht
aghaidh
verb
bí ag cogarnach
adjective
amscaí
noun
seaicéad dinnéir
verb
  1. 2. onderdrukken
    plúch
  2. 1. iemand of iets het ademen beletten
    scóig
/ɛsɛˈmɛsə(n)/
verb
1. een sms-bericht versturen
teachtaireacht
noun
1. grappenmaker
áilteoir
adjective
aibéiseach
noun
2. lang zeer dun rond en flexibel voorwerp
rópa
noun
teoiric na dteaghrán
verb
1.
raisín
adjective
1.
aindreanta
/ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
gob
/ˈsnedə/
noun
bain
/sne/
noun
  1. 1. inkeping gemaakt door het snijden met een mes of ander scherp voorwerp
    bain
  2. 2. een afgeneden plak, meestal van brood
    slis
noun
3. dunne afgesneden plak
slis
/sneʊ̯/, /sneːβ̞/, /snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
sneachta
/ˈsneʊ̯bɑl/, /ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
liathróid sneachta
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
sneachta a chur
noun
1.
gealóg shneachta
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
tarmachan
/'snewjɑxt/
noun
1. sneeuwval bij harde wind
síobadh sneachta
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
fear sneachta
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera uncia
liopard sneachta
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
fear sneachta
/ˈsneʊ̯.sxœː.vər/, /ˈsneːβ̞.sxœː.vər/, /ˈsnɪːβ̞.sχœʏ̯.vər/
noun
  1. 2. een voertuig dat is uitgerust met een mechaniek waarmee het sneeuw kan verplaatsen
  2. 3. een mechaniek waarmee een voertuig uitgerust kan worden zodat het er sneeuw mee kan schuiven
céachta sneachta
noun
1. bepaald soort vogel, Bubo scandiacus
ulchabhán sneachtúil
noun
titim sneachta
/'snewvlɔk/
noun
1. een kleine massa aaneengehechte sneeuwkristallen
calóg shneachta
noun
1.
lathach
pronoun
Sneachta Bán
noun
1. kegelvormig lichaam waarin een spiraalvormige groef is uitgespaard
seilche
/snɛɫ/
adjective
luath
noun
1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
luas
noun
  1. 1. waterkoker
    bruthaire
  2. 2. hogedrukpan
    brúbhruthaire
verb
caise
noun
cuir in iúl
/'snɛlʋɛx/
noun
1. een grote brede weg speciaal voor motorvoertuigen
motárbhealach
verb
1.snijdend, scherp geluid maken
bain
noun
1.
alfraits
noun
biatas bán
/ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
bain
adjective
1. van iets dat het snijdt
aithrinneach
noun
  1. 1. iets dat of iemand die snijdt
    gearrthóir
  2. 2. kleermaker
    táilliúir
noun
2. met een mes gemaakte snee
gearrthóireacht
noun
1. gehard stalen blokje met een van schroefdraad voorzien gat, waarmee men uitwendige schroefdraad kan snijden
dísle
noun
1.
ciumhais
noun
1.
arán sinséir
noun
1.
cuitéar
noun
1. snijplaat
dísle
noun
soilire
noun
1.
snoiteán
noun
déan fail
verb
cuach
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Scolopacidae
naoscach
noun
laethanta saoire
noun
1. verwaandheid
ardnós
/ˈsnujə(n)/
verb
1. terugbrengen op gewenste lengte
meang
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
liús
noun
1. bepaald soort zoetwaterroofvis, Sander lucioperca
liúsphéirse
noun
1. een meestal grotendeels van suiker vervaardigde lekkernij
mhilseán
noun
binn
/snut/
noun
2.
aghaidh
noun
1. je beter, groter of sterker voordoen dan je eigenlijk bent
gaisce
noun
Soith
noun
1. slechtheid, boosaardigheid
coireacht
noun
1. beharing
croiméal
noun
1. een holle gebogen buis van rubber of plastic, met een mondstuk, dat je in staat stelt adem te halen als je aan het wateroppervlak zwemt met je hoofd onder water.
tiúba
verb
  1. 2. pochen, opscheppen
    braig
  2. 1. een keelgeluid maken dat lijkt op snurken
    srann
noun
1. jonge onverlaat, iemand die nog niet meetelt
dúramán
verb
2. nieuwsgierig doorzoeken
srón
noun
1. reukorgaan van dieren
smuilc
verb
1. door beurtelings de neus samen te knijpen en door de neus te blazen slijm uit de neusholte verwijderen
do shrón a shéideadh
noun
leathcheann
noun
1.
srann
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
srann
noun
1. zuivelproduct
chomh
noun
1. tv-serie
sobalchlár
adjective
1.
séimh
/soʃal/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de menselijke samenleving
  2. 2. geneigd om in groepen te leven
sóisialta
/so'ʃabəl/
adjective
1.
briosc-chainteach
noun
caidreamhacht
noun
1. verzamelnaam voor internetsites waar groepen mensen online onderling...
na meáin shóisialta
noun
1. verzamelnaam voor internetsites waar groepen mensen online onderling kunnen communiceren
na meáin shóisialta
noun
1.
scaradh sóisialta
noun
sóisialachas
noun
1. wetenschap
socheolaíocht
noun
socheolaí
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
sochapatach
/so.si.e.'tɛit/
abbreviation
1. een gezelligheidsvereniging
cumann
verb
1.
tagair
/su.ˈdɑn/, /zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
An tSúdáin
noun
1. vloeibaar gerecht
anraith
/'supəł/
adjective
  1. 2. weinig problemen ondervindend
    caoin
  2. 1. Yodio buigend en zich aanpassend
    scaoilte
noun
2. lepel waarmee soep gegeten wordt
spúnóg anraith
noun
1.
anord
noun
1. gebeurtenissen of bezigheden die meer aandacht vereisen dan wenselijk is
amharclann
noun
ardcheannas
adjective
1. slaperig of slaapverwekkend
ceanntrom
adjective
1. niet helemaal wakker
meirbh
noun
1. te zachtaardig persoon
leibide
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
bogearraí
noun
1. eiwitrijke boon van de sojaplant
pónaire shoighe
noun
anlann soighe
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
stoca
noun
1. een voetstuk, voornamelijk voor beelden
seastán
noun
3. munteenheid in Peru
grian
/sɔlˈdaːt/
noun
1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
saighdiúir
noun
3. een langwerpig stukje toast
saighdiúir
noun
1. een geschikte legering om in gesmolten toestand metalen delen mee te solderen
sádar
noun
1. brander waarmee men kan solderen
séidlampa
noun
1. metaalmengsel waarmee men
sádar
noun
1. soldeertin
sádar
verb
1. een door verhitting vloeibare tussenstof aanbrengen tussen losse metaaldelen waardoor deze na afkoeling vast verbonden blijven
sádráil
noun
díol
noun
dlúthchomhar
adjective
aonarach
noun
iarrthóir
verb
cuir i bhfeidhm
/ˈsolo/
noun
aonréad
noun
1. oplossing
fuascailt
noun
cumas
noun
cumas
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Somalië
Somálach
/so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
An tSomáil
adjective
  1. 2. een neergeslagen stemming veroorzakend
    gruama
  2. 1. in neergeslagen stemming
    in ísle brí
noun
1. aanmaning
bail
verb
1. met autoriteit een bevel geven
abair le
indefinitePronoun
1. een onbepaald, meestal klein aantal
roinnt
adverb
amanna
noun
1. instrumentaal muziekstuk
sonáid
noun
liricí
/ˈsɔːrt/
noun
  1. 1. een groep voorwerpen die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
    cineál
  2. 2. een groep levende wezens die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
    speiceas
adjective
sonrach
noun
2. de naam van de groep waartoe iets behoort
ainmfhocal coitianta
pronoun
1. een groep Slavische talen die wordt gesproken in het oosten van Saksen en het zuidoosten van Brandenburg
Soirbis
interjection
1. een informele verontschuldiging of excuses
gabh mo leithscéal
verb
1. orde in een verzameling aanbrengen door soort bij soort te leggen
togh
noun
1. de verzameling van producten of diensten die een leverancier aanbiedt voor de verkoop
rogha
verb
1. zijn rol zachtjes voorzeggen
pras
noun
leideoir
/supe/
noun
1. avondmaal
suipéar
noun
  1. 1. gemak in gedrag
  2. 1. lenigheid
aclaíocht
/sutəˈrɛ̃n/
noun
1.gedeelte van een gebouw dat gedeeltelijk onder de grond ligt
íoslach
noun
1. klein voorwerp dat helpt om aan een prettige ervaring met een plaats of persoon terug te denken
cuimhneachán
pronoun
an tAontas Sóivéadach
noun
2. staaf als hefboom
gró
/ˈspakbeɪn/
noun
bot in de onderarm
gaghéag
/ˈspandər/
noun
1. langwerpig stukje hout dat bij het hakken afvalt.
mant
/spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
Spáinneach
/spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
Spáinnis
noun
an tSile
noun
1. afgesloten voorwerp waarin contant geld opgespaard wordt
muicín taisce
/'spar.zam/
adjective
1. zorg dragend niet te verspillen
críonna
noun
1.
barainn
noun
1. brede, zware schep, bedoeld voor het spitten van grond
láí
noun
spaigití
noun
1. plankje e.d. om arm of been rust te geven
meathán
verb
1. fixeren van een gewricht
meathán
noun
1.ongewenste e-mail
turscar
noun
1. geheel van trekdieren
beirt
noun
1.
ceangal
noun
3. gesp of haak
dorn
noun
1. hondenras
spáinnéar
/ˈspɑ.ɲard/, /ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
Spáinnis
/ˈspɑ.ɲə/, /ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
  1. an Spáinn
  2. Spáinn
noun
2. elasticiteit
teannas
verb
1. onder trekkracht brengen
réise
noun
  1. 3. elektrische spanning
    acmhainneacht
    1. 1. mechanische spanning
    2. 2. emotionele spanning
    teannas
noun
1. potentiaalverschil tussen een positieve en een negatieve lading
difríocht phoitéinsil
noun
1. afstand tussen uiteinden
réise sciathán
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
sprús
/ˈspa.rə(n)/
verb
  1. 2. verzamelen
    bailigh
    1. 1. geld niet uitgeven
    2. 3. ontzien
    sábháil
noun
1. kleine opengelaten ruimte
clúid
noun
1. een spar
breabhsánta
noun
1. kramp
taom
noun
scuaid
noun
1.
cliathán
noun
1. spaan, lepel, e.d. met plat, bot uiteinde om mee te smeren
spadal
verb
1. het voorzichtig door elkaar scheppen van twee of meer producten met behulp van een spatel
mainnear
noun
1. tussenruimte tussen twee woorden
spás
noun
1. de lange toets die in het midden van het standaardtoetsenbord zit een waarmee men een spatie kan typen
spásáil
verb
1. ruimte tussen woorden of letters aanbrengen
spásáil
/ˈspɑtə(n)/
verb
scuaid
noun
1.
uisce mianraí
noun
1. een gedroogd plantendeel, anders dan een groen blad of stengel, dat als geur-, kleur- of smaakstof aan voedsel wordt toegevoegd
spíosra
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
cnagaire
/spe.si.ˈjal/, /spe.ˈsjaːl/, /spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
ar leith
/ˈspesɪɑlɪst/
noun
  1. 1. persoon die ergens veel verstand van heeft
  2. 2. arts die een bepaald onderdeel van de geneeskunde beoefent
speisialtóir
noun
1. mengsel waarmee wordt gewerkt
moirtéal
noun
1. soort, diersoort, plantensoort
aicíd
verb
1. in details beschrijven
sonraigh
adjective
1. kenmerkend
sonrach
adverb
1. in het bijzonder
sonrach
noun
1. exemplaar van een groep
aonánach
noun
1. kleurenband
speictream
noun
amhantraíocht
noun
óráid
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
seile
noun
1. een klier die speeksel produceert en naar de mondholte afscheidt
faireog sheileach
noun
  1. 2. weerloos slachtoffer
    bréagán
  2. bál
/'spelfɪlm/
noun
scannán
/ˈspelɣud/, /ˈspelɣut/, /ˈspɪːɫχut/
noun
1. één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
bréagán
noun
cárta imeartha
noun
1.
dréacht
noun
2. bedieningsorganen van een muziekinstrument
consól
noun
1.
bréagán
noun
2. tepel van een zoogdier
dide
noun
1.1 bepaald soort plant met niervormige bladeren, botergele bloemen en wortelknolletjes, Ficaria verna
aonscoth
/spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
sleá
noun
1. onderhuidse vetlaag bij varkens
bagún
verb
lón
noun
1.
leamhachán
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
cluiche
noun
1.
cnádánaí
noun
biorán
/ˈspeːlə(n)/
verb
2. muziek maken
imir
noun
    1. 1. deelnemer aan een spel
    2. 2. een partij
    imreoir
  1. 3. acteur
    spiorad
noun
spásáil
verb
1. letters in de juiste volgorde plaatsen
litrigh
noun
1. spelletje
cluiche
/ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
litriú
noun
1. een spleetvormige holte in een berg
cuasán
noun
1. grove tarwesoort
speilt
noun
1. een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat
teoiric chluichí
noun
speirm
noun
1.
speirm
noun
1. vorming van zaadcellen
speirmitigineas
noun
1. stof die zaadcellen doodt
speirmicíd
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
  1. naile
  2. speirsheabhac
  3. spioróg
pronoun
1. Spica
Spica
/ˈspɪxtəx/
adjective
1.te mager
séimhigh
noun
  1. 2. (inleg-) spie
    cae
  2. 1. spie
    ding
verb
1.
coimeád
noun
1. beelden terugkaatsend voorwerp
scáthán
verb
frithchaith
noun
1. een orgaan
matán
noun
1. bepaald soort klein zilverwit visje, Osmerus eperlanus
cualarach
/'spirnakt/
adjective
1. bloot
tarnocht
noun
1.
miópaite
noun
1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
tairne
noun
1. een broek van spijkerstof
brístí géine
verb
ionga
adjective
1. genadeloos
adhmaint
verb
míníneacht
noun
beár
/'spɛiskart/
noun
1. menukaart
biachlár
noun
díleá
/spɛi̯t/
noun
aiféala
/spɛj.tǝ:/
verb
1. berouw veroorzaken
aiféala
/'spɪkəl/
noun
1. klein vlekje
ponc séimhithe
adjective
1.
ballach
noun
  1. 2. de as waar iets rond draait
    acastóir
  2. 1. een kaapstaander
    crann
adjective
caifeach
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
  1. damhán alla
  2. fíodóir
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
spionáiste
/spɪndɘ/
noun
1. een voorraadkast, een provisiekast
bialann
noun
  1. 1. een klos waarop de katoen- of vlasdraad wordt gewonden
  2. 2.
eiteán
verb
  1. 2. snorren, een brommend geluid maken
    bí ag crónán
  2. 1. een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
    sníomh
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
Damhán alla
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
Damhán alla
noun
1. een door een spin gemaakt net om insecten te vangen
líon damhán alla
noun
líon damhán alla
verb
1. loeren om iets te kunnen krijgen
bí ag súil
noun
brathadóir
verb
1. voor concurrentie of vijand geheime informatie trachten te verwerven
brathadóir
adjective
spioradálta
noun
spiriméadracht
noun
  1. 1. draaiende staak waarop men vlees of een geslacht dier spietst en boven of naast een hittebron roostert
    bior
  2. 2. hevige lage rugpijn, lendenpijn
    lumbágó
adjective
  1. 2. scherpzinnig
    críonna
  2. 1. in een punt uitkomend
    gobach
noun
  1. 4. scherp, puntig uiteinde
    aird
  2. 3. klein vrachtschip, binnenschip (ook wel gebruikt als woonboot)
    báirse
  3. 5. type hond met een spitse snuit
    spitse
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
Oileánra Svalbard
noun
2.deugniet
alfraits
noun
1.
amhainse
noun
1. langharige, middelgrote hond met pluimstaart
spitse
adjective
1. met een scherpe punt of top
aithrinneach
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
dallóg fhraoigh
noun
1.
ladhróg
adjective
1. scherpzinnig
tráthúil
noun
1.
abúlacht
verb
bain
noun
anaoibh
/splet/
noun
scáineadh
verb
1. langs een nerf in tweeën breken
scáineadh
/'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
scealp
verb
scáineadh
noun
pléasc
verb
  1. 1. in twee of meer delen uiteen gaan
  2. 2. in twee of meer delen opdelen
scáineadh
noun
2. plaats waar iets zich splitst
craobh
noun
1.
luas
verb
1. met grote snelheid gaan
deabhadh
adjective
1. binnen een kort tijdsbestek
abúil
adverb
1. binnen een kort tijdsbestek
aibéil
noun
    1. 1. een cilindrische vorm
    2. 3. fotografische
    eiteán
  1. 2. een element van zelfinductie
    ionduchtóir
noun
1. speeksel, spuug. kwijl
seile
verb
gnáthaigh
noun
1. versvoet met twee beklemtoonde lettergrepen
spoindé
noun
urraitheoir
noun
1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
taibhse
noun
1. spook, spookverschijning
sprid
noun
1.
meán oíche
noun
    1. 8. hol uitsteeksel aan de voet van een kelkblad, kroonblad of vergroeide kroon
    2. 9. metalen punt of getand wieltje aan de hiel van de rijlaars
    brod
  1. 1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
    slí
  2. 2. spore
    spór
noun
ráille
noun
iarnród
noun
1. bepaald soort loofboom, Frangula alnus
draighean fearna
/spɔrt/
noun
1. lichaamsbeweging
spórt
noun
1. broek speciaal gemaakt voor sporters
bríste sciota
noun
1. beoefenaar van een sport
lúthchleasaí
noun
brat reatha
noun
1. hobbyvisser
iascaire
noun
aoir
noun
1. een aankoop voor een zeer lage prijs, zeer voordelige aankoop
conradh
noun
1.
forainm
noun
1. kritische, spottende, komische tekst over een, vermeende, wantoestand
aoir
noun
1.
íoróin
noun
1. (bouwkunde) luchtruimte tussen twee muren van een dubbele
pléasc
/sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
caint
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal
gramadach
noun
gramadach
adjective
snel geneigd tot spreken
béalráiteach
noun
1. geneigdheid om veel te praten
aighneas
noun
2. klein rondvliegend gloeiend korreltje of brokje
drithle
adjective
1. fris en levendig
lonrach
noun
1. kleine hoeveelheid, geringe opflikkering
léaró
/ˈspregbœys/
noun
2. communicatiekanaal
urlabhraí
/'sprekxəstultə/
noun
1. plaats vanwaar men een publiek toesspreekt
póidiam
/'sprekor/
noun
1. een groep mensen die gezamenlijk leuzen schreeuwt
cór
noun
1. de taal die men bij het gewone spreken gebruikt
dúchasach
noun
1. manier van spreken
caint
noun
seanfhocal
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
druid
/sprɛi/
noun
1. een soms kunstig versierd kleed waarmee een opgemaakt bed afgedekt wordt
cuilt
verb
1. wijd uiteendoen
scaoil
noun
1.
srathair
/ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
labhair
noun
1. zegswijze
nathán
/ˈspɾøkə(n)/
noun
Seanfhocail
noun
  1. 3. sprietantenne
    aerga
  2. brobh
verb
1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
léim
noun
1.luchtkussen kasteel
preabchaisleán
noun
geansaí
noun
earrach
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
dreoilín teaspaigh
noun
1. uiteinde van een waterleiding waarmee men water in fijne druppeltjes ergens op kan spuiten
aisréadóir
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
breicne
noun
1.
brosna
noun
geit
noun
1. verzonnen vertelling
  1. finscéal
  2. síscéal
noun
Sprattus sprattus
bioránach
noun
2. een uitloper van de spruitkool
bachlóg Bhruiséile
noun
1. koolsoort waarvan de gekookte okselknoppen als spruitjes gegeten worden
bachlóg
noun
1. slijmvliesontsteking in mond of darmen
salachar béil
/'spy.ɣə(n)/
verb
1. speeksel uit de mond doen uitschieten
caith seile
/spœy̯t/
noun
3. injectiespuit
steallaire
noun
fear dóiteáin
noun
acmhainn
/spɵlə(n)/
noun
mianach
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
seile
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
seile
/'spyʋə(n)/
verb
caith seile
noun
puimcín
/sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
Srí Lanca
/st/
suffix
2.vormt de overtreffende trap van bijvoeglijke naamwoorden
air
noun
cuaille
noun
1. overeenkomst voorlopig een einde te maken aan de gevechtshandelingen
sos cogaidh
/staːɫ/
noun
1. een legering van ijzer en koolstof
cruach
/staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
seas
noun
1. iets of iemand die iets of iemand ondersteunt
colún páipéir
noun
fionn
noun
  1. 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
  2. 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
eireaball
noun
meantán earrfhada
noun
cóiméad
noun
  1. 1. een land
  2. 1. toestand
  1. stát
  2. tír
noun
1. een discipline
eolaíocht pholaitiúil
noun
1. regeringsvorm
rialtas
noun
1. iemand die burgerrechten in een staat heeft
saoránach
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
ceann stáit
noun
1. officieel bezoek door een staatshoofd
cuairt stáit
noun
polaiteoir
adjective
1. betrekking hebbend op het staatsrecht
bunreachtúil
noun
réimeas
adjective
1. standvastig, duurzaam
diongbháilte
noun
cobhsaitheoir
noun
diongbháil
/stɑd/, /stɑt/
noun
Woonplaats
  1. baile
  2. cathair
/ˈstɑdhœːs/, /ˈstɑthœʏs/, /ˈstɑthœːs/
noun
1. een gebouw waar de stadsdiensten gehuisvest zijn
halla baile
noun
staid
noun
céim
/stɑts/
adjective
1.
uirbeach
noun
1. iemand die in een stad woont
cathróir
noun
1.
baile mór
/ˈstɑt.stat/
noun
1. staatsvorm
cathairstáit
noun
ceantar
noun
1. een stok bedoeld voor ondersteuning of onderscheiding van een persoon
liúr
noun
1. gelijkheid van de beginmedeklinkers van twee of meer beklemtoonde lettergrepen of woorden binnen een uitdrukking, prozazin of vers
uaim
noun
1. een touw of kabel waarmee een mast stabiel wordt gehouden
fan
noun
1.
marbh-bhoilsciú
verb
1. een werkonderbreking of (ludieke) actie houden voor betere arbeidsvoorwaarden of meer loon
dul ar stailc
/'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
stailc
noun
1. iemand die ondanks een staking toch werkt
bristeoir stailce
noun
1.
staic
noun
1. iemand die veel pech heeft, veel tegenslagen meemaakt
créatúr
adjective
1. zoals pas bij een zielig, mislukt persoon
truacánta
/stɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
stábla
noun
aolchuisne
noun
aolchoinneal
verb
cruaigh
noun
1. bedrijf dat paarden houdt
libhré
noun
1.
stalcaire
verb
in een stal zetten
diongbháilte
noun
garáiste
noun
4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
treibh
/'stɑmbom/
noun
1-2
craobh ghinealaigh
verb
1.
maolteanga
noun
1. identiteitskaart
meil
noun
1. vooral in combinatie met maken: onrust veroorzaken door lawaai en ruzie te maken
borrán
verb
2. iets fijn maken door er een zwaar voorwerp op te laten belanden
tangó
noun
2. vijzelstamper
tuairgnín
noun
1. trammelant
bain do
noun
1.
coisc
noun
  1. A 2. sociale positie in de maatschappij
    cúrsa
  2. A 1. hoe of waar iets staat
    feidhmeannas
  3. B. plaats op een tentoonstelling
    fulaing
noun
3. herkeningsvlag, onderscheidingsvlag
bratach
noun
caighdeán
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
  1. dealbh
  2. íomhá
verb
1. alle aanvallen weerstaan
iompair
/stɑmplats/
noun
1. een vaste plaats waar iemand zich bevindt
fulaing
adverb
1.
achomair
/stɑŋ/
noun
1. meestal metalen voorwerp in de vorm van een lange stijve cilinder
beár
noun
1. een sterke, stinkende geur
bréantas
adjective
duine buile
noun
  1. 3. een houten stokje ingeklemd tussen het boven- en onderblad van de klankkast van een snaarinstrument
    anam
  2. 2. de tijdelijke constructie waarop een in aanbouw of reparatie zijnd schip rust
    branra
  3. 1. een gestructureerde hoop spullen
    carnán
noun
1.Twee bedden op elkaar
leaba bhuinc
noun
1.
tiomsú
noun
1. een steen waarop je kunt staan om een hindernis te kunnen passeren
leac
verb
bantiarna
noun
1.
déine
noun
1. een begin ergens van
cuir tús le
verb
1. iets op gang brengen
cuir tús le
noun
tús
noun
1. stabiel onderstel voor camera
branra
adjective
státúil
/sta.ˈsʲɔn/
noun
1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
stáisiún traenach
/'steʃənkɑ:r/
noun
1. auto met veel bagageruimte
carr eastáit
verb
1. plaatsen
plás
noun
1.
carr eastáit
noun
figiúr
noun
1.1 aanzien in de maatschappij
oireachas
adjective
reachtúil
noun
reacht
noun
stéaráit
adjective
uirbeach
noun
cathróir
adverb
1. voortdurend
i gcónaí
noun
1. zeer smal straatje
caolsráid
/steːk/
noun
  1. 3. een eenmalige doorvoering van een draad door een weefsel, meestal met behulp van een naald
    greim
  2. 1. een penetratie met een scherp puntig voorwerp
    rop
adjective
1.
ciallmhar
noun
1. bijtende mug
muiscít
noun
scilléad
/sten/, /steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
cloch
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
iolar fíréin
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
Gabhar
noun
  1. 1. benaming voor sommige zoogdieren uit het geslacht geiten waarvan de bokken grote hoorns hebben
  2. 1.1 bepaald soort zoogdier, Capra ibex
ibeach
noun
Trópaic an Ghabhair
noun
2. afdruk gemaakt met behulp van een op een vlakke steen gemaakte tekening
liteagraf
noun
liteagrafaíocht
/ste.nɛi̯k/, /ste.nɛːk/, /sten.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus ilex; een boom uit de napjesdragersfamilie
dair thoilm
noun
1.
cairéal
noun
saor cloiche
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
gual
noun
1. visueel baken in de bergen om zich te kunnen oriënteren
carn
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes foina
cat crainn clochra
noun
1. gebroken steen
gairbhéal
/ˈstentɛit/
noun
An Chlochaois
/ˈstenœʏ̯ɫ/, /ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
ulchabhán beag
noun
vlezige vrucht waarvan het binnenste deel steenhard is
eithneachán
adverb
fiú
noun
2. werkvloerconstructie in de bouw
scafalra
/stɛil/, /stɛːl/
adjective
1.
crochta
noun
1. het steil zijn
riteacht
noun
2. het stijgingspercentage van een helling
riteacht
/ˈste.kəl/
noun
1. een langwerpig, scherp stukje van bijvoorbeeld een plant of dier
cealg
noun
1. benaming voor kleine vissen met puntige doorns op de rug en de buik uit de familie Gasterosteidae
biorach lodáin
noun
1.
spíonán
/stekələx/
adjective
1. met stekels bezet
deilgneach
noun
1. het boos en geïrriteerd zijn
searbhas
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
torcán
verb
1. doorboren, prikken
rop
adjective
1.
borb
noun
1. stekker
plocóid
noun
1.
plás
/stɛl/, /stɛɫ/
noun
1. een tweetal of een klein aantal bij elkaar behorende onderdelen of mensen
cúpla
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
goid
noun
1. iemand die anderen iets afneemt
gadaí
noun
  1. -
    binse
  2. 3. getimmerte ter ondersteuning
    croch
adjective
réaltach
/ˈstɛ.lə(n)/
verb
  1. 1. doen staan
    ardcheannach
  2. 2. beweren, verklaren
    cuir in iúl
noun
1.
bunchéim
noun
1. een bewering die men als waarheid aangenomen wil zien worden
teoirim
/stɛlsəl/
noun
  1. 1. een geordend geheel, samenstel van delen
  2. 2. een systeem
córas
/stɛlt/
noun
cos croise
noun
    1. 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
    2. 2. het geluid dat een mens bij het spreken voortbrengt
    3. 3. het geluid dat een mens bij het zingen voortbrengt
    guth
  1. 5. een orgelregister
    sainréim teanga
  2. 6. een keuze gemaakt door een stemmer (kiezer) bij een stemming (verkiezing)
    vóta
noun
1.
modhnú
noun
2. het houden van een verkiezing of de uitslag daarvan
Wahl
/'stɛmxəlœyt/
noun
1. hoorbare luchttrillingen die gemaakt worden in het menselijke strottenhoofd
faí
/ˈstɛmɦɔkʲə/
noun
1. schrijfblad omringd door drie wanden waarbinnen een kiezer zich bij een verkiezing afzondert
stáisiún vótála
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
murnán
/stεmə(n)/
verb
  1. 2. een instrument op de juiste toonhoogte brengen
    tiúin
  2. 1. deelnemen aan een verkiezing
    vótáil
adjective
séimh
noun
1. ernst
measarthacht
noun
  1. 1. een mentale of emotionele toestand
  2. 3. de heersende mening over de toestand van de markt
tiúin
/ˈstɛmpəl/, /ˈstɛmpəɫ/
noun
    1. A2. een afdruk van [1]
    2. A:1. voorwerp met een ingesneden oppervlak waarmee afdrukken gemaakt kunnen worden met inkt of in lak
    gread
  1. A3. beschrijvende plantkunde: bovenste gedeelte van de stamper in een bloem
    stiogma
verb
gread
noun
1. een draaibare stift van een muziekinstrument
murnán
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
murnán
/stɛmvɔrək/
noun
1. stemvork
gabhlóg cheoil
noun
1. langgerekt en stevig orgaan van een vaatplant dat water en voedingstoffen vervoert
coisc
verb
1. met steenworpen doden
cloch
noun
1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
réalta
noun
1. bepaald soort plant, Chrysophyllum cainito
réalta
noun
steiréitiopa
/ˈstɛrvbɛt/
noun
1. het bed waarop men sterft
leaba an bháis
adjective
básmhar
/'sterftə/
noun
1. het aantal sterfgevallen in een bepaalde tijd of in bepaalde omstandigheden
básmhaireacht
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel sterfgevallen er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
mortlaíocht
adjective
  1. 1. zonder microbiële besmetting, heel schoon
  2. 2. onvruchtbaar
aimrid
/ˌsteriliˈzasi/, /ˌsterəliˈzatsi/
noun
1. een handeling waarmee alle ziektekiemen worden gedood
aimridiú
verb
  1. 1. iets vrij maken van micro-organismen
  2. 2. onvruchtbaar maken
aimridigh
/stɛrk/
adjective
  1. 3. opmerkelijk
    ard
    1. 1. krachtig
    2. 2. geconcentreerd
    borb
/stɛrk/
adverb
1. in sterke mate
go láidir
noun
1. drank met meer dan 20% alcohol
deoch
verb
daingnigh
/'stɛrktə/
noun
  1. 2. grootte
    cainníocht
  2. 1. de mate waarin iets sterk is
    láidreacht
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige vogels uit de familie Sternidae
geabhróg
noun
stéaróideach
noun
1. verzameling dicht bijeen staande sterren
réaltbhraisle
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
réalteolaíocht
/stɛrən'kʏndəɣə/
noun
réalteolaí
noun
réaltra
noun
astralaí
noun
1. een sterfelijk wezen
básmhar
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
faigh bás
noun
toradh réaltúil
/steto'skop/
noun
1. een medisch instrument waarmee men geluiden in het lichaam kan beluisteren
steiteascóp
/støn/
noun
    1. 1. iets om op te steunen
    2. 2. morele of materiële hulp
    branra
  1. 3. sociale uitkering
    sochar dífhostaíochta
/'stønə(n)/
verb
  1. 1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
    iompair
  2. 3. van vermoeidheid of pijn een kreunend geluid maken
    ochlán
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
bradán fearna
verb
cóirigh
adjective
  1. 3. flink
    comhlacht
    1. 1. van aanzienlijk sterkte
    2. 2. van grote omvang, fors
    cruadhéanta
noun
eachlach
noun
aeróstach
noun
1. degene die iets grondvest
bunaitheoir
noun
2. zelfstandig vermogen met rechtspersoonlijkheid opgericht op de verwezenlijking...
bunsraith
noun
greamaitheoir
/'stɪki/
noun
1. marihuanasigaret
siúnta
/ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
leasmháthair
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
leasathair
noun
1. ambachtsman
ceardaí
pronoun
  1. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  2. 2. astrologisch teken
an Tarbh
/stiːr/
noun
tarbh
noun
1. een uiterlijk kenmerk dat afbreuk doet aan iemands reputatie
aitreabúid
verb
2. (figuurlijk) onuitwisbare wonden toebrengen
splanc
/stɛif/
adjective
stiúgaí
adjective
1.
greamúsach
noun
ardnós
/ˈstɛi̯xˌbøː.ɣəl/
noun
1. voetsteun voor de ruiter
stíoróip
/ˈstɛi̯ɣə(n)/
verb
1. naar boven gaan, toenemen
éirigh
noun
1. het stijgen, het hoger worden
ardú
/stɛi̯l/
noun
  1. 2. post
    post
    1. 1. handelswijze
    2. 3. beschrijvende plantkunde: buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
    stíl
noun
1. stilistische niveau van taalgebruik
sainréim teanga
noun
adharc
verb
  1. críochnaigh
  2. lón
noun
1.
siúnta
noun
1. verbinding gemaakt met naald en draad
arraing
/ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
nítrigin
noun
1.
obair shnáthaide
/[stɪɫ]/
adjective
  1. 1. geen of weinig geluid producerend
  2. 2. onbeweeglijk
  3. 3. rustig, kalm
féithchiúin
verb
1. stileren van tekst
cuir in eagar
noun
1.
ciúnaigh
noun
1. iemand die in een goede stijl schrijft
scríbhneoir
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
An tAigéan Ciúin
pronoun
1. dag na Goede Vrijdag en voor Pasen
Satharn Cásca
verb
1. tot stilstand brengen
tarraing suas
noun
neamhbheo
/'stɪl.tə/
noun
tost
verb
tarraing suas
noun
1. krachtige aanzet
spreagadh
noun
spreagadh
noun
1.
spreagadh
noun
1.
spreagadh
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
scúnc
noun
aird
noun
1. (studie)beurs
scoláireacht
adjective
1. precies op tijd komend
pras
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Stócólm
noun
1.
bruíon
noun
1.
bruíon
/stul/, /stuɫ/
noun
1. zitmeubel
cathaoir
/'stulɣɑŋ/
noun
2.
fearadh
noun
2. trottoir
cosán
adjective
  1. 2. indruk maken door sterk te zijn of sterk proberen te zijn
    cruadhéanta
  2. 1. indruk makend
    cúileach
noun
1. heel kleine deeltjes
deannach
adjective
1. tot de materie behorend of eruit bestaand, materieel
adhmad
/stɔˈferə(n)/
verb
  1. 1.bekleden van een meubelstuk
  2. 2.inrichten van een ruimte
cumhdaigh
noun
1. beschermende overjas
tríd is tríd
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
folúsghlantóir
noun
stócaiméadracht
/stɔk/
noun
bata
noun
beár
/ˈstoː.kəˌbrɑnt/
noun
1. iemand die als een vuur de gemoederen of onrust aanwakkert
aithinne
verb
  1. 3. distilleren
    driog
  2. quentar
noun
1.Suricata suricatta, roofdier behorend tot de mangoesten
míorchat
/ˈstɔlə(n)/
verb
1. overgaan van een vloeibare naar een vaste toestand
cruaigh
/ˈstɔlɪŋsɣəˌstentə/
noun
1. gesteente bestaande uit gestolde lava of gestold magma.
  1. bruthcharraig
  2. carraig dhoigheartha
adjective
  1. 3. dom
    ainbhiosach
  2. 3. saai en waardeloos
    bacach
    1. 1. geluidloos
    2. 2. niet in staat te spreken
    balbh
noun
1.
balbhán
noun
  1. 1. dom persoon
    amadán
  2. 2. iemand die domme dingen doet
    rúitín
noun
1. iemand die ergerlijk stom doet
amadán
adjective
1. iets dat zijn scherpte verloren heeft
modartha
verb
buille a thabhairt do
noun
1. gevoelloze domheid
modartha
noun
teallach
noun
gal uisce
noun
1. een schip dat met behulp van stoom wordt voortbewogen
stíméar
noun
tuirbín gaile
/stot/
noun
bior
noun
1. grote slagtand
starrfhiacail
noun
  1. 1. zekering
    aidhnín
  2. 3. voorwerp dat een opening kan afsluiten
    bolscaireacht a dhéanamh
    1. 2. halte
    2. 4. besluit om groei of toename te stoppen
    stop
/'stɔbɔrt/
noun
1.
comhartha stop
noun
1. flesje dat gesloten wordt met een glazen stop
tuairt
/ˈstɔplɪxt/
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
solas tráchta
noun
1. naald die men gebruikt bij het repareren van weefsels of breiwerk
snáthaid chléithe
verb
    1. 3. doen halthouden
    2. 4. ophouden, ermee kappen
    coisc
  1. 2. vullen (van een pijp)
    costas
/'stɔpər/
noun
1. een voorwerp waarmee iets afgestopt of afgesloten kan worden
bolscaireacht a dhéanamh
noun
coisc
noun
1.
comhartha stop
noun
bris
verb
cas as
noun
1.
faill
/ˈstorə(n)/
verb
1.het functioneren nadelig beïnvloeden
cuir isteach ar
noun
1. een hinderlijke onderbreking, een bepaald proces wordt onderbroken of bemoeilijkt
suaitheadh
noun
1. erg harde wind
stoirm
/ˈstɔr.mə(n)/
verb
1. bijzonder sterk waaien
anfa
noun
1. een lamp gestookt op olie, petroleum of lampolie die geschikt is om in moeilijke buitenomstandigheden licht te blijven geven
laindéar doininne
noun
een toestel, balk, e.d. om een deur, poort te forceren
reithe
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Procellariidae
guairdeall
noun
1.
anfa
verb
1. het terugdraaien van een automatische incasso
aisiompaigh
noun
duartan
verb
  1. 1. van enige hoogte ergens in laten vallen
    doirt
  2. 2. geld in een rekening inbrengen
    taisc
noun
1. het storten van geld op een bankrekening
taisc
noun
síneadh láimhe
verb
1. met een korte snelle beweging (weg)duwen
buta
noun
  1. 3. oude munt met een waarde van 12,5 cent
    cuitéar
  2. 1. iets of iemand die stoot
    reithe
verb
1. dezelfde lettergreep een aantal malen herhalend moeilijk uit zijn woorden komen
maolteanga
/stɑu̯t/
adjective
    1. 1. in overtreding van een gestelde regel, met onvoldoende respect
    2. 4. seksueel prikkelend
    anmhailíseach
  1. 2. zonder angst
    dána
noun
1. belhamel
alfraits
verb
1.
mianach
/straɫ/, /ˈstral/
noun
    1. 1. de lijn van middelpunt naar omtrek
    2. 2. een bundel elektromagnetische straling
    ga
  1. 3. spuitend gas of vloeistof
    scaird
/strat/
noun
1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
sráid
pronoun
1.
Caol Giobráltar
/ˈstracjə/, /ˈstratjə/
noun
1. verkleinwoord van straat
caolsráid
noun
1. lichtmast voor verlichting van de openbare ruimte
lampa sráide
noun
1. het verstoren van de openbare orde met vernielingen
amhasóireacht
noun
1. informele, soms ruwe taal met veel invloed uit talen van immigranten,...
droch-chaint
noun
1. een call en een put-optie kopen met dezelfde uitoefenprijs en afloopdatum
srathair
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
pionós
noun
loca pionóis
/ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
daor
noun
carcair
noun
anróiteacht
noun
pionós
noun
1. directe vrije trap
pionós
noun
1. gedeelte van het voetbalveld
loca pionóis
adjective
  1. 3. streng
    beacht
  2. 4. zonder franje
    slíoc
noun
1. spanning
riteacht
adverb
3. een korte tijd geleden
anois beag
/ˈstralə(n)/
verb
  1. 2. licht weerkaatsen
  2. 3. een heel blije uitdrukking op het gezicht hebben
taitin
noun
bogha
noun
radaíocht
/strɑm/
adjective
1.stijf
stiúgaí
noun
1. Strook land langs de kust
trá
noun
1. een plan om iets te bereiken
straitéis
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
stratabholcán
noun
  1. 3. een veeg of streep met een werktuig
    béim
  2. 1. een gebied met een eigen karakter
    réigiún
noun
  1. 4. koppelteken
    fleiscín
    1. 1. een min of meer rechte getrokken lijn of lijnstuk
    2. 3. (figuurlijk) begrenzing die niet overtreden dient te worden, schreef
    líne
  2. 2. lijnvormig patroon
    síog
noun
  1. 1.
  2. 2. typografisch teken "-"
dais
verb
sín
noun
2. bedoeling
aidhm
verb
1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken
slíoc
noun
1. een uiting van tederheid
béim
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
binid
verb
crap
noun
1. spanning, geestelijke druk.
béim
verb
1. een doel willen bereiken
bí ag dréim
verb
aoire
noun
  1. 2. een militair treffen
    coimhlint
  2. 1. een handgemeen
    comhrac
verb
1. ondanks weerstand een doel proberen te bereiken
bruíon
noun
1. een persoon die strijdt
gaiscíoch
adjective
ciotrúnta
noun
1. een slagwapen in de vorm van een metalen staf met een versterkte kop
más
noun
2. geheel van de militaire organisaties die een staat ter beschikking staan
fórsaí armtha
noun
1.
comrádaí
noun
1. afgeperkt terrein ...
airéine
noun
carbad
verb
  1. 2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
    iarann
  2. 1. over een oppervlak laten glijden
    slíoc
  3. 3. iets laten zakken
    treo
/ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
iarann
noun
1. licht dat schuin op een oppervlak schijnt
teilgeoir tuilsholais
noun
1. een constructie waarmee de snaren van een strijkinstrument in trilling gebracht worden
bogha
noun
1. kleurrijke los om de hals gebonden das
cochall
/strɪŋ'xɛnt/
adjective
1. op een hele strenge, dwingende manier
cumhdach
noun
2. strook
climir
noun
1.
greannmhar
verb
1. het zich ontdoen van alle kleding of een groot deel van de kleding die het lichaam bedekt, vaak met een erotische bijbedoeling
climir
/stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
cochán
adjective
  1. 1. de wrijvingsweerstand van een ruw oppervlak
    aindreanta
  2. 1. moeilijk beweegbaar (verschuifbaar)
    stiúgaí
noun
copla
noun
1. hoed
bádóir
/'stromən/
verb
1. voortbewegen van vloeistoffen
snigh
/'stromɪŋ/
noun
1. voortbewegen van een vloeistof
sruth
noun
cac
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
strointiam
noun
1. zweertje op het ooglid
sleamhnán
noun
1. bepaald soort vlieg die bij viezigheid en uitwerpselen leeft
bréagchuil
noun
1.
eitleoir
verb
croith
noun
1, strook
climir
/ˈstroklɑt/
noun
cobra
/stroːm/
noun
  1. 1. rivier, beek
  2. 2. elektriciteit
sruth
noun
1. gebied waarin een rivier of beek stroomt
sruth taoide
noun
abhantrach
noun
1. materiaal met een naar verhouding hoog aantal beweeglijke ladingsdragers, waardoor het een elektrische stroom makkelijk doorlaat
conduchtaire
noun
1.plotselinge, hoge, kortdurende elektrische stroom
borradh
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
síoróip
noun
1. rooftocht
creach
noun
  1. 2. zakelijk avontuur dat tot groot verlies lijdt
    anachain
  2. 1. lus van stevig touw
    dol
noun
carbhat
noun
craos
noun
laraing
adjective
1. met betrekking tot de opbouw van een geheel
imchruthach
/strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
struchtúr
noun
uibheagán
noun
1. heester
tor
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
tuisligh
noun
1. bepaald soort in heel Europa voorkomende plant, Calluna vulgaris
bod mór
noun
1.
bod mór
noun
1. iemand die vanuit een hinderlaag reizigers berooft
gadaí bóthair
verb
1. rond zwerven
fear siúil
adjective
comhlacht
noun
ostrais
/ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
ostrais
noun
brataigh
noun
1. een ruimte om te studeren
seomra staidéir
noun
1. kamer waarin men rustig kan lezen, schrijven of studeren
déan staidéar
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
mac léinn
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
déan staidéar
noun
1.
staidéar
noun
scoláireacht
adjective
1. gaarne studerend, door ijverige studie ontstaan
ceistiú
noun
  1. 1. werkplaats van een beeldend kunstenaar
  2. 2. plaats waar geluidsopnamen, films of televisie- of radioprogramma's gemaakt worden
  3. 3. een eenkamerappartement
stiúideo
noun
coiscín
noun
1.
pailin
verb
1.
meath-thinneas
/ˈstœʏ̯.tə(n)/, /ˈstœː.tə(n)/
verb
  1. 2. door botsing in omgekeerde richting gaan bewegen
    athléim
  2. 1. een beweging tot staan brengen
    tarraing suas
verb
scaird
noun
pingin
/stɵk/
noun
  1. 2. kunst/nijverheid
    dráma
  2. 1. deel
    smut
  3. 7. aantrekkelijk persoon
    spéirbhean
verb
brataigh
verb
bris
verb
1. ophouden te functioneren al of niet door te breken
bris
noun
1.
dréacht
verb
1. tijdens het gebruik mislukken
laige
verb
1.
aicseam
/'stʏkwɛrk/
noun
1.werk dat per eenheid product betaald wordt
tasc
noun
1. eenvoudig woninkje
both
noun
bochtán
noun
1. zielenpoot
aimleoir
adjective
anóiteach
noun
aisiléireacht
adjective
1. dom, bot, stompzinnig
ainbhiosach
/'styːrə(n)/
verb
  1. 2. het stuur van een auto bedienen.
    bagair
  2. 6. [een persoon] ergens heen doen gaan
    post
/styːr/
noun
1. een hulpmiddel waarmee een bestuurder richting kan geven aan een voertuig
roth
noun
1. de rechterzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
deasbhord
noun
1. deel van een voertuig waar de bestuurder zit
bothán
noun
1. knuppel of stok waarmee gestuurd kan worden in een vliegtuig
camán
noun
1. iemand die een vaartuig bestuurt
comrádaí
noun
1. een stuk software dat een verbinding legt tussen de hardware en het besturingssysteem
tiománaí
adjective
aindreanta
noun
ailearán
noun
1. vaste of regelbare waterkering
cora
/stywadɔːr/
noun
1. degene die verantwoordelijk is voor het gebalanceerd laden en lossen van schepen
stíbheadóir
noun
1. waterkering voor energiewinning
damba
verb
cuir isteach ar
/'styˌwɪŋ/
noun
  1. 1. ophoping
    brú tráchta
  2. 1. stuwkracht
    spadhar
noun
1. tablet of pilaar, met daarin een in reliëf gebeeldhouwde voorstelling en-of tekst
liagán greanta
adjective
1. onderhuids
fo-chraicneach
noun
subdominant
focheannasach
noun
1.
fosheánra
adverb
1.
láithreach bonn
noun
1. een werkwoordswijs waarmee men een wens of onzekerheid tot uitdrukking kan brengen.
foshuiteach
noun
1.
fo-roghchlár
noun
liostáil
/sʌpsidi'ɛr/
adjective
fochomhlacht
noun
cothabháil
noun
1. stof (stoffen)
damhna
noun
1. zelfstandig naamwoord
ainmfhocal
noun
1. vervanging
malartaíocht
noun
1. ondergrond
foshraith
/sʌp'til/
adjective
  1. 1. alleen bij nauwkeurig toezien of voor fijn gevoel waar te nemen of te begrijpen
  2. 2. fijn onderscheidend, scherpzinnig
caolchúiseach
adjective
fo-theochriosach
noun
1. een luidspreker die speciaal is ontworpen voor het weergeven van lage tot zeer lage tonen
fo-dhordaire
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
áitheas
/sʏk'sɛsnʏmər/
noun
1.
buaiteoir
adjective
1. succes hebbend
áitheasach
adjective
planda súmhar
/suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Súdáin
adjective
2. dom
daoi
adjective
1.
dóthain
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
iarmhír
noun
1. iemand die weinig nadenkt
amadán
verb
1. een suggestie doen
mol
noun
1. zoetstof
siúcra
noun
milseogra
verb
1. een zacht suizend of ruisend geluid maken
drantán
noun
1. dom, onhandig persoon
ainbhiosach
noun
1.
bochtán
noun
suilfíd
noun
1. zouten die het sulfiet-ion SO₃2- bevatten
suilfít
noun
1., 2. en 3. (gedroogde vrycht van) een variëteit van de druif Vitis vinifera
sabhdánach
noun
1. de (optel)som van iets; alle te samen genomen
suim
adjective
gearr-abartha
adjective
achomair
noun
apaigí
noun
2. sturend deel van de persoonlijkheid dat door opvoeding en socialisatie wordt gevormd en sociale normen en waarden bevat
os-mhise
noun
1. afwezigheid van elektrische weerstand
forsheoltacht
noun
1. fictieve figuur uit een stripverhaal of een film die over bovenmenselijke krachten beschikt
sárlaoch
adjective
ardchéimiúil
noun
ardchéimíocht
noun
ollmhargadh
noun
het verschijnsel waarbij een ster op spectaculaire wijze explodeert
ollnóva
noun
suirplís
noun
1. iets dat als aanvulling toegevoegd wordt
folíon
verb
achainigh
noun
1. iemand die een bepaalde club steunt
gaothrán
noun
1. zetpil, pil die via de anus wordt ingebracht
sopastóir
/ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Suranam
noun
1. overschot
brabach
noun
1. iemand die tijdens een examen surveilleert
prócadóir
/ˌsʏrvɛ'jerə(n)/
verb
1. toezicht houden
prócadóir
noun
leochaileacht
noun
1. fijn leer
craiceann fiaghabhair
adjective
1. geneigd zijn om zelfmoord te plegen
i riocht tú fein a mharú
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
Suahili
/ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
Suasalainn
noun
een sportieve katoenen trui
geansaí
noun
1. oude (riet-) fluit
cuisle
verb
luascán
/'swɪt.ʃə(n)/
verb
1.omschakelen
ladhróg
pronoun
1. de grootste stad van Australië en de hoofdstad van de deelstaat Nieuw-Zuid-Wales
Sidní
noun
bolgach fhrancach
adjective
siollabra
adjective
siollach
noun
1. een logische redenering waaruit een conclusie afgeleid wordt
siollóg
verb
1. een betekenis hebben die verwijst naar
siombalaigh
noun
siansa
adjective
1.
siansach
noun
siméadracht
/si'metris/
adjective
1. aan twee zijden, bijvoorbeeld spiegelbeeldig gelijk
comhchruthach
noun
1. een gevoel van toegenegenheid
bá
adjective
báúil
adjective
1. medegevoelig
báúil
noun
1. gebedshuis van joden.
sionagóg
noun
1.
sionagóg
noun
2. verlegging van de maataccenten
meánchoimriú
noun
sindeacáit
/sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
siondróm
noun
1. gelijkbetekenend woord
comhchiallach
noun
comhchiallachas
noun
een beknopte weergave, een overzicht
achoimre
/sɪnˈtɑksəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
comhréir
adjective
1. op kunstmatige manier gefabriceerd
sintéiseach
verb
comhtháthaigh
/ˈsi.ri.jə/, /ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
  1. an-tSiria
  2. an tSiria
/siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
córas
noun
1. een aangebrachte ordening
córas
adjective
1. met betrekking tot de samentrekking van de hartkamers
croíchrapthach
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
t-léine
adjective
  1. 1. moeizaam en plastisch vervormend onder mechanische belasting
  2. 2. moeilijk te snijden, kauwen (van vlees)
righin
/taːk/
noun
1. een te verrichten werk
jab
/taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
teanga
noun
1. een belemmering in de communicatie, veroorzaakt door het verschil in taal
bacainn teanga
/ˈtaːlbəˌɦeːrsɪŋ/
noun
2. studie van de juiste aanwending van taal (als vak)
teangeolaíocht fheidhmeach
noun
gramadach
noun
1. uitdrukkingen en zegswijzen uit een bepaalde taal
cor cainte
noun
1. performatief taalgebruik
gníomh cainte
noun
1. deskundige op het gebied van een taal
focleolaí
/ˈtalklɑŋk/
noun
1.
fóinéim
noun
1. wetenschap
teangeolaíocht
adjective
1. volgens de regels van de taalkunde
teangach
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
teangeolaí
noun
1. beschikbare taal
cor cainte
noun
1. de wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
teangeolaíocht
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
teangeolaí
/taːrt/
noun
  1. 3. scheldwoord
    cailleach
  2. 1. cirkelvormig zoet gebak
    císte
noun
1. taats
maighdeog
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
tobac
noun
píopa
noun
1. aandoening waarbij de patiënt het schadelijke gebruik van rookwaren niet kan stoppen
nicitíneacht
noun
siopa tobac
noun
1. een geordende lijst met gegevens
bord
noun
1. naam van een gewaterde zijden stof
riabhach
noun
2. plak
bar
cardinalNumeral
1. het getal 80
ochtó
noun
taicéacairde
noun
stuaim
/tɑkˈtik/
noun
1. een manier om onder gegeven omstandigheden een doel te bereiken
beartaíocht
pronoun
1. de officiële taal van Tadzjikistan en een variant van het Perzisch
Taidsícis
/taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
  1. an Táidsíceastáin
  2. Táidsíceastáin
/ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
  1. tábla
  2. bord
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Tábla
/ˈtafəlˌklet/
noun
kleed dat als bescherming of versiering over een tafel ligt
brat boird
noun
1. een lamp die men op tafel kan zetten
lampa boird
noun
1.
línéadach boird
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
ping pang
noun
1. fijn zout
salann mín
noun
1. sojakoek gemaakt van sojamelk
tófú
/tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
tíofún
/tɑj'ʋɑn/
pronoun
an Téaváin
noun
Téavánach
/tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
  1. craobh
  2. géag
noun
1.
brosna
noun
1. onaangename vrouw die vaak ruzie zoekt
dallóg fhraoigh
noun
figiúr
adjective
1. begaafd
tréitheach
noun
1.een klier om de haarzakjes, die talg afgeeft
faireog gheireach
noun
1. benaming voor kleine vogels uit het geslacht Anas of het geslacht Callonetta
praslacha
/tɑlk/
noun
talc
/'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
Tallinn
noun
1. talreep
láinnéar
adjective
1. groot in aantal
líonmhar
noun
1. het groot in aantal zijn
flúirse
noun
1. schuine vlak naast weg of dijk
ardú
noun
1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
tamaraine
noun
1. trommelslager die de maat aangeeft bij het marcheren van soldaten
druma
noun
1. muziekinstrument
tambóirín
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het zuiden van het land
Tamil Nadu
noun
3. ophef
borrán
noun
  1. 2. scherp uitsteeksel
    fiacail
  2. 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
    1. fiacail
    2. déad
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
fiaclóir
/'tɑndɑrtzbor/
noun
1. een soort kleine boor waarmee de tandarts zieke tanden openboort
druilire
adjective
1. zonder tanden
carballach
noun
1. fiets
rothar beirte
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
scuab fiacla
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
bior fiacla
noun
1. holte in het kaakbeen waarin een tand zit
ailbheolas
/ˈtand.pɑs.taː/, /ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
taos fiacla
/tɑntpɛin/
noun
1. pijn in één of meerdere tanden
déideadh
/ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
drandal
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
flas fiacla
verb
    1. 2. looien
    2. 3. vaalgeel/bruin kleuren
    cart
  1. 1. verzwakken, afnemen, slinken, verflauwen, verminderen, aflopen
    laghdú
/tɑŋ/
noun
  1. 2. oude vrouw
    dallóg fhraoigh
  2. 1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
    teanchair
noun
  1. 3. spelwoord voor de letter t
    Tomáisín
  2. 1. tango
    tangó
/tɑŋk/, /tɛŋk/
noun
1. een groot vat
sistéal
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantalam
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantalam
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
  1. aintin
  2. aintín
/ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
Tansáin
noun
    1. 5. schroefdraadsnijgereedschap
    2. 7. aftapkraan aan vat
    3. 8. aftakking van kabel of leiding
    buacaire
  1. 4. dunner gemaakte uiteinde van de buis van een blaasinstrument
    gustún
  2. 2. uiteinde van as
    maighdeog
noun
1. plakband
téip
noun
cairpéad
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
taipióca
noun
1.buffet met biertap
beár
verb
  1. 1. tappen van vloeistof
  2. 2. tappen van schroefdraad
buacaire
noun
1. horecagelegenheid waar men m.n. bier kan drinken
bar
noun
1. militair afsluitend signaal
dord na hoíche
/tɑˈrif/
noun
1. een vastgesteld bedrag per eenheid
liosta táillí
noun
meáchan glan
verb
1. het bepalen van het niet bruikbare gewicht
meáchan glan
/ˈtɑrʋə/
noun
  1. 3. zaad van tarwe
  2. 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
cruithneacht
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
mála
noun
mála láimhe
pronoun
Tasmáin
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan, gelegen tussen Australië en Nieuw-Zeeland
Muir Tasman
verb
carnán
verb
airigh
noun
  1. 2. taster van insect
    adharc
    1. 1. iets of iemand die tast
    2. 3. een instrument
    adharcán
pronoun
1. de autonome republiek van Rusland met de hoofdstad Kazan
an Tatarstáin
noun
1. mond waarmee iemand kan spreken
béal
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
tatú
/tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
tatuálaim
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
dord na hoíche
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
dord na hoíche
/tɑuˈge/
noun
1. uitlopers van mungbonen
péacán pónaire
verb
ráta
/tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
tacsaí
verb
1. over de grond op wielen voortbewegen van vliegtuigen
innill
/tə/
suffix
1.
ú
preposition
1. plaats
do
phraseologicalUnit
aibéiseach
preposition
1. in het midden van
i lár
noun
1. kostbaar tropisch hardhout gemaakt van Tectona grandis
téac
noun
1.
téac
/tiːm/
noun
  1. 1. een ploeg van bij elkaar horende spelers
  2. 2. een groep samenwerkende mensen
foireann
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
teicnéitiam
noun
1. iemand die techniek toepast
teicneoir
noun
1. De bewerkingen en verrichtingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen
teicníc
adjective
1. op techniek betrekking hebbend
teicniúil
noun
1. iemand die zijn beslissingen maakt op basis van zakelijke en wetenschappelijke inzichten
teicnealathaí
noun
teicnealathas
adjective
1.
teicnealathach
noun
teicneolaíocht
adjective
beadaí
noun
1. het teder zijn
armacas
/tef/
noun
1. wijfjeshond
soith
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
sceartán
noun
1. zwarte, vruchtbare grond met veel verteerd organisch materiaal
cré
noun
1. deel van de mannelijke anatomie waarin het zaad wordt aangemaakt
caid
noun
1. laag vruchtbare aarde waarin men gewassen kan kweken
cré
noun
cultúr
noun
1. vingers van de voet
  1. ladhar
  2. méar
noun
1.
déagóir
noun
1. elk van de botjes in de teen
falang
noun
iall
noun
1. deel van schoeisel dat bij de tenen zit
barraicín
/ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
tarra
noun
1. asfalt, waarin naast bitumen ook teer als bindmiddel gebruikt is
tarmac
noun
  1. 1. van iets dat het makkelijk kapot kan gaan
    aibrisce
  2. 2. zacht en gevoelig
    armacas
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
dísle
/təfi'la/
noun
1.
tefillin
/təˈfɪlə/
noun
1.
tefillin
/təˈfɪlo/
noun
1.
tefillin
/ˈteɣəɫ/
noun
1. een rechthoekig stenen voorwerp dat meestal wordt gebruikt voor het bedekken van oppervlakten
tíl
/təɣəˈlɛɪk/
adverb
1. op hetzelfde moment
ag an am céanna
/teːɣən/, /teːχən/
preposition
  1. 1. zijdelings aanleunend
  2. 2. oneens met, ter bestrijding van
i gcoinne
adverb
1. tegen
i gcoinne
noun
1. een actie tegen een actie
frithbheart
noun
1. contrast
ar aghaidh
noun
1. het tegenovergestelde
ciotrúnta
/ˌteɣə(n)ˈdrats/
adjective
1. tegen de draad, weerspannig
ciotrúnta
noun
1.
frithéileamh
/ˈteɣə(n)ɣəstɛɫt/
adjective
1. de negatieve waarde van iets hebbend
urchomhaireach
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
frithnimh
verb
  1. 1. iets of iemand stoppen
  2. 2. verhinderen
coisc
adverb
1. zich tegen iets verzettend
i gcoinne
/'te.ɣən.ko.mə(n)/
verb
1. bij toeval ontmoeten
tar ar
preposition
1. aan de overzijde van
ar aghaidh
adjective
1. aan de overzijde liggend
sall
adjective
1. precies andersom
urchomhaireach
noun
1. hetgeen wat precies voorstelt wat iets helemaal niet is
ar aghaidh
adjective
1. aan de overkant liggend
urchomhaireach
noun
1. iemand die de pauselijke titel opeist zonder door het Vaticaan als paus erkent te zijn
frithphápa
noun
1. iemand met een tegengesteld karakter
ar aghaidh
verb
1. weerstand bieden door wilde bewegingen te maken
an fód a sheasamh
noun
2. iemand die met een ander samenspeelt
páirtnéir
noun
1. ernstige pech, toestand met belangrijke tegenslag
meathlú
noun
1. tegenspreken, ontkennen
éaradh
verb
1. al mopperend protesteren
áitigh
verb
cró gunna
noun
1. verzet
urchomhaireacht
noun
1. het tegenovergestelde
fritéis
noun
het iemend tegenwerken
urchomhaireacht
verb
iemand tegenwerken
an fód a sheasamh
verb
1. weerstand bieden
an fód a sheasamh
adjective
1. niet overeenstemmend
bréagnaitheach
noun
1. iets tegenstrijdigs
bréagnú
noun
1. tegenslag
díomá
noun
frithionaid
noun
1. een voorstel als antwoord op een voorafgaand voorstel
fritairiscint
noun
1. verdediging
friotóir
adjective
1. verzet biedend
frithfhórsa
noun
1. tegenstand
urchomhaireacht
verb
aidhm
noun
agóid
noun
1. wind tegen
gaoth chinn
adjective
  1. 2. aanwezig
    i láithir
  2. 1. huidig
    sruth
noun
1. vorm die aangeeft dat het huidige moment bedoeld wordt
aimsir láithreach
noun
1. aanwezigheid
fianaise
noun
1. het geen zin hebben in iets
drogall
noun
creidmheas
noun
1. vaste verblijfplaats
baile
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
fógra
noun
1. iemand die beroepsmatig tekent
fear táiplise
noun
leabhar sceitseála
adjective
1. van iets dat het precies laat zien wat iets is of betekend
gnáth-
noun
  1. 5. een beschrijving
    comharthaí
  2. 4. een bouwkundig ontwerp
    dear
  3. 1. een door tekenen ontstane afbeelding of voorstelling
    dearadh
  4. 3. een wijze waarop iets van figuren is voorzien of zich in figuren vertoont
    pátrún
  5. 2. een ondertekening
    síniú
noun
2. een verzameling grafische symbolen die men gebruikt voor communicatie
tacar carachtar
noun
1. een ontbrekende hoeveelheid
easpa
noun
uireasa
noun
  1. 2. de woorden van een compositie voor stemmen
    liricí
  2. 1. verzameling letters en/of woorden
    téacs
adjective
téacsach
noun
nótáil
noun
1. natuurlijke processen
teicteonaic
adjective
1. betrekking hebbend op de aardplaten, de breuken in de aardplaten en hun verschuivingen
teicteonach
/ˌtelefoˈneːrən/
verb
1. een telefoon gebruiken
foghar
noun
teileafónaíocht
/ˌtelə'fon/, /ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
  1. teileafón
  2. guthán
noun
1. een uniek nummer toegewezen aan een telefoonaansluiting
uimhir fóin
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
fón
noun
1. verbinding tussen twee plaatsen met een telefoonlijn
cleamhnas
noun
teileagraf
verb
1. per telegraaf berichten
teileagraf
noun
berichten overseinen door middel van de telegraaf
teileagrafaíocht
noun
oifig
noun
teiliméadracht
verb
1. door nauwgezette verzorging doen groeien
saothraigh
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Teileascóp
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
teileascóp
adverb
1. een onaangenaam gevoel hebbend omdat een verwachting of hoop niet uitgekomen is
díomá a bheith ort
verb
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
cuir díomá ar
adjective
1.
díomá
noun
1. een emotie opgeroepen door het niet uitkomen van een verwachting
díomá
noun
  1. 2. medium
    1. teilifís
    2. teilifíseán
  2. 1. elektrisch apparaat
    1. teilifíseán
    2. teilifís
noun
1. televisieomroep
teilifís
/tɛlx/
noun
1. lid van een familie
beangán
verb
1. aantal bepalen
comhair
/ˈtɛlər/
noun
cuntar
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
teallúiriam
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
teallúiriam
noun
1. eenvoudige rekenmachine
áireamhán
noun
1.
ballóg
noun
1.
abacas
pronoun
1. een Dravidische taal met ongeveer 70 miljoen sprekers
Teileagúis
noun
1.
cuntar
noun
figiúr
verb
1. tam maken
ceansaigh
/ˈtɛm.pəl/, /ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
teampall
noun
réiteacht
/ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
teocht
noun
1. blauwdruk
múnla
/'tɛmpo/
noun
luas
adjective
aimseartha
noun
  1. 1. verleiding
    aimsiú
  2. 2. kwelling, marteling
    ciap
noun
1. de tijd waarin de persoonsvorm staat
aimsir
adverb
1. luidt het eerste lid van een opsomming van minstens twee argumenten in
ar an gcéad dul síos
postposition
1. niet kunnende verhinderen dat het toch gebeurt
ainneoin
noun
1. wagen achter een locomotief
armacach
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
Tenerife
/tɛŋər/
adjective
1. smal van postuur
caol
verb
1. tot niets terugbrengen
cealaigh
noun
1. aanklacht door openbaar aanklager
costas
adverb
1. duidt een minimale voorwaarde aan
ar aon nós
noun
1. balsport
leadóg
noun
cúirt leadóige
noun
leadóg
noun
1. een ontsteking van de peesschede
trálach
noun
2. bloeddruk
brú fola
/tɛnˈslɔtə/
adverb
1. immers
i ndeireadh na dála
noun
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
puball
noun
adharcán
noun
1. het toetsen van kennis opgedaan bij één vak
scrúdú
noun
1. weefsel waarvan een tent is gemaakt
anairt
/ˈtɛntəˌkɑmp/
noun
1. een kamp met tenten als behuizing
suí
/tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
taispeántas
noun
1.
anairt
/ˈtɛn.zɛɪ/
conjunction
1. behalve wanneer
mura
noun
1. snaarinstrument uit de luitfamilie
siotaróiné
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
dide
noun
1. bedekking op de tepel voor erotische of artistieke doeleinden
pastae
adjective
1. wat misvormingen in de ontwikkeling van de baby veroorzaakt
teiritigineach
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
teirbiam
/təˈrɛxt/
adjective
1. gegrond op een juist oordeel, dat wat het goede is
oiriúnach
/təˈrɛxt/
adverb
1. teruggevonden
ar ais
verb
coimeádán
verb
1. het beëindigen van een mensenleven op gerechtelijk bevel
básaigh
noun
bású
verb
1.
achasán
/təˈrɛxtwɛizɪŋ/
noun
1. vermaning
achasán
verb
1. met teer besmeren
tarra a chur ar
/ˈtɛrɣənt/
adjective
1.
anacrach
noun
2. verzamelnaam voor ziektes waarbij de patiënt wegkwijnt
créachta
noun
  1. 1. waardeloze rommel
    cac
  2. 2. onoverzichtelijke en zeer onaangename toestand
    praiseach
/tɛrəm/
noun
1. een woord of uitdrukking
téarma
/tɛrˈmɛin/
noun
1. een vast tijdstip waarop iets gaat gebeuren of iets gebeurd moet zijn
téarma
noun
téarmaíocht
/tərˌnaʊərˈnot/
adverb
1. bijna niet, op het nippertje
ar éigean
adjective
1. ontmoedigd, somber vanwege tegenslag
atuirseach
noun
1. een vetoplossend oplosmiddel dat uit de sappen van bepaalde dennensoorten gewonnen kan worden
ola bhí
noun
een met een horecaterras vergelijkbare plek in een tuin
lochtán
noun
scéin
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
sceimhlitheoireacht
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
sceimhlitheoir
adverb
gan fhios
adverb
1. onmiddellijk, meteen
láithreach bonn
noun
1.
tréach
/trʏχ/, /təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
ar ais
adjective
1. terugkijkend naar het verl
aisbhreathnaitheach
/t(ə)ˈrʏɣ.drɪŋə(n)/
verb
2. beperken, zie ook verminderen
laghdaigh
/təˈrʏχaːn/
verb
1. naar de punt van vertrek gaan
fill
noun
1.
aischéimniú
verb
fill
verb
1.
fill
noun
abstanaid
verb
1. een min of meer elastische botsing ondergaan
athléim
noun
fill
verb
1. gaan naar een plaats waar men eerder vandaan kwam
fill
/tə'rʌxkomə/
verb
1. opnieuw naar een plaats komen waar men eerder geweest is
fill
/tər'ɵxkɔmst/
noun
fill
noun
aiseolas
verb
cúlaigh
/tə'rɵxlopən/
verb
  1. 1. verminderen
    aife
  2. 2. weer naar het beginpunt van een route lopen
    fill
/tə'rɵxnemə(n)/
verb
1. een voorwerp opnieuw in bezit terugontvangen
aisghabh
verb
athléim
noun
cúlaigh
verb
1.
athléim
verb
1. (door schrik of angst) weggaan
frithbhuail
verb
bruscar
/tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
  1. 1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
  2. 2. hoewel
agus
pronoun
1. naam van twee boeken uit het Nieuwe Testament
Teasalónaigh
/tɛst/
noun
  1. 1. probeersel
  2. 3. toets
tástáil
noun
1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
tiomna
adjective
tiomnach
noun
1. iets of iemand die iets test of beproeft
scrúdaitheoir
noun
1. teelbal, zaadbal
magairle
noun
1.
fianaise
noun
1.
balbhán
noun
1. een infectieziekte die door een gifstof leidt tot spierspasmen
teiteanas
/tøx/
noun
1. een grote slok
fear táiplise
pronoun
2. spelwoord voor de letter t
Tomáisín
verb
1. te langzaam iets doen
faillí
noun
1. datgene wat over is boven de gewenste hoeveelheid
anbharr
/təˈvredə(n)/
adjective
1. geen behoefte voelend om aanmerkingen te maken
sásta
/təvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel genoeg te hebben en voldaan te zijn
sásamh
/tə'vredənˌstɛlə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iemand tevreden wordt
sásaigh
verb
1. veroorzaken
airnéis
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
téalainnis
/ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
Téalainn
noun
1. grijze stof van de tussenhersenen
talamas
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
tailliam
adverb
adrásta
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
amharclann
noun
1. een organisatie die zich bezighoudt met het repeteren en uitvoeren van theatervoorstellingen
compántas
adjective
2. overdreven zoals een acteur doet op het toneel
gáifeach
/teː/
noun
tae
noun
  1. 1. blad van de theestruik
    cnámhóga tae
  2. 2. dienblad
    tráidire
noun
1.
mála tae
noun
1. een kleine lepel om thee mee te roeren
spúnóg bheag
pronoun
1.de grootste rivier van Engeland
Tamais
noun
1. kan met deksel en schenktuit waarin een warme drank wordt bereid door bladeren in heet water te laten trekken
taephota
noun
1. vaatwerk voor de thee
foireann taeghréithe
noun
1. theeplant
tae
/tema/
noun
1. een onderwerp dat behandelt wordt
téama
pronoun
2. spelwoord voor de letter t
Tomáisín
noun
1. een beoefenaar van de theologie
diagaire
noun
teoirim
/ˌteɔːˈretis/
adjective
1. wat niet perse in de werkelijkheid voorkomt, m.b.t. feiten en wetten berustende ...
teoiriciúil
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
teoiric
noun
iemand die een patiënt behandelt
teiripeoir
noun
1. opstijgende warme luchtbellen in de atmosfeer
teirmeach
adjective
1. met betrekking tot warmte
teirmeach
noun
1. de leer van warmte en arbeid
teirmidinimic
adjective
teirmidinimice
/ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
teirmiméadar
noun
teirmeasféar
noun
teirmeastat
/ˈtora/
pronoun
1.-3.
Tórá
adjective
1. met betrekking tot de borstkas
tóracsach
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
tóiriam
pronoun
1. uitgestorven Indo-Europese taal uit de Balkan
Tráicis
/tœʏs/, /tœːs/
noun
1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
sa bhaile
/tœysbəzɔrɣə(n)/
verb
1. afleveren aan huis
fuascail
noun
1. geheel van organisaties en activiteiten waarmee de burgerbevolking een bijdrage aan de oorlog levert
fronta baile
noun
  1. 2.plaats waar iemand zich thuis voelt of thuis hoort
    abhaile
  2. 1.haven waar een schip geregistreerd is
    port cláraithe
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
túiliam
noun
tíreastóir
/ˌtiroˈid/, /ˌtiroˈit/
noun
1.een klier gelegen aan de voorzijde van de hals
faireog thíoróideach
pronoun
  1. 1. autonome regio
  2. 1. voormalig land
Tibéid
noun
1. een inwoner van Tibet, of iemand afkomstig uit Tibet
Tibéadach
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
Tibéadach
noun
ticéad
cardinalNumeral
1. het getal 10
deich
noun
2. kerkbelasting
deachú
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
deichiú
noun
deich míle
noun
1. jongere tussen 10 en 20 jaar oud
déagóir
noun
1. biljet van tien euro
páipéar deich bpunt
adjective
1. met veel levenslust
ardaigeanta
noun
1. vrouwelijke borst
faireog mhamach
/tɛit/, /tɛɪ̯d/, /tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
am
preposition
1. gedurende de tijd dat
le linn
noun
1. iemand die in dezelfde historische periode leefde
comhaois
noun
airle
noun
1.
sprioc-am
noun
peiriad
noun
1. blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
iris
noun
1.
peiriad
noun
1. de tijdsperiode tussen twee momenten in de tijd
peiriad
noun
1.
cúrsa
noun
1. een punt in de tijd
am
noun
1.
amchrios
noun
cailleadh aimsire
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
tíogar
verb
1.
luíochán
noun
1.
siorc tíograch
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus tigrinus
cat beag ballach
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
tím
/ˈtɪkə(n)/
verb
  1. 1. een of meer keren een niet harde slag of klap geven
    boiseog
  2. 3. typen
    clóscríobh
  3. 2. het regelmatige, korte maar energieke geluid van zo'n slag of klap
    éadach tochta
noun
1.
clóscríbhneoireacht
noun
2. een vogelbehuizing zonder ren
colmlann
adjective
1.
aistritheach
/tɪlə(n)/
verb
  1. 1. van de grond opheffen
    ardaitheoir
  2. 2. iemand tekortdoen
    cúigleáil
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
cearpantóir
verb
1. houten zaken in elkaar zetten
cruth
noun
crainn leagtha
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
cearpantóir
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
cearpantóir
noun
1. een vrouw die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
cearpantóir
noun
1. werkruimte van een timmerman
siúinéireacht
pronoun
Tíomór
pronoun
Tiomóid
noun
scheikundig element
  1. piútar
  2. stán
noun
1. elk van de stukjes onderbroken muur bovenaan een wand van een gebouw of vestingwerk
meiril
adjective
1.van tin vervaardigd
stánmhar
noun
tinniteas
noun
snamh
noun
  1. 1. prikkelend gevoel
    codladh driúraic
  2. 2. glinstering van licht
    glioscarnach
pronoun
2. spelwoord voor de letter t
Tomáisín
/tɪp/
noun
  1. 1. een uiterste punt van iets
    aird
  2. 2. een inlichting over iets
    fógra
noun
meallac
/ˈtɪ.pə.lar.stər/
noun
2. prostituée op straat
striapach sráide
/'tɪpsi/
adjective
1. dronken
ar meisce
noun
aintiarna
noun
1. onrechtmatige heerschappij, gekenmerkt door willekeur en geweld
aintiarnas
/tirɑ'nik/
adjective
1.
aintiarnúil
verb
1. overheersen op een vervelende manier
ansmachtaigh
/ˈtɪʃri/
noun
1.
Tisrí
/ti'tan/
noun
tíotáiniam
pronoun
1.
Tíotán
adjective
1.
ábhalmhór
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
tíotáiniam
noun
  1. 1. opschrift van een document
    ceannscríbhinn
  2. 2. aanduiding van een persoon
    céim
noun
1. officieel document dat duidelijk aangeeft en vastlegt wie eigenaar van een goed is
gníomhas teidil
/ˈtitʏs/
pronoun
Títeas
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
tiuf-teaf
/ˈtjɪlpə(n)/
verb
1. geluid maken zoals kleine vogeltjes doen
gíog
pronoun
1. Athabaskische taal gesproken door ongeveer 500 mensen in Canada en Alaska
Clincitis
verb
1. brood roosteren
tósta
noun
1. broodrooster
tóstaer
verb
1. zich ergens zorgen over maken
cuir imní ar
noun
2. glijbaan
sleamhnaigh
/dɔx/, /tɔx/, /tɔχ/
adverb
2. in weerwil van iets
mar sin féin
noun
  1. 2. activiteit waarbij men naar een of meer bestemmingen gaat
    aistear
  2. 1. bewegende koude lucht binnen een ruimte als gevolg van openingen naar buiten
    fear táiplise
noun
1.
poll séidte
noun
1. waardeloze, smerige, oude lap
ceamach
/'tubərɛidə(n)/
verb
1. eten klaarmaken
stócáil
noun
1.
inleadh
verb
ceangal
verb
araoid
verb
  1. 1.
    a
  2. 2.
    aitreabúid
verb
1.ondersteunen
lón
noun
1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
iontráil
noun
1. een houding die getuigt van een niet al te grote strengheid
fulaingt
adjective
1.
réidh
verb
  1. 2. erkennen
    admhaigh
  2. 1. toestaan
    ceadaigh
adjective
1. geneigd de wensen van een ander in te willigen ook als je het er eigenlijk niet mee eens bent
aclaí
verb
1. luisteren
éist
verb
1. met gejuich begroeten
gáir
noun
1.
bualadh bos
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Túcán
noun
1. benaming voor tropische vogels uit de familie Ramphastidae
túcán
verb
1.
crap
adjective
fáistineach
noun
1.
aimsir fháistineach
noun
todhchaí
adjective
1. van de tijd die komen gaat
fáistineach
verb
1. niet onmogelijk maken of verbieden
ceadaigh
noun
plean
noun
1.
fochonraitheoir
verb
1. verduidelijken
mínigh
/ˈtulɪxˌtɪŋ/
noun
1. nadere tekst om het te verduidelijken
mínithe
noun
1. stroom van belangstellenden naar een bepaald punt
freastal
verb
1.
éist
/tun/
adverb
1. op of na dat tijdstip
ansin
/tun/
conjunction
1. op het tijdstip dat
nuair
noun
2. bijnaam
fadú
noun
1. het groter worden in aantal of maat
ardú
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
tundra
noun
1.
ardaigh
noun
1. de mate waarin iets praktisch te gebruiken is
oiriúint
adjective
1. dat wat er goed bij hoort of op van toepassing is
acrach
verb
  1. 2. gebruiken
    caith
  2. 1. in de praktijk brengen
    cuir i bhfeidhm
noun
    1. 1. een manier waarop iets gebruikt wordt
    2. 2. het in de practijk brengen van iets
    aip
  1. 1. een computerprogramma
    feidhmchlár
/'turbørt/
noun
1.
deil
noun
2. touringcar
bus
verb
1, aanreiken
meil
noun
1. het reizen voor ontspanning
turasóireacht
noun
1. een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
cuairteoir
noun
1. een vrouwelijk persoon die voor haar plezier reist
cuairteoir
verb
1.
gairm bheatha
noun
1. benodigdheden voor een taak
acmhainn
/tuˈsxitələk/
adjective
1. welwillend
fonnmhar
verb
taibhsigh
verb
faire
verb
1. het auteurschap of de eigenaar van iets associëren met iemand
a
noun
1. een bonus vanwege een specifieke situatie
brabach
noun
ailléideach
noun
  1. 1. broodbeleg
    leath
  2. 2. nagerecht
    milseog
verb
1. van ruzies en conflicten deze verergeren
faobhraigh
/ˈtuspra:k/
noun
1. een voordracht voor een groter publiek
óráid
verb
seoladh
verb
1. iets niet verbieden, iets mogelijk maken
ceadaigh
/'tustɑnt/
noun
geheel van omstandigheden
bail
noun
    1. 2. vliegtuig
    2. 3. telefoontoestel
    adhmad
  1. 1. een werktuig dat uit meer dan één onderdeel bestaat
    gléasra
verb
toiligh
noun
een toezegging dat iets geoorloofd is
deoin
verb
1. iemand zo mishandelen dat hij of zij zichtbaar lichamelijk letsel heeft
aoire
noun
1. gerecht waarmee een maaltijd kan worden afgesloten
milseog
noun
3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
cnaipe
noun
1. het indrukken van een toets van een toetsenbord
bain do
verb
tástáil
/ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
  1. eochairchlár
  2. méarchlár
noun
iarracht
/ˈtuːvɑl/
noun
2. een aanval van epilepsie
ruaig
verb
2. dichtvallen
deireadh a chur ar
noun
amhantar
/'tuvɛ(n)/
verb
1.
fan
verb
cuir in iontaoibh
/'tuvlut/
noun
1.
rabharta
noun
dídean
noun
dún
noun
1. datgene wat met een groter geheel verenigd wordt
agús
/tuʋɛɪ̭zə(n)/
verb
1. goederen of fondsen een bestemming geven
gearr
verb
1. beloven
gealltanas
noun
gealltanas
noun
gúna
/'to.ɣo/, /ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Tóga
/tʋɑ'lɛt/
noun
  1. 1. een plaats waar men zich kan ontlasten
  2. 3. persoonlijke verzorging
maisiúchán
noun
1. deel van een gebouw waar de toilet(ten) zijn
ionlann
/ˈtojrə/
noun
1.
Tórá
pronoun
1. de hoofdstad van Japan
Tóiceo
verb
2. snaren bespelen
liomóg
noun
cábóg
/tɔl/
noun
  1. 1. om zijn as draaiend voorwerp
  2. 2. kinderspeeltuig
uachtar
adjective
1.
réasúnta
adjective
1. verdraagzaam
fulangach
noun
1. de bereidheid ander gedrag dan het eigen te dulden
fulaingt
verb
cuir suas le
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
teangaire
noun
1. inner van tol of belastingen
tábhairneoir
noun
1. weg voor het gebruik waarvan betaald moet worden
bóthar dola
/toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
tráta
noun
citseap
noun
1. een vruchtensap dat uit tomaten is bereid
sú tráta
noun
1. gewone britse soldaat
Tomáisín
noun
1. röntgenfoto waarbij slechts één vlak scherp wordt afgebeeld (doorsnede)
tomagrafaíocht
noun
  1. 1. een vat in de vorm van...
    bairille
  2. 2. een tonvormige boei
    baoi
noun
sponc
noun
sponc
noun
sponc
/toˈnel/
noun
ardán
noun
1. groep mensen die een toneelstuk uitvoeren
compántas
noun
1. het vak van het maken van een toneelvoorstelling
dráma
noun
1. iemand die een toneelstukken schrijft
drámadóir
noun
aisteoir mná
noun
aisteoir
noun
1.iemand die een rol in een toneelstuk speelt
aisteoir
/tonə(n)/
verb
2. laten zien
taispeáin
noun
  1. 2. wat gesproken wordt
    teanga
  2. 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
    1. teanga
    2. cailín dearg
/ˈtɔŋval/
noun
1. het accent waarmee iemand spreekt
blas
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
tuinnín
noun
1. inhoudsmaat voor een schip
tonnáiste
noun
céislíneachtóime
noun
1. spierspanning
cuma
noun
3. dubbele segmentboog
arc
noun
breáthán
verb
1. iets versieren
maisigh
/ton/
noun
een geluid met een bepaalde herkenbare hoogte
cuma
noun
1. toonhoogte
airde
noun
1. toonkunst
ceol
noun
1. een volgens bepaalde schema stijgende of dalende opeenvolging van tonen
cae
noun
1.
modhnú
noun
1. woede, gram
corraí
noun
tóirse
/ˈtostə(n)/
verb
1. een heildronk uitbrengen, op iets of iemand drinken
tósta
noun
1. iemand die een heildronk uitbrengt
tóstaer
noun
afast
noun
1. het onderwerp van gesprek
cuspóir
noun
1. onderdeel aan de bovenkant van de toets van een gitaar
cnó
noun
toipeolaíocht
noun
1. plaatsnaamkunde
logainmníocht
noun
2. fig.
apaigí
noun
1. onderdeel aan de bovenkant van de toets van een strijkinstrument
cnó
noun
ciaróg
/tɔːrə(n)/
noun
  1. 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
    1. caiseal
    2. túr
  2. 1. een hoog bouwwerk
    túr
noun
1. hoogste punt van een toren
spuaic
noun
1.
scréachóg reilige
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
pocaire gaoithe
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
tornádó
verb
2. te niet doen
briseadh
noun
1. snel en wendbaar oorlogsschip
argthóir
noun
1.
búit
verb
1.
iompair
noun
1. opzettelijk toegebrachte pijn
pianadh
noun
tarbh
pronoun
Tuscáin
/tɔt.ʋe.dər.ˈɦoː.rə(n)/
interjection
1. een groet waarmee iemand aan de telefoon afscheid neemt
beannacht Dé leat
/tɔt.ˈʋeːr.zins/
interjection
1. een groet waarmee iemand afscheid neemt
beannacht Dé leat
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
slán
noun
1. alle onderdelen tezamen
cuir le chéile
noun
ollsmachtachas
noun
lándorchadas
conjunction
go dtí go
noun
tótam
verb
  1. 1. inwendig onderzoeken met de vingers
    bain do
  2. 2. in ontvangst nemen
    faigh
/ˈtɑurə/
noun
1.
Tórá
noun
1. een luxe autobus om reizen of uitstappen mee te maken
bus
noun
carbhán
noun
1. een toegangspoortje dat personen slechts stuk voor stuk doorlaat
geata casta
/ˈtɑuro/
noun
1.
Tórá
/tɑu̯/
noun
1. een middel om zaken bij elkaar te binden
téad
noun
1. een mannelijk iemand die kan toveren
asarlaí
noun
1. een vrouwelijk iemand die kan toveren
bandraíodóir
noun
1. een zin (spreuk) waarmee, als deze wordt uitgesproken, men op bovennatuurlijke wijze iets kan bewerkstelligen
rith tinnis
noun
1. tovenares
amaid
/ˈtovərkʏnst/
noun
1. mogelijkheid om langs bovennatuurlijke weg resultaten te bereiken
draíocht
noun
1. staf om mee te toveren
slaitín draíochta
noun
1. giftigheid
tocsaineacht
/ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
tocsaineolaíocht
noun
tocsain
adjective
1. giftig
nimhiúil
/traːx/
adjective
1. met geringe snelheid
mall
noun
  1. 1. het langzaam zijn
    leadrán
  2. 2. ook inertie genoemd
    táimhe
noun
1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
deoir
noun
1. een van de beederen van de schedel
deorach
verb
caoin
noun
1. huilen
caoin
noun
1. een ademhalingsbuisje bij insecten, duizendpotigen, springstaarten, spinachtigen en fluweelwormen
aerchonair
verb
1. een poging in het werk stellen
triail
/ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
tarracóir
noun
1. vezelbundel
dréacht
adjective
1. volgens de oude gewoonte
gnásúil
/tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
traidisiúnta
phraseologicalUnit
Sínis Traidisiúnta
/traˈxedi/
noun
  1. 1. een toneelspel dat handelt over een bedroevende gebeurtenis
  2. 2. gebeurtenis met een droevige of rampzalige afloop
tragóid
noun
1. schrijver van tragedies
aisteoir traigéide
adjective
cinniúint
verb
1. het doen van lichamelijke oefeningen
treoraigh
noun
traenálaí
noun
1. een oefening
oiliúint
/trenstər/
noun
1.
traenálaí
/trɛ.dyˈɲɔ̃/
noun
1. het teken, een liggend streepje, dat wordt geplaatst tussen delen van een...
fleiscín
/trɑk'tat/
noun
  1. 1. overeenkomst tussen staten
  2. 2. verhandeling
conradh
noun
tuarastal
verb
cóireáil
/tram/, /trɑm/, /trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
tram
noun
1.
fothragadh
noun
trampailín
noun
1. een spoorweg die speciaal gebouwd is voor gebruik door trams
trambhealach
verb
díog
noun
1.
croslann
/trɑnsˈfɛːr/
noun
1. overdracht
aistreog
verb
2. veranderen van sportclub
aistreog
noun
trasfóibe
abbreviation
claochladán
noun
trasraitheoir
/'trɑnzitif/
adjective
aistreach
adjective
1. van voorbijgaande aard
duthain
noun
1.
duthain
verb
aistrigh
noun
aistrigh
pronoun
1.
an Tras-dnístiria
adjective
1. lichtdoorlatend
trédhearcach
noun
1. doorzichtbaarheid
gléine
noun
1.
allas
verb
allasaigh
verb
1. de overzetting van biologisch materiaal naar een andere plaats in hetzelfde of naar een ander lichaam
athphlandáil
noun
iompar
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
iompair
pronoun
an Trasalváin
noun
1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
staighre
noun
1.
log staighre
verb
1. met een krachtige beweging van de voet raken of verplaatsen
ciceáil
verb
1. een gebied doorkruisen of doortrekken
taobhfort
noun
trasfheisteoir
noun
2. satelliet
satailít
noun
1. taps toelopende buis, gebruikt voor het vullen van vaten
tonnadóir
noun
runga
verb
truslóg
noun
1.
muileann coise
/tre/
noun
2. opstapje dat deel uitmaakt van een ladder
runga
verb
1. raak schieten
aimsigh
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
traein
/ˈtrɛɪtərə(n)/
verb
1. rottigheid uithalen ten nadele van iemand met het doel diegene dwars te zitten
plá
adjective
1.
bearránach
noun
  1. 3. verlangen naar eten
    dúil
  2. 1. iets dat iemand karakteriseert
    gnéchlár
noun
1.
poll séidte
verb
  1. 4. aandacht opwekken
    aom
  2. nog te sorteren
    fear táiplise
noun
2. een tractor
tarracóir
noun
láinnéar
noun
1. voetpaden waarover men een tocht kan maken van de ene naar de andere plaats
slí
noun
1. een pot waarin men thee kan laten trekken
corcán tae
noun
1. een vogel die 's winters een andere verblijfplaats kiest dan in de broedtijd
éan aistreáin
/trɛkzɑk/
noun
1. een instrument met een blaasbalg die een wisseltonig stelsel doorslaande tongen bedient in diatonische stemming
cnaipe
noun
1. diakritisch teken
déiréis
noun
1. beving
creathán
noun
marbhna
verb
1. verdrietige gevoelens koesteren, vaak na het verlies van iemand of iets
buair
noun
brón
/'trørlit/
noun
1.
caoin
noun
1.
gruaim
noun
1. bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, Salix babylonica
saileach shilte
noun
1.
caoin
noun
1. behendigheidswedstrijd
tástáil
noun
2. overlegprocedure, in het wetgevend proces, tussen Parlement, Commissie en Raad van de EU
cruinniú tríthaobhach
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
triantán
noun
1. meetmethode die gebruikmaakt van het feit dat een driehoek volledig bepaald is als...
triantánacht
noun
binse breithimh
noun
1. de plaatsen voor het publiek
fulaing
noun
1. stadswijk in het oude Rome
treibh
noun
1.
ómós
noun
1. parasitaire haarworm die bij mens en dier kan voorkomen
snáthphéist
adjective
1. op een bedrieglijke manier gevaarlijk
leice
adjective
1. somber stemmend
brónach
noun
triantánacht
/'trɪlə(n)/
verb
1. snel heen een weer bewegen
creath
noun
1. gesprek tussen drie personen of groepen
cruinniú tríthaobhach
noun
1. een periode van drie maanden
ráithe
/ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
Tríonóide agus Tobága
noun
  1. 1. feestelijke intocht
  2. 2. grootse overwinning of prestatie
caithréim
adjective
1. de overwinning vierend; als past bij een overwinnaar of overwinning
áitheasach
verb
caithréim
noun
1. compositieplaat betaande uit 3 laagjes gelijmd hout in verschillende vezelrichtingen
sraithadhmad
noun
murúch fir
noun
1.
murúch fir
noun
1. politiek leiderschap dat uit drie gelijkwaardige personen bestaat
triúracht
adjective
cúrsa
noun
1. (politieke) onrust
suaitheadh
noun
1. kaart van de soort die troef is
mámh
noun
1. een vervelende vrouw
bó
noun
caitín
noun
1. een grote groepen mensen en wapens die samen een leger vormen
éifeacht
verb
1.iemand liefkozend knuffelen
barróg
/ˈtruvə(n)/
verb
mámh
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
trófaí
noun
1. een driekantige platte schep met handvat voor het opbrengen van metselspecie
lián
noun
  1. 2. een langgerekte, nauwe en diepe kloof in de zeebodem veroorzaakt door subductie van een tektonische plaat.
    díog
    1. 1. een langgerekte voederbak.
    2. 3. een langgerekte uitstulping van een lagedrukgebied.
    trach
pronoun
an Traí
/'trɔ.li.bɵs/
noun
bus tralaí
/ˌtrɔmboˌsitopeˈni/
noun
1. het symptoom dat men een te laag aantal bloedplaatjes of trombocyten heeft.
trombaicítipéine
noun
1. een koperen blaasinstrument
trombón
noun
1. de vorming van een bloedprop in een bloedvat of het hart
téachtán fola
noun
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
druma
noun
drumadóir
verb
1. ritmisch op iets slaan
béim
noun
1.
bata druma
noun
tiompán na cluaise
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
trumpa
verb
géim
noun
1. musicus die een trompet bespeelt
trumpadóir
/troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
cathaoir ríoga
noun
ceannbhrat
noun
1. het aftreden als vorst
tabhairt suas
noun
1. aanvaarding van vorstelijke macht, met de daarbij horende ceremonie
corónú
noun
1. steun bij verdriet of pijn
sólás
verb
1. als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven
consól
noun
1. streken tussen beide keerkringen
teochrios
noun
  1. 2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
    braisle
  2. 3. een scheepskabel
    cábla
adjective
  1. 2. vervuld van grootsheid
    anúdarásach
  2. 1. erg blij met wat men (bereikt) heeft
    bródúil
noun
  1. 1. denken dat men beter is dan anderen
  2. 2. het gevoel dat men wil pronken met wat men heeft of doet
anumhlaíocht
preposition
1. ondanks
ainneoin
verb
1. niet laten afschrikken door iemand of iets
tabhair dúshlán
noun
1. stroming binnen het leninisme, die Stalins politiek te weinig marxistisch vindt en een minder autoritaire en meer internationalistische benadering voorstaat
Trotscaíochas
/trɔˈtʋar/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
cosán
noun
1.
trínítreatolúéin
/trʌʊ/
noun
1. het zich houden aan...
dílseacht
noun
  1. 1. echtbreuk
    adhaltranas
  2. 2. ontrouw in het algemeen
    neamhdhlisteanacht
verb
1. het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
pós
/ˈtrɑuwəns/
adverb
1. overigens
dála an scéil
adjective
1.
aonach
/tryk/
noun
3. open vrachtwagen
leoraí
noun
strufal
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
geansaí
/tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
sár
noun
1.
bansár
/tʃad/, /tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Sead
/tʃɛx/, /tʃɛχ/
noun
1. een inwoner van Tsjechië, of iemand afkomstig uit Tsjechië.
Seiceach
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
Seicis
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
Poblacht na Seice
/ˈtʃɛxi.jə/, /ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
  1. Seic
  2. Poblacht na Seice
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
an tSeicslóvaic
pronoun
1. een taal die in Tsjetsjenië gesproken wordt
Seisniach
pronoun
1.
Seisnia
/tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
súnámaí
noun
1. een koperen blaasinstrument met lage toon
tiúba
/ˌtybɛrkyˈlozə/
noun
1. een ziekte veroorzaakt de de tuberculosebacterie Mycobacterium tuberculosis
eitinn
adjective
1. tubuleus, in de vorm van een buisje, buisjes betreffend
feadánach
noun
araíonacht
verb
1.
ceartaigh
noun
1. (lichamelijk) bestraffing
ceartú
noun
1.
tuf
verb
3. met touw of kabel vastmaken
teaghrán
/tœy̯x/
noun
  1. 2. machine of constructie
    acmhainn
  2. 3. uitschot
    daoscar
  3. 4. harnas
    gabháil
  4. 1.
    ní
  5. 5. scheepstoerusting
    rigín
noun
1. het geheel van masten, bomen, zeilen en touwwerk van moderne zeilschepen
rigín
verb
  1. 1. eruitzien
    amharc
  2. 6. intuigen
    gabháil
noun
1. Tursiops truncatus, dolfijnsoort met robuust gestroomlijnd lichaam
deilf bholgshrónach
/tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
gairdín
noun
1.
garraíodóir pictiúrtha
noun
1. afgegrensd stuk tuin
ceapach
noun
pónaire
noun
gairneoir
noun
1.
gairdín margaidh
noun
2. bouwsel in een tuin om spullen op te slaan
bothán
noun
1.
teach gloine
noun
1. en 2. cultuurplant en eetbaar kruid Lepidum sativum
biolar gairdín
noun
peirsil
noun
1.
seilide donnliopach
noun
píobán gairdín
noun
easpa eorna
verb
schenkpijp aan een kan of ketel
gob
noun
1. hoofddeksel
turban
noun
1. plant
tiúilip
noun
1. een gezwel
siad
/tyˈmʏlt/
noun
1.
borrán
/ty.ˈne.zi.jə/, /tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
  1. An Túinéis
  2. Túinéis
noun
ionar
noun
1. lange bloes of korte jurk vaak gedragen over een lange broek door vrouwen
ionar
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
tollán
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
tuirbín
adjective
amaideach
verb
1. veen als brandstof
móin
noun
1.
caonach móna
/tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
Turcach
/tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
  1. An Tuirc
  2. Tuirc
pronoun
1. de taal die door de Turkmenen in Turkmenistan en Afghanistan gesproken wordt
Tuircméanastánach
pronoun
Tuircméanastáin
/tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
  1. Tuircis
  2. Turcach
noun
1.
fearán baicdhubh
pronoun
1. stad in Finland
Túrcú
verb
1. tellen in groepen van vijf streepjes
scór
/ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
idir
/ˌtʏsənˈdoːrtjə/
noun
1. een versnapering, iets te eten tussen de maaltijden door
raisín
adjective
1. van iets dat het tussen twee zaken in is
idirmheánach
noun
1.
bearnas
noun
1.
scáineadh
noun
1. dunne wand tussen twee ruimtes in; dunne wand die een ruimte in tweeën deelt
landair
/ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
intriacht
noun
1.
idiraisnéis
/ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
Tuvalu
/twaːlf/, /tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
  1. dó dheag
  2. dó dhéag
noun
1. het middageten
lón
/tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
  1. dó
  2. dhá
/tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
  1. dhá
  2. dó
adjective
1. bestaande uit twee atomen
dé-adamhach
noun
1. geribbeld wollen weefsel
bréidín
/ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
dara
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
ginideach
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
An Dara Cogadh Domhanda
noun
1. eduel
comhrac aonair
/ˈtweːˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 200
dhá chéad
/ˈtʋeklɑŋk/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
défhoghar
noun
1. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
clapsholas
/ˈtwelɪŋ/, /ˈtʋelɪŋ/, /ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
cúpla
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 21 mei tot 21 juni
Cúpla
adverb
1. in twee gevallen
dhá uair
noun
1.
leaba dhúbailte
/'twespɑlt/
noun
1.
bruíon
noun
1.
comhrá
noun
1. een voorgestelde manier om het Israëlisch-Palestijns conflict te beëindigen, door twee onafhankelijke staten op te richten op het grondgebied van het voormalige mandaatgebied Palestina (historisch Palestina)
Réiteach an Dá Stát
/ˈtʋestrɛɪt/
noun
1. conflict tussen twee mensen
comhrac aonair
adjective
dátheangach
noun
dátheangachas
noun
ciogal
adjective
1. met, of aan twee kanten, belangen, partijen etc.
déshleasach
cardinalNumeral
1. het getal 22
dó is fiche
cardinalNumeral
1. het getal 62
seasca is dhá
/ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
aincheas
verb
2. het vermoeden hebben dat iets niet waar is
aincheas
/twɛɪ̯x/, /tʋɛɪ̯χ/, /tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
craobhóg
verb
bí ag lúbarnaíl
verb
1. schitteren van sterren
drithle
/ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
fiche
ordinalAdjective
fichiú
noun
1. een langdurig geschil
imreas
/ˈtwɪstə(n)/, /ˈtʋɪstə(n)/, /ˈtβ̞ɪstə(n)/
verb
  1. 1. onenigheid hebben
    bruíon
  2. 2. een discussie voeren
    imreas
noun
1. begripomschrijving
achrann
/tiˈfon/, /tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
tíofún
noun
1. door bepaalde karakteristieken herkenbare soort
clóscríobh
/ˈtɛɪ̯.pə(n)/
verb
1. gegevens invoeren
clóscríobh
verb
tréithrigh
adjective
1. wat kenmerkend is voor iets of iemand
gnáth-
adjective
  1. 1. vreemd, eigenaardig
    fiosrach
  2. 2. kenmerkend
    tipiciúil
noun
clóscríobhaí
noun
clóscríobhaí
noun
2. grafische vorm van tekst
clóghrafaíocht
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
Muir Thoirian
/yː/
noun
1. u
u
/yː/
personalPronoun
u (pers.vnw.)
sibh
/ˈyfo/
noun
1. vliegend voorwerp waarvan de identiteit niet bekend is, meestal in verband met een (vermeende) buitenaardse oorsprong
úfó
/œʏ̯/, /œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
oinniún
noun
1. de melkklier van een herkauwer
úth
adjective
1. grappig
barrúil
/œʏ̯ɫ/, /œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
ulchabhán
noun
2. benaming voor nachtvlinders uit de familie van de uilen (Noctuidae)
leamhan
/œʏ̯t/, /œːt/
preposition
1. geeft aan van welke plaats iets komt
as
/ˈœytˌadəmən/
verb
asanálaigh
noun
1. het uitademen
asanálú
verb
1. heel precies het gewicht verdelen zodat het zwaartepunt precies op de gewenste plaat ligt
ailínigh
verb
1. iets uitdrijven of wegjagen
coisc
noun
2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
brúchtadh
noun
1. iets dat weergeeft wat zintuigelijk niet waarneembaar is
dreachadh
verb
1. met een beitel uithakken
gearrthóir
/ˈœʏtbenə(n)/, /ˈœːdbeːnə(n)/, /ˈœːtbenə(n)/
verb
1. het been uit (het vlees) halen
cnámh
verb
1.
bachlaigh
noun
1. hevige berisping
achasán
verb
1. iets een groter oppervlak laten innemen
fadaigh
verb
1. eieren verwarmen totdat deze uitkomen
póraigh
verb
liú
noun
1.
caipitlí
/ˈœʏtbœʏtiŋ/
noun
1. het gebruik van iemand maken zonder daar naar waarde voor te belonen
dúshaothrú
adjective
1. het gewone of de maat overschrijdend
fairsing
noun
1.
anamúlacht
verb
1. iemand met woord of daad tot actie prikkelen
dúshlán
/ˈœʏdaχɪŋ/, /ˈœːdaɣɪŋ/
noun
1. taak die moeilijk te verwezenlijken valt
dúshlán
verb
1. meerdere personen ergens op trakteren
scaoil
verb
1. uitwissen
bodhraigh
verb
ceap
/ˈœydɛiə(n)/
verb
  1. 1. meer of groter worden, toenemen
    breisiú
  2. 3. dikker worden
    mórtas
noun
1. het groter worden in lengte en of breedte
at
verb
  1. 2. kleding afleggen
    bain de
  2. 1. uitschakelen
    cuir isteach ar
noun
1.
díothú
verb
tirim
verb
1. een gevoel of gedachte in taal verwoorden
cuir in iúl
/ˈœytrʏkɪŋ/, /ˈœːdrʏkɪŋ(g)/, /ˈœːtrʏkɪŋ/
noun
  1. 2. verbinding van woorden
  2. 3. geheel van sprekende gelaatstrekken
  3. 4. het uitdrukken, uiting
dreach
verb
1. uitleggen, uiteenzetten, beschrijven
cuir in iúl
verb
1. door persen iets of iemand uit iets anders verwijderen
cuir in iúl
/œʏ̯tˈen.χan/, /œːtˈen.ɣan/
verb
deighil
verb
1. met gebruik van geweld verspreiden
ruaig
adjective
1. van allerlei soorten
difriúil
verb
1. een verklarende uitleg van iets geven
mínigh
/ˈœʏ.tεɪn.ˌdә/, /ˈœː.tεːn.ˌdə/
noun
foirceann
/œʏˈtɛɪndələk/
adjective
1. afsluitend, niet tussendoor maar op het eind komend
deireanach
/œʏˈtɛɪndələk/
adverb
1. na een hele tijd
i ndeireadh na dála
noun
dreach
adjective
foirceann
adverb
cumasach
verb
1. uitschelden
agóid
verb
    1. 1. ophouden met branden
    2. 3. naar de bar, disco of restaurant gaan
    amach
  1. 4. naar buiten gaan
    téigh amach
/'œʏtχɑŋ/, /'œːtɣaŋ/
noun
bealach amach
noun
1. de aannames en veronderstellingen waar men van uitgaat
tús
/ˈœʏtχavə/, /ˈœːdɣavə/, /ˈœːtxavə/
noun
    1. 2. reeks van uitgeven literaire werken
    2. 4. uitgegeven werk
    atheagrú
  1. 1. bedrag dat men uitgeeft
    costas
  2. 3. het uitgeven van een werk
    foilseachán
noun
gné
adjective
1. heel goed doordacht, (te) slim
críonna
adjective
1. moeilijk om te slim af te zijn
críonna
adverb
1. dodelijk vermoeid
tuirseach traochta
noun
1.
díbeartach
adjective
stuama
adjective
scóipiúil
verb
  1. 1. financiële middelen aanspreken
    caith
  2. 2. een geschrift in drukvorm verspreiden
    foilsigh
noun
1.
deoraí
verb
1.
sceamh
verb
1. door glijden ten val komen
sleamhnaigh
noun
1. blunder
sleamhnaigh
verb
2. ongedaan maken
glan
verb
1.
dealbhaigh
verb
1.
cruaigh
/œʏtˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens niet voorkomend
andúchasach
noun
  1. 1. het dusdanig weinig voedsel laten nuttigen dat dit op den duur verhongering tot gevolg heeft, meestal doelbewust
  2. 2. het uitgehongerd/verhongerd zijn
gorta
verb
ceistigh
verb
1. langdurig moeilijkheden verdragen of belasting dragen
béar
/œyt'hœyzəx/
adjective
1.
rásaí
verb
1. een huwelijk arrangeren voor een meisje; een meisje aanbieden om mee te trouwen
scaoil
/ˈœʏ̯tɪŋ/, /ˈœːtɪŋ/
noun
dreach
noun
  1. 1. gelegenheid waarbij mensen uitgaan en vertier zoeken
    coinne
  2. 2. bol van Allium cepa gebruikt om voedsel op smaak te brengen
    beag
verb
1. honend toeroepen
bí ag faíreach
verb
1. uitschelden
ceartaigh
verb
curca
noun
1. betaling van geld op basis van sociale wetgeving
brabach
verb
ceap
verb
1. uit een aantal mogelijkheden één of meer selecteren
togh
verb
  1. 2. met verlangen op iets wachten
    coinne a bheith agat ar
  2. 1. voorzichtig zijn
    fainic
verb
2. luidkeels iets (onzinnigs) vertellen
tabhair dúshlán
verb
2. uittrekken
bain de
/ˈœʏ̯tlat/, /ˈœːtlaːt/
noun
1. een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden
folmhaigh
noun
1. een verhaal bedoeld om iets begrijpelijk te maken
mínithe
verb
  1. 3. iets leggend uitspreiden
    leath
  2. 1. iets doen begrijpen
    mínigh
noun
míniú
verb
1. een gevangene in handen van een andere autoriteit overdragen
eiseachaid
verb
2. speciaal benadrukken
bain
noun
ailíniú
verb
logáil amach
noun
1.
gríosú
verb
  1. 2. nieuwe takjes en blaadjes krijgen
    bachlaigh
  2. 1. een ruimte verlaten
    fág
verb
1. het beloven van een beloning
armacach
verb
  1. 3. beslissen
    cinn
  2. 1. beëindigen
    cuir ar scor
  3. 2. doven
    múch
verb
barra
noun
1. niet gemiddeld
éalárnacht
noun
2. uitrusting
acmhainn
adjective
1. voortreffelijk
mín
noun
1.
ardchéim
adjective
1. prettig en comfortabel en daardoor verleidelijk om te gebruiken
caithiseach
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
cuireadh
verb
1. in praktijk brengen
cuir i bhfeidhm
noun
crábhadh
/ˈœʏtpɑkə(n)/, /ˈœːtpɑkə(n)/
verb
  1. 1. uit een verpakking halen
    clúdach a bhaint de
  2. 2. uit een omhulsel halen
    díphacáil
/'œytpɪkə(n)/
verb
2. door pakken een gekozen element uit een verzameling kiezen
piocóid
verb
1.
climir
verb
1. uitrusten
branra
adjective
2. uiterst vermoeiend
maslach
noun
1. uitputtende oorlog, oorlogsvoering
cogadh tnáite
verb
1.
rois
verb
1.
ísligh
/œytˈrɛkə(n)/
verb
1. door trekken of uitstrekken groter maken
réimse
verb
an
noun
1. een plaats of opening waardoor of waarlangs men kan of moet uitrijden
bealach amach
verb
2. uit emotie luid roepen
scread
noun
1. !, een leesteken dat uitdrukt dat de zin een uitroep, bevel of uitdrukking van verbazing is
comhartha uaillbhreasa
noun
1.
malairt
verb
1.
folmhaigh
noun
1. benodigdheden voor een taak
acmhainn
verb
2.door andere schakeling deactiveren
cuir as
verb
1. stoppen
coisc
verb
1. verwijderen met een lepel of schop
taom
verb
4. uitlopen, uitspruiten
bachlaigh
/'œytsxrewə(n)/
verb
1.
scread
verb
1.
fadaigh
verb
1.
cnaígh
/'œɪtslɑχ/
noun
1. afloop, resultaat
iarmhairt
/œʏtˈslœʏtənt/
adjective
1. geen ruimte voor andere mogelijkheden latend
bonn
noun
teach tábhairne
noun
1. firmament, de hemel
neamh
verb
1. besparen
ainic
noun
2. besparing
barainneacht
noun
ainmheasarthacht
/'œytsplɪtsə(n)/
verb
1. verdelen
scáineadh
/œytspra:k/
noun
1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
fuaimniú
verb
1. over een groter oppervlak leggen
scaoil
verb
bachlaigh
/'œytstɑlə(n)/
verb
1.etaleren
clár
noun
1. plaats waar dingen goed zichtbaar worden neergelegd zodat iedereen het duidelijk kan zien
ceartú
noun
1.
fuinneog
/'œytsteksəl/
noun
1.
caitheamh amach
verb
3. uitstrekken, bijvoorbeeld van een ledemaat
réimse
/'ʌʏt.ste.kənt/, /ʌʏt.'ste.kənt/
adjective
2. uitmuntend
ar fheabhas
noun
faillí
verb
1. naar een later tijdstip verschuiven
faillí
verb
1.
fóir
noun
1. van planten- en dierensoorten dat zij ophouden met te bestaan
díothú
verb
amach
verb
  1. 1. materiaal door storten verspreiden over de ondergrond
    folmhaigh
  2. expr: zijn hart uitstorten
    scaoil
verb
astaigh
verb
fadaigh
verb
ceirt
verb
caoin
noun
2. biologisch materiaal van de baarmoedermond dat op een objectglaasje wordt uitgesmeerd
maipíneacht
verb
2. beschrijven
dreach
verb
1.
clóscríobh
verb
1.
túr
noun
1.
cúlaigh
noun
1. een beknopte beschrijving van een inhoud
achoimre
verb
ceist
noun
1. kerkdienst die gehouden wordt vlak voor een begrafenis
cluiche caointe
verb
1.
glan
noun
1. verkiezing
togha
verb
ceap
noun
1. persoon die uitvindingen doet
aireagóir
noun
1. de daad van het uitvinden, het ontdekken van een nieuwe methode of een nieuw toestel
aireagán
/'œytfɪsə(n)/
verb
1.
taighde
verb
1.
glan
/ˈœytflujsəl/
noun
1.
iarmhairt
verb
1. iets of iemand vloeken toeroepen
agóid
adjective
1. mogelijk om uitgevoerd te worden
sodhéanta
verb
    1. 2. afhandelen, voltrekken, ten uitvoer brengen
    2. 3. software runnen
    cuir i bhfeidhm
  1. 1. exporteren
    easpórtáil
noun
2. het ten gehore brengen van een bepaald werk
láithreoireacht
verb
  1. 1. indringend vragen
    ceist
  2. 3. vragen of iemand met je uit wil gaan
    coinne
verb
1.
cuisnigh
verb
1. vanuit één punt naar verschillende kanten gaan
ruaig
noun
2. ongewenste of ziekelijke doorontwikkeling
ainmheasarthacht
noun
1. de vochtige, bedompte damp die van een warmer, vochtig voorwerp of persoon afkomt
gal uisce
verb
anallas
verb
1. lozen van overtollig water
bánaigh
adjective
1. zich aan de buitenkant bevindend
imeachtrach
verb
1. naar buiten werpen
aisig
verb
  1. 1. na een juridisch proces naar een ander land sturen
    eiseachaid
  2. 2. de waarheid aan het licht brengen
    éirígh
verb
3. besparen
ainic
noun
barainneacht
verb
malairt
noun
malairt
verb
scrios
verb
1. iets kwaads zolang door laten gaan dat het vanzelf ophoudt; tot bedaren komen
síothlaigh
verb
cuimil
/'œytsajə(n)/
verb
2. bij kanker dat de kanker op andere dan de oorspronkelijke plaats gaat groeien
scaip
noun
meiteastáis
verb
  1. 1. straling uitzenden
    astaigh
  2. 2. een programma uitzenden
    craol
verb
2. iemand dwingen een gebied of gebouw te verlaten
eiseachaid
noun
1. wat men van de omgeving vanaf een bepaalde plek kan zien
radharc
/'œy̆t.sin/
verb
  1. 2. naar een verlangen koesteren
    ag súil le
  2. 1. een zekere aanblik hebben
    féach
verb
1. een selectie maken uit een grotere verzameling
togh
/œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
eisceacht
/œʏtˈzɔndərlək/
adjective
1. niet alledaags, niet gewoon
eisceachtúil
verb
1.
ruaig
noun
1.
ucailéile
noun
1. zweer
othras
noun
1. maagzweer
othras peipteach
adverb
foirceann
noun
1. blauwe verfstof, blauw pigment dat van nature wordt aangetroffen in het mineraal lazuriet
gorm ultramhuiríneach
adjective
1. van elektromagnetische straling, net buiten het gebied van het spectrum dat met het menselijk oog zichtbaar is
ultraivialait
pronoun
1. Bantoetaal gesproken door 6,2 miljoen mensen in Angola
Ciombundais
/ˈumlʌʊt/
noun
  1. 1. trema dat een vocaalwijziging aangeeft
  2. 2. vocaalwijziging o.i.v. een klinker in de volgende lettergreep
umlabht
/ʏnɑˈnim/
adjective
1. met eenheid van stemmen
comhaontach
noun
aontoilíocht
/'ʏndərgrɑunt/
noun
2. subcultuur die zich afzet tegen de gevestigde orde
ceilte
noun
aontas
/y.ˈnik/
adjective
1. enige in zijn soort
uathúil
adjective
1. éénvormig, gelijkvormig
aonfhoirmeach
noun
aonfhoirmeach
noun
comhionannas
adjective
1. éénzijdig
leataobhach
noun
aonad
adjective
aonadach
noun
aontas
adjective
1. alom bekend, vertegenwoordigd of erkend
uilechoiteann
adjective
acadóir
/ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
ollscoil
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
cruinne
verb
1.
achtáil
verb
1. een bestand van een lokale computer of server naar een computer of server op afstand overbrengen
lódáil suas
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
úráiniam
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
úráiniam
pronoun
  1. Uránus
  2. Úránas
adjective
1. stedelijk
uirbeach
noun
1. een trek van de landelijke gebieden naar de stad
cathrú
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
úiréadra
noun
úiré
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
  1. fual
  2. mún
noun
1.bij zoogdieren een orgaan dat de urine uit de nieren verzamelt en deze opslaat tot het moment van urineren
fual-lamhnán
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
úiréadra
noun
1. de buis die loopt tussen het nierbekken en de blaas
úiréadar
/ˌyriˈnɪːrə(n)/
verb
1. het via de blaas lozen van lichamelijke afvalstoffen in de vorm van vloeistof
mún
noun
fualán
pronoun
1. de Latijnse naam van het sterrenbeeld de Grote Beer
Béar Mór
pronoun
1. de Latijnse naam van het sterrenbeeld de Kleine Beer
Béar Beag
noun
1. allergische irritatie van de huid
urtacáire
/ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /ˈuruˌɡwe/, /ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
Uragua
noun
bealach
verb
1. toe-eigenen, onrechtmatig in bezit nemen, zich aanmatigen
forghabh
verb
1.
bain úsáid as
adjective
fóntaíoch
noun
1.
fóntachas
noun
1.
fóntaíoch
adjective
1.
fóntaíoch
/ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
útóipe
adjective
útóipeach
adjective
útóipeach
/ˈytrɛx/, /ˈytrɛxt/, /ˈytrɛχt/
pronoun
2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
Utrecht
/yːr/
noun
1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
uair
noun
1. tabel waarin staat op welke tijden je moet werken of les hebt
uainchlár
noun
1.
uainchlár
noun
1. een mechaniek dat de tijd bijhoudt of aangeeft
clog
/yu̯/
possessivePronoun
bezittelijk voornaamwoord uw
bhur
adjective
anfhollas
noun
1.
laige
/vaːk/
adverb
1. vele malen
go minic
/val/, /vaɫ/
adjective
1. tot bijna kleurloos verbleekt
tréigthe
noun
feá
noun
1. vlag
fógra meirge
noun
± onderscheidende vlag van een schip en/of militaire eenheid
bratach
adjective
sciliúil
/ˈvaːrdəxɦɛːt/, /ˈvaːrdəxɦɛːɪt/
noun
1. het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem juist op te lossen
scil
/ˈvarɣøːl/, /ˈvarχʏːɫ/
noun
  1. 1. een relatief smalle strook in een groter water die geschikt is om te bevaren
  2. 2. een strook bevaarbaar water tussen twee zandbanken
cainéal
noun
bearach
noun
  1. 2. kanaal, bevaarbaar gemaakte watergang
    canáil
  2. 3. het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
    iompar
  3. 1. opgebouwde snelheid
    luas
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
bláthchuach
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
miasniteoir
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
miasniteoir
/vakˈsæː/, /vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
vacsaín
noun
1. een inenting
vacsaíniú
noun
vacsaín
verb
1. een injectie met een vaccin geven
vacsaínigh
noun
1. behaarde huid van een dier, vel van woldragende dieren, met de wol erop
bian
noun
1. materievrije ruimte
folús
noun
1.
feá
noun
1. een mannelijke ouder
athair
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
Lá na nAithreacha
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
athairtír
noun
1. een gevoel van trots voor (bepaalde aspecten van) het land van herkomst of (mocht er emigratie plaatsvinden) land waarin een persoon woonachtig is
tírghrá
noun
1. het loom, lui, slaperig en traag zijn
drogall
adjective
1. op een niet heel duidelijke manier
laige
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
faighin
noun
1. een pelswerk, een heraldische kleur die een regelmatige verdeling is van twee tinten
véir
noun
  1. 3. schoolvak
    ainmní
  2. 1. beroep
    jab
/vɑˈkɑn(t)si/
noun
  1. 1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
  2. 2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
laethanta saoire
noun
lá saor
adjective
1.
feidhmiúil
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
ceardchumann
noun
1.
leathcheann
/'vɑgjɑrxɔn/
noun
1.
béarlagair
noun
1.
scil
adjective
in ann
noun
1. een man die zijn vak of professie verstaat
fear ceirde
noun
1. een vrouw die een vak beheerst en ook beoefent
gairmiúil
noun
foclóirín
/vɑɫ/
noun
  1. 7. fruit dat uit de boom gevallen is, niet geplukt is
    amhantar
  2. 4. hoogte van waarvandaan iets naar beneden valt
    sileadh
    1. 1. omlaag gaan
    2. 2. ten gevolge van de zwaartekracht naar beneden gaan
    3. 3. onvrijwillig ergens op terecht komen
    tit
  3. 8. beweegbare vloer van een ophaalbrug
    urlárlach
  4. 10. apparaat met een vallende deur of klem met als doel dieren te vangen
    dol
pronoun
València
noun
fiús
/valeri'jan/
noun
1. bloeiende plant Valeriana officinalis
caorthann corraigh
adjective
1. in staat tot werken en normaal functioneren
sláintiúil
noun
bailíocht
/vɑlk/
noun
1. roofvogel
fabhcún
noun
1. een laagte tussen bergen
gleann
verb
  1. laten vallen
    sileadh
  2. 1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
    tit
adjective
  1. 3. kwaadaardig
    ainbhéasach
  2. 1. niet echt
    bréag-
noun
airgead
noun
1. mythologisch ondood wezen
deamhan fola
preposition
  1. 1. geeft bezit aan
    an
  2. 2. geeft herkomst aan
    ó
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
vanaidiam
adverb
  1. 2.duidt een vertrekpunt (plaats) aan
    as
  2. 1.duidt een tijdstip aan waarna (en waarop) iets geldt
    ó
adverb
tráthnóna
adverb
1. op deze dag
inniu
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
loitiméireacht
adverb
ar leith
verb
    1. 1. te pakken krijgen
    2. 2. onderscheppen
    beir ar
  1. 3. verdienen
    cosain
/vɑŋs/, /vɑŋst/
noun
beir ar
/vɑ'nijə/
noun
een smaak- en geurstof geëxtraheerd van de vanilleplant
fanaile
adverb
  1. 1. de komende nacht
    anocht
  2. 2. de afgelopen nacht
    aréir
/va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
  1. Vanuatú
  2. Poblacht Vanuatú
preposition
1. een plaats aangevend die als oorsprong fungeert
ó
preposition
1. door een bepaalde reden
mar gheall ar
noun
1. iets dat zo logisch te verwachten is dat men het niet expliciet hoeft te vertellen of te bewijzen
urra
noun
1. Varanidae, de grootste levende hagedis
laghairt mhonatóra
noun
1. een sporenplant
raithneach
noun
athruithe
noun
greabhán na gcos
noun
sórt
noun
  1. 1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
  2. 2.
muc
noun
onder-/zijkant van de buik van een varken
bolg muiceola
noun
1. geslacht van kruidachtige planten, Polygonum
glúineach bheag
noun
  1. 1. overdekt verblijf voor varkens
  2. 2. een zeer smerig huis
cró muc
noun
muiceoil
adjective
1. met betrekking tot de bloedvaten
feadánach
noun
veasailín
adverb
  1. 1. niet los, stevig bevestigd
    comhlacht
  2. 3. hoogstwaarschijnlijk
    is dócha (go)
noun
1. zonder op besluiten terug te komen
scaoil
verb
1. door draaien iets ergens aan bevestigen
dlúthaigh
/vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
mórthír
verb
1. zich onthouden van voedsel
bí ag troscadh
pronoun
máirt na hInide
verb
1. iets of iemand grijpen en vasthouden
barróg
verb
1. beletten dat iets losgaat
barróg
noun
1. het blijven doorgaan met het werken naar een bepaald doel en niet opgeven
buanseasmhacht
noun
1.
diongbháilteacht
verb
seam
verb
1. met kluisters of ketenen ergens aan vastmaken
slabhra
verb
1. twee zaken met elkaar verbinden met een knoop
alt
verb
1. vastplakken van iets dat eigenlijk niet de bedoeling is
calc
verb
  1. 2. ervoor zorgen dat iets vastzit aan iets anders
    ceangail
  2. 1. bewaren van gegevens
    gabháil
verb
1. met naald en draad twee zaken met elkaar verbinden
arraing
verb
1. iets of iemand grijpen en vasthouden
barróg
verb
1.
biorán
verb
1. met schroeven vastmaken; met een draaiende beweging vastmaken
bolta
verb
1.
ionga
verb
1. met een of meer spelden vastmaken
biorán
verb
1. met spijkers bevestigen
dias
adjective
cinnte
verb
  1. 1. bevestigen dat iets zo is.
    daingnigh
  2. 2. opleggen.
    suigh
verb
1. iets zodanig zetten...
diongbháilte
noun
  1. 1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
    bairille
  2. 3. ader
    galún
noun
1. het gevoelig zijn voor iets; het kunnen overnemen van een eigenschap
leochaileacht
/vatiˈkanstɑt/, /vatiˈkaːnstɑd/, /vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
Cathair na Vatacáine
verb
  1. 1. vastgrijpen
    bain
  2. 3. opdoen
    beir ar
  3. 2. begrijpen
    feic
noun
1.
cuir i bhfráma
noun
vasáilleach
noun
1.
fostát
verb
1. strijd leveren
bruíon
/ˈvɛxtər/
noun
1. iemand die een gevecht niet uit de weg gaat
gaiscíoch
noun
1.
coileach comhraic
adjective
1.
cogúil
noun
afrasc
noun
veicteoir
noun
1. iemand die op de vedel speelt
fidléir
noun
cleite
noun
1. een groep gekleurde veren of pluimen die ter versiering op een hoofddeksel is geplaatst
buaic capaill
noun
1. gewichtsklasse bij kracht- en vechtsporten
cleite
adjective
1.
tuirling
/veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
stoc
noun
1. iemand die zich specialiseert in de geneeskunst van dieren
tréidlia
noun
1.
aoirigh
/feɪɫ/, /veːl/
indefiniteCardinalNumeral
  1. 1. groot in hoeveelheid
  2. 2. groot in aantal
a lán
adverb
1. in de meeste gevallen, vaak
d'fhormhór
adjective
tréitheach
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
polagán
adjective
1.
polagánach
adjective
1.
il-
adverb
1. de meeste tijd; over het algemeen
go minic
noun
méadaí
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
glutan
adjective
1. vaak
minic
adjective
  1. 1. met een groot aantal kanten, vlakken, facetten
  2. 2. met diverse belangen, gebruiksmogelijkheden, interessen etc.
iltaobhach
noun
1. het veel mogelijkheden of kwaliteiten hebben; het geschikt zijn voor veel taken
ilchumas
/ven/
noun
  1. 2. gebied
    eanach
  2. 1. grondsoort
    móin
/'venbɛs/
noun
1.
mónóg
noun
1.
caoch-chriogar
noun
1.
sfagnam
/veːr/, /vɪːr/
noun
  1. 1. lichaamsbedekking van een vogel
    cleite
  2. 2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
    sprionga
  3. 1. boot of schip toegewijd aan het onderhouden van een regelmatige verbinding over een rivier of een ander water
    bád calaidh
noun
bád calaidh
noun
1.
bád calaidh
adjective
1. veerkrachtig
leaisteach
noun
1. een overzetvaartuig
bád calaidh
/ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
ceathair déag
ordinalAdjective
an ceathrú ... déag
/ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
  1. daichead
  2. ceathracha
noun
1. buikwind
broim
noun
1.
bóitheach
noun
stoc
verb
1. zonder water schoonmaken met een borstel
cuimil
noun
1. om mee te vegen
giolcach shléibhe
adjective
1. als of voor vegetariërs
feoilséantach
noun
feoilséantóir
noun
1. een drager
feithicil
/ve'hikəl/
noun
1.
carr
adjective
ar díol
/ˈvɛilə(n)/
verb
1. verkopen op een openbare verkoping waar een prijs vastgesteld wordt
ceantáil
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
slán
noun
1. een situatie waarin een bepaald gevaar niets kan aanrichten
tearmann
noun
1. een stevige band die iemand in een voer- of vliegtuig vasthoudt in zijn zetel ter bescherming tegen onverhoedse bewegingen
crios sábhála
noun
1. (militaire) organisatie die ingezet kan worden om met inzet van geweld...
fórsaí slándála
/ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
ceant
verb
1. zich onecht voordoen
lig ar
noun
fimíneach
noun
  1. 2. afgestroopte huid
    barr brutha
  2. 1. dunne laag
    bileog
/vɛlt/
noun
  1. nog na te kijken
    páirc
    1. 1. open stuk land
    2. 2. stuk land voor het bedrijven van een sport
    réimse
noun
1. verplaatsbaar geschut dat men gebruikt op het slagveld
airtléire machaire
/ ˈvɛltflɛs /
noun
1. een afsluitbare en draagbare fles, meestal uit metaal of plastic vervaardigd, die gebruikt wordt om de drager buitenshuis van vocht te voorzien
bialann
noun
ospidéal machaire
noun
circín starraiceach
noun
1. en 2. (bladeren van) kruidachtige plant Valerianella locusta
ceathrú uain
noun
1. een treffen tussen twee of meer legers
cath
noun
iathchloch
/vɛltɔxt/
noun
1. een trektocht van een leger met het doel de vijand te verslaan
feachtas
/ˈvɛld.zyː.rɪŋ/, /ˈvɛɫ.tsyː.rɪŋ/
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Rumex acetosa
samhadh
/ˈveːlən/
verb
béar
/vɛlx/, /vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
fonsa
/vəˈlur/
noun
1.
veilbhit
noun
meitheal
noun
ceant
noun
1. openbare verkoping
ceant
adjective
1. met betrekking tot de geslachtsziekten
véinéireach
pronoun
1. een taal die in de Veneto-regio gesproken wordt
Veinéiseach
//
pronoun
1. provincie in Italië
  1. An Veinéis
  2. Veinéis
/ˌvenəzoˈlan/, /ˌvenəzoˈlaːn/
noun
1. een inwoner van Venezuela
Veiniséalach
/ˌvenəzyˈweːla/, /ˌvenəzyˈβ̞ela/, /ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
Veiniséala
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
iúr
noun
1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
finéal
noun
páirtnéir
noun
1. onderneming of bedrijf met meerdere aandeelhouders
comhlacht
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
fuinneog
noun
1.
gloine fuinneoige
noun
1. een schot waarmee men een venster aan de binnen- of buitenkant van een gebouw kan afsluiten
caoch
noun
1. het raamwerk waarin het glas gevat kan worden dat een opening in een muur afsluit
cás fuinneoige
noun
1.
gloine fuinneoige
noun
1. kerel, man
leathcheann
noun
comhla
noun
aeráil
noun
gaothrán
verb
1. verse lucht in een ruimte brengen
aeraigh
pronoun
1. planeet
Véineas
noun
cuilghaiste Véineas
adverb
1. op grote afstand
fada
verb
1.
léirigh
noun
1. het oneervol zijn
coireacht
/vərˈɑxtə(n)/, /vərˈɑçtə(n)/
verb
  1. 1. in hoge mate minachten
    drochmheas a bheith agat
  2. 2. trotseren
    dímheas
noun
dímheas
/vərˈadəmɪŋ/
noun
1.
fuascailt
adverb
1.
iargúlta
adjective
1. op grote afstand
iargúlta
/vɛ.ˈrɑf.sxy.wə(n)/
verb
1. afschuw hebben voor
an ghráin a bheith agat ar
noun
1. iets wat geldt voor één specifiek geval laten gelden voor alle gevallen
teoiric ghinearálta
adjective
1.
luaineach
verb
  1. 1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
  2. 2. zodanig aan zichzelf werken of zichzelf behandelen dat men anders wordt
  3. 3. anders worden
athraigh
noun
1. iets dat anders is geworden
athrú
noun
1. het (snel) kunnen veranderen
éagobhsaíocht
adjective
2. de verantwoordelijkheid hebbend
cuntasóir
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
freagracht
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
freagracht
adjective
1. met woorden
briathartha
adverb
1. als je iets vreemd vindt omdat je het niet verwacht had
ionadh a bheith ort
noun
  1. 1. een stuk stof om een wond e.d. mee af te dekken
    bindealán
  2. 2. gezamelijke verandering
    cleamhnas
verb
1. iemand van regeringswege dwingen een bepaald gebied te verlaten
díbir
/vər.ˈbɑ.nɪŋ/
noun
1. het verbod opgelegd krijgen naar een bepaalde plaats terug te keren
deoraíocht
verb
meatachán
verb
1. door iets onverwachts gevoelsmatig treffen
cuir ionadh ar
noun
1. grote verwondering
ionadh
/vərˌbazɪŋˈʋɛkənt/
adjective
1. wat verbazing opwekt, wat buitengewoon is
uafásach
verb
  1. 1. kunstzinnig weergeven
  2. 2. een weergave zijn van
cuir in iúl
/vər.ˈbeːɫ.dɪŋ/, /vər.ˈbɪːɫ.dɪŋ/, /vɛr.ˈbeːl.dɪŋ(g)/
noun
2. iets visualiseren, ergens een beeld bij maken
íomháineacht
verb
coinne a bheith agat ar
verb
1. iets ergens plaatsen waar het niet gemakkelijk door anderen gevonden wordt
ceil
/vərˈbetərə/
verb
  1. 2. van fouten ontdoen
    beachtaigh
  2. 1. (iets) beter maken, de kwaliteit verhogen
    cuir feabhas ar
/vər.ˈbe.tə,rɪŋ/
noun
1. een verandering ten goede
biseach
verb
1. van staatswege in beslag nemen
coigistigh
/vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
coisc
verb
1.in verwarring of extreme verbazing brengen
anbhá
verb
1. zijn gevoelens van ergernis of pijn onder controle houden
coisc
verb
3. behandelen door het aanbrengen van verband
bindealán
/vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
    1. 1. verbinden of samenvoegen
    2. 3. communicatie
    3. 4. vervoer
    ceangal
  1. 2. scheikunde
    comhdhúil
noun
1. teken in de vorm van een kort liggend lijntje
fleiscín
noun
1. een leesteken dat onderdelen van samenstellingen of samenkoppelingen met elkaar verbindt
dais
noun
1. een weg die loopt tussen twee verkeersaders
bealach rochtana
noun
2. twee-personen-verhouding waarbij de ene tot een prestatie gerechtigd, de andere tot dezelfde verplicht is
dualgas
verb
1. alle kleur verliezen
tréig
adjective
sona
noun
fan
verb
1. tijdelijk wonen, ergens tijd doorbrengen
fan
adjective
1. van licht dat het zo fel is en zo recht in de ogen schijnt dat men tijdelijk niet meer goed kan zien
dallraitheach
verb
1. verstomd doen staan van verbazing
sciath
adjective
1.
iontach
adjective
meath-thinneas
/vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
coisc
pronoun
Cathair Thoirmiscthe
verb
1. iets niet nuttig gebruiken
dríodar
noun
acht
noun
1. emotioneel contact met een ander
cleamhnas
adjective
1.onzichtbaar gemaakt
ceilte
noun
1. iets dat verborgen is
rún
verb
  1. 1.anders bouwen
    iompaitheach
  2. 2.planten telen
    saothraigh
adjective
meath-thinneas
noun
1. het onaangenaam verrast zijn
cíor thuathail
verb
1. verteerd worden door vuur of hitte
dóigh
/vər'brɛidə(n)/
verb
  1. 2. propageren
    leath
  2. 1. verspreiden
    póraigh
noun
1. het iets verspreiden
borrúlacht
verb
1.
loit
verb
caith
verb
1. door buiging blijvend vervormen
deilbh
/vər.ˈbœʏ̯.χɪŋ/, /vər.ˈbœː.ɣɪŋ/
noun
1. naamwoordsflexie
díochlaonadh
adverb
amhrasach
noun
1. iemand die verdacht wordt
amhrastach
noun
1. uitstel naar een later tijdstip
faillí
verb
1. beschermen tegen een aanval
cosain
noun
cosaint
noun
2. bedekking van iets
araoid
/ər'dɛkt/
adjective
1.
ceilte
verb
1. in kleinere stukken uiteendoen
deighil
/vərˈdɛlxə(n)/
verb
1.
loit
noun
leatacht
verb
1. het vermoeden hebben van iets slechts
caith amhras ar
/vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
drochamhras
adverb
lastall
/vərˈdɛrfələk/
adjective
1.
anfholláin
verb
iompair
verb
truailligh
/vərˈdɪxtsəl/
noun
1. iets dat niet bestaat
aireag
verb
2. geld verkrijgen door arbeid of een andere prestatie
cosain
noun
2. goede, opbouwende daad
suáilce
/vər.ˈdi.pɪŋ/
noun
3. alle ruimten op één hoogte in een gebouw
stór
adjective
mallachtach
interjection
feann
verb
1. iets donkerder maken
uraigh
adjective
truailligh
noun
1. bereidheid om te aanvaarden dat anderen zich gedragen op een manier die je niet goed vindt
fulaingt
verb
bí ag lúbarnaíl
/vərˈdrɑx/
noun
1. een wettelijk wederzijds bindende overeenkomst tussen twee of meer staten
conradh
verb
1. bestand zijn tegen
iompair
verb
1. driemaal zo veel worden
triarach
noun
1. een gevoel van droefheid
brón
adjective
1. in sombere stemming
brónach
verb
  1. 1. driemaal zo groot maken
  2. 2. driemaal zo groot worden
triarach
verb
1.uit het land verjagen
ruaig
verb
  1. 2. in het water doen omkomen
  2. 3. door drinken van alcohol doen verdwijnen
  3. 1. in het water omkomen
báigh
verb
1. onderdrukken
coisc
verb
dúbail
verb
1. duidelijker maken
mínigh
/vər.ˈdœʏ̯.də.lə.kɪŋ/, /vər.ˈdœː.də.lə.kɪŋ/, /vɛr.ˈdœː.də.li.kɪŋ(g)/
noun
1. iets wat ter verduidelijking dient
mínithe
verb
  1. 2. iets (m.n. geld) ontvreemden/stelen
    cúigleáil
  2. 1. donkerder maken
    uraigh
/vər.ˈdœʏ̯.stə.rɪŋ/, /vər.ˈdœː.stə.rɪŋ/, /vɛr.ˈdœːs.tə.rɪŋ(g)/
noun
éiclips
verb
2. door toevoeging van oplosmiddel de concentratie verlagen
caol
verb
1. ongemak of lijden verdragen
iompair
verb
1. verteren van voedsel in het spijsverteringskanaal
díleáigh
verb
téigh amú
noun
1. zo fanatiek, eenzijdig op één zaak gericht raken dat het gek of vreemd is
amaidí
/vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
1. wegraken
imigh sall
/vərenˈvʌʊdəχtʃiˌnes/, /vərenˈvʌːdəxtʃiˌnes/
phraseologicalUnit
1. het schrift waarmee het Chinees met name op het vasteland van China geschreven wordt
Sínis Simplí
noun
1.
adhraitheoir
noun
1.
fuílleach
/vɛrɛɪsə(n)/
verb
1. nodig hebben
iarratas
noun
gá
adjective
1.
leaisteach
/vər'enə(n)/
verb
1.
aontaigh
verb
1. nauwer maken; te nauw maken, smaller worden
caol
noun
1. het combineerbaar zijn van twee of meer zaken of personen
comhsheasmhacht
/vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
  1. Ríocht Aontaithe na Breataine Móire agus Thuaisceart Éireann
  2. an Ríocht Aontaithe
  3. Ríocht Aontaithe
/vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
Aontas na nÉimíríochtaí Arabacha
noun
  1. Na Náisiúin Aontaithe
  2. Náisiúin Aontaithe
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Stáit Aontaithe Mheiriceá
/və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Stáit Aontaithe Mheiriceá
verb
1. afzonderlijke delen tot één geheel maken
aontaigh
/və.ˈre.nə.ɣɪŋ/, /və.ˈre.nə.χɪŋ/, /vər.ˈe.ni.ɣɪŋ(g)/
noun
  1. 3. een operatie die twee of meer verzamelingen samenvoegt
    aontas
  2. 1. groepering van mensen die op een bepaald doel gericht is
    compántas
verb
1. tot onderwerp van aanbidding hebben, eer bewijzen
adhair
verb
1. geld, bezittingen nalaten aan de erfgenamen
faigh le hoidhreacht
noun
2. het doorgeven van erfelijke eigenschappen aan de nakomelingen
dúchas
/vɛrf/
noun
1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
péint
noun
beallýi
verb
1.
laghdú
verb
tréig
/vɛr.ˈfu.jə(n)/
verb
1. afschuw hebben van
adhfhuathaigh
/vər'fujlək/
adjective
1.
déistineach
verb
1. mooier maken
maisigh
noun
1. iets moois; het iets mooier maken
breáthán
verb
beoigh
noun
aerdhathadóir
verb
báigh
noun
1.
galún
/vərˈɣadəˌrɪŋ/, /vərˈχadəˌrɪŋ/
noun
1. een georganiseerde bijeenkomst voor bespreking en overleg
cruinniú
verb
aicseam
verb
1. bijeenbrengen
dlúthaigh
verb
cuir siamsaíocht ar fáil do
adjective
amú
noun
lus míonla
noun
1. benaming voor ruwbladige planten met blauwe bloempjes uit het geslacht Myosotis
lus míonla
verb
2.
cúitigh
noun
1. iemand die wraak neemt
agróir
noun
agairt
/vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
  1. 1. relatie tussen twee zaken
    comparáid
  2. 2. wiskundige uitdrukking
    cothromóid
adjective
áthas
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
dearmad
verb
  1. 1. vergiffenis schenken
    maith do
  2. 2. vergiftigen
    truailligh
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
maitheamh
/'vɛrxəvɔrdərt/
adjective
1.
nach maireann
verb
1. met iemand meegaan
tionlaic
/vərˈxit/
noun
1. teiltje met gaten
síothlán
verb
bothán
/vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
nimh
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
maitheamh
noun
1. een stof die in kleine hoeveelheden toegediend een zeer schadelijke of zelfs dodelijke werking heeft
nimh
adjective
nimhiúil
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
nimhigh
noun
de toestand van vergiftigd worden
nimhiú
/vər.ˈɣɪ.sɪŋ/, /vər.ˈχɪ.sɪŋ/, /vɛr.ˈɣɪ.sɪŋ(g)/
noun
1. iets doen dat niet juist is, of een verkeerde conclusie trekken
dearmad
verb
gloinigh
verb
1. aan iemand compensatie verlenen voor gemaakte kosten of geleden schade
cúitigh
/vər'xuləkə(n)/
verb
1.
leithscéal
noun
1. het zaken die verkeerd zijn zo beschrijven dat ze goed lijken; het recht praten wat krom is
leithscéal
/vər'xojə(n)/
verb
1.
caill
verb
3. ouder worden
aois
noun
1. bolle lens waardoor de voorwerpen die men bekijkt groter lijken
gloine mhéadaithe
/vər'xœyzə(n)/
verb
1.
maslaigh
noun
1. genadeloze kritiek
masla
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje goud
óraigh
verb
admhaigh
noun
1. een officiële (noodzakelijke) toestemming om een bepaalde activiteit uit te voeren
ceadúnas
/vər'ɦal/
noun
1. verslag (mondeling of schriftelijk) van een waargebeurde of verzonnen gebeurtenis
scéal
verb
airleacan
verb
1. een verhaal vertellen
inis
verb
1. door handel bedrijven iets van eigenaar laten veranderen
déanamh
noun
airteagal
noun
grádán
verb
1.
lámh
verb
abach a dhéanamh ar
noun
1. het onjuiste gebruik van een woord of uitdrukking
mífheilteachas
verb
  1. (vrijmetselarij)
    ardaigh
  2. naar fysiek of geestelijk niveau brengen
    breisiú
verb
mínigh
verb
ceil
verb
1. een probleem uit de weg ruimen
cuir caoi ar
noun
1.
carball
adjective
áthas
verb
2. zich ~ op: reikhalzend uitzien naar iets
ag súil le
adjective
1. bij makend
aiteasach
noun
aogall
noun
ardán
verb
1. heviger worden
géaraigh
verb
1. voorkomen, ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
coisc
verb
  1. 2. aanwakkeren
    ardaigh
  2. 1. verwarmen
    quentar
verb
bar
verb
1. hoger doen worden
breisiú
/vər.ˈɦo.ɣɪŋ/, /vər.ˈɦo.χɪŋ/, /vɛr.ˈho.ɣɪŋ/
noun
  1. 1. een plaats die hoger aangelegd is dan zijn omgeving
    ardán
  2. 2. het hoger maken van een prijs, premie e.d.
    breisiú
adjective
ceilte
noun
1. een indringende ondervraging van een gevangene of verdachte
ceistiú
verb
1. iemand onderwerpen aan indringende vragen, met name over diens rol in strafbare handelingen
ceistigh
noun
1.
a bhfuil éisteacht agat
/vərˈɦɔʊ̯.dɪŋ/, /vərˈɦʌʊ̯.dɪŋ/, /vɛrˈhaʊ̯.dɪŋ/
noun
  1. 1.
    comhréir
  2. 3. een intieme, duurzame relatie tussen twee personen
    cás
adjective
1.
cionmhar
verb
  1. 1. van woonplaats veranderen
  2. 2. de inboedel van een ander overbrengen
bog
/vərˈhœʏzɪŋ/, /vərˈhœːzɪŋ/
noun
1. de verwisseling van één (semi-) permanente woonplaats voor een andere
bog
verb
1. iets niet openlijk zeggen of tonen
caille
noun
ard-reachtaire
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
breithlá
verb
1. dwingen om weg te gaan
bagair
noun
  1. 3. de dag waarop men jarig is
    breithlá
  2. 1. het niet meer afdwingbaar zijn van een vordering door het verloop van de tijd
    oideas
verb
1. jonger maken
athnuaigh
/vər'jɔŋɪŋ/
noun
2. vernieuwen van de (levens)krachten
athnuachan
noun
2. de manier waarop een groter geheel in scherp afgegrensde delen is verdeeld
leithdháileadh
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
trácht
adjective
1.
contráilte
noun
1. gestandaariseerd bord met aanwijzingen voor mensen in het verkeer
comhartha tráchta
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
solas tráchta
noun
1.
compal
noun
1.
comhartha tráchta
noun
1.
mórbhealach
noun
1.
acomhal
verb
2. waarnemingen in een vijandelijk of onbekend gebied uitvoeren om strategische informatie in te winnen
taiscéalaíocht
noun
  1. 2. militaire verkenning
    aitheantas
  2. taiscéalaíocht
verb
1. in een toestand zijn
bain do
verb
1. iemand door een stemming een ambt doen toekomen
togh
/vər.ˈki.zɪŋ/, /vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
toghchán
/vɛrˈklarə(n)/
verb
  1. 2. een officieel standpunt uitspreken
    admhaigh
  2. 1. duidelijk maken
    mínigh
/vər.ˈkla.rɪŋ/, /vɛr.ˈkla.rɪŋ(g)/
noun
  1. 4. schriftelijk stuk
    dearbhú
    1. 1 het verklaren
    2. 3. opheldering
    mínithe
  2. 2. plechtige bekendmaking
    ráiteas
verb
1. tot minder grote proporties terugbrengen
laghdaigh
noun
1. een afname in grootte
deisiú cnámh
/vərˈklɛɪ̯nʋɔːrt/
noun
1. woord waardoor iets als klein of weinig wordt voorgesteld
díspeagadh
noun
féar
verb
meath
verb
praiseach
noun
1. het heel sterk aan iets gehecht zijn
gile
verb
abach a dhéanamh ar
/vərˈkulɪŋ/
noun
1.
fuarú
noun
1.
foilseachán
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
díol
noun
bean díolacháin
/vərˈkopə(n)/
verb
1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
díol
noun
1.
ceant
verb
giorraigh
/vər.ˈkɔr.tɪŋ/, /vɛr.ˈkɔr.tɪŋ/
noun
giorrú
noun
1. een virusinfectie aan keel of neus
dearóil
verb
1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
éignigh
noun
1. een seksuele daad onder dwang
éigniú
verb
1. minder gul zijn met het scheppen of uitlenen van geld door de centrale bank
laghdú
adjective
infhaighte
verb
1. in bezit krijgen, verwerven
bain
noun
aicseam
verb
1. iets gebruiken zonder dat je het goed of volledig benut
meath
noun
vásta
/vərˈlaxə(n)/
verb
1. op een lager peil brengen
ísligh
verb
2. met lak overdekken
vearnais
noun
1. iets willen hebben
mian
verb
1. iets erg graag willen hebben
mian
adjective
1. heel erg hopend op iets
cumha
verb
  1. 1. weggaan
    fág
  2. 2. in de steek laten
    tréig
noun
  1. 2. het later worden
    faillí
  2. tréigean
adjective
1. voorbij
an t-am atá caite
noun
1. de voorafgaande tijd
an t-am atá caite
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
rangabháil chaite
noun
aimsir chaite
adjective
coimhthíoch
verb
aistreog
/vər.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/, /vər.ˈlɛː.dɪŋ/, /vɛr.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het verleiden van iets of iemand
aimsiú
adjective
alpartha
/vərlenə(n)/
verb
1. iemand begunstigen met iets, iemand iets toestaan
tíolacadh
/vərˈlɛŋə(n)/
verb
  1. 2. langer laten duren
    fadaigh
  2. 1. langer maken
    sín
/vər.ˈlɛ.ŋɪŋ/, /vɛr.ˈlɛ.ŋɪŋ/
noun
  1. 2. het verlengen
  2. 1. dat waarmee iets verlengd is
fadú
verb
tréig
verb
beocht a chur i
verb
1. van licht voorzien
maisigh
noun
3.
fuascailt
noun
amoureuze gerichtheid op een bepaalde persoon
grá
noun
1. het teloorgaan, kwijtraken
anachain
adjective
1. van een onderneming dat deze meer kosten heeft dan dat er baten zijn
neamhbhrabúsach
noun
1.
anachain
verb
1. iets kwijt raken
caill
verb
síob
/vər.ˈlɛɪ̯.jə.rɪŋ/, /vər.ˈlɛː.jə.rɪŋ/, /vɛr.ˈlɛɪ̯.jə.rɪŋ/
noun
1. de mate waarin een zeilschip door de wind naar lijzijde weggezet wordt
síob
/vərˈludərə(n)/
verb
1. te gronde gaan
meatachán
noun
scor
adjective
1. heel erg aantrekkelijk
blasta
noun
  1. 1. iets wat heel aantrekkelijk is, maar verkeerd en zondig is
    aimsiú
  2. 2. iets wat veel aantrekkingskracht uitoefent en wat goed is
    briocht
adjective
geallta
verb
2. een neergaande lijn vertonen
aife
/vərˈloːrə(n)/
adjective
  1. 1-5.
    caillte
  2. 5.2. (Bijbel) verloren zoon
    mac díobhlásach
noun
2. de beroepsmatige begeleiding tijdens iemands zwangerschap en de bevalling
cnáimhseachas
noun
1. iemand bekwaamd in de hulp bij geboortes
bean chabhrach
verb
  1. 2. een vrouw geneeskundig bijstaan bij de bevalling
    fuascail
  2. 1. daadwerkelijk of overdrachtelijk van ketenen bevrijden
    ligean
/vər.ˈlɔ.sɪŋ/, /vɛr.ˈlɔ.sɪŋ/
noun
1. de bevrijding van de gevolgen van de zonden van de mens door het geloof in Jesus
slánú
noun
1.
teanchair
verb
léirigh
noun
1. versiering
soilsiú
verb
1. door niets doen de tijd niet nuttig gebruiken
dríodar
verb
1. plezier beleven door naar iets te kijken
cuir siamsaíocht ar fáil do
noun
siamsa
noun
1. het beroemd zijn
alladh
noun
1.
aiste bia
noun
2. iets waar je plezier aan beleeft maar verder nutteloos is
siamsa
verb
  1. 1. iemand prettig en leuk bezighouden
    cuir siamsaíocht ar fáil do
  2. 3. iets in een testament toebedelen
    deoin
noun
1. waarschuwing
fógra
verb
1. in getal doen toenemen of laten toenemen
breisiú
noun
ardú
verb
1. een feit noemen in een verhaal of tekst
tagair
noun
tagair
verb
boscáil
noun
1.
cónascadh
/vərˈmetəl/
adjective
1.
uchtúil
noun
1. het op een onbeschroomde, brutale wijze vrijmoedig en veel durf hebben
crógacht
/vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
seachain
adjective
2. in een tint rood met RAL-nummer 2002
flanndearg
noun
  1. 1. bepaalde rode kleurstof op basis van kwik(I)sulfide, HgS
    dearg
    1. 2. naar oranje zwemende dieprode kleur
    2. 3. tint rood met RAL-nummer 2002
    flanndearg
verb
  1. 1. afnemen in aantal, kleiner worden
  2. 2. doen afnemen in aantal, kleiner maken
laghdaigh
verb
1. iemands lichaam blijvend en misvormend letsel toebrengen
loit
verb
1.
caill
noun
1.
anachain
noun
1.
duine ar iarraidh
conjunction
1. omdat of aangezien, geeft onderschikkend een reden aan
arae
adjective
1. naar men denkt, maar niet zeker weet
is dóigh
adverb
1. naar men denkt, maar niet zeker weet
de réir cosúlachta
noun
1. een waarschijnlijke waarheid
forshuíomh
verb
1. een gedachte koesteren waarvan men niet zeker is maar die een zekere waarschijnlijkheid inhoudt
bí san amhras
adjective
1. behoefte hebbend om uit te rusten
tuirseach
noun
tuirse
verb
cró gunna
/vərˈmoχə(n)/
noun
  1. 2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen
    cumas
  2. 1. een hoeveelheid kapitaal
    gabháltas
adjective
borrúil
verb
1. iets mooier maken
maisigh
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
feallmharaigh
verb
1. door morsen verloren laten gaan
meath
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
fíon mormónta
/vərˈmʏrwə(n)/
verb
2. ompraten
ceansaigh
verb
1. iemand zo behandelen dat hij zich minderwaardig voelt
náirigh
adjective
1.
cleasach
verb
1.
adamhaigh
verb
loit
noun
1.
argthóir
noun
1. de drang om dingen kapot te maken
loitiméireacht
verb
1. een einde maken aan, het bestaan uitwissen van, volledig tenietdoen
loit
noun
1. einde maken aan het bestaan van iets
argain
/vərˈniwə(n)/
verb
  1. 1. opnieuw maken, opknappen
  2. 2. bij de tijd brengen
athnuaigh
noun
1. een oplossing van filmvormende stoffen in vluchtige oplosmiddelen...
vearnais
verb
1. iets voorzien van een laag vernis
vearnais
noun
1. zonder zorg, aandacht iets doen; onverschillig handelen
faillí
noun
dóigh
verb
1. een water minder diep maken door er materiaal in te storten
oitir
verb
1.
achasán
/vər.ɔnt.ˈrɛɪ̯.nə.χə(n)/, /vər.ɔnt.ˈrɛː.nə.ɣə(n)/, /vɛr.ɔnt.ˈrɛɪ̯.nɪ.ɣə(n)/
verb
1. ergens schadelijke en stoffen en vuiligheden inbrengen
truailligh
verb
1. ongerust maken, zorgen baren
cuir isteach ar
noun
imní
verb
1. boos maken; woedend maken; sterk afkeuren
cráigh
verb
1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
ciontaigh
verb
1. zichzelf iets toestaan, gewoonlijk een financiële uitgave
admhaigh
verb
1. de oorzaak zijn van
réasún
verb
uirísligh
verb
caith
verb
acht
noun
riail
verb
1. dwingend voorschrijven
ordaigh
adjective
seanchaite
/vərˈʌʊdərə(n)/
verb
  1. 1. ouder worden
    aois
  2. 2. uit de mode raken
    coinne
noun
concas
/vər.ˈpɑχ.tə(n)/
verb
1. huur ontvangen voor het vergeven van het recht om een stuk land te gebruiken dat aan jouzelf toebehoort
léasaigh
verb
deic
/vər'pɑndə(n)/
verb
ceithearnach
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet leuk meer is
galraigh
/vər'plaːʦə(n)/
verb
1. van de ene plek naar de andere brengen
bog
/vər.ˈplɑn.tə(n)/
verb
1. op een andere plaats zetten
athphlandáil
noun
  1. 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
  2. 2. een deskundige in de verpleegkunde
banaltra
noun
1. vrouw die zorg verleent aan zieken of gewonden
banaltra
verb
1. een zieke verzorgen
banaltra
verb
meil
/vər.ˈplɪx.tɪŋ/, /vər.ˈplɪχ.tɪŋ/, /vɛr.ˈplɪx.tɪŋ(g)/
noun
1. iets dat moet
oibleagáid
/vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
tréas
noun
1. iemand die verraad pleegt
fealltóir
noun
anbhrath
adjective
cealgach
verb
  1. 1. iemand onverwachts met iets confronteren
  2. 2. iemand onverwachts verblijden
cuir ionadh ar
/və.ˈra.sɪŋ/, /və.ˈrɑ.sɪŋ/, /vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
ionadh
adjective
iomarcach
/ˈvɛrəˌkɛːkər/, /ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
déshúiligh
adjective
diabhlaí
noun
cás
/və'rɛizə(n)/
verb
1.
éirigh
noun
1. uit de dood opstaan
aiséirí
verb
1. in beweging komen
bog
verb
1. verplaatsen door te rollen
cuach
interjection
lofa
/və.rɔ.tə(n)/
verb
1. vergaan als gevolg van het rottingsproces
lobh
noun
1.
meathlú
verb
1.
iompaitheach
verb
1. in vervoering brengen
draíocht ar
adjective
  1. 1. nieuw, net gemaakt
    deireanach
  2. 2. niet ingeblikt, niet diepgevroren
    úr
noun
  1. 1. gedicht
  2. 2. dichtregel
  3. 3. couplet
véarsa
/vər'sxɑlkə(n)/
verb
1.
amadán
noun
  1. 1. militaire versterking
  2. 2. reling van een schip
bábhún
verb
1.
meil
verb
1. aan stukken rijten
ruainne
/vər'sxɛɪnə(n)/
verb
  1. 1. aan het licht treden, zichtbaar worden
  2. 3. voor het gerecht verschijnen
taibhsigh
noun
  1. nochtadh
  2. 3. bovennatuurlijk verschijnsel
    taibhse
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
difríocht
adjective
1. niet op elkaar lijkend
difriúil
indefiniteCardinalNumeral
1. meerdere en telkens andere
ilchineálach
/vər'sxɔpəlɪŋ/
noun
1.
díbeartach
noun
1.
riteacht
adverb
1. zo erg dat men er van schrikt
uafásach
verb
aláram
verb
1. het verbranden van materiaal zonder aanwezigheid van vuur
tíor
verb
1. door uitdroging rimpelig en klein worden
crap
verb
ceil
verb
  1. 1. het proces van in contact met de grond zich voortbewegen
    bog
  2. 2. iets in contact met de grond doen voortbewegen
    sleamhnaigh
noun
1.
nua
/vɛrˈsi:rə(n)/
verb
3.
bréag
noun
  1. 1.iets wat is aangebracht ter verfraaiing, maar verder geen nuttig doel heeft
    breáthán
  2. 2. een uiterlijk teken horend bij een (koninklijke) onderscheiding
    maisiú
verb
1.
liúr
noun
1.iemand die verslaafd is aan iets
andúileach
noun
1. het niet kunnen zonder bepaalde zaken die negatief gewaardeerd worden
andúil
verb
1. een definitieve overwinning boeken op een tegenstander
buaigh ar
/vərˈslɑx/
noun
1. bericht over een gebeurtenis of toestand
tuairisc
noun
1.
anbhá
verb
1. minder gespannen worden, slap worden
lig do scíth
/vər.ˈsla.vɪŋ/, /vɛr.ˈsla.vɪŋ(g)/
noun
1. een toestand waarin een persoon fysiek en/of mentaal van een gewoonte of stof afhankelijk is
andúil
verb
1. slechter worden
meath
verb
1. grote hoeveelheden geheel verorberen
plac
/vər'slɔfə(n)/
verb
1.
faillí
/vər'slɔnzə(n)/
verb
1. door verwaarlozing minder net en mooi worden
aicseam
verb
1.
araoid
noun
1.
méadar
/vər'smɑxtə(n)/
verb
2. sterven
imigh sall
verb
leá-uisce
verb
1. een grotere snelheid (doen) bereiken
luathaigh
noun
  1. 3. mechaniek voor overdracht van aandrijving
    acmhainn
    1. 1. toename van het tempo
    2. 2. tweede tijdsafgeleide van de positie
    luasghéarú
verb
adhaltranaigh
verb
1. iets tot kleine repen scheuren, knippen of snijden
ruainne
verb
1. minder licht worden (met name van het weer)
uraigh
verb
brathadóir
noun
1.
brathadóir
verb
1. door nalatigheid verloren laten gaan
meath
/vər.ˈspɪ.lɪŋ/
noun
1. het teloor laten gaan van iets waardevols door nalatigheid
vásta
verb
1. tot splinters maken
scealp
verb
  1. 1. in omloop brengen, over een groter oppervlak uitbreiden
  2. 2. zich ~: een proces van uitbreiding ondergaan
leath
noun
achar
/vər.ˈstaːn/
verb
1. begrijpen van een uiting
tuig
noun
1. het kunnen begrijpen wat er gezegd wordt
gile
verb
1. iets harder maken door het met een laag staal te bedekken
cruach
noun
te controlerende vertalingen
ciall
adjective
1. met verstand
ciallmhar
noun
1. elk der vier achterste kiezen van boven- en onderkaak die pas later opkomen (als mensen tot de jaren des verstands zijn gekomen)
fiacail forais
noun
1. tijdelijk ontbreken van normale verstandelijke vermogens door hevige emotie
gealtachas
verb
  1. 1. weer in orde brengen, zorgen dat het heel wordt
  2. 2. anders stellen
ceartaigh
verb
  1. 3. beter bestand maken tegen aanvallen
    daingnigh
  2. 1. sterker maken
    neartaigh
  3. 2. het aantal vergroten
    neartaigh le
noun
1. signaalversterker
aimplitheoir
/vər.ˈstɛr.kɪŋ/, /vɛr.ˈstɛr.kɪŋ(g)/
noun
  1. 3,4. signaalversterking
    aimpliú
    1. 1. het versterken
    2. 2. extra hulp in probleemsituaties
    athneartú
verb
1. iets steviger maken
neartaigh
noun
1. het sterker maken van iets; het steviger maken van iets
athneartú
verb
1. stijf worden
stalc
verb
1. doen stikken
plúch
adjective
1.
anfhorlannach
noun
1.
múchadh
/vər'stɪlə(n)/
verb
2. tot stilstand komen
cuisnigh
adjective
1.
ceanntréan
noun
1. gevoel van woede en toorn
aincis
/vər'stɔpə(n)/
verb
  1. 2. een nauwe gang of buis blokkeren
    bolscaireacht a dhéanamh
  2. 1. iets stoppen waar het niet gemakkelijk gevonden zal worden
    ceil
noun
1. geen ontlasting kunnen krijgen
iatacht
/vərˈstorə(n)/
verb
1. uit de concentratie brengen, onderbreken wat men aan het doen is
cuir isteach ar
noun
1. onderbreking van het gewone of gewenste beloop
anbhuain
noun
1.
díbeartach
verb
1. niet langer in de omgeving dulden
séan
verb
1.
dlúthaigh
verb
1. ter beschikking stellen
lón
adjective
1. geestelijk afgeleid
dearmadach
noun
1.
teibíocht
verb
  1. 1. spreiden
    croith
  2. 1. vermaken
    cuir siamsaíocht ar fáil do
noun
1. amusement
áibhéar
noun
1.
leon
verb
1. iets aan een verzendbedrijf ter bezorging afgeven
cuir
noun
1. het slaperiger, en rustiger worden
aisnéal
noun
1. in de poëzie gebruikte term voor een combinatie van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen
troigh
noun
2. iets dat men vertaald heeft
aistriú
/vərˈtɑkə(n)/
verb
1.
craobh
noun
1. plaats waar iets vertakt is
craobh
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
aistrigh
noun
aistritheoir
/vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
  1. aistriúchán
  2. aistriú
/ˈvɛrtə/
noun
1. het gebied dat nog net binnen zichtsafstand is
achar
/ˌvɛrtəˈbraɫ/
adjective
1. met betrekking tot de wervels
veirteabrach
noun
1. gewerveld dier
veirteabrach
adjective
1.
muirneach
verb
1.
cuir in iúl
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
uiríollaí
/vər'tekənə(n)/
verb
1.
athchum
noun
1.
leatrom
verb
1. een al of niet ware gebeurtenis verhalen
abair le
noun
1. een verhaal dat bedoeld is om verteld te worden
reacaireacht
/vər'tɛlsəl/
noun
1. eenvoudig verzonnen verhaaltje voor kinderen
scéal
verb
1. voedsel afbreken
díleáigh
verb
1.
bog
verb
2. verbouwen
atóg
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje tin
stán
noun
1.
teangaire
noun
1. het spelen van een geschreven toneelstuk; het dansen van een choreografie
míniú
verb
1. laten zien
taispeáin
noun
léirchruthú
adjective
1.
cochallach
verb
1. woedend maken
meath-thinneas
/vər.ˈtra.ɣɪŋ/, /vər.ˈtra.χɪŋ/, /vɛr.ˈtra.ɣɪŋ(g)/
noun
1. het langzamer gaan
faillí
noun
  1. 2. de actie van het vertrekken of weggaan
    imeacht
  2. 1.
    spás
verb
1. weggaan
fág
noun
tús
verb
1. iemand hoop, vertrouwen en troost geven bij moeilijkheden
consól
adverb
aithnidiúil
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
muinín
noun
éadóchas
adjective
anbhách
verb
1. maken, samenstellen
meas
noun
1. het maken, produceren van iets
déantús
verb
tréig
noun
  1. 1 verslechteren
    meath
  2. 3 verschil in waterstand
    tit
verb
1. een bedrieglijke kopie maken van een waardevol voorwerp
ceárta
/vərˈvɑŋənt/
adjective
aisteoireacht
noun
1. het veel groter worden van iets zodat het meer dan twee keer zo groot of veel is
breisiú
verb
3. zich ~: niet weten wat te doen
bheith dubh dóite
adjective
  1. 2. onaangenaam/onprettig en tegelijkertijd hinderlijk en lastig
    bearránach
  2. 1. niet boeiend
    leadránach
/vər'vɛlə(n)/
verb
1. oude huid afwerpen om daarmee nieuwe onderliggende huid bloot te stellen
snamh
verb
1. met verf bestrijken
péinteáil
noun
péintéir
verb
1. iets viermaal zo groot maken
ceathrúil
interjection
diabhlaí
/vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /vər.ˈvu.χɪŋ/, /vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
réimniú
/vərˈvuːr/
noun
  1. 1. overbrenging van zaken van één plaats naar de andere
  2. 2. middel waarmee overbrenging van zaken plaatsvindt
iompair
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
iompair
/vər'vɔlɣən/
verb
2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
déan géarleanúint ar
noun
2. het vervolgen of vervolgd worden
géarleanúint
noun
1.
sraith
verb
1. meer volmaakt maken
foirfe
verb
1. bezoedelen met verontreinigingen
truailligh
verb
1. het (doen) uitkomen van een voorspelling of belofte
comhlíon
adjective
1. zich boven anderen verheven voelend
anbharúlach
noun
1. het hebben van een hinderlijk hoge dunk van zichzelf
andóchas
verb
1. iets niet de benodigde verzorging schenken
faillí
verb
1. ergens van uitgaan
coinne a bheith agat ar
/vər.ˈʋɑχ.tɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑx.tɪŋ/, /vɛr.ˈwɑx.tɪŋ(g)/
noun
datgene wat verwacht wordt
dúil
adjective
  1. 1. geparenteerd, familie zijnd
  2. 2. op een of andere wijze gerelateerd
gaolmhar
noun
1. familielid
duine muinteartha
noun
2. overeenkomst, affiniteit
baint
noun
1. het niet meer helder kunnen denken;een psychische gesteldheid waarbij iemand zich niet meer kan oriënteren
ainriail
verb
1. iets warm maken
quentar
/vər.ˈʋɑ.rɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑ.rɪŋ/, /vɛr.ˈwɑ.rɪŋ(g)/
noun
1. een verwarde toestand
suaitheadh
noun
cosaint
noun
cosantóir
/vər'wersxrɪft/
noun
1.
apalacht
/və(r).ˈʋɛ.kə(n)/
verb
doen ontstaan (ook in biologische zin)
eochraí
noun
1.iemand die de biologische vader van iemand is
gineadoir
/vər'ʋɛlkomə(n)/
verb
1. iemand begroeten en welkom heten
Dé bhur mbeatha
adjective
millte
verb
1. iemand een te goede behandeling geven
loit
/vər'wɛnsə(n)/
verb
1.
eascaine
noun
1. vloek of belediging
mallacht
verb
1. zich verdedigen
cosain
verb
1.
réadaigh
/vərˈʋɛrkə(n)/
verb
  1. 2. overdrachtelijk: geestelijk in het reine komen met een moeilijkheid of verandering
    glac
  2. 1. een grondstof of halffabrikaat gebruiken om een eindproduct te vervaardigen
    starr
noun
próiseáil
verb
1. afwijzen
eitigh
noun
1. het afwijzen van iets
cáineadh
noun
1. het verkrijgen van iets
aicseam
adjective
ar fad
/vərˈwɛɪ̯dərə(n)/, /vərˈʋɛɪ̯dərə(n)/, /vərˈβ̞ɛːdərə(n)/
verb
  1. 2. zich verwijderen
    cúlaigh
  2. 1. weghalen
    scaoil
/vər'wɛift/
adjective
1.
baineanda
noun
a
/vər'ʋɛɪzə(n)/
verb
1. naar iets of iemand anders wijzen of sturen
tagair
noun
aighneas
verb
1. in beweging brengen
croith
verb
1. twee zaken elkaars plaats in doen nemen
déan dearmad
verb
1. ~ van iemand ergens van op de hoogte brengen
cuir in iúl
noun
1.
fógra
noun
ainmhian
verb
1. totaal vernielen
loit
adjective
  1. 1. (onvoltooid deelwoord) vernielend
  2. 2. (bijvoeglijk naamwoord) vernielend
sladach
/vər'ʋustɪŋ/
noun
1. het aanbrengen van grote schade, tot een woestenij terugbrengen
múchadh
verb
1. lichamelijk letsel veroorzaken
goin
verb
1. overgankelijk werkwoord
breith amuigh ar
noun
1. lichamelijk letsel
gortú
verb
1. ten kwade veranderen in iets
meatachán
noun
acquis
verb
1. door iets krachtig heen en weer te bewegen losmaken
croith
verb
1, iets blijvend vervormen in een wringende beweging
deilbh
/vərzadɪxt/
adjective
1. verzadigd van eten
iomlán
verb
1.
costas
verb
faillí
noun
bailitheoir
verb
  1. 2. een verzameling hebben of aanleggen
    bailigh
    1. 1. bijeenbrengen
    2. 3. bijeenkomen
    cruinnigh
/vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
  1. 2. wiskundige verzameling
    aicme
  2. 1. meerdere voorwerpen...
    bailiúchán
noun
1. het dichtslibben van een rivier of haven
fuilleamh
verb
2. niet meer over iets kunnen beschikken omdat het aan iemand beloofd is
gealltanas
adjective
1.
dearfa
verb
  1. 1. verklaren dat iets ...
    cuir in iúl
  2. 2. tegen betaling van een premie ...
    cuir árachas ar
/vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
  1. 1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
  2. 2. de mededeling dat iets ...
árachas
verb
1. een bericht via post of e-mail overbrengen
cuir
noun
1. de persoon die een of ander bericht naar een of meer ontvangers stuurt
tionscnóir
noun
1. handelingen gericht tegen de heersende macht of de aanvallende vijand
friotóir
verb
  1. 1. weerstand bieden aan iets
    an fód a sheasamh
  2. 4. een zijdelingse beweging maken
    ardréim
noun
tiontú
verb
3. iets in een materiaal doen zinken
báigh
verb
cuir in iúl
noun
1. vraag om iets te doen of te laten
achaine
verb
1. aan iemand vragen iets al dan niet te doen
iarr
noun
1.
aimsiú
noun
achainigh
adjective
beacht
verb
1.
bí i bhfeighil
adjective
1. gek, verdwaasd
duine buile
noun
asláithreacht
verb
1. zuur (doen) worden
aigéadaigh
verb
1.
fáinleog
/ˈvɛsəˌmə(n)/
verb
1. (een draad) door het oog van een naald steken.
snáithe a chur
noun
1. een mouwloos jasje, te dragen onder de jas van het kostuum
cairdeagan
noun
1. een met muren beschermde plaats; de muren van een vesting
daingean
/vɛsti'jɛ:rə/
noun
1.
feisteas
verb
  1. 1. stichten
    cuir ar bun
  2. 2. richten
    fócasaigh
  3. 3. er gaan wonen
    socraigh
noun
bunaíocht
noun
dún
adjective
1. dik, vet inhoudend
ramhar
adjective
1.
bealaithe
noun
barriall
noun
  1. 1. een voormalig militair die gevochten heeft, een uitgediend krijgsman
  2. 2. een ervaren en oud persoon in een bepaald onderwerpgebied, zoals een sporter, geleerde, etc.
ársa
noun
1. een van de gaten in kleding of schoeisel, bestemd om een veter door te rijgen
súilín
adjective
tréidliachta
noun
1. het vet zijn van iets
bealaíocht
noun
1.
faireog gheireach
verb
1. een dier/persoon overvloedig en calorierijk voedsel aanbieden zodat deze in gewicht aankomt
beathaigh
noun
1. veto
cros
noun
1.
feolmhar
noun
fíochán saille
noun
2.
feolamán
noun
ziekelijke vetafzetting in menselijke weefsels
beathaitheacht
/ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
aigéad sailleach
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Capall Beag
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
searrach
noun
1.
brateolaíocht
noun
1. marimba met metalen toetsen en vibratosysteem
creathafón
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Victeoiria
noun
áitheas
/'videjofɪlm/
noun
1.
físeán
noun
1. een telefoontoestel waarmee geluid en beeld verzonden kunnen worden
físeafón
noun
1.
cluiche físe
noun
1. elektronisch spel, met beelden op een monitor of tv
cluiche físe
/viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
  1. ceathair
  2. ceithre
/ˈviːrdə/
ordinalAdjective
1. nummer vier in een rij
ceathrú
verb
  1. 1. een feest vieren
    ceiliúir
  2. 2. een touw of kabel vieren
    scaoil
cardinalNumeral
1. het getal 24
fiche a ceathair
adjective
1. met vier hoeken; met vier kanten
ceathairshleasach
adjective
1. met de vorm van een vierkant
cearnóg
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
cearnóg
noun
crosaire
adjective
1. van een dier of voorwerp dat het vier voeten heeft
ceathairchosach
adjective
1.
ceathairshleasach
adjective
1. smerig
salach
noun
1.
graosta
pronoun
Vítneam
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
Vítneamais
noun
1. nachtwake
oíche
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
namhaid
adjective
1. van de vijand
namhaid
adjective
1. zich als een vijand gedragend
colgach
/vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
cúig
/ˈvɛɪ̯f.də/, /ˈvɛɪ̯v.də/, /ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
cúigiú
cardinalNumeral
1. het getal 25
fiche a cúig
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
peinteagán
/ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
cúig déag
ordinalAdjective
an cuigú ... déag
/ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
  1. caoga
  2. deich is daichead
noun
1. vrucht van de vijgenboom
fige
noun
duilleog fige
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
comhad
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
linn
noun
  1. A 1. een vat waarin met een stamper stoffen fijngestampt kunnen worden
    moirtéar
  2. B 1. een dommekracht of krik
    cat
  3. B 2. waterschroef
    drúchtín
verb
1.
luamhán
noun
tuairgnín
verb
1. in- of uitdraaien van een schroef
scriú
/ˈvikɪŋ/
noun
1. Scandinavische krijger, behorend tot de noordelijke tak van de Germanen
Lochlannach
verb
1. van het vel ontdoen
feann
/vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
eite
/'vɪndə(n)/
verb
    1. 2. iets bedenken
    2. 3. iets op een bepaalde wijze beschouwen of ervaren
    3. 4. iets ondervinden, iets ten deel krijgen
    a fháil
  1. 1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
    faigh
noun
2. ontdekking, uitvinding
aireag
noun
1. extremiteiten van de hand
méar
/ˈvɪ.ŋər.ˌɑf.drʏk/, /ˈvɪ.ŋər.ˌɑv.drʏk/
noun
1. een afdruk op een oppervlak van een vinger met meestal de unieke, persoonsgebonden figuur...
méarlorg
/'vɪŋərə(n)/
verb
1. met de hand of vinger bevredigen
méar
/'vɪŋərˌɦut/
noun
1. hard dopje dat het eerste kootje van de vinger beschermt bij het naaien
méaracán
noun
lus mór
/ˈvɪ.ŋər.knɪp/
noun
pléasc
noun
falang
noun
1. dun, doorzichtig plaatje van harde keratine op de bovenkant van elk van de vijf uitsteeksels van de hand
ionga méire
noun
1.
ciú
noun
rí rua
noun
1. knie- of beenviool
bíol
noun
1. schending van wetten, regels, goede manieren e.d.
éignigh
noun
dochar
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
corcairghorm
noun
1. musicus die een viool bespeelt
veidhleadóir
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de violoncellist of cellist tussen de knieën wordt gehouden
dordveidhil
noun
  1. 1. strijkinstrument
    veidhlín
  2. 1. benaming voor uit het geslacht Viola
    corcairghorm
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Viola
corcairghorm
adjective
1. door een virus veroorzaakt
víreasach
noun
1. toetsinstrument
maighdeanúil
noun
maighdeanas
adjective
1.
fearga
noun
1.
víreolaíocht
/ˈvʏːrcuwəlriˌjɛləti/
noun
réaltacht fhíorúil
adjective
1.
fíorúil
/virəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
víreas
noun
  1. 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
  2. 2. het vlees van een vis
iasc
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
coirneach
noun
1. een handelaar die gespecialiseerd is in de verkoop van vis
ceannaí éisc
noun
1.
vioscós
noun
1. stroperigheid van een vloeistof of gas
bealaitheacht
/vizi'ɣotis/
adjective
1.
Viseagotach
adjective
aislingeach
noun
ar cuairt
noun
cárta gnó
noun
1. naamkaartje
cárta
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
na hÉisc
verb
  1. 1. proberen te vangen
  2. 2. proberen te weten te komen
iasc
noun
1. iemand die beroepsmatig vist
iascaire
noun
1. het vangen van vis, al of niet als broodwinning
iascaireacht
noun
bád iascaigh
noun
méaróg éisc
noun
víosa
noun
  1. 1. het vangen van vis
  2. 2. hoeveelheid gevangen vis
iascaireacht
noun
2. oridinaire vrouw
agóid
noun
anamúlacht
noun
1. een stof die het lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft, maar niet of bijna niet door het lichaam zelf aangemaakt kan worden en derhalve in voldoende mate via voedsel of supplement ingenomen moet worden
vitimín
/vi'trøs/
adjective
gloineach
noun
1. minister of hoog staatsdienaar
visír
noun
± vloeibaar dessert van zuivel, eieren en vanille, evt. verdikt met zetmeel
custard
/vlax/
noun
  1. 2. een opwelling, het plotseling en tegelijkertijd hevig opkomen van iets
    babhta
  2. 1. een plotselinge windstoot
    pléasc
/ˈflaːɪ̯/, /ˈvlaɪ̯/
noun
  1. 2. koeienvlaai
    bualtrach
  2. 1. Limburgse vlaai, plat rond gebak.
    císte
adjective
1. betrekking hebbende op Vlaanderen of de Vlamingen
Pléimeannach
pronoun
1. Nederlands zoals dat in Vlaanderen gesproken wordt
Pléimeannais
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
scréachóg
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
Flóndras
/vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
bratach
noun
crann brataí
/ˈvlɑɣəˌsxɪp/
noun
1. schip waarop zich de bevelvoerder over een vloot of eskader bevindt
bratlong
noun
1. bepaald soort vis, Thymallus thymallus
donnóg aille
/vlɑk/
adjective
1. zonder bergen of dalen
cothrom
noun
stuk rubber dat door wrijven potloodschrift van papier kan verwijderen
coiscín
noun
1. gebied met weinig of geen hoogteverschillen
machaire
noun
1. kleinste vorm van vuur
lasair
/'vlamɪŋ/
noun
1. een inwoner van Vlaanderen of iemand afkomstig uit Vlaanderen
Pléimeannach
verb
1. met heldere vlammen branden
lasair
adjective
1. lichtgeel blond met name van haar
fionnbhán
adjective
1. een lichtgele, lichtblonde kleur zoals die van rijp vlas
buíbhán
adjective
1.
buíbhán
pronoun
1. een vorm van Romani
duine den lucht siúil
noun
1. een gebonden pluk haar
cleacht
/ˈvlɛx.tə(n)/, /ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
sníomh
noun
1.
caolach
noun
1. klein vliegend zoogdier
  1. ialtóg
  2. sciathán leathair
noun
  1. 1. spierweefsel van bepaalde organen
  2. 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
feoil
adjective
1. van een dier of mens dat het vlees eet
feoiliteach
noun
1.
búistéir
noun
1. dorswerktuig
súiste
verb
1. (onoprechte) complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen
bladair
noun
1. een vieze plek
smál
verb
aimsigh
adjective
1. smerig want door vlekken bedekt
cáidheach
noun
  1. 5. een deel van een leger
    sciathán
  2. 1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
    1. sciathán
    2. eiteog
noun
hiodrascragall
/'vlidə(n)/
verb
  1. 1. formeel: (van tijd) voorbijgaan
    cabhlach
  2. 2. formeel: snel weg trachten te komen, vluchten
    teith
/vlix/, /vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
cuileog
noun
1. een militair vliegveld
aerionad
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
iompróir aerárthaí
/ˈvli.ɣə(n)/, /ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
eitil
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Iasc Eitilte
noun
1.
eitleoir
noun
1. bepaald soort paddenstoel, Amanita muscaria
agairg na gcuileanna
noun
    1. 1. een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
    2. 2. een vierhoek waarvan twee paar aanliggende zijden en één paar ...
    eitleog
  1. 6. iemand die vliegt
    eitleoir
verb
1.
cúr
noun
1.
eitilte
noun
1.
aerárthach
/ˈvlixtœːx/, /ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
  1. eitleán
  2. aerárthach
/ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
aerpháirc
noun
foirfeach
noun
foirfeach
noun
  1. 3. afgestroopte huid met haar van een dier
    feann
    1. 1. dunne laag op een oppervlak
    2. 2. dun flexibel scheidingsvlak
    scannán
noun
sruth
/'vlitə(n)/
verb
1. formeel: zachtjes vloeien of stromen
sileadh
adjective
1. lijkend op vliezen; met vliezen
scannánach
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
féileacán
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
dreancaid
noun
1. verhoging van de waterstand
barr taoide
noun
1.
muirbhrúcht
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
leachtach
/ˈvlujə(n)/
verb
1. zacht stromen
snigh
noun
2.
páipéar súite
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
leacht
noun
  1. 2. godslasterende uiting als iemand schrikt, zich bezeert of heel ontevreden is
    blaisféim
  2. 1. bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
    oirbhire
verb
1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
eascaine
/vlur/
noun
urlár
noun
1. een samenhangend hoopje van sneeuw of andere lichte stof
cáithnín
noun
margadh na míol
/vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
cabhlach
noun
1. een drijvende constructie
rafta
noun
  1. 1. het zich door luchtruim bewegen
    eitilt
  2. 3. het ontvluchten van bijvoorbeeld gevaar of straf
    rith
  3. 2. een groep vliegende vogels
    saithe
/'vlɵxtəlɪŋ/
noun
1.
dídeanaí
/vlɵxtə(n)/
verb
1. (onovergankelijk) trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
teith
noun
  1. 1. blijf-van-mijn-lijfhuis
  2. 2. toevluchtsoord in het algemeen
tearmann
adjective
1. gemakkelijk in damp overgaand
luaineach
noun
1. iets dat weinig diepgang heeft; iets dat maar een korte tijd duurt
luaineacht
noun
1.
tearmann
noun
bosca dubh
/vlɵx/
adjective
1. met hoge snelheid
luath
/vlɵx/
adverb
1. met hoge snelheid, in korte tijd
aibéil
noun
1.
bileoigín
noun
guta
noun
foclóirín
noun
1.
amhránaí
noun
1. de vijfde naamval waarin een naamwoord staat dat aanduidt tot wie het woord wordt gericht
gairmeach
/vɔxt/
noun
1. water dat iets doordrenkt of als damp aanwezig is.
taisleach
adjective
taisíoch
noun
1. de mate van vocht
taisleach
noun
ceamach
verb
1. van voedsel voorzien
beathaigh
noun
bia
/vudərə(n)/
verb
1. voedsel verschaffen aan dieren
beathaigh
/ˈvu.dɪŋ(g)/, /ˈvu.dɪŋ/
noun
1. voedsel
bia
noun
1. toevoeging aan voeding
breiseán
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
bia
adjective
1.
beathúil
noun
siúnta
verb
3. afwerken van metselwerk
aird
/ˈvuxʋoːrt/
noun
cónasc
adjective
1. niet met de goede zeden in strijd zijnd
diongbháilte
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
airigh
noun
1.
adharcán
noun
1.
bain do
noun
1. een langgerekt, gewoonlijk geleed, uitwendig orgaan op de kop van een insect dat zintuigen voor de tastzin of soms ook voor gehoor of smaak bevat
adharcán
noun
1.
trach
verb
  1. 3. dieren te eten geven
    beathaigh
  2. 1. geleiden, ergens heen brengen
    béasa
  3. 2. kleding aan de binnenkant van een isolerende laag voorzien
    clólíne
/ˈvuː.rɪŋ(g)/, /ˈvuː.rɪŋ/
noun
1. de binnenbekleding van een voorwerp
líneáil
pronoun
sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Ara
noun
1. taal die bij het onderwijs en in officieel verkeer gebruikt wordt
teanga oifigiúil
/ˈvuːrtœx/, /ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
feithicil
noun
  1. 3. oude lengtemaat
    cos
  2. 1. voortzetting van het been beneden de enkel
    1. cos
    2. troigh
noun
1. een wapen met vier of meer punten waarvan er altijd een naar boven staat
grán catha
/ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
  1. peil
  2. sacar
noun
1. een persoon die de sport voetbal beoefent
peileadóir
noun
1. soort kruisboog die bij het spannen met de voet wordt vastgezet
crosbhogha
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
coisí
/ˈvut.ɣɑ.ŋərs.ɣəˌbit/, /ˈvut.χɑ.ŋərs.χəˌbit/
noun
1. een gebied waarin geen voertuigen zijn toegestaan en waar dus gelopen moet worden
ceantar coisithe
noun
1.
straille
/'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
cosán
noun
nadair
noun
slí
noun
truslóg
noun
1. een onderstel voor o.a. beelden en vazen
seastán
noun
1. deurmat
straille
noun
1. de onderzijde van de voet
bonn
/ˈvoːɣəl/, /ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
éan
noun
bille
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
platapas
verb
crábhadh
/ˈvo.ɣəl.kɛrs/
noun
1. bepaalde boomsoort die in West-Europa thuishoort, Prunus padus
donnroisc
noun
1.
drualus
noun
1. manshoge pop
babhdán
/ˈvoːɣəlvlʏxt/
noun
4. afstand in vogelvlucht
i bhfoirm líne díreach trasna tíre
/vɔl/, /vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
lán
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
Volapük
noun
1. mate van beweeglijkheid van de koers van een aandeel of een ander financieel product...
luaineacht
adjective
1. niet langer geplaagd door gevoelens van behoefte of verlangen
sásta
verb
1. een eis vervullen
sásaigh
indefinitePronoun
1. toereikend, genoeg
dóthain
/vɔl.ˈdu.nɪŋ(g)/, /vɔɫ.ˈdu.nɪŋ/
noun
1. tevredenheid
sásamh
verb
1. doorgaan tot iets helemaal klaar is
cuir ar scor
noun
2. kleine boot die door een grote boot getrokken wordt
báidín calaidh
/'vɔlɣəlɪŋ/
noun
1. iemand die een -vaak godsdienstig- leider volgt
dalta
adjective
1. dat later komt
seo chugainn
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
dar le
verb
1.
sáith
noun
1. aaneengesloten rij opeenvolgende zaken of personen
seicheamh
adjective
d'aosaigh
adjective
1. moeilijkheden taai trotserend
greamúsach
/vɔlk/
noun
  1. 1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
  2. 2. de inwoners van een land
  3. 3. de lagere klassen
lucht
pronoun
Conradh na Náisiún
noun
1.
cinedhíothú
noun
cinedhíothú
noun
1. brood van meel met zemelen
caiscín
adjective
1.
coiteann
noun
1. traditioneel feest dat door de gehele gemeenschap wordt gevierd gevierd
fleá
noun
1. de economie van een land
barainneacht
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
amhrán náisiúnta
noun
1.
suaitheadh intinne
noun
1. een oproer tegen het gevestigde gezag door grote groepen uit de bevolking
círéib
noun
1.
reifreann
noun
daon-phoblacht
/'vɔlkstɑm/
noun
1.
caise
noun
1. referendum
pobalbhreith
noun
1. de taal van het gewone volk, vaak informeel van aard en soms als minder beschaafd gezien, in tegenstelling tot de standaardtaal
dúchasach
/'vɔlkstɛlɪŋ/
noun
1.
daonáireamh
/ˈvɔlks.tœʏn/
noun
2. moestuin beschikbaar gesteld aan stadsbewoners
garraí scóir
/'vɔlksfərˌteɣən'ʋɔːrdiɣɪŋ/
noun
1. een gewoonlijk verkozen lichaam dat in de staat de belangen van de bevolking behartigt
comhdháil
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
iomlán gealaí
adverb
1. zonder iets ongedaan te laten
foirfe
adjective
1.
foirfe
noun
1. de fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
gealach lán
noun
  1. 1. spel
  2. 2. bal
eitpheil
/vɔlˈmaːkt/
adverb
1. zonder enig gebrek
foirfe
noun
1. rechtsbevoegdheid om namens een ander te handelen
cumhacht aturnae
verb
  1. 1. vullen
    sáith
  2. 1. perfectioneren (eigenlijk vervolmaken)
    foirfe
noun
óglach
verb
1.
sáith
verb
sáith
adjective
1. compleet, volledig
foirfe
verb
bac
verb
1. helemaal vullen
mianach
noun
volta
/vɔl'taʒə/
noun
1. de elektrische spanning
teannas
noun
1. spanningmeter
voltmhéadar
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
rangabháil chaite
verb
1. ten einde brengen
críochnaigh
/vɔl'trɛkə(n)/
verb
1. ten uitvoer brengen
básaigh
noun
  1. 1. ruimtelijke capaciteit
  2. 3. fysieke informatiedrager
imleabhar
/volymi'nøs/
adjective
1.
il-leabhrach
verb
1. tot een succesvol einde brengen
comhlíon
verb
1.
mianach
adjective
1. een leeftijd bereikt hebbend waarop men volgroeid en onafhankelijk kan zijn
aosach
noun
1. iemand die volgroeid is
aosach
noun
1. een tot een volledige zin geordende taaluiting van redelijk grote omvang
abairt
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
spréach
verb
1. vonken geven
drithle
noun
1. een beslissing van een rechter in dagvaardingsprocedures
abairt
verb
1. een vonnis uitspreken
abairt
/voːxt/
noun
1. belangenbehartiger van minderjarige
teagasc
noun
1. belangenbehartiging van minderjarige
bardacht
noun
guth
/vor/
noun
1. ploegsnede
clais
/vor/
preposition
  1. 1. dichterbij dan
    ar aghaidh
  2. 7. ten behoeve van, ten gunste van
    faoi choinne
  3. 4. eerder in tijd
    roimh
adverb
réadán
conjunction
1. in die mate als
go dtí seo
adjective
1. gezaghebbend
scaradh
adverb
prióir
/vo:ɾ.ɑl/
adverb
  1. 1. voornamelijk
  2. 2. als het voornaamste of als zeer gewichtig
go mór mór
conjunction
le hucht
noun
1.
cuisle
/'vorɑrɛst/
noun
1.
coinneáil
adjective
ainchríonna
noun
  1. 1. iets ter navolging
  2. 2. iets dat bestaat of kan bestaan, als uitleg bij een abstracte uitleg
sampla
adjective
1. van iets dat het zorgt dat iets vervelends of iets dat ongewenst is niet gebeurd
próifiolacsach
verb
1. handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
deasaigh
/ˈvor.bə.rɛɪ̯.dɪŋ(g)/, /ˈvor.bə.rɛː.dɪŋ/, /ˈvo̝r.bə.rɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het voorbereiden
inleadh
noun
1. handeling die een latere actie mogelijk maakt
inleadh
verb
1. een eerste bewerking uitvoeren voordat de hoofdactie kan worden uitgevoerd
stócáil
adjective
1. wat al in het verleden ligt
thar bráid
/vorˈbɛɪ̯ɣan/, /vorˈbɛːɣan/, /vo̝rˈbɛɪ̯χan/
verb
  1. 1. langs een bepaald punt gaan.
  2. 2. tot verleden gaan behoren
meil
/vor'bɛikomə(n)/
verb
1.
meil
verb
meil
verb
meil
verb
meil
/ˈvorbodə/
noun
1. vooruitgestuurde bode (letterlijk)
réamhtheachtaire
noun
1. een doorwaadbare plaats in een beek of rivier
síob
noun
1. doorwaadbare plaats
áth
noun
  1. 1. profijt
  2. 2. aangename eigenschap
  3. 3. (tennis)
brabús
adjective
1. een voordeel gevend, met name geldelijk
buntáisteach
adjective
1. met een hoek van rond 180 graden t.o.v. de windrichting
reatha
/ˈvoːrˌdrɪ.ŋə(n)/
verb
an scuaine a shárú
verb
alvast alcohol gebruiken
réamhól
adjective
ar deireadh
noun
stair
noun
1. gevel aan de voorkant
aghaidh
verb
1. voorwenden
lig ar
noun
ord
/vɔːr.'ɦɑn.də(n)/
adjective
1. beschikbaar, voorradig
ar fáil
noun
1. gordijn dat dient om twee ruimtes van elkaar af te scheiden
brat
verb
1. van plan zijn
ceachartha
noun
1. al of niet overdekte entree van een (kerk)gebouw
urlios
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
  1. clár éadain
  2. éadan
noun
1. voorhuid van penis
forchraiceann
noun
1. het gedeelte van een woning voor het hoofdgebouw is gelegen en dient als ingang
halla
/vorɪ'nxənomə(n)/
adjective
1.
claonta
noun
1. de lente
earrach
/vorkɑnt/
noun
1. een van de zijden van een voorwerp, namelijk dewelke naar voren gericht is
dreach
/'vɔːr.ko.mə(n)/, /vɔːr.'ko.mə(n)/
verb
  1. 1. met regelmaat ergens te vinden zijn
    rith le
    1. 2. voor het gerecht verschijnen
    2. 4. dunken, toeschijnen
    taibhsigh
  2. 3. soms gebeuren
    tarlaigh
  3. 1. ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
    coisc
noun
1. het beleefd, hoffelijk en vriendelijk zijn
adhnáire
verb
1. door een rechter laten beoordelen in een rechtszaak
tóg
verb
1. hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
léigh
/vorˈlopəx/, /vorˈlopəç/
adjective
1. tijdelijk in afwachting van iets definitiefs
sealadach
noun
maor
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
céadainm
/ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
forainm
verb
1. van plan zijn iets te gaan doen
tá faoi
noun
1. iemand van wie afgestammen wordt
sinsear
noun
1. voorkant van een boek
araoid
noun
1.
caiseal tosaigh
noun
1.
forhalla
noun
1. een voorlopige test
blas
/ˈvɔːrˌraːt/
noun
1. wat voor later gebruik wordt opgeslagen
lón
noun
oireachas
noun
pribhléid
noun
1. een vervroegde betaling op het loon
airleacan
noun
oideas
verb
armacach
noun
1. voorstel
ofráil
verb
1. voor een rijtuig of kar spannen
gabháil
noun
3. liefdesspel als opmaat voor seks
réamhshúgradh
adjective
1. van tevoren te verwachten
intuartha
verb
1. een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
réamhaithris
adjective
1.
aislingeach
noun
rath
/'vorsprak/
noun
1.
abhcóideacht
noun
1. iemand die voor iets is
abhcóide
verb
2. een beeld geven
am i láthair
noun
1. het vermogen zich dingen voor te stellen die er als zodanig niet zijn
íomháineacht
/voːrt/
adverb
ar fad
/'vortbrɛŋsəl/
noun
1.
sroich
/'vordyrə(n)/
verb
1.
bí ar bun
noun
  1. 1. signaal dat aan een gebeurtenis voorafgaat
    droch-tuar
  2. 2. plus- of minteken voor een getal
    fógra
verb
1. in hoog tempo aan iets werken
deabhadh
verb
  1. 2. voortbewegen van
    póraigh
  2. 1. een nieuwe generatie voorbrengen
    síolaigh
adjective
mín
verb
1. geleidelijk verder verlopen
airleacan
verb
iarmhairt
verb
1. snel vooruitgaan door een sterke kracht
bagair
noun
1. een tuin aan de voorzijde van een huis
gairdín tosaigh
noun
1.
iarmhairt
verb
1.
leath
verb
1.
Comaoineach a ghlacadh
verb
bí ar bun
noun
1. een bedrag dat men betaalt voordat de goederen geleverd zijn
réamhíocaíocht
/voːˈrœːdˌɣaːn/, /voːˈrœːtˌxaːn/, /vo̝ːˈrœʏ̯tˌχan/
verb
  1. 2. vooruitgang boeken
    cuir feabhas ar
  2. 1. naar voren gaan
    forás
noun
  1. 2. een proces van verbeteringen
    biseach
  2. 1. het proces van technologische en economische groei van een samenleving
    forás
/voːˈrœːtˌkoːmə(n)/, /vo̝ːˈrœʏ̯tˌkomə(n)/
verb
  1. 1. vorderingen maken op weg naar iets
  2. 2. een betere positie krijgen
airleacan
verb
airleacan
adjective
1. rekening houdend met de toekomst
aislingeach
noun
1.
sinsear
adjective
1.zoals bij de voorvaderen
sinsearach
verb
1.
tarlaigh
noun
1. iemand die ergens een voorstander van is en zich daarvoor actief inzet
abhcóide
noun
1. een ruimte in een gebouw dat gelegen is voor een belangrijker vertrek
halla
/ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
réimír
verb
1.
airigh
noun
1. omstandigheid die noodzakelijk is of gemaakt wordt wil iets anders plaats of...
coinníoll
verb
lig ar
noun
1. een object, iets dat fysiek bestaat
rud
noun
réamhrá
adverb
1. met absolute zekerheid
ambaiste
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
réamhfhocal
/vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
aireach
/vɔːr.'zin/
verb
1. herkennen als toekomstige ontwikkeling
réamhaithris
noun
1. een van de zijden van een voorwerp, namelijk dewelke naar voren gericht is
dreach
noun
aghaidh boinn
verb
1. leiding geven aan een vergadering
dul sa chathaoir
noun
1. hoofd van een bestuur, leider van een vergadering
cathaoirleach
adjective
2.
galair
noun
1.
fabhtacht
verb
  1. 1. vooruitgang boeken
    airleacan
  2. 2. dwingend iets opeisen
    iarratas
/vɔɾ.dǝ.ɾɪŋ/
noun
  1. 1. vooruitgang, progressie
    forás
  2. 2. opeisen
    iarratas
/'vɔː.rə/
noun
1. ploegsnede
clais
indefiniteOrdinalNumeral
1. degene die of datgene dat eerder een positie innam
ar deireadh
noun
  1. 1. aftakking van een boomtak of van een weg
    1. forc
    2. gabhlóg
  2. 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
    1. gabhlóg
    2. forc
noun
  1. 4. lichamelijke conditie
    bail
  2. 1. ruimtelijke begrenzing van een voorwerp
    cruth
  3. 2. sjabloon of bak waarin iets gegoten...
    múnla
noun
1. afstandelijke beleefdheid
foirmiúlacht
verb
  1. 1. in de juiste vorm brengen
    cruth
  2. 2. deel uitmaken van, fungeren als bouwsteen van
    foirm
adjective
1. van iets dat het belangrijk is voor de ontwikkeling van iemand
oideachais
/ˈvɔrᵊmɣevə(n)/
verb
bain
noun
  1. 1. het ontstaan...
    imchruth
  2. 2. het onderwijs
    léann
noun
1. een sacrament waardoor een gedoopte de kracht van de Heilige Geest ontvangt om zijn geloof standvastig te kunnen belijden
cóineartú
/vɔrst/
noun
  1. 1. heerser
    flaith
  2. 2. weersomstandigheden
    sioc
adjective
ríoga
noun
1.
prionsacht
/'vɔrstə(n)hœys/
noun
1.
ríora
adjective
1. van het weer dat het koud en vriezend is
doicheallach
noun
banríon
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
  1. sionnach
  2. madra rua
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Sionnach
noun
1. bepaald soort plant, Vaccinium vitis-idaea
bódhearg
noun
1.
admháil
noun
1. (stenen) gewelf of de ruimte onder een gewelf
gorún
noun
aoile
noun
1.
eitleoir
verb
aoile
noun
1.
fillteán
verb
1.
scriú
/vra:x/, /vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
ceist
noun
1. een gesprek waarin iemand een aantal vragen beantwoordt
agallamh
noun
cráigh
noun
cráigh
noun
1. een leesteken (?) dat men aan het eind van een zin plaatst om deze vragend te maken
comhartha ceiste
noun
craos
/vrɑxt/, /vrɑχt/
noun
1. de lading van een vervoermiddel
costas
noun
1.
bille iompair
noun
1. prijs die men betaalt om een bepaalde hoeveelheid vracht naar een andere locatie te vervoeren
carráiste
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
long trádála
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
trucail
/ˈvraɣə(n)/, /ˈvraχə(n)/
verb
  1. 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
    1. ceistigh
    2. fiafraigh
    3. iarr
  2. 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
    1. iarr
    2. pléigh
adjective
1.
díreach
noun
1. ontbreken van oorlog
síocháin
adjective
suaimhneach
noun
1.
suaimhneas
/ˈvre.dəx/, /ˈvre.dəχ/
adjective
1. onverstoord door geschil of onrust
suaimhneach
adjective
suaimhneach
adjective
  1. 1. van buiten, niet van hier
    allúrach
    1. 2. gek, onwerkelijk
    2. 3. niet bekend
    áit
/'vremdə/
noun
1. iemand die niet bekend is
strainséir
noun
1. iemand die afkomstig is uit een ander gebied of land dan dat waar hij verblijft
eachtrannach
noun
1.
seineafóibe
verb
1. met een andere partner dan de echtgenoot verkeren
déan adhaltranas
noun
1. iets dat niet gewoon is; iets dat afwijkend is; iets dat onbekend is; iets dat raar is
aduaine
noun
1. het gevoel dat iets gevaarlijk is of kan zijn
eagla
adjective
faiteach
noun
cníopaire
adjective
1. bijzonder erg, schrikwekkend
léanmhar
verb
1. het nuttigen van voedsel op een meestal onbeleefde wijze
mianach
noun
1.
bain greim as
noun
1.
lúcháir
noun
1. een blij gevoel
  1. lúcháir
  2. áthas
/ˈvrøx.də.ˌvyːr/, /ˈvrøɣ.də.ˌvyːr/, /ˈvrøχ.də.ˌvyːr/
noun
1. een groots door mensen opgebouwd en gecontroleerd vuur om iets te vieren
tine chnámh
/ˈvrezə(n)/
verb
1. bang zijn, angst hebben
eagla a bheith ort roimh
noun
1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
cara
adjective
1. met het nodige respect
cairdiúil
noun
  1. 1. een vrouwelijk persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
  2. 2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
cara
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
  1. cumann
  2. cairdeas
adjective
1. in het kader van de vriendschap, niet competitief
cairdiúil
noun
1. het vriendschappelijke gevoelens voor iets of iemand hebben
cairdiúlacht
/ˈvrisdroɣə(n)/
verb
1. industriële droogmethode voor onder andere het conserveren van voedingsmiddelen
reothriomaigh
/'vriswer/
noun
1.
doicheallach
verb
cuisnigh
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
saor
adverb
ar fad
noun
1.
bí ag súgradh
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
  1. Aoine
  2. Dé hAoine
noun
1.
saorsmaointeoir
noun
2. vrijheid
saoirse
noun
agróir
noun
1.
peataireacht
noun
1.
ligean
verb
1. zonder voorbehoud beschikbaar stellen, toegankelijk maken
ligean
adjective
1. een ongehuwde man of vrouw
singil
noun
1. een ongehuwde man of vrouw
baitsiléir
noun
saorthrádáil
/ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
saoirse
noun
1. een oorlog die men voert om een overheerser te verdrijven
cogadh saoirse
verb
1. toestaan om uit gevangenschap weg te gaan
scaoil amach
verb
ligean
noun
  1. 1. het uit onderdrukking bevrijden van iemand
    fuascailt
  2. 2. het wegnemen van belemmeringen
    ligean
noun
saor
noun
1. het niet al te angstig zijn; het hebben van een gezonde hoeveelheid durf
oscailteacht
noun
2. vluchthaven
dídean
adjective
brusanta
noun
1.
boirbe
noun
1. vrije schop bij voetballen
cic saor
noun
aspalóid
noun
saorstát
adverb
os ard
adverb
1. zo goed als, verwaarloosbaar weinig schelend ten opzichte van iets anders
beagnach
noun
1. een tolerante houding waarbij vrijheid van mening en zingeving centraal staan
liobrálachas
noun
1.
comrádaí
adjective
críonna
noun
1.
cnáimhseachas
/ˈvrud.vrɑu/
noun
1. een vrouw die een bevalling begeleidt
bean chabhrach
adjective
  1. 1. aan het begin
  2. 2. eerder dan verwacht
luath
/ˈvruxər/, /ˈvruɣər/
adjective
ar deireadh
/ˈvruxər/, /ˈvruɣər/
adverb
1. (zoals) in het verleden
fadó
adjective
1.
seanchríonna
adverb
luath
adjective
1. in goede stemming
sona
noun
1. een aangename stemming waarin men veel lacht, zich goed voelt en het leven optimistisch bekijkt
spéiriúlacht
noun
1.
beannaíocht
noun
  1. 1. een volwassen vrouwelijke mens
    bean
  2. 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
    1. bean chéile
    2. bean
adjective
baininscneach
phraseologicalUnit
1.
fuáil
noun
1.
bandacht
noun
lia ban
noun
2. naam van bepaalde varens
cos dhubh
noun
fuathaitheoir ban
noun
1. een man die veel vrouwen verleidt
drúisire
noun
1.
bean
noun
bean chéile
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
toradh
/'vrɵɣbar/
adjective
  1. 1. in staat vrucht af te werpen
    arúil
  2. 2. tot resultaat leidend
    méiniúil
adjective
1.
méiniúil
noun
1. een vruchten mengsel dat met geleisuiker gebonden is
plúch
/ˈvrʏxtə(n)ˌsɑp/, /ˈvrʏχtə(n)ˌsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
sú torthaí
adjective
neamhlómhar
/vœy̯l/
adjective
1. niet schoon
cáidheach
/vœy̯l/
noun
viezigheid, onreine materie
garr
/vœylbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
bosca bruscair
noun
1. voorwerp waarop men vuil kan vegen
sluasaidín
noun
1. het niet schoon zijn
cáidheach
noun
  1. 2. poep
    brocamas
  2. 1. dat wat vuil is
    garr
noun
1. vuilbak
bruscar
verb
1.
truailligh
noun
1. materiaal dat weggeworpen wordt
bruscar
/'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
bosca bruscair
noun
1.
bosca bruscair
noun
1.
leoraí bruscair
noun
1.ton waarin men afval kan bergen
bosca bruscair
noun
1.
míchlú
noun
1. plaats waar afval wordt gestort
láithreán líonadh talún
noun
1. gebalde hand
dorn
noun
1.
anam
pronoun
Vulgáid
noun
1.
boirbe
noun
bolcán
noun
1.
luaithreamhán bolcánach
noun
1. een krater in een planeetoppervlak waardoor, bij een vulkanische uitbarsting, lava aan het oppervlak komt
cráitéar
noun
1. natuurlijke processen
bolcánachas
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
bolcáneolaíocht
verb
1. vol maken
líon
noun
het materiaal waarmee iets opgevuld is
costas
/ˈvʏl.pɛn/, /ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
peann tobair
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
pit
adjective
múisiúnta
/vy.rə(n)/
verb
1. schoten lossen
beangán
adjective
galach
/vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
tine
noun
  1. 1. begin van een brand
    foirnéis
  2. 2. kachel met open vuur in een huis
    teallach
noun
1.
canóin
noun
1.
teallach
noun
1. schip met een lichtgevend vuur dat dient als vuurtoren
long sholais
adjective
1. vlammen uitbrakend; lava uitbrakend
craoslasrach
noun
1.
cloch thine
noun
1. bliksem
tintreach
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
teach solais
noun
1. een wapen dat een kogel schiet met behulp van een chemische ontploffing
arm tine
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
tine ealaíne
/ʋaːx/
noun
scálaí
adjective
1.
neamhnáireach
/'ʋajə(n)/
verb
1. plaatsvinden van een sterke luchtstroming
séid
verb
1. een waaier gebruiken
gaothrán
adjective
weerstoestand waarbij er veel wind aanwezig is
gaofar
/ˈʋakɦɔnt/
noun
1. een hond die het huis of een erf bewaakt
madra cosanta
adjective
1.
feighlíoch
adverb
1. oplettend
airdeallach
/wal/
noun
(demoniem) 1. bewoner of iemand die afkomstig is uit Wallonië
Vallúnach
adjective
1. betrekking hebbend op Wallonië of de Walen
Vallúnais
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
Vallúnais
/wan/, /ʋan/, /β̞an/
noun
1. droomwereld
seachmall
noun
1. het lijden aan een geestesstoornis
buile
adjective
duine buile
noun
1. psychotische aandoening gekenmerkt door waandenkbeelden
gealtachas
/ʋar/
adverb
1. op welke plaats
cá
adjective
fíor
adverb
amach is amach
noun
fírinne
noun
1. een geldbedrag of iets anders dat tijdelijk gegeven wordt als onderpand voor het geval men een verplichting niet na kan komen
bannaí
verb
ráthaigh
/ʋaːrt/
adjective
3. geacht, beste
a chairde
/ʋaːrt/
noun
A 1. baas van een herberg, taveerne of café
óstóir
noun
luach
/ˈʋardəˌlos/
adjective
  1. 1. geen waarde hebbend
    galair
  2. 2. bijzonder slecht
    uafásach
verb
  1. 2. op prijs stellen
    bheith buíoch as
  2. 1. op waarde schatten
    luacháil
noun
1. het minder worden van de geldelijke waarde van iets
dímheas
/'ʋardəˌvɔl/
adjective
1. een grote waarde hebbend
luachmhar
/'ʋar.dəx/
adjective
1. op een wijze die in overeenstemming met het eergevoel is
ardcheannach
noun
bantiarna talún
noun
1. dat wat waar is
fírinne
adverb
1. echt, volgens de waarheid
amach is amach
verb
1. iets via de zintuigen in zich opnemen
airigh
adjective
1. van iemand dat hij een functie tijdelijk uitoefent totdat deze functie weer vervult is
aisteoireacht
noun
2. een tijdelijke vervanger
bean ionaid
/ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
cad chuige
adjective
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
dócha
adverb
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
is dócha (go)
/ˈʋaːrsxyu̯ə(n)/
verb
1. iemand verwittigen dat er mogelijke gevaren, problemen of gevolgen zijn
fainic a chur ar
adjective
1. wijzend op een gevaar of nadeel
fógra
/'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
fógra
verb
réamhaisnéis
/ˈʋɑx.tə(n)/, /ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
fan
noun
garda
noun
1. ruimte of vertrek voor wachtenden, bijvoorbeeld bij een arts of op een station
seomra feithimh
noun
1.
maorsháirsint
noun
1. een aantal elementen die in een bepaalde volgorde op een gebeurtenis wachten
ciú
noun
1. deel van een gebouw waar men kan plaatsnemen totdat men aan de beurt is
seomra feithimh
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
pasfhocal
noun
1. een bij eb droogvallend buitendijks gebied
cothrom
pronoun
1. een binnenzee die aan de ene kant grenst aan de Waddeneilanden en de Noordzee en aan de andere kant begrensd wordt door het vasteland van Nederland, Duitsland en Denemarken
Muir Wadden
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
amh
noun
1. plat gebak dat vervaardigd wordt in een wafelijzer
vaiféal
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
noun
2. een auto
gluaisteán
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
verb
1. een poging ondernemen
dúshlán
/ʋa'ɣɔn/
noun
1. een voertuig dat deel uitmaakt van een trein
carráiste
/waɣɔˈnɛtə/
noun
1. open rijtuig met vier geveerde wielen, waarin de passagiers achter koetsier op twee banken...
vaigínéad
/ˈwa.kə(n)/, /ˈʋa.kə(n)/, /ˈβ̞a.kə(n)/
verb
  1. 1. opzettelijk wakker zijn
  2. 4. letten op, beschermen
faire
noun
seiceadóir
adjective
1. niet in slaap
i do dhúiseacht
noun
  1. 3. het vaste land in tegenstelling tot het boord van een schip
    bruach
  2. 1. aarden verhoging als verdediging tegen een vijand
    claí
/wɑl'dɛnzis/
adjective
1.
Valdach
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
  1. An Bhreatain Bheag
  2. Breatain Bheag
noun
1. een sterke weerzin die fysiek gevoeld wordt
déistin
noun
1. stuk land dat grenst aan een water, meestal gaat het om een door de mens gemaakt afgrenzing
ciumhais
noun
valbaí
/ʋɑˈlonɪə/
pronoun
an Vallúin
adjective
1. vieze dampen of rook uitstotend
toiteach
/wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
rosualt
noun
4. dans
válsa
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Míol Mór
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
míol mór
noun
2. een opengesneden buik van een vis
baic
noun
1.
drochbhainistiú
/ʋɑnt/
noun
balla
noun
1. een misdaad, een slechte of gruwelijke handeling
uafás
noun
béasa
/ˈʋɑn.də.ˌlar/, /ˈβ̞ɑn.də.ˌlar/
noun
1. iemand die buitenshuis een stuk loopt
válcaeir
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌbrʏχ/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌbrʏx/
noun
1. een brug waarover men kan lopen, maar die men niet met grotere voertuigen kan oversteken
droichead
/ˈʋɑn.də.lə(n)/, /ˈβ̞ɑn.də.lə(n)/
verb
1. een wandeling maken
meallac
/ˈʋɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het lopend afleggen van een bepaalde afstand
siúl
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌʋa.χə(n)/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.β̞a.ɣə(n)/
noun
1. een wagen waarin jonge kinderen rondgereden kunnen worden
válcaeir
noun
1.
míol leapa
noun
1. plaat waarmee men een muur kan afwerken als bouwmateriaal
ballachlár
verb
1. zich iets inbeelden wat niet waar is
creid
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
grua
noun
1. een slecht en lelijk mens of dier
ainbheithíoch
noun
1. jaloers zijn op wat een ander heeft
formad
adjective
1. iemand niet gunnen dat die iets heeft dat men zelf wil hebben
éadmhar
/ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
éadóchas
verb
éadóchas
noun
1.
éagothromaíocht
verb
1. onvast op de voeten staan, dreigen te vallen
agaigh
/ˈʋɑŋkəɫˌmotɔr/
noun
1. een verbrandingsmotor die niet met heen en weer gaande zuigers werkt, maar met een roterende zuiger.
inneall Wankel
/ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
cathain
noun
1. een ongeregelde toestand met gebrek aan orde
ainriail
adjective
1.
míshlachtmhar
adjective
1.
scéiniúil
/ʋɑnt/
conjunction
1. geeft nevenschikkend een reden aan
arae
/ʋɑnt/
noun
  1. 1. handschoen
    mitín
  2. 2. scheepvaart
    scriúta
/ˈwɑn.tu.stɑnd/, /ˈʋɑn.tu.stɑnt/, /ˈβ̞ɑn.tu.stɑnt/
noun
1. een onacceptabel slechte situatie
maslaigh
noun
drochamhras
adjective
1.van een persoon dat deze geen vertrouwen heeft in anderen
paranóiach
adjective
amhrasach
/ˈʋaːpən/
noun
  1. 1. een werktuig van geweld
    arm
  2. 2. een wapenschild
    armas
noun
1.
comrádaí
noun
1.
athneartú
noun
1. de kleding van een militair die dienen ter herkenning en ter bescherming
ionar
noun
1. de wapens van een militair
airm
noun
armas
noun
1. een korte tekst die de bedoeling van iets weergeeft
mana
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
sos cogaidh
noun
vaipití
noun
1. een grote winkel die een uitgebreid assortiment aan goederen verkoopt
siopa ilrannach
/'wɑrhoft/
noun
1.
uaill
noun
1. ongeregelde hoeveelheid dingen
praiseach
/ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
te
verb
quentar
noun
1. bladgewas Beta vulgaris
biatas bán
noun
  1. 1. de mate waarin het weer warm is.
    adhall
  2. 2. de hoeveelheid thermische energie.
    teas
noun
1. een front waar een luchtmassa met relatief warme lucht over een gebied schuift waar koude lucht ligt
fronta te
noun
1. apparaat dat de hoeveelheid verbruikte warmte meet
calraiméadar
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Vársá
noun
1. drukke, verwarrende chaos
anord
/ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
céir
noun
1.
inneall níocháin
adjective
1.
in-nite
/ˈʋɑsbɑk/
noun
1. een bassin waarin gewassen kan worden
báisín níocháin
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
racún
adjective
1. heel erg wit; zo wit als was
cuaille
noun
1.
éadach ola
noun
gal
noun
1.
coinneal
noun
1.
báisín níocháin
noun
1.
bairille
noun
3. boenlap
flainín
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
meaisín níocháin
noun
1. zeep in een vorm om kleding en ander textiel in water te reinigen
glantach
noun
2. locatie waar kleding en ander textiel met water wordt gereinigd
níochán
/'ʋɑsə(n)/
verb
  1. 4. in de was zetten
    céir
  2. 3. groeien
    fás
    1. 1. iets schoonmaken
    2. 2. zichzelf schoonmaken
    nigh
noun
1. een plaats waar men kleding en textiel kan (laten) wassen (zonder personeel)
ionad níocháin
noun
ionladh
/'wɑspɛlt/
noun
1.
pionna éadaigh
noun
1. een bak waarin men zich of iets wast
báisín níocháin
/ʋɑt/
indefinitePronoun
2. enigszins
breis
/ʋɑt/
interrogativePronoun
vragend voornaamwoord
cad
adjective
1. & 2.
uiscí
adjective
1. geen aantrekkingskracht vertonend ten opzichte van water
hidreafóbach
noun
1. ontwerp, bouw en onderhoud van waterstaatkundige bouwwerken
innealtóireacht hiodrálach
noun
1. wetenschap die zich richt op ontwerp en beheer van waterbouwkundige werken
innealtóireacht hiodrálach
noun
1. Bubalus bubalis, een tot de runderen behorend trekdier...
buabhall uisce
noun
gal
adjective
1. ondoordringbaar voor water
uiscedhíonach
noun
1. de mate waarin iets water kan doorlaten
tréscaoilteacht
/ˈʋaːtərən/
verb
3. waterachtig vocht afscheiden
uiscigh
adjective
1. et water als oplosmiddel
uiscí
noun
1. ijs gemaakt op basis van water / vruchtensap / stroop
seirbit
noun
1. een dier dat behoort tot een van honderden soorten van de Coenagrionidae
snáthaid mhór
noun
1. daar waar land ophoudt en een water, zoals beek, rivier, meer of kanaal begint
bruach
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Rorippa
biolar
noun
1. ketel waarin men water kan warmen of koken
citeal
noun
hidreachumhacht
noun
timthriall an uisce
noun
1.
cuas
noun
1. dunne, snelgroeiende loot aan een oude tak of aan de stam van een boom
meathán
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
Iompróir an Uisce
/ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
mealbhacán uisce
/ˈʋa.tər.ˌmɛɪ̯n/, /ˈβ̞a.tər.ˌmɛːn/
noun
1. zeemijn, drijvende bom die bij contact met een schip ontploft
mianach
noun
1. een werktuig dat gebruikt wordt om zeker te stellen dat iets loodrecht op de richting van de zwaartekracht komt te staan
leibhéal
noun
leibhéal uisce
noun
1. een balsport waarbij twee ploegen van zeven spelers elkaar in het water bestrijden
póló uisce
noun
1. put waaruit men water haalt
ar fónamh
noun
1. een schoepenrad dat draait door de stroming van het water
cuibhle-uisge
noun
1.
sistéal
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Péist Uisce
noun
  1. 1. sterrenbeeld
    Péist Uisce
  2. 3.gereedschap
    píobán
noun
1. in Nederland en Vlaanderen voorkomende soort waterjuffer, Enallagma cyathigerum
béchuil ghorm stríocach
noun
1. bepaald soort bruine, bolle vogel met witte borst, Cinclus cinclus
gabha dubh
noun
geargáil
noun
1. hoogte van het water in een rivier, zee of ander water
leibhéal uisce
/ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
hidrigin
noun
nasc hidrigine
noun
1. een molecule met de formule HCN en het giftige gas dat uit deze deeltjes bestaat
aigéad prúiseach
noun
1. een toren die zorgt voor een gelijkmatige waterdruk in het waterleidingnet
túr uisce
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
eas
noun
1. een vliegtuig dat kan opstijgen en landen op het water
muireitleán
noun
hidreafóibe
adjective
ainhidriúil
noun
1. een knaagdier
capabára
noun
1. ongesponnen katoen of een synthetische vervanging daarvan bedoeld voor het aanbrengen op wonden
flocas cadáis
noun
1. plukje watten bevestigd op een houten of plastic stokje, gebruikt voor bepaalde medische doeleinden...
baitín cadáis
verb
1. ontharen
céir
/ʋese/
noun
  1. 2. toiletpot
    clóiséad uisce
  2. 1. toilet
    leithreas
noun
páipéar leithris
noun
1.
páipéar leithris
noun
1. spinnenweb
líon damhán alla
noun
1. plaats waar zich informatie bevindt op het internet, aangeduid met een URL
suíomh gréasáin
/ˈʋɛdə/
noun
tuarastal
noun
1.
athbheochan
noun
1.
céile
adjective
frithpháirteach
verb
fill
noun
1.
fill
noun
1. periode waarin de oorlogsschade door de Tweede Wereldoorlog werd hersteld
atógáil
verb
eispéireas
noun
1.
ceannaí
/wedərˈzɛits/
adjective
frithpháirteach
noun
1. wedstrijd waarbij het erom gaat een bepaald traject of parcours zo snel mogelijk af te leggen
rás
noun
1.
caise
noun
1. een strijd van twee of meer personen om uit te maken wie op een bepaald gebied de beste is
comórtas
/ˈʋeːdyʋə/
noun
vrouw
baintreach
/'ʋedyʋnar/
noun
man
baintreach fir
/ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
seol
noun
  1. 1. een dunne geweven stof of textiel
  2. 2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
fíochán
noun
cruach Phádraig
pronoun
teken van de dierenriem van 23 september to 23 oktober
Meá
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
scálaí
noun
2. misselijkheid
adhascaid
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
seachtain
/'ʋekblɑt/
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
nuachtán seachtainiúil
noun
moileasc
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
deireadh seachtaine
/ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
deireadh seachtaine
noun
1.
armacas
noun
armacas
noun
1. uiting van pijn en verdriet
acaoineadh
verb
1.
acaoineadh
/'ʋeldə/
noun
1. omstandigheden van overvloed waar men in leeft
flúirse
adjective
fairsing
noun
1.
ollmhaitheas
adjective
1. lichtdroevig gestemd
dúchroíoch
/weːr/, /ʋɪːr/, /β̞eːr/
noun
1. atmosferische gesteldheid
aimsir
noun
macalla
verb
allabhair
noun
athmhachnamh
/'ʋɪːrɦan/
noun
coileach gaoithe
verb
1. beletten om iets te doen
coisc
noun
1. kaart van een bepaald gebied waarop de weerssituatie is weergegeven
cairt aimsire
verb
1. door elastische botsing van richting veranderen
athfhill
noun
  1. 1. het weerkaatsen
  2. 2. datgene wat weerkaatst wordt (licht, beeld, warmte of geluid)
frithchaitheamh
/'werkerə(n)/
verb
1.
fill
verb
allabhair
noun
meitéareolaíocht
noun
1. een betoog waarmee men iets weerlegt
bréagnú
noun
arm
adverb
ar ais
verb
fill
noun
1. kunstmaan die gelanceerd wordt om meteorologische gegevens te verkrijgen
satailít aimsire
noun
aimsir
noun
1. het zich verzetten, recalcitrant gedrag
ceanndánacht
verb
1. stand houden, weerstand bieden aan
seas
noun
  1. 1. een reactie die poogt een bepaalde actie tegen te werken
  2. 2. de tegenstand die een stroom in een geleider ondervindt
  3. 3. een elektronica-onderdeel
friotóir
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
conriocht
noun
1. sterke afkeer
déistin
adjective
1. waar je een weerzin tegen hebt
aimhréireach
/ʋes/
noun
dílleachta
noun
1. de keer dat je het Weesgegroet bidt
is é do Bheatha, a Mhuire
/ˈʋeshœʏs/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
dílleachtlann
/ˈʋesjɔŋə(n)/
noun
1. een jongen van wie beide ouders overleden zijn
aindílleachta
/ˈwes.mɛɪ̯.ʃə/, /ˈʋes.mɛɪ̯.ʃə/, /ˈβ̞es.mɛː.ʃə/
noun
1. een meisje van wie beide ouders overleden zijn
aindílleachta
/ʋɛχ/, /β̞ɛx/
noun
1. smalle strook grond voor het verkeer
bóthar
verb
cuir i dtaisce
noun
1.
colbha bóthair
verb
1. met vuur verwijderen
loisc
verb
1. geleidelijk afnemen, verdwijnen
tráigh
/ˈʋeχə(n)/, /β̞eɣə(n)/
verb
  1. 1. het gewicht/de massa bepalen
  2. 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
meáigh
noun
léarscáil bhóithre
/ˈʋeːɣəns/, /ˈʋeːχəns/
preposition
1. een reden inleidend
mar gheall ar
/ˈwɛ.ɣaːn/, /ˈʋɛ.χan/
verb
  1. 1. zich ergens vandaan begeven
  2. 3. uit een relatie stappen
fág
verb
1. afstand nemen van iets door het aan iemand te geven
scaoil
verb
1.
goid
verb
1. van zijn plaats halen
scaoil
verb
achomaireacht
verb
ruaig
verb
1. fysiek in steeds minder goede staat komen te verkeren
languidecer
verb
2. opbergen, achter slot brengen
cuir i dtaisce
verb
1.
scaoil
noun
1.
greamú
noun
1. vluchteling
dídeanaí
verb
2. kwijtraken
caill
/'wɛxɔmlɛxɪŋ/
noun
1.
athbhealach
verb
1.
caith
verb
1.
ansmachtaigh
verb
1.
caith
verb
1.
análú
verb
dún do bhéal
noun
1.
réimse
verb
1.
bréagchuil
verb
1. verwijderen
scrios
verb
síolaigh
/ˈʋɛx.zɛ.tə(n)/
verb
  1. 2. bewaren
    coinnigh
  2. 1. ter zijde zetten
    cuir i dtaisce
/ʋɛɪ/
noun
2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
meadhg
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
An Viostúile
noun
cluain
noun
1.
brídeog bhandach
noun
1. gebied dat met gras is begroeid en waar vee kan grazen
cluain
noun
1.
talamh féaraigh
verb
1. vee op een stuk grond laten grazen
cuir ar féarach
adjective
1. van een persoon dat deze aarzelt of twijfelt
anacair
noun
1. twijfeling
aincheas
verb
1. niet voldoen aan een verzoek of opdracht
cuir suas do
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
  1. éaradh
  2. eiteach
/'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
móinéar
pronoun
Poblacht Weimar
/ˈwɛɪ̯nɪx/, /ˈʋɛɪ̯nəχ/, /ˈβ̞ɛːnəx/
noun
  1. 1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
  2. 2. in een klein aantal
beag
indefiniteCardinalNumeral
1. zelfstandig gebruikt onbepaald hoofdtelwoord voor personen
beag
noun
1. tas waarin een jager zijn buit stopt
mála seilge
/ˈwe.kə.lɪks/, /ˈʋe.kə.ləks/, /ˈβ̞e.kə.ləks/
adverb
1. elke week
seachtainiúil
verb
  1. 2. veroorzaken
    ardaigh
  2. 1. wakker maken
    dúisigh
interjection
adrásta
noun
1.
pléisiúr
adjective
1.
maoineach
noun
1. goede gezondheid
folláine
adjective
1.
aithne a bheih i
/ʋɛl'dra/
adverb
1. niet ver in de toekomst, spoedig
ar ball
noun
1. het netjes en keurig zijn
béasaíocht
adjective
1.
aerach
adjective
1.
cruthach
adjective
1. financieel goed gesitueerd
brabachúil
noun
1.
pléisiúr
/'wɛlxəzɪnt/
adjective
1.
réidh
noun
1.
cleamhnas
noun
1.de mate dat iets in grote hoeveelheden voorkomt; de mate waarin iets in grote hoeveelheden groeit en bloeit
flúirse
adjective
eolach
/ʋɛlk/
relativePronoun
a
/ˈʋɛɫkɔm/
adjective
1. gewenst zijn te blijven
fáilte
/ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
fáilte
noun
Dé bhur mbeatha
adjective
1.
béasach
/ʋɛˈlɪxt/
adverb
1. mogelijk, misschien
b'fhéidir
noun
1.
ainmhian
adjective
ainmhianach
adjective
1.
béasach
/wɛlp/
noun
1. jong van hond, wolf, leeuw e.d.
beag
noun
earrach
adjective
1.
cumhra
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
Breatnais
noun
1. een vrouwelijke inwoner van Wales
Breatnach
/'wɛlslɑxə(n)/
noun
1.
rath
adjective
1.
dea-bhriathrach
noun
  1. 3. overeenkomend met de goede smaak
    aeistéitic
  2. 1. een toestand van algeheel welbevinden waarin er geen sprake is van lichamelijk letsel of ziekte
    folláine
  3. 2. het overvloed aan geld, land, grondstoffen, bezittingen en/of eigenschappen
    rath
adjective
1.
maoineach
/ˌʋɛltə'rʏstə(n)/
interjection
oíche mhaith
adverb
1.
mar atá
/ˈʋɛlvart/
noun
rath
noun
folláine
verb
over ruime financiële middelen beschikkend
rafar
noun
1. de mate waarin iets of iemand in voorspoed verkeert
rath
adjective
1.
diongbháilte
adverb
1. sterke bevestiging van iets
ambaiste
/'wɛlzɛin/
noun
1. wanneer een individu of maatschappij zich in een goede toestand bevindt ...
folláine
/wɛm/
noun
puchán
noun
1. deel van een akker waar men met de ploeg kan keren tijdens het ploegen
iomaire cinn
noun
1. het gemak waarin iets of iemand van richting kan veranderen
aclaíocht
/ʋɛndɘ(n)/
verb
  1. 2. andere koers gaan varen
    deil
  2. 3. zich tot een instantie wenden
    ionsaigh
noun
deil
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
Vín
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
caoin
noun
ball
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
mala
verb
cleacht
/ʋεns/
noun
mian
noun
1. een bron die een wens kan vervullen.
tobar rúin
noun
1.
brionglóid
/'ʋɛnsən/
verb
dúil
/ˈwɛntələ(n)/
verb
deil
noun
staighre bíse
/ˈweː.ʁəlt/, /ˈʋɪː.rɔɫt/, /ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
  1. saol
  2. domhan
noun
1. een kaart van het oppervlak van de aarde in de vorm van een bol
cruinneog
/ˈweːrəlˌdeːl/, /ˈʋɪːrəɫˌdeːɫ/, /ˈβ̞eːrəlˌdel/
noun
1. een groot boven de zee uitstekend stuk droog land en de omringende eilanden die op hetzelfde continentale plat liggen
ilchríoch
pronoun
Eagraíocht Dhomhanda Sláinte
/ˈweː.rəld.ˌkam.pi.ˌjun.sxɑp/, /ˈʋɪː.rəɫt.ˌkɑm.pi.ˌjun.sχɑp/, /ˈβ̞eː.rəlt.ˌkɑm.pi.ˌjun.sxɑp/
noun
1. een kampioenschap waarin de besten van de wereld het tegen elkaar opnemen
Corn Domhanda
adjective
1. betrekking hebbend op deze wereld, in tegenstelling tot met name het hiernamaals of de kerk
saolta
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
cogadh domhanda
adjective
domhanda
noun
1. elk van de grootste zeeën van de aarde
aigéan
verb
ruaig
/wɛr(ə)f/
noun
1. een scheepswerf
cé
/ʋɛrk/
noun
  1. 4. dat wat gemaakt is, kunstwerk
    obair
    1. 2. beroep
    2. 1. dat wat gedaan moet worden
    3. 3. de plek waar men werkt, werkplek
    post
noun
1.
coimeádán
noun
1. werkbank
binse
noun
1. niet vruchtbare vrouwelijke bij
beach oibre
noun
leabhar oibre
/'wɛrkɔleʒə/
noun
1.
rang teagaisc
adjective
1. niet verbeeld
dáiríre
/'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
nithiúlacht
adjective
1. niets doend, niets verrichtend, niet werkend
díomhaoin
/ʋɛrkən/
verb
1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
oibrigh
/ʋɛrkɘr/
noun
oibrí
noun
1.
capall oibre
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
fostóir
noun
1. de manier waarop iets werkt
feidhmiú
/ˈʋɛrkrɑxt/
noun
  1. 1. een persoon die gewoonlijk tegen betaling werk verricht
    fostaí
  2. 2. het vermogen om te werken
    fuinneamh
noun
1.
díol
adjective
dífhostaithe
/wɛrkˈloshɛit/
noun
  1. 1. het werkloos zijn
  2. 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
dífhostaíocht
noun
1. uitkering voor iemand die buiten zijn of haar schuld om werkloos is
sochar dífhostaíochta
noun
árachas dífhostaíochta
noun
1. gelden bestemt voor mensen die geen betaald werk kunnen krijgen, maar wel beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt
sochar dífhostaíochta
noun
oibrí
noun
1.
fostaí
noun
oibrí
/ʋɛrkˈnemǝr/
noun
1. iemand die voor een ander werkt en daarvoor betaald wordt
fostaí
noun
1. vereniging die de belangen van mensen die werken in loondienst behartigt
ceardchumann
noun
ceardlann
noun
1.
treo
noun
2. krachtige computer die men voornamelijk gebruikt voor applicaties die veel rekenkracht vereisen
stáisiún oibre
noun
1. een stuk gereedschap om een taak eenvoudiger en/of lichter te maken
uirlis
noun
1.het ontwerpen, vervaardigen en in bedrijf houden van machines
innealtóireacht mheicniúil
noun
innealtóireacht mheicniúil
/wɛrəktœyxkʌndə/
noun
1. de leer van werktuigen
meicnic
adjective
1.
inneallach
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
briathar
adjective
1.
briathartha
noun
1. vlijt, ijver
gníomhaíocht
verb
  1. 2. (van zoogdieren) ter wereld brengen, baren
    béar
  2. 1. met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
    caith
noun
3. bij honkbal
crúsca
noun
1.
sleá
noun
1. speer die men naar de vijand kan werpen
sleá
noun
1. bot van de wervelkolom
veirteabra
noun
colún veirteabrach
noun
cuaifeach
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
foiche
/ʋɛst/
adverb
iarthar
pronoun
Afraic Thiar
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
Beangál Thiar
pronoun
Iar-Ghearmáin
pronoun
1. het westelijk deel van Europa
Iarthar na hEorpa
pronoun
Indiacha Thiar
adjective
an iarthair
/ˈʋɛs.tə(n)/
noun
iarthar
noun
1.
fiabhras na Níle Thiar
adverb
iarthar-iarthuaisceart
/wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
dlí
/ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
a fhios a bheith agat
/'ʋetənsxɑp/
noun
  1. 2. georganiseerde activiteit
  2. 1. het weten van de mens
eolaíocht
/ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
eolaí
adjective
1.
spéisiúil
noun
1.
sruth
noun
1. het geheel aan wetten die in een land gelden
reachtaíocht
/wɛt'matəx/
adjective
1.
dleathach
noun
1. door de regering uitgaand voorstel tot wet
bille
noun
1. een ronde staaf fijn geribbeld staal met een handvat, waaraan je een mes of schaar...
cruach
/ˈwɛtələk/
adjective
1. in overeenstemming met de wet
dleathach
/'ʋɛtən/
verb
1. het aanscherpen van een mes op een wetsteen
géaraigh
/ˈweː.və(n)/, /ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
figh
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
  1. bláthnaid ghallda
  2. easóg
/ˈʋeː.zə(n)/
noun
  1. 1. individu
    dúil
  2. 2. aard
    garr
/wezə(n)lək/
adjective
riachtanach
noun
1.
tobán cuilithe
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
  1. fuisce
  2. uisce beatha
noun
1. een glad, wit gekleurd metalen bord waarop men met behulp van een viltstift met uitwisbare inkt kan schrijven of tekenen en waarop men met een magneet voorwerpen kan klemmen
clár bán
noun
1. het verkrijgen van informatie door middel van bovennatuurlijke of niet wetenschappelijk aangetoonde middelen
fáistine
/wiː/, /ʋiː/, /β̞iː/
relativePronoun
1. vragend voornaamwoord
cé
adjective
1. snel en onregelmatig heel en weer bewegend
anacair
adjective
1. zo vanzelfsprekend en logisch, dat er niet over gediscussieerd kan of hoeft te worden
follasach
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
cliabháin
noun
suantraí
/ˈwiɣə(n)/
verb
1. zachtjes heen en weer bewegen, gewoonlijk om een zuigeling in slaap te brengen
carraig
/ʋik/
noun
  1. 3. kaarsenpit
    buaiceas
  2. 2. molenwiek
    eite
noun
1. ronddraaiende schijf
roth
noun
1. de sport van het wielrennen
rothaíocht
noun
1. iemand die op hoge snelheid fietst in wedstrijdverband
rothaí
verb
ciogal
noun
1. iemand die fietst
rothaí
noun
brosna
interrogativePronoun
1. van wie
a
noun
1. in water voorkomende vaatloze, plantachtige organismen
alga
/ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
túis
/ʋit/
noun
1. een softdrug die bestaat uit gedroogde hennep
raithneach
noun
1. een metalen of houten voorwerp in de vorm van een driehoekig blok met een scherpe hoek van 5 to 20 graden
ding
noun
1. wig
ding
/wɛɪ̯/, /ʋɛɪ̯/, /β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
sinn
/wɛɪ̯d/, /ʋɛɪ̯t/, /β̞ɛːt/
adjective
fairsing
adverb
1.
gabhalscartha
verb
1. geheel voor een bepaald doel bestemmen
tíolaic
noun
1.
coisreacan
adjective
1.
fadchainteach
/wɛitfərˈbrɛit/
adjective
1.
go forleathan
adjective
1. zeer beroemd in de wijde omtrek en bij veel mensen
cáiliúil
adjective
1. overal aanwezig, vindbaar
go forleathan
/ʋɛi̯f/
noun
1. vrouw
bean
/ʋɛi̯k/
noun
1. een bewoond deel van een stad of een gemeente
ceathrú
verb
coisc
noun
1.
cró folaigh
noun
1. verpleegkundige van de thuiszorg die mensen in hun eigen huis verzorgt
banaltra cheantair
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
arae
/wɛɪ̯n/, /ʋɛɪ̯n/, /β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
fíon
noun
1. azijn uit wijn bereid
fínéagar fíona
noun
1. berg waarop wijngaarden gelegen zijn
féithleog
noun
het verbouwen van druiven voor de productie van wijn
fíonsaothrú
noun
1. een druif die wordt gebruikt om wijn van te maken
fíonchaor
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om wijn uit te drinken
fíonghloine
noun
1. apparaat voor persen van druiven
cantaoir fíona
/ˈʋɛi̯n.stɔk/
noun
1. klimplant waaraan druiven groeien
fíniúin
noun
1.
fíonsaothrú
/wɛɪ̯s/, /ʋɛɪ̯s/, /β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
críonna
/wɛɪ̯s/, /ʋɛɪ̯s/, /β̞ɛːs/
noun
1. een melodie
tiúnáil
noun
fealsamh
noun
Eagna
noun
1. gerijpt inzicht
críonnacht
noun
1. achterste kies van iedere kaakhelft van het volwassen gebit van een mens
fiacail forais
verb
1. in negatieve zin toeschrijven aan
a
/ˈʋɛi.tɪŋ/
noun
1. bepaald soort straalvinnige vis, Merlangius merlangus
faoitín
noun
1. gewijd water
uisce coisreacain
noun
  1. 1. manier
    slí
  2. 1. wijs persoon
    fáidh
verb
aird
noun
snáthaid
noun
2. een plaat met een schaalverdeling waarop een wijzer een waarde kan aanwijzen
taispeántas
verb
1. zodanig aan iets werken dat het anders wordt
athraigh
noun
1. verandering in een regel, document, wikipagina enz
athrú
noun
breith
noun
1. een constructiesysteem voor internetpagina's waar, in het algemeen, iedereen alle pagina's kan wijzigen
vicí
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Vicipéid
verb
1. draaiend iets buigzaams rond een voorwerp aanbrengen
crap
verb
1. op de hand wegen
meáigh
/ˈwikʃoˌnɛri/, /ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
Wikishinari
/ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
deoin
adjective
3. onbeschaafd, bruusk
amhsach
noun
  1. 1. dieren die niet onder menselijke beheersing zijn opgegroeid
  2. 3. vlees van een wild dier
géim
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
  1. torc
  2. torc allta
/'wɪldbrat/
noun
1.
fiafheoil
noun
1.
cailín báire
noun
1. een bosachtig gebied dat weinig door de mens geregeld is
fiántas
noun
1.
iartharán
noun
1. Salix sp.
sail
adjective
ansmachtúil
/ˈwɪləm/, /ˈʋɪləm/, /ˈβ̞ɪləm/
pronoun
1. een jongensnaam
Liam
/ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
iarr
adverb
1. met opzet
d'aon toisc
noun
1. onvermogen om te handelen, ook al weet je wat je moet doen
abúile
noun
uiterste wilsbeschikking
deoin
/ˈʋɪmpəɫ/
noun
bratainn
noun
fabhra
/ʋɪnt/
noun
1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
gaoth
noun
1.
aerghunna
/ˈʋɪndə(n)/
verb
1. een draad of kabel draaiend op een as of klos aanbrengen
crap
adjective
1. weerstoestand waarbij er veel wind aanwezig is
gaofar
noun
coileach gaoithe
noun
1.
cuaifeach
noun
1. molen die door de wind gedreven wordt
muileann gaoithe
noun
1. een gebied waar windenergie gewonnen wordt met behulp van een aantal molens
feirm ghaoithe
noun
1. een groep bij elkaar geplaatste windturbines
feirm ghaoithe
noun
cairt chompáis
noun
1.
fál fothana
noun
1.
climir
noun
1. periode met geen of weinig wind
calma
noun
1.
coileach gaoithe
/'wɪŋɛrt/
noun
  1. 1. wijnstok
    féithleog
  2. 1. wijngaard
    fíonghort
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
siopa
noun
1. gebied of overdekte galerij waar meerdere winkels en horecazaken zijn gevestigd
ceantar siopaí
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Riail
/ˈwɪŋkəl.jʏˈfrɑu/
noun
1. een vrouw die beroepsmatig in een winkel, een supermarkt, een warenhuis of buiten werkt, met name klanten bedient, waren verkoopt of achter de kassa zit
bean díolacháin
noun
1.
tralaí siopadóireachta
noun
1. een wagentje dat in winkels wordt gebruikt om tijdens het winkelen producten in te verzamelen
tralaí siopadóireachta
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
buaiteoir
/ˈwɪnə(n)/, /ˈʋɪnə(n)/, /ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
  1. 3. een grondstof uit de natuur halen
    bain
  2. 1. als beste partij uit een wedstrijd komen
    buaigh
/ʋɪnst/
noun
1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde
brabach
/ʋɪntər/
noun
1. seizoen
geimhreadh
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus petrae
dair neamhghasánach
adjective
síorghlas
noun
1. klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,
dreoilín
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
grianstad an gheimhridh
noun
praslacha
noun
1. de tijd zoals die geldt in de herfst- en wintermaanden, zonder dat de klok een uur vooruit is gezet
geimhreadh
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
grianstad an gheimhridh
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
grianstad an gheimhridh
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
grianstad an gheimhridh
/ʋɪp/
noun
1. een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rust
cranndaí bogadaí
/'ʋɪpə(n)/
verb
  1. 1. op en neer bewegen
    fuílleach
  2. 2. geslachtsgemeenschap hebben, paren
    scriú
/ˈwɪpstul/
noun
1. zetel waarin je comfortabel voor- en achterover kunt schommelen
cathaoir luasctha
adjective
cinnte
noun
braisle
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
bíosún
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
matamaitic
/ʋɪsˈkʏndəx/
adjective
1. op wiskunde betrekking hebbend of er gebruik van makend
matamaiticiúil
noun
matamaiticeoir
adjective
meonúil
noun
1. het op een onvoorspelbare manier steeds weer veranderen
luaineacht
/ʋɪsəl/
noun
  1. 2. handelspapier voor de overdracht van geld
    bille malairte
  2. 1. speciale constructie in een spoorweg om een voertuig naar een ander spoor te leiden
    ladhróg
  3. 3. vervanging van een sporter door een teamgenoot
    malartaíocht
noun
briseadh airgid
noun
tiontú
noun
1. kind dat in de plaats gelegd wordt van een door feeën geroofd mensenkind
carrachán linbh
/'wɪsəlspelər/
noun
1.
bean ionaid
noun
1. wisselstroom
sruth ailtéarnach
verb
1. het niet meer laten bestaan van
léirscrios
noun
1. iets van weinig betekenis, kwestie die eenvoudig op te lossen is
réadán
/ʋɪt/
adverb
1. kleur
  1. bán
  2. geal
/ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
  1. bán
  2. geal
/wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
  1. An Bhealarúis
  2. Bealarúis
/ˌwɪtˈrʏsɪs/, /ˌʋɪtˈrʏsis/, /ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
Bealarúisis
adjective
fobhán
noun
1. een document dat beschrijft hoe overheidsbeleid, een technologie, en/of product een specifiek probleem oplost
Páipéar Bán
noun
1. plantengeslacht waarbij de planten zacht aanvoelen doordat ze bedekt zijn met witte haren
féar an chinn bháin
noun
1. fijn tarwebrood
arán bán
noun
2. platina
platanam
adjective
1.
gealacán
noun
aistarraingt
noun
1.
báine
noun
1.
aol
noun
1. loof van met dat doel in het donker geteelde varianten van cichorei, Cichorium intybus var. foliosum
siocaire
noun
1. stof waarmee men iets wit kan maken
aoldath a chur ar
noun
fia earrbhán
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
Déardaoin Mandála
noun
1.
abhac bán
noun
1. Carcharodon carcharias, de bekendste en de meest gevreesde haai
siorc bán mór
pronoun
Teach Bán
noun
1. zangvogel (Motacilla alba)
glasóg shraide
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
  1. fíon geal
  2. fíon bán
pronoun
Muir Bhán
noun
coireacht an bhóna bháin
noun
1. en 2. (bladeren van) sluitkoolgewas dat lichtgroen tot wit van kleur is
cabáiste
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
vodca
/ˈʋudə/
noun
1. een gevoel van erge kwaadheid
corraí
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
amh
adjective
1. geneigd om de hard te groeien en uit te breiden
uaibhreach
noun
diúgaire
verb
bain
noun
1. klein, gravend, muisachtig knaagdier met stompe snuit
vól
noun
1. onrustig persoon
corrthónach
/ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
  1. Céadaoin
  2. An Chéadaoin
noun
1.mannetjeseend
lacha
adjective
1. onbebouwd, braakliggend
amhsach
noun
1. een onherbergzaam gebied dat door niemand verzorgd wordt
fásach
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
  1. fásach
  2. gaineamhlach
noun
1. ronde pan die wordt gebruikt in de oosterse keuken, vooral om te roerbakken
wok
/ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
olann
adjective
1.
olanda
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Faolchú
/wɔlf/, /ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
  1. faolchú
  2. mac tíre
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
tungstan
noun
1.
cú faoil
noun
lus na hoíche
noun
bainne caoin
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
  1. scamall
  2. scamaill
/ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
  1. teach spéire
  2. ilstórach
pronoun
1. een Afrikaanse taal uit de Atlantische tak van de Niger-Congotalen met 3,5 miljoen sprekers, voornamelijk in Senegal
Volaifis
/wɔlˈvɪn/, /ʋɔlˈvɪn/
noun
vrouwelijke wolf
mac tíre baineann
noun
vombat
/wɔnd/, /ʋɔnt/, /β̞ɔnt/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
créacht
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
ionadh
adjective
iontach
noun
dochtúir bréige
adjective
1. opmerkelijk, ongewoon
aduain
adjective
1.heel erg mooi
aoibhinn
noun
1. bacteriële infectie van de huid die gepaard gaat met hoge koorts en algemeen ziektegevoel
arasaipil
/ˈwo.nə(n)/, /ˈʋo.nə(n)/, /ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
bí i do chónaí
noun
1. een doorgaans afgesloten constructie waarin men kan leven
abhaile
noun
1. een kamer ingericht om in te wonen en gasten te ontvangen
nead
noun
1.
céim
noun
1.
teach
noun
1. middeleeuwse toren
doinsiún
/ʋoːrt/, /ˈʋʊːrt/, /ˈβoːrd/, /ˈβoːrt/
noun
  1. 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
  2. 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
  3. 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
  4. 2. belofte
focal
noun
1. de semantische inhoud van een woord
airigh
noun
1.
sárú gealltanais
adjective
  1. 1. heel precies en compleet
    beacht
  2. 1. bestaande uit woorden
    briathartha
/ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
foclóir
/ˈʋɔːrdə(n)ˌlɛɪst/
noun
1. een lijst bestaande uit woorden
foclóirín
noun
foclóirín
noun
1. categorie waarin bepaalde woorden naar gelang het grammaticale gebruik in onderverdeeld worden
roinn chainte
noun
1. persoon
urlabhraí
/ˈwɔrdə(n)/, /ˈʋɔrdə(n)/, /ˈβ̞ɔrdə(n)/
verb
fóir
verb
1. doden door het dichtknijpen van de hals
tacht
noun
1. een krachtige computer voor professioneel gebruik, die over gespecialiseerde hardware of software beschikt
stáisiún oibre
/ʋɔrm/
noun
1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
péist
noun
een hypothetische mogelijkheid binnen de ruimte-tijd
poll péiste
adjective
1. door wormen aangevreten
cruimheach
/ʋɔrp/
noun
  1. 1. de handeling van het werpen van iets
    caith
  2. 2. het aantal jonge dieren dat een moederdier bij één dracht op de wereld zet
    ál
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
ispín
verb
streachail
noun
1. aftreksel van mout
braichlis
/ˈʋɔrtəl/
noun
  1. 1. Groente peen
    cairéad
    1. 2. Ondergronds gedeelte van een plant
    2. 3. Getal
    3. 4. Woord
    fréamh
pronoun
1. Finoegrische taal die door de Woten in Ingrië gesproken werd
Vóitis
/ʋʌːt/, /ʋʌːut/
noun
1. groot bos
foraois
/ʋʌʊ̯/, /β̞ʌːβ̞/
noun
A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
cúr
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
díoltas
noun
agróir
noun
1. iets wat men doet als vergelding voor een (ervaren) kwaad dat men is aangedaan
imir díoltas ar
adjective
ainriochtach
verb
  1. juridisch
    dúshlán
  2. afkeuren, verwerpen
    eitigh
noun
1.
smionagar
noun
1.
agó
noun
1. knobbeltje
faithne
adjective
1. bedekt met veel wratten
faithneach
adjective
1. heel onvriendelijk
ainiochtach
noun
barbarach
noun
1. bovenkant van de voet tussen tenen en enkel
trácht
verb
1.
díoltas a imirt ar
noun
agróir
noun
1.
colg
verb
1.
freang
noun
1.
snas
verb
1. handeling
cuimil
/'ʋrɪŋən/
verb
1. met een draaiende beweging iets vervormen
bí ag lúbarnaíl
/'wruɣɪŋ/
noun
aithrí
noun
aicis
noun
1. oorspronkelijk een rol van twee ineengedraaide repen stof, gevuld met haar of wol, aangebracht bovenop de helm om vijandelijke slagen te breken
fleasc
/wœyvə/
verb
  1. 1. een groet brengen door met de handen te zwaaien
  2. 2. heen en weer buigen, zwenken
croith
noun
1. Buccinum undatum
cuachma
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
crotach
verb
1. iets of iemand vermoorden door het dichtknijpen van de keel
tacht
noun
1.
buachrapaire
noun
cruimh
noun
1. de vierentwintigste letter van het alfabet
x
noun
1.
X-chrómasóm
/ksɑnˈtinə/
noun
1. een organische stof die in vlees, urine en andere dierlijke stoffen voorkomt
xaintin
pronoun
2. spelwoord voor de letter x
X-ghathach
/ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
seineafóibe
adjective
1. een sterke afkeer van vreemdelingen hebbend
seineafóbach
noun
1. iemand die een sterke afkeer van vreemdelingen heeft
seineafóbach
/ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
xeanón
/ˌksɪːroˈdɛrma/
noun
1.
xéirideirme
noun
xéirifít
/ˌksɪːroɣraˈfi/
noun
1. een droge, niet-chemische en fotografische methode die gebaseerd is op elektrostatische aantrekkingsverschijnselen
xéireagrafaíocht
/ˈksɪːrɔks/
noun
1. een fotokopie die gemaakt is door middel van xerografie
fótachóipeáil
/ˈksɪːrɔksə(n)/
verb
1. kopieën maken volgens het systeem van de xerografie
fótachóipeáil
/ˈkoːsa/
pronoun
1. een taal die in Zuid-Afrika gesproken wordt
Cóisis
/ksiˈlem/
noun
1.
xiléim
/ksiˈlen/
noun
1. een oplosmiddel voor stoffen als lak en rubber
xiléin
/ˌksilofoˈnɪst/
noun
1. een bespeler van een xylofoon
xileafónaí
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
xileafón
/iˈɣrɛk/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. de vijfentwintigste letter van het alfabet
y
noun
1. een van de beide geslachtschromosomen dat in de helft van de zaadcellen voorkomt
Y-chrómasóm
noun
1. een tropisch voedselgewas
ionam
noun
1. Amerikaan uit het noordelijke deel van de Verenigde Staten
Poncán
noun
  1. 1. een Angelsaksische lengtemaat (3 voet is 0,9144 m)
  2. 2. een Engelse vlaktemaat (12,14 ha)
clós
noun
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
geolta
noun
1. een geschreeuwde leuze
liú
noun
1. de munteenheid van Japan
yen
/ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
ióga
/ˈjɔxərt/, /ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
iógart
pronoun
1. taal die door de Yoruba in Nigeria, Benin, Togo en Sierra Leone gesproken wordt
Iarúbach
noun
1. de letter y
upsalón
noun
1. scheikundig element met symbool Yb en atoomnummer 70
itéirbiam
noun
1.
itriam
/sɛt/, /zɛt/
noun
1. de zesentwintigste letter van het alfabet
z
/zaːt/
noun
  1. 1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
  2. 2. zaadcellen uit de mannelijke geslachtsorganen van een mens of een dier
síol
/'zadbɑl/
noun
1. een orgaan waar de spermacellen gevormd worden
magairle
/ˈzadbɑŋk/
noun
2. een spermabank
banc speirme
noun
1. kweekbed, bed waarin zaadjes kunnen ontkiemen
ceapach síl
/zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
  1. toireasc
  2. sábh
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
min sáibh
/'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
min sáibh
/'zaxtɑnt/
noun
2. iets in de vorm van een zaagtand
mant
verb
1. zaad strooien
síol a chur
adjective
in ann
noun
1. room
uachtar
pronoun
2. boek in de Bijbel
Leabhar Zacairiá
adverb
  1. 1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
    bog
  2. 2.
    mín
  3. 4. aangenaam voor de zinnen
    séimh
adjective
mín
/zɑxt'mudəx/
adjective
mín
adjective
1. niet al te ruw, de dingen ontziend
mín
noun
zitplaats op dier of fiets
diallait
verb
1. een zadel plaatsen op
diallait
/ˈza.ɣə(n)/, /ˈza.χə(n)/
verb
1. in stukken delen door middel van een zaag
nath
/[ˈzɑː.greb]/
pronoun
1. hoofdstad van Kroatië
Ságrab
noun
2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
póca
noun
ríomhaire glúine
/ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
  1. ciarsúr
  2. ciarsúr póca
/zaːkən/
noun
2. commerciële activiteiten
gnó
/'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
fear gnó
noun
airgead póca
verb
  1. 1. naar beneden gaan
    síolaigh
  2. 2. niet slagen voor een examen
    tréig
noun
1. iemand die ongemerkt waardevolle zaken steelt
peasghadaí
noun
1. lamp op zakformaat
lóchrann
noun
1. een draagbare bron van licht, gewoonlijk van energie voorzien middels batterijen
lóchrann
noun
1. een draagbare bron van licht, gewoonlijk van energie voorzien middels batterijen
beo
/ˈzɑkmɛs/
noun
1. een klein invouwbaar mes, vaak met extra gereedschappen
scian phóca
noun
smeerbare massa om op de huid aan te brengen
ungadh
noun
  1. 1.
    beannaitheacht
  2. 2.
    glóir
/zɑlm/, /zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
bradán
/zɑlvə(n)/
verb
2. het aanbrengen van een welriekende olie, meestal als inhuldiging in een politieke of religieuze hoedanigheid
ung
/'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
Saimbia
verb
1. beetje bij beetje bijeenbrengen
dlúthaigh
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
gaineamh
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
bosca gainimh
noun
1. een ophoping van zand op de bodem van een zee of meer
oitir
noun
1. benaming voor de zoetwatervis Sander lucioperca
liúsphéirse
noun
1. een van zand gebouwd miniatuurkasteel
caisleán gainimh
noun
Seán Ó Néill
noun
1. een wezen dat zand in de ogen van kinderen zou strooien
Seán Ó Néill
noun
gaineamhchloch
noun
1. een vaatje gevuld met zand dat gebruikt werd om overtollige inkt op een beschreven blad op te deppen
bosca gainimh
noun
canadh
noun
leabhar amhrán
/ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
amhránaí
noun
1. een vrouwelijk iemand die zingt
amhránaí
noun
1. Turdus philomelos, een lijstersoort die algemeen is in Nederland en Vlaanderen
smólach
adjective
  1. 1. verzadigd, vol, met name van alcoholische drank
    ar meisce
  2. 2. ergens genoeg van hebbend
    bréan
indefinitePronoun
1. in voldoende mate
flúirse
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
  1. Satharn
  2. An Satharn
noun
1. algehele dronkenschap
meisce
/za.ˈiː.rə/
pronoun
Sáír
personalPronoun
  1. 2. clitische vorm van zij (derde persoon meervoud)
    iad
  2. 1. clitische vorm van zij (derde persoon vrouwelijk enkelvoud)
    sí
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
séabra
noun
1. een patroon van witte strepen aangebracht op het wegdek ter aanduiding van een beschermde voetgangersoversteekplaats
trasrian coisithe
noun
béas
adjective
1. zoals het volgens normen en waarden behoort
múineadh
noun
moráltacht
noun
éillitheacht
noun
eitic
adjective
eiticiúil
noun
1. de leer van de gezamenlijke plichten der zedelijke wezens
eitic
/ze/, /zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
  1. farraige
  2. muir
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
cuán mara
noun
1. smalle doorgang tussen twee zeeën
caol
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Actiniaria
bundún leice
noun
1. bepaald soort roofvogel die in kustgebieden leeft, Haliaeetus albicilla
iolar mara
noun
1. inham van een zee
cuisle
noun
1. blad van de plant Zeeaster
crosóg
noun
1. baarsachtige zeevis, Dicentrarchus labrax
doingean mara Eorpach
noun
1. gevarieerde vismaaltijd
bia farraige
noun
1. aardbeving waarvan het epicentrum op de bodem van de zee ligt
muirchrith
noun
1. het grondvlak van een zee
grinneall na farraige
noun
1. stenen strekdam dienend om de kracht van de golven te breken
bábhún
noun
1. een zeeofficier in opleiding bij de marine
meánloingseach
noun
1. bepaald soort grote zeevis, Lophius piscatorius
láimhíneach
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
criathar
noun
1. de deining van de zee
mórtas
noun
1. uiteinde van een rivier of zeearm dat toegang biedt tot de open zee
inbhear
noun
2. schilderij met de zee als onderwerp
amharc mara
noun
1. benaming voor planten aangepast aan het leven in zout water uit het geslacht Zostera
feamainn mheilsceánach
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
rón
noun
1. pier of dijk die in zee uitsteekt
cé
noun
  1. 2. zeewater
    deoch
  2. 1. vloeibare ontlasting
    mún
/ˈzekut/
noun
1. zwart-witte zeevogel, Uria aalge
foracha
noun
1. benaming voor op de op komkommers lijkende zeedieren uit de klasse Holothuroidea
súmaire cladaigh
noun
1. in zee levende kreeft
gliomach
noun
1. de begrenzing van land door de zee
cósta
noun
1. neteldier in de vorm waarin het vrij in het water zwemt
smugairle róin
/ˈzelɑnt/, /ˈzeːlɑnd/, /ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
Zeeland
noun
1. iemand die zelen vervaardigt.
rópadóir
noun
1. grote oorrob
mór-rón
noun
1. loods die schepen van en naar de open zee loodst
píolóta
noun
1. bepaald soort karperachtiɡe zoetwatervis, Tinca tinca
cúramán
/ˈzelœʏpart/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Hydrurga leptonyx
rón liopaird
/zem/
noun
2. zeemleer, leer gemaakt van gemzenhuid
seamaí
noun
cabhlach
noun
maraí
noun
1. vaardigheid in het bedienen, onderhouden en het besturen van een schip
loingseoireacht
noun
1. mythisch zeewezen
maighdean mhara
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
faoileog
noun
1. afstandsmaat, in gebruik op zee, 1852m
muirmhíle
noun
1. nudibranch
núdabrainciach
noun
1. hoogte van de zeespiegel
leibhéal na farraige
noun
1. rob uit het geslacht Mirounga
rón eilifintiúil
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
  1. gallúnach
  2. sópa
/ˈzepaːrtʲə/
noun
2. benaming voor zeevisjes waarvan de kop op een paardenkop lijkt en die rechtopstaand zwemmen, uit het geslacht Hippocampus
capall mara
noun
1.
lugach
noun
sobal
adverb
1. in hoge mate
an-
/ˈzerɔp/
noun
2. benaming voor grote zeezoogdieren uit de familie Phocidae
rón
noun
1. iemand die op zee een schip berooft
foghlaí mara
noun
1. benaming voor zeedieren uit de familie Cheloniidae
turtar mara
noun
1. een zeewaardig schip gebouwd om de zee te kunnen trotseren
long
/ˈzeslɑŋ/
noun
1. giftig reptiel dat leeft in ondiepe zeegebieden en riviermondingen
nathair mhara
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
crosóg
noun
1. een smalle doorgang tussen twee zeeën en daarmee tevens de scheiding tussen twee landmassa's
caol
noun
1. een grote constante beweging van het zeewater
feacht
noun
1. bepaald soort platvis, Solea solea
sól coiteann
noun
1. scheepvaart over de zee
loingseoireacht
noun
2. allerlei eetbare schaal- en schelpdieren
sliogán
adjective
1. geschikt om veilig op zee te varen
acmhainneach
/ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
sáile
noun
1. in zee levend wier
feamainn
/ˈzeʋɔɫf/
noun
1. bepaald soort roofvis, Anarhichas lupus
cat mara
adjective
tinneas farraige a bheith ort
noun
1. misselijkheid als gevolg van de onregelmatige beweging van een schip
tinneas farraige
/'zezʋalyw/
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige zeevogels met gevorkte staart uit de familie Sternidae
geabhróg
noun
1.
áitheas
/ˈzexəl/
noun
  1. 2. een stukje papier meestal voorzien van een plaklaag dat dient om aan te geven dat betaling heeft plaatsgevonden
    gread
  2. 1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
    rón
/ˈzeːɣə(n)/, /ˈzeːχə(n)/
noun
1. verlening van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand
beannacht
verb
1. de zegen geven
beannaigh
adjective
méanar
noun
1-2. ereteken voor een geboekte overwinning
trófaí
noun
caithréim
verb
caithréim
/'zexəvirə(n)/
verb
1. de overwinning behalen
caithréim
noun
1. een geslacht van zowel bladverliezende als groenblijvende kruidachtige planten
seisg
verb
1. mededelen
abair
/ˈzεɣə(n)ˌsxɑp/, /ˈzεχə(n)ˌsχɑp/
noun
1. het recht om over iets te beslissen
abair
noun
1. persoon die in naam van een organisatie of een persoon het woord voert
urlabhraí
verb
  1. 1. veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
    cuach
  2. 3. stortregenen
    doirt
  3. 2. urineren
    peith
noun
1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
seol
noun
1. een boot waarmee gezeild kan worden
bád seoil
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Seolta
/ˈzɛɪlə(n)/
noun
1. wedstrijdsport met zeilvaartuigen
seol
/ˈzɛɪlə(n)/
verb
1. voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
seol
noun
1. iemand die het zeilen beoefent
luamhaire
noun
1. de sport van het zeilen
luamhaireacht
noun
adhmaint
noun
1. vrouwelijke zeiler
luamhaire
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
speal
noun
1. een persoon met een zeis als verpersoonlijking van de dood
Bás
/ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
cinnte
/'zekərɦɛɪt/
noun
cinnteacht
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
fiús
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
annamh
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
annamh
/zɛlf/, /zɛɫf/
demonstrativePronoun
  1. 2. in tegenstelling met iets anders
    céanna
  2. 1. in eigen persoon
    sinn féin
noun
2. de mogelijkheid voor een volk om te bepalen onder welke soevereiniteit het wil vallen
féinchinneadh
noun
1. weten dat je er bent; ergo sum
féinfheasacht
noun
féinriail
adjective
  1. 1. aantonend zelfbesef te hebben
    féin-chomhfhiosach
  2. 2. zelfverzekerd
    féinmhuiníneach
noun
féinmhuinín
noun
1. zelfbesef
féinfheasacht
demonstrativePronoun
ionann
noun
1. Het zich benemen van het leven
féinmharú
noun
1.het respect dat men heeft voor zichzelf
ardchéim
noun
1.
féinchabhair
noun
1.
féinchabhair
noun
1.
bogás
/ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
féinmharú
/'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
féinphortráid
adjective
1. met de eigenschap zelf te kunnen rijden
féinghluaiste
adverb
tamén
adjective
1. op zichzelf staand
neamhspleách
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
ainmfhocal
noun
neamhspleáchas
noun
1. de opoffering van de eigenbelangen ten gunste van een ander
féindiúltú
noun
1. geloof in eigen vermogen, kunde of kracht
féinmhuinín
noun
1. de mate waarin iemand zelfverzekerd is
féinmhuinín
noun
1. de mate waarin men zichzelf belangrijk en waardevol vindt
féinmheas
noun
1.
féinchúram
noun
B 1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
bran
/ˈzemə(n)/
verb
1. het droogwrijven van een pas gewassen glazen oppervlak met een stuk zeemleer
leathar
noun
1. brief van een apostel of een geestelijke aan de gelovigen
litir
/'zɛndəlɪŋ/
noun
1. persoon die uitgezonden wordt om mensen tot het geloof in het protestantse christendom te bekeren
misinéir
verb
1. sturen
cuir
noun
  1. 1.
  2. 2.
seoltóir
noun
1.
stáisiún raidió
noun
1. vrouw die iets zendt of verstuurt
seoltóir
verb
1. beschadigen door blootstelling aan hitte zonder vuurverschijnselen
tíor
/zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
buaic na spéire
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
néaróg
/ˈzenʏˌʋɑxtəx/
adjective
1. onrustig, bezorgd en gespannen over iets wat gaat gebeuren
néarógach
noun
1.
néaróg
/ˈze.ny.sɛl/, /ˈze.nyʊ̯.sɛɫ/, /ˈzeː.nyʊ̯.sɛl/
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
néarchill
noun
1. psychiatrisch ziekenhuis
gealtlann
noun
1. het gehele zenuwsysteem
néarchóras
noun
2. psychische aandoening
néaróis
noun
1. toestand van geestelijke en lichamelijke uitputting
néaraistéine
verb
gallúnach
noun
1. het getal 6
sé
/ˈzɛs.də/, /ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
séú
cardinalNumeral
1. het getal 26
fiche a sé
/zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
heicseagán
adjective
1. vorm met zes hoeken
heicseagánach
adjective
1. in zes stappen een volledige verandering doormakend
séchodach
cardinalNumeral
1. het getal 16
sé déag
ordinalAdjective
séú déag
noun
1. gedeelte van het voetbalveld
loca pionóis
cardinalNumeral
1. het getal 60
seasca
ordinalAdjective
60ú
/zɛt/
noun
handeling gedurende een spelbeurt
bog
noun
bainisteoir
noun
  1. 1. constructie bestemd om prettig op te zitten
  2. 2. lidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
  3. 3. plaats waar een organisatie gevestigd is
suigh
noun
ardnós
noun
1. een medicament in de vorm van een pil die via de anus toegediend wordt
sopastóir
noun
2. extract
bain
verb
  1. 1. iets schikken
    cuir
  2. 3. iets neerschrijven
    graf
  3. 2. bereiden
    stócáil
noun
  1. 4. inklinken
    ceartú
  2. 3. het vaststellen van een bedrag, een prijs
    inleadh
noun
1.
cló-eagar
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
cráin
/ˈsʏː.rə(n)/, /ˈzøː.rə(n)/
verb
1. veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
cuach
/zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
Séas
/ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
seacht
/ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
seachtú
/ˈzøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 27
fiche a seacht
/ˈzeːvə(n)ˌɦɔndərt/, /ˈzøvənˌhɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 700
seacht gcéad
noun
1.
aoir
/ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
seacht déag
/ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
seachtó
noun
  1. 3. kletspraat
    amaidí
  2. 2. speeksel
    seile
noun
  1. 1. wat gezien kan worden
    radharc
  2. 1. kleine zeis
    corrán
adjective
feicseanach
verb
bain
/ˈzɪxtrekəˌnɪŋ/
noun
1. rekening waarop men geld kan plaatsen dat op elk ogenblik beschikbaar is.
cuntas reatha
/ˈzidə(n)/
verb
  1. 1. hevig beroerd worden
  2. 1. koken
cócaráil
adjective
1. lichamelijke toestand
tinn
noun
othar
adjective
  1. 2. geestelijk ongezond
    bréan (de)
  2. 1. geneigd om vaak ziek te zijn
    galrach
/ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
ospidéal
noun
1. de gegeven verpleging in een ziekenhuis
altranas
noun
1. vrouw die voor haar beroep zieke mensen verzorgt
banaltra
noun
1. een voertuig ingericht voor het vervoer van patiënten, gewoonlijk naar een ziekenhuis toe
otharcharr
noun
2. verpleegster
banaltra
noun
  1. galar
  2. aicíd
noun
galar Crohn
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
galar Parkinson
noun
paiteolaíocht
/'ziktəvərwɛkər/
noun
1.
pataigin
noun
1. verzekering die de meeste kosten van medisch advies, behandelingen, medicijnen, het gebruik van hulpmiddelen of andere voorzieningen op grond van een medische noodzaak vergoedt
árachas sláinte
/zil/
noun
  1. 1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
    anam
  2. 2. ronde instulping in een wijnfles
    log
/'zilə(n)hɛil/
noun
1. het geluk en de rust die je hebt als je leeft als een goed mens
slánú
noun
1. geestelijke of psychische nood
croíbhriseadh
adjective
aimléiseach
noun
aigneolaíocht
noun
adhfhuath
noun
1. geestelijke die zich bezighoudt met het zielenheil van gelovigen
aoirigh
verb
1. waarnemen met het oog
feic
adjective
feicseanach
interjection
as deireadh na cúise
/ˈzɪftə(n)/
verb
1. de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
criathraigh
/siˈɣønər/
noun
bóithreoir
/ˈzɪx.sɑx/, /ˈzɪɣ.zɑx/, /ˈzɪχ.sɑχ/
noun
1. een beweging of lijn die plotseling één of meer scherpe koersveranderingen ondergaat
fiarlán
/sɛɪ̯/, /zɛɪ̯/, /zɛː/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
í
noun
taobhroinn
noun
2. vezel van de cocon van de zijdevlinder
síoda
/ˈzɛɪdə(n)/, /ˈzɛːdə(n)/
adjective
1. van zijde, van zijdegaren vervaardigd
síoda
noun
1. dun, glad, stevig, luxe papier
páipéar síoda
noun
1. de larve van de zijdevlinder
seiriceán
noun
1. rups van de zijdevlinder, Bombyx mori
seiriceán
/zɛɪkɑnt/
noun
1. datgene dat de zijde vormt
taobhaigh
verb
  1. 1. bestaan
  2. 3. zich bevinden.
  3. 5. gelijk zijn aan.
  4. 6. tot de groep behoren van
bí
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
  1. fo-abhainn
  2. craobh-abhainn
/'zɛɪspɑn/
noun
1. karretje dat naast een motorfiets bevestigd is voor het vervoer van een passagier
carr cliathánach
noun
1.
brod
noun
1.
taobhaigh
adjective
1.
goirt
noun
airgead
adjective
airgead
phraseologicalUnit
bonn airgid
noun
2. delfstof bestaande uit zwavelzilver met 87% zilver
argaintít
adjective
1. lijkend op zilver
airgeadúil
noun
1. grote meeuwensoort
faoileán scadán
noun
1
feadóg ghlas
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Abies
giúis
/zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
Siombáib
noun
  1. 1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
    abairt
  2. 2. een verlangen om iets te doen
    ar an gcaolchuid
adjective
2. schoon, rein
ar fad
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
can
noun
1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
sinc
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
doirteal
adjective
1.
díchéillí
adjective
1. iets dat geen zin (nut) heeft
gan mhaith
verb
2. in de smaak vallen
fóir
adjective
  1. 1. dat wat zin heeft, een toekomstig nut dient
    acrach
  2. 2. waar een logisch verband in te ontdekken is
    ciallmhar
adjective
1. van iets dat het nuttig en betekenisvol is
oiriúnach
noun
1. valse waarneming
seachmall
/'zɪnsbəɣoxəlɪŋ/
noun
1. zintuigelijke waarnemingen doen die niet met de werkelijkheid overeenkomen
bréagchéadfá
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de opbouw van zinnen
comhréir
verb
1. op minder duidelijke wijze naar iets refereren
ailléidigh
/'zɪnspelɪŋ/
noun
1.
ailléideach
noun
1.
mana
noun
1.
gealtachas
/ˈzɪntœx/, /ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
céadfa
/'zɪntœyxlək/
adjective
2. betrekking hebbend op de waarneming via de zintuigen
céadfach
noun
1. de mate waarin iets de zintuigen prikkelt
braistint
/zijoˈnɪsmə/
noun
Siónachas
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
siorcóiniam
/'zɪtbɑŋk/
noun
1.
binse
noun
seomra suí
noun
1.
adhartán
noun
1. meubel dat gemaakt is om op te gaan zitten
suigh
noun
1. een plaats waar men kan zitten
suigh
/ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
suigh
/zɪtɪŋ/
noun
2. de tijd dat een raad of ander lichaam werkzaam bijeen is
suí
noun
1. achterste, achterwerk
ar deireadh
noun
1.
foighne
adverb
1. net, even tevoren
go díreach
conjunction
  1. 1. in die mate als
  2. 2. bijvoorbeeld
ar nós
/'zodiɑk/
noun
1.
comhartha an Stoidiaca
conjunction
1. geeft aan welke gebeurtenis eerst moe(s)t plaatsvinden
chomh luath agus
verb
1. proberen te vinden
cuardaigh
noun
4.
inneall cuardaigh
noun
1. een instrument waarmee men informatie kan zoeken in een bepaalde collectie...
inneall cuardaigh
noun
1. programmatuur die een zoekopdracht kan verwerken
inneall cuardaigh
noun
1. computerprogramma dat men kan gebruiken om iets te vinden
inneall cuardaigh
noun
1. een reis die men onderneemt op zoek naar iets
cuardach
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
Súlú
noun
1. het met de lippen aanraken van een persoon of een voorwerp
póg
verb
1. met de mond liefkozen
póg
/ˈzut/
adjective
1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
milis
noun
1.
fionnuisce
noun
1. een zetmeel houdende knol behorend tot dezelfde orde van planten als de aardappel
práta Spáinneach
noun
1. iemand die levensmiddelen aan de soldaten van een leger levert
lóncheannaí campa
noun
ansacht
/ˈzu.tə(n)/
verb
1. zoet maken
siúcra
/ˈzuthʌʊt/
noun
1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
liocras
adjective
1. welluidend, elegant, melodieus
ceolmhar
noun
zoetwater
fionnuisce
noun
1. een staande watervlakte met een laag zoutgehalte
fionnuisce
/zɔx/
noun
  1. 2. de zuiging ontstaan door de beweging van een voorwerp in water of lucht
  2. 3. in het vervolg van iets
dúisigh
/ˈzoːɣ.ə(n)/
verb
1. moedermelk geven
brollach a thabhairt do
conjunction
chomh luath agus
adverb
korte tijd geleden
go díreach
conjunction
ar feadh an ama
/ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
áiléar
noun
  1. 1. bovenkant van een ruimte in een gebouw
    síleáil
  2. 2. ruimte boven het plafond
    áiléar
noun
báirse
noun
1. deel van een gebouw dat direct onder het dak ligt
áiléar
/zolə(n)/
verb
1.
bonn
adverb
1. op willekeurige wijze, zonder nadenken of voorbereiden
go díreach
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
zombaí
noun
1. computer met internetverbinding die is besmet doordat de besturing van buitenaf - bijv. door een virus - is overgenomen
zombaí
noun
samhradh
noun
campa samhraidh
noun
1. noorderlijk keerpunt van de zon
grianstad an tsamhraidh
noun
1.
breicne
noun
1. regeling waarbij de klok gedurende de lente- en zomermaanden een uur vooruit wordt gezet
am sanhraidh
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
grian
noun
1.
peacach
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
  1. Domhnach
  2. An Domhnach
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
peaca
noun
  1. 1.
  2. 2.
ceap milleáin
preposition
1. In afwezigheid van
gan
adjective
1. bij alle anderen bevreemding opwekkend
aduain
/zɔndəɣə(n)/
verb
1. het overtreden van een religieuze wet
peacaigh
adverb
1. hiervoor, een ogenblik geleden
go díreach
adjective
1. van de huid van mensen: dat deze door de zon is gepigmenteerd
coirtithe
verb
1. een of meerdere zonnebaden nemen
déan bolg le gréin
/ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
lus na gréine
noun
1. de vaak pijnlijke gevolgen van een blootstelling van de huid aan een te grote dosis ultraviolet licht
dó gréine
noun
1. substantie tegen verbranding van de huid
grianbhac
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
gloiní gréine
noun
1. dat dat zonlicht doorlaat
forléas
adjective
1.
cruinn
verb
1. zich gedurende een zekere tijd blootstellen aan zonnestraling
déan bolg le gréin
noun
1. regen terwijl gelijktijdig de zon schijnt
cith gealáin
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
  1. taitneamh na gréine
  2. dealramh gréine
noun
1.
grianchóras
noun
1.
canbhás
/ˈzɔnəˌwɛndə/, /ˈzɔnəˌʋɛndə/, /ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
grianstad
noun
1.
caoch
noun
clog gréine
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
grianghaoth
adjective
1. zonovergoten, met zonneschijn
grianmhar
noun
1. het opkomen van de zon
éirí na gréine
/zɔnˈsɔpkɔmst/
noun
1. het 's morgens boven de horizon uitkomen van de zon
éirí na gréine
/zuː/
noun
1. verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
zú
/ˈzox.diːr/, /ˈzoːɣ.diːr/, /ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
mamach
noun
1. vrouw die een kind van een ander borstvoeding geeft
banaltra chíche
/zoːi̯/
noun
1. warboel, puinhoop
praiseach
noun
  1. 1. onderkant van de voet
  2. 3. onderkant van een schaaf
bonn
noun
1. rand aan de buitenkant
broinne
/zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
mac
noun
  1. 2. verpleging, voorzien in een behoefte
    aire
  2. 1. behoedzame overweging
    imní
verb
1. zorg dragen
cúraimí
noun
1.
sealadach
adverb
1. met zorg voor alle details
curamach
noun
1. het aandacht besteden aan alle mogelijke details
cruinneas
adjective
grábháil
adjective
1. met de nodige zorg
cásmhar
adjective
1. dwaas, gek
amadán
noun
1. iemand die zich dwaas gedraagt
amadán
noun
1.
aineagna
noun
1.
gan chiall
/zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
salann
adjective
1. overdrachtelijk: waar alle belangwekkendheid aan ontbreekt
leamh
verb
1. met zout conserveren
cuir salann ar
noun
1.
salandacht
/ˈzɑutˌvacə/
noun
2. tafelgereedschap dat het zout bevat en strooit
sáiltéar
noun
1. een oplossing
aigéad hidreaclórach
indefiniteCardinalNumeral
  1. 1. een bepaalde hoeveelheid
  2. 2. een onbepaald, bekend of bekend geacht aantal
agus
adverb
1. evenzeer
... agus ... le chéile
noun
zóigeografaíocht
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zó-eolaíocht
noun
1. plantaardig plankton
zóplanctón
noun
  1. 1. onbedwingbare drang, verslaving
    dúil
  2. 1. hoorbare uitademing
    cuach
verb
1. hoorbaar diep uitademen, meestal als uiting van frustratie
osna a ligean
/zœʏ̯t/, /zœːd/, /zœːt/
adverb
aneas
/zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /zœː'.dɑ.fri.ka/, /zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
  1. An Afraic Theas
  2. Afraic Theas
adjective
1.
Afracach Theas
/ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
Meiriceá Theas
pronoun
1. Australische deelstaat in het zuiden
Astráil Theas
pronoun
1. is een randzee van de Grote Oceaan en ligt ten zuiden van China
Muir na Síne Theas
/zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
An Ollainn Theas
/ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
Chóiré Theas
pronoun
1. Oeralische taal gesproken door 600 mensen in Noorwegen en Zweden
Sáimis an Deiscirt
adjective
1.
deisceartach
/ˈzœy̯.də(n)/
noun
deisceart
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Triantán an Deiscirt
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Coróin an Deiscirt
noun
Gealáin Theas
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Iasc an Deiscirt
adverb
oirdheisceart
pronoun
1. Noordpool
Mol Theas
noun
1.
Gealáin Theas
adverb
iardheisceart
/ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
1. (met de mond) naar zich toe trekken
súigh
noun
balc
noun
balc
noun
1. platworm met zuignappen waarmee hij zich aan zijn gastheer kan vastzuigen
puchán
noun
piléar
noun
1.
bealach stuach
adjective
1. voorzichtig met het uitgeven van geld of andere kostbare zaken
eacnamaíoch
/ˈzœʏ̯.nəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /ˈzœː.nəx.ˌɦɛːt/, /ˈzœː.nɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
1. het zuinig zijn
barainneacht
adverb
1.
críonna
verb
1. zwaar of gulzig drinken
plac
noun
1.
alcólach
noun
1.
alcólach
noun
1.
alcólach
adjective
dath oráiste
verb
1. van verontreinigingen ontdoen
íonaigh
noun
décharbónáit
/zɵlk/
exclamativePronoun
a leithéid de
/ˈzʏ.lə(n)/
verb
deoin
/zyrə(n)/
verb
1. zuur (doen) worden
aigéadaigh
noun
1. hoe zuur iets is
aigéadacht
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
bileog shráide
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
  1. deirfiúr
  2. siúr
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
  1. deirfiúr
  2. siúr
/zyːr/
noun
1. zure vloeistof
aigéad
/ˈzyrɣrat/
noun
1. de mate waarin iets zuur is, gewoonlijk gemeten als de negatieve logaritme (-log) van de concentratie waterstofionen
aigéadacht
noun
1.
aigéadacht
/ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
  1. ocsaigin
  2. aer-beatha
noun
1. snoep in de vorm van een gekleurde staaf met een zoetzure smaak
cána candaí
adjective
1. van voeding dat het een zure en een zoet smaak heeft
dréimire gorm
noun
deil
verb
    1. 1. begroeten door met de hand heen en weer te bewegen
    2. 2. aandacht vragen door met de armen heen en weer te bewegen
    croith
  1. 4. krachtig heen en weer bewegen
    luascán
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Cros an Tuaiscirt
/zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
eala
adjective
van groot gewicht
múisiamach
noun
1. een lang, scherp wapen
claíomh
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
colgán
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
cráin dhubh
noun
1. het zwaar zijn
múisiam
adjective
1. van groot lichaamsgewicht
alpartha
adjective
argail
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
imtharraingt
noun
meánlíne
noun
meánlár
adjective
2. zeer belangrijk
dáiríre
noun
1. het van groot belang zijn; de mate belangrijkheid van iets
bain do
/ˈzwɑbər/
noun
mapa
/ˈzwɑbərə(n)/
verb
1. het reinigen met een zwabber
stoth
/ˈzwɑxtəl/
noun
bindealán
/ˈzʋa.ɣər/
noun
deartháir céile
/zʋɑk/
adjective
lag
noun
amadán
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
fáinleog
noun
1. netwerk van schimmeldraden
mícéiliam
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
ag iompar
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
toircheas
noun
1. een voortijdige en kunstmatige beëindiging van een zwangerschap
ginmhilleadh
noun
1. een voortijdige en kunstmatige beëindiging van een zwangerschap
ginmhilleadh
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
dubh
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
dúpholl
noun
  1. 1. systeem, apparaat of voorwerp waarvan bekend is wat het doet maar niet hoe het werkt
  2. 2. crashbestendig apparaat met vluchtgegevens
bosca dubh
phraseologicalUnit
margadh dubh
noun
1.
meantán dubh
noun
srónbheannach dubh Afracach
noun
1.
cnagaire dubh
noun
1.
geabhróg dhubh
pronoun
1. gebergte in het zuidwesten van Duitsland
Foraois Dhubh
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
Muir Dhubh
/zʋɑrt'xɑləx/
adjective
1. melancholisch, somber
dúchroíoch
noun
1. Capaea nemoralis
seilide donnliopach
noun
1. pessimist
duarcán
/zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
sulfar
adjective
ruibheach
noun
1. zwavelstokje
cipín
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
  1. aigéad sulfarach
  2. ola vitriail
/ˈzweːdə(n)/, /ˈzʋedə(n)/, /ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
  1. Sualainn
  2. An tSualainn
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
Sualainnis
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
faoileoir
noun
1. een handwapen in de vorm van een lang ineengedraaid stuk leer dat met een zwiepende beweging pijnlijke slagen uit kan delen
fuip
noun
1.
othras
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
allas
noun
1. de geur van zweet
boladh coirp
noun
1.een klier in het lichaam dat zweet produceert
faireog allais
noun
1. de geur van zweet
boladh coirp
noun
1. oud model fluit
cuisle
/zʋɛlɣə(n)/
verb
  1. 2. zich onmatig verlustigen in, te buiten gaan aan
    bí ag únfairt
  2. 1. gulzig opeten of -drinken
    plac
verb
1. in volume toenemen
mórtas
/ˈzwɛmbɑd/, /ˈzʋɛmbɑt/, /ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
linn snámha
noun
1. kledingstuk voor mannen dat gebruikt wordt om in te zwemmen
culaith shnámha
noun
dabhach
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
culaith shnámha
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
snámh
/ˈzʋɛmvɛst/
noun
1. een in het water om het lijf gedragen vest met hoog drijfvermogen om verdrinken te voorkomen
seaicéad tarrthála
/'zʋɛmvlis/
noun
  1. 2. schoeisel
    eite
  2. 1. huidplooi
    fíochán
noun
deil
verb
deil
verb
aoire
noun
1.
fonn taistil
/zʋɛrm/
noun
1. een grote groep gezamenlijk op- en rondtrekkende personen, dieren of zaken, gewoonlijk vogels of insecten
saithe
noun
1. iemand die schijnbaar doelloos rondloopt
rianaí
/ˈzʋɛrvənt/
adjective
1. zonder duidelijk doel reizend
fán
/'zʋetə(n)/
verb
1. transpireren
allasaigh
verb
ainligh
/'zʋevɪŋ/
noun
1. een geluidsverschijnsel dat veroorzaakt wordt door de interferentie van twee tonen met een gering verschil in toonhoogte
béim
noun
1. klierachtig, hormoonvormend orgaan
faireog thímis
noun
1. toegeven, wijken
tabhair suas
verb
1. veerkrachtig doorbuigen en weer terugspringen
ardréim
noun
2. gratie, elegantie
cairde
verb
ardréim
adverb
galánta
verb
1. ervan afzien te spreken
dún do bhéal
adjective
1. weinig sprekend
tostach
noun
meisce
noun
1. een varken
muc
noun
1. een bende, een vuile troep
cró muc
/ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
cró muc
/zʋɪk/
noun
  1. 1. een houten pin, wig
    bolscaireacht a dhéanamh
  2. 3. penis, vernoemd naar de pinvormige gelijkenis
    fídeog
  3. 4. het zwikken, verstuiking
    leon
noun
gimléad
/ˈzwɪtsər/, /ˈzʋɪtsər/, /ˈzβ̞ɪtsər/
noun
1. een inwoner van Zwitserland, of iemand afkomstig uit Zwitserland
Eilvéiseach
pronoun
1. verzamelnaam voor een groep Duitse dialecten die gesproken worden door ongeveer zes miljoen mensen in Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Liechtenstein en Oost-Frankrijk
Gearmáinis Eilvéiseach
/ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
Eilvéis
noun
1. Duits zoals dat in een Zwitserland wordt gesproken
Gearmáinis Eilvéiseach
adjective
  1. 1. vochtig warm, drukkend, benauwd
  2. 2. zinnelijk, erotisch sensueel
brothallach
pronoun
Zwolle
pronoun
1. een groep eilanden in de Oostzee die tot Finland behoren, maar geheel Zweedstalig zijn
Oileáin Åland
interjection
1. inleiding op een opmerking die met het voorgaande verbonden is
dála an scéil
/ˈɔŋstrøm/
noun
1. lengtemaat met een waarde van 10-10 m
angstram
/eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
aon
adverb
ongeacht de omstandigheden
ar bith