noun
1. streling, liefkozing
belaian
verb
1. zachtjes strelen
  1. membelai
  2. menepuk
noun
  1. 3. paling
  2. 4. kleine en jonge paling
belut
noun
paron
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
bawasir
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
bawasir
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
paron
noun
1. een eerste betaling bij het kopen van iets op afbetaling of in termijnen
panjar
adjective
1. een aanbeveling verdienend
direkomendasikan
noun
rekomendasi
noun
1. een verering, een eerbiedvolle bewondering
sembah
verb
menawarkan
noun
1. een aanbieding
penawaran
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
perhatian
adverb
1. met belangstelling, met aandacht, met interesse
penuh perhatian
noun
1. waardepapier
saham
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
pemegang saham
noun
1. de handel in aandelen in het algemeen
pasar saham
noun
  1. 1. een herinnering
  2. 2. een object ter herinnering ergens aan
kenang-kenangan
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
karena
verb
2. eigen of andermans woorden ontlenen
mengutip
noun
1. leesteken om geciteerde woorden van die van de auteur te onderscheiden
tanda petik
verb
1.
kena
noun
1. bij de rechtbank ingediende beschuldiging of klacht
beban
noun
1. iemand die een proces aanspant
penggugat
verb
1. enteren
menghampiri
noun
1. de bestemming bereiken, het aankomen
kedatangan
noun
pelabuhan persinggahan
verb
2. zich bekend maken met gebruikersnaam en wachtwoord
masuk
verb
memelas
noun
andaian
/ˈaːneːmər/
noun
1. iemand die een (bouw)werk uitvoert tegen een bepaalde prijs
anemer
/ˈaːmpɑsə(n)/
verb
2. aantrekken om te passen
adjustar
noun
2. het zich aanpassen
adaptasi
/ˈanrakˌsxɛrm/, /ˈanrakˌsχɛrm/
noun
1. een beeldscherm dat ook als invoerapparaat voor een computer kan worden gebruikt door het scherm aan te raken.
layar sentuh
verb
1. fysiek contact maken met iets
  1. sentuh
  2. raba
  3. singgung
noun
3. een fysieke aanval op iemand met als doel seksuele handelingen af te dwingen
serangan seksual
noun
1. vaste tafel met kastjes langs keukenwand
daun meja
noun
1.
daun meja
verb
1. kopen
beli
adjective
1. verantwoordelijk, om vergoeding of betaling aangesproken kunnen worden
bertanggung jawab
noun
1. overeenkomst waarbij je premie betaalt aan een verzekeraar zodat die zal betalen voor schade die je per ongeluk veroorzaakt of waarvoor je verantwoordelijk wordt gehouden
asuransi kewajiban
noun
1. apparaatje om vuur te maken
korek api gas
noun
1. een telbare hoeveelheid
  1. angka
  2. bilangan
verb
2. accepteren, in bezit ontvangen
menerima
noun
1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven
serang
noun
  1. 1. iemand die aanvalt
  2. 2. een persoon in de voorste linie
penyerang
verb
1. beginnen, starten
mulai
/ˈanvʏlə(n)/
verb
1. het ontbrekende bijvoegen
melengkapi
noun
1. het aanwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
kehadiran
noun
3. inlichting of voorschrift over hoe men moet handelen
instruksi
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
  1. monyet
  2. kera
noun
  1. 1. bloeiwijze van granen
  2. 2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
bulir
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
kentang
/\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
  1. arbei
  2. stroberi
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
  1. gempa bumi
  2. gempa
/ˈardə/
pronoun
Bumi
/ˈardə/
noun
1. planeet
bumi
verb
1. zich thuis voelen, wennen, gewoon worden
kustumar
noun
tembikar
/artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
gas alam
/ˈar.dəx/, /ˈar.dəχ/, /ˈaːr.dɪx/
adjective
1. aangenaam in omgang
ramah
noun
geologi
noun
minyak bumi
/ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
geografi
noun
1. een plotselinge aardbeving
gempa
noun
siput
/ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
babi tanah
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
tanah longsor
noun
cacing tanah
noun
abaimana
noun
1. bepaald soort parasitaire, maar onschadelijke rondworm van ca. 5–10 mm lengte, Enterobius vermicularis
cacing keremi
/ˈaːrz.bɪz.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪs.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪz.dɔm/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
keuskupan agung
/ˈaːrzbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
uskup agung
/ˈaːrz.di.jo.ˌses/, /ˈaːrʦ.di.ʲo.ˌses/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
keuskupan agung
noun
1. een hemelgeest in een rang boven een engel
malaikat agung
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
adipati utama
noun
batrik
adverb
patriarkal
/'artsvɛɪɑnd/
noun
musuh bebuyutan
/ˈarzələ(n)/
verb
1. onzeker zijn, twijfelen
ragu
noun
1. onzekerheid, twijfel, weifel
keragu-raguan
noun
  1. 1. speelkaart
    as
  2. 1. lokmiddel
    umpan
/ˈɑbɑkʏs/
noun
  1. 1. raam met staven
  2. 2. dekplaat van een kapiteel
abakus
/a.bɑ.ˈtwaːr/, /ɑ.bɑ.ˈtβ̞ar/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
abatoar
noun
1. een ophoping van pus in het lichaam, daarbij een onnatuurlijke holte vormend
abses
/ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
bahasa abkhaz
noun
abdikasi
noun
abdomen
noun
wegvoering
abduksi
adjective
1. afwijkend van de norm
menyimpang
adjective
niet levend
abiotik
/ˌɑb.la.ˈtif/, /ˌɑb.la.ˈtiːf/
noun
1. de zesde naamval die onder meer de instantie aangeeft waarvan iets uitgaat of vertrekt
ablativus
/ˈɑb.laut/, /ˈɑp.lɔut/, /ˈɑp.lʌut/
noun
1. regelmatige, grammaticaal bepaalde klinkerwisseling
ablaut
adverb
1. ongewoon
abnormal
noun
abonemen
/ɑbɔ'nerə(n)/
verb
1. een abonnement aangaan
langgan
/ɑ'bɔrtəs/
noun
aborsi
noun
1. (medisch) schaafwond, afkrabbing
abrasi
noun
  1. aprikot
  2. aberikos
noun
1. de afstand tot de opstaande as van een coördinatenstelsel
absis
/ɑpso'lysi/
noun
1. het vergeven van de zonden
absolusi
/ɑpso'lyt/
adjective
  1. 1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
  2. 2. volledig, volkomen
  3. 3. beslist, zeker
  4. 4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
absolut
/ɑpsɔr'berə(n)/
verb
serap
noun
absorpsi
verb
1. concretiseren
mengabstrakkan
/ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
absurd
/ɑb/, /ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
abas
noun
akademi
/ɑkɑ'demis/
adjective
akademik
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van mijten en teken
akarologi
noun
1. toename van de snelheid
akselerasi
verb
mempercepat
noun
  1. 1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
  2. 2. een teken dat op een klinker kan worden geplaatst
aksen
/ɑksɛp'terə/
verb
  1. 1. aanvaarden
  2. 2. aannemen, graag ontvangen
menerima
noun
1.
aklamasi
noun
  1. 1. voorzieningen ten behoeve van ...
  2. 2. aanpassing
akomodasi
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
akordeon
noun
1. iemand die zijn beroep maakt van het inrichten en controleren van boekhoudingen en administraties
akuntan
noun
1.
akresi
noun
1. een toestel om elektriciteit op te slaan
akumulator
verb
akumulasi
noun
1. beschuldiging, aanklacht
tuduhan
noun
1. een ester of zout afgeleid van azijnzuur
asetat
noun
1. kleurloze, vluchtige, sterk riekende vloeistof die als oplosmiddel wordt gebruikt met als chemische formule: C₃H₆O
aseton
/ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
asetilkolin
/ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
asetilen
/xxxx/
noun
1.
asam asetilsalisilat
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
Achilles
cardinalNumeral
1. het getal 8
delapan
/ˈɑxtbaːn/
noun
1. een attractie met een karretje dat over een baan met bochten, stijgingen en dalingen rijdt
kereta luncur
cardinalNumeral
1. het getal 88
delapanpuluh delapan
cardinalNumeral
1. het getal 28
dua puluh delapan
preposition
belakang
/ɑxtər'bɑks/
adjective
1. stiekem, stom
  1. culas
  2. selingkuh
/ˈɑxtərkɑnt/
noun
belakang
/ˈɑxtərklɛɪŋkɪnt/
noun
1. het kind van iemands kleinkind
cicit
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
menelantarkan
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
marga
noun
1. een spiegel aan een auto of motorfiets waarmee men de situatie op de weg achter zich kan zien
kaca spion tengah
/'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
akhiran
verb
1. iemand inhalen
mengejar
noun
mengejar
noun
1. een vorm met acht hoeken
oktagon
noun
kedelapan
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
delapan belas
noun
asidosis
noun
jerawat
noun
  1. 1. in de Rooms-katholieke Kerk een misdienaar die ouder is dan 16 jaar
  2. 2. aanhanger
akolit
pronoun
1. braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noord van het land. Hoofdstad is Rio Branco
Acre
noun
akronim
noun
akrilamida
/ɑkˈtør/
noun
1. persoon
aktor
noun
aksi
adjective
1. met iets bezig zijnde
aktif
noun
1. Scheikundig element
aktinium
noun
aktivis
noun
1. iets waarmee men actief is
kegiatan
noun
1. vrouw
aktris
noun
aktuaris
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
akupunktur
pronoun
Adam
/ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
jakun
noun
1. bijlage
adendum
noun
  1. 1. gifslang
  2. 2. persoon
beludak
noun
1. bevoorrechte groep personen
kebangsawanan
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
elang
/adəm/
noun
napas
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
pernapasan
noun
dispnea
noun
1. (lymfe)klierontsteking
adenitis
/aˈdenoˌhipoˌfizə/
noun
1. het niet-neurale deel van de hypofyse, dat allerlei verschillende hormonen afgeeft
adenohipofisis
noun
1. goedaardig klierweefselgezwel
adenoma
noun
adenosina
noun
1. virus dat verkoudheden veroorzaakt
adenovirus
noun
1. bloedvat met zuurstofarm bloed
pembuluh balik
noun
1. de afkorting voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder,...
GPPH
/ɑtˈhezi/
noun
  1. 1. een vergroeiing van organen
  2. 2. onderlinge aantrekkingskracht tussen ongelijke moleculen zonder dat er sprake is van een chemische binding
adhesi
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
kata sifat
noun
ajudan
/ˌɑtminɪsˈtrasi/, /ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
  1. 3. bestuur
  2. 1. de plaats waar gegevens zorgvuldig worden vastgelegd zodat ze later terug te vinden of te controleren zijn
administrasi
noun
administrator
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
laksamana
noun
kelaksamanaan
noun
1. de reciproke complexe impedantie
admitansi
noun
adopsi
/aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
alamat
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
Laut Adriatik
/a.ˈdu.ki.ˌbon/
noun
1. bepaald soort kleine, rode sojaboon, Phaseolus angularis
kacang azuki
/ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis    2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
Adven
noun
1. een aankondiging in een krant, reclameblad, tijdschrift ...
iklan
noun
1. een gegeven raad
nasihat
noun
1. raadgever, raadsman
penasihat
noun
1. pleiter, verdediger in rechtszaken
  1. advokat
  2. pengacara
  3. adpokat
noun
1. vliegveld
aerodrom
noun
aerodinamika
noun
1. een geleidelijke betaling in termijnen
cicilan
/'ɑfbrak/
noun
1. afbreken, slopen
penghancuran
/ˈɑfdelɪŋ/
noun
1. groep van werknemers die aan soortgelijke taken werken
departemen
verb
1. door onderhandelen een prijs omlaag zien te krijgen
tawar
noun
1.
afidavit
/ɑfiniˈtɛit/
noun
  1. 1. een geestelijk verwantschap
  2. 2.
  3. 3.
afinitas
noun
1. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
imbuhan
noun
pedati meriam
noun
pembatalan
noun
turunan
/ɑf.ˈxans/, /ɑf.ˈχans/, /ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
Afghanistan
/ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
  1. Afganistan
  2. Afghanistan
/ˈɑfxrɔnt/, /ˈɑfχrɔnt/, /ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
neraka
/ˈɑfxɵnst/, /ˈɑfxʏnst/
noun
1. gevoel
cemburu
verb
1. ~ van: naargelang iets verandert mee veranderen
tergantung
noun
ketergantungan
verb
1. soort van ritueel waarbij men door op iets te kloppen, het lot probeert te sturen
amit-amit
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
singkatan
noun
1. een gebeurtenis of activiteit die de gedachten op iets anders richt
pengalih
verb
1. de sessie binnen een programma beëindigen
keluar
noun
1. korte spreuk met een kernachtige boodschap
aforisme
verb
1. een pak slaag geven
memukul
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
Afrika
/afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
Afrika
noun
1.
afrodisiak
verb
  1. 1. het vervangen van een getal met te veel decimalen door het meest dichtbije getal met het gewenste aantal decimalen
  2. 3. scherpe hoeken rond maken
melempengkan
noun
gerakan separatis
/ɑfsxɪldərə(n)/
verb
1. een meestal niet geheel terechte weergave van iets of iemand geven
menggambarkan
verb
1. afdraaien
memutar
noun
2. belofte van twee verliefde mensen om elkaar op een bepaalde tijd en plaats te ontmoeten
kencan
verb
1. ~ van: een nakomeling zijn van
  1. berasal dari
  2. diturunkan dari
/ˈɑfstɑnt/
noun
1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
jauh
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
pengendali jarak jauh
/'ɑfstɛlə(n)/
verb
1. regelbare parameters zo kiezen dat een toestel voor een bepaald doel gereed is
menyesuaikan
noun
1. het naar beneden tellen om aan te geven hoelang het nog duurt voordat iets gaat gebeuren
hitung mundur
noun
1.
pengunduran diri
verb
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
mengurangi
/ˈɑftrɛkɪŋ/
noun
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal van een ander getal afgetrokken wordt
perkurangan
noun
1. onbruikbare resten die weggegooid worden
sampah
noun
1. het ontrouw worden aan zijn geloof
kemurtadan
noun
1. de paden waarlangs water uit een stuk land afgevoerd kan worden
drainase
adjective
1. niet op een bepaald tijdstip en plaats zijn
absen
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
ketidakhadiran
verb
1. niet de gangbare norm volgen
bias
verb
1. een negatieve beslissing ergens over nemen
menolak
/'ɑfʋɛɪzɪŋ/
noun
1. een bericht dat op een voorstel of aanzoek niet ingegaan wordt
penolakan
noun
1. iemand die iets naar een adres verzendt
pengirim
noun
1. gesteente dat ontstaan is uit verweringsmateriaal dat later weer ergens anders is neergeslagen
batuan endapan
/ˈɑfˌsɔnd(ə)rən/
verb
2. afscheiden
memisahkan
noun
1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
akik
/a.ˈɣɛn.da/, /a.ˈχɛn.da/
noun
1. een notitieboek waarin afspraken genoteerd worden
agenda
noun
kantor
noun
aglomerasi
verb
melembai
noun
agnostisisme
noun
1. iemand die ten aanzien van het bovennatuurlijke stelt dat dit niet te kennen valt
agnostik
adjective
agnostik
noun
agorafobia
noun
agresi
adjective
1. aanvallend
agresif
noun
  1. 1. de neiging tot agressie
  2. 2. het agressief zijn
agresi
noun
pertanian
noun
1. de landbouwkunde
agronomi
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
AIDS
noun
1. beschermingssysteem in voertuigen
kantung udara
noun
1. een apparaat dat voor airconditioning zorgt
pendingin udara
noun
1. met een vliegtuig verzonden post
pos udara
pronoun
1. hoofdstad van de Franse regio Corsica
Ajaccio
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
Aachen
noun
2. samenklank van drie of meer, verschillende tonen
akor
/ˌakusˈtik/
noun
1. de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting ...
akustika
adverb
1. reeds
sudah
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Alagoas
/ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
Albania
/ɑlˈbaːni.jə/, /ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
Albania
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
albatros
noun
alba
noun
album
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
alkimia
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
alkohol
noun
alkoholisme
adverb
1. in de eerder genoemde plaats
ke sana
noun
aldehida
adverb
2. volgens
menurut
noun
de lettertekens van een taal
  1. alfabet
  2. abjad
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
alfabetis
/ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
  1. aljabra
  2. aljabar
noun
menyeluruh
/ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
Aljazair
/ɑɫˈxiːrs/, /ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
  1. Algiers
  2. Aljir
noun
algoritme
/ˈaː.liˌbi/
noun
1. het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad,...
alibi
noun
nafkah cerai
/aˈlinija/
noun
alinea
noun
alkana
noun
alkali
noun
1. een stikstof bevattende plantenbase
alkaloid
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
Allah
/ˈɑlə/
indefinitePronoun
1. elke, geen, uitgezonderd
segenap
/ɑl.ˈen/
adjective
1. zonder gezelschap
sendiri
noun
1.
monolog
noun
1. een bonte verzameling
rojak
/ɑ.ˈlɛl/, /ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
alel
noun
1. stof die overgevoeligheid veroorzaakt
alergen
/ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
alergi
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
semuanya
noun
omnivor
noun
logam
noun
1. een bondgenootschap
persekutuan
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
aligator
noun
aliterasi
adjective
1. uit een ander land of plaats afkomstig
luar negeri
/ɑˈlʏvijʏm/
noun
1. los materiaal (regoliet) dat als sediment door een rivier is afgezet
aluvium
adjective
mahakuasa
noun
almanak
noun
mahahadir
noun
1. bepaald soort succulent, Aloe vera
lidah buaya
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
Alpen
/ɑls/, /ɑs/
conjunction
  1. 2. indien
    kalau
  2. 1. wanneer
    ketika
  3. 3. in de hoedanigheid van
    sebagai
conjunction
1. luidt een vergelijking in
seakan-akan
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
altar
pronoun
1. Atair/Altair
Altair
adverb
  1. 1. op elk moment, blijvend
  2. 2. telkens opnieuw
  3. 3. in elk geval
selalu
noun
altruisme
/ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
viola
/alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
aluminium
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
pankreas
/amɑl'ɣaːm/
noun
1. kwiklegering
amalgam
noun
  1. 1. kleine bladverliezende loofboom, Amygdalus dulcis
  2. 1. eetbare pit van de amandelvrucht
buah badam
noun
1. of 2. (zaden van) geslacht Amaranthus
bayam
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
amatir
pronoun
Sungai Amazon
noun
1. een handwerkvak dat vaak aanzienlijke vaardigheden vereist
kerajinan
noun
kedondong
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
  1. kedutaan
  2. kedutaan besar
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
duta
noun
2.
amber
adjective
1. vervelend, onprettig
usil
/ɑmˈbi(t)si/
noun
ambisi
adjective
1. op hetzelfde moment twee verschillende, meestal positieve en negatieve, waardes hebbend
ambivalen
adjective
resmi
noun
1. iemand die aangesteld is in een door de overheid beheerde dienst
pegawai negeri
noun
1.
sumpah jabatan
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
ambulans
pronoun
Ameland
/aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
Amerika
noun
2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
orang
noun
1. vrouwelijke inwoner van Noord- of Zuid-Amerika
orang Amerika
noun
1. bepaald soort snelgroeiende boom, Quercus rubra
pasang merah utara
noun
1. een vaak prachtig violet gekleurde vorm van kristallijn kwarts, die kleine hoeveelheden titaan en ijzer bevat
ametis
noun
stimulerend middel, uit de groep van de wekaminen
amfetamina
noun
1. in water en op land levend dier
amfibi
adjective
1.
amfoterik
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
Bahasa Amharik
noun
1. een organische verbinding die kan worden beschouwd afgeleid te zijn van ammoniak...
amino
noun
asam amino
noun
1. een chemische verbinding van stikstof en waterstof
amonia
noun
amonium
noun
1. NH₄NO₃, het ammoniumzout van salpeterzuur
amonium nitrat
noun
1. geheugenverlies
amnesia
noun
1. een verklaring dat afgezien zal worden van strafvervolging voor een bepaalde groep
amnesti
noun
1. lamsvlies, het binnenste der eivliezen van het embryo in het moederlichaam
amnion
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
amuba
noun
modulasi amplitudo
noun
1. dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
ampul
noun
amputasi
noun
ampere
noun
1. stroommeter
ammeter
noun
brassica juncea
/ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
Amsterdam
noun
amilase
adjective
1. met betrekking tot de darmuitgang van de mens
anal
noun
1. opbouw bij de stofwisseling waarbij simpele stoffen omgezet worden tot chemisch ingewikkeldere stoffen
anabolisme
noun
anakronisme
/ɑnakroˈnɪstis/
adjective
1. niet passend in de tijdsvolgorde of in de periode waarin het wordt gepresenteerd
anakronis
/ˌa.na.fi.lɑkˈsi/
noun
1. een medische term voor een snelle systemische allergische reactie
anafilaksis
noun
1. iemand die niet kan lezen of schrijven
buta huruf
noun
1. het voorkomen van mensen die niet kunnen lezen of schrijven
buta aksara
noun
1. een pijnstiller
analgesik
noun
analis
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
analogi
/ɑnɐ'liːzə/
noun
analisis
verb
1. gedetailleerd en nauwkeurig bekijken
menelaah
noun
1. een vraaggesprek naar de ziektegeschiedenis
anamesa
noun
1. een vrucht van de ananasplant
  1. nanas
  2. nenas
noun
anarkisme
noun
anarkis
noun
anatomi
noun
1. de periode dat iemand verbonden is aan een bepaalde organisatie
senioritas
pronoun
Andalusia
pronoun
Andalusia
adjective
1. niet deze
lain
noun
1. diegene die je niet zelf bent
lain
/'ɑndərmɑns/
indefinitePronoun
1. genitief van een andere man, wordt gebruikt in bezittelijke zin
asing
adverb
1. op andere wijze
beda
pronoun
Andes
noun
andesit
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
Andorra
/a.nɛg.ˈdo.tə/
noun
1. een amusant, kort verhaal
anekdot
noun
anestesi
noun
een medisch vakgebied
anastesialogi
noun
2. een vishaak
mata kail
/ɑŋəl'sɑksis/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die tussen ca. tussen 400 en 1100 werd gesproken en die geldt als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels
bahasa Inggris Kuna
noun
1. hartkramp, pijn op de borst
angina pektoris
noun
1. zwelling veroorzaakt door (allergische) overgevoeligheid
angioedema
noun
angiotensin
noun
Anglikanisme
/ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
Angola
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
  1. kecemasan
  2. ketakutan
noun
gangguan kecemasan
pronoun
Anguilla
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
adas
noun
1. het zaad van de anijsplant
adas manis
noun
anion
noun
bunga anyelir
noun
bunga anyelir
/ˈɑ.nʲər.re.voˌly.si/, /ˈɑ.ɲər.re.voˌly.tsi/
pronoun
1. geweldloze militaire staatsgreep
revolusi Anyelir
noun
  1. 1. onderdeel van een vaartuig
  2. 2. muuranker
  3. 3. onderdeel van een uurwerk
jangkar
/ˌɑnɛkˈsɪːrə(n)/
verb
1. het toeëigenen van een grondgebied
mencaplok
noun
1. magerzucht, eetstoornis
anorexia
noun
1. verlies van eetlust
anoreksia
adjective
1. niet tot de koolstofverbindingen behorend
anorganik
noun
anoksia
noun
bilis
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
Antartika
noun
1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
antena
noun
antibiotik
noun
antikristus
noun
1. een weinig spannende, soms teleurstellende ontknoping van het verhaal
antiklimaks
noun
1. technieken voor het voorkomen van zwangerschap na geslachtsgemeenschap
kontrasepsi
/ˌɑntideprɛˈsivʏm/
noun
1. een middel tegen ziekelijke neerslachtigheid
antidepresan
adjective
1. oud, maar waardevol
antik
noun
1. oude kunst-, sier- en gebruiksvoorwerpen, die verzameld en verhandeld worden
antik
noun
1. lichaamsvreemde afweeropwekkende stof
antigen
/ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
Antigua dan Barbuda
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
Antilles
/ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
kijang
noun
antimoni
pronoun
1. een provinciehoofdstad in Turkije
Antiokhia
noun
1. stof die reacties tegengaat waarbij elektronen worden uitgewisseld
antioksidan
noun
antiseptik
noun
1. het tegenovergestelde
antitesis
noun
antitoksin
adjective
1. tegengesteld van betekenis
  1. antonim
  2. lawan
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
  1. antonim
  2. lawan
noun
1. een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
antraks
noun
antropologi
noun
antropolog
noun
antropomorfisme
/ˈantˌwɛrpə(n)/, /ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
1. een provinciehoofdstad in België
Antwerpen
/ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
jawaban
/ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
menjawab
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
dubur
/aˈɔrta/
noun
1. de slagader die van het hart naar het lichaam, behalve de longen, loopt
aorta
adjective
apatis
noun
2. internetsymbool @
a bundar
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
apokalips
noun
apogee
noun
1. een mondelinge of schriftelijke verdediging van een persoon, zaak of leer tegen onrechtvaardige aanvallen
apologi
/ɑˈpɔstəl/
noun
  1. 1. leerling van Jezus
  2. 2. verkondiger van een nieuwe leer
rasul
noun
  1. 1. afkappings- of weglatingsteken
  2. 2. aanspreking van afwezige personen of zaken
tanda penyingkat
/apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
  1. apotik
  2. apotek
noun
apoteker
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
aparat
noun
1. een afzonderlijke woning in een groter gebouw
apartemen
/ɑ.ˈpɛl/, /ɑ.ˈpɛɫ/, /ˈɑ.pəl/, /ˈɑ.pəɫ/, /ˈɑpəɫ/
noun
1. vrucht
apel
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
jus apel
/ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
jeruk
noun
apendisitis
/ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
tepuk tangan
/ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
  1. April
  2. april
noun
nog uit te zoeken
cat air
/ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
akuarium
noun
kereta salju
/ɑ'rabis/
pronoun
  1. 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
    1. arab
    2. huruf
  2. 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
    1. bahasa Arab
    2. arab
pronoun
Arab
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noord-Australië en de oostelijke eilanden van Indonesië
Laut Arafura
pronoun
Aragon
noun
1. Een inwoner van Aragon
bahasa Aragon
pronoun
1. taal gesproken in Aragon
bahasa Aragon
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
kerja
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
buruh
adjective
padat karya
noun
1. inkomsten die men ontvangt door het uitvoeren van werk
gaji
noun
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
hukum perburuhan
noun
arbiter
noun
  1. handelen van een scheidsrechter
  2. resultaat van het handelen van een arbiter
  3. systeem van gelijktijdige prijsbepaling
arbitrase
adjective
1. behorend tot of betrekking hebbend op een zeer oud tijdperk
arkais
noun
arkaisme
/ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
arkeologi
noun
arkeolog
noun
arsip
noun
1. een eilandengroep
kepulauan
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
arsitek
noun
1. de bouwstijl van een gebouw
arsitektur
/ɑrxivaːrɨs/
noun
1. een persoon die een archief beheert
pengarsip
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
mengarsipkan
pronoun
1. naam voor het noordpoolgebied
Arktik
adjective
Arktika
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
Samudra Arktik
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Ardèche
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Aquila
noun
1. roofvogel
elang
/ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
Argentina
/ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
argon
noun
1. een regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten
aristokrat
noun
1. onregelmatige hartslag
aritmia
/ɑrṃ/
adjective
  1. 1. weinig bezittend
  2. 2. beklagenswaardig
  1. miskin
  2. papa
  3. tak berada
  4. kekurangan
/ɑrṃ/
noun
1. lichaamsdeel
lengan
noun
1. sieraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
gelang
pronoun
genosida armenia
/ɑrˈmeni.jə/, /ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
Armenia
/ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
kemiskinan
pronoun
Arnhem
noun
1. (aangename) geur van spijzen, dranken, genotmiddelen enz
aroma
noun
2. muziekbewerking
aransemen
adjective
sombong
noun
kecongkakan
noun
1. stijlbeweging
Art Deco
noun
  1. 1. kunstvoorwerp of -product
  2. 4. een bewerkt voorwerp uit prehistorische tijd
  3. 5. een kunstmatig veroorzaakte misvorming; zelf toegebracht letsel
artefak
noun
artis
phraseologicalUnit
akal imitasi
/ɑrˈtiːkəl/
noun
4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
  1. artikel
  2. pasal
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
artileri
adjective
1. aanleg hebbend voor het maken van kunst
seniah
noun
1. gewrichtsontsteking
pirai
noun
1. een aandoening van het gewrichtskraakbeen
osteoartritis
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
dokter
/a.ˈru.ba/, /a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Aruba
noun
  1. 1. centrale staaf
    1. gandar
    2. as
    3. poros
  2. 1. verbrandingsrest
    abu
/ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
asbak
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
asbes
noun
asketisme
noun
asam askorbat
noun
aseksualitas
noun
aspal
noun
asilum
pronoun
1. hoofdstad van Turkmenistan
Ashgabat
noun
aspartam
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
asparagus
noun
1. een middel tegen allerlei kwalen met als werkzame stof acetylsalicylzuur
aspirin
/ˈɑsəˌpustər/
pronoun
1. het meisje dat hoofdpersoon is het het gelijknamige sprookje
Cinderella
verb
1. doen opgaan van een minderheidsgroep in een gevestigde gemeenschap
asimilasi
noun
1. een persoon die ondersteunt
pembantu
/ɑsɪsˈtɛntə/
noun
1. vrouwelijk persoon die ondersteunt
pembantu
noun
asosiasi
noun
asonansi
noun
asuransi
pronoun
Asyur
noun
astatin
noun
1. scheikundig element met symbool At en atoomnummer 85
astatin
/ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
bintang
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
asteroid
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
asma
/ɑstrolo'gi/
noun
1. de leer die gebeurtenissen aan het hemelgewelf in verband brengt met gebeurtenissen op aarde
astrologi
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
astrolog
noun
astrometri
/ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
astronaut
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomi
noun
astronom
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Asturias
noun
1. eerste dag van de vastentijd
Rabu Abu
adjective
1. zonder ziekteverschijnselen
asimtomatik
/a.sɪmp.ˈtot/
noun
1. een lijn die door een kromme of functie willekeurig dicht benaderd wordt, maar deze nooit raakt
asimtot
adjective
asinkron
/atɑkˈsi/
noun
1. een onzekere gang bij het lopen
ataksia
noun
1. de werkruimte van een kunstenaar
atelir
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
Athena
/ˌa.te.ˈjɪsmə/, /ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
ateisme
/ˌa.te.ˈjɪst/, /ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
ateis
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
Samudra Atlantik
noun
  1. 1. een boek dat geografische kaarten bevat
  2. 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
  3. 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
atlas
/ɑtlet/
noun
1. iemand die grote prestaties op sportief gebied verricht
atlet
noun
sporttak waarin vooral lopen, springen en werpen aan bod komen
atletik
noun
  1. 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
  2. 2. een stemming.
  3. 2. eenheid.
udara
noun
atol
noun
atom
noun
nomor atom
noun
  1. inti atom
  2. nukleus
noun
jam atom
noun
1. de kernlading van een atoom
nomor atom
noun
1. abnormale aanleg om allergisch te reageren
atopi
noun
  1. 1. deel van het hart
  2. 2. centraal vertrek
atrium
noun
atase
noun
1. schriftelijk bewijs
sertifikat
noun
1. het afleggen van een formele verklaring; het afleggen van een formele getuigenis
pengesahan
noun
1. houding
sikap
noun
atraksi
interjection
1. uitroep van pijn
aduh
noun
aubade
/obɛrˈʒinə/
noun
2. purperachtige, vlezige vrucht
terong
adjective
1. zichtbaar en hoorbaar
audiovisual
/aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
Agustus
noun
1. luisteren naar lichaamsgeruis van bijv. hart of longen
auskultasi
noun
1. ondersteuning, goedkeuring, toezicht
naungan
/aʊ̯ˈstraːli.jə/, /ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
Australia
noun
autarki
/oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
pengarang
noun
hak cipta
noun
autentisitas
/ʌuˈtɪsmə/, /ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
autisme
/ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
mobil
adjective
1. met betrekking tot afweerstoffen gericht tegen de eigen lichaamsweefsels
autoimun
noun
autobiografi
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
bis
noun
autokrasi
noun
1.
autodidak
noun
automasi
noun
1. gemotoriseerd voertuig op vier of meer wielen
otomobil
/aʊ̯.to.no.ˈmi/, /ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
otonomi
/ˌʌʊtoˈnom/
adjective
1. op zichzelf staand
otonom
noun
1. een lijkschouwing
autopsi
adjective
otoriter
noun
kunci mobil
noun
1. weg voor snelverkeer (dat sneller kan en mag rijden dan 60 km per uur), met gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen
jalan bebas hambatan terkendali
noun
1. autowas installatie waarbij auto's automatisch via een lopende band schoongemaakt worden
tempat cuci mobil
/ɑu̯ˈtri.sə/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
pengarang wanita
/'avatɑr/
noun
2. (informatica) een kleine afbeelding die een bepaalde gebruiker symboliseert
avatar
noun
aversi
pronoun
1. een stad in Frankrijk
Avignon
noun
avionika
/ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
  1. advokat
  2. avokat
  3. buah alpokat
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
  1. malam
  2. petang
noun
1. een maaltijd die 's avonds genuttigd wordt
makan malam
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
jam malam
noun
1. rode kleur van het hemelgewelf
layung
noun
1. iemand die graag het avontuur opzoekt
petualang
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
petualangan
noun
1. een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden
aksioma
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
ayatullah
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
aymara
noun
1. sierstruik van het geslacht rhododendron
saliyah
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
Azerbaijan
/aˈzeːri/, /aˈzɪːri/
pronoun
1. Turkse taal die door 22 miljoen mensen vooral in Azerbeidzjan, maar ook in Iran, Georgië en Turkije wordt gesproken
Azerbaijan
/aˈzɛɪn/, /aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
cuka
noun
1. CH₃COOH
  1. asam asetat
  2. asam cuka
noun
asetat anhidrida
/azimɵt/
noun
1. horizontale hoek
azimut
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
Asia
/baːn/
noun
3. traject van een projectiel/hemellichaam
lintasan
/baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
  1. janggut
  2. jenggot
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
rahim
noun
1. smal en buisvormig gedeelte van de baarmoeder dat aan een kant in de vagina eindigt ...
serviks
noun
1. een vorm van kanker die zich in de baarmoederhals ontwikkelt
kanker leher rahim
verb
1. gezellig praten over zaken van weinig belang
mengobrol
noun
1. Chinees gerecht met krokant geroosterd varkensvlees
babi panggang
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
bayi
noun
1. een reservekopie van bestanden en andere gegevens die wordt gemaakt voor het geval het origineel verloren gaat
cadangan
noun
bakteri
noun
1. een wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van bacteriën
bakteriologi
noun
1. de aanwezigheid van bacteriën in het bloed
bakteremia
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Bacteria
bakteri
verb
  1. 1. een bad nemen
  2. 3. in bad doen
mandi
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
  1. balno-chambro
  2. kamar mandi
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
pakaian renang
/ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
bak mandi
noun
1. een sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
bulutangkis
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
pakaian renang
noun
1.
Teluk Baffin
/ba.ˈɣaːʃ/, /ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
bagasi
/ba.ˈha.mas/, /ba.ˈɦa.mas/, /bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
Bahama
/ba.ˈrɛɪ̯n/, /bɑx.ˈrɛːn/, /bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
Bahrain
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
  1. bayonet
  2. sangkur
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
tukang roti
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
toko roti
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
Baku
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
batu bata
noun
1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
bola
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
balalaika
/balaˈnitɪs/
noun
1. ontsteking van de eikel bij de man.
balanitis
noun
  1. 1. evenwicht
  2. 2. een meetapparaat met twee armen (bedoeld om het verschil te kunnen meten)
  3. 3. (economie) een volledige opsomming van de waarde van alle bezit en alle tegoeden en ...
balans
pronoun
Kepulauan Balears
noun
  1. 1. hoornachtige stof uit de walvisbek
  2. 1. versterkingsstaafje voor corset of paraplu
balin
/bɑlk/, /bɑɫk/
noun
2. veelvlak met 6 rechthoekige zijvlakken, 8 hoekpunten en 12 ribben
balok
pronoun
1. gebied...
Balkan
/ˈbɑlkə(n)/, /ˈbɑɫkə(n)/
verb
1. het geluid van een ezel maken
meringkik
noun
1. een bouwkundig onderdeel
balkon
noun
balada
noun
1. vervanging van de nuttige lading door iets dat voldoende weegt om een schip te stabiliseren
balas
/ˈbɑ.lə/
noun
branie, moed
biji peler
noun
1. een artistieke dansvorm
balet
noun
1. gedwongen verblijf elders dan waar men thuis is
eksil
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
balon
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
  1. bolpoin
  2. bolpen
noun
balsem
noun
permainan bola
noun
1.huidplooi waarin de testikels liggen
kantong pelir
pronoun
1. de nationale taal van Mali
bahasa Bambara
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
  1. bambu
  2. buluh
  3. aur
  4. eru
noun
rebung
adjective
1. gewoontjes, saai en voorspelbaar, weinig verheven of de zintuigen prikkelend
banal
noun
1. een vrucht van de bananenboom
pisang
noun
roti pisang
noun
  1. 1. een van de Midden-Amerikaanse staten zoals Honduras, Nicaragua, El Salvador of Guatemala, eens zo genoemd vanwege de bananenindustrie die daar alles overheerste
  2. 2. een in politiek en economisch opzicht corrupt en instabiel land, dat bovendien vaak rijk is aan grondstoffen
republik pisang
noun
1. de schil van een banaaan
kulit pisang
noun
1. ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
ban
noun
pencungkil ban
noun
1. een schurk of misdadiger
begal
adjective
1. angst hebbend
takut
adjective
1. van een persoon dat deze snel bang is
kaget
/ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
Bangladesh
noun
  1. 1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon
    bangku
    1. 3. een financiële instelling
    2. 4. een ondiepte in het water
    bank
noun
1. een betaalmiddel van papier
uang kertas
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
bankir
noun
1. een rekening-courant bij een bank
akun bank
noun
1. een handig hulpmiddel om werkstukken in vast te houden
ragum
/ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
orang buangan
noun
1. tijdelijk onderkomen voor een groep soldaten of andere personen
barak
adjective
1. zonder beperkingen opgelegd door beschaafd gedrag
biadab
/ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
Barbados
noun
1. Een slaapmiddel in de vorm van een barbituurzuur verbinding
barbiturat
pronoun
Barcelona
verb
1. op de wereld brengen
melahirkan
noun
Laut Barents
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
baret
noun
1. een mannenstem tussen bas en tenor
bariton
noun
amber
/ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
barometer
noun
1. straatversperring die de doorgang door een straat onmogelijk maakt
barikade
noun
1. begrenzing, bescherming
rintangan
verb
1. heftig breken of uiteenspatten
letup
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
basalt
noun
  1. 1. stof die een of meer hydroxylgroepen bevat en in een waterige oplossing OH-ionen afsplitst
  2. 2. ion of molecuul dat de neiging heeft een proton op te nemen
basa
verb
bedasarkan
/baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
selasih
noun
basilika
noun
1. scholing voor kinderen van 4 tot 12 jaar
pendidikan dasar
noun
1.
basis poin
/ˈbazɪsxoɫ/
noun
1. een school voor lager onderwijs
sekolah dasar
noun
1. sport
bola basket
noun
1. contrabasspeler
basis
noun
keledek
noun
batalion
noun
1. een fijn, doorschijnend weefsel dat gemaakt kan zijn van linnen, wol, katoen, zijde of zelfs kunstzijde
batis
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
baterai
noun
1. een mineraal dat een belangrijk erts van aluminium vormt. Bauxiet bestaat voor een groot deel uit aluminiumoxide...
bauksit
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
babun
noun
1. een (vaak overdekte) markt
pasar
pronoun
1. stad in Zwitserland
Basel
noun
1. afkorting van bruto binnenlands product...
GDP
/bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
jawab
adjective
1. brildragend
berkacamata
verb
1. van commentaar voorzien
mengomentari
noun
becquerel
/bɛd/, /bɛt/
noun
1. een meubel gemaakt om in te slapen
  1. tempat
  2. tidur
  3. ranjang
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
terima kasih
verb
1. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
kattaa
verb
1. om een aalmoes vragen
mengemis
verb
  1. 2. verpesten, verknoeien
  2. 3. te veel verwennen
  3. 4. verrotten, oneetbaar worden
manja
noun
penziarahan
noun
1. iemand die eten en of drinken brengt in een horecagelegenheid
kerani
noun
1. de groep van personen die eten en of drinken brengen in een horecagelegenheid
jawa
adjective
2. mogelijk op het punt staand van uitsterving
genting
verb
1. iemand met een mogelijk gevaar confronteren
ancam
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
administrasi bisnis
noun
1.1 Cimex lectularius, een parasitair insect
  1. kepinding
  2. kutu busuk
/bek/
noun
1. stromend watertje
selokan
noun
  1. 1. driedimensionaal kunstwerk
  2. 2. visualisatie
bayangan
noun
1. een deelnemer aan de Beeldenstorm
ikonoklas
verb
1. uit steen een beeld vervaardigen
seni pahat
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
pemahat
/'beltɦɑʊʋɛrk/
noun
1. een kunstwerk vervaardigd door het houwen van steen
pahatan
noun
layar
/beːn/
noun
  1. 1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
    1. kaki
    2. betis
  2. 3. stof waaruit benen/botten bestaan
    tulang
noun
1. een verkoper van vlees
jagal
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
sumsum tulang
/beːr/, /bɪːr/
noun
1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
beruang
/beːst/
noun
  1. 1. dier
    binatang buas
  2. 2. benaming voor een mens, meestal een man, als men wild en dierlijk gedrag wil aangeven
    buas
/beɪt/, /beːt/
noun
1. samenklemming tussen de kaken
gigitan
/ˈbeːtʃjə/
noun
1. kleine hoeveelheid
sedikit
verb
1. het oraal bevredigen van een vrouw door haar geslachtsdelen te likken of met de tong te 'betasten'
isep memek
noun
1. verlangen
hasrat
/bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
  1. 1. vergezellen
  2. 2. een partij spelen die een harmonische aanvulling is van de solopartij
antar
noun
1. personen die iemand vergezellen of bewaken
penyertaan
verb
1. sterk verlangen om iets te bezitten
hasrat
verb
1. een gift geven
dianugerahi
/bəˈχɪn/
noun
1. het eerste deel
awal
verb
1. aanvangen
mulai
noun
1. regel waar je je in ieder geval aan wilt houden
prinsip
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
tempat pemakaman
noun
1. een ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd
pemakaman
adjective
terbatas
adjective
dapat dimengerti
/bə.χrɛɪ.pə(n)/
verb
1. met het verstand vatten
mengerti
/bəˈɣrotɪŋ/
noun
1. raming van de te maken uitgaven voor de komende tijd
anggaran
/beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
  1. kutang
  2. beha
preposition
1. met uitzondering van
kecuali
noun
2. een handeling gericht op herstel
penanganan
/bə'her/
noun
1. het beheren van, de zorg en verantwoording voor eigendommen van derden
  1. administrasi
  2. manajemen
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
administrator
verb
1. meester zijn, het gezag uitoefenen
mengendalikan
/bəˈhuvə(n)/
verb
2. nodig hebben
perlu
pronoun
Bayern
adjective
krem
/bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Beirut
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
alat ukir kayu
noun
1. snavel van vogels
cotok
noun
1. een persoon waarvan je weet wie het is
kenalan
noun
rasa kenal
noun
1. een verklaring waarin men toegeeft een bepaalde daad gepleegd te hebben
pengakuan
noun
gelas piala
noun
1. een boete die wordt opgelegd voor het overtreden van een wet
denda
noun
2. gebeente tussen beide heupen
tulang pinggang
verb
1. naar de top van iets, zoals een berg, klimmen
memanjat
/bəˈkopə(n)/
verb
1. iets ~ met een prijs ergens voor betalen
dibayar dengan
verb
1. belonen voor uitmuntendheid
menobatkan
noun
1. het zich inzetten voor iets dat belangrijk is voor iemand
advokasi
adjective
1. van grote betekenis
penting
noun
1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
bea
noun
1. iemand die belasting betaalt
pembayar pajak
noun
suaka pajak
adjective
1.
menghina
adjective
1. van goede omgangsvormen getuigend
sopan
/bəˈlɛx/
noun
1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
pengepungan
verb
1. met een leger omsingeld houden
mengepung
verb
1. geld steken in een naar verwacht winstgevende onderneming
berinvestasi
noun
1. iemand die geld belegt
investor
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
kebijakan
noun
1. wat hinder en oponthoud veroorzaakt
obstruksi
pronoun
Kongo Belgia
/ˈbɛlɣijə/, /ˈbɛɫɣijə/, /ˈbɛɫχijə/
pronoun
Belgia
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
Beograd
/be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
Belize
noun
1. tandwalvis die doorgaans bij volwassenheid melkwit van kleur is, Delphinapterus leucas
kenari laut
pronoun
1.
Balochistan
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
janji
verb
1. een prestatie of goede daad met geld of anderszins erkennen
menghadiahkan
noun
ganjaran
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
berjanji
noun
alarm
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
awak
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
awak
noun
1. iemand die zich bemoeit met zaken van anderen
Kepo
pronoun
1. een taal die in Bangladesh en West-Bengalen gesproken wordt
bahasa bengali
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris tigris
harimau Benggala
adjective
bertulang
verb
1. wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft
cemburu
/be.ˈnin/, /ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Benin
noun
benzena
/bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
bensin
noun
1. een installatie voor het tanken van benzine
stasiun pengisian bahan bakar
noun
beo
noun
praktisi
verb
2. vaststellen, voorschrijven, regelen
menentukan
/bə.ˈpɛr.kɪŋ/
noun
1. iets dat ervoor zorgt dat de mogelijkheden beperkt worden
keterbatasan
adjective
1. verminderd, met specifieke grenzen
terbatas
noun
1. overweging, overleg
konsiderasi
pronoun
1. Austronesische taal
Bahasa Melayu Berau
/bə.ˈre.kə.nɪŋ/
noun
1. een numerieke uitwerking ergens van
komputasi
/bɛrx/
noun
  1. 1. hoge terreinverheffing
  2. 2. een grote hoeveelheid
gunung
noun
1. een soort geit die leeft op rotsachtige ondergrond in de bergen.
kambing gunung
noun
1. ziekte veroorzaakt door een tekort aan vitamine B1 (thiamine)
beri-beri
noun
1. overgebrachte korte communicatie, meestal over een recente gebeurtenis
pesan
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
Selat Bering
pronoun
1. is de zee in het noordelijk deel van de Grote Oceaan
Laut Bering
/bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
pohon berk
pronoun
  1. 1. de hoofdstad van Duitsland
  2. 2. een duitse deelstaat
Berlin
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
Bermuda
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Bern
/bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
terkenal
noun
2. iemand die bekend is bij een groot publiek
orang tenar
noun
  1. 2. dringend verzoek om bijstand
    banding
  2. 1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
    profesi
noun
1. een acute beschadiging van de hersenen die veroorzaakt wordt door een bloeduitstorting in de hersenen
apopleksi
verb
1. iemand met geweld zijn bezit ontnemen
rampok
/bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
berilium
/bɛs/
noun
1. kleine vrucht
beri
adjective
1. net en goed opgevoed
beradab
/bə.ˈsxa.vɪŋ/, /bə.ˈsχa.vɪŋ/
noun
1. de complexe maatschappij waarin veel van de mensen in steden leven en hun voedsel door middel van landbouw verkrijgen
peradaban
/bə'sxɛi(d)ə/
adjective
  1. 1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
  2. 2. niet de indruk makend te hoge verwachtingen van zichzelf te hebben
  3. 3. niet groots of talrijk
rendah hati
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
melindungi
noun
1. een heilige onder wiens bescherming een bepaalde persoon of groep staat
santo pelindung
/bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
lindung
noun
1.e mogelijkheid om, indien nodig te kunnen beschikken over mensen, diensten of hulpmiddelen
tersedianya
adjective
1. onderhevig aan schimmelgroei
apak
verb
  1. 1. bekijken als
  2. 2. denken over
menganggap
verb
1. in woorden uitdrukken
menggambarkan
/bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
deskripsi
/bəˈsxʌldəgə/
verb
1. iemand de schuld geven van iets
tuduh
/bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
penuduhan
/bə.ˈslɪ.sɪŋ/
noun
keputusan
/bəˈslœɪt/
noun
1. een vastgestelde keuze
keputusan
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
  1. mengkhitan
  2. menyunat
/bəˈsnɛidənɪs/
noun
khitan
verb
1. muziek maken op een muziekinstrument
bermain
/bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
diskusi
verb
1. druppels van een vloeistof ergens over strooien
meletis
noun
  1. 1. een verzameling van gegevens die een eenheid vormen
    berkas
  2. 3. een wapenstilstand
    gencatan
noun
1.
alat makan
verb
1. iemand iets wederrechtelijk ontnemen
rampok
verb
1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
memesan
/bə.ˈstɛ.lɪŋ/
noun
1. een verzoek of opdracht om diensten of goederen te leveren
pesanan
/bə.ˈstɛ.mɪŋ/
noun
1. het eindpunt van een route
destinasi
noun
1.een aanduiding voor een werk dat op korte termijn uitzonderlijk goed verkoopt
pelarap
noun
penyerbukan
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
  1. sistem operasi
  2. sistem operasional
/bəˈstyrdər/
noun
1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
sopir
noun
hukum administrasi
/bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
  1. bayar
  2. membayar
noun
1. iemand die betaalt
pembayar
/bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
bayar
noun
neraca pembayaran
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
arti
/ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Betelgeuse
/'beːtər/
adverb
lebih baik
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
Betlehem
verb
1. een serie argumenten als een verhaal presenteren, bijvoorbeeld in een rechtszaak
membantahkan
/bə.ˈto.ɣɪŋ/, /bə.ˈto.χɪŋ/
noun
1. een samenkomst van velen, meestal op straat, met als doel een protest te laten horen
demonstrasi
verb
1. leedwezen tonen over iets
menyesali
adjective
reliabel
noun
keandalan
/bə.ˈtraʊ̯.bar.hɛɪ̯ds.ˌɪn.tər.ˌvɑl/, /bə.ˈtrɔʊ̯β̞.bar.ɦɛːts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/, /bə.ˈtrʌʊ̯.bar.ɦɛɪ̯ts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/
noun
1. een statistische intervalschatting voor een parameter
selang kepercayaan
/bɛtwetər/
noun
1. iemand die meent alles beter te weten dan anderen
sok pintar
/bøːl/
noun
1. uitvoerder van lijfstraffen
algojo
noun
    1. 2. een houder voor munten en biljetten
    2. 3. toelage voor iemand die studeren wil
    beasiswa
  1. 1. het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
    bursa
/bøːrt/
noun
1. gelegenheid of opdracht die bewust telkens aan een andere persoon uit en groep gegeven wordt
pas
noun
1. eigendoms- en ontvangstbewijs waarin zeevrachtbrief en vervoersovereenkomst worden gecombineerd
konosemen
verb
1. omvatten, in zich sluiten
mengandung
noun
1. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak.
perintah
verb
1. een dwingende opdracht geven.
memerintah
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
  1. berang-berang
  2. biwara
/bə.ˈvɛs.ti.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈvɛs.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛs.tə.χɪŋ/
noun
1. het bevestigen, het mededelen aan iemand dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
konfirmasi
noun
1. de akkers voorzien van extra water
irigasi
verb
1. (iets) een beetje nat maken
mengurapi
/bə'vuxtɛit/
noun
kewenangan
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
populasi
/bə'vrizə(n)/
verb
1. door afkoeling in vaste toestand komen
beku
verb
1. iemand of een bevolking van gevangenschap of onderdrukking verlossen
membebaskan
/bə.ˈwa.kɪŋ/, /bə.ˈʋa.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞a.kɪŋ/
noun
pemantauan
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet verloren raakt
rekam
/bə.ˈwe.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈʋe.χɪŋ/, /bə.ˈβ̞e.ɣɪŋ/
noun
  1. 1. in de staat verkeren waarin de locatie steeds verandert
  2. 2. van plaats/positie veranderen
  3. 3. een organisatie
gerakan
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
bukti
noun
1. alles wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vastlegt
bukti
/bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
berawan
noun
1. een persoon die iemand bewondert
pengagum
noun
1. iemand die in of op iets woont
penduduk
/bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
kesadaran
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
sapu
/bə.ˈzɛ.tɪŋ/
noun
1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
pendudukan
/bezəx/
adjective
1. aan het werken
sibuk
noun
1. iets waarmee men bezig is
kegiatan
/bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
memiliki
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
pemilik
noun
1. het bezoeken
kunjungan
/bəˈzukə(n)/
verb
1. bij iemand langsgaan of langskomen
kunjungi
noun
1. een persoon die iemand of iets bezoekt
pengunjung
adjective
1. bijzonder dronken
mabuk
adjective
1. met zorgen beladen
cemas
/bə'zʌʏniɣə(n)/
verb
1. door zuinig met geld of iets anders om te gaan de uitgaven verminderen
menghemat
noun
1. moeilijkheid, bedenking
keberatan
adjective
1. met zweet op de huid
berkeringat
noun
sumpah
verb
1. het bewustzijn verliezen
pingsan
/bu.ˈtan/, /bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
Bhutan
pronoun
Biafra
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
biathlon
/ˌbiblijotekaˈrɛsə/
noun
1. beheerster van een bibliotheek
pustakawan
/ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
pustakawan
/bib(l)ijo'tek/
noun
1. een plaats waar boeken verzameld staan
perpustakaan
verb
1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
berdoa
noun
1. de verplichting om datgene wat de priester tijdens de biecht verneemt geheim te houden
meterai pengakuan
noun
1. dunne lap vlees van de bovenbil van een rund
bistik
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
bir
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
lokio
noun
bit
/bɪx/, /bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
anak bayi
/bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
  1. lebah
  2. tawon
noun
1. (de heilige tekst van) het heilige boek der christenen
Alkitab
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
  1. alkitab
  2. injil
verb
2. zorgen dat iemand iets leert
belajar
/ˈbɛːdraʝə/, /ˈbɛːɪdraɣə/
noun
1. iemands aandeel
sumbangan
noun
1. moeder van alle bijen in een bijenkorf
lebah ratu
noun
1. kunstmatige behuizing waarbinnen een bijenvolk zijn raten kan bouwen, oorspronkelijk in de vorm van een gevlochten korf
sarang lebah
/ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
takhayul
/bɛɪˈkɑns/
adverb
  1. hampir
  2. nyaris
/bɛɪ̯l/, /bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
  1. kapak
  2. kampak
noun
  1. 1. geschrift ter aanvulling
  2. 2. een bestand dat bij een e-mail is meegezonden
lampiran
/'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
  1. hampir
  2. nyaris
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
julukan
noun
kelenjar adrenal
/ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
gigit
/bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
kata sifat
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
misalnya
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
adverbia
noun
1. tweedelige zwemkleding voor de vrouw
bikini
noun
1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
bokong
noun
1. spel
bola sodok
noun
karcis
cardinalNumeral
1. 1.000.000.000.000
biliun
adjective
biner
/ˈbɪnənˌbɑnt/
noun
1. binnenste band, de band waarin de lucht aanwezig is
ban dalam
verb
1. ergens in gaan
masuk
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
bioetik
/'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
biokimia
/ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
keanekaragaman hayati
noun
biografi
noun
1.
ahli biologi
/ˌbiʲoloˈɣi/, /ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
biologi
/ˌbijo'loːɣis/
adjective
  1. 1. te maken hebbend met de biologie
  2. 2. van gelijke afstamming
biologis
/ˌbioˈlox/, /ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
ahli biologi
noun
biomassa
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
  1. bioskop
  2. sinema
noun
biosfer
adjective
bahasa Myanmar
pronoun
1. een taal die in Myanmar gesproken wordt, een minderheidstaal in Bangladesh, Maleisië en Thailand is...
bahasa Myanmar
/ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
keuskupan
noun
biseksualitas
/bisɛksye:l/
adjective
1. seksueel gericht op beide geslachten
biseksual
/bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
uskup
verb
1. een studiejaar overdoen na gezakt te zijn
tinggal kelas
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
asam
adjective
aneh
noun
1. een luchtzak die samengedrukt kan worden om een sterke luchtstroom te veroorzaken
puputan
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
alat musik tiup
noun
1. blaaspijp
sumpitan
noun
  1. 1. plat, groen onderdeel van planten
  2. 2. vel papier
daun
adjective
zonder bladeren
ranggas
/ˈblɑtsɛidɚ/
noun
1. elk van de beide zijden van een blad papier in boek, krant of tijdschrift
  1. halaman
  2. kaca
  3. muka
  4. pagina
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
menggonggong
/blɑŋk/
adjective
  1. 1. met lichte huidskleur
    bule
  2. 2. onbeschreven
    putih
noun
1. iemand met een van nature bleke (pigmentarme) huid
bule
noun
1. een uiting die als belastering van de godheid gezien wordt
hujatan
/ˈblatə(n)/
verb
het geluid van een schaap maken
embik
/blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
biru
/blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
biru
noun
1. witte kraaiachtige met lavendelblauw verenkleed op de rug en kop Cyanocitta cristata
celung biru
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
Cangak Abu
noun
1. Balaenoptera musculus, een baleinwalvis, de grootste van alle walvisachtige
paus biru
noun
hidrogen sianida
/'bla.zə(n)/, /'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
tiup
adjective
1. gering van kleur
pucat
/blɛi̯/
adjective
senang
noun
1. opvanghuizen voor vrouwen, kinderen en tegenwoordig ook mannen die slachtoffer zijn van of bedreigd...
tempat penampungan wanita
noun
1. een toneelstuk, film of boek dat het doel heeft het publiek te vermaken en aan het lachen te maken
humor
noun
3. manier van kijken, gezichtsuitdrukking
mieno
/blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
kilat
noun
1. een metalen stang of constructie die de bliksem aantrekt en naar de grond afvoert.
penangkal petir
adjective
1. niet in staat te zien
buta
noun
1.
kencan buta
noun
1. over de ogen gebonden reep ondoorzichtige stof om het zien te verhinderen
penutup mata
noun
apendisitis
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
darah
noun
bank darah
noun
tekanan darah
verb
1. het vloeien van bloed
darah
noun
golongan darah
noun
pendarahan
noun
uji darah
noun
1. de vloeistof van het bloed waar geen bloedlichaampjes meer in zitten maar nog wel stollingseiwitten
plasma darah
adjective
1. rood als de kleur van bloed
merah darah
noun
hubungan sedarah
noun
serum darah
noun
transfusi darah
noun
1. bloeduitstorting in de huid
hematoma
noun
1. een bloedader
pembuluh darah
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
lintah
noun
1. een deel van plant met zaden
  1. bunga
  2. kembang
  3. puspa
pronoun
1.
Bloemfontein
noun
  1. 1. bloemenverkoper
  2. 2. bloemenkweker
tukang bunga
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
  1. bungkul
  2. bunga
  3. kubis
  4. kubis bunga
noun
antologi
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
pot bunga
noun
1. kledingstuk
blusa
noun
1.
bloger
noun
1. een vaak hoekig massief stuk materiaal
balok
noun
blokade
/ˈblɔkə(n)/
verb
  1. 1. heel hard studeren
  2. 2.
adang
verb
1.de toe- of doorgang versperren
adang
/blɔnd/, /blɔnt/
adjective
1.
pirang
adverb
telanjang
noun
1. het ongewapend, onbeschermd in contact komen met een gevaar
pajanan
noun
1. kledingstuk
blusa
noun
1.
kapal pemadam
verb
  1. 1. heel hard huilen
  2. 2. blaten
embik
noun
2. een brede baai aan de kustlijn
teluk
noun
tender
noun
1. een onderkant
bawah
/ˈbodəmˌkʏndə/
noun
edafologi
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Budapest
pronoun
Buddha
noun
1. de voorkant van een schip
haluan
noun
1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
bui
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
  1. buku
  2. kitab
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Bukares
/ˈbukən/
verb
1. reserveren van bijvoorbeeld een hotelkamer
pesan
/ˈbu.kə.ˌkɑs/, /ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
lemari buku
noun
bibliotek
noun
1. boekwinkel
toko buku
/ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
toko buku
noun
1. een gebogen werpstok die de neiging heeft terug te keren naar de werper
bumerang
/buːr/
noun
1. landbouwer
petani
noun
  1. 2. een onderneming van een boer
    ladang
  2. 1. een woning met bedrijfsruimte van een boer
    perkebunan
/burə'kol/
noun
1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
kubis keriting
/ˈbuː.rə(n).fər.ˌstɑnt/
noun
1. gezond verstand
akal sehat
/ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
layang-layang asia
noun
1. het gehele lichaam, inclusief gezicht en ogen, verhullend gewaad gedragen door (streng) islamitische vrouwen
burqa
noun
burqini
noun
butik
/bɔf/
noun
2. ziekte
beguk
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
Bohemia
noun
1. een tactische vechtsport
tinju
noun
1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
bola
/boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
Bolivia
/bɔm/
noun
1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
bom
noun
1. beschieting met bommen, het werpen van bommen
pemberodongan
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
bom
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Bonaire
noun
1. een andere macht waarmee een afspraak gemaakt is aan dezelfde zijde te zullen strijden
sekutu
noun
1. Pan paniscus, een mensaap, staat samen met de chimpansee van alle diersoorten...
bonobo
noun
1. overgebracht bericht
pesan
noun
1. wapen
busur
noun
jembatan pelengkung
noun
1. een sport waarbij pijlen worden weggeschoten naar een doel met behulp van een boog
panahan
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
Sagittarius
noun
1. iemand die schiet met een boog
pemanah
noun
1. meerjarige plant met houten stam
pohon
/ˈbom.ɣrɛns/, /ˈbom.χrɛns/
noun
1. een grens waarboven geen bomen meer groeien
garis pohon
/ˈbom.kɵn.də/, /ˈbom.kʏn.də/
noun
dendrologi
noun
1. een rechtop gaande houten schacht van een boom
batang
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
  1. buncis
  2. kacang
noun
B. chemisch element en een zwart metalloïde
boron
/ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
bor
/boʊs/, /boːs/
adjective
1. kwaad, woedend
gusar
noun
1. de hoedanigheid van het boos zijn
amarah
/boʊt/, /boːt/
noun
1. klein vaartuig
perahu
/bɔRd/, /bɔrt/
noun
[1] Schijfvormig voorwerp
piring
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
mengebor
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
boron
pronoun
Kalimantan
noun
2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
  1. payudara
  2. buah dada
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
sternum
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
sikat
noun
1. is een vorm van kanker die uitgaat van het melkklierweefsel in de borst, meestal (maar niet altijd) bij vrouwen
kanker payudara
noun
1.
dayung
noun
menetek
noun
1. een groep bomen
hutan
noun
1. en 3. plant, en bessen, uit geslacht Vaccinium
bluberi
/ˈbɔsbɑuw/
noun
1. het systematisch bosbeheer (teelt en verzorging van bossen) voor de productie van hout
kehutanan
/ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
Bosnia-Herzegovina
pronoun
1. zeestraat tussen de Zee van Marmara en de Zwarte Zee
Selat Bosporus
noun
1. jonge, onvolgroeide geboste ui met blad
daun bawang
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
burung hantu cokelat
noun
3. onderdeel van het skelet
tulang
/ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
mentega
noun
2. een belegde snee brood
roti lapis
pronoun
1.
Teluk Bothnia
/bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /bɔts.ˈʋa.na/, /bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
Botswana
noun
1. het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
busi
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
kaldus
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Bourgogne
/bɑu̯/
noun
1. het doen verrijzen van een gebouw
konstruksi
/ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
  1. membangun
  2. mendirikan
noun
1. een persoon die dingen bouwt
pembangun
noun
1. (wetenschap)
rekayasa arsitektur
/ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
diatas
noun
1.bovenbeen
paha
adjective
1.
teratas
verb
1. iemand uitsluiten, niet meer willen werken voor, leveren aan of kopen bij
memboikot
noun
1. struik & 2. vrucht
beri hitam
verb
1. vlees bereiden door het in vet te verhitten
menggoreng
/ˈbrɑnd/, /ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
kebakaran
verb
1. verteerd worden door vuur
  1. bakar
  2. tunu
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
Brandenburg
noun
1. hout dat gebruikt wordt om te verbranden
kayu bakar
noun
pumpunan
noun
spiritus
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
pembakar
noun
pembakaran disengaja
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
bahan bakar
noun
pemadam kebakaran
noun
branwir
noun
SPK
noun
1. lid van de brandweer
pemadam kebakaran
noun
branwir
/braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
  1. Brasil
  2. Brazil
/ˈbred.bɑnd/, /ˈbred.bɑnt/
noun
1. een internetverbinding met een hoog debiet
jalurlebar
noun
1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
lebar
noun
1. cirkel van gelijke geografische breedten
garis lintang
noun
1. stevige metalen stang, meestal voorzien van een gespleten einde, de koevoet, gebruikt om zaken open te breken.
linggis
/ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
rajut
verb
  1. 1. in stukken uiteenvallen
  2. 5. in stukken uiteen doen vallen
mematahkan
noun
indeks bias
pronoun
Bremen
/ˈbrɛŋ.ə(n)/
verb
1. ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
bawa
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
Bretagne
noun
1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
pecahan
noun
1. verzonden geschreven boodschap
surat
noun
1. een korte brief in de vorm van een kaart
kartu pos
noun
bis surat
noun
bubur
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
kacamata
/ˈbrɪl.beːr/, /ˈbrɪɫ.beːr/, /ˈbrɪɫ.bɪːr/
noun
1. een beer met grote cirkels rond de ogen, als een bril
beruang berkacamata
adjective
1. buitengewoon slim
berlian
noun
1. slijpvorm voor onder andere diamant
berlian
noun
1. reptiel, gevaarlijke gifslang
kobra
noun
orang Inggris
/brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
Inggris
pronoun
Britania
/ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
brokoli
noun
brosur
/'bru.də(n)/
verb
1. een gelegd ei met lichaamswarmte warm houden
mengeram
/brudər/
noun
1. een broer
bruder
noun
1. moord van de ene broer op een andere broer, ook figuurlijk gebruikt
fratrisida
noun
1. bouwsel met glazen wanden voor het opkweken van gewassen
rumah kaca
noun
efek rumah kaca
noun
gas rumah kaca
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
celana
/bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
  1. adik laki-laki
  2. kakak laki-laki
  3. saudara laki-laki
noun
1. zijdeweefsel met ingeweven, meestal grote figuren, vaak met goud- of zilverdraad doorweven
brokat
noun
moped
noun
bromida
noun
moped
noun
  1. 1. daar waar men informatie vandaan haalt
  2. 2. begin van een waterloop
sumber
noun
1. ontsteking van de luchtpijptak
bronkitis
noun
perunggu
/broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
roti
noun
panir
noun
1. vrucht van de broodboom Artocarpus altilis
sukun
noun
1. lid van een huishouding met betaald werk
pencari nafkah
adjective
1. niet stevig
rapuh
noun
1.
bronis
/brʏx/, /brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
jembatan
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
Brugge
/brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
  1. pengantin
  2. manten
  3. mempelai
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
harta sesan
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
cokelat
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
cokelat
/ˌbrœʏnəˈbeːr/
noun
1. Ursus arctos, een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt.
beruang cokelat
noun
1.
air belanda
/bry.ˈnɛɪ̯/, /bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
Brunei
pronoun
Braunschweig
/brʏs/
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders (zonder de connotatie met zorg)
saudara
pronoun
1. de hoofdstad van België
Brusel
adjective
2.
bajingan
noun
GDP
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
PPN
/ˈbʏdʒɛt/
noun
anggaran
/'bɵfəl/
noun
1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
kerbau
noun
3. tijdelijk geheugen in rekenmachines...
dapar
/bœʏ̯χə(n)/, /bœːɣə(n)/
verb
  1. 1. krom maken
  2. 2. krom worden
belok
noun
6. vormverandering van woorden
infleksi
/bœʏ̯k/, /bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
perut
noun
tari perut
noun
diare
noun
1.
peritoneum
noun
1. de meest voorkomende vorm van pest en wordt veroorzaakt door de
pes bubo
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
tabung
noun
2. buisklokken
lonceng tabung
adjective
melewah
/ˈbœytə(n)lɑndər/
noun
1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
orang asing
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
asing
noun
1.
offside
/ˈbœy̯.tə(n)ˌsta:n.dər/
noun
iemand buiten de groep, van buiten
orang luar
pronoun
Bogor
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
elang buteo
/bʏl/
noun
  1. 1. mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
  2. 2. pauselijke oorkonde
banteng
/bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
  1. Bulgaria
  2. bahasa Bulgaria
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
Bulgaria
noun
1. gestoomde, daarna gedroogde en vervolgens grof gemalen of gebroken tarwekorrels, meestal durumtarwe
bulgur
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
buldoser
noun
punuk
noun
1. zijdelings bijeengehouden verzameling langwerpige voorwerpen
bundel
noun
1. gasbrander met regelbare luchttoevoer die men gebruikt in een laboratorium
pembakar Bunsen
noun
1. kasteel
kastil
noun
2. een (politie)kantoor
kantor
noun
birokrasi
noun
1.
buret
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
wali kota
noun
1. inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
warga
/ˈbʏrɣərlək/
adjective
1. tot de burgers behorend, tot de middenstand behorend
borjuis
noun
1.
masyarakat madani
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
perang saudara
noun
kependudukan
/bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
Burkina Faso
/bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
Burundi
/bɵs/
noun
1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
bis
/ˈbʏshɑltə/, /ˈbʏshɑɫtə/
noun
1. een plek waar een bus stopt
halte bus
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
bubuk mesiu
noun
  1. 1. boezem
  2. 2. borstbeeld
patung dada
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
  1. kutang
  2. beha
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
labu kuning
/byr/
noun
1. een persoon die in andermans omgeving woont
tetangga
noun
1. een man naast wie men woont
tetangga
noun
beta
/ˈbɛːtaˌdeltʲə/
noun
partikel beta
pronoun
1. en 2.
Böblingen
/ˌkɑbɑˈrɛ(t)/
noun
1. een kleinkunst, vermaak met toneel, zang, dans, en voordracht
kabaret
/kakaˈoː/, /kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
kakao
noun
1. een poederachtige substantie die wordt verkregen door het uitpersen van de cacaomassa van cacaobonen
bubuk kakao
noun
1. een vetplant met stekels
kaktus
/kaˈdoː/
noun
1. iets dat men aan iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
hadiah
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
kafein
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar men dranken kan nuttigen
warung kopi
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
  1. kalsium
  2. zat kapur
noun
1. calciumcarbid
kalsium karbida
noun
kalsium karbonat
/kɑlkʏˈlatɔr/
noun
  1. 1. machine
  2. 2. persoon
kalkulator
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
kalori
/kɑm.ˈbɔ.dja/, /kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
Kamboja
pronoun
Cambridge
/ˈkaməˌra/
noun
1. een apparaat om beelden mee te registreren
kamera
noun
kamuflase
/kɑmuflerən/
verb
1. een voorwerp onopvallend maken
berkamuflase
/kɑmˈpɑɲə/
noun
kampanye
pronoun
Campania
/ˈkɑmpʏs/
noun
1. universiteitsterrein
kampus
/ˈka.na.da/, /ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
Kanada
pronoun
  1. Kepulauan Canaria
  2. Kepulauan Canary
pronoun
1. de federale hoofdstad van Australië, gelegen in het Australisch Hoofdstedelijk Territorium
Canberra
noun
candela
noun
1. schimmelziekte van huid en slijmvliezen
kandidiasis
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Cantabria
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. cantalupensis
blewah
noun
1. mogelijkheid om iets te bevatten
kemampuan
/ˌkapiˈbaːra/
noun
1. Hydrochoerus hydrochaeris, een groot knaagdier...
kapibara
noun
1. een haarvat, het kleinste vat van de bloedsomloop
kapiler
/ˌka.pɪ.la.ri.ˈtɛɪ̯t/
noun
kapilaritas
noun
1. internationaalrechtelijke verklaring dat een partij de strijd tijdens een oorlog opgeeft
kapitulasi
noun
1. kopje koffie dat uit gelijke delen espresso, melk en melkschuim bestaat
kapucino
pronoun
Capri
noun
2.een omhulsel, veelal van gelatine met een medicijn erin
kapsul
noun
1. bepaald soort zoogdier, Profelis caracal
caracal
/karákas/
pronoun
1. de hoofdstad van de Zuid-Amerikaanse staat Venezuela
Caracas
noun
1. carbidgas/acetyleen
asetilen
noun
karbonat
noun
1. een organische verbinding die de functionele groep -COOH bezit
asam alkanoat
noun
karburator
noun
1. toestel dat vloeibare brandstof (bv. benzine) in fijn verdeelde toestand vermengt met lucht
karburator
noun
1. kankergezwel
karsinoma
/kɑrdijolo'xi/
noun
1. een medisch specialisme dat zich bezighoudt met het opsporen, diagnosticeren en behandelen van hartziekten
kardiologi
/kɑrdijo'lox/
noun
kardiolog
/ˌkɑr­.di­.jo­ˌmi­.jo­.pa­ˈti/
noun
1. hartspierziekte
kardiomiopati
pronoun
1. de zee ten westen van de Atlantische Oceaan, begrensd door de Kleine en de Grote Antillen, de noordkust van Zuid-Amerika en de oostkust van Midden-Amerika
Laut Karibia
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
karnaval
/kɑrniˈvor/
noun
1. een vleesetend dier
karnivor
noun
1. loopbaan, werkgerelateerde maatschappelijke positie
karier
noun
1. koetswerk van een voertuig
karoseri
pronoun
Kartago
noun
1. iemand die land-, zee- en/of luchtkaarten maakt
kartograf
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
kartografi
noun
jambu monyet
noun
1. een gelegenheid waar in een luxe omgeving gegokt wordt
kasino
noun
1. Manihot esculenta, een eetbare wortelknol
singkong
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
kaset
noun
specerij
kayu manis cina
pronoun
Castilla y León
pronoun
Castilla-La Mancha
noun
1. ontmanning, het volledig verwijderen van de teelballen bij de man
pengebirian
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
mengebiri
noun
1. onderaardse ruimte, onderaards gangenstelsel in het algemeen
katakomba
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
  1. bahasa Katalan
  2. katalan
noun
1.
katalog
noun
1. grijze staar, een troebeling van de ooglens die het zien verstoort
katarak
noun
1. een algemene ramp
bencana
noun
1. de leer van een godsdienst in de vorm van vragen en antwoorden gebruikt in het godsdienstonderwijs...
katekismus
adjective
1. oorzakelijk
kausal
noun
1. strijdmacht te paard
kavaleri
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
marmot
noun
1. en 2. een peper, een scherp specerij
cabai cayenne
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
Kairo
pronoun
1. een taal die op de Filipijnen en met name op het eiland Cebu gesproken wordt
bahasa Cebuano
noun
  1. 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
  2. 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
sel
noun
1.de wetenschap van organische cellen.
biologi cel
/sɛlkɛrən/
noun
1.
inti sel
noun
1. musicus die een violoncello of kortweg een cello bespeelt
selis
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
selo
/sɛ.ly.ˈlɛːr/
adjective
selular
noun
1.
seluloid
/ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
selulosa
noun
1. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
membran sel
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
semen
verb
1. bewust informatie uit de media weghalen
menyensor
/sɛnˈsyr/
noun
1. de controle van de kant van de overheid op alles wat de media uitbrengen
penyensoran
noun
sen
/'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
sentimeter
adjective
1. in het midden gelegen
sentral
/sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
Republik Afrika Tengah
pronoun
Asia Tengah
pronoun
Eropa Tengah
pronoun
1. Iraanse taal gesproken door 6 miljoen mensen in Irak en Iran
Kurdi
noun
1. centrifugaalmachine
pemusing
noun
1. middelpunt
tengah
noun
1. een plechtige aangelegenheid
upacara
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ceres
/ˌsɛrtifiˈkat/
noun
1. een schriftelijk bewijs
sertifikat
noun
sesium
pronoun
Ceuta
pronoun
Ceylon
noun
1.
cakra
/ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
sampanye
/xɑnuˈka/
noun
1. feest van de herinwijding van de tempel
Hanukah
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
pemerasan
noun
1. grote wanorde
kekacauan
noun
1. deelgebied van de wiskunde en natuurwetenschappen dat zich bezighoudt met het gedrag van dynamische systemen zoals dat sterk door hun begintoestand wordt bepaald.
teori chaos
noun
1. uitstraling
karisma
/ˈʃar.la.tan/
noun
dukun
/sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
pesona
/ʃaʊ̯.ˈføːr/, /ʃo.ˈføːr/, /ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
sopir
noun
sauvinisme
/ˈtʃɛkən/
verb
1. controleren, nakijken
periksa
noun
1. Acinonyx jubatus, een zeer snel Afrikaans katachtig roofdier
citah
noun
1. de baas, iemand die de leiding heeft
  1. pemimpin
  2. kepala
noun
1. een chemisch bindingsproces
kelasi
noun
kimiawan
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
kemistri
adjective
1. dat wat tot de chemie behoort, volgens de chemie
kimia
noun
unsur kimia
noun
1. behandeling van kanker met medicijnen
kemoterapi
/ʃɛk/
noun
cek
/ˈxerʏp/
noun
1.
kerub
pronoun
Chicago
/ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
Chili
/'ʃílipepər/
noun
1.
cabai
/ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
simpanse
/ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
  1. Cina
  2. Tiongkok
  3. China
noun
chinchilla
/ʃi.ˈnes/
adjective
1. betreffende China
  1. Tionghua
  2. cina
/ʃi.ˈnes/
pronoun
  1. 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
    1. bahasa
    2. bahasa Tionghoa
  2. 2. persoon
    1. orang
    2. bahasa Tionghoa
noun
(bladeren van) Brassica rapa subsp. pekinensis
sawi putih
noun
2. een klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
cip
/ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
dokter bedah
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
bedah
noun
klorin
noun
klorida
/ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
coklat
/ˌʃo.ko.ˈla.də/, /ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
coklat
/χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
kolera
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
kolesterol
noun
penata tari
noun
koreografi
/ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
Kristen
/ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
  1. agama Kristen
  2. Kekristenan
/ˈxrɪstʏs/
pronoun
Kristus
/ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
kromosom
/ˈkronis/
adjective
1. voortdurend, aanhoudend
kronis
/xrono.lo'ɣiː/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
kronologi
adjective
1. naar tijdstip gerangschikt
kronologis
noun
1. een uurwerk waarop zeer kleine tijdsdelen kunnen worden afgelezen
kronometer
noun
1.
seruni
/ˌxi.lo.mi.ˈkrɔn/, /ˌχi.lo.mi.ˈkrɔn/
noun
1. een grote door darmwandcellen geproduceerde lipoproteïne, waarin lipiden uit het voedsel van de darmwandcellen naar andere weefsels worden getransporteerd
kilomikron
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
tonggeret
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
cider
noun
1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
  1. angka
  2. digit
noun
silinder
noun
1. de inhoud van het deel van de cilinder waarlangs de zuiger zich verplaatst, het slagvolume
kapasitas mesin
noun
1.
bioskop
noun
1.
sinabar
noun
1. iemand die gevangenen bewaakt en verzorgt
sipir
noun
1. omloop voor snelheidswedstrijden
lintas balap
noun
1. attractie
sirkus
/ˈsɪrkəɫ/
noun
  1. lingkaran
  2. bundaran
noun
1.
sirosis
noun
1. aanhaling, ontleende passage
kutipan
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
celempung
verb
1. eigen of andermans woorden ontlenen
  1. mengutip
  2. menukil
  3. nukil
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
  1. jeruk nipis
  2. limau
noun
asam sitrat
noun
1. Viverra, een geslacht van kleine slank gebouwde roofdieren dat ---
musang
noun
teknik sipil
noun
klasifikasi
verb
mengelaskan
/klʌstrofoˈbiː/, /klʌustrofoˈbiː/
noun
1. vrees voor afgesloten ruimten
klaustrofobia
noun
1.
klakson
noun
1. klimplant uit de ranonkel familie met veel bloemen
kerisih
noun
1. te veel gebruikte uitdrukking
klise
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
kelentit
noun
1. huidplooi waaronder de clitoris zich verschuilt tussen de schaamlippen
tudung klitoris
noun
1. de gecombineerde darm- en urineuitgang bij bepaalde diersoorten
kloaka
noun
een verwijzing naar het internet
awan
/kloːn/, /klʌːun/
noun
  1. 1. komische artiest
  2. 2. bespottelijk iemand
badut
/klɵp/
noun
  1. 1. besloten gemeenschap
  2. 3. golfstok
  1. klab
  2. klub
/kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
koalisi
noun
kabel sepaksi
noun
1. gevaarlijke gifslang
kobra
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
kokaina
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
koktail
noun
kepompong
/'kodə/
noun
kitab undang-undang
/kɔχ'nat/
noun
  1. bloedverwant
  2. woord van zelfde afstamming
kata kerabat
noun
1. eigendoms- en ontvangstbewijs waarin zeevrachtbrief en vervoersovereenkomst worden gecombineerd
konosemen
noun
2. een onderlinge aantrekking van moleculen van een zelfde stof
kohesi
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
kola
verb
1. met de vijand samenwerken
berkhianat
noun
kolase
noun
koleksi
noun
1. meerdere groepen die onder één noemer worden aangesproken
kolektif
/kɔˈleɣa/, /kɔˈleχa/
noun
  1. 1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt
  2. 2. een vak- of ambtgenoot
kolega
noun
1. de tijd waarin een docent een bepaald onderwerp uitlegt aan studenten
kuliah
noun
koloid
/ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Kolombia
/ko'lɔnə/
noun
1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
barisan
adjective
1. met betrekking tot de karteldarm en de endeldarm
kolorektal
noun
1. de eerste, gelige moedermelk
kolostrum
/ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
koma
noun
kombinasi
/kɔnˈfɔrt/
noun
1. een toestand waarin men zonder onrust, vrees of verlegenheid is
kenyamanan
noun
komite
noun
1. iemand die het commando heeft over een leger of vloot
komandan
/kɔ.ˈmɑn.do/
noun
  1. 2. speciaal getrainde groep militairen voor speciale missies
  2. 1. iemand uit een eenheid die extra getraind wordt voor speciale missies
komando
/kɔmən'tar/
noun
  1. 1. toelichting of verklaring
  2. 2. kritiek
komentar
noun
perdagangan
/kɔmərˈʃel/, /kɔmɛrˈsjel/
adjective
1. zakelijk
komersial
noun
1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
komisi
/ˌkɔ.my.nɪ.ˈkaː.si/, /ˌkɔmyniˈkasi/, /ˌkɔmyniˈkaʦi/
noun
1. het uitwisselen van informatie
komunikasi
noun
ilmu komunikasi
noun
komunike
/kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
komunisme
noun
1. Comorbiditeit is het tegelijkertijd hebben van twee of meer stoornissen of aandoeningen bij een patiënt
komorbiditas
/ko.ˈmoː.rə(n)/, /ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
Komoro
noun
2. vennootschap
kompi
noun
1. verschijning in rechte
komparisi
//
noun
1. verenigbaarbeid van elektronische apparaten, softwareprogramma's, enz
kompatibilitas
noun
1. iets wat minder is uitvallen, weer goed (proberen te) maken (met een extra toegift)
ganti rugi
adjective
1. aanvullend
komplementer
/kɔmplɛks/
adjective
1. ingewikkeld
kompleks
noun
1. de mate waarin iets complex is
kekompleksan
noun
1. bijkomende ziekte (verergering)
komplikasi
noun
1. geheime samenwerking van meerdere personen om een bepaald (verboden of slecht) doel te bereiken
permufakatan jahat
noun
1. een deel van een geheel
komponen
noun
  1. 1. een muziekstuk, werkstuk van een componist
  2. 2. samenstelling
komposisi
noun
1. is het residu dat ontstaat na ontbinding van organisch materiaal (d.w.z. van plantaardige of dierlijke oorsprong)
kompos
noun
1. samendrukking
kompresi
/kɔmproˈmi/
noun
1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen...
kompromi
/kɔm.ˈpju.tər/, /kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
komputer
noun
1. een programma dat geïnstalleerd en gebruikt kan worden op een computer
program komputer
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
permainan komputer
noun
1. de taal waarin computerprogramma's worden geschreven, de programmeertaal.
bahasa komputer
noun
ilmu komputer
noun
konsentrasi
adjective
1. van cirkels of bollen dat ze het zelfde middelpunt hebben (maar niet dezelfde straal)
konsentris
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
konser
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
konklaf
/kɔŋˈklyzi/
noun
kesimpulan
noun
1. mededinger, wedijveraar
pesaing
noun
1.
kompetisi
noun
1. het voordeel dat ontstaat wanneer een onderneming op een bepaalde markt een product kan aanbieden dat zich op een positieve manier onderscheidt van andere producten
keunggulan kompetitif
/kɔndɛn'zasi/
noun
kondensasi
noun
1. elektrische component
  1. kondensator
  2. kapasitor
noun
  1. 1. gezondheidstoestand
  2. 2. voorwaarde
keadaan
noun
kondom
noun
1. benaming voor sommige roofvogels uit de Amerikaanse tak (Cathartidae) van de gierenfamilie
kondor
noun
1. een medewerker van de spoorwegen die reizigers op vervoersbewijzen controleert en de orde in de trein of tram dient te bewaren
kondektur
noun
konfederasi
noun
konferensi
noun
1. felgekleurde papiersnippers
konfeti
/kɔnfixy'rerə(n)/
verb
1. opbouwen en aanpassen aan eigen behoefte
mengonfigurasikan
noun
1.
krisma
verb
1. van staatswege in beslag nemen
menyita
noun
perseteruan
adjective
1. aangeboren
kongenital
/kɔŋˈɣrɛs/, /kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
kongres
adjective
1. de vorm hebbend van een (afgeknotte) kegel
konis
noun
1. binding
konjugasi
noun
kata konjungsi
noun
hubungan
noun
1. de bijklank of gevoelswaarde van een woord of woordgroep, die tot op zekere hoogte losstaat van de letterlijke betekenis
konotasi
/kɔnˈsɛnzʏs/
noun
konsensus
noun
1. een noodzakelijk gevolg
akibat
/kɔnsɛrvaˈtif/
adjective
1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde
konservatif
/kɔnso'nɑnt/
adjective
huruf mati
noun
konsorsium
adjective
1. Altijd onveranderlijk
konstan
pronoun
Konstantinopel
noun
2,3 sterrenbeeld, configuratie, onderlinge stand van hemellichamen
gugusan bintang
noun
1. verstopping, harde of uitblijvende ontlasting
sembelit
noun
  1. 1. Romeins overheidspersoon
  2. 1. vertegenwoordiger
konsul
noun
1.
konsulat
noun
1. een deskundige raadgever
konsulen
noun
konsultasi
noun
peti kemas
noun
kapal peti kemas
noun
1. verontreiniging of besmetting met chemische stof of bacterie
perancuan
adjective
1.
tunai
/ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
konteks
noun
1. een werelddeel
benua
noun
kontinuitas
noun
1. een aanval tegen een aanval
serangan balik
noun
1. het laagstklinkende muziekinstrument van de strijkinstrumenten
bas betot
/kɔnˈtrɑkt/
noun
1. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
akad
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
periksa
noun
1. kneuzing
kontusio
/ˌkɔnvɛrˈɣɛnt/
adjective
1. in één punt samenkomend
konvergen
/kɔn.vɛr.ˈsa.tsi/
noun
percakapan
adjective
1.
keren
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
kopernisium
noun
1. het eten van ontlasting
koprofagia
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben
campur
noun
hak cipta
/ˈkɔrnis/, /ˈkɔrnɪs/
pronoun
1. een Keltische taal die gesproken wordt in Cornwall
Bahasa Kernowek
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
Cornwall
adjective
1.
tepat
noun
1. verbetering
koreksi
noun
1. samenhang
korelasi
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
korosi
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
korupsi
/'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Korsika
pronoun
1. een taal die op Corsica gesproken wordt
Korsika
noun
1.
terwelu korsika
/ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
Kosta Rika
noun
coulomb
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
zukini
noun
1. iemand die tijdens de coronapandemie de maatregelen tegen de verspreiding...
covidtolol
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
koyote
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
koitus
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
koperasi
noun
1. bepaald soort struik en 2. vrucht daarvan, Vaccinium macrocarpon
kranberi
noun
1. een schepping, iets totaal nieuw
ciptaan
noun
1.
kreatin
noun
kreasionisme
noun
1. gedrevenheid of vaardigheid om iets oorspronkelijks te maken
kreativitas
noun
1. schepsel; iets dat gemaakt is
mahkluk
noun
kartu kredit
verb
1. als tegoed boeken
pertimbang
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
kreditor
noun
1. de lijkverbranding, de verassing
kremasi
verb
mengabukan
/kreˈjeːrə(n)/
verb
1. iets nieuws maken, iets scheppen
menciptakan
adjective
1. met betrekking tot misdaad
bajingan
noun
1. iemand door zich onderhoudt door de wet te breken
bajingan
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
kriminologi
noun
1. beoefenaar van de criminologie
kriminolog
noun
1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
krisis
/kriˈterijʏm/
noun
1. toets, een doorslag gevende reden
kriteria
/krʋɑˈsɑ̃/
noun
1. halvemaanvormig broodje
kroisan
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
kapal pesiar
noun
1. een oppascentrum voor kinderen
balai penitipan anak
/ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
Kuba
adjective
1. met betrekking tot de kookkunst
kuliner
noun
1. film die populair is bij een kleine maar betrokken groep fans
film kultus
/kʏltyˈrel/
adjective
1.met betrekking tot cultuur
kultural
/kɵl'tyːr/
noun
1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
budaya
/kymylaˈtif/
adjective
1. opstapelend, gesommeerd over alle bijdragen tot heden
kumulatif
noun
1. belangenbehartiging van meerderjarige
amanat
adjective
1. heilzaam, genezend
kuratif
/ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
Curaçao
noun
2. gele voedselkleurstof
kurkumin
noun
1. uitkrabbing
kuretase
noun
kurium
adjective
1.
kursif
/ˈkʏrsʏs/
noun
kursus
noun
kurva
adjective
1. met betrekking tot de huid
kutan
noun
1. een blauwgroene kleur
nilangsuka
noun
1. blauw verkleurde huid meestal als gevolg van een zuurstoftekort
sianosis
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
sibernetika
/ˈsiklis/
adjective
1. regelmatig terugkerend
siklis
noun
2.
siklon
/ˈki.prʏs/, /ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
Siprus
/sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
Kiril
noun
1. een alfabet dat geschreven wordt in het cyrillisch schrift
aksara Sirilik
/ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
kista
/ˌsitɔˈplɑsma/
noun
sitoplasma
noun
dadaisme
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
kurma
noun
1. palm waaraan dadels groeien
pohon kurma
noun
1. iemand die iets (slechts) gedaan heeft
pelaku
/dɑx/, /dɑχ/
noun
  1. 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
  2. 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
hari
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
koran
noun
buku harian
adverb
1. iedere dag
harian
noun
1. een oproep om voor een rechtbank te verschijnen
surat panggilan sidang
noun
1.
dahlia
pronoun
Dahomey
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
atap
noun
1. een langgerekte bakvormige of halfronde constructie voor het afvoeren van (regen)water dat van het dak komt
talang
noun
1. iemand die op de straat leeft, zonder vaste verblijfplaats
tunawisma
noun
1. elkaar overlappende stenen of betonnen elementen waarmee een schuin dak lekdicht gedekt wordt
genting
/dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
lembah
noun
Dalmatian
/daːmə/
noun
3. koningin in het schaakspel
ratu
noun
1.
hadirin sekalian
/dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
uap
adverb
1. toekomstig tijdstip
lalu
conjunction
1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord.
daripada
pronoun
3. jongensnaam
Daniel
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
terima kasih
adjective
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
bersyukur
preposition
1. door de positieve werking van
berkat
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
tari
verb
1. ritmisch bewegen
  1. menari
  2. berdansa
noun
1. mannelijk persoon die danst
penari
noun
lantai dansa
/ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
berani
noun
1. mannelijke bij
lebah jantan
/dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
usus
/dɑs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
biul
noun
1. paneel met instrumenten waarmee een voertuig of installatie kan worden bestuurd of bediend
dasbor
conjunction
1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
bahwa
noun
1. een plaats waar informatie over bepaalde onderwerpen in digitale vorm verzameld,...
basis data
noun
1.
pusat data
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
tanggal
noun
embun
pronoun
Daud
article
1. (de) wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en altijd voor het meervoud, waarbij het een specifieke persoon of ding aanduidt in plaats van het algemene geval
-nya
phraseologicalUnit
1. het opgeven
melempar handuk
noun
debat
/deˈbil/
noun
  1. 1. iemand die min of meer zwakzinnig is
  2. 2. bespottelijk iemand, halve gare, idioot
bahlul
noun
pengawakutu
noun
1. een mannelijk persoon die voor de eerste maal in het openbaar optreedt, speelt of publiceert
pemula
verb
1. voor de eerste keer doen
debut
noun
  1. 2. hoofd van een faculteit
  2. 1. C10H22
dekan
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
  1. Desember
  2. desember
noun
1. laag uitgesneden halslijn bij vrouwenkleding
belahan dada
noun
bakti
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
adonan
/ˈdeːl/
noun
  1. 1. een afsplitsing van een geheel
  2. 2. één uit een reeks
bagian
noun
1. iemand die meedoet aan een wedstrijd of ander evenement
partisipan
adjective
1. van een functie dat deze niet de volledige arbeidstijd vult
paruh waktu
noun
fisika partikel
noun
pemercepat partikel
noun
kerendahan hati
adjective
rendah hati
/dens/, /deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
  1. bahasa Denmark
  2. Denmark
noun
1. begripsbepaling
definisi
noun
1. het vallen van het prijspeil waardoor het geld in waarde toeneemt
deflasi
adjective
1. afnemen of vermindering van orgaan of functie
degeneratif
verb
1. in rang verlagen
turun pangkat
noun
1. een verdieping op een schip
dek
/dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
selimut
verb
  1. 1.
  2. 5. paren
menutup
noun
1. een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken
tudung
verb
  1. 2. in meer dan één stuk snijden of hakken
    membagi
  2. 1. samen met een ander gebruiken
    saham
noun
pembagi
noun
mineral
pronoun
1. het nationaal hoofdstedelijk territorium van India waarin de nationale hoofdstad New Delhi gelegen is. Het territorium is gesitueerd in het noorden van het land
Delhi
noun
1. waanzinnigheid, acuut psychische stoornis ten gevolge van lichamelijke aandoening, vergiftiging...
delirium
noun
kuala
verb
1. gravend iets winnen
gali
noun
demokrat
noun
2. aanhangster van de democratische partij
demokrat
noun
demokrasi
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
demografi
noun
  1. 3. een protestmars
  2. 1. het tonen en uitleggen van iets
demonstrasi
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
Den Haag
/ˌdɛn.dro.loˈɣi/, /ˌdɛn.dro.loˈχi/
noun
1. de studie van bomen, heesters en andere houtachtige planten
dendrologi
/ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
  1. Denmark
  2. Kerajaan Denmark
verb
1. een oplossing zoeken
pikir
/ˈdejo/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
deodoran
/ˌdejodɔːˈrɑnt/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
deodoran
noun
deontologi
noun
deportasi
noun
depresiasi
noun
  1. 2. gebied met lage luchtdruk
  2. 3. langdurige inzinking in de economische ontwikkeling
depresi
/ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
ketiga
pronoun
Reich ketiga
pronoun
Perang Dunia Ketiga
noun
  1. 1. een afgeleide stof met een overeenkomstige structuur
  2. 4. een afgeleide stof met een overeenkomstige structuur
turunan
cardinalNumeral
1. het getal 13
tiga belas
cardinalNumeral
1. het getal 30
tiga puluh
noun
deskripsi
noun
1.
desertir
noun
1. het permanent verlaten van een krijgsmacht zonder toestemming
desersi
noun
1. onjuiste of misleidende informatie, die bewust verstrekt wordt met het oogmerk...
disinformasi
noun
1. een specialist
ahli
noun
asam deoksiribonukleat
noun
despotisme
noun
disert
noun
1. onderdeel, kleinigheid
rinci
verb
1.
memerinci
/detɛkˈtivə/
noun
  1. 2. speurder die tracht misdaden op te lossen of bewijsmateriaal te verzamelen
  2. 3. boek of programma over mensen die trachten misdaden op te lossen
detektif
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
fadilat
adjective
1. bereid zich te gedragen in overeenstemming met algemeen aanvaarde waarden
bajik
/døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
pintu
noun
1. een instrument waarmee bezoekers aangeven dat ze aan de deur staan
bel pintu
/dewteɾoˈnomjum/
pronoun
Ulangan
/'devəntər/
adjective
1. gemeente en oudste stad in de provincie Overijssel
Deventer
noun
1. woord of korte tekst die snel en tegelijkertijd duidelijk een bepaalde boodschap moet overbrengen
motto
demonstrativePronoun
1. aanduiding voor dichtbijzijnde dingen, dieren of mensen
ini
demonstrativePronoun
sama
/deʲɪsmə/
noun
deisme
noun
1. een fotografische film die een positief beeld geeft dat direct goed zichtbaar geprojecteerd kan worden
salindia
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam geen of te weinig insuline produceert
diabetes
noun
1. vaststelling van een ziekte
diagnosis
adjective
diagonal
noun
een rechte lijn die twee niet-opeenvolgende hoekpunten van een veelhoek verbindt.
diagonal
noun
1. een symbolische en grafische voorstelling van een aantal zaken en hun onderling verband
diagram
noun
diaken
/diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
dialek
/ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
dialektologi
noun
dialog
noun
  1. 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
  2. 2. een edelsteen gesneden uit [1]
berlian
noun
1. middellijn
diameter
/diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
diare
/diˈjaspora/
noun
diaspora
preposition
1. op een korte afstand van
dekat
/dɪxtˈbɛː/, /dɪɣ.ˈbɛɪ̯/, /dɪχˈbɛɪ/
adjective
1. op heel korte afstand
dekat
verb
1. sluiten van een gat, opening
menutup
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
penyair
noun
1. compactheid
densitas
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
diktator
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
diktatur
/dɪk'te/
noun
1. een tekst die wordt gedicteerd en door andere personen wordt opgeschreven als toets in het correct spellen
dikte
demonstrativePronoun
  1. 2. ter aankondiging van een bepaling
    dia
  2. 1. wijst iets aan dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de spreker bevindt
    itu
relativePronoun
1. in een bijzin die het nog niet geheel bekende antecedent nader bepaalt
itu
/dif/
noun
1. iem. die steelt
pencuri
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
pencurian
noun
layan
noun
nampan
noun
  1. 1.
  2. 4. kerkdienst
dinas
/ˈdinst.plɪxt/
noun
1. verplichting om ergens te werken
wajib militer
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
dalam
/'diptə/
noun
1. de mate waarin iets diep is
dalam
/diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
  1. binatang
  2. hewan
/'dirənrim/
noun
rasi
/ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
Kebun binatang
noun
1. wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van dierziektes
kedokteran hewan
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologi
adjective
binatang
noun
mesin diesel
noun
diferensial
noun
1. de vermenging van twee ongelijksoortige stoffen
difusi
noun
1. infectieziekte
difteri
/ˈdɪftɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
bunyi rangkap
/dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
paha
/dɪk/
adjective
    1. 2. de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
    2. 5. hecht
    3. 6. nauw aaneengesloten
    4. 7. weinig vloeibaar
    5. 4. ruim
    kental
  1. 1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
    tebal
adverb
sering
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
  1. adas sowa
  2. dil
noun
  1. 1. afmeting in een bepaalde richting
  2. 2. parameter van een wiskundige ruimte
  3. 3. categorie waarin een fysische grootheid valt
matra
noun
dimorfisme
noun
1. voorwerp
hal
noun
1. Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
dingo
/ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
dinosaurus
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
  1. Selasa
  2. hari selasa
noun
diode
noun
1. een bewijs van bevoegdheid
ijazah
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
diplomat
adjective
1. betrekking hebbende op de diplomatie
diplomatik
noun
1. dipoolantenne
antena dipol
noun
1. de hoogste persoon bij een bedrijf
manajer
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
dirigen
adjective
disipliner
noun
1. beschrijvend overzicht van de elpee's of cd's van een artiest of muziekgroep
diskografi
noun
diskotik
noun
1. uiteenzetting van opvattingen
diskursus
noun
1. onverwachte onderlinge afwijking
kesenjangan
noun
diskriminasi
/ˈdɪskʏs/
noun
1. een zware werpschijf die gebruikt wordt bij de atletische sport discuswerpen.
cakram
noun
1. een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld
diskusi
noun
1. een atletiekdiscipline waarbij men een discus zo ver mogelijk probeert te werpen
lempar cakram
noun
diskualifikasi
/dɪsəl/
noun
3. houtbewerkingsbijl
beliung
noun
disertasi
adjective
1. naar het einde van de ledematen toe
distal
noun
1. het gebied van een lokale overheid
distrik
demonstrativePronoun
ini
noun
diversitas
noun
1. (weinig gebruikte) scheikundige term voor water (H2O)
dihidrogen monoksida
/'dʒɛmbe/, /ˈdjɛmbe/
noun
1. soort trommel die oorspronkelijk vooral bespeeld werd in West-Afrika
jimbe
/(d)ʒi.ˈbu.ti/, /dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
Djibouti
noun
1. de afkorting van desoxyribonucleic acid (desoxyribonucleïnezuur)
DNA
pronoun
1.
Dnieper
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
dadu
noun
1. een vrouwelijk kind
  1. anak perempuan
  2. putri
/ˈdɔktɔr/
abbreviation
1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
doktor
noun
1. een verzameling leerstellingen of dogmas die niet ter discussie staan
doktrin
noun
1. een verzameling gegevens
dokumen
adjective
dokumenter
noun
1. een op waarheid beruste film
film dokumenter
/dokymɛn'taʦi/
noun
1. geschreven materiaal dat een bepaald onderwerp om- en beschrijft
dokumentasi
noun
1. een regelmatig veelvlak bestaande uit twaalf vijfhoeken
bangun bersisi dua belas
/ˈdo.də(n)/
verb
1. iemand van het leven beroven.
membunuh
noun
1. een afgietsel van het gelaat van een dood persoon, gewoonlijk gemaakt van was of gips
topeng kematian
/ˈdodə(n)ˌmɪs/
noun
1. een mis opgedragen voor een overledene
rekuiem
noun
1. bepaald soort in het water levend zoogdier, Dugong dugon
duyung
noun
  1. 1. een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld
  2. 1. het punt waarop men zich richt
gawang
noun
khalayak sasaran
noun
penjaga gawang
noun
gol
verb
1. een actie ondernemen
  1. buat
  2. melakukan
noun
1. een boom met zeer smakelijke maar stinkende vruchten
durian
/'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
dogma
adjective
dogmatik
noun
dokter
/ˈdɔkˌʋɛr.kər/
noun
1. iemand die in de havens werkt
buruh galangan kapal
noun
dolce far niente
/dɔlˈfɛɪ̯n/, /dɔlˈfɛːn/, /dɔɫˈfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛːn/, /ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
  1. lumba-lumba
  2. dolfin
noun
belati
/ ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
dolar
adjective
1. van weinig verstand getuigend
bodoh
noun
1. temming tot huisdier of cultuurgewas
domestikasi
/ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
Republik Dominika
noun
1.
efek domino
noun
1. een schenking
sumbangan
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Donau
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
guntur
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
  1. Kamis
  2. kamis
noun
1. een metalen stang die de bliksem aantrekt en naar de grond afvoert.
penangkal petir
adjective
1. zonder licht
gelap
noun
1. toestand dat er geen licht is
gelap
noun
1. gever, bijv. orgaandonor: degene die zijn orgaan afstaat
donor
noun
donat
/doːt/
noun
  1. 2. skeletvormige figuur, vaak met zeis, die bovengenoemde toestand personifieert
    kematian
  2. 1. de toestand na het leven
    1. kematian
    2. mati
/ˈdotxan/
verb
1. het leven verlaten
meninggal
/ˈdoːts.ɛsˌka.dər/
noun
1. bende die gevormd is om een of meerdere personen te doden
skuad kematian
noun
peti jenazah
/dotslɑx/
noun
1. het iemand anders opzettelijk, maar zonder voorbedachten rade van het leven beroven
pembunuhan
noun
1. als straf gedood worden
hukuman mati
noun
1.de periode van het getij waarin het verschil tussen hoog- en laagwater minimaal is
pasang mati
noun
  1. 1. juridisch
  2. 2. figuurlijk
hukum mati
/doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
  1. tuli
  2. tuna rungu
noun
  1. tuli
  2. ketulian
noun
  1. 1. stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
  2. 2. ingewikkelde zaak
labirin
noun
1. plechtige besprenkeling of onderdompeling waarmee iemand tot een kerk gaat behoren
baptis
/ˈdoːr/, /[doːr]/, /[dʊːr]/
preposition
    1. 3. in
    2. 6. als achterzetsel: doorheen
    lewat
    1. 1. bij lijdende vorm
    2. 2. oorzaak
    oleh
verb
1. een zekere tijd ergens verblijven
melewati waktu
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
duri
/ˈdornəkron/
noun
1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
mahkota duri
/dɔːrˈstan/
verb
1. ondanks moeilijkheden er nog goed voorstaan
menderita
/doːrˈzɪxtəx/, /doːrˈzɪxtɪx/, /do̝ːrˈzɪχtəχ/
adjective
[1] waar licht zo ongehinderd door kan treden dat het zicht erdoor niet belemmerd wordt
bening
/doʊs/, /doːs/
noun
1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
kotak
noun
1.
dopamin
noun
1. stimulerende (genees)middelen
doping
/dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
  1. kampung
  2. desa
noun
1. toestel dat de graankorrels uit de korenaren slaat
mesin perontok
noun
haus
noun
1. (medisch) verstrekte hoeveelheid
dosis
/doˈsir/, /dɔˈʃe/, /ˈdɔs·jeː/
noun
1. verzameling documenten en andere vastgelegde informatie,...
berkas
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
pabean
/duʃ/
noun
1. stortbad
dus
verb
1. een douche nemen
mandi
verb
1. een bestand van een computer of server op afstand naar een lokale computer of server overbrengen
mengunduh
noun
1. een set van twaalf
lusin
/draːt/
noun
  1. 1. in elkaar gesponnen vezels
  2. 3. elektrisch verbindingsmateriaal
kawat
/drat.los/, /ˈdraːd.loːs/
adjective
1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
nirkabel
noun
1. ongemoduleerde elektromagnetische radiogolf
gelombang pembawa
noun
1. stok waaraan men iets draagt
pikulan
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
mesin bubut
/ˈdraːi̯ən/
verb
Vertalingen: na te kijken
berpaling
noun
komidi putar
/draːk/
noun
1. fabeldier
naga
verb
  1. 1. al van de vloer houdend vervoeren
  2. 2. als kledingstuk of sieraad aanhebben
memakai
/ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
tarragon
noun
1.
dragon
noun
1. vochtafvoering
drainase
noun
  1. 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
  2. 2. een bepaald soort film of toneelstuk
drama
/drɑŋk/
noun
  1. 1. alcoholhoudende vloeistof
  2. 2. vloeistof om de dorst te lessen
minum
/ˈdrɑs.tis/, /ˈdrɑs.tɪs/
adjective
1. doelgericht zeer ingrijpend
drastis
noun
1.
gimbal
verb
1. een bestraffende handeling in het vooruitzicht stellen
ancam
noun
1. onderdorpel van een kozijn
ambang
/ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Drenthe
cardinalNumeral
1. telwoord
tiga
noun
1. het cijfer 3
tiga
noun
Tritunggal
noun
trinitas
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
segitiga
noun
1. (romantische) verhouding waarbij drie mensen zijn betrokken
cinta segitiga
/ˈdriˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 300
tiga ratus
noun
triwarna
noun
trisula
noun
roda tiga
cardinalNumeral
1. het getal 23
dua puluh tiga
noun
1. bodem bestaand uit heel kleine korreltjes vergruisd gesteente, verzadigd met zoveel water dat alles wat zwaar is er in wegzakt
pasir isap
verb
e1. op het oppervlak van een vloeistof rusten
apung
adjective
mendesak
/'drɪŋkə(n)/
noun
minum
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
air bersih
noun
1. trieste, verdrietige stemming
kesedihan
verb
1. vocht laten of doen verdampen
kering
noun
winkel van een drogist
toko obat
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
unta arab
verb
  1. je een voorstelling maken van wat je graag wil
    bermimpi
  2. 1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
    1. bermimpi
    2. memimpikan
/drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
mabuk
/droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
kering
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
kekeringan
noun
  1. 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
    mimpi
  2. 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
    1. mimpi
    2. impian
noun
narkoba
/'drɵksfər'slaːfdə/
noun
1. Verslaafd persoon
pecandu
noun
2. vrucht van de wijnstok
  1. anggur
  2. buah anggur
noun
1. geslachtziekte veroorzaakt door de bacterie Neisseria gonorrhea
gonore
noun
1. pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
tekanan
verb
1. kracht uitoefenen op
pencet
noun
1. een persoon die afdrukken maakt
pencetak
noun
1. papier gevuld door een printer of een drukpers
bahan cetak
/drɵ.pəl/
noun
tetes
/ˈdʏbəl/
adjective
1. tweemaal voorhanden
pendua
/ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
bintang ganda
/dʏbəl'zɪnəxhɛit/
noun
1. iets dat op meerdere manieren te interpreteren is
kedwimaknaan
/dʏf/
adjective
1. saai, doods
membosankan
noun
1. het evident en vanzelfsprekend zijn
kecerahan
/dœʏ̯f/, /dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
  1. merpati
  2. burung merpati
  3. dara
  4. burung dara
noun
meloncat ke dalam air
noun
kapal selam
/ˈdœy̯kə(n)/
verb
2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
menyelam
/dœy̯m/
noun
1. eerste, kortste en dikste vinger
  1. ibu jari
  2. jempol
/dœʏ̯n/, /dœːn/
noun
gumuk
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
kegelapan
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
Jerman
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
  1. bahasa Jerman
  2. Jerman
/ˈdœʏ̯tsə/, /ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
Jerman
pronoun
Jerman Timur
noun
1. hond uit een oorspronkelijk in Duitsland gefokt ras
anjing gembala Jerman
/ˈdœʏ̯tsər/, /ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
orang Jerman
/ˈdœʏ̯tslɑnt/, /ˈdœːtslɑnd/, /ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
Jerman
noun
  1. setan
  2. iblis
adjective
1. een gevoel waarbij alles lijkt rond te draaien en het gevoel voor evenwicht verstoord is
pusing
noun
1. het gevoel zijn evenwicht te verliezen
sempoyongan
/ˈdœy̆zənt/
noun
1000
ribu
noun
daun seribu
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
kelabang
/dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
tipis
noun
1. deel van het spijsverteringskanaal tussen de maag en de dikke darm
usus halus
/dywoˈdenʏm/
noun
1. twaalfvingerige darm
duodenum
noun
1. harde hersenvlies
dura mater
verb
niet goedkoop
mahal
/ˈdyːr.zam/
adjective
2. aansluitend op de behoeften van het heden zonder in de toekomst tot complicaties te leiden
lestari
noun
2.
keberlangsungan
/dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
dorong
noun
1. een leer die afwijkt van de officiële of orthodoxe leer
aliran sesat
/dʋɑŋ/
noun
paksaan
noun
uang paksa
/dʋɛi̯l/
noun
1. een stuk weefsel in natte vorm gebruikt om een gladde vloer te reinigen
kain pel
noun
1. een buitengewoon klein mens
kerdil
noun
1.
planet katai
verb
1. iemand tegen zijn wil iets opleggen
gaya
noun
dinamo
adjective
1. betrekking hebbend op een erfelijke heerser
wangsawi
noun
1. rode loop, bloeddiarree
disentri
noun
1. slikstoornis
disfagia
/dɪslɛkˈsi/
noun
1. het onvermogen om woorden, waarvan men wel de letters ziet, in hun betekenis te vatten
disleksia
pronoun
  1. 1. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
  2. 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Düren
noun
1. een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
pasang surut
/ˈɛ.xo/, /ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
gema
noun
ekolokasi
/ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
suami
/ˈɛxtxəˌnotə/, /ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
istri
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
perceraian
noun
1.
eklair
/eˈklɪps/
noun
1. het verschijnsel waarbij een ster en twee of meer andere hemellichamen in één lijn komen te staan, waardoor de schaduw van het ene hemellichaam het andere verduistert
gerhana
/ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
ekologi
adjective
ekologis
noun
2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
ekonomi
noun
1. deskundige op het gebied van de economie
ekonom
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
ekosistem
noun
ekoturisme
noun
ektoplasma
noun
1. oppervlakkige huidaandoening
eksem
adjective
mulia
noun
1. de naam voor elk element uit de achtste chemische reeks van het periodiek systeem
gas mulia
noun
1. een stuk edelgesteente
batu akik
noun
editor
/et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
sumpah
/ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
  1. bajing
  2. tupai
noun
1. verdikking van de huid
belulang
adjective
satu
phraseologicalUnit
1. iets kopen zonder te weten wat de koopwaar is
membeli kucing dalam karung
/eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
  1. bebek
  2. itik
cardinalNumeral
1. het getal 31
tigapuluh satu
/ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
dua puluh satu
noun
2. maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt
satuan
noun
unikorn
adjective
1. dezelfde mening hebbend
sependapat
adjective
seragam
/eːnˈvɑudəx/, /eːnˈvɑudəχ/
adjective
  1. 1. niet ingewikkeld
  2. 2. zonder overdaad of vertoon
gampang
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
  1. kesendirian
  2. kesepian
adjective
1. met of aan één kant, belang, partij etc.
unilateral
/ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
kemarin dulu
/ˈeːrlək/
adverb
1. vrij van leugen en bedrog
jujur
noun
1. nummer één in een volgorde
pertama
phraseologicalUnit
1. grammaticale term die de spreker of sprekers aanduidt.
orang pertama
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
Perang Dunia I
noun
anak sulung
noun
1. verlangen naar eer of roem
ambisi
/ˈeːitbaːr/, /ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
bisa dimakan
/ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
kamar makan
/etlepəl/
noun
1.
sendok
noun
sumpit
noun
gangguan makan
/eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
abad
/eːwɪx/, /eːʋəχ/, /eːβ̞əx/
adjective
1. voortdurend, zonder einde
abadi
/e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Efesus
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
Efesus
noun
1.
pialang
adverb
1. doeltreffend
efektif
adjective
1. nuttig effect hebbend
ampuh
/ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
  1. landak
  2. landak susu
pronoun
Laut Aegea
/xxxx/
noun
1. het uitsluitend op eigen belangen en gewin uit zijn
egoisme
/e.ˈɣɪp.tə/, /e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
Mesir
/ɛɪ/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
  1. telur
  2. telor
noun
1. het geslachtsorgaan van de vrouw waarin eicellen gevormd worden
ovarium
/ˈɛi̯ɣə(n)/
adjective
sendiri
noun
1. iemand die iets in eigendom heeft
pemilik
/'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
  1. 1. eigendomsrecht
    kepemilikan
  2. 2. zaak die men zijn eigen mag noemen, bezit
    milik
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
nomina diri
noun
1. een gegeven karakteristiek die eigen is aan een bepaalde persoon of zaak
sifat
/ɛi̯k/, /ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
ek
/ˈɛɪkəɫ/
noun
  1. 2. top van een penis
  2. 3. dom persoon; sufferd, zak
brengsek
/ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
  1. pulau
  2. nusa
/ˌɛilɑnt ˈmɛn/
pronoun
Pulau Man
noun
kepulauan
noun
1. soeverein gebied dat geheel door zee wordt omringd
negara pulau
/ˈɛɪ̯ndə/, /ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
akhir
adjective
1. een einde hebbende
berhingga
noun
penggugat
noun
1. het tijdstip dat de eicel door de eierstok wordt afgestoten
ovulasi
/ɛiwɪt/
noun
2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
protein
noun
ejakulasi
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
murai
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
dzira'
/ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
El Salvador
noun
elastisitas
/eləˈɣɑnt/
adverb
1. een prettige uitstraling hebbend door de subtiele afwerking
apik
noun
1. vakman op gebied van elektriciteit
tukang listrik
/eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
listrik
adjective
1. door middel van elektriciteit
listrik
noun
1. een voertuig dat wordt aangedreven door een elektromotor
mobil listrik
abbreviation
1. hersenfilm
elektroensefalogram
noun
  1. elektromagnetik
  2. elektromagnetisme
noun
1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
elektron
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
elektronika
adjective
elektronik
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
teknik listrik
noun
partikel dasar
cardinalNumeral
1. het getal 11
sebelas
/ɛlk/
indefinitePronoun
1. ieder afzonderlijk
setiap
noun
1. Gewricht
  1. sikut
  2. siku
/ˈɛləpɛɪp/, /ˈɛləpɛːp/
noun
bot in de onderarm
tulang hasta
noun
  1. 1. twee-dimensionale figuur die wordt gevormd door alle punten waarvoor de som ...
  2. 2. een stijlfiguur waarbij een lopende zin wordt afgebroken, die echter door...
lingkaran lonjong
noun
1. priem
alat pelubang
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
Alsace
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
lambang
noun
embolisme
noun
1. een organisme in het eerste ontwikkelingsstadium na de bevruchting
embrio
noun
emigrasi
/emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
emirat
noun
2. uitzending van kleine deeltjes of van licht of andere elektromagnetische straling
emisi
/ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
ember
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
emu
noun
1. ideogrammen die worden gebruikt in Japanse elektronische berichten en webpagina's
emoji
noun
1.weergave van emoties door middel van een afbeelding, een teken of een combinatie van lees- en lettertekens
emotikon
noun
1. hevig gevoel, sterke gemoedsbeweging
emosi
noun
empati
adjective
1. wat op ervaring of proefneming berust
empiris
noun
emulsi
conjunction
  1. dan
  2. serta
conjunction
1. zowel afzonderlijk van als gezamenlijk met elkaar
dan/atau
noun
ensefalopati
/ɛn.'kla.və/
noun
1. omsloten gebied
enklave
/ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
ensiklopedia
noun
1. laatste deel van het spijsverteringskanaal vlak voor de anus
rektum
adjective
1. van binnen uit
endogen
noun
endoskop
noun
1. (kijk)onderzoek van lichaamsholten of inwendige kanalen
endoskopi
/enər'ʒi/, /enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
tenaga
adjective
1. angst veroorzakend
menakutkan
noun
1. hemels wezen
malaikat
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Inggris
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
  1. Inggris
  2. bahasa Inggris
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
  1. bahasa Inggris
  2. Inggris
/ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /ɛ.ŋəls.man/, /ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
orang Inggris
adjective
2. uniek
satu-satunya
indefinitePronoun
1. een kleine mate
beberapa
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
mata kaki
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
bentuk tunggal
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
adjective
1. hartstochelijk, met geestdrift
antusias
noun
entitas
noun
entomologi
/'ɛntstɔf/
noun
1. een middel dat bij een persoon (of dier) een immuunrespons opwekt
vaksin
/ɛnˈzim/
noun
1. een organische molecuul dat biologische reacties mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf...
enzim
noun
1. het punt op het aardoppervlak loodrecht boven de haard van de aardbeving
episenter
/epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
  1. epidemi
  2. wabah
noun
epidemiologi
/epidyraɫ/
adjective
1. buiten het harde hersenvlies en de ruimte aan de buitenzijde van het harde ruggenmergvlies
epidural
noun
epifit
noun
1. het vakgebied binnen de genetica dat de invloed bestudeert van de omkeerbare erfelijke veranderingen in de genexpressie die optreden zonder wijzigingen in de sequentie (volgorde van de basenparen) van het DNA in de celkern
epigenetika
noun
epigrafi
noun
1. vallende ziekte, toevallen
epilepsi
noun
1. verwijding van de schede-ingang bij de vrouw
episiotomi
noun
episode
noun
1. dekweefsel, bovenste laag van de huid en slijmvliezen
jaringan epitel
noun
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
khatulistiwa
/ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
Guinea Khatulistiwa
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
ereksi
noun
1. onderscheiding in de vorm van een munt
medali
noun
1. grond behorend bij boerderijhuis
  1. halaman
  2. karang
  3. pekarangan
noun
1. degene die andermans nalatenschap erft
pewaris
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
dosa asal
verb
1. gevoelens van onvrede veroorzaken
mengganggu
noun
  1. ergonomika
  2. ergonomi
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Eris
/ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
Eritrea
/ˌɛrˈkɛn.tə.lək/
adjective
bersyukur
pronoun
1. + 2. stad en stadsdistrict
Erlangen
adjective
1. zonder grappen en serieus
serius
noun
1-2. beschadiging en afslijting
erosi
adjective
erotis
noun
1. steen
bijih
noun
2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
gunung meletus
noun
1. een vorm van kennis
pengalaman
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
ercis
noun
1. de vorming van rode bloedlichaampjes
eritopoiesis
noun
1. dwaze (jongens) streek
petualangan
/ɛsˌxatolo'gi/
noun
eskatologi
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
bahasa Esperanto
noun
1. geconcentreerde koffie
espresso
noun
1. het meeste belangrijke
esensi
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
ester
/ɛsˈtetiˌka/
noun
1. het filosofisch discours over het wezen van kunst of het wezen van schoonheid
estetika
adjective
estetik
/ˈɛstis/, /ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
Estonia
/ˈɛslɑnd/, /ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
Estonia
noun
lantai
noun
etalase
verb
1. het nuttigen van voedsel
  1. makan
  2. memakan
noun
1. C₂H₆
etana
/etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
etanol
noun
1. een praktische wijsbegeerte die zich bezighoudt met wat goed en kwaad is
etika
/ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
  1. Ethiopia
  2. Etiopia
noun
1. onderdeel van de pathologie dat zich bezighoudt met de oorzaken van ziekten
etiologi
adjective
etnik
/ɛtnoːloːɣi/, /ɛtnoːloːʝi/
noun
etnologi
/ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
nanah
noun
  1. 1. woordherkomst
  2. 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
etimologi
noun
1-2.
eufemisme
/ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
suka cita
noun
eugenika
/œykɑriotən/
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Eukaryota
eukaryota
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
Eurasia
interjection
1.
eureka
/'øː.ro/, /'ɵː.ro/
abbreviation
  1. 1. munt en munteenheid
  2. 3. Macropus robustus, kangoeroe
euro
/øːˈroːpa/, /ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
Eropa
pronoun
Mahkamah Eropa untuk Hak Asasi Manusia
pronoun
Parlemen Eropa
pronoun
Bank Sentral Eropa
pronoun
Komisi Eropa
pronoun
Mahkamah Eropa untuk Hak Asasi Manusia
pronoun
Bank Investasi Eropa
pronoun
Dewan Eropa
/ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
Uni Eropa
pronoun
Eurotunnel
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
eutanasia
noun
eutrofikasi
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Hawa
noun
1. bespreking en beoordeling van de gang van zaken
evaluasi
noun
injil
/evəˈnar/, /ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
khatulistiwa
noun
1. belangrijke gebeurtenis
kejadian
adjective
1. evenredig
proporsional
noun
1.
keseimbangan
adjective
1. in alle punten even ver in loodrechte zin verwijderd zijnde
paralel
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
babi hutan
noun
1. wild varken
babi hutan
/ˌevoˈlysi/, /ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
evolusi
prefix
eks-
adjective
1. zonder benadering, precies vastgesteld
akurat
noun
1. onderzoek naar de kennis of vaardigheden van iemand door middel van ondervraging of opgedragen verrichtingen
tes
adjective
berlebihan
adjective
1. wat andere mogelijkheden uitsluit
eksklusif
noun
ekskomunikasi
noun
1. uitscheiding
ekskresi
noun
ekskursi
noun
1. de verontschuldiging
ampun
verb
menjatuhkan hukuman mati
noun
1. uitvoering van een vonnis
foreclosure
noun
eksegesis
noun
nasehat
adjective
1. afscheidend door middel van een afvoerbuis
eksokrin
pronoun
Keluaran
noun
1. uittocht van een grote groep mensen met als doel niet meer terug te komen
eksodus
noun
eksonim
noun
eksorsisme
noun
eksosfer
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
eksotis
noun
ekspedisi
noun
penelitian
verb
1.
eksperimen
/ɛkˈspɛːr/
noun
1. iemand die bijzonder goed bekend is met een bepaald onderwerp
ahli
noun
1. een computersysteem dat specifieke kennis van menselijke experts representeert en gebruikt om een probleem binnen een bepaald gebied op te lossen
sistem pakar
noun
eksplorasi
noun
ledakan
noun
eksponen
noun
1. de verkoop van goederen aan het buitenland
ekspor
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
mengekspor
noun
eksportir
noun
ekspresionisme
/ɛk'stazə/
noun
1. een toestand van buiten zichzelf zijn door verrukking
ekstase
/ɛkˈstɛnsi/
noun
1. het strekken van ledematen
ekstensi
noun
1. ingedikt aftreksel
ekstrak
noun
1. uittrekking
ekstraksi
adjective
melewah
adjective
ekstrover
pronoun
Extremadura
noun
1. iemand met radicale, extremistische standpunten, een aanhanger van een ideologie die ver van het politieke of maatschappelijke centrum ligt
ekstremis
pronoun
Yehezkiel
/ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
keledai
/ˈfabəl/
noun
1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
fabel
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
pabrik
noun
pabrikan
noun
faksi
noun
1. document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
tagihan
noun
3. product van een reeks factoren
faktorial
/ˈfæːrøːə̯r/, /ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
Kepulauan Faeroe
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op de Faeröer
Faro
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
fagot
noun
1. staaf of stok die aan de bovenkant in een brandbare stof gedrenkt is, brandend zorgt het voor verlichting
obor
/ˈfaːlən/
verb
1. niet bereiken van doelen
gagal
/fa.ˈmi.li/, /fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
keluarga
noun
1. naam die van generatie op generatie en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
nama keluarga
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de familiale verhoudingen tussen personen
hukum keluarga
/foɱ.ˈfaːr/, /fɑn.ˈfa.rə/
noun
fanfare
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
fantasi
adjective
fantastis
noun
farad
/ˈfarao/
noun
1.
firaun
noun
1.
farisi
adjective
1. uit de farmacie, met betrekking tot de productie van geneesmiddelen
farmasetis
noun
farmasi
noun
farmakologi
noun
1. spiertrillen
fasikulasi
/fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
fasisme
adjective
1. van het fascisme
fasis
noun
1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
fase
noun
ruang fase
adjective
1. noodlottig
fatal
/ˈfʌʊna/, /ˈfʌːna/
noun
1. het geheel aan dieren in een gebied
satwa
/fo.tœj/
noun
1. Soort stoel
kursi berlengan
adjective
favorit
noun
1.
pilih kasih
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
pegar
/fa.ˈsa.də/
noun
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
pencitraan
/febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
  1. Februari
  2. februari
pronoun
1. Russische revolutie
revolusi Februari
adjective
serikat
noun
federalisme
noun
1. een verbond van samenwerkende staten of lichamen die hun zelfstandigheid behouden
federasi
/fe:/
noun
1.
peri
noun
1. terugkoppeling
umpan balik
noun
liburan
noun
1. een extra lekkere, uitgebreide maaltijd die men met meerdere mensen gebruikt als een feestelijke gebeurtenis
pesta
/fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
  1. fakta
  2. kenyataan
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
feminisme
noun
1. vrouw die streeft naar gelijke rechten voor vrouwen
feminis
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
kelabat
noun
phoenix
noun
fenologi
/fenoˈmen/
noun
1. een verschijnsel
fenomena
noun
fenomenologi
noun
fenotipe
noun
feodalisme
noun
1. gisting
fermentasi
noun
1.
fermion
/ˈfɛstiˌvɑɫ/
noun
  1. 1. een reeks optredens
  2. 2. een groot evenement met zang en dans en muzikale optredens
festival
/fɛs/
noun
1. bepaald soort hoed van Turkse oorsprong
fez
noun
fiksi
adjective
fidusier
/fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
sepeda
/ˈfitsərɛk/
noun
1. rek om fietsen te parkeren
rak sepeda
noun
1. een tijdelijke (soms overdekte) bewaarplaats voor één of meer fietsen
parkir sepeda
/ˈfiːtsər/
noun
1. iemand die met een fiets rijdt
pesepeda
noun
1. onderdeel van de kettingaandrijving van een fiets
rantai sepeda
/ˈfitspɑt/
noun
1. een weggedeelte of vrijliggend pad dat is gereserveerd voor het gebruik door fietsers en snorfietsers.
jalur sepeda
/fi.ˈɣyːr/, /fi.ˈχyːr/
noun
sosok
/ˈfi.(d)ʒi/, /ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
Fiji
adjective
  1. 1. van geringe dikte
  2. 3. leuk
halus
noun
filateli
/faɪl/
noun
  1. 1. lange rij met stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen of personen
    kemacetan
  2. 1. bestand op de computer
    berkas
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
Filemon
/ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Filipina
pronoun
Filipi
noun
  1. 3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
  2. 1. een dunne laag
film
noun
filologi
/filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
  1. filsafat
  2. falsafah
adjective
1.
berfilsafat
noun
1.
filtrat
noun
1. filtrering
filtrasi
adjective
1. met betrekking tot geld, geldelijk
finansial
verb
memalsukan
/ˈfɪnlɑnd/, /ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Finlandia
/fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
bahasa Finlandia
pronoun
1.
Teluk Finlandia
noun
(informatica) hardware of software die een computer of netwerk beschermt tegen misbruik van buitenaf
tembok api
noun
2. een zaak of bedrijf
firma
adjective
fiskal
noun
1. een kanaalvormige zweer
hiliran
/ 'fɪt /
adjective
in goede lichamelijke conditie
cocok
/fjɔrd/, /fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
fyord
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
flamingo
verb
berkeluyuran
adjective
2. in overdrachtelijke zin smakeloos
cupu
verb
1. door hitte of gebrek aan frisse licht het bewustzijn verliezen
pingsan
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
flerovium
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
botol
noun
water dat is gebotteld
air botol
/ˈflevoˌlɑnt/, /ˈfleːvoˌlɑnd/, /ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Flevoland
/ˈflɛk.si/
noun
2. vormverandering van een woord
fléksi
noun
1. #
disket
/ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
Firenze
noun
1. buisvormig blaasinstrument
suling
verb
1. een fluit bespelen
bersiul
noun
1.
siulan
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
  1. fluor
  2. fluorin
noun
1. een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde...
beludru
noun
1. een vidaduct ter voorkoming van een gelijkvloerse kruising
jalan layang
/ˈfokʏs/
noun
2. een punt of verzameling van punten waar alle stralengangen samenkomen
fokus
/ˈfu.li/
noun
1. Myristica fragrans
bunga pala
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
janin
verb
1. dieren houden om ze te laten voortplanten
mengembangbiakkan
noun
1.
kertas logam
noun
1. alles wat een volk creëert of heeft gecreëerd
cerita rakyat
noun
3. effect (waardepapier)
reksadana
noun
fondue
noun
1.
fonem
/ˌfoneˈtik/
noun
1.
fonetik
/ˌfonoloˈɣi/
noun
  1. 1.
  2. 2.
fonologi
noun
1. lettertype, karakterset
fon
/fɔnˈtɛɪn/, /fɔnˈtɛːn/
noun
1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
air mancur
noun
dot
noun
1. iemand die dagelijks heen en weer reist tussen de woongemeente en de werkgemeente
komuter
noun
1.
formaldehida
noun
1. een resonantie (een significante smalle piek) op een bepaalde frequentie
forman
noun
rumus
/fɔrmyˈlir/
noun
1. een stuk papier waarop voorgedrukte vragen kunnen worden beantwoord
formulir
noun
kompor
noun
1. een zout van een van de vormen van fosforzuur
fosfat
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
fosfor
noun
1 en 2
foto
noun
1. iemand die fotos maakt
  1. fotograf
  2. fotografer
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
fotografi
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
foton
noun
1.
fotosintesis
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
kamera
/fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
kesalahan
/fwɑ.ˈjeː(r)/, /fʋa.ˈje/
noun
1. verzamelplaats, zaal voor de verpozing (bijvoorbeeld in een hotel of schouwburg)
foyer
/ˈfrɑksi/
noun
2. gezamenlijke vertegenwoordigers van een politieke partij in een volksvertegenwoordiging
fraksi
adjective
1. kwetsbaar, breekbaar
rapuh
noun
fragmen
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
frambus
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalaropus
kaki-rumbai
pronoun
Frankfurt am Main
/ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
  1. Perancis
  2. Prancis
/frɑns/
pronoun
1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
bahasa Perancis
pronoun
Guyana Prancis
pronoun
Polinesia Perancis
noun
1. een aantal woorden die een begrip uitdrukken, vaak een zinsdeel, soms een hele zin
frase
noun
1. bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
penipuan
verb
1. gelden wederrechtelijk ontvreemden
menipu
noun
1.
peranti cuma-cuma
noun
  1. 1. Oorlogsschip
  2. 2. Driemaster
fregat
noun
cikalang
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
frekuensi
pronoun
2. benaming voor een Germaanse taal
Frisia
/ˈfrislɑnd/, /ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Friesland
noun
1. de benaming voor een gerecht van gefrituurde aardappelreepjes ('patat frites')
kentang goreng
adjective
1. zojuist schoongemaakt, prettig ruikend
segar
verb
1. van verbazing of afkeuring de wenkbrauwen ophalen
mengernyitkan
noun
  1. 1. voorkant
  2. 2. gevechtslinie
kedok
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
fruktosa
/frœʏ̯t/, /frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
buah
/ˈfrœʏtsɑp/, /ˈfrœːtsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
jus
noun
  1. 1. taak
  2. 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
  3. 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
  4. 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
faal
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
fundamentalisme
noun
fungisida
noun
fusi
/fʏt/
noun
1. de benodigde energie en zin ergens voor
tenaga
/ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
fisika
noun
fisiologi
adjective
1. door de natuur bepaald, de natuurlijke verrichtingen van levende wezens of hun organen betreffend
fisiologis
noun
fisioterapi
noun
fitopatologi
noun
1. plantaardig plankton
fitoplankton
/føn/
noun
1. een toestel dat een warme luchtstroom voortbrengt voor het drogen en opmaken van het kapsel
pengering rambut
/ɣaːn/, /χaːn/
verb
1. zich in een bepaalde richting bewegen
pergi
noun
1. instelling die gratis voedsel beschikbaar stelt
dapur umum
/'ɣa.bɔn/, /ɣa.'bɔn/, /χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
Gabon
noun
[A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
empedu
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
Galatia
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
kandung empedu
noun
galeri
/ɣɑˈlisɪə/, /ʝɑˈlisɪə/
pronoun
1. Spaanse regio
Galisia
noun
1. een vaste structuur in de galwegen of de galblaas bestaande uit neergeslagen cholesterol, bilirubine of kalkzouten
batu empedu
/'ɣɑm.bi.ja/, /'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Gambia
noun
1. lange smalle ruimte
gang
noun
1. zenuwknoop
ganglion
/gɑŋ'gren/
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
gangren
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
angsa
/ˈɣa.pə(n)/, /ˈɣaː.pə(n)/, /ˈχa.pə(n)/
verb
1. heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
menguap
/ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
  1. 1. een overdekte autostalling
  2. 2. een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
garasi
/ɣa'rɑn(t)si/, /ɣa'rɑnsi/
noun
1. verklaring waarin men verklaart voor bepaalde gevolgen in te staan
garansi
noun
udang
/ɣɑs/, /χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
gas
noun
1. een buis waardoor verschillende materialen in gasvorm vervoerd kunnen worden
pipa gas
noun
het rechter pedaal van een auto waarmee de brandstoftoevoer naar de motor geregeld wordt
pedal gas
/ɣɑst/, /χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
tamu
noun
1. iemand die tijdeljk naar een ander land komt om daar arbeid te verrichten
pekerja migran
noun
1.
pesanggrahan
noun
  1. 1. een man
  2. 2. (biologie) een organisme
inang
noun
1. maagwandontsteking
gastritis
adjective
1. met betrekking tot maag en darm
gastrointestinal
noun
gastronomi
noun
1. politieke beweging in Frankrijk ontstaan na de Tweede Wereldoorlog gekenmerkt door een sterke nationale republiek, eenheid en een sterk presidentschap
Gaullisme
noun
1.
copet
noun
gavial
noun
gaydar
pronoun
1. exclave van Palestina tussen Egypte, Israël en de Middellandse Zee
Jalur Gaza
noun
1. onderhouden, kort gemaaid grasveld bij een huis
halaman
noun
komunikan
noun
1. meestal zoet, gebakken voedsel specifiek gemaakt om van te genieten
kue
noun
bahasa isyarat
/ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
  1. doa
  2. sembahyang
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
pegunungan
/ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
terjadi
noun
1. iets dat zich voordoet
kejadian
adjective
1. bedekt met bladeren
rimbun
noun
firman
/ɣəˈboːrtə/, /χəˈbo̝ːrtə/
noun
1. actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint
kelahiran
adjective
  1. 1. ter wereld gebracht, gebaard
  2. 2. begonnen, ontstaan
  3. 3. door herkomst of natuurlijke aanleg
lahir
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
  1. bangunan
  2. gedung
noun
2. een defect
cacat
/ɣəˈbrœʏkən/, /χəˈbrœʏkən/
verb
1. zich bedienen van, toepassen
menggunakan
/ɣə'brœːkər/, /χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
pengguna
noun
1.
nama pengguna
adjective
1. van een product dat een beoogde eindgebruiker het effectief, efficiënt en naar tevredenheid kan gebruiken zonder dat een (langdurige) studie nodig is
ramah pengguna
adjective
1. gemakkelijk te gebruiken, met aandacht voor bedieningsgemak ontworpen
ramah pengguna
adjective
1. ingewikkeld
rumit
/ɣə'dɑɣdə/, /ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
pemikiran
noun
1.
wakil
noun
air suling
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
puisi
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
biasa
/ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
kesabaran
/gə'dʌldəx/
adjective
1. bereid te wachten en tegenslagen te verdragen
sabar
preposition
tijdens
ketika
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
kuning
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
noun
1. kleur tussen oranje en groen
kuning
/ɣeːst/, /χeːst/
noun
  1. 1. dat wat zich afspeelt in iemands gedachten
    jiwa
  2. 2. een onsubstantieel wezen
    roh
adjective
1. met humor, gevat
jenaka
/ɣ̟eːβ̞/, /χeːu/
noun
1. het zich uitrekken, meestal met open mond, bij slaperigheid, ontspanning of verveling
kuap
/ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
menguap
noun
bisikan
/xəˈɦɛndiˌkɛpt/, /ɣəˈɦɑndiˌkɑpt/
adjective
1. met een lichamelijke afwijking
bercacat
/ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
rahasia
/ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
rahasia
/ɣə.ˈɦɛɪ̯m.ˌzɪ.nəx/
adjective
misterius
noun
  1. 1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
  2. 2. snel toegankelijke plaats om data op te slaan
ingatan
noun
amnesia
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
indra pendengar
noun
alat pembantu dengar
/ɣə'hoːrzam/, /ɣə'ɦoːrzam/, /χə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. bereid gehoor te geven aan regels of bevelen
dengar-dengaran
/ɣɛi̯l/, /χɛi̯l/
adjective
gatal
/ˈɣɛɪ̯t/, /ˈɣɛːt/, /ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
kambing
noun
voedzaam vocht dat tepels van een geit afscheiden
susu kambing
/ɣɛk/, /χɛk/
adjective
  1. 2. bezittende een zeer lage intelligentie, krankzinnig
  2. 4. knettergek
gila
noun
1. gekko
toke
noun
  1. 2. een product om haar mee in model te houden
  2. 1. een gecrosslinkt polymeer van voldoende verdunning om vervormbaar te zijn zonder spontaan te vloeien
gel
/ɣəˈlɑx/
noun
1. het lachen
gelak
/ˈɣɛlt/, /ˈχɛlt/
noun
1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
  1. uang
  2. duit
/ˈɣɛldərˌlɑnd/, /ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Gelderland
adjective
1. waarvan de waarde of wettigheid erkend wordt
berlaku
noun
pasar uang
noun
1. bepaalde infectieziekte, veroorzaakt door het gelekoortsvirus
demam kuning
/ɣəˈledə(n)/, /χəˈledə(n)/
adverb
1. een woord om aan te duiden dat iets zich in het verleden af heeft gespeeld
yang lalu
/ɣə.let.ˈpo.tə.ɣə/, /ɣə.ˈleːd.ˌpoː.ti.ɣə/, /χə.let.ˈpo.tə.χə/
noun
1. een dier met een uitwendig skelet van chitine
artropoda
adjective
1. zich veel aan studie gewijd hebbend
ajar
noun
1. iemand die onderricht en bekwaam is in een bepaalde tak van de wetenschap
cendekiawan
noun
  1. 1. elektrische stroomgeleider
  2. 2. warmtegeleider
konduktor
/ɣəlɛɪgˈbenəx/
adjective
1 & 2.
sama kaki
noun
kesamaan
noun
penyearah
noun
arus searah
adjective
bersamaan
/ɣəˈlof/, /χəˈlof/
noun
  1. 1. godsdienst
    agama
  2. 2. de overtuiging dat iets zo is
    kepercayaan
noun
1. de mate waarin iets of iemand verdient geloofd te worden
keterpercayaan
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
  1. percaya
  2. memercayai
/ɣəˈlœʏt/, /χəˈlœʏt/
noun
1. dat wat hoorbaar is
bunyi
/ɣəˈlɵk/, /χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
keberuntungan
adjective
1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
senang
adverb
1. op een gelukkige manier
untungnya
/ɣə.ˈlɵks.ˌvoː.ɣəl/, /χə.ˈlɵks.ˌvo(ʊ̯).χɔɫ/
noun
1. iemand die onwaarschijnlijk veel geluk lijkt te hebben
pemujur
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
jahe
adjective
1. beneden de gordel, buiten alle regels
nakal
noun
  1. 1. het met één of meer andere deel hebben aan iets
  2. 2. samenleving
  3. 3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
komunitas
noun
1. gemeenschap van onafhankelijke landen
persemakmuran
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
rata-rata
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
gen
noun
kasih karunia
adjective
sadis
/ˈdʒɛndər/
noun
1. sekse
gender
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
genealogi
noun
dokter
/γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
kedokteran
/ɣə'neɣənɦɛɪt/
noun
1. het gesteld zijn op iemand
belas kasihan
adjective
jenderal
noun
1. iemand die het bevel heeft over een leger
jenderal
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
generasi
/ˌɣenəˈratɔr/, /ˌχenəˈratɔr/
noun
1. een apparaat of persoon die iets genereert (doet ontstaan)
generator
adjective
2. algemeen
generik
pronoun
Kejadian
noun
1.de wetenschap van alles wat de werking van genen betreft, in het bijzonder erfelijke overdracht
genetika
verb
1. ergatief: gezond worden, herstellen van ziekte of verwonding
menyembuhkan
adjective
1. briljant, zeer slim, uitmuntend
brilian
noun
1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
genius
verb
1. voordeel hebben van iets
menikmati
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
genitif
noun
1. stelselmatige uitroeiing van een volk
genosida
indefinitePronoun
cukup
/xəˈnom/
noun
1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme
genom
noun
1. het geheel van genetische kenmerken dat een soort onderscheidt
genotipe
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
letupan
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
Gent
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Genova
pronoun
2. stad in Zwitserland
Jenewa
adjective
geosentrik
noun
geodesi
noun
geofisika
noun
1. aardrijkskunde
geografi
adjective
1. aardrijkskundig, met betrekking tot de aardrijkskunde
geografis
noun
1. aardkunde
geologi
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
geometri
noun
geomorfologi
/ɣeˈjɔrɣis/, /ɣeˈjɔrɣɪs/, /χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
  1. Georgia
  2. bahasa Georgia
/ɣeˈjɔrɣi.jə/, /χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
Georgia
adjective
1.
geostasioner
noun
pensiunan
noun
kerangka
noun
  1. 1. een bepaald soort voedsel op een bepaalde wijze bereid
    hidangan
  2. 2. rechtbank, de rechter
    sidang
noun
geriatri
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
germanium
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
jelai
/ɣə'rɵxt/
noun
  1. 2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
  2. 1. lawaai; een klein geluid
desas-desus
/ɣəˈsxɛŋk/, /ʝəˈsçɛŋk/
noun
1. iets dat men geeft
hadiah
/ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
sejarah
noun
historiografi
adjective
1. met de juiste eigenschappen
cocok
noun
1. geweldloos conflict
perselisihan
noun
artileri
/ɣesələ(n)/
verb
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
mencambuk
noun
1. het aanhoudend een sissend geluid maken
desis
noun
penipuan
/χəˈslɑχt/
noun
3. (biologisch) genus
genus
noun
1. een aandoening aan de geslachtsorganen, vaak een seksueel overdraagbare aandoening
penyakit menular seksual
/ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
gesper
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
percakapan
noun
1. een persoon die deelneemt aan een gesprek
lawan bicara
/ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
batu
noun
angka
noun
1. de periodieke verandering van de waterstand ten gevolge van de stand van de maan
pasang
noun
1.
tarik tali
adjective
setia
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
saksi
verb
1. een veelal beëdigde verklaring afleggen ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
bersaksi
noun
kesaksian
/ɣøːr/, /χøːr/
noun
1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
berbau
/ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
bahaya
/ɣəˈvarlək/, /ɣəˈvaːrlɪk/, /χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
berbahaya
noun
1. iemand die gevangen genomen is
tahanan
/ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
penjara
/ɣəˈvɛxt/, /χəˈvɛxt/
noun
1. een handgemeen
ulet
/ˈxeː.vəl/, /ˈɣeː.vəl/
noun
1. buitenmuur van een gebouw
kacang pinus
/ˈɣevə(n)/, /ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
  1. beri
  2. memberi
  3. memberikan
noun
1. gewaarwording
perasaan
noun
1. een verzamelnaam voor vogels die gekweekt worden als voedsel
daging unggas
/ɣəˈvɔlx/, /ɣəˈvɔɫx/, /χəˈvɔɫχ/
noun
1. iets dat voortkomt uit iets anders
akibat
noun
senapan
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
tanduk
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
kekerasan
noun
1. een proces waarbij een eerder ongewone prikkel steeds meer als normaal ervaren gaat worden
habituasi
noun
daerah
/ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
hati nurani
adjective
1. vroegere
mantan
/ɣəˈʋɪxt/, /χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
berat
noun
1. Balaenoptera physalus, een groot zeezoogdier, lang en gestroomlijnd met puntige kop
paus bersirip
/ɣəˈwoːn/, /ɣəˈβ̞oːn/, /χəˈʋon/
adjective
umum
adverb
1. zoals de ervaring leert dat het meestal is
biasanya
/ɣəˈwoːntə/, /ɣəˈβ̞oːntə/, /χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
adat
noun
1. bevoegdheid om ergens beslissingen over te nemen
kewenangan
noun
duta
noun
2. alle zinsdelen behalve het onderwerp
predikat
/ɣə'zɛlsxɑp/
noun
3. een vereniging met een bepaald doel
masyarakat
noun
1. de voorkant van een menselijk hoofd
muka
noun
1. huishouden bestaande uit een of meer ouders en hun kinderen
famili
/xə.ˈzɔnt/, /ɣə.ˈzɔnt/
adjective
  1. 1. vrij van ziektes en zeertes
  2. 2. bevorderlijk voor een goede conditie
sehat
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
kesehatan
noun
sirkuit terpadu
verb
tertarik
/'ɣa.na/, /'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
Ghana
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Hylobatidae
awan
pronoun
Gibraltar
/ɣɪts/, /χɪts/
noun
persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
panduan
/ɣiːr/, /χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
nazar
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
pelit
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
milet
noun
1. een soort emmer met sproeibuis om de planten te begieten
gembor
noun
besi tuang
/ɣɪf/, /χɪf/
noun
1. substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
racun
/ˈɣɪftəx/, /ˈχɪftəx/
adjective
1. gif bevattend
beracun
noun
gigabita
/ɣɛɪ̯/, /ɣɛː/, /χɛɪ̯/
personalPronoun
kamu
/ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /ˈɣɛːzəlaːr/, /ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
sandera
noun
1.
perangkat pemeras
/ˈɣɪldə/, /ˈχɪɫdə/
noun
gilda
noun
gin
noun
1. tandvleesontsteking
gingivitis
noun
1.
ginseng
noun
1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
gipsum
/ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
  1. jerapah
  2. zarafah
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
jerapah
verb
1. geld overmaken door het uitschrijven van een giro
membelokkan
verb
1. een vermoeden uitspreken over iets
berpikir
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
  1. khamir
  2. ragi
/ˈɣɪstər/, /ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
kemarin
/ˈɣɪstərə(n)/, /ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
kemarin
/ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
gitar
noun
glasiologi
adjective
datar
/ɣlɑs/, /χlɑs/
noun
  1. 2. op basis van SiO₂
  2. 1. niet-kristallijne vaste stof
  3. 3. om uit te drinken
  1. gelas
  2. kaca
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
glaukoma
noun
1-2
email
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
gletser
adjective
1. glad, moeilijk houvast op te krijgen
licin
noun
pelosotan
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
senyum
/'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
tersenyum
noun
abrak
noun
1. een voortgaand proces van wereldwijde economische, culturele en politieke integratie
globalisasi
noun
bola dunia
/ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
lampu pijar
/ɣloːriˈjøːs/
adjective
1. roemrijk
gemilang
noun
daftar istilah
noun
1. druivensuiker
glukosa
/ˈɣlyː.rə(n)/
verb
1. in het geheim aandachtig naar iemand kijken
mengintip
/'ɣly.tə(n)/
noun
gluten
/ˌɣlikɔˈɣen/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
glikogen
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
gnu
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Goa
noun
2. doelpunt
gawang
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
  1. Dewa
  2. Tuhan
  3. Allah
/ɣɔd/, /ɣɔt/, /χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
dewa
adjective
ilahi
noun
ilmu agama
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
dewa
noun
1. een vrouwelijke godheid
dewi
noun
1. een geloof en alle daar bij horende rituelen en doctrines
agama
adjective
2. op de godsdienst betrekking hebbend
agamis
noun
1.
kebebasan beragama
noun
1. belediging of bespotting van God/een godheid
hujatan
adjective
1. kwaliteit bezittend
  1. bagus
  2. baik
/ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
Jum'at Agung
/ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
selamat pagi
interjection
avondwens
selamat malam
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
selamat malam
interjection
1. groet waarmee men iemand een prettig verloop van het etmaal wenst
selamat siang
noun
1. trein die uitsluitend is bestemd om goederen te vervoeren
kereta api barang
adjective
1. laag in prijs
murah
noun
gulag
noun
guru
/ˈɣɔkən/, /ˈχɔkən/
verb
1. iets van waarde, veelal geld, inzetten op de mogelijke uitkomst van iets onzekers
bertaruh
/gɔlf/, /χɔl(ə)f/
noun
4. grote baai
teluk
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
Teluk Meksiko
pronoun
1.
Teluk Riga
noun
1. constructie om de kracht van watergolven te weerstaan
pemecah gelombang
noun
panjang gelombang
/ɣɔm/
noun
  1. 1. een gum
  2. 2. een kleverige vloeistof die wordt gemaakt van het sap van bomen
penghapus
/ˈɣɔndəl/
noun
1. een pleziervaartuig in Venetië
gondola
noun
1. een hangend slagwerk
gong
noun
1. een geslachtziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Neisseria gonorrhea
gonore
/ˈgu:gələ(n)/, /ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
googling
noun
googol
noun
googolplex
/ˈɣoːi̯ən/, /ˈχoːi̯ən/
verb
1. het door de lucht verplaatsen van een voorwerp, al dan niet naar een doelwit
lempar
noun
got
/ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
bak cuci
noun
1. een band die om het middel gedragen wordt
sabuk
/ɣɔrˈdɛːn/, /χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
  1. gorden
  2. tirai
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
gorila
noun
musik gospel
pronoun
1. de uit de oostelijke tak van de Germaanse talen stammende en uitgestorven taal der Goten uit de eerste...
bahasa Goth
/ˈɣɔtlɑnt/, /ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
Gotland
/ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
  1. emas
  2. mas
phraseologicalUnit
medali emas
noun
1. een smid die met goud werkt
tukang emas
/ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
ikan mas
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
goulash
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
gubernur
noun
1. eenheid om hoeken te meten
derajat
noun
kabupaten
noun
sereal
noun
1. een instrument waarmee een hoek van een gekende grote uitgezet of gemeten kan worden
busur derajat
/ɣrɑf/, /χrɑf/
noun
  1. 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
  2. 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
kubur
noun
  1. 1. het binnengaan van een graf of tombe met als doel er artefacten...
  2. 2. het binnengaan van een graf of tombe om het lichaam van een begravene te onteren...
perampokan makam
noun
1. op een grafsteen gegraveerde korte tekst, gewijd aan de overledene
epitaf
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
nisan
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
  1. gramo
  2. gram
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
tata bahasa
/ɣṛɑm.ˌpo.zi.ˈtiː.və.bɑk.ˈteːri.jə(n)/, /χrɑm.ˌpo.zi.ˈti.və.bɑk.ˈtɪː.ri.jə(n)/
noun
1. verzamelnaam voor soorten met een dikke laag peptidoglycaan in hun celwand
bakteri gram-positif
noun
  1. 5. groep kubische mineralen
    batu delima
  2. 2. met springlading gevuld projectiel
    granat
noun
2. vrucht
delima
noun
1. wapen, of deel van een wapen, bestemd voor het lanceren van stuwloze ontploffende projectielen
pelontar granat
/ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
granit
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
limau gedang
noun
1. sap van de vrucht van de boom Citrus paradisi
jus limau gedang
noun
  1. 1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
  2. 1.1 benaming voor planten uit de familie Poaceae die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien
rumput
/ɣrɑsmajər/
noun
pemotong rumput
noun
1.
halaman
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
gratis
adjective
1. donkergrijs, kleurloos
warna abu-abu
/ˈgrɛ.vəɫ/
noun
1. roodkleurige steengruis die doorgaans wordt gebruikt voor de verharding van tennisbanen
lapangan gravel
/ˈgrɛ.vəɫˌban/
noun
tennisbaan
lapangan gravel
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
gali
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
gaya berat
/ɣre.ˈna.da/, /ɣrɛ.ˈna.da/, /χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Grenada
noun
2. de raaklijn tussen twee landen
perbatasan
/ɣrik/, /χrik/
noun
1. inwoner van Griekenland
orang yunani
/ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
Yunani
/ɣriks/, /χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
bahasa Yunani
/ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
influensa
/ɣrit/, /χrit/
noun
A. jonge vrouw, meisje
cewek
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
griffin
adjective
1. de kleur grijs hebbend
abu-abu
noun
1. oude man
orang tua
noun
1. stevige zwarte walvis, met bolvormig voorhoofd en een heel kleine snuit
paus kelabu
adjective
licik
noun
1. vertrokken gelaat, grijns, frats
seringai
noun
kerikil
/ɣruj/, /χruj/
noun
1. het groter worden
pertumbuhan
/ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
tumbuh
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
hijau
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
hijau
noun
  1. 1. groen verkeerslicht
  2. 2. toestemming
lampu hijau
/ˈɣrun.lɑnd/, /ˈɣrun.lɑnt/, /ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
Greenland
adjective
bahasa Kalaallisut
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
sayur
noun
1.
tukang sayur
/ɣrup/, /ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
grup
noun
  1. kekebalan kawanan
  2. kekebalan kelompok
noun
1. verkrachting door een groep personen
pemerkosaan berkelompok
/ˈɣrutə(n)/
noun
1. iemand goedendag of gedag zeggen
menyambut
noun
  1. 1. stuk terrein
  2. 2. de stof van het aardoppervlak waarop planten en bomen groeien
  3. 3. het aardoppervlak in algemene zin
  4. 4. basis
tanah
noun
1. het gebied waarover een instantie of overheid het beheer heeft
daerah
noun
pendiri
noun
bahan baku
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
air tanah
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
  1. konstitusi
  2. undang-undang dasar
/ɣroːt/
adjective
  1. 1. meer dan normaal in formaat
  2. 2. bewonderenswaardig, goed
  3. 3. machtig, belangrijk
besar
/ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
Britania Raya
noun
1. bedrijf dat in het groot handelt, dat aan de detailhandel levert
borong
noun
1.
grosir
noun
1. adellijke titel die hoger is dan die van hertog maar lager dan die van koning
adipati agung
noun
1.
kadipaten agung
noun
1. een moeder van een ouder
nenek
noun
rubah telinga kelelawar
/ˈɣrotˌʌʊdər/
noun
1. de ouder van een ouder
kakek
adjective
1. verheven, groot van opzet
agung
noun
ukuran
/ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
kakek
noun
  1. 1. in de klassieke zeilvaart de onderste, grootste zeil aan de grote mast
  2. 2. in de moderne zeilvaart het zeil bevestigd met het voorlijk aan de achterkant van de (grootste) mast
layar agung
/ɣrɔt/
noun
1. een onderaardse holte
gua
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
Danau-Danau Besar
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Samudra Pasifik
/ˈxrʏto/, /ˈɣrʏto/
noun
1. bepaald soort weidevogel en een van de grootste steltlopers
biru-laut ekor-hitam
noun
een dipsaus uit Midden-Amerika
guacamole
pronoun
Guadeloupe
pronoun
Guam
/ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
Guatemala
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
jambu wiji
pronoun
Guernsey
/ɣi.ˈne/, /χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
Guinea
/ˌɣi.ne.bɪ.ˈsaʊ̯/, /ˌɣi.ne.ˈbɪ.sɔʊ̯/, /ˌχi.ne.ˈbɪ.sʌʊ̯/
pronoun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
Guinea-Bissau
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk in Gujerat gesproken wordt. De taal wordt nu ook in Uganda, Tanzania, Kenia en Pakistan gesproken
Gujarati
/ɣɵlp/
noun
1. een door een strook stof afgesloten opening aan de voorzijde van een broek van de man,...
layang
noun
1. een object waarmee potlood weer weggehaald kan worden
penghapus
/ɣi.ˈja.na/, /ɣβ̞i.ˈja.na/, /χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
Guyana
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
senam
/ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
Göttingen
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
pagar hidup
/haːɪ̯/, /ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
hiu
/haːk/
noun
kait
/ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
ayam jago
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
rambut
noun
1. plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
perapian
noun
kapiler
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
terwelu
/hast/
adverb
1. bijna
  1. hampir
  2. nyaris
/ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
kebencian
pronoun
2. boek in de Bijbel
Habakuk
/ˈhabiˌtɑt/
noun
1. het natuurlijke leefgebied van een organisme
habitat
noun
1. verzamelde mondelinge overleveringen van de uitspraken en instructies van Mohammed
hadis
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
hafnium
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
kadal
/haɣəɫ/
noun
1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
  1. hujan es
  2. hujan batu
pronoun
2. boek in de Bijbel
Hagai
noun
  1. 3. werktuig om de grond mee open te hakken
    cangkul
  2. 1. hiel van de voet
    tumit
/ˈhaː.kə(n)ˌkrœys/
noun
swastika
/ɦɑlf/
adjective
1. de helft zijnde
setengah
noun
1-2
semikonduktor
noun
setengah dewa
adjective
1. zonder al te veel overtuiging of inzet
setengah hati
noun
1. het oppervlak van een halve bol, met name van de aarde
belahan bumi
adverb
1. halverwege de vlaggenstok
setengah tiang
noun
1. de tijd waarin een exponentieel vervalled proces tot de helft van zijn oorspronkelijke waarde vermindert
waktu paruh
interjection
1. groet
  1. halo
  2. salam
noun
halusinasi
verb
1. zinsbegoochelingen hebben
berhalusinasi
noun
halogen
noun
leher
/ɦɑm/
noun
1. vlees van de achterkant van een varken
ham
noun
Hamburg
/ˈham.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.χər/
noun
1. schijf gebraden gehakt
hamburger
noun
  1. 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
  2. 2. een van de gehoorsbeentjes in het oor
palu
noun
1.
hiu martil
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
hamster
/ɦɑnt/
noun
1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
  1. tangan
  2. yad
noun
bola tangan
/ˈɦɑnt.buj/
noun
1. een paar aan elkaar verbonden afsluitbare ringen
borgol
noun
1. een doek waarmee men zich afdroogt
handuk
noun
jabat tangan
/ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
perdagangan
verb
2. handel drijven
berdagang
noun
1. datgene dat gedaan is
  1. tindakan
  2. perbuatan
  3. perlakuan
pronoun
Kisah Para Rasul
noun
merek dagang
noun
1. verhandelbaar waardepapier aan toonder of aan order
efek
noun
1. teken van waardering
tepuk tangan
noun
pemeliharaan
noun
1. het leggen van de hand op iemands hoofd
penumpangan tangan
noun
1. binnenzijde van de hand
telapak tangan
/hɑnd.sxun/, /ɦɑnt.sxun/, /ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
sarung tangan
noun
tanda tangan
noun
2. klein aantal
genggam
noun
1. door mensen georganiseerd gevecht tussen kamphanen waarbij de toeschouwers kunnen wedden op de uitkomst van het gevecht
sabung ayam
noun
1. brug die is opgebouwd uit twee (soms één) hoge pijlers of pylonen waartussen een dikke kabel gespannen is...
jembatan gantung
/ˈɦɑŋə(n)/
verb
heng
/ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
buaian
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
gembok
pronoun
1. stad in Duitsland
Hannover
/haˈram/
adjective
haram
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
perangkat keras
/ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
ikan haring
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
garu
noun
harmonisasi
noun
1.
harpa
/hɑrˈpun/, /ɦɑrˈpun/
noun
  1. 1. een grote pijl met weerhaken aan een touw
  2. 2. een speer met weerhaken
tempuling
/ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
damar
/ɦɑrt/
noun
  1. jantung
  2. hati
noun
1.
gagal jantung
adjective
gurih
/ˈhɑrt.ka.mər/, /ˈɦɑrt.ka.mər/
noun
1. elk van twee holten van het hart
bilik jantung
noun
detak jantung
/ˈhɑrtstɪlstand/, /ˈhɑrtstɪlstɑnt/, /ˈhɑrtstɪɫstɑnt/
noun
1. het stoppen van het kloppen van een hart
henti jantung
noun
dorongan
noun
1. een taai ondoorzichtig vliesachtig zakje in de thorax, waarin het hart zich bevindt
perikardium
noun
1. grafisch symbool #
tagar
noun
1. softdrug, bereid uit ingedikt sap van gedroogde en fijngestampte vrouwelijke hennepbloemen
hasyis
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
hassium
/'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
membenci
/ˌotkuˈtyr/
noun
adibusana
/ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
  1. pelabuhan
  2. bandar
noun
1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
haver
/ˈɦavɪk/
noun
  1. 1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
    elang-alap
  2. 2. iemand die graag oorlog wil voeren
    rajawali
pronoun
1. Polynesische taal gesproken in de Amerikaanse staat Hawaï
bahasa Hawaii
/ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
bunduk
/ha.ˈhi.ti/, /ɦa.ˈi.ti/, /ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Haiti
/ˈɦɛbə(n)/
verb
1. bezitten
punya
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
  1. Ibrani
  2. Yahudi
adjective
1. blijk gevend van hebzucht, hebberig
loba
noun
jahitan
/ˌɦe:dənˈda:xs/
adjective
1. gangbaar in de huidige tijd
kini
/heːl/
adjective
1. niet stuk
antero
/he.ˈlal/, /ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
alam semesta
noun
1. de tak van de geneeskunde die met operatie probeert te genezen
bedah
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
Tuhan
/ɦɪːr/
noun
    1. 4. welgemanierd persoon
    2. 5. heerser
    prabu
  1. 1.
    tuan
noun
1. iemand die de macht uitoefent
penguasa
noun
belukar
/ɦeːt/
adjective
1.
panas
noun
1.
pengungkit
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
Heilbronn
/ɦɛj.ləɣ/
adjective
1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
keramat
noun
santa
noun
1.
Roh Kudus
noun
1.
ibis keramat afrika
noun
1. de pauselijke regering
Tahta Suci
noun
vergrijp aan iets heiligs
sakrilegi
/ɦɛk/
noun
1. omheining, afscheiding
pagar
/ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
tukang sihir
/ˈhɛksə(n)ˌjɑxt/
noun
1. het jagen op vermeende heksen
perburuan penyihir
noun
sihir
/'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
neraka
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
sayang
/ɦɛlt/
noun
pahlawan
noun
1. de durf en de kracht van mensen, die zich, met gevaar voor eigen leven, voor de goede zaak inzetten
kepahlawanan
/ɦɛlft/
noun
separuh
/ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
helikopter
adjective
heliosentris
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
helium
noun
1. een glooiing in het landschap
lereng
/ɦɛlm/
noun
1. beschermend hoofddeksel
helm
noun
pelayanan pelanggan
/ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
bantu
noun
pembantu
adjective
bedebah
pronoun
1. de hoofdstad van Finland
Helsinki
/ɦɛm/
personalPronoun
1.
ilu
/ˈɦeːməl/
noun
  1. 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
  2. 2. het hiernamaals, leven na de dood
langit
noun
1. lijkbezorging waarbij het lichaam van een dode een plaats boven de grond krijgt waar het door dieren wordt opgegeten
pemakaman langit
noun
benda langit
noun
kilat
noun
belahan bumi
noun
1. bloederziekte
hemofilia
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
bawasir
/ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
ayam
noun
1. visserswerktuig
joran
/herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
perbentaraan
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
rumah inap
noun
1. dier dat zich met plantaardig voedsel voedt
herbivor
verb
1. plechtig aandacht schenken aan een gebeurtenis uit het verleden
memperingati
noun
peringatan
/'ɦɛrdər/
noun
1. begeleider en bewaker van een kudde
gembala
verb
1. opnieuw gedrukt doen verschijnen
mencetak ulang
noun
1. een kreeftachtige (Eupagurus bernhardus) uit de orde van tienpotigen, die in de schelp van een zeeslak woont
kelomang
noun
ajaran sesat
noun
1. derde jaargetijde
  1. gugur
  2. musim
/ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
  1. 1. opnieuw in gedachte brengen
  2. 2. uit het geheugen opdiepen
ingat
noun
memori
noun
1. een herbivoor die zijn voedsel herkauwt
ruminansia
verb
1. waarnemen en beseffen wie het is
mengenal
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
cerpelai
adjective
1. luchtdicht
kedap
noun
herpetologi
pronoun
1.
Herrenberg
noun
kematian otak
noun
1. brein
otak
noun
indoctrinatietechniek
cuci otak
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
  1. rusa
  2. kijang
  3. menjangan
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
adipati
noun
1. het gebied dat onder leiding staat of stond van een hertog
kadipaten
noun
1. adellijke titel, vrouw van een hertog
adipati perempuan
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
hertz
verb
1. een activiteit opnieuw beginnen na deze eerder gestaakt te hebben
melanjutkan
/(ɦ)ət/, /hɛt/
article
1. bepaald lidwoord
-nya
phraseologicalUnit
1. het kan me niets schelen
bodo amat
adjective
heterogen
noun
heteroseksualitas
adjective
1. gericht op het andere geslacht of betrekking hebbend op liefde voor mensen met een ander geslacht
heteroseksual
noun
1. man met seksuele voorkeur voor vrouwen of een vrouw met seksuele voorkeur voor mannen
heteroseksual
relativePronoun
1. wat
yang
pronoun
1. een dode taal die in het huidige Turkije werd gesproken
Bahasa hitit
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
pinggang
adjective
1. betrekking op het vinden van iets
heuristik
/ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
bukit
/'ɦøvəlɑxtəx/
adjective
1. met aanzienlijke hellingen en hoogteverschillen
berbukit
noun
1. C₆H14
heksana
noun
1.
hiatus
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
tumit
/ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
disini
adverbialPronoun
1. in deze richting
kemari
noun
1. leven na de dood
akhirat
/hɛɪ̯/, /ɦɛɪ̯/, /ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
dia
verb
1. zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
mengap-mengap
verb
1. iets met een touw of kabel in opwaartse richting trekken, al dan niet middels een katrol
mengerek
noun
1. een constructie om zware lasten op te tillen
derek
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
cegukan
pronoun
1. + 2. stad en district
Hildesheim
/'ɦɪndərə(n)/
verb
palak
noun
penyergapan
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
  1. Hindi
  2. bahasa Hindi
noun
agama Hindu
noun
2. kinderspel, waarbij men zich deels op één been verplaatst
sunda manda
verb
pincang
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
  1. merengeh
  2. meringkik
adjective
1. betrekking hebbend op de paardensport
berkuda
noun
1. ovale paardenrenbaan
hipodrom
noun
hiragana
noun
histogram
noun
sejarawan
noun
  1. 1. verhaal
    cerita
  2. 2. geschiedenis van een volk, een land enz
    histori
adjective
bersejarah
/ˈhɪtə/
noun
panas
noun
gelombang panas
noun
1. rangorde
hierarki
adjective
1. van of volgens de opeenvolging van rangen
hierarkis
/hɔbi/
noun
1. een liefhebberij of bezigheid ter ontspanning voor in de vrije tijd
hobi
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
obo
noun
1. balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
hoki
/ɦu/
adverb
1. op welke wijze
  1. bagaimana
  2. betapa
/hud/, /ɦut/
noun
  1. 1. een hoofddeksel
  2. 2. deel van een zwam
topi
/ˈhu.də(n)/, /ˈɦu.də(n)/
verb
1. een kudde dieren verzorgen en in de gaten houden
jaga
/ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
kuku
noun
  1. ladam
  2. sepatu kuda
/ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
sudut
adjective
lancip
noun
bajingan
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
batuk
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
batuk
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
berapa
/huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
jumlah
indefiniteOrdinalNumeral
yang keberapa
conjunction
1. drukt een tegenstelling uit
meski
pronoun
Mahkamah Eropa
noun
1. een gebied waar relatief een hogere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
antisiklon
noun
panci tekan
noun
  1. 1. grot, spelonk
    gua
  2. 2. ondergrondse woning of schuilplaats van een dier
    liang
/ˈɦɔlɑnt/
pronoun
1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
Holandia
verb
berlari
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
holmium
/ˈholokaust/
pronoun
Holocaus
noun
1. techniek waarmee een afbeelding in een plat vlak diepte of verschillende beelden lijkt weer te geven als je er onder uiteenlopende hoeken naar kijkt
holografi
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
homeostasis
adjective
gay
noun
1. gelijkklinkend woord
homofon
adjective
homogen
noun
1.
homogenitas
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
homonim
noun
homoseksualitas
adjective
1. betrekking hebbend op de liefde voor geslachtsgenoten
gay
noun
1. man met seksuele voorkeur voor mannen of vrouw met seksuele voorkeur voor vrouwen
gay
/ˈhɔnd/, /ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
  1. anjing
  2. asu
/ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
  1. seratus
  2. ratus
cardinalNumeral
1. het getal 100.000, een tiende deel van een miljoen
cepeceng
noun
rabies
/hɔn.ˈdyː.rɑs/, /ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
Honduras
/hɔŋ(g).ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
orang Hongaria
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
bahasa Hongaria
/ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
Hongaria
/ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
kelaparan
adjective
1. grote behoefte aan voedsel hebbend
lapar
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
kekurangan
noun
1. het weigeren van voedsel uit protest
mogok makan
/hɔŋˈkɔŋ/
pronoun
1. een speciale administratieve regio van de Volksrepubliek China
Hong Kong
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
madu
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mellivora capensis
ratel
noun
1. balsport waarbij de bal met een knuppel geslagen wordt en de spelers langs een drietal honken trachten rond te lopen tot zij weer de thuisplaat bereiken
bisbol
/ɦoːft/
noun
1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
kepala
noun
bantal
noun
1. een letter die een groter formaat en meestal ook een andere vorm heeft dan een kleine letter
huruf besar
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
kutu
noun
1. de voorste pagina van een website
halaman utama
noun
1. pijn in het hoofd
sakit kepala
/'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
  1. ibu kota
  2. ibukota
noun
1. het tuig dat een paard om het hoofd gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken
kekang
noun
bepaalde opdeling van tekst of beeld in een boek
bab
/ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
tinggi
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
Kitab Kidung Agung
noun
kemudi angkat
/ˈɦoxtəvres/, /ˈɦoçtəvres/
noun
1. angst voor hoogten
akrofobia
noun
1. gedroogd gras
rumput kering
/ɦoːp/
noun
3. verwachting van iets wenselijks
berharap
/horn/
noun
1. hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
tanduk
pronoun
Tanduk Afrika
noun
1. apparaat dat slechthorenden helpt bij het waarnemen van geluid
alat bantu dengar
noun
1. bepaald soort vogel, Upupa epops
hud-hud
/ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
  1. harap
  2. berharap
/hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
  1. dengar
  2. mendengar
noun
horizon
noun
cakrawala
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
  1. datar
  2. horizontal
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
hormon
noun
horor
noun
1.
kembang bokor
/ˈɦɔrzəɫ/
noun
1. parasitaire vliegsoort
lalat liang
pronoun
Hosea
noun
1. opneming in een ziekenhuis
hospitalisasi
noun
1. offerbrood
hosti
/hoˈtɛl/, /ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
hotel
/ˈɦɑʊdə(n)/
verb
1. niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen
simpan
/ɦɑʊ̯t/, /[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
kayu
/ɦɑʊ̯tbɛi̯/
noun
1. enige bij onder de geslachtengroep Xylocopini
lebah tukang kayu
noun
1. houtblaasinstrument
instrumen woodwind
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
penebang
noun
1. verkoold hout
arang
noun
1.
howitzer
pronoun
1. binnenzee in Noordoost-Canada
Teluk Hudson
/hœːd/, /ɦœʏ̯t/, /ɦœːt/
noun
1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
kulit
/hœːx/, /ɦœʏ̯χ/, /ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
anak lidah
/ɦœy̯lə(n)/
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
menangis
/hœːs/, /ɦœʏ̯s/, /ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
rumah
noun
1. strafbepaling
tahanan rumah
noun
tuan tanah
/ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
hewan peliharaan
noun
1. bepaald soort knaagdier dat vaak in en rond gebouwen voorkomt, Mus domesticus
mencit
noun
1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
burung gereja
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
ibu rumah tangga
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
pekerjaan rumah
noun
1. een machtiging, uitgegeven door justitie, voor het binnentreden van de woning
surat izin penggeledahan
/ɦʏlp/
noun
1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
  1. bantuan
  2. pertolongan
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
  1. kata kerja bantu
  2. verba bantu
noun
1. puree van o.m. gekookte kikkererwten
hummus
noun
humor
adjective
kelakar
/ɦyrə(n)/
verb
1. tegen betaling gebruiken
menyewa
verb
1. op de onderbenen gaan zitten
jongkok
noun
penyewa
/ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
perkawinan
noun
1. akte van de burgerlijke stand waarin staat dat twee mensen met elkaar getrouwd zijn
akta nikah
noun
1.
perayu
/ˈɦiu̯ələksˌrɛɪ̯s/
noun
1. de reis die een pasgetrouwd stel gewoonlijk onmiddellijk na hun trouwen onderneemt
bulan madu
/hi'drat/
noun
1.
hidrat
noun
1. een speciale uitgeruste waterkraan geplaatst ten behoeve van de brandweer
hidran
noun
1. chemisch proces waarbij water aan een scheikundige verbinding wordt toegevoegd
hidrasi
adjective
hidraulis
noun
hidrografi
noun
hidrologi
noun
1. de splitsing van scheikundige verbindingen door opneming van water
hidrolisis
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
dubuk
noun
ilmu kesehatan
adjective
1. schoon, gezond
higienis
noun
1.een instrument om vochtigheid van de lucht te meten
higrometer
noun
1. een verheven loflied op een bepaald onderwerp (zoals een land, God ...)
gita puja
adjective
1. overactief
hiperaktif
noun
hiperkoreksi
noun
1. een woord dat een verzameling van verwante specifiekere woorden samenvoegt, een overkoepelende term
hipernim
noun
1. verhoogde bloeddruk
darah tinggi
noun
hipertermia
noun
1. bovenmatige groei
hipertrofi
/ɦipoˈkrit/
adjective
1. huichelachtig
munafik
noun
1. huichelarij
kemunafikan
/ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
hipofisis
noun
1. te weinig glucose in het bloed
hipoglikemia
noun
1. term die een subcategorie van een algemenere klasse aanduidt
hiponim
noun
1. de schuine zijde van een rechthoekige driehoek
hipotenusa
noun
1. deel van de hersenen dat een directe verbinding heeft met het hormonale systeem
hipotalamus
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
hipotek
noun
1. onderkoeling
hipotermia
noun
hipotesis
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
cottage
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
Iberia
noun
ikonografi
noun
  1. 1. heiligenafbeelding, zoals vereerd in de kerken van het oosten
  2. 2.
  3. 3.
ikon
/idiˈjal/
adjective
1. zo gunstig mogelijk
ideal
/idiˈjal/
noun
1. iets wat men zich voorstelt als het hoogste en dat men wil verwezenlijken
ideal
/iˈde/
noun
1. gedachte, plan
ide
noun
identifikasi
verb
mengidentifikasi
/idɛnti'tɛitskart/
noun
1. een identiteitsbewijs dat op een kaart gedrukt is
kartu identitas
/ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
ideologi
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
idiom
/idi'ot/
adjective
1. zwakzinnig in de hoogste graad
idiot
pronoun
ido
personalPronoun
1. clitische vorm van de 3e persoon enkelvoud mannelijk nominatief
dia
indefinitePronoun
1.
setiap
indefinitePronoun
seseorang
/ˈiːrlɑnd/, /ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
Irlandia
/iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
Irlandia
pronoun
1.
Laut Irlandia
suffix
  1. 1. anion in submaximale oxidatietoestand
  2. 2. mineraal
it
indefinitePronoun
1. een of ander ding
sesuatu
/ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
igloo
adjective
bebal
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
angkuh
/ɛɪ̯s/, /ɛːs/
noun
  1. 1. de vaste vorm van water, bevroren water
    es
  2. 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
    eskrim
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
beruang kutub
noun
1. een zeer groot brok ijs dat in de zee drijft
gunung es
noun
1. en 2 (bladeren van) Lactuca sativa var. capitata
selada bokor
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
kapal pemecah es
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
hoki es
/ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
eskrim
/ˈɛɪ̯slɑnd/, /ˈɛɪ̯slɑnt/, /ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
Islandia
/ˈɛɪ̯slɑnds/, /ˈɛɪ̯slɑnts/, /ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
  1. Islandia
  2. bahasa Islandia
/ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
  1. idju-idju walanda
  2. raja-udang
/ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
besi
personalPronoun
1.
  1. saya
  2. aku
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
aku cinta padamu
noun
1. een buitenlander die zonder werk- en verblijfsvergunning in een land verblijft
imigran ilegal
noun
ilusi
noun
ilustrasi
adjective
imajiner
/ˌimiˈtasi/, /ˌimiˈtatsi/
noun
1. nabootsing
peniruan
noun
iemand die een ander persoon nadoet
peniru
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
imigrasi
noun
1. onvatbaarheid voor een ziekte
imunitas
noun
1. de leer van het afweersysteem dat verantwoordelijk is voor: afweer tegen besmettelijke ziekten...
imunologi
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
impedansi
noun
imperialisme
noun
imperialis
/ɪmˈperijʏm/
noun
imperium
verb
mengimpor
adjective
impoten
noun
1. onvermogen tot geslachtsgemeenschap
impotensi
noun
impresi
noun
impresionis
noun
1. ter plekke verbeterde versie van een muziekstuk, voorlezing enz.
improvisasi
/ɪmˈpʏls/
noun
2. product van massa en snelheid
momentum
preposition
  1. 2. in (tijdelijk)
    di
  2. 1.-12. in (ruimtelijk)
    di dalam
phraseologicalUnit
1. in een omgeving waar weinig gepresteerd wordt...
di negeri orang buta, seorang bermata satu adalah raja
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
alih-alih
noun
1.
inhalasi
/ˌɪnʌʊɣyˈratsi/
noun
1. de feestelijke of plechtige inwijding in een ambt
inaugurasi
noun
1. iemand die inbreekt
maling
noun
hubungan sedarah
/ˈɪntʃɛˌkə(n)/
verb
1. zich aanmelden aan een balie om een instapkaart te krijgen en eventueel bagage af te geven.
lapor masuk
preposition
1. met inbegrip van
termasuk
/ˌɪŋkʏltyˈrasi/, /ˌɪŋkʏltyˈraʦi/
noun
1. het proces waarbij elementen uit een bepaalde religie of cultuur geïntegreerd worden in een andere cultuur.
inkulturasi
noun
  1. 1. inhoudsopgave
  2. 2. index librorum prohibitorum
  3. 6. indexbestand
telunjuk
/ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
India
noun
1. inwoner van Amerika voor de komst van de Europeanen
indian
noun
1. de vorm van het werkwoord die de werkelijkheid aangeeft
modus indikatif
conjunction
1. onder de voorwaarde dat
kalau
/ɪn.ˈdi.ɣo/, /ɪn.ˈdi.χo/
noun
1. een kleur die in het het lichtspectrum voorkomt met een golflengte van 440 tot 420 nanometer
  1. nila
  2. indigo
noun
1. bepaald soort boom of struik met een naar kaas riekende moerbeiachtige vrucht, Morinda citrofolia
mengkudu
/ˌɪndisəˌosiˈan/, /ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
Samudra Hindia
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
indium
noun
orang india
noun
indoktrinasi
/ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
bahasa Indonesia
/ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Indonesia
/ˈɪndrʌk/
verb
impresi
adjective
1. een grote indruk achterlatend
impresif
noun
induktansi
noun
1. Nijverheid
industri
noun
1. een besmetting van lichaamsweefsel met ziekteverwekkers als bacteriën, virussen, schimmels of...
infeksi
adjective
bedebah
noun
1. tussengevoegd morfeem
infiks
noun
1. stijging van het prijspeil waardoor het geld in waarde daalt
inflasi
noun
1.
influenser
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
ilmu komputer
noun
1.
informasi
noun
keamanan informasi
noun
1.
sistem informasi
adjective
inframerah
/ˈɪɱfrastrʏktyr/
noun
1. het totaal van onroerende voorzieningen zoals (spoor)wegen, vliegvelden,...
infrastruktur
noun
2. een opening waar iets doorheen kan
jalan masuk
/ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
insinyur
noun
2. verzamelnaam voor de inwendige organen van het darmkanaal
usus
noun
1.iemand die bekend is met een geheim
orang dalam
adjective
1. niet eenvoudig en zeer samengesteld
kompleks
noun
1. de mate waarin iets complex is
kekompleksan
/ˈɪŋɣrep/
verb
intervensi
noun
1. iemand die ergens al woont sinds zijn/haar geboorte
pribumi
noun
1. overzicht van de onderwerpen of hoofdstukken in een boek
daftar isi
noun
inisiasi
noun
suntikan
noun
semprotan
noun
1.
ceruk
noun
1. regelmatig verkregen som geld
pendapatan
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
tinta
/ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
kotak tinta
/ˈɪnlɛɪdɪŋ/, /ˈɪnlɛːdɪŋ/
noun
1. een tekst waarmee men een indruk probeert te geven van de inhoud van een langere tekst
introduksi
/'ɪnlevɪŋsvərmoxə(n)/
noun
1. de kunde of vaardigheid om zich in te leven in de situatie en gevoelens van anderen
empati
/ˈɪnlɔɣə(n)/
verb
masuk
noun
1. enten
inokulasi
/ɪ'mplɛnə(n)/
verb
1.
menjadwalkan
verb
1. een lidmaatschap of deelnemerschap schriftelijk vastleggen
daftar
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
serangga
adverb
sama-sama
noun
1. horizontale draden die tijdens het weven tussen de opgespannen draden van de schering worden ingebracht
benang pakan
verb
1. iets door de keel de slokdarm in doen bewegen
telan
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
upaya
noun
inspektur
noun
1. een grondige en nauwkeurige controle
inspeksi
/ɪnspi'rasi/
noun
1. een gevoel over hoe men een klus kan aanpakken
ilham
noun
  1. 3. een min of meer plechtige en officiële inwijding in een bepaald ambt
  2. 8. een kunstvorm
instalasi
noun
2. organisatie, die vaak subsidie van de overheid krijgt en geen geld wil verdienen
institusi
noun
1. gedrag dat geheel genetisch bepaald is
naluri
adjective
naluriah
adjective
1.
instingtif
noun
1. een order, een aanwijzing
instruksi
noun
  1. 1. werktuig
  2. 2. verkort voor muziekinstrument
instrumen
/ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
insulin
adjective
1. in goede staat, onaangetast
intak
/ɪntəˈɣra(t)si/
noun
integrasi
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
kecerdasan
noun
1.
inteligensia
adjective
1. zeer krachtig, hevig
intens
noun
1.
terapi intensif
noun
1. een verklaring van een partij omtrent een bedoeling (intentie)
surat pernyataan niat
noun
1. onderlinge beïnvloeding
interaksi
adjective
interdisipliner
adjective
1. wekt interesse
menarik
noun
  1. 1. belang
  2. 2. belangstelling
  3. 3. iets waar belangstelling voor is
ketertarikan
noun
bunga
noun
antarmuka
noun
3. gezamelijke werking van golven
gangguan
/ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
internasional
pronoun
Dana Moneter Internasional
pronoun
Biro Internasional untuk Ukuran dan Timbangan
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
internet
noun
1.
warung Internet
noun
1. uitlegging, vertaling
interpretasi
verb
1. uitleggen of opvatten
menafsirkan
/'ɪntɛrpɵŋktsi/
noun
tanda baca
noun
  1. 1. tussenperiode
  2. 3. de afstand tussen twee verschillende tonen
lat
noun
1. vraaggesprek met iemand over diens opvattingen en ervaringen
wawancara
noun
1. onverdraagzaamheid
intoleransi
adjective
1. in de ader gelegen of plaatvindend
intravena
/ɪntroˈdʏksi/
noun
de presentatie van iets nieuws, of de inleiding van een nieuwkomer
introduksi
/ˈɪntrɔn/
noun
1. stukje DNA dat zich bevindt in een gen maar dat niet wordt gebruikt om het eiwit te coderen
intron
noun
1. invasie
invasi
noun
invasi
noun
inventaris
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
investasi
noun
ajakan
/ˈɪnvluːt/
noun
  1. 1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
  2. 2. het vermogen om op anderen in te werken
pengaruh
adjective
berpengaruh
/ˈɪnvurə(n)/
verb
2. gegevens in een electronisch apparaat stoppen
mengimpor
noun
1. immigratie
imigrasi
noun
penduduk
/jɔn/
noun
ion
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Zuid-Italië en West-Griekenland
Laut Ionia
noun
ionosfer
/i'peʔadrɛs/
noun
1. een combinatie van getallen waarmee een computer in een IP-netwerk kan worden herkend
alamat IP
/i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
Irak
/i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
Iran
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
iridium
/ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
ironi
/ˌɪ.ri.ˈɣa.si/, /ˌɪ.ri.ˈχa.tsi/
noun
1. het op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien
pengairan
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
Islam
pronoun
Islamabad
noun
1. een verzameling punten onder constant houden van de druk gemeten
isobar
noun
isolator
verb
  1. 1. persoonlijk
  2. 2. chemisch
  3. 3. elektrisch
  4. 4. warmte
memencilkan
/ˈɪs.ra.hɛl/, /ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
Israel
noun
1. een smalle strook land die twee grotere landmassa's verbindt
daratan sempit
/italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
  1. Italia
  2. Bahasa Italia
/iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
  1. Italia
  2. Itali
noun
1. herhaling
lelaran
noun
gading
/i.ˈvoːr.kʏs/, /i.ˈvoːr.kʏst/, /i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
Pantai Gading
/jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
ya
/ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
tahun
noun
1. een tentoonstelling die één of tweemaal per jaar gehouden wordt waarop men nieuwe producten...
pekan raya
/ˈjar.ɣə.ˌtɛɪ̯.də/, /ˈjar.ɣə.ˌtɛː.də/, /ˈjar.χə.ˌtɛɪ̯.də/
noun
1. een deel van een jaar met unieke eigenschappen
musim
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
tahunan
/jɑxt/
noun
1. het achtervolgen van wild
pemburuan
noun
1. zeer snel, betrekkelijk groot Afrikaans katachtig roofdier, Acinonyx jubatus
citah
noun
gevechtsvliegtuig
pesawat tempur
/ˈjaːɣə(n)/
verb
1. bewegende wezens proberen te vangen
  1. berburu
  2. buru
noun
1. iemand die op jacht gaat
pemburu
noun
pemburu-pengumpul
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
jaguar
/ˈjɑːwe/
pronoun
Yahwe
/ˈjɑːwɛ/
pronoun
Yahwe
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat Rajasthan
Jaipur
noun
yak
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
jakal
pronoun
Yakub
/jaˈkobʏs/
pronoun
Yakobus
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
cemburu
/jɑˈluːrshɛɪt/, /jɑˈluːrshɛːt/
noun
1. een wrok die iemand koestert omdat men een ander niet gunt wat men zelf begeert
  1. iri
  2. kecemburuan
/ʃɛm/
noun
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
selai
/(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Jamaika
noun
1. een grote bijeenkomst van scouts in de leeftijd van 14 tot 17 jaar uit landen verspreid over de gehele wereld die eens per 4 jaar wordt georganiseerd
jambore
/jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
  1. Januari
  2. januari
pronoun
  1. 2. Romeinse god
  2. 3. maan
Yanus
/jaˈpɑn/, /jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
Jepang
noun
orang
/jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
Jepang
/jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
bahasa Jepang
pronoun
1. taalfamilie van Japans en een tiental verwante talen die in Japan worden gesproken
rumpun bahasa Japonik
/jɑr.ˈɣɔn/
noun
2. vaktaal, taalgebruik binnen een bepaalde groep, vaak moeilijk te volgen voor een buitenstaander
bahasa kacau
noun
1.
mantel
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Jasminum
melati
pronoun
1. een taal die door meer dan 75 miljoen mensen op Java en Bali gesproken wordt
bahasa Jawa
noun
1. Rhinoceros sondaicus, neushoornsoort levend op West-Java en in Vietnam
badak jawa
/ˈjeɣəns/, /ˈjeχəns/
preposition
1. tegenover
kepada
/jeˈhova/
pronoun
Yehuwa
/ˈjemən/, /ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
Yaman
pronoun
1. en 2.
Jena
pronoun
Yeremia
noun
1.
jeriken
pronoun
Jersey
pronoun
Yesaya
/ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
kepemudaan
/ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Yesus
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Yesus Kristus
/je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
Yesuit
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
pirai
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
bahasa Yiddi
adjective
1. taal van Asjkenazische joden
bahasa Yiddi
noun
jihad
/jEi/, /jɛɪ̯/, /jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
anda
noun
1.
jingoisme
/'jɔb/
pronoun
Ayyub
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
yodium
pronoun
Yugoslavia
pronoun
2.1 een van de vier Evangeliën
Yohanes
/ˈjɔ.kə(n)/
verb
2. een relatief onschuldige leugen vertellen
berbohong
adjective
1. van geringe leeftijd
muda
noun
1. onvolwassen man
anak laki-laki
noun
1. schip
jung
/jot/
noun
Yahudi
noun
1. aanhanger van het joodse geloof
yahudi
adjective
1. te maken hebbend met het joodse geloof, het jodendom
Yahudi
/jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
Yordania
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
jurnalis
noun
jurnalis
/jɑu̯/
possessivePronoun
1.
kamu
/joˈʔel/
pronoun
Yoël
noun
1. feestelijke herdenking van de dag waarop iets gebeurde of begon
yubileum
pronoun
2. boek in de Bijbel
Yudas
noun
1. vriendelijk gebaar van een iemand die veinst een vriend te zijn, kort voordat zijn ware bedoelingen duidelijk worden
ciuman Yudas
/'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
judo
/jʏˈfrɑu/
noun
nona
adjective
1. zoals het moet, waar
tepat
noun
1. houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten verbindt
kuk
/jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
  1. Juli
  2. juli
/ˈjʏli/
personalPronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
kalian
noun
hutan
noun
1. de zesde maand van het jaar
  1. Juni
  2. juni
noun
1. een verzamelnaam voor snel bereid en geserveerd voedsel dat vaak ongezond is
makanan sampah
noun
1. groep hoge militairen die samen de baas zijn over het bestuur van een land
junta
/ˈjypiˌtɛr/
pronoun
  1. Jupiter
  2. Yupiter
/jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
gaun
noun
1. een groep mensen die oordeelkundig geacht wordt en gevraagd een oordeel ergens over uit te spreken
juri
noun
1. saus voor spijzen, bereid uit vleesnat
gravi
noun
1. sieraad van grote schoonheid en hoge waarde
jauhar
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
pedagang emas
noun
dermaga
noun
1. krokodilachtige uit de onderfamilie Caimaninae van de familie alligators
kaiman
pronoun
Kepulauan Cayman
noun
1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
rahang
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
tetanus
noun
1. klap in het gelaat
tamparan
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
botak
noun
1. het kaal zijn
botak
noun
1. een in zee vooruitstekende landpunt
tanjung
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
Cape Town
/kab.ˈvɛr.di.jə/, /kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Tanjung Verde
/kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
  1. linin
  2. lilin
noun
1. het schijnsel van een brandende kaars
cahaya lilin
noun
    1. 2. bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
    2. 3. kartonnen of plastic vel uit een kaartspel, om mee te spelen
    kartu
  1. nog in te delen vertalingen
    peta
noun
2. papier(tje) of digitaal document als bewijs dat je ergens recht op hebt, zoals toegang of deelname
karcis
/kartspɛl/
noun
1. een spel met speelkaarten
permainan kartu
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
keju
noun
1. een langwerpig hartig koekje van bladerdeeg met geraspte kaas
kastengel
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
kabel
noun
dewan menteri
/'kabul/
pronoun
1. Afghaanse stad/provincie
Kabul
noun
1. sprookjesfiguur
katai
/ˈkɑ.xəl/, /ˈkɑ.xəɫ/, /ˈkɑ.χɔɫ/
noun
1. een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
kompor
/ˈkɑxtəl/, /ˈkɑxtəɫ/, /ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
anak kuda
noun
1. dood lichaam van een dier
mayat
noun
1. beschoeide of gemetselde oeverstrook waaraan de schepen kunnen aanleggen
dermaga
noun
1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
kader
/kɑf/
noun
1. de vliezen rondom de graankorrels
sekam
noun
1.
kaftan
noun
1. een gesloten kano om in wild water of op zee te varen
kayak
noun
1. overdekte gemeenschappelijke verblijfplaats op schepen
kabin
/ˈkɑkhœʏs/
noun
1. toilet
kakus
/kaki/
noun
kesemek
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
  1. kecoak
  2. kecoa
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
kalender
noun
daging sapi muda
noun
khalifah
noun
khilafah
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
kalium
noun
kalium klorida
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
  1. ayam belanda
  2. kalkun
  3. ayam kalkun
noun
tobong gamping
noun
batu kapur
/ˈkɑlmus/, /ˈkɑɫmus/
noun
jerangau
/kɑm/
noun
1. getand object om haren mee te verzorgen
sisir
/kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
unta
/ka'melejɔn/
noun
  1. 1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
  2. 2. veranderlijk persoon
bunglon
noun
1. deel van een huis
  1. kamar
  2. bilik
  3. chambro
noun
kamerad
noun
musik kamar
/ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
Kamerun
noun
suhu kamar
noun
  1. kamper
  2. kapur barus
/kɑmikazə/
noun
2. aanval op een sterkere vijand waarbij het onvermijdelijk is dat men zelf sterft
kamikaze
noun
1. mannenvest met lange mouwen en diepe zakken
kamisol
noun
  1. 1. een plaats waar een aantal troepen geruime tijd of permanent gehuisvest zijn
  2. 2. een kampeerplaats met een groep van bij elkaar horende tenten
kamp
noun
1. iemand die, gewoonlijk tijdens de vakantie, in een tent bivakkeert
pekemah
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
kamperfuli
/kɑmpiun/
noun
1. de winnaar van een kampioenschap
juara
noun
1. wedstrijd waar bepaald wordt wie de kampioenstitel mag dragen
kejuaraan
noun
kampung
noun
1. serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
kaleng
pronoun
Selat Inggris
/ka'naːl/
noun
  1. bandar
  2. saluran
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
burung kenari
pronoun
1. een stad gelegen in Zuid-Afghanistan en de hoofdstad van de gelijknamige provincie
Kandahar
noun
kandil
noun
1.
calon
noun
gula batu
/kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
  1. kulit kayu manis
  2. kayu manis
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
kanguru
noun
1.
honji
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
kanker
pronoun
1. taal die in de Indische staat Karnataka gesproken wordt
Kannada
noun
1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
kanibal
noun
1.
kanibalisme
noun
kano
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
meriam
noun
2. een mooie gelegenheid
kesempatan
noun
1. eerste minister
kanselir
/kɑnt/
noun
1. een vorm van vlechtwerk
renda
noun
1. eetgelegenheid in bedrijven, scholen, verenigingen
kantin
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
kantor
noun
1. klein kerkgebouw
kapel
noun
1. markt waarop vermogenstitels worden verhandeld met een onbepaalde looptijd, of met looptijden vanaf circa twee jaar
pasar modal
noun
1.
kapital
noun
  1. 1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
  2. 2. (beroep) (militair) een rang in de hiërarchie net boven die van luitenant
kapten
noun
1.
bab
/'kɑpmɛs/
noun
1. stevig mes
golok
adjective
1. gebroken
rusak
noun
penata rambut
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
potongan rambut
noun
penata rambut
noun
1. een tafel met een spiegel erboven en met laatjes voor toiletbenodigdheden
meja rias
noun
1. voertuig
kereta
noun
1. een geweer met ingekorte loop en soms ook ingekorte schoudersteun
karabin
noun
  1. 1. aard
  2. 2. letter
watak
noun
1. gebrande suiker
karamel
noun
1. vorm van vermaak, waarbij muziek wordt afgespeeld van een lied, en de amateur zanger in een microfoon de tekst (die op een televisiescherm te lezen is) live zingt
karaoke
noun
1. japanse gevechtsport
karate
noun
1.
kafilah
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bubalis bubalis
kerbau
noun
plant en zaad
kapulaga
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
kardinal
noun
1.
karikatur
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het zuiden van het land
Karnataka
noun
1. gefermenteerde melk
susu mentega
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
ikan mas
/kɑrˈtɔn/
noun
  1. 1. bordpapier
  2. 2. verpakking
karton
noun
plant, zaad en specerij
jintan
pronoun
Kashmir
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
Laut Kaspia
noun
1. iemand die het beheer heeft over de kas en de mutaties ervan bijhoudt
kasir
/kɑs/, /kɑst/
noun
1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
lemari
noun
  1. 1. de boom
  2. 1. de vrucht
berangan
adjective
merah pirang
noun
1. streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
kasta
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
istana benteng
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Casuarius
kasuari
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
kucing
noun
1. geheel van de afbraakprocessen in een lichaam
katabolisme
noun
katalis
noun
2. speeltuig
ketapel
noun
2. gevolgen van alcoholgebruik
basian
/kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
katedral
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
kateter
noun
1-2 scheikunde + elektronica
katode
/ˌka.to.ˈlik/
adjective
  1. 1. overeenkomstig de geloofsleer van de Katholieke Kerk
  2. 2. te maken hebbend met de Katholieke Kerk
Katolik
noun
kation
/kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
katun
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
katrol
pronoun
1. gebergte
Kaukasus
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
burung gagak kecil
verb
kunyah
noun
1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
permen karet
/ˈka.zɑx.stɑn/, /ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
Kazakhstan
noun
1. gebouw waar soldaten gelegerd zijn
barak
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
kasula
/keːl/
noun
1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
  1. tenggorok
  2. tekak
/kelɔntstekɪŋ/
noun
1. een infectie van de slijmhuid van de keel
infeksi tenggorokan
noun
1. pijnlijke irritatie van het slijmvlies in de keelholte, meestal door een ontsteking ervan
sakit tenggorokan
/ˈkipər/
noun
penjaga gawang
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
kali
noun
titik balik
/ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
kerucut
noun
1. een kromme gevormd door het snijden van een kegel met een plat vlak
irisan kerucut
noun
1. brok gesteente
batu longsor
/'kɛɪɦɑrt/
adverb
1. bijzonder hard: zo hard als een kei
  1. gigih
  2. keras
/kɛil/
noun
1. keil (wig)
baji
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
kaisar
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
maharani
adjective
imperial
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
kekaisaran
noun
1. een ondergrondse bergruimte
basemen
noun
cawan
noun
pramusaji
/ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
Kenya
/'kɛnmɛrkə(n)/
verb
1. een herkenningspunt ergens van zijn
menandai
verb
  1. 1. bekend, vertrouwd zijn met
  2. 2. door studie of oefening geleerd hebben
kenal
/ˈkɛnɪs/
noun
  1. 1. wat je weet of hebt geleerd
    pengetahuan
  2. 1. iemand met wie men bekend is
    kenalan
/ˈkɛpəl/
noun
1. hoofddeksel in de vorm van een ondiep bolsegment
kippah
noun
keramik
/kɛrk/
noun
  1. 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
  2. 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
  3. 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
gereja
/kɛrkər/
noun
1. een ondergrondse ruimte die bestemd is voor het opsluiten van gevangenen
penjara bawah tanah
noun
1. terrein waar overledenen begraven worden
pusara
/ˈkɛr.klɔk/
noun
1. een bel in de toren van een kerk
lonceng gereja
/ˈkɛrgœːl/, /ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
serak jawa
noun
1.
prelatus
noun
1. ouders en hun minderjarige kinderen
keluarga batih
noun
1. een oorlog waarin beide strijdende partijen kernwapens gebruiken
perang nuklir
noun
reaktor nuklir
noun
1. een rampzalige gebeurtenis waarbij de brandstof van een kernreactor smelt door het wegvallen van de koeling
kebocoran nuklir
noun
senjata nuklir
noun
1. een vrij zware fractie alkanen die met name als vliegtuigbrandstof gebruikt wordt
kerosin
noun
specerij
kari
noun
1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
ceri
/ˈkɛr.sə.ˌlaːr/
noun
  1. 2. het hout van een boom uit het geslacht Prunus
  2. 1. een boom uit het geslacht Prunus
pohon ceri
/kɛr.ˈsta.vɔnt/, /kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
malam Natal
/ˈkɛrsd.bom/, /ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
pohon Natal
noun
hadiah Natal
/ˈkɛr.stə.ˌnɪŋ/
noun
1. het proces waarbij heidense volkeren zich, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren
  1. kristianisasi
  2. pengkristianan
/ˈkɛrs.kart/, /ˈkɛrst.kart/
noun
1. een wenskaart die wordt gekenmerkt door een kerstgroet en wensen voor het komende nieuwe jaar
kartu Natal
/ˈkɛrs(t)məs/, /ˈkɛrsmɪs/, /ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
Natal
/ˈkɛr.stɑl/, /ˈkɛr.stɑɫ/
noun
1. een voorstelling van de geboorte van Jezus met figuren van hout of gips, die vooral in katholieke gezinnen rond Kerstmis in huis te vinden is, vaak onder de kerstboom
gua Natal
/ˈkɛrstɛr/
noun
kastuba
noun
kesambi
noun
1. een saus op basis van tomaten
saus tomat
noun
1. meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
pendidih
noun
1. uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
rantai
noun
1. een Indonesische sojasaus gemaakt van een mengsel van sojabonenmeel, grof gemalen tarwe, kruiden en zout
kecap
noun
1. iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
bida'ah
/ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
ajaran sesat
noun
4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
kalung
noun
1. een aanrijding van vanachter waarbij de aangereden auto doorschiet tegen zijn voorligger aan
kecelakaan karambol
/ˈkøːkə(n)/
noun
1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
dapur
noun
1. uit natriumchloride bestaand voedingszout
garam dapur
pronoun
Köln
verb
1.zich een oordeel vormen over de waarde of deugdelijkheid van iets
periksa
/'kø:s/
noun
gelegenheid
pilihan
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
opsi
/ˈkevər/, /ˈkɛvər/
noun
  1. 1. bepaald insect
  2. 2. bepaald type Volkswagen
kumbang
/ˈkiːbɔː(r)d/, /ˈkiːbɔː(r)t/
noun
2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
kibor
pronoun
1. taal die in Cambodja gesproken wordt
Khmer
/kɪbələ(n)/
verb
1. woordenstrijd hebben
  1. bersengketa
  2. ribut
/ˈkɪbuts/
noun
kibbutz
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
menculik
noun
1. verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip
lunas
noun
kuman
adjective
1. een vrij grote tand die achter in de mond staat
geraham
noun
1. een gebied, waar bij verkiezingen op dezelfde kandidaten kan worden gestemd
daerah pemilihan
noun
1. pijn in één of meerdere kiezen
sakit gigi
noun
hak pilih
verb
1. het prikkelen van gevoelige stukken huid bij anderen door middel van licht aanraken
menggelitik
noun
1. ademhalingsorgaan van vele in water levende dieren
insang
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kyiv
verb
pandangi
noun
1. iemand die kijkt
pemirsa
noun
1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
katak
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
kacang arab
noun
1. kikker- of paddenlarve
berudu
abbreviation
1. kilogram
kilogram
noun
1. duizend meter
kilometer
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
dagu
noun
  1. 1. mens tussen 0 en 18 jaar
  2. 2. persoon voortkomend uit
anak
adjective
1. zich niet als volwassene gedragend alsof men nog een kind is
kekanak-kanakan
noun
pekerja anak
noun
1. een arts die gespecialiseerd is in de behandeling van kinderen
dokter anak
noun
ilmu kesehatan anak
noun
1. een voertuig waarin zuigelingen of kleuters met de hand verreden kunnen worden
kereta bayi
/kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
batuk rejan
/kɪp/
noun
1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
ayam
/kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
Kirgizia
/ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Kiribati
/kɪst/
noun
kotak
noun
2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
buah kiwi
noun
elegi
pronoun
Ratapan
/klaːr/
adjective
2. helder, duidelijk
jelas
/ˈklaːr ɪs kes/
interjection
Bob adalah pamanmu
pronoun
1. denkbeeldig mannetje dat mensen 's nachts iets in de ogen strooit zodat ze kunnen slapen
Manusia Pasir
noun
1. een aanklacht
keluhan
verb
1. ongenoegen uiten
adu
noun
1. fijn net waaronder men slaapt om muggen buiten te houden
klambu
noun
1. in het algemeen wordt hiermee het totaal aan eigenschappen van een geluid aangeduid
bunyi
noun
fonetik
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
pelanggan
noun
  1. 1. plotselinge, luidruchtige slag
    dentuman
  2. 2. bestraffing
    tamparan
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
apiun
noun
1. ± stuk rundvlees van de borst of klaprib, dat langdurig in een oven gebraden wordt
sandung lamur
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
klarinet
/klɑs/
noun
1. een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
kelas
noun
1. een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
ruang kelas
noun
kelas
/klʌu/
noun
  1. 1. poot van een roofdier
  2. 2. hand
cakar
noun
semanggi
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
pakaian
noun
1.
baju
noun
1. een winkel die zich specialiseert in de verkoop van kleding
toko pakaian
noun
ruang ganti
noun
1. rijstsoort die veel zetmeel bevat
beras ketan
noun
penjahit
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
penjahit
/klɛɪ̯/, /klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
lempung
adjective
1. van geringe grootte
kecil
/ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
cucu
/ˈklɛːŋkɪnt/, /ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
cucu
noun
1. klein voorwerp van hoge waarde
permata
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
cucu
noun
1. verstelbare afsluiting
katup
noun
1. de onweerstaanbare drang om te stelen
kleptomania
/ˈkleː.rən/
noun
1. kleding of kledingstukken
pakaian
verb
2. praten, babbelen
mengobrol
/kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
  1. warna
  2. rona
adjective
1. zonder kleur
awawarna
noun
pensil warna
noun
1. stof waarmee men iets kleurt
pencelup
verb
tempel
/ˈkleːvərɪx/
adjective
1. vasthechtend bij aanraking
lengket
noun
2. orgaan
kelenjar
noun
1. steile hoge rots
tebing
noun
1. kort geluid
klik
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
iklim
noun
1.
perubahan iklim
noun
1. de verandering van het klimaat in een bepaald gebied over een bepaalde periode, m.n. de wereldwijde opwarming sinds de 19e eeuw
perubahan iklim
/klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
klimatologi
verb
1. het bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
memanjat
/'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
tanaman jalar
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
bahasa klingon
noun
1. een inrichting waar patiënten worden verpleegd
klinik
adjective
1. direct voor de arts (hulpverlener) zichtbaar
klinis
/klɪŋk/
noun
2. constructie om een deur gesloten te houden
selot
/ˈklɪŋkər/
noun
1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
huruf hidup
noun
  1. 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
    jam
  2. 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
    lonceng
noun
2. smal hoog bouwwerk met bovenin een of meer wijzerplaten van een uurwerk
menara jam
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
ngarai
/klon/
noun
1. een levend wezen dat een exacte genetische kopie is van een ander wezen
klona
/klostər/
noun
  1. 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
  2. 2. een kloostergemeenschap als zodanig
biara
noun
bajingan
verb
    1. 2. hoorbaar bewegen
    2. 5. verslaan
    berdenyut
  1. 1. tegen iets slaan
    mengetuk
/klœʏs/, /klœːs/
noun
1. een tegen inbraak en brand beveiligde kist of kast
brankas
noun
1. iemand die alleen en in afzondering leeft
resi
noun
1.
enema
/ˈknaxdiːr/, /ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
pengerat
verb
1. met de tanden aanvreten
  1. mengerat
  2. merongrong
noun
knalpot
adjective
2. aantrekkelijk
ganteng
/ˈknøzɪŋ/
noun
1. een onderhuidse beschadiging van het zachte weefsel, veelal veroorzaakt door een bot voorwerp of een val
kontusio
noun
1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
  1. lutut
  2. dengkul
verb
1. op de knieën gaan
lutut
noun
1. het schijfvormige bot in de knie
cencawan
verb
1. tussen twee punten druk uitoefenen
mencubit
/'knɪkə(n)/
verb
1. een verticale beweging met het hoofd maken
mengangguk
noun
1. balletje van glas, marmer, steen, hout of klei
kelereng
noun
1. Caesalpinia bonduc
kaniker
verb
  1. 1. met een schaar uitsnijden
  2. 3. (informatica) overnemen van informatie
iris
verb
1.
mengedipkan
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
bawang putih
noun
1. verdikte plantenwortel.
umbi
noun
3. aan een jas e.d.
  1. kancing
  2. butang
verb
1. een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
mengikat
noun
1. omhelzing
pelukan
verb
1. omhelzen
berpelukan
/knʏl/
noun
1.
bung
/knʌtsələ(n)/
verb
1. zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf
mengakali
noun
1. een Australisch buideldier
koala
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
kobalt
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
laba-laba
noun
1. Ursus arctos middendorffi, de grootste beer en het grootste bekende landroofdier
beruang kodiak
noun
1. vrouwelijk rund
  1. sapi
  2. lembu
noun
bolu
/[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
biskuit
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
guguk
adjective
1. met een naar verhouding lagere temperatuur dan de warme of hete omgeving
sejuk
/ˈku:li/
noun
kuli
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
kulkas
noun
1.
menara pendingin
noun
1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
kubah
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
Kurdi
noun
1. kleine witte reigersoort
kuntul kerbau
noun
kesambi
noun
1. stevige metalen stang voorzien van een gespleten einde, gebruikt om er zaken mee open te breken
linggis
/ˈkuwɛɪ̯t/, /ˈkuʋɛɪ̯t/, /ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
Kuwait
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
koper
noun
1. drank uit koffiebonen
kopi
noun
café au lait
noun
1. het donkere bezinksel van gemalen koffiebonen dat overblijft na het zetten van koffie
ampas kopi
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
warung kopi
noun
coffea
noun
1-2. munitie
peluru
adjective
1. kogelvrij
antipeluru
noun
koki
verb
  1. 1. vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
    godok
  2. 2. met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
    masak
/ˈko.kɔsˌbom/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
kelapa
/'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
kelapa
/ˈko.kɔsˌpɑlm/, /ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
  1. kelapa
  2. pohon kelapa
noun
1. een hoge militaire rang
kolonel
/'kolonijaˌlismə/
noun
1.
kolonialisme
/koˈloni/
noun
1. een vestiging van een deel van een bevolking, buiten het eigenlijke territorium van dat volk
koloni
noun
1. iemand die zich in een kolonie heeft gevestigd
kolonis
noun
1. eetgerei zoals een bord, maar dan dieper
mangkuk
/koˈmedi/
noun
1. een blijspel
humor
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
komet
verb
  1. 2. een orgasme hebben
    datang
  2. 1. bewegen van verder weg naar dichterbij
    1. datang
    2. mendatang
    3. mendatangi
    4. mendatangkan
/kɔm'for/
noun
kompor
noun
1. iemand die een publiek vermaakt door ze aan het lachen te brengen
komedian
noun
plant, zaden en specerij
jintan putih
/kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
  1. mentimun
  2. ketimun
/ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
koma
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
kompas
noun
kedatangan
/kɔˈnɛɪn/, /kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
kelinci
/ˈkonɪŋ/, /ˈkoːnɪŋ/
noun
1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
raja
/konɪˈŋɣɪn/, /konɪˈŋɪn/, /koʊnɪˈŋɪn/
noun
  1. ratu
  2. rani
pronoun
1. een stad in het voormalige Oost-Pruisen
Kaliningrad
/ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
kerajaan
/ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
kerajaan
noun
1. de billen, het achterwerk
pantat
noun
1. anus
lubang pantat
noun
1.
iring-iringan
/koːɪ/
noun
1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
kandang
noun
boek waaruit men leert koken
buku masak
noun
kompor
noun
titik didih
noun
1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
  1. kubis
  2. kol
noun
1. reukloos gas dat ontstaat bij volledige verbranding van koolstof
karbon dioksida
noun
1. een bepaald type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
karbohidrat
/ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
  1. karbon
  2. zat arang
/kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
hidrokarbon
noun
1. iets wat men voordelig aanschaft
menawar
noun
1. de hoeveelheid goederen of diensten die gekocht kan worden met een bepaald geldbedrag
daya beli
noun
pedagang
noun
1. een groep mensen die samen zingen
kor
noun
1. rechte tussen twee cirkelpunten
tali busur
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
demam
noun
    1. 1. hoofd van een dier
    2. 2. hoofd van een mens
    3. 9. zijde van een geldstuk met een afgebeeld hoofd
    kepala
  1. 1. porseleinen recipiënt met oor, om uit te drinken
    cangkir
noun
1.
sundul
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
membeli
pronoun
1.
Kopenhagen
noun
2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
tembaga
noun
1. een afschrift of andere reproductie van een document of ander voorwerp
kopi
/kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
1. een duplicaat maken van
mengkori
noun
1. een constructie die in een motor of voertuig mechanische krachten op een te onderbreken wijze overbrengt
kopling
noun
1. een werkwoord dat een eigenschap koppelt aan het onderwerp
kopula
noun
1. skelet van de koraalpoliep
karang
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan
Laut Karang
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
  1. Alquran
  2. Al-Qur'an
/koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Korea
/koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
  1. Korea
  2. bahasa Korea
noun
1. een mand van vlechtwerk
bakul
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
ketumbar
noun
1. gemalen gedroogde zaden van Coriandrum sativum
ketumbar
/korijɑndərzaːt/
noun
1. gedroogde zaden van Coriandrum sativum
ketumbar
noun
kornelia
/kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
kerak
noun
1. deeg voor de stevige korst van een taart
keripik pastel
adverb
  1. 1. van geringe duur
  2. 2. van geringe lengte
pendek
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
diskon
noun
korundum
noun
1.
korvet
noun
kosmologi
/ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
Kosovo
adjective
berharga
verb
1. als te betalen prijs hebben
berharga
noun
1. een school waar de leerlingen vijf dagen per week niet alleen les volgen, maar ook maar ook kost en inwoning krijgen
sekolah asrama
noun
setelan jas
noun
pencari nafkah
verb
1. de maaginhoud via de mond weer naar buiten werken
muntah
noun
cutter
/kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
dingin
/kʌʊtˈbludəx/
adjective
  1. 1. niet de eigen lichaamstemperatuur regulerend
  2. 2. zonder emotie
berdarah dingin
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
gangren
/kaʊ̯s/, /kɔʊ̯s/, /kʌʊ̯s/
noun
1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
setoking
noun
2. extreem lange peulvrucht
kacang panjang
/kraɪ̯/, /kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
  1. burung gagak
  2. gagak
/ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
tulang rawan
noun
  1. 2. iemand die op een bepaald gebied uitblinkt
    derek
  2. 4. werktuig om voorwerpen in de hoogte te verplaatsen
    katrol
  3. 3. mechanisme waarmee de stroming van vloeistof of gas geregeld kan worden
    keran
noun
1.
air keran
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
burung jengjang
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
  1. kepiting
  2. ketam
noun
1. vermogen om iets te verrichten
  1. gaya
  2. forsa
  3. kakas
adjective
1. beschikkend over veel kracht
kuat
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Kraków
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
kejang
noun
kegilaan
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
koran
/'krɑntəpaˌpir/
noun
1. een soort papier zoals waarop de kranten gedrukt worden
kertas koran
noun
1. houten of plastic doos met openingen in de zijkanten in een standaardformaat, vaak gebruikt voor opslag en het vervoer van flessen, fruit of andere waren
krat
noun
kartu kredit
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
Kanser
/kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
lobster
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
garis balik utara
noun
1. Gryllidae
cengkerik
noun
1. het – vaak al deels ontbonden – stoffelijk overschot van bepaalde dieren
mayat
/krønə(n)/
verb
1. ongearticuleerde geluiden maken, vaak van pijn of ander leed
mendesah
noun
1.laag stuikgewas waarbij de takken van de boompjes door elkaar heen groeien
belukar
/krɪp/
noun
1. voederbak
palungan
adjective
1. zich onvriendelijk gedragend
pemarah
noun
perang
/ˈkrɛɪ.ɣə(n)/
verb
1. verwerven, ontvangen
ambil
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
pendekar
noun
panglima perang
noun
1. een handeling die erop gericht is om door list en bedrog de vijand te misleiden, zoals het verspreiden van valse geruchten
muslihat
noun
1. een olifant die vroeger tijdens op het land uitgevochten oorlogen werd ingezet als strijddier
gajah perang
noun
  1. 1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
  2. 2. schrijfmateriaal uit dat materiaal vervaardigd
kapur tulis
/krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Krimea
noun
1. een ronde figuur zoals een cirkel
bundar
adjective
1. op het scherp van de snede, met onzekere uitkomst, zeer ernstig
kritis
adjective
  1. 1. ernaar geneigd vraagtekens te plaatsen achter iets
  2. 2. onder zulke omstandigheden dat er meer neutronen geproduceerd dan geabsorbeerd worden, waardoor een nucleaire kettingreactie op gang kan komen
kritis
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
Kroasia
/kroˈwatsi.jə/, /kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
Kroasia
/krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
bar
noun
krupuk udang
noun
1. een rol ragout die gepaneerd en gefrituurd wordt
kroket
/krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
buaya
noun
1. een gebogen lijn
kurva
verb
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
menobatkan
noun
babad
noun
Tawarikh
/ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
penobatan
noun
1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
mahkota
noun
1. een prins die in een monarchie de eerste is die de rechtmatige vorst opvolgt bij aftreden of overlijden
putra mahkota
noun
  1. 3. aandoening van de schildklier
    gondok
  2. 2. keelzak
    tembolok
verb
1. specerij bij een gerecht doen
bumbu
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
cengkih
/krœyjər/
noun
1. iemand die bagage vervoert op o.a. stations en vliegvelden
kuli
noun
kendi
/ˈkrœy.məl/
noun
remahan
noun
1. een soort braam
buah beri kuning
noun
  1. 1. geometrisch figuur
  2. 4. symbool
salib
/ˈkrœʏsər/
noun
1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
kapal penjelajah
verb
1. een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt
menyalib
noun
1. een punt
persilangan
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
simpang
noun
1. ondernemingen van de westerse christenen tussen 1095 en 1271 in Palestina
perang salib
noun
1.
salibi
noun
teka teki silang
noun
1. kruiswoordpuzzel
teka teki silang
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
gerobak tangan
noun
2. hulpmiddel bij het lopen
  1. ไม้ยัน
  2. ไม้เท้า
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
kripton
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
kubus
verb
1. kort en zacht hoesten
batuk
/'kɵdə/
noun
1. een groep samenlevende (zoog)dieren
kawanan
/ˈkœʏ̯kə(n)/, /ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
anak ayam
noun
1. uitholling, holte, diepte
lubang
noun
kemurnian
noun
1. deel van het been
betis
/kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
kukuruyuk
noun
1. en 2. (citrusvrucht van) plant Citrus japonica
kumkuat
verb
1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
bisa
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
seni
noun
1. iemand die zijn creatieve talenten gebruikt om kunst te maken
artis
noun
artis
noun
balai kesenian
noun
1. een schilder van kunstwerken
pelukis
/ˈkʏns.tal/, /ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
bahasa buatan
/kʏrk/
noun
  1. 1. afdichting voor flessen, gemaakt uit de veerkrachtige schors van een bepaalde boomsoort, Quercus suber
    sumbat
  2. 1. licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
    gabus
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
kotrek
noun
plant en specerij
kunyit
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
ciuman
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
bantal
/'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
pantai
/kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
memek
adjective
1. schade aanrichtend
berbahaya
verb
1.
kuadrat
/kʋɑk/
noun
2. bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax
  1. kowak-malam abu
  2. kowak-malam kelabu
verb
1. witter
kwek kwek
/ˈkʋɑkˌsɑlvər/
noun
1. iemand die bedrieglijk minderwaardige geneeskunde uitoefent
dukun
/kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
ubur-ubur
noun
  1. 1. een peil van uitmuntendheid
  2. 2. eigenschap
kualitas
adjective
1. met betrekking tot de hoeveelheid
kuantitatif
noun
jumlah
noun
getal dat in de kwantummechanica wordt gebruikt voor het beschrijven van de eigenschappen van bepaalde deeltjes
bilangan kuantum
noun
1. studie en beschrijving van het gedrag van de kleinste deeltjes
mekanika kuantum
noun
een theoretisch kader voor de constructie van kwantummechanische modellen van veld-achtige systemen of, equivalent, veeldeeltjessystemen
teori medan kuantum
noun
keterkaitan kuantum
noun
een kwart van een kalenderjaar
kuartal
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
puyuh
noun
een vorm van siliciumdioxide
kuarsa
/kʋɑst/
noun
  1. 5. Limonade
    kuas
  2. 3. Vreemd persoon
    miring
noun
1.
caturlarik
/ˈkwe.peːr/, /ˈkʋe.pɪːr/, /ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
quince
noun
1. zaak, geschil, probleem
pertanyaan
adjective
1. weinig beschermd tegen beschadiging
rentan
noun
kerentanan
verb
  1. 1. beschadigen, schaden
  2. 2. beledigen, schofferen
luka
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
merkurius
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
raksa
noun
1. een pot bestemd voor het opvangen van sputum
tempolong
verb
1. druk met de staart zwaaien.
melembai
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kyiv
pronoun
La Mancha
pronoun
La Rioja
noun
1. stang waarmee men een geweer of pistool via de loop kan laden
pelantak
/lax/
adjective
  1. 1. niet ver boven iets anders zijn
  2. 2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
  3. 3. geluid met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
  4. 4. met een beperkt aanzien
  5. 5. gemeen
rendah
noun
dataran rendah
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
bot
adjective
1. overtreffende trap van laat
terakhir
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
labirin
/lɑ.ˈka.zə/
noun
1. een enzym dat met behulp van koperionen andere stoffen kan oxideren
lakase
/lɑx/, /lɑχ/
noun
1. een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak...
tawa
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
tertawa
noun
is een suiker die o.a. in melk voorkomt
laktosa
noun
1. iets dat ontbreekt
lakuna
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
  1. jenjang
  2. tangga
noun
1. uitschuifbare bergplaats
laci
noun
  1. 3. opeengehoopte elektriciteit
    beban
  2. 1. goederen die vervoerd worden
    kargo
noun
1. beschadiging van het weefsel in een organisme
lesi
/ˈlɑfɦɛit/
noun
1. de neiging keuzes te maken die van weinig moed getuigen
kepengecutan
/ˈlaːɣər/, /ˈlaːχər/
adjective
1. een constructie die er ...
bantalan
noun
1. ondiep meer
laguna
noun
1. stof die een dunne beschermlaag vormt nadat ze opgelost in een vluchtig oplosmiddel...
lak
/ˈlakə(n)/
noun
1. wollen stof die eerst is geweven en daarna vervilt
laken
adjective
1. niet in staat om te bewegen
timpang
noun
1. jong van het schaap
anak domba
noun
1. in het water levende zoogdieren uit het geslacht Trichechus
manatee
verb
melumpuhkan
/lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
lampu
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
kap
noun
lampion
verb
lempar
noun
1. een dubbelsnedig operatiemes
lanset
noun
  1. 4. niet verstedelijkt gebied
    negara
  2. 3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
    1. negara
    2. bangsa
    1. 1. gedeelte van het aardoppervlak dat boven water uitsteekt
    2. 2. dat deel van de aardbodem dat geschikt is voor bebouwing...
    tanah
/ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
pertanian
noun
1.
jambatan darat
adjective
2. met betrekking tot minder bevolkte, niet-stedelijke gebieden
pedesaan
noun
1. een smalle strook land die twee grotere landmassa's verbindt
daratan sempit
noun
1. iemand uit hetzelfde land
kompatriot
noun
1. een abstracte weergave van (een stuk van) de aarde
peta
noun
lanskap
noun
1. schildpad uit de familie Testudinidae
kura-kura darat
adjective
1. van grote duur
panjang
adjective
1.lang en smal
memanjang
/lɑŋ.ʋɛr.pəx/
adjective
1. lang en smal van vorm
memanjang
/ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
lambat
noun
1. een lang steekwapen met een metalen punt
ganjur
noun
1. constructie van glas en metaal of hout, zodat wind en regen geen vat op een brandende lichtbron hebben
lentera
noun
1. Chemisch element
lantanum
noun
lantanida
/ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
Laos
noun
1. een stuk van iets
tambalan
noun
1. met een kijkbuis in de buikholte kijken en opereren
laparoskopi
noun
1.
lazuardi
pronoun
Laplandia
noun
1. kleine draagbare computer
komputer jinjing
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
larva
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
laser
verb
1. door plaatselijke sterke verhitting van de voeg twee metalen voorwerpen met elkaar verbinden
mengelas
verb
  1. 3. niet doen
  2. 4. niets veranderen
  3. 5. vertrekken
meninggalkan
adjective
1. sluimerend
laten
/'la.tɛks/
noun
lateks
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
Latin
pronoun
Amerika Latin
pronoun
1.
Lausanne
/laʊ̯/, /lʌʊ̯/, /lʌː/
adjective
1. een temperatuuraanduiding die tussen warm en koud ligt
hangat-hangat
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
lahar
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
gandaria
/la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
longsor
noun
1. Chemisch element
lawrensium
noun
dosen
/ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
anggota
noun
kulit
noun
1. het genoegen scheppen in het leed van een ander
schadenfreude
noun
1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
umur
noun
1.
sebaya
/lex/
adjective
1. zonder inhoud
kosong
/lek/
noun
1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
awam
adjective
cokelat lempung
/len/
noun
1. leengoed; vastgoed dat door de heer aan zijn vazal ten gebruike werd afgestaan
kuripan
noun
1. staatsvorm
feodalisme
/ˈlenvərˌtalɪŋ/
noun
1. woord dat aan een vreemde taal is ontleend in letterlijke vertaling en analoge constructie
pinjam terjemah
/ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
kata serapan
pronoun
4.
Leer
noun
  1. 2. theorie, doctrine
    doktrin
  2. 1. stof vervaardigd door het looien van een dierenhuid
    kulit
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
manual
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
Leo
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
singa
noun
burung
noun
1. vrouwtje van de leeuw
singa betina
noun
1. testamentaire beschikking
warisan
/ˈleːɣər/, /ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
tentara
noun
1. Metaalverbinding van twee of meer elementen
  1. logam
  2. paduan
noun
legiun
noun
1. Vitex trifolia
legundi
/ˌleɣyˈwan/
noun
1. hagedis
iguana
noun
2. schrijflei
batu tulis
verb
1. een leidinggevende functie hebben
bimbing
noun
1. het geheel aan leiding geven aan medewerkers en volgelingen
kepemimpinan
noun
air keran
noun
1. blauwgrijs gesteente
batusabak
noun
1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
kebocoran
verb
1. vloeistof laten ontsnappen
bocor
adjective
1. aangenaam van smaak
enak
noun
lili
/ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
buruk
noun
3. een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen
lema
verb
  1. 1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
    meminjam
  2. 2. iets aan iemand anders te leen geven
    pinjam
noun
1. ontlener, leningnemer
peminjam
/ˈlɛŋktə/
noun
  1. 1. afmeting van een voorwerp
  2. 2. tijdsduur
  3. 1. op welke meridiaan een plaats ligt
bujur
noun
pinjaman
noun
leninisme
noun
  1. 1. een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
  2. 2. een stelsel van lenzen of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
  3. 3. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
kanta
noun
1. seizoen
  1. musim semi
  2. musim bunga
/ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
  1. sendok
  2. sudu
noun
1. bepaald soort vis met lepelvormig verbrede bek die 2 meter lang kan worden en meer dan 80 kilogram kan wegen, Polyodon spathula
ikan dayung
noun
kusta
/ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
guru
/ˈleːrə/, /ˈlɪːrə/
verb
1. kennis of vaardigheid verwerven
belajar
/lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
pelajaran
/le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
Lesotho
/lɛt/
noun
1. een inwoner van Letland, of iemand afkomstig uit Letland
orang Latvia
/le.ˈtal/, /le.ˈtaɫ/
adjective
1. de dood veroorzakend
letal
/ˈlɛtlɑnd/, /ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
Latvia
/lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
Latvia
/ˈlɛtsə/
noun
1. inwoonster van Letland
orang Latvia
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
huruf
/ˈlɛtərˌxrep/, /ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
suku kata
noun
1. een stylistisch samenhangende set tekens die meestal letters, cijfers en leestekens uitbeelden
fon
/ˈløːɣən/, /ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
  1. bohong
  2. dusta
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
pembohong
noun
1. vrouw die bewust onwaarheden vertelt
pembohong
verb
1. steunen, het evenwicht bewaren door het eigen gewicht deels door iets anders te laten steunen
sandar
noun
1. een stoel met leuningen om lekker in te zitten
kursi berlengan
/ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
Leuven
/'levən/
noun
  1. 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
  2. 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
  1. hidup
  2. kehidupan
/'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
hidup
adjective
hidup
adjective
1. vol opgewekte drukte
hidup
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
  1. hati
  2. lever
noun
1.
abses hati
noun
levertran
/leˈvijatɑn/
noun
1. reusachtige waterslang
lewiatan
pronoun
Imamat
adjective
leksikal
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
  1. baca
  2. membaca
noun
1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
pembaca
noun
1. verzamelbegrip voor mensen met een seksuele voorkeur die minder vaak voorkomt dan heteroseksualiteit
LGBT
/ˈli.ba.nɔn/, /ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
Lebanon
/li.ˈbɛl/, /li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
capung
/li.'beː.ri.ja/, /li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
Liberia
/'libido/
noun
1. geslachtsdrift
libido
/ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
Libya
noun
librasi
noun
    1. 2. een instantie
    2. 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
    badan
  1. 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
    1. badan
    2. tubuh
/ˈlɪxamsbəˌweɣɪŋ/
noun
1. bezigheden die bijdragen aan de lichamelijke fitheid
latihan
noun
1. geur die bij een bepaald persoon hoort
bau badan
noun
aorta
noun
bahasa tubuh
adjective
Vertalingen: na te kijken en onderverdelen per verklaring
ringan
noun
  1. 1. Elektromagnetische golven
  2. 2. lichtbron
cahaya
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
tahun cahaya
noun
  1. 1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
  2. 5. deel van het lichaam
anggota
noun
1. de status van iemand als lid van een organisatie
keanggotaan
noun
artikel
/ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
Liechtenstein
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
kidung
noun
1.het geven van hulp
amal
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
  1. cinta
  2. kasih
noun
1. brief waarin men zijn liefde betuigt
surat cinta
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
cinta
verb
elus
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
  1. berbohong
  2. bohong
noun
1. anatomie
kunci paha
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
kepik
noun
1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
lift
noun
liga
noun
sepeda berbaring
verb
1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
baring
/'lɪxplats/
noun
2. een plaats waar een boot kan liggen
kusyet
pronoun
Liguria
verb
1. smart en ellende ondergaan
menderita
/lɛi̯f/
noun
1. lichaam
awak
noun
1. hybride kruising tussen een mannetjesleeuw en een vrouwtjestijger
liger
noun
1. dood lichaam
bangkai
/ˈlɛːkbar/, /ˈlɛːɪkbar/
noun
1. baar voor een lijk
kereta mayat
/ˈlɛɪ̯.kɪs/, /ˈlɛɪ̯k.kɪst/, /ˈlɛːk.kɪst/
noun
1. de kist waarin een overledene ter aarde besteld wordt
peti jenazah
noun
1. ± arts die het lichaam van een overledene onderzoekt om de doodsoorzaak vast te stellen
koroner
noun
1. textiel waarin een overledene begraven wordt
kafan
noun
1. plakmiddel
lem
/lɛi̯n/
noun
2.
garis
noun
1. (passagiers)vliegtuig waarmee men regelmatig volgens een dienstregeling vluchten uitvoert
pesawat penumpang
/lɛist/
noun
1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
daftar
verb
suka
noun
1. een drank bereid met gestookte alcohol, aangevuld met smaakstoffen en veelal ook suiker
likeur
verb
1. met de tong aanraken
jilat
noun
1. lichte tint van paars
lila
noun
1. en 2. (zaden van) plant Phaseolus lunatus
  1. kacang kratok
  2. kekara
  3. kacang jawa
/ˈlɪm.bʏrx/, /ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
1. provincie in het zuidoosten van Nederland
Limburg
noun
limnologi
noun
1. Een citrusvrucht
nipis
noun
1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
air soda
noun
1. verlengde luxueuze auto waarin meestal meer dan vier personen vervoerd kunnen worden.
limosin
/ˈlɪndə/
noun
loofboom
pohon linde
noun
1. beoefenaar van de taalkunde
linguis
noun
1. wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
linguistik
/ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
penggaris
noun
  1. 2. een verwijzing
  2. 1. een betrekking of relatie
pranala
adjective
1. aan die zijde van het lichaam waar gewoonlijk het hart zit
kiri
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
kiri
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
kidal
noun
1. lange, smalle strook stof
ban
noun
kacang
noun
1. anatomie
bibir
/liˈpidə/
noun
1. vetten en vetachtige stoffen die in de biochemie een belangrijke rol spelen
lipid
noun
omon-omon
noun
  1. 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
    1. lipstik
    2. cat bibir
    3. gincu
  2. 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
    1. lipstik
    2. gincu
pronoun
1.
Lisboa
noun
1.
litani
/litər/
noun
1. een inhoudsmaat voor voornamelijk vloeistoffen en gassen
liter
noun
  1. 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
  2. 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
kesusasteraan
/ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
litium
/liˈtaʊ̯.wə(n)/, /liˈtɑuwə(n)/, /liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
  1. Lituania
  2. Lithuania
/liˈtaʊ̯.wər/, /ˈlitɔʊ̯.β̞ər/, /ˈlitʌʊ̯.β̞ər/
noun
1. inwoner van Litouwen
orang Lithuania
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
  1. bahasa Lituavi
  2. bahasa Lithuania
/liˈtaʊ̯sə/, /ˈlitɔʊ̯β̞sə/, /ˈlitʌʊ̯sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Litouwen
orang Lithuania
noun
1. zichtbaar overblijfsel van een oude verwonding
bekas luka
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
liturgi
adjective
langsung
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
livermorium
noun
lobotomi
/loka'tif/
noun
1. de zevende naamval die een betrekking van plaats aanduidt
lokatif
noun
lokia
noun
1.
lokomotif
noun
1. met vlees en groente gevulde en gefrituurde lap deeg
lumpia
noun
lup
noun
musang luwak
noun
1. prijzen
pujian
noun
1+2. iedere uiting van bewondering
gita puja
noun
1. de exponent van de macht waartoe een gegeven getal verheven moet worden om een ander getal te krijgen
logaritma
noun
2. een chronologisch dagboek
jurnal
noun
logika
adjective
logistik
noun
1. beeldmerk, logogram, naambeeld
logo
noun
1. stuk vlees of vis bedoeld om een dier mee te kunnen vangen.
umpan
noun
1. plaatsbepaling
lokalisasi
noun
1. een met glaswerk ed. beveiligd doorgeefluik
loket
pronoun
Lombardia
/ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
London
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
  1. paru-paru
  2. rabu
/'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
pneumonia
noun
1. bloedvat dat vanuit de rechter hartkamer naar de longen gaat
arteri pulmonalis
noun
1. koord voor ontsteking
sumbu
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
timbal
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
tukang pipa
/loːx/
noun
een alkalische substantie
lindi
verb
1. het bewerken van een dierenhuid ter vervaardiging van leer
menyamak
/loːp/
noun
voorste deel van een wapen
laras
/-los/
suffix
1. een achtervoegsel dat het ontbreken van het eerste aangeeft
ir-
verb
  1. 1. stappen, gaan
    berjalan
  2. 2. rennen
    jalan
noun
4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
gajah
noun
  1. 2. de oranje vrucht van de Eriobotrya japonica
  2. 1. een fruitboom van de rozenfamilie
biwa
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
tebusan
pronoun
Lorraine
pronoun
1.
Louisiana
/loˈjal/
adjective
loyal
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Lukas
/lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
udara
noun
1. lijkbezorging waarbij het lichaam van een dode een plaats boven de grond krijgt waar het door dieren wordt opgegeten
pemakaman langit
noun
fotografie vanuit de lucht
citra udara
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
  1. bandar udara
  2. bandara
/ˈlʏxmɑxt/, /ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
angkatan udara
noun
trakea
noun
1. de luchtlagen boven een bepaald grondgebied
wilayah udara
noun
1. verkeer in de lucht
penerbangan
noun
1. een bedrijf dat vervoer door de lucht aanbiedt
maskapai penerbangan
noun
1.
pengendali lalu lintas udara
noun
pemandu lalu lintas udara
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
korek api
/lœʏ/, /lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
malas
noun
2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
kukang
noun
pengeras suara
noun
lampin
noun
1. het ontbreken van de wil iets te doen
kemalasan
/lœʏ̯k/, /lœːk/
noun
1. openklappend vlak, klapdeur
palka
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
macan tutul
/lœʏ̯s/, /lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
kutu
noun
1. iemand die luistert
pendengar
/'lœstərə(n)/
verb
1. gericht waarnemen met het oor
mendengar
noun
1. rang in het leger
letnan
/ˈlykɑs/
pronoun
Lukas
noun
1. geslachtsdeel van de man
kontol
/lɵnsʲ/
noun
1. een maaltijd rond of iets na het middaguur
makan siang
noun
1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
lupino
/lʏst/
noun
1. seksueel verlangen
nafsu
/ˈlyksəmˌbʏrx/, /ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
  1. Luksemburg
  2. Luxemburg
adjective
mewah
pronoun
Lviv
noun
1.
leci
noun
getah bening
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
kucing kutub
pronoun
1.
Lyon
adjective
lirik
/maːx/
noun
1. Orgaan
  1. perut
  2. lambung
/maːxt/, /maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
perawan
adjective
perawan
pronoun
Magdeburg
pronoun
Kepulauan Virgin
/ˈmaɣdəˌvlis/, /ˈmaʝdəˌvlis/
noun
vlies
himen
noun
asam lambung
/ˈmaɪ̯ə(n)/
verb
1. met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
memotong rumput
/ma:l/
verb
1 1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
kali
noun
1.
geraham
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
makanan
/maːn/
noun
  1. bulan
  2. candra
/maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
bulan
/ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
  1. Senin
  2. senin
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adjective
1. iedere maand een keer
bulan
noun
1. het zonlicht dat van de maan naar de aarde reflecteert
cahaya bulan
/ˈmansvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈmansvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan verduisterd raakt doordat ze in de schaduw...
gerhana bulan
/maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
  1. tetapi
  2. tapi
  3. namun
noun
marsekal
/maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
  1. Maret
  2. maret
pronoun
Revolusi Jerman 1848
/maːt/
noun
  1. 1. makker
    sobat
    1. 5. grootte van kledingstuk/schoen
    2. 3. eenheid van lengte enz.
    3. 6. (muziek) manier om een muziekstuk ritmisch in te delen
    ukuran
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
tindakan
noun
2. de wereld, omgang en verkeer der mensen
masyarakat
noun
2. gerecht op basis van gebogen pijpjes van deeg
makaroni
pronoun
1. een stad op een eiland aan de zuidkust van China, ten westen van Hong Kong
Makau
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
Makedonia
/ˌmasəˈdoni.jə/, /ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
  1. 3. land
  2. 1. historisch Grieks koninkrijk
  3. 2. regio in Griekenland
Makedonia
/mɑˈʃinə/
noun
mesin
noun
1. geweer waarmee kort na elkaar meerdere schoten kunnen worden afgevuurd, ...
mitraliur
noun
1. het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
kekuasaan
/ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Madagaskar
noun
1. Pootloze larve
belatung
pronoun
Madrid
/ˈmɛ.ɡə.zin/
noun
majalah
/ˈma.ɣər/, /ˈma.χər/
adjective
1.
kurus
noun
1. toverkunst; kracht waar een tovenaar over beschikt om dingen te verwezenlijken die een bovennatuurlijke indruk maken
keajaiban
adjective
1.met een bijzondere, bovennatuurlijke betekenis
ajaib
noun
1. een persoon die rechtspreekt
magistrat
noun
  1. 1. gemagnetiseerd metaal
  2. 2. persoon, zaak of plaats
magnet
noun
medan magnet
noun
1. Chemisch element
magnesium
adjective
1. verschijnselen vertonend die toegeschreven kunnen worden aan een kringstroom...
magnetis
noun
  1. magnetisme
  2. magnetik
/ˈmɑɣ.nə.trɔn/, /ˈmɑχ.nə.trɔn/
noun
1. een toestel waarin met zeer korte en gerichte golven voedsel in zeer korte tijd warm kan worden gemaakt
oven microwave
noun
1.
mahyong
/mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
jagung
noun
1. en 2. verbinding van glucose en koolhydraten of bindmiddel dat uit maiskorrels wordt gewonnen
tepung jagung
noun
mayor
/makaˈrɔn/
noun
1. klein rond luchtig gevuld koekje gemaakt van amandelen, suiker en eiwit
makaron
noun
1. schoonheidsproducten
kosmetik
noun
1. de tussenpersoon in de handel
makelar
/ˈmaːkən/
verb
1. in elkaar zetten
buat
adjective
1. niet moeilijk, waar weinig moeite en inspanning voor vereist is
gampang
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
kembung
noun
1. infectieziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten van het geslacht Plasmodium
malaria
/ma.'la.wi/, /ma.'la.ʋi/, /ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
Malawi
pronoun
1. Dravidische taal die wordt gesproken door 47 miljoen mensen, vooral in de Indiase deelstaat Kerala
bahasa Malayalam
/mɑl.ˈdi.və(n)/, /mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Maladewa
pronoun
Maleakhi
/mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
  1. Melayu
  2. Malaysia
  3. bahasa Melayu
noun
1. bepaald soort zoogdier, Helarctos malayanus
beruang
/maˈlɛ:zi.jə/, /maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
Malaysia
/'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
Mali
noun
3. vetereinde
aglet
adjective
1. zacht en sappig
kenyal
/ˈmɑlta/, /ˈmɑɫta/
pronoun
  1. 1. eiland in de Middellandse Zee
  2. 2. land in de Middellandse Zee
Malta
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
Malta
noun
maltosa
noun
1. schadelijke software
malwer
/ˈmɑmaː/
noun
1.
  1. ibu
  2. mama
noun
1. persoon van het mannelijk geslacht
  1. pria
  2. laki-laki
noun
1. de leiding van een organisatie, de verzameling managers
direksi
noun
1. een persoon die de leiding heeft over een afdeling binnen een organisatie
manajer
pronoun
Manaus
noun
1. een dubbele of stevige stof aan rond de opening van de mouw of hals
manset
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
keranjang
noun
mandat
pronoun
1. Mandarijns Chinees
Putonghua
noun
1. Een citrusvrucht
jeruk keprok
/manəsxɛɪn/
noun
1. Het door de maan weerkaatste licht dat op de aarde schijnt, maanlicht
cahaya bulan
/ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
manga
noun
1. Chemisch element
mangan
/'mɑnɣɑt/
noun
1.
lubang got
noun
1. soort oranje-groene sappige tropische vrucht
mangga
noun
bakau
/ mɑˈniːr/
noun
cara
noun
1. openlijke bekendmaking van een staatshoofd, regering, leider of politieke partij
manifes
noun
pengunjuk rasa
noun
  1. 1.
  2. 2. openbare gebeurtenis
manifestasi
noun
abaka
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
singkong
noun
manipulasi
verb
memanipulasi
noun
cacat
adjective
  1. 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
  2. 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
maskulin
noun
1. iemand die nieuwe kledingontwerpen dragend deze aan een publiek vertoont
maneken
noun
manuver
noun
  1. 1. omhullend kledingstuk
  2. 2. omhulsel apparaat
mantel
pronoun
1. taal die door de Mantsjoes gesproken werd.
Bahasa Manchu
noun
1. variant van het communisme zoals uitgedragen en toegepast in China gedurende het derde kwart van de 20e eeuw
Maoisme
/mɑp/
noun
  1. 3. deel van het bestandssysteem
    folder
  2. 1. een stevig omhulsel voor papieren
    map
noun
margarin
pronoun
Maria
noun
marinade
/maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
angkatan laut
adjective
1. donkerblauw
biru kelasi
noun
1. lid van een goed getrainde, gespecialiseerde militaire eenheid
marinir
noun
2. kruid
marjoram
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
tumenggung
noun
warenverkoop op pleinen en straten
pasar
/mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
  1. marmer
  2. pualam
adjective
1.
Maroko
/ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
  1. Maroko
  2. Moroko
pronoun
  1. Mars
  2. Marikh
noun
1. een Italiaanse versterkte wijn die gemaakt wordt in de omgeving van Marsala op het westelijk deel van Sicilië
Anggur Marsala
noun
1.
marzipan
/mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
Kepulauan Marshall
noun
1. iemand die voor een zaak lijdt of sterft en daarmee tot symbool wordt gezien van de strijd voor die zaak
syahid
pronoun
Martinique
noun
1. de socialistische ideologie van de volgelingen van Karl Marx
marxisme
noun
1. schoonheidsmiddel
maskara
pronoun
1. eilandengroep in de Indische Oceaan
Kepulauan Mascarenhas
noun
1.
  1. topeng
  2. masker
noun
1.
masokhisme
/ˈmɑsaː/
noun
1. totale hoeveelheid materie in een object
massa
noun
pijat
noun
1. moord op een groot aantal personen
pembunuhan masal
noun
1. een wapen dat zeer velen doodt
senjata pemusnah massal
verb
1. het toepassen van uitwendige druk op de zachte weefsels
memijit
noun
    1. 1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
    2. 4. hoge antenne
    3. 5. varkensvoer
    tiang
  1. 3. lange paal voor vlaggen
    tiang kapal
noun
1. het stimuleren van de eigen geslachtsdelen
masturbasi
verb
masturbasi
noun
pertandingan
noun
1. een tastbare stof
bahan
noun
materi
noun
matematikawan
/mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
  1. kasur
  2. matras
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
matriks
pronoun
Matius
/ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
Mauritania
/maʊ̯.'ri.si.jəs/, /mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
Mauritius
noun
1. groot en rijk versierd graf
mausoleum
adjective
1. het grootst mogelijk
maksimal
/ˌmajoˈnɛːzə/
noun
1. een saus op basis van eieren
mayones
pronoun
Mayotte
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
campak
noun
1. een vrouw die een relatie heeft met een getrouwde man
gundik
/ˈmaʲɪs/, /ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
jagung
noun
mekanik
adjective
1. met betrekking op de mechanica, machinaal, automatisch zonder na te denken
mekanis
noun
1. machinerie
mekanisme
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
medali
/medə'delzam/
adjective
1. bereid informatie te delen
komunikatif
noun
1. informatie die bekend wordt gemaakt
pemberitahuan
/ˈme.dəˌklɪŋ.kər/
noun
  1. 1. een klank waarbij de lucht niet ongehinderd door de mond naar buiten kan
  2. 2. een letter die zo'n klank in schrift weergeeft
huruf mati
noun
1. verdriet over het leed van anderen
belas kasih
noun
1. behulpzaam persoon bij een misdrijf
sekongkol
noun
1. iemand die met anderen in hetzelfde bedrijf, organisatie of vestiging werkt
kolaborator
noun
2.
median
noun
mediasi
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
obat
/ˈmedina/
pronoun
1.
Madinah
adjective
1. op de geneeskunde betrekking hebbend
medis
noun
1. spirituele bezigheid
semadi
/mel/, /meɫ/, /mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
tepung
/meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
  1. danau
  2. telaga
pronoun
1.
Danau Jenewa
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
mayoritas
adjective
  1. 1. gerelateerd aan meerdere talen
  2. 2. (persoon) meerdere talen sprekend
multibahasa
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
bentuk jamak
/'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
geometri
/ˈmetlɑt/
noun
1. een langwerpig voorwerp waarmee maten opgenomen worden
penggaris
/meːβ̞/, /mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
camar
noun
1. de vijfde maand van het jaar
  1. Mei
  2. mei
/mɛi̯t/
noun
anak perempuan
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
sumpah palsu
/mɛɪˈozə/
noun
1.
meiosis
/ˈmɛɪ̯ʃə/, /ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
anak perempuan
/ˈmɛɪ̯ʃəsˌnam/, /ˈmɛːsjəsˌnam/
noun
2. eigen achternaam van een vrouw die de naam van haar echtgenoot of geregistreerd partner voert
nama gadis
pronoun
1. geboorteplaats van Mohammed en bedevaartplaats voor islamieten
Makkah
/me'latshɛɪt/
noun
1. besmettelijke ziekte veroorzaakt door een bacteriële infectie van de huid
kusta
pronoun
Melenasia
noun
1. een restproduct bij de suikerproductie
molase
pronoun
1. tweede grootste stad van Australië en hoofdstad van de deelstaat Victoria
Melbourne
pronoun
Melilla
/mɛlk/
noun
susu
/mɛlkə(n)/
verb
1.
  1. memerah
  2. susu
noun
1.het orgaan dat bij het zoogdier de melk produceert
kelenjar susu
noun
een suiker die o.a. in melk voorkomt
laktosa
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
Bima Sakti
noun
1. organisch zuur
asam laktat
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
melodi
noun
melon
/mɛmbran/
noun
2. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
membran
/ˈme:mə/
noun
meme
/məˈneːr/, /məˈnɪːr/
noun
  1. 1. een formele manier om een man aan te spreken
  2. 2. een nette man
  3. in te delen
tuan
verb
1. het homogeniseren van twee of meer zaken
mencampurkan
noun
1.
menhir
noun
1. levensfase waarin vrouwen niet langer menstrueren
menopause
/məno'ra/
noun
1. kandelaar met zeven armen
menorah
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
  1. manusia
  2. orang
adjective
1. zoals de mens
manusia
noun
penyelundupan manusia
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
hak asasi manusia
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
menstruasi
adjective
1. verband houdend met het brein
mental
pronoun
Merkurius
/meːrəl/, /ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
burung sikatan hitam
noun
1. het grootste deel
mayoritas
noun
  1. 1. zacht weefsel in de kern van een bot
    Sum sum tulang
  2. 2.
    empulur
noun
1. halve cirkel die de beide polen met elkaar verbindt
lingkaran bujur
noun
meritokrasi
noun
2. een herkenbaar product door een bepaalde producent vervaardigd
jenama
noun
1. vrouwelijk paard
kuda betina
noun
1. snijwerktuig
pisau
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
Mesopotamia
/mɛˈsijɑs/
pronoun
1. de in de joodse Tenach voorspelde Redder die door God gezonden zal worden en die door de christenen met Jezus gelijkgesteld wordt
Mesias
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
pupuk
noun
1. iemand van gemengd Europese en indiaanse afkomst
mestizo
/mɛd/, /mɛt/
preposition
dengan
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
logam
noun
1. stofwisselprodukt
metabolit
noun
1. het geheel van de biochemische processen op celniveau
metabolisme
noun
metadata
/me.ta.ˈfɔːr/, /mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
metafora
noun
1. de wijsgerige leer die niet de werkelijkheid onderzoekt zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke ervaring, maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert
metafisika
noun
1. uitzaaiing
metastase
noun
1. taal met behulp waarvan dezelfde of een andere taal wordt beschreven
metabahasa
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
ukur
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
meteor
/meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
meteorologi
noun
1. de SI-eenheid van lengte
meter
noun
teman
noun
1. CH₄
metana
/meˈtodə/
noun
metode
/ˌmetodoloˈɣi/, /ˌmetodoloˈχi/
noun
metodologi
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
  1. angkutan cepat
  2. kereta bawah tanah
/ˌmetroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
metrologi
noun
metronom
noun
1. stuk huisraad
furnitur
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
Ibu
/ˈmɛg.zi.ˌko/, /ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
Meksiko
interjection
1. het geluid van een kat
meong
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
mengeong
/ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
mikroorganisme
noun
1. een levend micro-organisme
mikrob
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
mikrobiologi
noun
mikrokontroler
noun
1.
mikrofis
/ˈmik.ro.χɔl(ə)f/, /ˈmɪk.ro.ɣɔlf/
noun
2. elektromagnetische golf van 0,1 mm tot 1 cm lengte
gelombang mikro
noun
2.
mikrometer
noun
1. een entiteit die een natie of staat lijkt, maar die voor het grootste deel alleen op papier, op het internet of in het hoofd van de schepper bestaat
negara mikro
/mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
mikroskop
noun
  1. 2. het gedeelte van de dag tussen 12.00 en 18.00 uur
    petang
  2. 1. het midden van de dag, 12.00
    siang
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
makan siang
/ˈmɪdəɫ/
noun
1. middendeel van het lichaam
pinggang
/ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
Abad Pertengahan
/ˈmɪdəɫɪ:ws/
adjective
1. gerelateerd aan de middeleeuwen
pertengahan
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
  1. Laut Tengah
  2. Laut Mediterania
noun
1. middellijn
diameter
/ˌmɪdəɫˈmatəx/
adjective
2. niet in positieve zin opvallen
Biasa Saja
noun
1. van een cirkel of bol is het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft
pusat
noun
1. vinger
jari tengah
noun
1. het centrale deel
pertengahan
noun
1. regio die bestaat uit Zuidwest-Azië en het noordoosten van Afrika
Timur Tengah
noun
telinga tengah
/ˌmɪdərˈnɑxt/, /ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
tengah malam
verb
1. via de blaas als vloeistof lozen van lichamelijke afvalstoffen
kencing
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
semut
noun
sarang semut
noun
1. schele hoofdpijn
migrain
noun
migrasi
abbreviation
saya
/mɛi̯l/
abbreviation
mil
noun
1. een paal die op elke mijl staat
tanggal penting
/mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
saya
noun
1. het bedrijven van winning van delfstoffen
pertambangan
noun
1. een aanspreektitel voor een man
tuan
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
penambang
noun
1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
tungau
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Milan
/mi.li.ˈjøː/, /mɪɫˈjø/
noun
2. de wereldwijde natuurlijke omgeving
lingkungan
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
adjective
1. met het leger te maken hebbend
militer
noun
militerisme
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
milyar
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
milyader
noun
1. 1.000.000
  1. juta
  2. sejuta
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
jutawan
noun
1. dikke koude drank
susu kocok
noun
1. een periode van 1000 jaar
milenium
/mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
  1. limpa
  2. kura
/ˈmɪltfyr/
noun
1. een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
antraks
noun
1.
mimosa
adverb
1. minus, verminderd met (-)
dikurangi
/mɪnɑxtə(n)/
verb
1.
benci
noun
menara
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal minder dan de helft uitmaakt
minoritas
adjective
1. onder de 18 jaar, waardoor de rechten en plichten van een volwassene nog niet gelden
anak di bawah umur
/minəˈral/
noun
mineral
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
air mineral
noun
mineralogi
noun
1.
permainan kecil
noun
1.
rok mini
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
menteri
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
perdana menteri
/ˌminɪsˈtɪːri/
noun
1. een afdeling van een overheid waar het beleid van de regering wordt uitgevoerd
kementerian
noun
  1. 2. hoek
    menit
  2. 1. tijdeenheid
    1. menit
    2. minit
noun
1. een godsdienstoefening in de katholieke kerk, een eucharistieviering
misa
/'mɪsbrʌʏk/
noun
penyalahgunaan
/mɪzˈbrœykən/, /mɪzˈbrœːkən/
verb
op een slechte wijze gebruik maken van iets of iemand
menyalahgunakan
noun
1. een handeling die een ernstig vergrijp tegen het wetboek van strafrecht is
kejahatan
/mɪs'dadəx/
adjective
bajingan
noun
1. is iemand die de priester helpt tijdens het opdragen van de mis
misdinar
noun
1. een misdaad of delict
kejahatan
verb
1. iemand in de waan van iets brengen
mengecoh
/mɪsˈlʏkə(n)/
verb
verkeerd aflopen, zonder het gewenste resultaat
gagal
noun
1. iets dat niet goed is gegaan
bedebah
/məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
barangkali
noun
mual
/ˈmɪsə(n)/
verb
  1. 1. niet raken, niet treffen
  2. 6. de afwezigheid voelen van
merindukan
noun
1. een doeleind dat verwezenlijkt dient te worden
misi
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
kabut
/ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
mitokondria
/miˈtozə/
noun
1.
mitosis
conjunction
1. indien, op voorwaarde dat
asalkan
/moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
telepon genggam
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
lumpur
/'mɔdərbɑt/
noun
1. het zich al of niet met opzet baden in modder
mandi lumpur
/ˈmodə/
noun
mode
noun
model
/moˈdɛrn/
adjective
1. van deze tijd, volgens de laatste mode
modern
/mo.dɛr.ni.ˈzɪː.rə(n)/, /mo.dɛr.nɪ.ˈzeː.rə(n)/
verb
1. modern maken
memodernkan
noun
kemodernan
noun
koprekan
verb
memodifikasi
noun
modulasi
/muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
  1. capai
  2. capek
/mud/, /mut/
noun
1. dapperheid, lef, branie
keberanian
noun
1. een vrouwelijke ouder
  1. bunda
  2. ibu
  3. ibunda
noun
1. een onderneming of een bedrijf dat eigenaar is van een of meer andere bedrijven
perusahaan induk
noun
1. een dag ter ere van de moeders
Hari Ibu
noun
1. een bedrijf met meerdere dochterbedrijven of filialen
perusahaan induk
noun
1. het fungeren als moeder
keibuan
noun
bahasa ibu
/ˈmuːdəx/, /ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
berani
/mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
  1. sulit
  2. susah
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
kesukaran
noun
[C] 1. drassig land, vooral gebruikt voor natte veengebieden
  1. paya
  2. rawa
noun
  1. paya
  2. rawa
noun
1. benaming voor vissen uit het geslacht Monopterus
lindung
noun
bebesaran
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
muson
/ˈmus.tœʏ̯n/, /ˈmus.tœːn/
noun
1. een tuin waarin op kleine schaal verschillende groenten en evt kruiden en/of fruit worden verbouwd
kebun sayur
verb
1. gedwongen zijn
harus
adverb
1. misschien
barangkali
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
kemungkinan
/'mo.χə(n)/
verb
1. toegestaan zijn
boleh
noun
1. drinkbeker
mok
noun
1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
tikus tanah
/mɔlˈdaːvi.jə/, /mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
Moldavia
/moləˈkyle/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molekul
/moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molekul
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
kincir
noun
1. Chemisch element
molibdenum
noun
1. zeer korte tijd
saat
/moˈnako/, /ˈmo.na.ko/
pronoun
1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
Monako
noun
raja
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
monarki
/[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
mulut
adjective
1. via het gesproken woord
lisan
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
harmonika
/mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Mongolia
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
Mongolia
/ˈmoniˌtɔr/
noun
beeldscherm
layar
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
biarawan
noun
1. het samenleven of getrouwd zijn met één persoon
monogami
noun
monolit
/ˌmonoˈlox/
noun
1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
monolog
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
monopoli
noun
1.
monorel
noun
monoteisme
noun
1. schrikwekkend wezen
monster
noun
penyuntingan
/ˌmɔntəˈnegro/, /ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Montenegro
verb
1. de juiste beelden achter elkaar zetten
merakit
/mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
Montserrat
noun
2. de houder waarin brillenglazen zijn gevat
bingkai
noun
1. een groot gedenkteken
monumen
/moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
  1. bagus
  2. cantik
/ˈmoːrd/, /ˈmoːrt/, /ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
pembunuhan
verb
1. rondgaan om moorden te plegen
membunuh
/mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
pembunuh
pronoun
Moravia
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
morfem
/ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
  1. 1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
  2. 2. de wetenschap van de bouw van organismen
  3. 3. de vormen, structuren en texturen van een materiaal op een schaalbereik groter dan het moleculaire.
  4. 4. de wetenschap die de vorm van de oppervlakte van de aarde bestudeert
morfologi
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
  1. besok
  2. esok
noun
1. benaming voor de planeet Venus
bintang kejora
noun
1. het sterftecijfer
mortalitas
noun
1. mengsel waarmee wordt gewerkt...
mortar
noun
  1. 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
  2. 2,3 korte kanontypen
mortir
noun
lumut
noun
1. gebedshuis
  1. masjid
  2. mesjid
pronoun
1.
Moskwa
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
orang Muslim
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
moster
noun
yperit
noun
1. een vlinderachtig insect
gegat
noun
mosi
noun
motivasi
/moːtiˈveːrə(n)/
verb
1. met redenen omkleden
menyemangati
/'mo.tɔr/
noun
  1. 1. krachtbron
    1. mesin
    2. motor
  2. 2. voertuig
    1. motor
    2. sepeda motor
noun
sepeda motor
noun
sepeda gunung
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
lengan baju
/ˌmo.zɑm.ˈbik/, /ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
Mozambik
noun
mosaik
noun
1. de persoon die vanuit een minaret van de moskee oproept tot de dagelijkse gebeden
muazin
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
nyamuk
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
bagal
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
nagil
noun
1.een leren of metalen korf die voor de bek van een dier gespannen wordt om bijten onmogelijk te maken
berangus
verb
2. beletten te spreken
membungkam
/mœʏ̯s/, /mœːs/
noun
  1. 3. computermuis
    1. mouse komputer
    2. tikus
  2. 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
    tikus
noun
dahagi
pronoun
1.
Mulhouse
noun
perusahaan multinasional
noun
1. composietplaat die bestaat uit meer dan 3 gelijmde laagjes hout
kayu lapis
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
mumi
noun
1. en 2. (boon van) eenjarige plant Vigna radiata
kacang hijau
noun
1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
  1. mentha
  2. mint
noun
1. benaming voor kleine hertachtigen uit het geslacht Muntiacinae
  1. kijang
  2. muncak
noun
numismatika
pronoun
Murcia
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
burung gereja
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
museum
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
musikus
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
labu kuning
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
labu kuning
noun
nyamuk
/'mɵskɵs/
noun
1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
kesturi
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
labu kuning
noun
1. stof
mutagen
noun
1. een sprongsgewijze verandering
mutasi
/myːr/
noun
1. verticale vlakke constructie van metselwerk
  1. dinding
  2. tembok
noun
ilham
/my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
musik
/myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
alat musik
noun
kunci
noun
1.het bestuderen van de muziek in al haar vormen
musikologi
noun
1. iemand die muziek maakt
musikus
/ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
mikologi
noun
1. afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
miopi
/miˈstɪːri/
noun
misteri
adjective
misterius
/ˈmitə/
noun
mitos
/mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
mitologi
adjective
1. later nog vast te stellen en bekend te maken
akan diumumkan
preposition
1. in tijd volgend op
setelah
noun
1.
jahitan
/ˈnaːi̯ə(n)/
verb
1. naaldwerk verrichten
jahit
noun
mesin jahit
/naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
telanjang
noun
1. het naakt zijn
ketelanjangan
noun
siput
/nald/, /naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
jarum
noun
konifera
noun
  1. 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
  2. 2. bekendheid, reputatie
nama
/namwort/
noun
1. een woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt
kata benda
/naːr/
adverb
1. in de richting van
ke
preposition
1. aan de zijkant van
di samping
adjective
1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
dekat
noun
kedekatan
/'na.bo.tsə(n)/
verb
1. nadoen, imiteren
meniru
noun
1. apparaat dat extra vermogen aan een straalmotor geeft met name bij de start
pembakar lanjut
/nɑx/, /nɑxt/, /nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
  1. malam
  2. malam hari
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
bulbul
noun
  1. 1. een zeer angstige droom
  2. 2. een schrikbeeld
mimpi buruk
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
ngengat
noun
  1. 1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
    kuku
  2. 3. spijker
    paku
/ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Nahum
noun
1. herfst
musim gugur
verb
1.
mengejar
verb
2. in een testament toebedelen
mewariskan
/ˈnamələk/
abbreviation
yaitu
pronoun
1. provincie in het oosten van België
Namur
preposition
1.
atas nama
/na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
Namibia
noun
1. tijd aan het einde van de middag
sore
adjective
1. van na de oorlog
pascaperang
pronoun
1. stad in Italië
Napoli
noun
narsis
noun
narsisme
noun
1. onderzoek om de ware aard van iets te ontdekken; onderzoek naar wat anderen mogelijk verborgen willen houden
investigasi
verb
1. een doel trachten te bereiken
mengejar
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
basah
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
bangsa
noun
negara-bangsa
adjective
1. op een volk met een eigen land betrekking hebbend
nasional
noun
nasional sosialisme
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
kebangsaan
noun
kebangsaan
noun
natrium
noun
natrium bikarbonat
adjective
1.
lembap
noun
überhaupt
alam
/naˈtyrkʏndə/, /naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
fisika
adjective
1. uit de natuur afkomstig
  1. alami
  2. alamiah
noun
1. een ongelukkige gebeurtenis die door de natuur veroorzaakt wordt
bencana alam
/na.ˈu.ru/, /naˈuru/, /ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
Nauru
/nɑuruˈwans/
pronoun
1. taal die door 6 000 mensen wordt gesproken in Nauru
Nauru
noun
1. intvisachtige met een schelp
nautilus
adjective
1. een geringe breedte hebbend
sempit
noun
1. de mate waarin men zaken tot in de puntjes behandelt
kejituan
pronoun
1. taal die het zuidwesten van de Verenigde Staten wordt gesproken door 170 duizend Navajo's
bahasa Navajo
pronoun
Navarra
/'navəl/
noun
pusar
/ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
tali pusat
noun
navigasi
noun
1. NAVO
NATO
noun
peniruan
adjective
naif
pronoun
1.
Neckarsulm
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Neckarwestheim
noun
1. een biografie van een overleden persoon en/of een bespreking van diens werk
berita duka
noun
1. de afsterving van weefsel
nekrosis
noun
1. het aannemen van een houding waarbij geen aanspraak gemaakt wordt op macht of eer
kerendahan hati
noun
1. het verlies van een strijd
kekalahan
/ˈnedərˌlɑnt/, /ˈneːdərˌlɑnd/, /ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
Belanda
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
  1. bahasa Belanda
  2. Belanda
/ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
Antillen Belanda
/neː/
interjection
1. ontkenning
  1. tidak
  2. nda
  3. ndak
  4. ngga
  5. nggak
noun
1. mannelijke oomzegger
keponakan
/nen/
interjection
nee
  1. tidak
  2. nda
  3. ngga
verb
1. in een neerwaartse richting gaag totdat men landt
turun
verb
1.
berbaring
/ˈne.ɣə(n)/, /ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
sembilan
/ˈne.ɣən.də/, /ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
kesembilan
/ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
sembilan ratus
cardinalNumeral
1. het getal 19
sembilan belas
/ˈne.ɣə(n).təx/, /ˈne.ɣə(n).tɪx/, /ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
sembilan puluh
noun
1. iemand met voorouders uit Afrika bezuiden de Sahara met lichamelijke kenmerken daarvan
negro
verb
1. doen alsof iemand of iets niet bestaat
mengabaikan
pronoun
Nehemia
/nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
tengkuk
/ˈne.mə(n)/
verb
1. iets vastpakken met de handen
mengambil
/ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
neologisme
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
neon
noun
neonaziisme
adjective
1. onecht, vals
gadungan
/ˈnepɑɫ/, /ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
Nepal
pronoun
1. een taal die vooral in Nepal gesproken wordt
bahasa Nepal
/nepo'tɨzmə/
noun
1.
nepotisme
pronoun
Neptunus
/nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
sarang
/ˈnɛstələ(n)/
verb
1. het bouwen van een nest en het grootbrengen van jongen erin, gewoonlijk van vogels
  1. bersarang
  2. bertempat tinggal
noun
1. een geheel van fijne draden
jaring
noun
3. sport die veel lijkt op korfbal en basketbal
bola jaring
noun
1. tweede maag van herkauwers
retikulum
noun
1. een vlies aan de binnenkant van het oog waarop een beeld wordt gevormd
retina
noun
jaringan
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
ngentot
adjective
1. met betrekking tot de zenuwen
neural
noun
1. de chemische processen in zenuwstelsels
neurokimia
noun
1. een discipline binnen de biologie en geneeskunde die zich bezighoudt met alles wat aandoeningen van het centrale zenuwstelsel betreft
neurologi
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
neuron
/nøʏs/, /nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
hidung
noun
lubang hidung
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
badak
/nøˈtral/
adjective
  1. 1. geen partij kiezend in een conflict
  2. 2. natuurkunde: noch een positieve noch een negatieve lading dragend
  3. 4. scheikunde: noch zuur noch alkaline
netral
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
netral
noun
1. een officiële verklaring van een neutrale houding
deklarasi kenetralan
noun
neutrino
noun
neutron
noun
bintang neutron
noun
2. wolken in de nabijheid van de grond, ontstaan door plaatselijke oorzaken zoals door afkoeling of door menging van koude met warme vochtige lucht
asap
noun
1. bepaald soort zoogdier, Neofelis nebulosa
macan dahan
pronoun
1. nationale hoofdstad van India
New Delhi
/nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
New York
/ˈŋaʒu/
pronoun
1. Austronesische taal uit de West-Baritogroep van de Maleis-Polynesische talen gesproken door ongeveer 800.000 personen en wijdverbreid gebruikt als handelstaal van de rivier de Barito tot de Sampit op Indonesisch Borneo
bahasa Ngaju
noun
1. een van de overheid onafhankelijke, maatschappelijk geëngageerde organisatie
LSM
noun
Nibelungenlied
/niˈbuŋ/
noun
1. palmsoort Oncosperma
nibung
/ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
Nikaragua
noun
1. dochter van iemands broer of zus
keponakan
noun
nikotin
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
ginjal
noun
1. een samengroeisel in het nierbekken dat meestal uit urinezuur en urinezure zouten bestaat
batu ginjal
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
  1. tidak
  2. bukan
  3. tak
noun
1. een apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
pengokot
noun
1. apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
pengokot
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
tidak ada
noun
1. iemand die voor niets deugt
(orang) brengsek
/ˈnitʋar/
interjection
bukan
/niβ̞/, /nyʊ̯/
adjective
    1. woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
    2. 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
    3. 5. in originele staat
    4. 2. recentelijk ontdekt
    5. 3. huidige
    6. 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
    7. 6. vreemd, onbekend
    baru
  1. 1. recentelijk gemaakt
    1. baru
    2. baharu
pronoun
Kaledonia Baru
pronoun
1.
Nugini
/niβ̞.ˈze.lɑnt/, /nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
Selandia Baru
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
New South Wales
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
Perjanjian Baru
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
tahun baru
/niu̯s/
noun
  1. 1. actuele ontwikkelingen
  2. 2. een uitzending in de media waarin berichten over actuele ontwikkelingen worden verspreid aan het publiek
berita
/niu'sxirəxɛit/
noun
1. het verlangen naar kennis
keingintahuan
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
bersin
/'ni.ɣər/, /'ni.χər/
pronoun
  1. 1. land in West-Afrika
    Niger
  2. 2. een rivier in West-Afrika
    1. Sungai Niger
    2. Niger
/ni.'ɣeː.ri.ja/, /ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Nigeria
noun
1. binnen de filosofie een begrip dat wordt gebruikt om de ontkenning van het bestaan van betekenis...
nihilisme
/nɛɪt/
noun
1. grondige afkeer
cemburu
pronoun
1.
Nil
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
kuda nil
pronoun
Nijmegen
noun
industri
noun
1. Chemisch element
nikel
noun
  1. 1. stralenkrans
  2. 3. wolk
nimbus
adverb
1. op geen enkel moment
tidak pernah
noun
1. de hoogste staat die door de mens bereikt kan worden, en waardoor heiligheid behaald wordt; toestand van volkomen rust
nirwana
/nɪs/
noun
1. een inham in een muur
cekung
noun
  1. 1. een zout van salpeterzuur dat het ion NO₃− bevat
  2. 2, een ester van salpeterzuur
nitrat
pronoun
Niue
noun
1. de rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, enzovoort
waterpas
/nəʊflaiˈzɔ:nə/
noun
1. een gebied waar een vliegverbod heerst
zona larangan terbang
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
Penghargaan Nobel
/'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
penting
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
penyebut
noun
1. as met nokken
poros bubungan
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
kasus nominatif
/nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
biarawati
/ˈnɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
  1. paman
  2. om
noun
1. datgene wat het toeval iemand doet overkomen
nasib
noun
keadaan darurat
adjective
1. erg nodig
penting
/ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
tidak pernah
/noːr/, /no̝ːr/
noun
1. een inwoner van Noorwegen
orang Norwegia
/nɔːrt ˈafrɪkɑ/, /nɔːrt ˈɑfrɪkɑ/
pronoun
gedeelte van het Afrikaanse continent ten noorden van de Sahara
Afrika Utara
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
Amerika Utara
/noːrd.ˈbra.bɑnt/, /no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
Brabant Utara
/noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
Holland Utara
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1.
Irlandia Utara
/ˌnoːrt koˈre.ja/, /ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
  1. Korea Utara
  2. Korut
pronoun
1.
Makedonia Utara
pronoun
1. Australisch territorium gelegen in het noorden van het land
Northern Territory
noun
1. windrichting
utara
pronoun
Pulau Utara
adverb
timur laut
pronoun
1. Noordpool
Kutub Utara
/ˈnoːrdzeː/, /ˈnoːrtseː/, /ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
Laut Utara
/noːrs/, /no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
bahasa Norwegia
/ˈnoːrˌweɣə(n)/, /ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Norwegia
/noːt/
noun
1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
kacang
noun
2. gepeld zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
pala
/nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Normandia
noun
1. de studie van het ontstaan en verloop van ziekten
nosologi
noun
nostalgia
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
notaris
noun
notasi
noun
1. set van vijf lijnen
paranada
noun
alat pemecah buah keras
noun
1. benul, bewustzijn
ide
noun
1. een verslag van een bijeenkomst
catatan rapat
noun
1. schuldvernieuwing
novasi
noun
1. de elfde maand van het jaar
  1. November
  2. november
adverb
1. op het huidige tijdstip
sekarang
/nykleʏs/
noun
1.
inti sel
/nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
nol
/ˈnumeɾi/
pronoun
Bilangan
/ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
nomor
pronoun
1. eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Nusantara
adjective
1. zonder voordeel
tidak berguna
adjective
berguna
adjective
nilon
/o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
oasis
noun
1. vetzucht
obesitas
noun
1. lens
lensa
adjective
cabul
verb
1.gericht via de zintuigen van iets kennis nemen
memeriksa
noun
1. donkergrijs of zwart glas dat afkomstig is uit vulkanen
batu kaca
noun
1. verstopping
obstruksi
noun
1. (muziekinstrument) een fluit die veelal gemaakt wordt van gebakken klei
okarina
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
Oksitan
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
samudra
/oseˈjani.jə/, /oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
Oseania
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
  1. pagi
  2. subuh
noun
1. C₈H18
oktana
/ɔkta'ʔedər/
noun
1. een regelmatig achtvlak, een ruimtelijke figuur begrensd door acht gelijkzijdige driehoeken
bidang delapan
noun
1. machtiging om een bepaalde tijd als enige, met uitsluiting van anderen, van een uitvinding te kunnen profiteren
paten
noun
ode
pronoun
Odesa
/ˌø.kyˈme.nis/
adjective
1. tussen kerken, van meerdere kerkgenootschappen
ekumenis
noun
1. (medisch) waterzucht
edema
verb
1. proberen zonder fouten uit te voeren
melatih
noun
1. test om de kennis te peilen
latihan
/u.'ɣɑn.da/, /u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Uganda
/ukraˈɦins/, /ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
Ukraina
/ukraˈɦinə/, /ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
Ukraina
/ulɛjəbalaŋ/
noun
1. heerser over een gebied in Atjeh
  1. hulubalang
  2. uleebalang
  3. ulèëbalang
noun
een bos dat van oudsher bestaat
hutan primer
/uˈsʲɑŋka/
noun
1. muts
ushanka
noun
1. ontsteking van de slokdarm
esofagitis
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
tiram
noun
1. een vrouwelijk hormoon
estrogen
noun
1. waterkant
pantai
/us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
  1. Usbekistan
  2. Uzbekistan
conjunction
1. keuze
atau
verb
1. wijden aan
menyembelih
/ɔ'fɛrtə/
noun
1. een aanbieding van goederen of diensten tegen een vaste prijs
kuotasi
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
resmi
noun
1. iemand die een rang in het leger bekleedt die hem of haar het bevel over...
perwira
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
oftalmologi
noun
1. een scheikundig element met het symbool Og en het atoomnummer 118
oganeson
noun
1. ohm
ohm
noun
1. groot zoogdier dat nauw verwant is aan de giraffe
okapi
noun
1. een mineraal dat als gele of oranje kleurstof gebruikt wordt
oker
adjective
1. met betrekking tot Okinawa of de Okinawaanse taal
Bahasa Okinawa
pronoun
  1. 1. een streektaal in Okinawa
  2. 2. streektaalen van Okinawa
  3. 3. dialect van het Japans
Bahasa Okinawa
noun
bendi
noun
1. holte tussen de arm en de romp
  1. ketiak
  2. ketek
noun
1. de tiende maand van het jaar
  1. Oktober
  2. oktober
pronoun
Revolusi Oktober
interjection
1. goed, in orde
baik
adjective
1. betrekking hebbend op het reukzintuig
olfaktori
noun
1. vettige vloeistof
minyak
noun
1. fabriek waar ruwe aardolie wordt verwerkt tot aardolieproducten
kilang minyak
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
gajah
noun
bohir
noun
oligarki
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
oligomer
noun
oligopoli
/oˈlɛɪf/, /oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
zaitun
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
zaitun
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
minyak zaitun
noun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
Olimpiade
/o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
  1. Olimpiade
  2. Pertandingan Olimpiade
pronoun
1. evenement dat eens in de vier jaar wordt gehouden waarbij allerlei wintersporten competitief beoefend worden
Olimpiade musim dingin
noun
1. moeder van een ouder
  1. nenek
  2. oma
/o.ˈman/, /ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
Oman
/ˈɔmbʏdsˌmɑn/, /ˈɔmbʏtsˌmɑn/
noun
1. een ambtenaar die de taak heeft om als onpartijdige instantie klachten van individuele burgers tegen de overheid, instellingen en bedrijven te onderzoeken
ombudsman
/ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
karena
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
telur dadar
noun
1. de nabijheid
lingkungan
verb
1. de armen om iemand slaan
memeluk
/ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
menyogok
noun
penyogokan
noun
1. alleseter, zowel plantaardig als dierlijk voedsel
omnivor
verb
2. een einde maken aan een bewind
kudeta
noun
1.
transformasi
noun
  1. 1. politieke revolutie
  2. 2. algemene grootscheepse verandering
  3. 3. volledige draaiing
revolusi
prefix
1. toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord drukt dit voorvoegsel het tegendeel uit.
tan-
adjective
1. geen verbinding hebbend met
merdeka
noun
deklarasi kemerdekaan
noun
keledai asia
adverb
1. niet of zeer moeilijk te begrijpen, rationeel niet te volgen, onlogisch
tdk terpahamkan
noun
1. een medisch specialist die zich bezighoudt met de gezwelgroei, in het bijzonder met kanker
onkolog
/ˈɔn.dər/
preposition
1. niet gesorteerd
bawah
noun
1. kledingstuk dat onder de gewone broek wordt gedragen
celana dalam
noun
1. het gedeelte van de buik dat het dichtste bij de benen is
abdomen
/ˌɔndərˈdanəx/
adjective
1. gehoorzaam aan een leider
submisif
/ˈɔndərde:l/
noun
1. deel van een groter geheel
komponen
verb
1. onder een vloeistofoppervlak laten zakken
menenggelamkan
noun
1.
upafamili
noun
1.
subgenus
verb
1. overleggen om tot een afspraak te komen
berunding
/ɔndər'ɦɑndəlɪŋ/
noun
1. een proces van overleg waarbij partijen trachten tot een voor beiden aanvaardbare afspraak te komen
negosiasi
noun
1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden.
pemeliharaan
noun
1. de onderste kaak
rahang bawah
noun
1. gouverneur van een land of een provincie die als vervanger van de monarch optreedt
raja muda
noun
1.
wiraswasta
noun
1. een organisatie
badan usaha
verb
1. iets kleiner of van kleiner belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
meremehkan
noun
beda
noun
1. handtekening
tanda tangan
noun
2.
upaspesies
verb
1. helpen, bijstaan
menopang
noun
penyangga
verb
1. een streep onder een woord of passage zetten
menggarisbawahi
verb
menandatangani
noun
1. een geschreven vertaling die bij een film(pje) in beeld wordt gebracht
subjudul
/ɔndə'rʌʏ̭txəɦalt/
verb
1. iemand ten val brengen
menurunkan
/ˌɔndərˈwɛx/, /ˌɔndərˈʋɛχ/, /ˌɔndərˈβ̞ɛx/
adverb
1. bezig zijn zich van plek A naar plek B te verplaatsen
sedang di jalan
noun
  1. 1. waar iets over gaat, een thema
  2. 2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
subjek
noun
1. de voorziening van opleidingen
pendidikan
noun
1. iemand die lesgeeft
guru
noun
kapal selam
/ɔndərˈzes/
adjective
bawah laut
noun
1. een vaartuig dat onder het wateroppervlak kan varen
kapal selam
/ɔndər'zuːk/
noun
1. het onderzoeken van iets
penelitian
noun
1. iemand die een onderzoek uitvoert
peneliti
adjective
1. stout, ongehoorzaam
nakal
adjective
1. niet mis de verstaan, met slechts één betekenis
awataksa
adjective
buatan
adjective
1. zonder einde
nirbatas
noun
1.
cinta satu malam
adjective
1. Niet deelbaar door twee
ganjil
adjective
2. niet onderricht in lezen en schrijven
buta huruf
/ˈɔnɣəˌlɵk/, /ˈɔnɣəˌlʏk/
noun
1. een onvoorziene gebeurtenis met negatieve en soms zelfs fatale gevolgen
kecelakaan
noun
1. menstruatie
datang bulan
/ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
kecelakaan
/ˈɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
  1. om
  2. paman
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
gulma
adjective
1. niet te verwezenlijken
mustahil
/ˌonomatoˈpe/
noun
1. door klanknabootsing gevormd woord
onomatopoeia
noun
1. een werkwoord dat niet vergezeld kan worden door een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in een zin
kata kerja intransitif
noun
1. schadeverwekkende inbreuk op een zorgvuldigheids- of rechtsnorm waardoor burgerrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat
pelanggaran
adjective
abadi
noun
1. eerste maaltijd van de dag
sarapan
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
makan pagi
noun
deforestasi
verb
1. niet aanwezig zijn terwijl dit wel zou moeten of verwacht wordt
ada
noun
1. het vinden van iets nieuws
penemuan
noun
1. rituele toelating tot een studentencorps
perploncoan
noun
1. schending van wat heilig is of heilig gevonden wordt
desekrasi
verb
1. iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
memenggal
noun
  1. 1. iemand die bepaalde genotmiddelen niet gebruikt
    golongan putih
  2. 4. iemand die iets niet vergeet
    pengingat
/ɔntˈɦɵlə(n)/, /ɔntˈɦʏlə(n)/
verb
2. openbaren van onbekende feiten
membeberkan
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
pungkir
noun
1. handeling of uiting waarmee iemand kan laten weten dat iets niet waar is
penyangkalan
verb
melucut
noun
4.
analisis
noun
anatomi
verb
1. met iemand kennismaken en een gesprek voeren
bertemu
noun
ledakan
verb
1. arbeidsovereenkomst beëindigen
memecat
/ɔnt'slɑx/
noun
1. het verbreken van het dienstverband met een werknemer
pemecatan
verb
1. aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
kabur
noun
1. (medisch) ontsteking
inflamasi
noun
1. iemand aan wie...
penerima
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
menculik
verb
2. iets los vouwen
membentangkan
noun
denah
noun
1. geleidelijke verandering in een zekere richting
perkembangan
noun
negara berkembang
noun
1.
desalinasi
/ɔnvɛrˈsxɪləɣˌɦɛit/
noun
1. houding waarbij men zich niets aantrekt van omstandigheden en de opvattingen van anderen
ketakacuhan
adjective
inkomplet
noun
kala kini
noun
kala imperfek
adjective
mandul
/ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
badai guntur
adjective
bebal
pronoun
1. christelijk gebed
Bapa Kami
/ox/, /oːx/, /oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
mata
noun
dokter mata
noun
1. ooggetuige
saksi mata
noun
1.
orbita
/ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
kelopak mata
verb
1. het van het land halen van het rijpe gewas
panen
noun
1. vrouwelijk schaap
domba
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
bangau
/oːɪt/
adverb
1. op een zeker tijdstip in het verleden
pernah
/oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
juga
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
  1. paman
  2. om
/oːr/
noun
1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
  1. telinga
  2. kuping
noun
1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
anting-anting
noun
penghakiman
noun
1. klein voorwerp om de gehoorgang te blokkeren zodat je niet door lawaai gehinderd wordt
sumbat telinga
/ˈɔːrkɔndə/
noun
1. rechtskrachtig door getuigen bevestigd bewijsstuk, stammend uit de middeleeuwen
piagam
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
perang
/ 'orlɔxsmɪsdadəxər/
noun
1. iemand die een oorlogsmisdaad pleegt of heeft gepleegd en daarvoor individueel aansprakelijk gesteld...
penjahat perang
noun
asal
adjective
1. zoals het in begin was
orisinal
noun
1.
tinitus
adverb
timur
pronoun
Asia Timur
pronoun
Jerman Timur
pronoun
Eropa Timur
/os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
Timor Timur
/ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
timur
/ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
Austria
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
Laut Baltik
preposition
1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op
atas
noun
1. de vader van een ouder
  1. kakek
  2. opa
/o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
opal
/ˈɔˌbɛlə(n)/
verb
1. iemand telefonisch proberen te bereiken
menelepon
/'ɔbrɛŋs/, /'ɔbrɛŋst/
noun
1. dat wat opgebracht wordt, de baat die men heeft van zijn activiteiten
hasil
conjunction
agar
noun
1. een te verrichten werk
tugas
/ˈoː.pə(n)/
adverb
1. niet gesloten
buka
adjective
1. vrij toegankelijk
umum
noun
1. openbaar toegankelijk personenvervoer
transportasi umum
verb
  1. 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
  2. 3. openstellen, toegankelijk maken
membuka
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
opera
noun
  1. 1. aantal gecoördineerde acties
  2. 2. een chirurgische ingreep
  3. 3. een bewerking op een object
operasi
noun
1. ruimte waar heelkundige bewerkingen uitgevoerd worden
ruang operasi
verb
  1. 1. aan een chirurgische ingreep onderwerpen
  2. 2. acties uitvoeren, optreden
bedah
/ˈɔpɣavə/
noun
urusan
verb
  1. 5. een bestand van een computer of server naar een andere computer of server overbrengen
    download
  2. 1. een voorwerp of persoon bij iets/iemand vandaan halen
    menjemput
/'ɔpɦɑŋə(n)/
verb
2. een telefoongesprek beëindigen
menutup
noun
1. opiumbevattend geneesmiddel
madat
noun
1. een steekproefsgewijs onderzoek naar de mening van de bevolking
jajak pendapat
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
opium
noun
1. totaal aantal afdrukken van een drukwerk dat in één keer wordt vervaardigd
oplah
noun
latihan
noun
1. een mannelijk persoon die oplicht
maling
noun
  1. 1. een mengsel
  2. 2. een manier om van een probleem af te komen
  3. 4. het antwoord
larutan
/'ɔpnam(ə)/
noun
2. geluid
rekaman
verb
1. in handen nemen
angkat
noun
2. onverwachte vertraging in gemaakte plannen
keterlambatan
pronoun
Volta Hulu
noun
1. bot in de bovenarm
tulang lengan atas
/ˈɔpərvlɑk/
noun
1. vlak dat iets naar boven begrenst
permukaan
/ɔpər'vlɑkəx/
adjective
2. zich aan de oppervlakte bevindend
datar
noun
1. vlak dat iets naar boven begrenst
permukaan
/ɔ'pərwezə(n)/
noun
1.
makhluk tertinggi
/ɔpɔrtyˈnɪst/
noun
oportunis
adjective
1. de waarheid sprekend
benar
/ˈɔpslan/
verb
5. informatica: vastleggen of bewaren van gegevens
rekam
verb
1. in de hoogte springen
melompat
verb
  1. 1. gaan staan
    bangkit
  2. 2. het bed verlaten
    bangun
/ˈɔpstɑnt/
noun
1. een massale, vaak gewelddadige, poging het heersende gezag af te schudden
kebangkitan
noun
1. iemand die zich gewapenderhand verzet tegen het heersende gezag
pembangkang
verb
1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
tambah
noun
optik
noun
  1. 1. een van de keuzes die gemaakt kan worden
  2. 2. financieel product
opsi
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
mengangkat
verb
mengoptimalkan
verb
1. uitvoeren wat een ander aangeraden of bevolen heeft
anut
noun
1. iemand die een ambt bekleedt na iemand anders
penerus
adjective
1. met betrekking tot de mond
lisan
noun
1. seks waarbij geslachtsdelen met de mond gestimuleerd worden
seks oral
noun
1. mensaap met lange armen en roodbruinachtig haar
orang hutan
adjective
1. de kleur oranje hebbend
  1. jingga
  2. oranye
pronoun
Negara Bebas Oranje
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
anggrek
noun
  1. 1. gewenste regelmaat
  2. 2. een hiërarchische organisatie
  3. 3. (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families
aturan
noun
  1. 1. een verzoek om diensten of goederen te leveren
  2. 2. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak
pesanan
noun
1. Onderdeel van het organisme
organ
noun
organel
/ˌɔrɣɑniˈzasi/, /ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
organisasi
pronoun
Organisasi untuk Kerja Sama dan Pembangunan Ekonomi
pronoun
Organisasi untuk Keamanan dan Kerjasama di Eropa
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
organisme
/ɔr.ˈɣaː.no.ɣe.ˌneːzə/
noun
1. het zich ontwikkelen van organen uit enkele typen weefsel
organogenesis
noun
1. lustgevoelens bij seksuele opwinding (klaarkomen)
orgasme
/ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
organ
pronoun
1. de officiële taal van de Indiase staat Orissa
bahasa Oriya
/ɔrk/
noun
1. fictieve wezentjes die in groepsverband leven en gewoonlijk de vijand van de mensen zijn
gergasi
/ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
paus pembunuh
noun
1. een bijzonder hevige storm
  1. hurikan
  2. angin puyuh
  3. angin ribut
  4. badai tropis
  5. siklon tropis
  6. taifun
/ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
orkestra
adjective
ornamental
noun
ornitologi
noun
1. gecastreerde stier
lembu
pronoun
  1. 1. de hoofdstad en grootste stad van Noorwegen en is gelegen in het zuidoosten van het land
  2. 2. een provincie in Noorwegen
Oslo
noun
1. Chemisch element
osmium
noun
1. beenvorming
osifikasi
noun
1. een structuur in het binnenoor van gewervelden en een rolspelen in het waarnemen van geluid,...
otolit
pronoun
1. de hoofdstad van Canada
Ottawa
/aʊ̯d/, /ɔʊ̯t/, /ʌʊ̯t/
adjective
  1. 2. oud ding, concept
    1. lama
    2. tua
  2. 1. oud mens, dier
    1. tua
    2. lama
pronoun
1. het Engels zoals dat tussen ca. 400 en 1100 werd gesproken en dat wordt gezien als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels en nog later het moderne Engels
bahasa Inggris Kuna
noun
arkeologi
noun
arkeolog
noun
Malam Tahun Baru
/ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
  1. oven
  2. dapur
  3. tungku
adverb
1. voorbij, gedaan
ganti
preposition
    1. 2. op of langs de oppervlakte van
    2. 5. naar de andere kant van
    3. 6. meer dan
    ganti
  1. 1. wat betreft
    tentang
adverb
1.
di mana-mana
noun
1. toestand waarbij een ruimte, gebied of land zo dichtbevolkt is dat het problemen geeft
kelebihan penduduk
adjective
yg berlebihan
verb
1. de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn
melebih-lebihkan
noun
2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
kontrak
noun
1. reeks handelingen die gedaan wordt bij een belangrijke gebeurtenis in het leven
ritus peralihan
verb
1. braken
muntah
noun
1. moeder van de grootvader of van de grootmoeder
nenek buyut
/ˈovərɣrotˌʌʊdər/
noun
1. een ouder van een grootouder
moyang
/ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
kakek buyut
/ˈovərɦɛit/
noun
1. het geheel aan gezagvoerende lichamen
pemerintah
/ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Overijssel
adjective
1. gestorven, doodgegaan
almarhum
noun
almarhum
/ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
bertahan
noun
1. iemand die een levensbedreigende situatie overleefd heeft
penyintas
verb
1. ophouden met leven
meninggal
verb
2. in de strijd van zijde wisselen
membelot
adjective
1. buitensporig
berlebihan
adverb
lusa
verb
1. met de wielen van een voertuig over iets of iemand heen rijden
melindas
verb
1. iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
melebih-lebihkan
verb
1. de overzijde van een grens betreden
melampaui
noun
pengiriman uang
noun
1. seks hebben met een ander dan de echtgenoot of vaste partner
zina
verb
1. doorkruisen om de overzijde te bereiken
arung
/ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
banjir
verb
1.een voorheen behaald niveau te boven gaan
melampaui
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
meyakinkan
noun
keberlimpahan
/'ovərʋɛx/, /ovər'ʋɛx/
noun
1. een kruising van een weg met een spoorbaan
perlintasan sebidang
/ovər'ʋeɣən/, /ˈovərʋeɣən/
verb
de voor- en nadelen bezien alvorens een beslissing te nemen
berencana
verb
1. een tegenstander of zwakte onder de knie krijgen
mengalahkan
noun
kemenangan
verb
3. zie vertalen
alih bahasa
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
ovulasi
pronoun
Oxford
noun
oksidasi
noun
oksida
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
ozon
/pajə(n)/
verb
1. het leggen en bevruchten van eieren door vissen
memijah
/paːrt/
noun
  1. 1. tam hoefdier met manen
  2. 3. schaakstuk
kuda
noun
  1. 1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
    jombang
  2. 1. samengesteldbloemige plant Taraxacum officinale
    tanaman jombang
/'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
daya kuda
noun
2. haardracht
kuncir kuda
/ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
istal
adjective
1. met een kleur tussen rood en blauw
ungu
noun
  1. 1. ei van chocolade of suiker dat op of omstreeks Pasen gegeten wordt
  2. 2. ter gelegenheid van Pasen gekleurd en versierd kippenei
telur Paskah
pronoun
Pulau Paskah
noun
1. de dag waarop christenen vieren dat Jezus opgestaan is uit de dood, op de derde dag na zijn kruisiging
Minggu Paskah
noun
pacu jantung
noun
sewa guna usaha
/pɛːt/
noun
1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
  1. katak
  2. kodok
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
jamur
noun
jamur ajaib
/paˈeʎa/
noun
1. gerecht
paela
noun
  1. halaman
  2. kaca
  3. muka
  4. pagina
/pɑk/
noun
1. pakket
pak
noun
gudang
/ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
Pakistan
verb
1. in de handen nemen
ambil
noun
1. Aziatische groene koolsoort met witte stelen Brassica rapa subsp. chinensis
  1. bok choy
  2. pakcoy
/pa.ˈlaʊ̯/, /pa.ˈlɔʊ̯/, /pa.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Palau
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
istana
/palejoˈɣen/
noun
1.
Paleogen
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
paleontologi
/ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
Paleozoikum
pronoun
Palermo
pronoun
Palestina
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
palindrom
noun
1. bepaald soort langwerpige consumptievis, Anguilla anguilla
belut
noun
1. chemisch element
paladium
noun
  1. 1. (sub-)tropisch gewas
    palma
  2. 2. binnenzijde van de hand
    telapak
noun
palam
noun
asam palmitat
noun
minyak sawit
pronoun
1. de zondag voor Pasen
Minggu Palma
/pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
alat penggorengan
noun
1. geneesmiddel dat alle kwalen zou verhelpen
panasea
/ˈpa.na.ma/, /ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
Panama
pronoun
Terusan Panama
noun
1. (zoogdieren) een beerachtig dier uit het Himalayagebied
panda
noun
1.
panda
/ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
pandemi
noun
1. bank van lening waar men geld kan krijgen als men een pand in bewaring geeft, dit pand kan men...
pegadaian
noun
1. blaasinstrument dat is samengesteld uit een reeks van eentonige fluiten
pan flute
noun
kepanikan
noun
  1. 1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
  2. 3. volleybalterm
panekuk
noun
panseksualitas
noun
1. toneelspel alleen maar met gebaren en lichaamsuitdrukkingen dus zonder woorden
pantomim
noun
1. gerecht dat meestal bestaat uit melk die is gebonden met een zetmeelproduct zoals meel
bubur
noun
1. informele benaming voor vader door zijn kind
  1. bapak
  2. papa
/paˈpa.ja/
noun
1. en 2. (vrucht van) de boom Carica papaya
pepaya
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
nuri
noun
1.1 bepaald soort opvallende zeevogel die zelfs onder water kan vliegen, Fratercula arctica
beo laut
noun
penjepit kertas
/pɑ'pir/
noun
1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
kertas
noun
1. bouwmateriaal dat gemaakt wordt door papier te vermengen met natte lijm
bubur kertas
/ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
Papua Nugini
/ˈpaprika/, /ˈpɑprika/
noun
2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
paprika
noun
parabel
abbreviation
1. veelgebruikt medicijn tegen koorts en pijn
asetaminofen
noun
parasut
noun
Sorga
/ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoɣəl/, /ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoχəɫ/, /ˌpɑrɑˈdɛːsvoɣəl/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Paradisaeidae
cenderawasih
noun
paradoks
/ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /ˈparaˌɡwe/
pronoun
Paraguay
adjective
1. evenwijdig
paralel
noun
balok genjang
/paralɛloˈɣrɑm/, /pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
jajar genjang
noun
1. achtervolgingswaanzin
paranoia
/ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
payung
noun
parapsikologi
noun
1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
parasit
noun
1. leer en studie van de parasieten en het parasitisme
parasitologi
noun
parasol
noun
1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
mutiara
/parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
giwang
noun
minyak atar
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
Paris
/pɑrᵊk/
noun
1. een groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
taman
noun
1. lang warm jack met een met bont gevoerde capuchon oorspronkelijk kledingstuk van de Inuits
parka
noun
1. garage voor het parkeren van motorvoertuigen
gedung parkir
noun
1. een installatie met klok die na de muntinworp de toegestane parkeertijd aangeeft
meteran parkir
verb
1. (een voertuig) tijdelijk ergens laten staan
parkir
noun
1. risicosport waarbij een traject met obstakels zo snel en vloeiend mogelijk moet worden afgelegd
parkur
noun
parlemen
adjective
parlementer
noun
1. gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
paroki
noun
parsec
noun
1. iemand die deelneemt aan een activiteit
partisipan
/pɑrˈsʲeːl/
adjective
parsial
noun
  1. 1. persoon of groep die een overeenkomst of strijd aangaat met een andere persoon of groep
  2. 2. vereniging van gelijkgezinden die binnen een bepaald gebied hun politieke doelstellingen...
  3. 6. feestje, party
partai
noun
  1. 1. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
  2. 2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
  3. 3. iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
mitra
noun
3. identiteitsbewijs
paspor
noun
1. eenheid voor druk (symbool: Pa)
pascal
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
Paskah
adjective
1. kort geleden geboren
jabang bayi
noun
paspor
noun
1. pop waarop men gemaakte kleren past
boneka jahit
noun
1. de vaste oostelijke wind die waait tussen de 30 graden noorderbreedte en 30 graden zuiderbreedte en het reizen met zeilschepen over de oceaan aanzienlijk eenvoudiger maakt
angin pasat
noun
5. ontlasting, doorgang
pasase
noun
1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
penumpang
noun
pesawat penumpang
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Passau
noun
1
sengsara
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
markisa
noun
1. de benaming voor een aantal Italiaanse deegproducten
pasta
noun
kue pai
noun
pastor
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
Patagonia
noun
1. gefrituurde aardappelreepjes
kentang goreng
noun
1. schotel voor de hostie
patena
noun
oktroi
noun
1. een organisme dat een ziekte verwekt
patogen
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
patologi
noun
1. een medisch specialist die de pathologie beoefent
patolog
/pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
pasien
noun
1.
batrik
adjective
1.
patriarkal
noun
1. een grote verstembare keteltrommel zoals gebruikt in een orkest
timpani
/pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
paus
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Pavo
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
  1. merak
  2. merak jantan
noun
1. bepaald soort tropische struik met prachtige bloemen, Caesalpinia pulcherrima
kembang merak
/ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
jeda
noun
paviliun
noun
  1. 1. met de voet te bedienen hefboom
  2. 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
pedal
noun
1.
pedagog
noun
1. iemand die op een doordachte manier helpt kinderen op te voeden
pedagog
noun
pediatri
adjective
1. behorende tot het verlangen van een volwassene naar seksueel contact met kinderen
pedofil
noun
1. een volwassene die verlangt naar seksueel contact met kinderen
pedofil
noun
1.
pedofilia
noun
1. vrucht
pir
/pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
  1. tendon
  2. urat
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
pelikan
noun
1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
  1. pena
  2. pen
noun
penisilin
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
penis
noun
1.
kotak pensil
noun
2. een gerecht bereid van (1)
babat
noun
1. loon uitgesteld tot de tijd dat iemand niet langer actief is op de arbeidsmarkt
pensiun
noun
dana pensiun
noun
1. C₅H12
pentana
noun
pentagram
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
  1. lada
  2. merica
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Mentha × piperita
pepermin
/pɛpˈsinə/
noun
1. een verteringsenzym dat in de maag eiwitten in kleine stukken breekt
pepsin
/pɛrsɛnˈtaʒə/
noun
1. een percentsgewijze berekend bedrag of hoeveelheid
persentase
noun
1. hervormingen zoals deze door Gorbatsjov werden voorgesteld in de Sovjet-Unie
perestroika
/pɛrˈfɛkt/
adjective
1. zonder enig gebrek
sempurna
noun
kesempurnaan
noun
1.
pergola
adjective
1. aan de buitenzijde
perifer
noun
pinggir
noun
kerampang
/pɪri'jodɘ/
noun
1. tijdperk
masa
noun
tabel periodik
noun
1. een dun schrijfmateriaal, gemaakt van huid van kalveren, koeien, geiten, schapen, konijnen of ezels
perkamen
noun
1. populistische en nationalistische politieke stroming in Argentinië
peronisme
noun
peroksida
/pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
peron
noun
  1. 1. instrument waarmee druk uitgeoefend kan worden
  2. 2. journalistieke media
pers
noun
1. schriftelijke verklaring om iets via de media bekend te maken
siaran pers
noun
kepribadian
adjective
personel
noun
  1. 1. menselijk individu
  2. 2. grammaticaal begrip
orang
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
kata ganti orang
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
kepribadian
noun
gangguan kepribadian
/pɛrspɛkˈtif/
noun
perspektif
/peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Peru
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
  1. persik
  2. kesemek
noun
1.
kesemek
noun
1.
kesemek
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
Parsi
pronoun
1.
Teluk Persia
pronoun
Peshawar
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen ongunstig gaan uitvallen
pesimisme
noun
pestisida
/petəkɪnt/
noun
anak baptis
noun
ayah baptis
noun
2. kruid
peterseli
noun
1. laag plat ronde bakje van glas of kunststof met een ruim eroverheen passend deksel
cawan petri
noun
1. een symbool, figuur of andere afbeelding die in de rotsen is gekrast, gekerfd of gehakt
petroglif
pronoun
  1. 1. discipel van Jezus
  2. 3. Peter
Petrus
noun
1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
puntung
noun
2. en 3. (peulen van) Pisum sativum var. saccharatum
kapri
noun
1. een jong kind in de leeftijd van een tot vier jaar
balita
noun
1.
pengelabuan
noun
1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
piano
noun
1. piccolofluit
pikolo
noun
2. een kleine open vrachtauto
pikap
noun
1. een carrosserie-uitvoering van een bestelwagen, waarbij de wagen bestaat uit een passagiers- en bestuurdersgedeelte, met daarachter een open laadbak
pikap
noun
1. een maaltijd in de vrije natuur
botram
noun
ikon
noun
1. geslachtsdeel van de man, penis gebruikt voor onvolgroeide jongens
burung
verb
1.1 het geluid van een muisje
berdecit
pronoun
1. jongensnaam
Petrus
noun
1. projectiel
  1. anak panah
  2. panah
noun
1. houder voor pijlen
tarkas
noun
ararut
/pɛɪ̯n/, /pɛːn/
noun
1. lichamelijk leed
  1. sakit
  2. nyeri
verb
1. het opzettelijk veroorzaken van pijn bij iemand
mengazab
/pɛi̯p/
noun
1. buis
pipa
noun
  1. 1
  2. 2
pil
noun
1. een bestuurder van een vliegtuig, luchtschip of race-auto
pilot
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
burung gelatik biru
noun
1. een dun metalen staafje waarmee iets bevestigd kan worden
jarum pentol
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
selai kacang
/ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
pinguin
noun
1. de vijfde, kleinste en buitenste vinger
jari kelingking
pronoun
1. Christelijk feest
Pentakosta
/ˈpɪmpɑs/
noun
1. betaalkaart waarmee bedragen rechtstreeks worden afgeschreven van de bankrekening van de betaler.
kartu bank
/piˈɔn/
noun
1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
  1. bidak
  2. pion
noun
1.
perompak
noun
1.
  1. piramida
  2. piramid
noun
  1. 1. het beroven of plunderen van een schip op open zee
  2. 2. opzettelijke schending van het auteursrecht door het ongeoorloofd namaken van goederen of ...
pembajakan
noun
pispot
verb
1. plassen
kencing
noun
fustuk
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
pistol
noun
1. een beeldpunt
pixel
/ˈpidza/, /ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
pizza
pronoun
Piemonte
noun
wijdverspreid onheil, ongemak
wabah
/plaːts/
noun
  1. 2. een plein
    lapangan
  2. 1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
    tempat
noun
1. precieze plek waar een misdaad is gebeurd
tempat kejadian perkara
verb
1. op een bepaalde plaats zetten
menempatkan
/plɑˈfɔnt/
noun
  1. 1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
  2. 2. hoogste niveau
langit-langit
noun
plagiarisme
verb
menjiplak
/ˈplɑg.bɑnt/
noun
1. een lintvormige drager die aan één of beide zijden bedekt is met kleefstoffen
selotip
noun
2.
plakat
noun
1. een voorgenomen handelswijze
rancangan
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
planet
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
planetarium
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
asteroid
/plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
papan
noun
demam panggung
noun
  1. 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
  2. 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
  1. tanaman
  2. tumbuh-tumbuhan
noun
1. een uitgestrekt stuk grond waarop ...
perkebunan
verb
1. (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
tanam
noun
1. dier dat uitsluitend plantaardig voedsel eet
herbivor
noun
  1. 2. een door veenafgraving ontstaan meer
    genangan
  2. 1. een verzameling van vocht
    genangan air
noun
1. immunoglobulinen producerende cellen
sel plasma
verb
1. via de urinebuis vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen
berkemih
noun
1. een chirurgisch specialisme waarin men zich richt op het uit esthetisch en/of functioneel oogpunt aanpassen van het uiterlijk
bedah plastik
adverb
1. vlak van vorm met verwaarloosbare hoogteverschillen
datar
noun
1. bepaalde omgeving waarin een computer werkt
anjungan
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
emas kodok
noun
1. het landelijke gebied buiten de steden
  1. daerah pedesaan
  2. daerah pelosok
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Plauen
noun
1. een lijst met muzieknummers die men wil afspelen
daftar putar
noun
plebisit
noun
een sociale gebeurtenis die met ernst en ceremonieel gepaard gaat
upacara
/'pleɣə(n)/
verb
1. een gewoonlijk verboden handeling uitvoeren
melakukan
noun
lapangan
/ˈplɛinˌvreːs/
noun
agorafobia
noun
  1. 2. zelfklevend verband
    hansaplas
  2. 1. (gipshoudend) kalkmengsel
    plester
pronoun
1. Plejaden
Kartika
adjective
1. in aanwezigheid van allen
lengkap
/plejoˈnɑsmə/
noun
1.
pleonasme
noun
1. machine die wegen effent
mesin penggilas
noun
1.
cerek
noun
1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
bajak
verb
2. land met de ploeg bewerken
membajak
/ploˈsif/
noun
1. medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie...
plosif
/'plʌʏ.zəx/
adjective
1. vol met pluizen
embul
/'plɵkə(n)/
verb
  1. 1. (bloemen) afbreken of oogsten
  2. 4. (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
memetik
verb
1. met geweld zich roerende goederen toeëigenen uit de woning van iemand anders
menjarah
pronoun
1.
Pluto
noun
1. Chemisch element
plutonium
noun
1. longontsteking
pneumonia
noun
1. een pot, meestal uit kunststof of eertijds geëmailleerd ijzer, waar men zijn behoefte in kan doen
pispot
noun
1. digitale radio-uitzending waarbij een audiobestand op internet wordt gezet...
siniar
pronoun
1.
Podolia
noun
1. Frans krulharig hondenras
pudel
noun
bedak
noun
1. een vrij klein stilstaand water
genangan
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis concolor
puma
noun
1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
tahi
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
kucing
/ˈpoɣə(n)/, /ˈpoχə(n)/
verb
1. iets met succes trachten te volbrengen, waarvan men niet weet of het gaat lukken
coba
noun
percobaan
noun
  1. 1. razzia tegen joden
  2. 2. gewelddadige aanvallen...
pogrom
noun
1. emotieloos gezicht
muka bohong
noun
2. epidemische huidziekte
cacar
pronoun
1. Polaris
Polaris
/ˈpɔldəʀ/
noun
1. een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
polder
/ˈpolə(n)/, /ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
Polandia
noun
1. een discipline
ilmu politik
noun
1. iemand die zich beroepsmatig met politiek bezighoudt
politikus
noun
  1. 1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
  2. 2. een politieagent
polisi
noun
1. een persoon die belast is met hulpverlening en met de handhaving van de openbare orde en veiligheid
polisi
noun
kantor polisi
/poliˈtik/
adjective
1. betreffende de politiek
politik
/poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
politik
noun
1. iemand wiens taak het is de wet te handhaven en overtreders in de kraag te grijpen
polisi
noun
1. stuifmeel
polen
noun
2.(België) een diepe, grote lepel met een lange steel gebruikt voor het opdienen van soepen, sauzen e.d.
irus
noun
1. Chemisch element
polonium
noun
anatomie: 1. gewricht
pergelangan tangan
noun
poliamori
noun
poliandri
noun
2. thermoplastisch polymeer
polikarbonat
noun
polifoni
noun
poligami
noun
poliglot
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
poligon
noun
1.
polimer
noun
polimerisasi
pronoun
1. eilanden in de Grote Oceaan of Stille Oceaan die samen Oceanië vormen
Polinesia
noun
polisakarida
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
polisemi
noun
1. godsdienst met meer dan één god
politeisme
noun
1. vermeerderde urinelozing
poliuria
pronoun
1. historische regio in het zuiden van de Oostzee
Pomerania
noun
pompa
/ˈpɔmpəlˌmus/, /ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
2. een vrucht van deze boom
jeruk bali
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
labu
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
paun
noun
paun
noun
1.
pontifikat
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
kuda kerdil
/'poːjər/
noun
1. een man die prostituees tegen betaling beschermt en helpt.
alku
/pol/, /poɫ/, /po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
orang Polandia
noun
A 1. uiteinde van een draaiingsas
kutub
/poɫs/, /poːls/, /po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
bahasa Polandia
/poːrt/
noun
  1. 1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
  2. 2.
gerbang
noun
cakar
noun
1. speeltuig
boneka
noun
1. een in het klein uitgevoerde versie
rumah boneka
noun
1. kunstenaar achter poppenspel
dalang
noun
1. het populair zijn van iemand of iets
kepopuleran
noun
  1. 1.
  2. 3. een groep organismen
populasi
noun
1. politieke stroming die vindt dat een maatschappelijke elite de belangen van het volk verwaarloost...
populisme
noun
pornografi
/pɔrsəlɛːn/, /pɔrsəˈlɛɪn/
noun
  1. 1. fijn, geglazuurd aardewerk
  2. 2. voorwerpen van fijn, geglazuurd aardewerk
porselen
noun
1,2 portaal (entree)
portal
noun
platte houder voor geld, kredietkaarten, naamkaartjes en dergelijke
dompet
noun
1. geldbuidel
dompet
noun
2. zuilengalerij
portik
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
potret
/'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
Portugal
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
noun
1. inwoner van Portugal
  1. orang Portugal
  2. orang Portugis
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
  1. bahasa Portugis
  2. bahasa portugal
/pɔr.ty.ˈɣe.sə/, /ˌpɔr.ty.ˈχe.sə/
noun
1. vrouw
orang Portugal
noun
positron
/pɔs/, /pɔst/
noun
1. toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
pos
noun
1. postbeambte
pengantar surat
noun
1. een afgerichte duif die berichten kan overbrengen
burung merpati pos
noun
2. (aanplak)biljet
poster
noun
2. het postkantoor
kantor pos
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
kantor pos
noun
1.
posmodernisme
noun
1. postcode in België
kode pos
adjective
1. na een letsel
pascatrauma
adjective
1.
anumerta
/ˈpɔseɣəl/, /ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
  1. prangko
  2. perangko
/ˈpɔ.dɑs/
noun
potas
verb
1. ondiep in de aarde stoppen, met name van bollen, wortels, zaden e.d. om deze te laten groeien
menanam
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
  1. pensil
  2. potlot
noun
1. iets wat bestaat uit een samenraapsel van fragmenten uit andere werken
rampai lagu
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
ikan paus sperma
noun
poutine
noun
1. in ritme, maat en klank verwoorden
puisi
/prax/, /praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Praha
noun
1. een radio- of televisieprogramma dat vooral uit praten bestaat
gelar wicara
noun
1.
pragmatisme
/prɑkˈtɛɪ̯k/, /prɑkˈtɛːk/
noun
  1. 1. ruimte waarin een arts zijn beroep uitoefent
  2. 2. hoe dingen werkelijk gaan...
  3. 4. gewoonte(n), manier van doen
praktik
adjective
1. op een manier die ook echt uitgevoerd kan worden
praktis
/ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
berbicara
/presəˈdɛnt/
noun
  1. 1. eerder plaatsgevonden hebbend geval
  2. 2. bestaande jurisprudentie die dient ter beslechting van een vergelijkbaar geschil
preseden
/pre'kɵrsɔr/
noun
1. een voorloper
prekursor
noun
1. het vangen, doden en opeten door een organisme, meestal een dier, van een ander dier, het prooidier
pemangsaan
noun
pemangsa
noun
3. (grammaticaal) gezegde
predikat
pronoun
Kitab Pengkhotbah
noun
khotbah
noun
2. bureau van een prefect
prefektur
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
awalan
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
bawang prei
noun
1. de betaling aan een verzekeringsmaatschappij voor een verzekering
premi
noun
1. de eerste vaak feestelijke vertoning van een film, toneelstuk of een andere vorm van entertainment
pemutaran perdana
noun
buku bergambar
noun
pembawa acara
verb
1. op een goed voorbereide wijze aanbieden aan anderen
memperkenalkan
noun
1. het staatshoofd van een republiek
presiden
adjective
1.
presidensial
noun
prestasi
noun
1.
gengsi
noun
3. iemand die preuts is
sok suci
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
priapisme
noun
1. priem
alat pelubang
noun
1. priemgetal
bilangan prima
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
pendeta
noun
1. de gevraagde geldsom bij verkoop
harga
verb
1. iemand lof toezwaaien
menyanjung
noun
1. een bord (vaak van vilt) waar met behulp van punaises foto's en andere papierwerken op kunnen worden opgespeld
papan pengumuman
noun
1. materiaal bestaande uit een dubbele, in elkaar gedraaide metalen draad...
kawat berduri
noun
  1. 1. benaming voor zoogdieren uit de orde Primates
  2. 2. kerkelijke titel
primata
noun
  1. 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
  2. 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
pangeran
noun
  1. 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
  2. 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
puteri
/ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
  1. pencetak
  2. printer
noun
prioritas
noun
prisma
adjective
1. voor persoonlijk gebruik gereserveerd
pribadi
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
masalah
/pro'sɛnt/
noun
1. een honderdste deel
persen
/proˈsɛs/
noun
2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
proses
noun
hukum acara
/proˈsɛˌsi/
noun
prosesi
noun
pembuat
noun
1. het resultaat van een bewerking
darab
noun
1. voortbrenging
produksi
noun
2. experiment
tes
noun
2. proefpersoon
kelinci percobaan
noun
1. een persoon die boodschappen van een godheid aan de mensen doorgeeft
nabi
/pro'fɛsi/
noun
1. het beroep dat iemand uitoefent om geld mee te verdienen, met kennis van zaken en met betrokkenheid
profesi
noun
1. het -met name financiële- voordeel dat men heeft bij een bepaalde zaak
faedah
noun
progesteron
noun
1. een applicatie voor de computer
acara
noun
bahasa pemrograman
/proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
proyek
noun
proyeksi
noun
proletariat
noun
proletar
noun
1. snelle vermenigvuldiging
proliferasi
noun
perpanjangan
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
promethium
/proˈmotsi/
noun
  1. 1. een verhoging in rang
  2. 2. bevordering naar een hogere speelklasse
promosi
/prɔŋkə'rɛɪ/
noun
1. het zich met opzet in de aandacht van anderen brengen met (vermeende) schoonheid of andere bewonderenswaardige hoedanigheden
pameran
noun
1. dat wat door een dier wordt buitgemaakt
mangsa
/prost/
interjection
1. heildronk
bersulang
noun
1. samengepakte massa weefsel of papier, vaak gebruikt om iets af te stoppen
sumbat
noun
1. C₃H₈
propana
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
propaganda
noun
baling-baling
adjective
1. goed schoongemaakt, netjes verzorgd
bersih
noun
1.een klier tussen de blaas en de penis van de man
prostat
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
pelacuran
noun
1.
protagonis
noun
2.
proteksionisme
noun
1.
protein
/'protɔn/
noun
proton
noun
1.
protoplasma
noun
1. oorspronkelijk model, eerste model van een product
  1. prototipe
  2. purwarupa
/pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
provinsi
noun
provokasi
noun
prosa
noun
2. vrucht van de pruimenboom
buah zabib
pronoun
Prusia
adjective
1. van slechte smaak getuigend
murahan
/psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
mazmur
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
Mazmur
noun
ilmu semu
noun
psikiater
/psixoloˈɣi/, /psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
psikologi
adjective
1. met betrekking tot het gevoelsleven.
psikologis
/ˌpsi.χo.ˈloχ/, /ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
psikolog
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
psikopat
/psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
psikosis
adjective
1. met betrekking tot het verband tussen geest en lichaam
psikosomatis
noun
1. stroming in de psychologie
psikoterapi
noun
1. het proces van seksuele rijping van kind naar volwassene en het gedrag dat daar bij hoort
pubesens
/pyˈblik/
adjective
  1. 1. vrij toegangelijk , openbaar
  2. 2. wat het publiek aangaat
khalayak
/pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
penonton
noun
gangbare benaming voor de status van werken die geheel vrij zijn van auteursrechten en naburige rechten
domain publik
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Puerto Riko
noun
batu apung
/pœʏ̯n/, /pœːn/
noun
1. een massa vergruizelde steen
puing
/pœʏ̯st/, /pœːst/
noun
1. ontsteking van de huid die tot een bobbeltje leidt
jerawat
noun
jerawat
pronoun
1. taal die in de Punjab, zowel in India als in Pakistan gesproken wordt
Punjabi
noun
  1. 1. een spits toelopend uiteinde
  2. 1. een positie in de ruimte
titik
noun
1. taps toelopende houder met een mesje dat bedoeld is voor het aanslijpen van een verse punt aan een potlood
rautan
noun
  1. 1. onder voogdij staand kind
  2. 1. oogappel
anak mata
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
anak anjing
noun
1. chocolade van zuivere cacaopasta plus suiker
cokelat hitam
adjective
ungu
/pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
sumur
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
piyama
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Pirenia
/kɑt/
noun
1. blad van een bedektzadige plant Catha edulis
qat
/ka'tar/, /ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
Qatar
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
karantina
/kwɑrk/
noun
kuark
pronoun
1.
Quedlinburg
/kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
kinoa
noun
1. spel waarbij de deelnemers vragen moeten proberen te beantwoorden
kuis
noun
1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
hasil bagi
/rat/, /raːd/
noun
  1. 1. aanbeveling hoe om te gaan met een probleem
    advis
  2. 2. een orgaan dat bestaat uit leden die raadgevende of beslissende bevoegdheden bezitten
    dewan
pronoun
Dewan Uni Eropa
pronoun
Majelis Eropa
verb
1. een bron van informatie of ervaring aanspeken
berkonsultasi
noun
1. iets waarnaar men moet raden
teka-teki
/raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
gagak besar
noun
1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
jendela
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
rhubarb
/rɑˈbɛin/
noun
rabi
noun
rasisme
adjective
1. voortkomend uit de opvatting dat mensen door afstamming kunnen worden ingedeeld in grote groepen...
rasialis
noun
1. wielvormig voorwerp dat kracht overbrengt binnen een machine of op het water
roda
noun
1. techniek
radar
verb
1. een gissing maken naar iets
menebak
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
radian
adverb
radikal
noun
3.
radikal
noun
radikalisme
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
lobak
/ˈradijo/
noun
  1. 1. toestel
  2. 2. medium
radio
adjective
radioaktif
noun
radiolog
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
radium
noun
raja
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
radon
noun
kilang
noun
1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
rel
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
roket
noun
arugula
noun
1. een harige vrucht uit de zeepboomfamilie
rambutan
noun
1.
jalur tabrakan
/rɑnt/
noun
1. de bovenkant van een bak of vat
tepi topi
verb
1. een bepaalde volgorde in iets aanbrengen
mengelaskan
noun
1.
perangkat pemeras
noun
1. bepaald soort vogel, Asio otus
burung hantu bertelinga panjang
/rɑnt'sun/
noun
1. beperkte dagelijks verstrekte hoeveelheid voedsel en andere primaire levensbenodigdheden
catu
noun
1. iemand die ritmisch teksten voordraagt op muziek, meestal hiphop
raper
noun
1. schriftelijk bericht over een gebeurtenis of toestand
laporan
noun
ras
noun
1. een grofgetande vijl die wordt gebruikt om rondingen aan hout te maken
parut
/rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
tikus
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
ular derik
verb
1. bekrachtigen van een internationaal verdrag door het nationale parlement of regering
mengesahkan
noun
rasionalisasi
noun
rasionalisme
adverb
1. ongekookt en vers
mentah
verb
1. heel snel rijden
laju
noun
reaktansi listrik
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
reaksi
noun
realisme
noun
kenyataan
noun
1. rebab
rebab
/rəˈbɛl/
noun
1.
pembangkang
verb
memberontak
adjective
1. een korte tijd geleden gebeurd of begonnen
baru saja
noun
  1. 1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
  2. 2. doktersvoorschrift voor (de bereiding van) een geneesmiddel
resep
noun
resesi
noun
1. het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
hak
noun
1. een instelling waar rechtgesproken wordt
pengadilan
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
hak asasi manusia
/ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
hakim
pronoun
Kitab Hakim-hakim
/'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
persegi panjang
adjective
1. tegenovergestelde van links
kanan
noun
1. kennis of studie van recht
yurisprudensi
/ɾɛχts.pɛɾ.soːn/
noun
1. groepering van goederen of natuurlijke personen die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
badan hukum
noun
yurisprudensi
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
adil
noun
1. de overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
keadilan
noun
residivis
verb
hafal
noun
1,2 informatie over, en aanprijzing van diensten, producten en ideeën
iklan
adjective
1. een aanbeveling verdienend
direkomendasikan
/rəˈkɔrt/
noun
  1. 1. beste prestatie
  2. 3. bij elkaar behorende gegevens
rekor
verb
1. na verbruik weer omzetten in iets bruikbaars
mendaur ulang
noun
1. iemand die berichten verzamelt en bewerkt voor publicatie
editor
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
menolong
noun
1. een speciaal gebouwde en uitgeruste boot om het schip in geval van nood veilig te kunnen verlaten.
sekoci
noun
2. een formele toespraak
alamat
/ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
alasan
verb
membantahkan
noun
redundansi
/redypliˈkatsi/
noun
1. vorming van een nieuw woorden of zinsneden door geheel of gedeeltelijke herhalen van een deel daarvan
reduplikasi
adverb
1. al
sudah
noun
1. het jong van een ree
anak rusa
noun
1. een opeenvolgende rij van gebeurtenissen
cerbung
noun
1. een stemming over een wetsvoorstel, waarbij gestemd wordt door het volk zelf...
jajak pendapat
noun
1. verwijzing
acuan
noun
refraksi
/ˈreɣəɫ/
noun
3. een voorschrift, richtlijn, norm
peraturan
adjective
1. aan een bepaalde regel gehoorzamend
atur
noun
1. een apparaat of een verzameling apparatuur om het gedrag van een of ander systeem of proces te regelen
sistem kendali
/reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
hujan
/ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
  1. pelangi
  2. bianglala
noun
1. het gekleurde vlies in het oog waarin de pupil zich bevindt
selaput pelangi
/ˈreɣə(n)ˌdrʏpəɫ/
noun
1. een druppel die als regen uit de lucht naar beneden valt
tetes hujan
/ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
hujan
noun
2. herstelgroei
regenerasi
noun
1. een waterdichte overjas die geschikt is voor regenachtig weer
jas hujan
noun
1. toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag in een bepaalde periode op een bepaalde plaats meet
penakar hujan
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Regensburg
noun
1. een paraplu
payung
noun
musim hujan
noun
1. tijd van het jaar dat het veel regent in de tropen...
musim hujan
noun
kabupaten
noun
air hujan
/'reɣəʋɔrm/
noun
1. benaming voor dieren uit de familie Lumbricidae
cacing tanah
noun
gajahan pengala
verb
1. het uitoefenen van de politieke macht...
memerintah
/re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /rə.'ɣeː.rɪŋ/, /rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
pemerintah
noun
1. bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
rezim
noun
resimen
noun
1. geografisch gebied
region
adjective
1. op de streek betrekking hebbend
regional
noun
sutradara
verb
1. vastleggen in een register
daftar
noun
rehabilitasi
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
  1. bangau
  2. cangak
noun
1. vaste stof of vloeistof gebruikt bij het schoonmaken
detergen
/rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
perjalanan
noun
agen perjalanan wisata
verb
1. onderweg zijn
bepergian
noun
lembar bentang
noun
1. de optelsom van te betalen bedragen
rekening
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
aritmatika
noun
1. apparaat dat rekenkundige berekeningen kan uitvoeren
kalkulator
/rəlaˈtif/
adverb
1. betrekkelijk
bertalian
adjective
1. van toepassing
bersangkut
noun
relevansi
/rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
agama
/relɪˈɣɪøs/, /relɪˈʝɪøs/
adjective
1. te maken hebbend met godsdienst of geloof
agamawi
noun
1. een overblijfsel van het lichaam van een heilige of een voorwerp dat...
relikui
noun
relief
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
rem
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
rusa kutub
noun
  1. [A] 1. zeer snel lopen
  2. [B] 1. een snelheidsproef op de weg of in het terrein
jalan
noun
renovasi
/rənoˈverə(n)/
verb
1. opknappen, repareren, vernieuwen
memperbarui
noun
1. paard dat gefokt is met het doel om aan paardenrennen deel te nemen
kuda pacu
/rɛntabili'tɛit/
noun
1. de hoeveelheid winst die behaald wordt per geïnvesteerde hoeveelheid geld
profitabilitas
noun
1. op geregelde tijden te betalen geldbedrag voor het vruchtgebruik van een geleende som geld
bunga
noun
perbaikan
verb
mewakili
noun
represi
noun
2. kopie (van een kunstwerk)
pembiakan
/rɛp'til/
noun
1.
reptil
/repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
republik
pronoun
Republik Belanda
noun
republiken
noun
1. mis opgedragen voor een overledene
rekuiem
verb
1. vrijhouden
pesan
noun
1.
ban cadangan
/resər'vʷar/
noun
1. plaats waar water of een andere vloeistof bewaard kan worden
penampungan
noun
hunian
noun
hambatan listrik
noun
pertalunan
noun
1. opslorping
resorpsi
noun
1.
responden
noun
  1. rumah makan
  2. restoran
/rezɵl'tat/
noun
1. een uitkomst
hasil
noun
1. ophouding, het vertraagd afgeven of vasthouden van iets
retensi
noun
1. geur
berbau
noun
1. een buitengewoon grote man
gergasi
noun
1. een beer die leeft in de hooggelegen hellingen van berggebieden in centraal China
panda
noun
1. kermisattractie
bianglala
noun
1.
revolusi
noun
1. een handvuurwapen met een roterende trommel met kogels
pistol
adjective
riil
pronoun
Rhodesia
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
iga
noun
asam ribonukleat
noun
1.
ribosom
/ˈrɪxtɪŋ/, /ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
arah
noun
1. een systeem om richting aan te geven in een voertuig
indikator
noun
1. aanwijzing voor een te volgen gedrag
garis panduan
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
ksatria
/rim/
noun
  1. 2. steel met een bladvormig uiteinde, bedoeld om een vaartuig voort te bewegen
    dayung
  2. 1. een band van leer of een ander materiaal
    ikat pinggang
  3. 3. hoeveelheid papier voor het drukken van 20 boeken, eerst 480 later 500 vellen
    rim
/rit/
noun
  1. 1. plantensoort
  2. 2. onderdeel muziekinstrument
alang
noun
2. drinkbuisje
sedotan
noun
  1. 1. een ondiepte in water, koraalbank, klip
  2. 2. een strook van het zeiloppervlak dat tijdelijk kan worden opgevouwen of opgerold
terumbu
pronoun
1.
Riga
/rɛɪ̯/, /rɛː/
noun
1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
baris
noun
1. weggedeelte bestemd voor voertuigen
jalur lalu lintas
/ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
surat izin mengemudi
/ˈrɛɪ̯də(n)/, /ˈrɛːdə(n)/
verb
  1. 1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
    [[kemudi|mengemudi(kan)]]
  2. 3. zich voortbewegen op een rijdier (bijv. een paard)
    menaiki
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
kaya
noun
ringgit
noun
1. voormalige, landelijke, op militaire leest gestoelde, politiedienst van het Koninkrijk België
gendarmeri
noun
1. gelijkheid van klank in een vers
rima
/rɛɪ̯n/, /rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
Rhein
adjective
1. geschikt voor de oogst
masak
pronoun
1. stad in Noord-Frankrijk nabij de Belgische grens
Lille
/rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
  1. beras
  2. nasi
noun
2. vrucht van een bepaald ras van
pisang susu
noun
1. zoet gerecht van rijst met melk gekookt
puding nasi
noun
lajur lalu lintas
verb
1. met een scheurende beweging uit elkaar trekken
bedah
verb
  1. 1. opstijgen
  2. 2. uitzetten en luchtig worden
naik
noun
1.Aziatisch twee- of driewielig karretje voor personen vervoer
angkong
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
kedut
noun
  1. 1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
  2. 2. cirkelvormig voorwerp
  3. 3. plaats waar gestreden wordt
  4. 5. ringweg
cincin
/'rɪŋton/
noun
1.
nada dering
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
jari manis
/'rɪŋwɛx/
noun
1. een weg die als een ring rond een bepaald gebied ligt
jalan lingkar
noun
2. huidziekte door een schimmel veroorzaakt
kurap
noun
1. een vaak ondergronds kanaal voor de afvoer van drek
gorong-gorong
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
irama
noun
2. ritssluiting
ritsleting
adjective
ritual
noun
ritus
/riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
sungai
noun
air sungai
/ˌritsoˈsfeːr/, /ˌritsoˈsfɪːr/
noun
1. gedeelte van de bodem waarin het ecosysteem onder invloed van plantenwortels staat
rizosfer
/rɔp/
noun
anjing laut
noun
bakam
/ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
robot
/roˈbyst/
adjective
tegar
noun
1. kwaadsprekerij, achterklap
atau gunjing
pronoun
Palang Merah
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
anggur merah
noun
1.
elang merah
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
Laut Merah
/ˌro.də.ˈhɔnt/
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
rubela
noun
1. en 2. donkerrood sluitkoolgewas
kol merah
noun
1. chemisch element met symbool Rh
rodium
/ˈrubəl/
noun
rubel
noun
1. iemand die roeit
pedayung
noun
1.
dayung
adjective
1. zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
gegabah
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
Romania
/ruˈmeni.jə/, /ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
Rumania
/'ru.pə(n)/
verb
1. met verheffing van stem de aandacht van iemand trachten te verkrijgen
memanggil
/'rupi/
noun
1.
rupee
noun
1. vlak waarmee gestuurd wordt
daun kemudi
/ˈrur.bɑ.kə(n)/
verb
1. een kooktechniek voor het bereiden van voedsel in een wok
gongseng
noun
1. geoxideerd ijzer
karat
/rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
jelaga
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
pari
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
gandum hitam
noun
1. buis- of kegelvormig kledingstuk
rok
/ˈroːkə(n)/
verb
  1. 1. rook afgeven
  2. 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
  3. 3. conserveren door langdurige blootstelling aan rook
menghisap
verb
1. zich wentelend over een oppervlak bewegen
melinting
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
kursi roda
noun
1. trap met bewegende treden
eskalator
noun
B 1. volk in Europa en Azië dat traditioneel een zwervend bestaan leidt
Rom
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
novel
noun
1. (kool van) groentesoort Brassica oleracea convar. botrytis var. botrytis
romanesko
/roˈmɑns(x)rɛɪvər/
noun
1. een mannelijke persoon die romans schrijft
novelis
/ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Roma
adjective
1. met betrekking tot Rome
Romawi
/roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
Kekaisaran Romawi
noun
pasar loak
noun
2. het gedeelte van een vliegtuig zonder vleugels en stabilo
badan
adjective
1. cirkelvormig
bulat
noun
2. een wedstrijd in de vorm van een rondrit
babak
noun
  1. 1. het afleggen van een rondgaande weg
  2. 3. het afleggen van bezoeken in een kring
tur
/rod/, /rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
merah
adjective
1. met rood gekleurde haren
pirang
noun
1. het openlijk en gewelddadig wegnemen van hetgeen een ander toebehoort
perampokan
/ˈroˌfoχɔɫ/, /ˈroːˌfoːɣəl/, /ˈroːˌvoːɣəl/
noun
1. eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
angkara murka
/roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
asap
noun
1. apparaat dat een zeer luid signaal afgeeft als er rook aanwezig is
pendeteksi asap
noun
1. een verbod om te roken
larangan merokok
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
kepala susu
/roːs/
noun
1. bloem
  1. mawar
  2. bunga mawar
pronoun
1.
Rostock
noun
putaran
noun
2. bepaald soort vuurwerk dat na het aansteken van de lont wordt weggegooid en dan een harde knal geeft
mercon
noun
batu longsor
noun
2. iemand die zich eropuit is anderen ergernis te bezorgen
bajingan
noun
rute
/rʌʊβ̞ə(n)/, /rʌːβ̞ə(n)/
verb
1. de emotionele nasleep van het overlijden van een geliefd persoon
berduka
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
perampok
/roːzə/, /rɔːs/, /rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
  1. merah jambu
  2. merah muda
noun
2. keukenkruid
  1. rosemary
  2. rosmarin
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
rosario
noun
air mawar
noun
1. kleine gedroogde vruchtjes van Vitis vinifera
kismis
/ˈrɵ.bər/
noun
karet
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
campak Jerman
noun
1. Chemisch element
rubidium
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
arugula
adjective
rudimenter
/rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
punggung
noun
tulang belakang
noun
saraf tulang belakang
noun
sandaran
noun
1.
sirip punggung
noun
ransel
adjective
kasar
/rœʏkə(n)/, /rœːkə(n)/
verb
  1. 1. een geur waarnemen
  2. 2. een geur verspreiden
mencium
noun
barter
/rœy̯m/
noun
1. de laadruimte van een schip
perut kapal
noun
3. heelal
antariksa
noun
stasiun luar angkasa
noun
2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
belah ketupat
noun
1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
penghapus kaca
/rʏnd/, /rʏnt/
noun
1. holhoornig herkauwend zoogdier
  1. sapi
  2. lembu
/ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
daging sapi
noun
1. vlinderlarve
ulat
noun
1. een inwoner van Rusland
orang Rusia
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
Rusia
/ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
  1. Rusia
  2. bahasa Rusia
/ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
  1. bahasa Rusia
  2. Rusia
/rɵst/
noun
    1. 2. tijdelijke toestand van ontspanning na arbeid, moeite of inspanning
    2. 3. periode van weinig of geen activiteit
    3. 5. moment van stilte in muziek
    4. 6. steunpunt
    istirahat
  1. 4. pauze in een wedstrijd
    jeda
verb
1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
beristirahat
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
rutenium
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
rutherfordium
adjective
  1. 1. oneffen, niet glad
  2. 2. grof, onbesuisd
kasar
/ru.ˈwɑn.da/, /ru.ˈʋɑn.da/, /ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
Rwanda
noun
1.
radiasi-X
pronoun
Saba
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
sabotase
noun
1. caloriearme kunstmatige zoetstof die geen directe invloed heeft het bloedsuikergehalte
sakarin
noun
1. een disacharide, bestaande uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid
sukrosa
noun
1. plechtige gebeurtenis in de katholieke kerk
sakramen
noun
1. een ruimte in een rooms-katholieke kerk, waarin men alles bewaart dat nodig kan zijn om een kerkdienst te houden.
sakristi
noun
sadisme
noun
1. iemand die bevrediging zoekt in het pijnigen van een ander
sadis
/sɑˈfarɪ/
noun
1. expeditie in de wildgebieden in Afrika
safari
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
batu nilam
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
kuma-kuma
pronoun
1. zandwoestijn in Noord-Afrika
Gurun Sahara
/sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
Saint Vincent dan Grenadines
pronoun
Saint-Pierre dan Miquelon
noun
salad
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
salamander
noun
1. regelmatige, meestal maandelijkse beloning voor werk verricht in een werkverband
gaji
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
salvio
pronoun
1. koning van Israël
Sulaiman
/ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
Kepulauan Solomon
noun
1. een lage tafel die in een woonkamer staat
meja kopi
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
asam nitrat
adverb
bersama
noun
1. een bevolking die een sociaal geheel vormt
masyarakat
verb
1. met een of meer aan hetzelfde werken
berkolaborasi
/ˈsamə(n)ˌzʋɪːrə(n)/
verb
1. geheimelijk met anderen samenwerken ten nadele van een derde partij
berkomplot
/sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Samoa
/ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
samurai
pronoun
Samuel
/ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
San Marino
/'sɑŋksi/
noun
1. strafmaatregel
sanksi
/sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
sandal
noun
1. een bepaald houtsoort (Santalum album of verwante soorten)
cendana
/ˈsɑntwɪtʃ/
noun
roti apit
noun
1. een Spaanse licht-alcoholische drank
sangria
noun
1. een persoon die zonder identiteitspapieren in een land verblijft
imigran ilegal
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
  1. bahasa Sanskerta\
  2. bahasa Sanskerta
/saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
Sao Tome dan Principe
/sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Arab Saudi
noun
1. plantenvocht
jus
noun
1.
sarkasme
adjective
1.
sarkastis
noun
sarkoma
noun
1. klein zilverkleurig haringachtig visje, Sardina pilchardus
sarden
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
sarden
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Sardinia
/ˈsatɑn/
pronoun
Satan
noun
1. aanbidding van Satan
setanisme
/sɑtɛ'lit/
noun
satelit
noun
satire
pronoun
1.
Saturnus
noun
1. een kleine, niet gerookte worst die in lange snoeren vervaardigd wordt
sosis
/saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Arab Saudi
/'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
sauna
/sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
saus
noun
1. en 2. (bladeren van) Brassica oleracea convar. capitata var. sabauda)
kubis savoy
/sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
saksofon
pronoun
1. Denemarken, Noorwegen en Zweden.
Skandinavia
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
skandium
noun
pemindai
/sə.ˈna.ri.jo/
noun
1. een kort uitgewerkt schema voor de handeling van een dramatisch werk
skenario
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
jogan
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
  1. ketam
  2. perkakas
noun
abrasi
noun
2. het schaakspel als zodanig
catur
/ˈsxagbɔrt/, /ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
papan catur
adverb
sekakmat
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
catur
noun
2. buitenkant van een ei of vrucht
cangkang
/'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
kenistaan
adjective
1. zonder schaamte
tak tahu malu
noun
1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
  1. domba
  2. biri-biri
noun
1. werktuig om te knippen
gunting
adjective
1. weinig in aantal of hoeveelheid
langka
noun
1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
sepatu luncur
/ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
bayangan
verb
1. een verbinding tot stand brengen
ganti gigi
verb
1. blaasinstrument met een rechte conische boring en een los dubbel riet dat de toon vormt
serunai
noun
1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
skandal
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
malu
noun
1. een plank om iets op te zetten
rak
/sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
engsel
noun
1. verzamelde rijkdom
harta
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
sarung pedang
/'sχedəl/
noun
tengkorak
/sxeːl/
adjective
1. het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
juling
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
betis depan
noun
1. een ruimte voor het opslaan van goederen in een schip
palka
noun
1. (scheepvaart) een werkgebied
galangan
noun
1. het verkeer op het water
navigasi
/sxeːrmɛs/, /sχɪːrmɛs/
noun
1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
cukur
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
kimia
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
  1. kimiawi
  2. kimia
noun
kimiawan
/sxɛlp/
noun
1. een uit kalk gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier wordt aangemaakt
kerang
noun
bagan
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
senja
noun
1. het schenden van iets
pelanggaran
/'sxɛŋ.kə(n)/
verb
1. geven
beri
noun
1. lepelvormig werktuig
pengki
/ˈsxɛpə(n)/
verb
1. doen ontstaan uit niets
menciptakan
noun
1. iets nieuws dat uit het niets gemaakt is
penciptaan
noun
1. creatuur; iets dat gemaakt is
mahkluk
/sxeːrə(n)/, /sχɪːrə(n)/
verb
  1. 1. baard afsnijden
  2. 2. zich de baard kort afsnijden
cukur
noun
1. verticale draden van het weefgetouw
benang lungsin
adjective
1. goed snijdend
tajam
noun
penembak jitu
noun
sketsa
verb
  1. 1. met een minimum van pennenstreken een voorlopige en gewoonlijk uitwisbare afbeelding van iets maken
  2. 2. in overdrachtelijke zin: een korte maar rake beschrijving van iets geven
membuat sketsa
/sxʏːrə(n)/
verb
1. in twee of meer delen trekken
bedah
adverb
  1. hampir
  2. nyaris
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
  1. semenanjung
  2. jazirah
pronoun
Schiermonnikoog
/ˈsxi.tə(n)/, /ˈsχi.tə(n)/
verb
1. een projectiel afvuren met een wapen
tembak
noun
1. een draad met loden balletje om de loodrechte stand van iets te onderzoeken
benang unting
noun
1. een rem, waarbij op de as van het af te remmen toestel een schijf meedraait, die door middel van remblokken afgeremd kan worden.
rem cakram
/sxɛɪ̯nˈhɛɪ̯lɪx/, /sxɛːnˈhɛːləx/, /sχɛɪ̯nˈhɛɪ̯ləχ/
adjective
1. tegen beter weten in de schijn van goedheid of onschuld ophoudend
munafik
/sxɛɪtə(n)/, /sxɛːtə(n)/, /sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
beol
/sxɪlt/
noun
1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
tameng
noun
1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
pelukis
verb
  1. 1. een kunstwerk vervaardigen door met verf een beeld op een oppervlak te maken
  2. 2. een bouwwerk of voorwerp van een beschermend laag verf voorzien
cat
/ˌsxɪldə'rɛː/, /ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
lukisan
/sxɪldkliːr/, /sxɪɫtkliːr/, /sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
kelenjar tiroid
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
  1. kura-kura
  2. penyu
noun
1. een vliesdun loskomend stukje materiaal
mengelupas
noun
1. schaduwspel
wayang
noun
  1. 1. groot zeewaardig vaartuig
  2. 2. grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk
kapal
noun
1. gesteente
sekis
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
skizofrenia
noun
1. alles wat men om de voeten heen kan dragen, zoals schoenen en laarzen
alas kaki
noun
1. een vervelend iemand
brengsek
/sxun/
noun
1. voetbekleedsel
sepatu
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
sekunar
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
tali sepatu
/'sxunzol/
noun
1. zool van een schoen
sol
noun
1. apparaat dat schokken kan opvangen
peredam kejut
noun
1. mechanisme om schokken te dempen
peredam kejut
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
ayun
verb
1. op een schommel heen en weer bewegen
ayun
noun
fluktuasi
/ˈsxɔməlstul/
noun
1. een stoel, gewoonlijk op gebogen staanders, waarop men heen en weer kan schommelen
kursi goyang
/sxoːl/, /sxoːɫ/, /sχoːɫ/
noun
  1. 1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
  2. 2. een zwemmende groep gelijksoortige vissen
sekolah
noun
papan tulis
noun
kepala sekolah
/ˈsxoːl.tɑs/
noun
tas sekolah
/sxoːn/
adjective
  1. 1. mooi
    ayu
  2. 2. proper
    bersih
/ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
ipar
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
menantu
noun
kontes kecantikan
/ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
  1. mertua perempuan
  2. ibu mertua
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
mertua laki-laki
noun
1. de man van een dochter of zoon
menantu
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
cerobong
/sxorˈvutənt/
adjective
1. aarzelend
enggan
noun
1. graafwerktuig
pengki
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
kalajengking
/sxɔrs/
noun
1. buitenste laag van (boom)stam
kulit kayu
noun
1. een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen ...
celemek
noun
3. kop en schotel
alas cangkir
noun
1. schotelantenne
antena parabola
/ˈsxɔtlɑnt/, /ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Skotlandia
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
  1. bahu
  2. pundak
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
tulang belikat
verb
kikis
/ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
berteriak
/srɪft/, /sxrɪf/, /sxrɪft/
noun
  1. 3. de letter- en cijfertekens van een taal
  2. 4. de lettersoort gebruikt in boeken, teksten en inscripties
aksara
/ˈsrɛɪ̯fbəˌnodəχtˌhedə(n)/, /ˈsxrɛɪ̯fbəˌnodɪxtˌhedə(n)/, /ˈsxrɛːfbəˌnodəxtˌhedə(n)/
noun
1. pen, papier en andere zaken die men nodig heeft om te kunnen schrijven
alat tulis
noun
1. een mechanisch apparaat, voorzien van druktoetsen waarmee schrifttekens op papier gezet kunnen worden
mesin tik
/ˈsrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛːfstər/
noun
1. een persoon van het vrouwelijk geslacht die op professionele manier boeken of verhalen schrijft
pengarang wanita
/'srɛɪ̯fʋɛɪ̯zə/, /'sxrɛɪ̯fwɛɪ̯zə/, /'sxrɛːfβ̞ɛːzə/
noun
1. spelling
ejaan
/ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
  1. tulis
  2. menulis
/ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
penulis
noun
1. een jaar met 366 dagen
tahun kabisat
noun
  1. 1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
    mur
  2. 2. werktuig met twee of meer gebogen bladen die door draaiing een schip of vliegtuig voortbewegen
    sekrup
noun
1. schroefdraad
drat
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
  1. obeng
  2. drai
/sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
sisik
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Manidae
tenggiling
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
kocok
verb
1. met een enigszins ruw voorwerp een stoffen of leren voorwerp bewerken ter reiniging
menyikat
noun
jangka sorong
/sxʌʏm/
noun
1. iets dat veel luchtbellen bevat
busa
noun
  1. 2. een verantwoordelijkheid die iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
    kesalahan
  2. 1. een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe niet betaald wordt
    utang
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
kreditor
/'sxɵldəx/
adverb
bersalah
/sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
penjahat
noun
1. onfatsoenlijke staat
negara nakal
/sxyːr/, /sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
gudang pertanian
noun
1. ziekelijke verharding
sklerosis
noun
1. scouting
kepanduan
/ˈskrɪp.si/
noun
1. een werkstuk over een (literatuur-) onderzoek dat gemaakt wordt om een opleiding te kunnen voltooien
skripsi
noun
1.
kantong pelir
noun
1. beeldhouwwerk
seni pahat
noun
tempat kejadian
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
seaborgium
noun
1. SI-grondeenheid van tijd
  1. detik
  2. sekon
/səkrəta'rɛsə/
noun
vrouw
sekretaris
/səkre'tarəs/
noun
1. functie in organisatie
katib
noun
1. hoge functionaris binnen grote organisaties, zoals de Verenigde Naties, NAVO, FIFA
sekretaris jenderal
noun
1. afscheiding
sekresi
noun
  1. 1. een afgezonderd deel van iets
  2. 2. een onderzoek waarbij een lichaam...
seksi
/'sɛktɔr/
noun
  1. 1. een deel van een cirkel in de vorm van een taartpunt
  2. 3. de kleinste eenheid van een harddisk die in één bewerking door een lees/schrijfkop kan verwerkt worden
sektor
adjective
1. niet aan de religie gebonden
sekuler
/səkʏnˈdɛːr/
adjective
sekunder
adjective
sambil duduk
pronoun
Sedna
pronoun
Zefanya
/sɛɪn/
noun
3. een verkeerslicht of verkeersbord voor treinen
sinyal kereta api
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Sungai Seine
noun
1. een toestel dat beweging en of trillingen van de aardkorst waarneemt en registreert
seismograf
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
seismologi
/sɛɪ̯.ˈzun/, /sɛː.ˈzun/
noun
1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
musim
noun
1. sekse
jenis kelamin
noun
seksisme
/sɛksy'el/
adjective
1. op de geslachtsdrift betrekking hebbend
seksual
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
penyakit menular seksual
/ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
sekte
noun
penawanan
adjective
1. behorend tot een kleine groep met speciale rechten of eigenschappen
tertentu
/sɛlfi/
noun
1. een foto die iemand van zichzelf heeft genomen
foto narsisis
noun
1. taalkunde
semantik
/se'mɑntis/
adjective
1. de semantiek betreffend
semantis
noun
een half jaar
semester
noun
semiotika
noun
senat
noun
senator
/ˈse.ne.ˌɣɑl/, /ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Senegal
/seˈnil/
adjective
1. aan de ouderdom eigen, door de ouderdom afgetakeld
pikun
noun
senioritas
noun
separatisme
noun
1. ernstige onstekingsreactie
sepsis
noun
1. negende maand van het jaar
  1. September
  2. september
adjective
1.vredig en kalm
tenteram
noun
1. het helder en kalm zijn
ketenteraman
noun
1. een rang onder de onderofficieren
sersan
noun
1. een aantal elementen op volgorde
seri
noun
pembunuh berantai
adverb
1. ernstig
serius
/sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
lilac
noun
1. een slang
ular
noun
1. de vloeibare stof die overblijft als bloed is gestold
serum
noun
jalur layanan
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
peladen
/sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
serbet
/ˈsʏːrvɪs/
noun
1. bediening, diensten ten behoeve van de klanten.
servis
/ˈsɛrvis/, /ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
Serbia
/ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
Serbia
/ˈsɛrvi.jər/
noun
1. een inwoner van Servië, of iemand afkomstig uit Servië
Serbia
noun
1. een uit Afrika afkomstige plant uit de familie Pedaliaceae
  1. wijan
  2. wijen
noun
1. verzameling
himpunan
/se.ˈʃɛ.lə(n)/, /sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
Seychelles
noun
1. het geheel van gedachten en gevoelens die de gemoederen in een bepaalde omgeving bezighouden
suasana
noun
1.
sfinks
/ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
sampo
noun
1. een vorm van software die zonder of met weinig restricties verspreid mag worden,...
peranti kongsi
noun
1. een Spaanse versterkte wijn
sherry
noun
1.
hioko
noun
shinto
/ʃɔk/
noun
1. een toestand die ontstaat door acute te geringe bloedtoevoer naar weefsels door ondervulling van het slagaderlijk systeem
renjatan
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
Sistem Satuan Internasional
pronoun
Siberia
/sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
Sisilia
noun
1. bepaald soort grote, palingachtige vis die zware stroomstoten kan afgeven, Electrophorus electricus
belut listrik
/ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
Sierra Leone
noun
cerutu
/sɪɣɑˈrɛt/, /sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
rokok
/sɪɲˈaːl/
noun
1,2,3,4,5,6. vorm van informatie
sinyal
/ˈsɪkəl/
noun
1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
arit
/siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
Silesia
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
siluet
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
  1. silikon
  2. zat pasir
/sɪmpəł/
adjective
1. zonder veel complicaties
mudah
adjective
1. gelijktijdig
bersamaan
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
  1. jeruk
  2. limau
noun
1. een vruchtensap die uit sinaasappels bereid is
sari buah jeruk
pronoun
1.
Sindelfingen
preposition
1. sedert, vanaf het moment dat
dari
/sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /sɪŋ.gɑ.poːr/, /sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Singapura
noun
1. kort onderhemd zonder mouwen
baju sangkut
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Sinsheim
/ˌsɪntøˈsta(t)sijʏs/
pronoun
Sint Eustatius
/sɪnt.'maːr.tən/
pronoun
1. eiland in het noordoostelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
  1. Saint Martin
  2. Sint Maarten
noun
1. Pecten jakobeus
simping
pronoun
1.
Saint Lawrence
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
  1. Sankt-Peterburg
  2. St. Petersburg
noun
sinus
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
sirene
pronoun
1. Sirius
Sirius
noun
1.
sitar
/sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
keadaan
noun
1. een langwerpige lap stof die om de hals gedragen wordt
selendang
/ʃɑ'blo:n/
noun
templat
noun
1.
syah
noun
1. een kleine uiensoort
bawang merah
/'ʃɛkɛl/
noun
1.
syikal
noun
syi'ah
/ʃul/
noun
sinagoga
/ʃʋɑ/
noun
1. toonloze klinker
pepet
noun
papan luncur
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
kerangka
noun
1.
kadal
noun
  1. 2. plant Lactuca sativa
    daun sla
  2. 2 en 3. (bladeren van) Lactuca sativa
    selada
/slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
abdi
/slap/
noun
  1. 3. zijvlak van het hoofd
    1. kuil
    2. pura
  2. 1. periode van inactiviteit
    tidur
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
  1. kamar tidur
  2. ruang tidur
/slɑxtə(n)/
verb
1. een dier doden voor het vlees of als offer
menjagal
noun
jagal
/ˈslɑx.hœːs/, /ˈslɑxt.ɦœːs/, /ˈslɑχ.tœʏ̯s/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
abatoar
noun
  1. 1. een dier dat gedood wordt als offer voor een godheid
  2. 2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
  3. 3. in het bijzonder iemand die sterft (of gewond raakt) ten gevolge van een gebeurtenis (ramp of gewelddaad)
kurban
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
pembuluh nadi
noun
1. een verkoper van vlees
jagal
noun
susu kental yg dikocok
/ˈslaxfɛlt/
noun
1. een gebied waarop een militair treffen tussen twee legers plaatsvindt of plaatsgevonden heeft
medan perang
noun
  1. 1. een buikpotig weekdier (huisjesslak)
  2. 1. een buikpotig weekdier (wijngaardslak)
keong
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
  1. ular
  2. ula
adjective
langsing
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
tidur
/ˈsla.pə.rəx/, /ˈsla.pə.rəχ/, /ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
mengantuk
noun
1.
perbudakan
/slɛçt/
adjective
1. niet goed
buruk
noun
1. de hoedanigheid van het slecht zijn
kejahatan
adverb
1. alleen maar, vervoeging van slecht
hanya
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
alap-alap kawah
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
kereta salju
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
kapal penarik
verb
2. (langzaam) ergens heen lopen zonder specifiek doel (zonder negatieve bijklank)
jalan-jalan
noun
1. sleepboot
kapal tunda
/sløːtəl/, /sløːtəɫ/, /ˈslø.tɔɫ/
noun
    1. 1. werktuig om te (ont)sluiten
    2. 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
    kunci
  1. 2. moer- of Engelse sleutel
    kunci pas
/ˈsløtəɫχɑt/, /ˈsløːtəlɣɑt/
noun
1. een gat in een slot waardoor een sleutel moet worden gestoken om hem te openen
lubang kunci
/ˈsløtəɫˌɦɑŋər/
noun
1. ring om sleutels aan te hangen, vaak voorzien van een logo of label.
gantungan kunci
noun
1.
kata kunci
/slɛɪm/
noun
1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
ingus
noun
1. slijm afscheidend membraan
membran mukosa
noun
batu asah
verb
  1. 1. de slokdarm in
  2. 2. verdragen
menelan
noun
esofagus
/slop/
noun
2. de daad van het slopen, afbreken
penghancuran
/sloːt/
noun
1. smal watergang om of tussen weilanden
parit
verb
1. een structuur ontmantelen, afbreken
hancur lebur
noun
1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
selot
noun
tukang kunci
/sloˈvens/, /sloˈveːns/, /sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
  1. Slovenia
  2. Slowenia
/sloˈveni.jə/, /sloˈveːni.jə/, /sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
Slovenia
noun
1. film met vertraagde beelden
gerak lambat
/slo.ˈwaks/, /slo.ˈʋaks/, /slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
  1. Slovakia
  2. Slowakia
/ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Slowakia
noun
1. Alternatieve route die meestal gebruikt wordt om files te mijden
jalan pintas
noun
1.
penembak runduk
noun
lock
verb
1. toedoen, dichtmaken
menutup
noun
1. verlengde snuit
belalai
noun
  1. 2. gewaarwording bij het proeven van eten en drank
  2. 3. bepaalde subjectieve voorkeur
rasa
adjective
1. goed van smaak zijnd of van een goede smaak genietend
nikmat
/ˈsmaː.kə.los/
adjective
  1. 2. (figuurlijk) geen fatsoen of gevoel voor esthetiek of mode hebbend, vulgair
    receh
  2. 1. (van voedsel) geen smaak hebbend
    tawar
adjective
1. met een geringe breedte
sempit
noun
zamrud
noun
rasywah
noun
salep
/smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
  1. minta
  2. mohon
/ˈsmɛltkrus/
noun
  1. 1. vuurvaste pot voor het mengen van gesmolten metaal
  2. 2.
kuali peleburan
adjective
1. Bijzonder vuil
kotor
noun
2.
noda
noun
1. besmet materiaal
kontaminan
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
pandai besi
noun
1. smient
itik bungalan
/smɛitə(n)/
verb
1. hard gooien of werpen
banting
noun
penyelundup
noun
teori dawai
/ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
paruh
/sneʊ̯/, /sneːβ̞/, /snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
salju
/ˈsneʊ̯bɑl/, /ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
bola salju
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
turun salju
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
ayam salju
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
boneka salju
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera uncia
macan tutul salju
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
boneka salju
/'snewvlɔk/
noun
1. een kleine massa aaneengehechte sneeuwkristallen
kepingan salju
pronoun
Putih Salju
/snɛɫ/
adjective
cepat
noun
1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
kecepatan
/ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
potong
noun
1. beharing
kumis
noun
1. een slijmerige afscheiding uit de neusholte
ingus
noun
1. soort skiplank
papan salju
verb
1. met een snowboard van een berghelling of piste afglijden
seluncur salju
noun
1. reukorgaan van dieren
moncong
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
mendengkur
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
PMS
noun
1. verzamelnaam voor internetsites waar groepen mensen online onderling...
media sosial
noun
1. verzamelnaam voor internetsites waar groepen mensen online onderling kunnen communiceren
media sosial
noun
1.
jaga jarak sosial
noun
sosialisme
noun
1. wetenschap
sosiologi
/su.ˈdɑn/, /zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
Sudan
/sundaˈnes/
pronoun
1. taal die vooral in het westen van Java gesproken wordt
bahasa Sunda
noun
sunni
noun
1. vloeibaar gerecht
  1. sup
  2. sop
noun
2. lepel waarmee soep gegeten wordt
sudu sup
noun
surat
noun
kedaulatan
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
piranti lunak
noun
kecap
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
kaus kaki
noun
2. extra online identiteit
pengguna siluman
/sɔlˈdaːt/
noun
1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
prajurit
noun
dukungan
/so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
Somalia
noun
1. instrumentaal muziekstuk
sonata
noun
lirik
/ˈsɔːrt/
noun
2. een groep levende wezens die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
spesies
pronoun
1. een groep Slavische talen die wordt gesproken in het oosten van Saksen en het zuidoosten van Brandenburg
Sorbia
noun
1. klein voorwerp dat helpt om aan een prettige ervaring met een plaats of persoon terug te denken
cendera mata
pronoun
Uni Soviet
noun
1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
anak roda
/spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
Spanyol
/spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
bahasa Spanyol
noun
1. afgesloten voorwerp waarin contant geld opgespaard wordt
celengan
noun
spageti
noun
1. plankje e.d. om arm of been rust te geven
bidai
/spɑnduk/
noun
1. een uitgespannen doek met een leus erop
spanduk
/ˈspɑ.ɲard/, /ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
orang
/ˈspɑ.ɲə/, /ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
Spanyol
noun
  1. 1. mechanische spanning
  2. 2. emotionele spanning
spaning
/ˈspa.rə(n)/
verb
  1. 1. geld niet uitgeven
  2. 3. ontzien
menghemat
noun
1. verhoogde spierspanning, continue kramp
spastisitas
noun
1.
penahan lumpur
noun
1. spaan, lepel, e.d. met plat, bot uiteinde om mee te smeren
sendok
noun
1. tussenruimte tussen twee woorden
spasi
noun
1. een gedroogd plantendeel, anders dan een groen blad of stengel, dat als geur-, kleur- of smaakstof aan voedsel wordt toegevoegd
bumbu
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
  1. burung pelatuk
  2. pelatuk
/spe.si.ˈjal/, /spe.ˈsjaːl/, /spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
khusus
/ˈspesɪɑlɪst/
noun
  1. 1. persoon die ergens veel verstand van heeft
  2. 2. arts die een bepaald onderdeel van de geneeskunde beoefent
dokter spesialis
noun
1. mengsel waarmee wordt gewerkt
mortar
noun
1. soort, diersoort, plantensoort
spesies
noun
1. specificatie
spesifikasi
adjective
1. kenmerkend
spesifik
adverb
1. in het bijzonder
spesifik
noun
spekulasi
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
air liur
/ˈspelɣud/, /ˈspelɣut/, /ˈspɪːɫχut/
noun
1. één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
mainan
noun
kartu
/spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
lembing
noun
1. onderhuidse vetlaag bij varkens
bakon
noun
1. Indonesische lekkernij
  1. lapis legit
  2. spekuk
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
akting
/'spɛl.kɔm.pju.tər/
noun
1. een computersysteem dat specifiek gemaakt is om spellen op te spelen
spillekonsol
noun
jarum pentol
/ˈspeːlə(n)/
verb
  1. bermain
  2. main
noun
  1. 1. deelnemer aan een spel
  2. 2. een partij
pemain
verb
1. letters in de juiste volgorde plaatsen
mengeja
/ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
ejaan
noun
1. een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat
teori permainan
noun
sperma
noun
1. vorming van zaadcellen
spermatogenesis
noun
1. en 2. (peul van) cultivar van Phaseolus vulgaris
buncis
pronoun
1.
Speyer
noun
1. beelden terugkaatsend voorwerp
cermin
verb
1. bedrog plegen bij een schooltest
menyontek
noun
1. een orgaan
otot
verb
1.
bolos
noun
1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
paku
noun
pencernaan
/spɛi̯t/
noun
penyesalan
noun
2. de as waar iets rond draait
gandar
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
  1. laba-laba
  2. labah
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
bayam
verb
1. een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
memintal
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
laba-laba
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
laba-laba
noun
mata-mata
noun
1. de handeling van het spioneren
pengintaian
verb
1. voor concurrentie of vijand geheime informatie trachten te verwerven
memata-matai
noun
  1. 5. bepaald voorbehoedmiddel
    alat kontrasepsi dalam rahim
  2. 1. een kromme lijn
    pilin
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
Svalbard
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
celurut
noun
1. miltvergroting
splenomegali
/'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
serpihan
verb
membilas
noun
1.
sputnik
noun
bunga karang
noun
sponsor
noun
1. een legendarisch schip dat zonder bemanning eeuwig blijft rondvaren
kapal hantu
noun
2. spore
spora
noun
kereta api
adjective
sporadis
/spɔrt/
noun
1. lichaamsbeweging
  1. olahraga
  2. olah raga
noun
1. beoefenaar van een sport
olahragawan
noun
iemand die zich toelegt op het bedrijven van sport
olahragawan
verb
1. zich met belachelijk makende of oneerbiedige scherts uiten
menyindir
/sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
bahasa
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal
tata bahasa
verb
1. korte heldere lichtflitsjes voortbrengen door weerkaatsing of door vonkjes
berpendar
noun
pepatah
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
jalak
/ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
  1. berbicara
  2. berpidato
/ˈspɾøkə(n)/
noun
Amsal
verb
1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
melompat
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
belalang
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
bintik
noun
lompatan
noun
1. verzonnen vertelling
dongeng
noun
Sprattus sprattus
  1. spratto
  2. ヨーロピアンスプラット
noun
  1. 2. een uitloper van de spruitkool
    kubis brussel
  2. 1. een uitloper aan een plant
    1. tunas
    2. pucuk
/'spy.ɣə(n)/
verb
1. speeksel uit de mond doen uitschieten
meludah
/spœy̯t/
noun
3. injectiespuit
semprotan
verb
  1. 2. ergatief: snel stromen
    1. memancar
    2. menyembur
  2. 1. overgankelijk: snel doen stromen
    1. memancarkan
    2. menyemprotkan
/'spyʋə(n)/
verb
meludah
noun
perangkat pengintai
noun
skuas
/sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
Sri Lanka
noun
1. overeenkomst voorlopig een einde te maken aan de gevechtshandelingen
gencatan senjata
/staːɫ/
noun
1. een legering van ijzer en koolstof
baja
noun
industri baja
/stalwɔl/
noun
sabut baja
/staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
berdiri
noun
  1. 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
  2. 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
  1. ekor
  2. buntut
noun
komet
noun
  1. 1. een land
  2. 1. toestand
negara
noun
1.overheidsbedrijf
badan usaha milik negara
noun
1. iemand die burgerrechten in een staat heeft
rakyat
noun
1. illegale afzetting van een regering
kudeta
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
kepala negara
noun
1.
musuh negara
adjective
1. standvastig, duurzaam
stabil
noun
stabilitas
/stɑd/, /stɑt/
noun
Woonplaats
kota
noun
stadion
/ˈstɑt.stat/
noun
1. staatsvorm
negara kota
noun
1. een vernieuwing van verpauperde stadswijken
peremajaan kota
noun
1. een stok bedoeld voor ondersteuning of onderscheiding van een persoon
tongkat
noun
1. gelijkheid van de beginmedeklinkers van twee of meer beklemtoonde lettergrepen of woorden binnen een uitdrukking, prozazin of vers
aliterasi
noun
1.
stagflasi
noun
1. iemand die niet werkt als protest
pemogok
/'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
pemogokan
/stɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
kandang
noun
1. variant van het marxisme-leninisme gekenmerkt door een totalitair nationalistisch...
stalinisme
noun
4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
  1. suku
  2. suku bangsa
/'stɑmbom/
noun
1-2
silsilah
noun
sel induk
noun
2. vijzelstamper
alu
/ˈstɑn.dard.ˌɑf.wɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.ʋɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.β̞ɛː.kɪŋ/
noun
1. spreidingsmaat
simpangan baku
/ˈstɑn.dar.de.vi.ˈja.si/, /ˈstɑn.dar.de.vi.ˈja.tsi/, /ˈstɑn.dar.te.vi.ˈja.si/
noun
1. spreidingsmaat
simpangan baku
noun
1. officieel vastgelegde taalvorm die binnen een bepaald gebied als de voorgeschreven norm geldt.
  1. bahasa baku
  2. bahasa standar
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
patung
/stɑp/
noun
1. het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan
langkah
noun
1. een gestructureerde hoop spullen
tumpukan
/ˈstɑ.pə(n)/
verb
1. het lichaam vooruit bewegen door een of meer keer een voet naar voren te zetten
berjalan
verb
tataplah
noun
1. stabiel onderstel voor camera
kaki tiga
/sta.ˈsʲɔn/
noun
1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
stasiun
noun
statistika
noun
1. plaats in een vast geheel of een bepaald proces
keadaan
noun
1. huidige stand van zaken
status quo
adverb
1. voortdurend
selalu
noun
1. zeer smal straatje
  1. gang
  2. lorong
/steːk/
noun
1. een penetratie met een scherp puntig voorwerp
tikam
noun
panci
/sten/, /steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
batu
noun
garis balik selatan
noun
1.
tambang
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
batu bara
/ˈstentɛit/
noun
Zaman Batu
noun
1. de kennis van het op verborgen wijze overbrengen van informatie
steganografi
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
landak
verb
1. doorboren, prikken
tikam
noun
1. stekker
colokan
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
  1. mencuri
  2. curi
noun
1. een bewering die men als waarheid aangenomen wil zien worden
teorema
/stɛlsəl/
noun
  1. 1. een geordend geheel, samenstel van delen
  2. 2. een systeem
sistem
/stɛlt/
noun
  1. egrang
  2. jangkungan
noun
  1. 6. een keuze gemaakt door een stemmer (kiezer) bij een stemming (verkiezing)
    pemilihan
    1. 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
    2. 2. het geluid dat een mens bij het spreken voortbrengt
    3. 3. het geluid dat een mens bij het zingen voortbrengt
    suara
noun
1. geluidvoortbrengende plooien in het strottenhoofd
pita suara
/ˈstɛmbɪljɛt/
noun
1. formulier om te stemmen
kertas suara
noun
1.
TPS
/ˈstɛmɦɔkʲə/
noun
1. schrijfblad omringd door drie wanden waarbinnen een kiezer zich bij een verkiezing afzondert
bilik suara
/ˈstɛmpəl/, /ˈstɛmpəɫ/
noun
  1. A2. een afdruk van [1]
  2. A:1. voorwerp met een ingesneden oppervlak waarmee afdrukken gemaakt kunnen worden met inkt of in lak
cap
noun
hak pilih
/stɛmvɔrək/
noun
1. stemvork
garpu tala
verb
1. met steenworpen doden
rajam
noun
rajam
noun
1. vervoermiddel op twee wielen, (gedeeltelijk) met de voet aangedreven
Otoped
noun
  1. 1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
  2. 2. een beroemdheid
bintang
noun
steradian
noun
stéréotipê
adjective
  1. 1. zonder microbiële besmetting, heel schoon
  2. 2. onvruchtbaar
majir
/stɛrk/
adjective
  1. 1. krachtig
  2. 2. geconcentreerd
kuat
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomi
/stɛrən'kʏndəɣə/
noun
astronom
noun
galaksi
noun
astrolog
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
meninggal
/steto'skop/
noun
1. een medisch instrument waarmee men geluiden in het lichaam kan beluisteren
stetoskop
/støn/
noun
  1. 1. iets om op te steunen
  2. 2. morele of materiële hulp
penyangga
/'stønə(n)/
verb
1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
mendukung
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
setur
noun
pramugari
noun
2. zelfstandig vermogen met rechtspersoonlijkheid opgericht op de verwezenlijking...
yayasan
/ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
ibu tiri
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
ayah tiri
pronoun
  1. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  2. 2. astrologisch teken
Taurus
/stiːr/
noun
banteng
/stɛif/
adjective
kaku
/ˈstɛi̯ɣə(n)/
verb
1. naar boven gaan, toenemen
bertambah
/stɛi̯l/
noun
  1. 1. handelswijze
  2. 3. beschrijvende plantkunde: buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
gaya
noun
gaya bahasa
noun
1. stilistische niveau van taalgebruik
laras bahasa
noun
konak
verb
menajin
/ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
  1. nitrogen
  2. zat lemas
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Samudra Pasifik
pronoun
1. dag na Goede Vrijdag en voor Pasen
Sabtu Suci
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
sigung
verb
1. een onaangename geur hebben
amis
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Stockholm
/stul/, /stuɫ/
noun
1. zitmeubel
  1. kursi
  2. duduk
  3. tempat
/'stulɣɑŋ/
noun
1.
defekasi
noun
1. een kabelbaan waarin je zittend een hoogte overbrugt
chairlift
noun
2. trottoir
trotoar
noun
1. heel kleine deeltjes
debu
/'stɔfʋɪsəlɪɳ/
noun
1. het geheel van chemische processen dat gepaard gaat met het in leven zijn van een wezen
metabolisme
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
  1. penghisap debu
  2. pengisap debu
noun
stoikiometri
/stɔk/
noun
batang
noun
1. gedroogde kabeljauw of kabeljauwachtige vis, zoals heek, leng, lom, schelvis en koolvis
ikan kering
/ˈstɔlɪŋsɣəˌstentə/
noun
1. gesteente bestaande uit gestolde lava of gestold magma.
batuan beku
adjective
  1. 3. dom
    bebal
    1. 1. geluidloos
    2. 2. niet in staat te spreken
    bisu
adjective
1. iets dat zijn scherpte verloren heeft
majal
verb
pukul
noun
uap
noun
1. een schip dat met behulp van stoom wordt voortbewogen
kapal uap
noun
ketel
noun
1. een schip dat voortgedreven wordt middels een stoommachine
kapal uap
noun
turbin uap
noun
3. voorwerp dat een opening kan afsluiten
sumbat
/ˈstɔplɪxt/
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
lampu lalu lintas
noun
dempul
noun
1. erg harde wind
  1. badai
  2. angin topan
verb
1. met een korte snelle beweging (weg)duwen
bentur
verb
1. dezelfde lettergreep een aantal malen herhalend moeilijk uit zijn woorden komen
gagap
/stɑu̯t/
adjective
  1. 1. in overtreding van een gestelde regel, met onvoldoende respect
  2. 4. seksueel prikkelend
nakal
noun
1. een wijsbegeerte die leert slechts de rede te volgen en de hartstochten uit te bannen
stoikisme
/straɫ/, /ˈstral/
noun
  1. 1. de lijn van middelpunt naar omtrek
    jari-jari
  2. 2. een bundel elektromagnetische straling
    sinar
/strat/
noun
1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
  1. jalan
  2. jalan raya
pronoun
1. zeestraat tussen het Australisch vasteland en Papoea-Nieuw-Guinea
Selat Torres
pronoun
1.
Selat Gibraltar
/ˈstracjə/, /ˈstratjə/
noun
1. verkleinwoord van straat
gang
noun
1. de naam die aan een straat gegeven wordt voor de herkenbaarheid
nama jalan
noun
1. hoofdstad van de Franse regio Grand Est
Strasbourg
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
hukuman
noun
1.
impunitas
/ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
menghukum
/'strɑfrɛxt/
noun
1. het geheel van rechtsregels waarmee bepaalde handelingen strafbaar worden gesteld
hukum pidana
adjective
1. nauwzittend
ketat
noun
radiasi
pronoun
1.
Stralsund
noun
1. Strook land langs de kust
pantai
/straˈteɣ/
noun
1. een persoon die strategieën uitwerkt
ahli strategi
noun
1. een plan om iets te bereiken
strategi
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
stratovolcano
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Straubing
noun
1. een gebied met een eigen karakter
regio
/ˈstrek.tal/, /ˈstrek.taɫ/
noun
2. één of meer taalvariëteiten van de overheid dit label hebben gekregen
bahasa daerah
noun
  1. 2. lijnvormig patroon
    belang
  2. 1. een min of meer rechte getrokken lijn of lijnstuk
    garis
verb
1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken
  1. membelai
  2. menepuk
noun
1. spanning, geestelijke druk.
stres
verb
1. een doel willen bereiken
berjuang
noun
1. een handgemeen
ulet
noun
1. een slagwapen in de vorm van een metalen staf met een versterkte kop
gada
noun
cikar
verb
2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
menyeterika
/ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
setrika
noun
1. een plankvormig voorwerp, gewoonlijk op een inklapbaar onderstel, bedoeld als ondergrond waarop kleding gestreken kan worden
papan setrika
/stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
jerami
/'stromən/
verb
1. voortbewegen van vloeistoffen
alir
/'stromɪŋ/
noun
  1. 1. voortbewegen van een vloeistof
  2. 2. bepaalde beweging die zekere denkbeelden gemeen heeft
aliran
noun
1. zweertje op het ooglid
ketimbir
/stroːm/
noun
1. rivier, beek
  1. aliran
  2. setrum
  3. arus
noun
daerah aliran sungai
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
sirup
noun
dasi
noun
  1. laring
  2. kotak suara
adjective
1. met betrekking tot de opbouw van een geheel
struktural
/strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
struktur
noun
1. heester
belukar
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
tersandung
/ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
burung unta
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
mahasiswa
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
belajar
noun
  1. 1. werkplaats van een beeldend kunstenaar
  2. 2. plaats waar geluidsopnamen, films of televisie- of radioprogramma's gemaakt worden
  3. 3. een eenkamerappartement
apartemen studio
noun
1.
polen
/'stœytlɪxɪŋ/
noun
1.
sungsang
/stɵk/
noun
  1. 1. deel
    potong
  2. 2. kunst/nijverheid
    tampal
noun
pemeran pengganti
/'styːrə(n)/
verb
2. het stuur van een auto bedienen.
mengendarai
/styːr/
noun
1. een hulpmiddel waarmee een bestuurder richting kan geven aan een voertuig
kemudi
/ˈstyrbəkrɑxtəxɪŋ/
noun
1. ondersteuning bij het sturen
kemudi daya
noun
1. iemand die een vaartuig bestuurt
juru mudi
/stywadɔːr/
noun
1. degene die verantwoordelijk is voor het gebalanceerd laden en lossen van schepen
kuli pelabuhan
noun
1. waterkering voor energiewinning
bendungan
noun
1. kunstmatig meer
takungan
noun
anakbenua
noun
subjektivitas
noun
1. stof (stoffen)
bahan
noun
1. zelfstandig naamwoord
kata benda
noun
1. vervanging
substitusi
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
keberhasilan
/suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Sudan
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
sufiks
/sʏˈxɛsti/
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
anjur
noun
1. zoetstof
  1. gula
  2. sakar
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
tebu
/ˈsœʏkərˌspɪn/, /ˈsœːkərˌspɪn/
noun
1. lekkernij bestaande uit een hoeveelheid gesponnen suiker aan een stokje
gulali
noun
air gula
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het bloed een te hoog gehalte aan suiker bevat
diabetes
noun
1., 2. en 3. (gedroogde vrycht van) een variëteit van de druif Vitis vinifera
sultana
pronoun
Sumatera
noun
amat
noun
1. fictieve figuur uit een stripverhaal of een film die over bovenmenselijke krachten beschikt
pahlawan super
noun
1. een staat die zoveel macht heeft dat ze de wereldpolitiek beslissend kan beïnvloeden
adidaya
noun
supermarket
noun
het verschijnsel waarbij een ster op spectaculaire wijze explodeert
supernova
noun
1. toezicht dat tevens het geven van leiding inhoudt
penyeliaan
/ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Suriname
noun
surealisme
noun
suspensi
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
Swahili
/ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
Swaziland
pronoun
1. de grootste stad van Australië en de hoofdstad van de deelstaat Nieuw-Zuid-Wales
Sydney
noun
sifilis
adjective
silabis
noun
simetris
/si'metris/
adjective
1. aan twee zijden, bijvoorbeeld spiegelbeeldig gelijk
simetris
noun
1. een gevoel van toegenegenheid
simpati
/sɪmˈpoziəm/
noun
1. een wetenschappelijke samenkomst waarop verschillende wetenschappers een lezing houden over een bepaald onderwerp
sarasehan
adjective
1. met betrekking tot ziekteverschijnselen
bergejala
noun
1. ziekteverschijnsel
gejala
noun
1. gebedshuis van joden.
sinagoga
noun
sinkronisitas
adjective
sinkron
noun
serikat
/sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
sindrom
noun
1. situatie waarbij het samengaan van delen groter is dan de som der delen
sinergi
noun
1. gelijkbetekenend woord
sinonim
noun
een beknopte weergave, een overzicht
sari kata
/sɪnˈtɑksəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
sintaksis
adjective
1. op kunstmatige manier gefabriceerd
sintetis
/ˈsi.ri.jə/, /ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
Suriah
/siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
sistem
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
rekayasa sistem
/ˌsisteˈmatis/
adjective
1. stelselmatig, ordelijk volgens een systeem opgezet
sistematis
adjective
sistemis
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
kaus oblong
pronoun
1.
Tagus
/taːk/
noun
1. een te verrichten werk
urusan
/taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
bahasa
noun
1. uitdrukkingen en zegswijzen uit een bepaalde taal
idiom
noun
1. grens van een taalgebied
perbatasan bahasa
noun
1. wetenschap
linguistik
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
linguis
noun
polisi bahasa
/taːrt/
noun
1. cirkelvormig zoet gebak
tar
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
tembakau
noun
pipa
noun
1. een geordende lijst met gegevens
tabel
noun
tabernakel
noun
1. pastille
obat
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
pantangan
cardinalNumeral
1. het getal 80
delapan puluh
pronoun
Perang Delapan Puluh Tahun
noun
takikardia
noun
1. kleine, gevouwen tortilla, gevulde mexicaanse maïspannenkoek
taco
/tɑkˈtik/
noun
1. een manier om onder gegeven omstandigheden een doel te bereiken
taktik
pronoun
1. de officiële taal van Tadzjikistan en een variant van het Perzisch
bahasa Tajik
/taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
Tajikistan
noun
1. taf
taf
/ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
meja
/ˈtafəlˌklet/
noun
kleed dat als bescherming of versiering over een tafel ligt
alas meja
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
tenis meja
noun
1. voetbal op een tafel met opstaande randen
sepak bola meja
noun
1. fijn zout
garam dapur
pronoun
1. taal die op de Filipijnen gesproken wordt
  1. Tagalog
  2. bahasa Tagalog
/tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
taifun
/tɑj'ʋɑn/
pronoun
Taiwan
noun
Bahasa Hokkien Taiwan
/tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
dahan
noun
1. bijzondere aanleg
bakat
/tɑɫx/
noun
2. het harde vet van sommige herkauwers
gajih
noun
1. benaming voor kleine vogels uit het geslacht Anas of het geslacht Callonetta
itik
noun
azimat
/tɑlk/
noun
talk
/'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
Tallinn
noun
1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
asam jawa
pronoun
1. taal die gesproken wordt in India, Sri Lanka, Singapore, en Maleisië
bahasa Tamil
noun
  1. 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
  2. 2. scherp uitsteeksel
gigi
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
dokter gigi
noun
1. fiets
tandem
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
sikat gigi
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
tusuk gigi
noun
1. wetenschap voor de verzorging van de tanden
kedokteran gigi
/ˈtand.pɑs.taː/, /ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
  1. pasta gigi
  2. odol
/tɑntpɛin/
noun
1. pijn in één of meerdere tanden
sakit gigi
/ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
gusi
/tɑŋ/
noun
1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
tang
pronoun
Tangier
/tɑŋk/, /tɛŋk/
noun
  1. 1. een groot vat
  2. 2. een oorlogsvoertuig
mobil baja
/ˈtɑŋkstaʃɔː/, /ˈtɛŋkstɑʃɔn/
noun
stasiun pengisian bahan bakar
noun
tanin
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
  1. tante
  2. bibi
/ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
Tanzania
noun
1. een Chinese filosofische en religieuze stroming
Taoisme
noun
karpet
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
tapioka
/ˈtapɪr/
noun
1. hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf
tapir
noun
tara
/ˈtɑrʋə/
noun
  1. 3. zaad van tarwe
  2. 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
gandum
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
kantong
pronoun
Tasmania
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan, gelegen tussen Australië en Nieuw-Zeeland
Laut Tasman
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
bahasa Tatar
pronoun
1. de autonome republiek van Rusland met de hoofdstad Kazan
Tatarstan
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
tato
/tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
menato
/tɑuˈge/
noun
1. uitlopers van mungbonen
taoge
/tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
taksi
/'tɑksimetər/
noun
1.
argometer
noun
taksonomi
noun
1. kostbaar tropisch hardhout gemaakt van Tectona grandis
jati
/tiːm/
noun
  1. 1. een ploeg van bij elkaar horende spelers
  2. 2. een groep samenwerkende mensen
tim
noun
1. iemand die techniek toepast
teknisi
noun
1. De bewerkingen en verrichtingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen
teknik
adjective
1. op techniek betrekking hebbend
teknis
noun
teknokrasi
adjective
1.
teknokratik
noun
teknologi
/tef/
noun
1. wijfjeshond
anjing betina
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
caplak
noun
1. vingers van de voet
jari kaki
noun
sandal jepit
/ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
aspal
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
dadu
noun
1. een aanval tegen een aanval
serangan balik
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
antidot
noun
1. vijand, rivaal
lawan
noun
keberatan
noun
1. vorm die aangeeft dat het huidige moment bedoeld wordt
kala kini
noun
1. aanwezigheid
kehadiran
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
tanda
noun
1. iemand die beroepsmatig tekent
juru gambar
noun
1. een ontbrekende hoeveelheid
defisit
noun
1. verzameling letters en/of woorden
teks
adjective
tekstual
noun
1. natuurlijke processen
tektonik
/ˌtelefoˈneːrən/
verb
1. een telefoon gebruiken
menelepon
/ˌtelə'fon/, /ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
telepon
noun
panggilan telepon
noun
1. een uniek nummer toegewezen aan een telefoonaansluiting
nomor telepon
noun
penyurat kawat
noun
kabar kawat
noun
telemetri
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
teleskop
adverb
1. een onaangenaam gevoel hebbend omdat een verwachting of hoop niet uitgekomen is
kecewa
noun
  1. 1. elektrisch apparaat
    1. pesawat tv
    2. televisi
  2. 2. medium
    1. televisi
    2. tv
verb
1. aantal bepalen
berhitung
/ˈtɛlər/
noun
1. het getal boven de streep van een breuk
pembilang
noun
1.
abakus
pronoun
1. een Dravidische taal met ongeveer 70 miljoen sprekers
Bahasa Telugu
noun
  1. angka
  2. bilangan
verb
1. tam maken
menjinakkan
/ˈtɛm.pəl/, /ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
kuil
/ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
  1. suhu
  2. temperatur
noun
1. een koek van sojabonen afkomstig uit Indonesië
tempe
/ˈtɛm.sə/
pronoun
1. een gemeente in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen, gelegen aan de Schelde
Sungai Thames
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
Tenerife
noun
1. balsport
tenis
noun
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
  1. sebuah tenda kecil
  2. tenda
/tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
pameran
/ˈtɛn.zɛɪ/
conjunction
1. behalve wanneer
kecuali
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
pentil
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
terbium
verb
1. het beëindigen van een mensenleven op gerechtelijk bevel
menjatuhkan hukuman mati
verb
1.
menegur
/tɛrəm/
noun
1. een woord of uitdrukking
istilah
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
anai-anai
noun
peristilahan
noun
terpena
noun
1. een vetoplossend oplosmiddel dat uit de sappen van bepaalde dennensoorten gewonnen kan worden
terpentin
noun
een met een horecaterras vergelijkbare plek in een tuin
teras
/tɛ'rɛin/
noun
1. een stuk grond van enige omvang
medan
adjective
teritorial
noun
1. grondgebied
daerah
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
terorisme
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
teroris
pronoun
Terschelling
/tɛrsjɛːr/
adjective
tersier
/trʏχ/, /təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
kembali
verb
1. gaan naar een plaats waar men eerder vandaan kwam
balik
/tə'rʌxkomə/
verb
1. opnieuw naar een plaats komen waar men eerder geweest is
balik
noun
balikan
/tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
sementara
/tɛst/
noun
  1. 1. probeersel
  2. 3. toets
tes
noun
1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
perjanjian
noun
1. een infectieziekte die door een gifstof leidt tot spierspasmen
tetanus
noun
1. een door vier gelijkzijdige driehoeken ingesloten lichaam
tetrahedron
/təvərˈɣefs/
adverb
sia-sia
pronoun
Texel
noun
1. de manier waarop iets is samengesteld, hoe het materiaal aanvoelt en hoe de structuur eruit ziet
tekstur
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
thai
/ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
  1. Thailand
  2. Muangthai
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
teater
/teː/
noun
teh
noun
1.
kantong teh celup
pronoun
1.de grootste rivier van Engeland
Sungai Thames
noun
1. kan met deksel en schenktuit waarin een warme drank wordt bereid door bladeren in heet water te laten trekken
poci
/tema/
noun
1. een onderwerp dat behandelt wordt
tema
noun
1. aanhanger van het politieke stelsel waarbij men God ziet als de uiteindelijke heerser
teokrat
noun
1. staatsvorm die gebaseerd is op goddelijke
teokrasi
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
ilmu agama
noun
teorema
/ˌteɔːˈretis/
adjective
1. wat niet perse in de werkelijkheid voorkomt, m.b.t. feiten en wetten berustende ...
teoretis
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
teori
adjective
1. genezend; op de geneeswijze betrekking hebbend
terapeutik
noun
1. een methode om aan de genezing van zieken te werken
terapi
noun
1. elektronisch muziekinstrument
theremin
noun
1. de leer van warmte en arbeid
termodinamika
adjective
termodinamis
/ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
pengukur suhu
noun
termosfer
noun
termostat
/ˈtora/
pronoun
1.-3.
Taurat
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
thulium
pronoun
  1. 1. autonome regio
  2. 1. voormalig land
Tibet
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
tibet
pronoun
  1. 1. Zwitsers kanton
  2. 1. zijrivier van de Po
Ticino
suffix
1.
si
cardinalNumeral
1. het getal 10
sepuluh
noun
2. kerkbelasting
persepuluhan
noun
1. vrouwelijke borst
susu
/tɛit/, /tɛɪ̯d/, /tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
waktu
preposition
1. gedurende de tijd dat
selama
/ˈtɛːtmɑˌʃinə/, /ˈtɛːɪtmɑˌʃinə/
noun
1. machine om mee door de tijd te reizen
mesin waktu
noun
kala
noun
1. blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
majalah
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
  1. harimau
  2. macan
noun
1.
hiu harimau
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
thyme
noun
1. verkeerde letters aanslaan bij tikken
salah ketik
/ˈtɪkə(n)/
verb
1. een of meer keren een niet harde slag of klap geven
gamit
pronoun
Tilburg
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
tukang kayu
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noordwest-Australië en Timor
Laut Timor
pronoun
Timotius
noun
scheikundig element
  1. pewter
  2. timah
noun
1.
tingtur
noun
tinitus
noun
1. Italiaans dessert
tiramisu
/ti'tan/
noun
titanium
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
titanium
noun
  1. 1. opschrift van een document
  2. 2. aanduiding van een persoon
  1. titel
  2. judul
adjective
tituler
/ˈtitʏs/
pronoun
Titus
noun
1. Chinees gerecht met groenten, rijst en vlees
capcai
/ˈtjɪlpə(n)/
verb
1. geluid maken zoals kleine vogeltjes doen
ciak
verb
1. brood roosteren
bersulang
noun
2. activiteit waarbij men naar een of meer bestemmingen gaat
perjalanan
noun
1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
akses
noun
pendengar
noun
1. benaming voor tropische vogels uit de familie Ramphastidae
tukan
noun
masa depan
verb
1. niet onmogelijk maken of verbieden
memperbolehkan
/tun/
adverb
1. op of na dat tijdstip
lalu
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
tundra
noun
  1. 1. een computerprogramma
  2. 2. het in de practijk brengen van iets
amprah
noun
1. het reizen voor ontspanning
pariwisata
noun
1. een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
wisatawan
noun
1. een vrouwelijk persoon die voor haar plezier reist
turis
noun
turnamen
/tusxɔuər/
noun
1. iemand die naar iets kijkt
penonton
verb
1. het auteurschap of de eigenaar van iets associëren met iemand
atribut
/ˈtuspra:k/
noun
1. een voordracht voor een groter publiek
pidato
/'tustɑnt/
noun
geheel van omstandigheden
keadaan
noun
  1. 1. een werktuig dat uit meer dan één onderdeel bestaat
  2. 2. vliegtuig
  3. 3. telefoontoestel
aparat
verb
rela
noun
een toezegging dat iets geoorloofd is
persetujuan
noun
1. gerecht waarmee een maaltijd kan worden afgesloten
pencuci mulut
noun
3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
tuts
verb
mencobai
/ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
  1. keyboard
  2. kibor
noun
acak
verb
mempercayakan
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
tambah
noun
1. datgene wat met een groter geheel verenigd wordt
penambahan
/tuʋɛɪ̭zə(n)/
verb
1. goederen of fondsen een bestemming geven
menjatahkan
/'to.ɣo/, /ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Togo
/tʋɑ'lɛt/
noun
1. een plaats waar men zich kan ontlasten
  1. toilet
  2. jambang
pronoun
1. een taal die in Papoea-Nieuw-Guinea gesproken wordt
Bahasa Tok Pisin
/ˈtɔki ˈpoːnaː/
pronoun
1. bepaalde minimalistische kunsttaal
Bahasa Toki Pona
pronoun
1. de hoofdstad van Japan
Tokyo
/tɔl/
noun
  1. 3. plaats waar men slechts tegen betaling mag passeren
  2. 4. geld dat men bij een tol geheven wordt
tol
noun
1. de bereidheid ander gedrag dan het eigen te dulden
tasamuh
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
juru bahasa
noun
1. weg voor het gebruik waarvan betaald moet worden
jalan tol
/toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
tomat
noun
saus tomat
noun
1. een vruchtensap dat uit tomaten is bereid
jus tomat
noun
1. naam voor koperlegeringen met zink
tembaga
noun
  1. 3. een gewichteenheid van 1000 kilogram
    ton
  2. 1. een vat in de vorm van...
    tong
/toˈnel/
noun
babak
/tonə(n)/
verb
2. laten zien
menampilkan
noun
  1. 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
  2. 2. wat gesproken wordt
lidah
pronoun
Tonga
noun
tonsilektomi
/ton/
noun
een geluid met een bepaalde herkenbare hoogte
nada
noun
1. toonhoogte
nada
noun
1. een stijgende of dalende opeenvolging van tonen
tangga nada
noun
obor
/tɔːrə(n)/
noun
  1. 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
    1. benteng
    2. menara
  2. 1. een hoog bouwwerk
    1. menara
    2. benteng
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
alap-alap erasia
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
tornado
noun
turnamen
noun
torpedo
verb
1.
bawa
pronoun
Toscana
noun
1. alle onderdelen tezamen
jumlah
adjective
1.
totaliter
noun
totalitarianisme
/'tʏtʃskriːn/
noun
1. aanraakscherm
layar sentuh
/tɑu̯/
noun
1. een middel om zaken bij elkaar te binden
tali
noun
1. een mannelijk iemand die kan toveren
tukang sihir
noun
1. magisch handboek
primbon
/ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
toksikologi
/traːx/
adjective
1. met geringe snelheid
lambat
noun
1. het langzaam zijn
kelambatan
noun
1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
air mata
/ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
traktor
/tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
tradisional
/traˈxedi/
noun
  1. 1. een toneelspel dat handelt over een bedroevende gebeurtenis
  2. 2. gebeurtenis met een droevige of rampzalige afloop
tragedi
adjective
tragis
noun
1. een oefening
latihan
verb
traktir
/tram/, /trɑm/, /trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
trem
noun
trampolin
/trɑnsˈkrɪpsi/
noun
  1. 1. de conversie naar een geschreven tekst van een andere geschreven, getypte of gedrukte tekst.
  2. 2. het vastleggen van de uitspraak van een gesproken tekst op schrift.
  3. 3.
  4. 4. het omzetten van een muziekstuk naar een andere vorm of bezetting.
transkripsi
noun
transfeminisme
noun
transfobia
noun
transformasi
abbreviation
transformator
noun
transistor
noun
1. structurele overgang of omschakeling
peralihan
noun
translasi
noun
1. verplaatsing, overplaatsing
translokasi
noun
transmutasi
pronoun
1.
Transnistria
adjective
1. lichtdoorlatend
transparan
noun
1. doorzichtbaarheid
transparansi
verb
berkeringat
noun
angkut
pronoun
Transilvania
noun
transpuan
noun
1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
tangga
/trɑˈpezɪʏm/
noun
1. een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
trapesium
noun
psychische stoornis, ontstaan door een schokkende ervaring
trauma
adjective
1. door een letsel ontstaan
traumatik
noun
banci
noun
1. handlanger
sekongkol
noun
1. taps toelopende buis, gebruikt voor het vullen van vaten
corong
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
  1. kereta api
  2. kereta
verb
  1. 2. een lijn aanbrengen
    hunus
  2. 1. op een voorwerp een kracht uitoefenen in een richting die ervan wegvoert
    menarik
noun
1. diakritisch teken
diaresis
noun
kesedihan
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
segitiga
noun
mahkamah
noun
1. de plaatsen voor het publiek
mimbar
/ˈtrɪf.tɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit drie klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
triftong
/'trɪlə(n)/
verb
1. snel heen een weer bewegen
bergetar
noun
1. een periode van drie maanden
kuartal
/ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
Trinidad dan Tobago
noun
  1. 1. feestelijke intocht
  2. 2. grootse overwinning of prestatie
kemenangan
noun
triskaidekafobia
pronoun
Trieste
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
trofi
noun
1. een driekantige platte schep met handvat voor het opbrengen van metselspecie
sendok tembok
noun
1. een langgerekte voederbak.
palungan
pronoun
Troya
/'trɔ.li.bɵs/
noun
trolleybus
/ˌtrɔmboˌsitopeˈni/
noun
1. het symptoom dat men een te laag aantal bloedplaatjes of trombocyten heeft.
trombositopenia
noun
1. een koperen blaasinstrument
trombon
noun
1. de vorming van een bloedprop in een bloedvat of het hart
trombus
noun
gendang telinga
noun
trompe l'oeil
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
  1. trompet
  2. terompet
noun
1. musicus die een trompet bespeelt
pentrompet
/troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
singgasana
noun
1. steun bij verdriet of pijn
kepuasan
noun
troposfer
adjective
1. erg blij met wat men (bereikt) heeft
bangga
/trʌʊ/
noun
1. het zich houden aan...
kesetiaan
verb
1. het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
nikah
noun
cincin pernikahan
/tryk/
noun
1. een handeling om op een slimme manier een doel te bereiken
kiat
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
switer
/tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
tsar
/tʃad/, /tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Chad
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
Ceko
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
Republik Ceko
/ˈtʃɛxi.jə/, /ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
Ceko
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
Cekoslowakia
/tʃɛnobil/
pronoun
Chernobyl
pronoun
1.
Chechnya
/tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
tsunami
noun
  1. 1. een koperen blaasinstrument met lage toon
  2. 2. een buis met trompetvormig
tuba
/tœy̯x/
noun
4. harnas
kekang
/tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
taman
noun
1. vorm van gewassenkwekerij die zich specifiek toelegt op het intensief telen van groenten, bloemen, planten, bomen, bollen of zaden
hortikultura
/'tœn.bruk/
noun
1. een mouwloze overal met gespen
celana monyet
noun
1. hoofddeksel
serban
noun
1. plant
  1. tulip
  2. tulp
/ty.ˈne.zi.jə/, /tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
Tunisia
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
terowongan
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
turbin
verb
1. veen als brandstof
gambut
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
Torino
/tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
orang turki
/tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
Turki
pronoun
Turkmenistan
/tʏrˈkojs/, /tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
pirus
/tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
  1. bahasa Turki
  2. turki
/ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
antara
/ˌtʏsənˈdoːrtjə/
noun
1. een versnapering, iets te eten tussen de maaltijden door
camilan
noun
campur tangan
/ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
  1. interjeksi
  2. kata seru
/ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
Tuvalu
/twaːlf/, /tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
dua belas
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
keduabelas
/tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
dua
/tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
dua
/ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
kedua
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
Perang Dunia II
cardinalNumeral
1. het getal 220
dua ratus dua puluh
/ˈtʋeklɑŋk/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
bunyi rangkap
/ˈtwelɪŋ/, /ˈtʋelɪŋ/, /ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
kembar
noun
2.iets met belangrijke, duidelijke voordelen maar met minstens even belangrijke, vaak minder duidelijke nadelen.
pedang bermata dua
noun
1. een voorgestelde manier om het Israëlisch-Palestijns conflict te beëindigen, door twee onafhankelijke staten op te richten op het grondgebied van het voormalige mandaatgebied Palestina (historisch Palestina)
solusi dua negara
noun
1. wezen dat op twee voeten loopt
biped
cardinalNumeral
1. het getal 22
dua puluh dua
cardinalNumeral
1. het getal 42
empat puluh dua
/ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
  1. kebimbangan
  2. keraguan
/twɛɪ̯x/, /tʋɛɪ̯χ/, /tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
ranting
/ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
dua puluh
ordinalAdjective
keduapuluh
noun
1. een langdurig geschil
perselisihan
noun
1.
apel perselisihan
/tiˈfon/, /tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
taufan
noun
tifus
/ˈtɛɪ̯.pə(n)/
verb
1. gegevens invoeren
mengetik
noun
2. grafische vorm van tekst
tipografi
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
Laut Tirenia
/œʏ̯/, /œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
bawang
noun
1. de melkklier van een herkauwer
ambing
/œʏ̯ɫ/, /œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
burung hantu
/œʏ̯t/, /œːt/
adverb
2. balsport term voor als de bal buiten de lijnen van het speelveld is geraakt
keluar
/œʏ̯t/, /œːt/
preposition
1. geeft aan van welke plaats iets komt
dari
noun
2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
erupsi
noun
pencilan
verb
1. iets een groter oppervlak laten innemen
melebarkan
/ˈœʏdaχɪŋ/, /ˈœːdaɣɪŋ/
noun
1. taak die moeilijk te verwezenlijken valt
tantangan
verb
1. uitschakelen
memadamkan
/ˈœytrʏkɪŋ/, /ˈœːdrʏkɪŋ(g)/, /ˈœːtrʏkɪŋ/
noun
  1. 2. verbinding van woorden
  2. 3. geheel van sprekende gelaatstrekken
  3. 4. het uitdrukken, uiting
ruas
/ˈœʏ.tεɪn.ˌdә/, /ˈœː.tεːn.ˌdə/
noun
akhir
/œʏˈtɛɪndələk/
adverb
1. na een hele tijd
akhirnya
noun
1.
jam malam
/'œʏtχɑŋ/, /'œːtɣaŋ/
noun
jalan keluar
verb
1. financiële middelen aanspreken
membelanjakan
noun
1. een persoon die of bedrijf dat boeken of andere publicaties in omloop brengt
penerbit
/œʏtˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens niet voorkomend
eksotis
noun
het vermogen van iemand om zich voor een lange tijd in te spannen of pijn te verdragen
ketahanan
verb
1. uit een aantal mogelijkheden één of meer selecteren
memilih
verb
1. vrachtgoed uit een scheepsruim of uit overdekte wagen lossen
memunggah
verb
1. iets doen begrijpen
menjelaskan
/ˌœʏtmɪdəɫˈpʏntəx/
adjective
1. niet op het gebruikelijke centrum gericht
eksentrik
/'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
verb
1. iemand verzoeken iets bij te wonen
mengundang
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
undangan
noun
praktik
noun
1. !, een leesteken dat uitdrukt dat de zin een uitroep, bevel of uitdrukking van verbazing is
tanda seru
/'œɪtslɑχ/
noun
1. afloop, resultaat
hasil
/œytspra:k/
noun
1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
  1. cara baca
  2. pelafalan
  3. lafal
noun
2. kort plezierreisje
ekskursi
noun
1. de daad van het uitvinden, het ontdekken van een nieuwe methode of een nieuw toestel
invensi
noun
2. vaste uitgescheiden afvalstoffen van een mens of dier
tahi
noun
pertukaran
noun
metastasis
noun
1. wat men van de omgeving vanaf een bepaalde plek kan zien
indra penglihat
/œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
pengecualian
/ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
ultimatum
noun
1. blauwe verfstof, blauw pigment dat van nature wordt aangetroffen in het mineraal lazuriet
ultramarin
/ʏnɑˈnim/
adjective
1. met eenheid van stemmen
mufakat
/y.ˈnik/
adjective
1. enige in zijn soort
unik
adjective
1. éénvormig, gelijkvormig
seragam
noun
seragam
adjective
1. gelijk voor beide geslachten
uniseks
adjective
akademik
/ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
universitas
noun
1.
kota perguruan tinggi
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
alam semesta
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Untergruppenbach
noun
1. scheikundig element met symbool Uub en atoomnummer 112
ununbium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuo en het atoomnummer 118
ununoktium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uup en het atoomnummer 115
ununpentium
noun
1. een gemoderniseerde versie van een computerprogramma
pemutakhiran
verb
1. een bestand van een lokale computer of server naar een computer of server op afstand overbrengen
naik
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
uranium
pronoun
Uranus
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
urin
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
uretra
/ˌyriˈnɪːrə(n)/
verb
1. het via de blaas lozen van lichamelijke afvalstoffen in de vorm van vloeistof
buang air kecil
noun
1.
asam urat
noun
urinoar
noun
urologi
/ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /ˈuruˌɡwe/, /ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
Uruguay
/yʔɛsˈbeʔstɪk/
noun
USB flash drive
/ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
utopia
/ˈytrɛx/, /ˈytrɛxt/, /ˈytrɛχt/
pronoun
2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
Utrecht
/yːr/
noun
1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
jam
noun
1. een mechaniek dat de tijd bijhoudt of aangeeft
jam
/vaːk/
adverb
1. vele malen
sering
noun
± onderscheidende vlag van een schip en/of militaire eenheid
bendera
noun
1. desertie
desersi
/ˈvaːrdəxɦɛːt/, /ˈvaːrdəxɦɛːɪt/
noun
1. het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem juist op te lossen
ahli
noun
2. kanaal, bevaarbaar gemaakte watergang
kanal
/ˈvaːrtœx/, /ˈvaːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel op water
kapal
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
vas
adjective
lowong
/vakˈsæː/, /vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
vaksin
noun
1. een inenting
imunisasi
noun
1. materievrije ruimte
vakum
noun
pompa vakum
noun
1. een mannelijke ouder
  1. ayah
  2. bapak
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
Hari Ayah
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
tanah air
noun
pengembara
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
  1. puki
  2. vagina
adjective
vaginal
noun
3. schoolvak
mata kuliah
/vɑˈkɑn(t)si/
noun
  1. 1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
  2. 2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
liburan
/vaˈkɑn(t)sixɛlt/
noun
1.
tunjangan hari raya
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
perkumpulan
noun
1. een man die zijn vak of professie verstaat
tukang
/vɑɫ/
noun
  1. 1. omlaag gaan
  2. 2. ten gevolge van de zwaartekracht naar beneden gaan
  3. 3. onvrijwillig ergens op terecht komen
  4. 4. hoogte van waarvandaan iets naar beneden valt
  5. 5. van zijn macht beroofd worden
kejatuhan
pronoun
Valencia
noun
valensi
noun
1. 14 februari, de dag van de verliefden
Hari Valentine
verb
mengabsahkan
/vɑlk/
noun
1. roofvogel
alap-alap
noun
1. een laagte tussen bergen
lembah
verb
1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
gugur
adjective
1. niet echt
buatan
noun
mata uang
noun
1. mythologisch ondood wezen
vampir
preposition
  1. 1. geeft bezit aan
  2. 2. geeft herkomst aan
dari
phraseologicalUnit
1. oprecht en onvoorwaardelijk
dengan segenap hati
adverb
1. op deze dag
hari ini
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
perusakan
verb
  1. 1. te pakken krijgen
  2. 2. onderscheppen
  1. tangkap
  2. sergap
/vɑ'nijə/
noun
een smaak- en geurstof geëxtraheerd van de vanilleplant
vanila
adverb
1. de afgelopen ochtend
pagi hari ini
adverb
1. de afgelopen ochtend
pagi hari ini
/va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
Vanuatu
preposition
1. door een bepaalde reden
karena
verb
menguap
noun
1. Varanidae, de grootste levende hagedis
biawak
noun
1. een sporenplant
paku
noun
varian
/ˌva.ri.ˈjɑn.si/, /ˌva.ri.ˈjɑn.tsi/
noun
1. een maat voor de spreiding van een variabele of van een verdeling gedefinieerd als de wortel uit de variantie
ragam
noun
isolek
noun
1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
babi
pronoun
1. baai op de Cubaanse kust
Teluk Babi
noun
2. lever van een varken
hati babi
noun
1. overdekt verblijf voor varkens
kandang babi
noun
lemak babi
noun
babi
noun
vaselin
noun
1. vaatvernauwing
vasokonstriksi
noun
1. vaatverwijding
vasodilatasi
/vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
daratan
verb
1. zich onthouden van voedsel
  1. berpuasa
  2. puasa
noun
1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
laras
/vatiˈkanstɑt/, /vatiˈkaːnstɑd/, /vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
Vatikan
noun
1.
ayam aduan
noun
tawuran
/ˈveda/
pronoun
1. elk van de vier voornaamste heilige hindoegeschriften
Weda
noun
sarah
/feɪɫ/, /veːl/
indefiniteCardinalNumeral
1. groot in hoeveelheid
banyak
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
poligon
/veːr/, /vɪːr/
noun
2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
pegas
noun
2. herstellingsvermogen van iemands gestel of gemoed
daya lenting
/ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
empat belas
/ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
empat puluh
noun
veganisme
verb
1. zonder water schoonmaken met een borstel
hapus
noun
vegetasi
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
aman
noun
1. een situatie waarin een bepaald gevaar niets kan aanrichten
keselamatan
noun
1. een stevige band die iemand in een voer- of vliegtuig vasthoudt in zijn zetel ter bescherming tegen onverhoedse bewegingen
sabuk pengaman
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
Dewan Keamanan Perserikatan Bangsa-Bangsa
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
peniti
/ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
lelang
noun
  1. 1. dunne laag
    kertas
  2. 2. afgestroopte huid
    kulit
/vɛlt/
noun
  1. 1. open stuk land
  2. 2. stuk land voor het bedrijven van een sport
  3. nog na te kijken
bidang
noun
rumah sakit lapangan
noun
felspar
/vɛltɔxt/
noun
1. een trektocht van een leger met het doel de vijand te verslaan
kampanye
/vɛlx/, /vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
velg
/vəˈlur/
noun
1.
beledu
//
pronoun
1. provincie in Italië
Venesia
pronoun
Veneto
/ˌvenəzyˈweːla/, /ˌvenəzyˈβ̞ela/, /ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
Venezuela
noun
1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
adas
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
  1. jendela
  2. ventilasi
noun
injap
noun
kipas angin
/vɛn.ˈtri.kɔɫ/, /vɛn.ˈtri.kəl/, /vɛn.ˈtri.kəɫ/
noun
1. elk van twee kamers van het hart
bilik jantung
pronoun
1. planeet
Venus
adverb
1. op grote afstand
jauh
/vərˈɑxtə(n)/, /vərˈɑçtə(n)/
verb
  1. 1. in hoge mate minachten
  2. 2. trotseren
menista
verb
  1. 1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
  2. 2. zodanig aan zichzelf werken of zichzelf behandelen dat men anders wordt
berubah
noun
1. iets dat anders is geworden
perubahan
adjective
  1. 1. iets met extra verplichtingen of moeilijkheden om het goed te laten lopen
  2. 2. de verantwoordelijkheid hebbend
bertanggung jawab
adverb
1. er op aangesproken kunnen worden als het niet goed gaat
bertanggung jawab
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
tanggung jawab
adverb
1. als je iets vreemd vindt omdat je het niet verwacht had
terkesima
/vər.ˈbɑ.nɪŋ/
noun
1. het verbod opgelegd krijgen naar een bepaalde plaats terug te keren
pembuangan
verb
1. door iets onverwachts gevoelsmatig treffen
mengesima
/vər.ˈbeːɫ.dɪŋ/, /vər.ˈbɪːɫ.dɪŋ/, /vɛr.ˈbeːl.dɪŋ(g)/
noun
2. iets visualiseren, ergens een beeld bij maken
imajinasi
/vər.ˈbe.tə,rɪŋ/
noun
1. een verandering ten goede
peningkatan
/vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
melarang
/vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
    1. 1. verbinden of samenvoegen
    2. 3. communicatie
    3. 4. vervoer
    hubungan
  1. 2. scheikunde
    senyawa
noun
1. een plaats waar men, al dan niet noodgedwongen, verblijft
keberadaan
/vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
cekal
noun
pembakaran
noun
1. het iets verspreiden
diseminasi
noun
2. de totale verbruikte hoeveelheid
konsumsi
adverb
mencurigakan
verb
1. overgaan van een gecondenseerde fase, vast of vloeibaar, naar de gasfase
menguap
noun
pertahanan
/vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
kecurigaan
/vɛr.ˈdi.pə(n)/
verb
1. dieper maken
memperdalam
/vər.ˈdi.pɪŋ/
noun
3. alle ruimten op één hoogte in een gebouw
lantai
interjection
brengsek
noun
1. bereidheid om te aanvaarden dat anderen zich gedragen op een manier die je niet goed vindt
tasamuh
noun
1. een gevoel van droefheid
kesedihan
adjective
1. in sombere stemming
pilu
verb
  1. 1. in het water omkomen
  2. 2. in het water doen omkomen
  3. 3. door drinken van alcohol doen verdwijnen
menenggelamkan
/vər.ˈdœʏ̯.stə.rɪŋ/, /vər.ˈdœː.stə.rɪŋ/, /vɛr.ˈdœːs.tə.rɪŋ(g)/
noun
gerhana
/vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
1. wegraken
  1. hilang
  2. hapus
noun
1.
likuidasi
/vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
  1. Britania Raya
  2. Inggris
/vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
Uni Emirat Arab
pronoun
1. unie van Egypte en Syrië van 1958 tot 1961, en de officiële naam van Egypte van 1961 tot 1971
Republik Arab Bersatu
noun
Perserikatan Bangsa-Bangsa
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Amerika Serikat
/və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Amerika Serikat
verb
1. afzonderlijke delen tot één geheel maken
mempersatukan
/və.ˈre.nə.ɣɪŋ/, /və.ˈre.nə.χɪŋ/, /vər.ˈe.ni.ɣɪŋ(g)/
noun
  1. 3. een operatie die twee of meer verzamelingen samenvoegt
    gabungan
  2. 1. groepering van mensen die op een bepaald doel gericht is
    persatuan
/vɛrf/
noun
1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
cat
verb
binasa
noun
pembalasan
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
banding
/vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
2. wiskundige uitdrukking
persamaan
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
lupa
verb
1. vergiffenis schenken
ampun
/vərˈxit/
noun
1. teiltje met gaten
penapis
/vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
racun
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
meracuni
noun
de toestand van vergiftigd worden
keracunan
/vər.ˈɣɪ.sɪŋ/, /vər.ˈχɪ.sɪŋ/, /vɛr.ˈɣɪ.sɪŋ(g)/
noun
1. iets doen dat niet juist is, of een verkeerde conclusie trekken
keliru
noun
1. bolle lens waardoor de voorwerpen die men bekijkt groter lijken
kaca pembesar
verb
1. groter doen worden
membesarkan
noun
1. een officiële (noodzakelijke) toestemming om een bepaalde activiteit uit te voeren
izin
noun
risalah
noun
gradien
verb
2. zich ~ op: reikhalzend uitzien naar iets
nantikan
verb
1. voorkomen, ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
cegah
noun
1. een indringende ondervraging van een gevangene of verdachte
interogasi
verb
  1. 1. van woonplaats veranderen
  2. 2. de inboedel van een ander overbrengen
pindah
/ˈveː.rɪŋ/, /ˈvɪː.rɪŋ/
noun
1. mechanisme dat dient om schokken op te vangen
suspensi
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
ulang tahun
noun
1.
kue ulang tahun
noun
1.
pesta ulang tahun
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
lalu lintas
noun
1. gestandaariseerd bord met aanwijzingen voor mensen in het verkeer
rambu lalu lintas
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
lampu lalu lintas
noun
  1. eksplorasi
  2. 2. militaire verkenning
    pengintaian
verb
1. iemand door een stemming een ambt doen toekomen
memilih
/vər.ˈki.zɪŋ/, /vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
pemilihan
/vɛrˈklarə(n)/
verb
  1. 1. duidelijk maken
    menjelaskan
  2. 2. een officieel standpunt uitspreken
    menyatakan
/vər.ˈkla.rɪŋ/, /vɛr.ˈkla.rɪŋ(g)/
noun
4. schriftelijk stuk
deklarasi
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
penjualan
/vərˈkopə(n)/
verb
1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
  1. menjual
  2. jual
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
penjual
/vər.ˈkɔr.tɪŋ/, /vɛr.ˈkɔr.tɪŋ/
noun
abreviasi
verb
1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
perkosa
noun
1. een seksuele daad onder dwang
perkosaan
/vər'lɑmə(n)/
verb
1. van het vermogen zich te bewegen beroven
melumpuhkan
noun
1. iets willen hebben
  1. kehendak
  2. keinginan
  3. birahi
  4. nafsu
verb
1. weggaan
berangkat
noun
kala lampau
/vərˈlɛŋə(n)/
verb
  1. 1. langer maken
  2. 2. langer laten duren
memperpanjang
/vər.ˈlɛ.ŋɪŋ/, /vɛr.ˈlɛ.ŋɪŋ/
noun
  1. 1. dat waarmee iets verlengd is
    ekstensi
  2. 2. het verlengen
    perpanjangan
verb
1. iemand liefhebben; houden van iemand
jatuh cinta
verb
  1. 1. iets kwijt raken
    hilang
  2. 2. niet winnen
    kalah
noun
1. iemand die in een spel, wedstrijd, onderhandeling of oorlog verliest
pecundang
noun
cuti
noun
1. iemand die toegezegd heeft met een partner in het huwelijk te willen treden
tunangan
/vərˈloːrə(n)/
adjective
1-5.
hilang
noun
2. de beroepsmatige begeleiding tijdens iemands zwangerschap en de bevalling
kebidanan
/vər.ˈlɔ.sɪŋ/, /vɛr.ˈlɔ.sɪŋ/
noun
1. de bevrijding van de gevolgen van de zonden van de mens door het geloof in Jesus
keselamatan
verb
1. een feit noemen in een verhaal of tekst
menyebut
/vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
perkalian
noun
  1. 1. bepaalde rode kleurstof op basis van kwik(I)sulfide, HgS
  2. 2. naar oranje zwemende dieprode kleur
merah marak
noun
1. een waarschijnlijke waarheid
konjektur
noun
kelelahan
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
membunuh
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
vermouth
verb
1. iemand zo behandelen dat hij zich minderwaardig voelt
membuat malu
/vərˈniwə(n)/
verb
2. bij de tijd brengen
memperbarui
noun
1. een oplossing van filmvormende stoffen in vluchtige oplosmiddelen...
pernis
noun
asumsi
adverb
1. gevoelens koesterend dat men te na gekomen is
geram
verb
1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
menyatakan bersalah
verb
1. de oorzaak zijn van
menyebabkan
noun
peraturan
verb
1. dwingend voorschrijven
memerintah
noun
1. het materiaal waarin iets verpakt is
kemasan
noun
1. een abstract begrip voorstellen als een mens
personifikasi
noun
  1. 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
  2. 2. een deskundige in de verpleegkunde
perawat
noun
1. vrouw die zorg verleent aan zieken of gewonden
perawat
verb
1. een zieke verzorgen
merawat
adjective
1. door iets of iemand gedwongen
wajib
/vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
pengkhianatan
verb
2. een geheim prijsgeven
mengkhianati
noun
1. iemand die verraad pleegt
pembelot
verb
  1. 1. iemand onverwachts met iets confronteren
  2. 2. iemand onverwachts verblijden
mengejutkan
/və.ˈra.sɪŋ/, /və.ˈrɑ.sɪŋ/, /vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
kejutan
/ˈvɛrəˌkɛːkər/, /ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
teleskop
adjective
2. niet ingeblikt, niet diepgevroren
segar
noun
1. gedicht
syair
/vɛrsxɛɪnsəɫ/
noun
1. iets dat zich voordoet
fenomena
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
beda
verb
1. in bepaalde opzichten niet hetzelfde zijn
berselisih
noun
1.iemand die verslaafd is aan iets
pecandu
noun
1. het niet kunnen zonder bepaalde zaken die negatief gewaardeerd worden
adiksi
verb
1. een definitieve overwinning boeken op een tegenstander
mengalahkan
/vərˈslɑx/
noun
1. bericht over een gebeurtenis of toestand
laporan
noun
jurnalis
/vər.ˈsla.vɪŋ/, /vɛr.ˈsla.vɪŋ(g)/
noun
1. een toestand waarin een persoon fysiek en/of mentaal van een gewoonte of stof afhankelijk is
adiksi
verb
1. een grotere snelheid (doen) bereiken
mempercepat
noun
3. mechaniek voor overdracht van aandrijving
persneling
/vər.ˈstaːn/
verb
1. begrijpen van een uiting
mengerti
noun
1. elk der vier achterste kiezen van boven- en onderkaak die pas later opkomen (als mensen tot de jaren des verstands zijn gekomen)
gigi bungsu
noun
1. signaalversterker
amplifier
/vər.ˈstɛr.kɪŋ/, /vɛr.ˈstɛr.kɪŋ(g)/
noun
3,4. signaalversterking
amplifikasi
/vərˈstɔ.pər.tjə/
noun
patgulipat
verb
1. ter beschikking stellen
beri
noun
1.
kelinglungan
noun
2. verspreiding over een groter gebied dan oorspronkelijk het geval was
hamburan
verb
1. in fijne nevel omzetten
menguap
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
  1. terjemah
  2. menerjemahkan
noun
penerjemah
/vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
terjemahan
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
wakil
adverb
tegak lurus
/vər.ˈtra.ɣɪŋ/, /vər.ˈtra.χɪŋ/, /vɛr.ˈtra.ɣɪŋ(g)/
noun
1. het langzamer gaan
keterlambatan
noun
2. de actie van het vertrekken of weggaan
keberangkatan
verb
1. weggaan
berangkat
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
kepercayaan
verb
1. geloven in de betrouwbaarheid van een persoon
kepercayaan
noun
1 verslechteren
pelapukan
noun
1. de laatste dag waarop een (financiële) verplichting kan worden voldaan; de dag dat een schuld opeisbaar is
jatuh tempo
/vər'vɑldatʏm/
noun
1. de uiterste datum waarop een financiële plicht voldaan moet zijn
jatuh tempo
/vər.ˈvɑɫ.sɪŋ/, /vɛr.ˈvɑl.sɪŋ(g)/
noun
1. een artefact opzettelijk nagemaakt om mensen in de waan te brengen dat het echt is
tiruan
verb
1. met verf bestrijken
mengecat
/vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /vər.ˈvu.χɪŋ/, /vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
konjugasi
/vərˈvuːr/
noun
1. overbrenging van zaken van één plaats naar de andere
angkut
noun
1. voorwerp bestemd om personen of goederen naar een andere plaats te brengen
alat pengangkut
/vər'vɔlɣən/
verb
2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
menganiaya
noun
1. een ongeplande verandering van de oorspronkelijke vorm
deformasi
/vər.ˈʋɑχ.tɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑx.tɪŋ/, /vɛr.ˈwɑx.tɪŋ(g)/
noun
datgene wat verwacht wordt
harapan
noun
1. familielid
kerabat
noun
2. overeenkomst, affiniteit
hubungan
/vər.ˈʋɑr.mɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑr.mɪŋ/, /vɛr.ˈwɑr.mɪŋ(g)/
noun
2. een installatie die voor het verwarmen zorgt
pemanasan
noun
tergugat
/vər'ʋɛlkomə(n)/
verb
1. iemand begroeten en welkom heten
sambut
verb
1. iemand een te goede behandeling geven
manja
verb
1. afwijzen
menolak
noun
1. het verkrijgen van iets
akuisisi
noun
1. het verwijderen
penghapusan
/vər'wɛift/
adjective
1.
banci
/vər'ʋɛɪzə(n)/
verb
1. naar iets of iemand anders wijzen of sturen
mengarahkan
verb
1. twee zaken elkaars plaats in doen nemen
salah paham
verb
1. lichamelijk letsel veroorzaken
cedera
noun
akumulator
verb
  1. 1. bijeenbrengen
  2. 3. bijeenkomen
mengumpulkan
/vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
  1. 2. wiskundige verzameling
    himpunan
  2. 1. meerdere voorwerpen...
    koleksi
/vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
asuransi
noun
1.
agen asuransi
noun
1. handelingen gericht tegen de heersende macht of de aanvallende vijand
kelompok pemberontak
/vɛrzʋɑkə(n)/
verb
1. zwakker maken
melemahkan
verb
hilang
adjective
  1. 1. dik, vet inhoudend
  2. 6. lijkend op iets vets
gemuk
noun
1. gladde, zeer vette vloeistoffen, smeermiddelen
lemak
adjective
kedokteran hewan
noun
1. veto
hak veto
/ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
asam lemak
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
anak kuda
noun
1. een vezel is een lang, dun filament waarvan de lengte ten minste drie keer groter is dan de doorsnede
serat
noun
1. marimba met metalen toetsen en vibratosysteem
vibrafon
verb
bergetar
noun
wakil presiden
noun
lingkaran setan
/viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
empat
/ˈviːrdə/
ordinalAdjective
1. nummer vier in een rij
keempat
verb
1. een feest vieren
merayakan
cardinalNumeral
1. het getal 24
dua puluh empat
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
persegi empat
/ˈviːrˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 400
empat ratus
/ˈviː.rɪŋ(g)/, /ˈviː.rɪŋ/
noun
1. het vieren
perayaan
adjective
1. met de vorm van een vierkant
persegi
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
persegi
noun
1.
meter persegi
noun
1. dat getal dat met zichzelf vermenigvuldigd een gegeven getal oplevert
akar kuadrat
pronoun
Danau Luzern
adjective
1. smerig
  1. kotor
  2. dekil
  3. licik
pronoun
Vietnam
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
Vietnam
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
musuh
/vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
lima
/ˈvɛɪ̯f.də/, /ˈvɛɪ̯v.də/, /ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
kelima
cardinalNumeral
1. het getal 25
dua puluh lima
cardinalNumeral
1. het getal 55
lima puluh lima
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
segi lima
/ˈvɛi̯fˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 500
lima ratus
/ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
lima belas
/ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
lima puluh
noun
1. vrucht van de vijgenboom
buah ara
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
kikir
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
kolam
noun
  1. A 1. een vat waarin met een stamper stoffen fijngestampt kunnen worden
    alu
  2. B 1. een dommekracht of krik
    dongkrak
noun
1. een pen met een poreuze kern
spidol
/vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
sirip
/'vɪndə(n)/
verb
1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
menemukan
noun
1. extremiteiten van de hand
jari
/'vɪŋərˌɦut/
noun
1. hard dopje dat het eerste kootje van de vinger beschermt bij het naaien
bidal
noun
1. dun, doorzichtig plaatje van harde keratine op de bovenkant van elk van de vijf uitsteeksels van de hand
kuku
noun
1. strijkinstrument
biola
noun
1.
virologi
/ˈvʏːrcuwəlriˌjɛləti/
noun
realitas maya
adjective
1.
maya
/virəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
virus
noun
  1. 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
  2. 2. het vlees van een vis
ikan
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
elang tiram
noun
1. bepaald soort boom, Barringtonia asiatica
butun
noun
mata kail
noun
kunjungan
noun
1. vloeibare substantie gemaakt van vergiste vis
kecap ikan
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
Pisces
noun
1. iemand die beroepsmatig vist
nelayan
/vizyʋel/
adjective
1. betreffende het zicht, betreffende het zienbare
visual
noun
visa
noun
1. een stof die het lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft, maar niet of bijna niet door het lichaam zelf aangemaakt kan worden en derhalve in voldoende mate via voedsel of supplement ingenomen moet worden
vitamin
noun
1. een richttoestel op de loop van een vuurwapen
bidikan
/vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
bendera
noun
tiang bendera
/vlɑk/
adjective
1. zonder bergen of dalen
datar
noun
stuk rubber dat door wrijven potloodschrift van papier kan verwijderen
karet penghapus
noun
1. gebied met weinig of geen hoogteverschillen
dataran
noun
1. kleinste vorm van vuur
nyala
noun
flax
noun
1. klein vliegend zoogdier
  1. kelelawar
  2. kelawar
noun
  1. 1. spierweefsel van bepaalde organen
  2. 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
daging
noun
1. een vleesetend dier
karnivor
verb
1. (onoprechte) complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen
meleceh
noun
  1. 1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
  2. 5. een deel van een leger
sayap
/vlix/, /vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
  1. lalat
  2. laler
noun
abu terbang
noun
1. een militair vliegveld
pangkalan udara
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
kapal induk
/ˈvli.ɣə(n)/, /ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
terbang
noun
1. Lucanus cervus, een kever uit de familie vliegende herten
layang-layang
noun
  1. 1. een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
  2. 2. een vierhoek waarvan twee paar aanliggende zijden en één paar ...
layang-layang
/ˈvlixtœːx/, /ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
  1. pesawat terbang
  2. kapal terbang
/ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
  1. bandar udara
  2. bandara
noun
1. sneldraaiend wiel met grote massa
roda gila
pronoun
Vlieland
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
kupu-kupu
noun
dasi kupu-kupu
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
kutu
noun
1. verhoging van de waterstand
air pasang
noun
1.
gelomgang air pasang
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
cair
/ˈvlujə(n)/
verb
1. zacht stromen
alir
adjective
2. zonder haperingen een taal kunnen spreken
dengan fasih
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
cairan
verb
1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
misuh
/vlur/
noun
lantai
noun
1. een samenhangend hoopje van sneeuw of andere lichte stof
mengelupas
noun
pasar loak
/vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
armada
noun
1. een drijvende constructie
rakit
/'vlɵxtəlɪŋ/
noun
1.
pengungsi
adjective
1. gemakkelijk in damp overgaand
asiri
noun
1.
nomor penerbangan
pronoun
1. wereldwijde organisatie waarin alle landen kunnen samenwerken
PBB
adjective
lembap
verb
1. van voedsel voorzien
memberi makan
noun
1. toevoeging aan voeding
aditif makanan
noun
1. voedingsmiddel dat bedoeld is als aanvulling op de normale voeding
suplemen makanan
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
makanan
/ˈvuxʋoːrt/
noun
kata
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
merasa
verb
3. dieren te eten geven
memberi makan
/ˈvuːrtœx/, /ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
kendaraan
noun
1. voortzetting van het been beneden de enkel
kaki
/ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
  1. sepak bola
  2. sepakbola
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
pejalan kaki
/ˈvut.ɣɑ.ŋərs.ɣəˌbit/, /ˈvut.χɑ.ŋərs.χəˌbit/
noun
1. een gebied waarin geen voertuigen zijn toegestaan en waar dus gelopen moet worden
kawasan pejalan kaki
/'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
jalan setapak
noun
langkah kaki
/ˈvoːɣəl/, /ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
burung
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
platipus
noun
1. manshoge pop
orang-orangan
noun
tindih suara
/vɔl/, /vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
penuh
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
bahasa Volapük
adjective
1. niet langer geplaagd door gevoelens van behoefte of verlangen
puas
/'vɔlxə(n)/
verb
1. achterna gaan
ikuti
adjective
1. dat later komt
depan
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
menurut
/vɔlk/
noun
1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
bangsa
pronoun
Liga Bangsa-Bangsa
noun
1. internationaal privaat- en publiekrecht
hukum internasional
noun
genosida
noun
1.
etimologi populer
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
lagu kebangsaan
noun
1.
referendum
noun
republik rakyat
noun
1. de taal van het gewone volk, vaak informeel van aard en soms als minder beschaafd gezien, in tegenstelling tot de standaardtaal
bahasa percakapan
/'vɔlkstɛlɪŋ/
noun
1.
sensus
noun
1. verhaal dat (ook) mondeling wordt overgedragen
cerita rakyat
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
badar
noun
  1. 1. spel
  2. 2. bal
bola voli
/vɔlˈmaːkt/
adverb
1. zonder enig gebrek
sempurna
noun
volt
adverb
1.
purnawaktu
noun
1. spanningmeter
voltmeter
verb
1. ten einde brengen
menyelesaikan
noun
1. iemand die volgroeid is
dewasa
noun
1. een tot een volledige zin geordende taaluiting van redelijk grote omvang
kalimat
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
letupan
noun
1. een beslissing van een rechter in dagvaardingsprocedures
hukuman
/voːxt/
noun
1. belangenbehartiger van minderjarige
wali
noun
1. belangenbehartiging van minderjarige
perwalian
/vor/
preposition
  1. 7. ten behoeve van, ten gunste van
    buat
  2. 4. eerder in tijd
    sebelum
/vo:ɾ.ɑl/
adverb
1. voornamelijk
  1. khususnya
  2. terutama
noun
1. iets ter navolging
  1. contoh
  2. misal
adjective
1. van iets dat het zorgt dat iets vervelends of iets dat ongewenst is niet gebeurd
profilaksis
/ˈvor.bə.rɛɪ̯.dɪŋ(g)/, /ˈvor.bə.rɛː.dɪŋ/, /ˈvo̝r.bə.rɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het voorbereiden
persiapan
noun
1. een doorwaadbare plaats in een beek of rivier
arung-arungan
noun
1. doorwaadbare plaats
arung-arungan
/ˈvoːrˌdrɪ.ŋə(n)/
verb
menyalip
noun
1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
pendahulu
verb
1. voorwenden
berpura-pura
noun
firasat
noun
godam
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
dahi
noun
1. voorhuid van penis
kulup
noun
1. de lente
musim semi
/vorkɑnt/
noun
1. een van de zijden van een voorwerp, namelijk dewelke naar voren gericht is
hadapan
/'vɔːr.ko.mə(n)/, /vɔːr.'ko.mə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
cegah
verb
1. hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
baca
noun
mandor
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
nama kecil
/ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
  1. pronomina
  2. kata ganti
noun
prasangka
noun
1. iemand van wie afgestammen wordt
leluhur
noun
halaman depan
noun
prioritas
noun
1. een vervroegde betaling op het loon
  1. poreskot
  2. uang muka
noun
resep
/'vɔːrsxrɛɪvə(n)/
verb
1. een schriftelijke opdracht geven
memerintahkan
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
lamaran
verb
2. een beeld geven
memperkenalkan
/ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
awalan
noun
1. omstandigheid die noodzakelijk is of gemaakt wordt wil iets anders plaats of...
kondisi
noun
kata pengantar
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
kata
/vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
arif
/vɔːr.'zin/
verb
1. herkennen als toekomstige ontwikkeling
kira
noun
hadapan
noun
1. hoofd van een bestuur, leider van een vergadering
ketua
noun
  1. 1. aftakking van een boomtak of van een weg
  2. 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
garpu
noun
1. ruimtelijke begrenzing van een voorwerp
bentuk
noun
1. een sacrament waardoor een gedoopte de kracht van de Heilige Geest ontvangt om zijn geloof standvastig te kunnen belijden
krisma
noun
1.
keharyapatihan
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
rubah
/vra:x/, /vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
pertanyaan
noun
1. een gesprek waarin iemand een aantal vragen beantwoordt
wawancara
noun
1. een leesteken (?) dat men aan het eind van een zin plaatst om deze vragend te maken
tanda tanya
/vrɑxt/, /vrɑχt/
noun
1. de lading van een vervoermiddel
kargo
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
truk
noun
sopir truk
/ˈvraɣə(n)/, /ˈvraχə(n)/
verb
  1. 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
    minta
  2. 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
    tanya
noun
1. ontbreken van oorlog
  1. damai
  2. perdamaian
noun
1. een overeenkomst tussen twee of meer vijandige partijen (meestal overheden of landen), waarmee een oorlog of ander gewapend conflict tussen deze partijen officieel, definitief wordt beëindigd
perjanjian damai
noun
1.
xenofobia
noun
1. het gevoel dat iets gevaarlijk is of kan zijn
takut
verb
1. het nuttigen van voedsel op een meestal onbeleefde wijze
makan
noun
1. een blij gevoel
kegembiraan
/ˈvrezə(n)/
verb
1. bang zijn, angst hebben
takut
noun
1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
teman
adjective
1. met het nodige respect
ramah
noun
2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
teman perempuan
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
persahabatan
/vrispʌnt/
noun
titik beku
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
bebas
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
  1. Jumat
  2. hari Jumat
noun
2. vrijheid
kebebasan
verb
1. liefde bedrijven
bercinta
noun
1. een ongehuwde man of vrouw
selibat
/ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
kebebasan
noun
absolusi
adjective
1. niet gedwongen
rela hati
adjective
  1. 1. aan het begin
  2. 2. eerder dan verwacht
dini
/ˈvruxər/, /ˈvruɣər/
adverb
1. (zoals) in het verleden
bahari
noun
  1. 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
    1. istri
    2. wanita
  2. 1. een volwassen vrouwelijke mens
    1. wanita
    2. perempuan
adjective
feminin
noun
1.
kewanitaan
noun
misoginis
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
buah
/'vrɵɣbar/
adjective
1. in staat vrucht af te werpen
subur
/'vrʏxt.bar.ɦɛɪ̯t/, /'vrʏxt.bar.ɦɛːt/, /'vrʏɣ.ba.rɛɪ̯d/
noun
1. het vermogen vrucht te dragen
fertilitas
/ˈvrʏxtə(n)ˌsɑp/, /ˈvrʏχtə(n)ˌsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
jus
noun
1.
hak pakai hasil
/vœy̯l/
adjective
1. niet schoon
kotor
noun
1. voorwerp waarop men vuil kan vegen
pengki
noun
1. materiaal dat weggeworpen wordt
sampah
/'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
tempat sampah
noun
1. gebalde hand
tinju
noun
  1. gunung berapi
  2. gunung api
noun
1. de vaak explosieve activiteit waarmee in een vulkaan opgebouwde spanningen zich ontladen
letusan gunung
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
vulkanologi
/ˈvʏl.pɛn/, /ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
  1. pulpen
  2. vulpen
/vy.rə(n)/
verb
1. schoten lossen
tembak
/vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
api
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
Tierra del Fuego
noun
1.
rijang
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
  1. mercusuar
  2. menara api
noun
1. een wapen dat een kogel schiet met behulp van een chemische ontploffing
senjata api
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
kembang api
noun
1. een Zuid-Afrikaans blaasinstrument
vuvuzela
/'ʋajə(n)/
verb
1. plaatsvinden van een sterke luchtstroming
tiup
noun
1. scherm in halve schijfvorm
kipas
verb
1. een waaier gebruiken
mengipasi
/wal/
noun
(demoniem) 1. bewoner of iemand die afkomstig is uit Wallonië
Wallon
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
Wallon
noun
1. het lijden aan een geestesstoornis
kegilaan
adjective
edan
/ʋar/
adverb
1. op welke plaats
  1. di mana
  2. dimana
noun
1. een geldbedrag of iets anders dat tijdelijk gegeven wordt als onderpand voor het geval men een verplichting niet na kan komen
jaminan
verb
penjamin
/ʋaːrt/
noun
A 1. baas van een herberg, taveerne of café
tuan rumah
noun
nilai
noun
1. dat wat waar is
kebenaran
adverb
1. echt, volgens de waarheid
sangat
/ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
  1. mengapa
  2. kenapa
adverb
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
kemungkinan
/'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
perhatian
/ˈʋɑx.tə(n)/, /ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
menunggu
noun
1. ruimte of vertrek voor wachtenden, bijvoorbeeld bij een arts of op een station
ruang tunggu
noun
1. een aantal elementen die in een bepaalde volgorde op een gebeurtenis wachten
antre
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
  1. kata sandi
  2. sandi
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
guk guk
noun
1. plat gebak dat vervaardigd wordt in een wafelijzer
wafel
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
noun
2. een auto
mobil
/ʋa'ɣɔn/
noun
1. een voertuig dat deel uitmaakt van een trein
wagon
/ˈwa.kə(n)/, /ˈʋa.kə(n)/, /ˈβ̞a.kə(n)/
verb
  1. 1. opzettelijk wakker zijn
  2. 4. letten op, beschermen
bergadang
adjective
1. niet in slaap
bangun
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
Wales
/wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
rosmaro
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
  1. paus
  2. ikan paus
/ʋɑnt/
noun
dinding
/ˈʋɑn.də.ˌlar/, /ˈβ̞ɑn.də.ˌlar/
noun
1. iemand die buitenshuis een stuk loopt
pejalan
/ˈʋɑn.də.lə(n)/, /ˈβ̞ɑn.də.lə(n)/
verb
1. een wandeling maken
jalan-jalan
noun
1.
bangsat
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
pipi
/'ʋɑn.χə.drɑx/
noun
1. gedrag dat tegen de regels van het fatsoen ingaat
perilaku menyimpang
/ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
putus asa
verb
putus asa
verb
1. onvast op de voeten staan, dreigen te vallen
terhuyung
/ˈʋɑŋkəɫˌmotɔr/
noun
1. een verbrandingsmotor die niet met heen en weer gaande zuigers werkt, maar met een roterende zuiger.
mesin Wankel
/ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
  1. bila
  2. kapan
/ʋɑnt/
noun
1. handschoen
cempal
verb
1. niet vertrouwen
ketidakpercayaan
/ˈʋaːpən/
noun
  1. 2. een wapenschild
    lambang negara
  2. 1. een werktuig van geweld
    1. senjata
    2. amunisi
noun
1. een korte tekst die de bedoeling van iets weergeeft
motto
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
gencatan senjata
noun
perlombaan senjata
noun
1. een grote winkel die een uitgebreid assortiment aan goederen verkoopt
toko serba ada
/ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
hangat
noun
  1. 2. de hoeveelheid thermische energie.
    kalor
  2. 1. de mate waarin het weer warm is.
    kehangatan
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Warsawa
/ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
  1. lilin
  2. malam
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
rakun
noun
1. Nyctereutes procyonoides, een zoogdier en roofdier uit de familie Canidae
anjing rakun
noun
sterk gespierde buik
roti sobek
/ˈwɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈʋɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈβ̞ɑs.knɛː.pər/
noun
1. een knijper die gemaakt is van hout of plastic om nat wasgoed aan een waslijn te klemmen
jepitan jemuran
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
mesin cuci
noun
1. zeep in een vorm om kleding en ander textiel in water te reinigen
detergen
/'ʋɑsə(n)/
verb
  1. 1. iets schoonmaken
  2. 2. zichzelf schoonmaken
mencuci
noun
1. een plaats waar men kleding en textiel kan (laten) wassen (zonder personeel)
penatu
noun
1. een bak waarin men zich of iets wast
wastafel
/ʋɑt/
interrogativePronoun
vragend voornaamwoord
apa
noun
jambu mawar
noun
1. wetenschap die zich richt op ontwerp en beheer van waterbouwkundige werken
teknik hidrolika
noun
1. Bubalus bubalis, een tot de runderen behorend trekdier...
kerbau
noun
uap air
adjective
1. ondoordringbaar voor water
kedap
/ˈʋaːtərən/
verb
3. waterachtig vocht afscheiden
menangis
noun
filter air
adjective
2. uitziend alsof men tranen in de ogen heeft
berair
noun
1. een dier dat behoort tot een van honderden soorten van de Coenagrionidae
capung
noun
1. apparaat dat een zeer sterke straal water kan produceren
meriam air
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Rorippa
selada air
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
Akuarius
/ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
  1. semangka
  2. mendibai
noun
tanda air
noun
hokah
noun
tumbuhan air
noun
2. goedaardige infectieziekte die gepaard gaat met het verschijnen van rode vlekjes op de huid die daarna overgaan in jeukende blaasjes
cacar
noun
1. een schoepenrad dat draait door de stroming van het water
kincir air
/ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
  1. hidrogen
  2. zat air
noun
ikatan hidrogen
noun
1. een toren die zorgt voor een gelijkmatige waterdruk in het waterleidingnet
menara air
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
air terjun
noun
1.
cat air
/ʋese/
noun
1. toilet
WC
noun
1.
pengembangan web
verb
1. geld wagen op een toekomstige gebeurtenis
bertaruh
/ˈʋeːdyʋə/
noun
vrouw
janda
/'ʋedyʋnar/
noun
man
duda
/ʋeː/
noun
1. pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt
penyusutan
/ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
alat tenun
noun
  1. 1. een dunne geweven stof of textiel
  2. 2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
jaringan
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
neraca
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
  1. minggu
  2. pekan
/'ʋekblɑt/
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
mingguan
noun
moluska
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
akhir
/ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
akhir pekan
/weːr/, /ʋɪːr/, /β̞eːr/
noun
1. atmosferische gesteldheid
cuaca
noun
talunan
noun
2. datgene wat weerkaatst wordt (licht, beeld, warmte of geluid)
cerminan
noun
meteorologi
noun
3. een elektronica-onderdeel
resistor
noun
prakiraan cuaca
noun
prakiraan cuaca
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
manusia serigala
/ʋes/
noun
anak yatim
/ˈʋeshœʏs/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
panti asuhan
/ˈʋesjɔŋə(n)/
noun
1. een jongen van wie beide ouders overleden zijn
anak yatim
/ʋɛχ/, /β̞ɛx/
noun
1. smalle strook grond voor het verkeer
jalan
/ˈʋeχə(n)/, /β̞eɣə(n)/
verb
  1. 1. het gewicht/de massa bepalen
  2. 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
menimbang
noun
peta jalan
/ˈʋeːɣəns/, /ˈʋeːχəns/
preposition
1. een reden inleidend
karena
/ˈwɛ.ɣaːn/, /ˈʋɛ.χan/
verb
  1. 1. zich ergens vandaan begeven
  2. 3. uit een relatie stappen
berangkat
/ʋɛɪ/
noun
2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
air dadih
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
Vistula
noun
padang rumput
verb
1. niet voldoen aan een verzoek of opdracht
menolak
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
penolakan
/'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
padang rumput
pronoun
Republik Weimar
/ˈwɛɪ̯nɪx/, /ˈʋɛɪ̯nəχ/, /ˈβ̞ɛːnəx/
noun
  1. 1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
    sedikit
  2. 2. in een klein aantal
    segelintir
/ˈwe.kə.lɪks/, /ˈʋe.kə.ləks/, /ˈβ̞e.kə.ləks/
adverb
1. elke week
mingguan
/ˈʋɛkər/
noun
1. een apparaat dat gebruikt wordt om de tijd bij te houden en een functie heeft die veel geluid produceert op een ingestelde tijd
beker
adjective
1. financieel goed gesitueerd
berkecukupan
noun
1.
afinitas
/ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
selamat datang
/ʋɛˈlɪxt/
adverb
1. mogelijk, misschien
mungkin
noun
1.
nafsu
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
Wales
noun
1.
negara kesejahteraan
/'wɛlzɛin/
noun
1. wanneer een individu of maatschappij zich in een goede toestand bevindt ...
kesejahteraan
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
Wina
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
alis
/ʋεns/
noun
kehendak
/'ʋɛnsən/
verb
hasrat
/ˈweː.ʁəlt/, /ˈʋɪː.rɔɫt/, /ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
dunia
noun
1. een kaart van het oppervlak van de aarde in de vorm van een bol
bola dunia
noun
1. geheel van activiteiten die de mensheid onderneemt om schaarste op te heffen
ekonomi dunia
/xxxx/
noun
1. uniek en als collectief bezit beschouwd cultureel of natuurlijk erfgoed
Warisan Dunia
pronoun
Organisasi Kesehatan Dunia
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
Organisasi Perdagangan Dunia
adjective
1. betrekking hebbend op deze wereld, in tegenstelling tot met name het hiernamaals of de kerk
sekuler
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
perang dunia
adjective
sedunia
noun
1. elk van de grootste zeeën van de aarde
lautan
/ˈweː.rəld.ˌzwɛr.vər/, /ˈʋɪː.rɔɫt.ˌzʋɛr.vər/, /ˈβ̞eː.rəɫt.ˌzβ̞ɛr.vər/
noun
1. een veelvoorkomende libel die de langst bekende migratieroute heeft van alle insecten
capung ciwet
/ʋɛrk/
noun
  1. 4. dat wat gemaakt is, kunstwerk
    karya
    1. 1. dat wat gedaan moet worden
    2. 2. beroep
    3. 3. de plek waar men werkt, werkplek
    pekerjaan
noun
1.
bilah alat
noun
1. werkbank
meja kerja
/'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
kenyataan
/ʋɛrkən/
verb
1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
bekerja
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
majikan
/wɛrkˈloshɛit/
noun
  1. 1. het werkloos zijn
  2. 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
pengangguran
noun
angka pengangguran
noun
asuransi pengangguran
noun
1.
penganggur
noun
1.
bahasa kerja
noun
1. een stuk gereedschap om een taak eenvoudiger en/of lichter te maken
alat
noun
mekanik
noun
1. het resultaat van in stukken knippen van een taak of proces en het distribueren van die taken over...
pembagian kerja
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
  1. kata kerja
  2. verba
verb
1. met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
lempar
noun
1. bot van de wervelkolom
tulang punggung
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
tawon
pronoun
Afrika Barat
pronoun
1.
Berlin Barat
pronoun
Jerman Barat
pronoun
1. het westelijk deel van Europa
Eropa Barat
pronoun
Sahara Barat
/ˈʋɛs.tə(n)/
noun
barat
/wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
hukum
phraseologicalUnit
hukum Murphy
/ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
tahu
/'ʋetənsxɑp/
noun
2. georganiseerde activiteit
ilmu
/,ʋetən'sxapələk/
adjective
ilmiah
/ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
ilmuwan
noun
1. het geheel aan wetten die in een land gelden
legislasi
noun
1. door de regering uitgaand voorstel tot wet
rancangan undang-undang
/ˈweː.və(n)/, /ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
menenun
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
cerpelai
/ˈʋeː.zə(n)/
noun
1. individu
makhluk
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
wiski
/wiː/, /ʋiː/, /β̞iː/
relativePronoun
1. vragend voornaamwoord
siapa
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
buaian
noun
1. ronddraaiende schijf
roda
noun
gembok roda
noun
1. in water voorkomende vaatloze, plantachtige organismen
alga
/ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
  1. dupa
  2. kemenyan
noun
1. een metalen of houten voorwerp in de vorm van een driehoekig blok met een scherpe hoek van 5 to 20 graden
baji
/wɛɪ̯/, /ʋɛɪ̯/, /β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
  1. kita
  2. kami
/ˈʋixə(n)/
pronoun
Wijchen
/wɛɪ̯d/, /ʋɛɪ̯t/, /β̞ɛːt/
adjective
lebar
noun
1.
konsekrasi
/wɛɪ̯n/, /ʋɛɪ̯n/, /β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
  1. anggur
  2. minum
adjective
merah anggur
/wɛɪ̯s/, /ʋɛɪ̯s/, /β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
bijak
noun
1. de oudste wetenschap
filsafat
noun
1. gerijpt inzicht
kebijaksanaan
noun
1. achterste kies van iedere kaakhelft van het volwassen gebit van een mens
gigi bungsu
noun
1. tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
jari telunjuk
noun
1. gewijd water
air suci
verb
menunjuk
noun
1. een constructiesysteem voor internetpagina's waar, in het algemeen, iedereen alle pagina's kan wijzigen
wiki
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Wikipedia
noun
1. een gebruiker op Wikipedia
Wikipediawan
verb
1. draaiend iets buigzaams rond een voorwerp aanbrengen
angin
/ˈwikʃoˌnɛri/, /ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
KamusWiki
/ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
hendak
adjective
3. onbeschaafd, bruusk
jalangmarga
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
celeng
noun
1. (onevenhoevigen) Equus africanus
keledai-liar
noun
1.
tomboi
noun
1. een bosachtig gebied dat weinig door de mens geregeld is
alam bebas
noun
1. Salix sp.
dedalu
adjective
apa saja
/ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
  1. mau
  2. menginginkan
noun
bulu mata
/ʋɪnt/
noun
  1. 1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
    angin
  2. 2. gasvormige ontlasting uit de darmen
    kantut
/ˈʋɪndə(n)/
verb
1. een draad of kabel draaiend op een as of klos aanbrengen
angin
noun
1. molen die door de wind gedreven wordt
kincir angin
noun
1. een gebied waar windenergie gewonnen wordt met behulp van een aantal molens
ladang angin
noun
1. een groep bij elkaar geplaatste windturbines
ladang angin
noun
mawar kompas
noun
1. ronde open zak, meestal is de zak in het rood en wit, die de richting en de sterkte van de wind aangeeft
kaos kaki angin
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
toko
noun
1. gebied of overdekte galerij waar meerdere winkels en horecazaken zijn gevestigd
pusat perbelanjaan
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Norma
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
pemenang
/ˈwɪnə(n)/, /ˈʋɪnə(n)/, /ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
  1. 1. als beste partij uit een wedstrijd komen
  2. 2. iets verkrijgen voor een goede prestatie bij een wedstrijd
menang
/ʋɪnst/
noun
1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde
faedah
/ʋɪntər/
noun
1. seizoen
musim dingin
noun
1. een toestand van hypothermie en inactiviteit bij sommige warmbloedige dieren in de winter
hibernasi
/ˈwɪpstul/
noun
1. zetel waarin je comfortabel voor- en achterover kunt schommelen
kursi goyang
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
bison
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
matematika
noun
matematikawan
adjective
licik
/ʋɪsəl/
noun
  1. 1. speciale constructie in een spoorweg om een voertuig naar een ander spoor te leiden
  2. 2. handelspapier voor de overdracht van geld
wesel
noun
uang kembalian
noun
wisselkoers
kurs
noun
1. wisselstroom
arus bolak-balik
/ʋɪt/
adverb
1. kleur
putih
/ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
putih
/wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
Belarus
/ˌwɪtˈrʏsɪs/, /ˌʋɪtˈrʏsis/, /ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
  1. Belo Rusia
  2. Belorusia
noun
1. een document dat beschrijft hoe overheidsbeleid, een technologie, en/of product een specifiek probleem oplost
buku putih
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
Kamis Putih
pronoun
Gedung Putih
noun
1. zangvogel (Motacilla alba)
kicuit putih
pronoun
Laut Putih
noun
kejahatan kelas atas
noun
1. en 2. (bladeren van) sluitkoolgewas dat lichtgroen tot wit van kleur is
kubis
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
vodka
/ˈʋudə/
noun
1. een gevoel van erge kwaadheid
amarah
verb
1. met veel geweld gaande zijn van een natuurverschijnsel
amuk
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
guk guk
noun
1. iemand die woeker drijft
rentenir
noun
riba
noun
1. klein, gravend, muisachtig knaagdier met stompe snuit
tikus padang
/ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
  1. Rabu
  2. rabu
noun
1.mannetjeseend
bebek
adjective
1. onbebouwd, braakliggend
jalangmarga
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
gurun
noun
1. ronde pan die wordt gebruikt in de oosterse keuken, vooral om te roerbakken
wajan
/ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
wol
/wɔlf/, /ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
serigala
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
wolfram
noun
1. sporenplant van het geslacht Lycopodium
paku kawat
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
  1. awan
  2. mega
/ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
pencakar langit
pronoun
1.
Volhinia
noun
wombat
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
keajaiban
/ˈwo.nə(n)/, /ˈʋo.nə(n)/, /ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
tinggal
noun
domisili
/ʋoːrt/, /ˈʋʊːrt/, /ˈβoːrd/, /ˈβoːrt/
noun
  1. 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
  2. 2. belofte
  3. 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
  4. 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
kata
/ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
kamus
/ˈʋɔːrdə(n)ˌlɛɪst/
noun
1. een lijst bestaande uit woorden
kosakata
noun
kosa kata
noun
pilihan kata
noun
1. categorie waarin bepaalde woorden naar gelang het grammaticale gebruik in onderverdeeld worden
kelas kata
noun
1. volgorde van woorden in een zin
urutan kata
/ˈwɔrdə(n)/, /ˈʋɔrdə(n)/, /ˈβ̞ɔrdə(n)/
verb
  1. jadi
  2. 2. gaan zijn, zich ontwikkelen tot
    menjadi
verb
1. doden door het dichtknijpen van de hals
mencekik
/ʋɔrm/
noun
1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
cacing
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
sosis
verb
bergulat
/ˈʋɔrtəl/
noun
    1. 2. Ondergronds gedeelte van een plant
    2. 3. Getal
    3. 4. Woord
    akar
  1. 1. Groente peen
    wortel
/'wɔrtəlstɔk/
noun
1.
rimpang
/ʋʌːt/, /ʋʌːut/
noun
1. groot bos
hutan
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
dendam
noun
1. knobbeltje
kutil
verb
1. handeling
gosok
noun
gesekan
noun
kegetiran
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
gajahan erasia
verb
1. iets of iemand vermoorden door het dichtknijpen van de keel
mencekik
pronoun
1. West-Germaanse taal die in het de Poolse plaats Wilamowice wordt gesproken
Wimisoris
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Wüstenrot
/ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
xenofobia
/ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
xenon
/ksiˈlem/
noun
1.
xilem
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
xilofon
/ˌksiloɣraˈfi/
noun
  1. 1. houtsnijkunst
  2. 2. houtsnede of houtgravure
silografi
noun
1. een tropisch voedselgewas
ubi
noun
  1. 1. een Angelsaksische lengtemaat (3 voet is 0,9144 m)
  2. 2. een Engelse vlaktemaat (12,14 ha)
yard
noun
1. de munteenheid van Japan
yen
/ˈjeti/
noun
1. een legendarisch monster met de bijnaam 'de verschrikkelijke sneeuwman' die voor zou komen in de Himalaya
yeti
/ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
yoga
/ˈjɔxərt/, /ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
yoghurt
noun
1.
itrium
noun
1. een ronde nomadentent
yurto
/zaːt/
noun
1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
biji
/zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
gergaji
/'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
serbuk gergaji
verb
1. zaad strooien
tabur
pronoun
2. boek in de Bijbel
Zakharia
adverb
1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
lembut
/ˈzɑxjəs/, /ˈzɑxtjəs/, /ˈzɑχcjəs/
adverb
1. stilletjes, met een laag geluidniveau
pelan
noun
zitplaats op dier of fiets
pelana
/[ˈzɑː.greb]/
pronoun
1. hoofdstad van Kroatië
Zagreb
noun
2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
  1. saku
  2. kantong
/ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
saputangan
/zaːkən/
noun
2. commerciële activiteiten
bisnis
/'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
pengusaha
noun
uang jajan
noun
1. iemand die ongemerkt waardevolle zaken steelt
copet
noun
1. lamp op zakformaat
senter
noun
smeerbare massa om op de huid aan te brengen
balsem
/zɑlm/, /zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
salmon
/'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
Zambia
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
pasir
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
bak pasir
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
jam pasir
noun
batu pasir
noun
een harde, droge wind die boven een woestijngebied een grote hoeveelheid zand en stof doet opwaaien
badai pasir
noun
menyanyi
/ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
penyanyi
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
  1. Sabtu
  2. hari sabtu
  3. sabtu
personalPronoun
2. clitische vorm van zij (derde persoon meervoud)
mereka
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
zebra
noun
1. een patroon van witte strepen aangebracht op het wegdek ter aanduiding van een beschermde voetgangersoversteekplaats
penyeberangan pejalan kaki
noun
etika
/ze/, /zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
laut
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
landak laut
noun
1. smalle doorgang tussen twee zeeën
selat
noun
1. gevarieerde vismaaltijd
boga bahari
noun
1. het grondvlak van een zee
dasar laut
noun
1. bepaald soort grote zeevis, Lophius piscatorius
ikan pemancing
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
saringan
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
anjing laut
noun
1. benaming voor op de op komkommers lijkende zeedieren uit de klasse Holothuroidea
teripang
noun
1. in zee levende kreeft
lobster
noun
1. neteldier in de vorm waarin het vrij in het water zwemt
ubur-ubur
/ˈzelɑnt/, /ˈzeːlɑnd/, /ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
Zeeland
noun
angkatan laut
noun
kelasi
noun
1. mythisch zeewezen
putri duyung
noun
1. afstandsmaat, in gebruik op zee, 1852m
mil laut
noun
1. rob uit het geslacht Mirounga
gajah laut
/ˈzeʔɔtər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Enhydra lutris
berang-berang laut
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
sabun
/ˈzepaːrtʲə/
noun
2. benaming voor zeevisjes waarvan de kop op een paardenkop lijkt en die rechtopstaand zwemmen, uit het geslacht Hippocampus
kuda laut
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
bintang laut
/ˈzeˌvoχɔɫ/, /ˈzeːˌvoːɣəl/
noun
1. een vogel die vooral in de directe omgeving van de zee leeft
burung laut
/ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
air laut
noun
1. in zee levend wier
rumput laut
noun
1.
kemenangan
/ˈzexəl/
noun
1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
lambang
/ˈzeːɣə(n)/, /ˈzeːχə(n)/
noun
1. verlening van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand
anugerah
verb
1. de zegen geven
berkat
verb
1. mededelen
berkata
noun
1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
layar
noun
1. een boot waarmee gezeild kan worden
kapal layar
/ˈzɛɪlə(n)/
verb
2. zich in een zeilboot met behulp van de wind over het water voortbewegen
berlayar
noun
1. een schip waarmee gezeild kan worden
kapal layar
noun
batu magnet
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
salah
/ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
merasa pasti
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
sekring
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
jarang
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
langka
noun
1. Het zich benemen van het leven
bunuh diri
noun
1.
penilaian diri
/ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
bunuh diri
adverb
bahkan
adjective
1. op zichzelf staand
merdeka
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
kata benda
noun
kemerdekaan
noun
1. verdediging van zichzelf
pertahanan diri
noun
1.
perawatan diri
/zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
zenith
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
saraf
/ˈze.ny.sɛl/, /ˈze.nyʊ̯.sɛɫ/, /ˈzeː.nyʊ̯.sɛl/
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
neuron
noun
1. het gehele zenuwsysteem
sistem saraf
noun
1. het getal 6
enam
/ˈzɛs.də/, /ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
keenam
cardinalNumeral
1. het getal 26
dua puluh enam
/zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
segi enam
cardinalNumeral
1. het getal 16
enam belas
cardinalNumeral
1. het getal 60
enam puluh
ordinalAdjective
keenampuluh
noun
amilum
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
babi betina
/ˈsʏː.rə(n)/, /ˈzøː.rə(n)/
verb
1. veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
merengek
/zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
Zeus
/ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
tujuh
/ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
ketujuh
/ˈzøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 27
dua puluh tujuh
noun
segi tujuh
/ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
tujuh belas
/ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
tujuh puluh
noun
1. wat gezien kan worden
pandangan
adjective
1. lichamelijke toestand
sakit
/ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
rumah sakit
noun
penyakit
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
penyakit Parkinson
/zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
jiwa
noun
psikologi
verb
1. waarnemen met het oog
  1. lihat
  2. pandang
  3. saksi
  4. tonton
/sɛɪ̯/, /zɛɪ̯/, /zɛː/
personalPronoun
  1. 1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
    dia
  2. 2. 3e persoon meervoud
    mereka
noun
1. de larve van de zijdevlinder
ulat sutra
verb
    1. 1. bestaan
    2. 3. zich bevinden.
    1. ada
    2. adalah
  1. 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
    adalah
    1. 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
    2. 5. gelijk zijn aan.
    3. 6. tot de groep behoren van
    4. 7. de eigenschap hebben.
    1. adalah
    2. ada
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
anak sungai
noun
perak
phraseologicalUnit
medali perak
noun
1.1 bepaald soort insect Lepisma saccharina
gegat
/'zɪlvərvlisrɛist/
noun
rijst waarvan de zemelen en de kiem niet verwijderd zijn
beras merah
/zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
Zimbabwe
noun
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
kalimat
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
bernyanyi
noun
1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
seng
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
menenggelamkan
noun
1.syntactische eenheid binnen een zin
frase
/ˈzɪntœx/, /ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
indra
/zɪr'koːn/
noun
1. een mineraal
zirkon
/'zɪtbɑŋk/
noun
1.
bangku
/ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
duduk
/zɪtɪŋ/
noun
4. ~ nemen in ergens toe toetreden
duduk
/'zodiɑk/
noun
1.
rasi
verb
1. proberen te vinden
  1. mencari
  2. serchar
  3. cari
noun
1. een instrument waarmee men informatie kan zoeken in een bepaalde collectie...
mesin pencari
noun
1. programmatuur die een zoekopdracht kan verwerken
mesin pencari
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
Zulu
verb
1. een vrij zacht continu geluid voortbrengen dat op de z-klank lijkt
berdenging
noun
1. het met de lippen aanraken van een persoon of een voorwerp
ciuman
verb
1. met de mond liefkozen
mengecup
/ˈzut/
adjective
1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
manis
noun
1.
air tawar
noun
1. een zetmeel houdende knol behorend tot dezelfde orde van planten als de aardappel
ubi
/ˈzuthʌʊt/
noun
1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
akar manis
noun
2. zoetstof zonder suiker
pengganti gula
noun
zoetwater
air tawar
adjective
asam manis
/ˈzoːɣ.ə(n)/
verb
1. moedermelk geven
  1. menyusui
  2. susu
/ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
loteng
noun
1. bovenkant van een ruimte in een gebouw
langit-langit
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
zombi
noun
  1. musim panas
  2. musim kemarau
noun
1. regeling waarbij de klok gedurende de lente- en zomermaanden een uur vooruit wordt gezet
waktu musim panas
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
  1. matahari
  2. surya
  3. mentari
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
  1. Minggu
  2. Ahad
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
dosa
noun
  1. 1.
  2. 2.
kambing hitam
preposition
1. In afwezigheid van
tanpa
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
air bah
/ˈzoːnə/
noun
1. bepaald gebied dat is afgebakend van aangrenzend gebied
kawasan
noun
1. de zichtbare elektromagnetische straling van de ster waarrond onze aarde draait
sinar matahari
/'zɔnəʔenɛr'ɣi/
noun
1. energie die gewonnen wordt uit de straling van de zon
energi surya
/ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
  1. bunga Matahari
  2. bunga matahari
noun
1.
minyak biji bunga matahari
noun
1. substantie tegen verbranding van de huid
tabir surya
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
kacamata hitam
noun
sel surya
/ˈzɔnəpɑˌnel/, /ˈzɔnəpɑˌnɪːɫ/
noun
1. een paneel dat stralingsenergie van de zon omzet in elektriciteit
panel surya
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
bintik matahari
noun
jam matahari
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
angin matahari
adjective
1. zonovergoten, met zonneschijn
cerah
/zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
matahari terbenam
noun
1. het opkomen van de zon
fajar
/ˈzɔnsvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈzɔnsvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
gerhana matahari
/ˈzox.diːr/, /ˈzoːɣ.diːr/, /ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
  1. hewan menyusui
  2. mamalia
noun
  1. 1. onderkant van de voet
  2. 3. onderkant van een schaaf
sol
/zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
anak laki-laki
noun
2. verpleging, voorzien in een behoefte
acuh
/zɑu̯t/
adjective
1. zout bevattend of zout smakend
asin
/zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
garam
verb
1. met zout conserveren
menggarami
noun
1. een oplossing
asam klorida
/ˈzo.zo/
adjective
biasa saja
noun
zoogeografi
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologi
/zœʏ̯t/, /zœːd/, /zœːt/
adverb
selatan
/zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /zœː'.dɑ.fri.ka/, /zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
Afrika Selatan
/ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
Amerika Selatan
pronoun
1. is een randzee van de Grote Oceaan en ligt ten zuiden van China
Laut Natuna Utara
/zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
Holland Selatan
/ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
Korea Selatan
/ˈzœy̯.də(n)/
noun
selatan
pronoun
1. grootste eiland van Nieuw-Zeeland
Pulau Selatan
adverb
tenggara
pronoun
1. Noordpool
Kutub Selatan
/ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
  1. 1. (met de mond) naar zich toe trekken
    isap
  2. 2. de moedermelk in zich opnemen
    menyusu
noun
piston
/ˈzʏ.lə(n)/
verb
akan
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
kakak perempuan
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
  1. saudara perempuan
  2. kakak perempuan
  3. adik perempuan
/zyːr/
adjective
1. een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
asam
/zyːr/
noun
1. zure vloeistof
asam
/ˈzyrɣrat/
noun
1. de mate waarin iets zuur is, gewoonlijk gemeten als de negatieve logaritme (-log) van de concentratie waterstofionen
keasaman
/ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
  1. oksigen
  2. zat asam
  3. zat pembakar
noun
1. snoep in de vorm van een gekleurde staaf met een zoetzure smaak
permen tongkat
noun
1. plant
buah sirsak
verb
  1. 1. begroeten door met de hand heen en weer te bewegen
  2. 4. krachtig heen en weer bewegen
ayun
/zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
angsa
adjective
van groot gewicht
berat
noun
1. water waarin de waterstofatomen vervangen zijn door de waterstofisotoop deuterium
air berat
noun
1. een lang, scherp wapen
pedang
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
todak
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
paus pembunuh
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
gravitasi
/ˈzwɑxtəl/
noun
barut
/ˈzʋa.ɣər/
noun
ipar
/zʋɑk/
adjective
lemah
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
hamil
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
kehamilan
noun
2. produkt dat via de urine tekenen van een zwangerschap onthult
uji kehamilan
noun
1. bepaald verlof voor werkende vrouwen
cuti hamil
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
hitam
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
lubang hitam
noun
  1. 1. systeem, apparaat of voorwerp waarvan bekend is wat het doet maar niet hoe het werkt
  2. 2. crashbestendig apparaat met vluchtgegevens
kotak hitam
phraseologicalUnit
pasar gelap
noun
badak hitam
pronoun
1. gebergte in het zuidwesten van Duitsland
Hutan Hitam
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
Laut Hitam
/zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
belerang
adjective
kuning belerang
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
asam sulfat
/ˈzweːdə(n)/, /ˈzʋedə(n)/, /ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
Swedia
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
bahasa Swedia
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
layang
noun
1. een handwapen in de vorm van een lang ineengedraaid stuk leer dat met een zwiepende beweging pijnlijke slagen uit kan delen
cambuk
noun
1.
borok
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
keringat
verb
1. in volume toenemen
  1. membengkak
  2. bengkak
/ˈzwɛmbɑd/, /ˈzʋɛmbɑt/, /ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
kolam renang
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
pakaian renang
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
  1. berenang
  2. renang
noun
kaki atlet
/'zʋɪːrə(n)/
verb
1. met een eed bekrachtigen
bersumpah
noun
pengembara
/'zʋetə(n)/
verb
1. transpireren
berkeringat
verb
berlayar
verb
1. ervan afzien te spreken
diam
noun
1. een varken
babi
/ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
kandang babi
/ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
Swis
pronoun
Zwolle
noun
zigot
pronoun
Zürich
pronoun
1. een groep eilanden in de Oostzee die tot Finland behoren, maar geheel Zweedstalig zijn
Kepulauan Åland
/eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
satu