/ˌsxraːvə(n)ˈɦaːɣə/, /ˌsχravə(n)ˈɦaχə/
pronoun
1. een stad en gemeente in de Nederlandse provincie [[Zuid-Holland]]
デン・ハーグ
noun
(informatica) een apparaat dat driedimensionale objecten kan maken door laagje voor laagje materiaal aan te brengen
3Dプリンター
/aka'pɛla/
adverb
1. zonder instrumentale begeleiding
アカペラ
abbreviation
  1. 1. het akkoord a-c-e
  2. 2. de toonsoort
イ短調
abbreviation
  1. 1. het akkoord a-c-e
  2. 2. de toonsoort
イ短調
pronoun
1. dorp in Almelo
アードルプ
verb
1. zachtjes strelen
撫でる
noun
  1. 3. paling
  2. 4. kleine en jonge paling
  1. 鰻
  2. うなぎ
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
アーレン
noun
1.bepaald soort plant, Artemisia absinthium
ニガヨモギ
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalacrocorax
鵜
noun
金床
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
痔
adjective
1. (predicatief) actief, in bedrijf
に
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
鉄床
noun
1. een eerste betaling bij het kopen van iets op afbetaling of in termijnen
頭金
verb
Nog na te kijken vertalingen
すすめる
noun
勧告
noun
1. een brief waarin men iets of iemand aanbeveelt
推薦状
verb
提供する
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
  1. 注意
  2. chuui
  3. ちゅうい
adverb
1. met belangstelling, met aandacht, met interesse
注意深い
noun
1. waardepapier
  1. 株式
  2. 株
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
株主
noun
1. de handel in aandelen in het algemeen
株式市場
verb
2. iets proberen te verkrijgen
急き立てる
adjective
1. bij de geboorte verkregen eigenschappen
先天的
verb
2. aanduiden
自慢する
noun
顔
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
  1. ため
  2. によって
  3. により
noun
1. leesteken om geciteerde woorden van die van de auteur te onderscheiden
引用符
noun
2. rijdend object dat achter de auto gehangen kan worden voor het vervoeren van goederen.
弟子
verb
  1. 1. staande houden
  2. 2. arresteren
止める
noun
逮捕
verb
1. een bestemming bereiken
着く
verb
  1. 1. bekendmaken
  2. 2. voorspellen
予告する
noun
3. talent
才能
noun
1. datgene wat iets tot gevolg heeft
契機
verb
1. een bepaalde substantie produceren
作る
adjective
厚かましい
verb
  1. 1. zich opgeven
  2. 2. zich bekend maken met gebruikersnaam en wachtwoord
申し込む
noun
1. het inspreken van moed
激励
noun
1. manier van aanpakken
アプローチ
/ˈaːmpɑsə(n)/
verb
1. aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken
適応
noun
2. het zich aanpassen
適応
/ˈanrakˌsxɛrm/, /ˈanrakˌsχɛrm/
noun
1. een beeldscherm dat ook als invoerapparaat voor een computer kan worden gebruikt door het scherm aan te raken.
タッチパネル
verb
1. fysiek contact maken met iets
  1. 触る
  2. 触れる
  3. 接触する
verb
1. fysiek aanvallen
突撃
noun
  1. 1. aanvaller
  2. 2. een persoon, in de regel van het mannelijke geslacht die iemand anders aanvalt om seksuele redenen
加害者
noun
3. een fysieke aanval op iemand met als doel seksuele handelingen af te dwingen
性的暴行
verb
1. kopen
買う
noun
4. terroristische aanval
暗殺
noun
1. het recht om het bezit of genot van iets te vorderen
権利
noun
借金
noun
1. apparaatje om vuur te maken
ライター
noun
1. benoeming in een functie, dienst etc.
任命
verb
1. veroorzaken
煽動する
noun
扇動者
noun
1. een telbare hoeveelheid
数
noun
ノート
adjective
1. bekoorlijk
見目好い
verb
  1. 1. dankzij een kracht objecten naar zich toe doen bewegen
    引きつける
    1. 3. kleding aandoen
    2. 4. een opwaartse trend, een stijgende lijn vertonen
    掛ける
adjective
1. te aanvaarden
受け入れやすい
verb
2. accepteren, in bezit ontvangen
受け入れる
noun
承諾
noun
1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven
攻撃
verb
攻撃
noun
開始
verb
1. beginnen, starten
始まる
adverb
1. in het begin
始め
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
提出
noun
1. een papieren of elektronisch blad waarin men de benodigde informatie dient in te vullen voor het aanvragen ergens van
申込書
adjective
1. die of dat aanvult
補足
adjective
出席
noun
    1. 1. het aanwijzen
    2. 2. vingerwijzing
    指摘
  1. 3. inlichting of voorschrift over hoe men moet handelen
    指示
adjective
1. voornáám, groot
かなり
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
  1. 猿
  2. 類人猿
noun
  1. 1. bloeiwijze van granen
  2. 2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
穂
/aːrt/
noun
1. wezen, natuur, karakter
性格
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
  1. じゃがいも
  2. 馬鈴薯
/ˈardɑˌpəɫpyˈre/
noun
1. een puree van zeer fijn gemaakte, met melk aangemengde aardappels
マッシュポテト
noun
1. een salade die gemaakt wordt uit aardappelen
ポテトサラダ
/\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
  1. 苺
  2. イチゴ
noun
1. bepaald soort plant, Trifolium fragiferum
ツメクサダマシ
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
地震
/ˈardə/
pronoun
地球
/ˈardə/
noun
2. grond
  1. 土
  2. 地
noun
土器
/artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
天然ガス
/ˈar.dəx/, /ˈar.dəχ/, /ˈaːr.dɪx/
adjective
1. aangenaam in omgang
  1. 友好的な
  2. 気さくな
/ˈart.kɔrst/
noun
1. het buitenste gedeelte van de planeet Aarde
地殻
noun
地質学
noun
1. Microtus agrestus, een zoogdier uit de orde van knaagdieren
キタハタネズミ
noun
石油
/ˈartpɪːr/
noun
bepaald soort zonnebloem, Helianthus tuberosus
キクイモ
/ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
地理学
adjective
1. betrekking hebbende op de aarde, tot de aarde behorend
地上
/ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
ツチブタ
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
地滑り
noun
蚯蚓
pronoun
1. een Waalse provinciehoofdstad
アルロン
noun
1. en 2. (blaadjes van) de plant Mentha spicata
スペアミント
noun
1. bepaald soort parasitaire, maar onschadelijke rondworm van ca. 5–10 mm lengte, Enterobius vermicularis
蟯虫
prefix
大
/ˈaːrzbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
大主教
noun
1. een hemelgeest in een rang boven een engel
大天使
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
大公
/'artsvɛɪɑnd/
noun
仇敵
/ˈarzələ(n)/
verb
1. onzeker zijn, twijfelen
ためらう
noun
1. onzekerheid, twijfel, weifel
ためらい
noun
1. speelkaart
エース
/'as.xir/
noun
1. bepaald soort roofvogel, Neophron percnopterus
エジプトハゲワシ
/ˈɑbɑkʏs/
noun
  1. 1. raam met staven
  2. 2. dekplaat van een kapiteel
頂板
pronoun
1. West-Kaukasische taal gesproken in Rusland en Turkije
アバザ語
noun
1. een ophoping van pus in het lichaam, daarbij een onnatuurlijke holte vormend
膿瘍
/ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
  1. アブハズ語
  2. アブハジア語
noun
退位
/ɑbˈdɛɪ̯/, /ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
  1. 修道院
  2. shuudouin
  3. しゅうどういん
/ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
尼僧院長
noun
御中
pronoun
アビシニア
/ˌɑb.la.ˈtif/, /ˌɑb.la.ˈtiːf/
noun
1. de zesde naamval die onder meer de instantie aangeeft waarvan iets uitgaat of vertrekt
奪格
/ˈɑb.laut/, /ˈɑp.lɔut/, /ˈɑp.lʌut/
noun
1. regelmatige, grammaticaal bepaalde klinkerwisseling
母音交替
adverb
1. ongewoon
不自然
noun
サブスク
/ɑbɔ'nerə(n)/
verb
1. een abonnement aangaan
購読
/ɑ'bɔrtəs/
noun
中絶
noun
  1. 杏子
  2. アンズ
pronoun
アブルッツォ州
noun
1. de afstand tot de opstaande as van een coördinatenstelsel
横軸
/ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
アブサン
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
ニガヨモギ
noun
1. grootte van een reëel getal of lengte van een andere grootheid
絶対値
/ɑpso'lyt/
adjective
  1. 1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
  2. 2. volledig, volkomen
  3. 3. beslist, zeker
  4. 4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
無条件
/ɑpsɔr'berə(n)/
verb
吸う
noun
吸収
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
アプシュタット
noun
1. een persoon die zich onthoudt
禁酒家
/ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
愚か
/ɑb/, /ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
修道院長
noun
アカデメイア
/ɑkɑ'demis/
adjective
プラトン学派
noun
アカンサス
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van mijten en teken
ダニ学
noun
1. toename van de snelheid
加速度
noun
  1. 1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
  2. 2. een teken dat op een klinker kan worden geplaatst
強調
noun
  1. 1. voorzieningen ten behoeve van ...
  2. 2. aanpassing
調整
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
アコーディオン
noun
1.
降着
noun
1. een toestel om elektriciteit op te slaan
アキュムレータ
noun
1. ophoping van stoffen
  1. chikuseki
  2. ちくせき
  3. 蓄積
/ˌɑkusaˈtif/, /ˌɑkyzaˈtiːf/
noun
1. naamval voor het lijdend voorwerp
対格
noun
1. bepaald soort plant, Malpighia emarginata
アセロラ
noun
1. een ester of zout afgeleid van azijnzuur
アセテート
noun
1. kleurloze, vluchtige, sterk riekende vloeistof die als oplosmiddel wordt gebruikt met als chemische formule: C₃H₆O
アセトン
/ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
アセチルコリン
/ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
アセチレン
/xxxx/
noun
1.
アセチルサリチル酸
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
  1. アキレウス
  2. アキレス
noun
1. kwetsbare plaats
アキレス腱
cardinalNumeral
1. het getal 8
  1. 八
  2. 八つ
/ˈɑxtbaːn/
noun
1. een attractie met een karretje dat over een baan met bochten, stijgingen en dalingen rijdt
  1. ジェットコースター
  2. ローラーコースター
cardinalNumeral
1. het getal 38
三十八
cardinalNumeral
1. het getal 88
八十八
cardinalNumeral
1. het getal 28
二十八
cardinalNumeral
1. het getal 48
四十八
cardinalNumeral
1. het getal 58
五十八
cardinalNumeral
1. het getal 68
六十八
preposition
後ろ
adverb
1. in de laatste of een van de laatste posities in een rangschikking, op een verder weg liggende plaats
後ろ
noun
1. de bank in het achterste deel van een voertuig
バックシート
noun
1. de indirecte oorzaak van actualiteiten
背景
/ˈɑxtərkɑnt/
noun
後ろ
/ˈɑxtərklɛɪŋkɪnt/
noun
1. het kind van iemands kleinkind
曾孫
/ˈɑxtərklɛɪ̯nzon/
noun
1. de zoon van iemands kleinkind
曾孫
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
残す
noun
1. lamp(en) aan de achterkant van een voertuig
テールライト
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
姓
noun
後ろ
noun
1. een spiegel aan een auto of motorfiets waarmee men de situatie op de weg achter zich kan zien
バックミラー
/'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
  1. 接尾辞
  2. setsubiji
  3. せつびじ
verb
1. iemand inhalen
追跡
noun
追求
noun
1. een vorm met acht hoeken
八角形
/ˈɑxtˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 800
八百
suffix
ぽい
noun
八番目
noun
1.
八分音符
noun
1.
八分休符
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
十八
ordinalAdjective
十八番目
noun
アシドーシス
noun
面皰
pronoun
1. braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noord van het land. Hoofdstad is Rio Branco
アクレ州
noun
頭字語
noun
アクリルアミド
/ɑkˈtør/
noun
1. persoon
俳優
noun
アクション
adjective
1. met iets bezig zijnde
活発
noun
アクション映画
noun
1. Scheikundig element
アクチニウム
noun
1. in geld uitgedrukte waarde van de bezittingen van een onderneming
資産
noun
1. iets waarmee men actief is
活動
noun
1. vrouw
  1. 女優
  2. joyuu
  3. じょゆう
noun
アクチュアリー
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
針
/aˈkyt/
adjective
1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend
急性
pronoun
アダム
/ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
喉頭隆起
noun
アダプタ
noun
  1. 1. gifslang
  2. 2. persoon
毒蛇
noun
1. bevoorrechte groep personen
貴族
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
  1. 鷲
  2. わし
  3. washi
noun
ワラビ
/adəm/
noun
息
/ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
呼吸する
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
呼吸
noun
1. het systeem van luchtopname via de neus of mondholte, door de luchtpijp (trachea) met zijn vertakkingen naar de longen waardoor een organisme van zuurstof wordt voorzien
呼吸器系
noun
1. virus dat verkoudheden veroorzaakt
アデノウイルス
/a.de.'kʋat/
adverb
1. correct en passend bij het beoogde doel
好適な
noun
1. bloedvat met zuurstofarm bloed
静脈
/ɑtˈhezi/
noun
  1. 1. een vergroeiing van organen
  2. 2. onderlinge aantrekkingskracht tussen ongelijke moleculen zonder dat er sprake is van een chemische binding
接着力
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
  1. 形容詞
  2. 形容動詞
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
  1. 形容詞
  2. 形容動詞
/ˌɑtminɪsˈtrasi/, /ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
3. bestuur
管理
noun
管理者
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
提督
noun
1. de reciproke complexe impedantie
アドミタンス
noun
1. jeugdig persoon, puber
少年
pronoun
アドルフ
verb
1. een kind aannemen
養子にする
noun
養子縁組
/aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
住所
noun
1. een boek met alfabetisch en/of systematisch geordende adressen
アドレス帳
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
アドリア海
noun
1. een fenomeen dat optreedt aan het grensvlak van twee fasen, waarbij moleculen of atomen zich aan dit grensvlak hechten
吸着
/a.ˈdu.ki.ˌbon/
noun
1. bepaald soort kleine, rode sojaboon, Phaseolus angularis
アズキ
/ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis    2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
アドベント
noun
広告主
noun
1. een aankondiging in een krant, reclameblad, tijdschrift ...
CM
noun
1. een gegeven raad
助言
noun
1. pleiter, verdediger in rechtszaken
  1. 弁護士
  2. 法曹
/eˈɛːa/
pronoun
1. mytisch eiland
アイアイエー島
noun
空気力学
adjective
1.
好気性
/ˌæːroˈzol/, /ˌɛːroˈzɔɫ/
noun
2. scheikunde
エアロゾル
adverb
1. op onregelmatige tijden
偶に
noun
1. het onvermogen te spreken
失語症
noun
下山
noun
1.
お下がり
verb
1. door onderhandelen een prijs omlaag zien te krijgen
値切る
verb
1. het juiste pad kwijt raken
横道にそれる
noun
1. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
接辞
/ˌɑfriˈkat/
noun
1. een combinatie van twee medeklinkers, waarvan de eerste een plosief...
破擦音
noun
砲車
noun
1. iemand die als officiële vertegenwoordiger naar een andere partij gestuurd wordt
使者
/ɑf.ˈxans/, /ɑf.ˈχans/, /ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
アフガニスタン
/ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
  1. アフガニスタン
  2. アフガン
/ˈɑfxrɔnt/, /ˈɑfχrɔnt/, /ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
深淵
/ˈɑfxɵnst/, /ˈɑfxʏnst/
noun
1. gevoel
ねたみ
adjective
1. iemand niet gunnen dat die iets heeft dat men zelf wil hebben
羨ましそうな
adjective
依存
noun
依存
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
略語
verb
1. de aandacht opvragen
気をそらす
noun
2. een woord dat middels toevoeging van een voor-, in- of achtervoegsel gevormd wordt uit een ander
派生語
verb
1. brengen naar en achterlaten op de plek van bestemming
届ける
noun
1. elk onderdeel van een tv-serie dat op regelmatige tijden wordt uitgebracht of uitgezonden
エピソード
verb
  1. 2. geheel of gedeeltelijk voldoen
    報われる
  2. 1. de plaats innemen van
    用を足す
verb
1. ongemerkt luisteren naar de communicatie van anderen
盗聴
verb
1. de sessie binnen een programma beëindigen
ログアウト
noun
1. korte spreuk met een kernachtige boodschap
格言
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
  1. アフリカ
  2. 阿弗利加
/afriˈkaːns/
adjective
1. komende van of betreffende het continent Afrika
アフリカ
/afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
アフリカーンス語
noun
1.
媚薬
verb
1. tot een einde brengen
止める
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
別れ
noun
2. beëindiging
卒業
noun
1. een overeenkomst
アポ
/ˈɑfstɑnt/
noun
1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
距離
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
リモコン
noun
1.
辞任
verb
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
引く
/ˈɑftrɛkɪŋ/
noun
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal van een ander getal afgetrokken wordt
引き算
noun
背教者
noun
1. het ontrouw worden aan zijn geloof
背信
noun
1. water dat gebruikt is in de industrie of in het huishouden en dat na gebruik geloosd wordt
  1. 廃水
  2. 排水
noun
予想
/ɑfˈwerə(n)/
verb
1. een aanval neutraliseren
かわす
adjective
1. niet op een bepaald tijdstip en plaats zijn
欠席する
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
留守
verb
1. niet de gangbare norm volgen
逸れる
/'ɑfʋɛɪzɪŋ/
noun
1. een bericht dat op een voorstel of aanzoek niet ingegaan wordt
拒絶
noun
1. iemand die iets naar een adres verzendt
差出人
/ˈɑfzœʏχkɑp/, /ˈɑfzœːxkɑp/
noun
1. een huishoudelijk apparaat in de keuken dat de kookluchtjes moet afvoeren
レンジフード
noun
1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
瑪瑙
/a.ˈɣɛn.da/, /a.ˈχɛn.da/
noun
2. een lijst van te bespreken punten op een vergadering
議題
noun
打歩
noun
不可知論
adjective
不可知論者
noun
広場恐怖症
noun
侵略
adjective
1. aanvallend
攻撃的
noun
1. de landbouwkunde
農学
interjection
ああ
noun
メープルシロップ
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
エイズ
noun
1. een apparaat dat voor airconditioning zorgt
エアコン
pronoun
1. hoofdstad van de Franse regio Corsica
アジャクシオ
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
アーヘン
/'akər/
noun
2. vrucht van de eik
団栗
noun
スギナ
noun
コンボルブルス・アルベンシス
noun
2. samenklank van drie of meer, verschillende tonen
和音
/ˌakusˈtik/
noun
1. de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting ...
音響学
noun
1. platte en rechthoekige tas
ブリーフケース
adverb
1. reeds
既に
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
アラゴアス州
/ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
アルバニア語
/ɑlˈbaːni.jə/, /ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
アルバニア
noun
雪花石膏
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
  1. アホウドリ
  2. 信天翁
noun
アルバム
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
錬金術
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
アルコール
noun
アルコール依存症
noun
アルデヒド
pronoun
1. keten van vulkanische eilanden in Alaska ,die zich boogvormig uitstrekt en een scheiding vormt tussen de Grote Oceaan en de Beringzee
アリューシャン列島
noun
アレクサンドラン
/ˈɑlfa/
noun
1. een aanduiding of markering van "de eerste" van een reeks
アルファ
noun
de lettertekens van een taal
アルファベット
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
アルファベットの
noun
1. ontkiemde zaden van luzerne
アルファルファ
/ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
代数学
noun
一般
/ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
アルジェリア
adjective
1. Uit/afkomstig van Algerije
アルジェリアの
/ɑɫˈxiːrs/, /ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
アルジェ
noun
アルゴリズム
/ˈaː.liˌbi/
noun
1. het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad,...
アリバイ
noun
1. eetbare zeeslak
タマキビガイ
/aˈlinija/
noun
alinea
noun
アルカン
noun
アルカリ
noun
1. een stikstof bevattende plantenbase
アルカロイド
noun
1. een kleine raamloze zijkamer, vaak gebruikt als slaapkamer
壁龕
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
アッラーフ
/ɑl.ˈen/
adjective
1. zonder gezelschap
一人
/ɑl.ˈen/
adverb
1. slechts
だけ
/ɑ.ˈlɛl/, /ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
対立遺伝子
noun
1. stof die overgevoeligheid veroorzaakt
アレルゲン
/ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
アレルギー
adjective
1. overgevoelig
アレルギー
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
全て
noun
1. een bondgenootschap
同盟
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
アリゲーター
noun
頭韻
/ɑˈlʏvijʏm/
noun
1. los materiaal (regoliet) dat als sediment door een rivier is afgezet
沖積層
/ɑɫmɑxt/
noun
1. absolute macht, macht over alles
全能
adjective
全能
noun
年鑑
noun
遍在
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
アロエ
noun
1. bepaald soort zoogdier Vicugna pacos
アルパカ
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
  1. アルプス山脈
  2. アルプス
noun
1. een van hout vervaardigd blaasinstrument met een lengte tot vier meter
アルプホルン
verb
1. sport waarbij men op ski's een heuvel of berg afdaalt.
アルペンスキー
/ɑls/, /ɑs/
conjunction
2. indien
もし
phraseologicalUnit
1. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
鬼の居ぬ間に洗濯
noun
ブタクサ
conjunction
1. luidt een vergelijking in
まるで
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
お願い
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
さいだん座
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
祭壇
pronoun
1. Atair/Altair
アルタイル
conjunction
1. geeft in het tweede gedeelte meer specifiek aan wat er bedoeld wordt
以上
adverb
  1. 1. op elk moment, blijvend
  2. 2. telkens opnieuw
  3. 3. in elk geval
いつも
adjective
1.
利他的な
noun
1. altsaxofoon
アルトサクソフォーン
/ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
  1. ビオラ
  2. ヴィオラ
/alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
  1. アルミニウム
  2. 礬素
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
  1. 膵臓
  2. suizou
  3. すいぞう
noun
1. eetbare pit van de amandelvrucht
  1. アーモンド
  2. 扁桃
noun
1. een melkachtige drank die uit fijngemalen amandelen en water bereid kan worden
アーモンドミルク
noun
1. of 2. (zaden van) geslacht Amaranthus
アマランサス
noun
金剛砂
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
アマチュア
pronoun
アマゾン川
noun
1. een handwerkvak dat vaak aanzienlijke vaardigheden vereist
手工芸
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
大使館
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
大使
/ɑmˈbi(t)si/
noun
野心
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
救急車
pronoun
アーメラント
noun
アメリシウム
/aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
  1. アメリカ州
  2. アメリカ
noun
2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
アメリカ人
adjective
1. betreffende of komende van Amerika
  1. アメリカ
  2. 米国
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Lepidium virginicum
マメグンバイナズナ
noun
1. Bubo virginianus
亜米利加鷲木菟
noun
1. een vaak prachtig violet gekleurde vorm van kristallijn kwarts, die kleine hoeveelheden titaan en ijzer bevat
アメシスト
noun
stimulerend middel, uit de groep van de wekaminen
アンフェタミン
noun
1. in water en op land levend dier
  1. 両生類
  2. 両生
adjective
1.
両性
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
アムハラ語
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
アムハラ語
noun
1. een organische verbinding die kan worden beschouwd afgeleid te zijn van ammoniak...
アミン
noun
アミノ酸
noun
1. een chemische verbinding van stikstof en waterstof
アンモニア
noun
アンモニウム
noun
1. NH₄NO₃, het ammoniumzout van salpeterzuur
硝安
noun
1. een verklaring dat afgezien zal worden van strafvervolging voor een bepaalde groep
恩赦
noun
1. lamsvlies, het binnenste der eivliezen van het embryo in het moederlichaam
羊膜
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
アメーバ
/a.'mɔrf/
adjective
1. niet geordened
アモルファス
/aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
アモス書
noun
振幅
noun
振幅変調
noun
1. dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
アンプル
noun
切断
noun
アンペア
noun
1. stroommeter
電流計
noun
カラシナ
/ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
アムステルダム
noun
アミラーゼ
adjective
1. met betrekking tot de darmuitgang van de mens
尻
noun
1. opbouw bij de stofwisseling waarbij simpele stoffen omgezet worden tot chemisch ingewikkeldere stoffen
同化
noun
時代錯誤
/ɑnakroˈnɪstis/
adjective
1. niet passend in de tijdsvolgorde of in de periode waarin het wordt gepresenteerd
時代錯誤
/anaˈkɔnda/
noun
1. zeer grote en zware wurgslang uit het geslacht Eunectes
アナコンダ
/ˌa.na.fi.lɑkˈsi/
noun
1. een medische term voor een snelle systemische allergische reactie
アナフィラキシー
noun
アナグラム
noun
1. seks waarbij de anus en het rectum een rol spelen
アナルセックス
noun
1. iemand die niet kan lezen of schrijven
非識字者
noun
1. het voorkomen van mensen die niet kunnen lezen of schrijven
文盲
noun
1. een pijnstiller
鎮痛剤
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
アナロジー
/ɑnɐ'liːzə/
noun
分析
verb
1. gedetailleerd en nauwkeurig bekijken
分析
noun
1. een vraaggesprek naar de ziektegeschiedenis
病歴
noun
アナモルフォーシス
noun
1. een vrucht van de ananasplant
パイナップル
noun
無政府状態
noun
無政府主義
noun
解剖学
noun
1. een persoon die kennis draagt van de (menselijke) anatomie
解剖学者
noun
1.
アンシャン・レジーム
pronoun
アンダルシア州
pronoun
  1. アンダルシア州
  2. アンダルシア
adjective
1. niet deze
他
noun
1. diegene die je niet zelf bent
他
pronoun
アンデス山脈
noun
安山岩
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
  1. アンドラ
  2. アンドラ公国
noun
1. kruis van twee even lange, schuingeplaatste balken
聖アンデレ十字
pronoun
  1. 1. mythologische figuur
  2. 2. sterrenbeeld
アンドロメダ座
noun
アンドロイド
/a.nɛg.ˈdo.tə/
noun
1. een amusant, kort verhaal
逸話
noun
1.
貧血
/ɑnəmon/
noun
1. een plant van het geslacht Anemone
アネモネ
noun
麻酔
/ɑŋəl'sɑksis/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die tussen ca. tussen 400 en 1100 werd gesproken en die geldt als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels
古英語
noun
1. hartkramp, pijn op de borst
狭心症
noun
アンジオテンシン
noun
聖公会
/ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
アンゴラ
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
恐怖
pronoun
アンギラ
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
アニス
noun
1. het zaad van de anijsplant
アニス
noun
アニオン
noun
  1. 1. onderdeel van een vaartuig
  2. 2. muuranker
  3. 3. onderdeel van een uurwerk
錨
pronoun
1. meisjesnaam
アナ
/ˌɑnɛkˈsatsi/
noun
1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
付加
/ˌɑnɛkˈsɪːrə(n)/
verb
1. het toeëigenen van een grondgebied
組み入れる
/ɑny'lerə/
verb
1. iets afgelasten
キャンセルする
adjective
1. naamloos
無名の
noun
1. magerzucht, eetstoornis
神経性無食欲症
noun
1. verlies van eetlust
食欲不振
adjective
1. niet tot de koolstofverbindingen behorend
無機
noun
酸欠
noun
1. een postkaart met een afbeelding
絵葉書
noun
アンチョビ
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
  1. 南極大陸
  2. 南極
noun
1. de naam voor het woord waarnaar een ander woord, meestal een betrekkelijk voornaamwoord, verwijst
先行詞
noun
1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
アンテナ
noun
抗生物質
noun
反キリスト
noun
1. een weinig spannende, soms teleurstellende ontknoping van het verhaal
竜頭蛇尾
noun
1. een methode van anticonceptie in de vorm van een pil, dat je niet zwanger wordt
経口避妊薬
noun
1. een deeltje waarvan een aantal fysische eigenschappen dezelfde zijn, maar andere eigenschappen (waaronder de lading) precies tegengesteld
反粒子
/ˌɑntideprɛˈsivʏm/
noun
1. een middel tegen ziekelijke neerslachtigheid
抗うつ剤
adjective
1. oud, maar waardevol
アンティーク
noun
1. oude kunst-, sier- en gebruiksvoorwerpen, die verzameld en verhandeld worden
アンティーク
noun
1. vers dat gezongen wordt als inleiding of afsluiting van een psalm
アンティフォナ
noun
1. lichaamsvreemde afweeropwekkende stof
抗原
/ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
アンティグア・バーブーダ
noun
抗体
/ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
  1. 羚羊
  2. れいよう
noun
1.
反物質
noun
  1. アンチモン
  2. アンチモニー
noun
1. stof die reacties tegengaat waarbij elektronen worden uitgewisseld
抗酸化物質
noun
iemand met antisemitische denkbeelden
反ユダヤ主義者
noun
殺菌剤
noun
1. het tegenovergestelde
対照
noun
1. een stof die veelal aan koelwater wordt toegevoegd om het vriespunt ervan te verlagen om bevriezen ervan te voorkomen
不凍液
adjective
1. tegengesteld van betekenis
  1. 対義語
  2. 反対語
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
  1. 対義語
  2. 反対語
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
adjective
無煙炭
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
noun
1. een vorm aan steenkopl die hoge temperatuur heeft gehad
無煙炭
noun
1. een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
炭疽症
noun
人類学
noun
擬人化
noun
人智学
/ˈantˌwɛrpə(n)/, /ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
  1. 2. een Belgische provincie
  2. 1. een provinciehoofdstad in België
アントワープ
/ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
  1. 答え
  2. 回答
noun
留守番電話
/ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
答える
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
肛門
adjective
2. bijzonder, opmerkelijk
特別
noun
1. lusteloosheid
無感動
pronoun
1. gebergte
アペニン山脈
noun
2. internetsymbool @
アットマーク
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
黙示
noun
1. wegval van slotklank
語末音消失
noun
遠地点
noun
1. een mondelinge of schriftelijke verdediging van een persoon, zaak of leer tegen onrechtvaardige aanvallen
弁明
noun
1. geprogrammeerde celdood
アポトーシス
/ɑˈpɔstəl/
noun
  1. 1. leerling van Jezus
  2. 2. verkondiger van een nieuwe leer
使徒
noun
  1. 2. aanspreking van afwezige personen of zaken
    アポストロフ
  2. 1. afkappings- of weglatingsteken
    アポストロフィ
/apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
  1. 薬屋
  2. 薬局
noun
薬剤師
noun
1. toepassing
アプリ
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
機械
noun
1. een afzonderlijke woning in een groter gebouw
アパート
/ɑ.ˈpɛl/, /ɑ.ˈpɛɫ/, /ˈɑ.pəl/, /ˈɑ.pəɫ/, /ˈɑpəɫ/
noun
1. vrucht
  1. 林檎
  2. りんご
noun
1. boom waaraan appels groeien
林檎の木
/ˈɑpəɫflɑp/
noun
  1. 1. lekkernij gemaakt van bladerdeeg, driehoekig van vorm en gevuld met een mengsel van in blokjes gesneden appel en kaneel
  2. 2. lekkernij bestaande uit een schijf appel en gefrituurd deeg dat met oud en nieuw gegeten wordt
ショーソン・オ・ポム
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
  1. リンゴジュース
  2. りんごジュース
/ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
蜜柑
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
アップルパイ
/ɑˈpɛndɪks/
noun
2. wormvormig aanhangsel
付録
/ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
拍手
/ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
  1. 4月
  2. 四月
pronoun
プッリャ
noun
nog uit te zoeken
水彩
/ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
  1. アクアリウム
  2. 水槽
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
コンゴウインコ
/ˌɑ.ra.ˈbiːr/
noun
1. een persoon met het Arabisch als moedertaal
アラビア人
/ɑ'rabis/
pronoun
  1. 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
    1. アラビア文字
    2. アラビア語
  2. 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
    アラビア語
pronoun
アラビア
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noord-Australië en de oostelijke eilanden van Indonesië
アラフラ海
pronoun
アラゴン州
pronoun
1. taal gesproken in Aragon
アラゴン語
/araˈmes/
adjective
アラム語
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
仕事
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
労働者
noun
労働運動
noun
1. inkomsten die men ontvangt door het uitvoeren van werk
賃金
noun
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
労働法
noun
  1. handelen van een scheidsrechter
  2. resultaat van het handelen van een arbiter
  3. systeem van gelijktijdige prijsbepaling
仲介
noun
1.
ハッチング
adjective
1. behorend tot of betrekking hebbend op een zeer oud tijdperk
古代
noun
アルカイズム
/ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
  1. 考古学
  2. こうこが
noun
考古学者
noun
元型
noun
  1. アーカイブ
  2. 文書の保管所
noun
1. een eilandengroep
群島
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
建築家
noun
1. de bouwstijl van een gebouw
  1. 建築
  2. 建築学
/ɑrxivaːrɨs/
noun
1. een persoon die een archief beheert
アーキビスト
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
アーカイブに格納する
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
北極海
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
アルデシュ県
noun
アール
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
わし座
noun
1. roofvogel
鷲
/ˌɑrɣɛnˈtɛɪ̯n/, /ˌɑrɣɛnˈtɛːn/, /ˌɑrχɛnˈtɛɪ̯n/
noun
1. iemand van Argentijnse komaf
アルゼンチン人
/ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
  1. アルゼンチン
  2. 亜爾然丁
noun
アルギニン
/ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
アルゴン
/ˌɑrɣyˈmɛnt/
noun
1. een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
引数
/arijaˈnɪsmə/
noun
1.
アリウス派
noun
1. een persoon die lid is van de aristocratie
貴族
noun
1. een regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten
  1. 貴族
  2. 貴族政治
noun
1. onregelmatige hartslag
不整脈
noun
箱舟
/ɑrṃ/
adjective
  1. 1. weinig bezittend
  2. 2. beklagenswaardig
  1. 貧しい
  2. 貧乏
/ɑrṃ/
noun
1. lichaamsdeel
  1. 腕
  2. うで
noun
1. sieraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
ブレスレット
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Armenië
アルメニア語
pronoun
アルメニア人虐殺
/ɑrˈmeni.jə/, /ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
アルメニア
noun
肘掛け
/ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
貧困
pronoun
アーネム
noun
琶音
noun
2. muziekbewerking
アレンジ
noun
1. een aanhouding
拘引
verb
1. van overheidswege in hechtenis nemen
逮捕する
/ɑriveːrən/
verb
1. de bestemming bereiken
着く
adjective
傲慢
noun
ヒ素
noun
砒酸
noun
1. stijlbeweging
アール・デコ
noun
  1. 1. kunstvoorwerp of -product
  2. 4. een bewerkt voorwerp uit prehistorische tijd
  3. 5. een kunstmatig veroorzaakte misvorming; zelf toegebracht letsel
人工物
noun
動脈硬化症
noun
熟練者
/ɑrˈtiːkəl/
noun
4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
記事
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
大砲
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
  1. アーティチョーク
  2. 朝鮮薊
noun
1. gewrichtsontsteking
関節炎
noun
1. een aandoening van het gewrichtskraakbeen
へんけいせい しつかんせつしょう
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
医者
/a.ˈru.ba/, /a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
アルバ
noun
  1. 2. lijn
    軸
  2. 1. verbrandingsrest
    1. 灰
    2. はい
    3. hai
/ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
  1. 灰皿
  2. はいざら
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
  1. 石綿
  2. アスベスト
noun
禁欲主義
noun
アスコルビン酸
noun
無性愛
noun
アスファルト
noun
アサイラム
pronoun
1. hoofdstad van Turkmenistan
アシガバート
pronoun
1.
アシュドッド
pronoun
1.
アシュケロン
noun
アスパルテーム
noun
1. een kant of zijde
相
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
アスパラガス
noun
1. een middel tegen allerlei kwalen met als werkzame stof acetylsalicylzuur
アスピリン
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land. Hoofdstad is Dispur
アッサム
/ˈɑsəˌpustər/
pronoun
1. het meisje dat hoofdpersoon is het het gelijknamige sprookje
シンデレラ
noun
1.
アシスト
noun
1. een persoon die ondersteunt
助手
/ˌɑsɪsˈteːrə(n)/
verb
1. een helpende hand bieden
手伝う
verb
1. tot compagnon maken of nemen
連想
noun
半諧音
noun
アスタチン
noun
1. scheikundig element met symbool At en atoomnummer 85
アスタチン
noun
2. een bloem van de aster
星状体
/ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
アスタリスク
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
小惑星
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
喘息
/ɑstrolo'gi/
noun
1. de leer die gebeurtenissen aan het hemelgewelf in verband brengt met gebeurtenissen op aarde
占星学
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
占星術師
/ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
アストロノート
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
天文学
noun
天文学者
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Asturië
アストゥリア語
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
アストゥリアス州
noun
1. eerste dag van de vastentijd
灰の水曜日
adverb
非対称的
/a.sɪmp.ˈtot/
noun
1. een lijn die door een kromme of functie willekeurig dicht benaderd wordt, maar deze nooit raakt
漸近
/atɑkˈsi/
noun
1. een onzekere gang bij het lopen
失調
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Taiwan en die een van de twee Atayalische talen is
タイヤル語
noun
1. de werkruimte van een kunstenaar
アトリエ
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
アテネ
/ˌa.te.ˈjɪsmə/, /ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
無神論
/ˌa.te.ˈjɪst/, /ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
無神論者
pronoun
1. mythologisch eiland
アトランティス
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
大西洋
noun
  1. 1. een boek dat geografische kaarten bevat
  2. 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
  3. 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
環椎
/ɑtlet/
noun
1. iemand die grote prestaties op sportief gebied verricht
運動家
noun
sporttak waarin vooral lopen, springen en werpen aan bod komen
陸上競技
adjective
強壮
noun
  1. 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
  2. 2. een stemming.
  3. 2. eenheid.
  1. 大気
  2. 空気
noun
環礁
noun
  1. 原子
  2. アトム
noun
原子核
noun
原子時計
noun
1. de massa van een atoom, uitgedrukt in de atomaire massa-eenheid u
原子量
noun
1. de kernlading van een atoom
原子番号
noun
1. abnormale aanleg om allergisch te reageren
アトピー
noun
  1. 2. centraal vertrek
    アトリウム
  2. 1. deel van het hart
    心房
noun
1. verschrompeling van organen
萎縮
noun
アタッシェ
noun
1. het afleggen van een formele verklaring; het afleggen van een formele getuigenis
保証
/ɑtrɪbʏˈtif/
adjective
1. wanneer het voor een zelfstandig naamwoord geplaatst wordt
限定的な
noun
4. tot het wezen (de entiteit) behorende eigenschap
性質
noun
オーバード
/obɛrˈʒinə/
noun
2. purperachtige, vlezige vrucht
  1. ナス
  2. 茄子
pronoun
1. grootste stad van Nieuw-Zeeland, gelegen op het Noordereiland
オークランド
adjective
1. zichtbaar en hoorbaar
視聴
noun
1. een examen waarbij iemand zijn muzikale vaardigheden in klank bewijst.
オーディション
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
アウクスブルク
/ʌuˈɣɵrk/, /ʌˈʝʏrk/
noun
1. kleine, in het zuur ingemaakte komkommer
ガーキン
/aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
  1. 8月
  2. 八月
  3. はちがつ
/ˈʌurɑ/
noun
  1. 1. energieveld
  2. 2. beginverschijnselen van een aanval
オーラ
noun
1. luisteren naar lichaamsgeruis van bijv. hart of longen
聴診
verb
1. luister naar de geluiden in het lichaam
聴診
pronoun
1. Australisch territorium waarin de federale hoofdstad Canberra gelegen is
オーストラリア首都特別地域
/aʊ̯ˈstraːli.jə/, /ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
  1. オーストラリア
  2. オーストラリア大陸
/aʊ̯ˈstraːli.jər/, /ɔʊ̯ˈstraːli.jər/, /ʌʊ̯ˈstrali.jər/
noun
1. een inwoner van Australië
オーストラリア人
noun
閉鎖経済
/oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
  1. 著者
  2. 作家
/ʌuˈtɪsmə/, /ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
自閉症
/ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
  1. 車
  2. 自動車
adjective
1. met betrekking tot afweerstoffen gericht tegen de eigen lichaamsweefsels
自己免疫
noun
  1. 自伝
  2. 自叙伝
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
バス
noun
独裁
adjective
専制的
noun
1. handtekening van een beroemd persoon
肉筆
noun
オートガイネフィリア
adjective
  1. 1. niet bestuurd door de hand van de mens
  2. 2. vanzelfgaand
  3. 3. gedachteloos
制御理論
verb
1. automatisch doen werken
自動化
noun
オートメーション
noun
1. een bestuurder van een auto
モータリスト
/aʊ̯.to.no.ˈmi/, /ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
自治
/ˌʌʊtoˈnom/
adjective
1. op zichzelf staand
自主的
noun
1. een lijkschouwing
検死
adjective
強権的
noun
1. de overheid
権威
noun
1. weg voor snelverkeer (dat sneller kan en mag rijden dan 60 km per uur), met gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen
高速道路
noun
1. een chromosoom dat geen geslachtschromosoom (heterosoom) is; homoloog chromosoom
常染色体
pronoun
1. voormalige regio in Centraal-Frankrijk
オーベルニュ
/'avatɑr/
noun
2. (informatica) een kleine afbeelding die een bepaalde gebruiker symboliseert
アバター
pronoun
1. een stad in Frankrijk
アヴィニョン
/ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
  1. アボカド
  2. 鰐梨
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
  1. 夕方
  2. 日暮れ
  3. 晩年
  4. 末期
noun
1. een maaltijd die 's avonds genuttigd wordt
夕食
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
戒厳令
noun
1. rode kleur van het hemelgewelf
残光
noun
1. iemand die graag het avontuur opzoekt
冒険家
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
冒険
noun
1. een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden
公理
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
  1. アヤトラ
  2. アーヤトッラー
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
アイマラ
noun
大学病院
noun
1. sierstruik van het geslacht rhododendron
つつじ
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
アゼルバイジャン
/aˈzeːri/, /aˈzɪːri/
pronoun
1. Turkse taal die door 22 miljoen mensen vooral in Azerbeidzjan, maar ook in Iran, Georgië en Turkije wordt gesproken
アゼルバイジャン語
adjective
1. afkomstig uit of betreffend Azië
アジア
/aˈzɛɪn/, /aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
  1. 酢
  2. ビネガー
noun
1. CH₃COOH
酢酸
noun
無水酢酸
/azimɵt/
noun
1. horizontale hoek
方位角
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
  1. アジア
  2. 亜細亜
pronoun
アゾレス諸島
noun
紺碧
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
湾
/baːn/
noun
  1. 1. het werk
    ジョブ
  2. 3. traject van een projectiel/hemellichaam
    軌道
/baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
  1. 顎鬚
  2. あごひげ
  3. 髭
noun
1. een alleen in India voorkomende zwarte aap met een kwastachtige staart en een opvallende grijze kraag
シシオザル
noun
3. bepaald soort vogel, Panurus biarmicas
ヒゲガラ
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
子宮
noun
1. een vorm van kanker die zich in de baarmoederhals ontwikkelt
子宮頸癌
noun
1. stekelvinnige riviervis
ペルカ
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
赤ちゃん
noun
哺乳瓶
noun
細菌
noun
1. een wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van bacteriën
細菌学
noun
1. een wetenschapper die zich bezighoudt met de bacteriologie
細菌学者
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Bacteria
細菌
pronoun
1.
バーデン=ヴュルテンベルク州
noun
1. grote handdoek gemaakt van badstof om (delen van) het lichaam af te drogen na het wassen
バスタオル
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
  1. 浴室
  2. 風呂場
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
水着
/ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
浴槽
noun
1.
バスマット
noun
1. een sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
バドミントン
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
水着
noun
1.
バフィン湾
/ba.ˈɣaːʃ/, /ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
荷物
/'begəɫ/
noun
1.
ベーグル
/ba.ˈha.mas/, /ba.ˈɦa.mas/, /bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
バハマ
/ba.ˈrɛɪ̯n/, /bɑx.ˈrɛːn/, /bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
  1. バーレーン
  2. バーレイン
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
銃剣
noun
1. de linkerzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
左舷
noun
ベークライト
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
  1. 焼く
  2. 焼ける
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
パン屋
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
ベーカリー
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
バクー
noun
1. rijsmiddel op basis van natriumbicarbonaat
ベーキングパウダー
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
煉瓦
noun
1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
ボール
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
バラライカ
noun
  1. 1. evenwicht
    1. バランス
    2. 均衡
  2. 2. een meetapparaat met twee armen (bedoeld om het verschil te kunnen meten)
    1. 天秤
    2. 秤
pronoun
バレアレス諸島
/bɑlk/, /bɑɫk/
noun
2. veelvlak met 6 rechthoekige zijvlakken, 8 hoekpunten en 12 ribben
立方体
pronoun
1. gebied...
バルカン半島
noun
1. een bouwkundig onderdeel
バルコニー
noun
バラード
noun
1. vervanging van de nuttige lading door iets dat voldoende weegt om een schip te stabiliseren
バラスト
noun
1.
ボールパーソン
noun
1.
ボールガール
noun
1. een artistieke dansvorm
バレエ
noun
1. gedwongen verblijf elders dan waar men thuis is
流罪
noun
1. leer die de banen van projectielen bestudeert
弾道学
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
  1. バルーン
  2. 風船
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
ボールペン
noun
バルサミコ酢
noun
バルサム
noun
球技
pronoun
1. de nationale taal van Mali
バンバラ語
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
竹
noun
タケノコ
noun
1. een vrucht van de bananenboom
バナナ
noun
  1. 1. een van de Midden-Amerikaanse staten zoals Honduras, Nicaragua, El Salvador of Guatemala, eens zo genoemd vanwege de bananenindustrie die daar alles overheerste
  2. 2. een in politiek en economisch opzicht corrupt en instabiel land, dat bovendien vaak rijk is aan grondstoffen
バナナ共和国
noun
1. de schil van een banaaan
バナナの皮
noun
1. ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
タイヤ
noun
1. een schurk of misdadiger
山賊
/ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
バングラデシュ
noun
  1. 1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon
    ソファー
    1. 3. een financiële instelling
    2. 4. een ondiepte in het water
    銀行
noun
1. een betaalmiddel van papier
紙幣
/bɑŋkˈɦɑŋər/
noun
1. iemand die bankhangt
カウチポテト
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
銀行家
noun
1. een rekening-courant bij een bank
銀行口座
noun
1. een handig hulpmiddel om werkstukken in vast te houden
万力
/ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
亡命者
noun
バンシー
/ˈbɑntu/
noun
  1. 1. lid van een volk
  2. 2. groep talen
バントゥー
noun
benaming voor dikstammige bomen uit droge, warme gebieden uit het geslacht Adansonia
バオバブ
noun
野蛮
adjective
  1. 1. zonder beperkingen opgelegd door beschaafd gedrag
  2. 2. strijdig met zeden en gewoonten van de beschaafde, gecultiveerde samenleving
野蛮
/ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
バルバドス
noun
1. een herenkapper die ook baarden bijwerkt
床屋
noun
1. Een slaapmiddel in de vorm van een barbituurzuur verbinding
バルビツレート
pronoun
バルセロナ
noun
1. (informatica) een op artikelen, verpakkingen afgedrukte reeks smalle en brede streepjes waarmee in gecodeerde vorm productinformatie is vastgelegd die met een scanner kan worden gelezen
バーコード
/bɑrt/
noun
1. middeleeuws dichter en zanger bij de Kelten
吟遊詩人
verb
1. op de wereld brengen
生む
noun
バレンツ海
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
ベレー帽
noun
重晶石
noun
1. een mannenstem tussen bas en tenor
バリトン
noun
バリウム
noun
1. iemand die achter de bar staat en drankjes voor de gasten inschenkt
バーテン
/ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
バロメーター
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
男爵
noun
男爵領
noun
1. straatversperring die de doorgang door een straat onmogelijk maakt
バリケード
noun
1. begrenzing, bescherming
障害
verb
1. heftig breken of uiteenspatten
破裂
noun
バリオン
noun
浅浮き彫り
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
玄武岩
noun
  1. 1. stof die een of meer hydroxylgroepen bevat en in een waterige oplossing OH-ionen afsplitst
  2. 2. ion of molecuul dat de neiging heeft een proton op te nemen
塩基
verb
基づく
/baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
バジル
noun
バシリカ
noun
1. grondslag
基底
noun
1.
概念
noun
1.
ベーシスポイント
/ˈbazɪsxoɫ/
noun
1. een school voor lager onderwijs
小学校
/'bɑskən,lɑnd/
pronoun
  1. 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
  2. 3. Spaanse autonome regio
バスク地方
noun
  1. 2. bal
    バスケットボール
  2. 1. sport
    1. バスケットボール
    2. バスケ
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
バスク語
noun
1. geurige rijstzaden
バスマティ
noun
1. contrabasspeler
ベーシスト
noun
大隊
noun
1. een fijn, doorschijnend weefsel dat gemaakt kan zijn van linnen, wol, katoen, zijde of zelfs kunstzijde
バチスト
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
電池
noun
1. eenheid van snelheid van informatieoverdracht van een datatransmissiekanaal (modem, telefoonlijn etc.)
ボー
noun
1. een mineraal dat een belangrijk erts van aluminium vormt. Bauxiet bestaat voor een groot deel uit aluminiumoxide...
ボーキサイト
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
  1. 狒々
  2. ヒヒ
pronoun
1. stad in Zwitserland
バーゼル
noun
人工呼吸器
noun
1. kleine hond van een bepaald ras
ビーグル
/bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
答える
noun
ビート・ジェネレーション
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
ひげを生やした
verb
1. van commentaar voorzien
論評
noun
ベクレル
/bɛd/, /bɛt/
noun
1. een meubel gemaakt om in te slapen
  1. ベッド
  2. 寝床
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
ありがとう
/bə'darə(n)/
verb
1. tot rust komen
落ち着く
verb
1. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
掛ける
verb
1. om een aalmoes vragen
請う
verb
  1. 4. verrotten, oneetbaar worden
    傷む
    1. 2. verpesten, verknoeien
    2. 3. te veel verwennen
    腐る
noun
1. iemand die een apparaat op een goede manier laat functioneren
オペレーター
verb
1. met een woord of toespeling iets of iemand aanduiden of proberen aan te duiden
意味する
adjective
2. mogelijk op het punt staand van uitsterving
危機に瀕する
verb
1. iemand met een mogelijk gevaar confronteren
脅す
adjective
上手
noun
1.
細工
/bəˈdrɛɪ̯f/, /bəˈdrɛːf/
noun
1. organisatie, samenspel van mensen en middelen om producten en of diensten te leveren
企業
/bek/
noun
1. stromend watertje
小川
noun
1. driedimensionaal kunstwerk
画像
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
彫刻家
noun
画面
/beːn/
noun
  1. 1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
    1. 脚
    2. 足
  2. 3. stof waaruit benen/botten bestaan
    骨
noun
1. een verkoper van vlees
肉屋
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
骨髄
/beːr/, /bɪːr/
noun
1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
熊
/beːst/
noun
1. dier
けだもの
/beɪt/, /beːt/
noun
1. samenklemming tussen de kaken
噛みつき
verb
1. het oraal bevredigen van een vrouw door haar geslachtsdelen te likken of met de tong te 'betasten'
クンニ
noun
1. bepaald soort lijster, Turdus torquatus
首輪鶇
noun
1. verlangen
欲
/bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
1. vergezellen
お供する
noun
1. personen die iemand vergezellen of bewaken
伴奏
/bəˈχɪn/
noun
1. het eerste deel
  1. 始まり
  2. 開始
verb
1. aanvangen
  1. 始まる
  2. はじまる
noun
1. regel waar je je in ieder geval aan wilt houden
原理
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
墓地
noun
1. een ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd
葬儀
/bəˈɣrafənɪsɔndərˌnemər/
noun
1. Een persoon die de begrafenis van overledenen verzorgt
葬儀屋
verb
  1. 1. iets onder de grond stoppen
  2. 2. een overledene begraven
  3. 3. iets wegstoppen
埋める
adjective
理解できる
/bə.χrɛɪ.pə(n)/
verb
1. met het verstand vatten
分かる
noun
  1. 1. het verstaan of begrijpen van iets
  2. 3. inlevingsvermogen
了解
/bəˈɣrotɪŋ/
noun
1. raming van de te maken uitgaven voor de komende tijd
予算
/beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
  1. ブラジャー
  2. ブラ
  3. ぶらじゃー
verb
  1. 3. medisch verzorgen
  2. 1. verwerken
  3. 2. bespreken, spreken of schrijven over
扱う
noun
2. een handeling gericht op herstel
処理
verb
1. het bedekken van wanden met een laag papier
壁紙をはる
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
管理者
verb
3. verstaan
マスターする
/ˈbə'huftə/
noun
1. iets wat benodigd is
  1. 必要
  2. hitsuyou
  3. ひつよう
/bəˈhuvə(n)/
verb
  1. 1. moeten
    ならない
  2. 2. nodig hebben
    必要とする
verb
  1. 2. onderdeel uitmaken van wat gebruikelijk is of tot de fatsoensnormen gerekend wordt
  2. 1. onderdeel zijn van
一部である
adjective
1. iets niet verliezen
留まる
adjective
役に立つ
pronoun
  1. バイエルン州
  2. バイエルン
pronoun
1. taal gesproken door ten minste 12 miljoen mensen in Oostenrijk...
バイエルン方言
adjective
ベージュ
/bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
ベイルート
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
  1. 鏨
  2. 鑿
adjective
1. vertrouwd
おなじみの
noun
知り合い
verb
1. toegeven
告白
noun
1. een verklaring waarin men toegeeft een bepaalde daad gepleegd te hebben
告白
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
コップ座
noun
ビーカー
noun
1. het (doen) overgaan van iemand tot een bepaald geloof.
改宗
noun
2. gebeente tussen beide heupen
骨盤
verb
1. naar de top van iets, zoals een berg, klimmen
登る
noun
1. iets wat belangrijk is voor een persoon
利益
adjective
1. van grote betekenis
  1. 重要
  2. 大切
noun
1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
税金
noun
1. iemand die belasting betaalt
納税者
noun
タックスヘイブン
verb
1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
侮辱
adjective
1.
侮辱的
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
  1. 侮蔑
  2. 侮辱
adjective
1. van goede omgangsvormen getuigend
丁寧
noun
1. een sociale vaardigheid, die de omgang in de maatschappij vergemakkelijkt.
丁寧
/bəˈlɛx/
noun
1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
攻城戦
verb
1. geld steken in een naar verwacht winstgevende onderneming
投資
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
ポリシー
noun
1. leesteken bestaand uit drie puntjes (…)
三点リーダー
adjective
多読
noun
1. een stedelijke wachttoren met een stormklok
鐘楼
/bɛlx/, /bɛɫx/, /bɛɫχ/
noun
1. een staatsburger van België
ベルギー人
pronoun
ベルギー領コンゴ
/ˈbɛlɣijə/, /ˈbɛɫɣijə/, /ˈbɛɫχijə/
pronoun
  1. ベルギー
  2. 白耳義
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
ベオグラード
/bɛlhaməl/
noun
1. een gecastreerd mannelijk schaap dat met een bel om zijn nek vaak de kudde leidt
鈴つき羊
noun
1. zichtbaar gemaakte vorm van een idee of begrip
化身
/bə.ˈlɪx.tə(n)/, /bə.ˈlɪχ.tə(n)/
verb
1. licht schijnen op iets
照らす
/be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
ベリーズ
verb
3. iemand opbellen, telefoneren naar iemand
電話する
noun
1. tandwalvis die doorgaans bij volwassenheid melkwit van kleur is, Delphinapterus leucas
白海豚
pronoun
1.
バルチスタン
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
約束
verb
1. een prestatie of goede daad met geld of anderszins erkennen
報いる
noun
恩賞
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
約束する
noun
着信音
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
クルー
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
クルー
verb
1. amoureuze gevoelens voor iemand koesteren
愛する
verb
1. iemand of iets nadeel toebrengen, iemand of iets schade toebrengen
不利に扱う
verb
1. naartoe gaan en aanspreken
近づく
/ˈbɛn.də/
noun
1. een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
ストリートギャング
pronoun
1. een taal die in Bangladesh en West-Bengalen gesproken wordt
ベンガル語
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris tigris
ベンガルトラ
adjective
1. dat iets de moeite waard is om benijd te worden
妬ましい
/be.ˈnin/, /ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
ベナン
noun
ベンゼン
/bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
ガソリン
verb
1. tot een oordeel komen over iets
判断する
verb
  1. 2. vaststellen, voorschrijven, regelen
  2. 3. beslissend beïnvloeden
定める
noun
5. woordgroep die een van de delen van een zin nader bepaalt
副詞句
/bə.ˈpɛr.kɪŋ/
noun
1. iets dat ervoor zorgt dat de mogelijkheden beperkt worden
制限
pronoun
ベルベル人
noun
1. de afstand die afgelegd kan worden
音域
/bə'rɛɪkən/
verb
  1. 1. fysiek bij de andere kant aankomen
  2. 2. het informeren van personen
到着
/bə.ˈre.kə.nɪŋ/
noun
1. een numerieke uitwerking ergens van
計算
/bɛrx/
noun
  1. 2. een grote hoeveelheid
    山
  2. 1. hoge terreinverheffing
    1. 山
    2. やま
adjective
1. met bergen
山がちの
noun
1. (fruit) een kleine, peervormige en zure citrusvrucht
ベルガモット
noun
1. iemand die zich toelegt op het alpinisme
山男
noun
1. Tadorna tadorna, een forse bijna gansachtige eend
ツクシガモ
pronoun
1. stad in Noorwegen
ベルゲン
noun
1. een lager
峠
noun
1. ziekte veroorzaakt door een tekort aan vitamine B1 (thiamine)
脚気
noun
1. overgebrachte korte communicatie, meestal over een recente gebeurtenis
伝言
noun
緑柱石
noun
1. vrouwelijk dier van de berenfamilie, Ursidae
雌熊
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
ベーリング海峡
pronoun
1. is de zee in het noordelijk deel van de Grote Oceaan
ベーリング海
verb
1. streng zeggen dat het gedrag wordt afgekeurd
責める
/bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
  1. 樺の木
  2. 白樺
noun
バークリウム
pronoun
  1. 1. de hoofdstad van Duitsland
  2. 2. een duitse deelstaat
  1. ベルリン
  2. 伯林
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
バーミューダ
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
ベルン
/bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
  1. 有名
  2. 名高い
noun
2. iemand die bekend is bij een groot publiek
セレブ
noun
  1. 2. dringend verzoek om bijstand
    上告
  2. 1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
    職業
noun
1. een acute beschadiging van de hersenen die veroorzaakt wordt door een bloeduitstorting in de hersenen
脳卒中
noun
1. het betreuren van een eerdere kwalijke daad
懺悔
/bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
ベリリウム
/bɛs/
noun
1. kleine vrucht
ベリー
adverb
1. vol met de neiging zich te verbergen voor anderen
恥ずかしい
verb
1. het toebrengen van schade
損なう
/bə.ˈsxa.vɪŋ/, /bə.ˈsχa.vɪŋ/
noun
1. de complexe maatschappij waarin veel van de mensen in steden leven en hun voedsel door middel van landbouw verkrijgen
文明
/bə'sxɛi(d)ə/
adjective
  1. 1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
  2. 2. niet de indruk makend te hoge verwachtingen van zichzelf te hebben
  3. 3. niet groots of talrijk
適度
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
  1. 保護
  2. 保護する
noun
1. een heilige onder wiens bescherming een bepaalde persoon of groep staat
守護聖人
/bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
保護
/bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
手に入る
adjective
1. onderhevig aan schimmelgroei
かびる
verb
  1. 1. bekijken als
  2. 2. denken over
見なす
verb
1. in woorden uitdrukken
描写
adjective
1.
批難
/bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
告発
verb
1. vaststellen wat er gaat gebeuren
決める
/bə.ˈslɪ.sɪŋ/
noun
決定
verb
忍び寄る
verb
1. vaststellen hoe het moet
決める
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
割礼を行なう
/bəˈsnɛidənɪs/
noun
割礼
verb
1. een gesprek over een bepaald onderwerp voeren
相談する
/bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
議論
pronoun
ベッサラビア
verb
1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
存在する
noun
1. een verzameling van gegevens die een eenheid vormen
ファイル
noun
1.
食器
verb
1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
注文
/bə.ˈstɛ.lɪŋ/
noun
1. een verzoek of opdracht om diensten of goederen te leveren
注文
/bə.ˈstɛ.mɪŋ/
noun
1. het eindpunt van een route
目的地
noun
獣姦
noun
受粉
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
  1. オペレーティングシステム
  2. operētingu shisutemu
/bəˈstyrdər/
noun
1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
運転手
noun
1. de zitting waarop de chauffeur van een voertuig zit
運転席
noun
行政法
adjective
1. niet te duur om te betalen
価格が手頃
/bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
払う
noun
1. iemand die betaalt
支払人
/bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
支払い
verb
1. met de handen iemands lichaam op verschillende plaatsen aanraken
探る
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
意味
/ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
ベテルギウス
/'beːtər/
adverb
もっといい
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
ベツレヘム
noun
1. vader van een overgrootouder
高祖父
verb
1. gaan over, als onderwerp hebben
関する
/bə.ˈtrɛ.kɪŋ/
noun
1. band of relatie tussen personen of groepen
関連
noun
  1. 1. boomsoort
    ぶな
  2. 3. lange smalle centrale hal van een kruiskerk
    身廊
/bøːl/
noun
1. uitvoerder van lijfstraffen
死刑執行人
noun
  1. 4. bijeenkomst waar producenten van een bepaald vakgebied meest nieuwe producten tentoonspreiden
    博覧会
  2. 1. het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
    証券取引所
/bøːrt/
noun
1. gelegenheid of opdracht die bewust telkens aan een andere persoon uit en groep gegeven wordt
番
/bə.ˈvɑ.lɪŋ/
noun
1. het baren van een kind
出産
verb
1. omvatten, in zich sluiten
含む
verb
1. hard en heftig trillen
震える
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
  1. ビーバー
  2. 海狸
noun
1. Myocastor coypus, een schadelijk knaagdier, leeft vooral in moerassige omgeving
ヌートリア
verb
1. zeggen dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
確かめる
/bə.ˈvɛs.ti.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈvɛs.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛs.tə.χɪŋ/
noun
1. het bevestigen, het mededelen aan iemand dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
確認
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
人口
verb
1. een hogere rang verlenen aan iemand
運ぶ
/bə'vrizə(n)/
verb
1. door afkoeling in vaste toestand komen
凍る
verb
1. iemand of een bevolking van gevangenschap of onderdrukking verlossen
解放
/bə.ˈvrɛɪ̯.dɪŋ/, /bə.ˈvrɛː.dɪŋ/
noun
1. het vrij maken van mensen die gevangen gehouden of onderdrukt worden
解放
adjective
1. door afkoeling in vaste toestand gekomen; volledig met ijs bedekt
凍結
verb
1. vuil maken; verontreinigen
汚す
noun
1. handeling waarbij men een goed van een ander ter bewaring aanneemt onder teruggaveverplichting
供託
verb
1. toezicht houden op de veiligheid van iets of iemand
守る
/bə.ˈwa.kɪŋ/, /bə.ˈʋa.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞a.kɪŋ/
noun
監視
/bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
1. iemand van wapens voorzien
武装
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet verloren raakt
保存する
/bə.ˈweː.ɣə(n)/, /bə.ˈʋe.χə(n)/, /bə.ˈβ̞e.ɣə(n)/
verb
1. van plaats veranderen
動かす
/bə.ˈwe.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈʋe.χɪŋ/, /bə.ˈβ̞e.ɣɪŋ/
noun
  1. 1. in de staat verkeren waarin de locatie steeds verandert
    動き
    1. 2. van plaats/positie veranderen
    2. 3. een organisatie
    運動
/bə.ˈwɛr.kɪŋ/, /bə.ˈʋɛr.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɛr.kɪŋ/
noun
1. een verandering om iets voor een bepaald doel geschikt te maken
翻案する
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
証拠
verb
1. aantonen; staven
証明する
/bə.ˈwɔl.kɪŋ/, /bə.ˈʋɔɫ.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔɫ.kɪŋ/
noun
1. het geheel aan wolken dat in de lucht aanwezig is
雲量
/bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
曇り
verb
1. bekijken met respect
感心する
adjective
1. wat het verdient bewonderd te worden
感心
/bə.ˈwɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈʋɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔn.də.rɪŋ/
noun
1. het bekijken met enig ontzag
感嘆
noun
1. iemand die in of op iets woont
住人
/bəw'ɤstəlos/
adverb
1. in een toestand waarin men het bewustzijn voor de omgeving is verloren
無意識
noun
1. de staat van het bewusteloos zijn
無意識
/bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
意識
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
  1. 箒
  2. 帚
noun
1. de lange stok waaraan de borstel van een bezem bevestigd is
ほうきの柄
adjective
1. gedomineerd door de aanwezigheid van...
オキュパイド
verb
1. in gebruik nemen
占める
noun
1. iemand die bezet, meer in het bijzonder de bezetter van een overwonnen natie in oorlogstijd
占領者
/bə.ˈzɛ.tɪŋ/
noun
1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
占領
/bə.ˈzɪx.ti.ɣɪŋ/, /bə.ˈzɪx.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈzɪχ.tə.χɪŋ/
noun
1. het bekijken
観覧
noun
1. een plaats die of een voorwerp dat door velen bezocht en bekeken wordt
名所
/bezəx/
adjective
1. aan het werken
忙しい
noun
1. iets waarmee men bezig is
活動
noun
2. het houden van een goed voor zichzelf
所有
/bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
占有
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
所有者
noun
1. dat wat iemand in eigendom heeft, dat wat van iemand is
保有物
noun
  1. 1. het bezoeken
  2. 2. de personen die op visite zijn of komen
訪問
/bəˈzukə(n)/
verb
1. bij iemand langsgaan of langskomen
訪れる
noun
1. een persoon die iemand of iets bezoekt
お客さん
adjective
1. met zorgen beladen
心配
noun
1. moeilijkheid, bedenking
異議あり
adjective
1. met zweet op de huid
汗だく
verb
1. tot een afsluiting brengen
終える
pronoun
1.
ベエルシェバ
/bəˈɪnvludə(n)/
verb
1. iemand of iets proberen te veranderen, invloed nemen op
影響
/bu.ˈtan/, /bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
ブータン
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
バイアスロン
/ˌbiblijotekaˈrɛsə/
noun
1. beheerster van een bibliotheek
司書
/ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
図書館員
/bib(l)ijo'tek/
noun
1. een plaats waar boeken verzameld staan
図書館
noun
1. tweehoofdige spier
二頭筋
verb
1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
  1. 祈る
  2. inoru
  3. いのる
noun
1. soort van aan de muur bevestigde kom of bak voor het met behulp van water reinigen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet, of om de voeten te wassen
ビデ
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Mantodea
蟷螂
noun
1. de erkenning van zonden aan een geestelijke
告解
noun
1. een meubelstuk dat bedoeld is voor het aanhoren en afleggen van de biecht
告解場
noun
1. een periode in de geschiedenis van Noordwest-Europa en met name de Duitse Bond in de periode van het Congres van Wenen van 1815 tot 1848 die onder meer werd gekenmerkt door zelfvoldaanheid en eenvoud en elegantie in de bouwstijl
ビーダーマイヤー
noun
1. dunne lap vlees van de bovenbil van een rund
ステーキ
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
  1. ビール
  2. 麦酒
noun
1. vette buik
ビール腹
noun
出芽酵母
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om bier uit te drinken
ジョッキ
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
  1. チャイブ
  2. chaibu
noun
ビート
/bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
  1. 蜂
  2. 蜜蜂
noun
1. (de heilige tekst van) het heilige boek der christenen
聖書
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
聖書
/ˈbɛːdraʝə/, /ˈbɛːɪdraɣə/
noun
1. iemands aandeel
貢献
verb
1. een aandeel leveren
貢献
noun
1. benaming voor veelkleurige en insectenetende vogels die...
ハチクイ
/ˈbɛɪ̯.jə(n).ˌɦaʊ̯.dər/, /ˈbɛɪ̯.jə(n).ˌɦʌʊ̯.dər/, /ˈbɛː.jə(n).ˌɦɔʊ̯.dər/
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
養蜂家
/ˈbɛː.jə(n)ˌteɫt/
noun
1. het houden van bijen
養蜂
/ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
迷信
adjective
1. iemand die gelooft in bijgeloof
迷信
/bɛɪˈkɑns/
adverb
ほとんど
/bɛɪ̯l/, /bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
斧
noun
  1. 2. een bestand dat bij een e-mail is meegezonden
  2. 1. geschrift ter aanvulling
添付ファイル
/'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
ほとんど
abbreviation
1.
臨死体験
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
  1. 愛称
  2. ニックネーム
  3. 渾名
  4. 綽名
noun
副腎
/ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
噛む
/bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
  1. 形容詞
  2. 形容動詞
noun
1. Artemisia vulgaris, een plant uit de composietenfamilie Asteraceae
欧州蓬
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
  1. 例えば
  2. たとえば
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
副詞
adjective
1. alleen van dichtbij scherp kunnen zien
近視の
/bɛizɪn/
noun
1. een deel van een uiting dat een ondergeschikte rol speelt ten opzichte van de hoofdzin
従属節
noun
1. tweedelige zwemkleding voor de vrouw
ビキニ
noun
1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
尻
adjective
1. aan twee kanten, in twee richtingen (buitenkanten)
二国間
noun
1. spel
ビリヤード
noun
1. gladde, massieve en vrijwel perfect bolvormige bal gebruikt in het biljartspel
球
cardinalNumeral
1. 1.000.000.000.000
兆
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
菲沃斯
verb
1. vastmaken (evt. figuurlijk)
縛る
noun
1. en 2. (bladeren van) sla met een stevige rechte krop
ロメインレタス
noun
1.een ontsteking van het bindvlies dat de buitenkant van het oogwit en de binnenkant van de oogleden bekleedt
結膜炎
/ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
結合組織
interjection
1. een uitroep gebruikt door spelers van bingo om aanspraak te maken op een overwinning
ビンゴ
noun
1. kansspel
ビンゴ
preposition
中
verb
1. ergens in gaan
入る
noun
binnenoor
内耳
noun
内ポケット
noun
1. een wetenschapper die de biochemie beoefent
生化学者
/'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
生化学
/ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
生物多様性
noun
伝記
/ˌbiʲoloˈɣi/, /ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
生物学
/ˌbijo'loːɣis/
adjective
1. te maken hebbend met de biologie
生物学の
/ˌbioˈlox/, /ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
生物学者
noun
バイオマス
noun
生体工学
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
映画館
noun
生物圏
/ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
教区
noun
両性愛
/bisɛksye:l/
adjective
1. seksueel gericht op beide geslachten
  1. バイセクシュアル
  2. 両性愛者
pronoun
1. de taal die naast Engels en Frans in de staat Vanuatu wordt gesproken
ビスラマ語
noun
ビスマス
/bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
  1. 司教
  2. 主教
verb
1. een studiejaar overdoen na gezakt te zijn
ダブる
/bɪt/
abbreviation
1. in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
ビット
noun
ビットコイン
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
苦い
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in schoon stilstaand of langzaam stromend water Rhodeus amarus
タナゴ
noun
1. een viskeuze vloeistof die van nature voorkomt als de minst vluchtige fractie van ruwe aardolie
瀝青
/ˈbivɑk/
noun
1. kampement voor een leger of expeditie
野営
noun
1. muts die tot onder de kin doorloopt met openingen om door te kijken en te ademen
目出し帽
adjective
奇妙
noun
1. Noord-Amerikaans zoogdier, Bison bison
バイソン
/blaːr/
noun
1. onderhuidse vochtophoping
  1. 水疱
  2. suihou
  3. すいほう
noun
1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
膀胱
noun
1. een luchtzak die samengedrukt kan worden om een sterke luchtstroom te veroorzaken
鞴
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
管楽器
noun
  1. 1. plat, groen onderdeel van planten
  2. 2. vel papier
  1. 葉
  2. 葉っぱ
noun
1. een dun folie van goud dat wordt gebruikt voor decoratieve doeleinden
金箔
/ˈblɑdɣrunˌkɔrəl/
noun
1
葉緑体
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
油虫
noun
  1. 1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
  2. 2. bewaarde hyperlink
お気に入り
/ˈblɑtsɛidɚ/
noun
1. elk van de beide zijden van een blad papier in boek, krant of tijdschrift
面
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
吠える
noun
白票
/blɑŋk/
adjective
1. met lichte huidskleur
白人
noun
1. iemand met een van nature bleke (pigmentarme) huid
白人
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Rutilus rutilus
ローチ
/ˈblatə(n)/
verb
het geluid van een schaap maken
(羊が)鳴く
/blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
  1. 青い
  2. 青
/blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
  1. 青
  2. 青い
pronoun
青ひげ
noun
1. bepaald soort visje van maximaal 11 cm dat van oorsprong uit Azië komt, Pseudorasbora parva
  1. motsugo
  2. モツゴ
noun
1. bepaald soort lijsterachtige, Luscinia svecica
オガワコマドリ
/blɑudrʏk/
noun
1. een directe fotografische kopie in witte lijnen op een achtergrond van Pruisisch blauw
青写真
noun
1. Vaccinium corymbosum, een plant uit de heifamilie Ericaceae
北部ハイブッシュ系
noun
1. bepaald soort vaste plant, Vaccinium myrtillus
ビルベリー
noun
1. witte kraaiachtige met lavendelblauw verenkleed op de rug en kop Cyanocitta cristata
アオカケス
noun
1. bepaalde soort roofvogel uit de familie van de arendachtigen, Circus cyaneus
ハイイロチュウヒ
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
アオサギ
noun
1. Balaenoptera musculus, een baleinwalvis, de grootste van alle walvisachtige
シロナガスクジラ
noun
ブルータング
noun
青酸
/'bla.zə(n)/, /'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
吹く
adjective
1. gering van kleur
青ざめた
verb
1. witter of lichter doen worden
漂白する
/blɛi̯/
adjective
嬉しい
noun
1. opvanghuizen voor vrouwen, kinderen en tegenwoordig ook mannen die slachtoffer zijn van of bedreigd...
DVシェルター
/blɛ.və(n)/
verb
  1. 1. niet veranderen
  2. 3. ergens vertoeven
のままである
noun
2.1 cilindervormig luchtdicht afgesloten vaatje van dun metaal
罐詰
noun
缶切り
/blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
稲妻
noun
1. een metalen stang of constructie die de bliksem aantrekt en naar de grond afvoert.
避雷針
noun
1.
いなずま
adjective
1. niet in staat te zien
  1. 盲目
  2. 盲
noun
1.
ブラインドデート
noun
1. over de ogen gebonden reep ondoorzichtige stof om het zien te verhinderen
アイマスク
noun
盲腸
/'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
  1. 盲目
  2. もうもく
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
  1. 血
  2. 血液
  3. けつえき
  4. ち
noun
貧血
noun
1. het gesloten systeem van hart en vaten waardoor bloed stroomt
血流
noun
血液銀行
noun
1. holte in of onder de opperhuid, waarin bloed zit
血豆
/'bludbrudər/
noun
1.
義兄弟
noun
血球
noun
2. afgestaan bloed
献血
adjective
1. vooral van de ogen dat er bloedvaatjes op het oogwit te zien zijn (door huilen, ouderdom of ontsteking)
充血
noun
血圧
verb
1. het vloeien van bloed
出血
noun
血液型
noun
出血
noun
血液検査
noun
1. de vloeistof van het bloed waar geen bloedlichaampjes meer in zitten maar nog wel stollingseiwitten
血漿
noun
血清
noun
血糖
noun
輸血
noun
1. bloeduitstorting in de huid
血腫
noun
1. een bloedader
血管
noun
1. het genetisch aan elkaar verwant zijn
血族
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
ヒル
verb
  1. 1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen
  2. 2. het bijzonder goed maken
咲く
noun
1. een deel van plant met zaden
花
noun
1. een tuin met veel bloemen
花園
pronoun
1.
ブルームフォンテーン
noun
  1. 1. bloemenverkoper
  2. 2. bloemenkweker
花屋
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
  1. カリフラワー
  2. カラー写真
noun
アンソロジー
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
植木鉢
noun
マッシュルームカット
/blusəm/
verb
1. het bloemengeheel van een vruchtboom
開花
noun
1.
ブロガー
noun
1. een vaak hoekig massief stuk materiaal
塊
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
リコーダー
noun
封鎖
/blɔnd/, /blɔnt/
adjective
1.
金髪
noun
1. cocktail van wodka en tomatensap
ブラッディ・マリー
verb
1.in aanraking doen komen met
露光させる
noun
1. kledingstuk
ブラウス
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
赤面
/blɵt/
adjective
1. geen geld meer hebbend
すっからかん
noun
1. zeer grote wurgslang
ボア
verb
1. een sport waarbij een bochtig ijsparcours wordt afgelegd in een bestuurbare slee
ボブスレー
pronoun
1.
ボーフム
noun
1. een onderkant
底
/ˈbodəmˌkʏndə/
noun
土壌学
interjection
ばあ
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
ブダペスト
pronoun
仏陀
noun
1. volger van de leer van Boeddha
仏教徒
noun
1. de voorkant van een schip
舳先
noun
1. een beeld dat ter versiering aangebracht werd op de voorsteven van een schip
船首像
noun
1. uitstekend rondhout aan de voorsteven van een zeilschip
バウスプリット
noun
1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
ブイ
/bujə(n)/
verb
1. kluisteren
手錠
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
  1. 本
  2. ほん
  3. hon
  4. 書籍
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
ブカレスト
/ˈbuɡdel/
noun
1. drukwerk dat zoveel bladzijden heeft dat het in aparte band kan worden gebonden, maar waarvan de inhoud onderdeel is van een groter werk
巻
/ˈbukən/
verb
1. reserveren van bijvoorbeeld een hotelkamer
帳簿
/ˈbu.kə.ˌkɑs/, /ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
本棚
noun
1. hulpmiddel dat ervoor zorgt dat boeken rechtop blijven staan op een niet geheel gevulde boekenplank
ブックエンド
noun
図書館
noun
1. een bos snijbloemen, vaak sierlijk gerangschikt
花束
/ˈbu.klɔŋ(g)/, /ˈbu.klɔŋ/
noun
1. een long die gestapeld en gevouwen is in weefsel, zo dat de gevouwen...
書肺
noun
千枚
noun
焚書
noun
1. en 2. (gepelde zaden van) plant Fagopyrum esculentum
  1. 蕎麦
  2. ソバ
/ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
  1. 書店
  2. 本屋
/bumɑn/
noun
1. een denkbeeldig wezen dat als schrikbeeld dient
ブギーマン
noun
1. een gebogen werpstok die de neiging heeft terug te keren naar de werper
ブーメラン
/buːr/
noun
  1. 4. speelkaart
    ジャック
  2. 1. landbouwer
    農夫
noun
1. een woning met bedrijfsruimte van een boer
農場
/buːrən/
verb
3. een boer laten
げっぷする
/burə'kol/
noun
1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
ケール
noun
1. de klasse van de boeren
農民
noun
1. bepaald soort samengesteldbloemige plant Tanacetum vulgare
タンジー
/ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
ツバメ
noun
1. het gehele lichaam, inclusief gezicht en ogen, verhullend gewaad gedragen door (streng) islamitische vrouwen
ブルカ
noun
ブルキニ
noun
苦行
noun
ブティック
noun
1.
胸
/bɔf/
noun
2. ziekte
流行性耳下腺炎
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
ボヘミア
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
ボーリウム
pronoun
1. meest gebruikte schrijfwijze van het Noors
ブークモール
noun
1. een gevechtswapen bestaande uit een stuk ijzer dat men gebruikt om mee te slaan
ナックルダスター
noun
1. een tactische vechtsport
ボクシング
noun
1. handschoen gedragen tijdens het boksen
ボクシンググローブ
noun
1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
  1. 球
  2. 球体
noun
1. een helder oplichtend bolvormig object met een diameter van maximaal 40 centimeter, dat soms waargenomen wordt in de buurt van een blikseminslag en dan gedurende meerdere seconden zichtbaar is
球電
noun
1. hoed
山高帽子
/boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
ボリビア
pronoun
1. een stad in Italië
ボローニャ
noun
1. lid van een factie van de marxistische Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (RSDAP) die zich ...
ボリシェヴィキ
noun
ボリシェビズム
/bɔm/
noun
1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
爆弾
noun
1. beschieting met bommen, het werpen van bommen
爆撃
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
照射
noun
1. een militair vliegtuig dat is ontworpen voor het werpen van bommen op gronddoelen
爆撃機
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
  1. ボネール島
  2. ボネール
noun
キダチハッカ
pronoun
1.
ボン
noun
ファーコート
noun
1. overgebracht bericht
伝言
/ˈbotsxɑpər/
noun
1. berichtenoverbrenger
使者
noun
  1. 3. deel van bouwwerk
    アーチ
  2. 2. cirkelboog
    円弧
  3. 1. wapen
    1. 弓
    2. ゆみ
noun
アーチ橋
noun
1.
アーク灯
noun
1. een sport waarbij pijlen worden weggeschoten naar een doel met behulp van een boog
  1. 弓術
  2. 弓道
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
  1. いて座
  2. 射手座
noun
1. iemand die schiet met een boog
射手
noun
1. meerjarige plant met houten stam
  1. 木
  2. 樹木
noun
1. een stuk grond met vruchtbomen
果樹園
noun
ブライヤ
/ˈbom.kɑn.ɣə.ru/, /ˈbom.kɑn.χə.ru/
noun
1. een dier uit het geslacht der boomkangoeroes
キノボリカンガルー
noun
1. bepaald soort vogeltje, Sitta europaea
ゴジュウガラ
/ˈbom.leː.β̞əˌrɪk/, /ˈbom.lɪː.β̞əˌrɪk/
noun
1. een vogelsoort die inheems is in Nederland en België
モリヒバリ
/'bomslɑŋ/
noun
2. bepaald landdier zonder poten Dispholidus typus
ブームスラング
noun
1. kleine sierlijke valk, familie van de torenvalk, Falco subbuteo
チゴハヤブサ
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
豆
noun
  1. A. rond zijn as ronddraaiend werktuig om gaten mee te maken
    ドリル
  2. B. chemisch element en een zwart metalloïde
    1. ホウ素
    2. 硼素
/ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
電気ドリル
/boʊs/, /boːs/
adjective
1. kwaad, woedend
怒る
/boʊt/, /boːt/
noun
1. klein vaartuig
扁舟
noun
1. zout van boorzuur met de chemische formule BO₃3−
硼酸塩
noun
ホウ砂
/bɔRd/, /bɔrt/
noun
[1] Schijfvormig voorwerp
皿
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
刺繍
noun
1. iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag
保証人
noun
2.
保釈
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
  1. ホウ素
  2. 硼素
pronoun
1. forensesgemeente in Twente
ボルネ
pronoun
ボルネオ
pronoun
1. dorp in Almelo
ボルネルブルク
noun
2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
  1. 乳房
  2. 胸
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
胸骨
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
ブラシ
noun
1. is een vorm van kanker die uitgaat van het melkklierweefsel in de borst, meestal (maar niet altijd) bij vrouwen
乳癌
noun
1. geraamte van de borst
胸郭
noun
1. ingreep waarbij de vrouwenborst operatief wordt vergroot
豊胸手術
noun
1.
胸鰭
noun
授乳
noun
1. een groep bomen
森
noun
野苺
noun
1. en 3. plant, en bessen, uit geslacht Vaccinium
ブルーベリー
/ˈbɔsbɑuw/
noun
1. het systematisch bosbeheer (teelt en verzorging van bossen) voor de productie van hout
林業
noun
1. brand van of in een bos
山火事
/ˈbɔsnis/, /ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
ボスニア語
/ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
  1. ボスニア・ヘルツェゴヴィナ
  2. ボスニア・ヘルツェゴビナ
pronoun
1. zeestraat tussen de Zee van Marmara en de Zwarte Zee
ボスフォラス海峡
noun
1. jonge, onvolgroeide geboste ui met blad
ワケギ
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
モリフクロウ
noun
3. onderdeel van het skelet
骨
/ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
  1. バター
  2. 牛酪
noun
1. een aantal planten uit het geslacht Ranunculus behorende tot de familie Ranunculaceae
金鳳花
noun
2. een belegde snee brood
サンドイッチ
noun
1. CH₃(CH₂)₂COOH
酪酸
pronoun
1.
ボスニア湾
/ˈbɔt.sə(n)/
verb
1. met een flinke snelheid tegen elkaar aankomen
打つかる
/ˈbɔt.sɪŋ/
noun
1. het botsen
衝突
/bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /bɔts.ˈʋa.na/, /bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
ボツワナ
adverb
1. zelfverzekerd, gedurfd
大胆
noun
1. het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
点火プラグ
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
だし
noun
psychologische toestand waarin een persoon terugkerende eetbuien heeft
神経性大食症
noun
香り
noun
ブルジョワジー
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
ブルゴーニュ
/ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
  1. 建てる
  2. 建設
  3. たてる
/ˈboː.vən/
adverb
1. bovenaan, erboven, niet beneden, niet eronder
上
/ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
上
noun
1.bovenbeen
太股
/bovənˈdin/
adverb
1. op de koop toe, daarenboven
そして
noun
1. een hooggeplaatst raam, boven een deur of in het dak
欄間 (らんま)
noun
上唇
adjective
1. behorende tot een orde van dingen die buiten het menselijke ligt
超自然の
verb
1. iemand uitsluiten, niet meer willen werken voor, leveren aan of kopen bij
ボイコット
noun
ペリット
noun
1. struik & 2. vrucht
  1. ブラックベリー
  2. 黒苺
pronoun
1.
ブラッケンハイム
verb
1. vlees bereiden door het in vet te verhitten
焼く
noun
点字
/ˈbrɑnd/, /ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
  1. 火事
  2. 火災
verb
1. verteerd worden door vuur
燃える
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
ブランデンブルク州
noun
1. een soort sterke drank
ブランデー
noun
1. bepaald soort gans, Branta leucopsis
カオジロガン
noun
1. hout dat gebruikt wordt om te verbranden
薪
noun
ピント
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
放火犯
noun
  1. 放火罪
  2. 放火
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
燃料
noun
een elektrochemisch toestel
燃料電池
noun
消防隊
noun
消防署
noun
1. lid van de brandweer
消防士
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
ブリーム
/braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
  1. ブラジル
  2. ブラジル連邦共和国
  3. 伯剌西爾
adjective
幅が…ある
/ˈbred.bɑnd/, /ˈbred.bɑnt/
noun
1. een internetverbinding met een hoog debiet
ブロードバンド
noun
1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
巾
noun
1. cirkel van gelijke geografische breedten
緯度
noun
1. stevige metalen stang, meestal voorzien van een gespleten einde, de koevoet, gebruikt om zaken open te breken.
バール
/ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
編む
/brɛi̯n/
noun
1. orgaan
知的指導者
/ˈbrɛɪ̯nald/, /ˈbrɛɪ̯naɫt/, /ˈbrɛːnalt/
noun
1. een naald die gebruikt kan worden bij het breien
棒針
verb
  1. 1. in stukken uiteenvallen
  2. 5. in stukken uiteen doen vallen
ひびが入る
noun
屈折率
pronoun
ブレーメン
/ˈbrɛŋ.ə(n)/
verb
1. ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
持って来る
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
ブルターニュ
noun
1. broekophouder
  1. sasupendā
  2. サスペンダー
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
ブルトン語
noun
1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
分数
noun
3. noot die twee- of driemaal de lengte van een hele noot had
短音記号
noun
1. mogelijk vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie
ブレグジット
noun
  1. 1. een spel gespeeld door vier spelers, verdeeld in twee paren en gespeeld in dertien slagen
  2. 2. de kam van een elektrische gitaar
ブリッジ
noun
1. zachte Franse schimmelkaas
ブリー
noun
1. verzonden geschreven boodschap
  1. 手紙
  2. tegami
  3. てがみ
noun
1. een korte brief in de vorm van een kaart
葉書
noun
1. een doorgaans sierlijk mesje dat men gebruikt om briefomslagen met te openen
ペーパーナイフ
/bris/
noun
1. zachte frisse wind
微風
noun
郵便受け
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
眼鏡
/ˈbrɪl.beːr/, /ˈbrɪɫ.beːr/, /ˈbrɪɫ.bɪːr/
noun
1. een beer met grote cirkels rond de ogen, als een bril
メガネグマ
noun
1. Bucephala clangula, een vogel uit de familie Anatidae
ホオジロガモ
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat Queensland
ブリスベン
noun
イギリス人
/brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
イギリス
pronoun
イギリス領ヴァージン諸島
pronoun
ブリテン
/ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
ブロッコリー
noun
パンフレット
/brudər/
noun
1. een broer
ブラザー
noun
  1. 1. kerkelijk goedgekeurde vereniging
  2. 2. vereniging van beroepsgenoten
  3. 1. vriendschappelijke betrekking als tussen broers
兄弟の間柄
noun
1. bouwsel met glazen wanden voor het opkweken van gewassen
温室
noun
温室効果
noun
温室効果ガス
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
  1. パンツ
  2. ズボン
noun
ズボンの脚
/bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
  1. 兄弟
  2. お兄さん
noun
1. zijdeweefsel met ingeweven, meestal grote figuren, vaak met goud- of zilverdraad doorweven
ブロケード
noun
モペッド
noun
臭化物
noun
モペッド
noun
  1. 1. daar waar men informatie vandaan haalt
  2. 2. begin van een waterloop
  1. 泉
  2. 源
noun
1. ontsteking van de luchtpijptak
気管支炎
noun
  1. 青銅
  2. ブロンズ
noun
paartijd
発情
adjective
1.van brons gemaakt
ブロンズ製の
verb
1.
ブロンズ製の
/broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
パン
noun
1. boom Artocarpus altilis
パンノキ
noun
パン屑
noun
ホームベーカリー
noun
トースター
noun
1. vrucht van de broodboom Artocarpus altilis
パンの実
noun
1. lid van een huishouding met betaald werk
大黒柱
noun
臭素
verb
1. (bier) brouwen
醸造
/brɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
ブルワリー
noun
1.
ブラウニー
/brʏx/, /brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
  1. 橋
  2. 橋梁
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
ブリュッヘ
noun
橋頭堡
/brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
嫁
noun
1. man die in het huwelijk treedt
  1. 新郎
  2. 花婿
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
持参金
noun
1. kosteloze lening voor tijdelijk gebruik onder voorwaarde van teruggave
寄託
noun
1. huwelijks-, trouwfeest
結婚式
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
  1. 茶色
  2. 茶色い
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
  1. 茶色
  2. 茶色い
noun
1. hemellichaam met een massa tussen die van een gasreus en een ster, onvoldoende voor kernfusie tussen protonen
褐色矮星
noun
1. bepaald soort roofvogel, Circus aeruginosus
ヨーロッパチュウヒ
noun
1. lid van de SA in Nazi-Duitsland
突撃隊員
noun
亜炭
/ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
ネズミイルカ
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
ブルーニコ
/bry.ˈnɛɪ̯/, /bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
ブルネイ
pronoun
ブラウンシュヴァイク
/brʏs/
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders (zonder de connotatie met zorg)
兄弟
pronoun
1. de hoofdstad van België
ブリュッセル
noun
国内総生産
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
消費税
/'bɵfəl/
noun
1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
野牛
noun
3. tijdelijk geheugen in rekenmachines...
バッファ
noun
1. een gebied dat op een of andere manier als buffer dient
緩衝地帯
/ˈby.χəɫ/, /ˈbyː.ɣəl/
noun
1. een koperen blaaasinstrument.
フリューゲルホルン
noun
1. zoogdier dat het jong in een buidel draagt
有袋類
/bœʏ̯χə(n)/, /bœːɣə(n)/
verb
  1. 2. krom worden
  2. 3. een buiging maken, zich buigen
  3. 4. aandacht besteden aan iets
曲げる
noun
1. nijging als beleefde groet
辞儀
adjective
柔軟
/bœʏ̯k/, /bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
  1. 腹
  2. お腹
noun
下痢
noun
1. buikspier
腹筋
noun
腹話術師
noun
1. de meest voorkomende vorm van pest en wordt veroorzaakt door de
腺ペスト
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
管
noun
2. buisklokken
チューブラーベル
/ˈbœʏ̯tə(n)/, /ˈbœːtə(n)/
adverb
外
adjective
1. niet binnen het raamwerk van het huwelijk
婚外
noun
1. ieder land buiten het eigene
海外
/ˈbœytə(n)lɑndər/
noun
1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
外人
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
外国
noun
1.
オフサイド
/ˈbœy̯.tə(n)ˌsta:n.dər/
noun
iemand buiten de groep, van buiten
部外者
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
ヨーロッパノスリ
/ˈbɵkən/
verb
  1. 1. het lichaam geheel vooroverbuigen om bij iets lagers te komen
  2. 2. het lichaam geheel voorover buigen
屈む
/bʏl/
noun
1. mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
牡牛
noun
1. een stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken...
ブルドッグ
/bɵɫˈγ̊aːrs/
adjective
1. met betrekking tot Bulgarije of de Bulgaarse taal
ブルガリア語
/bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
ブルガリア語
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
ブルガリア
noun
1. gestoomde, daarna gedroogde en vervolgens grof gemalen of gebroken tarwekorrels, meestal durumtarwe
ブルグル
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
ブルドーザー
noun
こぶ
/ˈbʏltrʏx/
noun
1. benaming voor een van de grotere baardwalvissen met lange borstvinnen
ザトウクジラ
noun
1. stootstang
バンパー
noun
1. zijdelings bijeengehouden verzameling langwerpige voorwerpen
束
noun
1. woning of vakantiehuis zonder bovenverdieping
バンガロー
noun
1. zwaar versterkte verdedigingsstelling
トーチカ
noun
1. gasbrander met regelbare luchttoevoer die men gebruikt in een laboratorium
ブンゼンバーナー
noun
1. kasteel
城
noun
  1. 2. een (politie)kantoor
    1. 事務所
    2. 執務室
  2. 1. een werkmeubel voor administratief- en studiewerk
    机
noun
官僚制
noun
1.
ビュレット
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
市長
noun
  1. 1. inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
    公民
  2. 2. lid van de burgerbevolking, in tegenstelling tot een strijdende partij of ordedienst
    文民
/ˈbʏrɣərlək/
adjective
1. tot de burgers behorend, tot de middenstand behorend
ブルジョア
noun
1.
市民社会
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
  1. 内戦
  2. 内乱
noun
1. een recht dat men geniet als staatsburger van een land
公民権
noun
公民権
noun
1. edelman
子爵
/bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
ブルキナファソ
/bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
ブルンジ
/bɵs/
noun
1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
バス
/ˈbʏshɑltə/, /ˈbʏshɑɫtə/
noun
1. een plek waar een bus stopt
バス停
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
火薬
noun
  1. 1. boezem
  2. 2. borstbeeld
半身像
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
  1. ブラジャー
  2. ブラ
  3. ぶらじゃー
noun
1. C₄H10
ブタン
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
ニホンカボチャ
noun
1. een man naast wie men woont
  1. 近所の人
  2. 隣の人
noun
    1. 2. de nabijheid
    2. uit te zoeken vertalingen
    付近
  1. 1. een (deel van een) wijk
    近隣住区
/bɑjt/
noun
1. het kleinste adresseerbare gedeelte van een computergeheugen
バイト
noun
ベータ
/ˈbɛːtaˌdeltʲə/
noun
β粒子
pronoun
1. en 2.
ベーブリンゲン
symbol
1. akkoordsymbool
C
/se'ɣrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord c - e - g
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
ハ長調
/se'ɣrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord c - e - g
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
ハ長調
/ˌkɑbɑˈrɛ(t)/
noun
1. een kleinkunst, vermaak met toneel, zang, dans, en voordracht
キャバレー
/kakaˈoː/, /kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
ココア
noun
1.
カカオバター
noun
1. een poederachtige substantie die wordt verkregen door het uitpersen van de cacaomassa van cacaobonen
ココア
noun
1. een vetplant met stekels
サボテン
/kaˈdoː/
noun
1. iets dat men aan iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
贈り物
noun
1. als geschenk gegeven bon, die recht geeft op aankoop tot het bedrag dat op de bon vermeld wordt
ギフトカード
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
カドミウム
noun
1. een eenvoudige eetgelegenheid, waar men een snelle hap kan nuttigen
カフェテリア
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
カフェイン
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar men dranken kan nuttigen
カフェ
pronoun
カラブリア州
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
  1. カルシウム
  2. 石灰素
noun
1. calciumcarbid
炭化カルシウム
verb
1. rekenen
計算
pronoun
カレドニヤ
noun
1. fijn katoenen weefsel
カナキン
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
カリホルニウム
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten. De staat grenst aan de Pacifische Oceaan en aan de Mexicaanse deelstaat Baja California, alsmede aan de Amerikaanse deelstaten Nevada, Oregon en Arizona.
  1. カリフォルニア州
  2. 加州
pronoun
  1. 1. nimf uit de Griekse mythologie
  2. 2. een van de vier grote manen van Jupiter
カリスト
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
カロリー
noun
1.een sterke alcoholische drank
カルヴァドス
/kɑm.ˈbɔ.dja/, /kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
カンボジア
pronoun
ケンブリッジ
/ˈkɑmbrijʏm/
noun
カンブリア紀
/ˈkaməˌra/
noun
1. een apparaat om beelden mee te registreren
カメラ
pronoun
カンパニア
/ˈkɑmpʏs/
noun
1. universiteitsterrein
キャンパス
/ˈka.na.da/, /ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
  1. カナダ
  2. 加奈陀
pronoun
  1. カナリア諸島
  2. カナリアス諸島
pronoun
1. de federale hoofdstad van Australië, gelegen in het Australisch Hoofdstedelijk Territorium
キャンベラ
noun
カンデラ
noun
1. schimmelziekte van huid en slijmvliezen
カンジダ症
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
カンタブリア州
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. cantalupensis
カンタロープ
noun
カンタータ
/ˌkɑntaˈrɛɫ/
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak, Cantharellus cibarius
杏茸
noun
キャンバス
adjective
1. rubber
ゴム
noun
1. mogelijkheid om iets te bevatten
容量
pronoun
1. Capella
カペラ
/ˌkapiˈbaːra/
noun
1. Hydrochoerus hydrochaeris, een groot knaagdier...
カピバラ
/ˌka.pɪ.la.ri.ˈtɛɪ̯t/
noun
毛細管現象
noun
1. internationaalrechtelijke verklaring dat een partij de strijd tijdens een oorlog opgeeft
降伏
/kapu'ɪ:ra/
noun
1. een dans- en vechtsport afkomstig uit Brazilië
カポエイラ
noun
1. kopje koffie dat uit gelijke delen espresso, melk en melkschuim bestaat
カプチーノ
pronoun
カプリ島
noun
2.een omhulsel, veelal van gelatine met een medicijn erin
カプセル剤
/ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
フード
noun
1. bepaald soort zoogdier, Profelis caracal
カラカル
/karákas/
pronoun
1. de hoofdstad van de Zuid-Amerikaanse staat Venezuela
カラカス
noun
1. carbidgas/acetyleen
アセチレン
noun
炭酸塩
noun
1. een organische verbinding die de functionele groep -COOH bezit
カルボン酸
/kɑrˈbon/
noun
石炭紀
adjective
1. kankerverwekkend
発癌物質
noun
1. kankergezwel
癌腫
/ˈkɑrdɪɡən/
noun
1. vest met V-hals dat met knoopjes aan de voorkant wordt gesloten
カーディガン
/kɑrdijolo'xi/
noun
1. een medisch specialisme dat zich bezighoudt met het opsporen, diagnosticeren en behandelen van hartziekten
循環器学
/kɑrdijo'lox/
noun
心臓学医
/ˌkɑr­.di­.jo­ˌmi­.jo­.pa­ˈti/
noun
1. hartspierziekte
心筋症
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
  1. 謝肉祭
  2. カーニバル
/kɑrniˈvor/
noun
1. een vleesetend dier
肉食
noun
カロチン
noun
1. koetswerk van een voertuig
カロッツェリア
pronoun
カルタゴ
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
地図学
noun
カシューナッツ
noun
1. een gelegenheid waar in een luxe omgeving gegokt wordt
カジノ
noun
1. Manihot esculenta, een eetbare wortelknol
キャッサバ
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
カセット
noun
specerij
シナニッケイ
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
カシオペヤ座
pronoun
1. landstreek in Spanje
カスティーリャ
pronoun
カスティーリャ・レオン州
pronoun
カスティーリャ・ラ・マンチャ州
noun
1. ontmanning, het volledig verwijderen van de teelballen bij de man
去勢
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
去勢
noun
1. een naamval
格
noun
1. onderaardse ruimte, onderaards gangenstelsel in het algemeen
カタコンベ
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
カタルーニャ語
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
  1. カタルーニャ
  2. カタロニア
noun
1. vaartuig met twee drijvende delen (de rompen), die boven de waterlijn parallel aan elkaar gemonteerd zijn
カタマラン
noun
1. grijze staar, een troebeling van de ooglens die het zien verstoort
瀑布
noun
1. een algemene ramp
災害
noun
1. de leer van een godsdienst in de vorm van vragen en antwoorden gebruikt in het godsdienstonderwijs...
カテキズム
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
  1. 部門
  2. 分類
adjective
1. oorzakelijk
因果
noun
1. strijdmacht te paard
騎兵
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
  1. モルモット
  2. ギニアピッグ
  3. テンジクネズミ
noun
1. en 2. een peper, een scherp specerij
カイエンペッパー
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
カイロ
noun
1. compact disc
シーディー
pronoun
1. een taal die op de Filipijnen en met name op het eiland Cebu gesproken wordt
セブアノ語
/ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
ヒマラヤ杉
noun
  1. 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
  2. 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
  3. 1. een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
  4. 2. een kleine ruimte (in een klooster)
細胞
noun
1. slagwerkinstrument met een klavier
チェレスタ
/sɛlkɛrən/
noun
1.
細胞核
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
チェロ
noun
1.
セルロイド
/ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
セルロース
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
セメント
noun
1. hoge ambtenaar in de Romeinse republiek
ケンソル
verb
1. bewust informatie uit de media weghalen
検閲する
/sɛnˈsyr/
noun
1. de controle van de kant van de overheid op alles wat de media uitbrengen
検閲
noun
セント
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
ケンタウルス座
noun
1.
ケンタウロス
/'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
  1. センチメートル
  2. センチ
adjective
1. in het midden gelegen
中央
/sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
中央アフリカ共和国
pronoun
中央アジア
pronoun
中央ヨーロッパ
pronoun
1. Iraanse taal gesproken door 6 miljoen mensen in Irak en Iran
クルド語
noun
1. een verwarmingssysteem, waarbij de warmte centraal wordt opgewekt
セントラルヒーティング
noun
1. pomp die een vloeistof verpompt door het met een draaiend rad naar buiten te slingeren
渦巻きポンプ
noun
1. centrifugaalmachine
遠心分離器
verb
1. met een centrifuge scheiden, zuiveren of drogen
...を遠心機にかけて分離する
noun
1. middelpunt
中心
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
ケフェウス座
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
ケレス
noun
セリウム
noun
セシウム
noun
1. overdracht van schuldvordering
譲渡
pronoun
セウタ
pronoun
セイロン
noun
1.
チャクラ
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
シャンパーニュ
/ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
  1. シャンパン
  2. シャンペン
noun
1. bepaald soort eetbare en speciaal gekweekte witte paddenstoel, Agaricus bisporus
マッシュルーム
/xɑnuˈka/
noun
1. feest van de herinwijding van de tempel
ハニカ
noun
シャンソン
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
強請
verb
1. onder bedreiging een schandaal te veroorzaken iemand geld afhandig maken
せびる
noun
1. grote wanorde
  1. ごたごた
  2. 混沌
noun
1. deelgebied van de wiskunde en natuurwetenschappen dat zich bezighoudt met het gedrag van dynamische systemen zoals dat sterk door hun begintoestand wordt bepaald.
カオス理論
noun
1. uitstraling
カリスマ
/ˈʃar.la.tan/
noun
薮医者
pronoun
1. grootste stad van Henegouwen
シャルルロワ
/sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
シャルム
/ʃaʊ̯.ˈføːr/, /ʃo.ˈføːr/, /ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
運転手
noun
ショービニズム
noun
ショービニスト
noun
1. Acinonyx jubatus, een zeer snel Afrikaans katachtig roofdier
チーター
noun
化学物質
noun
化学者
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
化学
adjective
1. dat wat tot de chemie behoort, volgens de chemie
化学的
noun
化学元素
pronoun
1.
ケムニッツ
noun
1. behandeling van kanker met medicijnen
化学療法
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat Tamil Nadu. De voormalige naam van de stad was Madras
チェンナイ
/ʃɛk/
noun
小切手
noun
2. eetbare hartvormige vrucht van Annona cherimola
チェリモヤ
/tʃɛ.ˈrɔ.ki/, /ˈtʃeː.ro.keː/
pronoun
1. inheemse taal gesproken door enkele duizenden mensen in Noord-Amerika
チェロキー語
/ˈxerʏp/
noun
1.
智天使
noun
カイ
pronoun
シカゴ
/ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
チリ
/'ʃílipepər/
noun
1.
唐辛子
noun
キメラ
/ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
  1. 黒猩々
  2. チンパンジー
/ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
  1. 中国
  2. 中華人民共和国
noun
チンチラ
/ʃi.ˈnes/
adjective
1. betreffende China
中国語
/ʃi.ˈnes/
pronoun
  1. 2. persoon
    中国語
  2. 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
    1. 中国語
    2. ちゅうごくご
noun
(bladeren van) Brassica rapa subsp. pekinensis
ハクサイ
noun
1. bepaald soort grasachtige plant, Eleocharis dulcis
クログワイ
noun
1. bepaald soort kreeftachtige,
チュウゴクモクズガニ
noun
2. een klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
チップ
/ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
  1. 外科医
  2. gekai
  3. げかい
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
外科学
noun
塩素
noun
塩化物
noun
クロロホルム
/ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
チョコレート
/ˌʃo.ko.ˈla.də/, /ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
チョコレート
noun
1. een veelal ronde, bruingekleurde taart, waarin chocolade of cacao verwerkt is
チョコレートケーキ
noun
チョーク弁
/χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
コレラ
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
コレステロール
noun
振付師
noun
振り付け
pronoun
クライストチャーチ
adjective
1. te maken hebbend met het christendom
Kirisutokyō no)
/ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
キリスト教徒
/ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
キリスト教
/ˈxrɪstʏs/
pronoun
  1. キリスト
  2. ハリストス
/ˌxromatisiˈtɛɪt/, /ˌɣromatisiˈtɛɪt/, /ˌχromatisiˈtɛɪt/
noun
1. de kwaliteit van een kleur zoals gedefinieerd door zijn kleurvolheid en helderheid
色度
noun
クロム
/ˌɣro.mo.zo.ˈmal/, /ˌɣro.mo.zo.ˈmaɫ/, /ˌχro.mo.zo.ˈmaɫ/
adjective
1. met betrekking tot de chromosomen, de eiwitten die erfelijke informatie bevatten
染色体
/ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
染色体
/ˈkronis/
adjective
1. voortdurend, aanhoudend
慢性的
/xrono.lo'ɣiː/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
編年
adjective
1. naar tijdstip gerangschikt
経時的
noun
1. een uurwerk waarop zeer kleine tijdsdelen kunnen worden afgelezen
クロノメーター
noun
クロム
noun
1.
菊
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
蝉
/ˌsikoˈrɛɪ/
noun
チコリー
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
シードル
noun
1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
数字
noun
円柱
noun
1. de inhoud van het deel van de cilinder waarlangs de zuiger zich verplaatst, het slagvolume
排気量
noun
1.
映画ファン
noun
1.
映画館
noun
1.
丹
noun
1. iemand die gevangenen bewaakt en verzorgt
看守
noun
1. bepaald soort naaldboom, Cupressus sempervirens
  1. サイプレス
  2. 糸杉
noun
1. omloop voor snelheidswedstrijden
サーキット
noun
1. een woorddeel dat rondom een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
接周辞
noun
  1. 2. chaotische toestand
    サーカス
  2. 1. attractie
    1. サーカス
    2. 曲馬団
/ˈsɪrkəɫ/
noun
  1. 丸
  2. 円
verb
1. in cirkels ronddraaien of rondvliegen
周遊する
/ˈsɪrkəlzax/
noun
1. motorzaag met een rond zaagblad
電気丸のこ
noun
1.
喉黒青鵐
noun
1.
硬変
noun
1. aanhaling, ontleende passage
引用
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
ツィター
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
  1. レモン
  2. 檸檬
noun
クエン酸
noun
1. Viverra, een geslacht van kleine slank gebouwde roofdieren dat ---
霊猫
noun
土木工学
noun
1. artistieke techniek
キアロスクーロ
noun
分類
/klʌstrofoˈbiː/, /klʌustrofoˈbiː/
noun
1. vrees voor afgesloten ruimten
閉所恐怖症
noun
1.
クラクション
noun
1. de leiders van een kerkgenootschap
聖職者
noun
1. te veel gebruikte uitdrukking
決まり文句
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
  1. 陰核
  2. クリトリス
noun
1. de gecombineerde darm- en urineuitgang bij bepaalde diersoorten
総排出腔
noun
een verwijzing naar het internet
クラウド
/kloːn/, /klʌːun/
noun
  1. 1. komische artiest
  2. 2. bespottelijk iemand
  1. ピエロ
  2. 道化師
/klɵp/
noun
  1. 1. besloten gemeenschap
  2. 3. golfstok
クラブ
noun
コエンザイム
/kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
連立
noun
1. vrachtschip kleiner dan 1800 Brut Register Ton (1 BRT = 2,83 m³)
沿岸貿易船
noun
1. gevaarlijke gifslang
コブラ
noun
1.
コカ
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
コカイン
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
カクテル
noun
シェイカー (調理器具)
noun
繭
/'kodə/
noun
  1. コード
  2. 符号
verb
1. in een code brengen
エンコード
noun
遺言補足書
noun
コニャック
noun
1. ontgaste steenkool
  1. コークス
  2. 骸炭
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
コーラ
noun
2
協力者
verb
1. met de vijand samenwerken
協力
noun
コラージュ
/ˌkɔlɑˈɣen/
noun
1.
コラーゲン
noun
1. stellen van het belang van de gemeenschap boven dat van het individu
集産主義
/kɔˈleɣa/, /kɔˈleχa/
noun
  1. 1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt
  2. 2. een vak- of ambtgenoot
同僚
noun
コロイド
pronoun
1.
コルマール
noun
1. opsomming van de manier waarop een boek tot stand is gekomen
奥付
/ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
コロンビア
noun
1. een inwoner van Colombia of persoon die de Colombiaanse nationaliteit bezit
コロンビア人
/ko'lɔnə/
noun
1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
縦列
noun
1. dikke darmonderzoek waarbij men met een endoscoop het darmslijmvlies onderzoekt en zonodig een biopsie kan nemen
大腸内視鏡
noun
1. een kever die op de aardappelplant leeft van ongeveer 1 cm lang en met een geel...
コロラドハムシ
noun
1. de eerste, gelige moedermelk
初乳
noun
コルタン
/ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
  1. コマ
  2. 昏睡
noun
結合
noun
委員会
/kɔ.ˈmɑn.do/
noun
  1. 2. speciaal getrainde groep militairen voor speciale missies
  2. 1. iemand uit een eenheid die extra getraind wordt voor speciale missies
特戦隊
/kɔmən'tar/
noun
  1. 1. toelichting of verklaring
  2. 2. kritiek
  1. コメント
  2. 論評
noun
コメンテーター
/kɔmərˈʃel/, /kɔmɛrˈsjel/
adjective
1. zakelijk
商業
noun
1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
委員会
verb
2. met elkaar in contact komen
通じる
noun
コミュニケ
/kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
共産主義
noun
共産主義者
/ko.ˈmoː.rə(n)/, /ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
コモロ
noun
2. vennootschap
中隊
noun
1. verschijning in rechte
出廷
//
noun
1. verenigbaarbeid van elektronische apparaten, softwareprogramma's, enz
互換性
noun
1. wedijver, concurrentie
競争
noun
補文
/kɔmplɛks/
adjective
1. ingewikkeld
コンプレックス
verb
1.(nodeloos) ingewikkeld maken
複雑にする
noun
1. een lovende of vleiende opmerking
お世辞
noun
1. iemand die muziekstukken schrijft
作曲家
noun
een samengesteld materiaal dat is opgebouwd uit verschillende componenten
複合材料
noun
  1. 1. een muziekstuk, werkstuk van een componist
  2. 2. samenstelling
作品
noun
1. is het residu dat ontstaat na ontbinding van organisch materiaal (d.w.z. van plantaardige of dierlijke oorsprong)
コンポスト
verb
1. samenpersen, compact maken
圧縮
/kɔmproˈmi/
noun
1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen...
和解
/kɔm.ˈpju.tər/, /kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
コンピュータ
noun
1. een programma dat geïnstalleerd en gebruikt kan worden op een computer
コンピュータプログラム
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
コンピューターゲーム
noun
1. de taal waarin computerprogramma's worden geschreven, de programmeertaal.
コンピュータ言語
noun
1.
コンピューターウイルス
noun
計算機科学
noun
  1. 濃度
  2. noudo
  3. のうど
verb
  1. 1. op één plek samenbrengen
  2. 2. zich ~ op één zaak toespitsen
凝縮
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
コンサート
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
コンクラーヴェ
/kɔŋˈklyzi/
noun
結論
/kɔnˈkret/
adjective
2. in realiteit bestaand
具体的
noun
1.
競争
/kɔndɛn'zasi/
noun
結露
noun
1. elektrische component
  1. コンデンサ
  2. キャパシタ
noun
  1. 1. gezondheidstoestand
  2. 2. voorwaarde
状態
noun
コンドーム
noun
1. benaming voor sommige roofvogels uit de Amerikaanse tak (Cathartidae) van de gierenfamilie
コンドル
noun
コンダクタンス
noun
1. een medewerker van de spoorwegen die reizigers op vervoersbewijzen controleert en de orde in de trein of tram dient te bewaren
車掌
noun
会議
noun
1. felgekleurde papiersnippers
紙吹雪
/kɔnfixy'rerə(n)/
verb
1. opbouwen en aanpassen aan eigen behoefte
設定
verb
1. van staatswege in beslag nemen
没収
noun
衝突
noun
対決
noun
儒学
/kɔŋˈɣrɛs/, /kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
国会
noun
1. binding
接合
noun
接続詞
/kɔnˈsɛnzʏs/
noun
合意
noun
1. een noodzakelijk gevolg
結論
/kɔnsɛrvaˈtif/
adjective
1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde
保守派
noun
1. een school in het hoger onderwijs waar men zich kan laten opleiden tot professioneel musicus, acteur/actrice of danser(es)
コンサーヴァトーリ
noun
コンソーシアム
pronoun
コンスタンティノポリス
noun
1. een situatie waarin men zich geen raad meer weet
驚愕
noun
1. verstopping, harde of uitblijvende ontlasting
便秘
/ˌkɔnstrʏkˈtif/
adjective
1. opbouwend
建設的
noun
  1. 1. Romeins overheidspersoon
  2. 1. vertegenwoordiger
領事
noun
1.
領事館
noun
1. een deskundige raadgever
コンサルタント
verb
  1. 1. verorberen
  2. 2. verbruik van goederen en diensten in de economie
摂取
/kɔn.ˈtɑk/, /kɔn.ˈtɑkt/
noun
  1. 1. een toestand waarbij twee voorwerpen elkaar raken
  2. 2. onderlinge communicatie
  3. 3. een contactpersoon
  4. 4. een verbinding van twee elektrische geleidingen
  5. 5. een elektrische schakelaar
  6. 6. de grens tussen stollings- en nevengesteente
お問い合わせ
verb
1. contact opnemen met
連絡
noun
1. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
  1. コンタクト
  2. コンタクトレンズ
noun
コンテナ
noun
コンテナ船
noun
1. verontreiniging of besmetting met chemische stof of bacterie
コンタミネーション
/ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
文脈
noun
1. een werelddeel
大陸
/ˌkɔntinyˈweːrə(n)/
verb
1. voortzetten
続ける
noun
1. het laagstklinkende muziekinstrument van de strijkinstrumenten
コントラバス
/kɔnˈtrɑkt/
noun
1. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
契約
noun
会費
noun
コントロール
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
  1. チェックする
  2. 点検する
/kɔn.vɛr.ˈsa.tsi/
noun
会話
verb
1. een gesprek voeren
話す
adjective
1.
クール
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
コペルニシウム
noun
1. het eten van ontlasting
食糞
/ˈkɔrnis/, /ˈkɔrnɪs/
pronoun
1. een Keltische taal die gesproken wordt in Cornwall
  1. コーンウォル語
  2. コーンウォール語
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
コーンウォール
noun
1. samenhang
相関
noun
書簡
verb
文通
/ˌkɔriˈʒeːrə(n)/, /ˌkɔriˈʒɪːrə(n)/
verb
1. iets van fouten ontdoen
正す
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
腐食
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
おしょく
/'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
コルシカ島
pronoun
1. een taal die op Corsica gesproken wordt
  1. コルシカ語
  2. コルシカの
noun
  1. コサイン
  2. 余弦
/ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
コスタリカ
noun
クーロン
noun
バース
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
ズッキーニ
noun
クスクス
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
コヨーテ
noun
1. een constante factor van een onbekende of van een veranderlijke grootheid
係数
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
性交
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
協同組合
noun
1. bepaald soort struik en 2. vrucht daarvan, Vaccinium macrocarpon
クランベリー
noun
1. een schepping, iets totaal nieuw
創造
/krejaˈtif/
adjective
1. scheppend vermogen bezittend, met een scheppende geest
創造的
noun
1.
クレアチン
noun
1. gedrevenheid of vaardigheid om iets oorspronkelijks te maken
創造力
noun
クレジットカード
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
債権者
noun
クリー
noun
1. de lijkverbranding, de verassing
火葬
verb
火葬
noun
1. in Latijns-Amerika geboren nazaten van een samensmelting van Afrikaanse slaven...)
クレオール
noun
1. een uit Engeland afkomstig slagbalspel in de open lucht
クリケット
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
犯罪学
noun
1. beoefenaar van de criminologie
犯罪学者
noun
1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
  1. 危機
  2. クライシス
/kriˈterijʏm/
noun
1. toets, een doorslag gevende reden
基準
/krʋɑˈsɑ̃/
noun
1. halvemaanvormig broodje
クロワッサン
noun
1. een uit de auto-industrie afkomstig middel om de snelheid van een voertuig vast te zetten, zodat men zelf geen gas hoeft te geven
クルーズコントロール
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
クルーズ客船
noun
暗号解読
noun
1.
縮緬紙
/ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
  1. キューバ
  2. 玖馬
adjective
1. met betrekking tot de kookkunst
料理
noun
1. film die populair is bij een kleine maar betrokken groep fans
カルト映画
/kʏltyˈrel/
adjective
1.met betrekking tot cultuur
文化
noun
崇拝
/kɵl'tyːr/
noun
1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
文化
noun
積乱雲
noun
1.
カップケーキ
/ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
  1. キュラソー島
  2. キュラソー
noun
2. gele voedselkleurstof
クルクミン
noun
1. het bestuursorgaan van de Heilige Stoel ten behoeve van de gehele Rooms-katholieke Kerk
ローマ教皇庁
noun
1.iets merkwaardigs
珍奇
noun
キュリウム
noun
1. een precisiesport die lijkt op bowls, jeu de boules en bocce, die op ijs gespeeld wordt gespeeld met zware stenen in plaats van metalen (of plastic) ballen
カーリング
adjective
1.
イタリック
/ˈkʏrsʏs/
noun
コース
noun
曲線
noun
1. een blauwgroene kleur
シアン
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
サイバネティックス
noun
1. oorlogvoering waarbij hackers staten aanvallen om te trachten systemen te saboteren of te spioneren
サイバー戦争
/ˈsiklis/
adjective
1. regelmatig terugkerend
周期的
noun
2.
サイクロン
noun
1. terugkerende, regelmatige reeks
周期
/ˈsinis/
adjective
皮肉
/ˈki.prʏs/, /ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
キプロス
/sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
キリル
noun
1. een alfabet dat geschreven wordt in het cyrillisch schrift
キリル文字
/ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
囊胞
/ˌsitɔˈplɑsma/
noun
細胞質
/ˈsitoskəˌlɛt/
noun
1.
細胞骨格
/ˈsitɔzɔl/
noun
1
細胞質基質
/daːt/
noun
1. bewust gepleegde handeling
行動
/dar.ˈχɪn(t)s/, /ˈdar.ɣɪn(t)s/
adverb
1. op een plaats in de verte
あそこ
noun
虻
/daˈsit/
noun
1. vulkanisch stollingsgesteente.
デイサイト
noun
ダダイスム
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
デーツ
/dɑx/, /dɑχ/
noun
  1. 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
  2. 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
  1. 日
  2. 昼
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
日刊紙
noun
日記
adverb
1. iedere dag
  1. 毎日
  2. 日々
noun
1. het aanbreken van de nieuwe dag, de tijd net voor zonopkomst
夜明け
noun
1. bepaalde soort dagvlinder, Aglais io
クジャクチョウ
noun
1. een oproep om voor een rechtbank te verschijnen
召喚
noun
1.
ダリア
pronoun
ダホメ
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
屋根
noun
1. iemand die op de straat leeft, zonder vaste verblijfplaats
ホームレス
/dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
谷
noun
ダルメシアン
noun
1. (bij het damspel) twee gestapelde schijven
キング
noun
1. weeftechniek, waarbij tekeningen aangebracht worden op een achtergrond van dezelfde kleur
絢緞子
/daːmə/
noun
  1. 3. koningin in het schaakspel
    クイーン
  2. 1. beschaafde vrouw
    婦人
noun
1.
御列席の皆様
phraseologicalUnit
1. etiquetteregel
レディーファースト
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
ダマジカ
verb
1. het damspel spelen
チェッカー
/dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
  1. 蒸気
  2. 湯気
adverb
1. toekomstig tijdstip
そのとき
conjunction
1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord.
より
pronoun
3. jongensnaam
ダニエル
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
ありがとう
adjective
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
感謝
noun
1. het dankbaar zijn
感謝
verb
感謝
preposition
1. door de positieve werking van
おかげ
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
  1. ダンス
  2. 踊り
verb
1. ritmisch bewegen
  1. 踊る
  2. おどる
  3. odoru
noun
1. mannelijk persoon die danst
ダンサー
/dɑnsə'rɛs/
noun
1. een vrouwelijk persoon die danst
踊り子
noun
ダンスフロア
/ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
勇敢な
noun
1. mannelijke bij
雄蜂
/dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
腸
noun
ダームスタチウム
noun
1. evolutieleer die het ontstaan van de soorten verklaart door natuurlijke selectie uit varianten die bij reproductie optreden
ダーウィニズム
/dɑs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
  1. アナグマ
  2. 穴熊
noun
1. paneel met instrumenten waarmee een voertuig of installatie kan worden bestuurd of bediend
ダッシュボード
noun
ダックスフント
/ˈdɑs.lok/
noun
1. sterk riekende, eetbare plant uit de lookfamilie
ラムソン
conjunction
1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
と
noun
1. een plaats waar informatie over bepaalde onderwerpen in digitale vorm verzameld,...
データベース
noun
1.
データセンター
verb
1. meerdere dates, afspraakjes maken met iemand.
デート
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
与格
noun
1. Russisch buitenverblijf
ダーチャ
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
  1. 日付
  2. 年月日
noun
露
noun
1. elk van de talrijke bolletjes gecondenseerd water die op het koudst van de nacht, net voor zonsopgang, uit de lucht neerslaan op voorwerpen
露滴
noun
露点
pronoun
ダビデ
article
1. (de) wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en altijd voor het meervoud, waarbij het een specifieke persoon of ding aanduidt in plaats van het algemene geval
ザ
phraseologicalUnit
1. het opgeven
お手上げ
verb
1. iets heel treffend verwoorden
ずばり
interjection
1. er is een onomkeerbare stap gezet
賽は投げられた
noun
  1. 1. Verkoper
  2. 2. Drugshandelaar
親
noun
1. extreme subgenre van heavy metal
デスメタル
noun
議論
/deˈbil/
noun
  1. 1. iemand die min of meer zwakzinnig is
  2. 2. bespottelijk iemand, halve gare, idioot
低能者
noun
デバッガ
verb
1. voor de eerste keer doen
デビュー
noun
  1. 2. hoofd van een faculteit
    ディーン
  2. 1. C10H22
    デカン
noun
1.
デカメートル
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
  1. 十二月
  2. 12月
verb
1. letterkundige werken mondeling voordragen
詠唱する
/dekliˈna(t)si/
noun
1, 2
赤緯
noun
1. laag uitgesneden halslijn bij vrouwenkleding
胸の谷間
verb
1. methoden en technieken gebruikt om bouwwerken, meubels of andere objecten te verfraaien
飾る
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
  1. パン生地
  2. 生地
noun
1. rol om deeg uit te rollen
麺棒
/ˈdeːl/
noun
  1. 1. een afsplitsing van een geheel
  2. 2. één uit een reeks
部分
verb
1. meedoen, meevoelen
参加する
noun
被除数
noun
2. onderdeel van een atoom
素粒子
noun
素粒子物理学
noun
加速器
noun
分詞
/den/, /deːn/
noun
1. een inwoner van Denemarken
デンマーク人
/dens/, /deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
デンマーク語
noun
1. stoelgang, het produceren van ontlasting
排便
noun
1. begripsbepaling
定義
verb
定義
noun
1. het vallen van het prijspeil waardoor het geld in waarde toeneemt
デフレーション
noun
デフラグ
noun
退化
verb
1. in rang verlagen
左遷する
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. kleinste van de twee manen van Mars
ダイモス
noun
1. een verdieping op een schip
デッキ
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
羽毛布団
/dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
毛布
/'dɛk.pɵnt/
noun
1.
不動点
noun
1. een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken
蓋
noun
  1. 1. afvaardiging
  2. 3. schuldoverneming
代表団
verb
2. in meer dan één stuk snijden of hakken
割る
noun
除数
pronoun
1. het nationaal hoofdstedelijk territorium van India waarin de nationale hoofdstad New Delhi gelegen is. Het territorium is gesitueerd in het noorden van het land
デリー
noun
デルタ
noun
デマ
noun
1. een aandoening van de hersenen waardoor de verstandelijke en cognitieve vermogens verminderen
認知症
noun
  1. 民主主義
  2. 民主
adjective
1. in overeenstemming met de principes van een democratie
民主的
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
人口学
noun
デーモン
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
デン・ハーグ
noun
樹状突起
pronoun
1.
デネブ
/ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
  1. デンマーク
  2. 丁抹
verb
  1. 3. een bepaalde mening toegedaan zijn
    1. 考える
    2. 思う
    3. 意図する
  2. 1. een oplossing zoeken
    1. 考える
    2. 思考する
noun
松かさ
/ˈdejo/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
デオドラント
/ˌdejodɔːˈrɑnt/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
デオドラント
noun
義務論
noun
追放
noun
減価償却
noun
  1. 2. gebied met lage luchtdruk
  2. 3. langdurige inzinking in de economische ontwikkeling
憂鬱
verb
凹ます
/ˈdɛrdə/
noun
1. door drie gedeeld iets
三分の一
/ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
三番目
noun
与格
noun
  1. 三人称
  2. sanninshou
  3. さんにんしょう
pronoun
第三帝国
pronoun
第三次世界大戦
noun
1. huidontsteking
皮膚炎
noun
1. een specialisme binnen de geneeskunde dat zich bezighoudt met aandoeningen van de huid, de nagels en het haar, samen huidziekten genoemd
皮膚科学
cardinalNumeral
1. het getal 13
十三
ordinalAdjective
十番目三番目
cardinalNumeral
1. het getal 30
三十
ordinalAdjective
三十番目
verb
変節
noun
1.
脱走兵
noun
1. onjuiste of misleidende informatie, die bewust verstrekt wordt met het oogmerk...
偽情報
adverb
1. geeft een tegenstelling aan met het voorafgaande
それでも
noun
デオキシリボ核酸
noun
独裁
noun
デザート
verb
不安定化する
verb
2. ergens een signaal van door middel van apparatuur opvangen
検出する
verb
1. iemand van staatswege gevangen houden
引き留める
noun
雷管
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
  1. 徳
  2. toku
  3. とく
adjective
1. bereid zich te gedragen in overeenstemming met algemeen aanvaarde waarden
徳の高い
/døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
  1. 扉
  2. 戸
  3. ドア
  4. とびら
  5. と
noun
1. een handvat waarmee een deur wordt geopend of gesloten
ドアノブ
noun
1. een kleine mat, waarop men bij de deur de schoenen kan afvegen
ドアマット
/dœyˈterijʏm/
noun
1. een isotoop van waterstof
重水素
/dewteɾoˈnomjum/
pronoun
申命記
/'devəntər/
adjective
1. gemeente en oudste stad in de provincie Overijssel
デーフェンテル
noun
1. woord of korte tekst die snel en tegelijkertijd duidelijk een bepaalde boodschap moet overbrengen
モットー
demonstrativePronoun
1. aanduiding voor dichtbijzijnde dingen, dieren of mensen
これら
demonstrativePronoun
同じ
/deʲɪsmə/
noun
理神論
noun
法
noun
1. band (met edelstenen versierd) voor om het hoofd
ダイアデム
noun
続成作用
noun
1. vaststelling van een ziekte
診断
/'dɪɑɣnɔstɪ'seːrə(n)/
verb
1. aan de hand van verschijnselen de ziekte bepalen
診断
adjective
対角
noun
een rechte lijn die twee niet-opeenvolgende hoekpunten van een veelhoek verbindt.
対角線
noun
een vierkante matrix waarvan alle elementen buiten de hoofddiagonaal (↘) 0 zijn
対角行列
noun
1. een symbolische en grafische voorstelling van een aantal zaken en hun onderling verband
図表
noun
輔祭
/diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
方言
/ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
方言学
noun
対話
noun
  1. 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
  2. 2. een edelsteen gesneden uit [1]
ダイヤモンド
noun
1. middellijn
直径
/diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
下痢
noun
ダイアスポア
/diˈjaspora/
noun
ディアスポラ
adjective
1. compact
密
preposition
1. op een korte afstand van
の近くに
/dɪxtˈbɛː/, /dɪɣ.ˈbɛɪ̯/, /dɪχˈbɛɪ/
adjective
1. op heel korte afstand
近い
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
詩人
noun
1. compactheid
密度
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
独裁者
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
  1. 独裁
  2. 独裁政治
noun
2. een aanpassing in het eet- en voedingspatroon
ダイエット
/dif/
noun
1. iem. die steelt
泥棒
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
  1. 盗み
  2. ぬすみ
noun
トレイ
/ˈdinən/
verb
1. werken voor; in dienst zijn van
務める
noun
  1. 1.
  2. 4. kerkdienst
兵役
/ˈdinst.plɪxt/
noun
1. verplichting om ergens te werken
徴兵
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
深い
/'diptə/
noun
1. de mate waarin iets diep is
深い
/diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
動物
adjective
1. waaraan men grote waarde hecht
惜しい
noun
1. de verzameling van alle diersoorten
動物界
/ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
  1. 動物園
  2. どうぶつえん
noun
1. wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van dierziektes
獣医学
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
動物学
noun
1. dieselmotor
軽油
noun
ディーゼルエンジン
noun
vergelijking voor een functie waarin een of meer van de afgeleiden van die functie voorkomen
微分方程式
noun
1. de vermenging van twee ongelijksoortige stoffen
拡散
noun
1. infectieziekte
ジフテリア
/ˈdɪftɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
二重母音
/dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
腿
noun
大腿骨
noun
1. een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
堤防
/dɪk/
adjective
  1. 1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
  2. 2. de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
  3. 4. ruim
  4. 5. hecht
  5. 6. nauw aaneengesloten
  6. 7. weinig vloeibaar
厚く
adverb
よく
/dɪ'lɛmɑ/
noun
moeilijke keuze
ジレンマ
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
  1. イノンド
  2. ディル
noun
  1. 1. afmeting in een bepaalde richting
  2. 2. parameter van een wiskundige ruimte
  3. 3. categorie waarin een fysische grootheid valt
次元
noun
1. warme maaltijd
晩餐
noun
1. voorwerp
物
noun
1. Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
ディンゴ
/ˌdinoˈsʌʊriər/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
恐竜
/ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
恐竜
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
  1. 火曜日
  2. かようび
noun
1. bestuurlijk gebied in de rooms-katholieke Kerk of andere Kerken
教区
noun
ダイオード
noun
ディプロドクス
noun
1. een bewijs van bevoegdheid
ディプロマ
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
外交官
noun
1. de kunst en de kunde van het voeren van overleg
外交
adjective
1. betrekking hebbende op de diplomatie
外交的
/diploˈit/
adjective
1. met twee exemplaren van ieder chromosoom in de celkern
二倍体
adjective
1. zonder te wachten, zonder iets daartussen
直接
adverb
1. zonder te wachten, zonder omweg
直接
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
指揮者
noun
1. beschrijvend overzicht van de elpee's of cd's van een artiest of muziekgroep
ディスコグラフィ
noun
ディスコ
noun
1. onverwachte onderlinge afwijking
不一致
noun
差別
/ˈdɪskʏs/
noun
1. een zware werpschijf die gebruikt wordt bij de atletische sport discuswerpen.
円盤
noun
1. een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld
議論
verb
議論する
noun
1. een atletiekdiscipline waarbij men een discus zo ver mogelijk probeert te werpen
円盤投げ
noun
1. Magneetschijf
フロッピー
noun
不合格
/dɪsəl/
noun
3. houtbewerkingsbijl
釿
adjective
反体制
noun
  1. アザミ
  2. 薊
verb
1. afzonderen van een gezuiverd product door het verhitten van een mengsel en afkoelen van de dampen
蒸留する
noun
区別
noun
1. het gebied van een lokale overheid
区
demonstrativePronoun
この
noun
1. urinedrijvend middel
利尿薬
noun
多様性
noun
1. (weinig gebruikte) scheikundige term voor water (H2O)
一酸化二水素
noun
1. verplaatsbaar tijdelijk toilet
仮設トイレ
/'dʒɛmbe/, /ˈdjɛmbe/
noun
1. soort trommel die oorspronkelijk vooral bespeeld werd in West-Afrika
ジャンベ
/(d)ʒi.ˈbu.ti/, /dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
ジブチ
noun
1. de afkorting van desoxyribonucleic acid (desoxyribonucleïnezuur)
DNA
pronoun
1.
ドニエプル川
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
さいころ
noun
1. een vrouwelijk kind
  1. 娘
  2. お嬢さん
/ˈdɔktɔr/
abbreviation
1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
博士
noun
1. een verzameling leerstellingen of dogmas die niet ter discussie staan
ドクトリン
noun
1. een verzameling gegevens
  1. 文書
  2. 書類
noun
1. een op waarheid beruste film
ドキュメンタリー
/dokymɛn'taʦi/
noun
1. geschreven materiaal dat een bepaald onderwerp om- en beschrijft
ドキュメンテーション
noun
1. iemand die dood is, een gestorvene, overledene
死人
/'do:dələk/
adjective
1. de dood veroorzakend
致命的な
/ˈdo.də(n)/
verb
1. iemand van het leven beroven.
殺す
noun
1. dans van De Dood
ダンスマカブレ
noun
1. een afgietsel van het gelaat van een dood persoon, gewoonlijk gemaakt van was of gips
デスマスク
/ˈdudɔɫˌzɑk/, /ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
バグパイプ
noun
4. gordijn
幕
noun
1. het punt waarop men zich richt
目的
noun
1. de balk aan de bovenkant van een (voetbal)doel
クロスバー
noun
ゴールキーパー
noun
ゴール
verb
1. een actie ondernemen
  1. する
  2. なす
noun
1. een boom met zeer smakelijke maar stinkende vruchten
ドリアン
noun
ドージェ
/'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
教義
adjective
独断的
noun
1. kamer zonder daglicht waarin foto's kunnen worden ontwikkeld en afgedrukt
ダークルーム
noun
医者
noun
1. bovenste rand van een (roei)boot
ガンネル
noun
寝食い
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
いるか座
/dɔlˈfɛɪ̯n/, /dɔlˈfɛːn/, /dɔɫˈfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛːn/, /ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
  1. 海豚
  2. イルカ
noun
  1. 短刀
  2. ダガー
/ ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
ドル
adjective
1. van weinig verstand getuigend
馬鹿
noun
ドメイン
noun
1. temming tot huisdier of cultuurgewas
家畜化
verb
1. tot huisdier of cultuurgewas temmen
馴らす
noun
2. vijfde trede van toonladder
属音
/domiˈnɪːrə(n)/
verb
1. het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden
支配
/ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
ドミニカ共和国
noun
1.
ドミノ効果
noun
1. een schenking
寄付
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
ドナウ川
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
雷
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
  1. 木曜日
  2. もくようび
/ˈdɔndərə(n)/
verb
  1. 1. het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading.
  2. 2. op luide en barse toon een bevel geven of zijn ongenoegen uiten.
轟音を立てる
adjective
1. zonder licht
  1. 暗い
  2. 濃い
noun
1. fijne veren die onder de taaiere buitenveren zitten, vaak gebruikt als vulstof voor kussens, dekbedden en slaapzakken
ダウン
/doːt/
noun
  1. 2. skeletvormige figuur, vaak met zeis, die bovengenoemde toestand personifieert
    死
  2. 1. de toestand na het leven
    1. 死
    2. 死亡
/ˈdotxan/
verb
1. het leven verlaten
死ぬ
adjective
1. bij de geboorte al overleden
死産
/ˈdoːts.ɛsˌka.dər/
noun
1. bende die gevormd is om een of meerdere personen te doden
死の部隊
noun
棺
/dotslɑx/
noun
1. het iemand anders opzettelijk, maar zonder voorbedachten rade van het leven beroven
殺人
noun
1.
死因
noun
1. als straf gedood worden
死刑
noun
  1. 1. juridisch
  2. 2. figuurlijk
死刑判決
/doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
ろう
noun
  1. ろう者
  2. 難聴
noun
1. smelten
解氷
noun
卵黄
noun
  1. 1. stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
  2. 2. ingewikkelde zaak
迷路
noun
1. plechtige besprenkeling of onderdompeling waarmee iemand tot een kerk gaat behoren
洗礼
/ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
洗礼盤
/ˈdoːr/, /[doːr]/, /[dʊːr]/
preposition
    1. 3. in
    2. 6. als achterzetsel: doorheen
    ...を通って
    1. 1. bij lijdende vorm
    2. 2. oorzaak
    によって
noun
2. een cruciale ontdekking
突破
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
とげ
noun
1. Datura stramonium, een zeer giftige plant die hallucinogene alkaloïden bevat
シロバナヨウシュチョウセンアサガオ
/ˈdornəkron/
noun
1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
茨の冠
noun
2. diameter
直径
noun
1. het door een plaats, rivier of gebied trekken zonder dat deze plaats, rivier of dat gebied de reisbestemming is
通過
/ˈdorvərˌkopə(n)/, /ˈdo̝rvərˌkopə(n)/
verb
1. iets verkopen dat onlangs is gekocht
転売する
/doːrˈzɪxtəx/, /doːrˈzɪxtɪx/, /do̝ːrˈzɪχtəχ/
adjective
[1] waar licht zo ongehinderd door kan treden dat het zicht erdoor niet belemmerd wordt
透明
/doʊs/, /doːs/
noun
1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
箱
/dɔp/
noun
2. kapje ter afsluiting van iets
キャップ
noun
1.
ドーパミン
noun
1. stimulerende (genees)middelen
ドーピング
noun
1. schijnbare frequentieverschuiving als de zender en ontvanger bewegen ten opzichte van elkaar
ドップラー効果
/dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
村
noun
1. inwoner van een kleine plaats op het platteland
村人
verb
脱穀
noun
1. toestel dat de graankorrels uit de korenaren slaat
脱穀機
noun
  1. 喉の渇き
  2. 渇
noun
フレイル
noun
1. hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen
用量
/doˈsir/, /dɔˈʃe/, /ˈdɔs·jeː/
noun
1. verzameling documenten en andere vastgelegde informatie,...
ファイル
verb
1.
添加
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
  1. 税関
  2. zeikan
  3. ぜいかん
/duʃ/
noun
1. stortbad
シャワー
noun
1.
シャワージェル
verb
1. een bestand van een computer of server op afstand naar een lokale computer of server overbrengen
ダウンロードする
noun
1. een set van twaalf
ダース
/draːt/
noun
  1. 1. in elkaar gesponnen vezels
    糸
  2. 3. elektrisch verbindingsmateriaal
    針金
/drat.los/, /ˈdraːd.loːs/
adjective
1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
無線
noun
1. ongemoduleerde elektromagnetische radiogolf
搬送波
/ˈdraːɣ.mudər/
noun
代理母
noun
1. stok waaraan men iets draagt
天秤棒
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
旋盤
noun
脚本
noun
1. constructie van drie of vier deurbladen die rondom een gezamenlijke verticale as kunnen draaien, ter vervanging van een gewone deur m.n. gebruikt in winkels, ziekenhuizen enz.
回転ドア
/ˈdraːi̯ən/
verb
Vertalingen: na te kijken
曲る
noun
1. iemand die met een draaibank werkt
旋盤工
noun
回転
noun
1. strijkinstrument met strijkwiel
ハーディ・ガーディ
noun
メリーゴーラウンド
noun
1. een mechanisch bediend of automatisch spelend orgel, meestal op straat spelend
手回しオルガン
pronoun
sterrenbeeld nabij de noordelijke hemelpool
竜座
/draːk/
noun
1. fabeldier
  1. 竜
  2. ドラゴン
/drɑf/
noun
1. draf bij viervoeters
速歩
verb
  1. 2. als kledingstuk of sieraad aanhebben
    身に付ける
  2. 1. al van de vloer houdend vervoeren
    運ぶ
noun
3. een eigenaar
所持人
/ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
タラゴン
noun
1.
竜騎兵
noun
  1. 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
  2. 2. een bepaald soort film of toneelstuk
ドラマ
/drɑŋk/
noun
  1. 2. vloeistof om de dorst te lessen
  2. 1. alcoholhoudende vloeistof
飲料
/ˈdrɑs.tis/, /ˈdrɑs.tɪs/
adjective
1. doelgericht zeer ingrijpend
抜本的な
noun
1.
ドレッドヘア
noun
1. onderdorpel van een kozijn
敷居
/ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
ドレンテ州
pronoun
1.
ドレスデン
cardinalNumeral
1. telwoord
  1. 三
  2. 三つ
  3. さん
  4. みっつ
  5. み
noun
1. het cijfer 3
三
noun
三位一体
noun
1. vliegtuig met drie vleugels
三葉機
adjective
1. met drie afmetingen, hoogte, breedte en diepte
三次元
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
三角形
noun
1. (romantische) verhouding waarbij drie mensen zijn betrokken
三角関係
noun
三色
adverb
1. in drie gevallen
三回
noun
トライデント
noun
1.
三趾鴎
noun
トライク
cardinalNumeral
1. het getal 33
三十三
cardinalNumeral
1. het getal 93
九十三
cardinalNumeral
1. het getal 83
八十三
cardinalNumeral
1. het getal 23
二十三
cardinalNumeral
1. het getal 43
四十三
cardinalNumeral
1. het getal 53
五十三
cardinalNumeral
1. het getal 63
六十三
/ˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 73
七十三
noun
1. bodem bestaand uit heel kleine korreltjes vergruisd gesteente, verzadigd met zoveel water dat alles wat zwaar is er in wegzakt
流砂
verb
  1. e1. op het oppervlak van een vloeistof rusten
    浮く
  2. o1. iets of iemand voor zich uit doen bewegen
    追う
adjective
急を要する
/'drɪŋkə(n)/
noun
飲む
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
  1. 飲み水
  2. 飲料水
verb
1. vocht laten of doen verdampen
乾く
noun
1. een toestel dat natte voorwerpen, bijvoorbeeld wasgoed droogmaakt
乾燥機
noun
winkel van een drogist
ドラッグストア
noun
1. uitwerpsel, ontlasting
糞
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
ヒトコブラクダ
verb
  1. je een voorstelling maken van wat je graag wil
    夢見る
  2. 1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
    1. 夢見る
    2. 夢を見る
/drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
酔い
noun
het zwaar onder invloed van alcohol zijn
酩酊
/droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
乾いた
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
旱魃
noun
  1. 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
    夢
  2. 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
    1. 夢
    2. yume
    3. ゆめ
noun
1. het duiden van de betekenis van de dromen die iemand heeft
夢占い
noun
麻薬
/'drɵksfər'slaːfdə/
noun
1. Verslaafd persoon
麻薬常習者
noun
2. vrucht van de wijnstok
  1. ブドウ
  2. 葡萄
verb
滴る
noun
グレープシードオイル
noun
1. een vruchtensap bereid uit druiven
グレープジュース
noun
1. pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
圧力
verb
1. kracht uitoefenen op
押す
noun
1. een persoon die afdrukken maakt
印刷工
noun
ドラムセット
/drɵ.pəl/
noun
  1. 滴
  2. 雫
noun
ドルイド
noun
1. mythologisch, vrouwelijk wezen dat in een bos of boom leeft
ドリュアス
/ˈdʏbəl/
adjective
1. tweemaal voorhanden
二重
noun
複葉機
verb
1. twee keer, snel achterelkaar, met de muisknop op iets klikken
ダブルクリック
/ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
連星
/dʏbəl'zɪnəxhɛit/
noun
1. iets dat op meerdere manieren te interpreteren is
曖昧さ
noun
1. een scheikundig element met het symbool Db
ドブニウム
noun
1. een subgenre van elektronische dansmuziek dat eind jaren negentig is ontstaan in Engeland
ダブステップ
/dʏf/
adjective
1. saai, doods
  1. つまらない
  2. 退屈
/ˈdœy̯dələk/
adverb
  1. 1. niet mis te verstaan
  2. 2. goed te herkennen
明白
/dœʏ̯f/, /dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
鳩
noun
潜水艦
/ˈdœy̯kə(n)/
verb
  1. 1. het zich onder water voortbewegen (van bijvoorbeeld duikboten) of zwemmen (van mensen)
    潜る
  2. 2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
    飛び込む
/'dœykspɔrt/
noun
1. langdurige onderwater verblijven en zwemmen
スキューバ・ダイビング
noun
急降下
/dœy̯m/
noun
  1. 2. lengtemaat
    インチ
  2. 1. eerste, kortste en dikste vinger
    1. 親指 (おやゆび, oyayubi)
    2. 親指
noun
1. het hoornen gedeelte van de eerste vinger van de hand
親指の爪
/dœʏ̯n/, /dœːn/
noun
砂丘
pronoun
1.
デュースブルク
adjective
1. in weinig of geen licht badend
不明瞭
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
闇
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
  1. ドイツ
  2. ドイツ語
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
  1. ドイツ語
  2. 独語
/ˈdœʏ̯tsə/, /ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
ドイツ人
pronoun
ドイツ民主共和国
noun
1. hond uit een oorspronkelijk in Duitsland gefokt ras
ジャーマン・シェパード・ドッグ
/ˈdœʏ̯tsər/, /ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
ドイツ人
/ˈdœʏ̯tslɑnt/, /ˈdœːtslɑnd/, /ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
  1. ドイツ
  2. 独逸
noun
悪魔
noun
1. het gevoel zijn evenwicht te verliezen
くらくら
/ˈdœy̆zənt/
noun
1000
千
noun
セイヨウノコギリソウ
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
ムカデ
ordinalAdjective
千分比
/dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
  1. 薄い
  2. 細い
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon ramada
bora
noun
1. deel van het spijsverteringskanaal tussen de maag en de dikke darm
小腸
noun
1. tweetal bij elkaar horende personen
デュオ
/dywoˈdenʏm/
noun
1. twaalfvingerige darm
十二指腸
/'dyːrə(n)/
verb
1. een bepaalde tijd in beslag nemen
継続
noun
1. enige tetraploïde tarwesoort die nog veel wordt verbouwd
デュラムコムギ
conjunction
1.om die reden, daarom
  1. したがって
  2. それゆえ
  3. ゆえに
  4. 従って
  5. 故に
verb
niet goedkoop
高い
/ˈdyːr.zam/
adjective
1. lang meegaand
丈夫
noun
2.
サステイナビリティ
/dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
押す
noun
1. de afkorting voor digital versatile disc,...
DVD
noun
1.
ウィルオウィスプ
/dʋɑŋ/
noun
強制
noun
1. werk dat onder dwang gedaan moet worden
懲役
noun
1. een kledingstuk dat de drager bewegingsvrijheid van de armen en handen ontneemt
拘束衣
noun
1. psychische stoornis die gekenmerkt wordt door dwanggedachten en dwanghandelingen
強迫性障害
/dʋɑrs/
adverb
1.
向こう
/ˈdwɑrzbomə(n)/
verb
1. tegenwerken, moeilijkheden geven
排する
/ˈdʋɑrsflœʏt/
noun
1. een blaasinstrument dat dwars op de lippen geblazen wordt
フルート
/dʋɛi̯l/
noun
1. een stuk weefsel in natte vorm gebruikt om een gladde vloer te reinigen
モップ
noun
1. een buitengewoon klein mens
  1. ドワーフ
  2. 侏儒
noun
1. Anser erythropus
雁が音
noun
1.
準惑星
noun
1. zeer kleine staat
ミニ国家
noun
1. kleinste soort van de vinvissen, Balaenoptera acutorostrata
ミンククジラ
verb
1. iemand tegen zijn wil iets opleggen
強いる
noun
springstof waarin nitroglycerine door een poreuze stof wordt vastgehouden
ダイナマイト
noun
1. rode loop, bloeddiarree
赤痢
noun
1. slikstoornis
嚥下障害
noun
1.
偽悪語法
noun
ジスキネジア
/dɪslɛkˈsi/
noun
1. het onvermogen om woorden, waarvan men wel de letters ziet, in hun betekenis te vatten
  1. ディスレクシア
  2. 失読症
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
ジスプロシウム
pronoun
1.
デュッセルドルフ
noun
1. adres voor het ontvangen en verzenden van e-mail
電子メールアドレス
/ˌodəkoˈlɔɲə/
noun
1. keulswater, reukwater
オーデコロン
noun
1. een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
干潮
noun
1. het dwangmatig herhalen van woorden of zinnen, zonder de betekenis ervan daadwerkelijk te doorgronden
エコラリア
noun
反響定位
adjective
2. waarachtig, juist, niet vervalst
本物
noun
1. mensen die met elkaar getrouwd zijn
夫婦
conjunction
1. een beperkende tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) beperkt
但し
/ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
夫
/ˈɛxtxəˌnotə/, /ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
妻
noun
1. twee mensen die met elkaar getrouwd zijn
夫婦
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
離婚
noun
1.
エクレア
/eˈklɪps/
noun
1. het verschijnsel waarbij een ster en twee of meer andere hemellichamen in één lijn komen te staan, waardoor de schaduw van het ene hemellichaam het andere verduistert
蝕
/ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
  1. 生態学
  2. せいたいがく
/ˌe.ko.ˈlox/, /ˌe.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
環境学者
noun
2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
  1. 経済
  2. けいざい
adjective
1. betreffende economie
経済
noun
1. deskundige op het gebied van de economie
経済学者
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
生態系
noun
エクトプラズム
noun
1. oppervlakkige huidaandoening
湿疹
noun
1. de naam voor elk element uit de achtste chemische reeks van het periodiek systeem
貴ガス
noun
1. Cervus elaphus, hertensoort
赤鹿
noun
1. een stuk edelgesteente
  1. 宝石
  2. houseki
  3. ほうせき
noun
版
/et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
誓い
/ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
  1. 栗鼠
  2. リス
noun
1. Bolletus edulis, een eetbare paddenstoel
ヤマドリタケ
noun
1. verdikking van de huid
たこ
adjective
一つ
adjective
手のない
/eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
  1. アヒル
  2. 鴨
  3. オシドリ
noun
1. insect uit de orde Ephemeroptera
蜻蛉
noun
1.
鴨脂
cardinalNumeral
1. het getal 31
三十一
cardinalNumeral
1. het getal 91
九十一
cardinalNumeral
1. het getal 81
八十一
/ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
二十一
cardinalNumeral
1. het getal 41
四十一
cardinalNumeral
1. het getal 51
五十一
cardinalNumeral
1. het getal 61
六十一
/ˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 71
七十一
noun
  1. 2. maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt
    単位
  2. 1. bij elkaar horend geheel met kenmerkende eigenschappen
    団結
noun
1. een matrix waarvan alle diagonale elementen 1 zijn en alle andere 0
単位行列
noun
  1. ユニコーン
  2. 一角獣
adjective
1.
単音節
adjective
1. in het bezit van (slechts) één oog
一つ目
noun
1. kamer voor het verblijf van één persoon (bijvoorbeeld in een hotel of ziekenhuis)
シングルルーム
adjective
単一言語
noun
単項式
/eːnˈvɑudəx/, /eːnˈvɑudəχ/
adjective
  1. 1. niet ingewikkeld
  2. 2. zonder overdaad of vertoon
容易
noun
1.
ユニサイクル
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
孤独
/er/
noun
1. aanzien, roem
  1. 名誉
  2. meiyo
  3. めいよ
/ˈeːrɣɪstər/, /ˈɪːrχɪstər/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
一昨日
/ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
一昨日
/ˈeːrlək/
adverb
1. vrij van leugen en bedrog
正直
noun
1. het vertellen van de waarheid
正直
noun
1. nummer één in een volgorde
一番目の
noun
1. eerste kwartier
上弦
noun
主格
phraseologicalUnit
1. grammaticale term die de spreker of sprekers aanduidt.
一人称
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
第一次世界大戦
/ˈer.wrak/
noun
名誉の殺人
noun
1. verlangen naar eer of roem
野心
/ˈeːitbaːr/, /ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
食べられる
/ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
食堂
/etlepəl/
noun
1.
大さじ
noun
1. de behoefte om voedsel tot zich te nemen.
食欲
noun
箸
noun
摂食障害
/eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
  1. 世紀
  2. seiki
  3. せいき
/eːwɪx/, /eːʋəχ/, /eːβ̞əx/
adjective
1. voortdurend, zonder einde
永遠
/ɪːβ̞əχɛɪ̯t/
noun
1. alle tijd die nog zal komen
永遠
/e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
エフェソス
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
エペソ人への手紙
noun
1. uitwerking
効果
adverb
1. doeltreffend
有効
adjective
1. nuttig effect hebbend
効率的
noun
1. de mate waarin nuttig gebruik gemaakt wordt van het beschikbare bij een bepaald proces
効率
/ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
  1. 針鼠
  2. ハリネズミ
pronoun
エーゲ海
adjective
2. zichzelf als het middelpunt van alles zien
自己中心
/xxxx/
noun
1. het uitsluitend op eigen belangen en gewin uit zijn
利己主義
adjective
1. zelfzuchtig, gefocust op eigen voordeel
利己的な
/e.ˈɣɪp.tə/, /e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
  1. エジプト
  2. 埃及
/ɛɪ/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
  1. 卵
  2. たまご
noun
1. het geslachtsorgaan van de vrouw waarin eicellen gevormd worden
卵巣
/ˈɛi̯ɣə(n)/
adjective
自身
noun
1. iemand die iets in eigendom heeft
持ち主
/'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
1. eigendomsrecht
所有権
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
固有名詞
noun
1. een gegeven karakteristiek die eigen is aan een bepaalde persoon of zaak
属性
/ɛi̯k/, /ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
  1. オーク
  2. 楢
/ˈɛɪkəɫ/
noun
  1. 2. top van een penis
    団栗
  2. 1. vrucht van de eik
    1. 団栗
    2. どんぐり
/ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
  1. 島
  2. しま
/ˌɛilɑnt ˈmɛn/
pronoun
マン島
noun
1. deel van de geslachtsorganen van de vrouw
輸卵管
phraseologicalUnit
1.
終わり良ければすべて良し
/ˈɛɪ̯ndə/, /ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
  1. 終わり
  2. owari
  3. おわり
adjective
1. een einde hebbende
有限
verb
1. iets tot een besluit voeren
終わる
noun
1.
有限
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
アインスタイニウム
/ɛiwɪt/
noun
2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
蛋白質
noun
射精
verb
sperma uitwerpen
射精
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
  1. カササギ
  2. 鵲
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
エル
/ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
エルサルバドル
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
  1. ムース
  2. 箆鹿
noun
弾力性
/eləˈɣɑnt/
adverb
1. een prettige uitstraling hebbend door de subtiele afwerking
優雅
noun
1. vakman op gebied van elektriciteit
電工
/eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
電気
noun
1. een krachtcentale waar elektriciteit wordt opgewekt
発電所
adjective
1. door middel van elektriciteit
エレクトリック
abbreviation
1. hersenfilm
脳波図
noun
電気化学
noun
感電死
noun
電極
noun
  1. 1. chemische verbinding die in waterige oplossing in ionen wordt gesplitst
  2. 2. een stof of mengsel van stoffen gekenmerkt door het bezit van uitsluitend ionische geleidbaarheid
電解質
noun
1. een magneet waarvan het veld door een elektrische stroom veroorzaakt wordt
電磁石
adjective
電磁
noun
電磁気学
noun
電動機
noun
1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
電子
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
  1. 電子工学
  2. エレクトロニクス
adjective
電子
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
電気工学
noun
電気療法
noun
要素
adjective
基本的
noun
基本粒子
cardinalNumeral
1. het getal 11
  1. 十一
  2. イレブン
/ˈɛlf.də/, /ˈɛlv.də/
ordinalAdjective
1. nummer elf in een rij
十一度
verb
  1. 1. verwijderen uit de vergelijking
  2. 2. verwijderen uit de bevolking, doden
除去
adjective
エリートの
noun
1. Gewricht
肘
noun
1. armoedige, beklagenswaardige omstandigheden
悲惨
/ˈɛləpɛɪp/, /ˈɛləpɛːp/
noun
bot in de onderarm
尺骨
noun
1. twee-dimensionale figuur die wordt gevormd door alle punten waarvoor de som ...
楕円
noun
1. boomsoort
榿
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
アルザス
noun
  1. 3. ontvoogding, gelijkstelling voor de wet
  2. 1. streven naar gelijkgerechtigdheid
  3. 2. vrijlating van slaven
解放
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
エンブレム
noun
塞栓
noun
1. een organisme in het eerste ontwikkelingsstadium na de bevruchting
胚
noun
1. de wetenschap die zich met het ongeboren leven bezighoudt
発生学
noun
1. longaandoening
肺気腫
noun
移民
/ˌemiˈχrɪːrə(n)/
verb
1. naar het buitenland verhuizen
移住
/emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
首長国
/ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
  1. バケツ
  2. 桶
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
エミュー
noun
1. ideogrammen die worden gebruikt in Japanse elektronische berichten en webpagina's
絵文字
noun
1.weergave van emoties door middel van een afbeelding, een teken of een combinatie van lees- en lettertekens
エモティコン
noun
1. hevig gevoel, sterke gemoedsbeweging
感情
adjective
1. zeer vatbaar voor gevoelens
感情的
noun
蓄膿症
conjunction
  1. と
  2. や
  3. かつ
noun
脳症
noun
1. een brief van de paus aan alle katholieke gelovigen
回勅
/ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
  1. 百科事典
  2. 大辞典
noun
1. laatste deel van het spijsverteringskanaal vlak voor de anus
直腸
adjective
1. met inwendige afscheiding in de bloedstroom, hormonaal
内分泌
noun
内視鏡
noun
1. (kijk)onderzoek van lichaamsholten of inwendige kanalen
内視鏡
/enər'ʒi/, /enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
エネルギー
adverb
1. aan de ene kant
一方
noun
1. een jong en excentriek persoon die veel last en verlegenheid veroorzaakt
アンファンテリブル
adjective
1. angst veroorzakend
怖い
noun
1. hemels wezen
天使
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
  1. イングランド
  2. 英国
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
  1. イギリスの
  2. 英語
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
  1. 英語
  2. 英
noun
1. een grotere en lagere uitvoering van de hobo
コーラングレ
/ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /ɛ.ŋəls.man/, /ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
イギリス人
indefinitePronoun
1. een kleine mate
幾らか
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
  1. 足首
  2. 踝
noun
2. een band die om de enkel wordt gedragen
アンクレット
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
  1. 単数形
  2. 単数
noun
1. ontsteking van de ingewanden
腸炎
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
adjective
1. hartstochelijk, met geestdrift
熱心
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
noun
1. iemand die over iets of iemand geestdriftig is (vaak gebruikt als tweede deel van een samengesteld begrip
熱心な
noun
実体
noun
昆虫学
noun
1. een getal evenredig met de logaritme van het aantal realiseringmogelijkheden, ook wel gedefinieerd als de reversibele warmte gedeeld door de temperatuur
エントロピー
noun
1. papieren omslag voor brieven
封筒
/ɛnˈzim/
noun
1. een organische molecuul dat biologische reacties mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf...
酵素
noun
1. het punt op het aardoppervlak loodrecht boven de haard van de aardbeving
転用
/epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
  1. エピデミック
  2. 伝染病
noun
疫学
adjective
流行性
/ˌepiˈfizə/
noun
1. een klier die onderdeel is van de epithalamus en melatonine uitscheidt
松果体
noun
着生植物
noun
1. het vakgebied binnen de genetica dat de invloed bestudeert van de omkeerbare erfelijke veranderingen in de genexpressie die optreden zonder wijzigingen in de sequentie (volgorde van de basenparen) van het DNA in de celkern
エピジェネティクス
noun
金石学
noun
1. vallende ziekte, toevallen
  1. 癲癇
  2. てんかん
adjective
叙事詩の
noun
1. verwijding van de schede-ingang bij de vrouw
会陰切開
noun
1. dekweefsel, bovenste laag van de huid en slijmvliezen
上皮
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
エッピンゲン
noun
1. vijfde letter uit het Griekse alfabet ε
イプシロン
noun
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
赤道
/ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
赤道ギニア
noun
1. passage van de zon door het vlak van de evenaar
分点
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
エルビウム
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
勃起
noun
1. degene die andermans nalatenschap erft
相続人
noun
2. regeling voor troonwisseling
相続
noun
1. een veelal kostbaar goed van van generatie op generatie door vererving overgegeven wordt
家宝
pronoun
1.
エアフルト
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
原罪
adverb
1. in hoge mate
とても
adverb
どこかで
noun
een zaak die gevoelens van onvrede oproept
迷惑
noun
  1. 人間工学
  2. エルゴノミクス
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
エリス
/ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
エリトリア
verb
  1. 1. inzien, toegeven
  2. 2. als wettig, echt, juist aanvaarden
認める
noun
1. een bevestiging van de juistheid of geldigheid van iets
承認
/ˈɛrkər/
noun
1. uitbouw aan een gevel
でまど
pronoun
1. + 2. stad en stadsdistrict
エアランゲン
noun
1-2. beschadiging en afslijting
侵食
noun
1. kunst die nadrukkelijk seksuele activiteiten laat zien
エロティカ
adjective
エロ
noun
1. steen
鉱石
adjective
1. bekwaam door ervaring
経験豊かな
noun
1. een vorm van kennis
経験
/ˈʔɛr.və(n)/
verb
1. de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
受継ぐ
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
  1. 豌豆
  2. エンドウ豆
noun
1. speelgoedpistool, bestaande uit een buis waardoor erwten of kleine voorwerpen worden geblazen
豆鉄砲
noun
丹毒
pronoun
1. taal vooral in het oosten van Mordovië gesproken wordt
アルジア語
noun
1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
トネリコ
noun
エスカレーション
verb
1. stapsgewijs toenemen in omvang, intensiteit
エスカレート
/ɛsˌxatolo'gi/
noun
終末論
/ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
カエデ
noun
1. een kleine tactische eenheid bij de cavalerie (tegenwoordig gemechaniseerd of gemotoriseerd) of ...
戦隊
adjective
奥義の
adjective
1. gerelateerd aan de internationale kunsttaal Esperanto
エスペラントの
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
エスペラント
noun
1. geconcentreerde koffie
エスプレッソ
noun
1. het meeste belangrijke
本質
/ɛsˈter/
pronoun
3. meisjesnaam
エステル記
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
エステル
/ɛsˈtetiˌka/
noun
1. het filosofisch discours over het wezen van kunst of het wezen van schoonheid
美学
adjective
美的
/ˈɛstis/, /ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
エストニア語
/ˈɛslɑnd/, /ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
エストニア
noun
河口
noun
階
noun
1. dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden
食べる
verb
1. het nuttigen van voedsel
  1. 食べる
  2. たべる
  3. taberu
noun
1. C₂H₆
エタン
/etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
エタノール
noun
エチレン
noun
1. een organische verbinding met de functionele groep R-O-R'
イーサー
noun
1. een praktische wijsbegeerte die zich bezighoudt met wat goed en kwaad is
倫理
/ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
エチオピア
adjective
倫理的
noun
エソロジー
noun
1. stuk papier met informatie dat ergens opgeplakt zit
ラベル
noun
1. onderdeel van de pathologie dat zich bezighoudt met de oorzaken van ziekten
原因療法
adjective
民族
noun
民俗誌
/ɛtnoːloːɣi/, /ɛtnoːloːʝi/
noun
民族学
/ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
  1. 膿
  2. umi
  3. うみ
noun
  1. 1. woordherkomst
  2. 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
  1. 語源
  2. 語源学
adjective
1.
語源的
noun
1. een rooms-katholiek sacrament dat een voortzetting is van het laatste avondmaal van Christus
聖餐
noun
1-2.
婉曲法
/ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
多幸感
noun
優生学
/œykɑriotən/
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Eukaryota
  1. 真核生物
  2. しんかくせいぶつ
noun
宦官
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
  1. ユーラシア
  2. ユーラシア大陸
interjection
1.
エウレカ
/'øː.ro/, /'ɵː.ro/
abbreviation
1. munt en munteenheid
ユーロ
noun
1.
ユーロ市場
/øːˈroːpa/, /ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
  1. ヨーロッパ
  2. 欧州
  3. 欧羅巴
/ˌøːropeˈjaːn/, /ˌʏːropeˈjan/
noun
1. bewoner van het Europese continent of iemand die daarvan afkomstig is
ヨーロッパ人
/øːroˈpeːs/, /ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
  1. ヨーロッパの
  2. 欧州の
pronoun
欧州人権裁判所
pronoun
欧州議会
pronoun
欧州中央銀行
pronoun
欧州委員会
pronoun
欧州人権裁判所
pronoun
欧州投資銀行
pronoun
欧州オンブズマン
pronoun
欧州理事会
pronoun
欧州会計監査院
/ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
  1. 欧州連合
  2. ヨーロッパ連合
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
ユウロピウム
pronoun
ユーロトンネル会社
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
安楽死
noun
富栄養化
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
イヴ
noun
避難
/evɑky'erə(n)/
verb
疎開する
noun
福音
noun
1. volgeling van Jesus die het verhaal van zijn leven en sterven op schrift gesteld heeft
伝道者
adjective
1. Deelbaar door twee
偶数
/evəˈnar/, /ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
赤道
/ˈevəmɪn/
adverb
1. ook niet
も
noun
1.
均衡
noun
1. een turntoestel dat bij het damesturnen wordt gebruikt
平均台
adjective
1. in alle punten even ver in loodrechte zin verwijderd zijnde
平行
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
猪
noun
1. wild varken
野猪
/ˌevoˈlysi/, /ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
進化
prefix
元
noun
1. onderzoek naar de kennis of vaardigheden van iemand door middel van ondervraging of opgedragen verrichtingen
試験
verb
1.aan een examen onderwerpen
検査
noun
1.
変人
adjective
1. wat andere mogelijkheden uitsluit
排他的
noun
破門
noun
1. uitscheiding
排泄
verb
処刑
noun
聖書釈義
noun
露出狂
pronoun
出エジプト記
noun
1. uittocht van een grote groep mensen met als doel niet meer terug te komen
退去
noun
外名
/ɛ'ksot/
noun
1. een organisme dat zich heeft gevestigd in een land waar het oorspronkelijk niet vandaan komt
外来種
noun
太陽系外惑星
noun
破魔
noun
外気圏
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
エキゾチック
noun
展開
noun
遠征
noun
実験
verb
1.
実験
noun
1. een computersysteem dat specifieke kennis van menselijke experts representeert en gebruikt om een probleem binnen een bepaald gebied op te lossen
エキスパートシステム
noun
探検
noun
爆発
noun
1. de verkoop van goederen aan het buitenland
輸出
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
輸出する
noun
輸出業者
noun
表現主義
/ɛk'stazə/
noun
1. een toestand van buiten zichzelf zijn door verrukking
エクスタシー
/ɛkˈstɛnsi/
noun
1. het strekken van ledematen
伸展
adjective
1. uiterst, uitzonderlijk
極限
noun
極右
pronoun
エストレマドゥーラ州
noun
極端主義
noun
1. iemand met radicale, extremistische standpunten, een aanhanger van een ideologie die ver van het politieke of maatschappelijke centrum ligt
急進派
noun
1. vloeibaar make-up-product om lijnen rondom, boven of onder de ogen aan te brengen
アイライナー
pronoun
エゼキエル
/ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
  1. 驢馬
  2. ろば
pronoun
  1. エズラ
  2. エズラ記
noun
1. een der herautstukken; een horizontale band die het middelste derde deel van het veld van het wapen beslaat
フェス
/ˈfabəl/
noun
1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
  1. 寓言
  2. 寓話
verb
1. een product door middel van werktuigen bewerken of vervaardigen
でっちあげる
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
工場
noun
メーカー
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
フェイスブック
noun
1. document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
  1. 送り状
  2. インボイス
noun
  1. 1. hoofdafdeling van een universiteit
    学部
  2. 3. product van een reeks factoren
    階乗
/ˈfæːrøːə̯r/, /ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
  1. フェロー諸島(デンマーク領)
  2. フェロー諸島
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op de Faeröer
フェロー語
noun
1. vernietiging door een cel van schadelijke bestanddelen
食作用
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
ファゴット
noun
1. staaf of stok die aan de bovenkant in een brandbare stof gedrenkt is, brandend zorgt het voor verlichting
松明
pronoun
フォークランド諸島
adjective
1. met betrekking tot het mannelijk lid
男根の
/fa.ˈmi.li/, /fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
  1. 家族
  2. kazoku
noun
1. naam die van generatie op generatie en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
姓
noun
  1. ファナティシズム
  2. 狂信
noun
ファンダンゴ
/foɱ.ˈfaːr/, /fɑn.ˈfa.rə/
noun
ファンファーレ
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
想像
noun
ファラド
/ˈfarao/
noun
1.
ファラオ
noun
1.
パリサイ人
noun
薬剤学
noun
薬理学
noun
1. spiertrillen
筋線維束性攣縮
verb
1. iemands aandacht vasthouden
魅惑
/fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
ファシズム
noun
1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
段階
noun
位相空間
adjective
1. noodlottig
命取り
/ˈfʌʊna/, /ˈfʌːna/
noun
1. het geheel aan dieren in een gebied
動物相
adjective
お気に入り
noun
勝ち馬
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
  1. キジ
  2. 雉
/fa.ˈsa.də/
noun
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
外観
/febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
  1. 二月
  2. 2月
noun
連邦主義
noun
1. een verbond van samenwerkende staten of lichamen die hun zelfstandigheid behouden
連邦
/fe:/
noun
1.
  1. 妖精
  2. フェアリー
noun
1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid
祭り
noun
  1. 休日
  2. 祭日
noun
1. een extra lekkere, uitgebreide maaltijd die men met meerdere mensen gebruikt als een feestelijke gebeurtenis
ごちそう
/fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
事実
noun
お祝い
noun
1. het stimuleren van de penis met de mond, tong of keel
フェラ
noun
1. een zeilschip
ファルーカ
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
  1. フェミニズム
  2. 女権拡張論
noun
1. vrouw die streeft naar gelijke rechten voor vrouwen
フェミニスト
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
フェヌグリーク
noun
フェニキア人
noun
  1. フェニックス
  2. 鳳凰
noun
フェノール
noun
季節学
/fenoˈmen/
noun
1. een verschijnsel
現象
noun
現象学
/fenilɑlɑninə/
noun
1. aminozuur
フェニルアラニン
noun
1. gisting
発酵
noun
1.
フェルミ粒子
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
フェルミウム
/ˈfɛstiˌvɑɫ/
noun
  1. 1. een reeks optredens
  2. 2. een groot evenement met zang en dans en muzikale optredens
フェスティバル
/fɛs/
noun
1. bepaald soort hoed van Turkse oorsprong
フェズ
noun
1. samentrekking van afzonderlijke spiervezels en een vorm van hartritmestoornis
細動
noun
  1. フィクション
  2. 小説
/fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
  1. 自転車
  2. チャリンコ
  3. じてんしゃ
/ˈfits.bɑnt/
noun
1. een binnen- of buitenband voor een fiets
自転車用タイヤ
noun
1. een tijdelijke (soms overdekte) bewaarplaats voor één of meer fietsen
駐輪場
/ˈfitspɑt/
noun
1. een weggedeelte of vrijliggend pad dat is gereserveerd voor het gebruik door fietsers en snorfietsers.
自転車道
noun
空気入れ
noun
自転車タクシー
/fitsadəl/, /fitsadəɫ/
noun
サドル (自転車)
/fi.ˈɣyːr/, /fi.ˈχyːr/
noun
体型
/ˈfi.(d)ʒi/, /ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
フィジー
adjective
1.
博愛の
noun
郵便趣味
/faɪl/
noun
  1. 1. lange rij met stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen of personen
    渋滞
  2. 1. bestand op de computer
    ファイル
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
ピレモン
/filiˈjal/
noun
1. een pand in een reeks van panden
支店
/ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
  1. フィリピン
  2. 比律賓
/fili'pɛɪns/
pronoun
1. de officiële taal van de Filipijnen
フィリピノ
pronoun
ピリピ人への手紙
noun
  1. 2. een dun en oprolbaar medium om beelden op te nemen in een camera
    フィルム
  2. 1. een dunne laag
    1. フィルム
    2. 映画
  3. 3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
    1. 映画
    2. eiga
    3. えいが
noun
1. feestelijk evenement waarbij het tonen van films centraal staat
映画祭
/'fɪlmkɵnst/
noun
1. kunstvorm die gebruikt maak van het verfilmen als medium
撮影
noun
文献学
/filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
哲学
adjective
1.
哲学だ
noun
哲学者
/fɪltər/
noun
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
  1. 濾過器
  2. フィルター
noun
1. filtrering
沪過
noun
  1. 2. het slotstuk van een meerdelig toneel- of muziekstuk
    フィナーレ
  2. 1. de beslissende wedstrijd in een toernooi tussen de laatste twee deelnemers
    決勝
adjective
1. met betrekking tot geld, geldelijk
金融
verb
1. voorzien van de benodigde geldmiddelen
融資
verb
見せ掛ける
/ˈfɪnlɑnd/, /ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
  1. フィンランド
  2. フィンランド共和国
/fɪns/
adjective
1. betreffende Finland of het Fins
フィンランド語
/fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
フィンランド語
pronoun
1.
フィンランド湾
noun
(informatica) hardware of software die een computer of netwerk beschermt tegen misbruik van buitenaf
ファイアーウォール
noun
1. een kanaalvormige zweer
瘻孔
/fjɔrd/, /fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
フィヨルド
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
  1. フラミンゴ
  2. 紅鶴
noun
1. een textielsoort van los gesponnen garen, gewoonlijk van geruwde wollen of katoenen stof, ...
ネル
adjective
2. in overdrachtelijke zin smakeloos
ださい
noun
1. een in de breedte uitbreidende, maar moeilijk te begrenzen weefselontsteking die gepaard gaat met ettervorming
蜂窩織炎
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
フライン
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
フレロビウム
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
瓶
/ˈflevoˌlɑnt/, /ˈfleːvoˌlɑnd/, /ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
フレヴォラント州
/ˈflɛk.si/
noun
  1. 2. vormverandering van een woord
  2. 1. een buiging, een buigbeweging in een gewricht door de buigspieren
語形変化
/ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
フィレンツェ
pronoun
1.
フロリダ
/floˈem/
noun
1. het levende gedeelte van de vaatbundels in planten
師部
verb
1. spreken met gedempte stem
囁く
noun
  1. 1. buisvormig blaasinstrument
  2. 3. een scheepstype
  3. 4. een slank drinkglas
笛
verb
1. een fluit bespelen
口笛を吹く
noun
1. Anthriscus sylvestris, plant uit de schermbloemen familie
杓
noun
1. musicus die een fluit bespeelt
フルーティスト
noun
1.
口笛
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
  1. フッ素
  2. 弗素
noun
フッ化物
noun
1. een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde...
ビロード
noun
1. een ziekelijke vrees
恐怖症
/ˈfokʏs/
noun
2. een punt of verzameling van punten waar alle stralengangen samenkomen
集中
/ˈfu.li/
noun
1. Myristica fragrans
メース
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
胎児
noun
1. voorste mast van een driemastschip
フォアマスト
noun
1.
フォイル
noun
1. alles wat een volk creëert of heeft gecreëerd
伝承
noun
1. een ontsteking van de haarzakjes
毛包炎
noun
3. effect (waardepapier)
投資信託
noun
フォンデュ
noun
1.
音素
/ˌfoneˈtik/
noun
1.
音声学
/ˌfonoloˈɣi/
noun
1.
音韻論
noun
  1. 1. nog niet verbeende plek in de schedel van een baby
  2. 2. beschermkoker bij sommige oude muziekinstrumenten
泉門
/fɔnˈtɛɪn/, /fɔnˈtɛːn/
noun
1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
噴水
noun
おしゃぶり
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
  1. 鱒
  2. マス
noun
2. vorm van een bestand
フォーマット
noun
1.
ホルムアルデヒド
noun
1. een resonantie (een significante smalle piek) op een bepaalde frequentie
フォルマント
verb
2. de harde schijf of een verwisselbare schijf volledig leeghalen
フォーマット
/fɔrˈmel/
adjective
1. met inachtneming van strikte omgangsvormen
正式
noun
公式
pronoun
1. categorie in de autosport
フォーミュラ1
/fɔrmyˈlir/
noun
1. een stuk papier waarop voorgedrukte vragen kunnen worden beantwoord
用紙
noun
コンロ
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
  1. リン
  2. 燐
noun
1 en 2
写真
noun
アルバム
noun
1. lichtschuwheid
羞明
adjective
1.op foto's een voordelige indruk makend
写真写りがいい
noun
1. iemand die fotos maakt
  1. 写真家
  2. 写真師
verb
1. een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag
写す
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
  1. 写真
  2. 写真術
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
光子
verb
1. bewerken van foto's en ander digitaal beeldmateriaal via de computer
フォトショ
noun
1.
光合成
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
カメラ
/fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
間違い
/fwɑ.ˈjeː(r)/, /fʋa.ˈje/
noun
1. verzamelplaats, zaal voor de verpozing (bijvoorbeeld in een hotel of schouwburg)
玄関
/ˈfrɑksi/
noun
  1. 1. een klein deel
    断片
  2. 2. gezamenlijke vertegenwoordigers van een politieke partij in een volksvertegenwoordiging
    院内会派
noun
破片
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
  1. ラズベリー
  2. 木苺
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
フランシウム
/frɑŋk/
noun
munteenheid
フラン
pronoun
フランクフルト・アム・マイン
/ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
  1. フランス
  2. 仏蘭西
/frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
  1. フランス語
  2. フランス
/frɑns/
pronoun
1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
  1. フランス語
  2. フランス
pronoun
フランス領ギアナ
pronoun
フランス領ポリネシア
/ˈfrɑns.man/, /ˈfrɑns.mɑn/
noun
1. iemand uit Frankrijk
フランス人
noun
1. een aantal woorden die een begrip uitdrukken, vaak een zinsdeel, soms een hele zin
イディオム
/fratər/
noun
1. bepaald soort vogel, Linaria flavirostris
キバシヒワ
noun
1. bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
詐欺
verb
1. gelden wederrechtelijk ontvreemden
騙る
noun
1. graanproduct gemaakt van geroosterde groene tarwe
フリーカ
noun
フライス盤
noun
1.
フリーウェア
noun
  1. 1. Oorlogsschip
  2. 2. Driemaster
フリゲート
noun
グンカンドリ
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
周波数
noun
1. frequentiemeter
周波数カウンタ
noun
1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
フェレット
pronoun
1.
フリードリヒスハーフェン
noun
1. en 2.
フリジア語
pronoun
2. benaming voor een Germaanse taal
  1. フリースランド語
  2. フリジア語
/ˈfrislɑnd/, /ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
フリースラント州
noun
1. de benaming voor een gerecht van gefrituurde aardappelreepjes ('patat frites')
フライドポテト
noun
フリカンデル
noun
1. everjong
うりぼう
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in het noordoosten van Italië en in Slovenië
フリウリ語
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in het noordoosten van Italië en in Slovenië
フリウリ語
noun
  1. 1. voorkant
  2. 2. gevechtslinie
前線
noun
1.
前線
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
フルクトース
/frœʏ̯t/, /frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
  1. 果物
  2. 果実
noun
1.
果樹
noun
1. koude schotel met verschillende soorten fruit
フルーツサラダ
noun
フーガ
noun
    1. 1. taak
    2. 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
    3. 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
    機能
  1. 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
    関数
noun
機能語
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
  1. 根本主義
  2. 原理主義
adjective
1. aan de basis staande
基本的な
noun
殺菌剤
noun
合同
/fʏt/
noun
1. de benodigde energie en zin ergens voor
エネルギー
noun
1. bepaald soort watervogel, Podiceps cristatus
息長鳥
adjective
1.
系統学
/ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
物理学
noun
物理学者
noun
生理学
noun
植物病理学
/føn/
noun
1. een toestel dat een warme luchtstroom voortbrengt voor het drogen en opmaken van het kapsel
ドライヤー
/ɣaːj/
noun
1. middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, Garrulus glandarius
懸巣
/ɣaːn/, /χaːn/
verb
1. zich in een bepaalde richting bewegen
行く
/'ɣa.bɔn/, /ɣa.'bɔn/, /χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
ガボン
noun
1. echtgenoot, echtgenote
  1. 配偶者
  2. はいぐうしゃ
/ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
ガドリニウム
noun
[A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
胆汁
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
ガラテヤ人への手紙
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
胆嚢
noun
1. een loodsulfide met de chemische formule PbS
方鉛鉱
noun
ギャラリー
/χɑlx/
noun
1. houten constructie bestaande uit één of meer staande balken met een horizontale balk haaks daarop en één of meer diagonale balken ter ondersteuning, in het verleden veel gebruikt om mensen door ophanging ter dood te brengen
絞首台
noun
1. de laatste maaltijd die een ter dood veroordeelde mag nuttigen
最後の食事
/'ɣɑlɣə(n)strɔp/
noun
1. een tot strop geknoopt touw zoals dat aan een galg gehangen wordt ter verhanging van een veroordeelde
輪縄
adjective
  1. 1. een Spaanse regio in het noordwesten van het Iberisch schiereiland
  2. 2. betreffende het Galicisch
ガリシア語
pronoun
1. Romaanse taal gesproken in Galicië
ガリシア語
/ɣɑˈlisɪə/, /ʝɑˈlisɪə/
pronoun
  1. 1. Spaanse regio
    1. ガリシア州
    2. ガリシア
  2. 2. historische landstreek
    ガリツィア
pronoun
ガリレヤ
noun
1. historisch zeilschip
ガレオン船
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
ガリウム
pronoun
ガリア
noun
1. streektaal die gesproken wordt in Frankrijk
ガロ語
noun
1. Angelsaksische inhoudsmaat
ガロン
verb
1.
ギャロップ
noun
1. een vaste structuur in de galwegen of de galblaas bestaande uit neergeslagen cholesterol, bilirubine of kalkzouten
胆石
/'ɣɑm.bi.ja/, /'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
ガンビア
noun
2. stof
阿仙薬
noun
1. lange smalle ruimte
廊下
noun
1. smalle strook aan de zijkant van het dek van een schip direct naast de reling
タラップ
noun
1. zenuwknoop
神経節
/ˈɣɑŋ(g).pɑd/, /ˈɣɑŋ.pɑt/, /ˈχɑŋ.pɑt/
noun
1. een pad voor wandelaars, voetpad
通路
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
  1. ガチョウ
  2. 鵝鳥
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
ガニメデ
/ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
  1. 1. een overdekte autostalling
  2. 2. een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
ガレージ
/ɣa'rɑn(t)si/, /ɣa'rɑnsi/
noun
1. verklaring waarin men verklaart voor bepaalde gevolgen in te staan
保証
noun
  1. エビ
  2. 海老
pronoun
1.
ガロンヌ川
/ɣɑs/, /χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
  1. 気体
  2. きたい
noun
het rechter pedaal van een auto waarmee de brandstoftoevoer naar de motor geregeld wordt
アクセル
/ɣɑst/, /χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
  1. 客
  2. お客さん
noun
1.
ゲストハウス
noun
2. (biologie) een organisme
宿主
noun
1. maagwandontsteking
胃炎
noun
胃腸炎
noun
ガストロノミー
/ɣɑstˈfrɛɪ/, /ʝɑstˈfrɛː/
adjective
1. gul in het onthalen of herbergen van gasten
もてなしのよい
noun
厚情
noun
女主
/ɣɑt/, /χɑt/
noun
1. opening
穴
noun
1. politieke beweging in Frankrijk ontstaan na de Tweede Wereldoorlog gekenmerkt door een sterke nationale republiek, eenheid en een sterk presidentschap
ゴーリスム
noun
  1. 2. een geschenk
    天分
  2. 1. een bijzondere aanleg
    天才
noun
ガビアル
noun
ゲイダー
pronoun
1. exclave van Palestina tussen Egypte, Israël en de Middellandse Zee
ガザ地区
noun
1. benaming voor slanke hoefdieren
ガゼル
noun
1. onderhouden, kort gemaaid grasveld bij een huis
芝生
/xəˈbar/
noun
  1. 1. een beweging waarmee men iets wil zeggen
  2. 2. een handeling waarmee men iets wil uitdrukken
身振り
noun
手話
/ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
祈り
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
山脈
/ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
起きる
noun
1. iets dat zich voordoet
事件
/ɣəˈbit/, /χəˈbit/
noun
1. een deel van het aardoppervlak
地区
/ɣəˈbladərtə/, /χəˈbladərtə/
noun
1. een verzameling van bladeren van één of meer bomen
木の葉
noun
戒
/ɣəˈboːrtə/, /χəˈbo̝ːrtə/
noun
1. actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint
  1. 出生
  2. 誕生
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel geboorten er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
出生率
noun
1. een opvallende tijdelijke toename in het aantal geboorten
ベビーブーム
adjective
  1. 1. ter wereld gebracht, gebaard
  2. 2. begonnen, ontstaan
  3. 3. door herkomst of natuurlijke aanleg
生まれる
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
  1. 建物
  2. 建築物
noun
  1. 1. een tekort
  2. 2. een defect
不足
noun
2. toepassen van iets
使用
/ɣəˈbrœʏkən/, /χəˈbrœʏkən/
verb
1. zich bedienen van, toepassen
  1. 使う
  2. 用いる
/ɣə'brœːkər/, /χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
  1. 利用者
  2. ユーザー
noun
1.
ユーザー名
noun
1. meestal schriftelijke instructie die bij een product wordt gegeven
使用法
/ɣə'dɑɣdə/, /ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
思考
noun
蒸留水
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
詩
/ɣə'dɛɪə(n)/
verb
1. voorspoedig groeien
繁栄
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
  1. 行動
  2. koudou
  3. こうどう
verb
1. zich ~: de manieren die iemand meest in de omgang met anderen aan de dag legt
振る舞う
noun
1.
行動規範
/xə'drɑxswɛizə/
noun
1.
振る舞い
/ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
辛抱
/gə'dʌldəx/
adjective
1. bereid te wachten en tegenslagen te verdragen
気が長い
preposition
tijdens
うち
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
  1. 黄色
  2. 黄色い
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
noun
1. kleur tussen oranje en groen
黄色
noun
黄疸
indefinitePronoun
1. ontkennend onbepaald lidwoord: tegenovergestelde van één, niet een
無い
/ɣeːst/, /χeːst/
noun
  1. 2. een onsubstantieel wezen
    妖怪
  2. 1. dat wat zich afspeelt in iemands gedachten
    精神
/ɣ̟eːβ̞/, /χeːu/
noun
1. het zich uitrekken, meestal met open mond, bij slaperigheid, ontspanning of verveling
欠伸
/ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
欠伸する
noun
囁き
noun
1.
くすくす笑い
noun
全体
/ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
秘密
noun
  1. 2. snel toegankelijke plaats om data op te slaan
    1. メモリ
    2. memori
  2. 1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
    1. 記憶
    2. kioku
    3. きおく
noun
健忘
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
聴覚
/ɣə'hoːrzam/, /ɣə'ɦoːrzam/, /χə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. bereid gehoor te geven aan regels of bevelen
大人しい
verb
1. gevolg geven aan een opdracht of bevel
従う
/ˈɣɛɪ̯t/, /ˈɣɛːt/, /ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
  1. やぎ
  2. 山羊
noun
シェーブルチーズ
noun
voedzaam vocht dat tepels van een geit afscheiden
ヤギ乳
/ɣɛk/, /χɛk/
adjective
頭のおかしい
noun
1. gekko
ヤモリ
noun
  1. 2. een product om haar mee in model te houden
    ゲル
  2. 1. een gecrosslinkt polymeer van voldoende verdunning om vervormbaar te zijn zonder spontaan te vloeien
    ジェル
noun
面
/ɣəˈlɑx/
noun
1. het lachen
笑い
/ˈɣɛlt/, /ˈχɛlt/
noun
1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
  1. お金
  2. 金
  3. 貨幣
/ˈɣɛldərˌlɑnd/, /ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
ヘルダーラント州
adjective
1. waarvan de waarde of wettigheid erkend wordt
有効
noun
硬貨
noun
1. bepaalde infectieziekte, veroorzaakt door het gelekoortsvirus
黄熱
/ɣəˈledə(n)/, /χəˈledə(n)/
adverb
1. een woord om aan te duiden dat iets zich in het verleden af heeft gespeeld
前
/ɣə.let.ˈpo.tə.ɣə/, /ɣə.ˈleːd.ˌpoː.ti.ɣə/, /χə.let.ˈpo.tə.χə/
noun
1. een dier met een uitwendig skelet van chitine
節足動物
adjective
1. zich veel aan studie gewijd hebbend
勉強
noun
1. iemand die onderricht en bekwaam is in een bepaalde tak van de wetenschap
学者
/ɣǝ.'le.ɣǝn.ɦɛjt/
noun
1. mogelijkheid tot
機会
noun
  1. 1. elektrische stroomgeleider
  2. 2. warmtegeleider
導体
noun
1. de mate waarin iets of iemand aan een ander doet denken
相似
noun
  1. 平等
  2. 均等
noun
直流
/ɣə'lɔftə/
noun
1. een plechtige verklaring iets voortaan te zullen doen of na te zullen laten
誓い
/ɣəˈlof/, /χəˈlof/
noun
1. godsdienst
宗教
noun
1. aanstellingsbrief
信任状
noun
1. de mate waarin iets of iemand verdient geloofd te worden
信用性
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
信じる
/ɣə.ˈlo.vi.ɣə/, /ɣə.ˈlo.və.ɣə/, /χə.ˈlo.və.χə/
noun
1. iemand die een bepaald geloof aanhangt
信徒
/ɣəˈlœʏt/, /χəˈlœʏt/
noun
1. dat wat hoorbaar is
音
adjective
1. zodanig geïsoleerd dat geluiden niet binnen kunnen dringen of de ruimte verlaten
防音
/ɣəˈlɵk/, /χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
  1. 運
  2. 運勢
adjective
1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
幸せ
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
  1. ショウガ
  2. 生姜
noun
  1. 1. het met één of meer andere deel hebben aan iets
  2. 2. samenleving
  3. 3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
コミュニティ
/ɣəmenˈsxɑpələk/, /χəmenˈsχɑpələk/
adjective
3. gerelateerd aan meer dan een entiteit
一般的な
/ɣəˈmentə/, /ɣəˈmeɪntə/, /ʝəˈmentə/
noun
1. bestuurlijke eenheid
地方自治体
noun
1. gemeenschap van onafhankelijke landen
コモンウェルス
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
  1. 平均
  2. へいきん
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
ゲンミンゲン
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
シャモア
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
遺伝子
noun
加護
adjective
容赦ない
noun
1. de laatste slag toegebracht aan een zwaargewonde vijand om hem uit zijn lijden te helpen
とどめ
noun
憲兵
/ˈdʒɛndər/
noun
1. sekse
ジェンダー
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
系譜学
/γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
医学
noun
1. iemand die het bevel heeft over een leger
大将
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
世代
/ˌɣenəˈratɔr/, /ˌχenəˈratɔr/
noun
1. een apparaat of persoon die iets genereert (doet ontstaan)
発電機
pronoun
  1. そうせいき
  2. 創世記
noun
1.de wetenschap van alles wat de werking van genen betreft, in het bijzonder erfelijke overdracht
遺伝学
/ɣəˈnetis/
adjective
1. gerelateerd aan de erfelijkheid
遺伝的
noun
1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
天才
verb
1. voordeel hebben van iets
享受
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
属格
indefinitePronoun
十分
/xəˈnom/
noun
1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme
ゲノム
noun
1. het geheel van genetische kenmerken dat een soort onderscheidt
遺伝子型
noun
1. categorie in een kunstvorm
ジャンル
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
  1. ゲント
  2. ヘント
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
ジェノヴァ
pronoun
2. stad in Zwitserland
  1. ジュネーブ
  2. ジュネーヴ
noun
地球物理学
noun
1. aardrijkskunde
  1. 地理学
  2. 地理
adjective
1. aardrijkskundig, met betrekking tot de aardrijkskunde
地理的
noun
1. aardkunde
地質学
noun
地質学者
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
幾何学
noun
地形学
/ɣeˈjɔrɣis/, /ɣeˈjɔrɣɪs/, /χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
グルジア語
/ɣeˈjɔrɣi.jə/, /χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
  1. グルジア
  2. ジョージア
adjective
1.
静止
noun
1. een bepaald soort voedsel op een bepaalde wijze bereid
料理
noun
1. afsluitbare bak waarin gereedschap opgeborgen en bijeengehouden wordt
ツールボックス
noun
老人医学
/ɣɛrˈmaːns/, /χɛrˈmans/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de taal der Germanen of de talen die er van afstammen
  2. 1. op de Germanen betrekking hebbend
ゲルマン
/ɣɛrˈmaːns/, /χɛrˈmans/
pronoun
1. taal zoals die eertijds door de Germanen gesproken werd
ゲルマン
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
ゲルマニウム
noun
1. tak van wetenschap die het "ouder worden" bestudeert
老人学
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
  1. オオムギ
  2. 大麦
noun
2. wit korreltje op het ooglid
稗粒腫
/ɣə'rɵxt/
noun
  1. 1. lawaai; een klein geluid
    伝聞
  2. 2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
    噂
noun
1. zelfstandig gebruikte verbogen infinitief
動名詞
/ɣəˈsxɛŋk/, /ʝəˈsçɛŋk/
noun
1. iets dat men geeft
贈り物
/ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
  1. 歴史
  2. rekishi
  3. れきし
noun
史学史
adjective
1. met de juiste eigenschappen
相応
noun
1. geweldloos conflict
抗争
/ɣesələ(n)/
verb
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
鞭打つ
/χəˈslɑχt/
noun
  1. 3. (biologisch) genus
    属
  2. 4. grammaticaal geslacht
    性
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
性交
noun
性同一性障害
/ɣəˈslɑxtsɔrɣaːn/, /ʝəˈslɑxtsɔrʝaːn/
noun
1. lichaamsdeel
性器
/ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
バックル
adjective
  1. 1. strak uitgerekt
  2. 3. ongemakkelijk, blijk gevend van stress, het punt van (uit-)barsten naderend
  3. 2. in hoge mate werkzaam
緊張
adjective
1. met sterk ontwikkelde stevige spieren
ムキムキ
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
会話
noun
1. een persoon die deelneemt aan een gesprek
対話者
/ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
岩石
noun
  1. 数
  2. 数字
adjective
1. talent hebbend
多才
noun
1. de periodieke verandering van de waterstand ten gevolge van de stand van de maan
潮
noun
1.
綱引き
adjective
忠実
adjective
1. voltooid deelwoord van trouwen
結婚
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
  1. 目撃者
  2. 証人
verb
1. een veelal beëdigde verklaring afleggen ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
証言
noun
証言
/ɣøːr/, /χøːr/
noun
1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
臭い
/ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
危険
/ɣəˈvarlək/, /ɣəˈvaːrlɪk/, /χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
危ない
noun
1.
事件
noun
1. iemand die gevangen genomen is
囚人
/ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
刑務所
/ɣəˈvɛxt/, /χəˈvɛxt/
noun
1. een handgemeen
戦い
/ˈɣevə(n)/, /ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
  1. 差し上げる
  2. あげる
  3. 下す
  4. くだす
  5. さしあげる
noun
1. gewaarwording
感情
noun
1. een verzamelnaam voor vogels die gekweekt worden als voedsel
家禽
/ɣəˈvɔlx/, /ɣəˈvɔɫx/, /χəˈvɔɫχ/
noun
1. iets dat voortkomt uit iets anders
結果
noun
小銃
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
角
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
暴力
noun
ヴォールト
/ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
良心
/ɣəˈʋɪxt/, /χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
  1. 重さ
  2. 重量
noun
1. een sport waarbij de beoefenaars proberen om zware gewichten op te heffen die aan stalen staven zijn bevestigd
重量挙げ
/xə'wɪxthɛfər/
noun
1.
重量挙げ選手
noun
1. het minder worden van de massa van een persoon of voorwerp
体重減少
noun
1. Balaenoptera physalus, een groot zeezoogdier, lang en gestroomlijnd met puntige kop
ナガスクジラ
/ɣəˈwoːntə/, /ɣəˈβ̞oːntə/, /χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
習慣
noun
1. verbinding
関節
noun
使者
noun
2. alle zinsdelen behalve het onderwerp
述語
/ɣə'zɛlsxɑp/
noun
1. een groep mensen die iets gemeen hebben
仲間
noun
1. de voorkant van een menselijk hoofd
顔
noun
1. de ruimtelijke hoek waaronder beeldschermen en displays van apparaten zijn af te lezen
視角
noun
1. huishouden bestaande uit een of meer ouders en hun kinderen
家族
/xə.ˈzɔnt/, /ɣə.ˈzɔnt/
adjective
1. vrij van ziektes en zeertes
健康
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
健康
noun
1. een onnatuurlijke verdikking in het weefsel
腫瘍
noun
集積回路
/'ɣa.na/, /'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
ガーナ
pronoun
ジブラルタル
/ɣɪts/, /χɪts/
noun
persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
ガイド
/ɣiːr/, /χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
  1. ハゲタカ
  2. 禿鷹
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
けち
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
  1. キビ
  2. 黍
/ˈɣirˌzʋalyw/
noun
1. bepaald soort vogel, Apus apus
ヨーロッパ雨燕
noun
1. een soort emmer met sproeibuis om de planten te begieten
じょうろ
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het gieten van metalen voorwerpen
鋳造所
noun
鋳鉄
/ɣɪf/, /χɪf/
noun
1. substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
毒
/'ɣɪftɑnt/
noun
1. tand waarmee bij een beet gif in het slachtoffer ingespoten wordt
毒牙
noun
ギガバイト
noun
1.
ギガメートル
adjective
巨大
/ɣɛɪ̯/, /ɣɛː/, /χɛɪ̯/
personalPronoun
あなた
/ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /ˈɣɛːzəlaːr/, /ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
人質
/ˈɣɪldə/, /ˈχɪɫdə/
noun
ギルド
noun
ジン
adverb
あそこ
noun
イチョウ
noun
1.
  1. 朝鮮人参
  2. 高麗人参
noun
1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
石膏
/ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
  1. 麒麟
  2. キリン
  3. ジラフ
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
きりん座
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
  1. 麒麟
  2. キリン
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
  1. イースト
  2. 酵母
verb
発酵
/ˈɣɪstər/, /ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
昨日
/ˈɣɪstərə(n)/, /ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
昨日
noun
1.
当て推量
/ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
ギター
pronoun
1. stad in Armenië
ギュムリ
noun
雪氷学
adjective
  1. 滑らか
  2. なめらか
noun
1. gestolde basische lava met een glad oppervlak
パホイホイ溶岩
noun
グラディエイター
noun
1. Poecile palustris, een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae)
ハシブトガラ
verb
1. in zekere mate licht weerspiegelen of voortbrengen
輝く
/ɣlɑs/, /χlɑs/
noun
  1. 2. op basis van SiO₂
  2. 3. om uit te drinken
  3. 1. niet-kristallijne vaste stof
  1. ガラス
  2. グラス
noun
硝子体
noun
1. glasharmonica
アルモニカ
noun
グラスノスチ
noun
isolatiemateriaal gemaakt van glas
グラスウール
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
緑内障
noun
1-2
エナメル質
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
氷河
adjective
1. glad, moeilijk houvast op te krijgen
滑りやすい
/ˈxlɛɪdə(n)/, /ˈɣlɛːdə(n)/
verb
1. met geringe wrijving gericht voortschuiven
滑る
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
微笑み
/'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
微笑む
noun
1. een nachtelijk lichtgevend kevertje uit de familie Lampyridae
  1. ホタル
  2. ツチボタル
/ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
電球
noun
用語集
/ˈɣlɔtɪˌslɑx/
noun
1. een klank die met de stembanden in de keel geproduceerd wordt en tot de plosieven gerekend wordt
声門破裂音
/ˈɣlyː.rə(n)/
verb
1. in het geheim aandachtig naar iemand kijken
覗く
/'ɣly.tə(n)/
noun
グルテン
/ˌɣlikɔˈɣen/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
グリコーゲン
noun
1. een metamorf gesteente met verschillend gekleurde banden of aders
  1. 片麻岩
  2. へんまがん
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
ヌー
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
ゴア
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
  1. 神
  2. 神様
/ɣɔd/, /ɣɔt/, /χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
神
adjective
霊
noun
1.
神性
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
神
pronoun
1. benaming voor het vrouwelijk opperwezen
女神
noun
1. een vrouwelijke godheid
女神
noun
1. een geloof en alle daar bij horende rituelen en doctrines
宗教
noun
1.
信教の自由
noun
1. belediging of bespotting van God/een godheid
不敬
adjective
1. kwaliteit bezittend
  1. いい
  2. 良い
adverb
1. op goede wijze
良い
noun
1. iets concreets of abstracts dat men in bezit kan hebben
  1. いい
  2. 良い
/ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
受難日
/ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
  1. おはようございます
  2. おはよう
interjection
avondwens
  1. おやすみ
  2. おやすみなさい
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
  1. 今晩は
  2. お晩です
noun
1. trein die uitsluitend is bestemd om goederen te vervoeren
貨物列車
verb
1. toestemming verlenen
承認
adjective
1. laag in prijs
  1. 安い
  2. 安価
  3. あんか
  4. やすい
noun
グラグ
noun
教祖
/ɣɔk/, /χɔk/
noun
2. een keuze zonder het juiste antwoord te weten
ギャンブル
/ˈɣɔkən/, /ˈχɔkən/
verb
1. iets van waarde, veelal geld, inzetten op de mogelijke uitkomst van iets onzekers
賭ける
/gɔlf/, /χɔl(ə)f/
noun
  1. 1, 2 en 3
    波
  2. 4. grote baai
    湾
  3. 1. balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
    ゴルフ
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
メキシコ湾
pronoun
1.
リガ湾
noun
ゴルフボール
noun
1. constructie om de kracht van watergolven te weerstaan
防波堤
noun
verpakkingsmateriaal, bestaande uit één of meer lagen dun, gegolfd karton
だんボール
noun
波長
/ɣɔm/
noun
  1. 1. een gum
  2. 2. een kleverige vloeistof die wordt gemaakt van het sap van bomen
消しゴム
/ˈɣɔndəl/
noun
1. een pleziervaartuig in Venetië
ゴンドラ
noun
1. een hangend slagwerk
タムタム
noun
1. een geslachtziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Neisseria gonorrhea
淋病
/ˈgu:gələ(n)/, /ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
ググる
noun
グーゴル
noun
グーゴルプレックス
/ˈɣoːi̯ən/, /ˈχoːi̯ən/
verb
1. het door de lucht verplaatsen van een voorwerp, al dan niet naar een doelwit
投げる
/χot/
noun
1. lid van een Oost-Germaans volk
ゴート人
noun
排水溝
/ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
流し台
noun
1. een band die om het middel gedragen wordt
ベルト
noun
帯状疱疹
/ɣɔrˈdɛːn/, /χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
カーテン
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
ゴリラ
noun
ゴスペル (音楽)
pronoun
1. de uit de oostelijke tak van de Germaanse talen stammende en uitgestorven taal der Goten uit de eerste...
ゴシック
/ˈɣɔtlɑnt/, /ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
ゴットランド島
/ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
  1. 金
  2. 金色
phraseologicalUnit
金メダル
noun
金盞花
noun
1. een smid die met goud werkt
  1. 貴金属細工師
  2. 金細工人
noun
1. bepaald soort vogel, Pyrrhul pyrrhula
ウソ
/ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
金魚
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
グヤーシュ
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
知事
noun
1. eenheid om hoeken te meten
度
noun
1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
伯爵
noun
郡
/ɣrax/, /χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
喜んで
noun
穀物
noun
1. een instrument waarmee een hoek van een gekende grote uitgezet of gemeten kan worden
分度器
/ɣrɑf/, /χrɑf/
noun
  1. 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
  2. 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
墓
noun
1. kunstmatige heuvel die is opgeworpen om als graf te dienen
古墳
noun
in plaatjes gekristalliseerde koolstof
グラファイト
adjective
写実的
noun
1. op een grafsteen gegraveerde korte tekst, gewijd aan de overledene
エピタフ
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
石碑
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
グラム
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
文法
adjective
文法的
noun
  1. 2. met springlading gevuld projectiel
    手榴弾
  2. 5. groep kubische mineralen
    柘榴石
noun
2. vrucht
  1. 柘榴
  2. 石榴
noun
1. wapen, of deel van een wapen, bestemd voor het lanceren van stuwloze ontploffende projectielen
グレネードガン
/ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
花崗岩
/ˌɣranyloˈsit/
noun
1.
顆粒球
/ɣrɑp/, /χrɑp/
noun
1. verhaal dat of handeling die erop gericht is om de lachlust op te wekken
冗談
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
グレープフルーツ
noun
1. sap van de vrucht van de boom Citrus paradisi
グレープフルーツジュース
noun
1.een Italiaanse alcoholische drank
グラッパ
noun
  1. 1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
  2. 1.1 benaming voor planten uit de familie Poaceae die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien
草
/ɣrɑsmajər/
noun
芝刈り機
noun
草泥馬
noun
1. het afzien van de uitvoering van een straf
  1. 勘弁
  2. 恩赦
  3. 赦免
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
無料
adjective
1. donkergrijs, kleurloos
ねずみ色
noun
1. bepaalde soort grijsbruine vogel met oranje snavel, Anser anser
ハイイロガン
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
掘る
verb
1. met een scherp gereedschap iets krassen in glas of metaal
刻む
noun
1. vrouwelijke graaf
伯爵婦人
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
引力
/ɣre.ˈna.da/, /ɣrɛ.ˈna.da/, /χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
グレナダ
noun
2. de raaklijn tussen twee landen
国境
/ɣrik/, /χrik/
noun
1. inwoner van Griekenland
ギリシャ人
/ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
  1. ギリシア
  2. ギリシャ
/ɣriks/, /χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
  1. ギリシア語
  2. ギリシャ語
/ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
  1. 流行性感冒
  2. ウイルス性の風邪
  3. 風邪
  4. インフルエンザ
noun
1. grof gemalen meel
セモリナ
adjective
不気味
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
グリフォン
verb
1. plotseling iets of iemand beetpakken
掴む
adjective
1. de kleur grijs hebbend
灰色
noun
1. stevige zwarte walvis, met bolvormig voorhoofd en een heel kleine snuit
コククジラ
noun
1.
肩黒鳶
noun
onredelijk en willekeurig gedrag
気紛れ
noun
1. vertrokken gelaat, grijns, frats
しかめっ面
noun
砂利
noun
グリザイユ
/ˈgrɪzliˌbeːr/, /ˈɣrɪzliˌbeːr/
noun
1. Ursus arctos horribilis, een Amerikaanse ondersoort van de bruine beer.
グリズリー
/ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
生える
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
  1. 緑
  2. 青い
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
  1. 緑
  2. 緑色
noun
  1. 1. groen verkeerslicht
  2. 2. toestemming
青信号
noun
1. Picus viridis
ヨーロッパアオゲラ
/ˈɣrun.lɑnd/, /ˈɣrun.lɑnt/, /ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
グリーンランド
adjective
カラーリット語
noun
1.
緑青
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
野菜
noun
1.
八百屋
/ɣrup/, /ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
群
noun
1. sociale druk
同調圧力
noun
集団免疫
noun
1.
グループセックス
noun
1. verkrachting door een groep personen
輪姦
/ˈɣrut/, /ˈχrut/
noun
1. een uiting waarbij men elkaars aanwezigheid erkent wanneer men elkaar ontmoet
挨拶
/ˈɣrutə(n)/
noun
1. iemand goedendag of gedag zeggen
あいさつする
verb
1. een dreigend geluid voortbrengen
唸る
noun
1.
地主
noun
原料
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
地下水
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
憲法
/ˈɣroːˌnɪŋə(n)/, /ˈχroˌnɪŋə(n)/
pronoun
  1. 1. hoofdstad van de provincie Groningen
  2. 2. gemeente in de provincie Groningen waarin de stad Groningen ligt
  3. 3. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Drenthe en het Duitse Oost-Friesland wordt begrensd
フローニンゲン
/ɣroːt/
adjective
  1. 1. meer dan normaal in formaat
  2. 3. machtig, belangrijk
  3. 2. bewonderenswaardig, goed
大きい
/ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
  1. グレートブリテン島
  2. グレートブリテン
pronoun
1. stad in Namibië
グルートフォンテイン
noun
1. bedrijf dat in het groot handelt, dat aan de detailhandel levert
卸売
noun
広角レンズ
noun
1. een moeder van een ouder
  1. お婆さん
  2. 祖母
noun
1. op een krachtige manier heel gul zijn
寛大
noun
オオミミギツネ
/ˈɣrotˌʌʊdər/
noun
1. de ouder van een ouder
祖父母
noun
大きさ
/ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
  1. お爺さん
  2. 祖父
/ɣrɔt/
noun
1. een onderaardse holte
洞窟
pronoun
1. hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk zichtbaar sterrenbeeld
おおぐま座
noun
1. soort zeevogel van ongeveer 70 centimeter groot, Larus hyperboreus
シロカモメ
noun
1. de eindhersenen en de tussenhersenen vormen samen de grote hersenen
大脳
noun
ヒナゲシ
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
五大湖
noun
1. bepaald soort overblijvende plant, Sanguisorba officinalis
ワレモコウ
noun
1. bepaalde soort zeevogel, te herkennen aan zijn zwarte kuif en snavel met een klein geel puntje, Sterna sandvicensis
サンドイッチアジサシ
phraseologicalUnit
1. een interval dat vier halve tonen omvat
長三度
noun
1. Melanitta fusca, een vrijwel geheel zwarte eendensoort die voornamelijk op zee voorkomt
ビロードキンクロ
adjective
1. op afschrikwekkende wijze buitenissig
グロ
pronoun
1.
グロズヌイ
noun
1.
グリュイエール
/'ɣryzələ'mɛntə(n)/
noun
1. stukken die ontstaan wanneer een voorwerp breekt
木っ端微塵
noun
een dipsaus uit Midden-Amerika
ワカモレ
pronoun
グアドループ
noun
グアノ
/ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
グアテマラ
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
グアバ
pronoun
ガーンジー島
/ɣi.ˈne/, /χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
ギニア
/ˌɣi.ne.bɪ.ˈsaʊ̯/, /ˌɣi.ne.ˈbɪ.sɔʊ̯/, /ˌχi.ne.ˈbɪ.sʌʊ̯/
pronoun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
ギニアビサウ
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk in Gujerat gesproken wordt. De taal wordt nu ook in Uganda, Tanzania, Kenia en Pakistan gesproken
グジャラティ語
noun
アキノキリンソウ
/ɣɵlp/
noun
1. een door een strook stof afgesloten opening aan de voorzijde van een broek van de man,...
ファスナー隠し
/ɣɵnst/, /χɵnst/
noun
1. het vrijwillig verlenen van een dienst of goed aan iemand om iemand ter wille te zijn
好意
adjective
有利
/ɣi.ˈja.na/, /ɣβ̞i.ˈja.na/, /χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
ガイアナ
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
体操
/ˌɣiroˈskop/
noun
ジャイロスコープ
pronoun
1.
ゲルリッツ
/ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
ゲッティンゲン
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
垣根
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
  1. 垂
  2. セイヨウシデ
/haːɪ̯/, /ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
  1. 鮫
  2. サメ
noun
1.
フカヒレスープ
/haːk/
noun
フック
noun
火縄銃
noun
2. elk van de tekens, rond of met hoeken, gebruikt in paren om woorden of getallen af te zonderen
  1. 括弧
  2. kakko
  3. かっこ
/ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
雄鳥
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
  1. 髪の毛
  2. 髪
noun
1.
ヘアバンド
noun
1. plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
囲炉裏
/ˈharspɛldˌboχt/
noun
1. een zeer scherpe bocht in de weg, gelijkend op een haarspeld, die gebruikt wordt om op een beperkte ruimte sterke hoogteverschillen te overbruggen
つづら折れ
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
  1. 野兎
  2. 兎
/hast/
adverb
1. bijna
ほとんど
adjective
1. zich niet de tijd nemend
軽率
/ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
  1. 憎悪
  2. 厭悪
pronoun
2. boek in de Bijbel
ハバクク書
/ˈhabiˌtɑt/
noun
1. het natuurlijke leefgebied van een organisme
生息地
noun
1. verzamelde mondelinge overleveringen van de uitspraken en instructies van Mohammed
ハディース
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
ハドロン
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
ハフニウム
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
  1. 蜥蜴
  2. トカゲ
/haɣəɫ/
noun
1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
  1. 雹
  2. 霰
verb
1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
雹が降る
/ˈhaɣəlˌsten/
noun
1. een klontje ijs dat als neerslag uit de lucht komt
雹
pronoun
2. boek in de Bijbel
ハガイ書
noun
1. hiel van de voet
踵
/ˈhaː.kə(n)ˌkrœys/
noun
ハーケンクロイツ
noun
1. houtgewas dat ieder 6-10 jaar gekapt wordt meestal om te gebruiken als brandhout
萌芽更新
/ɦɑl/
noun
  1. 1. ruimte achter de voordeur
  2. 3. een grote overdekte ruimte gericht op het uitvoeren van activiteiten
廊下
/ˈɦalə(n)/
verb
1. ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
持ち帰る
/ɦɑlf/
adjective
1. de helft zijnde
ハーフ
noun
1-2
半導体
noun
半神
noun
半母音
noun
1. het oppervlak van een halve bol, met name van de aarde
半球
adverb
1. halverwege de vlaggenstok
半旗
interjection
1. groet
もしもし
noun
幻覚
noun
ハロゲン
noun
ハロゲン化物
noun
襟首
noun
1.
頸静脈
noun
1.
ホンセイインコ
noun
1. het te vasthoudend zijn
頑固
noun
無口
/ˈhɑɫtə/
noun
1. een plaats waar gestopt wordt
停留所
noun
ダンベル
noun
1.
準決勝
noun
1.
二分音符
noun
1.
二分休符
noun
1.
四強
/ɦɑm/
noun
1. vlees van de achterkant van een varken
ハム
noun
ハンブルク
/ˈham.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.χər/
noun
1. schijf gebraden gehakt
ハンバーガー
noun
  1. 2. een van de gehoorsbeentjes in het oor
    1. ハンマー
    2. 槌骨
  2. 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
    1. 金槌
    2. ハンマー
noun
1.
シュモクザメ
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
  1. ハムスター
  2. 絹毛鼠
/ɦɑnt/
noun
1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
  1. 手
  2. て
noun
手荷物
noun
ハンドボール
/ˈɦɑnt.buj/
noun
1. een paar aan elkaar verbonden afsluitbare ringen
手錠
noun
1. een doek waarmee men zich afdroogt
タオル
noun
ハンドシェーク
/ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
商業
verb
  1. 1. iets doen, al of niet met de handen, optreden
  2. 2. handel drijven
商う
noun
1. datgene dat gedaan is
行為
pronoun
使徒行伝
noun
1.
貿易障壁
noun
商標
verb
1. iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
保つ
/ˈɦɑndɪɣ/, /ˈɦɑndɪχ/
adjective
1. goed met de handen om kunnen gaan
器用
noun
1. een 2 wielige kar die met menskracht wordt bewogen
ハンドカート
noun
1. binnenzijde van de hand
手のひら
noun
1. met de hand bediende rem
ハンドブレーキ
/hɑnd.sxun/, /ɦɑnt.sxun/, /ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
手袋
noun
署名
noun
2. klein aantal
一掴み
noun
1. door mensen georganiseerd gevecht tussen kamphanen waarbij de toeschouwers kunnen wedden op de uitkomst van het gevecht
蹴合
/ˈhanə(n)kɑm/
noun
1. Cantharellus cibarius, een eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak
杏茸
noun
1. brug die is opgebouwd uit twee (soms één) hoge pijlers of pylonen waartussen een dikke kabel gespannen is...
吊り橋
/ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
ハンモック
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
南京錠
pronoun
1. stad in Duitsland
ハノーファー
/haˈram/
adjective
ハラーム
/'ɦɑrdər/
noun
1. Mugil curema, een straalvinnige vissoort
ボラ
adjective
1. door koken stijf geworden (met name van eieren)
堅くゆでた
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
ハードウェア
/ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
  1. ニシン
  2. 鰊
noun
1. bepaalde middelgrote haai en consumptievis, Lamna nasus
ニシネズミザメ
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
熊手
noun
2. een grappig, koddig persoon in het algemeen
アルレッキーノ
noun
1.
ハープ
noun
3. feeks
ハルピュイア
/hɑrˈpun/, /ɦɑrˈpun/
noun
  1. 2. een speer met weerhaken
  2. 1. een grote pijl met weerhaken aan een touw
銛
/ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
樹脂
/ɦɑrt/
noun
  1. 心臓
  2. 心
noun
1. het afsterven van hartspierweefsel door afsluiting van een kransslagader of een tak hiervan
  1. 心筋梗塞
  2. shinkinkousoku
  3. しんきんこうそく
noun
1.
ハートのジャック
noun
1.
心不全
adjective
うまい
noun
心拍
/ˈhɑrtstɪlstand/, /ˈhɑrtstɪlstɑnt/, /ˈhɑrtstɪɫstɑnt/
noun
1. het stoppen van het kloppen van een hart
心停止
noun
カットラス
noun
1. emotionele pijn die ontstaat door het verlies van een geliefd persoon
断腸
noun
1. grafisch symbool #
ハッシュタグ
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
ハッシウム
/'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
憎む
interjection
ハクション
pronoun
1. taal die wordt gesproken door meer dan 85 miljoen mensen, vooral in Niger en Nigeria
ハウサ語
/ˌotkuˈtyr/
noun
オートクチュール
/ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
港
noun
1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
  1. 燕麦
  2. エンバク
/ˈhavərˌmɪːɫ/
noun
zeer fijn gemalen haver
オート麦粉
noun
havervlokken
  1. オート麦フレーク
  2. ロールド・オーツ
/ˈɦavɪk/
noun
  1. 1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
    オオタカ
  2. 2. iemand die graag oorlog wil voeren
    1. 鷹
    2. タカ
pronoun
1. Polynesische taal gesproken in de Amerikaanse staat Hawaï
ハワイ語
noun
1. een heester waaraan hazelnoten groeien
sēyōhashibami
/ˈɦa.zəlˌmœːs/, /ˈɦa.zəɫˌmœʏ̯s/
noun
1. knaagdier in de familie van slaapmuizen, Muscardinus avellanarius
ヨーロッパヤマネ
/ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
ヘーゼルナッツ
/ˈhaː.zə(n)ˌlɪp/
noun
三つ口
noun
1. snelle hond wordt ingezet voor wedrennen of jacht op hazen
グレーハウンド
/ha.ˈhi.ti/, /ɦa.ˈi.ti/, /ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
ハイチ
/haʔitiˈjanskreˌjols/
pronoun
1. taal gesproken door 6 000 000 mensen
ハイチ語
noun
1. hoofdtelefoon met ingebouwde microfoon
ヘッドセット
/ˈɦɛbə(n)/
verb
  1. 1. bezitten
    1. 持つ
    2. ある
  2. 1. voor voltooide tijd
    持つ
interjection
1. een uitroep geuit wanneer men iets heeft weten te vangen
ガッチャ
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
  1. ヘブライ語
  2. ヘブライ
adjective
1. blijk gevend van hebzucht, hebberig
貪欲
noun
1.
ヘクトメートル
noun
1. leer dat genot het hoogste goed is
快楽主義
/heːl/
adjective
1. niet stuk
全体
/he.ˈlal/, /ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
宇宙
noun
1. de tak van de geneeskunde die met operatie probeert te genezen
外科
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
上帝
/ɦɪːr/
noun
  1. 1.
  2. 4. welgemanierd persoon
ジェントルマン
noun
スギナ
noun
1. iemand die de macht uitoefent
支配者
noun
低木
/ɦeːt/
adjective
1.
  1. 暑い
  2. 熱い
noun
1.
梃子
noun
ヘゲモニー
noun
1. een zangvogel ter grootte van een huismus met opvallend grijs op de kop
ヨーロッパカヤクグリ
/ˈhɛɪ̯də/, /ˈhɛːdə/
noun
  1. 2. onbebouwde grond
  2. 1. een met heidekruid begroeide vlakte
ヒース
noun
1. bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis, Hippoglossus hippoglossus
オヒョウ
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
ハイルブロン
/ɦɛj.ləɣ/
adjective
1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
神聖
noun
1. plaats of gebouw gewijd aan een god of godin
神社
noun
聖人
noun
1.
聖霊
noun
1.
アフリカクロトキ
noun
1. de pauselijke regering
聖座
noun
vergrijp aan iets heiligs
冒涜
/'hɛɪmʋe/
noun
1. sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
  1. 郷愁
  2. 里心
/ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
  1. 魔女
  2. majo
  3. まじょ
/ˈhɛksə(n)ˌjɑxt/
noun
1. het jagen op vermeende heksen
魔女狩り
noun
妖術
/'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
  1. 地獄
  2. 魔界
/ɦɛlt/
noun
  1. 英雄
  2. 勇者
noun
1. de durf en de kracht van mensen, die zich, met gevaar voor eigen leven, voor de goede zaak inzetten
ヒロイズム
adjective
  1. 1. duidelijk en zuiver
  2. 1. klaar, doorzichtig
必ず
noun
1. het heel moedig en dapper zijn
勇気
noun
1.
全音符
/'ɦelə(n)/
verb
1. gezond worden
治す
/ɦɛlft/
noun
半分
/ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
ヘリコプター
noun
1. overbezorgde vader of moeder die te veel wil nagaan en regelen wat een kind doet
モンスターペアレンツ
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
ヘリウム
noun
1. lang middeleeuws wapen
  1. ハルバード
  2. 鉾槍
pronoun
1. stad in Twente in het oosten van Overijssel
ヘレンドールン
noun
1. een glooiing in het landschap
坂
/ɦɛlm/
noun
1. beschermend hoofddeksel
  1. ヘルメット
  2. 兜
/ˈɦɛlm.knɔp/
noun
葯
noun
舵
noun
ヘルプデスク
/ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
  1. 助け
  2. 手助け
  3. 助ける
pronoun
1. de hoofdstad van Finland
ヘルシンキ
/ɦɛm/
personalPronoun
2.
彼
noun
1. roodkleurig mineraal dat ferri-oxidekristallen bevat
赤鉄鉱
/ˈɦeːməl/
noun
  1. 2. het hiernamaals, leven na de dood
    1. 天国
    2. 空
  2. 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
    1. 空
    2. 天
noun
天体
adjective
天
noun
1. christelijke feestdag waarin gevierd wordt dat Jezus na de opstanding naar de Hemel ging
昇天祭
noun
1. hemiool
ヘミオラ
noun
半球
/ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
雌鶏
noun
二詞一意
/ˈhɛndrɪk/
pronoun
  1. 1. mannelijke voornaam
  2. 2. spelwoord voor de letter h
ヘンリー
pronoun
1. Belgische provincie
エノー
/ɦɛŋst/
noun
1. mannelijk paard
種馬
/ˈɦɛ.nəp/
noun
  1. %e5%a4%a7%e9%ba%bb
  2. 麻
noun
1. leverontsteking
肝炎
noun
1. C₇H16
ヘプタン
/herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
紋章学
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
宿屋
verb
2. tot verblijf dienen
宿す
noun
1. dier dat zich met plantaardig voedsel voedt
草食動物
noun
記念
noun
1. hond die een kudde bewaakt
牧羊犬
noun
1. een kreeftachtige (Eupagurus bernhardus) uit de orde van tienpotigen, die in de schelp van een zeeslak woont
ヤドカリ
verb
1. opnieuw tot een eenheid maken
再会した
verb
1. iets op een nieuwe wijze in woorden uitdrukken
言い換える
noun
1. derde jaargetijde
  1. 秋
  2. あき
noun
1. een zeer dunne draad spinrag
流れ糸
noun
1. bepaald soort plant, Colchicum autumnale
イヌサフラン
verb
1. iets opnieuw zeggen
繰り返す
noun
1. het nogmaals plaatsvinden
反復
/ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
1. opnieuw in gedachte brengen
思い出させる
noun
回想
noun
1. een herbivoor die zijn voedsel herkauwt
反芻動物
verb
1. waarnemen en beseffen wie het is
認める
noun
由来
verb
1. een wapen opnieuw vullen met ammunitie
入れ直す
verb
1. opnieuw lezen
再読
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
オコジョ
pronoun
ヘルメース
noun
1. uitstulping van een orgaan of weefsel uit de lichaamsholte waar het normaliter in ligt
ヘルニア
noun
1.
再認識
verb
1. opnieuw op details bezien
再考
noun
een verdovend middel
ヘロイン
noun
爬虫両棲類学
verb
1. opnieuw oprijzen, opnieuw gaan leven of functioneren
蘇らせる
noun
脳死
noun
1. brein
脳
noun
1. de buitenste laag van de grote hersenen
大脳皮質
noun
1. schade aan de hersenen door uitwendig geweld
震盪
noun
indoctrinatietechniek
洗脳
noun
償い
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
  1. 雄鹿
  2. 鹿
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
公爵
noun
1. het gebied dat onder leiding staat of stond van een hertog
公国
noun
1. adellijke titel, vrouw van een hertog
公爵夫人
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
ヘルツ
verb
1.
ぶり返す
pronoun
ヘッセン州
/(ɦ)ət/, /hɛt/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
それ
verb
角を矯めて牛を殺す
/'he.tə(n)/, /'ɦe.tə(n)/
verb
1. de naam dragen
申す
adjective
異種の
adjective
1. gericht op het andere geslacht of betrekking hebbend op liefde voor mensen met een ander geslacht
異性愛者
noun
1. man met seksuele voorkeur voor vrouwen of een vrouw met seksuele voorkeur voor mannen
ノンケの
relativePronoun
1. wat
こと
pronoun
1. een dode taal die in het huidige Turkije werd gesproken
ヒッタイト語
demonstrativePronoun
1. de gelijke identiteit bezittend; onzijdig enkelvoud, zowel zelfstandig als bijvoeglijk gebruikt
同じこと
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
  1. ヒップ
  2. 腰
noun
een kleine platte fles
スキットル
/ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
  1. 丘
  2. 小山
/'ɦevəl/
noun
2. een geheel met vloeistof gevulde pijp of slang waarvan het ene einde lager gehouden wordt dan de andere, waardoor vloeistof van de laatste mond naar de eerste stroomt
サイフォン
noun
1. C₆H14
ヘキサン
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
  1. 踵
  2. かかと
/ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
  1. ここ
  2. ここで
/hɛɪ̯/, /ɦɛɪ̯/, /ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
  1. 彼
  2. あの人
verb
1. zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
喘ぐ
noun
1. een constructie om zware lasten op te tillen
クレーン
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
  1. しゃっくり
  2. ヒック
/ˈɦɪkə(n)/
verb
1
しゃっくり
pronoun
1. + 2. stad en district
ヒルデスハイム
pronoun
ヒルフェルスム
/ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
麀
noun
不意打ち
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
ヒンディー語
noun
ヒンズー教
noun
2. kinderspel, waarbij men zich deels op één been verplaatst
石蹴り
verb
足を引きずる
noun
ヒッピー
noun
平仮名
noun
ヒストグラム
noun
歴史家
adjective
歴史的
/ˈhɪtə/
noun
熱
/hɪ.tə.bə.stɛn.dɪx/, /ɦɪ.tə.bə.stɛn.dəx/, /ɦɪ.tə.bə.stɛn.dəχ/
adjective
1. bestand tegen hitte; kan na contact met hitte nog even goed functioneren
耐熱
noun
熱波
noun
1. menselijk immuundeficiëntievirus
HIV
noun
1. rangorde
  1. 序列
  2. 階層
  3. 階層性
noun
1.
ホビット
/hɔbi/
noun
1. een liefhebberij of bezigheid ter ontspanning voor in de vrije tijd
趣味
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
オーボエ
noun
1. balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
ホッケー
/ɦu/
adverb
1. op welke wijze
  1. どんなに
  2. どう
/hud/, /ɦut/
noun
1. een hoofddeksel
  1. 帽子
  2. ぼうし
noun
1. iemand die hoofddeksels voor mensen maakt
帽子屋
/ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
蹄
noun
蹄葉炎
noun
1. plant met grote bladeren die aan de rand van wateren groeit
苳
noun
蹄鉄
noun
装蹄師
/ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
  1. 角度
  2. 角
noun
角速度
/ˈhuk.steːn/
noun
  1. 1. een steen die gebruikt wordt om de hoekpunten van bouwwerken te verstevigen
  2. 2.
礎石
noun
1.
やった
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
咳
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
咳をする
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
  1. いくつ
  2. 幾つ
/huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
  1. 量
  2. 高
indefiniteOrdinalNumeral
何番目
conjunction
1. drukt een tegenstelling uit
だけれども
pronoun
欧州司法裁判所
pronoun
1. wijk in Almelo
ホフカンプ
noun
1. een gebied waar relatief een hogere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
高気圧
noun
圧力鍋
noun
1. en 2. (vruchtvlees van) plant Cucurbita maxima var. hubbaridianna
  1. ウチキクリ
  2. ホッカイドウカボチャ
adjective
1. zonder inhoud, zonder betekenis, leeg
くぼむ
noun
  1. 2. ondergrondse woning of schuilplaats van een dier
    巣窟
  2. 1. grot, spelonk
    洞窟
noun
1. bepaald soort vogel, Columba oenas
ヒメモリバト
/ˈɦɔlɑnt/
pronoun
1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
ホラント州
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
ホルミウム
noun
1. techniek waarmee een afbeelding in een plat vlak diepte of verschillende beelden lijkt weer te geven als je er onder uiteenlopende hoeken naar kijkt
ホログラフィー
noun
ホメオパシー
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
ホメオスタシス
/ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
  1. マルハナバチ
  2. 丸花蜂
noun
1.
同性愛
noun
ホモフォビア
noun
1. gelijkklinkend woord
同音語
adjective
同質
noun
1.
斉次性
noun
1. op dezelfde manier gespeld woord
同音異義語
noun
1. een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht
ゲイの結婚
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
同音異義語
noun
同性愛
/ˈhɔnd/, /ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
  1. 犬
  2. いぬ
/ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
百
cardinalNumeral
1. het getal 100.000, een tiende deel van een miljoen
十万
pronoun
1.
百年戦争
noun
狂犬病
/hɔn.ˈdyː.rɑs/, /ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
ホンジュラス
/hɔŋ(g).ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
ハンガリー人
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
adjective
1. betreffende Hongarije of het Hongaars
ハンガリー語
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
ハンガリー語
/ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
ハンガリー
/ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
飢え
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
飢饉
noun
1. het weigeren van voedsel uit protest
ハンガー・ストライキ
/hɔŋˈkɔŋ/
pronoun
1. een speciale administratieve regio van de Volksrepubliek China
ホンコン
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
蜂蜜
noun
1. een bij van de soort Apis mellifera die honing maakt uit nectar en bloemen bestuift
蜜蜂
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mellivora capensis
ラーテル
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. inodorus
ハネデューメロン
noun
1. balsport waarbij de bal met een knuppel geslagen wordt en de spelers langs een drietal honken trachten rond te lopen tot zij weer de thuisplaat bereiken
ベースボール
/ɦoːft/
noun
  1. 3. iemand die gezag heeft over anderen
    長
  2. 1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
    頭
/'ɦovduk/
noun
1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
頭巾
noun
1.
メインコース
noun
枕
noun
1. een letter die een groter formaat en meestal ook een andere vorm heeft dan een kleine letter
大文字
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
  1. 虱
  2. 寄生虫
noun
1. de voorste pagina van een website
メインページ
noun
1. pijn in het hoofd
頭痛
noun
1.
元金
/'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
  1. 首都
  2. 都
noun
bepaalde opdeling van tekst of beeld in een boek
章
adverb
1. in belangrijke mate, in overwegende mate
主に
/ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
高い
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
  1. 雅歌
  2. がか
noun
高圧
noun
  1. 1. een verheffing van de aardkorst
  2. 2. niveau
高さ
noun
昇降舵
/ˈɦoxtəvres/, /ˈɦoçtəvres/
noun
1. angst voor hoogten
高所恐怖症
noun
大逆罪
noun
2. hoge waterstand in 't algemeen
大水
noun
1. gedroogd gras
  1. 干草
  2. 干し草
/ˈɦojbɛrx/
noun
1. een ter bewaring opgestapelde hoeveelheid gedroogd gras
干し草の山
noun
花粉症
/ɦoːp/
noun
3. verwachting van iets wenselijks
希望
adjective
1.
可聴
/horn/
noun
1. hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
角
pronoun
アフリカの角
/hoːrnar/, /ho̝ːrnar/
noun
1. Vespa crabro, een soort grote wesp
雀蜂
noun
1.
コキュ
noun
  1. 1. bepaald soort vogel, Upupa epops
    ヤツガシラ
  2. 1. bepaalde plant die onder andere wordt gebruikt bij de bereiding van bier
    ホップ
/ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
  1. 望む
  2. 希望する
/hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
  1. 聞く
  2. 伺う
noun
1. onderdanige en onvrije gehoorzaamheid
農奴制
noun
地平線
noun
地平線
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
横
noun
1. een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
腕時計
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
ホルモン
noun
星占い
noun
ホラー
noun
1.
つき出し
noun
1.
紫陽花
/ˈɦɔrzəɫ/
noun
1. parasitaire vliegsoort
ヒツジバエ
pronoun
ホセア書
noun
1.
ホスピス
noun
1. opneming in een ziekenhuis
入院
/hoˈtɛl/, /ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
  1. ホテル
  2. 宿
/ˈɦɑʊdə(n)/
verb
  1. 1. niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen
  2. 2. huisdieren verzorgen
保つ
noun
  1. 1. een pose
  2. 2. gedragslijn, opstelling
姿勢
/ɦɑʊ̯t/, /[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
  1. 木
  2. 木材
/ɦɑʊ̯tbɛi̯/
noun
1. enige bij onder de geslachtengroep Xylocopini
熊蜂
noun
1. houtblaasinstrument
木管楽器
noun
1. bepaalde soort wilde duif, Columba palumbus
森鳩
/ˈhɑutə(n)/
adjective
木製
verb
1. het met een bijl in houtblokken hakken van boomstammen
伐採
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
樵
noun
1. verkoold hout
  1. 木炭
  2. 炭
noun
1. benaming voor verschillende in hout levende insectenlarven
木食い虫
noun
1.
製材所
noun
1.
榴弾砲
/hovəlɪŋ/
noun
1. een onderdaan die tot het dagelijkse gezelschap van een vorst behoort
廷臣
pronoun
1. binnenzee in Noordoost-Canada
ハドソン湾
noun
偽善者
/hœːd/, /ɦœʏ̯t/, /ɦœːt/
noun
1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
皮膚
/hœːx/, /ɦœʏ̯χ/, /ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
  1. 口蓋垂
  2. のどちんこ
noun
1.
泣き虫
/ɦœy̯lə(n)/
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
泣く
/hœːs/, /ɦœʏ̯s/, /ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
家
noun
1. strafbepaling
軟禁
noun
地主
/ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
ペット
noun
1. vrouw die andermans huishouden verzorgt
ハウスキーパー
noun
1. bepaald soort knaagdier dat vaak in en rond gebouwen voorkomt, Mus domesticus
ハツカネズミ
noun
1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
イエスズメ
noun
番地
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
主婦
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
宿題
noun
1. een machtiging, uitgegeven door justitie, voor het binnentreden van de woning
捜索令状
/ɦʏlp/
noun
1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
  1. 助け
  2. 手伝い
/ˈɦʏlᵊp.tɛlˌʋoːrt/
noun
1. een woord of morfeem dat in combinatie met een nummer wordt gebruikt om het aantal van iets aan te geven
助数詞
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
  1. 助動詞
  2. 補助動詞
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
  1. セイヨウヒイラギ
  2. 犬黄楊
noun
1. puree van o.m. gekookte kikkererwten
フムス
noun
ユーモア
adjective
こっけい
/ˈɦynəbɛt/
noun
1. neolithische begraafplaats
支石墓
verb
はね回る
verb
1. opspringen
跳ねる
/ɦyrə(n)/
verb
1. tegen betaling gebruiken
賃借
pronoun
1.
フルガダ
verb
1. op de onderbenen gaan zitten
しゃがむ
/ɦyr/
noun
1. tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
レンタル
adjective
1. geschikt om in het huwelijk te treden
結婚適齢期
/ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
結婚
noun
1. akte van de burgerlijke stand waarin staat dat twee mensen met elkaar getrouwd zijn
結婚証明書
noun
1.
結婚相談所
/ˈɦiu̯ələksˌrɛɪ̯s/
noun
1. de reis die een pasgetrouwd stel gewoonlijk onmiddellijk na hun trouwen onderneemt
  1. ハネムーン
  2. 新婚旅行
/hʊ.ˈzaːʁ/
noun
1. een ruiterijsoldaat.
ユサール
noun
3. bolgewas
ヒヤシンス
/hi'drat/
noun
1.
水和物
noun
水路学
noun
水文学
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
ハイエナ
noun
衛生
adjective
1. schoon, gezond
衛生的
noun
1.een instrument om vochtigheid van de lucht te meten
湿度計
noun
1. een verheven loflied op een bepaald onderwerp (zoals een land, God ...)
聖歌
noun
双曲線
noun
過剰修正
noun
1. overmatige zweetafscheiding
多汗症
noun
1. een gekleurd en/of onderstreept tekstgedeelte dat een onderliggende verwijzing bevat
ハイパーリンク
noun
1. een woord dat een verzameling van verwante specifiekere woorden samenvoegt, een overkoepelende term
上位語
noun
1. verhoogde bloeddruk
高血圧
noun
熱中症
noun
1. bovenmatige groei
肥大
noun
高尿酸血症
noun
1.
催眠
noun
1. overdreven bezorgdheid om de eigen gezondheid
心気症
/ɦipoˈkrit/
noun
1. iemand die voordoet bepaalde waarden te huldigen, maar zich er zelf niet aan houdt
偽善者
/ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
下垂体
noun
1. term die een subcategorie van een algemenere klasse aanduidt
下位語
noun
1. lage bloeddruk
低血圧
noun
1. deel van de hersenen dat een directe verbinding heeft met het hormonale systeem
視床下部
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
抵当
noun
1. onderkoeling
低体温症
noun
仮説
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
カッテージチーズ
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
イベリア半島
noun
1. een vogel met een lange gebogen snavel behorend tot de familie Threskiornithidae
とき
noun
1.
イブプロフェン
noun
図像学
noun
1. een iconenwand die het altaar van het schip scheidt in de Russisch-orthodoxe kerk
イコノスタシス
noun
  1. 1. heiligenafbeelding, zoals vereerd in de kerken van het oosten
  2. 2.
聖像
/idiˈjal/
adjective
1. zo gunstig mogelijk
イデアル
/idiˈjal/
noun
1. iets wat men zich voorstelt als het hoogste en dat men wil verwezenlijken
イデアル
/iˈde/
noun
1. gedachte, plan
着想
verb
識別
noun
1. geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
同一
noun
1. een woordsoort van woorden die de associatie met een klank, kleur, gevoel, smaak of andere gewaarwoording oproepen
擬態語
/ˌideo'ɣrɑm/
noun
1. een grafisch teken dat een voorwerp symboliseert
表意文字
/ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
  1. イデオロギー
  2. 理念
adjective
1. van, betreffend of volgens een ideologie
イデオロギーの
adjective
1. het idioom betreffend
熟語
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
成句
/idi'ot/
noun
1. iemand die een grote maat van zwakzinnigheid heeft
馬鹿
pronoun
イド語
/i.də.ˈreːn/
indefinitePronoun
1. elke persoon
みんな
indefinitePronoun
誰か
noun
1. een loofboomsoort uit het geslacht Ulmus ...
楡
/iːr/
noun
1. inwoner van Ierland, of iemand afkomstig uit Ierland
アイルランド人
/ˈiːrlɑnd/, /ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
  1. アイルランド
  2. airurando
/iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
アイルランド語
pronoun
1.
アイリッシュ海
suffix
  1. 1. anion in submaximale oxidatietoestand
  2. 2. mineraal
indefinitePronoun
1. een of ander ding
何か
/ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
イグルー
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
虚栄
/ɛɪ̯s/, /ɛːs/
noun
  1. 1. de vaste vorm van water, bevroren water
  2. 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
氷
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
  1. 北極熊
  2. ホッキョクグマ
noun
1. een zeer groot brok ijs dat in de zee drijft
氷山
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
砕氷船
verb
1. een discipline van het kunstschaatsen
アイスダンス
noun
1. bepaald soort vogel Gavia immer
ハシグロアビ
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
アイスホッケー
/ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
アイスクリーム
/ˈɛɪ̯slɑnd/, /ˈɛɪ̯slɑnt/, /ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
アイスランド
/ˈɛɪ̯sˌlɑndər/, /ˈɛːsˌlɑndər/
noun
1. inwoner van IJsland
アイスランド人
/ˈɛɪ̯slɑnds/, /ˈɛɪ̯slɑnts/, /ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
アイスランド語
noun
1. ijspriem
アイスピック
noun
1.een theevariant
アイスティー
/ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
  1. 川蝉
  2. カワセミ
noun
1
氷水
/ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
  1. 鉄
  2. くろがね
noun
鉄鉱
noun
クマツヅラ
noun
鉄器時代
personalPronoun
1.
  1. 私
  2. 俺
  3. 僕
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
愛しています
noun
幻覚
noun
イラスト
noun
イラストレーター
pronoun
1.
イルスフェルト
/ˌimiˈtasi/, /ˌimiˈtatsi/
noun
1. nabootsing
模造品
noun
iemand die een ander persoon nadoet
亜流
adjective
1.
広大
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
移民
verb
1. een land binnenkomen om zich er te vestigen
移住
noun
1. onvatbaarheid voor een ziekte
免疫
noun
1. de leer van het afweersysteem dat verantwoordelijk is voor: afweer tegen besmettelijke ziekten...
免疫学
noun
インパラ
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
インピーダンス
noun
帝国主義
/ɪmˈperijʏm/
noun
帝国
noun
1. etterige huidontsteking
膿痂疹
noun
1. een stof, voorwerp, toestel etc. dat in een lichaam wordt aangebracht
インプラント
verb
1.stilzwijgend ten gevolge hebben
ほのめかす
noun
1. een organisator van toneeluitvoeringen, concerten enz.
演出家
noun
印象派
verb
1. iets bedenken zonder vooropgesteld plan
即興で
/ɪmˈpʏls/
noun
2. product van massa en snelheid
運動量
preposition
  1. 1.-12. in (ruimtelijk)
  2. 2. in (tijdelijk)
で
phraseologicalUnit
1. in een omgeving waar weinig gepresteerd wordt...
鳥無き里の蝙蝠
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
…の代わりに
verb
1. lucht uit de omgeving opnemen
吸い込む
noun
1.
吸入
/ˌɪnʌʊɣyˈratsi/
noun
1. de feestelijke of plechtige inwijding in een ambt
  1. 就任
  2. 就職
noun
1. het inbreken
侵入窃盗
noun
1. iemand die onvoldoende of nooit seks heeft ondanks dit wel te willen
インセル
noun
近親相姦
/ˈɪntʃɛˌkə(n)/
verb
1. zich aanmelden aan een balie om een instapkaart te krijgen en eventueel bagage af te geven.
チェックイン
noun
1. het onvermogen om urine of ontlasting op te houden
失禁
noun
1. #
潜伏期間
/ˌɪndərˈdad/, /ˌɪndərˈdat/
adverb
1. een bevestiging dat iets het geval is
実際の
noun
  1. 1. inhoudsopgave
  2. 2. index librorum prohibitorum
  3. 6. indexbestand
索引
/ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
  1. インド
  2. 印度
adjective
インディアン
/ɪn.ˈdi.ɣo/, /ɪn.ˈdi.χo/
noun
1. een kleur die in het het lichtspectrum voorkomt met een golflengte van 440 tot 420 nanometer
藍色
/ˌɪndisəˌosiˈan/, /ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
インド洋
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
インジウム
adjective
1. afzonderlijk, op zichzelf
個々
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
インドシナ
noun
教化
/ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
インドネシア語
/ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
インドネシア
/ˈɪndrʌk/
verb
印象
noun
インダクタンス
noun
1. Nijverheid
産業
noun
1. traagheid
慣性
noun
1.
内格
noun
1. een besmetting van lichaamsweefsel met ziekteverwekkers als bacteriën, virussen, schimmels of...
感染
noun
潜入
verb
浸入する
/ɪɱfinitif/
noun
1. het hele werkwoord
不定詞
noun
1. tussengevoegd morfeem
接中辞
noun
1. stijging van het prijspeil waardoor het geld in waarde daalt
インフレーション
noun
1.
インフルエンサー
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
  1. 情報科学
  2. コンピュータサイエンス
noun
1.
  1. 情報
  2. jouhou
  3. じょうほう
noun
情報セキュリティ
noun
1.
情報システム
adjective
  1. 赤外
  2. 赤外線
/ˈɪɱfrastrʏktyr/
noun
1. het totaal van onroerende voorzieningen zoals (spoor)wegen, vliegvelden,...
インフラ
noun
2. een opening waar iets doorheen kan
  1. 入口
  2. 入り口
/ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
  1. エンジニア
  2. 技師
noun
2. verzamelnaam voor de inwendige organen van het darmkanaal
腸
pronoun
1.
インゴルシュタット
noun
1.
スローイン
noun
具材
verb
2. zich beslissend mengen in het verloop van iets
介入する
noun
吸入器
/'ɪnɦɑm/
noun
入り江
/ɪnˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens voorkomend
生来の
/ˈɪnhɑut/
noun
  1. 3. alles wat in een geschrift of ander medium staat
    1. 中身
    2. 内容
  2. 1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
    内容
noun
1. overzicht van de onderwerpen of hoofdstukken in een boek
目次
noun
1. feestelijke gelegenheid waarbij iemand wordt gehuldigd, zoals een koning/vorst door diens onderdanen, bij aanvaarding van diens ambt
  1. 就任
  2. 就職
noun
1-2 beginletter
頭文字
noun
通過儀礼
noun
注入
noun
1.
溝
noun
1. regelmatig verkregen som geld
  1. 収入
  2. shuunyuu
  3. しゅうにゅう
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
  1. インク
  2. 墨
/ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
インク入れ
/ˈɪŋktfɪs/
noun
1. een koppotig weekdier met vangarmen dat een inktachtig vocht afscheidt ter verdediging
イカ
/ˈɪnlɛɪdɪŋ/, /ˈɪnlɛːdɪŋ/
noun
1. een tekst waarmee men een indruk probeert te geven van de inhoud van een langere tekst
序論
/ˈɪnlɛɪvə(n)/
verb
2. het toe-eigenen van een grondgebied
組み入れる
verb
漬ける
/ˈɪmpɑkə(n)/
verb
2. in een omhulsel doen
包む
noun
1. een rechtbank van de Rooms-Katholieke Kerk, die was belast met de opsporing, het onderzoek en het opleggen van straffen van ketters
異端審問
verb
1. een lidmaatschap of deelnemerschap schriftelijk vastleggen
内接
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
  1. 昆虫
  2. 虫
adverb
そちらこそ
noun
  1. 3. het inslaan van iets
    インパクト
  2. 1. horizontale draden die tijdens het weven tussen de opgespannen draden van de schering worden ingebracht
    横糸
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
努力
noun
検査員
/ɪnspi'rasi/
noun
1. een gevoel over hoe men een klus kan aanpakken
霊感
noun
8. een kunstvorm
インストール
noun
2. organisatie, die vaak subsidie van de overheid krijgt en geen geld wil verdienen
機構
noun
1. gedrag dat geheel genetisch bepaald is
本能
verb
1. zwichten voor de zwaartekracht
崩壊
noun
  1. 1. werktuig
    1. 器具
    2. 器械
  2. 2. verkort voor muziekinstrument
    1. 楽器
    2. 器具
adjective
インスト
/ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
インスリン
/ɪnˈtexə(n)del/
adverb
それどころか
adjective
積分
noun
積分
/ɪntəˈɣra(t)si/
noun
統合
/ɪntɛli'xɛnt/
adjective
1. met een goed verstand of daarvan blijk gevend
利口
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
知能
noun
アイ・キュー
noun
1.
インテリ
adjective
1. zeer krachtig, hevig
きつい
noun
1. een verklaring van een partij omtrent een bedoeling (intentie)
意向表明書
noun
1. onderlinge beïnvloeding
相互作用
adjective
1. wekt interesse
興味深い
noun
  1. 1. belang
  2. 2. belangstelling
  3. 3. iets waar belangstelling voor is
  1. 興味
  2. 関心
verb
1. nieuwsgierig maken
興味を引く
noun
利子
noun
インターフェース
/ĭn'tə(r)lĭng"wə/
pronoun
1. een hulptaal bedoeld is om de communicatie met anderstaligen te vereenvoudigen
  1. インターリングア
  2. インターリングア語
/ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
国際的
pronoun
国際通貨基金
pronoun
国際度量衡局
verb
1. een verplichte verblijfplaats aanwijzen
抑留
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
インターネット
noun
1.
インターネットカフェ
noun
内挿
noun
1. uitlegging, vertaling
通訳
verb
1. uitleggen of opvatten
解説
/'ɪntɛrpɵŋktsi/
noun
句読点
noun
  1. 1. tussenperiode
  2. 3. de afstand tussen twee verschillende tonen
音程
noun
1. vraaggesprek met iemand over diens opvattingen en ervaringen
インタビュー
verb
1.een vraaggesprek met iemand houden
インタビューする
adjective
bijvoeglijk gebruikt
居心地のいい
adjective
1. zonder de mogelijkheid van een lijdend of meewerkend voorwerp
自動詞
noun
  1. 2.
  2. 3.
陰謀
/ɪntroˈdʏksi/
noun
de presentatie van iets nieuws, of de inleiding van een nieuwkomer
序論
/ˈɪntrɔn/
noun
1. stukje DNA dat zich bevindt in een gen maar dat niet wordt gebruikt om het eiwit te coderen
イントロン
pronoun
イヌクティトゥット語
noun
目録
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
投資
/ˈɪnvluːt/
noun
  1. 1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
  2. 2. het vermogen om op anderen in te werken
有力者
adjective
有力
noun
インプット
noun
1. krans of spiraal van schutbladen rond een bloeiwijze
総苞
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
イオ
/jɔn/
noun
イオン
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Zuid-Italië en West-Griekenland
イオニア海
noun
電離層
/i'peʔadrɛs/
noun
1. een combinatie van getallen waarmee een computer in een IP-netwerk kan worden herkend
IPアドレス
pronoun
1.
イラン
/i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
イラク
/i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
イラン
noun
イラン人
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
イリジウム
noun
西表山猫
noun
  1. 1. orgaan in het oog van vele organismen
  2. 2. benaming voor planten uit het geslacht Iris
菖蒲
/ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
アイロニー
adjective
1.
風刺的
adjective
1. van geen belang voor de huidige zaak
無関係
verb
1. op onaangename wijze prikkelen
いらいらさせる
noun
1. een zenuwontsteking bij de heup
坐骨神経痛
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
  1. イスラム教
  2. 回教
pronoun
イスラマバード
noun
1. ruimtelijke afzondering
分離
verb
    1. 1. persoonlijk
    2. 2. chemisch
    切り離す
    1. 3. elektrisch
    2. 4. warmte
    絶縁
noun
同位体
/ˈɪs.ra.hɛl/, /ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
イスラエル
noun
1. een smalle strook land die twee grotere landmassa's verbindt
地峡
/italiˈjaːn/
noun
1. een persoon die uit Italië komt
イタリア人
/italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
  1. イタリア語
  2. 伊語
/iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
  1. イタリア
  2. 伊太利
  3. 伊太利亜
adjective
イテレーティブ
suffix
  1. 1.
  2. 2.
炎
noun
象牙
/i.ˈvoːr.kʏs/, /i.ˈvoːr.kʏst/, /i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
コートジボワール
/jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
  1. はい
  2. ええ
  3. うん
/jaː/
interjection
1. kreet van opwinding
  1. うん
  2. ええ
/ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
年
/ˈjar.ɣə.ˌtɛɪ̯.də/, /ˈjar.ɣə.ˌtɛː.də/, /ˈjar.χə.ˌtɛɪ̯.də/
noun
1. een deel van een jaar met unieke eigenschappen
季節
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
毎年
/jɑxt/
noun
  1. 3. een snel vaartuig
    ヨット
  2. 1. het achtervolgen van wild
    1. 狩猟
    2. shuryou
    3. しゅりょう
noun
1. hond die speciaal gefokt wordt voor de jacht
猟犬
noun
1. een hoorn als signaalinstrument op de jacht
狩猟笛
noun
1. zeer snel, betrekkelijk groot Afrikaans katachtig roofdier, Acinonyx jubatus
チーター
noun
gevechtsvliegtuig
戦闘機
/ˈjaːɣə(n)/
verb
1. bewegende wezens proberen te vangen
  1. 狩る
  2. karu
  3. かる
noun
1. iemand die op jacht gaat
  1. 猟師
  2. 狩人
noun
狩猟採集民
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
ヤクストハウゼン
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
ジャガー
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat Rajasthan
ジャイプル
noun
ヤク
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
ジャッカル
pronoun
ヤコブ
noun
1. benaming voor bepaald soort mosselachtig schelpdier
  1. 帆立貝
  2. ホタテガイ
/jaˈkobʏs/
pronoun
ヤコブ
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
ねたむ
/ʃɛm/
noun
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
ジャム
/(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
ジャマイカ
pronoun
1. (taal) een creooltaal
ジャマイカ・クレオール語
noun
アイアンブ
noun
1. een grote bijeenkomst van scouts in de leeftijd van 14 tot 17 jaar uit landen verspreid over de gehele wereld die eens per 4 jaar wordt georganiseerd
ジャンボリー
interjection
1. uitroep van teleurstelling
残念
noun
1. bepaalde zeevogel, Morus bassanus
白鰹鳥
/jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
  1. 1月
  2. 一月
pronoun
  1. 2. Romeinse god
  2. 3. maan
ヤヌス
/jaˈpɑn/, /jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
  1. 日本
  2. 日本国
noun
日本人
/jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
  1. 日本語
  2. 日本
/jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
  1. 日本語
  2. ジャパニーズ
noun
1.
イタドリ
pronoun
1. taalfamilie van Japans en een tiental verwante talen die in Japan worden gesproken
日琉語族
/jɑr.ˈɣɔn/
noun
2. vaktaal, taalgebruik binnen een bepaalde groep, vaak moeilijk te volgen voor een buitenstaander
専門用語
noun
1.
  1. コート
  2. ジャケット
noun
ジャスパー
noun
1.
ヤタガン
adjective
ジャワ語
pronoun
1. een taal die door meer dan 75 miljoen mensen op Java en Bali gesproken wordt
ジャワ語
/jeˈhova/
pronoun
エホバ
/ˈjemən/, /ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
イエメン
pronoun
1. en 2.
イェーナ
noun
1. Juniperus communis
ビャクシン
pronoun
エレミヤ
noun
1.
ジェリカン
pronoun
イザヤ書
/dʒɛt/
noun
1. een straalvliegtuig
ジェット機
/ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
  1. 若さ
  2. 青春
noun
ユースホステル
noun
1. kriebel
かゆみ
/ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
イエス
pronoun
1. Jezus van Nazareth
イエス・キリスト
/je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
イエズス会士
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
ジャールカンド
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
痛風
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
イディッシュ語
noun
ジハード
/jEi/, /jɛɪ̯/, /jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
君
pronoun
1. Wijk in Urasoe
勢理客
/'jɔb/
pronoun
ヨブ
/ˈjodələ(n)/
verb
1. zingen met een snelle wisseling van borst- naar keelstem
ヨーデルする
/joˈdin/
noun
1.
ユダヤ人
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
ヨウ素
pronoun
ユーゴスラビア
noun
トレーニングパンツ
pronoun
2.1 een van de vier Evangeliën
  1. ジョン
  2. ヨハネ
noun
イナゴマメ
noun
  1. 1. speelgoed
  2. 2. sufferd
ヨーヨー
verb
ジョーカー
adjective
1. van geringe leeftijd
若い
noun
1. onvolwassen man
  1. 少年
  2. 男の子
/jɔŋˈle.rə(n)/
verb
ジャグリング
noun
1. schip
ジャンク
/jot/
noun
ユダヤ人
noun
1. aanhanger van het joodse geloof
ユダヤ人
adjective
1. te maken hebbend met het joodse geloof, het jodendom
ユダヤ人
/jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
ヨルダン
noun
3. een kleinigheid, helemaal niets
イオタ
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
ジャーナリスト
noun
ジャーナリスト
/joˈʔel/
pronoun
  1. ヨエル
  2. ヨエル書
/jybələ/
verb
1. juichen
狂喜する
noun
1. feestelijke herdenking van de dag waarop iets gebeurde of begon
記年祭
pronoun
2. boek in de Bijbel
ユダ
/'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
柔道
noun
1. bepaald soort eenjarige plant met sterk greduceerde veerdelige bladeren, Nigella damascena
黒種草
/jʏˈfrɑu/
noun
お嬢
adjective
1. zoals het moet, waar
正しい
noun
1. houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten verbindt
衡
noun
1. een van de beenderen van de schedel
頬骨
/jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
  1. 7月
  2. 七月
/ˈjʏli/
personalPronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
あなたたち
noun
ジャングル
noun
1. de zesde maand van het jaar
  1. 六月
  2. 6月
noun
1. een verzamelnaam voor snel bereid en geserveerd voedsel dat vaak ongezond is
ジャンクフード
/ˈjypiˌtɛr/
pronoun
  1. 木星
  2. ジュピター
adjective
1. betrekking hebbend op het recht en de rechtsleer
法的な
/jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
ワンピース
noun
1. een groep mensen die oordeelkundig geacht wordt en gevraagd een oordeel ergens over uit te spreken
審判団
noun
1. saus voor spijzen, bereid uit vleesnat
グレイビーソース
noun
1. sieraad van grote schoonheid en hoge waarde
宝石
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
宝石商
noun
1. krokodilachtige uit de onderfamilie Caimaninae van de familie alligators
カイマン
noun
1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
顎
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
破傷風
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
禿げ
noun
1. het kaal zijn
禿
noun
1. een in zee vooruitstekende landpunt
岬
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
喜望峰
pronoun
1. een kaap in Zuidwest-Spanje, bekend om de gelijknamige zeeslag die er uitgevochten werd
トラファルガー岬
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
ケープタウン
/ˈkaːp.stɑn.dər/
noun
1. kaapstander
キャプスタン
/kab.ˈvɛr.di.jə/, /kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
カーボベルデ
/kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
  1. 蝋燭
  2. ろうそく
noun
    1. 2. bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
    2. 3. kartonnen of plastic vel uit een kaartspel, om mee te spelen
    カード
  1. nog in te delen vertalingen
    地図
/kartspɛl/
noun
1. een spel met speelkaarten
カードゲーム
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
  1. チーズ
  2. 乾酪
noun
葵
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
ケーブル
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
鱈
noun
キャビネット
/'kabul/
pronoun
1. Afghaanse stad/provincie
  1. カブール
  2. カーブル
noun
1. sprookjesfiguur
ノーム
/ˈkɑ.xəl/, /ˈkɑ.xəɫ/, /ˈkɑ.χɔɫ/
noun
1. een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
ストーブ
pronoun
1. Tibeto-Birmaanse taal gesproken door 900 duizend mensen in Myanmar
カチン州
/ˈkɑxtəl/, /ˈkɑxtəɫ/, /ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
子馬
noun
1. beschoeide of gemetselde oeverstrook waaraan de schepen kunnen aanleggen
波止場
noun
1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
幹部
/kɑf/
noun
1. de vliezen rondom de graankorrels
もみがら
noun
1.
カフタン
noun
1. een gesloten kano om in wild water of op zee te varen
カヤック
/kaki/
noun
かき
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
ゴキブリ
noun
1. rommelig geheel van vele klanken door elkaar
不協和音
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
  1. カレンダー
  2. 暦
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
子牛
noun
仔牛肉
noun
カリフ
noun
イスラム帝国
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
カリウム
/ˈkɑl(ə)k/
noun
aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium
石灰
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
  1. 七面鳥
  2. ターキー
noun
石灰岩
noun
1.
書道
/kɑlm/
adjective
1. weinig in beroering, zonder opwinding
静か
/ˈkɑlmus/, /ˈkɑɫmus/
noun
菖蒲
noun
平安
/kɑm/
noun
1. getand object om haren mee te verzorgen
  1. 櫛
  2. くし
/kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
  1. 駱駝
  2. ラクダ
noun
駱駝飼い
/ka'melejɔn/
noun
  1. 1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
  2. 2. veranderlijk persoon
カメレオン
noun
1. deel van een huis
部屋
noun
同志
noun
1. een lange huisjas
ガウン
noun
室内楽
/ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
カメルーン
noun
1.
室内管弦楽団
noun
  1. 室温
  2. 常温
noun
  1. 樟脳
  2. カンフル
noun
1.
クスノキ
noun
1. elk van de planten van het geslacht Matricaria
  1. カミツレ
  2. カモミール
noun
1. mannenvest met lange mouwen en diepe zakken
キャミソール
/kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
解かす
noun
  1. 1. een plaats waar een aantal troepen geruime tijd of permanent gehuisvest zijn
  2. 2. een kampeerplaats met een groep van bij elkaar horende tenten
キャンプ
verb
1. een vorm van openluchtrecreatie
キャンプする
noun
1. wedstrijd waar bepaald wordt wie de kampioenstitel mag dragen
チャンピオンシップ
noun
vuur in een kamp waaromheen mensen zich (ter gezelligheid) verzamelen
キャンプファイヤー
noun
1. serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
缶
noun
  1. 2. lettergreepschrift dat in de Japanse talen voorkomt
  2. 1. afzonderlijk karakter uit een lettergreepschrift van het Japans
仮名
pronoun
イギリス海峡
/ka'naːl/
noun
運河
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
カナリア
pronoun
1. een stad gelegen in Zuid-Afghanistan en de hoofdstad van de gelijknamige provincie
カンダハール
noun
燭台
/kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
  1. シナモン
  2. 肉桂
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
カンガルー
noun
1.
漢字
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
癌
pronoun
1. taal die in de Indische staat Karnataka gesproken wordt
カンナダ語
noun
1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
人食い人種
noun
1.
カニバリズム
noun
カヌー
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
大砲
noun
1.
砲艦
noun
  1. 2. een mooie gelegenheid
    1. チャンス
    2. 機会
  2. 1. mogelijkheid dat er iets gaat gebeuren
    可能性
noun
  1. 1. eerste minister
  2. 2. hoofd van een kanselarij
宰相
/kɑnt/
noun
1. een vorm van vlechtwerk
レース
pronoun
een Chinese taal gesproken door ongeveer 54 miljoen mensen in het zuiden van China en ook buiten het land
広東
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
事務室
noun
カオリナイト
/kɑp/
noun
2. een bedekking van het hoofd
フード
noun
1. klein kerkgebouw
チャペル
noun
1. een priester van de katholieke kerk, werkzaam in een parochie
チャップレン
verb
乗っ取る
noun
1. vroegere zeerover...
私掠船
/ˈka.pər.ˌbrif/
noun
1. een brief door de overheid of koning werd geschreven, waarmee een schip dat die brieven aan boord had het recht werd gegeven om schepen van vijandelijke mogendheden aan te vallen en leeg te roven
私掠免許
noun
1.
柱頭
noun
1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
大尉
/'kɑpmɛs/
noun
1. stevig mes
マチェテ
/ka'pɔtʲə/
noun
2.
コンドーム
noun
カッパ
noun
美容師
/'kɑ.pər.tʲə/
noun
2. klein groen bloemknopje van de kappertjesplant, Capparis spinosa, dat meestal op zuur bewaard wordt en dat als kruiderij gebruikt wordt
ケッパー
/kɑpsɛɪ̯zə(n)/, /kɑpsɛːzə(n)/
verb
1. ondersteboven komen liggen
覆る
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
  1. かみがた
  2. 髪形
noun
1. een geweer met ingekorte loop en soms ook ingekorte schoudersteun
カービン
noun
  1. 1. aard
  2. 2. letter
記号
noun
1. gebrande suiker
  1. カラメル
  2. キャラメル
noun
1. vorm van vermaak, waarbij muziek wordt afgespeeld van een lied, en de amateur zanger in een microfoon de tekst (die op een televisiescherm te lezen is) live zingt
カラオケ
noun
1. japanse gevechtsport
空手道
noun
1.
  1. キャラバン
  2. 隊商
/kɑrboˈnadə/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
コートレット
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bubalis bubalis
水牛
noun
plant en zaad
カルダモン
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
枢機卿
noun
1. en 2. bladeren van Cynara cardunculus
カルドン
pronoun
1. een aan het Fins verwante taal die wordt gesproken in Karelië, Rusland en Finland
カレリア語
/kɑˈrelɪə/
pronoun
1. deel van Rusland
カレリア
noun
1. een zoogdier uit de familie der hertachtigen
カリブー
noun
1.
カリカチュア
pronoun
1.
ケルンテン
pronoun
1., 2. en 3.
カルロヴィ・ヴァリ
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het zuiden van het land
カルナータカ
noun
1. gefermenteerde melk
バターミルク
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
  1. コイ
  2. 鯉
noun
1. de verzameling verschijnselen die samenhangen met de oplosbaarheid van kalksteen onder invloed van koolzuur in de atmosfeer
カルスト
noun
大腸
/kɑrˈtɔn/
noun
  1. 2. verpakking
    カートン
  2. 1. bordpapier
    厚紙
noun
plant, zaad en specerij
キャラウェイ
/'kɑs/
noun
  1. 3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...
    ハウス
  2. 1. de bak die het ontvangen geld bevat
    レジ
pronoun
カシミール
noun
1.
ブロックバスター
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
カスピ海
noun
  1. 3. machine om ontvangen geld te registreren en te bewaren
    キャッシュレジスター
  2. 1. plaats waar men aankopen betaalt in een winkel
    レジ
noun
1. iemand die het beheer heeft over de kas en de mutaties ervan bijhoudt
レジ係
/kɑs/, /kɑst/
noun
1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
食器棚
noun
  1. 1. de boom
  2. 1. de vrucht
栗
adjective
赤褐色
noun
1. streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
  1. カースト
  2. ジャーティ
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
城
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Casuarius
カソワリ
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
猫
noun
1. geheel van de afbraakprocessen in een lichaam
異化
noun
片仮名
noun
触媒
noun
    1. 1. belegeringswapen
    2. 3. lanceerinrichting voor vliegtuigen
    カタパルト
  1. 2. speeltuig
    1. スリングショット
    2. カタパルト
noun
  1. 2. gevolgen van alcoholgebruik
    1. 二日酔い
    2. futsukayoi
    3. ふつかよい
  2. 1. mannetje van de kat
    雄猫
/kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
大聖堂
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
カテーテル
noun
1-2 scheikunde + elektronica
カソード
noun
カチオン
/kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
  1. 綿
  2. コットン
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
滑車
pronoun
1. gebergte
カフカス山脈
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
ニシコクマルガラス
verb
噛む
noun
1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
ガム
noun
  1. キャビア
  2. イクラ
pronoun
1. een taal die van oorsprong door de Kazachen in Kazachstan gesproken werd
カザフ語
/ˈka.zɑx.stɑn/, /ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
カザフスタン
noun
1. inwoner van Kazachstan
カザフ人
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
カズラ
pronoun
1. oudste zoon van Adam en Eva
カイン
/keːl/
noun
  1. 1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
  2. heraldiek
喉
noun
1. pijnlijke irritatie van het slijmvlies in de keelholte, meestal door een ontsteking ervan
咽頭痛
/keːp/
noun
2. kleurrijke vinkensoort
  1. アトリ
  2. 花鶏
/ˈkipər/
noun
ゴールキーパー
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
回
noun
回帰線
noun
1. een steile wand waarachter grond of water wordt vastgehouden
擁壁
noun
1. een steile wand waarachter grond of water wordt vastgehouden
擁壁
pronoun
1. stad in Namibië
ケートマンスフープ
/ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
錐体
noun
1. een kromme gevormd door het snijden van een kegel met een plat vlak
円錐曲線
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
  1. 天皇
  2. 皇帝
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
  1. 女帝
  2. 皇后
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
  1. 帝政
  2. 帝国
noun
1. operatieve verlossing
帝王切開
noun
1. een ondergrondse bergruimte
  1. 地下室
  2. chikashitsu
  3. ちかしつ
noun
聖爵
noun
ウエーター
/kɛɫt/
noun
1. lid van een Indo-Europees volk waarvan na de Romeinse tijd de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
ケルト人
/ˈkɛl.tis/, /ˈkɛɫ.tis/
adjective
1. met betrekking tot Kelten
ケルト
noun
1. bepaald soort vogel, Calidris pugnax
襟巻鷸
/ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
ケニア
verb
  1. 1. bekend, vertrouwd zijn met
  2. 2. door studie of oefening geleerd hebben
知る
noun
目利き
/ˈkɛnɪs/
noun
1. wat je weet of hebt geleerd
  1. 知識
  2. chishiki
  3. ちしき
noun
綾織
/ˈkɛpəl/
noun
1. hoofddeksel in de vorm van een ondiep bolsegment
キッパ
noun
セラミックス
noun
1. een ingesneden groef
ノッチ
/kɛrk/
noun
    1. 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
    2. 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
    1. 教会
    2. 教会堂
  1. 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
    1. 教会
    2. 聖堂
noun
1. bijeenkomst van een christelijke gemeente waarin God vereerd wordt
礼拝
/kɛrkər/
noun
1. een ondergrondse ruimte die bestemd is voor het opsluiten van gevangenen
地下牢
noun
1. terrein waar overledenen begraven worden
墓地
/ˈkɛrgœːl/, /ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
メンフクロウ
noun
原子力発電所
noun
1. energie geproduceerd door kernfusie of kernsplijting, waarmee in een kerncentrale elektriciteit wordt opgewekt
原子力
noun
1. het proces waarbij twee atoomkernen botsen en één zwaardere kern vormen waarbij energie vrij komt
核融合
noun
1. ouders en hun minderjarige kinderen
核家族
noun
原子炉
noun
1. een rampzalige gebeurtenis waarbij de brandstof van een kernreactor smelt door het wegvallen van de koeling
メルトダウン
noun
核兵器
noun
1. een vrij zware fractie alkanen die met name als vliegtuigbrandstof gebruikt wordt
ケロシン
noun
specerij
カレー
noun
1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
  1. サクランボ
  2. 桜桃
noun
1. benaming voor bomen waaraan kleine ronde vruchten groeien, uit het ondergeslacht Prunus subg. Cerasus
桜
/kɛr.ˈsta.vɔnt/, /kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
クリスマスイブ
/ˈkɛrsd.bom/, /ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
クリスマスツリー
noun
クリスマスプレゼント
/ˈkɛr.stə.ˌnə(n)/
verb
2. heidense volkeren, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren; veelal in historische context
キリスト教化
/ˈkɛrs.kart/, /ˈkɛrst.kart/
noun
1. een wenskaart die wordt gekenmerkt door een kerstgroet en wensen voor het komende nieuwe jaar
クリスマス・カード
/ˈkɛrs.lid/, /ˈkɛrst.lit/
noun
1. een op Kerstmis betrekking hebbend lied
クリスマス・キャロル
/ˈkɛrs(t)məs/, /ˈkɛrsmɪs/, /ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
クリスマス
/ˈkɛrstɛr/
noun
ポインセチア
noun
2. keukenkruid
チャービル
noun
1. een saus op basis van tomaten
ケチャップ
noun
1. meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
ボイラー
/ˈke.təl.dɑl/, /ˈke.təɫ.dɑɫ/, /ˈkeː.təl.dɑl/
noun
1. een half cirkelvormige vallei gevormd door de erosie die een gletsjer veroorzaakt
圏谷
noun
水垢
noun
1. uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
チェーン
noun
1. iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
異端者
/ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
異端
noun
  1. 4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
    ネックレス
  2. 2. een stevige, maar buigzame verbinding van in elkaar grijpende ringen of achtvormige schakels
    鎖
/ˈkøːkə(n)/
noun
  1. 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
    1. 台所
    2. 厨房
  2. 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
    1. 台所
    2. 料理
pronoun
ケルン
noun
選帝侯
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
選択
/ˈkevər/, /ˈkɛvər/
noun
1. bepaald insect
甲虫
/ˈkiːbɔː(r)d/, /ˈkiːbɔː(r)t/
noun
2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
キーボード
pronoun
1. taal die in Cambodja gesproken wordt
クメール語
/ˈkɪbuts/
noun
キブツ
noun
1.1 benaming voor roofvogels uit het geslacht Circus
チュウヒ
noun
1. verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip
竜骨
noun
1. spoor van waterstroom (achter een schip)
航跡
noun
細菌
noun
1. het proces, waarbij het in een zaad aanwezige embryo of kiem door de zaadhuid heenbreekt en vervolgens tot een kiemplant uitgroeit
発芽
noun
選挙権
noun
1. de wijze waarop de volksvertegenwoordiging bij verkiezingen wordt gekozen.
選挙方法
verb
1. het prikkelen van gevoelige stukken huid bij anderen door middel van licht aanraken
擽る
noun
1. ademhalingsorgaan van vele in water levende dieren
えら
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
キエフ
noun
タゲリ
verb
  1. kiezen voor iets
    にする
  2. 1. uit meerdere mogelijkheden één nemen
    選ぶ
noun
1. iemand die stemt bij een politieke verkiezing
選挙人
verb
  1. 見る
  2. 観る
noun
1. iemand die kijkt
視聴者
noun
1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
蛙
noun
1. legsel
蛙の卵
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
ヒヨコマメ
noun
1. fijn gemalen kikkererwten
ベサン
noun
  1. 1. informele afkorting van "kilogram" de SI-eenheid van massa (symbool: kg)
  2. 2. informele afkorting van "kilogram" een niet-SI-eenheid van gewicht of kracht
キロ
abbreviation
1. kilogram
  1. キログラム
  2. キロ
noun
1. duizend meter
キロメートル
noun
1. meetinstrument dat de totaal afgelegde afstand in kilometers aangeeft
オドメーター
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
  1. 顎
  2. あご
noun
  1. 1. mens tussen 0 en 18 jaar
  2. 2. persoon voortkomend uit
  1. 子供
  2. 子
noun
児童労働
noun
1. een kamer die speciaal is ingericht voor kinderen
子供部屋
noun
童謡
noun
ベビーシッター
noun
1. een voertuig waarin zuigelingen of kleuters met de hand verreden kunnen worden
  1. ベビーカー
  2. 乳母車
noun
1. een ziekenhuis gespecialiseerd in de behandeling van kinderen
こども病院
noun
1. kind dat deelneemt aan een gewapend conflict
少年兵
adjective
1. wat beweging veroorzaakt
動的
noun
キニーネ
/kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
百日咳
pronoun
1. officiële taal van Ruanda, behoort tot de Bantoe-talen
ルワンダ語
/kɪp/
noun
1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
鶏
noun
hok voor kippen
鶏小屋
/ˈkɪpəvɛɫ/
noun
1. het verschijnsel waarbij als gevolg van kou de huid gaat kleine bubbeltjes vertoont
鳥肌
noun
1. voer speciaal geschikt voor kippen
チキンフィード
pronoun
1. de taal die in Kirgizië gesproken wordt
キルギス語
/kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
  1. キルギスタン
  2. キルギス
/ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
キリバス
noun
1. schijnkunst die niet aanslaat met veel versieringen en/of de verkeerde materialen waarvan de meeste mensen denken dat het wansmaak is
キッチュ
noun
2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
  1. キウイフルーツ
  2. キーウィ
noun
エレジー
pronoun
哀歌
verb
1. ongenoegen uiten
とやかく言う
noun
1. in het algemeen wordt hiermee het totaal aan eigenschappen van een geluid aangeduid
音
noun
音声学
/ˈklɑŋknabotsɪŋ/
noun
  1. 1. het (proberen) een zelfde geluid te produceren
  2. 2. een woord dat is ontstaan uit het proberen een geluid na te doen
擬音語
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
お客さん
noun
食客
verb
1. applaudisseren
手を叩く
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
  1. ケシ
  2. ポピー
noun
1. een schaats die bij het langeafstandsschaatsen gebruikt wordt
スラップスケート
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
クラリネット
/klɑs/
noun
1. een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
クラス
noun
1. een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
教室
noun
クラス
/ˈklʌʊtərə(n)/
verb
1. klimmen, zich verticaal verplaatsen met behulp van alle vier de ledematen
攀じ登る
/klʌu/
noun
  1. 1. poot van een roofdier
  2. 2. hand
爪
noun
1. klauwplaat
チャック
noun
1. toetsinstrument
ハープシコード
noun
クローバー
noun
1. kaartkleur
クラブ
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
衣類
noun
1.
服
noun
楽屋
noun
1. rijstsoort die veel zetmeel bevat
糯米
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
仕立て屋
/klɛɪ̯/, /klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
粘土
adjective
1. van geringe grootte
小さい
pronoun
親指トム
noun
ノボロギク (野襤褸菊)
pronoun
小アジア
/ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
孫娘
pronoun
1. een hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk sterrenbeeld
こぐま座
noun
1. bepaald soort meeuw, Larus glaucoides
アイスランドカモメ
noun
1.
ニシセグロカモメ
phraseologicalUnit
1. een interval dat drie halve tonen omvat
短三度
noun
1. bepaald soort vlinder, Aglais urticae
小緋縅
/ˈklɛːŋkɪnt/, /ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
孫
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
孫息子
noun
1. de onweerstaanbare drang om te stelen
盗癖
/ˈkleː.rən/
noun
1. kleding of kledingstukken
衣類
verb
2. praten, babbelen
喋る
noun
おしゃべり
/kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
  1. 色
  2. 色彩
adjective
1. zonder kleur
無色
noun
色鉛筆
adjective
1. vol opvallende kleuren
カラフル
verb
付ける
/ˈkleːvərɪx/
adjective
1. vasthechtend bij aanraking
ベタベタする
noun
クリーク
noun
2. orgaan
腺
/ˈklivə(n)/
verb
1. langs een scherp breukvlak in tweeën hakken
割る
noun
1. steile hoge rots
崖
verb
1. een klikkend geluid maken
クリック
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
  1. 気候
  2. 風土
noun
1. de verandering van het klimaat in een bepaald gebied over een bepaalde periode, m.n. de wereldwijde opwarming sinds de 19e eeuw
気候変動
/klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
気候学
verb
1. het bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
登る
/'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
ツタ
noun
1. sport- of speeltoestel waarop men klimt
ジャングルジム
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
クリンゴン語
noun
1. een inrichting waar patiënten worden verpleegd
クリニック
adjective
1. direct voor de arts (hulpverlener) zichtbaar
臨床
/klɪŋk/
noun
2. constructie om een deur gesloten te houden
ラッチ
verb
1. een bepaalde klank voortbrengen
鳴る
/ˈklɪŋkər/
noun
1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
母音
noun
1. een metalen verbinding tussen twee platen bestaande uit twee cilidrische delen die van weerszijden,...
リベット
noun
1. plant met kleverige bloemknoppen
牛蒡
noun
1., 2. plant met kleverige bloemknoppen
牛蒡
noun
  1. 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
    時計
  2. 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
    鐘
/ˈklɔkɦœs/, /ˈklɔkɦœʏs/
noun
1. binnenste van een vrucht
仲核
noun
2. smal hoog bouwwerk met bovenin een of meer wijzerplaten van een uurwerk
時計台
/klɔmp/
noun
1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
木靴
verb
1. een identieke kopie van een levend wezen maken
クローンを作る
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
峡谷
/klon/
noun
1. een levend wezen dat een exacte genetische kopie is van een ander wezen
クローン
/klostər/
noun
  1. 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
  2. 2. een kloostergemeenschap als zodanig
  1. 修道院
  2. 僧院
verb
  1. 2. hoorbaar bewegen
  2. 5. verslaan
打つ
noun
  1. 1. toneelstuk
  2. 2. lachwekkend voorval
  3. 3. schijnvertoning
しょうげき
/klœʏs/, /klœːs/
noun
1. een tegen inbraak en brand beveiligde kist of kast
金庫
noun
1. iemand die alleen en in afzondering leeft
仙人
/ˈknaxdiːr/, /ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
齧歯類
verb
1. met de tanden aanvreten
齧る
adjective
2. aantrekkelijk
イケメン
verb
1. een massa soepel maken door er steeds in te knijpen
捏ねる
/ˈknɛsɛt/
noun
1.
クネセト
noun
1. bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
ムネアカヒワ
noun
1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
  1. 膝
  2. ひざ
verb
1. op de knieën gaan
跪く
noun
1. het schijfvormige bot in de knie
膝蓋骨
verb
1. tussen twee punten druk uitoefenen
抓る
noun
1.
やっとこ
/'knɪkə(n)/
verb
1. een verticale beweging met het hoofd maken
頷く
noun
1. balletje van glas, marmer, steen, hout of klei
ビー玉
noun
1. teken in de vorm van het kort toeknijpen van een oog om verstandhouding of waardering uit te drukken
ウインク
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
  1. ニンニク
  2. タイサン
  3. 大蒜
noun
1. vingergewricht
指関節
verb
  1. 2. (figuurlijk) vechten
    戦う
  2. 1. vechten
    1. 戦う
    2. 喧嘩する
    3. 対決
noun
1. verdikte plantenwortel.
芋
noun
蕪
noun
  1. 2. snelheidsmaat
    1. ノット
    2. 結び目
  2. 3. aan een jas e.d.
    ボタン
  3. 1. in een draad
    1. 結び目
    2. ノット
noun
1. een platte knoopvormige batterij die meestal in draagbare elektronische apparatuur wordt gebruikt
ボタン型電池
noun
1. spleet die in een stuk stof is gemaakt zodat een ander stuk stof daaraan kan worden vastgemaakt
ボタン穴
verb
1. een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
結ぶ
noun
棍棒
noun
2. speelgoed
ぬいぐるみ
verb
1. omhelzen
寄り添う
noun
1. korte dikke stok, bedoeld om lijfstraf mee uit te delen
棍棒
noun
1. een Australisch buideldier
コアラ
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
コバルト
adjective
コバルトブルー
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
蜘蛛
noun
1. Ursus arctos middendorffi, de grootste beer en het grootste bekende landroofdier
コディアックヒグマ
noun
1. vrouwelijk rund
  1. 牛
  2. ushi
  3. ウシ
  4. 雌牛
noun
牛乳
noun
ケーキ
noun
1. een platte pan met een lang handvat
フライパン
/[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
クッキー
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
  1. カッコウ
  2. 郭公
noun
klok
鳩時計
adjective
1. met een naar verhouding lagere temperatuur dan de warme of hete omgeving
涼しい
/ˈku:li/
noun
苦力
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
冷蔵庫
/ˈkuːmɛlk/
noun
牛乳
noun
馬乳酒
noun
  1. 1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
  2. 2. een ruimtelijke figuur, veelvlak
キューポラ
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
  1. クルド語
  2. クルド
noun
コース
verb
1. iets geliefds nauw aan het hart houden
大事
/ˌku.tər.ˈʋaːls/
noun
1. aanduiding voor een onverstaanbare taal
ちんぷんかんぷん
noun
1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
キャリッジ
/ˈkuwɛɪ̯t/, /ˈkuʋɛɪ̯t/, /ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
クウェート
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
スーツケース
noun
1. drank uit koffiebonen
  1. コーヒー
  2. 珈琲
noun
カフェ・オ・レ
noun
1. sterk geconcentreerd aftreksel van koffie
コーヒーエキス
noun
コーヒー豆
noun
コーヒーフィルター
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
コーヒー・ハウス
noun
1. een huishoudelijk apparaat waarin koffiebonen kunnen worden gemalen
コーヒーミル
noun
コーヒーノキ
noun
1-2. munitie
弾
noun
1.
ボールベアリング
noun
1. benaming voor zeevissen uit het geslacht Tetraodontidae
フグ
adjective
1. kogelvrij
防弾
noun
  1. コック
  2. 料理人
verb
  1. 2. met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
    1. 料理する
    2. 作る
  2. 1. vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
    1. 沸く
    2. 沸かす
noun
1. bepaald soort zeevogel met een gekleurde kop en een lachende roep, Chroicocephalus ridibundus
百合鴎
/ˈko.kɔsˌbom/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
ココナッツ
/ˈko.kɔsˌmɛlk/, /ˈko.kɔsˌmɛɫk/
noun
1. vocht verkregen door het kiemwit van een kokosnoot met water te vermengen en uit te knijpen
ココナッツミルク
/'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
ココナッツ
/ˈko.kɔsˌo.li/
noun
1. een soort olie gewonnen uit kokosnoten
椰子油
/ˈko.kɔsˌpɑlm/, /ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
ココナッツ
noun
コルホーズ
noun
1. ganzensoort
真雁
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
蜂鳥
noun
柱
noun
1. een hoge militaire rang
陸軍大佐
/'kolonijaˌlismə/
noun
1.
植民地主義
/koˈloni/
noun
1. een vestiging van een deel van een bevolking, buiten het eigenlijke territorium van dat volk
コロニー
noun
植民
noun
1. iemand die zich in een kolonie heeft gevestigd
入植者
adjective
巨大
pronoun
コロサイ人への手紙
noun
1. eetgerei zoals een bord, maar dan dieper
ボウル
noun
1.
紅茶キノコ
/koˈmedi/
noun
1. een blijspel
喜劇
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
彗星
verb
1. bewegen van verder weg naar dichterbij
来る
noun
plant, zaden en specerij
クミン
/kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
  1. キュウリ
  2. 胡瓜
/ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
コンマ
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
  1. 羅針盤
  2. 方位磁針
pronoun
コンゴ自由国
/kɔˈnɛɪn/, /kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
  1. 兎
  2. ウサギ
/ˈkonɪŋ/, /ˈkoːnɪŋ/
noun
  1. 2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
    1. 国王
    2. 王様
  2. 1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
    1. 王
    2. 国王
    3. 王様
pronoun
王記
/konɪˈŋɣɪn/, /konɪˈŋɪn/, /koʊnɪˈŋɪn/
noun
女王
noun
1.
王水
/ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
王
/ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
王国
noun
1. de billen, het achterwerk
尻
noun
1.
車列
/koːɪ/
noun
4. slaapplaats op een schip
バース
noun
boek waaruit men leert koken
料理の本
noun
1.
料理
noun
沸点
noun
  1. 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
    キャベツ
  2. 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
    石炭
noun
1. reukloos gas dat ontstaat bij volledige verbranding van koolstof
二酸化炭素
noun
1. een bepaald type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
炭水化物
noun
ルタバガ
noun
コールラビ
/ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
炭素
noun
1. verbinding met moleculen van één atoom zuurstof en één atoom koolstof (CO)
一酸化炭素
/kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
炭化水素
/'kolzyr/
noun
1. H₂CO₃
炭酸
noun
1. de hoeveelheid goederen of diensten die gekocht kan worden met een bepaald geldbedrag
購買力
noun
商人
noun
1. een groep mensen die samen zingen
合唱隊
noun
1. rechte tussen twee cirkelpunten
弦
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
  1. 発熱
  2. 熱
adjective
コーシャ
noun
1. beentje van vinger of teen
  1. 指骨
  2. 趾骨
noun
  1. 1. hoofd van een dier
  2. 2. hoofd van een mens
頭
noun
1.
ヘディング
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
  1. 買う
  2. 購入
pronoun
1.
コペンハーゲン
noun
2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
  1. 銅
  2. あかがね
noun
1. een afschrift of andere reproductie van een document of ander voorwerp
コピー
/kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
1. een duplicaat maken van
写す
/ˈkɔplɑmp/
noun
1. een witte of gele lamp aan de voorzijde van een voertuig
前照灯
noun
1. een constructie die in een motor of voertuig mechanische krachten op een te onderbreken wijze overbrengt
  1. クラッチ
  2. kuracchi
noun
1. voetbediening om de verbinding tussen de motor van een voertuig en de wielen te verbreken
クラッチペダル
noun
1. een werkwoord dat een eigenschap koppelt aan het onderwerp
  1. コピュラ
  2. 繋辞
noun
1. een meestal dodelijk schot in het hoofd
ヘッドショット
noun
1. skelet van de koraalpoliep
  1. 珊瑚
  2. サンゴ
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan
珊瑚海
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
  1. クルアーン
  2. コーラン
/koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
  1. 朝鮮
  2. 韓国
/koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
  1. 朝鮮語
  2. 韓国語
noun
1. een balsport waarbij een bal door een mand (korf) moet worden gegooid
コーフボール
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
コリアンダー
noun
1. gemalen gedroogde zaden van Coriandrum sativum
コリアンダー
pronoun
コリント人への手紙
noun
水木
noun
1. een enkele zaad van graan
粒
noun
コルセット
/kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
地殻
noun
地衣類
adverb
  1. 2. van geringe lengte
  2. 1. van geringe duur
短い
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
値引き
/ˈkɔrt.slœy.tɪŋ/
noun
1. het plaatsvinden van een gewenste of ongewenste weerstandloze verbinding in een stroomkring
ショート
noun
コランダム
noun
1.
コルベット
noun
宇宙論
noun
コスモノート
noun
1. het gehele tijd-ruimte continuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
宇宙
/ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
  1. コソボ
  2. コソヴォ
verb
1. als te betalen prijs hebben
掛かる
noun
スーツ
noun
賃金労働者
pronoun
1. internationale kunsttaal ontworpen om cultureel zo neutraal mogelijk te zijn
コターバ
/kotəˈlɛt/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
カツレツ
noun
カッター
/kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
  1. 冷たい
  2. 寒い
/kʌʊtˈbludəx/
adjective
  1. 1. niet de eigen lichaamstemperatuur regulerend
  2. 2. zonder emotie
冷血
/ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
寒さ
/kaʊ̯s/, /kɔʊ̯s/, /kʌʊ̯s/
noun
1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
ストッキング
noun
2. extreem lange peulvrucht
十六大角豆
adjective
1. van een persoon dat hij het sneller dan de meeste andere mensen koud heeft...
寒がり
noun
1. lid van een hoofdzakelijk Slavisch ruitervolk
コサック
/kraɪ̯/, /kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
  1. 烏
  2. 慈鳥
noun
1. zeemonster, waarschijnlijk de inmiddels goed gedocumenteerde reuzenpijlinktvis
たこ
/ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
軟骨
noun
ロザリオ
noun
露店
noun
    1. 4. werktuig om voorwerpen in de hoogte te verplaatsen
    2. 2. iemand die op een bepaald gebied uitblinkt
    クレーン
  1. 3. mechanisme waarmee de stroming van vloeistof of gas geregeld kan worden
    蛇口
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
  1. 鶴
  2. クロヅル
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
  1. 蟹
  2. カニ
noun
1. vermogen om iets te verrichten
力
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
クラクフ
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
痙攣
noun
1. twee uit de aorta ontspringende slagaders die de hartspier van bloed voorzien
冠動脈
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
新聞
/'krɑntəpaˌpir/
noun
1. een soort papier zoals waarop de kranten gedrukt worden
新聞紙
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
  1. かに座
  2. 蟹座
/kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
伊勢海老
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
北回帰線
noun
1. Gryllidae
  1. コオロギ
  2. 蟋蟀
pronoun
クレムリ
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
クレタ島
verb
2. gekreukt raken
しわが寄る
/krønə(n)/
verb
1. ongearticuleerde geluiden maken, vaak van pijn of ander leed
呻く
/krɪp/
noun
3,4,5. golfbrekertjes
ケレップ水制
/ˈkrɛɪ.ɣə(n)/
verb
1. verwerven, ontvangen
受ける
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
武士
noun
軍閥
noun
1. een handeling die erop gericht is om door list en bedrog de vijand te misleiden, zoals het verspreiden van valse geruchten
策略
noun
1. een olifant die vroeger tijdens op het land uitgevochten oorlogen werd ingezet als strijddier
戦象
verb
1. luidkeels schreeuwend een hoog geluid voortbrengen
悲鳴
noun
  1. 2. schrijfmateriaal uit dat materiaal vervaardigd
  2. 1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
  3. 3. een periode die deel uitmaakt van het mesozoïcum
チョーク
/krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
クリミア
pronoun
1. een van de Turkse talen, gesproken door ongeveer een half miljoen mensen, oorspronkelijk van de Krim afkomstig, maar door een deportatie in 1944, nu vooral in Oezbekistan en Kirgizië, maar ook in Moldavië, Roemenië en Turkije gesproken
クリミア・タタール語
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
水晶
/krɪsta'lɛɪn/
adjective
1. een inwendige structuur bezittend die zichzelf eindeloos herhaalt
結晶性
noun
鉱石ラジオ
noun
グラニュー糖
adjective
1. op het scherp van de snede, met onzekere uitkomst, zeer ernstig
危うい
noun
  1. 1. uitingen waarmee bepaald gedrag, een bepaalde zienswijze e.d. van anderen worden veroordeeld of in twijfel getrokken
  2. 2. een document dat kunstzinnig commentaar levert op een optreden, tentoonstelling, boek , film of andere kunstuiting
批評
adjective
  1. 1. ernaar geneigd vraagtekens te plaatsen achter iets
  2. 2. onder zulke omstandigheden dat er meer neutronen geproduceerd dan geabsorbeerd worden, waardoor een nucleaire kettingreactie op gang kan komen
批判的
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
クロアチア語
/kroˈwatsi.jə/, /kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
クロアチア
/krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
バー
noun
1. een rol ragout die gepaneerd en gefrituurd wordt
  1. コロッケ
  2. クロケット
/krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
  1. 鰐
  2. ワニ
/kroko'dɪlwɑxtər/
noun
1.
ナイルチドリ
noun
1. irisachtige lentebloem
クロッカス
noun
1. kromhoorn
クルムホルン
noun
1. een gebogen lijn
曲線
noun
年代記
noun
れきだいし
/ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
即位式
noun
1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
  1. 王冠
  2. クラウン
noun
1. een prins die in een monarchie de eerste is die de rechtmatige vorst opvolgt bij aftreden of overlijden
皇太子
noun
1. opstapeling van bladeren
頭状花
/krœʏ̯t/, /krœːd/, /krœːt/
noun
草本
verb
1. specerij bij een gerecht doen
味付け
noun
2. winkel met levensmiddelen
# 食料雑貨店
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
  1. クローブ
  2. 丁子
noun
投手
/ˈkrœy.məl/
noun
かす
noun
1. een soort braam
幌向苺
/'krʌʏ.pə(n)/
verb
這う
noun
  1. 4. symbool
    1. 十字
    2. クロス
  2. 1. geometrisch figuur
    1. 十字
    2. 十字架
noun
1. kleine vinkachtige zangvogel
交喙
noun
1. Ribes uva-crispa
セイヨウスグリ
/ˈkrœʏsər/
noun
  1. 1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
  2. 2. een type jacht
巡洋艦
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
交差
noun
1. ondernemingen van de westerse christenen tussen 1095 en 1271 in Palestina
十字軍
noun
クロスワード
noun
1. kruiswoordpuzzel
クロスワード
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
猫車
noun
2. hulpmiddel bij het lopen
松葉杖
/ˈkrʏl.spɛlt/
noun
1. hulpmiddel waarom je een haarlok kunt wikkelen om krullen te maken in stijlhaar
毛ローラー
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
クリプトン
noun
1. 20-eeuwse stroming binnen de beeldende kunst waarin de werkelijkheid op een sterk vereenvoudigde manier wordt weergegeven
キュビスム
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
  1. 正六面体
  2. 立方体
/'kɵdə/
noun
  1. 1. een groep samenlevende (zoog)dieren
    群
  2. een kudde schapen
    群れ
/ˈkœʏ̯kə(n)/, /ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
雛
noun
1. vele duizenden stukken steen en ijs, die om de zon draaien in een schijfvormig gebied voorbij de baan van de planeet Neptunus
カイパーベルト
adjective
純潔
noun
  1. 2. visseneitjes
    1. 卵
    2. tamago
    3. たまご
  2. 1. deel van het been
    脹脛
/kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
コケコッコ
noun
1. en 2. (citrusvrucht van) plant Citrus japonica
  1. キンカン
  2. 金柑
verb
1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
できる
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
  1. 芸術
  2. アート
noun
1. iemand die zijn creatieve talenten gebruikt om kunst te maken
美術家
noun
1. iemand die voor zijn beroep kunst koopt en verkoopt
画商
adjective
1. door menselijk, moedwillig ingrijpen tot stand gekomen
人工の
noun
1. een combinatie van chemische stoffen die aan de aarde wordt toegevoegd ter bemesting daarvan
化学肥料
noun
1. sport waarbij individuelen, paren en groepen schaatsers rotaties, sprongen en andere bewegingen op het ijs maken, die vaak met muziek wordt uitgevoerd
フィギュアスケート
noun
1. een schilder van kunstwerken
画家
/ˈkʏns.tal/, /ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
人工言語
/kʌnstwɛrk/
noun
1. resultaat van een inspanning om iets te maken dat bijzonder mooi of indringend is
作品
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
  1. コルクスクリュー
  2. 栓抜き
noun
plant en specerij
ウコン
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
キス
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
クッション
/'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
  1. 海岸
  2. 岸
/kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
まんこ
adjective
1. schade aanrichtend
潑
noun
1. het innerlijk slecht zijn
悪意
/kwɑ'drat/
noun
二乗
/kʋɑk/
noun
2. bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax
ゴイサギ
verb
1. witter
ガヤガヤしゃべる
/kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
  1. クラゲ
  2. 海月
noun
  1. 1. een peil van uitmuntendheid
  2. 2. eigenschap
品質
noun
量
noun
vorm van onkraakbare beveiliging voor elektronische communicatie
量子暗号
noun
getal dat in de kwantummechanica wordt gebruikt voor het beschrijven van de eigenschappen van bepaalde deeltjes
量子数
noun
1. studie en beschrijving van het gedrag van de kleinste deeltjes
量子力学
noun
een theoretisch kader voor de constructie van kwantummechanische modellen van veld-achtige systemen of, equivalent, veeldeeltjessystemen
場の量子論
noun
量子縺れ
noun
een kwart van een kalenderjaar
四半期
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
  1. ヨアロッパウズラ
  2. 鶉
noun
1. bepaald soort vogel, Crex crex
ウズラクイナ
noun
1. een groep van vier muzikanten
カルテット
noun
1.
四分音符
noun
1.
四分休符
noun
een vorm van siliciumdioxide
石英
/kʋɑst/
noun
  1. 5. Limonade
    はちみつレモン
  2. 3. Vreemd persoon
    変人
noun
1.
クウォートレイン
noun
1.
高速増殖炉
/ˈkwe.peːr/, /ˈkʋe.pɪːr/, /ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
マルメロ
verb
1. pijn of ergernis bezorgen
苦しめる
adjective
1. weinig beschermd tegen beschadiging
傷つきやすい
noun
脆弱性
verb
1. beschadigen, schaden
痛める
verb
1. een vloed van speeksel onwillekeurig uit de mond laten lopen
斜方形
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
水銀
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Motacilla en Dendronanthus
鶺鴒
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
水銀
noun
1.
五度
noun
1. een pot bestemd voor het opvangen van sputum
たんつぼ
verb
1. druk met de staart zwaaien.
振る
/ˈkʋɪstəx/, /ˈkβ̞istəç/
adjective
1. op lichtzinnige wijze verbruikend
放蕩
noun
領収書
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
キエフ
noun
1. muzieknoot
ラ
pronoun
ラ・マンチャ
pronoun
ラ・リオハ州
/lax/
adjective
  1. 1. niet ver boven iets anders zijn
  2. 2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
  3. 3. geluid met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
  4. 4. met een beperkt aanzien
低い
noun
低地
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
大道り
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
ブーツ
adjective
2. 's avonds, 's nachts
遅い
adjective
1. overtreffende trap van laat
  1. 最後
  2. 最終的
noun
1. laatste kwartier
下弦
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
  1. 実験室
  2. 研究所
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
迷路
/lɑx/, /lɑχ/
noun
1. een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak...
笑い
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
笑う
noun
1. vluchtige verbinding, N₂O
笑気
noun
is een suiker die o.a. in melk voorkomt
ラクトース
noun
het niet kunnen verdragen van melksuiker
乳糖不耐症
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
梯子
noun
1. uitschuifbare bergplaats
引き出し
/ˈlaːdə(n)/
verb
1. van een lading voorzien
弾を込める
noun
    1. 1. goederen die vervoerd worden
    2. 2. een grote hoeveelheid
    積載量
  1. 3. opeengehoopte elektriciteit
    電荷
/lɑf/
adjective
1. een gebrek aan moed tonend
へたれ
/ˈlɑfart/
noun
1. iemand die door zijn angst wegvlucht uit gevaarlijke situaties.
臆病者
/ˈlɑfɦɛit/
noun
1. de neiging keuzes te maken die van weinig moed getuigen
卑怯
noun
1. ondiep meer
ラグーン
pronoun
1. stad in Pakistan
ラホール
noun
1. stof die een dunne beschermlaag vormt nadat ze opgelost in een vluchtig oplosmiddel...
ラッカー
/ˈlakə(n)/
noun
2. een rechthoekig stuk stof dat ter bedekking dient, m.n. bij het slapen
シーツ
noun
リトマス
noun
1. jong van het schaap
小羊
noun
1. soort Zuid-Amerikaans eeltpotig zoogdier Lama glama
  1. ラマ
  2. リャマ
noun
1. in het water levende zoogdieren uit het geslacht Trichechus
マナティー
noun
1.
ラミネート
/lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
  1. 灯
  2. ランプ
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
  1. ランプシェード
  2. ランプのかさ
noun
1. een kan met waswater, vaak samen met een ondiepe teil, de waskom, bedoeld om zich in de morgen...
ピッチャー
noun
提灯
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Petromyzontidae
ヤツメウナギ
noun
1. een dubbelsnedig operatiemes
メス
noun
  1. 4. niet verstedelijkt gebied
    国
  2. 3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
    1. 国
    2. 国家
    1. 1. gedeelte van het aardoppervlak dat boven water uitsteekt
    2. 2. dat deel van de aardbodem dat geschikt is voor bebouwing...
    土地
/ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
農業
noun
1.
陸橋
adjective
2. met betrekking tot minder bevolkte, niet-stedelijke gebieden
ルーラル
verb
1. vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
上陸
noun
2. vlucht van vliegtuigen...
上陸
noun
1. een abstracte weergave van (een stuk van) de aarde
地図
noun
ランドスケープ
noun
1. schildpad uit de familie Testudinidae
リクガメ科
adjective
1. van grote duur
長い
adjective
1.
足の長い
adjective
1.lang en smal
細長い
noun
1. een manier van voortbewegen op latten door de sneeuw
クロスカントリースキー
noun
1.
イセエビ
noun
1. benaming voor muggen met opvallend lange broze poten, die de familie Tipulidae vormen
ガガンボ科
preposition
1. terzijde van, evenwijdig aan
沿う
/lɑŋskomə(n)/
verb
2. langsgaan, op bezoek komen
遣って来る
/ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
遅
noun
1. een lang steekwapen met een metalen punt
槍
noun
1. Chemisch element
ランタン
noun
ランタノイド
/ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
ラオス
pronoun
1. een taal die in Laos gesproken wordt
  1. ラオス語
  2. ラオ語
noun
1. met een kijkbuis in de buikholte kijken en opereren
腹腔鏡
noun
1.
ラピスラズリ
pronoun
ラップランド
noun
1. een tijdelijke oplossing die geen definitieve oplossing is
対症療法
noun
1. kleine draagbare computer
ノートパソコン
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Larix
カラマツ
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
幼虫
noun
ラザニア
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
レーザー
noun
1. krachtige geconcentreerde lichtstraal met licht van maar één golflengte
レーザービーム
verb
1. door plaatselijke sterke verhitting van de voeg twee metalen voorwerpen met elkaar verbinden
溶接する
noun
1. iemand die stukken metaal op een naad door sterke plaatselijke verhitting verbindt
溶接工
noun
1. iets wat een mens hindert
重荷
noun
1. een gedomesticeerd dier dat men gebruikt om vracht te vervoeren
駄獣
noun
1. onterechte beweringen die iemand in een kwaad daglicht stellen
悪舌
noun
1. latei
鴨居
adjective
1. sluimerend
潜在的
/ˈlaː.tər/
adjective
後
/'la.tɛks/
noun
ラテックス
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
ラテン語
pronoun
ラテンアメリカ
noun
1. de reeks lettertekens oorspronkelijk gebruikt om teksten in het Latijn te schrijven en tegenwoordig met aanpassingen voor veel talen gebruikt
ラテン文字
noun
boom en kruid
月桂樹
noun
2. (gedroogde) bladeren van Laurus nobilis
ローリエ
pronoun
1.
ローザンヌ
/laʊ̯/, /lʌʊ̯/, /lʌː/
adjective
1. een temperatuuraanduiding die tussen warm en koud ligt
ぬるい
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
溶岩
noun
1. koepelvormige structuur die ontstaat als lava die rijk is aan silica naar buiten treedt uit de barsten en spleten van een groeiende kussenachtige structuur
火山
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
ラベンダー
/la'ʋaj/
noun
1. luid en storend geluid
騒音
/la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
雪崩
noun
1. Chemisch element
ローレンシウム
noun
下し薬
noun
1. de vierde maag van een herkauwer, zoals een rund
ギアラ
noun
講師
/lɛt/
noun
1. elektronische lichtbron in de vorm van een diode die licht uitstraalt
LED
/ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
手足
noun
1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
年齢
/lex/
adjective
1. zonder inhoud
  1. 空
  2. 空っぽ
/lek/
noun
  1. 1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
    世俗の
  2. 2. iemand die niet tot de geestelijke stand behoort, gewone gelovige
    素人
/lem/, /leɪm/
noun
1. kleihoudende grondsoort
ローム
/len/
noun
1. leengoed; vastgoed dat door de heer aan zijn vazal ten gebruike werd afgestaan
封土
/ˈlenvərˌtalɪŋ/
noun
1. woord dat aan een vreemde taal is ontleend in letterlijke vertaling en analoge constructie
翻訳借用
/ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
  1. 借用後
  2. 外来語
noun
1. stof vervaardigd door het looien van een dierenhuid
レザー
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
教科書
noun
1.
弟子
noun
1. iemand die onderwijs volgt
学生
noun
1. stoornis bij het leren
学習障害
adjective
可読
noun
1. conventioneel symbool in interpunctie
句読点
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
獅子座
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
  1. ライオン
  2. 獅子
noun
獅子の分け前
noun
雲雀
noun
1. vrouwtje van de leeuw
雌ライオン
adjective
branie, moed
ガッツ
adjective
1. wettig, rechtmatig
合法
noun
1. testamentaire beschikking
遺産
noun
1. de uitleg over de gebruikte symbolen
凡例
/ˈleːɣər/, /ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
  1. 軍隊
  2. 陸軍
noun
1. Metaalverbinding van twee of meer elementen
合金
noun
レギオン
verb
合法化
/ˌleɣyˈwan/
noun
1. hagedis
イグアナ
noun
  1. 2. schrijflei
  2. 3. daklei
粘板岩
pronoun
ライデン
verb
1. een leidinggevende functie hebben
導く
noun
水道水
noun
ライトモティーフ
pronoun
1.
ラインガルテン
noun
1. blauwgrijs gesteente
粘板岩
noun
1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
リーク
noun
リーク
verb
1. vloeistof laten ontsnappen
漏れる
adjective
1. aangenaam van smaak
美味しい
noun
  1. 百合
  2. ユリ
/le.li.tʲə.vɑn.da.ləⁿ/
noun
1. bepaald soort kleine tot 30 centimeter hoge vaste plant, Convallaria majalis
スズラン
/ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
  1. 醜い
  2. 見苦しい
noun
3. een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen
レンマ
noun
1. een knaagdier dat vooral in het hoge noorden op de toendra's voorkomt
レミング
noun
1. laagste deel van de rug voor het kruis
腰部
verb
  1. 1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
    借りる
  2. 2. iets aan iemand anders te leen geven
    貸す
noun
  1. 1. ontlener, leningnemer
    借り手
  2. 2. uitlener, leninggever
    貸手
/ˈlɛŋktə/
noun
1. afmeting van een voorwerp
長さ
noun
経度
noun
ローン
noun
レーニン主義
noun
  1. 1. een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
  2. 2. een stelsel van lenzen of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
  3. 3. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
レンズ
noun
1. seizoen
春
/ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
  1. スプーン
  2. 匙
noun
1. een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
ヘラサギ
noun
1. bepaald soort vis met lepelvormig verbrede bek die 2 meter lang kan worden en meer dan 80 kilogram kan wegen, Polyodon spathula
ヘラチョウザメ
noun
ハンセン病
/ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
先生
/ˈleːrə/, /ˈlɪːrə/
verb
1. kennis of vaardigheid verwerven
  1. 学ぶ
  2. 習う
/lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
課
/le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
レソト
/ˈlɛtlɑnd/, /ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
  1. ラトビア
  2. ラトヴィア
/lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
  1. ラトヴィア語
  2. ラトビア語
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
文字
/ˈlɛtərˌxrep/, /ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
音節
noun
1. een stylistisch samenhangende set tekens die meestal letters, cijfers en leestekens uitbeelden
字体
/ˈløːɣən/, /ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
嘘
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
  1. 嘘つき
  2. usotsuki
  3. うそつき
noun
1. bloedkanker
白血病
verb
1. steunen, het evenwicht bewaren door het eigen gewicht deels door iets anders te laten steunen
傾く
/ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
レーヴェン
/'levən/
noun
  1. 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
  2. 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
  1. 命
  2. 人生
  3. 生命
/'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
  1. 生きる
  2. ikiru
  3. いきる
adjective
生きる
adjective
1. tot de dood durend
生涯
noun
ライフスタイル
noun
1. de manier van leven van een levend wezen
生命体
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
  1. 肝臓
  2. 肝
noun
1.
肝膿瘍
noun
サプライヤー
noun
肝油
/leˈvijatɑn/
noun
1. reusachtige waterslang
リヴァイアサン
pronoun
レビ記
noun
語彙素
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
  1. 読む
  2. よむ
  3. yomu
noun
1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
読者
/ˈli.ba.nɔn/, /ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
レバノン
/li.ˈbɛl/, /li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
蜻蛉
/libəˈral/
adjective
寛容
noun
自由主義
/li.'beː.ri.ja/, /li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
リベリア
/'libido/
noun
1. geslachtsdrift
リビドー
/ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
リビア
noun
1.de gangbare benaming voor het tekstboekje van een opera, operette, ballet of musical
リブレット
noun
ライセンス
noun
  1. 2. een instantie
    体
    1. 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
    2. 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
    1. 体
    2. 身体
/ˈlɪxamsbəˌweɣɪŋ/
noun
1. bezigheden die bijdragen aan de lichamelijke fitheid
エクササイズ
/ˈlɪxaːmzdeːl/
noun
1. onderdeel van een lichaam
身体部分
noun
ボディーランゲージ
/ˈlɪxaːmstɛmpɛrɑˌtyːr/
noun
1. temperatuur van een lichaam
体温
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
身体性
adjective
  1. 1. helder van kleur
    光
  2. 2. van een gewicht
    軽い
  3. Vertalingen: na te kijken en onderverdelen per verklaring
    1. 軽い
    2. かるい
noun
  1. 2. lichtbron
    光
  2. 1. Elektromagnetische golven
    1. 光
    2. 明かり
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
光年
noun
1. de snelheid waarmee het licht zich voortplant in het luchtledige (ongeveer 299792 km/s)
光速
noun
光害
noun
1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
  1. メンバー
  2. 会員
noun
1. de status van iemand als lid van een organisatie
メンバーシップ
noun
1. een staat die toegetreden is tot een inter- of supranationale organisatie
加盟国
noun
冠詞
/ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
リヒテンシュタイン
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
歌
noun
1. een boek met een verzameling (kerkelijke) liederen
ソングブック
adverb
  1. 1. vriendelijk, zachtaardig
  2. 2. mooi, fijngebouwd
恋しい
noun
1.het geven van hulp
慈善
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
  1. 愛
  2. 愛情
noun
1. brief waarin men zijn liefde betuigt
  1. 恋文
  2. ラブレター
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
愛する
verb
可愛がる
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
  1. 嘘を吐く
  2. うそをつく
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
こと座
/lir/
noun
1. een Grieks snaarinstrument
ライアー
noun
1. anatomie
鼠蹊部
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
  1. テントウムシ
  2. 天道虫
/ˌlivə'vraʊ̯wəˌbɛtstro/, /ˌlivəˌvrɔʊ̯β̞ə'bɛtstro/, /ˌlivəˌvrʌʊ̯β̞ə'bɛtstro/
noun
1.
クルマバソウ
noun
1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
  1. エレベーター
  2. 昇降機
noun
1. opwaartse kracht
揚力
noun
リーグ
noun
1. bindweefselband
靭帯
verb
1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
横たわる
/lɪχ.ˈni.nə/
noun
1. een aromatische verbinding die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
リグニン
noun
1. een stoel waarin men gemakkelijk kan liggen
シェーズロング
pronoun
リグーリア州
noun
1. olijfachtige heester veel gebruikt voor het maken van heggen
イボタノキ
verb
1. smart en ellende ondergaan
苦しむ
phraseologicalUnit
1. zinsdeel waarop de actie die wordt uitgedrukt door een overgankelijk werkwoord rechtstreeks van toepassing is
直接目的語
noun
1. een straf waarbij iemand lijfelijk pijn gedaan wordt
体罰
/ˈlɛɪfʋɑxt/
noun
2. een lid van een lijfwacht
用心棒
noun
1. hybride kruising tussen een mannetjesleeuw en een vrouwtjestijger
ライガー
noun
1. dood lichaam
死体
/ˈlɛi.kə(n)/
verb
2. naar aanschijn zijn
そう
noun
1. ± arts die het lichaam van een overledene onderzoekt om de doodsoorzaak vast te stellen
検視官
noun
1. een voortuig ingericht om een stoffelijk overschot te vervoeren
霊柩車
noun
1. plakmiddel
膠
/lɛi̯n/
noun
  1. 11. een band, riem om een huisdier in te tomen
    リード
    1. 1. een streep
    2. 2.
    台詞
/lɛist/
noun
1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
リスト
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
鶇
noun
1. geslacht van loofbomen, Sorbus
ナナカマド属
noun
いいね!
verb
いいね
noun
1. een drank bereid met gestookte alcohol, aangevuld met smaakstoffen en veelal ook suiker
リキュール
verb
1. met de tong aanraken
  1. 舐める
  2. なめる
noun
1. lichte tint van paars
薄紫
noun
1. en 2. (zaden van) plant Phaseolus lunatus
ライマメ
/ˈlɪm.bʏrx/, /ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
1. provincie in het zuidoosten van Nederland
リンブルフ州
/ˈlɪm.bʏrxs/, /ˈlɪm.bʏrχs/
pronoun
1. verzamelnaam van een reeks variëteiten van de Germaanse taalfamilie
リンブルフ語
noun
een dichtvorm van 5 regels met een vrij strak metrum
リメリック
noun
陸水学
noun
1. Een citrusvrucht
ライム
noun
1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
レモネード
adjective
1. lijnvormig
リニア
pronoun
1. Bantoetaal gesproken door 60 miljoen sprekers vooral in de Democratische Republiek Congo en de Republiek Congo
リンガラ語
noun
1. beoefenaar van de taalkunde
言語学者
noun
1. wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
言語学
/ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
定規
noun
1.
左岸
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
  1. 左
  2. ひだり
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
左利き
noun
リノカット
noun
1. lange, smalle strook stof
リボン
noun
1. een platte worm die parasiteert in de darm bij mens en dier
サナダムシ
noun
コンターマシン
noun
ヒラマメ
noun
1. anatomie
  1. 唇
  2. くちびる
/liˈpidə/
noun
1. vetten en vetachtige stoffen die in de biochemie een belangrijke rol spelen
脂質
noun
リップサービス
noun
  1. 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
  2. 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
口紅
noun
1. soort baars, vis behorend tot de familie van lipvissen
倍良
/ˈlɪspələ(n)/
verb
舌がもつれる
pronoun
1.
リスボン
/litər/
noun
1. een inhoudsmaat voor voornamelijk vloeistoffen en gassen
リットル
adjective
文学
noun
  1. 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
  2. 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
文学
/ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
リチウム
/liˈtaʊ̯.wə(n)/, /liˈtɑuwə(n)/, /liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
リトアニア
/liˈtaʊ̯.wər/, /ˈlitɔʊ̯.β̞ər/, /ˈlitʌʊ̯.β̞ər/
noun
1. inwoner van Litouwen
リトアニア人
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
リトアニア語
noun
1. zichtbaar overblijfsel van een oude verwonding
瘢痕
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
典礼
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
リバモリウム
noun
ロボトミー
/loka'tif/
noun
1. de zevende naamval die een betrekking van plaats aanduidt
前置格
pronoun
1. eigennaam van Frankische herkomst
ルイ
noun
1. met vlees en groente gevulde en gefrituurde lap deeg
春巻き
noun
拡大鏡
noun
1. de exponent van de macht waartoe een gegeven getal verheven moet worden om een ander getal te krijgen
対数
noun
1. boek met gegevens over de navigatie
日誌
noun
  1. 論理学
  2. ronrigaku
  3. ろんりがく
adjective
物流
noun
1. beeldmerk, logogram, naambeeld
ロゴ
/ˈloʒban/
pronoun
1. een kunsttaal ontwikkeld door James Cooke Brown
ロジバン
/lɔk/
noun
1. haarlok, pluk haar
巻き毛
noun
1. plaatsbepaling
地方化
noun
楽しみ
/ˈlɔlɪ/
noun
snoepje
飴ん棒
pronoun
ロンバルディア
adjective
ロンバード語
/ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
ロンドン
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
  1. 肺
  2. 肺臓
/'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
  1. 肺炎
  2. haien
  3. はいえん
noun
1. bloedvat dat vanuit de rechter hartkamer naar de longen gaat
肺動脈
noun
1. vis met kieuwen én longen
ハイギョ
noun
1. koord voor ontsteking
導火線
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
鉛
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
配管工
/loːts/
noun
2. iemand die schepen als stuurman begeleidt bij het varen van en naar een haven
水先人
/lo:f/
noun
木の葉
/loːx/
noun
een alkalische substantie
あく
adjective
van groot gewicht
  1. 重い
  2. omoi
  3. おもい
/loːn/
noun
1. financiële vergoeding voor geleverde arbeid
賃金
/loːp/
noun
voorste deel van een wapen
銃砲身
verb
1. stappen, gaan
  1. 歩く
  2. 歩む
noun
4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
ビショップ
noun
  1. 2. de oranje vrucht van de Eriobotrya japonica
    1. 枇杷
    2. ビワ
  2. 1. een fruitboom van de rozenfamilie
    1. 枇杷
    2. ビワ
    3. ビワの木
    4. 枇杷の木
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
身代金
verb
1. ervoor zorgen dat iets of iemand los wordt
解く
noun
2. noodlot, wat het toeval iemand toebedenkt
宿命
pronoun
  1. ロレーヌ地域圏
  2. ロレーヌ
pronoun
1.
ルイジアナ
verb
1. blijk geven van bewondering
褒める
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
ルーク
/lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
  1. 空気
  2. 天空
noun
1. een aanval vanuit de lucht op een grondpositie
空襲
noun
1. stroom van transportvliegtuigen
空輸
noun
エアフィルタ
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
空港
/ˈlʏxmɑxt/, /ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
空軍
noun
  1. 気管
  2. kikan
  3. きかん
noun
1. de luchtlagen boven een bepaald grondgebied
領空
noun
1. verkeer in de lucht
  1. 航空
  2. 飛行
noun
1. een bedrijf dat vervoer door de lucht aanbiedt
エアライン
noun
1.
航空管制官
noun
航空交通管制
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
マッチ
/lœʏ/, /lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
怠惰
noun
2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
ナマケモノ
noun
スピーカー
noun
おむつ
noun
1. het ontbreken van de wil iets te doen
無精
/lœʏ̯k/, /lœːk/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
リエージュ
/lœʏ̯k/, /lœːk/
noun
1. openklappend vlak, klapdeur
ハッチ
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
  1. ヒョウ
  2. 豹
/lœʏ̯s/, /lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
シラミ
/'lœstərə(n)/
verb
1. gericht waarnemen met het oor
聞く
noun
1. luit
リュート
noun
1. rang in het leger
中尉
/ˈlykɑs/
pronoun
ルーク
noun
1. geslachtsdeel van de man
肉棒
noun
輝度
noun
1.
ルミネセンス
verb
1. de lunch gebruiken
昼ご飯を食べる
noun
1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
ルピナス属
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
ルテチウム
adjective
ルター派の
/ˈlyksəmˌbʏrx/, /ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
ルクセンブルク
adjective
豪華
pronoun
リヴィウ
noun
1.
ライチ
noun
リンパ液
noun
リンパ腫
verb
1. iemand executeren zonder rechtsgeldig proces, met name door opknoping
リンチを加える
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
オオヤマネコ
pronoun
1.
リヨン
pronoun
1. feministische kunsttaal...
ラーダン
/maːx/
noun
1. Orgaan
  1. お腹
  2. 胃
noun
1. het kanaal
消化器
pronoun
  1. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  2. 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
  1. おとめ座
  2. 乙女座
/maːxt/, /maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
処女
noun
1. eigenschap dat je niet eerder geslachtsverkeer hebt gehad
処女
pronoun
マクデブルク
pronoun
ヴァージン諸島
/ˈmaɣdəˌvlis/, /ˈmaʝdəˌvlis/
noun
vlies
処女膜
noun
胃酸
/ˈmaɪ̯ə(n)/
verb
1. met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
刈る
/ma:l/
verb
1 1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
度
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
  1. 食事
  2. shokuji
  3. しょくじ
/maːn/
noun
  1. 月
  2. つき
  3. tsuki
/maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
  1. 月
  2. つき
  3. tsuki
/ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
  1. 月曜日
  2. 月曜
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
月刊誌
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adjective
1. iedere maand een keer
月次
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adverb
1. iedere maand een keer
毎月
noun
月面着陸
noun
1. het zonlicht dat van de maan naar de aarde reflecteert
月の光
/ˈmansvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈmansvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan verduisterd raakt doordat ze in de schaduw...
月食
/maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
  1. けれども
  2. でも
  3. が
  4. けれど
  5. しかし
noun
元帥
/maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
  1. 三月
  2. 3月
/mas/
pronoun
1. een rivier die onspringt in Frankrijk en door België en Nederland stroomt
マース川
/maːt/
noun
  1. 1. makker
    仲間
  2. 3. eenheid van lengte enz.
    小節
noun
1. een glazen kolf met een geijkte maatstreep voor het nauwkeurig bepalen van een volume vloeistof
メスフラスコ
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
手段
noun
  1. 1. vereniging tot het drijven van handel
    企業
  2. 2. de wereld, omgang en verkeer der mensen
    社会
noun
2. gerecht op basis van gebogen pijpjes van deeg
マカロニ
pronoun
1. een stad op een eiland aan de zuidkust van China, ten westen van Hong Kong
マカオ
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
マケドニア語
/ˌmasəˈdoni.jə/, /ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
  1. 1. historisch Grieks koninkrijk
  2. 2. regio in Griekenland
  3. 3. land
  1. マケドニア
  2. マケドニア共和国
/ˌmasəˈdoni.jər/, /ˌmasəˈdoːni.jər/
noun
1. inwoner van Macedonië
マケドニア人
/mɑˈʃinə/
noun
機械
noun
1. geweer waarmee kort na elkaar meerdere schoten kunnen worden afgevuurd, ...
機関銃
noun
1. het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
乗
/ˈmɑxtəx/, /ˈmɑxtɪx/, /ˈmɑχtəχ/
adjective
1. meer invloed hebben dan anderen
強大な
verb
1. aan iemand anders het recht overdragen in je naam te handelen
公認
noun
1.
パワーバランス
noun
1. gevecht om de macht
権力闘争
/ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
マダガスカル
noun
1. Pootloze larve
ウジ
noun
1. Bellis perennis
ヒナギク
pronoun
1. een Indiase deelstaat gelegen in het centrum van het land met de hoofdstad Bhopal
マディヤ・プラデーシュ
pronoun
マドリード
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
マフィア
noun
2. winkel met groot assortiment
倉庫
noun
1. kleur tussen rood en blauw
マジェンタ
/ˈma.ɣər/, /ˈma.χər/
adjective
1.
やせこける
adjective
1.met een bijzondere, bovennatuurlijke betekenis
魔法
noun
1. een persoon die rechtspreekt
治安判事
noun
  1. 1. gemagnetiseerd metaal
  2. 2. persoon, zaak of plaats
磁石
noun
磁場
noun
1. Chemisch element
  1. マグネシウム
  2. 苦土素
noun
1. magnetisch, ijzer bevattend mineraal; magnetisch erts
磁鉄鉱
adjective
1. verschijnselen vertonend die toegeschreven kunnen worden aan een kringstroom...
磁気
noun
  1. 磁性
  2. 磁気
/ˈmɑɣ.nə.trɔn/, /ˈmɑχ.nə.trɔn/
noun
1. een toestel waarin met zeer korte en gerichte golven voedsel in zeer korte tijd warm kan worden gemaakt
電子レンジ
noun
1. boom met tulpachtige bloemen
モクレン
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
マハラシュトラ州
/mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
  1. トウモロコシ
  2. 玉蜀黍
noun
1. en 2. verbinding van glucose en koolhydraten of bindmiddel dat uit maiskorrels wordt gewonnen
コーンスターチ
noun
1.
凛々しさ
noun
少佐
/ma'kak/
noun
1. een aap behorende tot een geslacht (Macaca) van apen van de Oude Wereld
マカク
noun
1. schoonheidsproducten
メイク
/ˈmaːkən/
verb
  1. 1. in elkaar zetten
    する
  2. つくる
noun
1. iemand die iets maakt of gemaakt heeft
メーカー
adjective
1. niet moeilijk, waar weinig moeite en inspanning voor vereist is
  1. 易しい
  2. 容易
  3. 容易い
  4. 易い
  5. 簡単な
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
  1. 鯖
  2. サバ
noun
1. infectieziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten van het geslacht Plasmodium
マラリア
/ma.'la.wi/, /ma.'la.ʋi/, /ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
マラウイ
pronoun
1. Dravidische taal die wordt gesproken door 47 miljoen mensen, vooral in de Indiase deelstaat Kerala
マラヤーラム語
/mɑl.ˈdi.və(n)/, /mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
  1. モルディブ
  2. モルジブ
pronoun
マラキ
/mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
マレー語
/maˈlɛ:zi.jə/, /maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
マレーシア
/malə(n)/
verb
1. tussen twee harde voorwerpen fijnwrijven
挽く
/'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
  1. マリ
  2. マリ共和国
noun
1.
鎖帷子
/ˈmɑlta/, /ˈmɑɫta/
pronoun
  1. 1. eiland in de Middellandse Zee
  2. 2. land in de Middellandse Zee
マルタ
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
マルタ語
noun
1. schadelijke software
マルウェア
/ˈmɑmaː/
noun
1.
お母さん
/ˈmɑmi/
noun
1. moeder
ママ
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Mammuthus
マンモス
noun
1. het afbeelden van de borstklier door middel van röntgenstraling
マンモグラフィー
noun
  1. 3. een mens
    1. 人
    2. 人間
  2. 2. een echtgenoot, een getrouwde man
    1. 夫
    2. ご主人
  3. 1. persoon van het mannelijk geslacht
    1. 男
    2. 男性
noun
1. een persoon die de leiding heeft over een afdeling binnen een organisatie
マネージャー
pronoun
マナウス
noun
1. een sierknoop die de manchet aan de mouw van een overhemd sluit
カフス
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
かご
noun
委任
pronoun
1. Mandarijns Chinees
普通話
noun
1. Een citrusvrucht
  1. マンダリンオレンジ
  2. みかん
noun
1. een klein, luitvormig tokkelinstrument met vier paar snaren waarop met een plectrum getokkeld wordt
マンドリン
noun
1. bepaald soort zoogdier, Otaria flavescens, zeeroofdier dat leeft aan de kusten van het zuidelijk deel...
オタリア
/manəsxɛɪn/
noun
1. Het door de maan weerkaatste licht dat op de aarde schijnt, maanlicht
月光
/ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
  1. 漫画
  2. マンガ
  3. コミック
  4. まんが
noun
1. Chemisch element
マンガン
/'mɑnɣɑt/
noun
1.
マンホール
noun
1. soort oranje-groene sappige tropische vrucht
マンゴー
noun
ヒルギ
noun
1. ziekelijke neiging (opgewonden psychische toestand)
躁病
/ mɑˈniːr/
noun
  1. 方法
  2. 仕方
noun
1. openlijke bekendmaking van een staatshoofd, regering, leider of politieke partij
マニフェスト
noun
  1. 1.
  2. 2. openbare gebeurtenis
明示
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
キャッサバ
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land
マニプル
adjective
  1. 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
  2. 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
男性
pronoun
1.
マンハイム
noun
演習
noun
圧力測定
pronoun
1. taal die door de Mantsjoes gesproken werd.
満州語
/ˌmanɵsʲəvɑnˈɑləs/
noun
1. iemand die bekwaam is in het doen van allerlei verschillende klusjes
便利屋
noun
1. hoeveelheid werk die één persoon in één uur kan verrichten
人時
pronoun
1. taal die door de Maori's wordt gesproken
マオリ語
noun
1. variant van het communisme zoals uitgedragen en toegepast in China gedurende het derde kwart van de 20e eeuw
毛沢東思想
noun
1. communist die zich vooral heeft laten inspireren door Mao Zedong
毛沢東主義者
adjective
1.
毛沢東主義
/mɑp/
noun
  1. 3. deel van het bestandssysteem
    ディレクトリ
  2. 2. een gebundelde verzameling gegevens
    フォルダ
pronoun
1. taal die met name in Maharashtra, een staat in India gesproken wordt, onder andere in Mumbai (Bombay)
マラーティー語
noun
マラソン
verb
行軍
noun
マーガリン
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus wiedii
マーゲイ
pronoun
マリア
noun
1. het hoogfeest ter gedachtenis van de aankondiging (annunciatie) van de geboorte van Jezus aan Maria
受胎告知
/mɑˈrɪmba/
noun
1. een zeer grote houten xylofoon uit Guatemala met onder elke toets een resonator van houtsnijwerk
マリンバ
noun
マリネ
/maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
海軍
noun
1. lid van een goed getrainde, gespecialiseerde militaire eenheid
水兵
pronoun
1.
マリアーンスケー・ラーズニェ
noun
2. kruid
マジョラム
/mɑr.ˈkeːr.stɪft/
noun
1. een viltstift waarmee met stukken tekst doet opvallen
蛍光ペン
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
侯爵
noun
warenverkoop op pleinen en straten
市場
noun
市場経済
/mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
大理石
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
マーモット
/ˌmɑrɔˈkan/
noun
1. inwoner van Marokko, iemand uit Marokko, persoon met de Marokkaanse nationaliteit
モロッコ人
adjective
1.
モロッコ
/ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
モロッコ
pronoun
  1. 火星
  2. マルス
noun
  1. 1. regelmatige manier van lopen met afgemeten passen, vooral gebruikt door soldaten...
  2. 2. een wandeltocht
  3. 3. een mand of bak die op de rug gedragen wordt
行進
noun
1. een Italiaanse versterkte wijn die gemaakt wordt in de omgeving van Marsala op het westelijk deel van Sicilië
強化ワイン
noun
1.
マルチパン
/mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
マーシャル諸島
noun
1. sponzig snoepje
マシュマロ
noun
1. iemand die voor een zaak lijdt of sterft en daarmee tot symbool wordt gezien van de strijd voor die zaak
殉教者
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Martes
テン
noun
1. cocktail van gin en droge witte vermout
マティーニ
pronoun
マルティニーク
noun
1. de socialistische ideologie van de volgelingen van Karl Marx
マルキシズム
noun
1. schoonheidsmiddel
マスカラ
pronoun
1. eilandengroep in de Indische Oceaan
マスカリン諸島
noun
1.
  1. 仮面
  2. マスク
noun
1.
マゾヒズム
/ˈmɑsaː/
noun
1. totale hoeveelheid materie in een object
荷重
noun
マッサージ
noun
1. moord op een groot aantal personen
大量虐殺
noun
1. een wapen dat zeer velen doodt
大量破壊兵器
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
マッセンバッハハウゼン
verb
1. het toepassen van uitwendige druk op de zachte weefsels
マッサージ
noun
1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
  1. マスト
  2. 帆柱
noun
乳腺切除
noun
1. grote hond met een heel los rimpelig vel bij het hoofd
マスチフ
noun
  1. 1. ontsteking van de borstklier
  2. 2. ontsteking van de uier
乳腺炎
noun
1. het stimuleren van de eigen geslachtsdelen
オナニー
verb
オナる
noun
1. een tastbare stof
材料
noun
材料工学
verb
現る
noun
物質
noun
数学者
adjective
1. in geringere mate dan mogelijk of gewenst
適度
adjective
1. geneigd om vroeg op te staan
朝
/mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
マットレス
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
行列
noun
1. een zeeman van de laagste rang
水兵
pronoun
  1. マタイ
  2. マシュー
/ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
モーリタニア
/maʊ̯.'ri.si.jəs/, /mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
モーリシャス
noun
1. groot en rijk versierd graf
マウソレウム
abbreviation
1. grootst mogelijke hoeveelheid
最大
/ˌmajoˈnɛːzə/
noun
1. een saus op basis van eieren
マヨネーズ
pronoun
マヨット
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
麻疹
noun
1. een vrouw die een relatie heeft met een getrouwde man
  1. 情婦
  2. 愛人
/ˈmaʲɪs/, /ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
  1. トウモロコシ
  2. 玉蜀黍
noun
1.
メセナ
noun
1. machinerie
機構
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
  1. メダル
  2. 勲章
  3. 賞牌
noun
1. informatie die bekend wordt gemaakt
伝言
/ˈme.dəˌklɪŋ.kər/
noun
1. een klank waarbij de lucht niet ongehinderd door de mond naar buiten kan
子音
noun
1. verdriet over het leed van anderen
同情
noun
1. het mede schuld hebben aan een misdrijf
共犯
noun
2.
中央値
noun
調停
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
薬
noun
1. spirituele bezigheid
瞑想
noun
1. Rubia tinctorum
アカネ
/mel/, /meɫ/, /mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
小麦粉
verb
1. bij het vertrek meevoeren
テイクアウト
/meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
湖
pronoun
1.
レマン湖
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
多数
noun
1. één van een aantal Afrikaanse apensoorten uit de Cercopithecus-familie
オナガザル
adjective
  1. 1. gerelateerd aan meerdere talen
  2. 2. (persoon) meerdere talen sprekend
多言語
noun
1. de staat van meerdere talen te kunnen spreken
多言語化
/ˈmeːrvɑɫ/
noun
1. benaming voor grote roofvissen uit het geslacht Siluris
鯰
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
  1. 複数形
  2. 複数
indefiniteCardinalNumeral
1. de grootste hoeveelheid, het hoogste aantal
大部分
noun
1. baas, heer, patroon
達人
/ˈmetɪnstryˌmɛnt/
noun
1. een instrument waarmee grootheden gemeten kunnen worden
計測機器
/'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
幾何学
/ˈmetlɑt/
noun
1. een langwerpig voorwerp waarmee maten opgenomen worden
定規
/meːβ̞/, /mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
  1. 鴎
  2. カモメ
noun
1. megahertz (1 miljoen Hz)
メガヘルツ
noun
1. de vijfde maand van het jaar
  1. 5月
  2. 五月
/ˈmɛɪ̯.dorn/
noun
1.
山査子
noun
1. Melolontha melolontha, schildvleugelig insect dat in mei te voorschijn komt
コフキコガネ
noun
1. Convallaria majalis
鈴蘭
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
偽証罪
/mɛɪˈozə/
noun
1.
減数分裂
/ˈmɛɪ̯ʃə/, /ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
  1. 乙女
  2. 女の子
/ˈmɛɪ̯ʃəsˌnam/, /ˈmɛːsjəsˌnam/
noun
2. eigen achternaam van een vrouw die de naam van haar echtgenoot of geregistreerd partner voert
旧姓
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
マイトネリウム
pronoun
1. geboorteplaats van Mohammed en bedevaartplaats voor islamieten
マッカ
/me'latshɛɪt/
noun
1. besmettelijke ziekte veroorzaakt door een bacteriële infectie van de huid
ハンセン病
noun
憂鬱
pronoun
メラネシア
noun
1. een groep van organische pigmenten
メラニン
noun
  1. 悪性黒色腫
  2. メラノーマ
noun
1. een restproduct bij de suikerproductie
糖蜜
pronoun
1. tweede grootste stad van Australië en hoofdstad van de deelstaat Victoria
メルボルン
pronoun
メリリャ
/mɛlk/
noun
  1. 乳
  2. 牛乳
  3. ミルク
noun
牛乳屋
noun
1. chocolade die bereid is met room of melk
ミルクチョコレート
noun
ノゲシ属
/mɛlkə(n)/
verb
1.
乳を搾る
noun
1.het orgaan dat bij het zoogdier de melk produceert
乳腺
/mɛlkku/
noun
1. een soort koe die gekweekt wordt voor haar melkproductie
乳牛
noun
1. een tand uit de eerste set tijdelijke tanden van de mens en sommige andere dieren (zoals de hond of de koe), die na verloop van tijd worden vervangen door de permanente tanden
乳歯
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
天河
noun
1. organisch zuur
乳酸
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
歌曲
adjective
aangenaam klinkend
旋律の美しい
noun
メロン
/mɛmbran/
noun
2. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
膜
noun
pomp waar de pompwerking ontstaat door een membraan te laten trillen
ダイアフラムポンプ
/ˈme:mə/
noun
ミーム
verb
1. uit het hoofd leren
覚える
indefinitePronoun
1. iemand, maar niemand in het bijzonder
自
noun
1. eerste maandstonden, de eerste keer dat er een menstruatie is en daarmee de puberteit
初潮
/ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
メンデレビウム
/məˈneːr/, /məˈnɪːr/
noun
2. een nette man
紳士
/menə(n)/
verb
1. de bedoeling hebben
意味
verb
1. het homogeniseren van twee of meer zaken
混ぜる
noun
1.
メンヒル
/ˈmeːnɪŋ/
noun
1. oordeel, opinie
意見
noun
1. levensfase waarin vrouwen niet langer menstrueren
更年期障害
/məno'ra/
noun
1. kandelaar met zeven armen
メノーラー
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
  1. 人間
  2. 人類
  3. にんげん
  4. じんるい
adjective
  1. 1. zoals de mens
  2. 2. goed voor de medemens
人間的
/ˈmɛnsələkɦɛjt/
noun
人間性
noun
1. de bekendste en de meest gevreesde haai, Carcharodon carcharias
頬白鮫
noun
トラフィッキング
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
人権
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
人類
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
月経
/ˌmɛn.taː.liˈtɛit/
noun
メンタリティー
noun
1. vluchtige olie die een belangrijk bestanddeel is van pepermuntolie,...
メントール
noun
お品書き
noun
1.
メヌエット
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
メラーノ
pronoun
  1. 水星
  2. メルクリウス
/meːrəl/, /ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
  1. クロウタドリ
  2. 黒歌鳥
verb
停泊
noun
2.
髄
noun
1. halve cirkel die de beide polen met elkaar verbindt
  1. 子午線
  2. 経線
noun
能力主義
noun
2. een herkenbaar product door een bepaalde producent vervaardigd
ブランド
noun
1. vrouwelijk paard
  1. 牝馬
  2. hinba
  3. ひんば
noun
1. snijwerktuig
  1. ナイフ
  2. 小刀
noun
1.
中間子
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
メソポタミア
noun
中間圏
/mɛˈsijɑs/
pronoun
1. de in de joodse Tenach voorspelde Redder die door God gezonden zal worden en die door de christenen met Jezus gelijkgesteld wordt
メシア
adjective
真鍮
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
  1. 肥料
  2. 肥やし
/ˈmɛstkevər/
noun
1. een donkergekleurde kever die zich met mest voedt
糞虫
/mɛd/, /mɛt/
preposition
  1. を伴って
  2. 付きの
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
金属
noun
1. instrument om metalen voorwerpen op te sporen
金属探知機
noun
1. het geheel van de biochemische processen op celniveau
代謝
/me.ta.ˈfɔːr/, /mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
  1. メタファー
  2. 隠喩
noun
1. de wijsgerige leer die niet de werkelijkheid onderzoekt zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke ervaring, maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert
形而上学
noun
  1. 冶金
  2. 冶金術
noun
変態
noun
1. taal met behulp waarvan dezelfde of een andere taal wordt beschreven
メタ言語
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
測る
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
流星
/meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
気象学
noun
1. de SI-eenheid van lengte
メートル
noun
仲間
noun
1. CH₄
メタン
/meˈtodə/
noun
  1. 方法
  2. 方式
noun
1. Een stroming in het protestantisme
メソジスト
/ˌmetodoloˈɣi/, /ˌmetodoloˈχi/
noun
方法論
noun
測定
/mæː.to.ˈny.mi.ja/
noun
換喩
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
  1. 地下鉄
  2. メトロ
noun
メトロノーム
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
煉瓦職人
noun
1. stuk huisraad
家具
noun
1. groep (jacht)honden, e.d.
群れ
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
婦人
/ˈmɛg.zi.ˌko/, /ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
  1. メキシコ
  2. 墨西哥
/mə'zuza/
noun
1.
メズーザー
/ˈmɛtsə/
noun
1.
メッツェ
interjection
1. het geluid van een kat
ニャー
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
鳴く
noun
ミセル
/miˈxa/, /ˈmiʃa/
pronoun
ミカ書
/ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
微生物
noun
1. een levend micro-organisme
微生物
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
微生物学
noun
マイクロコントローラ
noun
マイクロフォン
/ˈmik.ro.χɔl(ə)f/, /ˈmɪk.ro.ɣɔlf/
noun
2. elektromagnetische golf van 0,1 mm tot 1 cm lengte
マイクロウェーブ
noun
1. miljoenste gram
マイクログラム
noun
2.
マイクロメータ
/ˌmi.kro.ˈne.zi.ja/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Federale Staten van Micronesia
ミクロネシア
/mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
  1. 顕微鏡
  2. マイクロスコープ
noun
マイクロ秒
noun
1. het midden van de dag, 12.00
正午
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
昼食
/ˈmɪdəɫ/
noun
  1. 4. geld, bezit
    手段
  2. 2. iets met behulp waarvan een doel bereikt kan worden
    方法
  3. 1. middendeel van het lichaam
    胴のくびれ
/ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
中世
pronoun
1.
中世フランス語
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
地中海
noun
1. middellijn
直径
/ˌmɪdəɫˈmatəx/
adjective
  1. 2. niet in positieve zin opvallen
  2. 1. zich rond het gemiddelde bevinden
平凡
noun
1. van een cirkel of bol is het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft
核心
noun
1. vinger
中指
noun
1. het centrale deel
中間
pronoun
1. het gebied tussen Noord-Amerika en Zuid-Amerika
  1. 中央アメリカ
  2. 中米
noun
1. regio die bestaat uit Zuidwest-Azië en het noordoosten van Afrika
中東
noun
1. maatschappelijke, economische klasse
中産階級
noun
中耳
noun
1.
小売商人
noun
1.
ミッドフィールダー
/ˌmɪdərˈnɑxt/, /ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
  1. 正子
  2. 真夜中
noun
白夜
noun
ミドルエイジクライシス
verb
1. via de blaas als vloeistof lozen van lichamelijke afvalstoffen
小便をする
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
  1. 蟻
  2. アリ
noun
ハリモグラ
noun
1. benaming voor tandloze zoogdieren uit de onderorde Vermilingua
アリクイ
noun
2. wortel
ホースラディッシュ
noun
1. slapjanus, kleinzerig persoon
いくじなし
noun
1. schele hoofdpijn
偏頭痛
noun
移住
/mɛi̯l/
abbreviation
マイル
/mɛi̯n/
noun
2. voorwerp gevuld met springstof die ontploft bij aanraking
地雷
/mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
  1. 私の
  2. 我が
noun
1. het bedrijven van winning van delfstoffen
鉱業
noun
1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
壁蝨
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
ミトラ
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
ミラノ
/mi.li.ˈjøː/, /mɪɫˈjø/
noun
2. de wereldwijde natuurlijke omgeving
環境
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
adjective
1. met het leger te maken hebbend
  1. 軍事的な
  2. 軍事的
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
noun
1. lid van een leger
  1. 兵士
  2. 軍人
noun
軍国主義
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
十億
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
億万長者
noun
1. 1.000.000
  1. 百万
  2. ひゃくまん
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
  1. ミリオネア
  2. 百万長者
noun
1. dikke koude drank
ミルクセーキ
noun
1. een periode van 1000 jaar
  1. 千年
  2. 千年紀
noun
1. een lengtemaat ter grootte van een duizendste meter
  1. ミリ
  2. ミリメートル
noun
ミリ秒
/mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
  1. 脾臓
  2. hizou
  3. ひぞう
/ˈmɪltfyr/
noun
1. een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
炭疽症
adverb
1. minus, verminderd met (-)
引く
/ˈmɪnɑxtɪŋ/
noun
1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
軽蔑
noun
ミナレット
/ˈmɪndər/
indefiniteCardinalNumeral
1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
...より少ない
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal minder dan de helft uitmaakt
少数
noun
少数言語
noun
劣等感
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
マイクラ
/minəˈral/
noun
鉱物
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
  1. ミネラルウォーター
  2. 鉱泉水
noun
鉱物学
/ˈminimal/
adjective
1. het kleinst mogelijk
最低
noun
1.
ミニスカート
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
大臣
/ˌminɪsˈtɪːri/
noun
1. een afdeling van een overheid waar het beleid van de regering wordt uitgevoerd
省
/mɪnst/
indefiniteCardinalNumeral
最小
noun
マイナス
noun
  1. 1. tijdeenheid
  2. 2. hoek
分
noun
1. neerbuigende vriendelijkheid als karakter eigenschap
優
noun
ギンバイカ
noun
1. een godsdienstoefening in de katholieke kerk, een eucharistieviering
ミサ
noun
1. haat tegen mannen
男嫌い
noun
1. een handeling die een ernstig vergrijp tegen het wetboek van strafrecht is
  1. 犯罪
  2. 罪
noun
1. een misdaad of delict
  1. 罪
  2. 犯罪
verb
1. iemand slecht behandelen en pijn doen of verwonden
虐げる
noun
1. het moedwillig toebrengen...
虐待
noun
流産
adjective
1.
紛らわしい
/məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
多分
noun
吐き気
/ˈmɪsə(n)/
verb
  1. 1. niet raken, niet treffen
  2. 6. de afwezigheid voelen van
しそこなう
noun
1. een doeleind dat verwezenlijkt dient te worden
任務
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
霞
adjective
1. met mist
霞み
/ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
ミトコンドリア
/miˈtozə/
noun
1.
有糸分裂
/moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
  1. 携帯電話
  2. けいたいでんわ
noun
動員
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
中傷
/ˈmodə/
noun
流行
noun
モデル
/mo.dɛr.ni.ˈzɪː.rə(n)/, /mo.dɛr.nɪ.ˈzeː.rə(n)/
verb
1. modern maken
現代化
noun
モダニズム
noun
モダニティー
adjective
1. volgens de mode
はやり
noun
修正
noun
変調方式
noun
モジュール
/muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
疲れた
/mud/, /mut/
noun
1. dapperheid, lef, branie
勇気
noun
1. een vrouwelijke ouder
  1. 母
  2. お母さん
noun
マザーボード
noun
1. een dag ter ere van de moeders
母の日
adjective
1.met de liefde en zorg van een moeder
母性
noun
  1. 母語
  2. 母国語
/ˈmuːdəx/, /ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
  1. 勇気
  2. 勇敢
noun
1. de diersoort waartoe het tamme schaap behoort, Ovis gmelini
ムフロン
/mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
難しい
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
難しさ
/ˈmuitə/
noun
1. een grote inspanning
労力
noun
  1. [A]
    ナット
  2. [C] 1. drassig land, vooral gebruikt voor natte veengebieden
    沼
noun
沼
noun
クワの実
noun
桑
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
モンスーン
verb
1. gedwongen zijn
なきゃ
noun
1. huwelijk ingegeven door zwangerschap
できちゃった結婚
pronoun
1. een rivier die ontspringt in de Vogezen en na 544 kilometer bij Koblenz in de Rijn uitmondt
モーゼル川
noun
1. met bont gevoerde koker om de handen warm te houden
マフ
adjective
1. een keuze om iets te doen
ありうる
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
可能性
/'mo.χə(n)/
verb
1. toegestaan zijn
してもいい
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Mordovië gesproken wordt
モクシャ語
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
    1. モグラ
    2. 土竜
  2. 3. hoeveelheid van een stof die net zo veel deeltjes bevat als er atomen...
    モル
/mɔlˈdaːvi.jə/, /mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
  1. モルドバ
  2. モルドヴァ
/moləˈkyle/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
分子
/moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
分子
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
粉砕機
/ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
粉屋
noun
1. een ronde steen die onder andere in windmolens en watermolens wordt gebruikt voor het malen van granen en andere producten, zoals boekweit, erwten en bonen, lijnkoeken en eikenschors
ひき臼
noun
1. met brandbare stof gevulde glazen fles die via een lont of lap stof wordt ontstoken
火炎瓶
noun
1.
もぐらづか
noun
1. Chemisch element
モリブデン
noun
1. zeer korte tijd
瞬間
verb
1. geluiden maken die moeilijk te verstaan zijn
呟く
/moˈnako/, /ˈmo.na.ko/
pronoun
  1. 1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
  2. 2. de hoofdstad van Monaco
モナコ
noun
君主
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
君主制
/[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
口
abbreviation
1. een zeer besmettelijke virusziekte (Aphtae epizooticae) die evenhoevige dieren, vooral runderen treft
口蹄疫
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
ハーモニカ
noun
1. een klein tokkelinstrument en lamellofoon waarbij de klank gevormd wordt door een dunne lamel aan te tokkelen waarbij het frame tussen de tanden of tegen de lippen wordt gehouden
口琴
noun
1.
歯科衛生士
/ˈmɔndɪŋ/
noun
1. plaats waar een rivier uitkomt in zee of meer
河口
noun
1. dat deel van een blaasinstrument dat in de mond genomen wordt of aan de lippen gezet
マウスピース
/ˈmɔntwatər/
noun
1. vloeistof waarmee de mondholte kan worden gespoeld
洗口液
/monəˈɣɑskis/, /monəˈɣɑskɪs/, /monəˈχɑskis/
adjective
モナコ人
noun
蒙古斑
/mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
  1. モンゴル
  2. モンゴル国
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
  1. モンゴル語
  2. 蒙古語
/ˈmoniˌtɔr/
noun
beeldscherm
モニター
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
修道士
noun
3. plant
トリカブト
noun
1. een bril voor één oog
片眼鏡
/ˈmonɔfˌtɔŋ/
noun
1. de benaming voor één enkele klinker die de nucleus vormt van een lettergreep
単母音
noun
1. het samenleven of getrouwd zijn met één persoon
一夫一婦制
noun
1. figuur met initialen
モノグラム
noun
モノリス
adjective
2. van iets dat het kolossaal groot is en uit één massief brok bestaat
一枚岩
/ˌmonoˈlox/
noun
1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
独白
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
専売
noun
1.
モノレール
noun
一神教
noun
1. schrikwekkend wezen
  1. 化け物
  2. モンスター
adjective
巨大
/ˌmɔntəneˈgrɛɪ̯ns/, /ˌmɔntəneˈgrɛːns/, /ˌmɔntəneˈɣrɛɪ̯ns/
pronoun
1. vorm van het Servo-Kroatisch, gesproken in Montenegro
モンテネグロ
/ˌmɔntəˈnegro/, /ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
モンテネグロ
/mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
  1. モンセラト
  2. モントセラト
noun
1. een groot gedenkteken
記念碑
/moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
  1. 綺麗
  2. 美しい
/ˈmoːrd/, /ˈmoːrt/, /ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
殺人
verb
1. rondgaan om moorden te plegen
殺す
/mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
  1. 人殺し
  2. 殺人者
/moˈral/
noun
教訓
noun
1. een uitstel van betaling
モラトリアム
pronoun
モラヴィア
pronoun
1. autonome republiek van Rusland
モルドヴィア
/moˈrel/
adjective
倫理的
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
形態素
/ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
形態論
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
  1. 明日
  2. あす
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
noun
1. eerste deel van de dag
朝
noun
1. benaming voor de planeet Venus
  1. 明けの明星
  2. モーニングスター
noun
1. bijnaam van een lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
モルモン
noun
1. weergave van letters, leestekens en cijfers door patronen van korte en lange signalen met tussenpozen
モールス信号
/'mɔrsə(n)/
verb
1.
零す
noun
  1. 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
  2. 2,3 korte kanontypen
迫撃砲
noun
  1. コケ
  2. 苔
noun
1. een scheikundig element met het symbool Mc en het atoomnummer 115
モスコビウム
noun
1. gebedshuis
モスク
pronoun
1.
モスクワ
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
ムスリム
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
ムール貝
noun
1. gistend vruchtensap, meestal van druiven
ムスト
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
芥子
noun
マスタードガス
noun
1.
カラシナ
noun
1. een vlinderachtig insect
蛾
noun
動議
noun
2.3.
モチーフ
noun
  1. 動機づけ
  2. 動機
/'mo.tɔr/
noun
  1. 1. krachtbron
    エンジン
  2. 2. voertuig
    オートバイ
noun
オートバイ
noun
防虫剤
noun
マウンテンバイク
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky,...
麦芽
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
  1. 袖
  2. sode
  3. そで
/ˌmo.zɑm.ˈbik/, /ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
モザンビーク
noun
モザイク
noun
1. Italiaanse kaas
モッツァレラ
/ˈmysli/, /ˈmyə̯zli/
noun
1. eten gemaakt van graanvlokken, zuivel, fruit en noten
ミューズリー
noun
1. de persoon die vanuit een minaret van de moskee oproept tot de dagelijkse gebeden
ムアッジン
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
  1. 蚊
  2. カ
  3. ka
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
ラバ
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
ケッテイ
noun
1.een leren of metalen korf die voor de bek van een dier gespannen wordt om bijten onmogelijk te maken
口輪
/mœʏ̯s/, /mœːs/
noun
  1. 3. computermuis
    1. マウス
    2. 鼠
  2. 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
    1. 鼠
    2. マウス
/ˈmœʏsmɑt/, /ˈmœːsmɑt/
noun
1. een onderlegger voor een computermuis
マウスパッド
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Coliiformes
ネズミドリ目
noun
下剋上
noun
1.
ねずみ捕り
pronoun
1.
ミュルーズ
noun
多国籍企業
noun
多発性硬化症
noun
1. composietplaat die bestaat uit meer dan 3 gelijmde laagjes hout
プライウッド
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
ミイラ
noun
1. en 2. (boon van) eenjarige plant Vigna radiata
  1. リョクトウ
  2. 緑豆
noun
  1. 1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
    1. ハッカ属
    2. ミント
  2. 5. muntzijde van geldstuk
    裏
pronoun
ムルシア
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
雀
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
  1. 博物館
  2. 美術館
noun
ミュージカル
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
音楽家
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
ニホンカボチャ
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
ニホンカボチャ
noun
1.
銃士
/'mɵskɵs/
noun
1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
麝香
noun
1. plomp hoefdier met grote kop en brede snuit
ジャコウウシ
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
ニホンカボチャ
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
マスクラット
noun
1. stof
変異原
noun
1. een sprongsgewijze verandering
突然変異
noun
1. onvermogen om te spreken
無言症
/mʏʦ/
noun
1. hoofddeksel van textiel zonder harde rand.
キャップ
/myːr/
noun
1. verticale vlakke constructie van metselwerk
壁
noun
壁画
noun
ミューズ
/my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
音楽
/myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
楽器
noun
1.een school waar men muziek leert maken
音楽学校
noun
1. de leer van systematiek in muziek
音楽理論
noun
1. iemand die muziek maakt
音楽家
/ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
菌類学
/miˈkozə/
noun
1. een door een schimmel veroorzaakte ziekte
真菌症
noun
1. afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
近視
noun
1. een grote groep mensen, een ontelbare menigte
万
/miˈstɪːri/
noun
ミステリー
/ˈmitə/
noun
神話
adjective
神話
/mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
神話
preposition
1. in tijd volgend op
後
noun
1.
縫い目
/naf/
noun
1. centrale as of middenstuk van een wiel of rad
轂
/ˈnaːi̯ə(n)/
verb
1. naaldwerk verrichten
縫う
noun
  1. ミシン
  2. 裁縫機械
/naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
裸
noun
1. het naakt zijn
裸体
noun
蛞蝓
/nald/, /naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
針
noun
針葉樹鵜
noun
1.
スティレットヒール
noun
マツバイ
noun
  1. 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
    1. 名前
    2. 名
  2. 2. bekendheid, reputatie
    1. 評判
    2. 名前
noun
1. een dag waarop een heilige wordt herdacht
聖名祝日
noun
1. iets of iemand met dezelfde naam
同名異人
noun
名前空間
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
格変化
/namwort/
noun
1. een woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt
名詞
/naːr/
adverb
1. in de richting van
へ
preposition
1. aan de zijkant van
隣
noun
1. liefde jegens de medemens
慈善
adjective
1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
近い
noun
付近
/nɑx/, /nɑxt/, /nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
夜
noun
1. een uitgaansgelegenheid voor volwassenen
ナイトクラブ
noun
1. een dier dat overdag slaapt en 's nachts actief is
夜行性動物
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
ナイチンゲール
adjective
夜
noun
ナイトスタンド
noun
  1. 1. een zeer angstige droom
  2. 2. een schrikbeeld
悪夢
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
ガ
noun
夜鷹
noun
1. ongunstige eigenschap
不利
noun
1. denkbeeldig punt aan de sterrenhemel loodrecht onder de waarnemer
天底
/'nadrɵk/
noun
1. een bijzondere aandacht die besteed wordt
強調
/ˈnaː.ɣəˌbor.tə/
noun
3. de moederkoek, navelstreng en vliezen die het lichaam van de moeder verlaten nadat de baby is geboren
後産
noun
  1. 1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
    爪
  2. 3. spijker
    釘
noun
1. schoonheidsmiddel
ネイルエナメル
noun
1.
ネイルガン
pronoun
1. hoofdstad van Okinawa
那覇市
/ˈna.wɑtl̥̩/, /ˈna.wɑtl̩/
pronoun
1. benaming voor de talen die door de oorspronkelijke bewoners van Mexico gesproken worden
ナワトル語
/ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
ナホム書
noun
1. herfst
秋
noun
ナーイアス
verb
2. in een testament toebedelen
考案します
noun
法令順守
/ˈnamələk/
abbreviation
すなわち
pronoun
1. provincie in het oosten van België
ナミュール
preposition
1.
代わり
/na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
ナミビア
noun
1. tijd aan het einde van de middag
午後
noun
レア
noun
1.
ナノメートル
noun
時間の比較
noun
ナノテクノロジー
adjective
1. van na de oorlog
戦後の
pronoun
1. stad in Italië
ナポリ
adjective
1. een taal die in Napels, Campanië, Basilicata en noordelijk Calabrië gesproken wordt
ナポリ語
noun
  1. スイセン属
  2. ラッパズイセン
noun
ナルシシスム
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Monodon monoceros
  1. イッカク
  2. 一角
/ˈna.slɑx.ˌwɛrk/, /ˈna.slɑx.ˌβ̞ɛrk/, /ˈna.slɑχ.ˌʋɛrk/
noun
1. een boek dat dient om iets in op te zoeken
参考書
noun
余波
noun
1. een veranderde smaak van iets dat men al heeft doorgeslikt heeft en in het begin anders smaakte
後味
noun
2. de anticlimax na de coïtus
後戯
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
濡れた
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
  1. 国民
  2. 国家
noun
国民国家
noun
ナチズム
verb
国有化する
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
民族主義
noun
民族主義者
noun
国籍
verb
1.
濡らす
noun
ナトリウム
noun
炭酸水素ナトリウム
noun
überhaupt
自然
/naˈtyrkʏndə/, /naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
物理学
noun
物理学者
adjective
1. uit de natuur afkomstig
天然
adverb
1. vanzelfsprekend
本来の
noun
1. mens van vlees en bloed die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
自然人
noun
1. een ongelukkige gebeurtenis die door de natuur veroorzaakt wordt
自然災害
noun
2. in de natuurlijke orde van de dingen gefundeerd
自然法
/na.ˈu.ru/, /naˈuru/, /ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
ナウル
/nɑuruˈwans/
pronoun
1. taal die door 6 000 mensen wordt gesproken in Nauru
ナウル語
adjective
1. een geringe breedte hebbend
狭い
noun
困難
noun
1. de mate waarin men zaken tot in de puntjes behandelt
正確性
pronoun
1. taal die het zuidwesten van de Verenigde Staten wordt gesproken door 170 duizend Navajo's
ナバホ語
pronoun
  1. ナバラ州
  2. ナバラ
/'navəl/
noun
  1. 臍
  2. へそ
/ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
臍帯
noun
1. NAVO
NATO
pronoun
1.
ネッカーズルム
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
ネッカーヴェストハイム
noun
1. een biografie van een overleden persoon en/of een bespreking van diens werk
死亡者略歴
noun
1. de afsterving van weefsel
壊死
noun
2. een perzikachtige vrucht van boom Prunus persica var. nucipersica
ネクタリン
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
ニーダーエスターライヒ州
noun
1. het aannemen van een houding waarbij geen aanspraak gemaakt wordt op macht of eer
謙遜
noun
1. het verlies van een strijd
  1. 敗北
  2. 挫折
/ˈnedərˌlɑnt/, /ˈneːdərˌlɑnd/, /ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
オランダ
/ˈne.dər.ˌlɑn.dər/
noun
1. inwoner van Nederland of persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit
オランダ人
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
adjective
1. met betrekking tot Nederland of de Nederlandse taal
  1. オランダの
  2. オランダ語
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
オランダ語
/ˈne.dər.ˌlɑn.tsə/, /ˈne.dər.ˌlɑnd.sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Nederland, vrouw uit Nederland
オランダの
/ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
オランダ領アンティル
pronoun
ニーダーザクセン州
noun
1. een vestiging, een bewoonde plaats
入植
/neː/
interjection
1. ontkenning
いいえ
noun
  1. 2. kozijn
    いとこ
  2. 1. mannelijke oomzegger
    甥
/nen/
interjection
nee
いいえ
noun
1. hemelwater
降水
verb
1. het vliegvermogen verliezen en onzacht op de aarde terugvallen
クラッシュ
verb
1. te snel naar beneden verplaatsen
落ちる
adjective
1. ontkennend, afwijzend
ネガフィルム
noun
否認主義
/ˈne.ɣə(n)/, /ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
  1. 九
  2. 九つ
/ˈne.ɣən.də/, /ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
九番目
cardinalNumeral
1. het getal 39
三十九
cardinalNumeral
1. het getal 99
九十九
cardinalNumeral
1. het getal 89
八十九
cardinalNumeral
1. het getal 29
二十九
cardinalNumeral
1. het getal 49
四十九
cardinalNumeral
1. het getal 59
五十九
cardinalNumeral
1. het getal 69
六十九
/ˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 79
七十九
noun
九角形
/ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
九百
cardinalNumeral
1. het getal 19
十九
ordinalAdjective
十九番目
/ˈne.ɣə(n).təx/, /ˈne.ɣə(n).tɪx/, /ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
九十
ordinalAdjective
九番目十番目
noun
1. iemand met voorouders uit Afrika bezuiden de Sahara met lichamelijke kenmerken daarvan
黒人
verb
1. doen alsof iemand of iets niet bestaat
  1. 無視する
  2. mushi suru
  3. むしする
pronoun
ネヘミヤ記
/nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
項
/ˈne.mə(n)/
verb
1. iets vastpakken met de handen
取る
noun
ネオジム
/ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
新語
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
ネオン
noun
ネオナチ
noun
新生物
noun
新生物
/ˈnepɑɫ/, /ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
  1. ネパール
  2. ニハラ
pronoun
1. een taal die vooral in Nepal gesproken wordt
ネパール語
noun
1. Chemisch element
ネプツニウム
pronoun
  1. 海王星
  2. ネプチューン
noun
1. iemand die sociaal en seksueel weinig in trek is en een grote voorliefde voor intellectuele zaken aan de dag legt
おたく
noun
葉脈
adverb
どこにも
noun
  1. 1. benaming voor bepaalde pelsdieren uit de familie der marterachtigen
  2. 1. pels van een nerts
ミンク
/nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
巣
/ˈnɛstələ(n)/
verb
1. het bouwen van een nest en het grootbrengen van jongen erin, gewoonlijk van vogels
籠る
noun
1. een geheel van fijne draden
網
pronoun
1.
ネタニヤ
noun
3. sport die veel lijkt op korfbal en basketbal
ネットボール
noun
1. tweede maag van herkauwers
ハチノス
adverb
正味
/'nɛtolon/
noun
1.
手取り給料
noun
1. een vlies aan de binnenkant van het oog waarop een beeld wordt gevormd
網膜
noun
ネットワーク
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
やる
pronoun
ニュルンベルク
noun
1. zenuwontsteking
神経炎
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
神経細胞
adjective
1. met betrekking tot een ziekelijke houding
神経質過ぎ
/ˈnøːrotransˌmɪtər/, /ˈnøːrotrɑnsˌmɪtər/, /ˈnʏːrotrɑnsˌmɪtər/
noun
1. een chemische stof die fungeert als overbrenger van de zenuwprikkel
神経伝達物質
noun
神経科学
/nøʏs/, /nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
  1. 鼻
  2. はな
noun
1. een van de beenderen van de schedel
鼻骨
noun
  1. 鼻の穴
  2. 鼻孔
noun
1. het eerste stuk van het luchtwegstelsel waar de ingeademde lucht doorheen gaat
鼻腔
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
  1. 犀
  2. サイ
noun
1.
サイチョウ
/ˈnøsklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
鼻音
noun
neusvleugel
小鼻
/nøˈtral/
adjective
  1. 1. geen partij kiezend in een conflict
  2. 2. natuurkunde: noch een positieve noch een negatieve lading dragend
  3. 4. scheikunde: noch zuur noch alkaline
中立
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
中立
noun
  1. ニュートリノ
  2. 中性微子
noun
中性子
noun
1.
中性子爆弾
noun
中性子星
noun
2. wolken in de nabijheid van de grond, ontstaan door plaatselijke oorzaken zoals door afkoeling of door menging van koude met warme vochtige lucht
星雲
noun
1. bepaald soort zoogdier, Neofelis nebulosa
ウンピョウ
/nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
  1. ニューヨーク
  2. ニューヨーク州
pronoun
1.
ニューファンドランド
noun
1. een van de overheid onafhankelijke, maatschappelijk geëngageerde organisatie
NGO
noun
ニーベルンゲンの歌
/ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
ニカラグア
noun
  1. 3. dochter van iemands oom of tante
    いとこ
  2. 1. dochter van iemands broer of zus
    姪
noun
nikochīn
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
誰も
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
腎臓
noun
1. een samengroeisel in het nierbekken dat meestal uit urinezuur en urinezure zouten bestaat
腎臓結石
noun
1. glibberige stof, gewonnen uit het weefsel rond de beide organen die bij zoogdieren het bloed zuiveren
スエット
noun
1.
くしゃみ
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
  1. ない
  2. ではない
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
ホッチキス
noun
1.
非喫煙者
noun
1. een apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
ホッチキス
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
ホッチキス
noun
1. apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
ホッチキス
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
  1. 別に
  2. 何も
  3. 無
  4. 何でもない
noun
1. iemand die voor niets deugt
下らない
adverb
にもかかわらず
/niβ̞/, /nyʊ̯/
adjective
  1. 6. vreemd, onbekend
    1. 慣れる
    2. 新しい
    1. 1. recentelijk gemaakt
    2. woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
    3. 5. in originele staat
    4. 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
    5. 3. huidige
    6. 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
    7. 2. recentelijk ontdekt
    新しい
pronoun
ニューカレドニア
pronoun
1.
ニューギニア
/niβ̞.ˈze.lɑnt/, /nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
  1. ニュージーランド
  2. 新西蘭
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
ニューサウスウェールズ
noun
1. nieuwe maan
新月
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
新約聖書
noun
1. iets dat nieuw is
斬新
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
新年
/niu̯s/
noun
  1. 1. actuele ontwikkelingen
  2. 2. een uitzending in de media waarin berichten over actuele ontwikkelingen worden verspreid aan het publiek
知らせ
noun
1.een regelmatige publicatie
ニュースレター
/ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
好奇心
/niu'sxirəxɛit/
noun
1. het verlangen naar kennis
好奇心
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
くしゃみをする
/'ni.ɣər/, /'ni.χər/
pronoun
  1. 1. land in West-Afrika
    1. ニジェール
    2. ニジェール川
  2. 2. een rivier in West-Afrika
    1. ニジェール川
    2. ニジェール
/ni.'ɣeː.ri.ja/, /ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
ナイジェリア
noun
1. binnen de filosofie een begrip dat wordt gebruikt om de ontkenning van het bestaan van betekenis...
ニヒリズム
noun
1. buiging als beleefde groet
辞儀
pronoun
1.
ナイル川
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
  1. 河馬
  2. カバ
pronoun
ナイメーヘン
noun
1. Chemisch element
ニッケル
noun
  1. 1. stralenkrans
  2. 3. wolk
雨雲
noun
  1. 1. wezen dat rivieren, bossen enz. bewoont
  2. 2. bekoorlijk meisje
  3. 4. insect in de tweede toestand van gedaanteverwisseling
ニュンペー
adverb
1. op geen enkel moment
決して
/niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
ニオブ
noun
1. de hoogste staat die door de mens bereikt kan worden, en waardoor heiligheid behaald wordt; toestand van volkomen rust
入寂
/nɪs/
noun
1. een inham in een muur
壁龕
noun
1. een verbinding van stikstof waarin dit element in de oxidatietoestand -3 optreedt
窒化物
pronoun
ニウエ
pronoun
1. een taal uit de Oceanische tak van de Australaziatische taalfamilie die op het Nieuw-Zeelandse eiland Niue, maar ook in Nieuw-Zeeland en op Samoa gesproken wordt
ニウエ語
noun
1. de rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, enzovoort
レベル
noun
1. scheikundig element
ノーベリウム
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
ノーベル賞
/'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
必要な
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
分母
pronoun
1. Turkse taal gesproken door 87 duizend mensen in het zuiden van Rusland
ノガイ人
noun
3. uitstulpingen aan as
カム
noun
遊牧民
noun
命名法
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
主格
/nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
尼
adjective
1. achteloos, onbekommerd
何気ない
/ˈnɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
伯父
noun
2. soort eend, Mergellus albellus
ミコアイサ
noun
危急
noun
1. datgene wat het toeval iemand doet overkomen
宿命
noun
緊急事態宣言
adjective
1. erg nodig
必要
/ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
何時も
/noːr/, /no̝ːr/
noun
1. een inwoner van Noorwegen
ノルウェー人
/nɔːrt ˈafrɪkɑ/, /nɔːrt ˈɑfrɪkɑ/
pronoun
gedeelte van het Afrikaanse continent ten noorden van de Sahara
北アフリカ
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
  1. 北アメリカ
  2. 北米
/noːrd.ˈbra.bɑnt/, /no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
北ブラバント州
pronoun
1.
ノースダコタ
pronoun
het noordelijk deel van Europa
北ヨーロッパ
/noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
北ホラント州
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1.
北アイルランド
/ˌnoːrt koˈre.ja/, /ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
  1. 北朝鮮
  2. 北韓
pronoun
1.
北マケドニア
pronoun
1. Australisch territorium gelegen in het noorden van het land
ノーザンテリトリー
noun
1. windrichting
  1. 北
  2. 北方
pronoun
北島
noun
1. sterrenbeeld, bestaande uit zeven sterren die in een halve cirkel staan
かんむり座
noun
1.
北光
adverb
北東
pronoun
1. Noordpool
北極
noun
1,2,3. noordpool
N極
pronoun
1. een vorm van skisport waarbij de twee onderdelen van het Noords skiën, schansspringen en langlaufen, gecombineerd worden
ノルディックスキー・コンバインド
/ˈnoːrdzeː/, /ˈnoːrtseː/, /ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
北海
/noːrs/, /no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
  1. ノルウェー
  2. ノルウェー語
/noːrs/, /no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
ノルウェー語
/ˈnoːrˌweɣə(n)/, /ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
  1. ノルウェー
  2. 諾威
/noːt/
noun
  1. 1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
    堅果
  2. 3. (muziek) een geluid van zekere tijdsduur
    音符
noun
2. gepeld zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
ニクズク属
noun
ノルマ
/nɔrˈmaɫ/
adjective
2. als norm dienend
  1. 普通
  2. 正常
noun
1. oude eenheid van lichtsterkte
燭
noun
1. in overeenstemming brengen met een norm
ノーマライゼーション
noun
正常
/nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
ノルマンディー
noun
ノスタルジア
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
公証人
noun
表記
noun
くるみ割り
noun
1. muzieknotatiesysteem
記譜法
noun
1. een verslag van een bijeenkomst
会議録
noun
1. de elfde maand van het jaar
  1. 十一月
  2. 11月
adverb
1. op het huidige tijdstip
  1. 今
  2. 現在
adverb
1. op onregelmatige tijden
時々
/nɵxtər/
adjective
1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
シラフ
/nykleʏs/
noun
1.
細胞核
noun
1.
ヌーディズム
/nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
  1. ゼロ
  2. 零
/ˈnumeɾi/
pronoun
民数記
adjective
1.
数値
/ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
番号
/nʏt/
noun
1. baat, voordeel
効用
adjective
有用
pronoun
1.
ヌーク
adjective
ナイロン
/o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
オアシス
/oˈbɑtja/
pronoun
2. boek in de Bijbel
オバデヤ書
noun
1. een bediende in een restaurant of café
ウエーター
noun
1. vetzucht
肥満
/ˈɔpjɛkt/
noun
  1. 1. voorwerp
  2. 2. grammaticaal voorwerp
  3. 3. filosofische entiteit en 4. informaticacomponent
オブジェクト
noun
1. lens
対物レンズ
adjective
鄙猥
verb
1. in buitensporige, ziekelijke mate boeien
取り付く
noun
1.
障害
noun
1. (muziekinstrument) een fluit die veelal gemaakt wordt van gebakken klei
オカリナ
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
  1. オック語
  2. オクシタン語
pronoun
  1. 1. streek in het zuiden van Frankrijk
  2. 2. regio in het zuiden van Frankrijk
オクシタニア
/ˌɔklyˈsif/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie ergens in het spraakkanaal
破裂音
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
  1. 大洋
  2. 海洋
/oseˈjani.jə/, /oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
  1. オセアニア
  2. 大洋州
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
オセロット
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
  1. 朝
  2. 午前
noun
1,2,3. toontrap, interval en toonhoogtereeks
オクターブ
noun
1. C₈H18
オクタン
noun
1. hoekmeetinstrument
八分儀
/ɔkta'ʔedər/
noun
1. een regelmatig achtvlak, een ruimtelijke figuur begrensd door acht gelijkzijdige driehoeken
正八面体
noun
1. achtarmige inktvis
蛸
noun
1. machtiging om een bepaalde tijd als enige, met uitsluiting van anderen, van een uitvinding te kunnen profiteren
特許
noun
1. lens waar men inkijkt
接眼レンズ
noun
頌歌
pronoun
オデッサ
noun
1. (medisch) waterzucht
浮腫
verb
1. proberen zonder fouten uit te voeren
練習
noun
1. test om de kennis te peilen
練習
/u.'ɣɑn.da/, /u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
ウガンダ
noun
1.
ワシミミズク
/ukraˈɦins/, /ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
  1. ウクライナ語
  2. ウクライナの
/ukraˈɦinə/, /ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
ウクライナ
/ukraˈɦinər/, /ukraˈʔinər/
noun
1. een inwoner van Oekraïne
ウクライナ人
/ˌenoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap van de wijnbereiding
葡萄酒学
/ˈuː.rɔs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius
オーロックス
noun
密林
/uˈsʲɑŋka/
noun
1. muts
  1. ウシャンカ
  2. ロシア帽
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
  1. カキ
  2. 貝
noun
1.
カキ養殖
noun
1. een vrouwelijk hormoon
エストロゲン
noun
1. waterkant
岸
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Turks en die door de Oezbeken gesproken wordt
ウズベク語
/us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
ウズベキスタン
conjunction
1. keuze
  1. あるいは
  2. または
  3. か
verb
1. wijden aan
捧げる
/ɔ'fɛrtə/
noun
1. een aanbieding van goederen of diensten tegen een vaste prijs
見積もり
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
正式
noun
1. iemand die een rang in het leger bekleedt die hem of haar het bevel over...
士官
adjective
非公式
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
眼科学
noun
1. een scheikundig element met het symbool Og en het atoomnummer 118
オガネソン
noun
1. Een bepaald tijdstip
瞬間
noun
1. ohm
オーム
noun
1. groot zoogdier dat nauw verwant is aan de giraffe
オカピ
noun
1. een mineraal dat als gele of oranje kleurstof gebruikt wordt
黄土
pronoun
1. een streektaal in Okinawa
沖縄語
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten van Amerika.
オクラホマ
noun
オクラ
noun
1. holte tussen de arm en de romp
  1. 脇の下
  2. 腋下
noun
1. de tiende maand van het jaar
  1. 十月
  2. 10月
interjection
1. goed, in orde
大丈夫
noun
1. vettige vloeistof
油
noun
1. een baksel gemaakt van een vloeibaar gerezen beslag dat in hete olie gebakken is
ベニエ
noun
1. fabriek waar ruwe aardolie wordt verwerkt tot aardolieproducten
石油精製
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
  1. 象
  2. ゾウ
noun
寡頭
noun
寡頭制
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
オリゴマー
noun
寡占
/oˈlɛɪf/, /oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
オリーブ
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
オリーブ
/oˈlɛɪ̯fkløːrɪx/, /oˈlɛɪ̯fklʏːrəχ/, /oˈlɛːfkløːrəx/
adjective
1. de kleur van olijven hebbend
オリーブ色
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
  1. オリーブ・オイル
  2. オリーブオイル
noun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
オリンピアード
adjective
オリンポス山の
/o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
  1. オリンピック
  2. オリンピック競技大会
pronoun
1. evenement dat eens in de vier jaar wordt gehouden waarbij allerlei wintersporten competitief beoefend worden
冬季オリンピック
pronoun
オリンポス山
noun
1. moeder van een ouder
お婆さん
/o.ˈman/, /ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
オマーン
/ˈɔmbʏdsˌmɑn/, /ˈɔmbʏtsˌmɑn/
noun
1. een ambtenaar die de taak heeft om als onpartijdige instantie klachten van individuele burgers tegen de overheid, instellingen en bedrijven te onderzoeken
オンブズマン
/ɔmdrajə(n)/
verb
1. twee zijden van iets van plaats doen verwisselen
翻す
noun
オメガ
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
オムレツ
verb
1. zich eromheen bevinden
  1. 囲む
  2. kakomu
  3. かこむ
noun
  1. 1. de nabijheid
  2. 2. personenkring
周囲
verb
1. de armen om iemand slaan
抱く
adverb
1. omhoog
上
verb
1.
握り締める
/ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
買収
noun
hoe de zaken er voorliggen
状況
noun
1. de lengte van een gesloten kromme
円周
verb
2. een einde maken aan een bewind
滅ぼす
noun
1. het afzetten van een regering, overheid of regime
倒す
/ˈɔmʋɛx/
noun
1. de weg die langer is dan de gewone of kortste verbinding tussen twee plaatsen
回り道
noun
  1. 1. politieke revolutie
  2. 2. algemene grootscheepse verandering
  3. 3. volledige draaiing
回転
prefix
1. toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord drukt dit voorvoegsel het tegendeel uit.
不
adjective
1. geen verbinding hebbend met
自立の
noun
独立宣言
adverb
1. niet of zeer moeilijk te begrijpen, rationeel niet te volgen, onlogisch
不可解
adjective
1. van delen van het lichaam dat er geen haar op zit, dat het niet met haar bedekt is
無毛
noun
1. de onverbogen werkwoordsvorm die naar persoon en getal onvervoegd is
不定詞
adjective
無人
preposition
  1. ondanks dat
    にもかかわらず
  2. 1. ook al is het zo dat
    にも関わらず
/ˈɔn.dər/
adverb
  1. 1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord zoals onderlopen.
  2. 2. prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord zoals waaronder.
の下
/ˈɔn.dər/
preposition
  1. 1. niet gesorteerd
    した
  2. 1. op een plaats die lager gelegen is dan het aangeduide.
    の下
/ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
前腕
verb
1. te weinig betalen
十分に払わない
noun
1. het geheel van processen dat zich in iemands geest afspeelt en waar deze zich niet van bewust is
潜在意識
/ɔn.dər.ˈbre.kɪŋ/, /ɔn.dər.ˈbreː.kɪŋ(g)/
noun
1. een tijdelijk staken van activiteit door een onverwachte gebeurtenis
中断
noun
1. kledingstuk dat onder de gewone broek wordt gedragen
パンツ
noun
臣民
/ˌɔndərˈdanəx/
adjective
1. gehoorzaam aan een leider
M
verb
1. een wens, verlangen, uiting of ontwikkeling eventueel met geweld tegengaan
治める
noun
1.
亜属
/ˈɔn.dər.ˌɣud/, /ˈɔn.dər.ˌɣut/, /ˈɔn.dər.ˌχut/
noun
1. kleding die direct op het lichaam gedragen wordt, doorgaans nog onder andere kleding
下着
adjective
アングラ
verb
1. overleggen om tot een afspraak te komen
交渉
/ɔndər'ɦɑndəlɪŋ/
noun
1. een proces van overleg waarbij partijen trachten tot een voor beiden aanvaardbare afspraak te komen
交渉
verb
  1. 1. zorgen dat iets in goede staat blijft
  2. 3. zich onderhouden: een gesprek houden met iemand
喋る
noun
1. de onderste kaak
下顎骨
verb
1. bewust worden van iets
認める
noun
1. gouverneur van een land of een provincie die als vervanger van de monarch optreedt
副王
noun
下唇
verb
1. een bedrijf of actie in werking stellen
取り掛かる
noun
1. een organisatie
事業
noun
1. de onderste delen van de rug; lumbale wervelkolom
腰のくびれ
verb
1. iets kleiner of van kleiner belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
侮る
verb
1. een verschil in aanmerking nemen
見分ける
/ɔndər'sxɛpə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iets dat onderweg is zijn bestemming niet haalt
奪う
noun
1. handtekening
  1. サイン
  2. 署名
noun
2.
亜種
verb
サイン
noun
1. een geschreven vertaling die bij een film(pje) in beeld wordt gebracht
字幕
verb
1. iets dat al gehuurd is, verhuren aan iemand anders
又貸しする
/ˌɔndərˈwɛx/, /ˌɔndərˈʋɛχ/, /ˌɔndərˈβ̞ɛx/
adverb
1. bezig zijn zich van plek A naar plek B te verplaatsen
途中
noun
  1. 2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
    主語
  2. 1. waar iets over gaat, een thema
    主題
noun
1. de voorziening van opleidingen
教育
noun
1. iemand die lesgeeft
教員
noun
潜水艦
noun
1. een vaartuig dat onder het wateroppervlak kan varen
潜水艦
/ɔndər'zuːk/
noun
1. het onderzoeken van iets
研究
verb
調べる
noun
1. iemand die een onderzoek uitvoert
研究者
adjective
1. zonder einde
無限
noun
不和
adjective
1. Niet deelbaar door twee
奇
noun
1. de mate waarin iets of iemand geen fouten kan maken
完璧
noun
1. ongewenste dieren, die de mens op een of andere manier last bezorgen
害虫
noun
焦り
noun
1. het niet opvolgen van opgelegde regels
不服従
adjective
1. niet getrouwd
未婚の
adjective
2. niet onderricht in lezen en schrijven
文盲
adjective
  1. 1. onmogelijk om geloof aan te schenken
  2. 2. bijzonder, uitzonderlijk
ありえない
noun
1.het niet geloven
不信心
/ˈɔnɣəˌlɵk/, /ˈɔnɣəˌlʏk/
noun
1. een onvoorziene gebeurtenis met negatieve en soms zelfs fatale gevolgen
事故
adverb
心地よい
adjective
1. niet gepast, niet geschikt
そぐわない
adjective
1.
書く
noun
2. lichte ziekte
不快
/ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
事故
abbreviation
bij benadering
約
adjective
1. niet goed met de handen om kunnen gaan
ぶきっちょ
adjective
1. zonder mogelijkheid om ongedaan gemaakt te worden
取り返しのつかない
adjective
1. niet met de oren waarneembaar
聞こえる
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
雑草
noun
1. gif of andere methode om planten die op de verkeerde plaats staan uit te roeien
除草剤
/ɔnlaŋs/
adverb
1. recentelijk, niet lang geleden
先日
adjective
汚い
adjective
1. niet te verwezenlijken
不可能
noun
1. iets dat niet kan gebeuren
不可能
/ˌonomatoˈpe/
noun
1. door klanknabootsing gevormd woord
擬音語
adjective
1.
不可解
/ˈɔnovərˌɣɑŋkələk/, /ˌɔnovərˈɣɑŋkələk/
adjective
1. (van een werkwoord) zonder lijdend voorwerp waarop de werking van het werkwoord overgedragen wordt
自動詞
noun
1. een werkwoord dat niet vergezeld kan worden door een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in een zin
自動詞
adjective
不敗
noun
不正
noun
1. schadeverwekkende inbreuk op een zorgvuldigheids- of rechtsnorm waardoor burgerrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat
不法行為
noun
1. het verstoord zijn van de maatschappelijke of sociale orde, rust
動乱
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud als (direct of indirect) object of na een voorzetsel
私達
/ɔnˈsxʏɫdəx/
adjective
1. niet schuldig
無罪
noun
1. de eigenschap niet te zullen sterven
不朽
verb
1. overgaan in iets verkeerds
退化する
noun
1. eerste maaltijd van de dag
  1. 朝食
  2. 朝御飯
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
朝御飯を食べる
verb
  1. 2. het uiteen (laten) vallen van een chemische stof in een aantal andere
    ばらす
  2. 1. een organisatie opheffen
    ディゾルブ
noun
森林破壊
/ɔntˈsɛɪ̯fərə(n)/, /ɔntˈsɛːfərə(n)/
verb
1. qua betekenis duiden
解読
/ɔnˈdɛ.kə(n)/
verb
  1. 1. ergens achter komen
    発見
  2. 2. een onbekend gebied verkennen en onderzoeken
    発見する
noun
1. het vinden van iets nieuws
発見
/ɔnteɣə(n)'zɛxlək/
adjective
1. niet tegen te spreken
  1. 否定のできない
  2. 疑いのない
noun
収用
/ɔntəˈvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel niet genoeg te hebben en onvoldaan te zijn
不満
verb
1. iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
刎ねる
verb
1. in het geheugen bewaren
覚える
/ɔntˈɦɵlə(n)/, /ɔntˈɦʏlə(n)/
verb
  1. 1. van het hulsel ontdoen
  2. 2. openbaren van onbekende feiten
カバーを取って、見せる
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
否む
verb
放電
verb
3. poepen
排便する
verb
1. een geheel dusdanig in delen uiteennemen dat het niet meer als geheel fuctioneert
分解
verb
1. de moed ontnemen
がっかり
verb
1. met iemand kennismaken en een gesprek voeren
出会う
verb
1. terugbrengen uit een waan of roes
酔いが覚める
noun
爆発
verb
1. arbeidsovereenkomst beëindigen
解雇する
/ɔnt'slɑx/
noun
1. het verbreken van het dienstverband met een werknemer
解雇
verb
1. aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
免れる
/ɔnt.ˈstan/
verb
1. de verandering ondergaan van niet bestaan naar wel bestaan
起こる
noun
1. (medisch) ontsteking
炎症
/ɔndˈvaŋ(g)ə(n)/, /ɔntfɑŋə(n)/
verb
1. het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
  1. 頂く
  2. 受け取る
adjective
可燃
noun
1. het, tegen iemands zin, wederrechtelijk verplaatsen van een persoon
誘拐
verb
1. niet meer abonneren
リムる
verb
干戈を収める
/ɔntˈʋɛrpə(n)/
verb
1. bedenken en uitwerken op papier
設計する
/ɔntʋɪkələ(n)/
verb
  1. 1. iets ~ een aanwezige aanleg tot bloei brengen
  2. 2. zich ~ tot geleidelijk iets worden
  3. 3. een film ~ het latente beeld van een belicht fotografisch materiaal chemisch zichtbaar maken
  4. 4. ontwerpen en uitvoeren op basis van onderzoek
発展
noun
1. geleidelijke verandering in een zekere richting
  1. 発展
  2. 開発
verb
脱臼する
noun
1.
脱塩
adjective
無責任
adjective
1.
忘れがたい
/ɔnvɛrˈsxɪləɣˌɦɛit/
noun
1. houding waarbij men zich niets aantrekt van omstandigheden en de opvattingen van anderen
冷淡
adjective
1. niet van tevoren zien aankomen
予想外
adverb
おもいがけず
/ˌɔn.vərˈʋust.bar/, /ˌɔn.vərˈβ̞ust.bar/
adjective
1. niet stuk te krijgen, buitengewoon robuust
びくともしない
noun
現在分詞
noun
現在時制
adjective
1. waarvan de uitkomst niet bij voorbaat te kennen is
予測
adjective
不妊
adjective
1. een geringe kans bezittend om waar te worden of te blijken
疑わしい
/ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
雷雨
noun
1. iets dat men niet met bewijzen kan ontkennen
否認防止
adjective
抗えない
adjective
1. niet voldoend aan de eisen van de wetenschap
非科学的
noun
een variëteit van kwarts
オニキス
pronoun
1. christelijk gebed
主の祈り
adjective
  1. 見えない
  2. 不可視
noun
1.
不可視
/ɔn'zɛidəx/
adjective
中性
/ox/, /oːx/, /oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
  1. 目
  2. め
/ˌox.ɔm.ˌox, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/, /ˌoɣ.ɔm.ˌox, ˌtɑnd.ɔm.ˈtɑnd/, /ˌoχ.ɔm.ˌoχ, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/
interjection
1. benadrukt volledige vergelding
目には目を
noun
1. ooggetuige
実見者
noun
眼窩
/ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
まぶた
verb
1. het van het land halen van het rijpe gewas
収穫
verb
1. het volgroeide gewas van het veld halen
刈り取る
noun
1. de schaal
強膜
noun
1. vrouwelijk schaap
  1. 牝羊
  2. 雌羊
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
  1. シュバシコウ
  2. 鸛
/oːɪt/
adverb
2. een mogelijk tijdstip in de toekomst
いつか
/oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
も
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
伯父
/oːr/
noun
1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
耳
noun
1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
イヤリング
/ort/
noun
1. een bepaalde plaats
場
noun
判決
noun
1. klein voorwerp om de gehoorgang te blokkeren zodat je niet door lawaai gehinderd wordt
耳栓
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
文書形式学
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
戦争
/ 'orlɔxsmɪsdadəxər/
noun
1. iemand die een oorlogsmisdaad pleegt of heeft gepleegd en daarvoor individueel aansprakelijk gesteld...
戦争犯罪者
noun
戦争祈念施設
noun
軍艦
/'orlɔxsfərklarɪŋ/
noun
1. een officiële mededeling van een land dat het oorlog gaat voeren
宣戦布告
/ˈorɔntˌstekɪŋ/
noun
1. een ontsteking van het oor
耳炎
/orsxɛlp/, /o̝rsχɛɫp/
noun
1. het uit het hoofd stekende deel van een oor
耳介
noun
stroperige vloeistof in de gehoorgangen
耳垢
noun
起源
adjective
1. zoals het in begin was
元
noun
1.1 gewone oorworm (Forficula auricularia)
はさみむし
noun
イヤーワーム
noun
原因
adverb
東
pronoun
東アジア
pronoun
1.
東ベルリン
pronoun
東ドイツ
pronoun
東ヨーロッパ
/os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
  1. 東ティモール
  2. 東チモール
/ostˈflandərə(n)/
pronoun
1. Belgische provincie
オンタリオ州
adjective
東
/ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
東
/ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
  1. オーストリア
  2. 墺太利
/ˈo.stə.ˌrɛɪ̯.kər/, /ˈo.stə.ˌrɛː.kər/, /ˈos.tə(n).ˌrɛɪ̯.kər/
noun
1. een inwoner van Oostenrijk of persoon die de Oostenrijkse nationaliteit bezit
オーストリア人
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
バルト海
preposition
  1. 1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op
    に
  2. 3. omhoog
    上に
noun
1. de vader van een ouder
お爺さん
adjective
1. ondoorzichtig
不透明
/o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
オパール
/ˈɔˌbɛlə(n)/
verb
1. iemand telefonisch proberen te bereiken
電話
/'ɔp.bla.zə(n)/
verb
2. een gas in een uitzetbare ruimte pompen
膨らむ
/'ɔbrɛŋs/, /'ɔbrɛŋst/
noun
1. dat wat opgebracht wordt, de baat die men heeft van zijn activiteiten
利益
noun
1. een te verrichten werk
注文
/ˈɔpɛːsə(n)/
verb
eisen dat iets of iemand waarop men recht heeft, wordt overgegeven
要する
/ˈoː.pə(n)/
adverb
1. niet gesloten
  1. 開いた
  2. 開ける
adjective
1. vrij toegankelijk
  1. 公共
  2. koukyou
  3. こうきょう
noun
1. openbaar toegankelijk personenvervoer
公共交通機関
noun
1. laatste boek van de Bijbel
黙示録
verb
    1. 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
    2. 3. openstellen, toegankelijk maken
    開ける
  1. 4. (informatica) een bestand inladen
    1. 開ける
    2. 開く
noun
1. plechtigheid als opening van een evenement
開会式
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
  1. オペラ
  2. 歌劇
noun
  1. 1. aantal gecoördineerde acties
  2. 2. een chirurgische ingreep
  3. 3. een bewerking op een object
手術
noun
1. ruimte waar heelkundige bewerkingen uitgevoerd worden
手術室
noun
オペアンプ
noun
1.
オペレッタ
noun
1.
発掘
verb
1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
大人になる
/'ɔpɦɑŋə(n)/
verb
1. iets in een hangende positie bevestigen
ぶら下げる
verb
2. een activiteit beëindigen
止める
noun
1. opiumbevattend geneesmiddel
オピエート
noun
1. een mening of oordeel
意見
noun
1. een steekproefsgewijs onderzoek naar de mening van de bevolking
世論調査
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
アヘン
/'ɔpkɛɪkə(n)/, /'ɔpkɛːkə(n)/
verb
1. de blik omhoog richten
見上げる
verb
1. zorgen dat iemands stemming verbeterd
元気づける
/'ɔpklarə(n)/
verb
1. het ontstaan van open plekken in wat een gesloten wolkendek was
晴れる
verb
1. iets een liggende plaats geven op iets anders
強いる
noun
教育
verb
1. bij voortduring aandachtig zijn
気を付ける
verb
3. een probleem ophelderen
  1. kaiketsu suru
  2. かいけつすつ
  3. 解決する
noun
1. een mengsel
溶液
noun
1.het gevoel bevrijd te zijn van iets dat dreigde
安心
/'ɔpnam(ə)/
noun
2. geluid
録音
verb
7. (beeld, geluid) registreren, vastleggen
収録
/ˈɔpniu/
adverb
1. nog een keer, een vorige gebeurtenis herhalend
再び
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
オーバーエスターライヒ州
pronoun
オートボルタ
noun
1. bot in de bovenarm
上腕骨
/ɔpər'vlɑkəx/
adjective
  1. 1. niet diepgaand of niet grondig
  2. 2. zich aan de oppervlakte bevindend
上滑り
noun
2. uitgebreidheid
面積
adjective
1. voordeel willen halen uit een bepaalde situatie
日和る
/ˌɔpoˈzitsi/
noun
2. mensen en partijen die niet tot de regeringspartijen horen
野党
adjective
1. de waarheid sprekend
真心
verb
2. een instelling in het leven roepen
確立する
verb
3. iets in orde brengen, netjes maken
片付ける
noun
1. een lange, grote en diepe lepel
お玉杓子
verb
2. aangedikte beweringen doen
力む
noun
列挙
verb
  1. 1. gaan staan
    立ち上がる
  2. 2. het bed verlaten
    起きる
/ˈɔpstɑnt/
noun
1. een massale, vaak gewelddadige, poging het heersende gezag af te schudden
暴動
noun
1. verrijzenis
復活
verb
1. nauwkeurig omschrijven en schriftelijk vastleggen zodat men het later nog kan raadplegen
記す
verb
1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
  1. 足す
  2. tasu
  3. たす
noun
1. het samenvoegen van een of meer termen tot een totaal, de som
加算
noun
光学
noun
1. iemand die kundig is in de optica
眼鏡屋
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
拾う
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen gunstig gaan uitvallen
楽観主義
noun
1. iemand die alles van de positieve kant beschouwt
楽天家
adjective
1. van het positieve uitgaand
楽観的
verb
育てる
noun
  1. 1. het proces waarin iemand wordt gevormd naar de normen van diens opvoeders, en daarmee meestal de samenleving waarin hij leeft
    教育
  2. 2. iemands algemene vorming en ontwikkeling
    教養
verb
2. iemands functie overnemen
継ぐ
noun
1. iemand die een ambt bekleedt na iemand anders
後任
verb
  1. 2. draaiend onder spanning zetten
    巻く
  2. 3. in staat van agitatie brengen
    興奮する
noun
2. het onderdeel zijn van een zo gewenst plan
企図
adverb
1. bewust op deze manier
意図的
adjective
1. de kleur oranje hebbend
  1. オレンジ色
  2. 橙色
pronoun
オレンジ自由国
noun
1. de witte bloemen van de sinaasappelboom
オレンジの花
adjective
軌道
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
蘭
noun
  1. 3. (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families
  2. 1. gewenste regelmaat
  3. 2. een hiërarchische organisatie
目
noun
  1. 2. aanduiding om de grootte van een getal mee uit te drukken, uitgedrukt als de exponent van de dichtstbijzijnde macht van 10
  2. 1. ruwe indicatie van de omvang, met weinig precisie aangeduide hoeveelheid
桁
adjective
整然
/ɔrdoˈvisijʏm/
noun
オルドビス紀
noun
  1. 2. keukenkruid
  2. 1. Origanum vulgare
オレガノ
noun
1. Onderdeel van het organisme
器官
noun
1. het afstaan van een orgaan (tijdens het leven of na het overlijden) voor medische doeleinden
臓器提供
noun
細胞小器官
noun
1.
組織図
/ˌɔrɣɑniˈzasi/, /ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
    1. 1. het organiseren
    2. 2. de manier waarop iets georganiseerd is
    1. 団体
    2. 組織
  1. 3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
    1. 組織
    2. 団体
pronoun
経済協力開発機構
pronoun
欧州安全保障協力機構
noun
1. iemand die organiseert of die organisatietalent heeft
  1. オルガナイザー
  2. 組織者
  3. 電子手帳
/ɔr.ˈɣa.nɪs/, /ɔr.ˈχa.nɪs/
adjective
  1. 2. koolstof bevattend
  2. 1. met betrekking tot een orgaan of de organen
  3. 3. niet werkend met of vervaardigd kunstmatige stoffen
有機
/ˌɔrɣɑniˈzeːrə(n)/, /ˌɔrχɑniˈzɪːrə(n)/
verb
  1. 1. een bepaalde structuur aanbrengen
  2. 2. iets, vaak een evenement, tot stand brengen
組織
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
生物
/ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
  1. オルガン
  2. 風琴
/ˈɔrxi/
noun
オージー
adjective
  1. 1. enige of zeer zeldzaam in zijn soort
  2. 2. gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker
原作
noun
1. voorwerp, gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker, waarvan een of kopieën zijn gemaakt
原作
pronoun
1. de officiële taal van de Indiase staat Orissa
オリヤー語
/ɔrk/
noun
1. fictieve wezentjes die in groepsverband leven en gewoonlijk de vijand van de mensen zijn
オーク
/ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
シャチ
noun
1. een bijzonder hevige storm
  1. 台風
  2. ハリケーン
/ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
オーケストラ
pronoun
1. wijk in Naha
小禄
/ɔrtoˈdɔks/
adjective
  1. 1. star vasthoudend aan een bepaald geloof
  2. 2. star vasthoudend aan bepaalde opvattingen of gewoontes die algemeen zijn aanvaard
オーソドックス
/ɔrtodɔk'si/
noun
正統
noun
1. gecastreerde stier
去勢雄牛
noun
オシロスコープ
pronoun
  1. 1. de hoofdstad en grootste stad van Noorwegen en is gelegen in het zuidoosten van het land
  2. 2. een provincie in Noorwegen
オスロ
noun
1. Chemisch element
オスミウム
pronoun
1. een taal uit de centrale Kaukasus
オセット語
pronoun
オセチア
noun
1. een structuur in het binnenoor van gewervelden en een rolspelen in het waarnemen van geluid,...
耳石
pronoun
1. de hoofdstad van Canada
オタワ
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
  1. 川獺
  2. 獺
/aʊ̯d/, /ɔʊ̯t/, /ʌʊ̯t/
adjective
  1. 2. oud ding, concept
    古い
  2. 1. oud mens, dier
    1. 年寄
    2. 古い
noun
1. reeks boeken in de christelijke Bijbel die zijn ontleend aan de joodse Tenach
旧約聖書
pronoun
1. het Engels zoals dat tussen ca. 400 en 1100 werd gesproken en dat wordt gezien als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels en nog later het moderne Engels
古英語
/ˈaʊ̯.dər/, /ˈɔʊ̯.dər/, /ˈʌʊ̯.dər/
noun
1. de moeder of vader van een kind
親
noun
1.
長老
/ˈaʊ̯.dərs/, /ˈɔʊ̯.dərs/, /ˈʌʊ̯.dərs/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ouder
両親
adjective
1. niet langer gebruikt of in de mode
古臭い
noun
1. periode van eind september tot half november waarin het nog zomerachtig weer kan zijn
小春
pronoun
1. het Frans zoals dat in het noorden van Frankrijk gesproken werd van de 10e tot de 14e eeuw
古フランス語
pronoun
1. een nu dode taal die werd gesproken in Griekenland
古代ギリシャ語
/ɑʊ̭tɦɛɪ̭t/
noun
  1. 1. het tijdperk van de geschiedenis vóór de middeleeuwen
  2. 2. een overblijfsel uit
古代
pronoun
1. de voorloper van het huidige Duits in de periode 700-1050
古高ドイツ語
pronoun
1. de Slavische taal die rond de negende eeuw rond Thessaloniki gesproken werd
古代教会スラヴ語
pronoun
1. een taal die de voorganger van de Scandinavische talen was
古ノルド語
/'ʌʊtom/
noun
1.
大叔父
/'ʌʊtɑntə/
noun
1.
大叔母
noun
1. bekende Griekse alcoholische drank
ウーゾ
/o'val/
adjective
1. in vorm gelijkend op een ei
卵形
/o'val/
noun
1. een figuur in de vorm van een ei
卵形
noun
喝采
/ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
オーブン
adverb
  1. 1. voorbij, gedaan
    どうぞ
  2. 2. nog resterend
    残る
preposition
  1. 1. wat betreft
    ついて
    1. 2. op of langs de oppervlakte van
    2. 5. naar de andere kant van
    3. 6. meer dan
    どうぞ
adverb
1.
どこでも
noun
1. toestand waarbij een ruimte, gebied of land zo dichtbevolkt is dat het problemen geeft
人口過剰
adjective
余計
noun
オーバードース
verb
1. de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn
誇張
noun
1.
誇張
noun
  1. 1. een eigenschap die hetzelfde is
    合意
  2. 2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
    契約
/ˌovərˈʔetə(n)/
verb
1. uit gulzigheid te veel eten
暴食
noun
2. het van een toestand in een andere geraken
変化
noun
1. reeks handelingen die gedaan wordt bij een belangrijke gebeurtenis in het leven
通過儀礼
noun
1. een werkwoord dat vergezeld wordt door een lijdend voorwerp in een zin, dat gewoonlijk in de lijdende vorm het onderwerp kan worden
他動詞
/'ovərɣavə/
noun
1. het opgeven van de strijd en zich aan de wijand onderwerpen
投降
verb
  1. 1. braken
    1. 吐く
    2. 嘔吐する
  2. 2. capituleren
    1. 投降する
    2. 降服する
noun
1. moeder van de grootvader of van de grootmoeder
  1. 曾祖母
  2. 曾/ひいお祖母さん
/ˈovərɣrotˌʌʊdər/
noun
1. een ouder van een grootouder
曾祖母
/ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
曾祖父
verb
1. in de handen van een ander geven
手渡す
/ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
オーファーアイセル州
noun
1. een jas die hoofdzakelijk als bescherming van de kleding eronder wordt gedragen
外套
noun
仏様
noun
1. een pagina bestemd voor overleg
トークページ
/ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
生き残る
noun
1. iemand die een levensbedreigende situatie overleefd heeft
生き残り
verb
1. ophouden met leven
死ぬ
verb
2. in de strijd van zijde wisselen
寝返る
adjective
1. buitensporig
過度
adverb
明後日
verb
1. ergens de nacht doorbrengen
宿る
verb
1., 2.
引き受ける
verb
1. met de wielen van een voertuig over iets of iemand heen rijden
轢く
verb
1. iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
買い被る
noun
1.
過大評価
/ˈo.vər.sxɔt/
noun
1. wat er overblijft, de rest
余剰
verb
1. het ene geschrevene vervangen
上書き
verb
1. een beurt doen missen
飛ばす
noun
2. verandering van vervoermiddel
乗り換え
verb
1. doorkruisen om de overzijde te bereiken
渡る
verb
1. het onder water komen staan van een laaggelegen gebied
氾濫
/ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
洪水
noun
1.
オーバーツーリズム
verb
1.een voorheen behaald niveau te boven gaan
凌ぐ
/ˌo.vər.ˌtrɛ.fən.də.ˈtrɑp/
noun
最上級
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
納得
noun
1. sterke mening of geloof
信念
noun
多量
/'ovərʋɛx/, /ovər'ʋɛx/
noun
1. een kruising van een weg met een spoorbaan
踏切
verb
1. een tegenstander of zwakte onder de knie krijgen
倒す
noun
勝利
verb
1. de winter doorbrengen
冬越しする
adjective
海外
noun
1. toestand dat je het geheel kunt duidelijk overzien
概要
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
排卵
pronoun
オックスフォード
noun
酸化
noun
酸化物
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
オゾン
/ozɔnlax/
noun
1. laag in de atmosfeer die veel ozon bevat
オゾン層
/ˌooˈsit/
noun
1. een eicel voordat het eerste poollichaampje gevormd wordt
卵母細胞
noun
4. (heraldiek) een loodrechte band midden over een wapenschild
ペイル
noun
1. in zee levend weekdier dat zich in hout boort, Teredo navalis
フナクイムシ
noun
2. bepaald soort Europese kleine zangvogel, Saxicola rubetra
マミジロノビタキ
/paːr/
noun
1. twee van een soort die bij elkaar horen
一組
/paːrt/
noun
  1. 3. schaakstuk
    1. ナイト
    2. 馬
  2. 1. tam hoefdier met manen
    1. 馬
    2. うま
    3. ウマ
noun
  1. 1. samengesteldbloemige plant Taraxacum officinale
    セイヨウタンポポ
  2. 1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
    1. タンポポ
    2. 蒲公英
noun
ソラマメ
/'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
馬力
noun
1. voedzaam vocht uit de melkklieren van een merrie
馬乳
noun
  1. 2. haardracht
    ポニーテール
    1. 1. sporenplant
    2. 3. staart van een paard
    木賊
/ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
厩
/ˈpaːrt.rɛidə(n)/
noun
het rijden op een paard, ter ontspanning of als sportbeoefening
乗馬
adjective
1. met een kleur tussen rood en blauw
パープル
noun
1. diverse kleurschakeringen tussen blauw en rood.
紫色
noun
  1. 1. ei van chocolade of suiker dat op of omstreeks Pasen gegeten wordt
  2. 2. ter gelegenheid van Pasen gekleurd en versierd kippenei
イースターエッグ
pronoun
イースター島
noun
イースターバニー
noun
ペースメーカー
noun
借地人
/pɑsiˈfɪsmə/
noun
1. een wereldbeschouwing die duurzame vrede nastreeft en tegen oorlog en geweld is
平和主義
/pɛːt/
noun
1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
  1. ひきがえる
  2. ヒキガエル
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
  1. キノコ
  2. きのこ
  3. 茸
/paˈeʎa/
noun
1. gerecht
パエリア
noun
1. persoonlijke dienaar van iemand
ペイジ
noun
頁
/pɑk/
noun
3. een stel bovenkleren
スーツ
/ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
パキスタン
verb
1. in de handen nemen
取る
/'pɑkpapir/
noun
1. papier men gebruikt voor het (feestelijk) inpakken van voorwerpen
包装紙
noun
1. Aziatische groene koolsoort met witte stelen Brassica rapa subsp. chinensis
チンゲンサイ
/palaˈdɛin/
noun
2. een ridder of hofdienaar
パラディン
/pa.ˈlaʊ̯/, /pa.ˈlɔʊ̯/, /pa.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
パラオ
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
宮殿
/palejoˈɣen/
noun
1.
古第三紀
/ˈpalejoˌlitikʏm/
noun
1. eerste periode van de steentijd
旧石器時代
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
古生物学
/ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
古生代
pronoun
パレルモ
adjective
1.
パレスチナ
pronoun
パレスチナ
noun
パレット
noun
1. een spatelvormig stuk gereedschap dat de kunstschilder gebruikt om op het palet een gebruikshoeveelheid verf van de juiste kleur te mengen
パレットナイフ
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
回文
noun
1. bepaald soort langwerpige consumptievis, Anguilla anguilla
うなぎ
noun
1. chemisch element
パラジウム
noun
  1. 2. binnenzijde van de hand
    手のひら
  2. 1. (sub-)tropisch gewas
    椰子
noun
椰子
noun
パルミチン酸
noun
パーム油
pronoun
1. de zondag voor Pasen
聖枝祭
/pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
  1. フライパン
  2. furaiban
adjective
1.
汎ヨーロッパ
/ˈpa.na.ma/, /ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
パナマ
pronoun
パナマ運河
noun
2. een gebouw
構内
noun
1. (zoogdieren) een beerachtig dier uit het Himalayagebied
パンダ
/ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
パンデミック
/pɑn.deʲ'ɪsmə/
noun
1. een theologische positie
汎理神論
noun
パネル
noun
1. blaasinstrument dat is samengesteld uit een reeks van eentonige fluiten
パンパイプ
noun
パニック
noun
1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
パンケーキ
noun
全性愛
noun
ズボン
noun
1. benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
  1. ヒョウ
  2. パンサー
/pɑn.teʲ'ɪsmə/
noun
汎神論
noun
スリッパ
/pɑnˈtɔfəldirtʲə/
noun
1. eencellig diertje
草履虫
noun
1. toneelspel alleen maar met gebaren en lichaamsuitdrukkingen dus zonder woorden
パントマイム
noun
1. een beschermende laag om dieren of voorwerpen
装甲
noun
1. een voertuig op wielen dat uitgerust is met een verstevigde buitenzijde om gewelddadige aanvallen te kunnen weerstaan
防弾車
/ˈpɛnti/
noun
1. kledingstuk
タイツ
/paˈpa.ja/
noun
1. en 2. (vrucht van) de boom Carica papaya
パパイア
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
  1. オウム
  2. 鸚鵡
noun
1.1 bepaald soort opvallende zeevogel die zelfs onder water kan vliegen, Fratercula arctica
角目鳥
noun
クリップ
pronoun
1. taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
パピアメント語
pronoun
1. een taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
パピアメント語
/pɑ'pir/
noun
1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
紙
noun
1. bouwmateriaal dat gemaakt wordt door papier te vermengen met natte lijm
パピエ・マシェ
/ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
パプアニューギニア
/ˈpaprika/, /ˈpɑprika/
noun
2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
ピーマン
noun
たとえ話(例え話)
/ˌparaˈboɫ/
noun
1. kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt.
放物線
noun
落下傘
noun
天国
/ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoɣəl/, /ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoχəɫ/, /ˌpɑrɑˈdɛːsvoɣəl/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Paradisaeidae
極楽鳥
noun
矛盾
/ˌparadɔkˈsal/
adjective
1. tegenstrijdig lijkend
逆説的
noun
パラフィン
/ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /ˈparaˌɡwe/
pronoun
パラグアイ
adjective
1. evenwijdig
平行
noun
平行六面体
/paralɛloˈɣrɑm/, /pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
平行四辺形
noun
1. achtervolgingswaanzin
パラノイア
/ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
  1. 傘
  2. かさ
  3. kasa
noun
超心理学
noun
1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
寄生虫
noun
1. leer en studie van de parasieten en het parasitisme
寄生虫学
noun
日傘
noun
1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
真珠
noun
1.
ホウセキカナヘビ
/parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
  1. 真珠層
  2. 真珠母
noun
香水
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
パリ
noun
een inwoner van Parijs
パリジャン
noun
パリティ
noun
パリティビット
/pɑrᵊk/
noun
1. een groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
公園
noun
1. lang warm jack met een met bont gevoerde capuchon oorspronkelijk kledingstuk van de Inuits
アノラック
noun
1. een installatie met klok die na de muntinworp de toegestane parkeertijd aangeeft
パーキングメーター
noun
1. plek waar auto's of andere voertuigen geparkeerd kunnen worden
駐車場
verb
1. (een voertuig) tijdelijk ergens laten staan
停まる
noun
  1. 1. Openbaar Ministerie
  2. 2. afzonderlijke ruimte in gerechtszalen
  3. 3. parketvloer
フローリング
noun
vogel
インコ
noun
1. risicosport waarbij een traject met obstakels zo snel en vloeiend mogelijk moet worden afgelegd
パルクール
noun
  1. 議会
  2. 国会
noun
1. gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
小教区
noun
1. woord dat een of meerdere morfemen met een ander woord deelt en daardoor soms met dat andere woord verward kan worden
類音語
noun
パーセク
adjective
bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
一方的
noun
1. klein deeltje
てにをは
noun
    1. 2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
    2. 3. iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
    パートナー
  1. 1. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
    相棒
/pɑr.və.'ny/
noun
出来星
noun
1. eenheid voor druk (symbool: Pa)
パスカル
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
復活祭
adjective
1. kort geleden geboren
新生
pronoun
1. taal die vooral in Afghanistan en Pakistan door 50 tot 60 miljoen Pathanen wordt gesproken
パシュトー語
noun
  1. パスポート
  2. 旅券
noun
1. de vaste oostelijke wind die waait tussen de 30 graden noorderbreedte en 30 graden zuiderbreedte en het reizen met zeilschepen over de oceaan aanzienlijk eenvoudiger maakt
貿易風
noun
5. ontlasting, doorgang
一節
noun
1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
乗客
noun
1. stoel in een vervoersmiddel voor iemand die het voertuig niet bestuurt; stoel naast de chauffeur
助手席
noun
旅客機
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
パッサウ
verb
1. precies de goede maat zijn, erin kunnen
合う
noun
コンパス
noun
1
受難
adjective
1. niet zelfstandig werkzaam
受け身
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
パッションフルーツ
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
パースニップ
noun
牧師
noun
1. model van kledingstuk precies aansluitend op het lichaam
フィット
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
パタゴニア
noun
1. gefrituurde aardappelreepjes
フライドポテト
verb
1.
特許取得
noun
1. zich te pas en vooral te onpas als een zorgzame vader gedragen
パターナリズム
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
病理学
adjective
1. ziekte betreffend
病的な
/pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
患者
noun
1.
総主教
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
  1. ヤマウズラ
  2. 山鶉
noun
父称
noun
パトロール
verb
警邏
noun
1. wagen waarmee de politie rondrijdt om inspecties uit te voeren
トロールカー
pronoun
1. stad in Thailand
  1. パタヤ
  2. パッタヤー
noun
1. stevig, maar smeerbaar mengsel van fijngemalen vlees
パテ
noun
1. een grote verstembare keteltrommel zoals gebruikt in een orkest
ティンパニ
/'pɑupər/
noun
1. iemand die heel arm is
貧困者
/pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
  1. 法皇
  2. ローマ教皇
  3. 教皇
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
くじゃく座
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
  1. 孔雀
  2. ピーコック
noun
1. bepaald soort tropische struik met prachtige bloemen, Caesalpinia pulcherrima
オウコチョウ
/ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
休止
verb
2. even stoppen
中断
noun
パビリオン
adjective
貨幣
noun
  1. 1. met de voet te bedienen hefboom
  2. 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
ペダル
noun
小児科学
adjective
1. behorende tot het verlangen van een volwassene naar seksueel contact met kinderen
ロリコン
noun
1. een volwassene die verlangt naar seksueel contact met kinderen
ロリコン
noun
1.
ペドフィリア
noun
1. vrucht
梨
/pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
腱
pronoun
2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
ペーガソス
/'pejorɑ'tif/
adjective
侮蔑
/pɛlgrɪm/
noun
巡礼者
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
  1. ペリカン
  2. 伽藍鳥
noun
1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
ペン
noun
1. een directe vrije trap voor de aanvallende partij na een zware overtreding van de verdedigende partij binnen het strafschopgebied
ペナルティーキック
noun
ペニシリン
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
陰茎
noun
1. kleinste Britse munt, Engelse stuiver
ペニー
noun
2. een gerecht bereid van (1)
トライプ
noun
筆
noun
1. loon uitgesteld tot de tijd dat iemand niet langer actief is op de arbeidsmarkt
年金
noun
1. een gelegenheid waar men kan overnachten
下宿屋
/pɛnʃo'nerɪŋ/
noun
1.
停年退職
noun
1. C₅H12
ペンタン
pronoun
1.
ペンタゴン
noun
五芒星
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
胡椒
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Mentha × piperita
ペパーミント
/pɛpˈsinə/
noun
1. een verteringsenzym dat in de maag eiwitten in kleine stukken breekt
ペプシン
adverb
1. noodzakelijkerwijs
必ず
/pɛrsɛnˈtaʒə/
noun
1. een percentsgewijze berekend bedrag of hoeveelheid
パーセンテージ
/perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
セイヨウナシ
noun
1. hervormingen zoals deze door Gorbatsjov werden voorgesteld in de Sovjet-Unie
ペレストロイカ
/pɛrˈfɛkt/
adjective
1. zonder enig gebrek
完璧
noun
万全
/ˌpɛrfoˈratɔr/
noun
1. een apparaat om gaten te maken in papier, karton, kunststof folie of metaalplaat.
  1. パンチ
  2. パンチャー
noun
1.
パーゴラ
noun
会陰
/pɪri'jodɘ/
noun
  1. 1. tijdperk
  2. 4. repeterende getallenreeks
時代
noun
周期表
noun
1. een dun schrijfmateriaal, gemaakt van huid van kalveren, koeien, geiten, schapen, konijnen of ezels
羊皮紙
adjective
1. voortdurend
パーマ
noun
過酸化物
/pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
プラットホーム
noun
  1. 1. instrument waarmee druk uitgeoefend kan worden
  2. 2. journalistieke media
ズボンプレス
noun
1. samengeperste lucht onder een bepaalde druk
圧搾空気
noun
人物
noun
  1. 2. grammaticaal begrip
    1. 人
    2. 人称
  2. 1. menselijk individu
    1. 人
    2. 方
adjective
1. betrekking hebbend of uitgevoerd door de persoon zelf
個人の
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
人称代名詞
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
性格
noun
パーソナリティ障害
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat West-Australië
パース
/peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
ペルー
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
  1. 桃
  2. モモ
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
  1. ファルシ語
  2. ペルシア語
pronoun
1.
  1. ペルシア湾
  2. ペルシャ湾
pronoun
ペシャーワル
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen ongunstig gaan uitvallen
悲観
noun
悲観主義者
noun
(medisch) Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis
ペスト
verb
1. jennen, treiteren
せがむ
noun
農薬
noun
1. bepaald soort vogel, Bombycilla garrulus
キレンジャク
noun
1. tamelijk plat hoofddeksel met een klep
キャップ
noun
2. kruid
パセリ
adjective
betrekking hebbend op de industrie die aardolie als grondstof verwerkt
石油化学の
noun
1. een symbool, figuur of andere afbeelding die in de rotsen is gekrast, gekerfd of gehakt
ペトログリフ
pronoun
1. discipel van Jezus
ピーター
noun
1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
吸殻
noun
2. en 3. (peulen van) Pisum sativum var. saccharatum
スナップエンドウ
noun
1. een jong kind in de leeftijd van een tot vier jaar
子供
noun
1.
フィッシング
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. grotere van de twee manen van Mars
フォボス
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
フェニックス
noun
1.
円周率
noun
1. musicus die een piano bespeelt
ピアニスト
noun
1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
ピアノ
/pɪˈkɑrdɪʲə/
pronoun
regio in Noord-Frankrijk
ピカルディ地域圏
noun
1. piccolofluit
ピッコロ
noun
1. een maaltijd in de vrije natuur
ピクニック
noun
1. geslachtsdeel van de man, penis gebruikt voor onvolgroeide jongens
  1. おちんちん
  2. ちんちん
adjective
1. bijzonder klein
ちっぽけ
noun
発泡スチロール
/piːr/
noun
  1. 2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
  2. 3. overdekte loopbrug op luchthaven
埠頭
noun
ringetje, staafje enz.
ピアスホール
pronoun
1. jongensnaam
ピーター
pronoun
1. hoofdstad van KwaZoeloe-Natal
ピーターマリッツバーグ
noun
1. een organische of minerale stof met een vaste kleur
色素
noun
1. projectiel
  1. 矢
  2. 矢印
noun
葛鬱金
/pɛɪ̯n/, /pɛːn/
noun
1. lichamelijk leed
  1. 痛み
  2. 苦痛
/ˈpɛɪ̯nɑpəɫˌkliːr/, /ˈpɛːnɑpəlˌkliːr/
noun
1. klier in de hersenen, die melatonine uitscheidt
松果体
/'pɛːinstɪlər/
noun
1. middel
痛み止め
noun
1.
オルガン
verb
4. (met de snavel) prikken
ついばむ
adjective
1. heel zwart
  1. 真っ暗
  2. 真っ黒
noun
  1. 1
    1. 丸薬
    2. ピル
  2. 2
    1. 丸薬
    2. 錠剤
noun
1. een bestuurder van een vliegtuig, luchtschip of race-auto
操縦士
pronoun
1.
プルゼニ
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
アオガラ
/pɪn.ˈsɛt/
noun
1. een gevorkt werktuig bestaande uit twee armen waarvan de punt bijeengeknepen kan worden
ピンセット
noun
2. een vrucht van deze plant
ピーナツ
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
ピーナッツバター
/ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
ペンギン
noun
1. de vijfde, kleinste en buitenste vinger
小指
pronoun
1. Christelijk feest
ペンテコステ
/piˈɔn/
noun
1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
ポーン
noun
パイオニア
noun
1.
海賊
noun
1.
  1. ピラミッド
  2. 金字塔
noun
  1. 1. het beroven of plunderen van een schip op open zee
  2. 2. opzettelijke schending van het auteursrecht door het ongeoorloofd namaken van goederen of ...
パイラシー
noun
1. een ornament op een markant punt van een bouwwerk
頂華
verb
1. plassen
小便をする
noun
ピスタチオ
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
ピストル
pronoun
1. groep van vijf eilanden halverwege Paaseiland en Tahiti
ピトケアン諸島
noun
1. een beeldpunt
ピクセル
/ˈpidza/, /ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
  1. ピザ
  2. ピッツァ
noun
1. restaurant
ピザ屋
pronoun
ピエモンテ
pronoun
1. taal gesproken door 3 106 620 mensen in Italië, Argentinië, Australië en de Verenigde Staten
ピエモンテ語
noun
圧電効果
/plaːts/
noun
1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
  1. 場所
  2. 席
noun
1. precieze plek waar een misdaad is gebeurd
犯行現場
verb
1. op een bepaalde plaats zetten
付ける
noun
1. geneesmiddel zonder werkzame stof
プラセボ
/plɑˈfɔnt/
noun
1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
天井
verb
1. iemand (goedmoedig) pesten
からかう
noun
盗作
verb
剽窃
noun
2.
プラカード
noun
1. een voorgenomen handelswijze
計画
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
惑星
adjective
惑星
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
  1. プラネタリウム
  2. 天象儀
noun
1. stelsel van planeten om de zon of een ster
惑星系
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
小惑星
/plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
板
noun
舞台負け
noun
  1. 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
  2. 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
植物
/plɑntˈaːr.dəx/
adjective
1. tot de planten behorend, uit planten bestaand of daarvan afkomstig
植物
verb
1. (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
  1. 植える
  2. うえる
noun
1. dier dat uitsluitend plantaardig voedsel eet
草食動物
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
植物学
noun
1. een verzameling van vocht
水たまり
noun
1.
プラズマ
noun
1. immunoglobulinen producerende cellen
形質細胞
verb
1. via de urinebuis vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen
おしっこをする
noun
1. een chirurgisch specialisme waarin men zich richt op het uit esthetisch en/of functioneel oogpunt aanpassen van het uiterlijk
形成外科
adverb
1. vlak van vorm met verwaarloosbare hoogteverschillen
平ら
noun
1. benaming voor loofbomen uit het geslacht Platanus
プラタナス
noun
1. bepaalde omgeving waarin een computer werkt
プラットフォーム
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
  1. 白金
  2. プラチナ
/ˈplɑtvɪs/
noun
1. een orde van vissoorten die op hun zijde op de bodem leven, en geheel plat zijn
カレイ
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
プラウエン
noun
1. het plaatje waarmee snaren worden aangeslagen
ピック
noun
広場
/ˈplɛinˌvreːs/
noun
広場恐怖症
noun
2. zelfklevend verband
絆創膏
/plejoˈnɑsmə/
noun
1.
冗語
noun
1. machine die wegen effent
ロードローラー
noun
1.
千鳥
noun
1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen
義務
noun
  1. 2. groep personen
    チーム
  2. 1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
    1. 犂
    2. 鋤
verb
2. land met de ploeg bewerken
すきで耕す
/ˈplɔfklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie ergens in het spraakkanaal
破裂音
/ploˈsif/
noun
1. medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie...
破裂音
adjective
1. snel en onverwacht
突然
/'plʌʏ.zəx/
adjective
1. vol met pluizen
ふかふか
/'plɵkə(n)/
verb
1. (bloemen) afbreken of oogsten
摘む
conjunction
  1. 足す
  2. tasu
  3. たす
noun
プラス
pronoun
1.
  1. 冥王星
  2. プルートー
noun
1. Chemisch element
プルトニウム
noun
1. longontsteking
肺炎
/po/
pronoun
1. stroom in Italië
ポー川
noun
1. digitale radio-uitzending waarbij een audiobestand op internet wordt gezet...
ポッドキャスト
pronoun
1.
ポジーリャ
noun
1. verouderde Russische eenheid van massa
プード
noun
1. Frans krulharig hondenras
プードル
noun
粉
/pudərsnew/
noun
1. fijne sneeuw
粉雪
noun
1. zeer fijn gemalen suiker
粉砂糖
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis concolor
ピューマ
noun
1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
うんこ
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
neko
noun
1. sociaal-economische en politieke praktijk in Rusland in het begin van de 21 eeuw
プーチニズム
noun
  1. 1. razzia tegen joden
  2. 2. gewelddadige aanvallen...
ポグロム
noun
  1. 1. staande jachthond
  2. 2. een variabele waar een geheugenadres in staat
ポインター
noun
1.kaartspel
ポーカー
noun
2. epidemische huidziekte
天然痘
pronoun
1. Polaris
北極星
/ˈpolə(n)/, /ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
  1. ポーランド
  2. ポーランド共和国
noun
ポリプ
noun
1. een discipline
政治学
noun
1. iemand die zich beroepsmatig met politiek bezighoudt
政治家
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
警察
noun
1. een persoon die belast is met hulpverlening en met de handhaving van de openbare orde en veiligheid
警官
noun
警察官
noun
警察署
/poliˈtik/
adjective
1. betreffende de politiek
政治的
/poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
政治
noun
1. stuifmeel
花粉
noun
2.(België) een diepe, grote lepel met een lange steel gebruikt voor het opdienen van soepen, sauzen e.d.
お玉杓子
noun
1. Chemisch element
ポロニウム
noun
anatomie: 1. gewricht
手首
noun
1. een uurwerk dat om de pols gedragen wordt
腕時計
noun
ポリアミド
noun
ポリアモリー
noun
一妻多夫制
noun
2. thermoplastisch polymeer
ポリカーボネート
adjective
ポリエステル
noun
ポリフォニー
noun
複婚
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
多角形
noun
1.
重合体
noun
重合
noun
同質異像
pronoun
1. eilanden in de Grote Oceaan of Stille Oceaan die samen Oceanië vormen
ポリネシア
noun
多糖
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
  1. 多義語
  2. 多義性
noun
1. godsdienst met meer dan één god
多神教
pronoun
1. historische regio in het zuiden van de Oostzee
ポモージェ
noun
ポンプ
/ˈpɔmpəlˌmus/, /ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
2. een vrucht van deze boom
  1. ザボン
  2. ブンタン
  3. ボンタン
pronoun
1.
ポンペイ
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
  1. カボチャ
  2. 南瓜
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
ポンド
noun
kaart die tot de jaren 80 werd gebruikt voor het vastleggen van gegevens d.m.v. erin geponste gaatjes
パンチカード
noun
1.
司教の職
noun
1. een brug die bestaat uit op het water drijvende elementen
浮き橋
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
ポニー
/'poːjər/
noun
1. een man die prostituees tegen betaling beschermt en helpt.
ポン引き
/pok/
noun
1. stang om het vuur op te porren
火かき棒
/pol/, /poɫ/, /po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
ポーランド人
noun
A 1. uiteinde van een draaiingsas
極
noun
1.
  1. 極光
  2. オーロラ
/poɫs/, /poːls/, /po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
ポーランド語
noun
1. benaming voor zeevissen uit familie Triglidae
ホウボウ
/poːrt/
noun
1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
  1. 門
  2. 扉
  3. とびら
noun
手
noun
1. speeltuig
人形
noun
1. een in het klein uitgevoerde versie
ドールハウス
noun
1. het populair zijn van iemand of iets
人気
noun
  1. 1.
  2. 3. een groep organismen
母集団
noun
1.
ポプラ
noun
1. politieke stroming die vindt dat een maatschappelijke elite de belangen van het volk verwaarloost...
人民主義
noun
ポルノグラフィ
/pɔrsəlɛːn/, /pɔrsəˈlɛɪn/
noun
  1. 2. voorwerpen van fijn, geglazuurd aardewerk
    磁器
  2. 1. fijn, geglazuurd aardewerk
    1. 磁器
    2. 陶磁器
noun
1,2 portaal (entree)
ポータル
noun
1. portaalkraan
ガントリークレーン
noun
1. geldbuidel
財布
noun
2. zuilengalerij
ポルチコ
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
肖像
/'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
  1. ポルトガル
  2. 葡萄牙
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
adjective
1. verwijzend naar Portugal of naar de Portugese taal
ポルトガル語
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
noun
1. inwoner van Portugal
  1. ポルトガル人
  2. ポルトガル
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
ポルトガル語
verb
ポーズをつくる
/po'zisi/
noun
  1. 1. een stand van het lichaam
  2. 2. een innerlijke houding
  3. 3. een plaats van waaruit men iets onderneemt
  4. 4. een toestand waarin iemand zich bevindt
  5. 5. een vaste betrekking
  6. 6. een maatschappelijke stand
  7. 7. de ligging van de hand
  8. 8. een opstelling van troepen en materieel
位置
adjective
正
noun
  1. 1. de opvatting dat alleen de empirische wetenschappen geldige kennis opleveren
  2. 2. een levensinstelling waarbij je ervan uitgaat dat alles goed komt
実証主義
noun
陽電子
/pɔs/, /pɔst/
noun
1. toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
郵便
noun
1. postbeambte
郵便配達
noun
郵便番号
noun
1. een afgerichte duif die berichten kan overbrengen
伝書鳩
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
郵便局
noun
1.
ポストモダニズム
/ˈpɔseɣəl/, /ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
  1. 切手
  2. 郵便切手
noun
鍋
verb
1. ondiep in de aarde stoppen, met name van bollen, wortels, zaden e.d. om deze te laten groeien
植える
adjective
1. mogelijkheid
潜在的
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
  1. 鉛筆
  2. えんぴつ
noun
1. iets wat bestaat uit een samenraapsel van fragmenten uit andere werken
メドレー
pronoun
1.
ポツダム
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
  1. マッコウクジラ
  2. 抹香鯨
noun
プーチン
noun
1. in ritme, maat en klank verwoorden
詩
/prax/, /praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
プラハ
noun
1.
プラグマティズム
noun
1. Cynomys, een eekhoornachtig zoogdier uit Noord-Amerika dat een scherp blaffend geluid maakt
プレーリードッグ
/prɑkˈtɛɪ̯k/, /prɑkˈtɛːk/
noun
  1. 1. ruimte waarin een arts zijn beroep uitoefent
  2. 2. hoe dingen werkelijk gaan...
  3. 4. gewoonte(n), manier van doen
ならわし
adjective
1. op een manier die ook echt uitgevoerd kan worden
実務経験のある
/ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
プラセオジム
/ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
話す
/presəˈdɛnt/
noun
  1. 1. eerder plaatsgevonden hebbend geval
    先例
  2. 2. bestaande jurisprudentie die dient ter beslechting van een vergelijkbaar geschil
    判例
noun
歳差
/pre'kɵrsɔr/
noun
1. een voorloper
前駆体
noun
1. het vangen, doden en opeten door een organisme, meestal een dier, van een ander dier, het prooidier
捕食
noun
叙述形容詞
pronoun
伝道の書
noun
説教
noun
2. bureau van een prefect
県
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
接頭辞
noun
先史学
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
葱
noun
賞金稼ぎ
noun
1. de eerste vaak feestelijke vertoning van een film, toneelstuk of een andere vorm van entertainment
初演
noun
絵本
noun
1. het staatshoofd van een republiek
大統領
noun
1. het bestuur van een vereniging (vooral van studentenverenigingen en politieke organisaties)
幹部会
noun
1. vaak fraai gevormd, zwaar voorwerp dat men boven op een stapel losse papieren kan leggen zodat de papieren niet kunnen wegwaaien
卦算
noun
到達
/prəˈvɛn(t)si/
noun
1. voorkoming (van ziekte, brand, etc)
予防
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
持続勃起症
noun
1. priemgetal
素数
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
  1. 司祭
  2. 牧師
noun
1. een vrouw die de taak heeft religieuze rituelen te verzorgen
mikô
noun
  1. 1. de gevraagde geldsom bij verkoop
    1. 値段
    2. 価格
  2. 2. een uitzonderlijke beloning, bijvoorbeeld voor een bepaalde prestatie
    賞
verb
1. iemand lof toezwaaien
  1. 褒める
  2. ほめる
noun
1. een bord (vaak van vilt) waar met behulp van punaises foto's en andere papierwerken op kunnen worden opgespeld
掲示板
noun
1. materiaal bestaande uit een dubbele, in elkaar gedraaide metalen draad...
有刺鉄線
noun
    1. 1. benaming voor zoogdieren uit de orde Primates
    2. 2. kerkelijke titel
    大主教
  1. 重要性
adjective
  1. 1. alle kortste translatievectors in de richting van de hoofdassen van de rotatiesymmetrie hebbend.
  2. 2. de drie kortste niet in hetzelfde vlak liggende translatievectors als ribben van de eenheidscel hebbend.
原始
noun
  1. 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
  2. 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
王子
noun
  1. 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
  2. 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
  1. 姫
  2. 王女
/ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
  1. プリンター
  2. 印刷機
noun
1. (elektrotechniek) plaat waarop elektronische bedrading aanwezig is, aangebracht met frees- of etstechnieken
プリント基板
noun
プリズム
/pri'vatrɛxt/
noun
1. vakgebied van het recht m.b.t. de onderlinge verhoudingen tussen private personen, maar ook hun privébelangen
私法
verb
1. omvormen van staatsbedrijven, overheidsdiensten tot particuliere, private bedrijven
民営化
noun
1. de tijd die besteed wordt aan persoonlijke bezigheden
私生活
/proˈberə(n)/
verb
  1. こころみる
  2. 試みる
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
問題
/prosəˈdyrə/, /proseˈdyrə/
noun
  1. 1.
  2. 4.
やり方
/pro'sɛnt/
noun
1. een honderdste deel
パーセント
/proˈsɛs/
noun
2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
過程
/proˈsɛˌsi/
noun
行列
noun
1. het resultaat van een bewerking
製品
noun
1. voortbrenging
生産
adjective
1. vruchten afwerpend
生産的
noun
2. proefpersoon
モルモット
noun
保護観察
verb
1. onderzoeken hoe iets smaakt
味わう
noun
1. een persoon die boodschappen van een godheid aan de mensen doorgeeft
予言者
/proˈfɛsɔr/
noun
1. de aanspreektitel voor een hoogleraar
先生
noun
プロゲステロン
noun
1. een applicatie voor de computer
  1. 番組
  2. 予定
noun
プログラミング言語
/proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
プロジェクト
noun
toestel om een afbeelding op een scherm te projecteren
プロジェクター
noun
プロレタリアート
noun
プロレタリア
noun
1. snelle vermenigvuldiging
増殖
noun
  1. 1. inleidende rede van een tekst
  2. 3. de inleiding tot een theaterstuk
プロローグ
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
プロメチウム
/proˈmotsi/
noun
  1. 1. een verhoging in rang
  2. 2. bevordering naar een hogere speelklasse
プロモーション
noun
1. en 2. (peulvrucht van) Phaseolus coccineus
ベニバナインゲン
noun
1. dat wat door een dier wordt buitgemaakt
獲物
/prost/
interjection
1. heildronk
乾杯
noun
1. C₃H₈
プロパン
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
プロパガンダ
noun
1. CH₃CH₂COOH
プロピオン酸
noun
1.een klier tussen de blaas en de penis van de man
前立腺
noun
前立腺癌
verb
1. iemand dwingen tot het aanbieden van seksuele diensten
売春婦に
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
  1. 売春
  2. 切り売り主義
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
プロトアクチニウム
noun
1.
主人公
noun
2.
保護主義
/ˌprotəroˈzowikʏm/
noun
原生代
noun
1. een uiting van ontevredenheid met het gevolgde beleid
プロテスト
verb
1. grote bezwaren uiten
抗議
noun
プロテストソング
noun
1.
蛋白質
noun
1. een kunstmatig lichaamsdeel
義肢
pronoun
1. hypothetische, gereconstrueerde taal waar vele Europese talen, waaronder het Nederlands en het Frans, van afstammen
インド・ヨーロッパ祖語
/'protɔn/
noun
陽子
noun
1.
原形質
noun
1. oorspronkelijk model, eerste model van een product
プロトタイプ
adjective
1. met betrekking tot de Provence
プロヴァンス語
/pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
  1. 省
  2. 地方
noun
挑発
noun
散文
adjective
  1. 1. niet dichterlijk, in gewone taal
  2. 2. weinig opmerkelijk, saai
単調な
noun
1. een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordt
ウィッグ
verb
2. droevig zijn zonder geluid te maken
やさぐれる
noun
2. vrucht van de pruimenboom
  1. プラム
  2. セイヨウスモモ
noun
プルーン
pronoun
プロイセン
noun
  1. haiki
  2. sukurappu
/psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
詩篇
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
しへん
noun
onechte programmeertaal
擬似コード
/psœydoˈnim/
noun
1. een aangenomen naam waaronder men iets publiceert
ペンネーム
noun
疑似科学
noun
精神科医
noun
精神医学
/psixoloˈɣi/, /psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
心理学
/ˌpsi.χo.ˈloχ/, /ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
心理学者
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
サイコパス
/psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
精神病
adjective
1. met betrekking tot het verband tussen geest en lichaam
心身
noun
1. stroming in de psychologie
心理療法
noun
1. het proces van seksuele rijping van kind naar volwassene en het gedrag dat daar bij hoort
思春期
adjective
宣伝員
noun
宣伝
/pyˈblik/
adjective
2. wat het publiek aangaat
公衆
/pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
聴衆
noun
gangbare benaming voor de status van werken die geheel vrij zijn van auteursrechten en naburige rechten
パブリックドメイン
noun
1. harde rubberen schijf gebruikt bij ijshockey
パック
noun
1. nagerecht, vaak zoet, koud en op basis van melk
プディング
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
プエルトリコ
noun
軽石
/pœʏ̯n/, /pœːn/
noun
1. een massa vergruizelde steen
瓦礫
pronoun
1. taal die in de Punjab, zowel in India als in Pakistan gesproken wordt
パンジャビ語
noun
  1. 1. een spits toelopend uiteinde
  2. 1. een positie in de ruimte
点
noun
1. taps toelopende houder met een mesje dat bedoeld is voor het aanslijpen van een verse punt aan een potlood
鉛筆削り
noun
1. een leesteken dat twee nauw aan elkaar gerelateerde zinnen tot een geheel verbindt (;)
  1. セミコロン
  2. semikoron
noun
  1. 2. leerling
  2. 1. oogappel
瞳
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
子犬
noun
1. chocolade van zuivere cacaopasta plus suiker
ダークチョコレート
noun
1. streven naar puurheid
純粋主義
noun
1.
純粋主義者
adjective
パープル
noun
1.
紫鷺
/pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
井戸
noun
2. distelvink
ゴシキヒワ
noun
1.
ピグミー
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
パジャマ
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
ピレネー山脈
noun
2. een vaste stof die het structuurtype heeft waarvan [1] het archetype is
黄鉄鉱
noun
1.
放火魔
noun
1. onweerstaanbare drang om brand te stichten
放火狂
/piˈrozɪs/
noun
1. een brandend gevoel ten gevolge van oprisping van maagzuur
胸焼け
noun
1. een niet-giftige en grote wurgslang
  1. ニシキヘビ
  2. 錦蛇
/kɑt/
noun
1. blad van een bedektzadige plant Catha edulis
チャット
/ka'tar/, /ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
カタール
noun
1. een motorfiets of brommer op vier wielen
ATV
noun
1. volgeling van een religieuze beweging gekend onder de naam Genootschap der Vrienden
クエーカー
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
検疫
/kwɑrk/
noun
クォーク
noun
クエーサー
/kwatəerˈnɛːr/
adjective
第四紀
noun
四元数
pronoun
1. macrotaal die door indianen in Ecuador, Peru en Bolivia wordt gesproken
ケチュア語
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het noordoosten van het land
クイーンズランド
pronoun
1. een door de schrijver J.R.R. Tolkien bedachte kunsttaal die toegeschreven is aan de Elven
クウェンヤ
/kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
キヌア
noun
1. spel waarbij de deelnemers vragen moeten proberen te beantwoorden
クイズ
noun
1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
商
interjection
1. horizontaal draaibare boom aan mast
帆桁
/rat/, /raːd/
noun
  1. 1. aanbeveling hoe om te gaan met een probleem
  2. 2. een orgaan dat bestaat uit leden die raadgevende of beslissende bevoegdheden bezitten
助言
pronoun
欧州連合理事会
pronoun
欧州評議会
noun
市役所
noun
1. iets waarnaar men moet raden
  1. 謎
  2. なぞなぞ
/ratsəlɑxtəx/
adjective
1. onbegrijpelijk door dubbelzinnige of verborgen informatie
神秘的
/raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
  1. 大鴉
  2. 渡り鴉
  3. ワタリガラス
  4. オオガラス
noun
1.
接線
noun
1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
窓
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
大黄
/rɑˈbɛin/
noun
ラビ
noun
  1. 人種差別
  2. レイシズム
adjective
1. voortkomend uit de opvatting dat mensen door afstamming kunnen worden ingedeeld in grote groepen...
人種差別
noun
ラケット
noun
1. techniek
レーダー
verb
1. een gissing maken naar iets
当てる
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
ラジアン
noun
急進主義
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
ラディッシュ
/ˈradijo/
noun
  1. 1. toestel
  2. 2. medium
  1. radhio
  2. ラジオ
adjective
放射性 ‎
noun
1.
放射能
noun
1. het medisch specialisme...
放射線学
noun
放射線科医
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
  1. ラジウム
  2. ラディウム
noun
ラージャー
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
ラドン
noun
精錬所
noun
1. Okinawaans gerecht|
ラフテー
noun
ラグー
noun
1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
レール
pronoun
1. Indische taal gesproken door 50 miljoen mensen in de staat Rajasthan in India
ラージャスターン語
verb
1. een klap, schot of stoot toebrengen
当てる
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
  1. ミサイル
  2. ロケット
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
  1. おひつじ座
  2. 牡羊座
noun
1. mannelijk schaap
  1. 雄羊
  2. 牡羊
/ˈrɑmadɑn/
noun
ラマダン
noun
1. een harige vrucht uit de zeepboomfamilie
ランブータン
noun
1. een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
災難
/rɑnt/
noun
1. de bovenkant van een bak of vat
つば
noun
階級
noun
1. ranket
ランケット
noun
1. bepaald soort vogel, Asio otus
虎斑木菟
verb
1. verdelen van een schaars goed door iedereen een kleinere, afgepaste hoeveelheid te geven
配給する
noun
1.
レイピア
noun
1. iemand die ritmisch teksten voordraagt op muziek, meestal hiphop
ラッパー
verb
1. het uitbrengen van een verslag of rapport
  1. 報ずる
  2. 報告
noun
1. een muziek of dichtwerk dat contrasterende delen bevat en toch een eenheid vormt
ラプソディ
noun
  1. 人種
  2. 品種
noun
1. een grofgetande vijl die wordt gebruikt om rondingen aan hout te maken
卸し金
/rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
  1. ラット
  2. 鼠
noun
  1. 2. een mechaniek met kamrad en pal, dat een asdraaiing slechts in één richting toelaat
  2. 1. een eenvoudige muziek- en signaalinstrument dat geluid geeft doordat bij het rondslingeren een tandrad een latje repeterend weggedrukt en laat terugvallen
ラチェット
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
ガラガラヘビ
adverb
1. ongekookt en vers
生
noun
1. kleine vierkante deegplakjes die gevuld zijn met gehakt, tomaten en kruiden, overgoten met bijpassende saus
ラビオリ
verb
  1. 1. heel snel rijden
    突進
  2. 2. voortbewegen of overtrekken van een natuurverschijnsel ...
    荒れ狂う
noun
リアクタンス
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
反応
adjective
反動的
noun
試験管
/'reʲaɣɛns/
noun
1. een chemische stof die deelneemt aan een reactie
試薬
verb
1. op een nieuwe situatie actie ondernemen
反応
verb
実現する
noun
実在論
noun
1. een televisieserie met echte mensen en echt drama, soms worden waargebeurde zaken nagespeeld, minder zakelijke weergave dan bij een documentaire
リアリティ・テレビ
/reani'merən/
verb
1. het kunstmatig overnemen van de ademhaling en de bloedsomloop, indien er sprake is van een circulatiestilstand
いきかええr7
/ˈrɛbə/
noun
1.
ラビ
noun
1. soort raadsel
判じ物
adjective
1. een korte tijd geleden gebeurd of begonnen
最近
noun
  1. 1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
    1. レシピ
    2. 処方箋
  2. 2. doktersvoorschrift voor (de bereiding van) een geneesmiddel
    処方箋
noun
不況
noun
1. het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
まっすぐ
noun
1. een instelling waar rechtgesproken wordt
  1. 裁判所
  2. saibansho
  3. さいばんしょ
noun
1. hoek van 90 graden
直角
/ˈrɛxtə ˈklɪɯɪŋ/
noun
1. lengtegraad op de hemelbol
赤経
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
人権
/ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
  1. 裁判官
  2. 法官
noun
1.
右岸
pronoun
士師記
noun
権利者
/'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
長方形
adjective
1. tegenovergestelde van links
右
noun
1. kennis of studie van recht
法学
noun
1. doelgerichte wilsuiting die rechtsgevolgen heeft
法律行為
/ɾɛχts.pɛɾ.soːn/
noun
1. groepering van goederen of natuurlijke personen die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
法人
noun
1. staat waarvan de macht gereguleerd en beperkt wordt door het geldende recht
法の支配
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
公平
verb
1. onderbouwen volgens bepaalde ethische beginselen
言い開く
verb
1.
ぶり返す
verb
吟ずる
noun
1,2 informatie over, en aanprijzing van diensten, producten en ideeën
広告
/rəˈkɔrt/
noun
  1. 1. beste prestatie
  2. 3. bij elkaar behorende gegevens
成績
noun
1. iemand die berichten verzamelt en bewerkt voor publicatie
編集者
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
助ける
noun
救出
noun
1. een speciaal gebouwde en uitgeruste boot om het schip in geval van nood veilig te kunnen verlaten.
救命ボート
noun
思慮
/ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
理由
/ˌredəˈnɪːrɪŋ/
noun
1. het proces waarmee men van een aantal argumenten, premissen of axioma's tot een standpunt of conclusie komt
推論
/redypliˈkatsi/
noun
1. vorming van een nieuw woorden of zinsneden door geheel of gedeeltelijke herhalen van een deel daarvan
畳語
adverb
1. al
  1. 既に
  2. もう
  3. すでに
  4. とっくに
  5. もはや
noun
1. een opeenvolgende rij van gebeurtenissen
級数
noun
1. een stemming over een wetsvoorstel, waarbij gestemd wordt door het volk zelf...
住民投票
noun
1. verwijzing
参照
noun
反射
noun
1. een onwillekeurige reactie op bepaalde prikkels
反射
noun
屈折
noun
リフレイン形式
/ˈreɣəɫ/
noun
3. een voorschrift, richtlijn, norm
  1. 掟
  2. 決まり
verb
1. zorgen dat het gebeurt
調節
adjective
1. aan een bepaalde regel gehoorzamend
規則
noun
1. een apparaat of een verzameling apparatuur om het gedrag van een of ander systeem of proces te regelen
制御システム
/reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
  1. 雨
  2. あめ
adjective
1. regelmatig regenend of neigend naar regen
雨
/ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
  1. 虹
  2. にじ
noun
1. het gekleurde vlies in het oog waarin de pupil zich bevindt
虹彩
noun
1. een tijdelijke periode van regen tengevolge van het overtrekken van een wolkenveld
にわか雨
/ˈreɣə(n)ˌdrʏpəɫ/
noun
1. een druppel die als regen uit de lucht naar beneden valt
雨垂れ
/ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
  1. 雨
  2. 雨が降る
noun
2. herstelgroei
再生
noun
1. een waterdichte overjas die geschikt is voor regenachtig weer
レインコート
noun
1. toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag in een bepaalde periode op een bepaalde plaats meet
雨量計
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
レーゲンスブルク
noun
1. een paraplu
傘
noun
摂政
noun
雨水
/'reɣəʋɔrm/
noun
1. benaming voor dieren uit de familie Lumbricidae
蚯蚓
noun
1. een bos in een klimaat met het hele jaar door neerslag
雨林
noun
チュウシャクシギ
verb
1. het uitoefenen van de politieke macht...
支配
/re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /rə.'ɣeː.rɪŋ/, /rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
政府
noun
1. bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
政権
noun
連隊
noun
1. geografisch gebied
地域
noun
監督
noun
リハビリテーション
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
  1. 鹭属
  2. 鷺
  3. 白鷺
/rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
  1. 旅
  2. 旅行
noun
旅行会社
verb
1. onderweg zijn
動する
/ˈrɛɪzəɣər/
noun
  1. 1. persoon op reis
  2. 2. persoon die vaak reist
旅人
noun
1. uitrekking
ストレッチ
noun
1. de optelsom van te betalen bedragen
勘定
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
算数
noun
1. apparaat dat rekenkundige berekeningen kan uitvoeren
  1. 電卓
  2. dentaku
  3. でんたく
noun
1. een verstoring van de openbare orde door een menigte, meestal gepaard gaand met geweld en politieoptreden
動乱
noun
1. een min of meer vast verband
関係
verb
相対化する
noun
1. een natuurkundige theorie die ervan uitgaat dat de tijd een relatief begrip is
相対性理論
/rəlɛksə(n)/
verb
1. de tijd nemen zich te ontspannen
リラックスする
adjective
1. van toepassing
適切
noun
関連性
/rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
宗教
/relɪˈɣɪøs/, /relɪˈʝɪøs/
adjective
1. te maken hebbend met godsdienst of geloof
宗教的
noun
1. een overblijfsel van het lichaam van een heilige of een voorwerp dat...
聖遺物
noun
リリーフ
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
ブレーキ
/rəˈmedi/, /reˈmedi/
noun
  1. 1. een medicijn of een op genezing gerichte behandeling
  2. 2. iets dat iets anders corrigeert of iets schadelijks wegwerkt
療法
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
  1. トナカイ
  2. 馴鹿
noun
1. Chemisch element
レニウム
/ˈrɛn.ku.kuk/
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Geococcyx
ミチバシリ
noun
[A] 1. zeer snel lopen
走る
noun
修理
/rənoˈverə(n)/
verb
1. opknappen, repareren, vernieuwen
修築
noun
1. paard dat gefokt is met het doel om aan paardenrennen deel te nemen
競走馬
noun
1. op geregelde tijden te betalen geldbedrag voor het vruchtgebruik van een geleende som geld
利子
noun
1. het reorganiseren
新制
noun
修理
noun
レパートリー
noun
鎮圧
/rɛp'til/
noun
1.
爬虫類
/repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
  1. 共和国
  2. 共和制
pronoun
ネーデルラント連邦共和国
verb
1. vrijhouden
予約する
noun
1.
スペアタイヤ
noun
1. iemand die oproepbaar is voor militaire dienst in tijden van oorlog, oorlogsdreiging of andere situaties waarin inzet van het leger nodig is
予備兵
noun
電気抵抗
noun
2. pixeldichtheid
画素数
noun
共鳴
/rɛsˈpɛkt/
noun
eerbied uit hoogachting of angst
尊敬
verb
  1. 1. iemand in aanzien houden
  2. 2. iets naleven
尊ぶ
/rɛst/
noun
1. wat er overblijft
余り
noun
  1. レストラン
  2. 食堂
  3. 料理屋
noun
2. het minitieus herstellen van een voorwerp van kunstzinnig of historisch belang
回復
/rezɵl'tat/
noun
1. een uitkomst
結果
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door 40.000 mensen in Zwitserland
ロマンシュ語
noun
1. een verouderd toestel voor het destilleren bestaande uit een vat met een neergebogen tuit
レトルト
/rəturˈnerən/
verb
1. iets of iemand naar het punt van vertrek terugbrengen of terugzenden
返す
noun
1. jachthond die het geschoten wild apporteert (naar de jager brengt)
レトリバー
/ˈre.tro.ˌflɛks/
noun
1. een medeklinkerklank die gevormd wordt door de tong om te buigen zodat het met de onderkant naar het verhemelte staat
そり舌音
noun
  1. 1. geur
  2. 2. gewaarwording van geur via de neus
匂い
noun
1. een buitengewoon grote man
巨人
noun
1. verkregen door uitsmelting van varkensvet
  1. ラード
  2. 豚脂
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita maxima
セイヨウカボチャ
noun
1. kermisattractie
観覧車
noun
1-3. streven naar herziening (van het marxisme, de geschiedenis)
修正主義
noun
1.
  1. 革命
  2. 改革
adjective
革命家
noun
1. een handvuurwapen met een roterende trommel met kogels
リボルバー
noun
1. theatershow
レヴュー
adjective
実
noun
転生
noun
  1. 1. (verouderd) hereniging
  2. 3. het weerzien van voormalige studenten, collega's, enz.
再会
pronoun
ローデシア
pronoun
1. een rivier van 812 km lengte die ontspringt in Zwitserland, door Frankrijk naar het zuiden stroomt en uitmondt in de Middellandse Zee
ローヌ川
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
肋骨
noun
1. de lengte van een zijde van een kubus of parallellepipedum
辺
noun
リボ核酸
noun
1.
リボソーム
/ˈrɪxtɪŋ/, /ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
方向
noun
1. een systeem om richting aan te geven in een voertuig
インジケータ
noun
1. aanwijzing voor een te volgen gedrag
ガイドライン
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
  1. 騎士
  2. ナイト
/rim/
noun
1. een band van leer of een ander materiaal
ベルト
/rit/
noun
  1. 1. plantensoort
    よし
  2. 2. onderdeel muziekinstrument
    リード
noun
2. drinkbuisje
ストロー
noun
1. een ondiepte in water, koraalbank, klip
暗礁
pronoun
1.
リガ
/rɛɪ̯/, /rɛː/
noun
  1. 1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
    列
  2. 2. een opeenvolging van elementen
    数列
/ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
運転免許証
/ˈrɛɪ̯də(n)/, /ˈrɛːdə(n)/
verb
  1. 3. zich voortbewegen op een rijdier (bijv. een paard)
    乗る
    1. 1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
    2. 2. iemand met een voertuig ergens heen brengen
    動かす
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
  1. 金持ち
  2. 豊か
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
noun
1. een staat of natie onder een vorst of heerser
王国
/ˈrɛik.dɔm/
noun
1. het bezitten van veel geld en goud
富
noun
  1. 1. bevroren dauw
    霜
  2. 1. gelijkheid van klank in een vers
    韻
/rɛɪ̯n/, /rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
ライン川
pronoun
ラインラント
pronoun
ラインラント=プファルツ州
adjective
1. geschikt voor de oogst
熟した
noun
1. bevroren dauw
霜
pronoun
1. stad in Noord-Frankrijk nabij de Belgische grens
リール
noun
柴
/rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
  1. イネ
  2. 米
  3. 稲
noun
車線
noun
1. een alcoholische drank met als basis rijst
ライスワイン
noun
チャリンコ
noun
1.Aziatisch twee- of driewielig karretje voor personen vervoer
人力
verb
揺らめく
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
しわ
noun
    1. 3. plaats waar gestreden wordt
    2. 5. ringweg
    リング
    1. 1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
    2. 2. cirkelvormig voorwerp
    指輪
noun
1. een zangvogel uit de familie van mussen en sneeuwvinken
雀
noun
1. Natrix natrix
ヤマカガシ
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
薬指
/'rɪŋwɛx/
noun
1. een weg die als een ring rond een bepaald gebied ligt
環状線
noun
2. huidziekte door een schimmel veroorzaakt
白癬
noun
1. een mogelijk gevaar voor schade
リスク
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
リズム
noun
2. ritssluiting
線ファスナー
adjective
儀式
/riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
  1. 川
  2. かわ
noun
1. een soort kreeft die in riviertjes leeft
ザリガニ
/ˌritsoˈsfeːr/, /ˌritsoˈsfɪːr/
noun
1. gedeelte van de bodem waarin het ecosysteem onder invloed van plantenwortels staat
根圏
noun
  1. ルビー
  2. 紅玉
/ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
ロボット
noun
1. muziek- en dansstijl
ロックンロール
noun
カエンサイ
noun
1.
赤色矮星
noun
1. Trifolium pratense, een overblijvend kruid uit de vlinderbloemenfamilie
紫詰草
pronoun
  1. 赤十字
  2. 赤十字社
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx rufus
ボブキャット
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
  1. 赤ワイン
  2. 赤葡萄酒
noun
1. Canis rufus, een lid van de Canivora, leefde in het gehele oostelijk deel van de Verenigde Staten...
アメリカアカオオカミ
noun
1.
赤鳶
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
紅海
/ˌro.də.ˈhɔnt/
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
風疹
noun
1. en 2. donkerrood sluitkoolgewas
赤キャベツ
noun
1. chemisch element met symbool Rh
ロジウム
noun
ツツジ
/ˈrubəl/
noun
ルーブル
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
漕ぐ
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
深山烏
adjective
1. zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
無知
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
adjective
1. betreffende Roemenië of het Roemeens
ルーマニア語
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
ルーマニア語
/ruˈmeni.jə/, /ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
ルーマニア
noun
レントゲニウム
/rup/
noun
1. een vrij harde klank geproduceerd met stemgeluid
叫び
/'rupi/
noun
1.
ルピー
/'rupɪŋ/
noun
1. een taak waarvoor een persoon zich verplicht voelt, vaak met religieuze invloed
天職
noun
1. vlak waarmee gestuurd wordt
方向舵
/ˈrur.bɑ.kə(n)/
verb
1. een kooktechniek voor het bereiden van voedsel in een wok
炒める
verb
  1. 1. een vloeistof met een spaan in ronde beweging brengen
  2. 4. in opstand komen
掻き混ぜる
noun
1. geoxideerd ijzer
錆
/rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
煤
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
鱝
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
  1. ライムギ
  2. 黒麦
/ˈrɔɣəbrod/
noun
1. een van rogge gebakken brood
ライ麦パン
noun
1. plat gewalste granen van rogge
ライ麦フレーク
noun
1. buis- of kegelvormig kledingstuk
スカート
noun
1. zet in een schaakspel
キャスリング
/ˈroːkə(n)/
verb
  1. 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
    1. タバコを吸う
    2. 吸う
  2. 1. rook afgeven
    1. 吸う
    2. 喫煙
  3. 3. conserveren door langdurige blootstelling aan rook
    喫煙
noun
1. looprek op wieltjes
歩行器
verb
1. zich wentelend over een oppervlak bewegen
転がす
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
車椅子
noun
1. trap met bewegende treden
エスカレーター
noun
B 1. volk in Europa en Azië dat traditioneel een zwervend bestaan leidt
ロマ
adjective
1.
ラテン
noun
1.
ローマ字
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
  1. 小説
  2. しょうせつ
  3. shousetsu
/romaˈnɛs/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
ロマニー語
noun
1. (kool van) groentesoort Brassica oleracea convar. botrytis var. botrytis
ロマネスコ
/roˈmɑns(x)rɛɪvər/
noun
1. een mannelijke persoon die romans schrijft
小説家
adjective
ロマンチック
/ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
ローマ
/roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
ローマ帝国
noun
フリーマーケット
noun
1. het lichaam van een mens of dier zonder ledematen, kop of staart
胴体
noun
1. het belangrijkste centrale deel van een land zonder de randgebieden
残存国
adjective
1. cirkelvormig
丸い
/rɔntˈdrajə(n)/
verb
1. een cirkelvormige beweging maken
回る
noun
2. een wedstrijd in de vorm van een rondrit
ラウンド
adverb
正直
/rod/, /rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
  1. 赤い
  2. 赤
/rod/, /rot/
noun
1. een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm.
  1. 赤い
  2. 赤
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
駒鳥
pronoun
1. sprookjesfiguur
赤ずきん
noun
1. en 2. (bladeren van) Cichorium intybus var. foliosum
ラディッキオ
noun
1. Falco vespertinus
西赤足長元坊
/ˈrovdir/
noun
1. dier dat zijn prooi bejaagt en doodt
猛獣
/ˈroˌfoχɔɫ/, /ˈroːˌfoːɣəl/, /ˈroːˌvoːɣəl/
noun
1. eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
猛禽
/roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
煙
noun
1. apparaat dat een zeer luid signaal afgeeft als er rook aanwezig is
煙探知機
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
クリーム
/roːs/
noun
1. bloem
  1. 薔薇
  2. バラ
noun
ローストビーフ
noun
回転
verb
  1. 2. draaien om een as
  2. 1. een draaiing toepassen op iets
回る
noun
2. bepaald soort vuurwerk dat na het aansteken van de lont wordt weggegooid en dan een harde knal geeft
爆竹
noun
  1. 2. een rond, pleinvormig kruispunt van wegen
    1. raundoapauto
    2. ラウンドアパウト
  2. 1. een rond gebouw
    1. rotanda
    2. ロタンダ
noun
1. een grote ruwe steen
石
/ˈrɔtstœʏn/, /ˈrɔtstœːn/
noun
1. een tuin met rotspartijen en rotsplanten
ロック ガーデン
noun
1. Duits hondenras, stevig gebouwd, kortharig met brede kop, korte snuit en hangoren
ロットワイラー
/ra<sup>ʊ</sup>/, /rʌʊβ̞/, /rʌːβ̞/
noun
1. grote smart of droefenis na een verlies
喪
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
盗賊
/roːzə/, /rɔːs/, /rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
  1. ピンク色
  2. ピンク
noun
2. keukenkruid
  1. ローズマリー
  2. 迷迭香
noun
1. schijnvrucht van wilde rozen
ローズヒップ
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
ロザリオ
noun
1.
薔薇園
noun
1. kleine gedroogde vruchtjes van Vitis vinifera
レーズン
/ˈrɵ.bər/
noun
ゴム
noun
1. Chemisch element
ルビジウム
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
ルッコラ
/rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
  1. 背中
  2. 背
noun
ラグビー
noun
  1. 脊椎
  2. 背骨
noun
脊髄
noun
1. pijn in de rug
背中の痛み
noun
1.
背鰭
noun
  1. リュックサック
  2. リュック
pronoun
1. een regio in de Duitse deelstat Noordrijn-Westfalen
ルール地方
/rœʏkə(n)/, /rœːkə(n)/
verb
1. een geur waarnemen
  1. 匂う
  2. 匂いを感じる
noun
1. een boeket
花束
/rœʏl/, /rœːl/
noun
交換
noun
3. heelal
宇宙
noun
宇宙服
noun
1. vaartuig geschikt om zich buiten de aardse atmosfeer te begeven
宇宙船
noun
宇宙探査機
noun
宇宙ステーション
noun
1. het zich in de ruimte buiten de dampkring van de aarde begeven
スペーストラベル
/ˈrœʏ̯m.tə.ˌʋɑn.də.lɪŋ/, /ˈrœːm.tə.ˌβ̞ɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het uitvoeren van een activiteit buiten een ruimteschip
宇宙歩行
/rœʏn/
noun
1. gecastreerde hengst
騸馬
noun
1. structuurloos en voortdurend geluid dat een continuüm van toonhoogten bevat
ノイズ
noun
    1. 1. een glazen plaat in een venster
    2. 5. figuur uit een kaartspel
    ダイヤ
  1. 2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
    斜方形
noun
1.
ダイヤのジャック
noun
1.
ダイヤのキング
noun
1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
ワイパー
noun
1. berijder van een rijdier
騎手
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
ラム酒
/rʏnd/, /rʏnt/
noun
1. holhoornig herkauwend zoogdier
牛
/ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
牛肉
/ˈrynə/
noun
1. een schriftteken van het Oud-Germaanse alfabet
ルーン文字
noun
1. vlinderlarve
  1. 毛虫
  2. 芋虫
noun
1. een inwoner van Rusland
ロシア人
/'rʏs/
noun
plant
イグサ
noun
1. autoritaire nationalistische ideologie in Rusland
ラシズム
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
  1. ロシア
  2. 露西亜
  3. 露国
/ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
ロシア語
/ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
  1. ロシア語
  2. 露語
/rɵst/
noun
  1. 4. pauze in een wedstrijd
    ハーフタイム
    1. 2. tijdelijke toestand van ontspanning na arbeid, moeite of inspanning
    2. 3. periode van weinig of geen activiteit
    3. 5. moment van stilte in muziek
    4. 6. steunpunt
    休み
  2. 1. voortdurende toestand van kalmte
    平安
verb
1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
休む
adjective
1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
閑散
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
ルテニウム
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
ラザホージウム
noun
1. toestand waarin men in ernstig conflict is met anderen
仲違い
/ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
破壊
/ˌryiˈnerə(n)/
verb
  1. 1. helemaal kapotmaken
  2. 2. iemand financieel te gronde richten
打倒
/ru.ˈwɑn.da/, /ru.ˈʋɑn.da/, /ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
ルワンダ
noun
1. scheikundig element met symbool Rg en atoomnummer 111
レントゲニウム
noun
1.
X線
/saɪ̯/, /saːɪ̯/
adjective
退屈
pronoun
1.
ザールラント州
pronoun
1. en 2.
ザールルイ
pronoun
サバ島
noun
1. bepaald soort zoogdier, Marter zibellina
クロテン
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
  1. 妨害工作
  2. サボタージュ
noun
サボタージ員
noun
糖質
noun
1. caloriearme kunstmatige zoetstof die geen directe invloed heeft het bloedsuikergehalte
サッカリン
noun
1. een disacharide, bestaande uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid
スクロース
noun
1. plechtige gebeurtenis in de katholieke kerk
サクラメント
noun
サディズム
noun
1. iemand die bevrediging zoekt in het pijnigen van een ander
サディズム
/sɑˈfarɪ/
noun
1. expeditie in de wildgebieden in Afrika
サファリ
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
サファイア
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
サフラン
/ˈsaɣə/
noun
伝説
pronoun
1. zandwoestijn in Noord-Afrika
サハラ
/sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
セントヴィンセントおよびグレナディーン諸島
pronoun
サンピエール島・ミクロン島
noun
1. Falco cherrug
セアカアハヤブサ
pronoun
1. Duitse deelstaat
ザクセン
pronoun
ザクセン=アンハルト州
noun
サラダ
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
  1. 山椒魚
  2. 蠑螈
/ˈsalami/
noun
1. Italiaanse worst
サラミ
noun
1. regelmatige, meestal maandelijkse beloning voor werk verricht in een werkverband
給料
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
セージ
pronoun
1. koning van Israël
ソロモン
/ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
ソロモン諸島
noun
1. een lage tafel die in een woonkamer staat
コーヒーテーブル
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
硝酸
pronoun
サマリア
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
サマリウム
noun
サンバ
noun
サーミ人
adverb
一緒
noun
1. een bevolking die een sociaal geheel vormt
社会
verb
1. meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
組み合わせる
noun
2. verbinding van twee of meer zelfstandige woorden
複合語
/ˈsaːməvɑtɪŋ/
noun
1. een beknopte beschrijving van een inhoud
要約
verb
1. met een of meer aan hetzelfde werken
共同して働く
noun
1. het samenwerken van meerdere personen
共同
/ˈsamə(n)ˌzʋɪːrə(n)/
verb
1. geheimelijk met anderen samenwerken ten nadele van een derde partij
企む
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
サーミ語
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
サーミ語
/sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
サモア
pronoun
1. een taal die gesproken wordt door 370.337 mensen in Samoa, Amerikaans-Samoa, Fiji, Nieuw-Zeeland, Tonga en de Verenigde Staten
サモア語
/ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
  1. 侍
  2. さむらい
pronoun
  1. サムエル記
  2. サムエル
/ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
サンマリノ
/'sɑŋksi/
noun
1. strafmaatregel
刑罰
/sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
サンダル
noun
1. een bepaald houtsoort (Santalum album of verwante soorten)
香木
noun
1. een Spaanse licht-alcoholische drank
サングリア
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
サンスクリット
/saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
サントメ・プリンシペ
/sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
サウジアラビア
noun
1. plantenvocht
ジュース
noun
1. soldaat die loopgraven maakt
工兵
noun
1. plant die van organisch afval leeft
腐生植物
noun
1.
嫌味
noun
1. een stenen doodskist
石棺
noun
肉腫
noun
1. klein zilverkleurig haringachtig visje, Sardina pilchardus
イワシ
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
イワシ
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
  1. サルデーニャ島
  2. サルデーニャ
/sɑsaˈres/
pronoun
1.
サッサリ語
/ˈsatɑn/
pronoun
サタン
noun
1. aanbidding van Satan
サタニズム
/sɑtɛ'lit/
noun
衛星
noun
風刺
pronoun
1.
  1. 土星
  2. どせい
/saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
サウジアラビア
/saˈul/
pronoun
2. jongensnaam
サウル
/'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
サウナ
verb
1. in een sauna gaan
サウナに入る
/sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
ソース
/ˈsa.va/
pronoun
1. een rivier in Zuidoost-Europa met een lengte van 940 km.
サヴァ川
noun
1. een grasland met verspreid voorkomende bomengroei
サバナ
noun
1. en 2. (bladeren van) Brassica oleracea convar. capitata var. sabauda)
サボイキャベツ
/sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
サキソフォン
pronoun
1. Denemarken, Noorwegen en Zweden.
スカンディナヴィア
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
スカンジウム
noun
スキャナ
/sə.ˈna.ri.jo/
noun
1. een kort uitgewerkt schema voor de handeling van een dramatisch werk
シナリオ
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
王笏
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
鉋
noun
1.
かき氷
noun
2. het schaakspel als zodanig
チェス
/ˈsxagbɔrt/, /ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
チェスボード
adverb
チェックメイト
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
チェス
/ˈsxakstʌk/
noun
1. een onderdeel van het schaken dat over het schaakbord bewogen wordt.
チェスの駒
noun
  1. 3. verhouding van de grootte tussen een model en een echt voorwerp
  2. 4. bepaalde ijking op een grafiek, as of eenheid
大きさ
noun
1.
恥骨
noun
1. huidplooi bij de opening van de vulva, aan beide zijden van de vagina
陰唇
noun
1. kleine parasieten die voorkomen in het schaamhaar, maar ook op wimpers...
毛じらみ症
/'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
  1. 羞恥心
  2. 恥
adjective
1. zonder schaamte
厚かましい
noun
1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
  1. 羊
  2. ヒツジ
noun
  1. 3. grijporgaan van sommige schaaldieren en spinachtigen
    螯
  2. 1. werktuig om te knippen
    1. 鋏
    2. はさみ
adjective
1. weinig in aantal of hoeveelheid
珍しい
noun
1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
  1. スケート
  2. スケート靴
verb
1. zich voortbewegen op schaatsen
スケート
noun
2. bepaald soort insect, Gerris lacustris
飴棒
/ˈsxɑxt/
noun
1. (holle) buis
立て坑
noun
1. geheel van beschadigingen
損害
/ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
影
verb
1. iemand ongemerkt volgen
尾行
noun
スイッチ
noun
1. gas uit schalie
シェールガス
verb
1. blaasinstrument met een rechte conische boring en een los dubbel riet dat de toon vormt
チャルメラ
/ˈsxaː.mə(n)/, /ˈsχa.mə(n)/
verb
1. schaamte voelen
恥じる
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
恥辱
noun
1. een paal op een plein, waaraan mensen bij wijze van straf werden vastgemaakt om vernederd...
さらし台
noun
1. een wintersport waarbij op skis van een helling (de schans) gesprongen wordt. Het doel daarbij is om zowel zo ver als zo mooi mogelijk te springen
スキージャンプ
noun
1. een plank om iets op te zetten
棚
noun
1. het vlees van een schaap
羊肉
noun
  1. 1.
  2. 2.
緋色
adjective
緋色
/sxɑr'mɪŋkɛl/
noun
1. te mager iemand
痩せっぽち
/sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
蝶番
noun
3. vogel uit de familie van de scharrelaars
西仏法僧
noun
1. verzamelde rijkdom
  1. 宝
  2. 宝物
  3. たから
adjective
1. leuk, aardig, enig
可愛い
verb
1. gladmaken door middel van een schaaf.
削る
noun
1. een stellage voorzien van een galg of een valbijl waar veroordeelden terechtgesteld worden
処刑台
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
鞘
/'sχedəl/
noun
頭蓋骨
/sxeːl/
adjective
1. het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
内斜視
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
脛
/ˈsxenben/
noun
脛骨
noun
1. (scheepvaart) een werkgebied
造船所
/sxeːrmɛs/, /sχɪːrmɛs/
noun
1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
剃刀
noun
  1. 1. het uiteenhalen van iets in zijn onderdelen
  2. 2. de lijn aan weerszijden waarvan haar naar de ene of de andere kant valt
  3. 3. het verbreken van een huwelijk
分離
/'sxɛɪtsrɛxtər/
noun
1. iemand die tijdens een spel de spelregels toepast
レフェリー
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
  1. 化学
  2. かがく
  3. kagaku
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
化学的
noun
化学者
adjective
甲高い
/ˈsχɛldə/
pronoun
1.een rivier die ontspringt in de gemeente Gouy in noordelijk Frankrijk
スヘルデ川
/'sxɛltwoːrt/
noun
1. een term die bedoeld is om iets of iemand te beledigen
雑言
/sxɛlp/
noun
1. een uit kalk gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier wordt aangemaakt
殻
noun
1. bepaald soort kabeljauwachtige consumptievis, Melanogrammus aeglefinus
コダラ
noun
概型
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
薄明
/sxɛndə(n)/
verb
1. iets niet in acht nemen
侵す
pronoun
シェンゲン
noun
1. lepelvormig werktuig
シャベル
/ˈsxɛpə(n)/
verb
1. doen ontstaan uit niets
創る
noun
1. iets nieuws dat uit het niets gemaakt is
万物
/sxeːrə(n)/, /sχɪːrə(n)/
verb
  1. 1. baard afsnijden
  2. 2. zich de baard kort afsnijden
そる
noun
1. verticale draden van het weefgetouw
経
/sxɛr'mɵʦəlɪŋ/
noun
小競り合い
adjective
1. goed snijdend
鋭い
adjective
抜け目のない
noun
スケッチ
verb
  1. 1. met een minimum van pennenstreken een voorlopige en gewoonlijk uitwisbare afbeelding van iets maken
  2. 2. in overdrachtelijke zin: een korte maar rake beschrijving van iets geven
スケッチする
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
壊血病
adverb
ほとんど
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
  1. 半島
  2. hantou
/ˈsxi.tə(n)/, /ˈsχi.tə(n)/
verb
1. een projectiel afvuren met een wapen
撃つ
noun
1. gat om door te schieten
銃眼
noun
1. een draad met loden balletje om de loodrechte stand van iets te onderzoeken
鉛直
noun
1. een confrontatie waarbij partijen elkaar beschieten
ドンパチ
/sxɛi̯f/
noun
1. plat en rond voorwerp
ディスク
noun
1. een rem, waarbij op de as van het af te remmen toestel een schijf meedraait, die door middel van remblokken afgeremd kan worden.
ディスクブレーキ
verb
  1. 1. zich voordoen, vaak op bedrieglijke wijze
  2. 2. naar verluidt
  3. 3. straling uitzenden
光る
/sxɛɪt/
noun
1. vaste uitwerpselen
うんこ
/sxɛɪtə(n)/, /sxɛːtə(n)/, /sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
大便をする
noun
1. buitenste bekleding van een vrucht
皮
/sxɪlt/
noun
1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
盾
noun
1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
画家
verb
  1. 1. een kunstwerk vervaardigen door met verf een beeld op een oppervlak te maken
  2. 2. een bouwwerk of voorwerp van een beschermend laag verf voorzien
描く
/ˌsxɪldə'rɛː/, /ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
絵画
/sxɪldərkʌnst/
noun
1. een beeldende kunst die zich bezighoudt met het met penseel en verf op een plat vlak aanbrengen van lijnen en kleuren
絵画
/sxɪldkliːr/, /sxɪɫtkliːr/, /sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
甲状腺
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
  1. 亀
  2. カメ
noun
亀虫
verb
1. de schil van een vrucht verwijderen
むく
noun
1. Oostenrijkse munt
シリング
noun
  1. 1. paardenras met een grotendeels witte vacht met fijne grijze of blauwige tekening
  2. 2. zwamsoort of substantie die op dode of levende organismen groeit.
白馬
noun
2. rijk binnen de eukaryoten, Fungi
きのこ
noun
1. schaduwspel
影絵
noun
  1. 1. groot zeewaardig vaartuig
    1. 船
    2. 船舶
  2. 2. grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk
    1. 身廊
    2. 船
/sxɪbrøk/
noun
1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
海難
noun
1. gesteente
  1. 結晶片岩
  2. けっしょうへんがん
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
統合失調症
noun
1. gepaneerd kalfsvlees
シュニッツェル
noun
1. alles wat men om de voeten heen kan dragen, zoals schoenen en laarzen
履き物
noun
1. een vervelend iemand
糞垂れ
/sxun/
noun
1. voetbekleedsel
  1. 靴
  2. シューズ
noun
1.
ハシビロコウ
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
スクーナ
noun
靴べら
noun
靴屋
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
靴紐
/'sxunzol/
noun
1. zool van een schoen
靴底
noun
1. mechanisme om schokken te dempen
ショックアブソーバー
noun
1. bepaald soort platvis, Pleuronectus platessa
プレイス
noun
1. zwart-witte waadvogel met luide roep, Haematopus ostralegus
  1. ミヤコドリ
  2. 都鳥
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
  1. でし, deshi
  2. もんじん, monjin
  3. もんてい, montei
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
ブランコ
noun
ばらつき
/ˈsxɔməlstul/
noun
1. een stoel, gewoonlijk op gebogen staanders, waarop men heen en weer kan schommelen
ロッキングチェア
noun
  1. 2. wiskundige structuur
    層
  2. 1. samengebonden bundel halmen
    束
/sxoːl/, /sxoːɫ/, /sχoːɫ/
noun
  1. 2. een zwemmende groep gelijksoortige vissen
    学校
  2. 1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
    1. 学校
    2. がっこう
noun
黒板
noun
校長
noun
児童
prefix
義理
/ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
義兄弟
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
嫁
noun
1.
姻族
/ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
  1. 美
  2. 美しい
noun
ミス・コンテスト
/ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
  1. 姑
  2. 義母
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
  1. 舅
  2. 義父
noun
1. de man van een dochter of zoon
婿
/ˈsxonzʉs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
義妹
noun
1. de echtgenote van broer of zus, of de zus van de echtgenoot of echtgenote
義妹
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
煙突
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
煙突掃除夫
/sxot/, /sχot/
noun
1. de bovenkant van de dijen van iemand die zit
ひざ
noun
1. trappende aanraking met de voet
キック
/'sxɔ.pə(n)/
noun
1. kaartkleur
スペード
noun
1. aas van schoppen
スペードのエース
noun
1.
スペードのジャック
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 oktober tot 22 november
  1. さそり座
  2. 蠍座
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
  1. サソリ
  2. 蠍
/sxɔrs/
noun
1. buitenste laag van (boom)stam
樹皮
noun
1. een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen ...
エプロン
noun
1. een persoon afkomstig uit Schotland
スコットランド人
noun
1. afvuren
ショット
noun
3. kop en schotel
ソーサー
/ˈsxɔtlɑnt/, /ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
  1. スコットランド
  2. sukottorando
/ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lis/, /ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lɪs/, /ˌsχɔts.χa.ˈe.lis/
pronoun
1. Keltische taal die door ongeveer 60.000 personen wordt gesproken op de Schotse eilanden ...
スコットランド・ゲール語
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
肩
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
肩甲骨
noun
1. tas die aan de schouder hangt
ショルダーバッグ
verb
我慢する
verb
削る
/sxreu̯/, /sχrɪːu̯/
noun
1. een luide (uit)roep
悲鳴
/ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
叫ぶ
/srɪft/, /sxrɪf/, /sxrɪft/
noun
  1. 1. een dun boekje met lege bladzijden om in te schrijven
    ノート
    1. 3. de letter- en cijfertekens van een taal
    2. 4. de lettersoort gebruikt in boeken, teksten en inscripties
    文字
noun
1. een mechanisch apparaat, voorzien van druktoetsen waarmee schrifttekens op papier gezet kunnen worden
タイプライター
/'srɛɪ̯fʋɛɪ̯zə/, /'sxrɛɪ̯fwɛɪ̯zə/, /'sxrɛːfβ̞ɛːzə/
noun
1. spelling
  1. 綴り
  2. 文字綴り
/sxrɛɪn/, /sçrɛːn/
noun
kistje
神社
/ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
  1. 書く
  2. かく
  3. kaku
/ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
作家
noun
閏日
noun
1. een jaar met 366 dagen
閏年
noun
1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
螺子
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
  1. スクリュードライバー
  2. ドライバー
/sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
鱗
adjective
恥かしい
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
振る
noun
ノギス
/sxʌʏm/
noun
1. iets dat veel luchtbellen bevat
泡
verb
発泡
noun
  1. スラッシュ
  2. 斜線
verb
1. over de grond verplaatsen
押し込む
noun
  1. 1. een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe niet betaald wordt
    借金
  2. 2. een verantwoordelijkheid die iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
    罪
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
信者
/'sxɵldəx/
adverb
有罪
/sxyrə(n)/
verb
1. een oppervlak glad maken door wrijving met een ruw oppervlak van grotere hardheid
磨く
/sxɵrft/
noun
1. een huidaandoening veroorzaakt door de schurftmijt
毛包虫症
/sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
  1. 悪党
  2. 悪漢
  3. 悪人
noun
1. onfatsoenlijke staat
ならずもの国家
noun
  1. 2. een blad dat in de oksel van een bloem of bloeiwijze onmiddellijk daaronder staat
    苞
  2. 1. een vel papier dat het boekblok beschut
    遊び紙
/sxyːr/, /sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
納屋
pronoun
1.
シュヴェリーン
noun
1. ziekelijke verharding
硬化症
noun
1.
シニアカー
/sku.bi.ˈdu/
noun
  1. みずひき
  2. 水引
noun
1. scouting
スカウティング
/ˈskrɪp.si/
noun
1. een werkstuk over een (literatuur-) onderzoek dat gemaakt wordt om een opleiding te kunnen voltooien
論文
noun
シーン
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
シーボーギウム
noun
  1. 1. SI-grondeenheid van tijd
  2. 5. een interval met een toonafstand
秒
noun
1. hoge functionaris binnen grote organisaties, zoals de Verenigde Naties, NAVO, FIFA
書記長
noun
1. afscheiding
分泌
/səkʏnˈdɛːr/
adjective
二次的
pronoun
セドナ
pronoun
ゼパニヤ書
noun
1. onderdeel
切片
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
セーヌ川
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
地震学
/sɛɪ̯.ˈzun/, /sɛː.ˈzun/
noun
1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
季節
/sɛks/
noun
2. geslachtsgemeenschap
性生活
noun
1. sekse
性別
noun
性差別
adjective
1.
性差別的
noun
1.
大人のおもちゃ
noun
性行為
/sɛksy'el/
adjective
1. op de geslachtsdrift betrekking hebbend
性的
noun
1.
性的虐待
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
性感染症
/ˌsɛksʏwolo'ɣi/
noun
性科学
/ˈsɛks.wɛr.kər/
noun
セックスワーカー
/ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
宗門
noun
1. tuinkruid, vergelijkbaar met peterselie, maar dan met een veel sterkere smaak
セロリ
noun
1. bepaald soort plant, Apium graveolens
セロリ
noun
1. Scheikundig element met symbool Se en atoomnummer 34
セレン
noun
セレン
/sɛlfi/
noun
1. een foto die iemand van zichzelf heeft genomen
セルフィー
pronoun
セラフィールド
noun
1. taalkunde
意味論
/se'mɑntis/
adjective
1. de semantiek betreffend
意味的
noun
een half jaar
半期
noun
1. halve cirkel
半円
noun
記号学
adjective
1.
セム
noun
元老院
noun
上院議員
/ˈse.ne.ˌɣɑl/, /ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
セネガル
noun
1. geestelijke en lichamelijke ouderdomsverschijnselen
耄碌
noun
1. sterke beroering door een verrassend voorval of bericht
センセーション
noun
分離主義
noun
1. ernstige onstekingsreactie
敗血症
noun
1. negende maand van het jaar
  1. 9月
  2. 九月
adjective
1.vredig en kalm
平静
noun
1. muzikaal eerbetoon
セレナーデ
noun
1.
セレンディピティ
noun
1. het helder en kalm zijn
セレニティ
noun
1. een rang onder de onderofficieren
軍曹
noun
1. een aantal elementen op volgorde
シリーズ
noun
シリアルキラー
adverb
1. ernstig
深刻
/sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
ライラック
noun
1. een slang
  1. 蛇
  2. セルパン
noun
1. de vloeibare stof die overblijft als bloed is gestold
血清
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leptailurus serval
サーバル
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
サーバー
/sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
ナプキン
/ˈsɛrvis/, /ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
  1. セルビア語
  2. セルビア
/ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
セルビア
/ˈsɛrvi.jər/
noun
1. een inwoner van Servië, of iemand afkomstig uit Servië
セルビア人
/sɛrvoːkroːˈaːtis/
pronoun
セルビア・クロアチア
noun
1. een uit Afrika afkomstige plant uit de familie Pedaliaceae
胡麻
noun
胡麻油
noun
1. verzameling
セット
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
ろくぶんぎ座
noun
1. hoekmeetinstrument
六分儀
/se.ˈʃɛ.lə(n)/, /sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
  1. セーシェル
  2. セイシェル
noun
1. het geheel van gedachten en gevoelens die de gemoederen in een bepaalde omgeving bezighouden
雰囲気
noun
1.
スフィンクス
/ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
シャンプー
noun
1. een vorm van software die zonder of met weinig restricties verspreid mag worden,...
シェアウェア
noun
1. een Spaanse versterkte wijn
シェリー
noun
1. klein hondenras, afkomstig uit Tibet
シーズー
noun
1.
シイタケ
noun
シリング
noun
神道
noun
1. een schaatsdiscipline waarbij op een baan van 111,12 meter op diverse afstanden geschaatst wordt door meerdere rijders tegelijk
ショートトラックスピードスケート
pronoun
1. wijk in Naha
首里
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
国際単位系
pronoun
シベリア
adverb
2. het staat zo letterlijk in de brontekst
ママ
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 10 miljoen mensen op Sicilië, in Zuid-Calabrië en Salento
シチリアの
/sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
  1. シチリア
  2. シチリア島
noun
1. bepaald soort grote, palingachtige vis die zware stroomstoten kan afgeven, Electrophorus electricus
デンキウナギ
verb
飾る
/ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
シエラレオネ
noun
シュッコンタバコ
noun
1.
花卉園芸
noun
  1. 葉巻きタバコ
  2. シガー
/sɪɣɑˈrɛt/, /sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
  1. 煙草
  2. たばこ
noun
1.
シグマ
/sɪɲˈaːl/
noun
1,2,3,4,5,6. vorm van informatie
電波
noun
1. benaming voor een hoefdier Cervus nippon
ニホンジカ
noun
シーク
/ˈsɪkəl/
noun
1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
鎌
/siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
シレジア
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
シルエット
noun
珪酸塩
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
  1. ケイ素
  2. 珪素
  3. シリコン
noun
1. organische silicium verbinding
シリコーン
/sɪmpəł/
adjective
1. zonder veel complicaties
簡単
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
オレンジ
pronoun
1. een taal die ontworpen is door J. R. R. Tolkien en gebaseerd is op het Welsh
シンダリン
pronoun
1.
ジンデルフィンゲン
pronoun
1. een taal die in zowel Pakistan als India gesproken wordt
シンド語
noun
1. makkelijk baantje, taak
閑職
/ˌsɪŋɣaˈles/
pronoun
1. een taal die op Sri Lanka gesproken wordt
シンハラ語
/sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /sɪŋ.gɑ.poːr/, /sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
  1. シンガポール
  2. 新嘉坡
/ˈsɪŋk.sə(n)/
noun
1. christelijk feest waarbij herdacht wordt dat de Heilige Geest over de apostelen neergedaald is
ペンテコステ
noun
1.
中国学者
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
ジンスハイム
/ˌsɪntøˈsta(t)sijʏs/
pronoun
シント・ユースタティウス島
/sɪnt.'maːr.tən/
pronoun
1. eiland in het noordoostelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
セント・マーチン島
pronoun
セントヘレナ
noun
1. Pecten jakobeus
ホタテガイ
noun
セント・ジョーンズ・ワート
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
サンクトペテルブルク
noun
  1. サイン
  2. 正弦
noun
1. een ontsteking van een bijholte van de neusholte
副鼻腔炎
noun
洞房結節
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
サイレン
pronoun
1. Sirius
シリウス
noun
シロッコ
noun
1.
シタール
/sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
  1. 状況
  2. 状態
noun
1. een langwerpige lap stof die om de hals gedragen wordt
スカーフ
noun
1.
シャー
noun
1. een kleine uiensoort
エシャロット
noun
1. aan een spit geroosterde stukjes vlees en paprika
シャシリク
/'ʃɛkɛl/
noun
1.
シェケル
noun
1. een brede, gekleurde band die vaak gedragen wordt als een waardigheidsteken
帯
noun
シーア派
/ʃul/
noun
シナゴーグ
/ʃʋɑ/
noun
1. toonloze klinker
シュワー
noun
スケートボード
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
骨格
noun
スキー
noun
1.
スキンク
verb
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
スキー
/ˈskɔp.jə/
pronoun
1. de hoofdstad van Noord-Macedonië
スコピエ
noun
  1. 1. plant van de soort Lactuca
    アキノノゲシ属
  2. 2 en 3. (bladeren van) Lactuca sativa
    レタス
/slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
奴隷
verb
  1. 1. een klap uitdelen; met de arm of een vastgehouden voorwerp een snelle, rakende beweging maken
  2. 2. het voorbrengen van geluid door ergens op te slaan
殴る
/slap/
noun
  1. 1. periode van inactiviteit
    1. 眠り
    2. 睡眠
  2. 3. zijvlak van het hoofd
    1. 蟀谷
    2. 顳顬
noun
1.
ソファーベッド
noun
1. een van de beenderen van de schedel
側頭骨
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
寝室
noun
3. glaasje sterke drank dat men 's avonds voor het slapen gaan drinkt
寝酒
noun
1.
スリープモード
noun
寝袋
/slɑp/
noun
1. doekje om op te morsen
涎掛け
/slɑxtə(n)/
verb
1. een dier doden voor het vlees of als offer
ばらす
noun
2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
被害者
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
動脈
/ˈslaːɣə(n)/, /ˈslaːχə(n)/
verb
2. het examen succesvol beëindigen
合格
noun
1. een verkoper van vlees
肉屋
noun
1. muziekinstrument waarop wordt geslagen
パーカッション
noun
1. slagpen
撃針
noun
ホイップクリーム
noun
1. groot schip met zware bewapening
戦艦
noun
1. buitengewoon lange tand van bepaalde soorten zoogdieren
牙
/ˈslaxfɛlt/
noun
1. een gebied waarop een militair treffen tussen twee legers plaatsvindt of plaatsgevonden heeft
戦地
noun
2. een onoplosbaar afvalproduct bij het smelten van metaal
スラグ
noun
1. met een ~: erg langzaam
牛歩
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
蛇
noun
蛇使い
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
へびつかい座
adjective
ほっそり
noun
不眠
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
  1. 寝る
  2. 眠る
/ˈsla.pə.rəx/, /ˈsla.pə.rəχ/, /ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
眠い
/ˈsla.pə.rəx.ˌɦɛːt/, /ˈsla.pə.rəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /ˈsla.pə.rɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
2. de neiging te gaan slapen
眠気
noun
人身売買
/ˈslaː.və(n)ˌsxɪp/
noun
奴隷船
noun
1.
奴隷制度
adjective
スラブ
pronoun
1.
スラヴォニア
/slɛçt/
adjective
1. niet goed
悪い
adjective
より
adverb
1. alleen maar, vervoeging van slecht
だけ
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
ハヤブサ
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
ソリ
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
タグボート
noun
1. vlechtwerk van touw dat over een waterbodem gesleept kan worden om zo waterdieren te vangen
引き網
noun
2. kloof
地溝
verb
1. (langzaam) ergens heen lopen, futloos of lusteloos
徘徊
verb
1. trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
引きずる
/sløːtəl/, /sløːtəɫ/, /ˈslø.tɔɫ/
noun
  1. 3. een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
    1. キー
    2. 鍵
  2. 1. werktuig om te (ont)sluiten
    1. 鍵
    2. かぎ
  3. 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
    1. 鍵
    2. キー
noun
1. het bot dat het borstbeen met de schouder verbindt
鎖骨
/ˈsløtəɫχɑt/, /ˈsløːtəlɣɑt/
noun
1. een gat in een slot waardoor een sleutel moet worden gestoken om hem te openen
鍵穴
/ˈsløtəɫˌɦɑŋər/
noun
1. ring om sleutels aan te hangen, vaak voorzien van een logo of label.
キーチェーン
noun
1.
キーワード
/slɛɪm/
noun
1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
粘液
noun
1. slijm afscheidend membraan
粘膜
noun
砥石
adjective
1. intelligent, snel van begrip
  1. 頭がいい
  2. 利口な
/slɪp/
noun
1. kort, strak onderbroekje zonder pijpen
ブリーフ
noun
1. een brandewijn gedestilleerd uit gefermenteerde pruimen
スリヴォヴィッツ
noun
1. een klein scheepstype dat op het dek van een groter schip wordt meegevoerd
スループ
noun
食道
verb
1. een structuur ontmantelen, afbreken
取り壊す
/slopə'rɛi/
noun
1. sloopbedrijf
ゴミ捨て場
noun
1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
  1. 錠
  2. 錠前
noun
錠前屋
/sloˈvens/, /sloˈveːns/, /sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
  1. スロヴェニア語
  2. スロベニア語
/sloˈveni.jə/, /sloˈveːni.jə/, /sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
  1. スロベニア
  2. スロヴェニア
noun
1. film met vertraagde beelden
スローモーション
/slo.ˈwaks/, /slo.ˈʋaks/, /slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
スロバキア語
/ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
  1. スロヴァキア
  2. スロバキア
noun
ベール
noun
1. Alternatieve route die meestal gebruikt wordt om files te mijden
近道
noun
1.
狙撃手
noun
閘門
verb
1. toedoen, dichtmaken
  1. 閉じる
  2. 閉める
/ˈslœʏ̯.tər/, /ˈslœː.tər/
noun
1. een element van een fotocamera
  1. amado
  2. あまど
  3. 雨戸
noun
1. verlengde snuit
鼻
/slyw/
adjective
1. op een doortrapte wijze slim
狡い
noun
  1. 2. gewaarwording bij het proeven van eten en drank
  2. 3. bepaalde subjectieve voorkeur
味
noun
味蕾
verb
1. ~ naar een bijzonder sterk verlangen hebben naar iets dat men ontbeert
思い焦がれる
adjective
1. goed van smaak zijnd of van een goede smaak genietend
風味のよい
/ˈsmaː.kə.los/
adjective
  1. 1. (van voedsel) geen smaak hebbend
  2. 2. (figuurlijk) geen fatsoen of gevoel voor esthetiek of mode hebbend, vulgair
不味い
adjective
1. met een geringe breedte
狭い
noun
  1. エメラルド
  2. 緑玉
noun
1. is ijzer dat wordt gemaakt door het te smeden
錬鉄
noun
コンフリー
noun
1. afscheiding die men onder de voorhuid van de penis kan aantreffen
チンカス
/smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
頼む
noun
コチョウゲンボウ
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
溶ける
/ˈsmɛltkrus/
noun
  1. 2.
    人種のるつぼ
  2. 1. vuurvaste pot voor het mengen van gesmolten metaal
    坩堝
/smɛltpʌnt/
noun
1. de temperatuur waarbij iets gaat smelten
融点
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
  1. 鍛冶屋
  2. kajiya
  3. かじや
noun
1. smient
緋鳥鴨
/smɛitə(n)/
verb
1. hard gooien of werpen
投げる
noun
タキシード
noun
密輸業者
verb
3. iets in enig vet aanbraden, vervolgens vocht toevoegen en afdekken om het zachtjes gaar te laten worden
ブレイズ
noun
1. strip- en tekenfilmfiguur in de vorm van een soort blauwe kabouter met een wit mutsje
シュトロンフ
noun
2. lang zeer dun rond en flexibel voorwerp
弦
noun
1. muziekinstrument met snaren
弦楽器
noun
ひも理論
/ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
  1. くちばし
  2. 嘴
/sneʊ̯/, /sneːβ̞/, /snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
  1. 雪
  2. ゆき
/ˈsneʊ̯bɑl/, /ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
雪玉
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
  1. 雪が降る
  2. 降雪する
noun
ハクガン
noun
1.
ユキホオジロ
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
ライチョウ
/'snewjɑxt/
noun
1. sneeuwval bij harde wind
猛吹雪
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
雪だるま
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
雪だるま
/ˈsneʊ̯.sxœː.vər/, /ˈsneːβ̞.sxœː.vər/, /ˈsnɪːβ̞.sχœʏ̯.vər/
noun
2. een voertuig dat is uitgerust met een mechaniek waarmee het sneeuw kan verplaatsen
除雪車
/'snew.stɔrm/
noun
  1. 吹雪
  2. 暴風雪
noun
1. bepaald soort vogel, Bubo scandiacus
  1. シロフクロウ
  2. 白梟
noun
降雪
/'snewvlɔk/
noun
1. een kleine massa aaneengehechte sneeuwkristallen
雪の結晶
pronoun
  1. 白雪
  2. 白雪姫
/snɛɫ/
adjective
速い
noun
1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
  1. 速さ
  2. 速度
noun
フダンソウ
/ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
切る
noun
2. met een mes gemaakte snee
部分
noun
まな板
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Scolopacidae
たしぎ
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
ノーザンパイク
noun
1. een meestal grotendeels van suiker vervaardigde lekkernij
キャンデー
noun
1. beharing
  1. 口ひげ
  2. 口髭
noun
1. een slijmerige afscheiding uit de neusholte
洟
noun
1. soort skiplank
スノボ
noun
1. reukorgaan van dieren
鼻面
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
いびきをかく
/soʃal/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de menselijke samenleving
  2. 2. geneigd om in groepen te leven
社会的
noun
階級
noun
1.
ソーシャルディスタンス
noun
1. aanzien dat of voorname positie die iemand heeft in een groep of samenleving
社会的地位
noun
社会主義
noun
1. wetenschap
社会学
noun
社会学者 ‎
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
ソシオパス
/su.ˈdɑn/, /zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
スーダン
/sundaˈnes/
pronoun
1. taal die vooral in het westen van Java gesproken wordt
スンダ語
noun
スンナ派
noun
1. vloeibaar gerecht
  1. スープ
  2. 汁
noun
2. lepel waarmee soep gegeten wordt
スープスプーン
noun
主権
noun
詭弁
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
  1. ソフトウェア
  2. ソフト
noun
豆油
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
  1. 靴下
  2. ソックス
noun
2. extra online identiteit
自作自演
noun
1. Japans symbool dat een kleine つ of ツ voorstelt
促音
/sɔlˈdaːt/
noun
1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
  1. 兵士
  2. 軍人
noun
1. een stuk gereedschap om mee te solderen
  1. 半田鏝
  2. handagote
  3. はんだごて
  4. 半田ごて
noun
1. brander waarmee men kan solderen
トーチランプ
noun
1. metaalmengsel waarmee men
半田
verb
1. een door verhitting vloeibare tussenstof aanbrengen tussen losse metaaldelen waardoor deze na afkoeling vast verbonden blijven
はんだづけ
noun
ソルフェージュ
noun
連帯
noun
求職申し込み
/ˈsolo/
noun
ソロ
/sɔm/
noun
1. resultaat van een optelling
総額
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Somalië
ソマリ語
/so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
ソマリア
adjective
  1. 1. in neergeslagen stemming
  2. 2. een neergeslagen stemming veroorzakend
薄暗い
noun
1. instrumentaal muziekstuk
ソナタ
noun
  1. 1. een peilstift om de ruimte binnen een lichaam te verkennen, of om er gegevens op te nemen
  2. 3. een onbemand ruimtevaartuig
探査機
/ˈsɔːrt/
noun
2. een groep levende wezens die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
種
noun
2. de naam van de groep waartoe iets behoort
一般名詞
pronoun
1. een groep Slavische talen die wordt gesproken in het oosten van Saksen en het zuidoosten van Brandenburg
ソルブ語
interjection
1. een informele verontschuldiging of excuses
すみません
verb
1. orde in een verzameling aanbrengen door soort bij soort te leggen
ソート
pronoun
ソビエト連邦
noun
1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
スポーク
/ˈspakbeɪn/
noun
bot in de onderarm
橈骨
/spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
スペイン語
/spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
スペイン語
adjective
1.
スペイン語圏
noun
1. afgesloten voorwerp waarin contant geld opgespaard wordt
貯金箱
noun
スパゲッティ
noun
1. plankje e.d. om arm of been rust te geven
スプリント
noun
1. hondenras
スパニエル
/ˈspɑ.ɲard/, /ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
スペイン人
/ˈspɑ.ɲə/, /ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
  1. スペイン
  2. 西班牙
noun
  1. 1. mechanische spanning
  2. 2. emotionele spanning
不安
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
唐檜
/ˈspa.rə(n)/
verb
1. geld niet uitgeven
貯金する
noun
1. verhoogde spierspanning, continue kramp
痙縮
noun
1.
フェンダー
noun
1. spaan, lepel, e.d. met plat, bot uiteinde om mee te smeren
スパーテル
noun
1. tussenruimte tussen twee woorden
余白
noun
1. een gedroogd plantendeel, anders dan een groen blad of stengel, dat als geur-, kleur- of smaakstof aan voedsel wordt toegevoegd
スパイス
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
啄木鳥
/spe.si.ˈjal/, /spe.ˈsjaːl/, /spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
特別
/ˈspesɪɑlɪst/
noun
  1. 1. persoon die ergens veel verstand van heeft
  2. 2. arts die een bepaald onderdeel van de geneeskunde beoefent
専門医
noun
1. specificatie
スペック
adjective
1. kenmerkend
具体的
adjective
壮大
noun
1. kleurenband
スペクトル
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
  1. 唾液
  2. 唾
noun
1. een klier die speeksel produceert en naar de mondholte afscheidt
唾液腺
/ˈspelɣud/, /ˈspelɣut/, /ˈspɪːɫχut/
noun
1. één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
  1. 玩具
  2. トイ
noun
トランプ
noun
1. rubber of plastic afsluiting op een zuigfles
おしゃぶり
noun
1.1 bepaald soort plant met niervormige bladeren, botergele bloemen en wortelknolletjes, Ficaria verna
ヒメリュウキンカ
/spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
  1. 槍
  2. ジャベリン
noun
1. opzienbarend schouwspel
スペクタクル
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
  1. 遊び
  2. ゲーム
/ˈspeːlə(n)/
verb
遊ぶ
noun
  1. 1. deelnemer aan een spel
  2. 2. een partij
選手
verb
1. letters in de juiste volgorde plaatsen
綴る
/ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
  1. 綴り
  2. 文字綴り
noun
1. grove tarwesoort
スペルトコムギ
noun
1. een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat
ゲーム理論
noun
精液
noun
1.
精子
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
鷂
noun
1. en 2. (peul van) cultivar van Phaseolus vulgaris
  1. いんげん豆
  2. サヤインゲン
pronoun
1.
シュパイアー
noun
1. beelden terugkaatsend voorwerp
鏡
noun
1. een orgaan
筋肉
verb
1.
サボる
noun
1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
釘
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
  1. 蜘蛛
  2. クモ
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
  1. ほうれんそう
  2. 菠薐草
verb
  1. 2. snorren, een brommend geluid maken
    ごろごろ
  2. 1. een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
    紡ぐ
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
蜘蛛
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
蜘蛛
noun
1. een door een spin gemaakt net om insecten te vangen
クモの巣
noun
スパイ
noun
1. de handeling van het spioneren
スパイ罪
noun
1. een kromme lijn
螺旋
noun
霊性
noun
1. draaiende staak waarop men vlees of een geslacht dier spietst en boven of naast een hittebron roostert
串
noun
1. grote drukte in het verkeer op terugkerende tijdstippen
ラッシュ時
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
スヴァールバル諸島
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
尖鼠
/splet/
noun
亀裂
noun
1. miltvergroting
脾腫
adjective
核分裂性
/'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
刺
noun
2. een element van zelfinductie
コイル
noun
1.
スプートニク
noun
1. versvoet met twee beklemtoonde lettergrepen
スポンデー
noun
スポンジ
noun
1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
幽霊
noun
1. een legendarisch schip dat zonder bemanning eeuwig blijft rondvaren
幽霊船
noun
1. verspreking door verwisseling van klanken van verschillende woorden
語音転換
noun
    1. 8. hol uitsteeksel aan de voet van een kelkblad, kroonblad of vergroeide kroon
    2. 9. metalen punt of getand wieltje aan de hiel van de rijlaars
    拍車
  1. 1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
    番線
  2. 2. spore
    胞子
noun
鉄道
adjective
散発的
/spɔrt/
noun
1. lichaamsbeweging
  1. スポーツ
  2. supōtsu
  3. 運動
noun
1. beoefenaar van een sport
運動選手
adjective
2.
スポーツマン
noun
iemand die zich toelegt op het bedrijven van sport
スポーツマン
noun
1. vrouw die sport op een hoog niveau beoefent
スポーツウーマン
noun
1. een zangvogel die geluiden kan nabootsen
キイロウタムシクイ
/sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
スピーチ
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal
文法
/ˈsprekyːr/
noun
1. de tijd waarin een hulpverlener patiënten te woord staat
質問待機時間
noun
諺
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
  1. ホシムクドリ
  2. 椋鳥
/ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
  1. 話す
  2. 語る
/ˈspɾøkə(n)/
noun
しんげん
verb
1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
ジャンプ
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
  1. バッタ
  2. 蝗
  3. 飛蝗
  4. きりぎりす
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
雀斑
noun
ジャンプ
noun
1. verzonnen vertelling
  1. おとぎ話
  2. メルヘン
noun
2. een uitloper van de spruitkool
メキャベツ
verb
2. ergatief: snel stromen
噴き出す
noun
スパイウェア
noun
スカッシュ
/sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
スリランカ
/staːɫ/
noun
1. een legering van ijzer en koolstof
鋼鉄
/stalwɔl/
noun
スチールウール
/staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
立つ
noun
  1. 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
  2. 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
  1. 尻尾
  2. 尾
noun
尾骨
noun
エナガ
noun
彗星
noun
1.
尾鰭
noun
  1. 1. een land
    1. 国家
    2. 国
  2. 1. toestand
    1. 国
    2. 国家
    3. (こっか
noun
1. een discipline
政治学
noun
1.overheidsbedrijf
公企業
noun
1. iemand die burgerrechten in een staat heeft
国民
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
元首
noun
1.
国家の敵
adjective
1. standvastig, duurzaam
安定
noun
安定
/stɑd/, /stɑt/
noun
Woonplaats
  1. 町
  2. まち
  3. 街
  4. 都市
/ˈstɑdhœːs/, /ˈstɑthœʏs/, /ˈstɑthœːs/
noun
1. een gebouw waar de stadsdiensten gehuisvest zijn
市役所
noun
スタジアム
/ˈstɑt.stat/
noun
1. staatsvorm
都市国家
noun
1. een stok bedoeld voor ondersteuning of onderscheiding van een persoon
杖
noun
1.
スタグフレーション
verb
1. een werkonderbreking of (ludieke) actie houden voor betere arbeidsvoorwaarden of meer loon
ストライキを起こす
/'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
  1. ストライキ
  2. スト
/stɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
馬小屋
noun
1. variant van het marxisme-leninisme gekenmerkt door een totalitair nationalistisch...
スターリニズム
noun
1. hinderlijk volgen
ストーキング
noun
  1. 2. deel van de boom tussen de wortels en de kruin
    幹
  2. 1. dikke houtige stengel van een struik
    1. 幹
    2. 茎
  3. 4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
    1. 民族
    2. 部族
  4. 7.
    語幹
/'stɑmbom/
noun
1-2
家系図
noun
幹細胞
noun
2. vijzelstamper
擂り粉木
/ˈstɑn.dard.ˌɑf.wɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.ʋɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.β̞ɛː.kɪŋ/
noun
1. spreidingsmaat
標準偏差
noun
1. officieel vastgelegde taalvorm die binnen een bepaald gebied als de voorgeschreven norm geldt.
標準語
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
像
/stɑmplats/
noun
1. een vaste plaats waar iemand zich bevindt
停留所
noun
1. een sterke, stinkende geur
臭い
/stɑp/
noun
1. het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan
ステップ
noun
1. een gestructureerde hoop spullen
  1. 積み重ね
  2. つみかさね
noun
1. cumulus
積雲
/ˈstɑ.pə(n)/
verb
1. het lichaam vooruit bewegen door een of meer keer een voet naar voren te zetten
歩く
verb
じろじろ見る
noun
1. een begin ergens van
開始
/sta.ˈsʲɔn/
noun
1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
駅
noun
統計
noun
1. plaats in een vast geheel of een bepaald proces
地位
noun
1. huidige stand van zaken
現状
adverb
1. voortdurend
いつも
noun
1. zeer smal straatje
路地
noun
1. een spel waarbij twee ridders elkaar met lansen trachtten uit het zadel te werpen
ジョスト
noun
1.
台車
noun
ソースパン
/sten/, /steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
石
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
イヌワシ
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
  1. やぎ座
  2. 山羊座
noun
南回帰線
noun
1.
採石場
noun
石工
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
石炭
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes foina
胸白貂
/ˈstentɛit/
noun
石器時代
/ˈstenœʏ̯ɫ/, /ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
コキンメフクロウ
noun
vlezige vrucht waarvan het binnenste deel steenhard is
核果
noun
1. hardloopwedstrijd met hindernissen
障害物競馬
noun
2. werkvloerconstructie in de bouw
足場
/stɛil/, /stɛːl/
adjective
1.
急
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
ヤマアラシ
verb
1. doorboren, prikken
刺す
noun
1. stekker
プラグ
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
盗む
noun
1.
原級
/stɛlsəl/
noun
  1. 1. een geordend geheel, samenstel van delen
  2. 2. een systeem
器系
/stɛlt/
noun
竹馬
noun
    1. 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
    2. 2. het geluid dat een mens bij het spreken voortbrengt
    3. 3. het geluid dat een mens bij het zingen voortbrengt
    声
  1. 6. een keuze gemaakt door een stemmer (kiezer) bij een stemming (verkiezing)
    投票
noun
1. geluidvoortbrengende plooien in het strottenhoofd
声帯
/ˈstɛmbɪljɛt/
noun
1. formulier om te stemmen
投票用紙
/stεmə(n)/
verb
1. deelnemen aan een verkiezing
投票
/ˈstɛmpəl/, /ˈstɛmpəɫ/
noun
    1. A2. een afdruk van [1]
    2. A:1. voorwerp met een ingesneden oppervlak waarmee afdrukken gemaakt kunnen worden met inkt of in lak
    判子
  1. A3. beschrijvende plantkunde: bovenste gedeelte van de stamper in een bloem
    柱頭
/stɛmvɔrək/
noun
1. stemvork
音叉
noun
  1. 1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
    1. 恒星
    2. kousei
    3. こうせい
    4. 星
  2. 2. een beroemdheid
    1. 星
    2. 恒星
noun
ステラジアン
noun
トウシキミ
noun
ステレオタイプ
/ˈstɛrvbɛt/
noun
1. het bed waarop men sterft
死の床
adjective
必滅
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel sterfgevallen er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
死亡率
adjective
  1. 1. zonder microbiële besmetting, heel schoon
  2. 2. onvruchtbaar
不毛
/ˌsteriliˈzasi/, /ˌsterəliˈzatsi/
noun
1. een handeling waarmee alle ziektekiemen worden gedood
断種
/stɛrk/
adjective
1. krachtig
強い
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige vogels uit de familie Sternidae
アジサシ
noun
1. verzameling dicht bijeen staande sterren
星団
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
天文学
/stɛrən'kʏndəɣə/
noun
天文学者
noun
星雲
noun
天文台
noun
占星術師
noun
1. een sterfelijk wezen
人間
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
  1. 死ぬ
  2. しぬ
  3. shinu
noun
スターフルーツ
/steto'skop/
noun
1. een medisch instrument waarmee men geluiden in het lichaam kan beluisteren
聴診器
/'stønə(n)/
verb
1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
支える
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
チョウザメ
noun
キャビンアテンダント
verb
1. de grondslag voor iets leggen, iets instellen
打ち立てる
noun
2. zelfstandig vermogen met rechtspersoonlijkheid opgericht op de verwezenlijking...
基金
/ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
継母
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
継父
pronoun
  1. 2. astrologisch teken
  2. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  1. おうし座
  2. 牡牛座
/stiːr/
noun
雄牛
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
シュタイアーマルク州
/stɛif/
adjective
凝る
/ˈstɛi̯xˌbøː.ɣəl/
noun
1. voetsteun voor de ruiter
鐙
/ˈstɛi̯ɣə(n)/
verb
1. naar boven gaan, toenemen
あがる
/stɛi̯l/
noun
  1. 3. beschrijvende plantkunde: buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
    スタイル
  2. 1. handelswijze
    様式
noun
言葉の綾
noun
勃起
/ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
窒素
/[stɪɫ]/
adjective
  1. 1. geen of weinig geluid producerend
  2. 2. onbeweeglijk
  3. 3. rustig, kalm
止まる
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
太平洋
noun
静物画
/'stɪl.tə/
noun
  1. 沈黙
  2. 静けさ
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
スカンク
verb
1. een onaangename geur hebben
悪臭を放つ
adjective
  1. 1. precies op tijd komend
  2. nauwgezet
正確
adverb
1. met grote precisie
正確
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
ストックホルム
/stul/, /stuɫ/
noun
1. zitmeubel
椅子
/'stulɣɑŋ/
noun
2.
糞便
noun
1. een boeddhistisch bouwwerk dat de relieken van een boeddhistische heilige bevat
卒塔婆
noun
1. heel kleine deeltjes
  1. ほこり
  2. 埃
/'stɔfʋɪsəlɪɳ/
noun
1. het geheel van chemische processen dat gepaard gaat met het in leven zijn van een wezen
代謝
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
掃除機
noun
化学量論
/stɔk/
noun
棒
noun
バゲット
noun
1.Suricata suricatta, roofdier behorend tot de mangoesten
ミーアキャット
noun
1. gedroogde kabeljauw of kabeljauwachtige vis, zoals heek, leng, lom, schelvis en koolvis
乾物
/ˈstɔlɪŋsɣəˌstentə/
noun
1. gesteente bestaande uit gestolde lava of gestold magma.
火成岩
adjective
  1. 1. geluidloos
  2. 2. niet in staat te spreken
口の利けない
noun
蒸気
noun
1. een schip dat met behulp van stoom wordt voortbewogen
汽船
noun
1. een locomotief die wordt aangedreven door een stoommachine
汽車
noun
1. een schip dat voortgedreven wordt middels een stoommachine
蒸気船
noun
蒸気タービン
noun
1. grote slagtand
牙
/'stɔbɔrt/
noun
1.
一時停止標識
/ˈstɔplɪxt/
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
信号機
verb
  1. 3. doen halthouden
  2. 4. ophouden, ermee kappen
止める
noun
1. erg harde wind
嵐
noun
een toestel, balk, e.d. om een deur, poort te forceren
破城槌
verb
2. geld in een rekening inbrengen
預ける
noun
1. het storten van geld op een bankrekening
  1. デポジット
  2. 預金
verb
1. dezelfde lettergreep een aantal malen herhalend moeilijk uit zijn woorden komen
吃り
/straɫ/, /ˈstral/
noun
1. de lijn van middelpunt naar omtrek
半径
/strat/
noun
1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
  1. 道
  2. 通り
  3. 道路
pronoun
1. zeestraat tussen het Australisch vasteland en Papoea-Nieuw-Guinea
トレス海峡
pronoun
1.
ジブラルタル海峡
noun
1. hoofdstad van de Franse regio Grand Est
ストラスブール
noun
1. informele, soms ruwe taal met veel invloed uit talen van immigranten,...
スラング
noun
  1. 1. soep
  2. 2. zuivelproduct
ストラッチャテッラ
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
罰
adjective
1.
罰する
/ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
ばっする
/'strɑfrɛxt/
noun
1. het geheel van rechtsregels waarmee bepaalde handelingen strafbaar worden gesteld
刑法
noun
1. directe vrije trap
ペナルティーキック
noun
放射
pronoun
1.
シュトラールズント
noun
1. Strook land langs de kust
  1. 浜
  2. 海岸
noun
ビーチボール
/straˈteɣ/
noun
1. een persoon die strategieën uitwerkt
戦略家
noun
1. een plan om iets te bereiken
  1. 機略
  2. 策略
  3. 計略
noun
成層圏
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
成層火山
noun
2. lijnvormig patroon
縞
verb
伸ばす
verb
1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken
愛撫
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
レンネット
noun
1. spanning, geestelijke druk.
ストレス
verb
1. een doel willen bereiken
努める
noun
1. een slagwapen in de vorm van een metalen staf met een versterkte kop
メイス
noun
チャリオット
verb
2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
アイロン
/ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
アイロン
noun
1. een plankvormig voorwerp, gewoonlijk op een inklapbaar onderstel, bedoeld als ondergrond waarop kleding gestreken kan worden
アイロン台
noun
1. een constructie waarmee de snaren van een strijkinstrument in trilling gebracht worden
弓
noun
1. een boek met een verhaal in beeldvorm
コミックス
/stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
藁
noun
1. hoed
麦藁帽子
/'stromən/
verb
1. voortbewegen van vloeistoffen
流れる
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
ストロンチウム
noun
1. zweertje op het ooglid
麦粒腫
/stroːm/
noun
2. elektriciteit
  1. 電流
  2. denryuu
  3. でんりゅう
noun
流域
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
シロップ
noun
1. lus van stevig touw
輪縄
noun
ネクタイ
noun
喉頭
/strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
構成
noun
1. heester
低木
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
躓く
noun
1. bepaald soort in heel Europa voorkomende plant, Calluna vulgaris
カルーナ属
/ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
  1. ダチョウ
  2. 駝鳥
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
  1. 学生
  2. 大学生
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
  1. 勉強する
  2. 学ぶ
noun
1.
勉強
noun
教科書
noun
  1. 1. werkplaats van een beeldend kunstenaar
  2. 2. plaats waar geluidsopnamen, films of televisie- of radioprogramma's gemaakt worden
  3. 3. een eenkamerappartement
スタジオ
/stɵx/
adverb
1 weerbarstig
固い
noun
1.
花粉
/stɵk/
noun
1. deel
ピース
noun
1. Soort bouwvakker
左官
noun
スタントマン
pronoun
  1. 1. hoofdstad van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
  2. 2. een plaats in de Amerikaanse staat Arkansas
シュトゥットガルト
/ˈstyrbəkrɑxtəxɪŋ/
noun
1. ondersteuning bij het sturen
パワーステアリング
noun
1. de rechterzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
右舷
noun
1. een stuk software dat een verbinding legt tussen de hardware en het besturingssysteem
ドライバ
/stywadɔːr/
noun
1. degene die verantwoordelijk is voor het gebalanceerd laden en lossen van schepen
港湾労働者
noun
1. kunstmatig meer
貯水池
noun
亜大陸
adjective
主観的
noun
主観性
noun
1. stof (stoffen)
物質
noun
1. zelfstandig naamwoord
名詞
noun
1. vervanging
代入
/sʌp'til/
adjective
  1. 1. alleen bij nauwkeurig toezien of voor fijn gevoel waar te nemen of te begrijpen
  2. 2. fijn onderscheidend, scherpzinnig
捕らえ難い
noun
1. een luidspreker die speciaal is ontworpen voor het weergeven van lage tot zeer lage tonen
サブウーファー
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
成功
/suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
スーダン
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
接尾辞
noun
1. zoetstof
  1. 砂糖
  2. さとう
noun
1. bepaalde ondersoort van de biet waaruit bietsuiker gewonnen wordt
サトウダイコン
noun
1. Coereba flaveola, een klein zangvogeltje uit de tropische delen van de Amerika's...
マミジロミツドリ
noun
1. blokvormig stukje kristalsuiker
角砂糖
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
  1. サトウキビ
  2. 砂糖黍
/ˈsœʏkərˌspɪn/, /ˈsœːkərˌspɪn/
noun
1. lekkernij bestaande uit een hoeveelheid gesponnen suiker aan een stokje
  1. 綿菓子
  2. 綿飴
noun
砂糖水
noun
硫酸
noun
1., 2. en 3. (gedroogde vrycht van) een variëteit van de druif Vitis vinifera
サルタナ
pronoun
スマトラ
noun
すばらしい
noun
2. sturend deel van de persoonlijkheid dat door opvoeding en socialisatie wordt gevormd en sociale normen en waarden bevat
超自我
noun
1. afwezigheid van elektrische weerstand
超伝導
noun
1. fictieve figuur uit een stripverhaal of een film die over bovenmenselijke krachten beschikt
スーパーヒーロー
adjective
上級
noun
1. een staat die zoveel macht heeft dat ze de wereldpolitiek beslissend kan beïnvloeden
超大国
noun
  1. スーパーマーケット
  2. スーパー
noun
het verschijnsel waarbij een ster op spectaculaire wijze explodeert
超新星
/ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
スリナム
noun
シュルレアリスム
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
スワヒリ語
pronoun
1. stad in Namibië
スワコプムント
noun
卍
/ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
スワジランド
/'swɛtʃʏːrt/
noun
1.
スウェットシャツ
pronoun
1. de grootste stad van Australië en de hoofdstad van de deelstaat Nieuw-Zuid-Wales
シドニー
noun
梅毒
verb
1. een betekenis hebben die verwijst naar
象徴
noun
1. Teken
  1. 記号
  2. シンボル
noun
交響曲
noun
シンメトリー
/si'metris/
adjective
1. aan twee zijden, bijvoorbeeld spiegelbeeldig gelijk
対称
noun
1. een gevoel van toegenegenheid
情け
/sɪmˈpoziəm/
noun
1. een wetenschappelijke samenkomst waarop verschillende wetenschappers een lezing houden over een bepaald onderwerp
シンポジウム
noun
1. ziekteverschijnsel
症状
noun
1. gebedshuis van joden.
シナゴーグ
noun
共時性
noun
  1. 1. plotseling bewustzijnsverlies
  2. 3. wegval van middenklank
気絶
/sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
シンドローム
noun
1. situatie waarbij het samengaan van delen groter is dan de som der delen
相乗効果
noun
1. gelijkbetekenend woord
  1. 同義語
  2. 類義語
adjective
構文的
/sɪnˈtɑksəs/
noun
  1. 2.
    1. 統語法
    2. 統語論
  2. 1.
    統語論
verb
総合する
/ˈsi.ri.jə/, /ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
シリア
/siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
  1. システム
  2. 制度
noun
システムズシンキング
noun
1. de theorie over de systematische beschouwing van systemen in de natuur, wetenschap en of maatschappij
一般システム理論
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
Tシャツ
pronoun
1.
タホ川
adjective
  1. 1. moeizaam en plastisch vervormend onder mechanische belasting
  2. 2. moeilijk te snijden, kauwen (van vlees)
硬い
/taːk/
noun
1. een te verrichten werk
タスク
/taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
  1. 語
  2. go
  3. ご
  4. 言語
noun
1. uitdrukkingen en zegswijzen uit een bepaalde taal
慣用句
noun
1. talengroepen die een zelfde voorgeschiedenis hebben
語族
/ˈtalklɑŋk/
noun
1.
音素
noun
1. wetenschap
  1. 言語学
  2. gengogaku
  3. げんごがく
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
言語学者
/taːrt/
noun
1. cirkelvormig zoet gebak
ケ一キ
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
  1. タバコ
  2. 煙草
noun
タバコシバンムシ
noun
パイプ (タバコ)
noun
1. een geordende lijst met gegevens
テーブル
noun
幕屋
noun
1. pastille
錠剤
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
  1. タブー
  2. 禁忌
cardinalNumeral
1. het getal 80
  1. 八
  2. 八十
ordinalAdjective
八十番目
noun
頻脈
noun
1. kleine, gevouwen tortilla, gevulde mexicaanse maïspannenkoek
タコ
noun
タクト
/tɑkˈtik/
noun
1. een manier om onder gegeven omstandigheden een doel te bereiken
戦術
pronoun
1. de officiële taal van Tadzjikistan en een variant van het Perzisch
タジク語
/taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
タジキスタン
noun
1. taf
タフタ
/ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
  1. テーブル
  2. 机
/ˈtafəlˌklet/
noun
kleed dat als bescherming of versiering over een tafel ligt
テーブルクロス
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
卓球
pronoun
1. taal die op de Filipijnen gesproken wordt
タガログ語
pronoun
タヒチ
pronoun
1. een Polynesche taal uit de Oceanische tak van de Austronesische talen gesproken op Tahiti
タヒチ語
/tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
台風
noun
1. naaldbossen in koude streken
タイガ
/tɑj'ʋɑn/
pronoun
台湾
noun
台湾
/tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
枝
noun
1. bijzondere aanleg
才能
/tɑɫx/
noun
2. het harde vet van sommige herkauwers
ヘット
noun
1. benaming voor kleine vogels uit het geslacht Anas of het geslacht Callonetta
小鴨
/tɑlk/
noun
滑石
/'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
タリン
/ˈtɑlmut/
noun
1.
タルムード
noun
1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
タマリンド
noun
1. muziekinstrument
タンバリン
pronoun
1. taal die gesproken wordt in India, Sri Lanka, Singapore, en Maleisië
  1. タミール語
  2. タミル人
noun
  1. 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
  2. 2. scherp uitsteeksel
歯
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
  1. 歯科医
  2. しかい
  3. 歯医者
noun
1. fiets
タンデム自転車
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
歯ブラシ
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
  1. 楊枝
  2. 楊子
noun
1. wetenschap voor de verzorging van de tanden
  1. 歯学
  2. 歯科学
/ˈtand.pɑs.taː/, /ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
  1. 歯磨剤
  2. 練り歯磨き
/ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
歯ぐき
noun
歯車ポンプ
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
フロス
/tɑŋ/
noun
1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
  1. 挟み
  2. 箸
noun
Tバック
pronoun
  1. タンジェ
  2. タンジール
/tɑŋk/, /tɛŋk/
noun
  1. 1. een groot vat
    タンク
  2. 2. een oorlogsvoertuig
    戦車
noun
タンニン
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
タンタル
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
タンタル
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
  1. おば
  2. 伯母
/ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
タンザニア
noun
1. een Chinese filosofische en religieuze stroming
道教
noun
絨毯
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
タピオカ
/ˈtapɪr/
noun
1. hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf
バク
noun
1. militair afsluitend signaal
タトゥー
noun
1. gifspin
タランチュラ
/tɑˈrif/
noun
1. een vastgesteld bedrag per eenheid
関税
noun
1.
タロット
noun
風袋
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
タタール語
pronoun
1. stad in Estland
タルトゥ
/ˈtɑrʋə/
noun
  1. 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
  2. 3. zaad van tarwe
  1. コムギ
  2. 小麦
noun
1. (voorgekookte) geplette tarwegranen
小麦フレーク
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
バッグ
pronoun
タスマニア
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan, gelegen tussen Australië en Nieuw-Zeeland
タスマン海
verb
探る
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
タタール語
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
  1. タトゥー
  2. 入れ墨
/tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
彫る
/tɑuˈge/
noun
1. uitlopers van mungbonen
  1. もやし
  2. 萌やし
pronoun
1. heuvel van Nieuw-Zeeland
  1. タウマタ
  2. タウマタファカタンギハンガコアウアウオタマテアポカイフェヌアキタナタフ
noun
トートロジー
/tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
タクシー
/'tɑksimetər/
noun
1.
タクシーメーター
noun
1. een opstelplaats voor taxi's waar zij wachten op passagiers
タクシースタンド
noun
分類学
/tiːm/
noun
  1. 1. een ploeg van bij elkaar horende spelers
  2. 2. een groep samenwerkende mensen
チーム
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
テクネチウム
noun
1. De bewerkingen en verrichtingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen
技術
noun
テクノロジー
/tef/
noun
1. wijfjeshond
雌犬
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
だに
noun
1. vingers van de voet
  1. 指
  2. 足指
noun
爪
/ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
乾留液
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
骰子
/teːɣən/, /teːχən/
preposition
  1. 1. zijdelings aanleunend
  2. 2. oneens met, ter bestrijding van
反して
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
解毒剤
noun
1. handeling gericht op het bestrijden van de effecten van een andere handeling
対策
preposition
1. aan de overzijde van
あべこべ
noun
1. hetgeen wat precies voorstelt wat iets helemaal niet is
あべこべ
noun
1. iemand die de pauselijke titel opeist zonder door het Vaticaan als paus erkent te zijn
対立教皇
verb
1. zich met woorden verzetten
反論
noun
1. vijand, rivaal
敵
noun
1. voorbeeld dat aantoont dat iets niet juist is
反例
noun
1. wind tegen
向かい風
adjective
2. aanwezig
現在
noun
1. vorm die aangeeft dat het huidige moment bedoeld wordt
現在
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
  1. 記号
  2. kigou
  3. きごう
verb
een tekening maken
描く
noun
1. een door tekenen ontstane afbeelding of voorstelling
絵
noun
1. verzameling letters en/of woorden
  1. テキスト
  2. 本文
noun
1. een computerprogramma waarmee teksten kunnen worden geschreven en bewerkt
  1. ワードプロセッサ
  2. ワープロ
  3. ワープロソフト
noun
1. natuurlijke processen
テクトニクス
/ˌtelefoˈneːrən/
verb
1. een telefoon gebruiken
電話をする
/ˌtelə'fon/, /ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
  1. 電話
  2. でんわ
noun
1. een uniek nummer toegewezen aan een telefoonaansluiting
電話番号
noun
電信
verb
1. per telegraaf berichten
打電
noun
針金便り
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
望遠鏡
adverb
1. een onaangenaam gevoel hebbend omdat een verwachting of hoop niet uitgekomen is
失望
verb
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
失望させる
noun
1. een emotie opgeroepen door het niet uitkomen van een verwachting
がっかり
noun
  1. 2. medium
  2. 1. elektrisch apparaat
  1. テレビ
  2. テレビジョン
/tɛlx/
noun
1. lid van een familie
子孫
verb
1. aantal bepalen
  1. 数える
  2. kazoeru
  3. かぞえる
/ˈtɛlər/
noun
1. het getal boven de streep van een breuk
分子
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
テルル
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
テルル
pronoun
1. een Dravidische taal met ongeveer 70 miljoen sprekers
テルグ語
noun
数詞
verb
1. tam maken
従順にする
/ˈtɛm.pəl/, /ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
  1. 寺
  2. 寺院
  3. 堂塔
  4. てら
noun
テンペラ
noun
性格
/ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
  1. 温度
  2. 気温
adverb
1. luidt het eerste lid van een opsomming van minstens twee argumenten in
先ず
noun
1. beweging in bepaalde richting, neiging
傾向
adjective
1. gekleurd door bijbedoelingen
偏向した
noun
1. wagen achter een locomotief
炭水車
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
  1. テネリフェ島
  2. テネリフェ
noun
1. een scheikundig element met het symbool Ts en het atoomnummer 117
テネシン
noun
1. balsport
テニス
noun
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
  1. テント
  2. 天幕
noun
触手
/tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
展覧会
/ˈtɛn.zɛɪ/
conjunction
1. behalve wanneer
もし...でなければ
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
乳首
noun
1. bedekking op de tepel voor erotische of artistieke doeleinden
ニップレス
noun
1.
テラメートル
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
テルビウム
/tɛrəm/
noun
1. een woord of uitdrukking
項
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
シロアリ
/tɛrˈmɛin/
noun
1. een vast tijdstip waarop iets gaat gebeuren of iets gebeurd moet zijn
期間
noun
  1. 用語
  2. 術語
noun
テルペン
noun
1. een vetoplossend oplosmiddel dat uit de sappen van bepaalde dennensoorten gewonnen kan worden
テレビン油
noun
1. grondgebied
領土
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
テロリズム
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
テロリスト
pronoun
テルスヘリング
/tɛrsjɛːr/
adjective
3次的な
noun
1.
三度
/trʏχ/, /təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
もとへ
/təˈrʏxbrɛŋə(n)/
verb
  1. 1. naar het punt van vertrek brengen
  2. 2. naar de eigenaar brengen
戻す
/təˈrʏχaːn/
verb
1. naar de punt van vertrek gaan
帰る
noun
1.
回帰
verb
戻す
verb
1. gaan naar een plaats waar men eerder vandaan kwam
帰る
/tə'rʌxkomə/
verb
1. opnieuw naar een plaats komen waar men eerder geweest is
帰る
noun
フィードバック
noun
1. ontstaan van een nieuw woord doordat een bestaand woord van een vermeend voorvoegsel, achtervoegsel of uitgang wordt ontdaan
逆成
/tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
  1. 間に
  2. ながら
pronoun
1. naam van twee boeken uit het Nieuwe Testament
テサロニケ人への手紙
/tɛst/
noun
  1. 1. probeersel
    テスト
  2. 3. toets
    試験
noun
1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
遺言
noun
1. een infectieziekte die door een gifstof leidt tot spierspasmen
破傷風
noun
1. een door vier gelijkzijdige driehoeken ingesloten lichaam
三角錐
/ˈtøɣəl/, /ˈtøʝəl/
noun
1. stuurriem van rijdier
手綱
/təˈvredə(n)/
adjective
1. geen behoefte voelend om aanmerkingen te maken
嬉しい
/təvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel genoeg te hebben en voldaan te zijn
充実
pronoun
テセル
noun
テクスタイル
noun
1. de manier waarop iets is samengesteld, hoe het materiaal aanvoelt en hoe de structuur eruit ziet
テクスチャ
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
タイ語
/ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
  1. タイ
  2. タイ国
noun
1. grijze stof van de tussenhersenen
視床
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
タリウム
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
劇場
/teː/
noun
  1. 茶
  2. お茶
noun
1. blad van de theestruik
お茶っ葉
noun
1. een kleine lepel om thee mee te roeren
小さじ
pronoun
1.de grootste rivier van Engeland
テムズ川
noun
1. kan met deksel en schenktuit waarin een warme drank wordt bereid door bladeren in heet water te laten trekken
ティーポット
noun
1. theeplant
茶の木
/tema/
noun
1. een onderwerp dat behandelt wordt
テーマ
noun
1. staatsvorm die gebaseerd is op goddelijke
神権政治
noun
神義論
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
神学
/ˌteɔːˈretis/
adjective
1. wat niet perse in de werkelijkheid voorkomt, m.b.t. feiten en wetten berustende ...
理論的
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
理論
adjective
1. genezend; op de geneeswijze betrekking hebbend
治療
noun
1. een methode om aan de genezing van zieken te werken
治療
noun
1. elektronisch muziekinstrument
テルミン
noun
1. een poedermengsel van een onedel metaal, gewoonlijk aluminium, en een oxide van een edeler metaal, vaak ijzer of koper
テルミット
noun
1. de leer van warmte en arbeid
熱力学
/ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
温度計
noun
熱圏
noun
サーモスタット
noun
1. synoniemenwoordenboek
  1. シソーラス
  2. 類語辞典
noun
1.
テーゼ
/ˈtora/
pronoun
1.-3.
トーラー
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
トリウム
/tœʏs/, /tœːs/
noun
1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
家
noun
1. multimedia opstelling die van een huiskamer een bioscoopzaak maakt
ホームシアター
noun
1. geheel van organisaties en activiteiten waarmee de burgerbevolking een bijdrage aan de oorlog levert
銃後
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
ツリウム
noun
サイリスタ
pronoun
テューリンゲン州
pronoun
2. de rivier die stroomt door Rome
テヴェレ川
pronoun
  1. 1. autonome regio
  2. 1. voormalig land
チベット
noun
1. een inwoner van Tibet, of iemand afkomstig uit Tibet
チベット人
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
チベット語
noun
1. zenuwtrek
チック
pronoun
  1. 1. Zwitsers kanton
  2. 1. zijrivier van de Po
ティチーノ州
cardinalNumeral
1. het getal 10
十
noun
2. kerkbelasting
十分の一税
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
十番目
noun
一万
noun
万角形
noun
十角形
noun
1. vrouwelijke borst
乳
/tɛit/, /tɛɪ̯d/, /tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
  1. 時間
  2. 時
adjective
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
一時的
noun
時代精神
/ˈtɛːtmɑˌʃinə/, /ˈtɛːɪtmɑˌʃinə/
noun
1. machine om mee door de tijd te reizen
タイムマシン
noun
時代
adjective
1. een aanzienlijke hoeveelheid tijd vereisend
時間のかかる
noun
1. blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
雑誌
noun
1.verschil in tijd van de dag
時差
noun
時間の浪費
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
  1. 虎
  2. トラ
noun
1.
鼬鮫
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
タイム
/ˈtɪkə(n)/
verb
3. typen
打つ
pronoun
ティルブルフ
noun
木材
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
大工
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noordwest-Australië en Timor
ティモール海
pronoun
テモテ
noun
scheikundig element
  1. スズ
  2. 錫
  3. すず
noun
1.
丁幾
noun
耳鳴り
/ˈtɪ.pə.lar.stər/
noun
2. prostituée op straat
街娼
noun
1. Italiaans dessert
ティラミス
noun
僭主
/ti'tan/
noun
チタン
pronoun
1.
タイタン
pronoun
1.
チタニア
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
チタン
noun
1. opschrift van een document
標題
/ˈtitʏs/
pronoun
テトス
noun
1. Chinees gerecht met groenten, rijst en vlees
チャプスイ
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
チフチャフ
verb
1. brood roosteren
乾杯
noun
2. activiteit waarbij men naar een of meer bestemmingen gaat
旅
verb
1. het eigendom zijn van
属する
noun
1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
アクセス
noun
1. benaming voor tropische vogels uit de familie Ramphastidae
オオハシ科
noun
1.
  1. 未来
  2. 未来時制
noun
  1. 未来
  2. 将来
verb
1. verduidelijken
説く
/ˈtulɪxˌtɪŋ/
noun
1. nadere tekst om het te verduidelijken
説明
/tun/
adverb
1. op of na dat tijdstip
その時
/tun/
conjunction
1. op het tijdstip dat
とき
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
  1. ツンドラ
  2. 凍原
verb
1. in de praktijk brengen
用いる
noun
1. het reizen voor ontspanning
  1. 観光
  2. 旅行
noun
1. een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
観光客
/tusxɔuər/
noun
1. iemand die naar iets kijkt
観客
verb
1. iets niet verbieden, iets mogelijk maken
許す
/'tustɑnt/
noun
geheel van omstandigheden
状態
verb
1. iemand zo mishandelen dat hij of zij zichtbaar lichamelijk letsel heeft
殴る
noun
1. gerecht waarmee een maaltijd kan worden afgesloten
デザート
noun
3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
キー
/ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
  1. キーボード
  2. 鍵盤
noun
1. steen voor het bepalen van het goudgehalte
試金石
/ˈtuːvɑl/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
ランダム
adjective
偶然の
noun
偶然
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
加える
noun
1. datgene wat met een groter geheel verenigd wordt
付加
noun
2. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
接辞
/'to.ɣo/, /ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
トーゴ
/tʋɑ'lɛt/
noun
  1. 1. een plaats waar men zich kan ontlasten
  2. 3. persoonlijke verzorging
お手洗い
/ˈtɔki ˈpoːnaː/
pronoun
1. bepaalde minimalistische kunsttaal
トキポナ
pronoun
1. de hoofdstad van Japan
東京
noun
1. snaarinstrument waarvan de snaren worden getokkeld
撥弦楽器
/tɔl/
noun
    1. 3. plaats waar men slechts tegen betaling mag passeren
    2. 4. geld dat men bij een tol geheven wordt
    損失
  1. 1. om zijn as draaiend voorwerp
    独楽
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
  1. 通訳
  2. tsuuyaku
  3. つうやく
noun
1. weg voor het gebruik waarvan betaald moet worden
有料道路
/toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
トマト
noun
1. strijdbijl van de Noord-Amerikaanse indianen
トマホーク
noun
ケチャップ
noun
1. een vruchtensap dat uit tomaten is bereid
トマトジュース
noun
1. loterij
ガラガラ抽選
noun
3. een gewichteenheid van 1000 kilogram
トン
noun
1. iemand die een toneelstukken schrijft
劇作家
/tonə(n)/
verb
2. laten zien
  1. 見せる
  2. miseru
  3. みせる
noun
1. traditioneel Okinawaans wapen
トンファー
noun
  1. 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
  2. 2. wat gesproken wordt
  1. 舌
  2. べろ
pronoun
トンガ
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
  1. 鮪
  2. ツナ
noun
扁桃摘出術
noun
扁桃炎
/ton/
noun
een geluid met een bepaalde herkenbare hoogte
トーン
noun
作曲家
noun
1. een stijgende of dalende opeenvolging van tonen
  1. スケール
  2. 音階
noun
松明
noun
1. hoogste punt, (bovenste) uiteinde
山頂
noun
トパーズ
noun
トポロジー
noun
1. een eigennaam die een geografisch begrip benoemt
地名
/tɔːrə(n)/
noun
  1. 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
  2. 1. een hoog bouwwerk
  1. 塔
  2. タワー
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
チョウゲンボウ
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
竜巻
noun
魚雷
noun
トーラス
pronoun
トスカーナ州
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
  1. さようなら
  2. バイバイ
noun
1. alle onderdelen tezamen
合計
noun
全体主義
conjunction
まで
noun
トーテム
/tɑu̯/
noun
1. een middel om zaken bij elkaar te binden
ロープ
noun
1. een mannelijk iemand die kan toveren
魔法使い
noun
1. een vrouwelijk iemand die kan toveren
女魔術師
noun
1. magisch handboek
グリモワール
/ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
毒物学
/traːx/
adjective
1. met geringe snelheid
遅い
noun
2. ook inertie genoemd
慣性
noun
1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
涙
noun
1.
催涙ガス
/ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
トラクター
/tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
伝統的
/traˈxedi/
noun
  1. 1. een toneelspel dat handelt over een bedroevende gebeurtenis
  2. 2. gebeurtenis met een droevige of rampzalige afloop
悲劇
adjective
悲劇
verb
1. het doen van lichamelijke oefeningen
トレする
noun
トレーナー
noun
1. een oefening
トレーニング
verb
奢る
/tram/, /trɑm/, /trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
  1. 路面電車
  2. 市内電車
noun
トランポリン
noun
1.
お涙頂戴
noun
取り引き
/trɑnsˈkrɪpsi/
noun
  1. 1. de conversie naar een geschreven tekst van een andere geschreven, getypte of gedrukte tekst.
  2. 2. het vastleggen van de uitspraak van een gesproken tekst op schrift.
  3. 3.
  4. 4. het omzetten van een muziekstuk naar een andere vorm of bezetting.
転写
noun
トランスフォビア
abbreviation
変圧器
noun
1. het inbrengen van bloed in het bloedvatenstelsel
輸血
adjective
1.
トランスジェニック
noun
トランジスタ
noun
平行移動
noun
1.
翻字
noun
FtM
pronoun
1.
トランスニストリア
adjective
1. lichtdoorlatend
  1. 透明
  2. とうめい
noun
1.
トランスポンダ
noun
輸送
pronoun
トランシルヴァニア
noun
MtF
noun
1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
階段
/trɑˈpezɪʏm/
noun
1. een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
台形
noun
psychische stoornis, ontstaan door een schokkende ervaring
  1. トラウマ
  2. 外傷
adjective
1. door een letsel ontstaan
外傷体験
noun
異性装者
noun
1. taps toelopende buis, gebruikt voor het vullen van vaten
漏斗
/tre/
noun
1. opstapje dat deel uitmaakt van een trap
段
verb
1. raak schieten
当てる
noun
1. een titelwoord van een stuk tekst in een catalogus, woordenboek of encyclopedie
見出し語
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
  1. 列車
  2. 電車
  3. 汽車
verb
  1. 1. op een voorwerp een kracht uitoefenen in een richting die ervan wegvoert
  2. 2. een lijn aanbrengen
引く
noun
1. een vogel die 's winters een andere verblijfplaats kiest dan in de broedtijd
渡り鳥
noun
1. diakritisch teken
トレマ
noun
悲しみ
noun
1. bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, Salix babylonica
枝垂柳
noun
2. overlegprocedure, in het wetgevend proces, tussen Parlement, Commissie en Raad van de EU
鼎談
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
トライアングル
noun
1.
トライアスロン
noun
法廷
pronoun
1.
トリーア
/ˈtrɪf.tɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit drie klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
三重字
cardinalNumeral
兆
/'trɪlə(n)/
verb
1. snel heen een weer bewegen
震う
noun
1.
三葉虫
noun
1.
三部作
noun
1. gesprek tussen drie personen of groepen
鼎談
noun
1. een periode van drie maanden
学期
/ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
トリニダード・トバゴ
noun
3. seksuele activiteit met drie personen
3P
noun
三極管
noun
2. grootse overwinning of prestatie
勝利
verb
偉業を成す
noun
13恐怖症
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
トリトン
noun
三重陽子
noun
1.
三全音
pronoun
トリエステ
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
トロフィー
noun
  1. 1. een langgerekte voederbak.
  2. 3. een langgerekte uitstulping van een lagedrukgebied.
かいばおけ
pronoun
トロイ
/'trɔ.li.bɵs/
noun
トロリーバス
noun
1. een koperen blaasinstrument
トロンボーン
noun
1. de vorming van een bloedprop in een bloedvat of het hart
血栓
noun
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
  1. 太鼓
  2. ドラム
noun
磁気ドラムメモリ
noun
鼓膜
noun
トロンプ・ルイユ
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
  1. トランペット
  2. 喇叭
/troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
  1. 王座
  2. 玉座
  3. 王位
noun
1. steun bij verdriet of pijn
慰め
verb
1. als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven
慰める
noun
対流圏
noun
  1. 2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
    房
  2. 1.
    総状花序
noun
1. stroming binnen het leninisme, die Stalins politiek te weinig marxistisch vindt en een minder autoritaire en meer internationalistische benadering voorstaat
トロツキズム
noun
  1. 1. rondreizend kunstenaar
  2. 2. rondreizend artiest
トルバドゥール
/ˈtrɑuwəns/
adverb
1. overigens
ところで
noun
結婚指輪
noun
  1. トリュフ
  2. 西洋松露
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
  1. セーター
  2. プルオーバー
/tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
  1. ツァーリ
  2. ツァー
noun
1.
ツァリーツァ
/tʃad/, /tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
チャド
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
チェコ語
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
チェコ共和国
/ˈtʃɛxi.jə/, /ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
チェコ
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
チェコスロバキア
/tʃɛnobil/
pronoun
チョルノーブィリ
pronoun
1. een taal die in Tsjetsjenië gesproken wordt
チェチェン語
pronoun
1.
チェチェン
/tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
  1. 津波
  2. 津浪
noun
1. een koperen blaasinstrument met lage toon
チューバ
noun
1.
凝灰岩
/tœy̯x/
noun
4. harnas
馬具
/tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
  1. 庭園
  2. 庭
noun
1. vorm van gewassenkwekerij die zich specifiek toelegt op het intensief telen van groenten, bloemen, planten, bomen, bollen of zaden
ガーデニング
noun
1. en 2. cultuurplant en eetbaar kruid Lepidum sativum
コショウソウ
verb
schenkpijp aan een kan of ketel
噴出口
noun
1. hoofddeksel
ターバン
noun
1. plant
  1. チューリップ
  2. 鬱金香
noun
1. een gezwel
腫瘍
/ty.ˈne.zi.jə/, /tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
チュニジア
noun
1. lange bloes of korte jurk vaak gedragen over een lange broek door vrouwen
チュニック
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
  1. トンナル
  2. トンネル
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
タービン
/ˌtyːrəˈlyːr/
noun
1. een weidevogel
アカアシシギ
verb
1. veen als brandstof
泥炭
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
トリノ
/tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
トルコ人
/tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
  1. トルコ
  2. 土耳古
pronoun
1. de taal die door de Turkmenen in Turkmenistan en Afghanistan gesproken wordt
トルクメン語
pronoun
トルクメニスタン
/tʏrˈkojs/, /tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
  1. ターコイズ
  2. トルコ石
/tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
トルコ語
/ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
の間に
/ˌtʏsənˈdoːrtjə/
noun
1. een versnapering, iets te eten tussen de maaltijden door
間食
noun
介入
/ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
  1. 感動詞
  2. 感嘆詞
  3. 間投詞
/ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
ツバル
pronoun
1. Austronesische taal, gesproken door 13.080 mensen in Tuvalu, Fiji, Kiribati, Nauru en Nieuw-Zeeland
ツバル語
/twaːlf/, /tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
  1. 十二
  2. じゅうに
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
第十二
/tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
  1. 二
  2. 二つ
  3. に
  4. ふたつ
/tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
  1. 二
  2. 二つ
/ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
  1. 二番目
  2. 第二
noun
1. 26 december
ボクシング・デー
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
生格
noun
  1. 二人称
  2. nininshou
  3. ににんしょう
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
第二次世界大戦
/ˈtweːˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 200
二百
noun
2Q
/ˈtʋeklɑŋk/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
二重母音
/ˈtwelɪŋ/, /ˈtʋelɪŋ/, /ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
双子
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 21 mei tot 21 juni
  1. ふたご座
  2. 双子座
noun
1. kamer waar twee personen kunnen slapen
ダブルルーム
noun
2.iets met belangrijke, duidelijke voordelen maar met minstens even belangrijke, vaak minder duidelijke nadelen.
諸刃の剣
adjective
バイリンガル
noun
バイリンガリズム
adjective
1. met, of aan twee kanten, belangen, partijen etc.
双方
cardinalNumeral
1. het getal 32
三十二
noun
1.
三十二分音符
cardinalNumeral
1. het getal 92
九十二
cardinalNumeral
1. het getal 82
八十二
cardinalNumeral
1. het getal 22
二十二
cardinalNumeral
1. het getal 42
四十二
cardinalNumeral
1. het getal 52
五十二
cardinalNumeral
1. het getal 62
六十二
/ˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 72
七十二
/ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
  1. 疑問
  2. 疑い
  3. 不審
verb
na te gaan
疑う
/twɛɪ̯x/, /tʋɛɪ̯χ/, /tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
小枝
/ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
二十
ordinalAdjective
二十番目
noun
1.
不和の林檎
/tiˈfon/, /tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
台風
noun
チフス
noun
1. door bepaalde karakteristieken herkenbare soort
タイプ
/ˈtɛɪ̯.pə(n)/
verb
1. gegevens invoeren
打つ
adjective
1. wat kenmerkend is voor iets of iemand
典型的な
adjective
2. kenmerkend
典型的
noun
2. grafische vorm van tekst
タイポグラフィ
noun
チロシン
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
ティレニア海
/yː/
personalPronoun
u (pers.vnw.)
あなた
noun
1. bocht van 180°
Uターン
/ˈyfo/
noun
1. vliegend voorwerp waarvan de identiteit niet bekend is, meestal in verband met een (vermeende) buitenaardse oorsprong
  1. UFO
  2. 未確認飛行物体
/œʏ̯/, /œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
玉葱
noun
1. de melkklier van een herkauwer
乳房
/œʏ̯ɫ/, /œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
  1. 梟
  2. フクロウ
/œʏ̯t/, /œːt/
adverb
2. balsport term voor als de bal buiten de lijnen van het speelveld is geraakt
アウト
/œʏ̯t/, /œːt/
preposition
1. geeft aan van welke plaats iets komt
アウト
/ˈœytˌadəmən/
verb
息を吐く
noun
2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
噴火
noun
2.
アウトソーシング
/ˈœʏdaχɪŋ/, /ˈœːdaɣɪŋ/
noun
1. taak die moeilijk te verwezenlijken valt
挑戦
verb
1. een gevoel of gedachte in taal verwoorden
表す
/ˈœytrʏkɪŋ/, /ˈœːdrʏkɪŋ(g)/, /ˈœːtrʏkɪŋ/
noun
  1. 2. verbinding van woorden
  2. 3. geheel van sprekende gelaatstrekken
  3. 4. het uitdrukken, uiting
数式
/œʏˈtɛɪndələk/
adverb
1. na een hele tijd
やっと
verb
1. plotseling en ongewenst iets doms zeggen
口走る
verb
    1. 1. ophouden met branden
    2. 3. naar de bar, disco of restaurant gaan
    きえる
  1. 4. naar buiten gaan
    出る
/'œʏtχɑŋ/, /'œːtɣaŋ/
noun
出口
noun
1. de aannames en veronderstellingen waar men van uitgaat
出発点
adverb
1. dodelijk vermoeid
使い尽くす
verb
  1. 1. financiële middelen aanspreken
  2. 2. een geschrift in drukvorm verspreiden
出版する
/œʏtˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens niet voorkomend
外来
noun
  1. 1. het dusdanig weinig voedsel laten nuttigen dat dit op den duur verhongering tot gevolg heeft, meestal doelbewust
  2. 2. het uitgehongerd/verhongerd zijn
飢餓
noun
het vermogen van iemand om zich voor een lange tijd in te spannen of pijn te verdragen
我慢
verb
    1. 5. het bekend worden
    2. 6. iets als resultaat hebben
    出てくる
    1. 1. naar buiten komen
    2. 3. tevoorschijn komen
    出る
verb
1. iets doen begrijpen
説明する
noun
1. plantkunde
匍匐枝
/'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
verb
1. iemand verzoeken iets bij te wonen
招く
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
  1. 招待
  2. 招待状
verb
1. in praktijk brengen
行使
/ˈœʏtpɑkə(n)/, /ˈœːtpɑkə(n)/
verb
  1. 1. uit een verpakking halen
  2. 2. uit een omhulsel halen
解く
noun
1. uitputtende oorlog, oorlogsvoering
消耗戦
/ˈœtruːp/, /ˈœytruːp/
noun
1. wat men uitroept, luid geuite woorden of klanken
叫び
verb
2. uit emotie luid roepen
叫ぶ
noun
1. !, een leesteken dat uitdrukt dat de zin een uitroep, bevel of uitdrukking van verbazing is
感嘆符
verb
1. uitrusten
装着
verb
2.door andere schakeling deactiveren
切る
/œytspra:k/
noun
1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
発音
noun
2. kort plezierreisje
遠足
noun
2. biologisch materiaal van de baarmoedermond dat op een objectglaasje wordt uitgesmeerd
パップテスト
verb
1.
列挙する
/ˈœytrɛkə(n)/
verb
1. van je lichaam af halen
脱ぐ
noun
1. persoon die uitvindingen doet
発明家
noun
1. de daad van het uitvinden, het ontdekken van een nieuwe methode of een nieuw toestel
発明
verb
2. afhandelen, voltrekken, ten uitvoer brengen
行う
noun
2. vaste uitgescheiden afvalstoffen van een mens of dier
うんこ
noun
両替
noun
  1. 転移 (医学)
  2. 転移
noun
  1. 1. wat men van de omgeving vanaf een bepaalde plek kan zien
  2. 2. verwachting, iets waar men naar kan uitzien
見通し
/œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
例外
noun
1. een lichtbewapende bereden soldaat in enkele Europese legers
ウーラン
/ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
最後通牒
noun
1. blauwe verfstof, blauw pigment dat van nature wordt aangetroffen in het mineraal lazuriet
ウルトラマリン
adjective
1. van elektromagnetische straling, net buiten het gebied van het spectrum dat met het menselijk oog zichtbaar is
紫外線の
pronoun
ウンブリア
/ˈumlʌʊt/
noun
  1. 1. trema dat een vocaalwijziging aangeeft
  2. 2. vocaalwijziging o.i.v. een klinker in de volgende lettergreep
ウムラウト
/ʏnɑˈnim/
adjective
1. met eenheid van stemmen
全会一致
/y.ˈnik/
adjective
1. enige in zijn soort
ユニーク
adjective
1. alom bekend, vertegenwoordigd of erkend
万能
adjective
学者
/ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
大学
noun
1.
大学都市
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
  1. 宇宙
  2. 森羅万象
  3. 万物
/ʌnstər/
noun
2. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op de rek van een veer
ばねばかり
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
ウンターグルッペンバッハ
noun
1. scheikundig element met symbool Uub en atoomnummer 112
ウンウンビウム
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuo en het atoomnummer 118
ウンウンオクチウム
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uup en het atoomnummer 115
ウンウンペンチウム
verb
1. een bestand van een lokale computer of server naar een computer of server op afstand overbrengen
アップロード
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
ウラン
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
ウラン
pronoun
  1. 天王星
  2. ウラヌス
pronoun
1. de officiële taal van Pakistan en een van de officiële talen van India
ウルドゥー語
noun
尿素
noun
1. de mate waarin iets dringend gewenst of nodig is
緊急
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
尿
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
尿道
noun
1. de buis die loopt tussen het nierbekken en de blaas
尿管
noun
1.
尿酸
noun
泌尿器科学
/ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /ˈuruˌɡwe/, /ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
ウルグアイ
/yʔɛsˈbeʔstɪk/
noun
USBメモリ
/ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
  1. 理想郷
  2. ユートピア
/ˈytrɛx/, /ˈytrɛxt/, /ˈytrɛχt/
pronoun
2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
ユトレヒト
/yːr/
noun
1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
  1. 時
  2. 時間
noun
1. een mechaniek dat de tijd bijhoudt of aangeeft
時計
noun
ぶどう膜炎
adjective
曖昧
/vaːk/
adverb
1. vele malen
よく
noun
± onderscheidende vlag van een schip en/of militaire eenheid
海上旗
noun
1. een aspirant-reserveofficier
少慰
noun
1. opgebouwde snelheid
速力
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
花瓶
noun
欠員
/vakˈsæː/, /vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
ワクチン
noun
1. een inenting
予防接種
noun
1. materievrije ruimte
真空
noun
1.
ファゾム
noun
1. een mannelijke ouder
  1. 父
  2. お父さん
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
父の日
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
  1. 故郷
  2. 祖国
/ˈva.ɣə.ˌvyːr/, /ˈva.χə.ˌvyːr/
noun
1. een toestand waar de zielen van gestorven personen gereinigd worden.
煉獄
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
膣
adjective
膣
/vɑˈkɑn(t)si/
noun
  1. 1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
    1. 休み
    2. 休暇
  2. 2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
    休暇
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
労働組合
noun
1. een man die zijn vak of professie verstaat
工匠
/vɑɫ/
noun
10. apparaat met een vallende deur of klem met als doel dieren te vangen
罠
pronoun
バレンシア
noun
原子価
noun
1. 14 februari, de dag van de verliefden
バレンタインデー
noun
バリン
/vɑlk/
noun
1. roofvogel
  1. 隼
  2. ハヤブサ
/vɑlkə'rɛɪ/
noun
1. africhten van roofvogels
鷹狩
noun
1. een laagte tussen bergen
谷
verb
1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
  1. 落ちる
  2. 転ぶ
adverb
1. op basis van onwaarheden
不誠実
noun
1.
偽造者
noun
1. mythologisch ondood wezen
吸血鬼
preposition
1. geeft bezit aan
の
phraseologicalUnit
1. oprecht en onvoorwaardelijk
ずい
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
バナジウム
adverb
今夜
adverb
1. op deze dag
  1. 今日
  2. 本日
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
ヴァンダリズム
verb
  1. 1. te pakken krijgen
  2. 2. onderscheppen
  1. 捕まえる
  2. 捕まる
/ˈvɑŋ.re(i)l/
noun
1. metalen stroken langs autowegen, die dient om te voorkomen dat auto's van de rijbaan raken
ガードレール
/vɑ'nijə/
noun
een smaak- en geurstof geëxtraheerd van de vanilleplant
バニラ
noun
1. vloeistof onttrokken aan vanillestokjes in een ethanol oplossing
バニラエキス
adverb
1. de komende nacht
今夜
/va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
  1. バヌアツ
  2. ヴァヌアツ
noun
1. Varanidae, de grootste levende hagedis
大蜥蜴
noun
1. een sporenplant
羊歯
noun
変体
/ˌva.ri.ˈjɑn.si/, /ˌva.ri.ˈjɑn.tsi/
noun
1. een maat voor de spreiding van een variabele of van een verdeling gedefinieerd als de wortel uit de variantie
分散
noun
変奏曲
noun
1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
豚
noun
onder-/zijkant van de buik van een varken
ポークベリー
noun
2. lever van een varken
豚肝臓
noun
豚肉
noun
ワセリン
/vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
  1. 内地
  2. 本土
verb
1. zich onthouden van voedsel
断食する
verb
1. bevestigen dat iets zo is.
定める
noun
  1. 1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
    バレル
  2. 3. ader
    血管
/vatiˈkanstɑt/, /vatiˈkaːnstɑd/, /vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
バチカン
noun
封臣
adjective
1.
好戦的
noun
乱闘
noun
ベクトル
/veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
家畜
/feɪɫ/, /veːl/
indefiniteCardinalNumeral
1. groot in hoeveelheid
多い
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
多角形
noun
倍数
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
クズリ
noun
1.
ケラ
/veːr/, /vɪːr/
noun
  1. 2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
    1. ばね
    2. スプリング
  2. 1. lichaamsbedekking van een vogel
    羽
/ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
十四
ordinalAdjective
十四番目
/ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
  1. 四十
  2. しじゅう
ordinalAdjective
四番目十番目
noun
ヴィーガニズム
verb
1. zonder water schoonmaken met een borstel
拭く
adjective
1. als of voor vegetariërs
草食
noun
ベジタリアン
/ˈvɛilə(n)/
verb
1. verkopen op een openbare verkoping waar een prijs vastgesteld wordt
競りにかける
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
安全
noun
1. een situatie waarin een bepaald gevaar niets kan aanrichten
安全
noun
1. een stevige band die iemand in een voer- of vliegtuig vasthoudt in zijn zetel ter bescherming tegen onverhoedse bewegingen
シートベルト
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
国際連合安全保障理事会
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
ピン
/ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
競売
verb
1. zich onecht voordoen
装う
noun
  1. 2. afgestroopte huid
    膜
  2. 1. dunne laag
    葉
adjective
軟口蓋音
/vɛlt/
noun
    1. 1. open stuk land
    2. 2. stuk land voor het bedrijven van een sport
    原
  1. nog na te kijken
    畑
/ ˈvɛltflɛs /
noun
1. een afsluitbare en draagbare fles, meestal uit metaal of plastic vervaardigd, die gebruikt wordt om de drager buitenshuis van vocht te voorzien
水筒
noun
野外病院
noun
ヒバリ
noun
1. en 2. (bladeren van) kruidachtige plant Valerianella locusta
ノヂシャ
noun
1. een treffen tussen twee of meer legers
戦闘
noun
長石
/ˈvɛld.zyː.rɪŋ/, /ˈvɛɫ.tsyː.rɪŋ/
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Rumex acetosa
スイバ
/vɛlx/, /vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
リム (機械)
adjective
1. met betrekking tot de geslachtsziekten
性病
pronoun
1. een taal die in de Veneto-regio gesproken wordt
ベネチアの
//
pronoun
1. provincie in Italië
  1. ヴェネツィア
  2. ベネチア
pronoun
ヴェネト州
/ˌvenəzyˈweːla/, /ˌvenəzyˈβ̞ela/, /ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
ベネズエラ
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
  1. イチイ
  2. 櫟
noun
1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
  1. フェンネル
  2. 茴香
noun
1. gedroogde zaden van Foeniculum vulgare
フェンネルシード
noun
1. onderneming of bedrijf met meerdere aandeelhouders
協会
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
窓
noun
バルブ
noun
扇風機
/vɛn.ˈtri.kɔɫ/, /vɛn.ˈtri.kəl/, /vɛn.ˈtri.kəɫ/
noun
1. elk van twee kamers van het hart
心室
pronoun
1. planeet
  1. 金星
  2. ウェヌス
  3. ヴィーナス
noun
ハエトリグサ
adverb
1. op grote afstand
遠い
/vərˈɑxtə(n)/, /vərˈɑçtə(n)/
verb
1. in hoge mate minachten
嫌悪
/vɛ.ˈrɑf.sxy.wə(n)/
verb
1. afschuw hebben voor
ひどく嫌う
verb
1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
  1. 変わる
  2. 変える
noun
1. iets dat anders is geworden
変化
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
責任
verb
1. armer worden
貧しい
adverb
1. als je iets vreemd vindt omdat je het niet verwacht had
びっくりした
/vər.ˈbɑ.nɪŋ/
noun
1. het verbod opgelegd krijgen naar een bepaalde plaats terug te keren
流刑
verb
1. door iets onverwachts gevoelsmatig treffen
驚かす
/vər.ˈbeːɫ.dɪŋ/, /vər.ˈbɪːɫ.dɪŋ/, /vɛr.ˈbeːl.dɪŋ(g)/
noun
2. iets visualiseren, ergens een beeld bij maken
想像
/vərˈbetərə/
verb
2. van fouten ontdoen
正す
/vər.ˈbe.tə,rɪŋ/
noun
1. een verandering ten goede
改善
/vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
禁じる
verb
  1. 1. twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken
  2. 2. met iets of iemand contact maken via de telefoonlijn
繋げる
/vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
3. communicatie
連絡
noun
滞在
noun
1. een plaats waar men, al dan niet noodgedwongen, verblijft
在所
verb
1. verstomd doen staan van verbazing
間誤付く
/vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
禁止
pronoun
  1. 紫禁城
  2. 故宮
verb
1. verteerd worden door vuur of hitte
やけど
noun
燃焼
verb
2. het stelselmatig veranderen van de uitgang van een naamwoord al naargelang de functie van het woord in de zin
働く
/vər.ˈbœʏ̯.χɪŋ/, /vər.ˈbœː.ɣɪŋ/
noun
1. naamwoordsflexie
曲用
adverb
不審
noun
1. iemand die verdacht wordt
被疑者
verb
1. overgaan van een gecondenseerde fase, vast of vloeibaar, naar de gasfase
揮発
verb
1. beschermen tegen een aanval
  1. 守る
  2. mamoru
  3. まもる
noun
防御
verb
1. in kleinere stukken uiteendoen
分ける
verb
1. het vermoeden hebben van iets slechts
疑う
/vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
嫌疑
verb
  1. 1. het recht op een beloning of bestraffing verwerven
    値する
  2. 2. geld verkrijgen door arbeid of een andere prestatie
    稼ぐ
noun
2. goede, opbouwende daad
価値
/vɛr.ˈdi.pə(n)/
verb
1. dieper maken
深める
/vər.ˈdi.pɪŋ/
noun
3. alle ruimten op één hoogte in een gebouw
階
adjective
堕落
verb
1. de pijnprikkel onderdrukken, bijvoorbeeld door het toedienen van een medicijn
麻酔をかける
verb
1. bestand zijn tegen
耐える
noun
1. een gevoel van droefheid
悲しみ
adjective
1. in sombere stemming
  1. 悲しい
  2. kanashii
  3. かなしい
verb
  1. 1. driemaal zo groot maken
  2. 2. driemaal zo groot worden
三倍する
verb
1. in het water omkomen
水死する
/vər.ˈdœʏ̯.stə.rɪŋ/, /vər.ˈdœː.stə.rɪŋ/, /vɛr.ˈdœːs.tə.rɪŋ(g)/
noun
蝕
verb
2. door toevoeging van oplosmiddel de concentratie verlagen
希釈
verb
1. ongemak of lijden verdragen
  1. たえる
  2. 耐える
/vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
1. wegraken
消える
noun
1. het verdwijnen
消失
/vərenˈvʌʊdəχtʃiˌnes/, /vərenˈvʌːdəxtʃiˌnes/
phraseologicalUnit
1. het schrift waarmee het Chinees met name op het vasteland van China geschreven wordt
  1. 簡体字
  2. 簡体字中国語
/vɛrɛɪsə(n)/
verb
1. nodig hebben
  1. 必要がある
  2. 要る
/vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
  1. イギリス
  2. 英国
  3. 連合王国
/vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
アラブ首長国連邦
pronoun
1. unie van Egypte en Syrië van 1958 tot 1961, en de officiële naam van Egypte van 1961 tot 1971
アラブ連合共和国
noun
国際連合
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
アメリカ合衆国
/və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
アメリカ合衆国
verb
1. afzonderlijke delen tot één geheel maken
結合
/və.ˈre.nə.ɣɪŋ/, /və.ˈre.nə.χɪŋ/, /vər.ˈe.ni.ɣɪŋ(g)/
noun
1. groepering van mensen die op een bepaald doel gericht is
協会
verb
1. erger worden of maken
悪い
/vɛrf/
noun
1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
ペンキ
verb
1. mooier maken
飾る
verb
爽やか
noun
勿忘草
noun
仕返し
adjective
1. goed te vergelijken
比較
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
比べる
/vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
2. wiskundige uitdrukking
方程式
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
  1. 忘れる
  2. wasureru
  3. わすれる
verb
1. vergiffenis schenken
容赦
/'vɛrxəvɔrdərt/
adjective
1.
上級
/vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
毒
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
毒害
noun
de toestand van vergiftigd worden
中毒
verb
1. eerste betekenisomschrijving
過つ
noun
1. bolle lens waardoor de voorwerpen die men bekijkt groter lijken
拡大鏡
/vər'xœyzə(n)/
verb
1.
謗る
noun
1. een officiële (noodzakelijke) toestemming om een bepaalde activiteit uit te voeren
免許
/vər'ɦal/
noun
1. verslag (mondeling of schriftelijk) van een waargebeurde of verzonnen gebeurtenis
物語
noun
論文
noun
1. het onjuiste gebruik van een woord of uitdrukking
マラプロピズム
verb
1. voorkomen, ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
阻む
noun
1. een indringende ondervraging van een gevangene of verdachte
尋問
/vərˈɦɔʊ̯.dɪŋ/, /vərˈɦʌʊ̯.dɪŋ/, /vɛrˈhaʊ̯.dɪŋ/
noun
    1. 2. de betrekking van personen onderling
    2. 3. een intieme, duurzame relatie tussen twee personen
    割
  1. 1.
    割合
verb
  1. 1. van woonplaats veranderen
  2. 2. de inboedel van een ander overbrengen
引っ越す
/vərˈhœʏzɪŋ/, /vərˈhœːzɪŋ/
noun
1. de verwisseling van één (semi-) permanente woonplaats voor een andere
引っ越し
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
誕生日
verb
1. jonger maken
若返る
/vər'jɔŋɪŋ/
noun
2. vernieuwen van de (levens)krachten
若返り
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
交通
noun
1. gestandaariseerd bord met aanwijzingen voor mensen in het verkeer
道路標識
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
信号機
noun
  1. 2. militaire verkenning
    偵察
  2. 探検
verb
1. iemand door een stemming een ambt doen toekomen
選挙
/vər.ˈki.zɪŋ/, /vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
選挙
/vɛrˈklarə(n)/
verb
1. duidelijk maken
説明する
/vər.ˈkla.rɪŋ/, /vɛr.ˈkla.rɪŋ(g)/
noun
  1. 1 het verklaren
  2. 2. plechtige bekendmaking
  3. 3. opheldering
  4. 4. schriftelijk stuk
宣言
/vərˈklɛɪ̯nʋɔːrt/
noun
1. woord waardoor iets als klein of weinig wordt voorgesteld
指小辞
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
販売
/vərˈkopə(n)/
verb
1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
  1. 売る
  2. うる
  3. 販売
  4. うりだす
  5. はんばい
  6. 売り出す
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
売り手
noun
1. een virusinfectie aan keel of neus
風邪
verb
1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
レイプ
noun
1. een seksuele daad onder dwang
強姦
verb
1. in bezit krijgen, verwerven
取得
/vər'lɑmə(n)/
verb
1. van het vermogen zich te bewegen beroven
麻痺する
noun
1. toestand waarin men niet is staat is zich te bewegen
まひ状態
noun
1. iets willen hebben
願望
verb
1. weggaan
出発
noun
1. de voorafgaande tijd
過去
noun
過去形
verb
1. tot kwaad brengen
誘惑する
/vər.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/, /vər.ˈlɛː.dɪŋ/, /vɛr.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het verleiden van iets of iemand
誘惑
/vərlenə(n)/
verb
1. iemand begunstigen met iets, iemand iets toestaan
叶える
/vər.ˈlɛ.ŋɪŋ/, /vɛr.ˈlɛ.ŋɪŋ/
noun
  1. 3. extra speeltijd
    延長戦
  2. 1. dat waarmee iets verlengd is
    牽引
noun
elektrisch snoer voorzien van stekker en contrastekker
テーブルタップ
noun
1. het teloorgaan, kwijtraken
損失
verb
  1. 1. iets kwijt raken
    失う
  2. 2. niet winnen
    1. 負ける
    2. makeru
    3. まける
noun
1. iemand die in een spel, wedstrijd, onderhandeling of oorlog verliest
敗者
noun
帰休
noun
1. iets wat heel aantrekkelijk is, maar verkeerd en zondig is
誘惑
adjective
婚約
noun
1. iemand die toegezegd heeft met een partner in het huwelijk te willen treden
  1. フィアンセ
  2. 婚約者
noun
2. de beroepsmatige begeleiding tijdens iemands zwangerschap en de bevalling
産科学
/vər.ˈlɔ.sɪŋ/, /vɛr.ˈlɔ.sɪŋ/
noun
1. de bevrijding van de gevolgen van de zonden van de mens door het geloof in Jesus
救い
verb
1.aan lichaamsgewicht verliezen
痩せる
verb
1. een feit noemen in een verhaal of tekst
について話す
noun
言及
verb
1. het herhaald optellen van een getal; een rekenkundige bewerking waarvan de uitkomst het product wordt genoemd
掛ける
/vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
  1. 乗法
  2. 掛け算
/vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
避ける
noun
2. naar oranje zwemende dieprode kleur
  1. 朱
  2. 朱色
verb
1. iemands lichaam blijvend en misvormend letsel toebrengen
ばらばら
noun
1. een waarschijnlijke waarheid
予想
verb
1. een gedachte koesteren waarvan men niet zeker is maar die een zekere waarschijnlijkheid inhoudt
推測する
noun
疲れ
/vərˈmoχə(n)/
noun
2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen
  1. 仕事率
  2. shigotoritsu
  3. しごとりつ
noun
1. attributen die iemand draagt om de ware identiteit te verhullen
変装
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
殺す
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
ベルモット
adjective
1. van iets dat het je eer aantast
屈辱的
noun
1. einde maken aan het bestaan van iets
破壊
noun
想像
verb
1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
断罪
verb
1. de oorzaak zijn van
原因となる
/vərˈʌʊdərə(n)/
verb
1. ouder worden
老いる
/vərovərə(n)/
verb
1. een gebied door een militaire operatie in zijn macht nemen
やっつける
noun
征服
noun
1. het materiaal waarin iets verpakt is
包装
noun
  1. 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
  2. 2. een deskundige in de verpleegkunde
ナース
adjective
1. door iets of iemand gedwongen
義務的
verb
1. tot regel maken dat iets moet
強いる
/vər.ˈplɪx.tɪŋ/, /vər.ˈplɪχ.tɪŋ/, /vɛr.ˈplɪx.tɪŋ(g)/
noun
1. iets dat moet
義務
/vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
反逆
verb
2. een geheim prijsgeven
裏切る
noun
1. iemand die verraad pleegt
裏切り者
/və.ˈra.sɪŋ/, /və.ˈrɑ.sɪŋ/, /vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
驚き
/ˈvɛrəˌkɛːkər/, /ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
双眼鏡
verb
1. rijker maken
富ます
adjective
2. niet ingeblikt, niet diepgevroren
新鮮
noun
  1. 1. gedicht
  2. 2. dichtregel
  3. 3. couplet
節
/vər'sxɛɪnə(n)/
verb
1. aan het licht treden, zichtbaar worden
現れる
noun
出現
/vɛrsxɛɪnsəɫ/
noun
1. iets dat zich voordoet
現象
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
違い
/ˈfɛrsi/
noun
  1. 1. specifieke vorm of variant van een uitgave
  2. 2. bepaalde verklaring of interpretatie van een gebeurtenis
バージョン
noun
1.iemand die verslaafd is aan iets
中毒者
verb
1. een definitieve overwinning boeken op een tegenstander
負かす
/vərˈslɑx/
noun
1. bericht over een gebeurtenis of toestand
レポート
verb
1. te lang blijven slapen met als gevolg dat men een afspraak mist
寝坊
/vər.ˈsla.vɪŋ/, /vɛr.ˈsla.vɪŋ(g)/
noun
1. een toestand waarin een persoon fysiek en/of mentaal van een gewoonte of stof afhankelijk is
依存症
verb
1. slechter worden
悪い
verb
1. een grotere snelheid (doen) bereiken
促進
noun
1. toename van het tempo
加速
noun
1. een schakelinrichting aan een motorvoertuig om van de ene naar de andere versnelling te gaan
ギアボックス
noun
te controlerende vertalingen
分別
verb
1.
石化
verb
2. het aantal vergroten
補強
noun
1. signaalversterker
アンプ
/vər.ˈstɛr.kɪŋ/, /vɛr.ˈstɛr.kɪŋ(g)/
noun
3,4. signaalversterking
増幅
noun
1.
窒息
/vərˈstɔ.pər.tjə/
noun
かくれんぼ
verb
1. ter beschikking stellen
届ける
noun
1.
捻挫
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
翻訳する
/vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
  1. 翻訳
  2. 通訳
/ˈvɛrtə/
noun
1. het gebied dat nog net binnen zichtsafstand is
遠方
verb
1.
  1. daihyou suru
  2. だいひょうする
  3. 代表する
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
代表
noun
1. een verhaal dat bedoeld is om verteld te worden
物語
verb
1. voedsel afbreken
消化
adverb
上下
noun
2. de actie van het vertrekken of weggaan
  1. 出発
  2. 発車
verb
1. weggaan
出発
noun
出発時刻
noun
慰め
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
  1. 信頼
  2. 信
verb
ぼかす
noun
1 verslechteren
腐敗
/vər.ˈvɑɫ.sɪŋ/, /vɛr.ˈvɑl.sɪŋ(g)/
noun
1. een artefact opzettelijk nagemaakt om mensen in de waan te brengen dat het echt is
  1. gizou
  2. ぎぞう
  3. 偽造
/vər'vɑŋə(n)/
verb
1. het ene de plaats doen innemen van het andere
  1. 取り換える
  2. torikaeru
  3. とりかえる
noun
(taikutsu)
verb
1. met verf bestrijken
塗る
verb
1. iets viermaal zo groot maken
四倍
/vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /vər.ˈvu.χɪŋ/, /vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
活用
noun
1. voorwerp bestemd om personen of goederen naar een andere plaats te brengen
輸送手段
/vər'vɔlɣən/
verb
2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
迫害
noun
2. het vervolgen of vervolgd worden
迫害
verb
1. vreemd maken, van eigenaar doen wisselen
ハブ
verb
1. het (doen) uitkomen van een voorspelling of belofte
実施
adjective
1. niet de moeite om zich met iets bezig te houden
取るに足らない
verb
1. ergens van uitgaan
  1. 予想する
  2. 期待する
/vər.ˈʋɑχ.tɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑx.tɪŋ/, /vɛr.ˈwɑx.tɪŋ(g)/
noun
datgene wat verwacht wordt
期待
noun
2. overeenkomst, affiniteit
関係
/vər.ˈʋɑr.mɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑr.mɪŋ/, /vɛr.ˈwɑr.mɪŋ(g)/
noun
2. een installatie die voor het verwarmen zorgt
暖房
adjective
甘やかす
/vərˈʋɛrkə(n)/
verb
1. een grondstof of halffabrikaat gebruiken om een eindproduct te vervaardigen
会得
noun
1. het verkrijgen van iets
獲得
noun
1. het verwijderen
排除
/vər'wɛift/
adjective
1.
女々しい
adverb
野生化
noun
1. lichamelijk letsel
怪我
noun
飽和
verb
1. bijeenbrengen
集まる
/vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
2. wiskundige verzameling
集合
/vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
保険
noun
1. handelingen gericht tegen de heersende macht of de aanvallende vijand
敵対
verb
1. aan iemand vragen iets al dan niet te doen
求める
noun
1.zuur worden van het milieu
酸性化
/vɛrzʋɑkə(n)/
verb
  1. 1. zwakker maken
  2. 1. zwakker worden
弱くする
noun
1. een mouwloos jasje, te dragen onder de jas van het kostuum
チョッキ
noun
要塞
adjective
1. dik, vet inhoudend
太った
noun
1. gladde, zeer vette vloeistoffen, smeermiddelen
  1. 脂肪
  2. 油脂
noun
1. veto
拒否
/ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
脂肪酸
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
  1. スキッド
  2. 子馬
noun
1.
旗章学
noun
1. een vezel is een lang, dun filament waarvan de lengte ten minste drie keer groter is dan de doorsnede
繊維
noun
1. marimba met metalen toetsen en vibratosysteem
ビブラフォン
noun
副大統領
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
ビクトリア
/viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
  1. 四
  2. し
  3. よっつ
/ˈviːrdə/
ordinalAdjective
1. nummer vier in een rij
四番
verb
1. een feest vieren
祝う
cardinalNumeral
1. het getal 34
三十四
cardinalNumeral
1. het getal 84
八十四
cardinalNumeral
1. het getal 24
二十四
cardinalNumeral
1. het getal 44
四十四
cardinalNumeral
1. het getal 54
五十四
cardinalNumeral
1. het getal 64
六十四
/ˈvirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 74
七十四
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
四角形
/ˈviː.rɪŋ(g)/, /ˈviː.rɪŋ/
noun
1. het vieren
お祝い
adjective
1. met de vorm van een vierkant
正方形
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
正方形
noun
1.
  1. 平方メートル
  2. 平米
noun
1. dat getal dat met zichzelf vermenigvuldigd een gegeven getal oplevert
平方根
pronoun
ルツェルン湖
adjective
1. smerig
  1. 汚い
  2. 汚れる
pronoun
ベトナム
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
ベトナム語
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
  1. 敵
  2. teki
  3. てき
adjective
1. zich als een vijand gedragend
敵
noun
1. een toestand van op voet van oorlog zijn
敵対
/vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
  1. 五
  2. 五つ
  3. いつつ
/ˈvɛɪ̯f.də/, /ˈvɛɪ̯v.də/, /ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
五番目
cardinalNumeral
1. het getal 35
三十五
cardinalNumeral
1. het getal 95
九十五
cardinalNumeral
1. het getal 85
八十五
cardinalNumeral
1. het getal 25
二十五
cardinalNumeral
1. het getal 45
四十五
cardinalNumeral
1. het getal 55
五十五
cardinalNumeral
1. het getal 65
六十五
/ˈvɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 75
七十五
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
五角形
noun
1. atletiekmeerkamp met vijf onderdelen
ペンタスロン
/ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
十五
ordinalAdjective
十番目五番目
noun
十五角形
/ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
五十
noun
1.
代
ordinalAdjective
五番目十番目
noun
1. vrucht van de vijgenboom
イチジク
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
鑢
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
池
noun
A 1. een vat waarin met een stamper stoffen fijngestampt kunnen worden
すり鉢
noun
door langdurig bewerken verdichte wol
フェルト
/vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
鰭
/'vɪndə(n)/
verb
1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
見つける
noun
1. extremiteiten van de hand
  1. 指
  2. ゆび
/ˈvɪ.ŋər.ˌɑf.drʏk/, /ˈvɪ.ŋər.ˌɑv.drʏk/
noun
1. een afdruk op een oppervlak van een vinger met meestal de unieke, persoonsgebonden figuur...
指紋
noun
1. bepaalde grassoort, Eleusine coracana
シコクビエ
/'vɪŋərˌɦut/
noun
1. hard dopje dat het eerste kootje van de vinger beschermt bij het naaien
  1. 指貫
  2. 指ぬき
noun
ジギタリス
noun
topje van een vinger
指先
noun
ズアオアトリ
noun
ビンテージ
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
紫色
noun
1. musicus die een viool bespeelt
ヴァイオリニスト
noun
1. strijkinstrument
  1. バイオリン
  2. ヴァイオリン
noun
1. vioolsleutel
ト音記号
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Viola
菫
noun
1.
ウイルス学
adjective
1.
バーチャル
noun
ヴィルトゥオーゾ
/virəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
  1. ウイルス
  2. 病毒
noun
  1. 2. het vlees van een vis
    魚
  2. 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
    1. 魚
    2. さかな
    3. うお
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
ミサゴ
noun
1. stroperigheid van een vloeistof of gas
粘度
noun
1. de wijze waarop men zaken beoordeelt of beschouwt
意見
noun
1. een droombeeld
啓示
noun
1. vlechtwerk van touw om zeedieren te vangen of in water te bewaren
漁網
noun
1. vloeibare substantie gemaakt van vergiste vis
ナンプラー
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
  1. うお座
  2. 魚座
verb
  1. 1. proberen te vangen
  2. 2. proberen te weten te komen
釣る
noun
1. iemand die beroepsmatig vist
漁師
noun
漁船
noun
白身魚のフライ
/vizyʋel/
adjective
1. betreffende het zicht, betreffende het zienbare
ビジュアル
noun
ビザ
noun
元気
noun
1. een stof die het lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft, maar niet of bijna niet door het lichaam zelf aangemaakt kan worden en derhalve in voldoende mate via voedsel of supplement ingenomen moet worden
ビタミン
noun
  1. 1. een richttoestel op de loop van een vuurwapen
    サイト
  2. 1. minister of hoog staatsdienaar
    宰相
adjective
1. betrekking hebbende op Vlaanderen of de Vlamingen
フラマン語
pronoun
1. Nederlands zoals dat in Vlaanderen gesproken wordt
フラマン語
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
懸巣
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
フランドル
/vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
  1. 旗
  2. はた
noun
1. een slinger van vlaggen
帆綱
/ˈvlɑɣəˌsxɪp/
noun
1. schip waarop zich de bevelvoerder over een vloot of eskader bevindt
旗艦
/vlɑk/
adjective
1. zonder bergen of dalen
水平
noun
stuk rubber dat door wrijven potloodschrift van papier kan verwijderen
消しゴム
noun
1. gebied met weinig of geen hoogteverschillen
平野
noun
1. kleinste vorm van vuur
  1. 炎
  2. honoo
  3. ほのお
noun
アーク炉
noun
亜麻
noun
1. een gebonden pluk haar
三つ編み
/ˈvlɛx.tə(n)/, /ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
編む
noun
1. klein vliegend zoogdier
  1. 蝙蝠
  2. コウモリ
noun
  1. 1. spierweefsel van bepaalde organen
  2. 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
肉
noun
1. een vleesetend dier
肉食動物
noun
1. een vieze plek
染み
noun
  1. 5. een deel van een leger
    翼
  2. 1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
    1. 翼
    2. tsubasa
    3. つばさ
noun
1.iemand die bevelen van een hoger geplaatst persoon overbrengt
副官
noun
1. gevleugelde vrucht
翼果
/vlix/, /vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
  1. 蝿
  2. 蠅
noun
フライアッシュ
noun
1. een militair vliegveld
軍用飛行場
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
  1. 航空母艦
  2. 空母
/ˈvli.ɣə(n)/, /ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
飛ぶ
noun
1. Lucanus cervus, een kever uit de familie vliegende herten
クワガタ
noun
1. benaming voor zeevissen uit de familie Exocoetidae
トビウオ
noun
1. een apparaat om een vlieg mee dood te slaan
蠅叩き
noun
1. bepaald soort paddenstoel, Amanita muscaria
ベニテングタケ
noun
1. een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
凧
/ˈvlixtœːx/, /ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
  1. 飛行機
  2. 航空機
/ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
飛行場
noun
1. sneldraaiend wiel met grote massa
フライホイール
pronoun
フリーラント
noun
接骨木
/'vlirbɛs/
noun
1. bessen van de gewone vlier
接骨木
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
  1. 蝶
  2. 蝶々
  3. チョウ
noun
ボウ
noun
1.
バタフライネット
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
  1. 蚤
  2. ノミ
noun
1. verhoging van de waterstand
満潮
noun
1.
大動揺
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
液体
/ˈvlujə(n)/
verb
1. zacht stromen
注ぐ
adjective
2. zonder haperingen een taal kunnen spreken
すらすら
noun
2.
吸い取り紙
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
  1. 液体
  2. ekitai
/vlur/
noun
床
noun
フリーマーケット
/vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
フリート
noun
1. een drijvende constructie
いかだ
noun
1. het zich door luchtruim bewegen
飛行
/'vlɵxtəlɪŋ/
noun
1.
難民
/vlɵxtə(n)/
verb
1. (onovergankelijk) trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
逃げる
noun
1.
便名
pronoun
1. wereldwijde organisatie waarin alle landen kunnen samenwerken
国連
noun
1. de vijfde naamval waarin een naamwoord staat dat aanduidt tot wie het woord wordt gericht
呼格
adjective
湿っぽい
noun
1. de mate van vocht
湿気
verb
1. van voedsel voorzien
食べる
noun
1. toevoeging aan voeding
食品添加物
noun
1. voedingsmiddel dat bedoeld is als aanvulling op de normale voeding
サプリメント
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
食品
/ˈvuxʋoːrt/
noun
接続詞
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
感じる
/vur/
noun
1. voedsel, inzonderlijk voor huisdieren en vee
餌
/ˈvuː.rɪŋ(g)/, /ˈvuː.rɪŋ/
noun
1. de binnenbekleding van een voorwerp
裏地
pronoun
sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
ぎょしゃ座
/ˈvuːrtœx/, /ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
  1. 乗り物
  2. 車両
noun
  1. 1. voortzetting van het been beneden de enkel
  2. 3. oude lengtemaat
  1. 足
  2. フィート
/ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
  1. サッカー
  2. 蹴球
noun
1. een persoon die de sport voetbal beoefent
サッカー選手
noun
サッカー場
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
歩行者
/'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
小道
noun
足跡
noun
1. een onderstel voor o.a. beelden en vazen
台座
/ˈvoːɣəl/, /ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
  1. 鳥
  2. とり
  3. tori
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
  1. カモノハシ
  2. 鴨嘴
verb
野鳥観察
noun
ハコベ#主な種
noun
1. gezien vanuit de lucht; gezien vanuit de positie van een vliegende vogel
鳥瞰
noun
1. grote behaarde spin die leeft in de tropische streken
大土蜘蛛
noun
1. manshoge pop
かかし
noun
1. het geluid dat vogels maken
さえずり
pronoun
1. gebergte
ヴォージュ県
noun
ボイスオーバー
/vɔl/, /vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
一杯
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
ヴォラピュク
adverb
1. tot bevrediging
十分
indefinitePronoun
1. toereikend, genoeg
十分
/'vɔlxə(n)/
verb
1. achterna gaan
追う
adjective
1. dat later komt
次の
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
によると
adjective
1.
おとなしい
/vɔlk/
noun
1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
民族
pronoun
国際連盟
noun
ジェノサイド
noun
1.
民間語源
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
国歌
noun
人民共和国
/'vɔlkstɛlɪŋ/
noun
1.
人口調査
/ˈvɔlks.tœʏn/
noun
2. moestuin beschikbaar gesteld aan stadsbewoners
家族菜園
noun
1. verhaal dat (ook) mondeling wordt overgedragen
昔話
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
満月
noun
1. de fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
満月
noun
  1. 2. bal
    バレーボール
  2. 1. spel
    1. バレーボール
    2. 排球
/vɔlˈmaːkt/
adverb
1. zonder enig gebrek
申し分のない
verb
1. overvol maken door er nog iets bij te duwen
詰め込む
noun
ボルト
adverb
1.
フルタイム
noun
1. spanningmeter
ボルトメーター
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
過去分詞
noun
現在完了
verb
1. ten einde brengen
終える
noun
到達
noun
  1. 1. ruimtelijke capaciteit
  2. 3. fysieke informatiedrager
ボリューム
noun
1. iemand die volgroeid is
大人
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
火花
noun
1. een beslissing van een rechter in dagvaardingsprocedures
判決
noun
1. Haïtiaanse religie
ブードゥー教
/voːxt/
noun
1. belangenbehartiger van minderjarige
保護者
/vor/
preposition
  1. 1. dichterbij dan
  2. 4. eerder in tijd
の前に
noun
1. iets ter navolging
  1. 例
  2. 例え
verb
1. handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
支度する
/ˈvor.bə.rɛɪ̯.dɪŋ(g)/, /ˈvor.bə.rɛː.dɪŋ/, /ˈvo̝r.bə.rɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het voorbereiden
準備
/vorˈbɛɪ̯ɣan/, /vorˈbɛːɣan/, /vo̝rˈbɛɪ̯χan/
verb
  1. 1. langs een bepaald punt gaan.
  2. 2. tot verleden gaan behoren
経つ
/ˈvorbodə/
noun
1. vooruitgestuurde bode (letterlijk)
前触れ
noun
1. doorwaadbare plaats
浅瀬
noun
  1. 1. profijt
  2. 2. aangename eigenschap
  3. 3. (tennis)
優位
noun
1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
前任者
noun
予感
adverb
永久に
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
  1. 額
  2. お凸
noun
1. voorhuid van penis
包皮
/vorɪ'nxənomə(n)/
adjective
1.
偏った
noun
1. de lente
春
noun
1. het opruimen en poetsen van een woning in het voorjaar
スプリングクリーニング
/vorkɑnt/
noun
1. een van de zijden van een voorwerp, namelijk dewelke naar voren gericht is
前
/ˈvoːrkør/
noun
1. de neiging tot kiezen van het één boven het ander
選択
/'vɔːr.ko.mə(n)/, /vɔːr.'ko.mə(n)/
verb
1. met regelmaat ergens te vinden zijn
ある
verb
1. hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
読む
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
名前
/ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
  1. 代名詞
  2. だいめいし
  3. daimeishi
adverb
1. in hogere mate
おも
noun
偏見
noun
1. iemand van wie afgestammen wordt
先祖
noun
1. glazen vlak aan de voorkant van een voertuig dat zorgt voor zicht op de weg en bescherming tegen weer en wind
フロントガラス
/'vɔːrsxrɛɪvə(n)/
verb
1. een schriftelijke opdracht geven
処方
noun
2.
プレシーズン
noun
3. liefdesspel als opmaat voor seks
前戯
adjective
1. van tevoren te verwachten
予測
noun
1. de mate waarin het mogelijk is betrouwbare voorspellingen te doen
予測可能性
verb
1. een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
予言
noun
予報
noun
繁栄
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
提案
verb
1. een plan voorleggen
申し込む
adverb
1. van nu af aan, in het vervolg
今後
noun
1. signaal dat aan een gebeurtenis voorafgaat
前兆
verb
1. in hoog tempo aan iets werken
急ぐ
noun
1. het voortzetten van iets
継続
noun
1. het proces van technologische en economische groei van een samenleving
進歩
noun
1.
祖先
noun
1. iemand die ergens een voorstander van is en zich daarvoor actief inzet
擁護者
verb
1.
予熱
noun
1.
尿道球腺液
/ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
接頭辞
noun
1. omstandigheid die noodzakelijk is of gemaakt wordt wil iets anders plaats of...
前提
verb
装う
noun
1. een object, iets dat fysiek bestaat
  1. 物
  2. 物体
noun
1. een soort van aandrijfmechanisme, waarbij de motorkracht op de voorwielen wordt uitgeoefend
前輪駆動
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
前置詞
/vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
念入り
/vɔːr.'zin/
verb
  1. 1. herkennen als toekomstige ontwikkeling
    予測
  2. 2. beschikbaar maken, voorzorgen treffen voor
    供給
noun
表
noun
1. hoofd van een bestuur, leider van een vergadering
議長
/vɔɾ.dǝ.ɾɪŋ/
noun
1. vooruitgang, progressie
進歩
indefiniteOrdinalNumeral
1. degene die of datgene dat eerder een positie innam
前
noun
  1. 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
  2. 1. aftakking van een boomtak of van een weg
  3. 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
フォーク
noun
1. ruimtelijke begrenzing van een voorwerp
型
/vɔrst/
noun
2. weersomstandigheden
霜
noun
1.
侯国
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
  1. 狐
  2. きつね
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
こぎつね座
noun
1. bepaald soort plant, Vaccinium vitis-idaea
コケモモ
verb
折る
noun
窃視症
/vra:x/, /vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
  1. 質問
  2. shitsumon
  3. しつもん
noun
1. een leesteken (?) dat men aan het eind van een zin plaatst om deze vragend te maken
疑問符
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
貨物船
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
トラック
noun
トラック運転手
/ˈvraɣə(n)/, /ˈvraχə(n)/
verb
  1. 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
    1. 尋ねる
    2. 聞く
    3. 頼む
  2. 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
    1. 頼む
    2. 尋ねる
    3. 聞く
noun
1. ontbreken van oorlog
平和
noun
1.
平和時代
noun
1. iemand die afkomstig is uit een ander gebied of land dan dat waar hij verblijft
外国人
verb
1. het nuttigen van voedsel op een meestal onbeleefde wijze
食らう
noun
1. een blij gevoel
  1. 喜び
  2. 楽しみ
/ˈvrøx.də.ˌvyːr/, /ˈvrøɣ.də.ˌvyːr/, /ˈvrøχ.də.ˌvyːr/
noun
1. een groots door mensen opgebouwd en gecontroleerd vuur om iets te vieren
かがり火
/ˈvrezə(n)/
verb
1. bang zijn, angst hebben
畏れる
noun
1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
  1. 友人
  2. 友達
adjective
1. met het nodige respect
優しい
noun
2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
女友達
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
  1. 友情
  2. 友好
/vrispʌnt/
noun
凝固点
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
空き
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
  1. 金曜日
  2. 金曜
adjective
1. een ongehuwde man of vrouw
独身
noun
1. een ongehuwde man of vrouw
独身者
noun
自由貿易
/ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
自由
noun
1. krijger, rebel of activist die zich inzet voor de vrijheid van zijn of haar onderdrukte volk, en door de vijand vaak gezien als terrorist of militant
自由戦士
verb
1. toestaan om uit gevangenschap weg te gaan
釈放
noun
放免
noun
自由国
adjective
1. niet gedwongen
任意の
/ˈvrud.vrɑu/
noun
1. een vrouw die een bevalling begeleidt
助産婦
adjective
  1. 2. eerder dan verwacht
  2. 1. aan het begin
早い
/ˈvruxər/, /ˈvruɣər/
adverb
1. (zoals) in het verleden
嘗て
adjective
1. in goede stemming
明るい
noun
1.
篤信
noun
  1. 1. een volwassen vrouwelijke mens
    1. 女
    2. 女性
    3. 女の人
  2. 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
    1. 妻
    2. 夫人
    3. 女性
adjective
女性
noun
1.
  1. 女らしさ
  2. 女性性
noun
1. een man die veel vrouwen verleidt
漁色家
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
果実
/'vrɵɣbar/
adjective
1. in staat vrucht af te werpen
肥沃
/ˈvrʏxtə(n)ˌsɑp/, /ˈvrʏχtə(n)ˌsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
  1. フルーツジュース
  2. 果汁
noun
羊水
/vœy̯l/
adjective
1. niet schoon
汚い
/vœy̯l/
noun
viezigheid, onreine materie
汚物
/'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
ごみ入
noun
1. gebalde hand
拳
adjective
下品
noun
火山
verb
加硫
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
火山学
verb
1. vol maken
埋める
/ˈvʏl.pɛn/, /ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
万年筆
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
陰門
/vy.rə(n)/
verb
1. schoten lossen
撃つ
/vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
  1. 火
  2. ひ
  3. hi
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
ティエラ・デル・フエゴ
noun
1.
燧石
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
灯台
noun
1. een wapen dat een kogel schiet met behulp van een chemische ontploffing
ファイアアーム
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
花火
noun
1. een Zuid-Afrikaans blaasinstrument
ブブゼラ
noun
1. iemand die veel durft
命知らず
/'ʋajə(n)/
verb
1. plaatsvinden van een sterke luchtstroming
吹く
noun
1. scherm in halve schijfvorm
扇子
/ˈʋakɦɔnt/
noun
1. een hond die het huis of een erf bewaakt
番犬
noun
1. een klein vlammetje dat continu brandt in een geiser, gaskachel, gasfornuis of cv-ketel, dat ervoor zorgt dat het gas vrijwel direct ontbrandt wanneer de gaskraan van een brander wordt geopend
種火
adverb
1. oplettend
注意深い
/wal/
noun
(demoniem) 1. bewoner of iemand die afkomstig is uit Wallonië
ワロン人
adjective
1. betrekking hebbend op Wallonië of de Walen
ワロン語
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
ワロン語
noun
1. het lijden aan een geestesstoornis
狂気
/ʋar/
adverb
1. op welke plaats
  1. どこ
  2. 何処
/ʋaːrt/
noun
A 1. baas van een herberg, taveerne of café
値する
noun
価値
/ˈʋardəˌlos/
adjective
1. geen waarde hebbend
無価値
/'ʋardəˌvɔl/
adjective
1. een grote waarde hebbend
貴重
noun
1. dat wat waar is
  1. 真理
  2. shinri
  3. しんり
verb
1. iets via de zintuigen in zich opnemen
感知
noun
1. iets via de zintuigen registreren
観察
/ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
  1. 何故
  2. どうして
  3. なんで
adverb
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
たぶん
/'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
警告
/ˈʋɑx.tə(n)/, /ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
待つ
/ˈʋɑxtlɛɪst/
noun
1. een lijst met wachtenden
順番待ちの名簿
noun
1. een aantal elementen die in een bepaalde volgorde op een gebeurtenis wachten
キュー
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
  1. パスワード
  2. 合言葉
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
ワン
noun
1. plat gebak dat vervaardigd wordt in een wafelijzer
ワッフル
noun
1. een toestel waarin wafels gebakken worden
ワッフルメーカー
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
noun
2. een auto
車
noun
1. reisziekte
車酔い
/ˈwa.kə(n)/, /ˈʋa.kə(n)/, /ˈβ̞a.kə(n)/
verb
2. wakker zijn
起きる
/'ʋɑkflɑktə/
noun
1. groot ijsvrij gebied te midden van pakijs
ポリニヤ
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
ウェールズ
pronoun
1. een speciale hemel in de Noorse mythologie, voorbehouden voor de gesneuvelden in de strijd
ヴァルハラ
noun
1. een draagbare radio en/of CD-speler met koptelefoon
ウォークマン
noun
ワラビー
/wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
  1. セイウチ
  2. 海象
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
  1. クジラ目
  2. 鯨
pronoun
1. zeehaven in Namibië
ウォルビスベイ
/ʋɑnt/
noun
壁
noun
1. een misdaad, een slechte of gruwelijke handeling
乱暴
noun
1. een van de beenderen van de schedel
頭頂骨
/ˈʋɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het lopend afleggen van een bepaalde afstand
徒歩
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌsχun/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌsxun/
noun
1. een schoeisel dat speciaal geschikt is om grote wandelingen mee te maken
ハイキングブーツ
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
  1. 頬
  2. 頬っぺた
noun
1. een slecht en lelijk mens of dier
怪異
/ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
絶望
verb
1. onvast op de voeten staan, dreigen te vallen
よろめき
/ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
  1. いつ
  2. 何時
noun
1. een ongeregelde toestand met gebrek aan orde
混乱
noun
1. het niet nakomen van een overeenkomst
違約
/ʋɑnt/
noun
1. handschoen
ミトン
verb
1. niet vertrouwen
不信
/ˈʋaːpən/
noun
  1. 1. een werktuig van geweld
    1. 武器
    2. 兵器
  2. 2. een wapenschild
    紋章
noun
武器商人
noun
1. een korte tekst die de bedoeling van iets weergeeft
モットー
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
休戦
noun
軍備拡張競争
noun
1. een grote winkel die een uitgebreid assortiment aan goederen verkoopt
デパート
/ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
暖かい
noun
2. de hoeveelheid thermische energie.
熱
noun
1. een front waar een luchtmassa met relatief warme lucht over een gebied schuift waar koude lucht ligt
温暖前線
noun
1. een verwarmingsinstallatie die via mechanische arbeid warmte onttrekt aan een koude omgeving en deze toevoert aan een warmere omgeving
ヒートポンプ
noun
熱交換器
pronoun
1. hoofdstad van Polen
ワルシャワ
/ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
  1. 蝋
  2. ワックス
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
  1. 狸 - tanuki
  2. アライグマ
noun
1. Nyctereutes procyonoides, een zoogdier en roofdier uit de familie Canidae
タヌキ
noun
  1. geribbeld bord waarop men de was kan doen
  2. muziekinstrument
  3. onverharde weg met veel overdwarse ribbels
洗濯板
noun
1. een toestel om de kleding die uit de wasmachine komt te drogen
乾燥機
/ˈwɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈʋɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈβ̞ɑs.knɛː.pər/
noun
1. een knijper die gemaakt is van hout of plastic om nat wasgoed aan een waslijn te klemmen
洗濯ばさみ
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
洗濯機
noun
1. zeep in een vorm om kleding en ander textiel in water te reinigen
洗剤
/'ʋɑsə(n)/
verb
    1. 1. iets schoonmaken
    2. 2. zichzelf schoonmaken
    洗う
    1. 3. groeien
    2. 4. in de was zetten
    満ちる
noun
1. een plaats waar men kleding en textiel kan (laten) wassen (zonder personeel)
コインランドリー
/ʋɑt/
interrogativePronoun
vragend voornaamwoord
何
phraseologicalUnit
1.
あなたの名前はなんですか?
noun
フトモモ
noun
1. een bed waarvan het matras gevuld is met water
ウオーターベッド
noun
1. wetenschap die zich richt op ontwerp en beheer van waterbouwkundige werken
水利工程
noun
1. Bubalus bubalis, een tot de runderen behorend trekdier...
水牛
noun
  1. 水蒸気
  2. 蒸気
  3. じょうき
adjective
1. ondoordringbaar voor water
防水
noun
ミツガシワ
/ˈʋaːtərən/
verb
3. waterachtig vocht afscheiden
分泌液を出す
noun
浄水器
noun
1.
  1. waterway
  2. 水路
/ˈwatərˌɣlɑtɦɛɪ̯t/, /ˈʋatərˌχlɑtɦɛɪ̯t/, /ˈβ̞atərˌɣlɑtɦɛːt/
noun
1. verschijnsel waarbij een dunne waterfilm ontstaat.
ハイドロプレーニング現象
noun
1.1 bepaald soort watervogel, Gallinula chloropus
バン
adjective
2. uitziend alsof men tranen in de ogen heeft
水っぽい
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Rorippa
クレソン
noun
1. een leidingnetwerk om drinkwater vanuit een waterreservoir naar de verbruiker te vervoeren
上水道
/ˈwatərˌlɛin/
noun
2. de grens tussen onderwaterschip en bovenwaterschip
喫水線
pronoun
1. gemeente en plaats in Waals-Brabant
ワーテルロー
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
  1. 水瓶座
  2. みずがめ座
/ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
  1. スイカ
  2. 西瓜
  3. すいか
noun
水位標
noun
2. een molen die door stromend water aangedreven wordt
水車小屋
noun
bepaald soort eenjarige waterplant met eetbare knollen, Trapa natans
ヒシ
noun
タデ
noun
シーシャ
noun
1. pistool waaruit een straal water kan spuiten
水鉄砲
noun
2. goedaardige infectieziekte die gepaard gaat met het verschijnen van rode vlekjes op de huid die daarna overgaan in jeukende blaasjes
水痘
noun
1. een balsport waarbij twee ploegen van zeven spelers elkaar in het water bestrijden
ウォーターポロ
noun
1. een schoepenrad dat draait door de stroming van het water
水車
noun
1. bepaald soort watervogel, Rallus aquaticus
水鶏
noun
  1. 2. iemand die dol is op zwemmen
  2. 1. grote halfaquatische woelmuis
ミズハタネズミ
noun
1. ski voor het waterskiën
水上スキー
noun
1. Argyroneta aquatica, middelgrote spin die in stilstaande wateren leeft
水蜘蛛
noun
ガーゴイル
/ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
水素
noun
水素結合
noun
1. een toren die zorgt voor een gelijkmatige waterdruk in het waterleidingnet
給水塔
noun
水時計
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
滝
noun
1.
水彩
noun
水質汚染
noun
1. een vliegtuig dat kan opstijgen en landen op het water
水上機
noun
水鳥
noun
給水
noun
水恐怖症
noun
サジオモダカ属
noun
1. (medisch) waterzucht
浮腫
noun
1. een knaagdier
カピバラ
noun
1. plukje watten bevestigd op een houten of plastic stokje, gebruikt voor bepaalde medische doeleinden...
綿棒
noun
1.
ウェブデザイン
noun
1. een dienst die particulieren of bedrijven ruimte aanbiedt voor het opslaan van informatie, afbeeldingen, of andere inhoud die toegankelijk is via een website
ウェブホスティング
noun
  1. 1. computerprogramma
  2. 2. server waarop de
ウェブサーバー
noun
1. plaats waar zich informatie bevindt op het internet, aangeduid met een URL
ウェブサイト
noun
1.
再生
noun
  1. 再帰代名詞
  2. saikidaimeishi
  3. さいきだいめいし
noun
1. een werkwoord waarbij de handelende persoon tevens het voorwerp van de handeling is
再帰動詞
adjective
逆数
noun
1. periode waarin de oorlogsschade door de Tweede Wereldoorlog werd hersteld
再建
/wedərˈzɛits/
adjective
互い
verb
争う
noun
1. een strijd van twee of meer personen om uit te maken wie op een bepaald gebied de beste is
コンテスト
/ˈʋeːdyʋə/
noun
vrouw
  1. 未亡人
  2. 寡婦
/'ʋedyʋnar/
noun
man
寡夫
/ʋeː/
noun
1. pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt
陣痛
/ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
  1. 織機
  2. 機
noun
  1. 1. een dunne geweven stof of textiel
  2. 2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
織物
noun
オオバコ
pronoun
teken van de dierenriem van 23 september to 23 oktober
  1. てんびん座
  2. 天秤座
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
天秤 ‎
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
  1. 週
  2. 週間
/'ʋekblɑt/
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
週刊
noun
軟体動物
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
週末
/ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
週末
/weːr/, /ʋɪːr/, /β̞eːr/
noun
1. atmosferische gesteldheid
  1. 天気
  2. 天候
  3. 気象
verb
1. door elastische botsing van richting veranderen
反射
noun
気象学
verb
1. stand houden, weerstand bieden aan
反抗
noun
3. een elektronica-onderdeel
抵抗器
noun
天気予報
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
  1. 人狼
  2. 狼人間
/ʋes/
noun
  1. 孤児
  2. koji
  3. こじ
/ˈʋeshœʏs/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
孤児院
/ˈʋesjɔŋə(n)/
noun
1. een jongen van wie beide ouders overleden zijn
孤児
/ʋɛχ/, /β̞ɛx/
noun
1. smalle strook grond voor het verkeer
道
/ˈʋeχə(n)/, /β̞eɣə(n)/
verb
  1. 1. het gewicht/de massa bepalen
  2. 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
量る
noun
道路地図
/ˈwɛ.ɣaːn/, /ˈʋɛ.χan/
verb
1. zich ergens vandaan begeven
去る
verb
1. te midden van andere informatie iets niet insluiten
抜かす
/ʋɛɪ/
noun
2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
乳清
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
ヴィスワ川
noun
草原
verb
1. niet voldoen aan een verzoek of opdracht
断る
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
  1. 拒絶
  2. 拒否
  3. 断わり
/'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
牧草地
pronoun
ヴァイマル共和政
/ˈwɛɪ̯nɪx/, /ˈʋɛɪ̯nəχ/, /ˈβ̞ɛːnəx/
noun
  1. 2. in een klein aantal
    わずか
  2. 1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
    少ない
/ˈwe.kə(n)/, /ˈʋe.kə(n)/, /ˈβ̞e.kə(n)/
verb
1. door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
浸す
verb
1. wakker maken
起こす
/ˈʋɛkər/
noun
1. een apparaat dat gebruikt wordt om de tijd bij te houden en een functie heeft die veel geluid produceert op een ingestelde tijd
目覚まし時計
noun
恩人
adjective
1. financieel goed gesitueerd
裕福
/ʋɛlk/
relativePronoun
どの
/ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
  1. ようこそ
  2. いらっしゃいませ
  3. いらっしゃい
/ʋɛˈlɪxt/
adverb
1. mogelijk, misschien
多分
pronoun
1. hoofdstad van Nieuw-Zeeland, gelegen op het Noordereiland
ウェリントン
noun
1.
色欲
interjection
ううん
/wɛlp/
noun
1. jong van hond, wolf, leeuw e.d.
子
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
ウェールズ語
/ˌʋɛltə'rʏstə(n)/
interjection
おやすみ
verb
栄える
adjective
1.
親切
noun
1. het welwillend zijn
善意
/'wɛlzɛin/
noun
1. wanneer een individu of maatschappij zich in een goede toestand bevindt ...
ウェルビーイング
noun
1. het gemak waarin iets of iemand van richting kan veranderen
機敏
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
ウィーン
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
  1. 眉毛
  2. 眉
verb
慣れる
/ʋεns/
noun
希望
noun
希望的観測
adjective
1. wat men zou wensen
望ましい
/ˈweː.ʁəlt/, /ˈʋɪː.rɔɫt/, /ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
  1. 世界
  2. せかい
  3. sekai
pronoun
世界銀行
noun
1. een kaart van het oppervlak van de aarde in de vorm van een bol
グローブ
noun
1. geheel van activiteiten die de mensheid onderneemt om schaarste op te heffen
世界経済
pronoun
世界保健機関
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
世界貿易機関
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
世界大戦
noun
1. een tentoonstelling waaraan landen uit de wereld aan kunnen deelnemen
  1. 国際博覧会
  2. 万博
/ˈweː.rəld.ˌzwɛr.vər/, /ˈʋɪː.rɔɫt.ˌzʋɛr.vər/, /ˈβ̞eː.rəɫt.ˌzβ̞ɛr.vər/
noun
1. een veelvoorkomende libel die de langst bekende migratieroute heeft van alle insecten
ウスバキトンボ
/ʋɛrk/
noun
1. dat wat gedaan moet worden
仕事
noun
1. werkbank
ワークベンチ
adjective
1. niet verbeeld
本当
/'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
  1. 現実
  2. genjitsu
  3. げんじつ
/ʋɛrkən/
verb
1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
  1. 働く
  2. 勤める
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
雇用者
noun
1. een hond die men gebruikt bij de jacht, het hoeden van een kudde, het speuren naar mensen of drugs etc.
使役犬
adjective
無職
/wɛrkˈloshɛit/
noun
  1. 1. het werkloos zijn
  2. 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
失業
noun
1.
失業者
noun
1. fysieke en sociale omgeving waarin men arbeid verricht
労働条件
noun
2. krachtige computer die men voornamelijk gebruikt voor applicaties die veel rekenkracht vereisen
ワークステーション
noun
1. een stuk gereedschap om een taak eenvoudiger en/of lichter te maken
道具
noun
1.
マシンツール
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
動詞
verb
1. met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
投げる
noun
3. bij honkbal
ピッチャー
noun
ベルスタ
noun
1. bot van de wervelkolom
椎骨
noun
脊椎
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
  1. スズメバチ
  2. 雀蜂
  3. 蜂
/ʋɛst/
adverb
西
pronoun
西アフリカ
pronoun
1. grootste van de Australische deelstaten, gelegen in het westen van het land
西オーストラリア
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
西ベンガル
pronoun
1.
西ベルリン
pronoun
西ドイツ
pronoun
1. het westelijk deel van Europa
西ヨーロッパ
pronoun
西インド諸島
pronoun
1. een verzameling Vlaamse dialecten met typische kenmerken gesproken in West-Vlaanderen en een klein deel van Nederland en Frankrijk
西フラマン語
pronoun
1. Belgische provincie
西フランドル
pronoun
西サハラ
/ˈʋɛs.tə(n)/
noun
  1. 西
  2. 西方
/ˈwɛstərlɪŋ/
noun
2. iemand die in het Westen, de westerse wereld woont of daarvan afkomstig is
欧米人
/ʋɛs.tǝɾs/
adjective
1.
西洋
noun
1.
ウエストナイル熱
adverb
西北西
/wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
  1. 法律
  2. 法
phraseologicalUnit
マーフィーの法則
/ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
  1. 知る
  2. 知っている
/'ʋetənsxɑp/
noun
  1. 2. georganiseerde activiteit
  2. 1. het weten van de mens
科学
/,ʋetən'sxapələk/
adjective
科学的
/ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
科学者
noun
科学哲学
/ˈweː.və(n)/, /ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
編む
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
  1. 飯綱
  2. イタチ
/ˈʋeː.zə(n)/
noun
  1. 2. aard
    本質
  2. 1. individu
    生き物
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
ウイスキー
noun
1. een glad, wit gekleurd metalen bord waarop men met behulp van een viltstift met uitwisbare inkt kan schrijven of tekenen en waarop men met een magneet voorwerpen kan klemmen
ホワイトボード
/wiː/, /ʋiː/, /β̞iː/
relativePronoun
  1. 2. betrekkelijk voornaamwoord
    誰
  2. 1. vragend voornaamwoord
    1. 誰
    2. どなた
interjection
degene die aan het eind het beste uit de strijd komt is de daadwerkelijke winnaar
最後に笑う者が最もよく笑う
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
ベビーベッド
noun
1. het plotseling zonder duidelijke oorzaak overlijden van een zuigeling
乳幼児突然死症候群
noun
1. ronddraaiende schijf
  1. 車輪
  2. 車
noun
1. de sport van het wielrennen
自転車競技
noun
1. in water voorkomende vaatloze, plantachtige organismen
藻類
/ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
  1. 線香
  2. 薫香
pronoun
1.
ヴィースバーデン
/ʋit/
noun
1. een softdrug die bestaat uit gedroogde hennep
クサ
noun
1. koepelvormig huis gebruikt door de Noord-Amerikaanse indianen
ウィグワム
/wɛɪ̯/, /ʋɛɪ̯/, /β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
私たち
/ˈʋixə(n)/
pronoun
ヴィヘン
/ʋɛi̯f/
noun
1. vrouw
婦女
/wɛɪ̯n/, /ʋɛɪ̯n/, /β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
  1. ワイン
  2. 葡萄酒
noun
1. azijn uit wijn bereid
ワインビネガー
noun
1.
ワインバー
noun
het verbouwen van druiven voor de productie van wijn
葡萄栽培
noun
リンゴマイマイ
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om wijn uit te drinken
ワイングラス
adjective
ワインレッド
noun
ヘンルーダ
/ˈʋɛi̯n.stɔk/
noun
1. klimplant waaraan druiven groeien
蔓
/wɛɪ̯s/, /ʋɛɪ̯s/, /β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
賢い
noun
1. gerijpt inzicht
知恵
noun
1. tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
人差し指
noun
1. gewijd water
聖水
noun
1. manier
モード
verb
指す
noun
1. de plaat van een klok waarop de wijzers de tijd aangeven
文字盤
noun
1. een constructiesysteem voor internetpagina's waar, in het algemeen, iedereen alle pagina's kan wijzigen
ウィキ
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
ウィキペディア
noun
1. een gebruiker op Wikipedia
ウィキペディアン
/ˈwikʃoˌnɛri/, /ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
ウィクショナリー
/ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
  1. 意志
  2. ishi
  3. いし
adjective
3. onbeschaafd, bruusk
野性的
noun
  1. 1. dieren die niet onder menselijke beheersing zijn opgegroeid
  2. 3. vlees van een wild dier
ジビエ
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
猪
noun
1. iemand zonder beschaving
野蛮人
noun
1. een bosachtig gebied dat weinig door de mens geregeld is
原野
noun
1. Salix sp.
柳
adjective
不特定多数
/ˈwɪləm/, /ˈʋɪləm/, /ˈβ̞ɪləm/
pronoun
  1. 1. een jongensnaam
  2. 2. spelwoord voor de letter w
ヴィルヘルム
/ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
  1. 欲しい
  2. 欲する
noun
1. onvermogen om te handelen, ook al weet je wat je moet doen
意志欠乏
noun
1. eenzijdige wilsuiting die gericht is op het tot stand brengen van rechtsgevolgen
意思表示
noun
  1. 睫毛
  2. まつげ
  3. matsuge
/xxxx/
noun
1. klein, tangachtig voorwerp om de bovenste wimpers mee om te buigen zodat ze gaan krullen
まつげカーラー
/ʋɪnt/
noun
1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
  1. 風
  2. かぜ
  3. 気流
  4. きりゅう
adjective
1. weerstoestand waarbij er veel wind aanwezig is
風の吹く
noun
1.
ウインドブレーカー
noun
1. molen die door de wind gedreven wordt
風車
noun
羅針図
noun
1. periode met geen of weinig wind
無風
noun
1.
風見鶏
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
店
noun
1. gebied of overdekte galerij waar meerdere winkels en horecazaken zijn gevestigd
ショッピングセンター
noun
1. iemand die iets steelt in een winkel
万引
noun
1. een wagentje dat in winkels wordt gebruikt om tijdens het winkelen producten in te verzamelen
ショッピングカート
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
勝利者
/ˈwɪnə(n)/, /ˈʋɪnə(n)/, /ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
1. als beste partij uit een wedstrijd komen
勝つ
/ʋɪnst/
noun
1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde
進展
/ʋɪntər/
noun
1. seizoen
  1. 冬
  2. ふゆ
noun
1. een toestand van hypothermie en inactiviteit bij sommige warmbloedige dieren in de winter
冬眠
noun
小鴨
/ʋɪp/
noun
1. een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rust
シーソー
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
ヨーロッパバイソン
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
数学
noun
数学者
/ʋɪsəl/
noun
1. speciale constructie in een spoorweg om een voertuig naar een ander spoor te leiden
分岐器
noun
ランタナ
noun
お釣り
noun
wisselkoers
為替レート
noun
1. wisselstroom
交流
/ʋɪt/
adverb
1. kleur
白い
/ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
  1. 白
  2. 白い
  3. 白色
/wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
  1. ベラルーシ
  2. 白ロシア
/ˌwɪtˈrʏsɪs/, /ˌʋɪtˈrʏsis/, /ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
ベラルーシ語
noun
1. een document dat beschrijft hoe overheidsbeleid, een technologie, en/of product een specifiek probleem oplost
白書
noun
1. een legering van goud en palladium
ホワイトゴールド
noun
1.
白色矮星
noun
1. Carcharodon carcharias, de bekendste en de meest gevreesde haai
頬白鮫
pronoun
ホワイトハウス
noun
1. zangvogel (Motacilla alba)
白鶺鴒
noun
1. gepelde en gepolijste rijst
白米
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
  1. 白ワイン
  2. 白葡萄酒
pronoun
白海
noun
1. en 2. (bladeren van) sluitkoolgewas dat lichtgroen tot wit van kleur is
キャベツ
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
ウォッカ
/ˈʋudə/
noun
1. een gevoel van erge kwaadheid
怒り
verb
1. met veel geweld gaande zijn van een natuurverschijnsel
暴れる
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
ワン
noun
高利
noun
1. klein, gravend, muisachtig knaagdier met stompe snuit
畑鼠
/ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
  1. 水曜日
  2. すいようび
noun
1.mannetjeseend
アヒル
noun
1. een onherbergzaam gebied dat door niemand verzorgd wordt
荒地
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
砂漠
noun
1. ronde pan die wordt gebruikt in de oosterse keuken, vooral om te roerbakken
中華鍋
/ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
  1. ウール
  2. 羊毛
/wɔlf/, /ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
  1. 狼
  2. オオカミ
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
タングステン
/ˈwɔlᵊfsbʏrᵊx/
pronoun
1.
ヴォルフスブルク
noun
ベラドンナ
noun
ユーフォルビア
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
ケブカサイ
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
  1. 雲
  2. くも
/ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
  1. 摩天楼
  2. 超高層ビル
/wɔlə(n)/
adjective
1. gemaakt van wol
毛織物
pronoun
1.
ヴォルィーニ
noun
ウォンバット
/wɔnd/, /ʋɔnt/, /β̞ɔnt/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
傷
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
奇跡
noun
神童
/ˈwo.nə(n)/, /ˈʋo.nə(n)/, /ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
住む
noun
1. een doorgaans afgesloten constructie waarin men kan leven
住宅
noun
1. een kamer ingericht om in te wonen en gasten te ontvangen
居間
noun
住宅
/ʋoːrt/, /ˈʋʊːrt/, /ˈβoːrd/, /ˈβoːrt/
noun
  1. 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
    1. げんご
    2. 言語
    3. 言葉
  2. 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
    1. 福音
    2. ふくいん
    3. 言葉
  3. 2. belofte
    1. 言葉
    2. 単語
  4. 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
    1. 言葉
    2. 単語
    3. たんご
    4. ことば
/ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
  1. 辞書
  2. 字典
  3. 字書
  4. 辞典
noun
語彙
noun
1. categorie waarin bepaalde woorden naar gelang het grammaticale gebruik in onderverdeeld worden
品詞
noun
1. volgorde van woorden in een zin
語順
/ˈwɔrdə(n)/, /ˈʋɔrdə(n)/, /ˈβ̞ɔrdə(n)/
verb
  1. なる
    1. 1. vormt de lijdende vorm
    2. 2. gaan zijn, zich ontwikkelen tot
    成る
noun
1.
仕事の虫
/ʋɔrm/
noun
1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
虫
noun
een hypothetische mogelijkheid binnen de ruimte-tijd
ワームホール
/ʋɔrp/
noun
2. het aantal jonge dieren dat een moederdier bij één dracht op de wereld zet
一腹の子
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
ソーセージ
verb
格闘
/ˈʋɔrtəl/
noun
  1. 1. Groente peen
    1. 人参
    2. にんじん
    1. 3. Getal
    2. 4. Woord
    根
  2. 2. Ondergronds gedeelte van een plant
    1. 根
    2. ね
/ʋʌːt/, /ʋʌːut/
noun
1. groot bos
森林
/ʋʌʊ̯/, /β̞ʌːβ̞/
noun
A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
  1. 鳶
  2. トビ
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
  1. 報復
  2. 復讐
noun
敗残
noun
1. knobbeltje
疣
adjective
1. heel onvriendelijk
薄情
noun
1. bovenkant van de voet tussen tenen en enkel
足の甲
verb
1.
復讐する
noun
復讐者
verb
1. handeling
こする
noun
摩擦
noun
1. Buccinum undatum
エゾバイ
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
ダイシャクシギ
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
ヴュステンロート
/ˈɪksɑs/
noun
1.
X軸
/ksɑnˈtinə/
noun
1. een organische stof die in vlees, urine en andere dierlijke stoffen voorkomt
キサンチン
/ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
外国人恐怖症
noun
1. iemand die een sterke afkeer van vreemdelingen heeft
ゼノフォーブ
/ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
キセノン
/ˈksenotrɑnsplɑnˌtatsi/
noun
1. een transplantatie van dierlijke organen bij de mens
異種移植
/ˈkoːsa/
pronoun
1. een taal die in Zuid-Afrika gesproken wordt
コサ語
/ˌksiliˈtɔl/
noun
1. een zoetstof die bereid is door hydrogenatie van xylose
キシリトール
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
  1. シロフォン
  2. 木琴
noun
1.
Y軸
pronoun
1. de hoofdstad van Ivoorkust
ヤムスクロ
noun
  1. 1. een Angelsaksische lengtemaat (3 voet is 0,9144 m)
  2. 2. een Engelse vlaktemaat (12,14 ha)
ヤード
noun
1. de munteenheid van Japan
円
/ˈjeti/
noun
1. een legendarisch monster met de bijnaam 'de verschrikkelijke sneeuwman' die voor zou komen in de Himalaya
イエティ
/ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
ヨーガ
/ˈjɔxərt/, /ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
ヨーグルト
pronoun
1. taal die door de Yoruba in Nigeria, Benin, Togo en Sierra Leone gesproken wordt
ヨルバ語
noun
1. de letter y
ウプシロン
noun
1. scheikundig element met symbool Yb en atoomnummer 70
イッテルビウム
noun
1.
イットリウム
noun
1. een ronde nomadentent
ゲル
/zaːt/
noun
1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
種子
noun
1. een klein knopje in het vruchtbeginsel waaruit na bevruchting een zaadje groeit
胚珠
/'zadlɛɪdər/
noun
精管
noun
子葉
/zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
鋸
/'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
大鋸屑
/'zaxtɑnt/
noun
1. scherpe tandvormige karteling aangebracht op de rand van een zaagblad
のこぎり歯
verb
1. zaad strooien
種をまく
/zal/
noun
サロン
pronoun
2. boek in de Bijbel
ゼカリヤ
adverb
1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
柔らかい
noun
zitplaats op dier of fiets
  1. 鞍
  2. サドル
verb
1. een zadel plaatsen op
鞍を付ける
/ˈza.ɣə(n)/, /ˈza.χə(n)/
verb
1. in stukken delen door middel van een zaag
切る
/[ˈzɑː.greb]/
pronoun
1. hoofdstad van Kroatië
ザグレブ
noun
  1. 2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
    1. ポケット
    2. 懐中
  2. 1. slappe, vormeloze tas
    袋
/ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
  1. ハンカチ
  2. hankachi
/zaːkən/
noun
2. commerciële activiteiten
景気
/'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
実業家
noun
出張
noun
小遣い
noun
1. iemand die ongemerkt waardevolle zaken steelt
スリ
noun
1. lamp op zakformaat
懐中電燈
/ˈzɑkmɛs/
noun
1. een klein invouwbaar mes, vaak met extra gereedschappen
こがたな
noun
smeerbare massa om op de huid aan te brengen
軟膏
/zɑlm/, /zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
  1. 鮭
  2. サーモン
/'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
ザンビア
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
砂
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
砂場
noun
1. een ophoping van zand op de bodem van een zee of meer
砂州
noun
1. een van zand gebouwd miniatuurkasteel
砂の城
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
砂時計
noun
砂岩
noun
een harde, droge wind die boven een woestijngebied een grote hoeveelheid zand en stof doet opwaaien
砂嵐
/ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
歌手
noun
1. een vrouwelijk iemand die zingt
歌姫
noun
1. Turdus philomelos, een lijstersoort die algemeen is in Nederland en Vlaanderen
ウタツグミ
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
  1. 土曜日
  2. どようび
  3. 土曜
/za.ˈiː.rə/
pronoun
コンゴ民主共和国#ザイール共和国(モブツ政権)時代
noun
1. Bos taurus indicus een rund dat in het Indische subcontinent en Afrika wordt...
インド牛
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
  1. 縞馬
  2. シマウマ
noun
1. een patroon van witte strepen aangebracht op het wegdek ter aanduiding van een beschermde voetgangersoversteekplaats
横断歩道
adjective
1. zoals het volgens normen en waarden behoort
倫理的
/ze/, /zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
海
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
  1. 海胆
  2. 雲丹
noun
1. smalle doorgang tussen twee zeeën
海峡
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Actiniaria
イソギンチャク
noun
1. baarsachtige zeevis, Dicentrarchus labrax
鱸
noun
1. aardbeving waarvan het epicentrum op de bodem van de zee ligt
海震
noun
1. het grondvlak van een zee
海底
noun
1. bepaald soort grote zeevis, Lophius piscatorius
アンコウ
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
篩
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
海豹
noun
1. plantenetend zoogdier uit de orde Sirenia
海牛
/ˈzekut/
noun
1. zwart-witte zeevogel, Uria aalge
海烏
noun
1. benaming voor op de op komkommers lijkende zeedieren uit de klasse Holothuroidea
ナマコ
noun
1. in zee levende kreeft
伊勢海老
/ˈzelɑnt/, /ˈzeːlɑnd/, /ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
ゼーラント州
noun
1. grote oorrob
アシカ
noun
1. bepaald soort karperachtiɡe zoetwatervis, Tinca tinca
テンチ
noun
船員
noun
1. vaardigheid in het bedienen, onderhouden en het besturen van een schip
操船術
noun
1. mythisch zeewezen
人魚
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
  1. 鴎
  2. かもめ
noun
1. afstandsmaat, in gebruik op zee, 1852m
海里
noun
1. hoogte van de zeespiegel
海面
/ˈzeʔɔtər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Enhydra lutris
ラッコ
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
  1. 石鹸
  2. せっけん
  3. sekken
noun
1. in zee levende kongeraal, Conger conger
  1. アナゴ
  2. 穴子
noun
1. bolvormig vlies van water en zeep dat een hoeveelheid gas (meestal lucht) omringt
シャボン玉
noun
2. bordspel
海戦ゲーム
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
海星
noun
1. een smalle doorgang tussen twee zeeën en daarmee tevens de scheiding tussen twee landmassa's
海峡
pronoun
1. een streektaal bestaande uit een verzameling Nederfrankische dialecten ,gesproken in de provincie Zeeland
ゼーランド語
noun
1. iemand die voor zijn beroep de zee bevaart
船乗り
/ˈzeˌvoχɔɫ/, /ˈzeːˌvoːɣəl/
noun
1. een vogel die vooral in de directe omgeving van de zee leeft
海鳥
noun
2. allerlei eetbare schaal- en schelpdieren
魚介
/ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
海水
noun
1. in zee levend wier
海藻
adjective
シーシック
noun
1. misselijkheid als gevolg van de onregelmatige beweging van een schip
船酔い
noun
海獣
noun
1.
勝利
/ˈzexəl/
noun
1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
判
/ˈzeːɣə(n)/, /ˈzeːχə(n)/
noun
1. verlening van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand
恵み
verb
1. de zegen geven
恵む
noun
1. een geslacht van zowel bladverliezende als groenblijvende kruidachtige planten
菅
verb
1. mededelen
言う
noun
1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
帆
noun
1. een boot waarmee gezeild kan worden
帆船
/ˈzɛɪlə(n)/
noun
1. wedstrijdsport met zeilvaartuigen
帆走
/ˈzɛɪlə(n)/
verb
  1. 1. voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
    帆走
  2. 2. zich in een zeilboot met behulp van de wind over het water voortbewegen
    帆走する
noun
1. iemand die het zeilen beoefent
ヨット乗り
noun
1. een schip waarmee gezeild kan worden
帆船
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
大鎌
/ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
確か
/'zekərɦɛɪt/
noun
確信
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
ヒューズ
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
滅多
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
まれ
/zɛlf/, /zɛɫf/
demonstrativePronoun
  1. 1. in eigen persoon
  2. 2. in tegenstelling met iets anders
己
demonstrativePronoun
同じ
noun
1. Het zich benemen van het leven
自殺
/ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
自殺
noun
1. brief die als verklaring of afscheid achtergelaten wordt door iemand die zelfmoord pleegt
遺書
/'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
自画像
adverb
  1. さえ
  2. にも
noun
1. jezelf belachelijk maken met humoristische intentie
自嘲
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
  1. 名詞
  2. meishi
  3. めいし
noun
独立
noun
1. verbranding van zichzelf
焼身
noun
1. verdediging van zichzelf
自己防衛
noun
1. geloof in eigen vermogen, kunde of kracht
自信
noun
1. de mate waarin iemand zelfverzekerd is
自信
noun
B 1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
ぬか
/zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
天頂
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
神経
noun
1. het gehele zenuwsysteem
  1. 神経系
  2. shinkeikei
  3. しんけいけい
noun
1. het getal 6
  1. 六
  2. 六つ
/ˈzɛs.də/, /ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
六番目
cardinalNumeral
1. het getal 36
三十六
cardinalNumeral
1. het getal 86
八十六
cardinalNumeral
1. het getal 26
二十六
cardinalNumeral
1. het getal 46
四十六
cardinalNumeral
1. het getal 56
五十六
cardinalNumeral
1. het getal 66
六十六
/ˈzɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 76
七十六
/zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
六角形
cardinalNumeral
1. het getal 16
十六
ordinalAdjective
十番目六番目
noun
1.
十六分音符
cardinalNumeral
1. het getal 60
六十
noun
1.
代
ordinalAdjective
六十番目
/zɛt/
noun
handeling gedurende een spelbeurt
手
noun
  1. 1. constructie bestemd om prettig op te zitten
  2. 2. lidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
  3. 3. plaats waar een organisatie gevestigd is
席
noun
デンプン
noun
1. een medicament in de vorm van een pil die via de anus toegediend wordt
坐剤
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
雌豚
/zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
ゼウス
/ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
  1. 七
  2. 七つ
/ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
七番目
/ˈzøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 37
三十七
/ˈzøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 97
九十七
/ˈzøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 87
八十七
/ˈzøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 27
二十七
/ˈzøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 47
四十七
/ˈzøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 57
五十七
/ˈzøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 67
六十七
/ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
十七
ordinalAdjective
十番目7番目
/ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
七十
ordinalAdjective
第70
/ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
病院
noun
病気
noun
クローン病
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
パーキンソン病
/zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
  1. 霊魂
  2. reikon
  3. れいこん
verb
1. waarnemen met het oog
  1. 見る
  2. みる
/sɛɪ̯/, /zɛɪ̯/, /zɛː/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
彼女
noun
1. een vertikale kolom aan de linker- of rechterkant van een computervenster
サイドバー
noun
2. vezel van de cocon van de zijdevlinder
絹
/zɛɪkɑnt/
noun
1. datgene dat de zijde vormt
側面
verb
    1. 5. gelijk zijn aan.
    2. 6. tot de groep behoren van
    3. 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
    4. 3. zich bevinden.
    5. 7. de eigenschap hebben.
    6. 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
    1. です
    2. だ
  1. 1. bestaan
    1. 存在する
    2. 在る
    3. です
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
支流
noun
銀
phraseologicalUnit
銀メダル
noun
1
大膳
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Abies
モミ
/'zɪlvərvlisrɛist/
noun
rijst waarvan de zemelen en de kiem niet verwijderd zijn
玄米
/zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
ジンバブエ
noun
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
文
noun
1. een jong kind leren om de natuurlijke behoeften te beheersen en alleen uit te oefenen op een aangewezen plek
トイレットトレーニング
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
  1. 歌う
  2. utau
  3. うたう
noun
1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
亜鉛
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
沈む
noun
1. ZnO
亜鉛白
noun
1.syntactische eenheid binnen een zin
句
/ˈzɪntœx/, /ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
  1. 意味
  2. 感覚
/zijoˈnɪsmə/
noun
シオニズム
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
ジルコニウム
/zɪr'koːn/
noun
1. een mineraal
ジルコン
noun
1. een plaats waar men kan zitten
シート
/ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
  1. 座る
  2. suwaru
  3. すわる
noun
1. zitmeubel
ビーンバッグ
conjunction
1. geeft aan welke gebeurtenis eerst moe(s)t plaatsvinden
とすぐ
verb
1. proberen te vinden
探す
noun
2. een richtmiddel op een camera of vuurwapen
ビューファインダー
noun
1. een instrument waarmee men informatie kan zoeken in een bepaalde collectie...
サーチエンジン
noun
1. een reis die men onderneemt op zoek naar iets
検索
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
ズールー語
noun
1. het met de lippen aanraken van een persoon of een voorwerp
キス
/ˈzut/
adjective
1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
甘い
noun
1.
淡水
noun
1. een zetmeel houdende knol behorend tot dezelfde orde van planten als de aardappel
サツマイモ
noun
甘さ
/ˈzuthʌʊt/
noun
1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
甘草
noun
2. zoetstof zonder suiker
甘味料
/ˈzoːɣ.ə(n)/
verb
1. moedermelk geven
授乳
/ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
屋根裏
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
ゾンビ
noun
  1. 夏
  2. 夏季
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus robur
ヨーロッパナラ
noun
1. Anas querquedula
シマアジ
noun
1. regeling waarbij de klok gedurende de lente- en zomermaanden een uur vooruit wordt gezet
サマータイム
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
  1. 太陽
  2. 日
noun
1.
  1. 罪人
  2. zainin
  3. ざいにん
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
  1. 日曜日
  2. 日曜
  3. にちようび
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
  1. 罪
  2. つみ
  3. tsumi
noun
  1. 1.
  2. 2.
スケープゴート
preposition
1. In afwezigheid van
なし
/zɔndəɣə(n)/
verb
1. het overtreden van een religieuze wet
罪を犯す
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
大洪水
noun
1. de zichtbare elektromagnetische straling van de ster waarrond onze aarde draait
日光
/'zɔnəʔenɛr'ɣi/
noun
1. energie die gewonnen wordt uit de straling van de zon
太陽エネルギー
/ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
  1. ヒマワリ
  2. 向日葵
noun
1.
ひまわり油
noun
1. de vaak pijnlijke gevolgen van een blootstelling van de huid aan een te grote dosis ultraviolet licht
日焼け
noun
1. substantie tegen verbranding van de huid
サンスクリーン剤
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
サングラス
noun
太陽電池
noun
3. de tijd tussen het weer even hoog aan de hemel staan van de zon
太陽日
/ˈzɔnəpɑˌnel/, /ˈzɔnəpɑˌnɪːɫ/
noun
1. een paneel dat stralingsenergie van de zon omzet in elektriciteit
ソーラーパネル
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
  1. 日光
  2. 太陽の光
noun
1.
太陽系
noun
1. bepaald soort eetbare vis, Zeus faber
マトウダイ
noun
太陽フレア
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
太陽黒点
/ˈzɔnəˌwɛndə/, /ˈzɔnəˌʋɛndə/, /ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
至点
noun
日時計
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
太陽風
adjective
1. zonovergoten, met zonneschijn
晴れる
/zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
  1. 日の入り
  2. 日没
noun
1. het opkomen van de zon
日の出
/ˈzɔnsvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈzɔnsvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
日食
/zuː/
noun
1. verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
動物園
/ˈzox.diːr/, /ˈzoːɣ.diːr/, /ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
哺乳類
noun
  1. 1. onderkant van de voet
  2. 3. onderkant van een schaaf
靴底
/zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
息子
noun
1. behoedzame overweging
心配
verb
1. zorg dragen
世話をする
/zɑu̯t/
adjective
1. zout bevattend of zout smakend
塩辛い
/zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
  1. 塩
  2. しお
  3. shio
verb
1. met zout conserveren
塩漬けにする
/ˈzɑutˌvacə/
noun
2. tafelgereedschap dat het zout bevat en strooit
塩入れ
noun
潮
noun
1. een oplossing
塩酸
/ˈzo.zo/
adjective
まあまあ
noun
ズーフィリア
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
動物学
/zoʔo'lox/
noun
1. een wetenschapper die zich bezig houdt met de studie van dieren.
動物学者
noun
1. hoorbare uitademing
ため息
verb
1. hoorbaar diep uitademen, meestal als uiting van frustratie
ため息
/zœʏ̯t/, /zœːd/, /zœːt/
adverb
南
/zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /zœː'.dɑ.fri.ka/, /zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
  1. 南アフリカ
  2. 南アフリカ共和国
/ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
  1. 南アメリカ
  2. 南米
pronoun
1. Australische deelstaat in het zuiden
南オーストラリア
pronoun
1.
サウスカロライナ
pronoun
1. is een randzee van de Grote Oceaan en ligt ten zuiden van China
南シナ海
pronoun
1.
サウスダコタ
pronoun
het zuidelijk deel van Europa
南ヨーロッパ
/zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
  1. 南ホラント
  2. 南オランダ
  3. 南ホラント州
/ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
  1. 大韓民国
  2. 韓国
/ˌzœʏ̯t koreˈjans/, /ˌzœːt koreˈjaːns/
adjective
1.
韓国の
adjective
1.
南
/ˈzœy̯.də(n)/
noun
南
pronoun
1. grootste eiland van Nieuw-Zeeland
南島
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
みなみのかんむり座
adverb
南東
pronoun
1. Noordpool
南極
noun
1,2,3. zuidpool
南極
adjective
1. op het zuidwesten betrekking hebbend
南西
noun
1. hoofddeksel
暴風雨帽
/ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
1. (met de mond) naar zich toe trekken
  1. 吸う
  2. ssać
noun
ピストン
noun
柱
noun
1. voedingsmiddel op basis van melk
乳製品
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
羊蹄
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
姉妹
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
  1. 姉妹
  2. お姉さん
/zyːr/
adjective
1. een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
酸っぱい
/zyːr/
noun
1. zure vloeistof
酸
/ˈzyrɣrat/
noun
1. de mate waarin iets zuur is, gewoonlijk gemeten als de negatieve logaritme (-log) van de concentratie waterstofionen
  1. 酸度
  2. 酸性度
noun
1. fijngesneden en licht gezouten kool die enige tijd gefermenteerd is
ザウアークラウト
/ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
酸素
noun
1. snoep in de vorm van een gekleurde staaf met een zoetzure smaak
キャンディケイン
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
はくちょう座
/zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
  1. 白鳥
  2. ハクチョウ
adjective
van groot gewicht
  1. 重い
  2. omoi
  3. おもい
noun
1. water waarin de waterstofatomen vervangen zijn door de waterstofisotoop deuterium
重水
noun
1. een lang, scherp wapen
  1. 刀
  2. 剣
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
メカジキ
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
鯱
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
重力
/ˈzwɑxtəl/
noun
包帯
/ˈzʋa.ɣər/
noun
義兄弟
/zʋɑk/
adjective
弱い
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
燕
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
妊娠
noun
2. produkt dat via de urine tekenen van een zwangerschap onthult
妊娠検査薬
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
  1. 黒い
  2. 黒
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
ブラックホール
noun
1. betaalmiddelen die afkomstig zijn uit belastingontduiking of onwettige handel
悪金
noun
1. vruchtje van Ribes nigrum
カシス
noun
  1. 1. systeem, apparaat of voorwerp waarvan bekend is wat het doet maar niet hoe het werkt
  2. 2. crashbestendig apparaat met vluchtgegevens
ブラックボックス
noun
1. Plegadis falcinellus
ブロンズトキ
noun
1./2. plant, zaden en zaaddoos Amomum subulatum
アモムム・スブタトゥム
phraseologicalUnit
ブラック・マーケット
noun
1.
ヒガラ
noun
1.
ナベコウ
noun
1.
ハシグロクロハラアジサシ
pronoun
1. gebergte in het zuidwesten van Duitsland
シュヴァルツヴァルト
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
黒海
noun
1. bepaald soort zee-eend, Melanitta nigra
クロガモ
/zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
硫黄
noun
二酸化硫黄
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
硫酸
/ˈzweːdə(n)/, /ˈzʋedə(n)/, /ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
スウェーデン
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
adjective
1. betreffende Zweden of het Zweeds
スウェーデン語
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
  1. スウェーデン語
  2. スウェーデン語の
verb
1. vlieg uit de familie
花虻
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
グライダー
noun
1. een handwapen in de vorm van een lang ineengedraaid stuk leer dat met een zwiepende beweging pijnlijke slagen uit kan delen
鞭
noun
1.
潰瘍
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
汗
noun
1.een klier in het lichaam dat zweet produceert
汗腺
verb
1. in volume toenemen
  1. 腫れる
  2. 膨れる
  3. 隆起する
/ˈzwɛmbɑd/, /ˈzʋɛmbɑt/, /ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
プール
noun
1. kledingstuk voor mannen dat gebruikt wordt om in te zwemmen
水泳パンツ
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
水着
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
  1. 泳ぐ
  2. およぐ
/zʋɛrm/
noun
1. een grote groep gezamenlijk op- en rondtrekkende personen, dieren of zaken, gewoonlijk vogels of insecten
群れ
verb
浮く
/'zʋevɪŋ/
noun
1. een geluidsverschijnsel dat veroorzaakt wordt door de interferentie van twee tonen met een gering verschil in toonhoogte
うなり
noun
1. klierachtig, hormoonvormend orgaan
  1. 胸腺
  2. kyousen
  3. きょうせん
pronoun
1. en 2.
ツヴィッカウ
verb
1. ervan afzien te spreken
黙る
/'zʋɛɪxɛlt/
noun
口止め料
adjective
1. weinig sprekend
寡黙
noun
1. een varken
豚
/ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
豚小屋
/ˈzwɪtsər/, /ˈzʋɪtsər/, /ˈzβ̞ɪtsər/
noun
1. een inwoner van Zwitserland, of iemand afkomstig uit Zwitserland
スイス人
/ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
  1. スイス
  2. 瑞西
adjective
  1. 1. vochtig warm, drukkend, benauwd
  2. 2. zinnelijk, erotisch sensueel
蒸し暑い
noun
受精卵
pronoun
チューリッヒ
/ˈɔŋstrøm/
noun
1. lengtemaat met een waarde van 10-10 m
オングストローム
/eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
  1. 一
  2. 一つ
  3. ワン