/ˌsxraːvə(n)ˈɦaːɣə/, /ˌsχravə(n)ˈɦaχə/
pronoun
1. een stad en gemeente in de Nederlandse provincie [[Zuid-Holland]]
Haga
/aka'pɛla/
adverb
1. zonder instrumentale begeleiding
kapela
verb
1. zachtjes strelen
glamonėti
noun
1. (plantkunde) bepaalde soort esdoorn
klevas
noun
  1. 3. paling
  2. 4. kleine en jonge paling
ungurys
noun
1. bepaald soort struik met eetbare rode bessen Ribes rubrum
raudonasis serbentas
noun
labdara
noun
1.bepaald soort plant, Artemisia absinthium
pelynas
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalacrocorax
kormoranas
pronoun
1. stad in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen
Alstas
noun
priekalas
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hemorojus
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hemorojus
verb
1. door het bakken aankoeken, vasthechten
durti
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
priekalas
verb
1. bij iemand (aan de deur) bellen
skambutis
verb
  1. 1. over iets of iemand bij iemand (positief) vertellen en adviseren om datgene/diegene te gebruiken/in te schakelen
  2. 2. aanprijzen
patarti
noun
patarimas
/ˈambradə(n)/
verb
1. even laten braden
parudinti
verb
2. beginnen van tijd
atsirasti
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
dėmesys
noun
1. waardepapier
akcija
noun
1. eigenaar van aandelen, actionaris
akcininkas
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
akcininkas
noun
1. de handel in aandelen in het algemeen
akcijų birža
noun
2. een object ter herinnering ergens aan
suvenyras
verb
1. vaster draaien
veržti
verb
1. aanwijzen
nurodyti
adjective
1. bij de geboorte verkregen eigenschappen
įgimtas
adjective
2. een beetje dronken
truputį įkaušęs
verb
2. aanduiden
parodyti
noun
veidas
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
kadangi
verb
2. eigen of andermans woorden ontlenen
cituoti
noun
1. een letterlijke passage die door iemand anders aangehaald wordt uit een bron
citata
noun
1. leesteken om geciteerde woorden van die van de auteur te onderscheiden
kabutės
verb
1.
nešioti
verb
1.horen naar iemand
klausyti
noun
areštas
noun
1. bij de rechtbank ingediende beschuldiging of klacht
mokestis
noun
1. iemand die een proces aanspant
kaltintojas
verb
2. iemand kleren aandoen
aprengti
verb
1. een bestemming bereiken
atvykti
noun
1. de bestemming bereiken, het aankomen
gimimas
noun
paskelbimas
verb
1. door kopen verwerven
pirkti
noun
3. talent
talantas
noun
1. datgene wat iets tot gevolg heeft
pagrindas
verb
3. doen branden
šviestuvas
noun
1.
arogancija, išdidumas, pasipūtimas, akiplėšiškumas
verb
1. moed inspreken
padrąsinti
verb
1. raad geven om iets te doen
patarti
verb
1. fysiek contact maken met iets
liesti
noun
2. aanval
užpuolimas
verb
1. een bepaalde prijs vragen bij een aankoop
mokestis
verb
1. kopen
pirkti
noun
4. terroristische aanval
ataka
adjective
1. verantwoordelijk, om vergoeding of betaling aangesproken kunnen worden
atsakingas
noun
atsakomybė
noun
1. overeenkomst waarbij je premie betaalt aan een verzekeraar zodat die zal betalen voor schade die je per ongeluk veroorzaakt of waarvoor je verantwoordelijk wordt gehouden
civilinės atsakomybės draudimas
noun
1. apparaatje om vuur te maken
žiebtuvėlis
noun
poza
noun
1. een telbare hoeveelheid
skaičius
verb
1. (langzaam) beschadigen, aangrijpen
afektas
noun
nešiojamas kompiuteris
noun
2. klein formaat bundel onbeschreven papier die men bij zich draagt om opmerkingen in op te schrijven
nešiojamas kompiuteris
noun
1. de werkwoordsmodus die de gewone werkelijkheid aangeeft
tiesioginė nuosaka
verb
  1. 3. kleding aandoen
    auti
  2. 1. dankzij een kracht objecten naar zich toe doen bewegen
    pritraukti
verb
1a. beginnen, ondernemen
pradėti
noun
1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven
ataka
verb
atakuoti
noun
2. een persoon in de voorste linie
puolėjas
noun
pradžia
verb
1. beginnen, starten
pradėti
verb
1. gebruik maken van
vartoti
noun
1. het aanwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
akivaizda
verb
1. door wijzen tonen
nurodyti
verb
1. toenemen in omvang, luidheid of intensiteit
brinkti
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
  1. beždžiõnė
  2. beždžionė
noun
  1. 1. bloeiwijze van granen
  2. 2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
varpa
/aːrt/
noun
1. wezen, natuur, karakter
bū̃das
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
bulvė
noun
žemės atmosfera
/\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
  1. žemuogė
  2. braškė
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
žemės drebėjimas
noun
maltas
/ˈardə/
pronoun
Žemė
/ˈardə/
noun
  1. 1. planeet
  2. 2. grond
žemė
noun
keramika
/artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
gamtinės dujos
/ˈar.dəx/, /ˈar.dəχ/, /ˈaːr.dɪx/
adjective
1. aangenaam in omgang
draugiškas
noun
geologija
noun
nafta
/ˈartpɪːr/
noun
bepaald soort zonnebloem, Helianthus tuberosus
topinambas
/ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
geografija
noun
geografas
noun
1. een plotselinge aardbeving
žemės drebėjimas
/ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
vamzdžiadantis
noun
1. bepaald soort altijd groene heester die zich met wortelvezels aan de omringende omgeving vasthecht, Glechoma hederacea
šliaužiančioji tramažolė
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
nuošliauža
noun
sliekas
pronoun
1. een Waalse provinciehoofdstad
Arlonas
noun
1. en 2. (blaadjes van) de plant Mentha spicata
šaltmėtė
noun
išangė
/ˈaːrzbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
arkivyskupas
noun
1. een hemelgeest in een rang boven een engel
arkangelas
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
erchercogas
noun
erchercogystė
noun
1. adellijke titel, vrouw van een aartshertog
erchercogienė
/ˈarzələ(n)/
verb
1. onzeker zijn, twijfelen
dvejoti
noun
1. speelkaart
asas
noun
  1. Bepaald soort bananenplant, Musa textilis
  2. Vezels van Musa textilis
abaka
/ˈɑbɑkʏs/
noun
  1. 1. raam met staven
  2. 2. dekplaat van een kapiteel
abakas
/a.bɑ.ˈtwaːr/, /ɑ.bɑ.ˈtβ̞ar/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
skerdykla
pronoun
1. West-Kaukasische taal gesproken in Rusland en Turkije
abazinų kalba
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
santrumpa
noun
1. de afkorting voor atomaire, bacteriologische en chemische wapens
masinio naikinimo ginklas
noun
1. een ophoping van pus in het lichaam, daarbij een onnatuurlijke holte vormend
abscesas
/ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
abchazų kalba
noun
atsistatydinimas
/ɑbˈdɛɪ̯/, /ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
abatija
/ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
abatė
noun
pilvas
/abəl/
adjective
1.
įgalus
/ˈɑb.laut/, /ˈɑp.lɔut/, /ˈɑp.lʌut/
noun
1. regelmatige, grammaticaal bepaalde klinkerwisseling
abliautas
adverb
1. ongewoon
nenormalus
adjective
gausus
/ɑbɔ'ne/
noun
1. iemand die op iets geabonneerd is
abonentas
noun
abonementas
/ɑ'bɔrtəs/
noun
abortas
noun
abrikosas
noun
1. bepaald soort boom waaraan abrikozen groeien, Prunus armeniaca
abrikosas
noun
1. de afstand tot de opstaande as van een coördinatenstelsel
abscisė
/ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
absentas
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
pelynas
/ɑpsɔr'berə(n)/
verb
absorbuoti
noun
absorbavimas
noun
abstinencija
/ɑp'strɑksi/
noun
1. een begrip dat los staat van de dagelijkse werkelijkheid
abstrakcija
verb
1. concretiseren
abstrahuoti
/ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
absurdiškas
/ɑb/, /ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
abatas
/aˈbœys/
noun
klaida
noun
akademija
noun
1. toename van de snelheid
pagreitis
noun
  1. 1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
  2. 2. een teken dat op een klinker kan worden geplaatst
akcentas
noun
  1. 1. voorzieningen ten behoeve van ...
  2. 2. aanpassing
akomodacija
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
akordeonas
noun
1. iemand die zijn beroep maakt van het inrichten en controleren van boekhoudingen en administraties
buhalteris
noun
1.
akrecija
noun
1. een toestel om elektriciteit op te slaan
akumuliatorius
/ˌɑkusaˈtif/, /ˌɑkyzaˈtiːf/
noun
1. naamval voor het lijdend voorwerp
galininkas
noun
1. bepaald soort plant, Malpighia emarginata
malpigija
noun
1. een ester of zout afgeleid van azijnzuur
acetatas
/ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
acetilcholinas
/ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
acetilenas
/xxxx/
noun
1.
acetilsalicilo rūgštis
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
Achilas
noun
Achilo sausgyslė
cardinalNumeral
1. het getal 8
  1. aštuoni
  2. aštuonios
cardinalNumeral
1. het getal 98
devyniasdešimt aštuoni
cardinalNumeral
1. het getal 48
keturiasdešimt aštuoni
preposition
už
adverb
1. in de laatste of een van de laatste posities in een rangschikking, op een verder weg liggende plaats
už
/ˈɑxtərkɑnt/
noun
nugara
/ˈɑxtərklɛɪŋkɪnt/
noun
1. het kind van iemands kleinkind
puikūs anūkai
/ˈɑxtərklɛɪ̯nzon/
noun
1. de zoon van iemands kleinkind
proanūkis
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
pavardė
noun
užpakalis
noun
1. de achterzijde van een schip
laivagalis
adverb
1. in achterwaartse richting
atbulomis
/'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
priesaga
noun
1. achterste deel
užpakalis
noun
1. een vorm met acht hoeken
astoņstūris
/ˈɑxtˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 800
aštuoni̇ šimtai̇
suffix
okas
noun
aštuntas
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
aštuoniolika
ordinalAdjective
aštuonioliktas
noun
acidozė
noun
aknė
pronoun
1. begripomschrijving
Akonkagva
pronoun
1. braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noord van het land. Hoofdstad is Rio Branco
Akrė
noun
akrobatika
/ɑkˈtør/
noun
1. persoon
aktorius
noun
akcija
noun
1. Scheikundig element
aktinis
noun
1. iets waarmee men actief is
aktyvùmas
noun
1. bedrijvende vorm
aktyvas
noun
1. vrouw
aktorė
/ɑktyˈwel/
adjective
  1. einamas
  2. esamas
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
akupunktūra
pronoun
Adomas
/ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
Adomo obuolys
noun
adapteris
noun
  1. 1. gifslang
  2. 2. persoon
angis
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
ereliai
noun
didžialapis šakys
/adəm/
noun
kvėpavimas
/ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
kvėpuoti
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
kvėpavimas
noun
1. goedaardig klierweefselgezwel
adenoma
/a.de.'kʋat/
adverb
1. correct en passend bij het beoogde doel
adekvatus
noun
1. bloedvat met zuurstofarm bloed
vena
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
būdvardis
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
būdvardis
/ˌɑtminɪsˈtrasi/, /ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
  1. 1. de plaats waar gegevens zorgvuldig worden vastgelegd zodat ze later terug te vinden of te controleren zijn
  2. 3. bestuur
administracija
noun
administratorius
verb
1. zorgvuldig vastleggen van gegevens zodat het later terug te vinden of controleren is
administruoti
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
admirolas
noun
admiralitetas
noun
1. jeugdig persoon, puber
paauglys
pronoun
Adolfas
verb
1. een kind aannemen
įdukrinti
noun
įvaikinimas
/aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
adresas
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
Adrijos jūra
/a.ˈdu.ki.ˌbon/
noun
1. bepaald soort kleine, rode sojaboon, Phaseolus angularis
japoninė pupuolė
/ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis    2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
adventas
noun
1. een aankondiging in een krant, reclameblad, tijdschrift ...
reklama
noun
1. een gegeven raad
patarimas
/ɑtfiˈzerə(n)/
verb
1. raad geven aan
patarti
noun
1. raadgever, raadsman
patarėjas
noun
1. pleiter, verdediger in rechtszaken
advokatas
noun
1. vliegveld
aerodromas
noun
aerodinamika
/ˌæːroˈzol/, /ˌɛːroˈzɔɫ/
noun
2. scheikunde
aerozolis
verb
1. iets afsluiten door er een touw of koord omheen te binden
rišti
/ˈɑfdelɪŋ/
noun
1. groep van werknemers die aan soortgelijke taken werken
skyrius
verb
1. door onderhandelen een prijs omlaag zien te krijgen
leistis į smulkmenas
verb
2. overdragen
apversti
noun
1. resultaat van het afdrukken
įspausti
verb
2. (op papier) weergeven d.m.v. een printer of een drukpers
išspausdinti
verb
1. het juiste pad kwijt raken
klajojimas
verb
afektas
/ɑfiniˈtɛit/
noun
  1. 1. een geestelijk verwantschap
  2. 2.
  3. 3.
trauka
noun
lafetas
/ˈɑfɣevə(n)/
verb
2. bij aanraking een substantie afscheiden
srovė
/ɑf.ˈxans/, /ɑf.ˈχans/, /ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
afganistanietiška
/ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
Afganistanas
/'ɑfxɔt/
noun
stabas
/ˈɑfxrɔnt/, /ˈɑfχrɔnt/, /ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
bedugnė
/ˈɑfxɵnst/, /ˈɑfxʏnst/
noun
1. gevoel
pavỹdas
adjective
1. iemand niet gunnen dat die iets heeft dat men zelf wil hebben
budrus
verb
1. goederen die klaargelegd zijn in bezit komen nemen
sutikti
verb
galvutė
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
santrumpa
verb
1. brengen naar en achterlaten op de plek van bestemming
pristatyti
noun
1. elk onderdeel van een tv-serie dat op regelmatige tijden wordt uitgebracht of uitgezonden
epizodas
/ˈɑflopə(n)/, /ˈɑfloːpə(n)/
verb
3. klinken van alarmsignaal
skambutis
noun
1. korte spreuk met een kernachtige boodschap
aforizmas
noun
ant grotelio kepti
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
Afrika
noun
1. bewoner van Afrika of iemand die uit Afrika afkomstig is
afrikietis
/afriˈkaːns/
adjective
1. komende van of betreffende het continent Afrika
  1. afrikietiškas
  2. afrikiečių
/afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
Afrikansas
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
atsisveikinimas
verb
2. met een scheurbeweging losmaken
pasiekti
verb
1. koelen, bevochtigen of schoonmaken met een vochtige spons
kempinė
noun
2. belofte van twee verliefde mensen om elkaar op een bepaalde tijd en plaats te ontmoeten
pasimatymas
noun
palikuonis
/ˈɑfstɑnt/
noun
1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
atstumas
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
distancinis valdymas
verb
  1. 1. dalend tellen tot aan het moment dat iets volgens plan gebeuren moet
  2. 2. door tellen nauwkeurig afpassen
skaitytis
noun
1.
atsistatydinimas
verb
  1. 7.
  2. 8. (een man) seksueel bevredigen, aftrekken
smaukyti
/ˈɑftrɛkɪŋ/
noun
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal van een ander getal afgetrokken wordt
atimtis
noun
1. water dat gebruikt is in de industrie of in het huishouden en dat na gebruik geloosd wordt
nuotekos
verb
1. van een bepaalde plaats wegvliegen
pradingti
/ˈɑfwɑxtə(n)/, /ˈɑfʋɑxtə(n)/, /ˈɑfʋɑχtə(n)/
verb
1. wachten op wat er gaat gebeuren
laukti
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
indaplovė
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
indaplovė
noun
1.gebied waaruit het water wordt afgevoerd via een bepaalde waterweg
upýnas
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
nebuvimas
verb
1. een negatieve beslissing ergens over nemen
atmesti
noun
1. iemand die iets naar een adres verzendt
siuntėja
noun
aukcionas
noun
1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
agatas
/a.ˈɣɛn.da/, /a.ˈχɛn.da/
noun
2. een lijst van te bespreken punten op een vergadering
darbotvarkė
noun
agentūra
noun
1. opwinding
suklaidinti
noun
1. iemand die ten aanzien van het bovennatuurlijke stelt dat dit niet te kennen valt
agnòstikas
noun
1. benaming voor Zuid-Amerikaans knaagdieren uit het geslacht Dasyprocta
agutis
noun
agorafobija
noun
agrèsija
adjective
1. aanvallend
  1. agresyvus
  2. agresyvi
  3. agresyvu
noun
žemdirbystė
/aɣriˈmoni/
noun
1. benaming voor overblijvende, kruidachtige planten uit het geslacht Agrimonia
dirvuolė
noun
1. de landbouwkunde
agronomija
/a.ˈhɔrn/
noun
1. een boom of heester van het geslacht Acer.
klevas
noun
klevų sirupas
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
AIDS
noun
arija
noun
1. beschermingssysteem in voertuigen
oro pagalvė
noun
1. een apparaat dat voor airconditioning zorgt
kondicionierius
noun
1. met een vliegtuig verzonden post
oro paštas
pronoun
1. hoofdstad van de Franse regio Corsica
Ajačas
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
Achenas
/'akər/
noun
2. vrucht van de eik
gilė
/ˈɑ.kər.ˌbo.tər.ˌblum/
noun
1. bepaald soort plant, Ranunculus arvensis
dirvinis vėdrynas
noun
1. bepaald soort vaste plant, Cerastium arvense
dirvinė glažutė
noun
1. bepaald soort plant, Lapsana communis
paprastoji gaiva
noun
dirvinis asiūklis
noun
dirvinis vijoklis
noun
2. samenklank van drie of meer, verschillende tonen
balso stygos
noun
1. platte en rechthoekige tas
portfelis
adverb
1. reeds
jau
phraseologicalUnit
melo kojos trumpos
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Alagoasas
/ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
  1. albanų
  2. albaniškai
/ɑlˈbaːni.jə/, /ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
Albanija
noun
alebastras
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
albatrosas
noun
albumas
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
alchemija
noun
alchemikas
noun
alchemikas
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
  1. alkoholis
  2. spiritas
noun
1.
alkoholikas
adjective
1. alcohol bevattend
alkoholinis
noun
alkoholizmas
noun
alkoholikas
adverb
  1. 2. volgens
    pasak
  2. 1. zo, op deze manier
    taip
/ˈɑlfa/
noun
1. een aanduiding of markering van "de eerste" van een reeks
alfa
noun
de lettertekens van een taal
abėcėlė
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
abėcėlinis
/ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
algebra
noun
bendras
/ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
Alžyras
/ɑɫˈxiːrs/, /ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
Alžyras
noun
algoritmas
adverb
1. in deze plaats
čia
/aliɑs/
adverb
1. anders gezegd, ook wel genaamd
pseudonimas
/aliɑs/
noun
1. een bijnaam
pseudonimas
noun
1. het geheel van rechte lijnen, bogen en overgangsbogen waarmee de as van een verkeersweg, spoorbaan of waterweg is gedefinieerd in drie dimensies
lygiavimas
noun
1. het op één lijn brengen
lygiavimas
/aˈlinija/
noun
paragrafas
/ɑlk/
noun
1. bepaald soort zeevogel die veel op de zeekoet lijkt, maar een dikkere snavel heeft
alka
noun
šarmas
noun
1. een stikstof bevattende plantenbase
alkaloidas
noun
alkenas
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
Alachas
/ˈɑlə/
indefinitePronoun
1. elke, geen, uitgezonderd
visas
/ɑl.ˈen/
adverb
1. slechts
tik
noun
1.
monologas
noun
alegorija
/ɑ.ˈlɛl/, /ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
aleliniai genai
noun
1. stof die overgevoeligheid veroorzaakt
alergenas
/ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
alergija
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
viskas
noun
visavalgiai
noun
1. een bondgenootschap
aljansas
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
aligatorius
noun
1. iemand die van elders afkomstig is
persikėlėlis
noun
1.
alofonas
noun
almanachas
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
alavijas
noun
1. bepaald soort zoogdier Vicugna pacos
alpaka
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
Alpės
/ɑls/, /ɑs/
conjunction
2. indien
jei
conjunction
1. luidt een vergelijking in
tarsi
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
  1. altorius
  2. aukuras
pronoun
1. Atair/Altair
Altayras
adverb
1. op elk moment, blijvend
visada
noun
altruizmas
/alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
aliuminis
noun
paprastoji aukšlė
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
kasa
/amɑl'ɣaːm/
noun
1. kwiklegering
amalgama
noun
  1. 1. kleine bladverliezende loofboom, Amygdalus dulcis
  2. 1. eetbare pit van de amandelvrucht
migdolas
noun
1. of 2. (zaden van) geslacht Amaranthus
burnotis
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
mėgėjas
pronoun
Amazonė
noun
1. een handwerkvak dat vaak aanzienlijke vaardigheden vereist
amatas
noun
amatininkas
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
ambasada
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
ambasadorius
noun
1. vrouwelijke vorm van ambassadeur
ambasadorius
noun
2.
gintaras
noun
ambrozija
noun
1. iemand die aangesteld is in een door de overheid beheerde dienst
pareigūnas
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
greitosios pagalbos automobilis
noun
americis
/aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
Amerika
noun
2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
amerikietis
adjective
1. betreffende of komende van Amerika
  1. amerikiečių
  2. amerikietiškas
noun
1. vrouwelijke inwoner van Noord- of Zuid-Amerika
amerikietė
noun
1. bepaald soort snelgroeiende boom, Quercus rubra
raudonasis ąžuolas
noun
1. bepaald soort struik, Hamamelis virginiana
sodinis hamamelis
noun
1. bepaald soort plant, Prunus serotina
vėlyvoji ieva
noun
1. Ursus americanus, een zwarte berensoort die in Noord - Amerika leeft.
amerikinis juodasis lokys
noun
1. een vaak prachtig violet gekleurde vorm van kristallijn kwarts, die kleine hoeveelheden titaan en ijzer bevat
ametistas
noun
1. in water en op land levend dier
  1. varliagyvis
  2. amfibija
noun
amfiteatras
noun
1. een organische verbinding die kan worden beschouwd afgeleid te zijn van ammoniak...
aminas
noun
  1. aminorūgštis
  2. aminorūgštys
noun
1. een chemische verbinding van stikstof en waterstof
amoniakas
noun
1. NH₄NO₃, het ammoniumzout van salpeterzuur
amonio nitratas
noun
amunicija
noun
1. geheugenverlies
amnezija
noun
1. een verklaring dat afgezien zal worden van strafvervolging voor een bepaalde groep
amnestija
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
ameba
/a.'mɔrf/
adjective
1. niet geordened
beformis
/aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
Amoso knyga
noun
1. dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
ampulė
noun
amperas
noun
1. stroommeter
ampermetras
/ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
Amsterdamas
adjective
1. met betrekking tot de darmuitgang van de mens
analinis
noun
anachronizmas
noun
anagrama
noun
1. seks waarbij de anus en het rectum een rol spelen
analinis seksas
noun
1. het voorkomen van mensen die niet kunnen lezen of schrijven
analfabetizmas
noun
1. een pijnstiller
analgetikas
noun
analitikas
/ɑnɐ'liːzə/
noun
analizė
noun
1. een vrucht van de ananasplant
ananasas
noun
peruvinė dumplūnė
noun
anarchija
noun
anarchizmas
noun
anarchistas
noun
anatomija
noun
1. een persoon die kennis draagt van de (menselijke) anatomie
anatomas
pronoun
Andalūzija
pronoun
Andalūzija
adjective
1. niet deze
kitas
/'ɑndərmɑns/
indefinitePronoun
1. genitief van een andere man, wordt gebruikt in bezittelijke zin
svetimas
adjective
1. partitief van ander
o dar
conjunction
1. leidt een zin in die een andere gang van zaken aangeeft
o dar
pronoun
Andai
noun
andezitas
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het zuiden van het land
Andhra Pradešas
noun
notra
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
Andora
adjective
1. van/uit Andorra
andorietiškas
noun
1. iemand die afkomstig is uit Andorra
andorietis
noun
1. kruis van twee even lange, schuingeplaatste balken
Andriaus kryžius
noun
androidas
/a.nɛg.ˈdo.tə/
noun
1. een amusant, kort verhaal
anekdotas
noun
1.
anemija
noun
1. het orgaan waarmee wespen, bijen en soortgelijke dieren steken
gelti
/ɑŋəl'sɑksis/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die tussen ca. tussen 400 en 1100 werd gesproken en die geldt als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels
anglosaksų
noun
anglikonýbė
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Engels of gevormd naar Engels voorbeeld
anglicizmas
/ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
Angola
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
baimė
pronoun
Angilija
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
anyžinė ožiažolė
noun
1. het zaad van de anijsplant
anyžius
noun
1. vijandigheid
priešiškumas
noun
anijonas
noun
gvazdikas
noun
gvazdikas
noun
1. onderdeel van een vaartuig
inkaras
pronoun
1. meisjesnaam
Ona
/ˌɑnɛkˈsatsi/
noun
1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
aneksija
/ˌɑnɛkˈsɪːrə(n)/
verb
1. het toeëigenen van een grondgebied
aneksuoti
noun
1. afwijking van organen
anomalija
adjective
1. naamloos
bevardis
noun
1. naamloosheid
anonimiškumas
/a.nɔsˈmi/
noun
anosmija
noun
1. een postkaart met een afbeelding
atvirukas
noun
ančiuvis
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
  1. Antarktika
  2. Antarktida
noun
1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
antena
noun
antologija
noun
antibiotikas
noun
antikristas
/ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
Antigva ir Barbuda
noun
1. een hoofdpersonage in een verhaal met niet de typerende positieve eigenschappen van een held
antiherojus
noun
1. stof die de werking van de weefselstof histamine vermindert
antihistaminas
noun
antikūnas
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
Antilai
/ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
antilopė
noun
stibis
noun
1. stof die reacties tegengaat waarbij elektronen worden uitgewisseld
antioksidantas
noun
iemand met antisemitische denkbeelden
antisemitas
noun
1. een stof die veelal aan koelwater wordt toegevoegd om het vriespunt ervan te verlagen om bevriezen ervan te voorkomen
antifrizas
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
antonimas
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
noun
1. een vorm aan steenkopl die hoge temperatuur heeft gehad
antracitas
noun
1. een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
juodligė
noun
antropologija
noun
antropomorfizmas
/ˈantˌwɛrpə(n)/, /ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Antverpenas
/ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
atsakymas
noun
autoatsakiklis
/ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
atsakyti
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
išangė
noun
1. lusteloosheid
apatija
noun
2. internetsymbool @
eta
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
apokalipsė
noun
1. wegval van slotklank
apokopas
noun
1. geprogrammeerde celdood
apoptozė
noun
  1. 2. aanspreking van afwezige personen of zaken
    apostrofa
  2. 1. afkappings- of weglatingsteken
    apostrofas
/apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
vaistinė
noun
vaistininkas
noun
1. toepassing
programėlė
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
aparatas
noun
1. een afzonderlijke woning in een groter gebouw
butas
/ɑ.ˈpɛl/, /ɑ.ˈpɛɫ/, /ˈɑ.pəl/, /ˈɑ.pəɫ/, /ˈɑpəɫ/
noun
1. vrucht
obuolys
noun
1. boom waaraan appels groeien
obelis
noun
1. een moes van gekookte appels
obuolių tyrės
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
obuolių sultys
/ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
apelsinas
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
obuolių pyragas
noun
1. alcoholhoudende drank gemaakt van vergist appelsap
sidras
noun
apendicitas
noun
1. een bewuste waarneming
tirti
/ɑplɔudi'serə/
verb
1. in de handen klappen om goedkeuring of bewondering te tonen
paploti
/ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
aplodismentai
verb
vertinti
/ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
balandis
pronoun
Apulija
noun
nog uit te zoeken
akvarelė
/ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
akvariumas
noun
rogės
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
ara
/ˌɑ.ra.ˈbiːr/
noun
1. een persoon met het Arabisch als moedertaal
arabas
/ɑ'rabis/
adjective
1. verwijzend naar de Arabische taal,cultuur,het alfabet of Arabië
  1. arabiškas
  2. arabų
/ɑ'rabis/
pronoun
  1. 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
    1. arabiškas
    2. arabų
  2. 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
    1. arabų
    2. arabiškai
pronoun
Arabija
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van de spinachtigen
arahnologija
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noord-Australië en de oostelijke eilanden van Indonesië
Arafuros jūra
pronoun
Aragonas
noun
1. Een inwoner van Aragon
aragonietiškas
pronoun
1. taal gesproken in Aragon
aragonietiškas
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
darbas
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
darbininkas
noun
1. inkomsten die men ontvangt door het uitvoeren van werk
darbo užmokestis
adjective
1.zonder arbeid
bedarbis
noun
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
darbo teisė
noun
darbuotoja
pronoun
Arkadija
noun
archaizmas
/ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
archeologija
noun
archeologas
noun
archetipas
noun
archyvas
noun
1. een eilandengroep
salynas
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
architektas
noun
1. de bouwstijl van een gebouw
architektūra
/ɑrxivaːrɨs/
noun
1. een persoon die een archief beheert
archyvaras
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
archyvuoti
pronoun
1. naam voor het noordpoolgebied
Arktis
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
Arkties vandenynas
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Ardešas
noun
1. schouwtoneel ...
arena
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Erelis
noun
1. roofvogel
  1. erelis
  2. aras
/ˌɑrɣɛnˈtɛɪ̯n/, /ˌɑrɣɛnˈtɛːn/, /ˌɑrχɛnˈtɛɪ̯n/
noun
1. iemand van Argentijnse komaf
argentinietis
/ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
Argentina
noun
argininas
/ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
argonas
noun
arija
/arijaˈnɪsmə/
noun
1.
arijonizmas
noun
1. een regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten
aristokratija
noun
1. onregelmatige hartslag
aritmija
noun
arka
/ɑrṃ/
noun
1. lichaamsdeel
ranka
noun
1. sieraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
apyrankė
/ɑrˈmen/, /ɑrˈmeːn/
noun
1. een inwoner van Armenië, of iemand afkomstig uit Armenië
armėnas
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
adjective
1. betreffende Armenië of het Armeens
  1. armėniškas
  2. armėnų
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Armenië
  1. armėniškai
  2. armėnų
/ɑrˈmensə/, /ɑrˈmeːnsə/
noun
armėnė
pronoun
armėnų genocidas
/ɑrˈmeni.jə/, /ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
Armėnija
/ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
skurdas
pronoun
Arnhemas
noun
2. muziekbewerking
išdėstymas
noun
1. een aanhouding door de sterke arm der wet
areštas
/ɑriveːrən/
verb
1. de bestemming bereiken
atvykti
noun
arogancija, išdidumas, pasipūtimas, akiplėšiškumas
noun
arsenas
noun
1. stijlbeweging
Art Deco
noun
artistas
adjective
1. kunstmatig
dirbtinis
phraseologicalUnit
dirbtinis intelektas
/ɑrˈtiːkəl/
noun
4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
straipsnis
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
artilerija
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
artišokas
noun
1. gewrichtsontsteking
osteoartritas
noun
1. een aandoening van het gewrichtskraakbeen
osteoartritas
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
gydytojas
/a.ˈru.ba/, /a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Aruba
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land. Hoofdstad is Itanagar
Arunačal Pradešas
noun
2. lijn
ašis
/ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
peleninė
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
asbestas
noun
asketizmas
noun
aseksualumas
noun
asfaltas
noun
prieglauda
pronoun
1. hoofdstad van Turkmenistan
Ašchabadas
pronoun
1.
Ašdodas
noun
aspartamas
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
smidras
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land. Hoofdstad is Dispur
Asamas
noun
1. houten werpspies bij Afrikaanse volksstammen
asegajus
/ˈɑsəˌpustər/
pronoun
1. het meisje dat hoofdpersoon is het het gelijknamige sprookje
Pelenė
noun
1. het opkomen voor jezelf zonder agressief over te komen
asertyvumas
noun
1. een persoon die ondersteunt
asistentas
/ɑsɪsˈtɛntə/
noun
1. vrouwelijk persoon die ondersteunt
asistentas
noun
drauda
pronoun
Asirija
noun
astatinas
noun
1. scheikundig element met symbool At en atoomnummer 85
astatinas
/ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
asteriskas
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
asteroidas
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
astma
/ɑstrolo'gi/
noun
1. de leer die gebeurtenissen aan het hemelgewelf in verband brengt met gebeurtenissen op aarde
astrologija
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
astrologas
/ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
astronautas
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomija
adjective
astronominis
noun
astronomas
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Astūrija
noun
1. eerste dag van de vastentijd
pelenų diena
adjective
1. zonder ziekteverschijnselen
besimptomis
noun
1. onverstoorbare staat die zich kenmerkt door vrijheid van zorgen, affectieloosheid en emotionele gelatenheid
ataraksija
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
Atėnai
/ˌa.te.ˈjɪsmə/, /ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
ateizmas
/ˌa.te.ˈjɪst/, /ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
ateistas
pronoun
1. mythologisch eiland
Atlantida
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
Atlanto vandenynas
noun
1. anadrome vis die tot 4 meter lang en 250 kg zwaar kan worden, Acipenser oxyrinchus
sturys asetras
noun
  1. 1. een boek dat geografische kaarten bevat
  2. 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
  3. 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
atlasas
/ɑtlet/
noun
1. iemand die grote prestaties op sportief gebied verricht
atletas
noun
  1. 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
  2. 2. een stemming.
  3. 2. eenheid.
atmosfera
noun
atolas
noun
atomas
noun
1. een bom waarvan de vernietigingskracht berust op het vrijkomen van energie door de splitsing van atomen
atominė bomba
noun
atomo numeris
noun
atomo branduolys
noun
atominis laikrodis
noun
1. de massa van een atoom, uitgedrukt in de atomaire massa-eenheid u
atominė masė
noun
1. de kernlading van een atoom
atomo numeris
noun
1. verschrompeling van organen
atrofija
noun
atašė
noun
dėmesys
noun
1. schriftelijk bewijs
sertifikatas
noun
1. houding
laikysena
noun
4. tot het wezen (de entiteit) behorende eigenschap
pažyminys
interjection
1. uitroep van pijn
ai
/obɛrˈʒinə/
noun
2. purperachtige, vlezige vrucht
baklažanas
adjective
1. zichtbaar en hoorbaar
audiovizualinis
adjective
1. met betrekking tot het gehoor
klausos
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Augsburgas
/ʌuˈɣɵrk/, /ʌˈʝʏrk/
noun
1. kleine, in het zuur ingemaakte komkommer
agurkas
/aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
rugpjūtis
pronoun
1. een stad in Polen
Osvencimas
/aʊ̯ˈstraːlɪs/, /ɔʊ̯ˈstraːlis/, /ʌʊ̯ˈstralis/
adjective
1. van Australië
australiškas
/aʊ̯ˈstraːli.jə/, /ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
Australija
/aʊ̯ˈstraːli.jər/, /ɔʊ̯ˈstraːli.jər/, /ʌʊ̯ˈstrali.jər/
noun
1. een inwoner van Australië
australietis
noun
autarkija
/oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
autorius
noun
autorinė teisė
/ʌuˈtɪsmə/, /ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
autizmas
/ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
automobilis
noun
autobiografija
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
autobusas
noun
autokratija
noun
1. handtekening van een beroemd persoon
autografas
adjective
  1. 1. niet bestuurd door de hand van de mens
  2. 2. vanzelfgaand
  1. automatinis
  2. automatiškas
noun
automatizacija
noun
1. gemotoriseerd voertuig op vier of meer wielen
automobilis
noun
1. een bestuurder van een auto
vairuotojas
/aʊ̯.to.no.ˈmi/, /ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
autonomija
/ˌʌʊtoˈnom/
adjective
1. op zichzelf staand
autonominis
noun
1. een lijkschouwing
autopsija
adjective
autoritarinis
noun
1. weg voor snelverkeer (dat sneller kan en mag rijden dan 60 km per uur), met gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen
automagistralė
noun
autosugestija
noun
1. autowas installatie waarbij auto's automatisch via een lopende band schoongemaakt worden
automobilių plovykla
/ɑu̯ˈtri.sə/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
autorė
/'avatɑr/
noun
2. (informatica) een kleine afbeelding die een bepaalde gebruiker symboliseert
avataras
pronoun
1. een stad in Frankrijk
Avinjonas
/ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
avokadas
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
vakaras
noun
1. een maaltijd die 's avonds genuttigd wordt
vakarienė
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
komendanto valanda
adjective
1. gedurende de avond
vakarinis
noun
prieblanda
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
nuotykis
noun
1. een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden
aksioma
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
ajatola
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
aimarų
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
Azerbaidžanas
/aˈzeːri/, /aˈzɪːri/
pronoun
1. Turkse taal die door 22 miljoen mensen vooral in Azerbeidzjan, maar ook in Iran, Georgië en Turkije wordt gesproken
azerbaidžaniškai
noun
azijietis
adjective
1. afkomstig uit of betreffend Azië
  1. Azijos
  2. azijiečių
/aˈzɛɪn/, /aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
actas
noun
rūgštusis žagrenis
noun
1. CH₃COOH
acto rūgštis
/azimɵt/
noun
1. horizontale hoek
azimutas
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
Azija
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
įlanka
/baːn/
noun
3. traject van een projectiel/hemellichaam
orbita
noun
1. kleine verhoging of onderstel, waarop een doodskist wordt opgebaard of gedragen
kestės
/baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
barzda
noun
1. een alleen in India voorkomende zwarte aap met een kwastachtige staart en een opvallende grijze kraag
vandera
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
gimda
noun
1. smal en buisvormig gedeelte van de baarmoeder dat aan een kant in de vagina eindigt ...
gimdos kaklelis
noun
1. stekelvinnige riviervis
ešerys
/baːs/
noun
1. overste, leider, chef
vadovė
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
kūdikis
/ˈbe.bi.buːm/
noun
1. een periode waarin ongewoon veel kinderen geboren worden
demografinis sprogimas
noun
1. benaming voor soorten uit de klasse Bacilli
bacila
noun
bakterija
noun
1. een wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van bacteriën
bakteriològija
adjective
bakteriologinis
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Mergentheimas
verb
  1. 1. een bad nemen
  2. 3. in bad doen
maudytis
pronoun
1.
  1. Badenas-Viurtembergas
  2. Badenia et Virtembergia
noun
chalatas
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
vonia
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
maudymosi kostiumėlis
/ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
vonia
noun
1. een sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
badmintonas
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
  1. maudymosi kostiumėlis
  2. maudymosi kostiumas
noun
1.
Bafino jūra
/ba.ˈɣaːʃ/, /ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
bagažas
/'begəɫ/
noun
1.
beigelis
/ba.ˈha.mas/, /ba.ˈɦa.mas/, /bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
Bahamos
/ba.ˈrɛɪ̯n/, /bɑx.ˈrɛːn/, /bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
Bahreinas
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
durtuvas
noun
bakelitas
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
kepti
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
kepėjas
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
kepykla
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
Baku
noun
1. rijsmiddel op basis van natriumbicarbonaat
kepimo milteliai
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
plyta
noun
1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
kamuolys
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
balalaika
verb
1. evenwicht behouden om er niet vanaf te vallen
likutis
noun
  1. 1. evenwicht
  2. 2. een meetapparaat met twee armen (bedoeld om het verschil te kunnen meten)
  3. 3. (economie) een volledige opsomming van de waarde van alle bezit en alle tegoeden en ...
likutis
pronoun
Balearų salos
pronoun
1. gebied...
Balkanai
noun
1. een bouwkundig onderdeel
balkonas
noun
baladė
/ˈbɑ.lə/
noun
branie, moed
kiaušai
noun
1. een artistieke dansvorm
baletas
noun
1. gedwongen verblijf elders dan waar men thuis is
tremtis
noun
1. leer die de banen van projectielen bestudeert
balistika
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
balionas
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
tušinukas
noun
balzaminis actas
noun
balzamas
noun
1.huidplooi waarin de testikels liggen
kapšelis
pronoun
1. de nationale taal van Mali
bambarų
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
bambukas
noun
bambuko ūglis
adjective
1. gewoontjes, saai en voorspelbaar, weinig verheven of de zintuigen prikkelend
banalus
noun
1. een vrucht van de bananenboom
bananas
noun
  1. 1. een van de Midden-Amerikaanse staten zoals Honduras, Nicaragua, El Salvador of Guatemala, eens zo genoemd vanwege de bananenindustrie die daar alles overheerste
  2. 2. een in politiek en economisch opzicht corrupt en instabiel land, dat bovendien vaak rijk is aan grondstoffen
bananinė respublika
noun
1. de schil van een banaaan
banano žievė
noun
  1. 1. ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
    padanga
  2. 3. groep muzikanten die een bepaald muzikaal repertoire ten gehore brengt
    raištis
noun
1. een schurk of misdadiger
banditas
noun
1. apparaat waarmee men geluid kan vastleggen op magnetische tape
magnetofonas
noun
1. een toestel dat geluid opnam op een band magnetiseerbaar materiaal
magnetofonas
/ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
Bangladešas
noun
  1. 3. een financiële instelling
  2. 4. een ondiepte in het water
bankas
noun
1. een betaalmiddel van papier
banknotas
/bɑŋ'kɛt/
noun
1. een feestelijke, officiële maaltijd
banketas
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
bankininkas
noun
1. een rekening-courant bij een bank
banko sąskaita
/ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
tremtinys
noun
benaming voor dikstammige bomen uit droge, warme gebieden uit het geslacht Adansonia
baobabas
noun
barbaras
adjective
1. zonder beperkingen opgelegd door beschaafd gedrag
barbariškas
/ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
Barbadosas
/bɑrbɑˈrɪzmə/
noun
1. woord of uitdrukking uit een andere taal
barbarizmas
pronoun
Barselona
noun
1. (informatica) een op artikelen, verpakkingen afgedrukte reeks smalle en brede streepjes waarmee in gecodeerde vorm productinformatie is vastgelegd die met een scanner kan worden gelezen
brūkšninis kodas
/bɑrt/
noun
1. middeleeuws dichter en zanger bij de Kelten
bardas
verb
1. op de wereld brengen
gimdyti
noun
Barenco jūra
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
beretė
/bɑrx/
noun
1. gecastreerd mannetjesvarken
par̃šas
noun
baritas
noun
baris
noun
gintaras
noun
1. een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
barokas
/ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
barometras
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
baronas
noun
1. vrouwelijke baron
baronienė
noun
baronija
noun
1. straatversperring die de doorgang door een straat onmogelijk maakt
barikada
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
bazaltas
noun
likutis
noun
  1. 1. stof die een of meer hydroxylgroepen bevat en in een waterige oplossing OH-ionen afsplitst
  2. 2. ion of molecuul dat de neiging heeft een proton op te nemen
bazė
/baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
bazilikas
noun
bazilika
noun
1. scholing voor kinderen van 4 tot 12 jaar
pagrindìnis išsilãvinimas
/ˈbazɪsxoɫ/
noun
1. een school voor lager onderwijs
pradinė mokykla
/'bɑskən,lɑnd/
pronoun
  1. 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
  2. 3. Spaanse autonome regio
Baskija
noun
  1. 1. sport
  2. 2. bal
krepšinis
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
  1. baskiškai
  2. baskų
noun
batatas
noun
bataljonas
noun
1. stokje dat een dirigent bij het dirigeren hanteert
dirigento lazdelė
verb
2. geslachtsgemeenschap hebben
dulkintis
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
baterija
noun
1. een mineraal dat een belangrijk erts van aluminium vormt. Bauxiet bestaat voor een groot deel uit aluminiumoxide...
boksitas
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
pavianas
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Beieren
  3. 3. een voormalig markgraafschap en vorstendom
Bairoitas
pronoun
1. stad in Zwitserland
Bazelis
noun
1. afkorting van bruto binnenlands product...
BVP
/'biːmən/, /bə'amən/
verb
1. bevestigen dat men het eens is met iets
patvirtinti
/bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
atsakinėti
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
barzdotas
/bə.ˈbaʊ̯.wɪŋ/, /bə.ˈbɔʊ̯.β̞ɪŋ/, /bə.ˈbʌʊ̯.β̞ɪŋ/
noun
1. het construeren van een gebouw op een stuk land
statymas
/bɛd/, /bɛt/
noun
1. een meubel gemaakt om in te slapen
  1. lova
  2. guolis
verb
1. erkentelijkheid tot uitdrukking brengen
dėkoti
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
ačiū
/bə'darə(n)/
verb
2. kalm maken
tykus
verb
1. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
  1. dengti
  2. gaubti
noun
1. een persoon die vraagt om geld zonder daar iets voor te doen
elgeta
/bəˈdɛŋkələk/
adjective
1. wat bezorgdheid of afkeuring opwekt
abejotinas
verb
  1. 3. iets schenken aan
  2. 1. gedachten laten gaan over, denken over
galvoti
noun
1. iemand die eten en of drinken brengt in een horecagelegenheid
tarnautoja
noun
1. de groep van personen die eten en of drinken brengen in een horecagelegenheid
tarnyba
verb
  1. 1. met een woord of toespeling iets of iemand aanduiden of proberen aan te duiden
  2. 2. iets met een bepaald oogmerk doen
reikšti
noun
sąmyšis
verb
juokdarys
verb
1. iemand bedrieglijk in een waan brengen, gewoonlijk spelenderwijs
juokdarys
noun
kiekis
verb
1. iemand met kwade opzet in de waan brengen
apgaudinėti
noun
1.
apgavystė
noun
aktyvas
verb
1. bedriegen
juokdarys
noun
1.1 Cimex lectularius, een parasitair insect
patalinė blakė
/bek/
noun
1. stromend watertje
upokšnis
noun
1. bepaalde ondersoort van vissen die voorkomt in stromend water, Salmo trutta fario
upėtakis
noun
1. zeldzaam visje dat inheems voorkomt in de Benelux, Lampetra planeri
mažoji nėgė
noun
  1. 3. frame
    kadras
  2. 1. driedimensionaal kunstwerk
    paveikslas
  3. 2. visualisatie
    įvaizdis
verb
1. uit steen een beeld vervaardigen
skulptūra
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
skulptorius
/'beltɦɑʊʋɛrk/
noun
1. een kunstwerk vervaardigd door het houwen van steen
skulptūra
noun
ekranas
/beːn/
noun
1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
koja
noun
1. een verkoper van vlees
mėsininkas
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
kaulų čiulpai
/beːr/, /bɪːr/
noun
1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
  1. lokys
  2. meškà
/beːst/
noun
  1. 2. benaming voor een mens, meestal een man, als men wild en dierlijk gedrag wil aangeven
    gyvulys
  2. 1. dier
    žvėris
verb
pagrobti
verb
2. iemand een loer draaien, het slachtoffer van een streek maken
juokdarys
noun
1. een bijzondere aanleg, een gave
talantas
noun
1. verlangen
aistra
/bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
1. vergezellen
lydėti
verb
1. sterk verlangen om iets te bezitten
geisti
/bəˈχɪn/
noun
1. het eerste deel
pradžia
verb
1. aanvangen
pradėti
noun
1. regel waar je je in ieder geval aan wilt houden
principas
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
kapinės
noun
1. een ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd
laidotuvės
verb
  1. 1. iets onder de grond stoppen
  2. 2. een overledene begraven
  3. 3. iets wegstoppen
palaidoti
/bə.χrɛɪ.pə(n)/
verb
1. met het verstand vatten
suprasti
noun
  1. 1. het verstaan of begrijpen van iets
    išmonė
  2. 2. datgene wat men ergens onder verstaat of hoe men iets kent
    sąvoka
verb
1. bij de ontmoeting een teken van erkenning en welwillendheid geven aan iemand
sveikinti
noun
1. het erkennen van elkaars aanwezigheid wanneer men elkaar ontmoet
pasveikinimas
/bəˈɣrotɪŋ/
noun
1. raming van de te maken uitgaven voor de komende tijd
biudžetas
/beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
liemenėlė
noun
1. ter versiering op de muur aangebrachte papieren bedekking
tapetai
noun
1. muurbedekking
tapetai
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
administratorius
verb
apimti
/ˈbə'huftə/
noun
1. iets wat benodigd is
poreikis
/bəˈhuvə(n)/
verb
1. moeten
privalo
noun
1. het behoeden voor of verhinderen van een teloorgang
apsauga
adjective
2. redden
tausoti
cardinalNumeral
1. alle twee
abu
pronoun
Bavarija
pronoun
1.
Bavarijos Miškas
/bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Beirutas
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
káltas
noun
1. een persoon waarvan je weet wie het is
pažįstama
noun
pažintis
/bəˈkɛntmakɪŋ/
noun
paskelbimas
noun
1. een verklaring waarin men toegeeft een bepaalde daad gepleegd te hebben
prisipažinimas
noun
1. een boete die wordt opgelegd voor het overtreden van een wet
bauda
noun
2. gebeente tussen beide heupen
dubuo
noun
skundas
verb
1. ontevredenheid uiten, klachten indienen
dejuoti
verb
1. een goede of slechte uitwerking hebben
afektas
verb
1.
braižyti
verb
1. kritiek uiten op iets of iemand
kritikuoti
adjective
įgalus
noun
1. competentie
gabumas
noun
  1. 1. klok, schel, zoemer
  2. 6. een rond, schaalvormig metalen voorwerp in de vorm van een klok of halve bol al dan niet met klepel...
varpas
noun
1.
vilkti
adjective
1. van grote betekenis
svarbus
noun
1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
mokestis
noun
1. iemand die belasting betaalt
mokesčių mokėtojas
noun
mokesčių rojumi
verb
juokdarys
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
insultas
adjective
1. van goede omgangsvormen getuigend
mandagus
noun
1. een sociale vaardigheid, die de omgang in de maatschappij vergemakkelijkt.
mandagumas
/bəˈlɛx/
noun
1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
apgula
noun
1. iemand die geld belegt
investitorius
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
politika
noun
1. wat hinder en oponthoud veroorzaakt
kliūtis
noun
1. leesteken bestaand uit drie puntjes (…)
daugtaškis
/bɛlx/, /bɛɫx/, /bɛɫχ/
noun
1. een staatsburger van België
belgas
/ˈbɛl.ɣɪs/, /ˈbɛɫ.ɣis/, /ˈbɛɫ.χis/
adjective
1. met betrekking tot België
belgiškas
pronoun
Belgijos Kongas
/ˈbɛlɣijə/, /ˈbɛɫɣijə/, /ˈbɛɫχijə/
pronoun
Belgija
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
Belgradas
/bə.ˈlɪx.tə(n)/, /bə.ˈlɪχ.tə(n)/
verb
1. licht schijnen op iets
apšviesti
/be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
Belizas
verb
  1. 1. de deurbel over laten gaan
  2. 2. door middel van een bel een signaal geven
skambutis
pronoun
1.
Beludžistanas
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
pažadas
noun
atlyginimas
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
žadėti
verb
1. met moeite in handen krijgen
pagrobti
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
ekipažas
noun
1.
tirti
adjective
mylėjo
verb
1. amoureuze gevoelens voor iemand koesteren
mylėti
verb
1.iemand een positievere kijk op de kansen geven
padrąsinti
verb
3. bijna bereiken
pasiekti
/ˈbɛn.də/
noun
1. een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
gauja
pronoun
1. een taal die in Bangladesh en West-Bengalen gesproken wordt
bengalų
/be.ˈnin/, /ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Beninas
noun
benzènas
/bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
benzinas
noun
benzenas
noun
  1. 1. wat een soldaat aan voedingsmiddelen, kleding enz. zelf medevoert
  2. 2. wat iemand allemaal moet dragen of aanhebben
įranga
/bə.ˈpɛr.kɪŋ/
noun
1. iets dat ervoor zorgt dat de mogelijkheden beperkt worden
apribojimas
verb
1. overleg plegen over de gezamenlijk te voeren actie
apsvarstyti
verb
teisti
noun
1. de afstand die afgelegd kan worden
pasiekti
/bə'rɛɪkən/
verb
  1. 1. fysiek bij de andere kant aankomen
  2. 2. het informeren van personen
pasiekti
verb
1. door rekenen iets bepalen
apskaičiuoti
/bɛrx/
noun
  1. 1. hoge terreinverheffing
  2. 2. een grote hoeveelheid
kalnas
noun
1. Tadorna tadorna, een forse bijna gansachtige eend
urvinė antis
noun
1. overgebrachte korte communicatie, meestal over een recente gebeurtenis
pranešimas
noun
ataskaitų teikimas
noun
berilas
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
Beringo sąsiauris
pronoun
1. is de zee in het noordelijk deel van de Grote Oceaan
Beringo jūra
/bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
beržas
noun
berklis
pronoun
  1. 1. de hoofdstad van Duitsland
  2. 2. een duitse deelstaat
Berlynas
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
Bermudai
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Bernas
noun
1. Borago officinalis, een kruid dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
agurklė
pronoun
2. spelwoord voor de letter b
Benjaminas
/bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
garsus
noun
2. iemand die bekend is bij een groot publiek
įžymybė
noun
1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
profesija
verb
liesti
noun
1. het betreuren van een eerdere kwalijke daad
sąžinės priekaištai
verb
1. iemand met geweld zijn bezit ontnemen
apiplėšti
/bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
berilis
/bɛs/
noun
1. kleine vrucht
uoga
verb
1. het toebrengen van schade
padaryti nuostolių
/bə.ˈsxa.vɪŋ/, /bə.ˈsχa.vɪŋ/
noun
1. de complexe maatschappij waarin veel van de mensen in steden leven en hun voedsel door middel van landbouw verkrijgen
civilizacija
/bə'sxɛi(d)ə/
adjective
  1. 1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
  2. 2. niet de indruk makend te hoge verwachtingen van zichzelf te hebben
  3. 3. niet groots of talrijk
  4. 4. niet opdringerig
kuklus
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
apsaugoti
/bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
apsauga
/bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
pasiekiamas
noun
1.e mogelijkheid om, indien nodig te kunnen beschikken over mensen, diensten of hulpmiddelen
prieinamumas
adjective
1. onder invloed van alcohol
girtas
verb
1. in woorden uitdrukken
aprašyti
/bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
aprašymas
/bəˈsxʌldəgə/
verb
1. iemand de schuld geven van iets
apkaltinti
/bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
mokestis
verb
1. het reëel bewust worden van iets
suvokti
verb
2. een paard van een hoefijzer voorzien
kaustyti
noun
1. gerechtelijke handeling waardoor iemand niet meer vrij over zijn eigendom kan beschikken
priepuolis
verb
1. vaststellen wat er gaat gebeuren
nuspręsti
/bə.ˈslɪ.sɪŋ/
noun
nutarimas
/bəˈslœɪt/
noun
1. een vastgestelde keuze
nutarimas
verb
1. vaststellen hoe het moet
nuspręsti
/bə'smɛtələk/
adjective
1. het vermogen hebbend gemakkelijk van persoon op persoon overgedragen te worden
limpamas
verb
1. blootstellen aan een ziektekiem, gif of radioactief materiaal
užkrėsti
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
apipjaustyti
/bəˈsnɛidənɪs/
noun
apipjaustymas
verb
  1. 1. minder van iets gebruiken of verbruiken
  2. 2. minder geld uitgeven, bezuinigen
tausoti
verb
1. muziek maken op een muziekinstrument
groti
/bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
diskusija
pronoun
Besarabija
verb
1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
  1. būti
  2. egzistuoti
noun
  1. 1. een verzameling van gegevens die een eenheid vormen
    failas
  2. 3. een wapenstilstand
    paliaubos
/bəˈstedə(n)/
verb
1. schaarse middelen een bestemming geven
leisti
verb
1. iemand iets wederrechtelijk ontnemen
apiplėšti
verb
1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
užsakyti
verb
1. ergens een stempel opzetten
štampuoti
verb
bausti
verb
1. het wegdek verharden met klinkers of andere middelen om er een straat van de maken
grįsti
noun
1.een aanduiding voor een werk dat op korte termijn uitzonderlijk goed verkoopt
bestseleris
verb
1. je er grondig in verdiepen
apklausti
noun
apdulkinimas
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
operacinė sistema
/bəˈstyrdər/
noun
1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
vairuotojas
noun
generalinis direktorius
/bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
sumokėti
noun
1. iemand die betaalt
mokėtojas
/bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
mokėjimas
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
reikšmė
/ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Betelgeizė
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
Betliejus
/bə.ˈto.ɣɪŋ/, /bə.ˈto.χɪŋ/
noun
1. een samenkomst van velen, meestal op straat, met als doel een protest te laten horen
demonstracija
noun
1. vader van een overgrootouder
proprosenelis
noun
reliatyvumas
/bəˈtœʏxə(n)/
verb
1. iets duidelijk stellen
greitasis
noun
1. boomsoort
bukas
verb
1. ergens fors op slaan
daužyti
/bøːl/
noun
1. uitvoerder van lijfstraffen
budelis
noun
    1. 1. het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
    2. 2. een houder voor munten en biljetten
    birža
  1. 3. toelage voor iemand die studeren wil
    stipendija
verb
2. begrijpen
suvokti
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt
apsaugoti
/bə.ˈvɛɪ̯.lə.χɪŋ/, /bə.ˈvɛɪ̯.lɪ.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛː.lə.ɣɪŋ/
noun
1. de genomen maatregelen die er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt
apsauga
noun
1. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak.
įsakymas
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
  1. bẽbras
  2. bebras
noun
1. Myocastor coypus, een schadelijk knaagdier, leeft vooral in moerassige omgeving
nutrija
verb
1. zeggen dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
patvirtinti
/bə.ˈvɛs.ti.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈvɛs.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛs.tə.χɪŋ/
noun
1. het bevestigen, het mededelen aan iemand dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
patvirtinimas
noun
padarinys
verb
laistyti
noun
1. de akkers voorzien van extra water
drėkinimas
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
gyventojai
verb
1. beantwoorden aan een sterk verlangen
patenkinti
noun
1. de beantwoording aan een sterk verlangen
pasitenkinimas
verb
1. iemand of een bevolking van gevangenschap of onderdrukking verlossen
išlaisvinti
noun
1. persoon die andere bevrijdt
išvaduotojas
/bə.ˈvrɛɪ̯.dɪŋ/, /bə.ˈvrɛː.dɪŋ/
noun
1. het vrij maken van mensen die gevangen gehouden of onderdrukt worden
išsivadavimas
noun
1. een persoon die toezicht houdt op de veiligheid van iets of iemand
sargas
/bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
1. iemand van wapens voorzien
apginkluoti
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet verloren raakt
tausoti
/bə.ˈweː.ɣə(n)/, /bə.ˈʋe.χə(n)/, /bə.ˈβ̞e.ɣə(n)/
verb
1. van plaats veranderen
judėti
/bə.ˈwe.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈʋe.χɪŋ/, /bə.ˈβ̞e.ɣɪŋ/
noun
  1. 1. in de staat verkeren waarin de locatie steeds verandert
  2. 2. van plaats/positie veranderen
  3. 3. een organisatie
sąjūdis
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
įrodymas
noun
1. alles wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vastlegt
įrodymas
/bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
debesuotas
/bə.ˈwɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈʋɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔn.də.rɪŋ/
noun
1. het bekijken met enig ontzag
susižavėjimas
noun
1. iemand die in of op iets woont
gyventojas
noun
1. de staat van het bewusteloos zijn
sąmonės netekimas
/bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
sąmonė
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
šluota
noun
1. iemand die bezet, meer in het bijzonder de bezetter van een overwonnen natie in oorlogstijd
okupantas
/bə.ˈzɛ.tɪŋ/
noun
  1. 1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
    okupacija
    1. 2. het aantal van elk type instrument dat in een orkest meespeelt
    2. 3. exclusief gebruik
    užsiėmimas
verb
1. naar een object kijken
aplankyti
/bezəx/
adjective
1. aan het werken
užsiėmusiam
/bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
turėti
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
savininkas
noun
1. het bezoeken
aplankymas
/bəˈzukə(n)/
verb
1. bij iemand langsgaan of langskomen
aplankyti
noun
1. een persoon die iemand of iets bezoekt
lankytojas
adjective
1. bijzonder dronken
girtas
/bə'zʌʏniɣə(n)/
verb
1. door zuinig met geld of iets anders om te gaan de uitgaven verminderen
tausoti
noun
priesaika
verb
1. het bewustzijn verliezen
alpti
verb
1. tot een afsluiting brengen
baigti
/bəˈɪnvludə(n)/
verb
1. iemand of iets proberen te veranderen, invloed nemen op
įtakoti
/bu.ˈtan/, /bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
Butanas
pronoun
Biafra
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
biatlonas
/ˌbiblijotekaˈrɛsə/
noun
1. beheerster van een bibliotheek
bibliotekininkas
/ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
bibliotekininkas
/bib(l)ijo'tek/
noun
  1. 1. een plaats waar boeken verzameld staan
  2. 2. een instelling die boeken en andere media aan het publiek uitleent of ter inzage biedt
biblioteka
verb
1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
maldauti
noun
1. soort van aan de muur bevestigde kom of bak voor het met behulp van water reinigen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet, of om de voeten te wassen
bidė
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Mantodea
maldininkas
/ˈbɪt.stul/, /ˈbɪt.stuɫ/
noun
klauptas
noun
1. de erkenning van zonden aan een geestelijke
grēksūdze
noun
1. een meubelstuk dat bedoeld is voor het aanhoren en afleggen van de biecht
klausyklà
noun
1. biefstuk
jautiena
noun
1. dunne lap vlees van de bovenbil van een rund
bifštekas
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
alus
noun
alaus mieliagrybis
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
laiškinis česnakas
noun
runkelis
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bytigheimas-Bisingenas
noun
bifobija
/bɪx/, /bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
paršas
noun
1. de volgens de bigbangtheorie enorme explosie waaruit het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden zou zijn ontstaan
didysis sprogimas
noun
bigamija
pronoun
1. een Indiase deelstaat met de hoofdstad Patna die in het oosten van het land ligt
Biharas
/bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
bitė
noun
1.
sėklidės prielipas
noun
1. (de heilige tekst van) het heilige boek der christenen
Biblija
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
Biblija
/ˈbɛɪ̯.jə(n).ˌɦaʊ̯.dər/, /ˈbɛɪ̯.jə(n).ˌɦʌʊ̯.dər/, /ˈbɛː.jə(n).ˌɦɔʊ̯.dər/
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
bitininkas
noun
1.
bitynas
noun
1. kunstmatige behuizing waarbinnen een bijenvolk zijn raten kan bouwen, oorspronkelijk in de vorm van een gevlochten korf
avilys
noun
bitynas
/ˈbɛː.jə(n)ˌteɫt/
noun
1. het houden van bijen
bitininkỹstė
/ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
prietaras
adjective
1. iemand die gelooft in bijgeloof
prietaringas
noun
klein, licht gerecht dat als begeleiding bij een andere maaltijdgang
garnyras
/bɛɪˈkɑns/
adverb
beveik
/bɛɪ̯l/, /bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
kirvis
noun
  1. 1. geschrift ter aanvulling
  2. 2. een bestand dat bij een e-mail is meegezonden
priedas
/'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
beveik
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
pravardė
noun
antikstis
/ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
kandžioti
verb
1. als extra ergens aan toevoegen
apimti
/bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
būdvardis
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
kaip antai
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
prieveiksmis
noun
1. een afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
trumparegystė
noun
1. tweedelige zwemkleding voor de vrouw
bikinis
noun
1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
sėdmenys
noun
1. spel
biliardas
noun
bilietas
noun
bilonas
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
drignė
/ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
jungiamasis audinys
preposition
viduje
verb
1. ergens in gaan
įeiti
noun
binnenoor
vidinė ausis
noun
1. een open ruimte omringd door gebouwen, vaak tussen voor- en achterhuis
kiemas
noun
1. een minder belangrijke en meestal kortere weg
santrumpa
/'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
biochemija
noun
1.
biodyzelìnas
/ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
biologinė įvairovė
noun
biografija
/ˌbiʲoloˈɣi/, /ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
biologija
/ˌbijo'loːɣis/
adjective
    1. 1. te maken hebbend met de biologie
    2. 2. van gelijke afstamming
    biologinis
  1. 3. van dier en plantvriendelijke landbouw en veeteeld
    ekologiškas
/ˌbioˈlox/, /ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
biologas
noun
biokuras
noun
bionika
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
kinas
noun
1. een gebied met een uniform landschapstype waarin bepaalde organismen kunnen gedijen
buveinė
/ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
vyskupija
noun
bismutas
/bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
vyskupas
/bɪt/
abbreviation
1. in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
bitas
/bɪt/
noun
1. een metalen staaf die een paard in de bek gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken.
bitas
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
kartùs
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in schoon stilstaand of langzaam stromend water Rhodeus amarus
kartuolė
noun
1. muts die tot onder de kin doorloopt met openingen om door te kijken en te ademen
balaklava
noun
1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
pūslė
noun
1. een luchtzak die samengedrukt kan worden om een sterke luchtstroom te veroorzaken
dùmplės
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
pučiamieji instrumentai
noun
  1. 1. plat, groen onderdeel van planten
  2. 2. vel papier
lapas
noun
burbulas
/blɑt'xrun/
noun
žãlymas
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
ãmaras
noun
  1. 1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
  2. 2. bewaarde hyperlink
skirtukas
/ˈblɑtsɛidɚ/
noun
1. elk van de beide zijden van een blad papier in boek, krant of tijdschrift
puslapis
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
loti
/blɑŋk/
adjective
  1. 1. met lichte huidskleur
  2. 2. onbeschreven
balta
noun
1. iemand met een van nature bleke (pigmentarme) huid
baltaodis
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Rutilus rutilus
bruĩšė
/blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
  1. mėlynas
  2. mėlyna
/blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
  1. mėlynas
  2. mėlyna
noun
1. bepaald soort lijsterachtige, Luscinia svecica
mėlyngurklė
noun
1. Vaccinium corymbosum, een plant uit de heifamilie Ericaceae
aukštoji šilauogė
noun
1. bepaald soort vaste plant, Vaccinium myrtillus
mėlynė
noun
1. bepaalde soort roofvogel uit de familie van de arendachtigen, Circus cyaneus
javinė lingė
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
pilkasis garnys
noun
1. Balaenoptera musculus, een baleinwalvis, de grootste van alle walvisachtige
mėlynasis banginis
noun
1. bepaald soort karperachtige riviervis Vimba vimba
paprastasis žiobris
/'bla.zə(n)/, /'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
pūsti
noun
baliklis
/blɛi̯/
adjective
laimingas
noun
signalizuoti
noun
1. een toneelstuk, film of boek dat het doel heeft het publiek te vermaken en aan het lachen te maken
juokažaislė
/blɛ.və(n)/
verb
  1. 1. niet veranderen
  2. 3. ergens vertoeven
likti
/blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
žaibas
adjective
1. niet in staat te zien
ãklas
noun
apendicitas
/'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
aklumas
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
  1. kraujas
  2. kraũjas
noun
  1. 1. daad
  2. 2. afgestaan bloed
kraujo donorystė
noun
kraujo donoras
noun
kraujospūdis
verb
1. het vloeien van bloed
kraujuoti
noun
kraujavimas
noun
1. de vloeistof van het bloed waar geen bloedlichaampjes meer in zitten maar nog wel stollingseiwitten
kraujo plazma
noun
kraujomaiša
noun
kraujotaka
noun
cukraus kraujyje
noun
cukraus kiekis kraujyje
noun
kraujo perpylimas
noun
1. bloeduitstorting in de huid
hematoma
noun
1. een bloedader
kraujagyslė
noun
1. het vallen van doden en gewonden tijdens een conflict
kraujo praliejimas
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
dėlė
/bluj/, /bluɪ̯/
noun
  1. 1. toestand waarin een plant bloemen draagt
  2. 2. toestand waarin iemand of iets op zijn best is
žiedas
noun
1.
žiedynas
noun
1. een deel van plant met zaden
  1. gėlė
  2. žiedas
noun
  1. 1. bloemenverkoper
  2. 2. bloemenkweker
gėlininkas
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
  1. žiedinis kopūstas
  2. kalafioras
noun
antologija
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
gėliapuodis
noun
1. kledingstuk
palaidinė
/blusəm/
verb
1. het bloemengeheel van een vruchtboom
žiedas
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
registratorius
noun
blokada
noun
1.
nutildyti
adverb
nuogas
noun
1. kledingstuk
palaidinė
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
nurausti
noun
1. een melancholieke muziekstijl
bliuzas
noun
1.
gaisrinis kateris
verb
1. het doven van een brand
gesinti
verb
1. heel hard huilen
verkti
noun
  1. 1. gebogen weg of pad
    vingis
  2. 2. een brede baai aan de kustlijn
    įlanka
pronoun
1.
Bochumas
noun
1. iemand die gezonden wordt om een bericht, dienst, voorwerp enz. af te leveren
kurjeris
adjective
bedugnis
pronoun
1.
Bodeno ežeras
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Budapeštas
pronoun
Buda
noun
1. de voorkant van een schip
Vakarinis Bugas
noun
1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
buja
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
knyga
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Bukareštas
noun
knygrišė̃
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het inbinden van documenten in boekwerken
knygrišyklà
/ˈbuɡdel/
noun
1. drukwerk dat zoveel bladzijden heeft dat het in aparte band kan worden gebonden, maar waarvan de inhoud onderdeel is van een groter werk
tomas
/ˈbu.kə.ˌkɑs/, /ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
knygų spinta
noun
1. een winkel waar je boeken kunt kopen
knygynas
noun
biblioteka
noun
1. een bos snijbloemen, vaak sierlijk gerangschikt
bukietas
noun
1. iemand die de inkomsten en uitgaven van een organisatie bijhoudt
buhalteris
noun
bijhouden van gegevens
buhalterija
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van boek
knygelė
noun
knygenos
noun
1. iemand die boeken verkoopt
knygininkas
noun
1. bepaald soort vogel, Fringilla coelebs
kikilis
noun
1. en 2. (gepelde zaden van) plant Fagopyrum esculentum
sėjamasis grikis
/ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
knygynas
/bumɑn/
noun
1. een denkbeeldig wezen dat als schrikbeeld dient
baubas
noun
1. een gebogen werpstok die de neiging heeft terug te keren naar de werper
bumerangas
/buːr/
noun
  1. 4. speelkaart
    valetas
  2. 1. landbouwer
    valstietis
noun
1. een woning met bedrijfsruimte van een boer
ūkis
/buːrən/
verb
3. een boer laten
atsirūgti
/burə'kol/
noun
1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
lapiniai kopūstai
noun
1. bepaald soort samengesteldbloemige plant Tanacetum vulgare
paprastoji bitkrėslė
/ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
šelmeninė kregždė
noun
1. het gehele lichaam, inclusief gezicht en ogen, verhullend gewaad gedragen door (streng) islamitische vrouwen
burka
noun
  1. 1. een bedrag dat je moet betalen als je een overtreding hebt begaan
  2. 2. straf voor (vermeend?) bedreven kwaad
bauda
noun
butikas
noun
1.
komoda
/bɔf/
noun
2. ziekte
kiaulytė
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
Bohemija
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
boris
noun
bajorai
noun
1. een tactische vechtsport
boksas
noun
1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
sfera
noun
1. een helder oplichtend bolvormig object met een diameter van maximaal 40 centimeter, dat soms waargenomen wordt in de buurt van een blikseminslag en dan gedurende meerdere seconden zichtbaar is
kamuolinis žaibas
noun
1. Agrostemma githago
raugė
/boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
Bolivija
pronoun
1. een stad in Italië
Bolonija
noun
1. lid van een factie van de marxistische Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (RSDAP) die zich ...
bolševikas
noun
bolševizmas
/bɔm/
noun
1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
bomba
noun
1. beschieting met bommen, het werpen van bommen
bombardavimas
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
bombarduoti
noun
1. een militair vliegtuig dat is ontworpen voor het werpen van bommen op gronddoelen
bombonešis
noun
1. vader van een ouder
senelis
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Boneras
noun
1.
pralinas
noun
1. een andere macht waarmee een afspraak gemaakt is aan dezelfde zijde te zullen strijden
sąjungininkas
noun
1. Pan paniscus, een mensaap, staat samen met de chimpansee van alle diersoorten...
mažoji šimpanzė
/bɔnt/
noun
kailis
noun
1. bepaalde vogelsoort uit de familie van plevieren, Charadrius hiaticula
jūrinis kirlikas
noun
  1. 3. (eufemisme) kleine ~ "plassen", grote ~ "poepen"
    parduotuvė
  2. 1. overgebracht bericht
    pranešimas
/ˈbotsxɑpər/
noun
1. berichtenoverbrenger
kurjeris
noun
  1. 3. deel van bouwwerk
    arka
  2. 1. wapen
    1. arka
    2. lankas
noun
1. bij het boogschieten de stevige draad die wordt uitgerekt om bij het loslaten de pijl vaart te geven
templė
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
Šaulys
noun
1. iemand die schiet met een boog
kilpininkas
noun
1. meerjarige plant met houten stam
medis
noun
1. bepaald soort vogeltje, Sitta europaea
bukutis
/ˈbom.leː.β̞əˌrɪk/, /ˈbom.lɪː.β̞əˌrɪk/
noun
1. een vogelsoort die inheems is in Nederland en België
lygutė
/ˈbom.sxɔrs/, /ˈbom.sχɔrs/
noun
1. het dode buitenste deel van de bast van een boom
žievė
noun
1. een rechtop gaande houten schacht van een boom
stambas
noun
1. kleine sierlijke valk, familie van de torenvalk, Falco subbuteo
sketsakalis
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
  1. pupa
  2. pupelė
noun
B. chemisch element en een zwart metalloïde
boras
/bɔːrt/
noun
2. de verbrede bovenrand van een hemd rond de nek
apykaklė
/ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
gręžtuvas
/boʊs/, /boːs/
adjective
1. kwaad, woedend
piktas
noun
1. de hoedanigheid van het boos zijn
pyktis
/boʊt/, /boːt/
noun
1. klein vaartuig
valtis
/bɔRd/, /bɔrt/
noun
[1] Schijfvormig voorwerp
lėkštė
noun
1. een huis waarin tegen betaling seksuele diensten worden aangeboden
bordelis
noun
stalo žaidimas
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
išsiuvinėti
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
grąžyti
noun
1. iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag
laiduotojas
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
boras
pronoun
Borneo
verb
burbulas
noun
2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
krūtis
noun
1. beeldhouwwerk dat enkel het hoofd, de borst en de schouders toont
biustas
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
krūtinkaulis
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
šepetys
noun
  1. 1. een groep bomen
    miškas
  2. 2. een bundel stelen of vezels
    puokštė
noun
paprastoji žemuogė
noun
baltažiedė plukė
noun
1. Calopteryx virgo, een bepaald soort van de beekjuffers.
grakščioji gražutė
noun
  1. 2. plant Vaccinium myrtillus
    mėlynė
  2. 1. en 3. plant, en bessen, uit geslacht Vaccinium
    Šilauogė
/ˈbɔsbɑuw/
noun
1. het systematisch bosbeheer (teelt en verzorging van bossen) voor de productie van hout
miškininkystė
noun
1. brand van of in een bos
miško gaisras
/ˈbɔsnis/, /ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
bosnių kalba
/ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
Bosnija ir Hercegovina
/ˈbɔsni.jər/
noun
1. een inwoner van Bosnië en Herzegovina
bosnis
pronoun
1. zeestraat tussen de Zee van Marmara en de Zwarte Zee
Bosforas
noun
karklinė nendrinukė
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
naminė pelėda
noun
1. bepaald soort loofboom Salix caprea
blindė
noun
3. onderdeel van het skelet
kaulas
noun
1. een onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van planten
botanika
/ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
sviestas
noun
1. een aantal planten uit het geslacht Ranunculus behorende tot de familie Ranunculaceae
vėdrynas
noun
2. een belegde snee brood
sumuštinis
pronoun
1.
Botnijos įlanka
/bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /bɔts.ˈʋa.na/, /bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
Botsvana
adjective
akiplėšiškas
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
sultinys
noun
psychologische toestand waarin een persoon terugkerende eetbuien heeft
bulimija
noun
buržuazija
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Burgundija
/bɑu̯/
noun
1. het doen verrijzen van een gebouw
statyba
/ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
statyti
noun
1. een persoon die dingen bouwt
statybininkas
noun
1. een constructie van enige omvang die verbonden is met de grond en waarin men kan wonen of werken
statyba
/ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
viršuj
noun
1.bovenbeen
šlaunis
noun
viršutinė lūpa
adjective
2. boven de plaats waar de kelk en de kroon zijn ingeplant zich bevindend
viršutinis
noun
1. een sport waarbij de speler door middel van een bowlingbal moet proberen om alle tien de pins omver te gooien
boulingas
verb
1. iemand uitsluiten, niet meer willen werken voor, leveren aan of kopen bij
boikotuoti
noun
1. dat wat is uitgekotst
vėmalai
noun
1. struik & 2. vrucht
gervuogė
noun
1.
gervuogė
verb
1. slecht en onduidelijk praten met name van baby's
babaliuoti
verb
1. vlees bereiden door het in vet te verhitten
kepti
/ˈbren.dren/, /ˈbrɛɪ̯n.drɛɪ̯n/
noun
1. het wegtrekken van de intellectuele bovenlaag uit arme landen naar rijkere, westerse landen
protų nutekėjimas
noun
1. een draagbaar bedoeld om patiënten te vervoeren die niet ambulant zijn
neštuvai
/ˈbrɑnd/, /ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
gaisras
noun
1. een draagbaar toestel dat dient om een kleine of een beginnende brand te bestrijden
gesintuvas
verb
1. verteerd worden door vuur
degti
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
Brandenburgas
noun
1. een soort sterke drank
brendis
noun
1. hout dat gebruikt wordt om te verbranden
malkos
noun
2-3. een harige plant die bij aanraking een brandend gevoel en zwelling veroorzaakt
dilgėlė
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
padegė́jas
noun
padegimas
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
kuras
noun
gaisrininkų komanda
noun
gaisrinis automobilis
noun
1. lid van de brandweer
gaisrininkas
noun
gaisrinis automobilis
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
karšis
/braˈʃɛːrə/
noun
1. dameskledingstuk
liemenėlė
/braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
Brazilija
noun
1.
platumas
noun
1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
plotis
noun
1. cirkel van gelijke geografische breedten
platuma
noun
1. stevige metalen stang, meestal voorzien van een gespleten einde, de koevoet, gebruikt om zaken open te breken.
dalba
/ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
megzti
/brɛi̯n/
noun
1. orgaan
smegenys
noun
1. vrouw die breit
mezgė́ja
verb
  1. 1. in stukken uiteenvallen
  2. 5. in stukken uiteen doen vallen
sulaužyti
noun
lūžio rodiklis
pronoun
Brėmenas
/ˈbrɛŋ.ə(n)/
verb
1. ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
atnešti
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
Bretanė
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
bretonų
noun
1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
trupmena
noun
1. streep die teller en noemer in een deling van elkaar scheidt
rėžimas
noun
brevijõrius
noun
1. mogelijk vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie
Breksitas
noun
1. verzonden geschreven boodschap
laiškas
/bris/
noun
1. zachte frisse wind
vėjelis
noun
pašto dėžutė
noun
minkštimas
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
akiniai
/ˈbrɪl.beːr/, /ˈbrɪɫ.beːr/, /ˈbrɪɫ.bɪːr/
noun
1. een beer met grote cirkels rond de ogen, als een bril
akiniuotasis lokys
noun
1. Bucephala clangula, een vogel uit de familie Anatidae
klykuolė
noun
1. reptiel, gevaarlijke gifslang
indiškoji kobra
noun
britas
/brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
  1. britiškas
  2. britų
pronoun
Britanija
/ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
brokolis
noun
brošiūra
/brudər/
noun
1. een broer
brolis
noun
1. bouwsel met glazen wanden voor het opkweken van gewassen
šiltnamis
noun
šiltnamio dujos
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
kelnės
noun
1. klein jongetje dat pak sinds korte tijd een broek aanheeft
gerutis
/bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
brolis
noun
mopedas
noun
1. wetenschappelijke naam voor het scheikundig element Broom
bromas
noun
mopedas
noun
  1. 1. daar waar men informatie vandaan haalt
  2. 2. begin van een waterloop
šaltinis
noun
bronza
noun
paartijd
ruja
/broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
duona
noun
2. klein brood, vaak versierd, belegd of in een speciale vorm, voor één persoon
bandelė
noun
1. hardnekkig de ronde doend verhaal dat niet op waarheid berust
šiuolaikinė sakmė
noun
skrudintùvas
noun
bromas
adjective
1. niet stevig
trapus
noun
1. iemand die bier maakt om te verhandelen
alùdaris
/brɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
alaus darykla
noun
1.
braunis
/brʏx/, /brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
tiltas
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
Briugė
noun
placdarmas
/brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
nuotaka
noun
1. man die in het huwelijk treedt
  1. jaunasis
  2. jaunikis
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
kraitis
noun
1. kosteloze lening voor tijdelijk gebruik onder voorwaarde van teruggave
panauda
noun
1. huwelijks-, trouwfeest
vestuvės
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
rudas
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
rudas
/ˌbrœʏnəˈbeːr/
noun
1. Ursus arctos, een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt.
rudasis lokys
noun
1. bepaald soort roofvogel, Circus aeruginosus
nendrinė lingė
noun
1.
rusvoji skėtė
/ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
jūrų kiaulė
/bry.ˈnɛɪ̯/, /bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
Brunėjus
pronoun
Braunšveigas
/brʏs/
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders (zonder de connotatie met zorg)
brolija
pronoun
1. de hoofdstad van België
Briuselis
adjective
3. vrijpostig
akiplėšiškas
noun
akiplėšiškumas
noun
bendrasis vidaus produktas
adjective
1. nietsontziend en gewelddadig
žvėriškas
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
PVM
/ˈbʏdʒɛt/
noun
biudžetas
/'bɵfəl/
noun
1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
buivolas
noun
3. tijdelijk geheugen in rekenmachines...
buferis
/ˈbyfɛt/
noun
  1. 1. meubelstuk waarin men tafelgoed en -zilver opbergt
  2. 2. toonbank waarop allerlei etenswaar ligt die men kan bekomen of zelf pakken
furšetas
noun
1. zoogdier dat het jong in een buidel draagt
sterblinis
/bœʏ̯χə(n)/, /bœːɣə(n)/
verb
    1. 3. een buiging maken, zich buigen
    2. 4. aandacht besteden aan iets
    kaspinas
    1. 1. krom maken
    2. 2. krom worden
    sulenkti
/bœʏ̯k/, /bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
pilvas
noun
pilvo šokis
noun
viduriavimas
noun
1. de meest voorkomende vorm van pest en wordt veroorzaakt door de
buboninis maras
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
vamzdis
/ˈbœytə(n)lɑndər/
noun
1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
kitakilmis
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
svetimas
verb
išskirti
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
  1. paprastasis suopis
  2. suopis
/bʏl/
noun
  1. 1. mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
  2. 2. pauselijke oorkonde
bulius
noun
1. een stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken...
buldogas
noun
bulgaras
/bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
  1. bulgarų
  2. bulgariškai
  3. bulgariškas
noun
bulgarė
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
Bulgarija
noun
1. hol bolletje of blaasje gevuld met gas of vocht
burbulas
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
buldozeris
noun
kupra
/ˈbʏltrʏx/
noun
1. benaming voor een van de grotere baardwalvissen met lange borstvinnen
kuprotasis banginis
noun
1. stootstang
bamperis
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela putorius
šeškas
noun
1. kasteel
pilis
noun
  1. 2. een (politie)kantoor
    biuras
  2. 1. een werkmeubel voor administratief- en studiewerk
    rašomasis stalas
noun
biurokratija
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
meras
noun
merė
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Burgenlandas
noun
  1. 2. lid van de burgerbevolking, in tegenstelling tot een strijdende partij of ordedienst
    civilis
  2. 1. inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
    pilietis
noun
1.
pilietinė visuomenė
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
pilietinis karas
noun
pilietybė
/bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
Burkina Fasas
/bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
Burundis
/bɵs/
noun
1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
autobusas
/ˈbʏshɑltə/, /ˈbʏshɑɫtə/
noun
1. een plek waar een bus stopt
autobusų stotelė
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
parakas
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
liemenėlė
noun
1. C₄H10
butanas
/byr/
noun
1. een persoon die in andermans omgeving woont
kaimynas
noun
1. een man naast wie men woont
kaimynas
noun
vakos
noun
1. vrouw woonachtig in het belendende huis
kaimynė
/bɑjt/
noun
1. het kleinste adresseerbare gedeelte van een computergeheugen
baitas
pronoun
1. en 2.
Bėblingenas
/ˌkɑbɑˈrɛ(t)/
noun
1. een kleinkunst, vermaak met toneel, zang, dans, en voordracht
kabaretas
/kakaˈoː/, /kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
kakava
/kɑˈkʌʊbom/
noun
1. een boom waarvan uit de vruchten de cacao wordt gewonnen
tikrasis kakavmedis
noun
1. een poederachtige substantie die wordt verkregen door het uitpersen van de cacaomassa van cacaobonen
kakavà
noun
1. een vetplant met stekels
kaktusas
/kaˈdoː/
noun
  1. 1. iets dat men aan iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
    dovana
  2. cadeau doen
    dovanoti
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
kadmis
noun
1. een eenvoudige eetgelegenheid, waar men een snelle hap kan nuttigen
valgykla
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
kofeinas
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar men dranken kan nuttigen
kavìnė
noun
1. gebundelde hoeveelheid bladeren papier waarin je kunt schrijven
nešiojamas kompiuteris
pronoun
Kalabrija
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
kalcis
/kɑlkʏˈlatɔr/
noun
1. machine
skaičiuoklis
verb
1. rekenen
apskaičiuoti
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
kalifornis
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten. De staat grenst aan de Pacifische Oceaan en aan de Mexicaanse deelstaat Baja California, alsmede aan de Amerikaanse deelstaten Nevada, Oregon en Arizona.
Kalifornija
pronoun
  1. 1. nimf uit de Griekse mythologie
  2. 2. een van de vier grote manen van Jupiter
Kalista
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
kalorija
noun
1.een sterke alcoholische drank
kalvadòsas
/kɑm.ˈbɔ.dja/, /kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
Kambodža
pronoun
Kembridžas
/ˈkaməˌra/
noun
1. een apparaat om beelden mee te registreren
fotoaparatas
noun
kamufliažas
/kɑmˈpɑɲə/
noun
kampanija
pronoun
Kampanija
/ˈkɑmpɪŋ/, /ˈkɛmpɪŋ/
noun
1. een terrein met voorzieningen om te kamperen
kempingas
/ˈka.na.da/, /ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
Kanada
pronoun
Kanarų salos
pronoun
1. de federale hoofdstad van Australië, gelegen in het Australisch Hoofdstedelijk Territorium
Kanbera
noun
kandela
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Kantabrija
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. cantalupensis
raukšlėtasis melionas
/ˌkɑntaˈrɛɫ/
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak, Cantharellus cibarius
voveraitė
noun
drobė
adjective
1. rubber
kaučiukas
noun
1. mogelijkheid om iets te bevatten
talpa
/ˌkapiˈbaːra/
noun
1. Hydrochoerus hydrochaeris, een groot knaagdier...
kapibara
noun
1. een haarvat, het kleinste vat van de bloedsomloop
kapiliaras
noun
1. internationaalrechtelijke verklaring dat een partij de strijd tijdens een oorlog opgeeft
kapituliacija
verb
1. het verzet staken, zich overgeven
kapituliuoti
/kapu'ɪ:ra/
noun
1. een dans- en vechtsport afkomstig uit Brazilië
kapueira
noun
1. kopje koffie dat uit gelijke delen espresso, melk en melkschuim bestaat
kapučìnas
pronoun
Kapris
noun
2.een omhulsel, veelal van gelatine met een medicijn erin
kapsulė
/ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
kapišonas
noun
1. bepaald soort zoogdier, Profelis caracal
karakalas
/karákas/
pronoun
1. de hoofdstad van de Zuid-Amerikaanse staat Venezuela
Karakasas
noun
1. kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonst
namelis-autopriekaba
noun
1. kankergezwel
karcinoma
/kɑrdijo'lox/
noun
kardiologas
pronoun
1. de zee ten westen van de Atlantische Oceaan, begrensd door de Kleine en de Grote Antillen, de noordkust van Zuid-Amerika en de oostkust van Midden-Amerika
Karibų jūra
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
karnavalas
noun
1. loopbaan, werkgerelateerde maatschappelijke positie
karjera
noun
1. koetswerk van een voertuig
automobilio kėbulas
noun
karuselė
pronoun
Kartagina
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
kartografija
noun
1. een gelegenheid waar in een luxe omgeving gegokt wordt
kazino
noun
1. Manihot esculenta, een eetbare wortelknol
manijokas
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
kasetė
noun
specerij
kininis cinamonas
pronoun
1. landstreek in Spanje
Kastilija
pronoun
Kastilija ir Leonas
pronoun
Kastilija ir La Manča
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
kastrúoti
noun
1. een naamval
linksnis
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
katalonų
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
Katalonija
noun
1.
katalogas
noun
1. een algemene ramp
katastrofa
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
kategorija
noun
1. strijdmacht te paard
kavalerija
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
jūrų kiaulytė
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
Kairas
/ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
kedras
noun
  1. 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
  2. 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
ląstelė
adjective
viengungiškas
noun
bakalauras
/sɛlkɛrən/
noun
1.
branduolys
noun
1. musicus die een violoncello of kortweg een cello bespeelt
violončèlininkas
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
violončelė
/sɛ.ly.ˈlɛːr/
adjective
ląstelinis
/ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
celiuliozė
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
cementas
/sɛnˈsyr/
noun
1. de controle van de kant van de overheid op alles wat de media uitbrengen
cenzūra
noun
centas
noun
1.
kentauras
/'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
centimetras
adjective
1. in het midden gelegen
centrinis
/sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
Centrinės Afrikos Respublika
pronoun
Centrinė Amerika
pronoun
Vidurinė Azija
pronoun
Centrinė Europa
pronoun
1. Iraanse taal gesproken door 6 miljoen mensen in Irak en Iran
kurdiškai
adjective
1.
išcentrinis
noun
1. centrifugaalmachine
centrifuga
noun
1. middelpunt
centras
noun
keramika
noun
1. een plechtige aangelegenheid
ceremonija
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Cerera
adjective
vyšninis
noun
ceris
/ˌsɛrtifiˈkat/
noun
1. een schriftelijk bewijs
sertifikatas
noun
cezis
pronoun
Seuta
pronoun
Ceilonas
noun
1.
kovotoja
/ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
šampanas
noun
1. bepaald soort eetbare en speciaal gekweekte witte paddenstoel, Agaricus bisporus
pievagrybis
/xanukiˈja/
noun
1.
chanùkija
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
šantažas
noun
1. grote wanorde
chaosas
noun
1. deelgebied van de wiskunde en natuurwetenschappen dat zich bezighoudt met het gedrag van dynamische systemen zoals dat sterk door hun begintoestand wordt bepaald.
chaoso teorija
/sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
žava
/χɑsiˈdɪsmə/
noun
1.
hasidizmas
/ʃaʊ̯.ˈføːr/, /ʃo.ˈføːr/, /ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
vairuotojas
noun
šovinizmas
/χaˈzɑn/
noun
1.
chazanas
/ˈtʃɛkən/
verb
1. controleren, nakijken
(pa)tikrinti
noun
1. Acinonyx jubatus, een zeer snel Afrikaans katachtig roofdier
gepardas
noun
1. de baas, iemand die de leiding heeft
vadovas
noun
chemikas
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
chemija
adjective
1. dat wat tot de chemie behoort, volgens de chemie
cheminis
noun
cheminis elementas
pronoun
1.
Chemnicas
noun
1. behandeling van kanker met medicijnen
chemoterapija
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat Tamil Nadu. De voormalige naam van de stad was Madras
Čenajus
/ʃɛk/
noun
čekis
noun
2. eetbare hartvormige vrucht van Annona cherimola
peruvinė anona
/ˈxerʏp/
noun
1.
cherubinas
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het centrum van het land. Hoofdstad is Raipur
Čhatisgarhas
pronoun
Čikaga
/ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
Čilė
/ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
šimpanzė
/ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
Kinija
noun
šinšilinias
/ʃi.ˈnes/
adjective
1. betreffende China
  1. kiniškas
  2. kiniška
/ʃi.ˈnes/
pronoun
  1. 2. persoon
    1. kiniškas
    2. kiniška
  2. 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
    1. kinų
    2. kinietiškai
    3. kiniškai
noun
(bladeren van) Brassica rapa subsp. pekinensis
pekininis kopūstas
noun
2. een klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
integrinis grandynas
/ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
chirurgas
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
chirurgija
noun
chloras
noun
chloridas
/ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
šokoladas
/ˌʃo.ko.ˈla.də/, /ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
šokoladas
/χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
cholera
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
cholesterolis
noun
choreografija
adjective
1. te maken hebbend met het christendom
  1. krikščioniškas
  2. krikščioniška
/ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
  1. krikščionis
  2. krikščionė
/ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
krikščionybė
/ˈxrɪstʏs/
pronoun
Kristus
noun
chromas
/ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
chromosoma
/xrono.lo'ɣiː/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
chronogija
adjective
1. naar tijdstip gerangschikt
chronologiškas
noun
chromas
noun
1.
skaistažiedė
/ˌxi.lo.mi.ˈkrɔn/, /ˌχi.lo.mi.ˈkrɔn/
noun
1. een grote door darmwandcellen geproduceerde lipoproteïne, waarin lipiden uit het voedsel van de darmwandcellen naar andere weefsels worden getransporteerd
chilomikronas
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
cikada
/ˌsikoˈrɛɪ/
noun
trūkažolė
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
sidras
noun
1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
skaitmuo
noun
cilindras
noun
1.
kinas
noun
1. bepaald soort naaldboom, Cupressus sempervirens
kiparisas
noun
1. attractie
cirkas
/ˈsɪrkəɫ/
noun
apskritimas
/ˈsɪrkəlzax/
noun
1. motorzaag met een rond zaagblad
diskinis pjūklas
noun
1.
cirozė
/'sɪrɵs/
noun
1. een zeer hoog drijvende wolk die eruitziet als katoenvlokken, pluimen of veren, in regelmatige strepen aan de hemel verdeeld
plunksniniai debesys
adjective
1.
cizalpinė
noun
1. aanhaling, ontleende passage
citata
verb
1. eigen of andermans woorden ontlenen
citata
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
citrina
noun
1. Viverra, een geslacht van kleine slank gebouwde roofdieren dat ---
civeta
noun
1. artistieke techniek
kiaroskuras
noun
klasifikacija
noun
1.
klaksonas
noun
1. klimplant uit de ranonkel familie met veel bloemen
raganė
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
varputė
noun
1. de gecombineerde darm- en urineuitgang bij bepaalde diersoorten
kloaka
/kloːn/, /klʌːun/
noun
  1. 1. komische artiest
  2. 2. bespottelijk iemand
klounas
/klɵp/
noun
  1. 1. besloten gemeenschap
  2. 3. golfstok
klubas
/kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
koalicija
noun
bendraašis kabelis
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
kokainas
pronoun
Kočabamba
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
kokteilis
/'kodə/
noun
kodeksas
/kɔχ'nat/
noun
  1. bloedverwant
  2. woord van zelfde afstamming
giminingas
noun
darna
noun
1. ontgaste steenkool
koksas
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
koksuoti
verb
1. met de vijand samenwerken
bendradarbiauti
noun
koliažas
/ˌkɔlɑˈɣen/
noun
1.
kolagenas
noun
kolekcija
noun
1. meerdere groepen die onder één noemer worden aangesproken
kuopinis
/kɔˈleɣa/, /kɔˈleχa/
noun
  1. 1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt
  2. 2. een vak- of ambtgenoot
bendradarbis
noun
  1. 1. scholengemeenschap
    koledžas
  2. 1. de tijd waarin een docent een bepaald onderwerp uitlegt aan studenten
    paskaita
noun
koloidas
/ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Kolumbija
/ko'lɔnə/
noun
1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
kolona
noun
1. dikke darmonderzoek waarbij men met een endoscoop het darmslijmvlies onderzoekt en zo nodig een biopsie kan nemen
kolonoskopija
/ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
koma
adjective
1. gerieflijk
patogus
noun
komitetas
noun
1. iemand die het commando heeft over een leger of vloot
vadas
/kɔmən'tar/
noun
  1. 1. toelichting of verklaring
  2. 2. kritiek
komentaras
noun
komentatorius
noun
komercija
/kɔmərˈʃel/, /kɔmɛrˈsjel/
adjective
1. zakelijk
komercijos
noun
2. een hoge rang bij de politie
komisaras
noun
1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
komisija
/ˌkɔ.my.nɪ.ˈkaː.si/, /ˌkɔmyniˈkasi/, /ˌkɔmyniˈkaʦi/
noun
1. het uitwisselen van informatie
komunikacija
noun
komunikatas
/kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
komunizmas
noun
komunistas
/ko.ˈmoː.rə(n)/, /ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
Komorai
noun
1. wedijver, concurrentie
konkurencija
noun
1. (informatica) computerprogramma dat een in een brontaal geschreven programma (broncode) vertaalt in een semantisch equivalent programma in een doeltaal (objectcode) (en meestal tegelijk met andere programma´s 'linkt')
kompiliatorius
noun
1. de mate waarin iets complex is
sudėtingumas
noun
1. iemand die muziekstukken schrijft
kompozitorius
/kɔmproˈmi/
noun
1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen...
kompromisas
/kɔm.ˈpju.tər/, /kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
kompiuteris
noun
1. een programma dat geïnstalleerd en gebruikt kan worden op een computer
kompiuterinė programa
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
kompiuterinis žaidimas
noun
informatika
noun
koncentracija
noun
1. afgesloten terrein met barakken waar machthebbers bepaalde groepen mensen zonder rechtsgang onder dwang van de samenleving afgezonderd houden
koncentracijos stovykla
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
koncertas
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
konklava
noun
1.
konkurencija
/kɔndɛn'zasi/
noun
kondensacija
noun
1. elektrische component
kondensatorius
noun
elektrinė talpa
noun
  1. 1. gezondheidstoestand
  2. 2. voorwaarde
būklė
noun
prezervatyvas
noun
1. benaming voor sommige roofvogels uit de Amerikaanse tak (Cathartidae) van de gierenfamilie
kondoras
noun
1. een medewerker van de spoorwegen die reizigers op vervoersbewijzen controleert en de orde in de trein of tram dient te bewaren
konduktorius
noun
konfederacija
noun
konferencija
noun
1.
priepuolis
noun
konfliktas
noun
konfrontacija
adjective
1. aangeboren
įgimtas
/kɔŋˈɣrɛs/, /kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
kongresas
noun
1. binding
konjugacija
noun
jungtukas
/ˈkɔn.jʏŋk.tif/
noun
1. aanvoegende wijs
tariamoji nuosaka
noun
jungtis
noun
konservatizmas
noun
1. een school in het hoger onderwijs waar men zich kan laten opleiden tot professioneel musicus, acteur/actrice of danser(es)
konservatorija
/kɔnso'nɑnt/
adjective
priebalsis
noun
konsorciumas
pronoun
Konstantinopoliu
noun
2,3 sterrenbeeld, configuratie, onderlinge stand van hemellichamen
žvaigždynas
/xxxx/
noun
statyti
verb
statyti
noun
  1. 1. Romeins overheidspersoon
  2. 1. vertegenwoordiger
konsulas
noun
1.
konsulatas
noun
1. een deskundige raadgever
konsultantas
noun
konsultacija
/kɔnzyˈmɛnt/, /kɔnsyˈmɛnt/
noun
1. algemene term voor personen, huishoudens die goederen en diensten verbruiken ...
vartotojas
noun
rozetė
noun
konteinerių laivas
noun
1. verontreiniging of besmetting met chemische stof of bacterie
tarša
/ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
kontekstas
noun
1. een werelddeel
  1. žemynas
  2. kontinentas
noun
tolydumas
/kɔnˈtrɑkt/
noun
1. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
kontraktas
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
kontroliuoti
noun
konvekcija
/kɔn.vɛr.ˈsa.tsi/
noun
pokalbis
verb
1. een gesprek voeren
pasikalbėti
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
kopernikis
noun
autorinė teisė
noun
1. het hoornvlies van het oog
ragena
/ˈkɔrnis/, /ˈkɔrnɪs/
pronoun
1. een Keltische taal die gesproken wordt in Cornwall
Kornų kalba
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
Kornvalis
adjective
1.
teisingas
noun
1. samenhang
koreliacija
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
korozija
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
korupcija
/'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Korsika
noun
1.
korsikinis kiškis
/ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
Kosta Rika
noun
kulonas
/kup/
noun
1. staatsgreep
pučas
noun
1. massamedium
laikraštis
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
cukinija
noun
kuskusas
noun
1. veedrijver/veehoeder
kaubojus
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
kojotas
noun
1. een constante factor van een onbekende of van een veranderlijke grootheid
faktorius
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
sueitis
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
kooperatyvas
noun
1. uitblinker
asė
noun
1. bepaald soort struik en 2. vrucht daarvan, Vaccinium macrocarpon
  1. spanguolė
  2. stambiauogė spanguolė
noun
1. een schepping, iets totaal nieuw
kūrinys
noun
kreacionizmas
noun
1. schepsel; iets dat gemaakt is
būtybė
noun
kredito kortelė
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
kreditorius
/kreˈjeːrə(n)/
verb
1. iets nieuws maken, iets scheppen
kurti
noun
1. een uit Engeland afkomstig slagbalspel in de open lucht
kriketas
adjective
1. met betrekking tot misdaad
nusikaltėlis
noun
1. iemand door zich onderhoudt door de wet te breken
nusikaltėlis
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
kriminologija
noun
1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
krizė
/kriˈterijʏm/
noun
1. toets, een doorslag gevende reden
kriterijus
noun
1. beeldhouwwerk bestaande uit Christus aan het kruis
krucifiksas
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
kruizinis laivas
noun
1.
kriptovaliuta
/ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
Kuba
noun
1. film die populair is bij een kleine maar betrokken groep fans
kultinis filmas
/kɵl'tyːr/
noun
1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
kultūra
/ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
Kiurasao
noun
2. gele voedselkleurstof
kurkuminas
noun
kiuris
noun
1. een precisiesport die lijkt op bowls, jeu de boules en bocce, die op ijs gespeeld wordt gespeeld met zware stenen in plaats van metalen (of plastic) ballen
kerlingas
noun
žymeklis
noun
kreivė
noun
1. een blauwgroene kleur
žydra
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
kibernetika
noun
1. oorlogvoering waarbij hackers staten aanvallen om te trachten systemen te saboteren of te spioneren
kiberkaras
noun
een cycloalkaan
cikloheksanas
noun
2.
ciklonas
noun
ciklopas
noun
1. inwoner van Cyprus
kiprietis
/ˈki.prʏs/, /ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
Kipras
/sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
kirilica
noun
1. een alfabet dat geschreven wordt in het cyrillisch schrift
kirilica
/ˌsitɔˈplɑsma/
noun
citoplazma
/daːr/
adverb
1. op die plaats
ten
noun
bimbalas
noun
dadaizmas
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
datulė
noun
1. palm waaraan dadels groeien
datulinė palmė
/dɑx/, /dɑχ/
noun
  1. 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
    diena
  2. 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
    1. dienà
    2. diena
/ˌdɑɣɛˈnɑxtevəˌnɪŋ/, /ˌdɑɣɛˈnɑɣevəˌnɪŋ/, /ˌdɑχɛˈnɑχtevəˌnɪŋ/
noun
1. een dag waarop de dag en de nacht even lang duren
ekvinokcija
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
laikraštis
noun
dienoraštis
adverb
1. iedere dag
kasdien
noun
1. het aanbreken van de nieuwe dag, de tijd net voor zonopkomst
aušra
noun
1. bepaalde soort dagvlinder, Aglais io
spungė
noun
1.
jurginas
pronoun
Dahomėja
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
stogas
/dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
slėnis
pronoun
1.
Dalmatija
noun
Dalmatinas
noun
1. (bij het damspel) twee gestapelde schijven
damà
/daːmə/
noun
  1. 3. koningin in het schaakspel
    aūkštys
  2. 1. beschaafde vrouw
    ponia
noun
1.
ponios ir ponai
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
danielius
verb
1. het damspel spelen
šaškės
/dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
garai
noun
2. de dampkring van de aarde
žemės atmosfera
noun
1. een bordspel gespeeld op een bord met honderd vlakken met stenen die alleen diagonaal verzet kunnen worden
šaškes
adverb
1. toekomstig tijdstip
tada
conjunction
1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord.
nei
conjunction
ar
pronoun
3. jongensnaam
Danielis
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
ačiū
adjective
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
dėkingas
noun
1. het dankbaar zijn
dėkingumas
verb
dėkoti
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
šokis
verb
1. ritmisch bewegen
šokti
noun
1. mannelijk persoon die danst
šokėjas
/dɑnsə'rɛs/
noun
1. een vrouwelijk persoon die danst
šokėja
pronoun
Gdanskas
noun
1. mannelijke bij
  1. tranas
  2. trãnas
/dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
žarna
noun
darmstadtis
noun
1. evolutieleer die het ontstaan van de soorten verklaart door natuurlijke selectie uit varianten die bij reproductie optreden
darvinizmas
/dɑs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
  1. barsùkas
  2. opšrùs
  3. barsukas
noun
1. paneel met instrumenten waarmee een voertuig of installatie kan worden bestuurd of bediend
prietaisų skydelis
noun
taksas
/ˈdɑs.lok/
noun
1. sterk riekende, eetbare plant uit de lookfamilie
meškinis česnakas
conjunction
1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
kad
interjection
tai yra
noun
1.
duomenų centras
verb
1. de datum van ontstaan bepalen
datuoti
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
naudininkas
noun
1. Russisch buitenverblijf
dača
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
data
noun
rasa
pronoun
Deividas
verb
1. iets heel treffend verwoorden
durti kaip pirštu į akį
noun
debatai
noun
skolininkas
noun
  1. 1. C10H22
  2. 2. hoofd van een faculteit
dekanas
noun
1. verwildering van zeden
núosmukis
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
gruodis
noun
1.
dešimta
noun
1. een lengtemaat met een waarde van één tiende meter
decimetras
noun
2. faillissement, bankroet
bankrotas
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
tešla
noun
1. rol om deeg uit te rollen
kočėlas
/ˈdeːl/
noun
  1. 1. een afsplitsing van een geheel
  2. 2. één uit een reeks
dalis
verb
1. meedoen, meevoelen
dalyvauti
noun
1. iemand die meedoet aan een wedstrijd of ander evenement
dalyvis
noun
2. onderdeel van een atoom
dalelė
noun
dalelių fizika
noun
dalelių greitintuvas
noun
dalyvis
adjective
kuklus
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
sutema
/den/, /deːn/
noun
1. een inwoner van Denemarken
danas
/dens/, /deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
  1. danų
  2. daniškai
/ˈdensə/, /ˈdeːnsə/
noun
danė
noun
1. Duits hondenras dat gefokt werd als waakhond
vokiečių dogas
noun
1. begripsbepaling
apibrėžimas
noun
1. het vallen van het prijspeil waardoor het geld in waarde toeneemt
defliacija
adjective
1.
koktus
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. kleinste van de twee manen van Mars
Deimas
noun
1. een verdieping op een schip
denis
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
antklodė
/dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
  1. antklodė
  2. apklotas
noun
1.
komoda
verb
  1. 1.
  2. 5. paren
dengti
noun
paslėpti
noun
1. een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken
dangtis
noun
  1. 1. afvaardiging
  2. 3. schuldoverneming
delegacija
verb
2. in meer dan één stuk snijden of hakken
padalinti
noun
daliklis
noun
mineralas
pronoun
1. het nationaal hoofdstedelijk territorium van India waarin de nationale hoofdstad New Delhi gelegen is. Het territorium is gesitueerd in het noorden van het land
Delis
noun
1. een wiskundige bewerking op twee getallen
dalyba
noun
delta
verb
1. gravend iets winnen
kasti
noun
1. een aandoening van de hersenen waardoor de verstandelijke en cognitieve vermogens verminderen
silpnaprotystė
noun
demokratas
noun
2. aanhangster van de democratische partij
demokratas
noun
demokratija
adjective
1. in overeenstemming met de principes van een democratie
demokratiškas
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
demografija
/ˌde.mo.ˈnim/
noun
1. naamwoord dat betrekking heeft op een bepaald land of volk
demonimas
noun
  1. 1. het tonen en uitleggen van iets
  2. 3. een protestmars
demonstracija
noun
1. Pinus soort naaldboom
pušis
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
Haga
/ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
Danija
verb
  1. 1. een oplossing zoeken
  2. 3. een bepaalde mening toegedaan zijn
galvoti
noun
kankorėžis
noun
statusis atgiris
/ˈdejo/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
dezodorantas
/ˌdejodɔːˈrɑnt/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
dezodorantas
noun
deontologija
noun
deportacija
verb
1. onder dwang wegvoeren uit een gebied
deportuoti
noun
  1. 1. ziekelijke neerslachtigheid
  2. 2. gebied met lage luchtdruk
  3. 3. langdurige inzinking in de economische ontwikkeling
depresija
/ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
trečias
noun
naudininkas
noun
trečiasis asmuo
pronoun
Trečiasis reichas
pronoun
Trečiasis pasaulinis karas
noun
1. een specialisme binnen de geneeskunde dat zich bezighoudt met aandoeningen van de huid, de nagels en het haar, samen huidziekten genoemd
dermatologija
cardinalNumeral
1. het getal 13
trylika
ordinalAdjective
tryliktas
cardinalNumeral
1. het getal 30
trisdešimt
noun
aprašymas
noun
1.
dezertyras
noun
1. het permanent verlaten van een krijgsmacht zonder toestemming
dezertyravimas
noun
dizaineris
noun
1. onjuiste of misleidende informatie, die bewust verstrekt wordt met het oogmerk...
dezinformacija
verb
suskaidymas
noun
1. een specialist
ekspertas
noun
1.
kurmėnas
noun
deoksiribonukleorūgštis
noun
despotizmas
noun
desertas
noun
1. onderdeel, kleinigheid
detalė
/detɛkˈtivə/
noun
  1. 2. speurder die tracht misdaden op te lossen of bewijsmateriaal te verzamelen
  2. 3. boek of programma over mensen die trachten misdaden op te lossen
detektyvas
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
dorybė
/døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
durys
/dewteɾoˈnomjum/
pronoun
Pakartoto Įstatymo knyga
/'devəntər/
adjective
1. gemeente en oudste stad in de provincie Overijssel
Deventeris
noun
1. woord of korte tekst die snel en tegelijkertijd duidelijk een bepaalde boodschap moet overbrengen
lema
demonstrativePronoun
1. aanduiding voor dichtbijzijnde dingen, dieren of mensen
ši
demonstrativePronoun
ta pati
/deʲɪsmə/
noun
deizmas
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam geen of te weinig insuline produceert
cukraligė
noun
1.
vainikuotoji markata
noun
1. vaststelling van een ziekte
diagnozė
noun
1. een symbolische en grafische voorstelling van een aantal zaken en hun onderling verband
diagrama
noun
diakonas
/diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
  1. dialektas
  2. tarmė
/ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
dialektològija
noun
dialogas
noun
1. bloedzuivering met een kunstnier
dializė
noun
  1. 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
  2. 2. een edelsteen gesneden uit [1]
deimantas
noun
1. middellijn
diametras
/diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
viduriavimas
adjective
1. compact
tankus
/dɪxtˈbɛː/, /dɪɣ.ˈbɛɪ̯/, /dɪχˈbɛɪ/
adjective
1. op heel korte afstand
artimas
verb
1. sluiten van een gat, opening
uždaryti
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
poetas
noun
1. compactheid
tankis
verb
1. met behulp van naald en draad iets sluiten
siūlas
verb
pyst
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
diktatorius
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
diktatūra
/ˈdɪk.tʏm/
noun
1. beschikkend gedeelte van een vonnis of arrest
tenoras
demonstrativePronoun
1. wijst iets aan dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de spreker bevindt
tas
relativePronoun
1. in een bijzin die het nog niet geheel bekende antecedent nader bepaalt
tas
noun
2. een aanpassing in het eet- en voedingspatroon
dieta
/dif/
noun
1. iem. die steelt
vagis
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
vagystė
pronoun
1.
Dykirchas
noun
gerutis
noun
dėklas
noun
  1. 1.
  2. 4. kerkdienst
tarnyba
/ˈdinst.plɪxt/
noun
1. verplichting om ergens te werken
karinė prievolė
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
gili
/'diptə/
noun
1. de mate waarin iets diep is
gilumas
/diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
gyvūnas
noun
1. arts voor dieren, met name kleine huisdieren
veterinaras
/ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
zoologijos sodas
noun
1. wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van dierziektes
veterinarija
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologija
noun
1. dieselmotor
dyzelìnas
noun
dyzelìnis varìklis
noun
1. infectieziekte
difterija
/ˈdɪftɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
diftongas
noun
skaitmeninimas
noun
1. het digitaliseren
skaitmeninimas
noun
dvìraidis
/dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
šlaunis
noun
šlaunikaulis
/dɪk/
adjective
  1. 1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
  2. 2. de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
  3. 5. hecht
  4. 6. nauw aaneengesloten
  5. 7. weinig vloeibaar
  6. 4. ruim
  7. 3. een naar verhouding grote lichaamsomvang hebbend
storas
noun
2. larve van een kikvorsachtige of salamander
buožgalvis
adverb
dažnai
noun
storulis
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
krapas
noun
dimorfizmas
noun
1. warme maaltijd
Esenas
noun
1. voorwerp
daiktas
noun
1. Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
dingas
/ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
dinozauras
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
antradienis
noun
1. bestuurlijk gebied in de rooms-katholieke Kerk of andere Kerken
vyskupija
noun
puslaidininkis diodas
noun
1. een bewijs van bevoegdheid
diplomas
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
diplomatas
noun
1. de kunst en de kunde van het voeren van overleg
diplomatija
adjective
1. betrekking hebbende op de diplomatie
diplomatinis
noun
1. dipoolantenne
dipolinė antena
noun
1. de hoogste persoon bij een bedrijf
direktorius
noun
1. staafje dat een dirigent bij het dirigeren hanteert
dirigento lazdelė
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
dirigentas
noun
1. beschrijvend overzicht van de elpee's of cd's van een artiest of muziekgroep
įrašų sąrašas
noun
diskotèka
noun
diskriminacija
/ˈdɪskʏs/
noun
1. een zware werpschijf die gebruikt wordt bij de atletische sport discuswerpen.
diskas
noun
1. een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld
diskusija
noun
1. een atletiekdiscipline waarbij men een discus zo ver mogelijk probeert te werpen
disko metimas
noun
disjunkcija
noun
disertacija
adjective
disidentas
noun
disonansas
noun
usnis
noun
1. verdeling, verspreiding
pasiskirstymas
noun
1. het gebied van een lokale overheid
apylinkė
demonstrativePronoun
tai
adjective
1. onderling duidelijk verschillend
skirtingas
noun
1. uitkering van (een deel van de) winst aan de aandeelhouders van een onderneming
dividendas
/(d)ʒi.ˈbu.ti/, /dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
Džibutis
noun
1. de afkorting van desoxyribonucleic acid (desoxyribonucleïnezuur)
DNR
pronoun
1.
Dniepras
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
kauliukas
noun
1. een vrouwelijk kind
duktė
/ˈdɔktɔr/
abbreviation
1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
daktaras
noun
1. een verzameling leerstellingen of dogmas die niet ter discussie staan
doktrina
noun
1. een verzameling gegevens
dokumentas
noun
1. een op waarheid beruste film
dokumentinis kinas
/dokymɛn'taʦi/
noun
1. geschreven materiaal dat een bepaald onderwerp om- en beschrijft
dokumentacija
noun
1. een regelmatig veelvlak bestaande uit twaalf vijfhoeken
dodekaedras
/ˈdo.də(n)/
verb
1. iemand van het leven beroven.
žudyti
noun
mirusiųjų knyga
/ˈdudɔɫˌzɑk/, /ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
dūdmaišis
noun
  1. 1. een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld
  2. 1. het punt waarop men zich richt
vartai
noun
vartininkas
noun
1. een gewenste situatie waar naar toe gewerkt wordt
tikslas
verb
1. een actie ondernemen
daryti
noun
1. een boom met zeer smakelijke maar stinkende vruchten
durijus
/'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
dogma
adjective
dogmatiškas
noun
1. kamer zonder daglicht waarin foto's kunnen worden ontwikkeld en afgedrukt
tamsus kambariukas
noun
gydytojas
/dɔlˈfɛɪ̯n/, /dɔlˈfɛːn/, /dɔɫˈfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛːn/, /ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
delfinas
noun
durklas
/ ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
doleris
adjective
1. van weinig verstand getuigend
kvailas
noun
1. voorganger van een protestantse eredienst
piemuo
/ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
Dominikos Respublika
adverb
1. zonder na te denken
tiesiog
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Dunojus
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
griaustinis
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
ketvirtadienis
adjective
1. zonder licht
tamsa
noun
1. toestand dat er geen licht is
tamsa
noun
1. fijne veren die onder de taaiere buitenveren zitten, vaak gebruikt als vulstof voor kussens, dekbedden en slaapzakken
pūkas
noun
spurga
/doːt/
noun
1. de toestand na het leven
mirtis
/ˈdotxan/
verb
  1. 1. het leven verlaten
  2. 2. theaterterm
mirti
noun
2. keversoort
duobkasys
noun
1.
karstas
noun
3. hevige vrees
kryžius
noun
karstas
noun
1. als straf gedood worden
mirties bausmė
/doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
kurčias
noun
kurtumas
noun
1. smelten
atodrėkis
/'dojə(n)/
verb
1. het stijgen van de buitentemperatuur boven het vriespunt waardoor alle ijs en sneeuw begint te smelten
ištirpti
noun
trynys
noun
  1. 1. stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
  2. 2. ingewikkelde zaak
labirintas
noun
1. plechtige besprenkeling of onderdompeling waarmee iemand tot een kerk gaat behoren
krikštas
noun
1. de doop
krikštas
/ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
krikštykla
verb
1. een zekere tijd ergens verblijven
leisti
/ˈdoːrɣan/, /ˈdɔːrχan/
verb
1. tot het einde meemaken
tęsti
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
rakis
noun
1. Datura stramonium, een zeer giftige plant die hallucinogene alkaloïden bevat
paprastoji durnaropė
/ˈdornəkron/
noun
1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
dygliuotoji jūrų žvaigždė
noun
2. diameter
skersmuo
/doːrˈzɪxtəx/, /doːrˈzɪxtɪx/, /do̝ːrˈzɪχtəχ/
adjective
[1] waar licht zo ongehinderd door kan treden dat het zicht erdoor niet belemmerd wordt
skaidrus
verb
1. grondig onderzoeken of zich iets ergens bevindt
ieškoti
/doʊs/, /doːs/
noun
  1. 1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
  2. 2. vagina
  3. 5. informele naam voor toilet
dėžė
noun
1.
dopaminas
verb
2. iemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
krikštyti
noun
1. stimulerende (genees)middelen
dopingas
/dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
kaimas
noun
1. het uiterlijk van een dorp; hoe een dorp er uitziet
svetainė
noun
1. toestel dat de graankorrels uit de korenaren slaat
kuliamoji
noun
troškulys
noun
1. hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen
dozė
/doˈsir/, /dɔˈʃe/, /ˈdɔs·jeː/
noun
1. verzameling documenten en andere vastgelegde informatie,...
byla
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
muitinė
/duʃ/
noun
1. stortbad
dušas
noun
1.
dušo želė
/ˈdovə(n)/
verb
1. een vlam uit doen gaan
gesinti
noun
1. een lipbloemige plant met bladeren die op die van de brandnetel lijken maar die niet branden.
notrelė
noun
1. een set van twaalf
tuzinas
/draːt/
noun
  1. 1. in elkaar gesponnen vezels
  2. 3. elektrisch verbindingsmateriaal
viela
/drat.los/, /ˈdraːd.loːs/
adjective
1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
bevielis
/ˈdraxbar/, /ˈdraχbar/
noun
1. een baar waarop iets gedragen kan worden
neštuvai
noun
pasiekti
noun
1. stok waaraan men iets draagt
naščiai
/ˈdraːi̯ən/
verb
  1. Vertalingen: na te kijken
    kratyti
  2. 1. om een middelpunt bewegen
    sukti
noun
karuselė
noun
1. een mechanisch bediend of automatisch spelend orgel, meestal op straat spelend
ryla
/draːk/
noun
1. fabeldier
  1. drakonas
  2. slibinas
/drɑf/
noun
3. bezinksel
drum̃zlės
verb
  1. 1. al van de vloer houdend vervoeren
  2. 2. als kledingstuk of sieraad aanhebben
nešti
/ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
estragonas
noun
1.
dragūnas
noun
1. vochtafvoering
drenažas
noun
  1. 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
  2. 2. een bepaald soort film of toneelstuk
drama
/drɑŋk/
noun
2. vloeistof om de dorst te lessen
gėrimas
noun
1. grassoort
dirsė
noun
1. een bestraffende handeling die in het vooruitzicht is gesteld
grasinimas
noun
1. onderdorpel van een kozijn
slenkstis
/ˈdrɛŋkə(n)/
verb
2. drinken geven aan
laistyti
/ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Drentė
pronoun
1.
Dresdenas
noun
1. lage brede kast voor in de woonkamer die tegen de muur geplaatst is naast...
furšetas
cardinalNumeral
1. telwoord
trys
noun
1. het cijfer 3
trys
noun
trejybė
noun
trejybę
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
trikampis
noun
trispalvė
pronoun
Trys karaliai
noun
kovos trišakis
noun
triratis
cardinalNumeral
1. het getal 23
dvidešimt trys
verb
  1. e1. op het oppervlak van een vloeistof rusten
    plaukti
  2. o1. iets of iemand voor zich uit doen bewegen
    varyti
/'drɪŋkə(n)/
noun
gerti
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
geriamasis vanduo
noun
1. trieste, verdrietige stemming
liūdesys
noun
1. drab die in wijn achterblijft na de fermentatie
drum̃zlės
verb
1. vocht laten of doen verdampen
džiovinti
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
vienkupris kupranugaris
verb
  1. 1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
  2. je een voorstelling maken van wat je graag wil
svajoti
noun
svajoklis
/drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
girtas
/droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
sausas
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
sausra
adverb
1. op een neutrale toon
sausas
noun
  1. 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
  2. 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
sapnas
noun
narkotikas
/'drɵksfər'slaːfdə/
noun
1. Verslaafd persoon
narkomanas
noun
2. vrucht van de wijnstok
vynuogė
noun
1. geslachtziekte veroorzaakt door de bacterie Neisseria gonorrhea
gonorėja
noun
1. bundel druiven
vynuogė
noun
1. pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
slėgis
verb
3. verkort voor afdrukken
išspausdinti
noun
1. een persoon die afdrukken maakt
spausdintuvas
/drɵ.pəl/
noun
lašas
noun
1. mythologisch, vrouwelijk wezen dat in een bos of boom leeft
driadė
noun
2. de opmaak van een publicatie maken met behulp van een computerprogramma
stalinė leidyba
/ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
dvinarė žvaigždė
adjective
abejotinas
noun
1. een scheikundig element met het symbool Db
dubnis
/dʏf/
adjective
1. saai, doods
nuoboda
noun
1. in de grond uitgegraven ruimte met overkapping aan de zijkant van het veld waarin de reservespelers en vaak ook de coach verblijven
žeminė
/ˈdœy̯dələk/
adverb
1. niet mis te verstaan
aiškus
/dœʏ̯f/, /dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
  1. balandis
  2. karvelis
noun
submarinas
/ˈdœy̯kə(n)/
verb
  1. 4. snel verbergen of ontwijken
    antíena
  2. 2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
    nardyti
noun
1. iemand die voor beroep of plezier zich onder de waterspiegel begeeft
naras
/dœy̯m/
noun
  1. 2. lengtemaat
    colis
  2. 1. eerste, kortste en dikste vinger
    nykštys
/dœʏ̯n/, /dœːn/
noun
kopa
pronoun
1.
Duisburgas
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
tamsa
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
  1. vokiškas
  2. vokiečių
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
  1. vokiškai
  2. vokiečių kalba
  3. vokiečių
/ˈdœʏ̯tsə/, /ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
vokietė
pronoun
Vokietijos Demokratinė Respublika
noun
1. hond uit een oorspronkelijk in Duitsland gefokt ras
vokiečių aviganis
/ˈdœʏ̯tsər/, /ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
  1. vokietis
  2. vokietė
/ˈdœʏ̯tslɑnt/, /ˈdœːtslɑnd/, /ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
Vokietija
noun
velnias
noun
1.
karvelidė
/ˈdœy̆zənt/
noun
1000
tūkstantis
noun
paprastoji kraujažolė
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
lūpakojai
ordinalAdjective
tūkstantas
noun
1. oude munt
hercogystė
/dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
plonas
/dywoˈdenʏm/
noun
1. twaalfvingerige darm
dvylikapirštė žarna
/'dyːrə(n)/
verb
1. een bepaalde tijd in beslag nemen
trukti
noun
1. enige tetraploïde tarwesoort die nog veel wordt verbouwd
kietasis kvietys
verb
  1. niet goedkoop
    brangus
  2. tijdsbestek
    trukmė
/ˈdyːr.zam/
adjective
1. lang meegaand
patvarus
/dyu̯/
noun
1. een zet, een stoot
stumti
/dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
stumti
noun
1. de afkorting voor digital versatile disc,...
DVD
noun
1. een leer die afwijkt van de officiële of orthodoxe leer
villutru
noun
1.
pelkių ugnis
noun
1. iemand die onverstandig denkt en/of handelt
juokdarys
verb
  1. 1. zonder kennis van waar men is rondbewegen
  2. 2. zonder kennis van waar men is bewegen
klajojimas
/dʋɑŋ/
noun
prievarta
noun
1. psychische stoornis die gekenmerkt wordt door dwanggedachten en dwanghandelingen
obsesinis kompulsinis sutrikimas
/ˈdwɑrzbomə(n)/
verb
1. tegenwerken, moeilijkheden geven
prieštarauti
noun
1. een buitengewoon klein mens
nykštukas
noun
1. Anser erythropus
mažoji žąsis
noun
1.
nykštukinė planeta
noun
1. zeer kleine staat
mikrovalstybė
noun
1. kleinste soort van de vinvissen, Balaenoptera acutorostrata
mažasis ruožuotis
verb
1. iemand tegen zijn wil iets opleggen
priversti
noun
dinamika
noun
springstof waarin nitroglycerine door een poreuze stof wordt vastgehouden
dinamitas
noun
dinamo
noun
1. rode loop, bloeddiarree
dizenterija
noun
1.
disfemizmas
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
disprozis
pronoun
  1. 1. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
  2. 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Diurenas
pronoun
1.
Diuseldorfas
noun
1. een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
atoslūgis
/ˈɛ.xo/, /ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
aidas
noun
1. het dwangmatig herhalen van woorden of zinnen, zonder de betekenis ervan daadwerkelijk te doorgronden
echolalija
noun
echolokacija
noun
1.
svetimautojas
pronoun
1. en 2.
Echternachas
/ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
vyras
/ˈɛxtxəˌnotə/, /ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
žmona
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
ištuoka
/eˈklɪps/
noun
1. het verschijnsel waarbij een ster en twee of meer andere hemellichamen in één lijn komen te staan, waardoor de schaduw van het ene hemellichaam het andere verduistert
užtemimas
/ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
ekologija
adjective
ekologinis
noun
2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
ekonomika
adjective
1. betreffende economie
ekonominis
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
ekosistema
noun
ekoturizmas
noun
1. de naam voor elk element uit de achtste chemische reeks van het periodiek systeem
inertinės dujos
noun
1. Cervus elaphus, hertensoort
elnias
noun
1. een stuk edelgesteente
brangakmenis
noun
rengyklė
pronoun
2. spelwoord voor de letter e
Eduárdas
/et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
priesaika
noun
1. echtgenoot of echtgenote
pagalvėlė
/ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
  1. voverė
  2. voveriniai
noun
1. Bolletus edulis, een eetbare paddenstoel
tikrinis baravykas
/ems/
pronoun
Emsas
adjective
vienas
verb
dovanotam arkliui į dantis nežiūri
noun
keturlapė vilkauogė
/eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
antis
noun
1. insect uit de orde Ephemeroptera
lašalas
noun
darna
/ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
dvidešimt vienas
noun
  1. 1. bij elkaar horend geheel met kenmerkende eigenschappen
    vieningumas
  2. 2. maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt
    vienybė
noun
vienaragis
noun
vienanaris
adjective
uniforma
/eːnˈvɑudəx/, /eːnˈvɑudəχ/
adjective
  1. 1. niet ingewikkeld
  2. 2. zonder overdaad of vertoon
paprastas
noun
1.
vienratis
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
  1. vienatvė
  2. vienišumas
/er/
noun
1. aanzien, roem
garbė
noun
pagarba
/ˈeːrɣɪstər/, /ˈɪːrχɪstər/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
užvakar
/ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
užvakar
noun
1. nummer één in een volgorde
pirmas
noun
vardininkas
phraseologicalUnit
1. grammaticale term die de spreker of sprekers aanduidt.
pirmasis asmuo
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
Pirmasis pasaulinis karas
adjective
1. van een persoon dat deze de eerste nakomeling is van iemand
pirmagimis
noun
pirmagimis
/ˈeːitbaːr/, /ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
valgomas
/ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
valgomasis
/etlepəl/
noun
1.
valgomasis šaukštas
noun
1. de behoefte om voedsel tot zich te nemen.
apetitas
noun
valgymo sutrikimas
/eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
  1. amžius
  2. šimtmetis
noun
1. een feestelijke herdenking naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van iets
šimtmetis
/eːwɪx/, /eːʋəχ/, /eːβ̞əx/
adverb
1. voortdurend, zonder einde
visada
/ɪːβ̞əχɛɪ̯t/
noun
1. alle tijd die nog zal komen
amžinybė
/e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Efesas
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
Laiškas efeziečiams
noun
1. uitwerking
padarinys
noun
1. de mate waarin nuttig gebruik gemaakt wordt van het beschikbare bij een bepaald proces
efektyvumas
/ɛx/, /ɛχ/
noun
1. een landbouw- of tuinbouwwerktuig dat gebruikt wordt voor het zaaiklaar maken van de grond
akėčios
/ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
  1. ežỹs
  2. ežys
pronoun
Egėjo jūra
noun
1. een zelfzuchtig persoon
savimeilis
/e.ˈɣɪp.tə/, /e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
Egiptas
/ɛɪ/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
kiaušinis
noun
1. bepaald soort zeevogel, Somateria mollissima
gaga
noun
1. het geslachtsorgaan van de vrouw waarin eicellen gevormd worden
kiaušidė
interjection
1. uitroep als iemand door eigen verwijtbaar gedrag zelf nadeel gaat ervaren
kad prisivirei košės, tai ir srėbk
noun
1. een bijzondere hoedanigheid
saviškumas
/'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
2. zaak die men zijn eigen mag noemen, bezit
turtas
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
tikrinis daiktavardis
noun
1. een gegeven karakteristiek die eigen is aan een bepaalde persoon of zaak
savýbė
adjective
2.
eiga
/ɛi̯k/, /ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
ąžuolas
/ˈɛɪkəɫ/
noun
1. vrucht van de eik
gilė
/ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
sala
noun
archipelagas
noun
1. soeverein gebied dat geheel door zee wordt omringd
salų valstybė
noun
1. deel van de geslachtsorganen van de vrouw
kiaušintakis
/ˈɛɪ̯ndə/, /ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
pabaiga
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
einšteinis
noun
ieškovas
noun
1. het tijdstip dat de eicel door de eierstok wordt afgestoten
ovuliacija
/ɛiwɪt/
noun
2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
baltymai
noun
ejakuliacija
verb
sperma uitwerpen
ejakuliuoti
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
šarka
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
uolektis
/ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
Salvadoras
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
briedis
noun
elastomeras
adverb
1.
kitur
/eləˈɣɑnt/
adverb
1. een prettige uitstraling hebbend door de subtiele afwerking
dailus
/eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
elektra
noun
1. een krachtcentale waar elektriciteit wordt opgewekt
elektrinė
adjective
1. door middel van elektriciteit
elektrinis
noun
1. een voertuig dat wordt aangedreven door een elektromotor
elektromobilis
noun
elektrochemija
noun
elektrodas
noun
elektroferezė
noun
1. een magneet waarvan het veld door een elektrische stroom veroorzaakt wordt
elektromagnetas
adjective
elektromagnetinis
noun
elektromagnetizmas
noun
1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
elektronas
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
elektronika
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
elektrotechnika
noun
1. legering van goud en zilver
elektrumas
noun
elementas
noun
elementarioji dalelė
cardinalNumeral
1. het getal 11
vienuolika
/ˈɛlf.də/, /ˈɛlv.də/
ordinalAdjective
1. nummer elf in een rij
vienuoliktas
noun
1. haringachtige, die paait in de bovenloop van rivieren en beken en ooit inheems was in de Benelux, Alosa alosa
alsė
/ɛlk/
indefinitePronoun
1. ieder afzonderlijk
kiekviena
noun
1. Gewricht
alkūnė
/ˈɛləpɛɪp/, /ˈɛləpɛːp/
noun
bot in de onderarm
alkūnkaulis
noun
2. een stijlfiguur waarbij een lopende zin wordt afgebroken, die echter door...
daugtaškis
noun
1. boomsoort
alksnis
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
Elzasas
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
emblema
noun
embolija
noun
1. een organisme in het eerste ontwikkelingsstadium na de bevruchting
embrionas
noun
1. de wetenschap die zich met het ongeboren leven bezighoudt
embriologija
noun
1. longaandoening
emfizema
noun
emigracija
/emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
emyratas
/ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
kibiras
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
emu
noun
1. hevig gevoel, sterke gemoedsbeweging
emocija
noun
emulsija
conjunction
ir
/ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
enciklopedija
adjective
1. van nature alleen in een specifiek gebied voorkomend
endeminis
noun
endokrinologas
/enər'ʒi/, /enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
energija
noun
energetinis gėrimas
adverb
1. aan de ene kant
iš vienos pusės
adjective
1. angst veroorzakend
baisu
noun
1. hemels wezen
angelas
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Anglija
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
  1. angliškas
  2. angliškai
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
  1. angliškai
  2. anglų kalba
noun
1. een grotere en lagere uitvoering van de hobo
anglų ragas
/ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /ɛ.ŋəls.man/, /ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
anglas
indefinitePronoun
1. een kleine mate
keleri
adjective
1. niet dubbel, bijvoorbeeld enkel spoor, enkele reis
vieninis
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
kulkšnis
noun
individas
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
vienaskaita
noun
1. ontsteking van de ingewanden
enteritas
noun
esybė
noun
entomologija
noun
1. een getal evenredig met de logaritme van het aantal realiseringmogelijkheden, ook wel gedefinieerd als de reversibele warmte gedeeld door de temperatuur
entropija
/'ɛntstɔf/
noun
1. een middel dat bij een persoon (of dier) een immuunrespons opwekt
skiepas
noun
1. papieren omslag voor brieven
vokas
abbreviation
1. een aanduiding van het feit dat een verdere opsomming overbodig geacht wordt
ir taip toliau
/ɛnˈzim/
noun
1. een organische molecuul dat biologische reacties mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf...
fermentas
/ˈepɛnˌtezɪs/
noun
1. invoeging van middenlank
epentezė
noun
1. het punt op het aardoppervlak loodrecht boven de haard van de aardbeving
epicentras
/epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
epidemija
noun
epidemiologija
/ˌepiˈfizə/
noun
1. een klier die onderdeel is van de epithalamus en melatonine uitscheidt
kankorėžinė liauka
noun
epifita
noun
1. vallende ziekte, toevallen
epilepsija
noun
1. een naschrift toegevoegd aan een boek of film
epilogas
noun
1. woord dat gevormd is op basis van een eigennaam van een persoon
eponimas
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Epingenas
noun
1. het in evenwicht brengen
likutis
noun
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
pusiaujas
/ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
Pusiaujo Gvinėja
noun
1. passage van de zon door het vlak van de evenaar
ekvinokcija
noun
1. iets gelijkwaardigs
atitikmuo
noun
tapatùmas
adverb
  1. 2. als locatief deel van een voornaamwoordelijk bijwoord vervangt het een persoonlijk voornaamwoord: het, ze
  2. 1. onbepaald bijwoord van plaats: ergens
ten
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
erbis
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
erekcija
noun
1. onderscheiding in de vorm van een munt
medalis
noun
1.
ženklelis
noun
1. grond behorend bij boerderijhuis
kiemas
noun
1. stuk van de erfenis zoals dat aan een bepaalde erfgenaam toekomt
palikimas
noun
1. wat door de erflater bij zijn overlijden wordt nagelaten
palikimas
noun
1. degene die andermans nalatenschap erft
paveldėtoja
pronoun
1.
Erfurtas
adverb
1. in hoge mate
labai
adverb
kažkur
verb
1. gevoelens van onvrede veroorzaken
erzinti
noun
ergonomika
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Erida
/ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
Eritrėja
/ˌɛrˈkɛn.tə.lək/
adjective
dėkingas
pronoun
1. + 2. stad en stadsdistrict
Erlangenas
noun
1-2. beschadiging en afslijting
erozija
noun
1. kunst die nadrukkelijk seksuele activiteiten laat zien
erotika
adjective
erotinis
noun
1. steen
rūda
noun
1. een vorm van kennis
patirtis
/ˈʔɛr.və(n)/
verb
1. de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
paveldėti
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
žirnis
noun
rožė
noun
1. de vorming van rode bloedlichaampjes
eritropoezė
noun
1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
uosis
/ɛsˌxatolo'gi/
noun
eschatologija
/ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
klevas
noun
klevų sirupas
noun
1. een kleine tactische eenheid bij de cavalerie (tegenwoordig gemechaniseerd of gemotoriseerd) of ...
eskadronas
adjective
ezoterinis
noun
esperántininkas
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
esperanto
noun
1. geconcentreerde koffie
espresas
/ɛsˈter/
pronoun
3. meisjesnaam
Esteros knyga
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
esteris
/ɛsˈtetiˌka/
noun
1. het filosofisch discours over het wezen van kunst of het wezen van schoonheid
estetika
/ˈɛstis/, /ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
  1. estų
  2. estiškai
/ˈɛslɑnd/, /ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
Estija
noun
1. een vrouwelijk hormoon
estrogenai
noun
estuarija
noun
aukštas
verb
1. het nuttigen van voedsel
  1. valgyti
  2. ėsti
noun
1. C₂H₆
etanas
/etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
etanolis
noun
etenas
noun
1. een organische verbinding met de functionele groep R-O-R'
eteris
noun
1. een praktische wijsbegeerte die zich bezighoudt met wat goed en kwaad is
etika
/ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
Etiopija
adjective
etinis
noun
1. onderdeel van de pathologie dat zich bezighoudt met de oorzaken van ziekten
etiologija
adjective
etninis
/ɛtnoːloːɣi/, /ɛtnoːloːʝi/
noun
etnologija
/ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
pūliai
verb
1.
pūliuoti
noun
  1. 1. woordherkomst
  2. 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
etimologija
adjective
1.
etimologinis
noun
1-2.
eufemizmas
/ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
euforija
noun
eugenika
/œykɑriotən/
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Eukaryota
eukariotas
noun
eunuchas
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
Eurazija
/'øː.ro/, /'ɵː.ro/
abbreviation
1. munt en munteenheid
euras
/øːˈroːpa/, /ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
Europa
/ˌøːropeˈjaːn/, /ˌʏːropeˈjan/
noun
1. bewoner van het Europese continent of iemand die daarvan afkomstig is
europietis
/øːroˈpeːs/, /ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
europietiškas
pronoun
Europos Žmogaus Teisių Teismas
pronoun
Europos Parlamentas
pronoun
Europos Centrinis Bankas
pronoun
Europos Komisija
pronoun
Europos Žmogaus Teisių Teismas
pronoun
Europos investicijų bankas
pronoun
Europos Ombudsmenas
pronoun
Europos Vadovų Taryba
pronoun
Europos Audito Rūmai
/ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
Europos Sąjunga
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
europis
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
eutanazija
noun
eutrofikacija
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Ievà
noun
evakuacija
/evɑky'erə(n)/
verb
evakuoti
noun
evangelija
adjective
1. Deelbaar door twee
lyginis
/evəˈnar/, /ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
pusiaujas
noun
1. belangrijke gebeurtenis
atsitikimas
/ˈevəmɪn/
adverb
1. ook niet
nei
noun
1.
balánsas
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
šernas
noun
1. wild varken
šernas
/ˌevoˈlysi/, /ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
evoliucija
adjective
1. zonder benadering, precies vastgesteld
tikslus
noun
1. onderzoek naar de kennis of vaardigheden van iemand door middel van ondervraging of opgedragen verrichtingen
egzaminas
verb
1.aan een examen onderwerpen
apklausti
noun
ekskursija
noun
  1. 3. gerechtelijke verkoop
    varžytinės
  2. 1. uitvoering van een vonnis
    vykdymo proceso teisė
noun
egzistencializmas
noun
1. onderzoek naar mogelijk leven buiten de aarde
astrobiologija
pronoun
Išėjimo knyga
noun
egzonimas
noun
egzoplaneta
noun
egzorcizmas
noun
egzosfera
noun
1. een uitwendig (kunstmatig) skelet
egzoskeletas
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
egzotiškas
noun
eksperimentas
verb
1.
eksperimentuoti
/ɛkˈspɛːr/
noun
1. iemand die bijzonder goed bekend is met een bepaald onderwerp
ekspertas
noun
1. een computersysteem dat specifieke kennis van menselijke experts representeert en gebruikt om een probleem binnen een bepaald gebied op te lossen
ekspertinė sistema
verb
1. draaiende houden met winst
išnaudoti
noun
tyrinėjimas
verb
apklausti
noun
sprogimas
adjective
1. ontplofbaar
sprogstamasis
noun
1. ontplofbare stof of voorwerp
sprogstamasis
noun
1. de verkoop van goederen aan het buitenland
eksportas
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
eksportúoti
noun
eksportuotojas
noun
greitasis
noun
ekspresionizmas
noun
ekspresionistas
noun
greitasis
pronoun
Estremadūra
noun
ekstremizmas
pronoun
  1. Ezechielis
  2. Ezechielio knyga
/ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
asilas
pronoun
Ezra
/fam/
noun
2. roem
šlovė
/ˈfabəl/
noun
1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
pasakėčia
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
fabrikas
noun
gamintojas
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
Facebook
noun
frakcija
noun
1. document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
sąskaita-faktūra
noun
3. product van een reeks factoren
faktorialas
/ˈfæːrøːə̯r/, /ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
Farerai
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op de Faeröer
farerų
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
fagotas
/ˌfajisəˈmɛnt/
noun
1. de toestand van iemand die, blijkens rechterlijk onderzoek, niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.
bankrotas
noun
1. staaf of stok die aan de bovenkant in een brandbare stof gedrenkt is, brandend zorgt het voor verlichting
deglas
/ˈfaːlən/
verb
1. niet bereiken van doelen
spustelėti
noun
1. (hulp)wetenschap die de vorm en de geschiedenis van de ridderorden én andere onderscheidingen bestudeert
faleristika
pronoun
Folklando salos
noun
bybis
/fa.ˈmi.li/, /fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
  1. Šeima
  2. šeima
noun
1. naam die van generatie op generatie en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
pavardė
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de familiale verhoudingen tussen personen
šeimos teisė
noun
fanatizmas
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
fantazija
adjective
fantastinis
noun
faradas
/ˈfarao/
noun
1.
faraonas
noun
1.
fariziẽjus
noun
farmacija
noun
farmakologija
/fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
fašizmas
adjective
1. van het fascisme
fašistas
noun
1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
fazė
/ˈfʌʊna/, /ˈfʌːna/
noun
1. het geheel aan dieren in een gebied
gyvūnija
/fo.tœj/
noun
1. Soort stoel
fotelis
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
fazanas
/fa.ˈsa.də/
noun
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
fasadas
/febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
vasaris
pronoun
1. Russische revolutie
vasario Revoliucija
noun
1. een verbond van samenwerkende staten of lichamen die hun zelfstandigheid behouden
federacija
/fe:/
noun
1.
fėja
noun
1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid
šalis
noun
1. een bijeenkomst om iets fijns te vieren
šalis
/fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
faktas
verb
1. iemand geluk toewensen
pasveikinti
noun
1. het stimuleren van de penis met de mond, tong of keel
felacija
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
feminizmas
noun
1. vrouw die streeft naar gelijke rechten voor vrouwen
feministas
noun
šlaunikaulis
noun
feniksas
noun
fenologija
noun
fenomenologija
noun
feodalizmas
noun
1.
fermionas
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
fermis
adjective
1. in staat om vruchtbare nakomelingen te krijgen
gimstamumas
noun
1. vruchtbaarheid
gimstamumas
/ˈfɛstiˌvɑɫ/
noun
  1. 2. een groot evenement met zang en dans en muzikale optredens
  2. 1. een reeks optredens
festivalis
/fɛstievieˈtĕit/
noun
šalis
noun
1. vervolgverhaal in een krant of tijdschrift, dan wel op de radio of televisie
feljetonas
noun
1.
fibrinogenas
noun
grožinė literatūra
/fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
dviratis
/ˈfi.(d)ʒi/, /ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
Fidžis
noun
filatelija
/faɪl/
noun
  1. 1. lange rij met stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen of personen
    eismo grūstis
  2. 1. bestand op de computer
    failas
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
Laiškas Filemonui
/filiˈjal/
noun
1. een pand in een reeks van panden
filialas
/ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Filipinai
pronoun
Laiškas filipiečiams
noun
  1. 3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
  2. 1. een dunne laag
filmas
verb
1. beelden van iets vastleggen op film
filmuoti
noun
filologija
/filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
filosofija
noun
filosofas
/fɪltər/
noun
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
filtras
adjective
lemiamas
noun
1. de beslissende wedstrijd in een toernooi tussen de laatste twee deelnemers
finãlas
verb
apsimesti
/ˈfɪnlɑnd/, /ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Suomija
/fɪns/
adjective
1. betreffende Finland of het Fins
  1. suomių
  2. suomiškas
/fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
  1. suomiškai
  2. suomių
  3. suomių kalba
pronoun
1.
Suomijos įlanka
noun
1. software die in hardware ingeprogrammeerd is
įmontuotoji programinė įranga
noun
1. een kanaalvormige zweer
fistulė
/ 'fɪt /
adjective
in goede lichamelijke conditie
na
verb
apsaugotas
/fjɔrd/, /fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
fjordas
verb
suklaidinti
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
flamingas
noun
1. aanval van korturende bewusteloosheid
alpulys
adverb
1.
alpulys
verb
1. door hitte of gebrek aan frisse licht het bewustzijn verliezen
alpti
noun
1. dun soort pannenkoekje dat zowel als hoofdgerecht en als nagerecht gegeten wordt
blynai
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
flerovis
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
butelis
/ˈflevoˌlɑnt/, /ˈfleːvoˌlɑnd/, /ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Flevolandas
/floˈrɑ/
noun
1. plantenrijk in een bepaalde streek of periode
auglija
/ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
Florencija
pronoun
1.
Florida
verb
1. spreken met gedempte stem
šnabždėti
noun
  1. 1. buisvormig blaasinstrument
  2. 3. een scheepstype
  3. 4. een slank drinkglas
fleita
verb
1. een fluit bespelen
švilpti
noun
1. Anthriscus sylvestris, plant uit de schermbloemen familie
krūminis builis
noun
arbatinukas
noun
1.
švilpimas
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
fluoras
noun
1. een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde...
aksomas
noun
1. een ziekelijke vrees
fobija
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
vaisius
noun
1.
folija
noun
1. alles wat een volk creëert of heeft gecreëerd
folkloras
/ˈfɔltərə(n)/
verb
1. een gevangene onderwerpen aan lichamelijke en/of geestelijke pijniging, voornamelijk teneinde informatie los te krijgen
kamuoti
/'fɔltərɪŋ/
noun
1.
kankinimas
noun
3. effect (waardepapier)
investicinis fondas
noun
fondiu
noun
1.
fonema
/ˌfoneˈtik/
noun
1.
fonetika
/ˌfonoloˈɣi/
noun
  1. 1.
  2. 2.
fonologija
noun
1. lettertype, karakterset
šriftas
/fɔnˈtɛɪn/, /fɔnˈtɛːn/
noun
1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
fontanas
noun
žindukas
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
upėtakis
noun
1.
formaldehidas
noun
formulė
/fɔrmyˈlir/
noun
1. een stuk papier waarop voorgedrukte vragen kunnen worden beantwoord
formuliaras
noun
1. vroeg in het voorjaar geel bloeiende sierheester / chinees klokje
forsitija
noun
1. een zout van een van de vormen van fosforzuur
fosfatas
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
fosforas
noun
1 en 2
fotografija
noun
fotoalbumas
noun
1. iemand die fotos maakt
fotografas
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
fotografija
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
fotonas
noun
1.
fotosintezė
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
fotoaparatas
/fɑut/
adjective
amoralus
/fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
klaida
/ˈfrɑksi/
noun
2. gezamenlijke vertegenwoordigers van een politieke partij in een volksvertegenwoordiging
frakcija
adjective
1. kwetsbaar, breekbaar
dūžtamas
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
avietė
noun
2. een stilstaand beeld uit een bewegende film
karkasas
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
francis
/frɑŋk/
noun
munteenheid
frankas
verb
1. porto betalen als afzender door een postzegel op het poststuk te plakken
štampuoti
pronoun
Frankfurtas prie Maino
/ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
Prancūzija
/frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
  1. prancūziškas
  2. prancūzų
/frɑns/
pronoun
1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
  1. prancūziškai
  2. prancūzų kalba
  3. prancūziškas
pronoun
Prancūzų Gviana
pronoun
Prancūzijos Polinezija
/ˈfrɑns.man/, /ˈfrɑns.mɑn/
noun
1. iemand uit Frankrijk
prancūzas
noun
1. een aantal woorden die een begrip uitdrukken, vaak een zinsdeel, soms een hele zin
frazė
/fratər/
noun
1. bepaald soort vogel, Linaria flavirostris
geltonsnapis čivylis
noun
1. bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
sukčiavimas
noun
  1. 1. Oorlogsschip
  2. 2. Driemaster
fregata
/freˈkwɛnt/
adjective
1. vaak voorkomend
dažnas
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
dažnis
noun
1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
fredka
verb
1. frezen
frezuoti
noun
1. een gerecht bestaande uit gehakt dat in een oven is gebakken
zuikis
pronoun
2. benaming voor een Germaanse taal
fryzų
/ˈfrislɑnd/, /ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Fryzija
noun
1.
šaldytuvas
noun
  1. 2. gevechtslinie
  2. 1. voorkant
  3. 2. begrenzing tussen twee luchtmassa's
frontas
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
fruktozė
/frœʏ̯t/, /frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
vaisius
noun
1.
vaismedis
noun
fuga
/fœyf/
noun
šalis
noun
1. een lid van een klasse van allotropen van het element koolstof met een holle moleculaire structuur
fulerenas
noun
  1. 1. taak
  2. 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
  3. 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
  4. 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
funkcija
verb
1. ~ als een bepaalde functie vervullen
srovė
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
fundamentalizmas
/fʏt/
noun
1. de benodigde energie en zin ergens voor
energija
noun
1.
futurizmas
/ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
fizika
noun
fizikas
noun
fiziologija
noun
augalų ligos
noun
1. plantaardig plankton
fitoplanktonas
/føn/
noun
1. een toestel dat een warme luchtstroom voortbrengt voor het drogen en opmaken van het kapsel
plaukų džiovintuvas
/ɣaːj/
noun
1. middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, Garrulus glandarius
kėkštas
/ɣaːn/, /χaːn/
verb
1. zich in een bepaalde richting bewegen
eiti
/'ɣa.bɔn/, /ɣa.'bɔn/, /χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
Gabonas
/ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
gadolinis
noun
1. bepaald soort zoogdier, Antilocapra americana
šakiaragis
noun
[A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
tulžis
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
Laiškas galatams
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
tulžies pūslė
noun
1. een loodsulfide met de chemische formule PbS
galenitas
noun
galerija
/χɑlx/
noun
1. houten constructie bestaande uit één of meer staande balken met een horizontale balk haaks daarop en één of meer diagonale balken ter ondersteuning, in het verleden veel gebruikt om mensen door ophanging ter dood te brengen
kartuvės
/ɣɑˈlisɪə/, /ʝɑˈlisɪə/
pronoun
  1. 2. historische landstreek
    Galicija
  2. 1. Spaanse regio
    Galisija
pronoun
Galilėja
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
galis
noun
1. een langdurige naklank
aidėjimas
noun
1. de snelste gang van een paard
galopas
verb
1.
šuoliuoti
noun
1. een vaste structuur in de galwegen of de galblaas bestaande uit neergeslagen cholesterol, bilirubine of kalkzouten
tulžies akmuo
adjective
1. door een elektrochemisch proces aangebracht
galvaninis
/'ɣɑm.bi.ja/, /'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Gambija
noun
2. spel dat op een beeldscherm wordt gespeeld
video žaidimas
noun
1. mannelijke gans (Anser en Branta)
žąsinas
noun
1. lange smalle ruimte
koridorius
/'ɣɑŋbar/
adjective
1. wat gebruikelijk is
eiga
/ˈɣɑŋ(g).pɑd/, /ˈɣɑŋ.pɑt/, /ˈχɑŋ.pɑt/
noun
1. een pad voor wandelaars, voetpad
praėjimas
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat Sikkim
Gangtokas
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
žąsis
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ganimedas
/ˈɣa.pə(n)/, /ˈɣaː.pə(n)/, /ˈχa.pə(n)/
verb
    1. 2. met open mond vol verwondering ergens naar kijken
    2. 3. wijd openstaan
    žiopsoti
  1. 1. heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
    žiovauti
/ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
  1. 1. een overdekte autostalling
  2. 2. een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
garažas
/ɣa'rɑn(t)si/, /ɣa'rɑnsi/
noun
1. verklaring waarin men verklaart voor bepaalde gevolgen in te staan
garantija
noun
1. bewegelijke pasvorm waaraan de trekstrengen bevestigd worden om het halsjuk uit te balanceren
brañktas
noun
krevetė
pronoun
1.
Garona
/ɣɑs/, /χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
dujos
noun
1. een buis waardoor verschillende materialen in gasvorm vervoerd kunnen worden
dujotiekis
/ɣɑst/, /χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
svečias
noun
1.
pensionas
noun
  1. 1. een man
  2. 2. (biologie) een organisme
šeimininkas
noun
1. maagwandontsteking
gastritas
noun
gastronomija
noun
svetingumas
noun
stiuardesė
/ɣɑt/, /χɑt/
noun
  1. 1. opening
  2. 2. een tekort of ontbrekend deel
duobė
noun
1. een bijzondere aanleg
talantas
noun
gavialas
pronoun
1. exclave van Palestina tussen Egypte, Israël en de Middellandse Zee
Gazos Ruožas
noun
1. benaming voor slanke hoefdieren
tikrosio gazelė
noun
1. onderhouden, kort gemaaid grasveld bij een huis
veja
noun
bū̃das
/xəˈbar/
noun
  1. 1. een beweging waarmee men iets wil zeggen
  2. 2. een handeling waarmee men iets wil uitdrukken
gestas
noun
gestų kalba
/ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
malda
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
kalnãgūbris
/ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
įvykti
noun
1. iets dat zich voordoet
įvykis
/ɣəˈbit/, /χəˈbit/
noun
1. een deel van het aardoppervlak
apskritis
noun
1. de vorm waarin een werkwoord gebruikt wordt als iets zeker gedaan moet worden
liepiamoji nuosaka
noun
įsakymas
/ɣəˈboːrtə/, /χəˈbo̝ːrtə/
noun
1. actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint
gimdymas
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel geboorten er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
gimstamumas
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
  1. pastatas
  2. statinys
/ɣəˈbrœʏkən/, /χəˈbrœʏkən/
verb
1. zich bedienen van, toepassen
vartoti
/ɣə'brœːkər/, /χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
naudotojas
adjective
1. ingewikkeld
sudėtingas
noun
1. hoe ingewikkeld iets is
painumas
/ɣə'dɑɣdə/, /ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
mintis
noun
1.
atstovas
verb
atsiminti
noun
deputatas
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
poema
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
elgesys
verb
1. zich ~: de manieren die iemand meest in de omgang met anderen aan de dag legt
elgtis
adjective
1. een heel lelijke lichaamsbouw hebbend
išsigimęs
/ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
kantrybė
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
  1. geltonas
  2. geltona
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
noun
1. kleur tussen oranje en groen
geltonas
noun
gelta
/ɣeːst/, /χeːst/
noun
  1. 1. dat wat zich afspeelt in iemands gedachten
  2. 2. een onsubstantieel wezen
dvasia
/ɣ̟eːβ̞/, /χeːu/
noun
1. het zich uitrekken, meestal met open mond, bij slaperigheid, ontspanning of verveling
žiovulys
/ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
žiovulys
noun
kuždesys
/ɣəˈɣevə(n)/, /χəˈχevə(n)/
noun
1. een bekend geval of feit
duomuo
noun
1.
kikenti
/ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
slapta
/ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
paslaptis
/ɣə.ˈɦɛɪ̯m.ˌzɪ.nəx/
adjective
paslaptingas
noun
  1. 1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
  2. 2. snel toegankelijke plaats om data op te slaan
atmintis
noun
amnezija
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
klausa
adjective
1. voorzien van horens
raguotas
/ɣə'hoːrzam/, /ɣə'ɦoːrzam/, /χə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. bereid gehoor te geven aan regels of bevelen
klusnùs
/ɣəˈhʏxt/
noun
1. een aantal bij elkaar staande huizen op het platteland
vakos
/ˈɣɛɪ̯t/, /ˈɣɛːt/, /ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
ožka
noun
voedzaam vocht dat tepels van een geit afscheiden
ožkos pienas
noun
1.
ožena
/ɣɛk/, /χɛk/
adjective
beprotis
/ɣɛk/, /χɛk/
noun
  1. 1. een persoon die (tijdelijk) iets raars doet
  2. 2. een persoon die (regelmatig) vreemde dingen doet, een dwaas
juokdarys
noun
1.
babaliuoti
noun
1.
dzingsėti
noun
1.
kchè
noun
1.
babaliuoti
noun
  1. 2. een product om haar mee in model te houden
  2. 1. een gecrosslinkt polymeer van voldoende verdunning om vervormbaar te zijn zonder spontaan te vloeien
gelis
/ɣəˈlɑx/
noun
1. het lachen
juõkas
verb
1.
mokestis
/ˈɣɛlt/, /ˈχɛlt/
noun
1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
pinigai
noun
bauda
/ˈɣɛldərˌlɑnd/, /ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Gelderlandas
adjective
1. waarvan de waarde of wettigheid erkend wordt
galiojantis
noun
1. de behoefte om erkenning te krijgen
asertyvumas
noun
1. straf die bestaat uit het betalen van een geldbedrag
bauda
noun
moneta
/ɣə.let.ˈpo.tə.ɣə/, /ɣə.ˈleːd.ˌpoː.ti.ɣə/, /χə.let.ˈpo.tə.χə/
noun
1. een dier met een uitwendig skelet van chitine
nariuotakojai
/ɣəˈlɛɪdələk/
adjective
1. in geordende, kalme opeenvolging van het een op het ander overgaand
laipsniškas
verb
galvutė
noun
  1. 1. elektrische stroomgeleider
  2. 2. warmtegeleider
laidininkas
/ɣə'lɛɪk/
noun
1. juistheid, recht
davinys
/ɣəlɛɪgˈbenəx/
adjective
1 & 2.
lygiašonis
noun
1. de mate waarin iets of iemand aan een ander doet denken
panašumas
noun
lygybė
noun
nuolatinė elektros srovė
adjective
kita vertus
adjective
1. alle zijden gelijk in lengte
lygiakraštis
/ɣə'lɔftə/
noun
1. een plechtige verklaring iets voortaan te zullen doen of na te zullen laten
įžadas
/ɣəˈlof/, /χəˈlof/
noun
  1. 1. godsdienst
    religija
  2. 2. de overtuiging dat iets zo is
    tikėjimas
noun
1.
vertimas
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
tikėti
/ɣəˈlœʏt/, /χəˈlœʏt/
noun
1. dat wat hoorbaar is
gar̃sas
/ɣəˈlɵk/, /χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
sėkmė
adjective
1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
laimingas
adverb
1. op een gelukkige manier
laimei
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
imbieras
noun
  1. 1. het met één of meer andere deel hebben aan iets
  2. 2. samenleving
  3. 3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
bendruomenė
/ɣəˈmentə/, /ɣəˈmeɪntə/, /ʝəˈmentə/
noun
1. bestuurlijke eenheid
savivaldybė
noun
rotušė
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
gemzė
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
genas
adjective
negailestingas
noun
žandaras
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
genealogija
noun
gydytojas
/γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
medicina
/ɣə'neɣənɦɛɪt/
noun
1. het gesteld zijn op iemand
linkimas
noun
1. iemand die het bevel heeft over een leger
generolas
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
karta
/ˌɣenəˈratɔr/, /ˌχenəˈratɔr/
noun
1. een apparaat of persoon die iets genereert (doet ontstaan)
generatorius
pronoun
Pradžios knyga
noun
1.de wetenschap van alles wat de werking van genen betreft, in het bijzonder erfelijke overdracht
genetika
noun
1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
genijus
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
kilmininkas
noun
1. stelselmatige uitroeiing van een volk
genocidas
indefinitePronoun
pakankamai
/xəˈnom/
noun
1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme
genomas
noun
Akademija
noun
1. categorie in een kunstvorm
žanras
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
Gentas
noun
gencijonas
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Genuja
noun
1. Grammaticaal geslacht
lytis
pronoun
2. stad in Zwitserland
Ženeva
noun
geodezija
adjective
1. met veel ervaring en training
įgalus
noun
geofonas
noun
geofizika
noun
geografas
noun
1. aardrijkskunde
geografija
adjective
1. aardrijkskundig, met betrekking tot de aardrijkskunde
geografinis
noun
1. aardkunde
geologija
noun
geologas
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
geometrija
noun
geomorfologija
noun
1. futensoort met zwarte nek, zwarte kop en een goudgele oorpluim, Podiceps nigricollis
juodakaklis kragas
/ɣeˈjɔrɣis/, /ɣeˈjɔrɣɪs/, /χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
  1. gruziniškai
  2. gruziniškas
/ɣeˈjɔrɣisə/, /χeˈjɔrχisə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Georgië
gruzinė
/ɣeˈjɔrɣi.jə/, /χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
  1. Gruzija
  2. Sakartvelas
noun
1.
mąstymas
noun
pensininkas
noun
griaučiai
/ˈɣeː.rɑrd/, /ˈɣeː.rɑrt/, /ˈχɪː.rɑrt/
pronoun
2. spelwoord voor de letter g
Gvatemala
noun
  1. 1. een bepaald soort voedsel op een bepaalde wijze bereid
    patiekalas
  2. 2. rechtbank, de rechter
    teismas
adjective
paruoštas
noun
geriatrija
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
germanis
noun
1. tak van wetenschap die het "ouder worden" bestudeert
gerontologija
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
  1. miežiai
  2. miežis
/ɣə'rɵxt/
noun
  1. 1. lawaai; een klein geluid
  2. 2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
gandas
adjective
1. weinig hinderlijk lawaai of bijgeluiden veroorzakend
ramus
/ɣɛrʋ/
noun
1. Achillea millefolium, een kruidachtige plant met een dubbel veerdelig blad, waardoor het lijkt of het uit zeer veel kleine blaadjes bestaat
kraujažolė
/ɣəˈsxɛŋk/, /ʝəˈsçɛŋk/
noun
1. iets dat men geeft
dovana
/ɣəˈsxidə(n)/, /χəˈsχidə(n)/
verb
1. werkelijkheid worden
įvykti
/ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
istorija
noun
istoriografija
noun
1. geweldloos conflict
ginčas
noun
artilerija
/ˈɣeː.zəl/, /ˈχe.səɫ/
noun
1. werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaat
rykštė
/χəˈslɑχt/
noun
4. grammaticaal geslacht
giminė
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
lytinis aktas
noun
gonadomis
noun
1. een aandoening aan de geslachtsorganen, vaak een seksueel overdraagbare aandoening
lytiniu keliu plintanti liga
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
pokalbis
noun
1. zwangerschap
nėštumas
noun
gestas
/ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
uoliena
verb
1. gebaren maken, vooral bij het spreken
gestiūlioti
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis, Alburnoides bipunctatus
srovinė aukšlė
noun
skaičius
noun
1. een elektrische centrale die functioneert op het verschil tussen eb en vloed
potvynio jėgainė
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) elektrische centrale die werkt door middel van getijdenstromen ontstaan door het hoogteverschil tussen eb en vloed
potvynio jėgainė
noun
1.
virvės traukimas
adjective
ištikimas
adjective
1. voltooid deelwoord van trouwen
ištekėjusi
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
liudytojas
/ɣøːr/, /χøːr/
noun
1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
kvapas
/ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
pavojus
/ɣəˈvarlək/, /ɣəˈvaːrlɪk/, /χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
pavojingas
noun
1. iemand die gevangen genomen is
kalinys
/ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
kalėjimas
noun
1. een eenheid waarin gedetineerden verblijven gedurende hun opsluiting in een gevangenis
akis
verb
1. iemand van zijn vrijheid beroven en in hechtenis nemen
pagrobti
/ɣəˈvɛxt/, /χəˈvɛxt/
noun
1. een handgemeen
grumtynės
/ˈɣevə(n)/, /ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
duoti
noun
1. gewaarwording
jutimas
/ɣəˈvɔlx/, /ɣəˈvɔɫx/, /χəˈvɔɫχ/
noun
1. iets dat voortkomt uit iets anders
išvada
adjective
nuotykingas
noun
šautuvas
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
ragas
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
smurtas
/ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
sąžinė
noun
1. met het gevoel dat men zaken verkeerd heeft gedaan, dat men niet had moeten doen wat men gedaan heeft
sąžinės priekaištai
/ɣəˈʋɪxt/, /χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
svoris
/xə'wɪxthɛfər/
noun
1.
sunkiaatlètis
noun
1. Balaenoptera physalus, een groot zeezoogdier, lang en gestroomlijnd met puntige kop
finvalas
noun
1. Galanthus nivalis, een vroegbloeiend bolgewas met witte bloempjes
baltoji snieguolė
adverb
1. zoals de ervaring leert dat het meestal is
paprastai
/ɣəˈwoːntə/, /ɣəˈβ̞oːntə/, /χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
Įprotis
adverb
1. niets anders dan, niets minder dan
tiesiog
noun
1. verbinding
sąnarys
noun
pasiuntinys
noun
2. alle zinsdelen behalve het onderwerp
tarinys
noun
2. middeleeuwse ambachtsman in een gilde die nog niet de rang van meester of baas had verworven
gizelis
noun
1. de voorkant van een menselijk hoofd
veidas
noun
1. huishouden bestaande uit een of meer ouders en hun kinderen
šeima
/xə.ˈzɔnt/, /ɣə.ˈzɔnt/
adjective
1. vrij van ziektes en zeertes
sveikas
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
sveikata
noun
integrinis grandynas
/'ɣa.na/, /'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
Gana
pronoun
Gibraltaras
/ɣɪts/, /χɪts/
noun
persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
gidas
/ˈɣixələ(n)/
verb
1. een snelle, wat ingehouden vorm van lachen
kikenti
/ɣiːr/, /χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
grifas
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
šykštus
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
sora
/ˈɣirˌzʋalyw/
noun
1. bepaald soort vogel, Apus apus
čiurlys
noun
1. een soort emmer met sproeibuis om de planten te begieten
laistytuvas
noun
ketus
/ɣɪf/, /χɪf/
noun
1. substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
nuodai
noun
1. een giftige slang
nuodingas gyvatė
noun
1. geschenk, gave
dovana
/ˈɣɪftəx/, /ˈχɪftəx/
adjective
1. gif bevattend
toksiškas
noun
gigabaitas
noun
1. een miljard watt
gigavatas
/ɣɛɪ̯/, /ɣɛː/, /χɛɪ̯/
personalPronoun
tu
/ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /ˈɣɛːzəlaːr/, /ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
įkaitas
/ˈɣɪldə/, /ˈχɪɫdə/
noun
gildija
noun
džinas
noun
1.
ženšenis
noun
1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
gipsas
/ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
žirafa
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
žirafa
verb
1. een vermoeden uitspreken over iets
spė́ti
noun
1. gedachte waarvoor men onvoldoende gegevens heeft om de juistheid of onjuistheid ervan te kunnen vaststellen
manýti
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
mielės
/ˈɣɪstər/, /ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
  1. vakardiena
  2. vakarykštė diena
/ˈɣɪstərə(n)/, /ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
  1. vakardiena
  2. vakarykštė diena
  3. vakar
/ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
gitara
noun
glaciologija
noun
gladiatorius
/ˈɣlɑns.kol/, /ˈɣlɑns.koɫ/, /ˈχlɑns.ko̝ɫ/
noun
1. een vorm van steenkool die sterk verhit is geweest
antracitas
noun
1. Poecile palustris, een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae)
paprastoji pilkoji zylė
/ɣlɑs/, /χlɑs/
noun
  1. 2. op basis van SiO₂
  2. 1. niet-kristallijne vaste stof
  3. 3. om uit te drinken
  1. stiklas
  2. stiklinė
noun
stiklakūnis
noun
glasnost
noun
isolatiemateriaal gemaakt van glas
stiklo vata
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
glaukoma
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
ledynas
adjective
1. glad, moeilijk houvast op te krijgen
slidus
noun
glifas
noun
čiuožykla
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
šypsena
/'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
šypsotis
noun
žėrutis
noun
1. een nachtelijk lichtgevend kevertje uit de familie Lampyridae
jonvabaliai
noun
1. een voortgaand proces van wereldwijde economische, culturele en politieke integratie
globalizacija
noun
gaublys
/ɣlut/
noun
kaitra
/ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
lemputė
noun
1.
šlovė
noun
1. druivensuiker
gliukozė
/'ɣly.tə(n)/
noun
glitimas
noun
glicerolis
noun
glicerolis
noun
1. een metamorf gesteente met verschillend gekleurde banden of aders
gneisas
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
gnu
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Goa
noun
  1. 2. doelpunt
  2. 1.plek op een sportveld
vartai
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
Dievas
/ɣɔd/, /ɣɔt/, /χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
dievas
adjective
dieviškas
noun
teologija
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
dievas
noun
1. een vrouwelijke godheid
deivė
noun
1. een geloof en alle daar bij horende rituelen en doctrines
religija
adjective
1.
dieviškas
adjective
1. kwaliteit bezittend
geras
/ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
Didysis Penktadienis
/ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
laba diena
interjection
avondwens
  1. labos nakties
  2. labanaktis
  3. saldžių sapnų
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
labas vakaras
interjection
1. groet waarmee men iemand een prettig verloop van het etmaal wenst
labà dienà
noun
1. trein die uitsluitend is bestemd om goederen te vervoeren
krovininis traukinys
noun
1. de hoedanigheid van het goed zijn
gerumas
verb
1. toestemming verlenen
patvirtinti
adjective
1. laag in prijs
pigus
noun
gulagas
noun
aukso karštinė
/'ɡolɛm/
noun
1.
golemas
/gɔlf/, /χɔl(ə)f/
noun
  1. 4. grote baai
    įlanka
  2. 1. balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
    golfas
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
Meksikos įlanka
pronoun
1.
Rygos įlanka
noun
bangos ilgis
/ɣɔm/
noun
1. een gum
trintukas
noun
lytinė liauka
/ˈɣɔndəl/
noun
1. een pleziervaartuig in Venetië
gondola
noun
1. een hangend slagwerk
gongas
noun
1. dat deel van de wiskunde dat zich richt op hoeken en de metingen die men daaraan kan verrichten
trigonometrija
noun
1. een geslachtziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Neisseria gonorrhea
gonorėja
verb
het uitvoeren van effecten die verbazing wekken van omstaanders
žongliravimas
/ˈgu:gələ(n)/, /ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
  1. gооglinti
  2. googlinti
noun
gugolas
noun
gugolpleksas
/ˈɣoːi̯ən/, /ˈχoːi̯ən/
verb
1. het door de lucht verplaatsen van een voorwerp, al dan niet naar een doelwit
mesti
/χot/
noun
1. lid van een Oost-Germaans volk
gotas
/ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
kriauklė
/ɣɔrˈdɛːn/, /χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
užuolaida
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
gorilos
/ɣɔrs/, /χɔrs/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Emberizidae
starta
noun
košė
noun
gospelo
pronoun
1. de uit de oostelijke tak van de Germaanse talen stammende en uitgestorven taal der Goten uit de eerste...
gotų kalba
/ˈɣɔtlɑnt/, /ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
Gotlandas
/ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
auksas
noun
1. Physalis peruviana
peruvinė dumplūnė
phraseologicalUnit
auksuotas medalis
noun
1. bepaald soort klein vogeltje met een goudkleurig kruintje Regulus regulus
nykštukas
noun
medetka
noun
1.
Gaudos sūris
noun
1. een smid die met goud werkt
auksakalys
noun
1. bepaald soort vogel, Pyrrhul pyrrhula
juodagalvė sniegena
/ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
auksinė žuvelė
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
guliašas
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
gubernatorius
noun
1. eenheid om hoeken te meten
laipsnis
noun
1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
grafas
noun
grafystė
/ɣrax/, /χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
džiaugsmingai
noun
javai
/ɣrɑɣt/
noun
kanalas
noun
1. een instrument waarmee een hoek van een gekende grote uitgezet of gemeten kan worden
matlankis
/ɣrɑf/, /χrɑf/
noun
  1. 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
  2. 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
kapas
noun
in plaatjes gekristalliseerde koolstof
grafitas
noun
1. op een grafsteen gegraveerde korte tekst, gewijd aan de overledene
epitafija
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
antkapis
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
gramas
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
gramatika
noun
  1. 2. met springlading gevuld projectiel
    granata
  2. 5. groep kubische mineralen
    granatas
noun
2. vrucht
granatas
noun
1. wapen, of deel van een wapen, bestemd voor het lanceren van stuwloze ontploffende projectielen
granatsvaidis
/ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
granitas
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
greipfrutas
noun
1. sap van de vrucht van de boom Citrus paradisi
greipfrutų sultys
noun
1.een Italiaanse alcoholische drank
grappa
noun
  1. 1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
  2. 1.1 benaming voor planten uit de familie Poaceae die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien
žolė
noun
1.
veja
noun
1. Anthus pratensis, een zangvogel uit de familie Motacillidae
pievinis kalviukas
noun
1. het afzien van de uitvoering van een straf
malonė
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
nemokamas
adjective
1. donkergrijs, kleurloos
pilkas
noun
1. bepaalde soort grijsbruine vogel met oranje snavel, Anser anser
pilkoji žąsis
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
kasti
noun
1. vrouwelijke graaf
grafienė
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
gravitacija
noun
gravitonas
pronoun
1.
Gracas
/ɣre.ˈna.da/, /ɣrɛ.ˈna.da/, /χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Grenada
noun
  1. 2. de raaklijn tussen twee landen
  2. 1. een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
siena
/ɣrik/, /χrik/
noun
1. inwoner van Griekenland
graĩkas
noun
Graikiškai
/ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
Graikija
/ɣriks/, /χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
  1. graikų
  2. graikiškai
  3. graikiškas
verb
1. grienen
verkšlenti
/ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
gripas
noun
1. grof gemalen meel
manų kruopos
verb
2. pijnigen
dirginti
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
grifonas
verb
1. plotseling iets of iemand beetpakken
sugriebti
adjective
1. de kleur grijs hebbend
pilkas
noun
1. oude man
sengalvis
/ɣrɛɪsˈɦarəx/
adjective
1. met grijs haar
žilas
noun
1. stevige zwarte walvis, met bolvormig voorhoofd en een heel kleine snuit
pilkieji banginiai
noun
1. bepaald soort zoogdier, Halichoerus grypus
pilkasis ruonis
noun
ant grotelio kepti
adjective
įnoringas
noun
žvyras
/ɣruj/, /χruj/
noun
1. het groter worden
augimas
/ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
augti
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
žalias
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
žalias
noun
1. Picus viridis
žalioji meleta
/ˈɣrun.lɑnd/, /ˈɣrun.lɑnt/, /ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
Grenlandija
adjective
grenlandų kalba
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
daržovė
noun
1.
daržas
/ɣrup/, /ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
grupė
/ˈɣrut/, /ˈχrut/
noun
1. een uiting waarbij men elkaars aanwezigheid erkent wanneer men elkaar ontmoet
pasveikinimas
/ˈɣrutə(n)/
noun
1. iemand goedendag of gedag zeggen
sveikintis
verb
1. een dreigend geluid voortbrengen
burbtelėti
noun
  1. 1. stuk terrein
  2. 2. de stof van het aardoppervlak waarop planten en bomen groeien
  3. 3. het aardoppervlak in algemene zin
  4. 4. basis
maltas
noun
1. het gebied waarover een instantie of overheid het beheer heeft
teritorija
noun
įkūrėja
noun
žaliava
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
požeminis vanduo
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
konstitucija
/ˈɣroːˌnɪŋə(n)/, /ˈχroˌnɪŋə(n)/
pronoun
  1. 1. hoofdstad van de provincie Groningen
  2. 2. gemeente in de provincie Groningen waarin de stad Groningen ligt
  3. 3. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Drenthe en het Duitse Oost-Friesland wordt begrensd
Groningenas
/ɣroːt/
adjective
  1. 1. meer dan normaal in formaat
  2. 2. bewonderenswaardig, goed
  3. 3. machtig, belangrijk
didelis
/ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
Didžioji Britanija
pronoun
1. stad in Namibië
Grotfonteinas
noun
1.
didžioji hercogystė
noun
1. een moeder van een ouder
senelė
noun
didžiaausė lapė
noun
dydis
/ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
senelis
/ɣrɔt/
noun
1. een onderaardse holte
urvas
noun
1. Limax Maximus, een naaktslak
didysis šliužas
pronoun
1. hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk zichtbaar sterrenbeeld
Didieji Grįžulo Ratai
noun
1. bepaald soort vrij grote vogel met zwarte rug- en lichtere buikzijde, Dendrocopos major
didysis genys
noun
1. soort zeevogel van ongeveer 70 centimeter groot, Larus hyperboreus
didysis poliarinis kiras
noun
aguona birulė
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
Didieji ežerai
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Ramusis vandenynas
noun
1. bepaald soort overblijvende plant, Sanguisorba officinalis
vaistinė kraujalakė
noun
1. bepaalde soort zeevogel, te herkennen aan zijn zwarte kuif en snavel met een klein geel puntje, Sterna sandvicensis
margasparnė žuvėdra
noun
1. Melanitta fusca, een vrijwel geheel zwarte eendensoort die voornamelijk op zee voorkomt
nuodėgulė
/ˈxrʏto/, /ˈɣrʏto/
noun
1. bepaald soort weidevogel en een van de grootste steltlopers
griciukas
/ˈxrywəl/
noun
1.
bjaurastis
noun
žvėriškumas
pronoun
Gvadelupa
/ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
Gvatemala
pronoun
Gernsis
noun
partizaninis karas
/ɣi.ˈne/, /χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
Gvinėja
/ˌɣi.ne.bɪ.ˈsaʊ̯/, /ˌɣi.ne.ˈbɪ.sɔʊ̯/, /ˌχi.ne.ˈbɪ.sʌʊ̯/
pronoun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
Bisau Gvinėja
noun
1. (bloemen)slinger
vainikas
pronoun
1. indiase deelstaat gelegen in het westen van het land. Hoofdstad is Gandhinagar
Gudžaratas
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk in Gujerat gesproken wordt. De taal wordt nu ook in Uganda, Tanzania, Kenia en Pakistan gesproken
gudžarati
noun
menkė
noun
rykštenė
/ɣɵlp/
noun
1. een door een strook stof afgesloten opening aan de voorzijde van een broek van de man,...
klynas
/ɣi.ˈja.na/, /ɣβ̞i.ˈja.na/, /χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
Gajana
noun
1.
gimnãstas
noun
1.
gimnãstas
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
gimnastika
/ɣinəkoˈlox/
noun
ginekologas
/ˌɣiroˈskop/
noun
giroskopas
/ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
Getingenas
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
gyvatvorė
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
  1. skrõblas
  2. skroblas
/haːɪ̯/, /ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
ryklys
/haːk/
noun
kabliukas
/ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
gaidys
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
plaukas
noun
1. plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
židinys
noun
1. woning met een vuurplaats
namų židinys
noun
1.
karšti
noun
kapiliaras
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
  1. kiškis
  2. zuikis
/hast/
adverb
1. bijna
beveik
/hast/
noun
1. de drang hebben om iets snel te doen
skubėti
/'ɦastən/
verb
1. trachten om dat wat men te doen heeft snel af te maken
skubėti
/ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
neapykanta
pronoun
2. boek in de Bijbel
Habakuko knyga
noun
1.
abitas
noun
1. iemand die zich onbevoegd toegang verschaft tot een computersysteem
hakeris
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
hadronas
noun
marios
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
hafnis
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
  1. driežas
  2. dríežas
/haɣəɫ/
noun
1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
kruša
/ˈhaɣəlˌsten/
noun
1. een klontje ijs dat als neerslag uit de lucht komt
krušos gabalėlis
pronoun
2. boek in de Bijbel
Agėjo knyga
noun
1.
haiku
noun
1. hiel van de voet
kulnas
/ˈhaː.kə(n)ˌkrœys/
noun
svastika
verb
2. moeilijk en onzeker spreken met herhaling van klanken
meknoti
noun
1. zeer breed mes
kapoklė
/ɦɑl/
noun
3. een grote overdekte ruimte gericht op het uitvoeren van activiteiten
statymas
/ɦɑlf/
adjective
1. de helft zijnde
pusė
noun
1-2
puslaidininkis
noun
1. een halfgeleider met een negatieve indirecte bandgap
pusmetalas
noun
1. het oppervlak van een halve bol, met name van de aarde
pusrutulis
noun
1. de tijd waarin een exponentieel vervalled proces tot de helft van zijn oorspronkelijke waarde vermindert
pusėjimo trukmė
noun
įseserė
/hɑleˈlyja/
noun
1.
aleliùja
interjection
1. groet
labas
noun
haliucinacija
adjective
haliucinogeninis
noun
halogenas
noun
kaklas
noun
1.
Kramerio papūga
adjective
užsispyręs
/ˈhɑɫtə/
noun
1. een plaats waar gestopt wordt
stotelė
noun
svarmenys
/ɦɑm/
noun
1. vlees van de achterkant van een varken
kumpis
noun
Hamburgas
/ˈham.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.χər/
noun
1. schijf gebraden gehakt
hamburgeris
noun
1. gecastreerde ram
avinas
noun
  1. 2. een van de gehoorsbeentjes in het oor
    1. kūjis
    2. plaktukas
  2. 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
    1. plaktukas
    2. kūjis
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
žiurkėnas
/ɦɑnt/
noun
1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
  1. ranka
  2. plaštaka
noun
rankinis
/ˈɦɑnt.buj/
noun
1. een paar aan elkaar verbonden afsluitbare ringen
antrankiai
noun
1. een doek waarmee men zich afdroogt
rankšluostis
noun
rankos paspaudimas
/ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
prekyba
pronoun
Apaštalų darbai
noun
prekės ženklas
noun
2. deel van het privaatrecht m.b.t. handelszaken
komercinė teisė
noun
1. teken van waardering
aplodismentai
noun
1. binnenzijde van de hand
delnas
/hɑnd.sxun/, /ɦɑnt.sxun/, /ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
pirštinė
noun
parašas
/ˈhanə(n)kɑm/
noun
1. Cantharellus cibarius, een eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak
voveraitė
noun
1. brug die is opgebouwd uit twee (soms één) hoge pijlers of pylonen waartussen een dikke kabel gespannen is...
kabantis tiltas
/ˈɦɑŋə(n)/
verb
kabėti
/ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
hamakas
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
spynà
pronoun
1. stad in Duitsland
Hanoveris
noun
1. stad die deel uitmaakt van de Hanze
Hanzos miestas
noun
1. en 2 grof gemalen meel van harde tarwe (Triticum durum)
kietųjų kviečių manų kruopos
/'ɦɑrdər/
noun
1. Mugil curema, een straalvinnige vissoort
kefalinės
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
techninė įranga
noun
  1. 1. het voor vrouwen bestemde deel van een woning van een mohammedaan
  2. 2. groep vrouwen die een relatie hebben met één man
haremas
/ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
silkė
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
grėblys
verb
grėbti
noun
2. een grappig, koddig persoon in het algemeen
arlekinas
noun
1.
arfa
/hɑrˈpun/, /ɦɑrˈpun/
noun
2. een speer met weerhaken
harpūnas
/ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
pikis
/ɦɑrt/
noun
širdis
noun
1. het afsterven van hartspierweefsel door afsluiting van een kransslagader of een tak hiervan
miokardo infarktas
noun
1. verstopping van een kransslagader of een tak hiervan, leidend tot het afsterven van hartspierweefsel
širdies smūgis
noun
aistra
noun
1. een taai ondoorzichtig vliesachtig zakje in de thorax, waarin het hart zich bevindt
širdiplėvė
pronoun
1. indiase deelstaat gelegen in het noorden van het land
Harjana
noun
1. softdrug, bereid uit ingedikt sap van gedroogde en fijngestampte vrouwelijke hennepbloemen
hašišas
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
hasis
/'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
neapkęsti
interjection
apči
/ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
uostas
noun
  1. 1. éénjarig graangewas Avena sativa
    sėjamoji aviža
  2. 1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
    1. sėjamoji aviža
    2. aviža
noun
havervlokken
avižiniai dribsniai
/ˈɦavɪk/
noun
  1. 2. iemand die graag oorlog wil voeren
    vanagas
  2. 1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
    vištvanagis
noun
vanagė
pronoun
1. Polynesische taal gesproken in de Amerikaanse staat Hawaï
havajiečių
noun
1. een heester waaraan hazelnoten groeien
lazdynas
/ˈɦa.zəlˌmœːs/, /ˈɦa.zəɫˌmœʏ̯s/
noun
1. knaagdier in de familie van slaapmuizen, Muscardinus avellanarius
lazdyninė miegapelė
/ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
lazdyno riešutas
/ha.ˈhi.ti/, /ɦa.ˈi.ti/, /ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Haitis
/ˈɦɛbə(n)/
verb
1. bezitten
turėti
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
  1. hebrajų
  2. hebrajiškai
noun
siūlė̃
noun
1. 100 liter
hektolitras
/ˈɦeː.də/
noun
1. werk, afval van vlas of hennep
pakulas
noun
dabartis
/ˌɦe:dənˈda:xs/
adjective
1. gangbaar in de huidige tijd
eiga
noun
1. leer dat genot het hoogste goed is
hedonizmas
/heːl/
adjective
1. niet stuk
visuminis
/heːl/
adverb
1. in hoge mate
labai
/he.ˈlal/, /ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
visata
noun
1. de tak van de geneeskunde die met operatie probeert te genezen
chirurgija
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
Viešpats
/ɦɪːr/
noun
1.
ponas
adjective
1.
skanus
noun
dirvinis asiūklis
/hersxɑˈpɛi/
noun
1. geheel der dingen waarover iemands macht zich uitstrekt, waarover hij heerst (bewind uitoefent) en het daarbij horende gezag geniet
valdžia
noun
1. iemand die de macht uitoefent
valdovas
noun
krūmas
/ɦeːt/
adjective
1.
karštas
noun
1. een bron die bestaat uit geothermisch verwarmd grondwater uit de aardkorst
karštoji versmė
noun
1.
svertas
verb
kélti
noun
1. oplegging van belastingen: tolheffing
rinkliava
noun
1. een zangvogel ter grootte van een huismus met opvallend grijs op de kop
erškėtžvirblis
noun
1. mensen die geen jood of christen zijn
pagonis
noun
1. een verzamelnaam voor de polytheïstische religies waarmee het zich verspreidende christendom in aanraking kwam
pagonybė
adjective
1. van de heidenen
pagonis
noun
1. bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis, Hippoglossus hippoglossus
atlantinis paltusas
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
Heilbronas
/ɦɛj.ləɣ/
adjective
1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
šventas
noun
šventasis
noun
1.
Šventoji Dvasia
noun
1.
afrikinis šventasis ibis
noun
1. de pauselijke regering
Šventasis Sostas
/'hɛɪmʋe/
noun
1. sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
nostalgija
/ɦɛk/
noun
  1. 3. raamwerk van latten van een molenwiek
    kadras
  2. 1. omheining, afscheiding
    tvora
/ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
ragana
/'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
pragaras
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
deja
/ɦɛlt/
noun
didvyris
noun
1. de durf en de kracht van mensen, die zich, met gevaar voor eigen leven, voor de goede zaak inzetten
didvyriškumas
adjective
  1. 1. duidelijk en zuiver
  2. 1. klaar, doorzichtig
giedra
/'hɛl·dərˌhɛɪt/
noun
4. van geest
aiškumas
/'ɦeləmal/
adverb
1. in z'n geheel
ištisai
/ɦɛlft/
noun
pusė
/ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
sraigtasparnis
adjective
heliocentrinis
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
helis
noun
1. lang middeleeuws wapen
alebarda
noun
1. een glooiing in het landschap
įkalnė
/ɦɛlm/
noun
1. beschermend hoofddeksel
šalmas
/ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
  1. pagalba
  2. padėti
noun
padėjėja
pronoun
1. de hoofdstad van Finland
Helsinkis
/ɦɛm/
personalPronoun
2.
jai
noun
1. roodkleurig mineraal dat ferri-oxidekristallen bevat
hematitas
noun
1. kledingstuk voor het bovenlijf
marškiniai
/ˈɦeːməl/
noun
  1. 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
  2. 2. het hiernamaals, leven na de dood
dangus
noun
dangaus kūnas
pronoun
1. de herdenking dat Jezus Christus na zijn verrijzenis opgevaren is naar God Zijn Vader in de hemel
Šeštìnės
noun
1. christelijke feestdag waarin gevierd wordt dat Jezus na de opstanding naar de Hemel ging
Šeštìnės
noun
pusrutulis
noun
1. bloederziekte
hemofilija
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hemorojus
/ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
višta
/ˈhɛndrɪk/
pronoun
  1. 1. mannelijke voornaam
  2. 2. spelwoord voor de letter h
Henrikas
pronoun
1. Belgische provincie
Heno
noun
1. visserswerktuig
meškerė
/ɦɛŋst/
noun
1. mannelijk paard
eržilas
/ˈɦɛ.nəp/
noun
kanapė
noun
1. C₇H16
heptanas
/herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
heraldika
adjective
heraldika
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
karčema
noun
1. dier dat zich met plantaardig voedsel voedt
  1. augalėdis
  2. žolėdis
/'ɦɛrdər/
noun
1. begeleider en bewaker van een kudde
piemuo
noun
erezija
noun
1. derde jaargetijde
ruduo
noun
1. bepaald soort plant, Colchicum autumnale
rudeninis vėlyvis
noun
1. het nogmaals plaatsvinden
kartojimas
noun
1. lastige en hinderlijke veldmosterd die meestal op en rond akkers groeit
dirvinis garstukas
/ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
2. uit het geheugen opdiepen
atsiminti
/hɛrˈlevə(n)/
verb
1. opnieuw tot leven komen, opnieuw opbloeien
atgaivinti
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
  1. Šermuonėlis
  2. šermuonėlis
pronoun
Hermis
noun
1.
akis
noun
1. uitstulping van een orgaan of weefsel uit de lichaamsholte waar het normaliter in ligt
išvarža
/hɛrˈniwə(n)/
verb
  1. 1. door nieuwe kracht weer nieuw maken, nieuw leven inblazen
  2. 3. opnieuw doen, vernieuwen, weer nieuw maken
atnaujinti
noun
een verdovend middel
heroinas
noun
herpetologija
noun
1. veel en onaangenaam geluid
triukšmas
verb
1. opnieuw oprijzen, opnieuw gaan leven of functioneren
prisikelti
noun
smegenų mirtis
noun
1. brein
smegenys
noun
1. de buitenste laag van de grote hersenen
galvos smegenų žievė
noun
indoctrinatietechniek
smegenų plovimas
noun
1. het emigreren van hoogopgeleide mensen zodat in het land van oorsprong een tekort aan hoogopgeleide mensen...
protų nutekėjimas
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
  1. elnias
  2. elnė
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
hercogas
noun
1. het gebied dat onder leiding staat of stond van een hertog
hercogystė
noun
1. adellijke titel, vrouw van een hertog
hercogienė
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
hercas
noun
3. beweging tot herstel der oorspronkelijke zuiverheid in de leer...
reformacija
pronoun
Hesenas
/(ɦ)ət/, /hɛt/
indefinitePronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
jis
/(ɦ)ət/, /hɛt/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
tai
phraseologicalUnit
1. het kan me niets schelen
man nerūpi
adjective
heterogeninis
adjective
1. gericht op het andere geslacht of betrekking hebbend op liefde voor mensen met een ander geslacht
heteroseksualus
relativePronoun
1. wat
koks
pronoun
1. een dode taal die in het huidige Turkije werd gesproken
hetitų
noun
een kleine platte fles
kišeninė gertuvė
/ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
kalva
noun
1. C₆H14
heksanas
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
kulnas
noun
1. iemand die overdreven kruiperig en onderdanig jegens iemand anders is
batlaižys
/ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
čia
adverbialPronoun
1. in deze richting
šen
/hɛɪ̯/, /ɦɛɪ̯/, /ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
jis
verb
1. zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
aiktelėti
noun
3. de hoeveelheid die men in één keer op kan hijsen
vilkti
noun
1. een constructie om zware lasten op te tillen
kranas
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
  1. žagsėjimas
  2. žagsulys
/ˈɦɪkə(n)/
verb
1
žagsėti
pronoun
1. + 2. stad en district
Hildesheimas
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noorden van het land. Hoofdstad is Shimla
Himačal Pradešas
/ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
elnė
noun
pasala
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
hindi
noun
induizmas
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
žvengti
noun
hipiai
noun
1. ovale paardenrenbaan
hipodromas
noun
hiragana
pronoun
Espanjola
noun
istorikas
noun
  1. 2. geschiedenis van een volk, een land enz
  2. 1. verhaal
istorija
adjective
istorinis
noun
1. lied dat in korte tijd zeer populair wordt
hitas
/ˈhɪtə/
noun
  1. karštis
  2. kaitra
noun
1. menselijk immuundeficiëntievirus
ŽIV
noun
1. rangorde
hierarchija
verb
likutis
/hɔbi/
noun
1. een liefhebberij of bezigheid ter ontspanning voor in de vrije tijd
hobis
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
obojus
noun
1. iemand die hobo speelt
obòjininkas
noun
1. balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
ledo ritulys
/ɦu/
adverb
1. op welke wijze
kaip
/hud/, /ɦut/
noun
  1. 2. deel van een zwam
    skrybėlė
  2. 1. een hoofddeksel
    1. skrybėlė
    2. kepurė
/ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
kanopa
noun
1. plant met grote bladeren die aan de rand van wateren groeit
šaukštis
noun
pasaga
/ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
kampas
/ˈhuk.steːn/
noun
  1. 1. een steen die gebruikt wordt om de hoekpunten van bouwwerken te verstevigen
  2. 2.
kertinis akmuo
/ɦur/
noun
1. vrouw die tegen betaling seksuele diensten verricht
kekšė
noun
1.
valio
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
kosulys
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
kosėti
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
kiek
/huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
kiekis
/ɦɔf/
noun
  1. 1. de uitgebreide huishouding van een vorstelijke, bijvoorbeeld koninklijke familie
  2. 3. een stuk bebouwd land of tuin
  3. 2. een instelling waar recht gesproken wordt
kiemas
pronoun
Europos Sąjungos Teisingumo Teismas
noun
mandagumas
noun
polymerisatieproduct van etheen
didelio tankio polietilenas
noun
  1. 2. ondergrondse woning of schuilplaats van een dier
  2. 1. grot, spelonk
urvas
noun
1. bepaald soort vogel, Columba oenas
uldukas
noun
1. theorie
holizmas
/ˈɦɔlɑnt/
pronoun
  1. 1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
  2. 2. heel Nederland
Olandija
verb
bėgti
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
holmis
/ˈholokaust/
pronoun
holokaustas
noun
homeopatija
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
homeostazė
/ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
  1. kamãnė
  2. kamanė
adjective
gėjus
noun
homofobija
noun
1. gelijkklinkend woord
homofonas
noun
1. op dezelfde manier gespeld woord
homografas
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
homonimas
noun
homoseksualumas
adjective
1. betrekking hebbend op de liefde voor geslachtsgenoten
gėjus
noun
1. man met seksuele voorkeur voor mannen of vrouw met seksuele voorkeur voor vrouwen
gėjus
/ˈhɔnd/, /ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
  1. šuo
  2. šuva
/ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
šimtas
pronoun
1.
Šimtametis karas
noun
pasiutligė
noun
1. bepaald soort kruipende, geurende plant met paarsblauwe bloemen, Glechoma hederacea
šliaužiančioji tramažolė
noun
paprastasis erškėtis
/hɔn.ˈdyː.rɑs/, /ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
Hondūras
verb
1. bespotten
pajuokti
/hɔŋ(g).ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
vengras
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
  1. vengrų
  2. vengriškai
/hɔŋ(g).ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈχar.sə/
noun
vengrė
/ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
Vengrija
/ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
  1. alkis
  2. badas
adjective
1. grote behoefte aan voedsel hebbend
alkana
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
  1. badas
  2. alkis
noun
1. het weigeren van voedsel uit protest
bãdo streĩkas
/hɔŋˈkɔŋ/
pronoun
1. een speciale administratieve regio van de Volksrepubliek China
Honkongas
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
  1. medus
  2. medùs
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mellivora capensis
bitėdis barsukas
noun
korys
noun
1. balsport waarbij de bal met een knuppel geslagen wordt en de spelers langs een drietal honken trachten rond te lopen tot zij weer de thuisplaat bereiken
beisbolas
noun
rinkliava
/ɦoːft/
noun
1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
galva
noun
pagalvė
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
utėlė
noun
1. de voorste pagina van een website
pagrindinis puslapis
noun
1. pijn in het hoofd
galvos skausmas
noun
1.afwijking aan de hoofdhuid gekenmerkt door witte vettige schilfers
pleiskana
noun
1.
kapitalas
/'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
sostinė
noun
1. het tuig dat een paard om het hoofd gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken
kamanos
noun
bepaalde opdeling van tekst of beeld in een boek
skyriuje
/ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
aukštas
noun
1. iemand met titel professor die aan een hogeschool of universiteit een leerstoel in een bepaald vak bekleedt en die het onderzoek en onderwijs in dit vak leidt
profesorius
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
Giesmių giesmė
noun
2. niveau
aukštis
noun
plynaukštė
noun
1. gedroogd gras
šienas
noun
2.1. bepaald soort kleine standvlinder, Coenonympha pamphilus
gelsvasis satyriukas
/ɦoːp/
noun
3. verwachting van iets wenselijks
viltis
/horn/
noun
1. hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
ragas
pronoun
Afrikos ragu
/hoːrnar/, /ho̝ːrnar/
noun
1. Vespa crabro, een soort grote wesp
širšė
noun
  1. 1. bepaald soort vogel, Upupa epops
    kukutis
  2. 1. bepaalde plant die onder andere wordt gebruikt bij de bereiding van bier
    apynys
adjective
1. waaraan hoop op succes ontbreekt
beviltiškas
/ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
  1. trokšti
  2. viltis
/hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
girdėti
noun
horizontas
noun
horizontas
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
horizontalus
noun
1. een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
laikrodis
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
hormonas
noun
horoskopas
/ˈɦɔrzəɫ/
noun
1. parasitaire vliegsoort
gylys
pronoun
Ozėjo knyga
noun
1. opneming in een ziekenhuis
hospitalizacija
noun
1. het vijandig zijn
priešiškumas
/hoˈtɛl/, /ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
viešbutis
/ˈɦɑʊdə(n)/
verb
1. niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen
pasilaikyti
noun
2. gedragslijn, opstelling
laikysena
/ɦɑʊ̯t/, /[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
  1. mediena
  2. medis
/ˈhɑutə(n)/
adjective
medinis
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
medkirtys
noun
1. verkoold hout
anglis
noun
1. een vogel uit de familie van snipachtigen, Scolopacidae
slanka
noun
1.
lentpjūvė
noun
1.
haubica
noun
sodininkas
pronoun
1. binnenzee in Noordoost-Canada
Hadsono įlanka
noun
1. man die zich lomp, onbehouwen en/of aanstootgevend gedraagt
chamas
noun
apsimetėlis
/hœːd/, /ɦœʏ̯t/, /ɦœːt/
noun
1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
oda
adjective
1. bij het heden behorend
dabartinis
/hœytsiktə/
noun
1. aandoening van de huid
odos liga
/hœːx/, /ɦœʏ̯χ/, /ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
liežuvėlis
/ɦœy̯lə(n)/
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
verkti
/hœːs/, /ɦœʏ̯s/, /ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
namas
noun
1. strafbepaling
namų areštas
noun
šeimininkas
/ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
naminis gyvūnėlis
noun
1. bepaald soort knaagdier dat vaak in en rond gebouwen voorkomt, Mus domesticus
naminė pelė
noun
1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
žvirblis
noun
hofmeisteris
noun
1. iemand die beroepsmatig schilderwerken aan en in gebouwen uitvoerd
dailininkas
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
šeimininkė
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
namų darbai
/ɦʏlp/
noun
1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
pagalba
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
pagalbinis veiksmažodis
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
bugienis
adjective
humaniškas
/ɦʏˈmør/
noun
mentale of emotionele toestand
nuotaika
noun
1. puree van o.m. gekookte kikkererwten
humusas
noun
humoras
/ˈɦynəbɛt/
noun
1. neolithische begraafplaats
dolmenas
/ɦʏt/
noun
3. eenvoudige behuizing op kampeerterrein/recreatiegebied
pirkia
/'ɦyr.lɪŋ/
noun
1. iemand die tegen betaling krijgsdienst verricht in vreemde dienst
samdinys
noun
1.
samdinys
/ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
santuoka
noun
3. bolgewas
hiacintas
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat Andhra Pradesh
Haidarabadas
/hi'drat/
noun
1.
hidrãtas
noun
1. een speciale uitgeruste waterkraan geplaatst ten behoeve van de brandweer
gaisrinis hidrantas
noun
hidrografija
noun
hidrologija
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
hiena
noun
higiena
noun
1.een instrument om vochtigheid van de lucht te meten
drėgmėmatis
noun
1. een verheven loflied op een bepaald onderwerp (zoals een land, God ...)
himnas
noun
1. een gekleurd en/of onderstreept tekstgedeelte dat een onderliggende verwijzing bevat
hipersaitas
noun
1. een woord dat een verzameling van verwante specifiekere woorden samenvoegt, een overkoepelende term
hiperonimas
/ˌhipəroniˈmi/
noun
1. een algemener begrip zijn ten opzichte van een bepaald voorbeeld daarvan
hiperonimija
noun
hipertermija
noun
1.
hipnozė
verb
1. het onder hypnose brengen van mensen
hipnotizuoti
noun
1. iemand die beroepsmatig anderen hypnotiseert
hipnotizuotojas
noun
1. de praktijk van het hypnotiseren
hipnotizmas
/ɦipoˈkrit/
noun
1. iemand die voordoet bepaalde waarden te huldigen, maar zich er zelf niet aan houdt
apsimetėlis
noun
1. huichelarij
veidmainystė
/ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
hipofizė
noun
1. deel van de hersenen dat een directe verbinding heeft met het hormonale systeem
pagumburis
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
ipoteka
noun
1. onderkoeling
hipotermija
noun
hipotezė
noun
1. Hyssopus officinalis, een gewas met geneeskundige kracht
isopas
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
grūdėta varškė
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
Pirėnų pusiasalis
noun
1. een vogel met een lange gebogen snavel behorend tot de familie Threskiornithidae
ibisas
noun
1.
Iboprofenas
noun
1. een iconenwand die het altaar van het schip scheidt in de Russisch-orthodoxe kerk
ikonostasas
noun
  1. 1. heiligenafbeelding, zoals vereerd in de kerken van het oosten
  2. 2.
ikona
/iˈde/
noun
1. gedachte, plan
idėja
noun
1. geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
identitetas
/idɛnti'tɛitskart/
noun
1. een identiteitsbewijs dat op een kaart gedrukt is
tapatybės kortelė
/ˌideo'ɣrɑm/
noun
1. een grafisch teken dat een voorwerp symboliseert
ideograma
/ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
ideologija
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
idioma
/idi'ot/
noun
1. iemand die een grote maat van zwakzinnigheid heeft
juokdarys
pronoun
ido
personalPronoun
1. clitische vorm van de 3e persoon enkelvoud mannelijk nominatief
jis
indefinitePronoun
1.
kiekvienas
/i.də.ˈreːn/
indefinitePronoun
1. elke persoon
visi
indefinitePronoun
kažkas
noun
1. een loofboomsoort uit het geslacht Ulmus ...
guoba
/iːr/
noun
1. inwoner van Ierland, of iemand afkomstig uit Ierland
airis
/ˈiːrlɑnd/, /ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
Airija
/iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
  1. airių
  2. airiškai
  3. airių kalba
/ˈiːrsə/
noun
airė
pronoun
1.
Airijos jūra
suffix
  1. 1. anion in submaximale oxidatietoestand
  2. 2. mineraal
itas
indefinitePronoun
1. een of ander ding
kažkas
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
tuštybė
/ɛɪ̯s/, /ɛːs/
noun
  1. 1. de vaste vorm van water, bevroren water
  2. 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
ledas
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
baltasis lokys
noun
1. een zeer groot brok ijs dat in de zee drijft
ledkalnis
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
ledlaužis
noun
1. bepaald soort vogel Gavia immer
ledinis naras
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
ledo ritulys
/ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
ledai
noun
1.
varveklis
/ˈɛɪ̯slɑnd/, /ˈɛɪ̯slɑnt/, /ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
Islandija
/ˈɛɪ̯sˌlɑndər/, /ˈɛːsˌlɑndər/
noun
1. inwoner van IJsland
islandas
/ˈɛɪ̯slɑnds/, /ˈɛɪ̯slɑnts/, /ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
  1. islandų
  2. islandiškai
noun
1. priemvormig stuk ijs dat ergens aan hangt, en ontstaat door aanvriezend smeltwater
varveklis
noun
1.een theevariant
šalta arbata
/ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
tulžys
/ɛɪvərˈzʏxtɪx/
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
budrus
/ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
geležis
noun
geležies rūda
noun
vaistinė verbena
noun
geležies amžius
noun
1. eenvoudige handelswaren gemaakt van metaal
aparatūra
personalPronoun
1.
aš
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
aš tave myliu
adjective
1. in weerwil van de wet
neteisėtas
noun
iliuzija
/ˌimiˈtasi/, /ˌimiˈtatsi/
noun
1. nabootsing
imitacija
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
bitininkas
/ˈɪmiɣrɑnt/
noun
imigrantas
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
imigracija
noun
1. onroerend goed, zoals gebouwen
nekilnojamasis turtas
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
impedansas
noun
imperializmas
noun
imperialistas
/ɪmˈperijʏm/
noun
imperija
noun
1. een stof, voorwerp, toestel etc. dat in een lichaam wordt aangebracht
implantas
verb
importúoti
noun
įspūdis
noun
1. een in Duitsland wettelijk verplichte verklaring van het eigenaar- en auteurschap van een document. Het dient in alle in Duitsland of in andere Duitstalige landen gepubliceerde boeken, kranten, tijdschriften en websites aanwezig te zijn
įspausti
noun
1. ter plekke verbeterde versie van een muziekstuk, voorlezing enz.
improvizacija
/ɪmˈpʏls/
noun
2. product van massa en snelheid
judesio kiekis
preposition
  1. 1.-12. in (ruimtelijk)
  2. 2. in (tijdelijk)
madingas
phraseologicalUnit
1. in een omgeving waar weinig gepresteerd wordt...
klųjų šalyje viena akim regintis – jau karalius
/ˌɪnʌʊɣyˈratsi/
noun
1. de feestelijke of plechtige inwijding in een ambt
inauguracija
/ɪmbɪndə/
verb
  1. 1. door stevige omwikkeling bijeenhouden
  2. 2. losse geschriften tot een enkel boekwerk verwerken
rišti
noun
1. het karakter van iemand (wat iemand in het diepst van zijn hart eigenlijk is)
bū̃das
noun
kraujomaiša
preposition
1. met inbegrip van
įskaitant
/ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
Indija
noun
1. de vorm van het werkwoord die de werkelijkheid aangeeft
tiesioginė nuosaka
conjunction
1. onder de voorwaarde dat
jei
/ˈɪndis/
adjective
2. op India betrekking hebbend of daarvan afkomstig
indėnų
/ˌɪndisəˌosiˈan/, /ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
Indijos vandenynas
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
indis
/ˌɪndiviˈdy/
noun
  1. 1. een enkele persoon in het bijzonder
  2. 2. met negatieve bijbetekenis persoon
individas
noun
indas
noun
indoktrinacija
/ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
  1. indoneziečių
  2. indoneziškai
/ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Indonezija
/ˈɪndrʌk/
verb
įspūdis
noun
induktyvumas
noun
  1. 1. gevolgtrekking
  2. 2. het opgang komen van een ontwikkeling door beïnvloeding door een ander deel
  3. 3. de beïnvloedende werking op andere mensen
  4. 4. het redeneren uitgaande van de afwijking
  5. 7. spanningsopwekking in geleider
  6. 5. bewijsvoering uitgaande van typende gevallen
indukcija
verb
1. ergens binnengaan
nardymas
noun
1. Nijverheid
pramonė
noun
1.
eidukas
/ɪnfɛk'terən/
verb
užkrėsti
noun
1. een besmetting van lichaamsweefsel met ziekteverwekkers als bacteriën, virussen, schimmels of...
infekcija
verb
infiltruoti
/ɪɱfinitif/
noun
1. het hele werkwoord
bendratis
noun
1. stijging van het prijspeil waardoor het geld in waarde daalt
infliacija
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
informatika
noun
1.
informacija
noun
1.
informacinė sistema
verb
1. inlichten
informuoti
/ˈɪɱfrastrʏktyr/
noun
1. het totaal van onroerende voorzieningen zoals (spoor)wegen, vliegvelden,...
infrastruktūra
noun
2. een opening waar iets doorheen kan
įėjimas
/ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
inžinierius
noun
2. verzamelnaam voor de inwendige organen van het darmkanaal
žarnynas
adjective
1. niet eenvoudig en zeer samengesteld
sudėtingas
noun
1. de mate waarin iets complex is
sudėtingumas
adjective
1. onlosmakelijk verbonden
būdingas
/ˈɪnhɑut/
noun
  1. 1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
    turinys
  2. 2. ruimtelijke capaciteit
    tūris
noun
1. overzicht van de onderwerpen of hoofdstukken in een boek
turinys
noun
iniciacija
noun
švirkštas
verb
3.
greitasis
noun
1. regelmatig verkregen som geld
pajamos
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
rašalas
/ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
rašalinė
/ˈɪŋktfɪs/
noun
1. een koppotig weekdier met vangarmen dat een inktachtig vocht afscheidt ter verdediging
aštuonkojis
/ˈɪnlɛɪdɪŋ/, /ˈɪnlɛːdɪŋ/
noun
1. een tekst waarmee men een indruk probeert te geven van de inhoud van een langere tekst
įvadas
verb
1. opheldering geven
informuoti
/ˈɪnlɛɪvə(n)/
verb
2. het toe-eigenen van een grondgebied
aneksuoti
verb
1. binnengaan en in bezit nemen
pagrobti
/ˈɪmpɑkə(n)/
verb
2. in een omhulsel doen
pakuoti
verb
1. een diafilm in een diaraampje plaatsen zodat ze met een diaprojector vertoond kan worden
kadras
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
vabzdys
/ˈɪnslapə(n)/
verb
1. in slapende toestand geraken
užmigti
adjective
1. onbeschaamd, grof, brutaal
akiplėšiškas
noun
akiplėšiškumas
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
pastanga
noun
inspektorius
verb
  1. 1. de formele aanvang van een officiële functie
  2. 2. het invoeren en gebruiksklaar maker van een computerprogramma
  3. 3. het aanleggen van een installatie
atsisiųsti
noun
1. gedrag dat geheel genetisch bepaald is
instinktas
verb
1. zwichten voor de zwaartekracht
grūtis
noun
  1. 2. verkort voor muziekinstrument
    instrumentas
  2. 1. werktuig
    1. prietaisas
    2. įrankis
adjective
instrumentinis
/ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
insulinas
noun
1. een epileptische aanval, een toeval
priepuolis
/ɪntəˈɣra(t)si/
noun
integracija
/ɪntɛli'xɛnt/
adjective
1. met een goed verstand of daarvan blijk gevend
protingas
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
inteligencija
noun
1.
inteligentija
adjective
1. wekt interesse
įdomus
adverb
1. onderstreept dat het gezegde opmerkelijk is.
įdomiai
noun
  1. 1. belang
  2. 2. belangstelling
  3. 3. iets waar belangstelling voor is
domėjimasis
verb
1. nieuwsgierig maken
dominti
noun
palūkanos
noun
interfeisas
/ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
tarptautinis
pronoun
Tarptautinis valiutos fondas
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
internetas
/'ɪntɛrpɵŋktsi/
noun
skyryba
noun
  1. 1. tussenperiode
  2. 3. de afstand tussen twee verschillende tonen
tarpas
noun
1. vraaggesprek met iemand over diens opvattingen en ervaringen
interviu
/ɪntimi'dɪːrə(n)/
verb
1. iemands gedrag beïnvloeden door hem angst aan te jagen
įbauginti
noun
tonusas
verb
daužti
noun
  1. 2.
  2. 3.
intriga
/ɪntroˈdʏksi/
noun
de presentatie van iets nieuws, of de inleiding van een nieuwkomer
įvadas
noun
savistaba
adjective
intravertiškas
noun
1. invasie
invazija
noun
1.
neįgalumas
noun
invazija
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
investicija
/ˈɪnvluːt/
noun
  1. 1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
  2. 2. het vermogen om op anderen in te werken
įtaka
/ˈɪnvurə(n)/
verb
2. gegevens in een electronisch apparaat stoppen
importúoti
noun
1.
imigrantas
noun
1. immigratie
imigracija
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ijo
/jɔn/
noun
jonas
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Zuid-Italië en West-Griekenland
Jonijos jūra
noun
jonosfera
/i'peʔadrɛs/
noun
1. een combinatie van getallen waarmee een computer in een IP-netwerk kan worden herkend
IP adresas
pronoun
1.
iraniečių
/i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
Irakas
/i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
Iranas
noun
iranietis
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
iridis
noun
  1. 1. orgaan in het oog van vele organismen
  2. 2. benaming voor planten uit het geslacht Iris
rainelė
/ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
ironija
/ˌɪ.ri.ˈɣa.si/, /ˌɪ.ri.ˈχa.tsi/
noun
1. het op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien
drėkinimas
verb
1. op onaangename wijze prikkelen
dirginti
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
islamas
pronoun
Islamabadas
noun
1. ruimtelijke afzondering
atskyrimas
noun
izoliatorius
adjective
1. bij constante temperatuur
izoterminis
noun
1. een verzameling punten constante temperatuur gemeten of waar de temperatuur dezelfde waarde heeft
izotermė
noun
izotopas
/ˈɪs.ra.hɛl/, /ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
Izraelis
noun
1. een smalle strook land die twee grotere landmassa's verbindt
sąsmauka
/italiˈjaːn/
noun
1. een persoon die uit Italië komt
italas
/italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
  1. itališkas
  2. italų
/italiˈjaːnsə/
noun
1. vrouwelijke persoon die uit Italië komt
italas
/iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
Italija
noun
dramblio kaulas
/i.ˈvoːr.kʏs/, /i.ˈvoːr.kʏst/, /i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
Dramblio Kaulo Krantas
pronoun
. spelwoord voor de letter i
Izaõkas
/jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
taip
/jaː/
interjection
1. kreet van opwinding
taip
/ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
metai
/ˈjar.ɣə.ˌtɛɪ̯.də/, /ˈjar.ɣə.ˌtɛː.də/, /ˈjar.χə.ˌtɛɪ̯.də/
noun
1. een deel van een jaar met unieke eigenschappen
metų laikas
/jɑxt/
noun
  1. 3. een snel vaartuig
    jachta
  2. 1. het achtervolgen van wild
    medžioklė
noun
1. zeer snel, betrekkelijk groot Afrikaans katachtig roofdier, Acinonyx jubatus
gepardas
noun
gevechtsvliegtuig
naikintuvas
/ˈjaːɣə(n)/
verb
1. bewegende wezens proberen te vangen
medžioti
noun
1. iemand die op jacht gaat
medžiotojas
noun
medžiotojas-rankiotojas
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
jaguaras
noun
jakas
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
šakalas
noun
3. plant
mėlynasis palemonas
noun
1. benaming voor bepaald soort mosselachtig schelpdier
Šukutės
/jaˈkobʏs/
pronoun
Jokūbo laiškas
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
įtarus
/ʃɛm/
noun
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
uogienė
/(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Jamaika
noun
jámbas
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noorden van het land. Hoofdsteden zijn Srinagar (tijdens de zomer) en Jammu (tijdens de winter)
Džamu ir Kašmyras
/jɑn/
pronoun
. spelwoord voor de letter j
Jonas
noun
plebsas
/jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
sausis
pronoun
  1. 2. Romeinse god
  2. 3. maan
Janas
/jaˈpɑn/, /jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
Japonija
noun
japonas
/jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
japoniškas
/jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
  1. japonų
  2. japoniškai
pronoun
1. taalfamilie van Japans en een tiental verwante talen die in Japan worden gesproken
Japonų kalbos
noun
1.
striukė
noun
jaspis
/jə/
possessivePronoun
1. tweede persoon enkelvoud onbenadrukte vorm van jouw
tavo
/jeˈhova/
pronoun
Jehova
/ˈjemən/, /ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
Jemenas
pronoun
1. en 2.
Jėna
noun
1. Juniperus communis
kadagys
pronoun
  1. Jeremijo knyga
  2. Jeremijas
pronoun
Džersis
pronoun
Izaijo knyga
/dʒɛt/
noun
1. een straalvliegtuig
sueiti
/ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
jaunystė
adjective
1. jong, fris, onbevangen
jaunas
/ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Jėzus
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Jėzus Kristus
/je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
jėzuitas
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
Džarkandas
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
podagra
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
žydų
adjective
1. taal van Asjkenazische joden
Jidiš
noun
džihadas
/jEi/, /jɛɪ̯/, /jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
tu
noun
1.
dzingsėti
/'jɔb/
pronoun
  1. Jobas
  2. Jobo knyga
/ˈjodələ(n)/
verb
1. zingen met een snelle wisseling van borst- naar keelstem
jodliavimas
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
jodas
pronoun
Jugoslavija
pronoun
2.1 een van de vier Evangeliën
Jonas
/joˈna/
pronoun
Jona
adjective
1. van geringe leeftijd
jaunas
noun
1. onvolwassen man
berniukas
noun
1. jonge (ongehuwde) man
bakalauras
/jɔŋˈle.rə(n)/
verb
žongliravimas
/jot/
noun
žydas
noun
1. element jodium
jodas
adjective
1. te maken hebbend met het joodse geloof, het jodendom
žydiškas
/jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
Jordanija
/jɑu̯/
personalPronoun
tave
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
žurnalistas
noun
žurnalistas
/jɑu̯/
possessivePronoun
1.
tavo
/joˈʔel/
pronoun
  1. Joelio knyga
  2. Joelis
noun
1. feestelijke herdenking van de dag waarop iets gebeurde of begon
jubiliẽjus
pronoun
2. boek in de Bijbel
Judo laiškas
noun
1. vriendelijk gebaar van een iemand die veinst een vriend te zijn, kort voordat zijn ware bedoelingen duidelijk worden
Judo bučinys
/'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
dziudo
/jʏˈfrɑu/
noun
panelė
adjective
1. zoals het moet, waar
teisingas
noun
1. houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten verbindt
jungas
/jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
liepa
/ˈjʏli/
personalPronoun
1.
jūs
noun
1.
džemperis
noun
džiunglės
noun
1. de zesde maand van het jaar
birželis
noun
1. groep hoge militairen die samen de baas zijn over het bestuur van een land
chunta
/ˈjypiˌtɛr/
pronoun
Jupiteris
adjective
1. betrekking hebbend op het recht en de rechtsleer
juridinis
/jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
suknelė
noun
1. saus voor spijzen, bereid uit vleesnat
padažas
adjective
de bastvezels
džiutas
noun
1. sieraad van grote schoonheid en hoge waarde
brangakmenis
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
juvelyras
noun
prieplauka
pronoun
Kaimãnai
noun
1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
žandikaulis
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
stabligė
noun
1. klap in het gelaat
antausis
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
plikas
noun
1. een in zee vooruitstekende landpunt
kyšulys
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Arkonos kyšulys
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
Keiptaunas
/kab.ˈvɛr.di.jə/, /kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Žaliasis Kyšulys
/kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
žvakė
noun
nog in te delen vertalingen
žemėlapis
noun
2. papier(tje) of digitaal document als bewijs dat je ergens recht op hebt, zoals toegang of deelname
bilietas
/kartspɛl/
noun
  1. 1. een spel met speelkaarten
    kortos
  2. 2. een spel kaarten
    kortų žaidimai
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
sūris
/ˈkasfɔndy/
noun
1. een gerecht waarbij etenswaren in een saus van kaas gedompeld worden
fondiu
noun
dedešva
/'kɑbələ(n)/
verb
1. zacht stromen en geluid maken
babaliuoti
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
kabelis
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
menkė
noun
kabinetas
/'kabul/
pronoun
1. Afghaanse stad/provincie
Kabulas
noun
1. sprookjesfiguur
gnomas
/ˈkɑ.xəl/, /ˈkɑ.xəɫ/, /ˈkɑ.χɔɫ/
noun
1. een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
šildytuvas
pronoun
1. Tibeto-Birmaanse taal gesproken door 900 duizend mensen in Myanmar
kačinai
/ˈkɑxtəl/, /ˈkɑxtəɫ/, /ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
kumeliukas
noun
1. beschoeide of gemetselde oeverstrook waaraan de schepen kunnen aanleggen
prieplauka
noun
1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
infratruktūra
noun
1. een gesloten kano om in wild water of op zee te varen
kajakas
verb
šikti
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
tarakonas
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
kalendorius
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
veršiukas
noun
veršiena
noun
kalifas
noun
kalifatas
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
kalis
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
kalakutas
noun
klintis
noun
1.
kaligrafija
/kɑlm/
adjective
1. weinig in beroering, zonder opwinding
ramus
/ˈkɑlmus/, /ˈkɑɫmus/
noun
ajeras
noun
ramybė
/kɑm/
noun
1. getand object om haren mee te verzorgen
šukos
/kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
kupranugaris
noun
kupranugarininkystė
/ka'melejɔn/
noun
  1. 1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
  2. 2. veranderlijk persoon
chameleonas
noun
1. deel van een huis
kambarys
noun
draugas
noun
1. een lange huisjas
chalatas
noun
kamerinė muzika
/ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
Kamerūnas
noun
kamparas
noun
1. elk van de planten van het geslacht Matricaria
ramunėlė
noun
1. mannenvest met lange mouwen en diepe zakken
palaidinė
/kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
šukuoti
noun
  1. 1. een plaats waar een aantal troepen geruime tijd of permanent gehuisvest zijn
  2. 2. een kampeerplaats met een groep van bij elkaar horende tenten
stovykla
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
sausmedis
/kɑmpiun/
noun
1. de winnaar van een kampioenschap
čempionas
noun
1. wedstrijd waar bepaald wordt wie de kampioenstitel mag dragen
čempionatas
noun
1. plaats waar een wedstrijd plaatsvindt
arena
noun
2. iemand die voor een bepaalde zaak of persoon zich inzet
kovotoja
noun
1. serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
ąsotis
pronoun
Lamanšas
/ka'naːl/
noun
kanalas
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
kanarėlė
pronoun
1. een stad gelegen in Zuid-Afghanistan en de hoofdstad van de gelijknamige provincie
Kandaharas
noun
žvakidė
/kɑndiˈdat/
noun
  1. 1. iemand die zich verkiesbaar gesteld heeft voor een politiek ambt
  2. 2. iemand die zich beschikbaar gesteld heeft voor een baan of functie
kandidatas
noun
1.
kandidatas
/kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
cinamonas
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
kengūra
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
vėžys
pronoun
1. taal die in de Indische staat Karnataka gesproken wordt
kanadų kalba
noun
1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
kanibalas
noun
kanoe
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
patranka
noun
  1. 1. mogelijkheid dat er iets gaat gebeuren
  2. 2. een mooie gelegenheid
galėjimas
noun
1. een kerkelijk, meestal verhoogd, meubelstuk waarvanaf de voorganger in de dienst zijn preek uitspreekt
sakykla
noun
  1. 1. eerste minister
  2. 2. hoofd van een kanselarij
kancleris
/kɑnt/
noun
3. zijde
pùsė
noun
1. eetgelegenheid in bedrijven, scholen, verenigingen
valgykla
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
biuras
noun
1. klein kerkgebouw
koplyčia
noun
1. onverwerkt hout, gevelde bomen
mediena
noun
1.
kapitelis
noun
  1. 1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
  2. 2. (beroep) (militair) een rang in de hiërarchie net boven die van luitenant
kapitonas
noun
1.
skyrius
/'kɑpmɛs/
noun
1. stevig mes
mačetė
noun
romytas gaidys
noun
kirpėjas
/'kɑ.pər.tʲə/
noun
2. klein groen bloemknopje van de kappertjesplant, Capparis spinosa, dat meestal op zuur bewaard wordt en dat als kruiderij gebruikt wordt
kaparis
/kɑpsɛɪ̯zə(n)/, /kɑpsɛːzə(n)/
verb
1. ondersteboven komen liggen
apversti
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
kirpimas
noun
kirpė́ja
noun
1. voertuig
ratai
noun
  1. 1. aard
  2. 2. letter
bū̃das
noun
1. gebrande suiker
karamelė
noun
1. vorm van vermaak, waarbij muziek wordt afgespeeld van een lied, en de amateur zanger in een microfoon de tekst (die op een televisiescherm te lezen is) live zingt
karaokė
noun
1. japanse gevechtsport
karatė̃
noun
1.
karavanas
/kɑrboˈnadə/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
kotletai
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bubalis bubalis
vandeninis buivolas
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
kardinolas
pronoun
1. een aan het Fins verwante taal die wordt gesproken in Karelië, Rusland en Finland
  1. kareliškai
  2. karelų
/kɑˈrelɪə/
pronoun
1. deel van Rusland
Karelija
pronoun
1.
Karintija
pronoun
1., 2. en 3.
  1. Karlovi Varai
  2. Karlsbadas
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het zuiden van het land
Karnataka
noun
1. gefermenteerde melk
pasukos
pronoun
Karpatai
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
karpis
noun
gaubtinė žarna
/kɑrˈtɔn/
noun
1. bordpapier
kartonas
noun
karavelė
noun
plant, zaad en specerij
kmynas
/'kɑs/
noun
3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...
šiltnamis
pronoun
Kašmyras
noun
1.
kultinis serialas
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
Kaspijos jūra
noun
1. iemand die het beheer heeft over de kas en de mutaties ervan bijhoudt
kasininkas
noun
1. film of uitvoering die alle verwachtingen overtreft wat betreft de opkomst van publiek
daužti
/kɑs/, /kɑst/
noun
1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
spinta
noun
  1. 1. de boom
  2. 1. de vrucht
kaštainis
adjective
rudas
noun
1. streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
kasta
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
pilis
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
katė
noun
1. geheel van de afbraakprocessen in een lichaam
katabolizmas
noun
2. afzonderlijk karakter uit het Japans lettergreepschrift voor leenwoorden
katakana
noun
  1. 1. belegeringswapen
  2. 3. lanceerinrichting voor vliegtuigen
katapulta
noun
2. gevolgen van alcoholgebruik
pagirios
/kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
katedra
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
kateteris
noun
1-2 scheikunde + elektronica
katodas
noun
katijonas
/kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
medvilnė
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
skridinys
noun
katžolė
pronoun
1. gebergte
Kaukasas
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
kuosa
verb
kramtyti
noun
1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
kramtomoji guma
noun
ikrai
noun
1. inwoner van Kazachstan
kazachas
pronoun
1. een taal die van oorsprong door de Kazachen in Kazachstan gesproken werd
kazachiškas
noun
vrouwelijke inwoner van Kazachstan
kazachė
/ˈka.zɑx.stɑn/, /ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
  1. Kazachstanas
  2. Kazachija
noun
1. inwoner van Kazachstan
kazachas
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
abitas
/keːl/
noun
  1. 1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
  2. heraldiek
gerklė
/keːp/
noun
2. kleurrijke vinkensoort
šiaurinis kikilis
/ˈkipər/
noun
vartininkas
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
kartas
noun
atogrąža
/ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
kūgis
noun
boulingas
noun
1. een kromme gevormd door het snijden van een kegel met een plat vlak
kūgio pjūvis
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
imperatorius
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
imperatorė
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
imperija
noun
1. operatieve verlossing
cezario pjūvis
noun
1. een ondergrondse bergruimte
rūsys
noun
padavėjas
/kɛɫt/
noun
1. lid van een Indo-Europees volk waarvan na de Romeinse tijd de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
keltas
noun
1. bepaald soort vogel, Calidris pugnax
gaidukas
/ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
Kenija
verb
  1. 1. bekend, vertrouwd zijn met
  2. 2. door studie of oefening geleerd hebben
patirti
/ˈkɛnɪs/
noun
  1. 1. wat je weet of hebt geleerd
    žinios
  2. 1. iemand met wie men bekend is
    pažįstama
noun
1.
kentauras
pronoun
1. een Indiase deelstaat die in het zuiden van het land ligt met Trivandrum als hoofdstad
Kerala
noun
keramika
/kɛrk/
noun
  1. 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
  2. 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
  3. 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
bažnyčia
noun
1. bijeenkomst van een christelijke gemeente waarin God vereerd wordt
pamaldos
noun
1. terrein waar overledenen begraven worden
kapinės
/ˈkɛrgœːl/, /ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
liepsnotoji pelėda
noun
1.
prelatas
noun
1. energie geproduceerd door kernfusie of kernsplijting, waarmee in een kerncentrale elektriciteit wordt opgewekt
branduolinė energija
noun
1. het proces waarbij twee atoomkernen botsen en één zwaardere kern vormen waarbij energie vrij komt
branduolių sąlaja
noun
1. een oorlog waarin beide strijdende partijen kernwapens gebruiken
branduolinis karas
noun
branduolinis reaktorius
noun
branduolinis ginklas
noun
1. een vrij zware fractie alkanen die met name als vliegtuigbrandstof gebruikt wordt
žibalas
noun
specerij
karis
noun
1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
vyšnia
/ˈkɛr.sə.ˌlaːr/
noun
  1. 2. het hout van een boom uit het geslacht Prunus
  2. 1. een boom uit het geslacht Prunus
vyšnia
noun
1. benaming voor bomen waaraan kleine ronde vruchten groeien, uit het ondergeslacht Prunus subg. Cerasus
vyšnia
/kɛr.ˈsta.vɔnt/, /kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
Kūčių vakaras
/ˈkɛrsd.bom/, /ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
  1. Kalėdų eglutė
  2. kalėdų eglutė
/ˈkɛrs(t)məs/, /ˈkɛrsmɪs/, /ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
Kalėdos
noun
1. een saus op basis van tomaten
kečupas
noun
1. meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
garo katilas
/ˈke.təl.dɑl/, /ˈke.təɫ.dɑɫ/, /ˈkeː.təl.dɑl/
noun
1. een half cirkelvormige vallei gevormd door de erosie die een gletsjer veroorzaakt
kara
noun
1. uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
grandinė
noun
1. een Indonesische sojasaus gemaakt van een mengsel van sojabonenmeel, grof gemalen tarwe, kruiden en zout
sojų padažas
noun
1. iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
eretikas
/ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
erezija
noun
4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
karoliai
/ˈkøːkə(n)/
noun
  1. 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
  2. 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
virtuvė
pronoun
Kelnas
verb
1.zich een oordeel vormen over de waarde of deugdelijkheid van iets
apklausti
noun
kurfiurstas
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
optacija
/ˈkevər/, /ˈkɛvər/
noun
1. bepaald insect
vabalas
/ˈkɪbuts/
noun
kibucas
noun
1.1 benaming voor roofvogels uit het geslacht Circus
lingė
noun
1. verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip
kilis
noun
1. het weefsel in de zaden van zaadplanten, dat vaak een rol speelt bij de opslag van reservestoffen ten behoeve van de kieming, de groei van het embryo en van de jonge plant
endosperma
adjective
1. een vrij grote tand die achter in de mond staat
krūminis
noun
1. pijn in één of meerdere kiezen
dantų skausmas
verb
1. het prikkelen van gevoelige stukken huid bij anderen door middel van licht aanraken
kutenti
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kijevas
noun
pempė
verb
1. uit meerdere mogelijkheden één nemen
išrinkti
/'kiɡəl/
noun
1.
kugelis
verb
žiūrėti
noun
1. iemand die kijkt
žiūrovas
noun
1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
varlė
noun
1. legsel
kurkulai
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
  1. avinžirniai
  2. sėjamasis avinžirnis
noun
1. kikker- of paddenlarve
buožgalvis
abbreviation
1. kilogram
kilogramas
noun
1. duizend meter
kilometras
noun
1. meetinstrument dat de totaal afgelegde afstand in kilometers aangeeft
odometras
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
smakras
noun
  1. 1. mens tussen 0 en 18 jaar
  2. 2. persoon voortkomend uit
vaikas
adjective
1. zich niet als volwassene gedragend alsof men nog een kind is
vaikiškas
noun
1.
ateinanti auklė
noun
  1. 1. ziekte bij kinderen
  2. 2. fout, tekortkoming bij een nieuw voorwerp, project of plan
vaikų liga
noun
chininas
/kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
kokliušas
noun
1. klein vrijstaand winkeltje waar men snoep, koffie, kranten en tijdschriften kan kopen
kioskas
/kɪp/
noun
1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
višta
/kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
Kirgizija
/ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Kiribatis
/kɪst/
noun
dėžė
noun
1. schijnkunst die niet aanslaat met veel versieringen en/of de verkeerde materialen waarvan de meeste mensen denken dat het wansmaak is
kičas
noun
2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
kivi
pronoun
Raudų knyga
/klaːr/
adjective
  1. 2. helder, duidelijk
    aiškus
  2. 1. in staat van gereedheid gebracht, gereed
    paruoštas
verb
1. voorbereiden
ruošti
noun
1. een aanklacht
skundas
adjective
1. een beetje vochtig aanvoelend
drėgnas
noun
1. in het algemeen wordt hiermee het totaal aan eigenschappen van een geluid aangeduid
gar̃sas
noun
korpusas
noun
fonetika
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
klientas
noun
1. plotselinge, luidruchtige slag
pyst
verb
1. applaudisseren
paploti
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
aguona
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
klarnetas
/klɑs/
noun
  1. 1. een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
  2. 3. een klaslokaal
klasė
noun
1. een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
klasė
noun
klasė
/klʌu/
noun
  1. 1. poot van een roofdier
  2. 2. hand
nagas
noun
1. langwerpig vierkant toetsinstrument dat behoort tot de muzikale familie van de toetsinstrumenten.
klavikordas
noun
1. toetsinstrument
klavesinas
noun
dobilas
noun
1. kaartkleur
gilės
noun
1. langwerpig vierkant toetsinstrument dat behoort tot de muzikale familie van de toetsinstrumenten.
klavikordas
verb
1. kleren aandoen
aprengti
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
apranga
noun
siuvėja
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
siuvėja
/klɛɪ̯/, /klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
molis
adjective
1. van geringe grootte
mažas
noun
paprastoji žilė
pronoun
Mažoji Azija
/ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
anūkė
noun
1. bepaald soort meeuw, Larus glaucoides
mažasis poliarinis kiras
noun
1.
silkinis kiras
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Cobitis taenia
kirtiklis
noun
1. de handel die tatbare producten direct aan consumenten verkoopt
mažmeninė prekyba
/ˈklɛːŋkɪnt/, /ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
anūkas
noun
1. klein voorwerp van hoge waarde
brangenybė
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
anūkas
/ˈkleː.rən/
noun
1. kleding of kledingstukken
apranga
verb
2. praten, babbelen
babaliuoti
/kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
spalva
noun
spalvotas pieštukas
verb
priklijúoti
noun
klika
noun
2. orgaan
liauka
noun
1. steile hoge rots
klifas
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
klimatas
noun
1.
klimato kaita
noun
1. de verandering van het klimaat in een bepaald gebied over een bepaalde periode, m.n. de wereldwijde opwarming sinds de 19e eeuw
klimato kaita
/klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
klimatologija
verb
1. het bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
lipti
/'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
gebenė
noun
1.
ašmenys
verb
1. een kort, zacht, helder geluid dat ontstaat als metalen of glazen voorwerpen herhaaldelijk tegen elkaar aanstoten
skambutis
noun
1. een inrichting waar patiënten worden verpleegd
klinika
/klɪŋk/
noun
1. handvat om de deur te openen of te sluiten
rankena
verb
1. een bepaalde klank voortbrengen
skambėti
/ˈklɪŋkər/
noun
1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
balsis
noun
balsių harmonija
noun
menkė
noun
1., 2. plant met kleverige bloemknoppen
varnalėša
noun
  1. 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
    1. laikrodis
    2. chronometras
    3. marmūzė
    4. spidometras
    5. taksometras
  2. 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
    varpas
/ˈklɔkɦœs/, /ˈklɔkɦœʏs/
noun
1. binnenste van een vrucht
šerdis
noun
katilėlis
/klɔmp/
noun
1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
klumpė
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
kanjonas
/klon/
noun
1. een levend wezen dat een exacte genetische kopie is van een ander wezen
klevas
/klostər/
noun
  1. 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
  2. 2. een kloostergemeenschap als zodanig
vienuolynas
noun
1.
poltergeistas
verb
    1. 1. tegen iets slaan
    2. 2. hoorbaar bewegen
    belsti
  1. 5. verslaan
    mušti
noun
  1. 2. lachwekkend voorval
  2. 3. schijnvertoning
  3. 1. toneelstuk
farsas
/klœʏs/, /klœːs/
noun
1. een tegen inbraak en brand beveiligde kist of kast
seifas
/ˈknaxdiːr/, /ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
graužikas
verb
1. met de tanden aanvreten
įsikąsti
verb
1. een hard geluid of knal geven
pyst
noun
duslintuvas
noun
1.
tvarkingùmas
verb
1. de kaken op elkaar geklemd over elkaar bewegen, gewoonlijk uit ergernis of frustratie
griežinti
noun
1. iemand die in dienst is van met name een boer
gerutis
verb
1. een massa soepel maken door er steeds in te knijpen
minkyti
noun
1. bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
čivylis
noun
1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
kelis
noun
1. een ouderwetse bril die op de neus geknepen werd gedragen
pensnė
verb
1. tussen twee punten druk uitoefenen
žnaibyti
/'knɪkə(n)/
verb
1. een verticale beweging met het hoofd maken
linktelėti
verb
  1. 1. met een schaar uitsnijden
  2. 3. (informatica) overnemen van informatie
kirpti
verb
1. een licht knetterend geluid maken
traškėti
noun
1.
antauga
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
  1. valgomasis česnakas
  2. česnakas
verb
1. vechten
kovoti
noun
2. koolraap, een eetbare wortel van een plant uit het geslacht Brassica.
ropė
noun
ropė
noun
    1. 1. in een draad
    2. 2. snelheidsmaat
    mazgas
  1. 3. aan een jas e.d.
    saga
noun
2. het punt waar twee rechte stukken van een open of gesloten veelhoek bij elkaar komen
viršugalvis
verb
1. een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
rišti
noun
kuoka
noun
1. omhelzing
apkabinimas
verb
1. omhelzen
apkabinti
noun
1. een Australisch buideldier
koala
noun
1.
koala
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
kobaltas
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
voras
noun
1. Ursus arctos middendorffi, de grootste beer en het grootste bekende landroofdier
kadjakinis rudasis lokys
noun
1. vrouwelijk rund
  1. karvė
  2. kárvė
noun
1. koe
karvė
/'kuɡəl/
noun
1.
kugelis
noun
pyragas
noun
1. een platte pan met een lang handvat
keptuvė
/[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
biskvitas
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
gegutė
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
šaldytuvas
noun
1. koelvloeistof
aušinimo skystis
noun
kumysas
noun
1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
kupolas
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
  1. kurdiškai
  2. Kurdiškai
noun
1. kleine witte reigersoort
ibiškasis garnys
noun
vadovavimas
noun
1. overdekte ruimte waarin koeien kunnen verblijven
laidaras
/ˌku.tər.ˈʋaːls/
noun
1. aanduiding voor een onverstaanbare taal
svaičiojimas
noun
1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
karieta
noun
1. stevige metalen stang voorzien van een gespleten einde, gebruikt om er zaken mee open te breken
dalba
/ˈkuwɛɪ̯t/, /ˈkuʋɛɪ̯t/, /ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
Kuveitas
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
lagaminas
noun
1. het gedeelte van een auto waar de bagage in geplaatst wordt
bagažinė
noun
1. drank uit koffiebonen
kava
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
kafejnīca
noun
1. een huishoudelijk apparaat waarin koffiebonen kunnen worden gemalen
kavamalė
noun
kavamedis
noun
1-2. munitie
kulka
noun
1. benaming voor zeevissen uit het geslacht Tetraodontidae
keturdantės ežiažuvės
noun
  1. kokas
  2. virėjas
verb
  1. 1. vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
  2. 2. met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
virti
noun
2. een keukenapparaat waarin iets kan gekookt worden
Kocheris
noun
1. bepaald soort zeevogel met een gekleurde kop en een lachende roep, Chroicocephalus ridibundus
rudagalvis kiras
/ˈko.kɔsˌbom/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
riešutinė kokospalmė
/ˈko.kɔsˌmɛlk/, /ˈko.kɔsˌmɛɫk/
noun
1. vocht verkregen door het kiemwit van een kokosnoot met water te vermengen en uit te knijpen
kokoso pienas
/'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
kokosas
/ˈko.kɔsˌpɑlm/, /ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
riešutinė kokospalmė
noun
kolūkis
noun
1. ganzensoort
baltakaktė žąsis
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
kolibris
noun
kolona
noun
1. een hoge militaire rang
pulkininkas
noun
1. een rang in het Pruisische leger, het Duitse keizerlijke leger en de Wehrmacht, het leger van nazi-Duitsland
generolas pulkininkas
/'kolonijaˌlismə/
noun
1.
kolonializmas
/koˈloni/
noun
1. een vestiging van een deel van een bevolking, buiten het eigenlijke territorium van dat volk
kolonija
verb
1. koloniën vormen
kolonizuoti
pronoun
Laiškas kolosiečiams
noun
1. eetgerei zoals een bord, maar dan dieper
dubuo
/koˈmedi/
noun
1. een blijspel
juokažaislė
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
kometa
verb
1. bewegen van verder weg naar dichterbij
ateiti
noun
plant, zaden en specerij
kuminas
/kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
agurkas
/ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
kablelis
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
kompasas
noun
gimimas
/kɔˈnɛɪn/, /kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
triušis
/ˈkonɪŋ/, /ˈkoːnɪŋ/
noun
  1. 1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
  2. 2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
karalius
pronoun
Karalių knyga
/konɪˈŋɣɪn/, /konɪˈŋɪn/, /koʊnɪˈŋɪn/
noun
karalienė
pronoun
1. een stad in het voormalige Oost-Pruisen
Karaliaučius
/ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
karališkas
/ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
karalystė
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Konstancas
noun
1. de billen, het achterwerk
šikna
noun
1. anus
šiknaskylė
/koːɪ/
noun
1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
narvas
noun
boek waaruit men leert koken
patiekalų knyga
noun
  1. 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
    anglis
  2. 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
    kopūstas
noun
1. reukloos gas dat ontstaat bij volledige verbranding van koolstof
anglies dioksidas
noun
1. een bepaald type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
angliavandeniai
noun
didžioji zylė
noun
anglies monoksidas
noun
griežtis
noun
kaliaropė
/ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
anglis
noun
anglies dioksidas
noun
1. verbinding met moleculen van één atoom zuurstof en één atoom koolstof (CO)
anglies monoksidas
noun
1. bepaald soort vis met donker gekleurde mondholte en rug die voorkomt in het hoge noorden van de Atlantische Oceaan, Pollachius virens
ledjūrio menkė
/kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
angliavandenilis
noun
rapsas
/'kolzyr/
noun
1. H₂CO₃
anglies rūgštis
noun
1. een gas, bestaande uit een verbinding van koolstof en zuurstof (CO₂)
anglies dioksidas
noun
1. de hoeveelheid goederen of diensten die gekocht kan worden met een bepaald geldbedrag
perkamoji galia
noun
prekybininkas
noun
1. een groep mensen die samen zingen
choras
noun
1. een wijd, wit linnen hemd, dat reikt tot aan de knieën en gedragen wordt over de toog door een priester of misdienaar
kamža
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
karščiavimas
noun
  1. 1. hoofd van een dier
  2. 2. hoofd van een mens
galva
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
pirkti
pronoun
1.
Kopenhaga
noun
2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
varis
noun
1. een afschrift of andere reproductie van een document of ander voorwerp
kopija
/kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
1. een duplicaat maken van
kopijuoti
noun
1. kopje
puodelis
noun
1. iemand die probeert mensen van verschillende groepen met elkaar in contact te brengen (met name voor een huwelijk)
piršlys
noun
3. een verbindingsstuk
saitas
noun
1. een streepje om twee of meer woorden een eenheid te laten vormen
brūkšnelis
noun
1. een werkwoord dat een eigenschap koppelt aan het onderwerp
kopula
noun
benaming voor dieren uit de klasse Cephalopoda
galvakojis
noun
1. skelet van de koraalpoliep
koralas
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan
Koralų jūra
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
Koranas
/koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Korėja
/koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
  1. korėjiečių
  2. korėjietiškai
noun
1. een mand van vlechtwerk
krepšys
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
blakinė kalendra
pronoun
Laiškai korintiečiams
noun
  1. op een bugel gelijkend koperen blaasinstrument
  2. 1. rang van vaandrig bij de cavalerie en de artillerie bij de Koninklijke Landmacht
kornetas
noun
sedula
noun
korsetas
/kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
duonos plutą
noun
1. deeg voor de stevige korst van een taart
sluoksniuota tešla
noun
kerpės
adverb
  1. 1. van geringe duur
  2. 2. van geringe lengte
trumpas
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
nuolaida
noun
korundas
noun
1.
korvetė
noun
kosmologija
noun
kosmonautas
noun
1. het gehele tijd-ruimte continuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
kosmosas
/ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
Kosovas
adjective
brangus
adjective
1. zonder kosten
nemokamas
verb
1. als te betalen prijs hebben
kainuoti
noun
eilutė
/kotəˈlɛt/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
kotletai
verb
1. de maaginhoud via de mond weer naar buiten werken
vemti
noun
kateris
/kɑu̯/
noun
1. lage temperatuur
šaltis
/kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
šaltas
/ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
šaltis
/kaʊ̯s/, /kɔʊ̯s/, /kʌʊ̯s/
noun
1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
kojinė
noun
1. lid van een hoofdzakelijk Slavisch ruitervolk
kazokas
/krax/
noun
1. een kledingstuk rond de hals
apykaklė
/kraɪ̯/, /kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
varna
noun
2. inktvis zonder inwendig skelet
aštuonkojis
/ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
kremzlė
noun
medynas
noun
  1. 4. werktuig om voorwerpen in de hoogte te verplaatsen
    gervė
  2. 3. mechanisme waarmee de stroming van vloeistof of gas geregeld kan worden
    čiaupas
noun
1.
vanduo iš čiaupo
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Gervė
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
gervė
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
krabas
verb
1. met de nagels bewerken
braižyti
noun
1. vermogen om iets te verrichten
galia
adjective
1. beschikkend over veel kracht
stiprus
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Krokuva
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
mėšlungis
noun
beprotybė
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
laikraštis
noun
3. langrekte oppervlaktebeschadiging voorwerp veroorzaakt door het bewegen van een scherpe ...
braižyti
noun
krateris
verb
braižyti
/kreˈdit/
noun
1. een lening
kreditas
noun
kredito kortelė
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
Vežys
/kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
omaras
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
Vėžio atogrąža
noun
kaukti
noun
1. Gryllidae
svirplys
pronoun
Kremlius
noun
1. het – vaak al deels ontbonden – stoffelijk overschot van bepaalde dieren
lavonas
noun
3. zitvlak
Po
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
Kreta
/krønə(n)/
verb
1. ongearticuleerde geluiden maken, vaak van pijn of ander leed
dejuoti
/krøpəɫə(n)/
verb
1. kreupel slaan, een persoon of dier dusdanig letsel toebrengen dat het zich voortbewegen blijvend bemoeilijkt of onmogelijk wordt
luošinti
verb
kutenti
noun
vyšnia
noun
karas
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
karys
noun
1. de wetenschap van het oorlog voeren
taktika
noun
1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
kreida
/krɛɪtə(n)/
verb
1. huilen
rauda
/krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Krymas
pronoun
1. een van de Turkse talen, gesproken door ongeveer een half miljoen mensen, oorspronkelijk van de Krim afkomstig, maar door een deportatie in 1944, nu vooral in Oezbekistan en Kirgizië, maar ook in Moldavië, Roemenië en Turkije gesproken
Krymo totorių
verb
1. kleiner in omvang worden
susitraukti
noun
  1. 1. een ronde figuur zoals een cirkel
  2. 2. een gemeenschap van mensen
apskritimas
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
kristalas
noun
smulkusis cukrus
adjective
1. op het scherp van de snede, met onzekere uitkomst, zeer ernstig
kritika
noun
  1. 1. uitingen waarmee bepaald gedrag, een bepaalde zienswijze e.d. van anderen worden veroordeeld of in twijfel getrokken
  2. 2. een document dat kunstzinnig commentaar levert op een optreden, tentoonstelling, boek , film of andere kunstuiting
kritika
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
  1. kroatų
  2. chorvatiškai
/kroˈwatsi.jə/, /kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
  1. Chorvatija
  2. Kroatija
/krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
baras
adjective
1. krullend
garbanoti
adjective
1. van haar dat het zeer sterk gekruld is
garbanoti
/krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
krokodilas
noun
1. irisachtige lentebloem
krokas
noun
1. een gebogen lijn
kreivė
verb
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
karūnuoti
noun
kronika
noun
Metraščių knyga
/ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
karūnacija
noun
1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
karūna
noun
  1. 1. opstapeling van bladeren
    galvutė
  2. 2. keelzak
    gurklys
  3. 3. aandoening van de schildklier
    gūžys
/krœʏ̯t/, /krœːd/, /krœːt/
noun
žolė
verb
1. specerij bij een gerecht doen
gardinti
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
kvapnusis gvazdikmedis
/krœyjər/
noun
1. iemand die bagage vervoert op o.a. stations en vliegvelden
nešikas
noun
ąsotis
/ˈkrœy.məl/
noun
trupinys
noun
1. een soort braam
paprastoji tekšė
/'krʌʏ.pə(n)/
verb
ropoti
noun
  1. 1. geometrisch figuur
  2. 4. symbool
kryžius
noun
1. een beeld waarop Christus aan het kruis te zien is
krucifiksas
noun
1. Ribes uva-crispa
agrastas
/ˈkrœʏsər/
noun
1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
kreiseris
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
sankryža
noun
1.
kryžiuotis
noun
kryžiažodis
noun
1. kruiswoordpuzzel
kryžiažodis
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
karutis
noun
2. hulpmiddel bij het lopen
ramentas
/ˈkrʏl.spɛlt/
noun
1. hulpmiddel waarom je een haarlok kunt wikkelen om krullen te maken in stijlhaar
akménslydininkas
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
kriptonas
noun
1. dat getal dat driemaal met zichzelf vermenigvuldigd een bepaald getal oplevert
kubinė šaknis
noun
1. 20-eeuwse stroming binnen de beeldende kunst waarin de werkelijkheid op een sterk vereenvoudigde manier wordt weergegeven
kubizmas
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
kubas
verb
1. kort en zacht hoesten
kosėti
/'kɵdə/
noun
  1. 1. een groep samenlevende (zoog)dieren
  2. een kudde schapen
banda
/ˈkœʏ̯kə(n)/, /ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
paukščiukas
noun
1. uitholling, holte, diepte
Muldė
noun
dorovingumas
noun
  1. 1. deel van het been
    blauzda
  2. 2. visseneitjes
    ikrai
/kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
kakariekū
noun
1. en 2. (citrusvrucht van) plant Citrus japonica
kinkanas
/'kɵndəx/
adjective
1. in staat vaardigheden toe te passen
įgalus
verb
1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
galėti
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
  1. menas
  2. dailė
noun
1. iemand die zijn creatieve talenten gebruikt om kunst te maken
artistas
noun
artistas
adjective
1. door menselijk, moedwillig ingrijpen tot stand gekomen
dirbtinis
noun
1. een schilder van kunstwerken
dažytojas
noun
1. een schilderes van kunstwerken
dailininkė
/ˈkʏns.tal/, /ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
dirbtinė kalba
/kʌnstwɛrk/
noun
1. resultaat van een inspanning om iets te maken dat bijzonder mooi of indringend is
Meno kūriniai
/kʏrk/
noun
  1. 1. afdichting voor flessen, gemaakt uit de veerkrachtige schors van een bepaalde boomsoort, Quercus suber
  2. 1. licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
kamštis
/kʏr.kɛi̯k/, /kʏr.kɛːk/, /kʏrk.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus suber; een boom uit de napjesdragersfamilie
kamštinis ąžuolas
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
kamščiatraukis
noun
plant en specerij
turmerikas
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
bučinys
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
pagalvė
/'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
pajūris
/kɵt/
interjection
blet
/kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
pizė
noun
1. een behandeling ter genezing van een ziekte of een ongezonde situatie (zoals een verslaving)
gydymas
noun
1. een oord met geneeskrachtige baden
kurortas
adjective
1. schade aanrichtend
piktybinis
noun
1. langwerpige, op de bodem levende zoetwatervis, Lota lota
vėgėlė
/kʋɑk/
noun
2. bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax
naktikovas
/kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
medūza
noun
kvalifikacija
/kvalitɑ'tif/
adjective
1. naar de hoedanigheid, betreffende de kwaliteit
kokybinis
noun
  1. 2. eigenschap
    kokybe
  2. 1. een peil van uitmuntendheid
    kokybė
adjective
1. met betrekking tot de hoeveelheid
kiekybinis
noun
kiekis
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
kvantas
noun
kvantinė chromodinamika
noun
kvantinis kompiuteris
noun
vorm van onkraakbare beveiliging voor elektronische communicatie
kvantinė kriptografija
noun
kvantinė fizika
noun
een theorie die kwantummechanica en relativiteitstheorie met elkaar zou moeten verenigen
kvantinė gravitacija
noun
een theoretisch kader voor de constructie van kwantummechanische modellen van veld-achtige systemen of, equivalent, veeldeeltjessystemen
kvantinė lauko teorija
noun
kvantinis susiejimas
noun
  1. 1. een vierde deel
    ketvirtadalis
  2. 3,4
    kvarta
noun
een kwart van een kalenderjaar
ketvirtis
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
putpelė
noun
1. bepaald soort vogel, Crex crex
griežlė
noun
1. (in een toernooi) een van de vier wedstrijden waarin gestreden wordt voor een plaats in de halve finale(s)
ketvirtfinalis
noun
1.
ketvirtinė gaida
noun
een vorm van siliciumdioxide
kvarcas
noun
1.
katrenas
/ˈkwe.peːr/, /ˈkʋe.pɪːr/, /ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
paprastoji cidonija
noun
1. zaak, geschil, probleem
klausimas
adjective
1. twijfelachtig, onzeker.
abejotinas
adjective
1. weinig beschermd tegen beschadiging
pažeidžiamas
noun
1.
juokdarys
/ˈkʋɛːtrakə(n)/
verb
2. niet meer weten waar iets is
prarasti
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
gyvsidabris
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Motacilla en Dendronanthus
kielė
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
gyvsidabris
noun
1.
kvinta
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kijevas
pronoun
La Manča
pronoun
La Riocha
noun
1. stang waarmee men een geweer of pistool via de loop kan laden
grūstuvas
/lax/
adjective
  1. 1. niet ver boven iets anders zijn
  2. 2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
  3. 3. geluid met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
  4. 4. met een beperkt aanzien
žemas
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
alėja
noun
1. een open plek in een bos
aikštė
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
batas
adjective
  1. 1. na het voorziene ogenblik
  2. 2. 's avonds, 's nachts
vėlai
adjective
1. overtreffende trap van laat
paskutinis
noun
1. laatste kwartier
delčia
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
laboratorija
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
labirintas
/lɑx/, /lɑχ/
noun
1. een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak...
juõkas
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
juoktis
noun
is een suiker die o.a. in melk voorkomt
laktozė
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
kopėčios
/ˈlɑdərə(n)/
noun
1. beschadigd raken waardoor een of meer draadjes in een fijn weefsel losraken en een langgerekt patroon van mazen ontstaat
srovė
noun
1. uitschuifbare bergplaats
stalčius
noun
1. bergmeubel met een of meer platte bakken
komoda
/ˈlaːdə(n)/
verb
2. van elektriciteit voorzien
mokestis
noun
  1. 1. goederen die vervoerd worden
    krovinys
  2. 3. opeengehoopte elektriciteit
    mokestis
/ˈlɑfart/
noun
1. iemand die door zijn angst wegvlucht uit gevaarlijke situaties.
bailys
/ˈlɑfɦɛit/
noun
1. de neiging keuzes te maken die van weinig moed getuigen
bailumas
noun
1. ondiep meer
lagūna
pronoun
1. stad in Pakistan
Lahoras
noun
1.
lakas
noun
1. jong van het schaap
ėriukas
noun
1. soort Zuid-Amerikaans eeltpotig zoogdier Lama glama
lama
/lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
lempa
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
abažūras
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Petromyzontidae
nėginės
noun
  1. 3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
    1. valstybė
    2. šalis
  2. 4. niet verstedelijkt gebied
    1. šalis
    2. valstybė
    1. 1. gedeelte van het aardoppervlak dat boven water uitsteekt
    2. 2. dat deel van de aardbodem dat geschikt is voor bebouwing...
    žemė
/ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
žemės ūkis
adjective
  1. 2. met betrekking tot minder bevolkte, niet-stedelijke gebieden
    kaimiškas
  2. 1. met betrekking tot of geldend voor het hele land
    nacionalinis
verb
1. vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
nusileisti
noun
1. een smalle strook land die twee grotere landmassa's verbindt
sąsmauka
noun
1. iemand uit hetzelfde land
tėvynainis
noun
2. vlucht van vliegtuigen...
nusileidimas
noun
1. een abstracte weergave van (een stuk van) de aarde
žemėlapis
noun
1. soort vlinder, Araschnia levena
vaizdúoti
noun
kraštovaizdis
noun
1. schildpad uit de familie Testudinidae
sausumos vėžlys
/ˈlɑntsmɑn/
noun
2. landgenoot
tėvynainis
adjective
1. van grote duur
ilgas
noun
1. benaming voor muggen met opvallend lange broze poten, die de familie Tipulidae vormen
ilgakojis uodas
/lɑŋskomə(n)/
verb
2. langsgaan, op bezoek komen
užeiti
/ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
lėtas
noun
1. een lang steekwapen met een metalen punt
ietis
noun
1. constructie van glas en metaal of hout, zodat wind en regen geen vat op een brandende lichtbron hebben
žibiñtas
noun
lempa
noun
1. Chemisch element
lantanas
noun
lantanoidai
/ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
Laosas
noun
1. een stuk van iets
lopas
noun
1. met een kijkbuis in de buikholte kijken en opereren
laparoskopija
pronoun
Laplandija
noun
1. kleine draagbare computer
laptopas
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Larix
maumedis
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
lerva
noun
1. Bovenste deel van de luchtpijp
gerklos
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
lazeris
noun
1. iemand die stukken metaal op een naad door sterke plaatselijke verhitting verbindt
suvirintojas
noun
1. onterechte beweringen die iemand in een kwaad daglicht stellen
apkalba
verb
  1. 2. toestaan
  2. 6. aansporing
leisti
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
lotynų kalba
pronoun
Lotynų Amerika
pronoun
1.
Lozana
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
lava
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
levanda
/la'ʋaj/
noun
1. luid en storend geluid
triukšmas
/la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
lavina
noun
1. Chemisch element
  1. lorensis
  2. laurencis
noun
1. de vierde maag van een herkauwer, zoals een rund
šliužas
noun
dėstytojas
/ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
galūnė
noun
oda
noun
1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
amžius
/lex/
adjective
1. zonder inhoud
  1. tuščias
  2. tuščia
/lek/
noun
1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
pasauliẽtis
/lem/, /leɪm/
noun
1. kleihoudende grondsoort
priemolis
noun
1. staatsvorm
feodalizmas
/ˈlenvərˌtalɪŋ/
noun
1. woord dat aan een vreemde taal is ontleend in letterlijke vertaling en analoge constructie
kalkė
/ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
skolinys
noun
  1. 2. theorie, doctrine
    doktrina
  2. 1. stof vervaardigd door het looien van een dierenhuid
    oda
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
vadovėlis
noun
1.
mokinys
noun
1. iemand die onderwijs volgt
mokinys
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
liūtas
noun
1. plant van het geslacht Antirrhinum waarvan de bloem lijkt op de muil van een leeuw
žioveinis
noun
liūto dalis
noun
  1. vieversys
  2. vyturys
noun
1. vrouwtje van de leeuw
liūtė
noun
1. testamentaire beschikking
užrašymas
/ˈleːɣər/, /ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
armija
noun
1. opperbevelhebber van een leger, bevelhebber in een leger
vadas
noun
1. Metaalverbinding van twee of meer elementen
lydinys
noun
legionas
noun
1.
dėlionė
noun
  1. 2. schrijflei
  2. 3. daklei
šiferis
pronoun
Leidenas
verb
  1. 1. een leidinggevende functie hebben
  2. 2. iets tot gevolg hebben
vesti
/ˈlɛɪ̯dər/, /ˈlɛːdər/
noun
1. iemand die leidt of bestuurt
vadas
noun
1. het bepalen wat een groep of organisatie behoort te doen
vadovavimas
noun
vanduo iš čiaupo
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Leipcigas
noun
1. blauwgrijs gesteente
šiferis
adjective
1. aangenaam van smaak
skanus
noun
  1. lelijiniai
  2. lelija
/le.li.tʲə.vɑn.da.ləⁿ/
noun
1. bepaald soort kleine tot 30 centimeter hoge vaste plant, Convallaria majalis
pakalnutė
/ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
baisus
noun
3. een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen
pagrindinė forma
noun
lapas
verb
  1. 1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
    pasiskolinti
  2. 2. iets aan iemand anders te leen geven
    paskolinti
noun
1. ontlener, leningnemer
pasiskolintojas
/ˈlɛŋktə/
noun
  1. 1. op welke meridiaan een plaats ligt
    geografinė ilguma
    1. 1. afmeting van een voorwerp
    2. 2. tijdsduur
    ilgis
noun
ilguma
noun
paskola
noun
leninizmas
noun
  1. 1. een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
  2. 2. een stelsel van lenzen of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
  3. 3. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
lęšis
noun
1. seizoen
pavasaris
pronoun
. spelwoord voor de letter l
Leonas
/ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
šaukštas
noun
1. een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
girnovė
noun
raupsai
/ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
mokytojas
/ˈleːrə/, /ˈlɪːrə/
verb
  1. 1. kennis of vaardigheid verwerven
    išmokti
  2. 2. kennis of vaardigheid doen verwerven
    mokyti
/lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
pamoka
noun
vadovėlis
/le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
Lesotas
/ˈlɛsə(n)/
verb
1. met vocht de dorst beëindigen
malšinti
/lɛt/
noun
1. een inwoner van Letland, of iemand afkomstig uit Letland
latvis
/ˈlɛtlɑnd/, /ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
Latvija
/lɛts/
adjective
1. betreffende Letland
  1. Latvijos
  2. latvių
/lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
  1. latvių
  2. latviškai
/ˈlɛtsə/
noun
1. inwoonster van Letland
latvė
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
raidė
/ˈlɛtərˌxrep/, /ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
skiemuo
noun
1. de studie van de literatuur
literatūra
adjective
rašytojų
/ˈlɛtərˌtekə(n)/
noun
1. elk van de symbolen voor een klank waaruit een alfabet is opgebouwd
bū̃das
noun
1. een stylistisch samenhangende set tekens die meestal letters, cijfers en leestekens uitbeelden
šriftas
/ˈløːɣən/, /ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
melas
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
melagis
noun
1. vrouw die bewust onwaarheden vertelt
melagis
noun
1. bloedkanker
baltakraujystė
noun
1. een stoel met leuningen om lekker in te zitten
fotelis
/ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
Leuvenas
/'levən/
noun
  1. 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
  2. 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
  1. gyvenimas
  2. gyvybė
/'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
gyventi
adjective
gyvas
noun
1.
gyvavedis driežas
/'levə(n)sxəzɛl/
noun
1.
pagalvėlė
noun
gyvensena
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
kepenys
noun
tiekėja
pronoun
Kunigų knyga
noun
leksema
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
skaityti
noun
1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
skaitytoja
/ˈli.ba.nɔn/, /ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
Libanas
/li.ˈbɛl/, /li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
laumžirgis
noun
liberalizmas
/li.'beː.ri.ja/, /li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
Liberija
/'libido/
noun
1. geslachtsdrift
libido
/ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
Libija
noun
libracija
noun
  1. 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
  2. 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
kūnas
/ˈlɪxamsbəˌweɣɪŋ/
noun
1. bezigheden die bijdragen aan de lichamelijke fitheid
mankšta
noun
kūno kalba
adjective
  1. 2. van een gewicht
    lengvas
  2. Vertalingen: na te kijken en onderverdelen per verklaring
    1. lengvas
    2. šviesus
  3. 1. helder van kleur
    šviesus
noun
  1. 1. Elektromagnetische golven
  2. 2. lichtbron
šviesa
adjective
žydras
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
šviẽsmetis
noun
1. de snelheid waarmee het licht zich voortplant in het luchtledige (ongeveer 299792 km/s)
šviesos greitis
noun
1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
narys
noun
1. de status van iemand als lid van een organisatie
narystė
noun
1. een staat die toegetreden is tot een inter- of supranationale organisatie
valstybė narė
noun
artikelis
/ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
Lichtenšteinas
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
daina
noun
1.het geven van hulp
labdara
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
meilė
noun
1. het ontstaan en het verloop van een liefdesrelatie
meilės santykis
noun
liefdesrelatie
meilės santykis
adjective
dailus
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
mylėti
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
meluoti
/lir/
noun
1. een Grieks snaarinstrument
lyra
noun
1. anatomie
kirkšnis
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
boružė
/ˌlivə'vraʊ̯wəˌbɛtstro/, /ˌlivəˌvrɔʊ̯β̞ə'bɛtstro/, /ˌlivəˌvrʌʊ̯β̞ə'bɛtstro/
noun
1.
kvapioji krunė
noun
1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
liftas
verb
1. liften (meerijden)
keliauti autostopu
noun
lyga
noun
1. bindweefselband
raištis
verb
1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
gulėti
pronoun
Ligūrija
verb
1. smart en ellende ondergaan
kentėti
noun
1. het stelsel vormen van een werkwoord dat aangeeft dat het onderwerp...
neveikiamoji rūšis
noun
baudžiava
pronoun
1. een Finoegrische taal die in Estland en Letland gesproken wordt
livonų
noun
1. een spreuk waarnaar iemand zijn leven inricht
devizas
noun
1. dood lichaam
lavonas
/ˈlɛɪ̯.kɪs/, /ˈlɛɪ̯k.kɪst/, /ˈlɛːk.kɪst/
noun
1. de kist waarin een overledene ter aarde besteld wordt
karstas
noun
1. textiel waarin een overledene begraven wordt
calūnas
noun
1. een voortuig ingericht om een stoffelijk overschot te vervoeren
katafalkas
noun
1. plakmiddel
klijai
/lɛi̯n/
noun
  1. 11. een band, riem om een huisdier in te tomen
    Leinė
    1. 1. een streep
    2. 2.
    eilė
noun
1. (passagiers)vliegtuig waarmee men regelmatig volgens een dienstregeling vluchten uitvoert
oro laineris
/lɛist/
noun
  1. 2. een rand in een speciale vorm om iets in te vatten, zoals een schilderij
    kadras
  2. 1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
    sąrašas
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
strazdas
noun
1. geslacht van loofbomen, Sorbus
šermukšnis
noun
trynė
noun
1. een drank bereid met gestookte alcohol, aangevuld met smaakstoffen en veelal ook suiker
likeris
verb
1. met de tong aanraken
laižyti
/ˈlɪm.bʏrx/, /ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
1. provincie in het zuidoosten van Nederland
Limburgo
noun
limnologija
noun
1. Een citrusvrucht
  1. laimas
  2. žalioji citrina
noun
1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
limonadas
noun
1. verlengde luxueuze auto waarin meestal meer dan vier personen vervoerd kunnen worden.
limuzinas
/ˈlɪndə/
noun
loofboom
liepa
noun
1. een geslacht van bomen uit de kaasjeskruidfamilie
liepa
noun
1. beoefenaar van de taalkunde
kalbininkas
noun
1. wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
kalbotyra
adjective
kalbinis
/ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
liniuotė
noun
  1. 1. een betrekking of relatie
  2. 2. een verwijzing
saitas
adjective
1. aan die zijde van het lichaam waar gewoonlijk het hart zit
kairioji
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
kairioji
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
kairiarankis
noun
1. lange, smalle strook stof
juosta
noun
lęšis
noun
1. anatomie
lūpa
/liˈpidə/
noun
1. vetten en vetachtige stoffen die in de biochemie een belangrijke rol spelen
lipidai
noun
  1. 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
  2. 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
lūpų dažai
noun
1. Typha
švendras
/ˈlɪspələ(n)/
verb
švepliuoti
pronoun
1.
Lisabona
/'lɪst/
noun
2. vermogen om een oplossing die tegenstrevers verrast, te bedenken
gudrybė
/litər/
noun
1. een inhoudsmaat voor voornamelijk vloeistoffen en gassen
litras
adjective
literatūrinis
noun
  1. 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
  2. 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
literatūra
/ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
litis
noun
litografija
/liˈtaʊ̯.wə(n)/, /liˈtɑuwə(n)/, /liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
Lietuva
/liˈtaʊ̯.wər/, /ˈlitɔʊ̯.β̞ər/, /ˈlitʌʊ̯.β̞ər/
noun
1. inwoner van Litouwen
lietuvis
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
adjective
1. betreffende Litouwen of het Litouws
Lietuviškas
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
  1. lietuvių
  2. lietuviškai
  3. lietuvių kalba
/liˈtaʊ̯sə/, /ˈlitɔʊ̯β̞sə/, /ˈlitʌʊ̯sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Litouwen
lietuvė
noun
1. zichtbaar overblijfsel van een oude verwonding
randas
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
liturgija
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
livermoris
noun
lobotomija
/loka'tif/
noun
1. de zevende naamval die een betrekking van plaats aanduidt
vietininkas
noun
lochijos
noun
1.
lokomotyvas
pronoun
1. eigennaam van Frankische herkomst
Liudvikas
/ˈlu.jə(n)/
verb
1. een langgerekt klagend geluid voortbrengen
mykti
noun
didinamasis stiklas
noun
palminis musangas
noun
1+2. iedere uiting van bewondering
himnas
noun
1. de exponent van de macht waartoe een gegeven getal verheven moet worden om een ander getal te krijgen
logaritmas
noun
logika
/ˈloɣis/
adjective
  1. 1. natuurlijk, voor de hand liggend
  2. 2. betrekking hebbend op de logica
logiškas
adjective
logistika
noun
1. beeldmerk, logogram, naambeeld
logotipas
/loˈkal/
adjective
1. plaatselijk, van beperkte omvang
lokalinis
noun
linksma
pronoun
Lombardija
/ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
Londonas
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
  1. plaučiai
  2. plautis
/'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
plaučių uždegimas
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
švinas
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
santechnikas
/loːts/
noun
1. gebouw voor opslag van goederen
būda
noun
  1. 1. gebladerde boom
  2. 2. bladverliezend boom
lapuotas medis
adjective
van groot gewicht
sunkus
/loːn/
noun
1. financiële vergoeding voor geleverde arbeid
alga
/loːp/
noun
voorste deel van een wapen
vamzdis
/ˈlopχraf/
noun
1. een uitgegraven geul, diep en breed genoeg dat men er in kan lopen...
apkasas
/-los/
suffix
1. een achtervoegsel dat het ontbreken van het eerste aangeeft
e-
verb
  1. 2. rennen
    bėgti
  2. 1. stappen, gaan
    eiti
noun
4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
rikis
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Larix
maumedis
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
išpirka
noun
1. gemakkelijkheid
palikti
noun
2. noodlot, wat het toeval iemand toebedenkt
likimas
noun
loterija
pronoun
Lotaringija
pronoun
1.
Luiziana
/loˈjal/
adjective
ištikimas
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Lukas
/lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
oras
noun
burbulas
noun
oro filtras
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
aerouostas
/ˈlʏxmɑxt/, /ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
karinės oro pajėgos
noun
trachėja
noun
1. de luchtlagen boven een bepaald grondgebied
oro erdvė
noun
1. verkeer in de lucht
aviacija
noun
1. een bedrijf dat vervoer door de lucht aanbiedt
aviakompanija
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
degtukas
/lœʏ/, /lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
tingus
noun
2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
tingininiai
/lœʏ̯t/, /lœːd/, /lœːt/
adjective
aukštas
/ˈlœʏ̯dən/, /ˈlœːdən/
verb
1. doen klinken, gewoonlijk van een bel
skambutis
noun
garsiakalbis
noun
sauskelnės
/lœʏ̯k/, /lœːk/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Liežas
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
leopardas
/lœʏ̯s/, /lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
utėlė
noun
1. iemand die luistert
klausytoja
/'lœstərə(n)/
verb
1. gericht waarnemen met het oor
klausyti
noun
1. luit
liutnia
/ˈlykɑs/
pronoun
Lukas
noun
1. geslachtsdeel van de man
bybys
noun
1.
švietà
/lɵnsʲ/
noun
1. een maaltijd rond of iets na het middaguur
pietūs
verb
1. de lunch gebruiken
pietauti
noun
1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
lubinai
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
lutecis
/ˈlyksəmˌbʏrx/, /ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
Liuksemburgas
/ˈlyksəmˌbʏrxs/, /ˈlyksəmˌbʏrχs/
pronoun
1. een taal die in Luxemburg gesproken wordt
liuksemburgietiškas
pronoun
  1. Lvovas
  2. Lvivas
noun
1.
ličis
noun
1. een orgaantje op het verloop van lymfevaten
lìmfmazgis
verb
1. iemand executeren zonder rechtsgeldig proces, met name door opknoping
linčiúoti
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
lūšis
pronoun
1.
Lionas
/maːx/
noun
1. Orgaan
skrandis
pronoun
  1. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  2. 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
Mergelė
/maːxt/, /maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
mergelė
adjective
jaunavīgs
noun
1. eigenschap dat je niet eerder geslachtsverkeer hebt gehad
nekaltýbė
pronoun
Magdeburgas
/ˈmaɣdəˌvlis/, /ˈmaʝdəˌvlis/
noun
vlies
mergystės plėvė
/ˈmaɪ̯ə(n)/
verb
1. met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
vaipytis
/ma:l/
verb
1 1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
kartas
noun
1.
krūminis
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
valgis
/maːn/
noun
mėnulis
/maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
mėnuo
/ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
pirmadienis
noun
1. het zonlicht dat van de maan naar de aarde reflecteert
mėnesiena
/ˈmansvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈmansvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan verduisterd raakt doordat ze in de schaduw...
Mėnulio užtemimas
noun
1. bepaald soort grote schijfvormige zeevis, Mola mola
mėnulžuvė
/maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
  1. bet
  2. tačiau
/maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
kovas
/mas/
pronoun
1. een rivier die onspringt in Frankrijk en door België en Nederland stroomt
Masas
/maːt/
noun
5. grootte van kledingstuk/schoen
dydis
/matsxɑpələk/
adjective
1. op de maatschappij betrekking hebbend
visuomeninis
noun
2. de wereld, omgang en verkeer der mensen
visuomenė
pronoun
1. een stad op een eiland aan de zuidkust van China, ten westen van Hong Kong
Makao
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
makedonijos
/ˌmasəˈdoni.jə/, /ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
  1. 3. land
  2. 1. historisch Grieks koninkrijk
  3. 2. regio in Griekenland
Makedonija
/ˌmasəˈdoni.jər/, /ˌmasəˈdoːni.jər/
noun
1. inwoner van Macedonië
makedonas
/mɑˈʃinə/
noun
mašina
noun
1. geweer waarmee kort na elkaar meerdere schoten kunnen worden afgevuurd, ...
kulkosvaidis
noun
1. het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
valdžia
noun
1. een persoon met gezag
valdovas
/ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Madagaskaras
noun
1. Bellis perennis
daugiametė saulutė
pronoun
1. een Indiase deelstaat gelegen in het centrum van het land met de hoofdstad Bhopal
Madhja Pradešas
pronoun
Madridas
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
mafija
/ˈmɛ.ɡə.zin/
noun
žurnalas
/ˈma.ɣər/, /ˈma.χər/
adjective
1.
blogas
noun
  1. 1. gemagnetiseerd metaal
  2. 2. persoon, zaak of plaats
magnetas
noun
magnetinis laukas
noun
1. Chemisch element
magnis
noun
1. magnetisch, ijzer bevattend mineraal; magnetisch erts
magnetitas
adjective
1. verschijnselen vertonend die toegeschreven kunnen worden aan een kringstroom...
magnetinis
noun
magnetizmas
/ˈmɑɣ.nə.trɔn/, /ˈmɑχ.nə.trɔn/
noun
1. een toestel waarin met zeer korte en gerichte golven voedsel in zeer korte tijd warm kan worden gemaakt
mikrobangų krosnelė
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Maharaštra
/mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
  1. kukurūzai
  2. kukurūzas
noun
1. en 2. verbinding van glucose en koolhydraten of bindmiddel dat uit maiskorrels wordt gewonnen
kukurūzų krakmolas
noun
majoras
noun
1. schoonheidsproducten
grimas
noun
1. de tussenpersoon in de handel
brokeris
/ˈmaːkən/
verb
  1. 1. in elkaar zetten
    daryti
  2. padaryti
adjective
1. niet moeilijk, waar weinig moeite en inspanning voor vereist is
lengvas
/mɑkər/
noun
1. iemand aan wie men door persoonlijke voorkeur verbonden is
bendražygis
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
skumbrė
noun
malaga
noun
1. infectieziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten van het geslacht Plasmodium
maliarija
/ma.'la.wi/, /ma.'la.ʋi/, /ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
Malavis
pronoun
1. Dravidische taal die wordt gesproken door 47 miljoen mensen, vooral in de Indiase deelstaat Kerala
malajalių kalba
/mɑl.ˈdi.və(n)/, /mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Maldyvai
pronoun
Malachijo knyga
/mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
  1. malajiečių
  2. malajietiškai
/maˈlɛ:zi.jə/, /maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
Malaizija
/malə(n)/
verb
1. tussen twee harde voorwerpen fijnwrijven
malti
/'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
Malis
noun
1. metalen ringetje
el-paštas
/ˈmɑlta/, /ˈmɑɫta/
pronoun
  1. 1. eiland in de Middellandse Zee
  2. 2. land in de Middellandse Zee
Malta
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
maltiečių
noun
1. schadelijke software
kenkėjiška programa
/ˈmɑmaː/
noun
1.
mama
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Mammuthus
mamutas
noun
1. persoon van het mannelijk geslacht
vyras
noun
1. een persoon die de leiding heeft over een afdeling binnen een organisatie
direktorius
pronoun
Manausas
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
krepšys
noun
mandatas
noun
1. Een citrusvrucht
mandarina
noun
1. schil van Citrus reticulata, Citrus reticulata var. 'mandarine' of Citrus × tangerina
mandarinų žievelės
noun
1. een klein, luitvormig tokkelinstrument met vier paar snaren waarop met een plectrum getokkeld wordt
mandolina
noun
1. bepaald soort zoogdier, Otaria flavescens, zeeroofdier dat leeft aan de kusten van het zuidelijk deel...
pietinis jūrų liūtas
noun
1. Chrysocyon brachyurus, Zuid-Amerikaanse wilde hondachtige, meer verwant met de vos dan met de wolf
karčiuotasis vilkas
/manəsxɛɪn/
noun
1. Het door de maan weerkaatste licht dat op de aarde schijnt, maanlicht
mėnesiena
/ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
manga
noun
1. Chemisch element
manganas
noun
1. soort oranje-groene sappige tropische vrucht
mangas
noun
1. onderfamilie van de civetkatten, zeer snelle en behendige roofdiertjes...
mangusta
noun
mangrovė
noun
1. handverzorging
manikiūras
/ mɑˈniːr/
noun
bū̃das
adjective
1. duidelijk, onmiddellijk herkenbaar
manifestas
noun
1. openlijke bekendmaking van een staatshoofd, regering, leider of politieke partij
manifestas
verb
  1. 3. waarneembaar worden
  2. algemeen bekend maken, aan iedereen laten blijken
manifestas
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
valgomasis manijokas
noun
manipuliacija
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land
Manipuras
adjective
  1. 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
  2. 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
vyriškas
noun
1. iemand die nieuwe kledingontwerpen dragend deze aan een publiek vertoont
manekenas
noun
vyriškoji gegužraibė
pronoun
1.
Manheimas
noun
manometras
pronoun
1. taal die door de Mantsjoes gesproken werd.
Mandžiūrų kalba
noun
1. variant van het communisme zoals uitgedragen en toegepast in China gedurende het derde kwart van de 20e eeuw
maoizmas
/mɑp/
noun
3. deel van het bestandssysteem
aplankas
noun
maratonas
verb
maršuoti
noun
1. Viscum album
amalas
noun
margarinas
noun
1.
marža
pronoun
Marija
/maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
marina
pronoun
1.
Marianske Laznės
noun
2. kruid
mairūnas
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
markizas
noun
warenverkoop op pleinen en straten
turgus
/mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
marmuras
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
švilpikas
/ˌmɑrɔˈkan/
noun
1. inwoner van Marokko, iemand uit Marokko, persoon met de Marokkaanse nationaliteit
marokietis
adjective
1.
marokiečių
/ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
Marokas
pronoun
Marsas
noun
  1. 1. regelmatige manier van lopen met afgemeten passen, vooral gebruikt door soldaten...
  2. 2. een wandeltocht
  3. 3. een mand of bak die op de rug gedragen wordt
maršas
noun
1. een Italiaanse versterkte wijn die gemaakt wordt in de omgeving van Marsala op het westelijk deel van Sicilië
Marsala
noun
1.
marcipanas
/mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
Maršalo salos
noun
1. iemand die voor een zaak lijdt of sterft en daarmee tot symbool wordt gezien van de strijd voor die zaak
kankinys
verb
1. een gevangene onderwerpen aan lichamelijke en/of geestelijke pijniging, voornamelijk teneinde informatie los te krijgen
kamuoti
noun
1. opzettelijk toegebrachte pijniging van een gevangene
kankinimas
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Martes
kiaunė
noun
kiaunė
noun
1. traditioneel en stelselmatig beoefende stijl van vechten
kovos menai
pronoun
Martinika
noun
1. de socialistische ideologie van de volgelingen van Karl Marx
marksizmas
noun
1.aanhanger van het marxisme
marksistas
pronoun
1. eilandengroep in de Indische Oceaan
Maskarenų salos
noun
vyriškas
noun
1.
kaukė
noun
1.
maskaradas
/ˈmɑsaː/
noun
1. totale hoeveelheid materie in een object
masė
noun
masažas
noun
1. een wapen dat zeer velen doodt
masinio naikinimo ginklas
noun
    1. 1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
    2. 4. hoge antenne
    3. 5. varkensvoer
    rangautas
  1. 3. lange paal voor vlaggen
    stiebas
noun
1. grote hond met een heel los rimpelig vel bij het hoofd
mastifas
noun
1. het stimuleren van de eigen geslachtsdelen
masturbacija
verb
masturbuoti
noun
mačas
noun
laipsnis
noun
1. een tastbare stof
medžiaga
noun
materija
noun
matematikas
adjective
1. geneigd om vroeg op te staan
anksti
/mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
  1. matracas
  2. čiužinys
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
matrica
noun
1. een zeeman van de laagste rang
jūrininkas
pronoun
Matas
/ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
Mauritanija
/maʊ̯.'ri.si.jəs/, /mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
Mauricijus
noun
1. groot en rijk versierd graf
mauzoliejus
abbreviation
1. grootst mogelijke hoeveelheid
maksimumas
/ˌmajoˈnɛːzə/
noun
1. een saus op basis van eieren
majonezas
pronoun
Majotas
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
tymai
/ˈmaʲɪs/, /ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
grūdas
noun
mechanikas
noun
1. machinerie
mechanizmas
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
medalis
noun
1. iemand die burger is van dezelfde stad of hetzelfde land
bendrapiliẽtis
noun
1. informatie die bekend wordt gemaakt
pranešimas
/ˈme.dəˌklɪŋ.kər/
noun
  1. 1. een klank waarbij de lucht niet ongehinderd door de mond naar buiten kan
  2. 2. een letter die zo'n klank in schrift weergeeft
priebalsis
noun
1. verdriet over het leed van anderen
gailestis
noun
1. behulpzaam persoon bij een misdrijf
bendrininkas
noun
  1. mediacija
  2. taikinamasis tarpininkavimas
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
vaistas
noun
1. spirituele bezigheid
meditacija
/mel/, /meɫ/, /mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
miltai
/meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
ežeras
pronoun
1.
Ženevos ežeras
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
dauguma
verb
1.
apimti
noun
1. bepaald soort watervogel, Fulica atra
laukys
noun
1. de staat van meerdere talen te kunnen spreken
daugiakalbystė
/ˈmeːrvɑɫ/
noun
1. benaming voor grote roofvissen uit het geslacht Siluris
šamas
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
daugiskaita
noun
1. benaming voor kleine weinig schuwe vogels uit de familie Paridae
zyliniai
noun
1. eenheid die gebruikt wordt om meetresultaten in uit te drukken
matavimo vienetas
verb
1. iets erbij tellen
skaitytis
/'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
geometrija
/ˈmetlɑt/
noun
1. een langwerpig voorwerp waarmee maten opgenomen worden
liniuotė
/meːβ̞/, /mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
kiras
verb
apimti
noun
megabaitų
noun
didybės manija
noun
1. een miljoen watt
megavatas
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land
Meghalaja
noun
1. de vijfde maand van het jaar
  1. gegužė
  2. gegužis
/mɛi̯t/
noun
mergaitė
/ˈmɛɪ̯.dorn/
noun
1.
gudobelė
noun
1. Melolontha melolontha, schildvleugelig insect dat in mei te voorschijn komt
grambuolys
noun
1. Convallaria majalis
pakalnutė
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
melaginga priesaika
/mɛɪˈozə/
noun
1.
mejozė
/ˈmɛɪ̯ʃə/, /ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
mergina
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
  1. metneris
  2. meitneris
pronoun
1. geboorteplaats van Mohammed en bedevaartplaats voor islamieten
Meka
/me'latshɛɪt/
noun
1. besmettelijke ziekte veroorzaakt door een bacteriële infectie van de huid
raupsai
noun
melancholija
pronoun
Melanezija
noun
melanoma
noun
1. een restproduct bij de suikerproductie
melasa
pronoun
1. tweede grootste stad van Australië en hoofdstad van de deelstaat Victoria
Melburnas
noun
1. Atriplex sp, een geslacht van meer dan tweehonderd soorten plantjes...
balánda
pronoun
Melilja
/mɛlk/
noun
pienas
noun
pienė
/mɛlkə(n)/
verb
1.
melžti
noun
1.het orgaan dat bij het zoogdier de melk produceert
pieno liauka
noun
een suiker die o.a. in melk voorkomt
laktozė
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
Paukščių Takas
noun
1. organisch zuur
pieno rūgštis
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
melodija
adjective
aangenaam klinkend
dainingas
noun
melionas
/mɛmbran/
noun
2. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
membrana
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door een trillend vel
membranofonai
/ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
mendelevis
/məˈneːr/, /məˈnɪːr/
noun
  1. 1. een formele manier om een man aan te spreken
  2. 2. een nette man
  3. in te delen
ponas
/menə(n)/
verb
3. denken, een mening toegedaan zijn
manyti
noun
1.
dubenėlis
verb
1. het homogeniseren van twee of meer zaken
maišyti
noun
1.
misa
noun
1.
menhyras
/ˈmeːnɪŋ/
noun
1. oordeel, opinie
nuomonė
noun
meningitas
noun
1. levensfase waarin vrouwen niet langer menstrueren
menopauzė
/məno'ra/
noun
1. kandelaar met zeven armen
menora
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
žmogus
noun
1. een gemeenschappelijke naam voor dieren uit de orde van de primaten
beždžiõnė
noun
1.alle mensen van alle plaatsen en tijden tezamen als één groep
žmonija
adjective
  1. 1. zoals de mens
  2. 2. goed voor de medemens
žmoniu
noun
1.een mens in het algemeen
žmoginis
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
Žmogaus teisės
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
žmonija
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
mėnesinių ciklas
noun
meniu
pronoun
Merkurijus
/meːrəl/, /ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
juodasis strazdas
noun
1. het grootste deel
dauguma
noun
1. halve cirkel die de beide polen met elkaar verbindt
dienovidinis
noun
2. een herkenbaar product door een bepaalde producent vervaardigd
markė
noun
bū̃das
noun
1. een term die een deel van iets anders weergeeft
meronimas
noun
1. vrouwelijk paard
kumelė
noun
1. snijwerktuig
peilis
noun
1.
mezonas
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
Mesopotamija
noun
mezosfera
/mɛˈsijɑs/
pronoun
1. de in de joodse Tenach voorspelde Redder die door God gezonden zal worden en die door de christenen met Jezus gelijkgesteld wordt
Mesijas
adjective
žálvaris
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
mėšlas
/ˈmɛstkevər/
noun
1. een donkergekleurde kever die zich met mest voedt
plokštėtaūsiai
/mɛd/, /mɛt/
preposition
su
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
  1. metalas
  2. naugė
noun
1. het geheel van de biochemische processen op celniveau
metabolizmas
/me.ta.ˈfɔːr/, /mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
metafora
noun
1. de wijsgerige leer die niet de werkelijkheid onderzoekt zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke ervaring, maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert
metafizika
adjective
1. van verf of lak: glanzend als metaal
metalinis
noun
pusmetalas
noun
metalurgija
noun
1. uitzaaiing
metastazė
noun
1. taal met behulp waarvan dezelfde of een andere taal wordt beschreven
metakalba
/mɛ.ˈden/, /mɛ.ˈten/
adverb
1. onmiddellijk
tuoj
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
matuoti
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
meteoras
/meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
meteorologija
noun
meteorologas
noun
1. de SI-eenheid van lengte
metras
noun
palydovas
noun
1. CH₄
metanas
/meˈtodə/
noun
metodas
noun
1. Een stroming in het protestantisme
metodistai
/ˌmetodoloˈɣi/, /ˌmetodoloˈχi/
noun
metodologija
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
  1. metro
  2. metropolitenas
noun
metronomas
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
mūrininkas
noun
1. stuk huisraad
baldai
noun
baldas
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
ponia
adjective
  1. meksikietiškas
  2. meksikiečių
/ˈmɛg.zi.ˌko/, /ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
Meksika
interjection
1. het geluid van een kat
miau
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
miauksėti
/miˈxa/, /ˈmiʃa/
pronoun
Michėjo knyga
/ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
mikroorganizmai
noun
1. een levend micro-organisme
mikrobas
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
mikrobiologija
noun
mikrokompiuteris
/ˈmik.ro.χɔl(ə)f/, /ˈmɪk.ro.ɣɔlf/
noun
2. elektromagnetische golf van 0,1 mm tot 1 cm lengte
mikrobanga
noun
2.
mikrometras
noun
geïntegreerde schakeling die de hele CVE van een computer bevat op één enkele chip
mikroprocesorius
/mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
mikroskopas
noun
mikrosekundė
noun
1. het midden van de dag, 12.00
vidurdienis
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
pietūs
/ˈmɪdəɫ/
noun
1. middendeel van het lichaam
juosmuo
/ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
viduramžiai
/ˈmɪdəɫɪ:ws/
adjective
1. gerelateerd aan de middeleeuwen
viduramžiškas
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
Viduržemio jūra
noun
1. middellijn
diametras
noun
1. van een cirkel of bol is het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft
centras
/mɪdəlpɵntflidənt/
adjective
1. neigend van het middelpunt weg te bewegen
išcentrinis
noun
1. vinger
didysis pirštas
noun
1. het centrale deel
vidurys
pronoun
1. het gebied tussen Noord-Amerika en Zuid-Amerika
Centrinė Amerika
pronoun
Vidurio Europa
noun
1. regio die bestaat uit Zuidwest-Azië en het noordoosten van Afrika
Viduriniai Rytai
/ˌmɪdərˈnɑxt/, /ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
vidurnaktis
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
  1. skruzdėlė
  2. skruzdė
noun
2. wortel
  1. krienas
  2. valgomasis krienas
noun
1. schele hoofdpijn
migrena
noun
migracija
abbreviation
man
/mɛi̯l/
abbreviation
mylia
/mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
mano
noun
  1. 1. een aanspreektitel voor een man
  2. 2. de heer des huizes
ponas
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
kalnakasys
noun
1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
erkė
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
mitra
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Milanas
/mi.li.ˈjøː/, /mɪɫˈjø/
noun
2. de wereldwijde natuurlijke omgeving
gamtinė aplinka
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
adjective
  1. 1. met het leger te maken hebbend
    karinis
  2. 2. militaire regering
    karinė chunta
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
noun
1. lid van een leger
kareivis
noun
militarizmas
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
milijardas
noun
1. 1.000.000
milijonas
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
milijonierius
noun
1. dikke koude drank
kokteilis
noun
1. een periode van 1000 jaar
tūkstantmetis
noun
1. een lengtemaat ter grootte van een duizendste meter
milimetras
noun
milisekundė
/mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
blužnis
/ˈmɪltfyr/
noun
1. een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
juodligė
noun
1. gezichtsuitdrukking
mimika
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal minder dan de helft uitmaakt
mažuma
/minəˈral/
noun
mineralas
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
mineralinis vanduo
noun
mineralogija
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
  1. ministras
  2. ministrė
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
premjeras
/ˌminɪsˈtɪːri/
noun
1. een afdeling van een overheid waar het beleid van de regering wordt uitgevoerd
ministerija
noun
1. bepaald zoogdier, Neovison vison
audinė
noun
  1. 1. tijdeenheid
  2. 2. hoek
minutė
noun
1. het boek waarin de liturgische gebeden voor de mis staan opgetekend
maldaknygė
/'mɪsbrʌʏk/
noun
piknaudžiavimas
/mɪzˈbrœykən/, /mɪzˈbrœːkən/
verb
op een slechte wijze gebruik maken van iets of iemand
piknaudžiauti
noun
1. een handeling die een ernstig vergrijp tegen het wetboek van strafrecht is
nusikaltimas
noun
1. een misdaad of delict
nusikaltimas
noun
persileidimas
verb
1. iemand in de waan van iets brengen
klaidinti
/'mɪslopə(n)/
verb
2. fout aflopen
eiti
noun
1. iets dat niet goed is gegaan
nepasisekimas
noun
  1. 1. bepaald soort loofboom Mespilus germanica
  2. 2. vrucht van de mispelboom
šliandra
/məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
gal
noun
pykinimas
/ˈmɪsə(n)/
verb
  1. 1. niet raken, niet treffen
  2. 6. de afwezigheid voelen van
ilgėtis
noun
1. een doeleind dat verwezenlijkt dient te worden
užduotis
adjective
misionierius
noun
misionierius
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
  1. migla
  2. rūkas
noun
1. bepaald soort groenblijvende plant die als halfparasiet op bomen leeft, Viscum album
amalas
/ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
mitochondrija
/miˈtozə/
noun
1.
mitozė
pronoun
1. een Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land met de hoofdstad Aizawl
Mizoramas
adjective
1. gemakkelijk verplaatsbaar of bewegend
mobilus
/moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
mobilusis telefonas
noun
mobilizacija
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
dumblas
/ˈmodə/
noun
mada
noun
modernizmas
noun
modernumas
noun
moduliacija
/muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
pavargęs
/mud/, /mut/
noun
1. dapperheid, lef, branie
drąsa
noun
1. een vrouwelijke ouder
  1. mótina
  2. motina
noun
1. een onderneming of een bedrijf dat eigenaar is van een of meer andere bedrijven
motininė įmonė
noun
motininė plokštė
noun
1. een dag ter ere van de moeders
motinos diena
adjective
1.met de liefde en zorg van een moeder
motiniškas
noun
1. een bedrijf met meerdere dochterbedrijven of filialen
motininė įmonė
noun
1. het fungeren als moeder
motinystė
noun
gimtoji kalba
/ˈmuːdəx/, /ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
drąsus
noun
1. de diersoort waartoe het tamme schaap behoort, Ovis gmelini
muflonas
/mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
sunkus
noun
[A]
veržlė
noun
pelkė
noun
šil̃kuogė
noun
šilkmedis
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
musonas
/ˈmus.tœʏ̯n/, /ˈmus.tœːn/
noun
1. een tuin waarin op kleine schaal verschillende groenten en evt kruiden en/of fruit worden verbouwd
daržas
verb
1. gedwongen zijn
turėti
pronoun
1. een rivier die ontspringt in de Vogezen en na 544 kilometer bij Koblenz in de Rijn uitmondt
Mozelis
adjective
1. een keuze om iets te doen
galimas
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
galimybė
/'mo.χə(n)/
verb
1. toegestaan zijn
galėti
noun
1. drinkbeker
bokalas
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Mordovië gesproken wordt
Mokša
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
    kurmis
  2. 3. hoeveelheid van een stof die net zo veel deeltjes bevat als er atomen...
    molis
adjective
krūminis
/mɔlˈdaːvi.jə/, /mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
Moldavija
/moləˈkyle/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molékulé
/moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
  1. molékulé
  2. molekulė
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
malūnas
/ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
malūnininkas
noun
1. een ronde steen die onder andere in windmolens en watermolens wordt gebruikt voor het malen van granen en andere producten, zoals boekweit, erwten en bonen, lijnkoeken en eikenschors
girnos
pronoun
Molizė
noun
1. met brandbare stof gevulde glazen fles die via een lont of lap stof wordt ontstoken
Mòlotovo kokteĩlis
noun
1.
kùrmiarausis
noun
1. Chemisch element
molibdenas
noun
1. zeer korte tijd
akimirka
/moˈnako/, /ˈmo.na.ko/
pronoun
  1. 1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
  2. 2. de hoofdstad van Monaco
Monakas
noun
monarchas
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
monarchija
/[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
burna
abbreviation
1. een zeer besmettelijke virusziekte (Aphtae epizooticae) die evenhoevige dieren, vooral runderen treft
snukio ir nagų liga
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
lūpinė armonikėlė
noun
1. een klein tokkelinstrument en lamellofoon waarbij de klank gevormd wordt door een dunne lamel aan te tokkelen waarbij het frame tussen de tanden of tegen de lippen wordt gehouden
dambrelis
/ˈmɔndijal/
adjective
1. met betrekking tot of geldend voor de gehele wereld
pasaulinis
noun
1.
globalizacija
/ˈmɔndɪŋ/
noun
1. plaats waar een rivier uitkomt in zee of meer
žiotys
noun
1.
Dauno sindromas
/mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Mongolija
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
  1. mongoliškai
  2. mongoliškas
/ˈmoniˌtɔr/
noun
beeldscherm
ekranas
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
vienuolis
noun
3. plant
kurpelė
noun
1. een wetenschappelijk boek of verhandeling over één onderwerp of een beperkte groep van samenhangende onderwerpen, in het algemeen geschreven door één auteur
monografija
noun
1. figuur met initialen
monograma
/ˌmonoˈlox/
noun
1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
monologas
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
monopolija
noun
monoteizmas
noun
  1. 1. schrikwekkend wezen
    baisūnas
  2. 2. een willekeurige hoeveelheid ontnomen aan een grotere massa
    repeticija
adjective
išsigimęs
noun
monstráncija
adjective
1.
išsigimęs
/ˌmɔntəneˈgrɛɪ̯ns/, /ˌmɔntəneˈgrɛːns/, /ˌmɔntəneˈɣrɛɪ̯ns/
pronoun
1. vorm van het Servo-Kroatisch, gesproken in Montenegro
juodkalniečių
/ˌmɔntəˈnegro/, /ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Juodkalnija
/mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
Montseratas
noun
2. de houder waarin brillenglazen zijn gevat
kadras
noun
1. een groot gedenkteken
paminklas
/moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
gražus
/ˈmoːrd/, /ˈmoːrt/, /ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
nužudymas
verb
1. rondgaan om moorden te plegen
žudyti
/mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
žmogžudys
pronoun
Moravija
/moˈrel/
adjective
moralinis
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
morfema
noun
1.een alkaloïde dat het werkzame bestanddeel van opium is
morfinas
/ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
  1. 1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
  2. 2. de wetenschap van de bouw van organismen
  3. 3. de vormen, structuren en texturen van een materiaal op een schaalbereik groter dan het moleculaire.
  4. 4. de wetenschap die de vorm van de oppervlakte van de aarde bestudeert
morfologija
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
  1. rytoj
  2. rytdiena
adverb
1.
rytoj naktį
noun
1. de rode lucht bij zonsopgang
žara
noun
1. benaming voor de planeet Venus
aušrìnė žvaigždė̃
noun
1. bijnaam van een lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
mormonų
adjective
1. behorend tot, passend bij de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
mormonų
noun
1. het sterftecijfer
mirtingumas
noun
1. mengsel waarmee wordt gewerkt...
skiedinys
noun
  1. 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
  2. 2,3 korte kanontypen
minosvaidis
noun
samanos
noun
1. een scheikundig element met het symbool Mc en het atoomnummer 115
moskovis
noun
1. gebedshuis
  1. mečetė
  2. mečètė
pronoun
1.
Maskva
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
musulmonas
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
bedantė
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
garstyčia
noun
ipritas
noun
1. een vlinderachtig insect
kandis
noun
1.
motetas
noun
motyvacija
/'mo.tɔr/
noun
1. krachtbron
motoras
noun
motociklas
noun
1. het vermogen om het lichaam(sdeel) te bewegen
motorika
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky,...
salyklas
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
rankovė
/ˌmo.zɑm.ˈbik/, /ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
Mozambikas
noun
mozaika
noun
1. Italiaanse kaas
mocarela
/ˈmysli/, /ˈmyə̯zli/
noun
1. eten gemaakt van graanvlokken, zuivel, fruit en noten
  1. muslis
  2. miuslis
noun
1. de persoon die vanuit een minaret van de moskee oproept tot de dagelijkse gebeden
muedzinas
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
mašalas
noun
1.
antsnukis
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
mulas
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
arklėnas
noun
1.een leren of metalen korf die voor de bek van een dier gespannen wordt om bijten onmogelijk te maken
antsnukis
/mœʏ̯s/, /mœːs/
noun
  1. 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
  2. 3. computermuis
  1. pelė
  2. pelėnas
noun
maištas
noun
1.
pelėkautai
noun
tarptautinė bendrovė
noun
1. composietplaat die bestaat uit meer dan 3 gelijmde laagjes hout
fanera
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat Maharashtra
Mumbajus
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
mumija
/mʏˈnitsi/, /mʏˈnisi/
noun
schietbenodigdheden
amunicija
noun
1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
mėta
noun
numizmatika
pronoun
Mursija
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
žvirblis
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
muziejus
noun
miuziklas
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
muzikantas
noun
kuisys
/'mɵskɵs/
noun
1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
muskusas
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
ondatra
noun
1. een sprongsgewijze verandering
mutacija
adjective
savitarpinis
/myːr/
noun
1. verticale vlakke constructie van metselwerk
siena
noun
miškinė zuiksalotė
/my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
muzika
/myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
muzikos instrumentas
noun
raktas
noun
1.het bestuderen van de muziek in al haar vormen
muzikologija
adjective
muzikinis
noun
1. iemand die muziek maakt
muzikantas
/ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
mikologija
/miˈkozə/
noun
1. een door een schimmel veroorzaakte ziekte
mikozė
noun
1. afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
trumparegystė
/miˈstɪːri/
noun
misterija
adjective
paslaptingas
noun
mistikas
/ˈmitə/
noun
mitas
/mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
mitologija
preposition
1. in tijd volgend op
po
noun
1.
siūlė̃
noun
stebulės pavara
/ˈnaːi̯ə(n)/
verb
  1. 2. geslachtsgemeenschap hebben
    dulkintis
  2. 1. naaldwerk verrichten
    siūti
noun
siuvamoji mašina
/naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
nuogas
noun
1. het naakt zijn
nuogumas
noun
šliužas
/nald/, /naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
  1. adata
  2. spyglys
noun
spygliuotis
noun
adatinis duonis
/ˈnaɫtʋʌʊt/
noun
1. een groot bos bestaande uit naaldbomen
spygliuočių miškai
noun
  1. 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
  2. 2. bekendheid, reputatie
vardas
noun
1. een dag waarop een heilige wordt herdacht
vardadienis
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
linksnis
/naːr/
adverb
1. in de richting van
į
adjective
1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
artimas
/ˈnabotsɪŋ/
noun
1. imitatie, het nadoen
imitacija
/nɑx/, /nɑxt/, /nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
naktis
adjective
naktinis
noun
1. een uitgaansgelegenheid voor volwassenen
naktinis klubas
noun
1. een dier dat overdag slaapt en 's nachts actief is
naktinis gyvūnas
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
  1. vakarine lakštingala
  2. lakštingala
adjective
naktinis
noun
1. dag en nacht duren evenlang
ekvinokcija
noun
  1. 1. een zeer angstige droom
  2. 2. een schrikbeeld
košmaras
noun
1.
kiauliauogė
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
kandis
adjective
1. kwalijk, schadelijk
nuostolingas
verb
galvoti
noun
1. denkbeeldig punt aan de sterrenhemel loodrecht onder de waarnemer
nadir
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land. Hoofdstad is Kohima
Nagalandas
noun
  1. 1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
    nagas
  2. 3. spijker
    vinis
noun
desertas
noun
palikuonių
/ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Nahumo knyga
noun
1. herfst
ruduo
noun
palikuonis
pronoun
1. provincie in het oosten van België
Namiūras
/na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
Namibija
noun
1. tijd aan het einde van de middag
popietė
noun
1.
nanometras
noun
nanosekundė
pronoun
1. stad in Italië
Neapolis
adjective
1. een taal die in Napels, Campanië, Basilicata en noordelijk Calabrië gesproken wordt
neapolietis
noun
1.
staltiesė
noun
narcizas
noun
narkolepsija
noun
1. een kunstmatige algehele verdoving
narkozė
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Monodon monoceros
narvalas
noun
1.
atsigrįžimas
noun
1. onderzoek om de ware aard van iets te ontdekken; onderzoek naar wat anderen mogelijk verborgen willen houden
tardymas
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
šlapias
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
nacija
noun
tautos valstybė
adjective
1. op een volk met een eigen land betrekking hebbend
nacionalinis
noun
nacionalsocializmas
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
nacionalizmas
noun
nacionalistas
noun
tautybė
noun
natris
noun
natrio hidrokarbonatas
noun
drėgnumas
noun
1.2.3. stroming in de literatuur aan het eind van de 19e eeuw, die de mens beschouwt als bepaald door milieu en erfelijkheid en leer die de natuur boven alles stelt
natūralizmas
noun
überhaupt
gamta
noun
1.
stichinė nelaimė
/naˈtyrkʏndə/, /naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
fizika
noun
fizikas
adverb
1. vanzelfsprekend
žinoma
noun
2. het eenvoudig, zonder al teveel poespas zijn
palikti
noun
1. een ongelukkige gebeurtenis die door de natuur veroorzaakt wordt
stichinė nelaimė
noun
2. in de natuurlijke orde van de dingen gefundeerd
darna
/na.ˈu.ru/, /naˈuru/, /ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
Nauru
/nɑuruˈwans/
pronoun
1. taal die door 6 000 mensen wordt gesproken in Nauru
nauriečių kalba
adjective
1. een geringe breedte hebbend
siauras
adverb
1. slechts in geringe mate
vos
pronoun
1. taal die het zuidwesten van de Verenigde Staten wordt gesproken door 170 duizend Navajo's
navahų kalba
pronoun
Navara
/'navəl/
noun
bamba
/ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
virkštelė
noun
laivyba
noun
1. NAVO
NATO
noun
1. interstellaire gas- en stofwolken die worden beschouwd als de geboorteplaats van de sterren
ūkas
noun
1. een biografie van een overleden persoon en/of een bespreking van diens werk
nekrologas
noun
1. de afsterving van weefsel
nekrozė
noun
1. suikerrijke vloeistof die door veel planten wordt geproduceerd
nektaras
noun
2. een perzikachtige vrucht van boom Prunus persica var. nucipersica
nektarinas
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Žemutinė Austrija
noun
1. het verlies van een strijd
pralaimėjimas
/ˈnedərˌlɑnt/, /ˈneːdərˌlɑnd/, /ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
Nyderlandai
/ˈne.dər.ˌlɑn.dər/
noun
1. inwoner van Nederland of persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit
olandas
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
  1. olandų
  2. olandiškai
/ˈne.dər.ˌlɑn.tsə/, /ˈne.dər.ˌlɑnd.sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Nederland, vrouw uit Nederland
olandė
/ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
Nyderlandų Antilai
pronoun
Žemutinė Saksonija
/neː/
interjection
1. ontkenning
ne
noun
1. mannelijke oomzegger
sūnėnas
/nen/
interjection
nee
ne
verb
1.
atsigulti
verb
2. met geweld onderdrukken
uždusinti
noun
1. hemelwater
krituliai
noun
1. het ontkennen
neigimas
adjective
1. ontkennend, afwijzend
negatyvas
/ˈne.ɣə(n)/, /ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
devyni
/ˈne.ɣən.də/, /ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
devintas
cardinalNumeral
1. het getal 99
devyniasdešimt devyni
/ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
devyni šimtai
cardinalNumeral
1. het getal 19
devyniolika
ordinalAdjective
devynioliktas
/ˈne.ɣə(n).təx/, /ˈne.ɣə(n).tɪx/, /ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
devyniasdešimt
noun
1. iemand met voorouders uit Afrika bezuiden de Sahara met lichamelijke kenmerken daarvan
negras
verb
1. doen alsof iemand of iets niet bestaat
ignoruoti
noun
1. vrouw met een donkere huidskleur en vaak zwart kroeshaar wier voorouders afkomstig zijn uit Afrika bezuiden de Sahara
negrė
noun
1. een afgelegen gehucht
vakos
pronoun
Nehemijo knyga
/nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
kaklas
/ˈne.mə(n)/
verb
1. iets vastpakken met de handen
imti
noun
neodimis
/ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
naujadaras
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
neonas
noun
neonacizmas
/ˈnepɑɫ/, /ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
Nepalas
noun
1. Chemisch element
  1. neptūnas
  2. neptūnis
pronoun
Neptūnas
noun
1. iemand die sociaal en seksueel weinig in trek is en een grote voorliefde voor intellectuele zaken aan de dag legt
moksliukas
adverb
niekur
noun
  1. 1. benaming voor bepaalde pelsdieren uit de familie der marterachtigen
  2. 1. pels van een nerts
audinė
/nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
lizdas
noun
nestoriečiai
noun
  1. 1. een geheel van fijne draden
  2. 2-6. netwerk enz.
grynas
noun
3. sport die veel lijkt op korfbal en basketbal
netbolas
noun
1. plant
dilgėlė
noun
1. tweede maag van herkauwers
tinklainis
adverb
išklotinė
noun
1. een vlies aan de binnenkant van het oog waarop een beeld wordt gevormd
tinklainė
noun
tinklas
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
pisti
pronoun
Niurnbergas
verb
1. met gesloten mond zingen
lyliuoti
noun
1. een discipline binnen de biologie en geneeskunde die zich bezighoudt met alles wat aandoeningen van het centrale zenuwstelsel betreft
neurologija
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
nervinės ląste
/nøʏs/, /nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
nosis
noun
šnervė
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
raganosis
pronoun
1.
Noizydlio ežeras
/nøˈtral/
adjective
  1. 1. geen partij kiezend in een conflict
  2. 2. natuurkunde: noch een positieve noch een negatieve lading dragend
  3. 4. scheikunde: noch zuur noch alkaline
neutralus
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
neutralitetas
noun
neutrinas
noun
neutronas
noun
neutroninė žvaigždė
noun
2. wolken in de nabijheid van de grond, ontstaan door plaatselijke oorzaken zoals door afkoeling of door menging van koude met warme vochtige lucht
migla
pronoun
1. nationale hoofdstad van India
Naujasis Delis
/nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
Niujorkas
pronoun
Nepalų bhasa
pronoun
1.
Niufaundlandas
noun
1.
niufaundlandas
noun
1. een van de voor de mens noodzakelijke vitaminen, een wateroplosbaar microvoedingsmiddel dat van belang is voor de menselijke gezondheid
niacinas
noun
Nybelungų giesmė
/ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
Nikaragva
noun
  1. 1. dochter van iemands broer of zus
    dukterėčia
  2. 3. dochter van iemands oom of tante
    pusseserė
noun
nikotinas
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
niekas
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
inkstas
noun
1. giftige plant die vroeg in het voorjaar bloeit
eleboras
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
ne
noun
nemetalas
noun
1. een apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
vielasiūlė
noun
2. nietmachine
vielasiūlė
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
sąsagėlė
noun
1. apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
vielasiūlė
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
niekas
/niβ̞/, /nyʊ̯/
adjective
  1. 1. recentelijk gemaakt
  2. woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
  3. 2. recentelijk ontdekt
  4. 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
  5. 3. huidige
  6. 5. in originele staat
  7. 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
  8. 6. vreemd, onbekend
naujas
pronoun
Naujoji Kaledonija
pronoun
1.
Naujoji Gvinėja
/niβ̞.ˈze.lɑnt/, /nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
Naujoji Zelandija
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Naujasis Pietų Velsas
pronoun
Naujieji Hebridai
noun
1. nieuwe maan
jaunatis
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
Naujasis Testamentas
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
Naujieji metai
/niu̯s/
noun
  1. 1. actuele ontwikkelingen
  2. 2. een uitzending in de media waarin berichten over actuele ontwikkelingen worden verspreid aan het publiek
naujiena
/ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
smalsus
/niu'sxirəxɛit/
noun
1. het verlangen naar kennis
smalsumas
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
čiaudėti
/'ni.ɣər/, /'ni.χər/
pronoun
  1. 1. land in West-Afrika
  2. 2. een rivier in West-Afrika
Nigeris
/ni.'ɣeː.ri.ja/, /ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Nigerija
/ˌni.ɣeː.ri.ˈjan/, /ˌni.χɪː.ri.ˈjan/
noun
nigerietis
noun
1. binnen de filosofie een begrip dat wordt gebruikt om de ontkenning van het bestaan van betekenis...
nihilizmas
/nɛɪt/
noun
1. grondige afkeer
pavỹdas
pronoun
1.
Nilas
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
  1. hipopotamas
  2. begemotas
pronoun
Neimegenas
noun
pramonė
noun
1. Chemisch element
nikelis
adverb
1. op geen enkel moment
niekada
/niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
niobis
noun
2. een hol koppelstukje
spenelis
noun
1. de hoogste staat die door de mens bereikt kan worden, en waardoor heiligheid behaald wordt; toestand van volkomen rust
nirvana
noun
vloeibare springstof
nitroglicerinas
pronoun
Niujė
noun
1. de rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, enzovoort
lygis
pronoun
Nojus
noun
1. scheikundig element
nobelis
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
Nobelio premija
conjunction
nei
/'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
būtinas
verb
  1. 1. met een naam aanduiden
  2. 2. vermelden door het uitspreken van de naam
vadinti
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
vardiklis
noun
nuga
/'nɔ.ɣɑl/
adverb
1. tamelijk, in aanzienlijke mate
pakankamai
noun
1. as met nokken
paskirstymo velenas
noun
klajoklis
adjective
1.
klajokliškas
adjective
daiktavardinis
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
vardininkas
/nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
vienuolė
noun
1.
devintadalis
/ˈnɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
dėdė
noun
1. datgene wat het toeval iemand doet overkomen
likimas
adjective
1. erg nodig
būtinas
/ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
niekada
/noːr/, /no̝ːr/
noun
1. een inwoner van Noorwegen
norvegas
/ˈnoːrd/, /ˈnoːrt/, /ˈno̝ːrt/
adverb
šiaurė
/nɔːrt ˈafrɪkɑ/, /nɔːrt ˈɑfrɪkɑ/
pronoun
gedeelte van het Afrikaanse continent ten noorden van de Sahara
Šiaurės Afrika
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
Šiaurės Amerika
/noːrd.ˈbra.bɑnt/, /no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
Šiaurės Brabantas
pronoun
het noordelijk deel van Europa
Šiaurės Europa
/noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
Šiaurės Olandija
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1.
Šiaurės Airija
pronoun
1. regio van Finland
Šiaurės Karelija
/ˌnoːrt koˈre.ja/, /ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
Šiaurės Korėja
pronoun
1.
Šiaurės Makedonija
pronoun
Šiaurės Reinas-Vestfalija
pronoun
1. Australisch territorium gelegen in het noorden van het land
Šiaurinė Teritorija
noun
1. windrichting
šiaurė
pronoun
Šiaurės sala
adverb
šiaurės rytų
pronoun
1. Noordpool
Šiaurės ašigalis
/ˈnoːrdzeː/, /ˈnoːrtseː/, /ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
Šiaurės jūra
/noːrs/, /no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
  1. norvegiškas
  2. norvegų
/noːrs/, /no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
  1. norvegų
  2. norvegiškas
/ˈnoːrˌweɣə(n)/, /ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Norvegija
/noːt/
noun
1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
riešutas
noun
1. en 2. (gepeld) zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
muskatmedis
noun
1. sport waarbij gelopen wordt met aangepaste skistokken
siaurinis ejimas
noun
normalumas
/nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Normandija
noun
nostalgija
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
notaras
noun
riešutinė
adverb
1. op dit moment
dabar
interjection
1. drukt verbazing of verontwaardiging uit
dabar
noun
1.
nuga
noun
1. de elfde maand van het jaar
lapkritis
adverb
1. op het huidige tijdstip
dabar
/nɵxtər/
adjective
1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
blaivas
adjective
branduolinis
/nykleʏs/
noun
1.
branduolys
noun
1.
nudizmas
/nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
nulis
/ˈnumeɾi/
pronoun
Skaičių knyga
adjective
1.
skaitinis
/ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
numeris
noun
1.
nuncijus
adjective
naudingas
adjective
nailonas
/o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
oazė
/oˈbɑtja/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Abdijo knyga
noun
2. mechanisme waardoor een stuk gesubduceerde aardkorst langs een subductiezone omhoog beweegt en over de subducerende tektonische plaat schuift
obdukcija
noun
1. een bediende in een restaurant of café
padavėjas
noun
1. vetzucht
nutukimas
noun
1. lens
objektyvas
noun
tamsa
verb
1. in buitensporige, ziekelijke mate boeien
būti apsėstam
noun
1. iemand die observeert, een observator, waarnemer
sekėjas
noun
1. waarneming
tirti
noun
1. (beroep) iemand die observeert (waarnemingen doet)
stebėtojas
noun
1.
kliūtis
noun
1. (muziekinstrument) een fluit die veelal gemaakt wordt van gebakken klei
okarina
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
  1. oksitanų
  2. provansalų
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
  1. okeanas
  2. vandenynas
/oseˈjani.jə/, /oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
Okeanija
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
ocelotas
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
rytas
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
pusryčiauti
noun
1,2,3. toontrap, interval en toonhoogtereeks
oktava
noun
1. C₈H18
oktanas
noun
1. achtarmige inktvis
aštuonkojis
noun
odė
pronoun
Odesa
noun
1. (medisch) waterzucht
patinimas
noun
1. test om de kennis te peilen
pratimas
/u.'ɣɑn.da/, /u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Uganda
noun
1.
apuokas
/ukraˈɦins/, /ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
  1. ukrainiečių
  2. ukrainietiškai
  3. ukrainietiškas
/ukraˈɦinsə/, /ukraˈʔinsə/
noun
1. een inwoonster van Oekraïne
ukrainietė
/ukraˈɦinə/, /ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
Ukraina
/ukraˈɦinər/, /ukraˈʔinər/
noun
1. een inwoner van Oekraïne
ukrainietis
noun
1.
juokdarys
/ˈuːrknɑl/
noun
1. de volgens de bigbangtheorie enorme explosie waaruit het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden zou zijn ontstaan
didysis sprogimas
/ˈuː.rɔs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius
tauras
noun
džiunglės
/uˈsʲɑŋka/
noun
1. muts
ausinė kepurė
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
austrė
noun
1. een vrouwelijk hormoon
estrogenai
noun
1. waterkant
krantas
/us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
Uzbekija
conjunction
1. keuze
arba
adjective
1. aanvallend
ofenzyva
noun
1.
ofenzyva
noun
1. een gave aan een godheid
auka
verb
  1. 1. wijden aan
    aukoti
  2. 3. betalen
    sumokėti
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
oficialus
noun
1. iemand die een rang in het leger bekleedt die hem of haar het bevel over...
karininkas
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
oftalmologija
noun
1. een scheikundig element met het symbool Og en het atoomnummer 118
oganesonas
adjective
matyt
noun
1. ohm
omas
noun
1. groot zoogdier dat nauw verwant is aan de giraffe
okapija
noun
  1. 1. eiland in de Oost-Chinese Zee
  2. 2. zuidelijkste prefectuur van Japan
  3. 3. eilandengroep van het Okinawa eiland en omringende eilanden
  4. 4. stad in Okinawa
  5. 5. gemeente en stadje in Ignacio Warnes
Okinava
adjective
1. met betrekking tot Okinawa of de Okinawaanse taal
Okinavų kalba
pronoun
  1. 1. een streektaal in Okinawa
  2. 2. streektaalen van Okinawa
  3. 3. dialect van het Japans
Okinavų kalba
noun
1. holte tussen de arm en de romp
pažastis
noun
1. de tiende maand van het jaar
spalis
pronoun
Spalio revoliucija
noun
1. bepaalde soort sierplant, Nerium oleander
oleandras
noun
1. vettige vloeistof
  1. aliejus
  2. alyva
noun
1. fabriek waar ruwe aardolie wordt verwerkt tot aardolieproducten
naftos perdirbimo gamykla
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
dramblys
noun
oligarchas
noun
oligarchija
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
oligomeras
noun
oligopolija
/oˈlɛɪf/, /oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
alyva
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
europinis alyvmedis
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
alyvuogių aliejus
noun
1. boom uit de iepenfamilie
guoba
/o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
Olimpinės žaidynės
pronoun
1. evenement dat eens in de vier jaar wordt gehouden waarbij allerlei wintersporten competitief beoefend worden
žiemos olimpinės žaidynės
noun
1. moeder van een ouder
senelė
/o.ˈman/, /ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
Omanas
verb
1. de armen om iemand heen slaan
apkabinti
verb
1. doden, om het leven brengen
nogalināt
/ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
nes
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
omletas
verb
1. zich eromheen bevinden
apsupti
noun
1. de nabijheid
aplinka
verb
1. de armen om iemand slaan
apkabinti
adverb
1. omhoog
į viršų
verb
1.
kadras
verb
1.
apversti
verb
1.
apversti
/ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
papirkti
adverb
1. in neerwaartse richting
apačion
verb
1. met een lijst omgeven
kadras
noun
1. iets ter verfraaiing met iets moois omgeven
kadras
noun
1. iets dat totaal anders is geworden
Slavas
noun
1. alleseter, zowel plantaardig als dierlijk voedsel
visavalgiai
verb
1. in enige woorden een definitie ergens van geven
aprašyti
noun
1. het bekleedsel aan de buitenkant van een boek.
viršelis
noun
hoe de zaken er voorliggen
aplinkybė
preposition
2. aangaande
apie
verb
1. binnen zich insluiten
apimti
verb
2. een einde maken aan een bewind
nuversti
noun
1. het afzetten van een regering, overheid of regime
nuvertimas
noun
aukcionas
verb
1. geheel omwinden met een zwachtel
bintúoti
adjective
1. geen verbinding hebbend met
nepriklausomas
noun
kulanas
adjective
1. niet behorend tot de kennis
nežinomas
noun
2.
nežinomasis
noun
1. de onverbogen werkwoordsvorm die naar persoon en getal onvervoegd is
bendratis
noun
1. gedrag dat schaamte op zou moeten roepen maar het bij die persoon niet doet
akiplėšiškumas
adjective
1.
nereikšmingas
adjective
1. zonder dat men een bloedende wond maakt; zonder bloedverlies
bekraujis
preposition
1. ook al is het zo dat
nepaisant
/ˈɔn.dər/
preposition
1. niet gesorteerd
po
/ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
dilbis
verb
1. actie ondernemen om een in gang zijnd proces tot staan te brengen
nutraukti
noun
1. kledingstuk dat onder de gewone broek wordt gedragen
apatiniai
noun
1. het gedeelte van de buik dat het dichtste bij de benen is
pilvas
/ˈɔn.dər.ˌɣud/, /ˈɔn.dər.ˌɣut/, /ˈɔn.dər.ˌχut/
noun
1. kleding die direct op het lichaam gedragen wordt, doorgaans nog onder andere kleding
apatiniai
verb
1. overleggen om tot een afspraak te komen
derėtis
/ɔndər'ɦɑndəlɪŋ/
noun
1. een proces van overleg waarbij partijen trachten tot een voor beiden aanvaardbare afspraak te komen
derybos
noun
apgyvendinimas
adjective
1. tussen de betrokken partijen
savitarpinis
noun
apatinė lūpa
noun
verslininkė
noun
1.
verslininkas
noun
1. een organisatie
įmonė
noun
skirtumas
noun
1. handtekening
parašas
noun
2.
porūšis
verb
pasirašyti
/ˌɔndərˈtitələ(n)/
verb
1. ondertiteling aanbrengen
paantraštė
noun
1. een geschreven vertaling die bij een film(pje) in beeld wordt gebracht
subtitrai
/ɔndərˈvraxə(n)/
verb
1. iemand aan een intensieve reeks vragen onderwerpen
apklausinėti
/ɔndərˈwatər/, /ˈɔndərwatər/
adverb
povandeninis
noun
  1. 1. waar iets over gaat, een thema
  2. 2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
subjektas
noun
1. de voorziening van opleidingen
  1. Švietimas
  2. auklėjimas
verb
1. scholing verzorgen voor iemand
mokyti
noun
1. iemand die lesgeeft
mokytojas
noun
povandeninis laivas
/ɔndərˈzes/
adjective
submarinas
noun
1. een vaartuig dat onder het wateroppervlak kan varen
submarinas
verb
apklausti
noun
1. iemand die een onderzoek uitvoert
tyrinėtojas
adjective
1. niet diep
seklus
adjective
1. niet mis de verstaan, met slechts één betekenis
nedviprasmiškas
adjective
  1. 1. niet helder of zeker
  2. 2. niet goed zichtbaar en/of identificeerbaar
neaiškus
adjective
dirbtinis
adjective
1. ongeschikt als voedsel
nevalgomas
adjective
1. niet conform datgene wat gebruikelijk is
neįprastas
noun
1. het vrij zijn, het zonder dwang kunnen doen wat men wil
palikti
noun
1. volledig gebrek aan schaamte (over iets waarover men zich eigenlijk wel zou moeten schamen)
palikti
/ˌɔnɣəˈlɛi̯k/, /ˌɔnχəˈlɛi̯k/
adjective
1. niet met elkaar overeenstemmend
kitoks
/ˈɔnɣəˌlɵk/, /ˈɔnɣəˌlʏk/
noun
1. een onvoorziene gebeurtenis met negatieve en soms zelfs fatale gevolgen
įvykis
noun
2. kwaal aan het lichaam
Leidenas
noun
1. menstruatie
menstruacija
/ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
autoįvykis
abbreviation
bij benadering
apie
adjective
1.
nežinomas
adjective
2. niet vaak voorkomend
neįprastas
/ˈɔnɦɛːl/, /ˈɔnɦɛːɪl/
noun
1. groot ongeluk
katastrofa
adjective
1. niet doorzichtig
alpulys
noun
1. iets dat niet op waarheid berust
klaida
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
piktžolė
/ɔnlaŋs/
adverb
1. recentelijk, niet lang geleden
neseniai
adverb
1. zonder uitstel
tuoj
adjective
1. niet te verwezenlijken
neįmanoma
adverb
nuolat
noun
1. een werkwoord dat niet vergezeld kan worden door een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in een zin
negalininkinis veiksmažodis
adjective
nenugalimas
noun
1. schadeverwekkende inbreuk op een zorgvuldigheids- of rechtsnorm waardoor burgerrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat
deliktų teisė
noun
1. niet-verplaatsbare zaak, bijv. grond, delfstoffen, beplantingen en opstallen
nekilnojamasis turtas
possessivePronoun
1. van de 1e persoon meervoud
mūsų
adjective
nemirtingas
noun
1. eerste maaltijd van de dag
pusryčiai
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
pusryčiauti
verb
1. een organisatie opheffen
paleisti
verb
1. het verwijderen van enkele of alle organen van het darmkanaalstelsel
išdarinėti
/ɔnˈdɛ.kə(n)/
verb
1. ergens achter komen
atrasti
noun
1. het vinden van iets nieuws
atradimas
verb
1. ophouden bevroren te zijn
ištirpti
noun
ekspropriacija
/ɔntəˈvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel niet genoeg te hebben en onvoldaan te zijn
nepasitenkinimas
verb
1. in het geheugen bewaren
atsiminti
adjective
1. verbijsterd, ontsteld
apstulbęs
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
neigti
noun
1. handeling of uiting waarmee iemand kan laten weten dat iets niet waar is
neigimas
noun
4.
analizė
verb
1. met iemand kennismaken en een gesprek voeren
susitikti
noun
eksplozija
verb
1. de regelmaat verstoren
netvarka
/ɔnt'slɑx/
noun
1. het verbreken van het dienstverband met een werknemer
atleidimas
verb
1. aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
pabėgti
noun
1. (medisch) ontsteking
uždegimas
/ɔndˈvaŋ(g)ə(n)/, /ɔntfɑŋə(n)/
verb
  1. 1. het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
  2. 2. het op bezoek krijgen van gasten
gauti
noun
1. iemand aan wie...
gavėja
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
pagrobti
verb
1. uit de slaap weer tot vol bewustzijn terugkeren
busti
noun
dizainas
/ɔntʋɪkələ(n)/
verb
  1. 1. iets ~ een aanwezige aanleg tot bloei brengen
  2. 2. zich ~ tot geleidelijk iets worden
  3. 3. een film ~ het latente beeld van een belicht fotografisch materiaal chemisch zichtbaar maken
  4. 4. ontwerpen en uitvoeren op basis van onderzoek
lavintis
noun
1. geleidelijke verandering in een zekere richting
vystymasis
/ɔnvɛrˈsxɪləɣˌɦɛit/
noun
1. houding waarbij men zich niets aantrekt van omstandigheden en de opvattingen van anderen
abejingumas
adjective
1. zijn verstand niet gebruikend en daardoor ook grote risico's lopend
kvailas
adjective
1. niet van tevoren zien aankomen
nelauktas
noun
esamasis laikas
/ɔnvor'deləx/
adjective
1.
nuostolingas
/ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
perkūnija
adjective
1. verbeeld
nerealus
noun
nežinojimas
noun
een variëteit van kwarts
oniksas
pronoun
1. christelijk gebed
Tėve mūsų
adjective
nematoma
noun
1.
nematomumas
/ox/, /oːx/, /oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
akis
noun
1. ooggetuige
liùdininkas
noun
1.
akiduobė
noun
akiduobė
/ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
vokas
noun
1. vrouwelijk schaap
avìs
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
  1. gandras
  2. gandriniai
/oːɪt/
adverb
1. op een zeker tijdstip in het verleden
kadaise
/oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
irgi
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
dėdė
/oːr/
noun
1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
ausis
noun
1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
auskaras
/ort/
noun
1. een bepaalde plaats
vieta
noun
2. hoofdkussen
pagalvė
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
karas
noun
1. een daad in tijd van oorlog die het oorlogsrecht of -gebruik schendt
karo nusikaltimai
/ 'orlɔxsmɪsdadəxər/
noun
1. iemand die een oorlogsmisdaad pleegt of heeft gepleegd en daarvoor individueel aansprakelijk gesteld...
karo nusikaltėlis
noun
laivas
/'orlɔxsfərklarɪŋ/
noun
1. een officiële mededeling van een land dat het oorlog gaat voeren
karo paskelbimas
/orsxɛlp/, /o̝rsχɛɫp/
noun
1. het uit het hoofd stekende deel van een oor
kaušelis
noun
kilmė
noun
pagrindas
adverb
rytai
pronoun
Rytų Azija
pronoun
1.
Rytų Berlynas
pronoun
Rytų Vokietija
pronoun
Rytų Europa
/os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
Rytų Timoras
adjective
rytinis
/ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
rytai
/ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
Austrija
/ˈo.stə.ˌrɛɪ̯.kər/, /ˈo.stə.ˌrɛː.kər/, /ˈos.tə(n).ˌrɛɪ̯.kər/
noun
1. een inwoner van Oostenrijk of persoon die de Oostenrijkse nationaliteit bezit
austras
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
Baltijos jūra
preposition
1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op
ant
noun
1. de vader van een ouder
senelis
/o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
opalas
/ˈɔˌbɛlə(n)/
verb
1. iemand telefonisch proberen te bereiken
skambinti
noun
1. een te verrichten werk
užduotis
verb
1. iemand iets te doen geven
mokestis
/ˈoː.pə(n)/
adverb
1. niet gesloten
atidaryta
noun
namų židinys
noun
1. openbaar toegankelijk personenvervoer
viešasis transportas
noun
1. laatste boek van de Bijbel
Apreiškimas Jonui
noun
apokalipsa
verb
  1. 1. laten beginnen, in bedrijf brengen
  2. 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
  3. 3. openstellen, toegankelijk maken
  4. 4. (informatica) een bestand inladen
atidaryti
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
opera
noun
1. een gebouw waarin opera's worden opgevoerd
operos teatras
noun
  1. 1. aantal gecoördineerde acties
  2. 2. een chirurgische ingreep
  3. 3. een bewerking op een object
operacija
noun
1.
operetė
noun
1. felgele delfstof, zwavelarsenicum (As₂S₃)
orpimentas
/ˈɔpɣavə/
noun
užduotis
noun
1. enthousiaste stemming, houding, instelling
pakilimas
noun
degtinė
verb
laistyti
noun
rėžimas
verb
1. een voorwerp of persoon bij iets/iemand vandaan halen
priimti
/'ɔpɦɑŋə(n)/
verb
3. aan de galg opknopen
kabėti
/'ɔpɦɛfə(n)/
verb
1. iets in opwaartse richting brengen
kélti
noun
1. opiumbevattend geneesmiddel
opiatas
noun
1. een mening of oordeel
nuomonė
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
opijus
verb
štiš!
noun
1. totaal aantal afdrukken van een drukwerk dat in één keer wordt vervaardigd
srovė
verb
1.
užpisti
noun
lavinimas
verb
  1. 1. een homogeen mengsel gaan vormen
  2. 2. een homogeen mengsel doen vormen
paleisti
noun
1. een mengsel
sprendimas
/'ɔpnam(ə)/
noun
2. geluid
įrašas
verb
  1. 1./2./3. bij noodzaak moeten gebruiken, laten doden of bewust prijsgeven
  2. 4./5. zich opofferen
aukoti
noun
oposumai
pronoun
Aukštutinė Volta
verb
1. iets voorstellen
greitasis
/ˈɔpərvlɑk/
noun
1. vlak dat iets naar boven begrenst
paviršius
/ɔpər'vlɑkəx/
adjective
  1. 1. niet diepgaand of niet grondig
  2. 2. zich aan de oppervlakte bevindend
paviršutiniškas
noun
  1. 1. vlak dat iets naar boven begrenst
    danga
  2. 2. uitgebreidheid
    plotas
verb
1.
dvišakuma
verb
1.
užpisti
noun
1. een lange, grote en diepe lepel
samtis
/ˈɔpslan/
verb
5. informatica: vastleggen of bewaren van gegevens
tausoti
noun
pervedimas
verb
1. in de hoogte springen
šokinėti
/ˈɔpstɑnt/
noun
1. een massale, vaak gewelddadige, poging het heersende gezag af te schudden
sukilimas
noun
1. iemand die zich gewapenderhand verzet tegen het heersende gezag
maištininkas
noun
1. verrijzenis
rezurekcija
noun
optika
noun
  1. 1. een van de keuzes die gemaakt kan worden
  2. 2. financieel product
optacija
verb
užpisti
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
pakelti
noun
1. iemand die alles van de positieve kant beschouwt
optimistas
noun
paradas
noun
optometrija
verb
1.
užpisti
noun
sąvoka
verb
ugdyti
noun
2. iemands algemene vorming en ontwikkeling
išsilavinimas
/'ɔpsʋɛlə(n)/
verb
1. in volume toenemen
brinkti
adjective
1. met betrekking tot de mond
oralinis
noun
1. seks waarbij geslachtsdelen met de mond gestimuleerd worden
oralinis seksas
noun
1. mensaap met lange armen en roodbruinachtig haar
orangutanas
adjective
1. de kleur oranje hebbend
  1. apelsininė spalva
  2. oranžinė spalva
  3. oranžinė
noun
1.
stepinis gelsvys
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
orchidėja
noun
  1. 1. gewenste regelmaat
  2. 2. een hiërarchische organisatie
  3. 3. (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families
eilė
noun
  1. 1. een verzoek om diensten of goederen te leveren
  2. 2. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak
įsakymas
noun
2. keukenkruid
raudonėlis
noun
  1. 1. Onderdeel van het organisme
  2. 2. Communicatiemiddel
organas
noun
1. het afstaan van een orgaan (tijdens het leven of na het overlijden) voor medische doeleinden
organų donorystė
/ˌɔrɣɑniˈzasi/, /ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
  1. 3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
  2. 1. het organiseren
  3. 2. de manier waarop iets georganiseerd is
organizacija
pronoun
Tarptautinė ekonominio bendradarbiavimo ir plėtros organizacija
pronoun
Europos saugumo ir bendradarbiavimo organizacija
/ɔr.ˈɣa.nɪs/, /ɔr.ˈχa.nɪs/
adjective
  1. 2. koolstof bevattend
  2. 1. met betrekking tot een orgaan of de organen
  3. 3. niet werkend met of vervaardigd kunstmatige stoffen
organinis
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
organizmas
noun
1. lustgevoelens bij seksuele opwinding (klaarkomen)
orgazmas
/ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
vargonai
adjective
orgiškas
/ˈɔrxi/
noun
òrgija
/ɔrk/
noun
1. fictieve wezentjes die in groepsverband leven en gewoonlijk de vijand van de mensen zijn
orkas
/ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
orka
noun
1. een bijzonder hevige storm
uraganas
/ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
orkestras
noun
ornitologija
noun
1.
ornitologas
noun
1. gecastreerde stier
jautis
noun
osciloskopas
pronoun
  1. 1. de hoofdstad en grootste stad van Noorwegen en is gelegen in het zuidoosten van het land
  2. 2. een provincie in Noorwegen
Oslas
noun
1. Chemisch element
osmis
noun
1. beenvorming
kaulėjimas
pronoun
1. de hoofdstad van Canada
Otava
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
ūdra
/aʊ̯d/, /ɔʊ̯t/, /ʌʊ̯t/
adjective
  1. 2. oud ding, concept
  2. 1. oud mens, dier
senas
pronoun
1. het Engels zoals dat tussen ca. 400 en 1100 werd gesproken en dat wordt gezien als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels en nog later het moderne Engels
senoji anglų
/ˈaʊ̯.dər/, /ˈɔʊ̯.dər/, /ˈʌʊ̯.dər/
noun
1. de moeder of vader van een kind
globėjas
noun
senatvė
/ˈaʊ̯.dərs/, /ˈɔʊ̯.dərs/, /ˈʌʊ̯.dərs/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ouder
tėvai
pronoun
1. een nu dode taal die werd gesproken in Griekenland
senovės graikų kalba
/ɑʊ̭tɦɛɪ̭t/
noun
1. het tijdperk van de geschiedenis vóór de middeleeuwen
senovės istorija
noun
archeologija
noun
archeologas
noun
Naujųjų mẽtų ìšvakarės
pronoun
1. de Slavische taal die rond de negende eeuw rond Thessaloniki gesproken werd
senoji bažnytinė slavų kalba
noun
1. een meestal instrumentaal muziekstuk dat als opening fungeert van een opera of operette
uvertiūra
noun
1. bekende Griekse alcoholische drank
ouzo
/o'val/
adjective
1. in vorm gelijkend op een ei
ovalas
/o'val/
noun
1. een figuur in de vorm van een ei
ovalas
noun
kiaušidė
/ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
krosnis
adverb
1. voorbij, gedaan
virš
preposition
  1. 1. wat betreft
    apie
    1. 2. op of langs de oppervlakte van
    2. 5. naar de andere kant van
    3. 6. meer dan
    virš
adverb
1.
visur
noun
2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
kontraktas
verb
8. een belsignaal laten klinken
skambutis
noun
1. de naam voor elk element uit het D-blok van het periodiek systeem der elementen
perėjimas metalas
noun
1. een werkwoord dat vergezeld wordt door een lijdend voorwerp in een zin, dat gewoonlijk in de lijdende vorm het onderwerp kan worden
galininkinis veiksmažodis
verb
1. braken
vemti
noun
1.
džemperis
noun
1. moeder van de grootvader of van de grootmoeder
prosenelė
/ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
prosenelis
/ovər'hastə(n)/
verb
1.
skubėti
noun
1.
skubėti
/ˈovərɦɛit/
noun
1. het geheel aan gezagvoerende lichamen
valdžia
/ˈovərˌɦɛmt/
noun
marškiniai
verb
1. in wanorde brengen
netvarka
noun
1. (te) grote haast
skubėti
/ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Overeiselis
noun
1. een jas die hoofdzakelijk als bescherming van de kleding eronder wordt gedragen
paltas
verb
1. andere kant bereiken
atvykti
verb
1. ophouden met leven
mirti
verb
1. tot boven de rand van een vat of dijk gevuld raken
perpildymas
adverb
poryt
verb
1. ergens de nacht doorbrengen
nakvoti
/ˌovərˈspɑnə(n)/
verb
2. ergens overheen spannen
apim̃ti
noun
1. seks hebben met een ander dan de echtgenoot of vaste partner
neištikimybė
noun
  1. 1. noodafvoer voor een kanaal
  2. 2. noodafvoer voor riool
perpildymas
verb
1. het tot over de rand gevuld raken van een vat
perpildymas
/ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
potvynis
adjective
1. wat in te ruime mate aanwezig is
nereikalingas
/ˌo.vər.ˌtrɛ.fən.də.ˈtrɑp/
noun
aukščiausiasis laipsnis
noun
1. sterke mening of geloof
įtikinėjimas
/ovərˈvluːdəx/, /ovərˈvluːdəç/
adjective
1. in ruime hoeveelheid aanwezig
gausus
/'ovərʋɛx/, /ovər'ʋɛx/
noun
1. een kruising van een weg met een spoorbaan
geležinkelio pervaža
/ovər'ʋeɣən/, /ˈovərʋeɣən/
verb
de voor- en nadelen bezien alvorens een beslissing te nemen
dumoti
noun
1. geweldadige onderwerping
pagrobti
verb
1. een tegenstander of zwakte onder de knie krijgen
nugalėti
noun
pergalė
verb
3. zie vertalen
išversti
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
ovuliacija
pronoun
Oksfordas
noun
oksidacija
noun
oksidas
noun
oksimoronas
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
ozonas
/pa:/
noun
1. vader
tėtis
noun
  1. 4. (heraldiek) een loodrechte band midden over een wapenschild
    Stulpas
    1. 1. een langwerpig stuk materiaal dat in de grond staat
    2. 3. een doelpaal
    stulpas
noun
1. in zee levend weekdier dat zich in hout boort, Teredo navalis
laivagraužiai
/paːrt/
noun
  1. 1. tam hoefdier met manen
  2. 3. schaakstuk
  1. arklys
  2. žirgas
noun
  1. 1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
    kiaulpienė
  2. 1. samengesteldbloemige plant Taraxacum officinale
    paprastoji kiaulpienė
noun
pupa
/'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
arklio galia
noun
žirgų lenktynės
noun
  1. 1. sporenplant
  2. 3. staart van een paard
asiūklis
/ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
arklidės
pronoun
Velykų sala
noun
1. de dag waarop christenen vieren dat Jezus opgestaan is uit de dood, op de derde dag na zijn kruisiging
Velykų Sekmadienis
/pɑsiˈfɪsmə/
noun
1. een wereldbeschouwing die duurzame vrede nastreeft en tegen oorlog en geweld is
pacifizmas
noun
aanhanger van het pacifisme
pacifistas
/pɛːt/
noun
1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
rupūžė
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
grybas
noun
1. persoonlijke dienaar van iemand
pažas
noun
puslapis
/pɑk/
noun
  1. 3. een stel bovenkleren
    kostiumas
  2. 1. pakket
    pakelis
noun
sandėlis
/ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
Pakistanas
verb
1. in de handen nemen
imti
adverb
2. zeg, neem bijvoorbeeld
sakoma
/pa.ˈlaʊ̯/, /pa.ˈlɔʊ̯/, /pa.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Palau
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
rūmai
/palejoˈɣen/
noun
1.
Paleogenas
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
paleontologija
/ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
Paleozojus
pronoun
Palermas
adjective
1.
palestiniškas
pronoun
Palestina
noun
1. een spatelvormig stuk gereedschap dat de kunstschilder gebruikt om op het palet een gebruikshoeveelheid verf van de juiste kleur te mengen
mentelė
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
palindromas
noun
1. bepaald soort langwerpige consumptievis, Anguilla anguilla
ungurys
noun
1. hansworst
juokdarys
noun
1. chemisch element
paladis
noun
  1. 2. binnenzijde van de hand
    delnas
  2. 1. (sub-)tropisch gewas
    palmė
noun
palmė
noun
alyvpalmių aliejus
/pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
keptuvė
noun
1. geneesmiddel dat alle kwalen zou verhelpen
panacėja
/ˈpa.na.ma/, /ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
Panama
pronoun
Panamos kanalas
noun
  1. 4. kanaaldeel
    pasiekti
  2. 2. een gebouw
    pastatas
/ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
pandemija
/pɑn.deʲ'ɪsmə/
noun
1. een theologische positie
pandeizmas
noun
1. bank van lening waar men geld kan krijgen als men een pand in bewaring geeft, dit pand kan men...
lombardas
noun
1. blaasinstrument dat is samengesteld uit een reeks van eentonige fluiten
pano fleita
noun
panika
noun
  1. 1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
  2. 3. volleybalterm
blynas
noun
kelnės
noun
1. benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
panteros
noun
1.
panteonas
noun
šlepetė
noun
1. toneelspel alleen maar met gebaren en lichaamsuitdrukkingen dus zonder woorden
pantomima
noun
1. informele benaming voor vader door zijn kind
tėtis
/paˈpa.ja/
noun
  1. 2. vrucht van Carica papaya
    papaja
  2. 1. meloenboom
    papajinis melionmedis
noun
1. een plantengeslacht waarin ook de opiumpapaver thuis hoort
aguona birulė
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
papūga
noun
sąvaržėlė
/pɑ'pir/
noun
1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
popierius
noun
1. bouwmateriaal dat gemaakt wordt door papier te vermengen met natte lijm
papjė mašė
noun
1. stukje papier dat men gebruikt voor het maken van krullen in het haar
akménslydininkas
/ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
Papua Naujoji Gvinėja
/ˈpaprika/, /ˈpɑprika/
noun
2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
saldžioji paprika
/ˌparaˈboɫ/
noun
1. kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt.
parabolė
noun
parašiutas
noun
1. iemand die parachutespringt
parašiutininkas
noun
1. schouwspel in de vorm van een optocht
paradas
noun
rojus
noun
paradoksas
noun
1. achtervoeging van slotklank
epitezė
/ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /ˈparaˌɡwe/
pronoun
Paragvajus
noun
gretasienis
/paralɛloˈɣrɑm/, /pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
lygiagretainis
noun
1. achtervolgingswaanzin
paranoja
/ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
skėtis
noun
parapsichologija
noun
1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
parazitas
noun
1. leer en studie van de parasieten en het parasitisme
parazitologija
noun
skėtis
noun
1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
perlas
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Numididae
patarška
/parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
perlamutras
noun
kvepalai
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
Paryžius
/pɑrᵊk/
noun
1. een groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
parkas
noun
1. plek waar auto's of andere voertuigen geparkeerd kunnen worden
stovėjimo aikštelė
noun
1. risicosport waarbij een traject met obstakels zo snel en vloeiend mogelijk moet worden afgelegd
parkūras
noun
parlamentas
noun
1. gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
parapija
/pa.ˈrɔ.xiˌkɛrk/, /pa.ˈrɔ.χiˌkɛrk/
noun
1. een lokaal kerkgebouw dat het religieuze centrum van een parochie vormt
parapinė bažnyčia
noun
1. ontsteking van het nagelbed
paronychia
noun
parsekas
noun
1. iemand die deelneemt aan een activiteit
dalyvis
/ˌpɑrtisiˈpeːrə(n)/
verb
1. ergens aan deelnemen
dalyvauti
/pɑrˈsʲeːl/
adjective
dalinis
noun
    1. 2. vereniging van gelijkgezinden die binnen een bepaald gebied hun politieke doelstellingen...
    2. 5. spel dat wordt gespeeld, potje, wedstrijd
    partija
    1. 1. persoon of groep die een overeenkomst of strijd aangaat met een andere persoon of groep
    2. 6. feestje, party
    šalis
noun
1. klein deeltje
dalelytė
noun
  1. 1. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
  2. 2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
  3. 3. iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
partneris
/pɑr.və.'ny/
noun
iškilėlis
adverb
3. niet eerder dan
iš pradžių
noun
3. identiteitsbewijs
pasas
noun
1. eenheid voor druk (symbool: Pa)
paskalis
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
Velykos
noun
pasas
noun
1. de vaste oostelijke wind die waait tussen de 30 graden noorderbreedte en 30 graden zuiderbreedte en het reizen met zeilschepen over de oceaan aanzienlijk eenvoudiger maakt
pasãtas
noun
1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
keleivis
noun
oro laineris
noun
1
aistra
adjective
1. niet zelfstandig werkzaam
pasyvus
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
valgomoji pasiflora
noun
1. de benaming voor een aantal Italiaanse deegproducten
makaronai
noun
pyragas
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
pastarnokas
adjective
1. in een toestand waarin een speler geen enkele zet meer kan doen
patas
noun
1. remise doordat een speler geen zet meer kan doen
patas
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
Patagonija
noun
1. gefrituurde aardappelreepjes
bulvytės fri
noun
kunigas
noun
1. een organisme dat een ziekte verwekt
ligos sukėlėjas
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
patologija
/pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
pacientas
noun
1.
patriarchas
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
kurapka
noun
tėvavardis
noun
sargyba
verb
patrulis
noun
1. stevig, maar smeerbaar mengsel van fijngemalen vlees
paštetas
noun
1. een grote verstembare keteltrommel zoals gebruikt in een orkest
timpanas
/pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
popiežius
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Povas
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
povas
/ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
pauzė
verb
2. even stoppen
pertraukti
noun
  1. 1. met de voet te bedienen hefboom
  2. 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
pedalas
noun
pediatrija
adjective
1. behorende tot het verlangen van een volwassene naar seksueel contact met kinderen
pedofilas
noun
1. een volwassene die verlangt naar seksueel contact met kinderen
pedofilas
noun
1.
pedofilija
noun
1. vrucht
kriaušė
/pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
sausgyslė
noun
1.
krikštasūnis
/'pexəl /
noun
2.stalactiet van ijs
varveklis
noun
1. peiling
apklausa
noun
gelti
/pɛlgrɪm/
noun
maldininkas
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
pelikanas
/peloˈtɔn/
noun
een groep soldaten
būrys
noun
1. de dichtbehaarde huid van verschillende dieren
kailis
noun
  1. 1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
  2. 2. dat gedeelte van een vulpen waarmee de inkt over het papier verdeeld wordt
  3. 3. lange, stevige veer van vogels
plunksna
noun
1. een directe vrije trap voor de aanvallende partij na een zware overtreding van de verdedigende partij binnen het strafschopgebied
baudinys
noun
penicilinas
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
varpa
noun
1.
penalas
noun
1. loon uitgesteld tot de tijd dat iemand niet langer actief is op de arbeidsmarkt
pensija
noun
pensijų fondas
noun
1. C₅H12
pentanas
noun
pentagrama
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
piparas
noun
1. een zoete koek die gekruid is met peper
meduolis
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Mentha × piperita
pipirmėtė
noun
1. vluchtige olie, uit de bladeren en bloesemtoppen van de pepermuntstruik Mentha × piperita bereid
pipirmečių aliejus
/pɛpˈsinə/
noun
1. een verteringsenzym dat in de maag eiwitten in kleine stukken breekt
pepsinas
/perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
kriaušė
noun
1. hervormingen zoals deze door Gorbatsjov werden voorgesteld in de Sovjet-Unie
perestroika
/pɛrˈfɛkt/
adjective
1. zonder enig gebrek
tobulas
noun
periferija
noun
perihelis
noun
tarpvietė
/pɪri'jodɘ/
noun
1. tijdperk
laikotarpis
adjective
1. periodisch, regelmatig terugkerend
periodinis
noun
periodinė elementų lentelė
noun
1. een dun schrijfmateriaal, gemaakt van huid van kalveren, koeien, geiten, schapen, konijnen of ezels
pergamentas
/pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
peronas
noun
  1. 1. instrument waarmee druk uitgeoefend kan worden
  2. 2. journalistieke media
spauda
noun
1. schriftelijke verklaring om iets via de media bekend te maken
pranešimas žiniasklaidai
noun
personažas
noun
  1. 1. menselijk individu
  2. 2. grammaticaal begrip
  1. asmuo
  2. žmogus
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
asmeninis įvardis
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
asmenybė
noun
asmenybės sutrikimas
/peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Peru
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
persikas
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
  1. Farsi
  2. persų
pronoun
1.
Persijos įlanka
pronoun
Pešavaras
noun
(medisch) Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis
maras
noun
pesticidai
noun
1. bepaald soort vogel, Bombycilla garrulus
svirbelis
noun
2. kruid
petražolė
noun
1.
naftos chemija
pronoun
1. discipel van Jezus
Petras
noun
2. en 3. (peulen van) Pisum sativum var. saccharatum
cukriniai žirniai
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. grotere van de twee manen van Mars
Fobas
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Finiksas
noun
1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
  1. pianinas
  2. fortepijonas
/pɪˈkɑrdɪʲə/
pronoun
regio in Noord-Frankrijk
Pikardija
noun
  1. 1. een apparaat om grammofoonplaten af te spelen
    gramofonas
  2. 2. een kleine open vrachtauto
    pikapas
noun
1. een carrosserie-uitvoering van een bestelwagen, waarbij de wagen bestaat uit een passagiers- en bestuurdersgedeelte, met daarachter een open laadbak
pikapas
noun
1. een maaltijd in de vrije natuur
piknikas
noun
3. aardappel
bulvė
/piːr/
noun
2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
molas
pronoun
1. jongensnaam
Petras
noun
1. een organische of minerale stof met een vaste kleur
pigmentas
noun
1. projectiel
  1. strėlė
  2. rodyklė
noun
1. houder voor pijlen
strėlinė
/pɛɪ̯n/, /pɛːn/
noun
1. lichamelijk leed
  1. skausmas
  2. gėla
/ˈpɛɪ̯nɑpəɫˌkliːr/, /ˈpɛːnɑpəlˌkliːr/
noun
1. klier in de hersenen, die melatonine uitscheidt
kankorėžinė liauka
/'pɛinbom/
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht van de dennenfamilie, Pinus
pušis
verb
1. het opzettelijk veroorzaken van pijn bij iemand
kankinti
/ˈpɛːinlək/, /ˈpɛːnlək/
adjective
1. pijn gevend
skausmingas
/pɛi̯p/
noun
1. buis
vamzdis
/'pɛiplɛin/
noun
1. lange buis die dient voor het transport poeders, vloeistoffen of gassen
vamzdynas
noun
  1. 1
  2. 2
piliulė
noun
1. een langgerekt verticaal bouwelement, gewoonlijk uit één stuk en met een willekeurig gevormde doorsnede
piliorius
noun
1. een bestuurder van een vliegtuig, luchtschip of race-auto
aviatorius
pronoun
1.
Pilzenas
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
mėlynoji zylė
noun
1. een dun metalen staafje waarmee iets bevestigd kan worden
segtukas
noun
1. een ouderwetse bril die op de neus geknepen werd gedragen
pensnė
/pɪn.ˈsɛt/
noun
1. een gevorkt werktuig bestaande uit twee armen waarvan de punt bijeengeknepen kan worden
pincetas
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
riešutų sviestas
/ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
pingvinas
noun
2. een éénjarig kalf dat nog alle melktanden heeft
telyčia
noun
1.
bijūnas
/piˈɔn/
noun
1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
pėstininkas
noun
1.
piratas
noun
1.
piramidė
noun
  1. 1. het beroven of plunderen van een schip op open zee
  2. 2. opzettelijke schending van het auteursrecht door het ongeoorloofd namaken van goederen of ...
piratavimas
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
šlaplė
verb
1. plassen
myžti
noun
pistacija
noun
arena
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
pistoletas
noun
1.
pitbulis
/ˈpidza/, /ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
pica
noun
1. restaurant
picèrija
pronoun
Pjemontas
noun
wijdverspreid onheil, ongemak
rykštė
noun
2.
fotografija
/plaːts/
noun
1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
vieta
adjective
1. betrekking hebbend op een bepaalde plaats
lokalinis
verb
1. op een bepaalde plaats zetten
padėti
adjective
deputatas
noun
1. moederkoek, orgaan dat verbinding vormt tussen moeder en de zich ontwikkelende vrucht in de buik van de moeder.
placenta
noun
1.
jūrinė plekšnė
/plɑˈfɔnt/
noun
  1. 1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
  2. 2. hoogste niveau
lubos
noun
plagijavimas
noun
riekė̃
noun
2.
afiša
verb
lijmen , kleven
prilìpti
noun
1. een voorgenomen handelswijze
planas
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
planeta
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
planetariumas
noun
1. stelsel van planeten om de zon of een ster
planetų sistema
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
maža planeta
/plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
lenta
noun
  1. 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
  2. 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
augalas
noun
1. een uitgestrekt stuk grond waarop ...
plantacija
noun
2. taxonomisch rijk
augalas
noun
1. dier dat uitsluitend plantaardig voedsel eet
augalėdis
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
botanika
noun
1. een verzameling van vocht
balutė
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
šlaplė
noun
1.
plazma
verb
1. via de urinebuis vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen
myžti
/'plɑstik/, /'plɛstɪk/
noun
plastisch vervormbare polymere kunststof
plastikas
adverb
1. vlak van vorm met verwaarloosbare hoogteverschillen
plokščias
noun
1. benaming voor loofbomen uit het geslacht Platanus
platanas
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
platina
noun
1. het landelijke gebied buiten de steden
kaimas
/ˈplɑtvɪs/
noun
1. een orde van vissoorten die op hun zijde op de bodem leven, en geheel plat zijn
plekšnė
noun
1. een lijst met muzieknummers die men wil afspelen
grojaraštis
noun
een sociale gebeurtenis die met ernst en ceremonieel gepaard gaat
ceremonija
noun
1. het plaatje waarmee snaren worden aangeslagen
brauktukas
noun
aikštė
/ˈplɛinˌvreːs/
noun
agorafobija
noun
  1. 1. (gipshoudend) kalkmengsel
  2. 2. zelfklevend verband
pleistras
pronoun
1. Plejaden
Plejadės
/plejoˈnɑsmə/
noun
1.
pleonazmas
noun
linksma
noun
1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen
pareiga
noun
1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
plūgas
verb
2. land met de ploeg bewerken
arti
noun
1.
artojas
noun
1. snijdend deel van ploeg
žãgrė
noun
lankstyti
noun
plunksna
/'plɵkə(n)/
verb
  1. 1. (bloemen) afbreken of oogsten
  2. 4. (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
skinti
noun
nebe-
pronoun
1.
Plutonas
noun
1. Chemisch element
plutonis
noun
1. longontsteking
plaučių uždegimas
/po/
pronoun
1. stroom in Italië
Po
noun
1. digitale radio-uitzending waarbij een audiobestand op internet wordt gezet...
podkastas
pronoun
1.
Podolė
noun
1.
podiatras
noun
1. verouderde Russische eenheid van massa
pū́das
noun
1. Frans krulharig hondenras
pudelis
noun
milteliai
noun
1. zeer fijn gemalen suiker
cukraus pudra
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis concolor
puma
noun
1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
kakis
verb
1. zijn behoefte doen
šikti
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
katė
noun
1. sociaal-economische en politieke praktijk in Rusland in het begin van de 21 eeuw
putinizmas
noun
bandymas
noun
1. staande jachthond
rodyklė
noun
1.kaartspel
pokeris
noun
2. epidemische huidziekte
raupaĩ
pronoun
1. Polaris
Šiaurinė
noun
poliškumas
/ˈpɔldəʀ/
noun
1. een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
polderis
/ˈpolə(n)/, /ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
Lenkija
pronoun
1.
Polesė
/ˈpo.lɪs/
noun
1. schriftelijke vastlegging van een overeenkomst
policija
noun
1.
polìtikė
noun
1. een discipline
politologija
noun
1. iemand die zich beroepsmatig met politiek bezighoudt
politikas
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
policija
noun
1. een persoon die belast is met hulpverlening en met de handhaving van de openbare orde en veiligheid
policininkas
noun
policijos nuovada
/poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
politika
noun
1. iemand wiens taak het is de wet te handhaven en overtreders in de kraag te grijpen
policininkas
noun
1. een vrouw die bij de politie werkt
policininkė
noun
1. stuifmeel
žiedadulkė
noun
2.(België) een diepe, grote lepel met een lange steel gebruikt voor het opdienen van soepen, sauzen e.d.
samtis
noun
1. verontreiniging
tarša
noun
1. Chemisch element
polonis
noun
anatomie: 1. gewricht
riešas
noun
1. een uurwerk dat om de pols gedragen wordt
rankinis laikrodis
noun
poliamidas
noun
poliandrija
noun
2. thermoplastisch polymeer
polikarbonatas
noun
polifonija
noun
poligamija
noun
poliglotas
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
daugiakampis
noun
1.
polimeras
noun
polimorfizmas
pronoun
1. eilanden in de Grote Oceaan of Stille Oceaan die samen Oceanië vormen
Polinezija
noun
thermoplastische kunststof, bereid door polymerisatie van propeen
polipropilenas
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
polisemija
noun
1. godsdienst met meer dan één god
politeizmas
pronoun
1. historische regio in het zuiden van de Oostzee
Pomeranija
noun
pompa
/ˈpɔmpəlˌmus/, /ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
2. een vrucht van deze boom
didysis citrinmedis
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
moliūgas
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
svaras
noun
svaras sterlingų
noun
perfojuosta
noun
kaart die tot de jaren 80 werd gebruikt voor het vastleggen van gegevens d.m.v. erin geponste gaatjes
perfokorta
noun
1. werkschuit met een vlak dek
pontonas
noun
1. een brug die bestaat uit op het water drijvende elementen
pontoninis tiltas
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
ponis
/pok/
noun
2. versnellingshendel van een auto
durti
/pol/, /poɫ/, /po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
lenkas
noun
  1. A 1. uiteinde van een draaiingsas
  2. A 2. een van beide einden van een magneet
  3. A 3. een uitzonderlijk punt waar een functie naar oneindig neigt
ašigalis
noun
1. de begrenzing van het gebied waar 's zomer de middernachtszon gezien kan worden en 's winters de nacht een heel etmaal kan duren
poliaratis
noun
1.
poliarinė pašvaistė
/poɫs/, /poːls/, /po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
  1. lenkų
  2. lenkiškai
/pol.sə/, /poɫ.sə/, /po̝ɫ.sə/
noun
1. een vrouw van Poolse komaf
lenkė
pronoun
1.
šiaurinė žvaigždė
noun
1. bepaald soort zoogdier, Alopex lagopus
poliarinė lapė
/poːrt/
noun
  1. 1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
  2. 2.
vartai
noun
letena
noun
1. speeltuig
lėlė
noun
popkornas
noun
lėlių vaidinimas
noun
  1. 1.
  2. 3. een groep organismen
gyventojai
noun
1.
tuopa
noun
1. politieke stroming die vindt dat een maatschappelijke elite de belangen van het volk verwaarloost...
populizmas
noun
pornografija
/pɔrsəlɛːn/, /pɔrsəˈlɛɪn/
noun
  1. 1. fijn, geglazuurd aardewerk
  2. 2. voorwerpen van fijn, geglazuurd aardewerk
porcelianas
noun
platte houder voor geld, kredietkaarten, naamkaartjes en dergelijke
dėklas
noun
1. geldbuidel
nedidelė piniginė
noun
1. een deel van een voorraad toebedeeld aan een bepaald persoon
dalis
noun
1. woningingang bestaande uit een open portaal binnen de voorgevellijn
veranda
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
portretas
/'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
Portugalija
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
noun
1. inwoner van Portugal
portugalas
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
  1. portugalų
  2. portugališkai
/pɔr.ty.ˈɣe.sə/, /ˌpɔr.ty.ˈχe.sə/
noun
1. vrouw
portugalė
noun
1. bepaald soort vis, Gymnocephalus cernuus
pūgžlys
verb
poza
noun
pozitronas
/pɔs/, /pɔst/
noun
1. toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
paštas
noun
1. iemand die postkaarten en brieven bezorgt bij de geadresseerden
laiškanešỹs
noun
1. postbeambte
paštininkas
noun
pašto kodas
noun
2. het postkantoor
paštas
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
paštas
noun
1.
postmodernizmas
noun
1. postcode in België
pašto kodas
adjective
1. na een letsel
potrauminis
noun
1. de vorm van een rechtopstaande mens
veikėjas
/ˈpɔseɣəl/, /ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
  1. pašto ženklas
  2. ženklas
adjective
1. mogelijkheid
galimas
/'potəx/
adjective
1. stevig uit de kluiten gewassen, weerbaar, ruig
tvirtas
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
pieštukas
pronoun
1.
Postupimas
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
kašalotas
noun
1. in ritme, maat en klank verwoorden
poezija
/prax/, /praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Praha
noun
2. een hulpmiddel in de vorm van een stuk hout en een lus die om de bovenlip aangebracht wordt om een paard rustig te houden
premsai
noun
1.
pragmatika
noun
prerija
/ˈprɑkə(n)/
verb
1. eten fijndrukken
misa
noun
1.
pralinas
/ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
prazeodimis
/ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
kalbėti
/prɑu/
noun
1. een soort kano
piroga
adjective
tikslus
noun
plėšrūnas
noun
3. (grammaticaal) gezegde
tarinys
pronoun
Mokytojo knyga
noun
pamokslas
noun
2. bureau van een prefect
prefektūra
noun
1.
preferencija
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
priešdėlis
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
poras
noun
1. een fantasiestuk of een muzikale introductie tot een muziekstuk
preliudija
noun
1. de betaling aan een verzekeringsmaatschappij voor een verzekering
premija
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
ministras pirmininkas
/ˌpresɛnˈtatsi/
noun
1. het presenteren van iets
pristatymas
noun
1. het staatshoofd van een republiek
prezidentas
noun
1. het bestuur van een vereniging (vooral van studentenverenigingen en politieke organisaties)
prezidiumas
noun
1.
prestižas
noun
linksma
/prøts/
adjective
1. zeer ingetogen, overdreven kuis
pernelyg drovus
adjective
viršutinis
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
priapizmas
noun
1. priem
yla
noun
1. priemgetal
pirminis skaičius
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
dvasininkas
noun
  1. 2. een uitzonderlijke beloning, bijvoorbeeld voor een bepaalde prestatie
    atlyginimas
  2. 1. de gevraagde geldsom bij verkoop
    kaina
/prɨk/
noun
gelti
noun
1. een bord (vaak van vilt) waar met behulp van punaises foto's en andere papierwerken op kunnen worden opgespeld
skelbimų lenta
/ˈprɪkələn/
verb
1. (herhaaldelijk) prikken
gelti
noun
  1. 1. benaming voor zoogdieren uit de orde Primates
  2. 2. kerkelijke titel
primatas
noun
  1. 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
  2. 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
princas
noun
  1. 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
  2. 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
princesė
verb
išspausdinti
/ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
  1. spausdintuvas
  2. printeris
noun
1. (elektrotechniek) plaat waarop elektronische bedrading aanwezig is, aangebracht met frees- of etstechnieken
spausdinta schema
noun
prioritetas
noun
prizmė
/proˈberə(n)/
verb
  1. 1. testen
  2. 2. onderzoeken
  3. 3. iets met succes trachten te beëindigen waarvan men niet weet of het gaat lukken
pabandyti
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
problema
/pro'sɛnt/
noun
1. een honderdste deel
nuošimtis
/proˈsɛs/
noun
2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
procesas
abbreviation
2. bekeuring
mokestis
noun
procesinė teisė
noun
gamintojas
verb
1. bij voortduring vervaardigen
gaminti
noun
1. het resultaat van een bewerking
produktas
noun
1. voortbrenging
gamyba
noun
  1. 2. experiment
    eksperimentas
  2. 4. monster
    repeticija
verb
2. smaak waarnemen
ragauti
/pro'fɛsi/
noun
1. het beroep dat iemand uitoefent om geld mee te verdienen, met kennis van zaken en met betrokkenheid
profesija
/proˈfɛsɔr/
noun
1. de aanspreektitel voor een hoogleraar
mokytojas
noun
1. het -met name financiële- voordeel dat men heeft bij een bepaalde zaak
pelnas
noun
progesteronas
noun
  1. 1. een applicatie voor de computer
  2. 3. een uitzending op radio of televisie
laida
noun
programavimo kalba
/proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
projektas
noun
proletariatas
noun
proletaras
noun
  1. 1. inleidende rede van een tekst
  2. 2. een korte tijdrit die als openingsrit wordt verreden
  3. 3. de inleiding tot een theaterstuk
pratarmė
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
prometis
noun
1. en 2. (peulvrucht van) Phaseolus coccineus
raudonžiedė pupelė
/prost/
interjection
1. heildronk
į sveikatą
noun
1. C₃H₈
propanas
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
propaganda
verb
publikuoti
noun
propilenas
noun
propeleris
adjective
1. goed schoongemaakt, netjes verzorgd
švarus
noun
1. het schoon en opgeruimd zijn als eigenschap
tvarkingùmas
noun
1.een klier tussen de blaas en de penis van de man
prostata
noun
prostatos vėžys
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
prostitucija
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
protaktinis
noun
2.
protekcionizmas
noun
1. een uiting van ontevredenheid met het gevolgde beleid
protestas
noun
1.
baltymai
noun
1. een kunstmatig lichaamsdeel
protezas
pronoun
1. hypothetische, gereconstrueerde taal waar vele Europese talen, waaronder het Nederlands en het Frans, van afstammen
indoeuropiečių prokalbė
noun
4. geheel van voorschriften en afspraken in de internationale diplomatieke omgang
protokolas
/'protɔn/
noun
  1. proton
  2. protonas
noun
1. oorspronkelijk model, eerste model van een product
prototipas
/pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
provincija
noun
proza
noun
1. een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordt
perukas
noun
2. vrucht van de pruimenboom
slyva
pronoun
Prūsija
/psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
psalmė
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
Psalmynas
/psœydoˈnim/
noun
1. een aangenomen naam waaronder men iets publiceert
slapyvardis
noun
pseudomokslas
noun
psichika
/ˌpsɪxeˈdelɪs/
adjective
1. de werking van het bewustzijn verruimend
psichodelinis
noun
psichiatras
noun
psichiatrija
adjective
1. geestelijk
psichinis
noun
1. stroming in de psychologie
psichoanalizė
/psixoloˈɣi/, /psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
psichologija
/ˌpsi.χo.ˈloχ/, /ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
psichologas
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
psichopatas
/psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
psichozė
noun
1. stroming in de psychologie
psichoterapija
/pyˈblik/
adjective
  1. 1. vrij toegangelijk , openbaar
  2. 2. wat het publiek aangaat
publika
/pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
audiencija
noun
gangbare benaming voor de status van werken die geheel vrij zijn van auteursrechten en naburige rechten
viešo naudojimo
noun
1. nagerecht, vaak zoet, koud en op basis van melk
pudingas
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Puerto Rikas
noun
pemza
/pœʏ̯n/, /pœːn/
noun
1. een massa vergruizelde steen
griuvėsiai
/pœyn(h)op/
noun
2. een bende
netvarka
noun
1. een halfverharde weg
gruñtkelis
/pœʏ̯st/, /pœːst/
noun
1. ontsteking van de huid die tot een bobbeltje leidt
spuogas
noun
spuogas
noun
1. het plaatsen van leestekens in een tekst
skyryba
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noorden van het land
Pandžabas
pronoun
1. taal die in de Punjab, zowel in India als in Pakistan gesproken wordt
pandžabų
noun
  1. 1. een spits toelopend uiteinde
  2. 1. een positie in de ruimte
taškas
noun
1. taps toelopende houder met een mesje dat bedoeld is voor het aanslijpen van een verse punt aan een potlood
drožtukas
noun
1. een leesteken dat twee nauw aan elkaar gerelateerde zinnen tot een geheel verbindt (;)
kabliataškis
noun
  1. 2. leerling
  2. 1. oogappel
vyzdys
noun
gerecht van fijngestampte of gezeefde aardappelen, tomaten, vruchten, groenten enz
misa
verb
1.
misa
noun
1. streven naar puurheid
purizmas
/pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
šulinys
noun
1. een (geweldadige) omverwerping van een legitieme regering
pučas
noun
2. distelvink
dagilis
/pyzəl/, /pʏzɔl/
noun
1. een raadsel of moeilijke opgave die men als tijdverdrijf probeert op te lossen
galvosūkis
noun
acroniem van polyvinylchloride
polivinilchloridas
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
pižama
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Pirėnai
noun
2. een vaste stof die het structuurtype heeft waarvan [1] het archetype is
piritas
noun
1. onweerstaanbare drang om brand te stichten
piromanija
noun
1. een niet-giftige en grote wurgslang
  1. pitonas
  2. smauglys
/kɑt/
noun
1. blad van een bedektzadige plant Catha edulis
arabinis dusūnas
/ka'tar/, /ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
Kataras
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
kvantas
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
karantinas
/kwɑrk/
noun
kvarkas
noun
kvazaras
pronoun
1. macrotaal die door indianen in Ecuador, Peru en Bolivia wordt gesproken
kečujų kalba
pronoun
1.
Kvedlinburgas
/kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
bolivinė balanda
noun
1. spel waarbij de deelnemers vragen moeten proberen te beantwoorden
viktorina
noun
1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
dalmuo
/rat/, /raːd/
noun
  1. 1. aanbeveling hoe om te gaan met een probleem
    patarimas
  2. 2. een orgaan dat bestaat uit leden die raadgevende of beslissende bevoegdheden bezitten
    taryba
pronoun
Europos Sąjungos Taryba
pronoun
Europos Taryba
noun
rotušė
noun
1. iets waarnaar men moet raden
mįslė
/ratsəlɑxtəx/
adjective
1. onbegrijpelijk door dubbelzinnige of verborgen informatie
mįslingas
/raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
  1. kranklys
  2. krauklis
noun
1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
langas
noun
1. gewas met een groot aantal variëteiten, waarvan keukenraap en meiraap...
ropė
adjective
1. afwijkend van gewoonlijk, verbazing opwekkend
keista
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
rabarbaras
/rɑˈbɛin/
noun
rabinas
noun
1. wedstrijd waarbij het erom gaat een bepaald traject of parcours zo snel mogelijk af te leggen
lenktynės
noun
bolidas
noun
rasizmas
noun
1. wielvormig voorwerp dat kracht overbrengt binnen een machine of op het water
ratas
noun
1. techniek
radaras
verb
1. een gissing maken naar iets
atspė́ti
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
radianas
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
ridikas
/ˈradijo/
noun
  1. 1. toestel
  2. 2. medium
radijas
adjective
radioaktyvus
noun
1.
radioaktyvumas
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
radis
noun
1. wortel uit een getal
šaknis
noun
radža
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
radonas
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Radžasthanas
verb
1. een klap, schot of stoot toebrengen
liesti
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
raketa
noun
gražgarstė
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
Avinas
noun
1. mannelijk schaap
avinas
noun
1. een harige vrucht uit de zeepboomfamilie
rambutanas
verb
1. een botsing op een vijandelijk schip veroorzaken
taranuoti
noun
1. een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
katastrofa
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Ramšteinas-Myzenbachas
noun
pagieža
/rɑnt/
abbreviation
1. een munteenheid in Zuid-Afrika
randas
/rɑnt/
noun
  1. 1. de bovenkant van een bak of vat
    kraštai
  2. 3. de buitenkant van een gebied of een ding
    randas
noun
susigaudyti
noun
1. bepaald soort vogel, Asio otus
mažasis apuokas
noun
1. schriftelijk bericht over een gebeurtenis of toestand
ataskaita
noun
1. een muziek of dichtwerk dat contrasterende delen bevat en toch een eenheid vormt
rapsodija
noun
veislė
noun
1. een grofgetande vijl die wordt gebruikt om rondingen aan hout te maken
trintuvė
verb
1. met een rasp afvijlen en fijnmaken
tarkuoti
/rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
žiurkė
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
drebulė
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
barškuolė
adverb
1. ongekookt en vers
žalias
noun
reaktyvioji varža
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
reakcija
noun
mėgintuvėlis
verb
1. op een nieuwe situatie actie ondernemen
atsiliepti
noun
realybė
noun
het reanimeren
gyvumas
/rəˈbɛl/
noun
1.
maištininkas
verb
maištauti
adjective
1. een korte tijd geleden gebeurd of begonnen
naujas
noun
1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
receptas
noun
recesija
noun
1. iemand die een politioneel onderzoek uitvoert
detektyvas
noun
1. het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
teisė
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
žmogaus teisės
/ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
teisėjas
pronoun
Teisėjų knyga
/'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
stačiakampis
adjective
1. tegenovergestelde van links
dešinys
noun
1. kennis of studie van recht
teisės mokslas
noun
1.
jurisdikcija
noun
1. het proces waarin door een rechter een oordeel wordt gevormd over een rechtszaak
jurisdikcija
verb
teisti
noun
prokuratūra
noun
teisės mokslas
/rɛx(t)sak/
noun
1. het voeren van een rechtsgeding
skundas
noun
1. de ruimte waar een rechtszitting gehouden wordt
teismo salė
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
teisingas
verb
1. onderbouwen volgens bepaalde ethische beginselen
pasiteisinti
noun
1. de overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
teisingumas
adjective
1. een dimensie bezittend die de omgekeerde is van een andere dimensie
savitarpinis
adjective
1. een dimensie bezittend die de omgekeerde is van een andere dimensie
savitarpinis
noun
1,2 informatie over, en aanprijzing van diensten, producten en ideeën
reklama
/rəˈkɔrt/
noun
  1. 1. beste prestatie
  2. 3. bij elkaar behorende gegevens
rekordas
noun
  1. 2. iemand die teksten corrigeert en klaarmaakt voor publicatie
  2. 1. iemand die berichten verzamelt en bewerkt voor publicatie
redaktorius
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
gelbėti
noun
1. iemand die iemand anders redt
gelbėtojas
noun
2. een formele toespraak
adresas
/ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
priežastis
noun
1. sierlijk slank hert, komt bijna in heel Europa voor
stirna
adverb
1. al
jau
noun
1. een stemming over een wetsvoorstel, waarbij gestemd wordt door het volk zelf...
referendumas
noun
1. verwijzing
atsigrįžimas
noun
priedainis
/ˈreɣəɫ/
noun
3. een voorschrift, richtlijn, norm
taisyklė
noun
1. een combinatie van afspraken voor een bepaalde groep
susitarimas
noun
2. ordelijke schikking in de ruimte
dažnumas
/reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
lietus
adjective
1. regelmatig regenend of neigend naar regen
lietingas
/ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
vaivorykštė
noun
1. het gekleurde vlies in het oog waarin de pupil zich bevindt
rainelė
noun
1. een tijdelijke periode van regen tengevolge van het overtrekken van een wolkenveld
dulksna
noun
1.
juoda diena
/ˈreɣə(n)ˌdrʏpəɫ/
noun
1. een druppel die als regen uit de lucht naar beneden valt
lietaus lašas
/ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
  1. lietus
  2. lyti
noun
2. herstelgroei
regeneracija
noun
1. een waterdichte overjas die geschikt is voor regenachtig weer
lietpaltis
noun
1. toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag in een bepaalde periode op een bepaalde plaats meet
kritùlmatis
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Rėgensburgas
noun
1. een paraplu
skėtis
noun
kritulių kiekis
/'reɣəʋɔrm/
noun
1. benaming voor dieren uit de familie Lumbricidae
sliekas
noun
1. een bos in een klimaat met het hele jaar door neerslag
drėgnasis miškas
noun
vidutinė kuolinga
verb
1. het uitoefenen van de politieke macht...
valdyti
/re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /rə.'ɣeː.rɪŋ/, /rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
vyriausybė
noun
1. bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
režimas
noun
pulkas
noun
1. geografisch gebied
regionas
noun
reabilitacija
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
garnys
verb
  1. 1. ~ naar: de armen uitstrekken tot iets
  2. 2. ~ tot (aan): werkzaam of aanwezig zijn tot een bepaalde grens
pasiekti
adjective
1. zonder vuil
aiškus
noun
1. vaste stof of vloeistof gebruikt bij het schoonmaken
skalbiklis
/rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
kelionė
noun
kelionių agentūra
verb
1. onderweg zijn
keliauti
/ˈrɛɪzəɣər/
noun
  1. 2. persoon die vaak reist
    keliautoja
  2. 1. persoon op reis
    keliautojas
noun
elektroninė skaičiuoklė
/ˈre.kə.nə(n)/
verb
2. in rekening brengen
mokestis
noun
  1. 1. de optelsom van te betalen bedragen
  2. 2. mogelijkheid om bij een bank onder een eigen nummer betalingen te doen en te ontvangen en geld te sparen of te lenen
sąskaita
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
aritmetika
noun
1.
abakas
noun
1. een verstoring van de openbare orde door een menigte, meestal gepaard gaand met geweld en politieoptreden
riaušės
/rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
religija
noun
reljefas
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
stabdys
/rəˈmedi/, /reˈmedi/
noun
  1. 1. een medicijn of een op genezing gerichte behandeling
  2. 2. iets dat iets anders corrigeert of iets schadelijks wegwerkt
vaistas
verb
1. snelheid doen verminderen
stabdys
/rɛn/
verb
  1. 1. een kippenverblijf
  2. 2. een snelheidsproef op de weg of in het terrein
srovė
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
šiaurinis elnias
noun
1. Chemisch element
renis
noun
[A] 1. zeer snel lopen
bėgti
noun
1. op geregelde tijden te betalen geldbedrag voor het vruchtgebruik van een geleende som geld
palūkanos
noun
remontas
noun
represija
noun
2. kopie (van een kunstwerk)
dauginimasis
/rɛp'til/
noun
1.
roplys
/repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
respublika
pronoun
Jungtinės Nyderlandų provincijos
noun
1. iemand die oproepbaar is voor militaire dienst in tijden van oorlog, oorlogsdreiging of andere situaties waarin inzet van het leger nodig is
rezervistas
noun
elektrinė varža
noun
rezonansas
/rɛsˈpɛkt/
noun
eerbied uit hoogachting of angst
pagarba
verb
  1. 1. iemand in aanzien houden
  2. 2. iets naleven
gerbti
noun
  1. 1. antwoord
  2. 2. reactie
  3. 3. in een onderzoek: deel van de steekproef dat meewerkt en data produceert
atsakymas
/rɛst/
noun
1. wat er overblijft
grąža
noun
restoranas
verb
2.vergoeden van een schade
atstatyti
/rezɵl'tat/
noun
1. een uitkomst
rezultatas
noun
1. overzicht van iemands oeuvre (waarin dus wordt teruggekeken)
retrospektyva
noun
1. een mannelijke hond
šuo
noun
  1. 1. geur
  2. 2. gewaarwording van geur via de neus
kvapas
noun
1. een buitengewoon grote man
milžinas
noun
1. verkregen door uitsmelting van varkensvet
lydyti taukai
noun
1. bepaald soort vaste plant, Equisetum telmateia
didysis asiūklis
noun
1. een beer die leeft in de hooggelegen hellingen van berggebieden in centraal China
didžioji panda
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita maxima
didysis moliūgas
noun
1-3. streven naar herziening (van het marxisme, de geschiedenis)
revizionizmas
noun
1.
revoliucija
adjective
revoliucionierius
noun
1. een handvuurwapen met een roterende trommel met kogels
revolveris
/revɔlˈveːrə(n)/
verb
grondig onderzoeken
apklausti
pronoun
Rodezija
pronoun
1. een rivier van 812 km lengte die ontspringt in Zwitserland, door Frankrijk naar het zuiden stroomt en uitmondt in de Middellandse Zee
Rona
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
šonkaulis
noun
  1. 1. de lengte van een zijde van een kubus of parallellepipedum
    viršugalvis
  2. 1. een van de platte, dunne, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
    šonkaulis
noun
ribonukleino rūgštis
noun
1.
ribosoma
pronoun
2. spelwoord voor de letter r
Ròbertas
/ˈrɪxtɪŋ/, /ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
kryptis
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
riteris
verb
1. een sterke geur of stank verspreiden
uostyti
/rim/
noun
1. een band van leer of een ander materiaal
diržas
/rit/
noun
  1. 1. plantensoort
  2. 2. onderdeel muziekinstrument
nendrė
noun
2. drinkbuisje
šiaudelis
noun
ežerinė nendrinukė
pronoun
1.
Ryga
/ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
vairuotojo pažymėjimas
/ˈrɛɪ̯də(n)/, /ˈrɛːdə(n)/
verb
  1. 3. zich voortbewegen op een rijdier (bijv. een paard)
    joti
  2. 1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
    vairuoti
pronoun
1.
Rijeka
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
turtingas
/ˈrɛik.dɔm/
noun
1. het bezitten van veel geld en goud
tur̃tas
noun
1. voormalige, landelijke, op militaire leest gestoelde, politiedienst van het Koninkrijk België
žandarmerija
noun
1. bevroren dauw
šarmà
/rɛɪ̯n/, /rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
Reinas
pronoun
Reino kraštas
noun
1. bevroren dauw
šarmà
noun
susigaudyti
pronoun
1. stad in Noord-Frankrijk nabij de Belgische grens
Lilis
/rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
ryžis
verb
  1. 1. opstijgen
  2. 2. uitzetten en luchtig worden
kilti
verb
2. de anus van de partner likken met de tong
anilingas
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
raukšlė
noun
  1. 1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
  2. 2. cirkelvormig voorwerp
  3. 3. plaats waar gestreden wordt
  4. 5. ringweg
žiedas
verb
1. dieren (vogels) voorzien van een genummerde band
skambutis
noun
1. een zangvogel uit de familie van mussen en sneeuwvinken
karklažvirblis
noun
1. Natrix natrix
geltonskruostis žaltys
/'rɪŋwɛx/
noun
1. een weg die als een ring rond een bepaald gebied ligt
lankstas
noun
1. een mogelijk gevaar voor schade
rizika
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
ritmas
noun
2. ritssluiting
užtrauktukas
adjective
ritualas
noun
ritualas
/riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
  1. upė
  2. upe
noun
1. bepaald soort slanke eetbare Euraziatisch zoetwatervis, Gobio gobio
gružlys
noun
1. een soort kreeft die in riviertjes leeft
vėžys
/rɔp/
noun
ruonis
pronoun
Ròbertas
noun
rubinas
/ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
robotas
pronoun
Ròbertas
/roˈbyst/
adjective
tvirtas
noun
1. muziek- en dansstijl
rokenrolas
noun
burokėlis
pronoun
Raudonojo Kryžiaus
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx rufus
rudoji lūšis
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
raudonasis vynas
noun
1.
rudasis peslys
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
Raudonoji jūra
/ˌro.də.ˈhɔnt/
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
raudonukė
noun
1. chemisch element met symbool Rh
rodis
noun
rododendras
/ˈrubəl/
noun
rublis
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
irkluoti
noun
1.
irklas
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
  1. kovas
  2. paprastasis kovas
noun
1. eer en glorie
šlovė
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
rumunų
/ruˈmeni.jə/, /ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
Rumunija
noun
rentgenis
/rup/
noun
1. een vrij harde klank geproduceerd met stemgeluid
rauda
/'rupi/
noun
1.
rupija
/rurɛi/
noun
1. een gerecht van gebakken eieren en losgeklopte melk
plakta kiaušinienė
noun
1. geoxideerd ijzer
rūdys
verb
  1. 3. (kippen) op stok zitten
  2. 4. (biologie) het in groepen doorbrengen van de nacht van vliegend wild
ešerys
/rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
súodžiai
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
raja
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
  1. rugiai
  2. rugys
/ˈrɔɣəbrod/
noun
1. een van rogge gebakken brood
ruginė duona
noun
1. buis- of kegelvormig kledingstuk
sijonas
/ˈroːkə(n)/
verb
  1. 1. rook afgeven
  2. 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
  3. 3. conserveren door langdurige blootstelling aan rook
rūkyti
noun
1. trap met bewegende treden
eskalatorius
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
romanas
/romaˈnɛs/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
čigonų kalba
/roˈmani/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
čigoniškas
/roˈmɑns(x)rɛɪvər/
noun
1. een mannelijke persoon die romans schrijft
romanistas
/ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Roma
adjective
1. met betrekking tot Rome
Romas
/roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
Romos imperija
noun
netvarka
noun
blusų turgus
noun
2. het gedeelte van een vliegtuig zonder vleugels en stabilo
fiuzeliažas
adjective
1. cirkelvormig
apvalus
verb
1.
klajojimas
noun
3. een rondgang om iets te controleren
patrulis
noun
žiedas
verb
1. ergens ongericht rondlopen
klajojimas
verb
1. zonder duidelijk doel van de ene plaats naar de andere gaan
klajoti
/rod/, /rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
raudonas
noun
1. bepaald soort struik, Daphne mezereum
paprastasis žalčialunkis
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
liepsnelė
pronoun
1. sprookjesfiguur
Raudonkepuraitė
noun
runkelis
noun
2. de korst van een wond
duonos plutą
noun
1. exotische roof- en zoetwatervis die voorkomt in de wateren van de Benelux, Leuciscus aspius
salatis
/ˈrovdir/
noun
1. dier dat zijn prooi bejaagt en doodt
plėšrūnas
/'rojən/
verb
1. het uit de grond halen van een oogst
iškasti
/roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
  1. dūmas
  2. dūmai
noun
1. apparaat dat een zeer luid signaal afgeeft als er rook aanwezig is
dūmų daviklis
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
grietinė
/roːs/
noun
1. bloem
rožė
noun
A2. toestel om te roosteren
ant grotelio kepti
verb
1. in de gloed van een vuur of andere warmtebron gaar laten worden
ant grotelio kepti
noun
žirgas
noun
2. een rond, pleinvormig kruispunt van wegen
žiedas
noun
1. een grote ruwe steen
uola
/ˈrɔtstœʏn/, /ˈrɔtstœːn/
noun
1. een tuin met rotspartijen en rotsplanten
alpinariumas
verb
1. een proces van fermentatie ondergaan
pūti
noun
1. Duits hondenras, stevig gebouwd, kortharig met brede kop, korte snuit en hangoren
rotveileris
noun
2. wanordelijke zaak of toestand
netvarka
noun
kelias
/ra<sup>ʊ</sup>/, /rʌʊβ̞/, /rʌːβ̞/
noun
1. grote smart of droefenis na een verlies
geludas
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
plėšikas
/roːzə/, /rɔːs/, /rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
  1. rožinis
  2. rožinė
noun
2. keukenkruid
rozmarinas
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
  1. rožančius
  2. rožinys
noun
1. kleine gedroogde vruchtjes van Vitis vinifera
razina
/ˈrɵ.bər/
noun
guma
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
raudonukė
noun
1. Chemisch element
rubidis
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
rukola
pronoun
2. spelwoord voor de letter r
Ròbertas
/rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
nugara
noun
règbis
noun
stuburas
noun
nugaros smegenys
noun
kuprinė
adjective
šiurkštus
/rœʏkə(n)/, /rœːkə(n)/
verb
  1. 2. een geur verspreiden
    uosti
  2. 1. een geur waarnemen
    uostyti
noun
1. een boeket
puokštė
/rœʏl/, /rœːl/
noun
keitimas
noun
3. heelal
kosmosas
noun
1. vaartuig geschikt om zich buiten de aardse atmosfeer te begeven
erdvėlaivis
noun
kosminė stotis
noun
1. iemand die zich buiten de dampkring van de aarde begeeft
astronautas
noun
daugkartinis erdvėlaivis
noun
1. bepaald soort zoetwatervis die zich graag tussen het riet ophoudt, Scardinius erythrophtalmus
paprastoji raudė
noun
  1. 5. figuur uit een kaartspel
    daimantas
  2. 2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
    rombas
noun
  1. 1. berijder van een rijdier
  2. 2. uitstekend stukje
raitelis
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
romas
/rʏnd/, /rʏnt/
noun
1. holhoornig herkauwend zoogdier
galvijai
/ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
jautiena
noun
1. vlinderlarve
vikšras
noun
1. een inwoner van Rusland
rusas
noun
1. autoritaire nationalistische ideologie in Rusland
rašizmas
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
Rusija
/ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
  1. rusas
  2. rusų kalba
/ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
  1. rusų
  2. rusiškai
  3. rusų kalba
/rɵst/
noun
  1. 2. tijdelijke toestand van ontspanning na arbeid, moeite of inspanning
  2. 3. periode van weinig of geen activiteit
  3. 5. moment van stilte in muziek
  4. 6. steunpunt
poilsis
noun
1.
divanas
verb
1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
ilsėtis
adjective
1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
ramus
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
rutenis
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
  1. ruterfordis
  2. rezerfordis
adjective
  1. 1. oneffen, niet glad
  2. 2. grof, onbesuisd
šiurkštus
/ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
griuvėsiai
/ˌryiˈnerə(n)/
verb
  1. 1. helemaal kapotmaken
  2. 2. iemand financieel te gronde richten
griauti
/ru.ˈwɑn.da/, /ru.ˈʋɑn.da/, /ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
Ruanda
noun
1.
rentgenas
/saɪ̯/, /saːɪ̯/
adjective
nuobodus
pronoun
1. zijrivier van de Moezel
Saras
pronoun
Saba
noun
1. bepaald soort zoogdier, Marter zibellina
sabalas
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
sabotažas
noun
diversantas
noun
1. caloriearme kunstmatige zoetstof die geen directe invloed heeft het bloedsuikergehalte
sacharinas
noun
1. een disacharide, bestaande uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid
sacharozė
noun
1. een ruimte in een rooms-katholieke kerk, waarin men alles bewaart dat nodig kan zijn om een kerkdienst te houden.
zakristija
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
safyras
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
safrāns
pronoun
1. zandwoestijn in Noord-Afrika
Sachara
/sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
Sent Vinsentas ir Grenadinai
pronoun
Sen Pjeras ir Mikelonas
pronoun
1. Duitse deelstaat
Saksonija
noun
salotos
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
  1. gonys
  2. salamandra
/ˈsalami/
noun
1. Italiaanse worst
saliamis
noun
1. regelmatige, meestal maandelijkse beloning voor werk verricht in een werkverband
alga
noun
1. het eindbedrag wanneer alle tegoeden en verplichtingen in rekening gebracht zijn
likutis
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
šalavija
/ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
Saliamono Salos
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
azoto rūgštis
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
samaris
adverb
kartu
pronoun
Laplandija
noun
1. een bevolking die een sociaal geheel vormt
visuomenė
noun
2. verbinding van twee of meer zelfstandige woorden
sudėtinga žodis
verb
1. met een of meer aan hetzelfde werken
drauge dirbti
/sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Samoa
/ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
samurajus
pronoun
1. Baltische taal gesproken door 500 duizend mensen in Litouwen
žemaičių tarmė
pronoun
  1. Samuelio knyga
  2. Samuelis
/ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
San Marinas
/'sɑŋksi/
noun
1. strafmaatregel
sankcija
/sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
sandalas
/ˈsɑntwɪtʃ/
noun
sumuštinis
noun
1. een Spaanse licht-alcoholische drank
sangrija
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
sanskritas
/saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
San Tomė ir Prinsipė
/sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Saudo Arabija
noun
1. plantenvocht
sultys
noun
1. plant die van organisch afval leeft
saprotrofai
noun
1.
sarkazmas
noun
sarkoma
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Sardinija
/ˈsatɑn/
pronoun
Šėtonas
noun
1. aanbidding van Satan
satanizmas
/sɑtɛ'lit/
noun
palydovas
noun
satyra
pronoun
1.
Saturnas
/saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Saudo Arabija
/saˈul/
pronoun
2. jongensnaam
Saulius
/'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
  1. pirtis
  2. sauna
/sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
padažas
/ˈsa.va/
pronoun
1. een rivier in Zuidoost-Europa met een lengte van 940 km.
Sava
verb
1. schrijven van digitale gegevens naar een gegevensdrager
tausoti
noun
1. en 2. (bladeren van) Brassica oleracea convar. capitata var. sabauda)
  1. savojinis kopūstas
  2. lapiniai kopūstai
/sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
saksofonas
noun
1. een bijzonder scherp, na gebruik weg te gooien mesje dat o.a. gebruikt wordt bij medische operaties
skalpelis
pronoun
1. Denemarken, Noorwegen en Zweden.
Skandinavija
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
skandis
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
skeptras
noun
1.
skepticizmas
/ˈskɛptɪs/
adjective
1. geneigd tot twijfel
twiefelêr
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
oblius
noun
nubrozdinimas
noun
2. het schaakspel als zodanig
šachmatai
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
šachmatai
/ˈsxakstʌk/
noun
1. een onderdeel van het schaken dat over het schaakbord bewogen wordt.
šachmatų figūra
noun
  1. 3. verhouding van de grootte tussen een model en een echt voorwerp
  2. 4. bepaalde ijking op een grafiek, as of eenheid
mastas
/sxaːldir/
noun
1. een dier met een schaal als uitwendig skelet
vėžiagyviai
noun
1.
gakta
noun
1. huidplooi bij de opening van de vulva, aan beide zijden van de vagina
lytinės lūpos
noun
1. kleine parasieten die voorkomen in het schaamhaar, maar ook op wimpers...
kirkšninė utėlė
/'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
gėda
adjective
1. zonder schaamte
begėdiškas
pronoun
1.
Šanas
noun
1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
avis
noun
piemuo
noun
1. werktuig om te knippen
žirklės
adjective
1. weinig in aantal of hoeveelheid
kaip reta
noun
1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
pačiūža
noun
1. geheel van beschadigingen
žala
noun
žalos atlyginimas
/ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
šešėlis
noun
1. de minder plezierige zijde van iets
užpakalis
verb
1. blaasinstrument met een rechte conische boring en een los dubbel riet dat de toon vormt
birbynė
noun
1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
skandalas
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
gėda
noun
1. een paal op een plein, waaraan mensen bij wijze van straf werden vastgemaakt om vernederd...
gėdos stulpas
noun
1.
dėmė
noun
1. een wintersport waarbij op skis van een helling (de schans) gesprongen wordt. Het doel daarbij is om zowel zo ver als zo mooi mogelijk te springen
šuoliai su slidėmis
noun
1. een plank om iets op te zetten
lentyna
noun
1. het vlees van een schaap
avíena
/sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
lankstas
noun
3. vogel uit de familie van de scharrelaars
žalvarnis
noun
1. verzamelde rijkdom
lobis
adjective
1. leuk, aardig, enig
dailus
verb
1. gladmaken door middel van een schaaf.
tarkuoti
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
makštis
/'sχedəl/
noun
  1. kaukolė
  2. galvos griaučiai
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
blauzda
/ˈsxenben/
noun
blauzdikaulis
noun
1. het verkeer op het water
laivininkystė
/ˈsxɪːrkʋɑst/
noun
1. een dikke kwast waarmee men scheerzeep aanbrengen
skutimosi šepetėlis
/sxeːrmɛs/, /sχɪːrmɛs/
noun
1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
skustuvas
/sxet/, /sχet/
noun
1. gasontlading uit de darm
bezdalas
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
chemija
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
cheminis
noun
chemikas
/sxɛlp/
noun
1. een uit kalk gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier wordt aangemaakt
kriauklė
noun
1. bepaald soort kabeljauwachtige consumptievis, Melanogrammus aeglefinus
juodadėmė menkė
noun
schema
/ˈsxemər/
noun
1. de periode van verminderend licht tussen dag en nacht
saulėlydis
noun
saulėlydis
noun
saulėlydis
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
sutemos
noun
1. flauw licht in de vroege ochtend of de late avond
saulėlydis
pronoun
Šengenas
/'sxɛŋ.kə(n)/
verb
1. geven
dovanoti
noun
1. lepelvormig werktuig
kastuvas
/ˈsxɛpə(n)/
verb
1. doen ontstaan uit niets
kurti
noun
1. iets nieuws dat uit het niets gemaakt is
kūriniai
noun
1. creatuur; iets dat gemaakt is
padaras
/sxeːrə(n)/, /sχɪːrə(n)/
verb
  1. 1. baard afsnijden
  2. 2. zich de baard kort afsnijden
skusti
noun
1.
fechtuotojas
adjective
1. goed snijdend
aštrus
noun
eskizas
verb
1. met een minimum van pennenstreken een voorlopige en gewoonlijk uitwisbare afbeelding van iets maken
piešti
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
skorbutas
/sxʏːrə(n)/
verb
1. in twee of meer delen trekken
plyšti
adverb
beveik
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
pusiasalis
/ˈsxi.tə(n)/, /ˈsχi.tə(n)/
verb
1. een projectiel afvuren met een wapen
šaudyti
noun
1. een draad met loden balletje om de loodrechte stand van iets te onderzoeken
lotas
noun
1. (industrie) een draaibare klos in een schuitje die bij het weven door het vak van de ...
šaudyklė
verb
3. straling uitzenden
šviesti
noun
1. een procedure die tot doel heeft slechts de illusie of schone schijn op te houden
farsas
/sxɛɪt/
noun
1. vaste uitwerpselen
šūdas
/sxɛɪtə(n)/, /sxɛːtə(n)/, /sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
kakoti
noun
1. buitenste bekleding van een vrucht
žievė
/sxɪlt/
noun
1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
skydas
noun
1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
dažytojas
adjective
vaizdingas
noun
1. het zo mooi zijn dat het de moeite waard is om er een schilderij van te maken
vaizdingumas
/ˌsxɪldə'rɛː/, /ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
tapyba
/sxɪldkliːr/, /sxɪɫtkliːr/, /sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
skydliaukė
noun
ginklanešys
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
vėžlys
noun
2. rijk binnen de eukaryoten, Fungi
grybų karalystė
noun
  1. 1. groot zeewaardig vaartuig
  2. 2. grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk
laivas
noun
1. gesteente
skalūnai
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
  1. šizofrenija
  2. šizofrènija
noun
1. gepaneerd kalfsvlees
šnicelis
verb
1. van schoeisel voorzien
batas
noun
1. alles wat men om de voeten heen kan dragen, zoals schoenen en laarzen
avalynė
/sxun/
noun
1. voetbekleedsel
  1. kurpė
  2. batas
noun
1.
batasnapis
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
škuna
noun
batsiuvys
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
bãtraištis
/ˈsxɔfəl/, /ˈsχɔfəɫ/
noun
1. een horizontaal liggend scherp geslepen mes van staal dat bevestigd is aan een houten steel
kaplys
noun
1. schouder van paard of rund
kryžius
noun
1. apparaat dat schokken kan opvangen
amortizatorius
noun
1. mechanisme om schokken te dempen
amortizatorius
noun
1. bepaald soort platvis, Pleuronectus platessa
jūrinė plekšnė
noun
1. zwart-witte waadvogel met luide roep, Haematopus ostralegus
jūrinė šarka
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
mokinys
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
sūpynės
verb
1. op een schommel heen en weer bewegen
suptis
/sxoːl/, /sxoːɫ/, /sχoːɫ/
noun
  1. 1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
  2. 2. een zwemmende groep gelijksoortige vissen
mokykla
noun
klasės lenta
/sxoːn/
adjective
  1. 1. mooi
    gražus
  2. 2. proper
    švarus
/ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
svainis
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
marti
/ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
  1. gražumas
  2. grožis
noun
grožio konkursas
/ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
uošvė
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
uošvis
noun
1. de man van een dochter of zoon
žentas
/ˈsxonzʉs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
brolienė
noun
1. de echtgenote van broer of zus, of de zus van de echtgenoot of echtgenote
brolienė
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
kaminas
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
kaminkrėtys
/ˈsxoːrwɑl/, /ˈsxoːrβ̞ɑl/, /ˈsχɔːrʋɑl/
noun
1. een lange, smalle landtong die gevormd wordt door afzetting van zand in een bocht van de zeekust, en die de bocht op deze manier geheel of gedeeltelijk afsluit van de open zee
nerija
noun
1. trappende aanraking met de voet
spyris
/'sxɔ.pə(n)/
noun
1. kaartkleur
pikai
/'sxɔ.pə(n)/
verb
1. een trap geven
spardyti
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
skorpionas
noun
1. een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen ...
prijuostė
noun
1. een persoon afkomstig uit Schotland
škòtas
noun
1. afvuren
šūvis
/ˈsxɔtlɑnt/, /ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Škotija
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
petys
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
mentė
noun
2-3 schoorsteen
namų židinys
verb
1.
braižyti
verb
grandyti
/sxreu̯/, /sχrɪːu̯/
noun
1. een luide (uit)roep
šauksmas
/ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
rėkti
verb
raudoti
/srɪft/, /sxrɪf/, /sxrɪft/
noun
  1. 3. de letter- en cijfertekens van een taal
  2. 4. de lettersoort gebruikt in boeken, teksten en inscripties
raštas
/ˈsrɛɪ̯fbəˌnodəχtˌhedə(n)/, /ˈsxrɛɪ̯fbəˌnodɪxtˌhedə(n)/, /ˈsxrɛːfbəˌnodəxtˌhedə(n)/
noun
1. pen, papier en andere zaken die men nodig heeft om te kunnen schrijven
biuro reikmenys
noun
1. stapel schrijfpapier
nešiojamas kompiuteris
noun
1. een mechanisch apparaat, voorzien van druktoetsen waarmee schrifttekens op papier gezet kunnen worden
rašomoji mašinėlė
/ˈsrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛːfstər/
noun
1. een persoon van het vrouwelijk geslacht die op professionele manier boeken of verhalen schrijft
autorė
/sxrɛɪn/, /sçrɛːn/
noun
kistje
šventovė
/ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
rašyti
/ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
rašytojas
noun
1. een jaar met 366 dagen
keliamieji metai
noun
1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
sraigtas
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
atsuktuvas
/sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
žvynai
/sxʌʏm/
noun
1. iets dat veel luchtbellen bevat
puta
noun
1. een soort wijn die koolzuurbelletjes bevat
putojantis vynas
noun
rėžimas
/sxœyt/
noun
1. een eenvoudig open vaartuig
valtis
verb
1. over de grond verplaatsen
brukti
noun
2. een verantwoordelijkheid die iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
kaltė
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
kreditorius
noun
1. iemand die iets (meestal geld) aan iemand anders verschuldigd is
skolininkas
/sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
piktadarys
/sxyːr/, /sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
  1. svirnas
  2. kluonas
noun
1. ziekelijke verharding
sklerozė
/ˈskrɪp.si/
noun
1. een werkstuk over een (literatuur-) onderzoek dat gemaakt wordt om een opleiding te kunnen voltooien
disertacija
noun
1.
kapšelis
noun
1. beeldhouwwerk
skulptūra
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
  1. syborgis
  2. siborgis
noun
  1. 1. SI-grondeenheid van tijd
  2. 5. een interval met een toonafstand
sekundė
/səkrəta'rɛsə/
noun
vrouw
sekretorius
/səkre'tarəs/
noun
1. functie in organisatie
sekretorius
noun
1. hoge functionaris binnen grote organisaties, zoals de Verenigde Naties, NAVO, FIFA
generalinis sekretorius
/'sɛktɔr/
noun
  1. 1. een deel van een cirkel in de vorm van een taartpunt
  2. 3. de kleinste eenheid van een harddisk die in één bewerking door een lees/schrijfkop kan verwerkt worden
sektorius
/səkʏnˈdɛːr/
adjective
antrinis
pronoun
Sedna
pronoun
Sofonijo knyga
/sɛɪn/
noun
3. een verkeerslicht of verkeersbord voor treinen
semaforas
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Sena
verb
1. geven van een teken
signalizuoti
noun
1. een toestel dat beweging en of trillingen van de aardkorst waarneemt en registreert
seismografas
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
seismologija
noun
1. een toestel dat beweging en of trillingen van de aardkorst waarneemt en registreert
seismografas
/sɛɪ̯.ˈzun/, /sɛː.ˈzun/
noun
1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
metų laikas
/sɛks/
noun
2. geslachtsgemeenschap
seksas
noun
1. sekse
lytis
noun
seksizmas
noun
seksualumas
/sɛksy'el/
adjective
1. op de geslachtsdrift betrekking hebbend
lytinis
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
lytiniu keliu plintanti liga
/ˌsɛksʏwolo'ɣi/
noun
seksologija
/ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
sekta
noun
1. tuinkruid, vergelijkbaar met peterselie, maar dan met een veel sterkere smaak
salieras
noun
1. bepaald soort plant, Apium graveolens
salieras
noun
1. Scheikundig element met symbool Se en atoomnummer 34
selenas
noun
selenas
/sɛlfi/
noun
1. een foto die iemand van zichzelf heeft genomen
asmenukė
noun
1. pieper
peidžeris
noun
1. taalkunde
semantika
noun
een half jaar
semestras
noun
semiotika
noun
senatas
noun
senatorius
/ˈse.ne.ˌɣɑl/, /ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Senegalas
noun
1. sterke beroering door een verrassend voorval of bericht
sensacija
/ˈsɛnsɔr/
noun
1.
jutiklis
noun
sentimentas
noun
separatizmas
noun
1. negende maand van het jaar
  1. rugsėjis
  2. rugsėjo
noun
1.
septinta
noun
1.
septinta
adjective
1. infectiewekkend, bederfwekkend
limpamas
/seˈkoja/, /seˈkɔja/
noun
1.1 benaming voor bomen uit het geslacht Sequoia
sekvoja
noun
1. een rang onder de onderofficieren
seržantas
noun
1. een aantal elementen op volgorde
serija
noun
serijinis žudikas
/sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
alyva
noun
1. een slang
serpentas
noun
2. gebouw(tje) met veel glas voor het kweken van planten
šiltnamis
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
serveris
/sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
servetėlė
/ˈsʏːrvɪs/
noun
1. bediening, diensten ten behoeve van de klanten.
paslauga
/ˈsɛrvis/, /ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
  1. serbų
  2. serbiškai
/ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
Serbija
/ˈsɛrvi.jər/
noun
1. een inwoner van Servië, of iemand afkomstig uit Servië
Serbų kalba
/sɛrvoːkroːˈaːtis/
pronoun
serbų-kroatų kalba
noun
1. verzameling
aibė
noun
šešta
/se.ˈʃɛ.lə(n)/, /sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
Seišeliai
noun
1. het geheel van gedachten en gevoelens die de gemoederen in een bepaalde omgeving bezighouden
atmosfera
noun
1.
sfinksas
/ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
šampūnas
noun
1. een Spaanse versterkte wijn
cheresas
noun
1. klein hondenras, afkomstig uit Tibet
Ši Cu
noun
šintoizmas
noun
1. hemdachtig kledingstuk
marškiniai
/ʃɔk/
noun
1. een toestand die ontstaat door acute te geringe bloedtoevoer naar weefsels door ondervulling van het slagaderlijk systeem
šokas
noun
1. een schaatsdiscipline waarbij op een baan van 111,12 meter op diverse afstanden geschaatst wordt door meerdere rijders tegelijk
greitasis čiuožimas trumpuoju taku
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
SI (sistema)
noun
mėlynasis strazdas
pronoun
Sibiras
/sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
Sicilija
noun
1. bepaald soort grote, palingachtige vis die zware stroomstoten kan afgeven, Electrophorus electricus
elektrinis ungurys
/ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
Siera Leonė
noun
1.
gėlininkystė
noun
cigaras
/sɪɣɑˈrɛt/, /sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
cigaretė
/sɪɲˈaːl/
noun
1,2,3,4,5,6. vorm van informatie
signalas
verb
1. langzaam wegvloeien
skverbtis
noun
1. benaming voor een hoefdier Cervus nippon
dėmėtasis elnias
/ˈsɪkəl/
noun
1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
pjautuvas
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
Sikimas
/siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
Silezija
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
siluetas
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
silicis
pronoun
2. spelwoord voor de letter s
Suzana
/sɪmpəł/
adjective
1. zonder veel complicaties
paprastas
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
apelsinas
noun
1. een vruchtensap die uit sinaasappels bereid is
apelsinų sultys
pronoun
1.
Zindelfingenas
preposition
1. sedert, vanaf het moment dat
nuo
/sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /sɪŋ.gɑ.poːr/, /sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Singapūras
noun
1. kort onderhemd zonder mouwen
viengubas
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Zinsheimas
/ˌsɪntøˈsta(t)sijʏs/
pronoun
Sint Eustatijus
/sɪnt.'maːr.tən/
pronoun
1. eiland in het noordoostelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
San Martenas
noun
1. bepaald Zwitsers ras van grote dogachtige honden
senbernaras
noun
1. Pecten jakobeus
šukutės
noun
paprastoji jonažolė
pronoun
1.
Šventasis Laurynas
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
Sankt Peterburgas
noun
1. een ontsteking van een bijholte van de neusholte
haimoritas
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
sirenà
pronoun
1. Sirius
Sirijus
/siro:p/
noun
sirupas
noun
1.
sitaras
noun
1. een langwerpige lap stof die om de hals gedragen wordt
šalikas
/ʃɑ'blo:n/
noun
šablonas
verb
1. op minder fatsoenlijke manier handel drijven
leistis į smulkmenas
noun
1.
šachas
noun
1. aan een spit geroosterde stukjes vlees en paprika
šašlykas
/'ʃɛkɛl/
noun
1.
šekelis
noun
Šiizmas
verb
1. lopen met een zware lading
vilkti
noun
riedlentė
noun
1. iemand die skatet
čiuožėjas
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
griaučiai
noun
slidė
noun
1.
scinkas
verb
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
slidinėti
/skiər/
noun
1. een mannelijk iemand die aan skiën doet
slidininkas
/ˈskɔp.jə/
pronoun
1. de hoofdstad van Noord-Macedonië
Skopjė
noun
  1. 1. plant van de soort Lactuca
    salota
  2. 2. plant Lactuca sativa
    sėjamoji salota
/slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
vergas
verb
1. een klap uitdelen; met de arm of een vastgehouden voorwerp een snelle, rakende beweging maken
mušti
/slap/
noun
  1. 1. periode van inactiviteit
    miegas
  2. 3. zijvlak van het hoofd
    smilkinys
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
miegamasis
noun
1. melodie met eenvoudige tekst die gezongen wordt om een kind in slaap te krijgen
lopšinė
noun
1. een geneesmiddel dat slaap veroorzaakt
migdomoji tabletė
noun
1. iemand die loopt in een toestand van verminderd bewustzijn
somnambulas
noun
miegmaišis
/slɑxtə(n)/
verb
1. een dier doden voor het vlees of als offer
skersti
noun
1. slachthuis
skerdykla
/ˈslɑx.hœːs/, /ˈslɑxt.ɦœːs/, /ˈslɑχ.tœʏ̯s/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
skerdykla
noun
  1. 1. een dier dat gedood wordt als offer voor een godheid
  2. 2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
  3. 3. in het bijzonder iemand die sterft (of gewond raakt) ten gevolge van een gebeurtenis (ramp of gewelddaad)
auka
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
arterija
/ˈslaːɣə(n)/, /ˈslaːχə(n)/
verb
2. het examen succesvol beëindigen
išlaikyti
noun
1. een verkoper van vlees
mėsininkas
/'slɑxhɑut/
noun
1.
durti
noun
plakta grietinėlė
/ˈslaxfɛlt/
noun
1. een gebied waarop een militair treffen tussen twee legers plaatsvindt of plaatsgevonden heeft
mūšio laukas
noun
  1. 1. een buikpotig weekdier (huisjesslak)
  2. 1. een buikpotig weekdier (wijngaardslak)
sraigė
verb
greitasis
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
gyvatė
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Gyvatnešis
noun
nemiga
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
miegoti
/ˈsla.pə.rəx/, /ˈsla.pə.rəχ/, /ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
mieguistas
/ˈsla.pə.rəx.ˌɦɛːt/, /ˈsla.pə.rəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /ˈsla.pə.rɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
2. de neiging te gaan slapen
mieguistumas
noun
1. sla als plant
salota
noun
1.
vergovė
noun
vérgas
adjective
slavų
pronoun
Slavas
pronoun
1.
Slavonija
/slɛçt/
adjective
1. niet goed
blogas
adverb
1. alleen maar, vervoeging van slecht
tik
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
sakalas keleivis
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
rogės
noun
1. bepaald soort plant met blauwe vruchten, Prunus spinosa
dygioji slyva
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
vilkikas
pronoun
Šlėzvigas-Holšteinas
noun
kalė
/sløːtəl/, /sløːtəɫ/, /ˈslø.tɔɫ/
noun
  1. 1. werktuig om te (ont)sluiten
  2. 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
  3. 3. een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
raktas
/ˈsløtəɫˌɦɑŋər/
noun
1. ring om sleutels aan te hangen, vaak voorzien van een logo of label.
raktų pakabukas
/slɛːk/, /slɛːɪk/
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
dumblas
/slɛɪm/
noun
1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
gleivės
noun
1. slijm afscheidend membraan
gleivinė
noun
galąstuvas
/slɛɪ̯.ˈta.zʲə/, /ˈslɛɪ̯.taːʃ/
noun
1. schade die door langdurig gebruik geleidelijk aangericht wordt
erozija
verb
  1. 1. de slokdarm in
  2. 2. verdragen
ryti
noun
vainikas
/slɪpə(n)/
verb
1. door gladheid over de weg schuiven
slysti
verb
1. foutieve uitspraak van de letter s
švepluoti
noun
1. een brandewijn gedestilleerd uit gefermenteerde pruimen
slivovica
/slɔf/
noun
1n een comfortabel soort schoeisel bedoeld om in huis te gedragen te worden
šlepetė
noun
stemplė
/sloːt/
noun
1. smal watergang om of tussen weilanden
griovys
noun
  1. 2. een middeleeuwse versterkte woning
    spyna
  2. 1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
    užraktas
noun
šaltkalvis
/sloˈvens/, /sloˈveːns/, /sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
  1. slovėnų
  2. slovėniškai
/sloˈveni.jə/, /sloˈveːni.jə/, /sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
Slovėnija
/slo.ˈwaks/, /slo.ˈʋaks/, /slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
  1. slovakų
  2. slovakiškai
/ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Slovakija
noun
šydas
noun
šliuzas
verb
  1. 1. toedoen, dichtmaken
  2. [een overeenkomst] sluiten
uždaryti
noun
  1. 2. gewaarwording bij het proeven van eten en drank
  2. 3. bepaalde subjectieve voorkeur
skonis
adjective
1. met een geringe breedte
siauras
noun
smaragdas
/smɑrt/
noun
liūdesys
noun
1. harde slag
daužti
noun
1. atelier, werkplaats van een smid, smederij
kalvė
noun
kyšis
noun
tepalas
noun
taukė
noun
1. afscheiding die men onder de voorhuid van de penis kan aantreffen
smegma
/smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
maldauti
noun
startsakalis
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
leistis
/smɛltpʌnt/
noun
1. de temperatuur waarbij iets gaat smelten
lydymosi temperatūra
adjective
1. Bijzonder vuil
bjaurus
noun
2.
dėmė
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
kalvis
noun
1. smient
cyplė
/smɛitə(n)/
verb
1. hard gooien of werpen
mesti
noun
kontrabandininkas
verb
1. iemand of iets het ademen beletten
uždusinti
noun
1. strip- en tekenfilmfiguur in de vorm van een soort blauwe kabouter met een wit mutsje
smurfas
noun
  1. 2. lang zeer dun rond en flexibel voorwerp
    styga
  2. 2. schoondochter
    marti
noun
1. muziekinstrument met snaren
styginių instrumentas
noun
stygų teorija
/ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
snapas
/sne/
noun
2. een afgeneden plak, meestal van brood
riekė̃
noun
1. bepaald soort vis die in de middenloop van een rivier leeft, Chondrostoma nasus
skersnukis
/sneʊ̯/, /sneːβ̞/, /snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
sniegas
/ˈsneʊ̯bɑl/, /ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
sniego gniūžtė
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
snigti
noun
snieginė žąsis
noun
1.
sniegstartė
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
tundrinė žvyrė
/'snewjɑxt/
noun
1. sneeuwval bij harde wind
pūga
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
senis besmegenis
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera uncia
irbis
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
senis besmegenis
/'snew.stɔrm/
noun
pūga
noun
1. bepaald soort vogel, Bubo scandiacus
baltoji pelėda
noun
snigimas
/'snewvlɔk/
noun
1. een kleine massa aaneengehechte sneeuwkristallen
snaigė
noun
1.
pliurza
pronoun
Snieguolė
/snɛɫ/
adjective
greitas
noun
1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
skuba
verb
srovė
noun
greitasis
/'snɛlʋɛx/
noun
1. een grote brede weg speciaal voor motorvoertuigen
automagistralė
/ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
kirpti
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Scolopacidae
tilvikas
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
lydeka
noun
1. bepaald soort zoetwaterroofvis, Sander lucioperca
starkis
noun
dailus
noun
1. beharing
ūsai
noun
1. een slijmerige afscheiding uit de neusholte
snarglys
noun
1. soort skiplank
snieglentė
noun
1. reukorgaan van dieren
snukis
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
knarkti
noun
1. verzamelnaam voor internetsites waar groepen mensen online onderling...
socialinė žiniasklaida
noun
1. verzamelnaam voor internetsites waar groepen mensen online onderling kunnen communiceren
socialinė žiniasklaida
noun
socializmas
noun
socialistas
pronoun
1. officiële naam van Joegoslavië van 1963 tot 1992
Jugoslavijos Socialistinė Federacinė Respublika
noun
1. wetenschap
sociologija
noun
sociologas
/su.ˈdɑn/, /zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
Sudanas
noun
sufizmas
noun
sunizmas
noun
1. vloeibaar gerecht
sriuba
noun
suverenitetas
noun
sofizmas
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
programinė įranga
noun
sojų padažas
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
kojinė
noun
1. een voetstuk, voornamelijk voor beelden
pjedestalas
/sɔlˈdaːt/
noun
  1. 1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
    kareivis
  2. 2. termiet of mier die vooral op roof uitgaat, of het nest verdedigt
    karys
noun
1. een stuk gereedschap om mee te solderen
lituoklis
noun
solidarumas
noun
solipsizmas
/sɔm/
noun
2. munteenheid van Kirgizië
somas
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Somalië
somalių
/so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
Somalis
noun
1. instrumentaal muziekstuk
sonata
noun
  1. 1. een peilstift om de ruimte binnen een lichaam te verkennen, of om er gegevens op te nemen
  2. 3. een onbemand ruimtevaartuig
zondas
/ˈsɔːrt/
noun
  1. 2. een groep levende wezens die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
    rūšis
  2. 1. een groep voorwerpen die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
    tipas
pronoun
1. een groep Slavische talen die wordt gesproken in het oosten van Saksen en het zuidoosten van Brandenburg
  1. sorbiškai
  2. Sorbiškai
noun
1. klein voorwerp dat helpt om aan een prettige ervaring met een plaats of persoon terug te denken
suvenyras
pronoun
Tarybų Sąjunga
/ˈspakbeɪn/
noun
bot in de onderarm
stipinkaulis
/spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
  1. ispanų
  2. ispanų kalba
/spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
  1. ispanų
  2. ispaniškai
  3. ispanų kalba
/ˈspan.sə/
noun
1.
ispanė
noun
1. afgesloten voorwerp waarin contant geld opgespaard wordt
kiaulė-taupyklė
noun
spagečiai
noun
1. plankje e.d. om arm of been rust te geven
įtvaras
noun
1. hondenras
spanielis
/ˈspɑ.ɲard/, /ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
  1. ispanas (-ė)
  2. ispanas
/ˈspɑ.ɲə/, /ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
Ispanija
verb
1. onder trekkracht brengen
apim̃ti
noun
  1. 1. mechanische spanning
  2. 2. emotionele spanning
įtampa
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
eglė
/ˈspa.rə(n)/
verb
  1. 1. geld niet uitgeven
  2. 3. ontzien
taupyti
noun
1. tussenruimte tussen twee woorden
tarpas
noun
1. een gedroogd plantendeel, anders dan een groen blad of stengel, dat als geur-, kleur- of smaakstof aan voedsel wordt toegevoegd
prieskonis
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
  1. genys
  2. meleta
/spe.si.ˈjal/, /spe.ˈsjaːl/, /spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
nepaprastas
/ˈspesɪɑlɪst/
noun
  1. 1. persoon die ergens veel verstand van heeft
  2. 2. arts die een bepaald onderdeel van de geneeskunde beoefent
specialistas
noun
1. mengsel waarmee wordt gewerkt
skiedinys
noun
1. kleurenband
spektras
noun
kalba
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
seilė
/ˈspelɣud/, /ˈspelɣut/, /ˈspɪːɫχut/
noun
1. één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
žaislas
noun
žaidimo korta
noun
1. een omheinde plek grond met speelobjecten voor kinderen
žaidimų aikštelė
noun
1.1 bepaald soort plant met niervormige bladeren, botergele bloemen en wortelknolletjes, Ficaria verna
pavasarinis švitriešis
/spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
ietis
noun
1. onderhuidse vetlaag bij varkens
bekonas
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
žaidimas
noun
segtukas
/ˈspeːlə(n)/
verb
žaisti
noun
  1. 3. acteur
    bū̃das
    1. 1. deelnemer aan een spel
    2. 2. een partij
    žaidėjas
/ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
rašyba
noun
1. grove tarwesoort
speltos
noun
1. een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat
žaidimų teorija
noun
sperma
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
paukštvanagis
noun
1. bepaald soort zangvogel, Sylvia nisoria
raiboji devynbalsė
noun
  1. 2. (inleg-) spie
    salelė
  2. 1. spie
    vagis
noun
1. beelden terugkaatsend voorwerp
veidrodis
noun
1. een orgaan
raumuo
noun
1. bepaald soort klein zilverwit visje, Osmerus eperlanus
stinta
noun
1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
vinis
noun
1. een broek van spijkerstof
džinsai
noun
virškinimas
/spɛj.tǝ:/
verb
1. berouw veroorzaken
gailėtis
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
voras
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
špinatas
verb
2. snorren, een brommend geluid maken
murkti
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
voras
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
voras
noun
1. een door een spin gemaakt net om insecten te vangen
voratinklis
verb
1. loeren om iets te kunnen krijgen
noras
noun
šnipas
noun
1. de handeling van het spioneren
žvalgyba
noun
1. een kromme lijn
spiralė
noun
1. benaming voor de groep Spirochaetes
spirochetos
noun
1. draaiende staak waarop men vlees of een geslacht dier spietst en boven of naast een hittebron roostert
nerija
noun
2. binnen een ploeg een aanvallende speler die een positie opzoekt waarin hij een doelpunt kan maken
puolėjas
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
Svalbardas
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
kirstukas
verb
iškasti
/'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
drožlė
verb
1. met grote snelheid gaan
skubėti
verb
išskalauti
noun
1.
sputnikas
noun
durlė
adjective
akytas
noun
1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
pamėklė
adjective
1. verdwenen zonder aanwijzing van waarnaartoe
be pėdsakų
noun
geležinkelis
noun
1. bepaald soort loofboom, Frangula alnus
paprastasis šaltekšnis
/spɔrt/
noun
1. lichaamsbeweging
sportas
noun
1. beoefenaar van een sport
sportininkas
noun
iemand die zich toelegt op het bedrijven van sport
sportininkas
noun
1. vrouw die sport op een hoog niveau beoefent
sportininkė
noun
1. een zangvogel die geluiden kan nabootsen
tošinukė
/sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
kalba
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal
gramatika
adjective
snel geneigd tot spreken
bylus
noun
2. klein rondvliegend gloeiend korreltje of brokje
kibirkštis
verb
1. korte heldere lichtflitsjes voortbrengen door weerkaatsing of door vonkjes
žaižaruoti
noun
patarlė
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
varnėnas
/ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
kalbėti
/ˈspɾøkə(n)/
noun
Patarlių knyga
noun
1. Antidorcas marsupialis, een aan de gazelle verwante antilope, leeft in Zuid-Afrika
šoklioji gazelė
verb
1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
šokinėti
noun
džemperis
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
žiogas
noun
1. bepaald soort vrij kleine vogel met gestreepte bovenzijde en monotone zang, Locustella naevia
margasis žiogelis
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
strazdana
noun
šuolis
noun
1. verzonnen vertelling
pasaka
noun
Sprattus sprattus
šprotas
noun
2. een uitloper van de spruitkool
briuselio kopūstas
/'spy.ɣə(n)/
verb
1. speeksel uit de mond doen uitschieten
spjauti
/spœy̯t/
noun
3. injectiespuit
švirkštas
/'spyʋə(n)/
verb
spjauti
/sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
Šri Lanka
noun
1. overeenkomst voorlopig een einde te maken aan de gevechtshandelingen
ugnies nutraukimas
/staːɫ/
noun
1. een legering van ijzer en koolstof
plienas
/stalwɔl/
noun
plieno vata
/staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
stovėti
noun
1. iets of iemand die iets of iemand ondersteunt
medynas
noun
  1. 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
  2. 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
uodega
noun
ilgauodegė zylė
noun
kometa
noun
  1. 1. een land
  2. 1. toestand
valstybė
noun
1. iemand die burgerrechten in een staat heeft
pilietis
noun
1. illegale afzetting van een regering
pučas
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
valstybės vadovas
noun
stabilumas
/stɑd/, /stɑt/
noun
Woonplaats
miestas
noun
2. iemand die in dezelfde grote plaats is geboren
tėvynainis
/ˈstɑdhœːs/, /ˈstɑthœʏs/, /ˈstɑthœːs/
noun
1. een gebouw waar de stadsdiensten gehuisvest zijn
rotušė
noun
stadionas
noun
etapas
/ˈstɑt.stat/
noun
1. staatsvorm
miestas valstybė
noun
1. een touw of kabel waarmee een mast stabiel wordt gehouden
pasilikti
noun
1.
stagfliacija
/'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
streikas
/stɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
arklidė
noun
1. variant van het marxisme-leninisme gekenmerkt door een totalitair nationalistisch...
stalinizmas
noun
4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
gentis
/'stɑmbom/
noun
1-2
giminės medis
noun
kamieninė ląstelė
verb
2. iets fijn maken door er een zwaar voorwerp op te laten belanden
tango
noun
  1. A 1. hoe of waar iets staat
  2. B. plaats op een tentoonstelling
medynas
/ˈstɑn.dard.ˌɑf.wɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.ʋɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.β̞ɛː.kɪŋ/
noun
1. spreidingsmaat
standartinis nuokrypis
/ˈstɑn.dar.de.vi.ˈja.si/, /ˈstɑn.dar.de.vi.ˈja.tsi/, /ˈstɑn.dar.te.vi.ˈja.si/
noun
1. spreidingsmaat
standartinis nuokrypis
noun
1. officieel vastgelegde taalvorm die binnen een bepaald gebied als de voorgeschreven norm geldt.
  1. bendrinė kalba
  2. bendroji kalba
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
statula
/stɑmplats/
noun
1. een vaste plaats waar iemand zich bevindt
medynas
noun
1. een sterke, stinkende geur
dvokia
/stɑp/
noun
1. het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan
žingsnis
noun
1. een gestructureerde hoop spullen
kaũpas
/ˈstɑ.pə(n)/
verb
1. het lichaam vooruit bewegen door een of meer keer een voet naar voren te zetten
žengti
verb
spoksoti
noun
1. stabiel onderstel voor camera
trikojis
/sta.ˈsʲɔn/
noun
1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
stotis
noun
statistika
adverb
1. voortdurend
visada
noun
1. zeer smal straatje
gatvelė
/steːk/
noun
1. een penetratie met een scherp puntig voorwerp
durti
noun
1. bijtende mug
kuisys
noun
puodas
/sten/, /steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
akmuo
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
kilnusis erelis
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
Ožiaragis
noun
1.1 bepaald soort zoogdier, Capra ibex
ožiaragis
noun
Ožiaragio atogrąža
noun
litografija
/ste.nɛi̯k/, /ste.nɛːk/, /sten.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus ilex; een boom uit de napjesdragersfamilie
ąžuolas
noun
1.
karjeras
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
akmens anglis
/ˈstentɛit/
noun
Akmens amžius
/ˈstenœʏ̯ɫ/, /ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
pelėdikė
noun
halitas
noun
2. werkvloerconstructie in de bouw
pastoliai
/stɛil/, /stɛːl/
adjective
1.
skardìngas
/ˈste.kəl/
noun
1. een langwerpig, scherp stukje van bijvoorbeeld een plant of dier
gelti
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
dygliatriušis
verb
1. doorboren, prikken
badyti
noun
1. stekker
kištukas
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
vogti
adjective
žvaigždinis
noun
1. een bewering die men als waarheid aangenomen wil zien worden
teorema
/stɛlsəl/
noun
  1. 1. een geordend geheel, samenstel van delen
  2. 2. een systeem
sistema
noun
  1. 6. een keuze gemaakt door een stemmer (kiezer) bij een stemming (verkiezing)
  2. 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
balsas
/stεmə(n)/
verb
1. deelnemen aan een verkiezing
balsuoti
noun
  1. 1. een mentale of emotionele toestand
  2. 3. de heersende mening over de toestand van de markt
nuotaika
/ˈstɛmpəl/, /ˈstɛmpəɫ/
noun
    1. A2. een afdruk van [1]
    2. A:1. voorwerp met een ingesneden oppervlak waarmee afdrukken gemaakt kunnen worden met inkt of in lak
    antspaudas
  1. A3. beschrijvende plantkunde: bovenste gedeelte van de stamper in een bloem
    stigma
verb
štampuoti
noun
1. verplichting om te stemmen
privalomas balsavimas
/stɛmvɔrək/
noun
1. stemvork
kamertonas
noun
1. langgerekt en stevig orgaan van een vaatplant dat water en voedingstoffen vervoert
stiebas
noun
  1. 1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
  2. 2. een beroemdheid
žvaigždė
noun
stereotipas
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel sterfgevallen er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
mirtingumas
/stɛrk/
adjective
  1. 1. krachtig
  2. 2. geconcentreerd
stiprus
/'stɛrktə/
noun
1. de mate waarin iets sterk is
jėga
noun
1. verzameling dicht bijeen staande sterren
žvaigždžių spiečius
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomija
/stɛrən'kʏndəɣə/
noun
astronomas
noun
galaktika
noun
observatorija
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
mirti
noun
karambola
/steto'skop/
noun
1. een medisch instrument waarmee men geluiden in het lichaam kan beluisteren
stetoskopas
/'stønə(n)/
verb
1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
remti
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
sturys
adjective
    1. 1. van aanzienlijk sterkte
    2. 2. van grote omvang, fors
    tvirtas
  1. 4. voedzaam (zonder verfijning)
    širdingas
noun
stiuardesė
noun
1. degene die iets grondvest
įkūrėja
noun
lipdukas
/ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
pamotė
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
patėvis
pronoun
  1. 2. astrologisch teken
    1. Jautis
    2. Tauras
  2. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
    Tauras
/stiːr/
noun
bulius
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Štirija
noun
stigmatizacija
noun
krakmolas
/ˈstɛi̯xˌbøː.ɣəl/
noun
1. voetsteun voor de ruiter
  1. balnakilpė
  2. kilpa
/stɛi̯l/
noun
  1. 1. handelswijze
  2. 3. beschrijvende plantkunde: buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
stilius
noun
1. leer van de uitdrukkingswijze en zijn middelen
stilistika
verb
2. een stuk stof middels een aantal vrij losse steken op zijn plaats houden
išsiuvinėti
/ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
azotas
/[stɪɫ]/
adjective
  1. 1. geen of weinig geluid producerend
  2. 3. rustig, kalm
ramus
noun
1.
ramus
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Ramusis vandenynas
noun
natiurmortas
/'stɪl.tə/
noun
tyla
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
skunkas
verb
1. een onaangename geur hebben
smarvė
noun
1. (studie)beurs
stipendija
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Stokholmas
/stul/, /stuɫ/
noun
1. zitmeubel
kėdė
noun
2. trottoir
šaligatvis
adjective
2. indruk maken door sterk te zijn of sterk proberen te zijn
tvirtas
noun
1. heel kleine deeltjes
dulkės
/'stɔfʋɪsəlɪɳ/
noun
1. het geheel van chemische processen dat gepaard gaat met het in leven zijn van een wezen
metabolizmas
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
dulkių siurblys
/stɔk/
noun
lazda
verb
šviestuvas
noun
1.Suricata suricatta, roofdier behorend tot de mangoesten
surikata
noun
1. gedroogde kabeljauw of kabeljauwachtige vis, zoals heek, leng, lom, schelvis en koolvis
menkė
/ˈstɔlɪŋsɣəˌstentə/
noun
1. gesteente bestaande uit gestolde lava of gestold magma.
magminė uoliena
adjective
  1. 3. dom
    kvailas
    1. 1. geluidloos
    2. 2. niet in staat te spreken
    nutildyti
noun
1.
nutildyti
noun
1. dom persoon
juokdarys
noun
een bijzonder onverstandige daad
kvailumas
adjective
1. iets dat zijn scherpte verloren heeft
bukas
adjective
1. sloom en verdoofd door het gebruik van marihuana of hasj
apsinešęs
noun
namų židinys
noun
garai
noun
1. een schip dat met behulp van stoom wordt voortbewogen
garlaivis
noun
1. een locomotief die wordt aangedreven door een stoommachine
garvežys
noun
1. een schip dat voortgedreven wordt middels een stoommachine
garlaivis
noun
garo turbina
/stot/
noun
gelti
/ˈstɔplɪxt/
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
šviesoforas
verb
  1. 2. vullen (van een pijp)
    mokestis
    1. 3. doen halthouden
    2. 4. ophouden, ermee kappen
    sustabdyti
/ˈstorə(n)/
verb
1.het functioneren nadelig beïnvloeden
trukdyti
noun
1. erg harde wind
  1. audra
  2. vėtra
noun
1. het storten van geld op een bankrekening
indėlis
verb
1. dezelfde lettergreep een aantal malen herhalend moeilijk uit zijn woorden komen
mikčiojimas
/straɫ/, /ˈstral/
noun
  1. 1. de lijn van middelpunt naar omtrek
  2. 2. een bundel elektromagnetische straling
spindulys
/strat/
noun
1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
gatvė
pronoun
1. zeestraat tussen het Australisch vasteland en Papoea-Nieuw-Guinea
Toreso sąsiauris
pronoun
1.
Gibraltaro sąsiauris
noun
1. hoofdstad van de Franse regio Grand Est
Strasbūras
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
bausmė
noun
1.
nebaudžiamumas
/ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
bausti
/'strɑfrɛxt/
noun
1. het geheel van rechtsregels waarmee bepaalde handelingen strafbaar worden gesteld
baudžiamoji teisė
noun
1. directe vrije trap
baudinys
/ˈstralə(n)/
verb
  1. 2. licht weerkaatsen
  2. 3. een heel blije uitdrukking op het gezicht hebben
šviesti
noun
  1. radiacija
  2. spinduliuotė
pronoun
1.
Štralzundas
noun
1. Strook land langs de kust
  1. paplūdimys
  2. pliažas
noun
1. een plan om iets te bereiken
strategija
noun
stratosfera
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
stratovulkanas
noun
  1. 2. lijnvormig patroon
    juosta
    1. 1. een min of meer rechte getrokken lijn of lijnstuk
    2. 3. (figuurlijk) begrenzing die niet overtreden dient te worden, schreef
    linija
noun
  1. 1.
  2. 2. typografisch teken "-"
brūkšniai
noun
1.
brūkšninis kodas
verb
1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken
glostyti
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
šliužo fermentas
noun
1. spanning, geestelijke druk.
stresas
noun
  1. 2. een militair treffen
    imtynės
  2. 1. een handgemeen
    kova
verb
1. ondanks weerstand een doel proberen te bereiken
grumtis
noun
1. een slagwapen in de vorm van een metalen staf met een versterkte kop
buožė
noun
1. afgeperkt terrein ...
arena
noun
vežimėlis
verb
  1. 1. over een oppervlak laten glijden
    glostyti
  2. 2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
    laidyti
/ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
  1. lygintuvas
  2. laidynė
noun
1. een constructie waarmee de snaren van een strijkinstrument in trilling gebracht worden
smičius
/stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
šiaudai
noun
1. hoed
šiaudas
/'stromən/
verb
1. voortbewegen van vloeistoffen
bė́gti
/'stromɪŋ/
noun
1. voortbewegen van een vloeistof
srovė
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
stroncis
noun
1. zweertje op het ooglid
miežis
/stroːm/
noun
  1. 1. rivier, beek
    srautas
  2. 2. elektriciteit
    srovė
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
sirupas
noun
kaklaraištis
noun
gerklės
noun
gerklos
/strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
struktūra
noun
1. heester
krūmas
noun
1. bepaald soort in heel Europa voorkomende plant, Calluna vulgaris
viržis
verb
1. rond zwerven
klajojimas
/ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
strutis
noun
1. zeer vergiftig alkaloïde
strihninas
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
studentas
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
studijuoti
noun
1.
studijos
noun
stipendija
noun
vadovėlis
noun
1.
žiedadulkė
/stɵk/
noun
  1. 1. deel
    dalis
  2. 7. aantrekkelijk persoon
    riekė
noun
onverstandigheid, onverstandige/ondoordachte daad
kvailumas
pronoun
  1. 1. hoofdstad van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
  2. 2. een plaats in de Amerikaanse staat Arkansas
Štutgartas
noun
1. knuppel of stok waarmee gestuurd kan worden in een vliegtuig
durti
noun
1. een stuk software dat een verbinding legt tussen de hardware en het besturingssysteem
draiveris
/stywadɔːr/
noun
1. degene die verantwoordelijk is voor het gebalanceerd laden en lossen van schepen
dokininkas
noun
1. een werkwoordswijs waarmee men een wens of onzekerheid tot uitdrukking kan brengen.
tariamoji nuosaka
noun
funkcija
noun
1. door de overheid beschikbaar gestelde fondsen bedoeld om een prijs te verlagen...
subsidija
noun
1. stof (stoffen)
medžiaga
noun
1. zelfstandig naamwoord
daiktavardis
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
sekmė
adjective
1. succes hebbend
sėkmingas
/suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Sudanas
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
priesaga
noun
1. iemand die weinig nadenkt
juokdarys
verb
1. een suggestie doen
siūlyti
noun
1. zoetstof
cukrus
noun
1. bepaalde ondersoort van de biet waaruit bietsuiker gewonnen wordt
cukrinis runkelis
noun
1. Coereba flaveola, een klein zangvogeltje uit de tropische delen van de Amerika's...
bananinis parulidas
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
cukranendrė
/ˈsœʏkərˌspɪn/, /ˈsœːkərˌspɪn/
noun
1. lekkernij bestaande uit een hoeveelheid gesponnen suiker aan een stokje
cukraus vata
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het bloed een te hoog gehalte aan suiker bevat
cukraligė
noun
1. dom, onhandig persoon
juokdarys
pronoun
Sumatra
noun
1. fictieve figuur uit een stripverhaal of een film die over bovenmenselijke krachten beschikt
superherojus
adjective
aukštesnio laipsnio, vyresnysis
noun
1. een staat die zoveel macht heeft dat ze de wereldpolitiek beslissend kan beïnvloeden
supergalybė
noun
supermarketas
noun
het verschijnsel waarbij een ster op spectaculaire wijze explodeert
supernova
noun
kamža
adjective
viršgarsinis
noun
1. iemand die heel erg beroemd is omdat hij of zij iets heel goed kan
superžvaigždė
/ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Surinamas
noun
siurrealizmas
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
  1. suaheliškai
  2. svahili
noun
svastika
/ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
Svazilandas
pronoun
1. de grootste stad van Australië en de hoofdstad van de deelstaat Nieuw-Zuid-Wales
Sidnėjus
noun
sifilis
verb
1. een betekenis hebben die verwijst naar
simbolizuoti
noun
1. Teken
  1. symbole
  2. simbolis
noun
simfonija
adjective
1.
simfoninis
noun
simetrija
/sɪmˈpoziəm/
noun
1. een wetenschappelijke samenkomst waarop verschillende wetenschappers een lezing houden over een bepaald onderwerp
simpoziumas
noun
1. ziekteverschijnsel
simptomas
noun
1. gebedshuis van joden.
sinagoga
/sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
sindromas
noun
1. situatie waarbij het samengaan van delen groter is dan de som der delen
sinergija
noun
1. gelijkbetekenend woord
sinonimas
noun
sinonimija
adjective
sintaksines
/sɪnˈtɑksəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
sintaksė
/ˈsi.ri.jə/, /ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
Sirija
/siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
sistema
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
maikė
pronoun
1.
Tachas
noun
1. een erfelijke aandoening van de exocriene klieren, gekenmerkt door de afscheiding van taai (visceus) slijm (mucus)
cistinė fibrozė
/taːk/
noun
1. een te verrichten werk
užduotis
/taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
kalba
noun
1. uitdrukkingen en zegswijzen uit een bepaalde taal
idioma
noun
1. talengroepen die een zelfde voorgeschiedenis hebben
kalbų šeimas
/talfɔut/
noun
1. een fout tegen de grammatica van een taal
kalbos klaida
/ˈtalklɑŋk/
noun
1.
fonema
noun
1. wetenschap
kalbotyra
adjective
1. volgens de regels van de taalkunde
kalbinis
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
kalbininkas
/taːrt/
noun
1. cirkelvormig zoet gebak
pyragas
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
tabakas
noun
pypkė
noun
1. een geordende lijst met gegevens
lentelė
noun
1. pastille
tabletė
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
tabu
cardinalNumeral
1. het getal 80
  1. ašuoniasdešimt
  2. aštuoniasdešimt
noun
tachikardija
/tɑkˈtik/
noun
1. een manier om onder gegeven omstandigheden een doel te bereiken
taktika
pronoun
1. de officiële taal van Tadzjikistan en een variant van het Perzisch
tadžikiškas
/taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
  1. Tadžikija
  2. Tadžikistanas
noun
1. taf
tafta
/ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
stalas
/ˈtafəlˌklet/
noun
kleed dat als bescherming of versiering over een tafel ligt
staltiesė
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
stalo tenisas
pronoun
Taitis
/tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
taifūnas
noun
1. naaldbossen in koude streken
taiga
/tɑj'ʋɑn/
pronoun
Taivanas
noun
Fudzianas
/tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
šaka
noun
1.
fašina
noun
1. bijzondere aanleg
talentas
/tɑlk/
noun
talkas
/'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
Talinas
/ˈtɑlmut/
noun
1.
Talmudas
adjective
1. groot in aantal
gausus
noun
1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
indinis tamarindas
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het zuiden van het land
Tamil Nadu
noun
  1. 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
  2. 2. scherp uitsteeksel
dantis
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
  1. dantų gydytojas
  2. dantistas
noun
1. fiets
tandemas
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
dantų šepetukas
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
krapštukas
noun
1. het blinkend glazuur op de tandkroon die rond het tandbeen gelegen is
danties emalis
/ˈtand.pɑs.taː/, /ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
dantų pasta
/tɑntpɛin/
noun
1. pijn in één of meerdere tanden
dantų skausmas
/ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
dantenos
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
dantų siūlas
/tɑŋ/
noun
1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
žnyplės
pronoun
Tanžeras
noun
1. tango
tango
/tɑŋk/, /tɛŋk/
noun
  1. 1. een groot vat
  2. 2. een oorlogsvoertuig
tankas
/ˈtɛŋkɑu̯to/
noun
1.
tanklaivis
noun
1. schip
tanklaivis
noun
taninas
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantalas
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantalas
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
  1. teta
  2. tetulė
/ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
Tanzanija
noun
1. een Chinese filosofische en religieuze stroming
daoizmas
noun
1. plakband
škotiškas viskis
noun
kilimas
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
tapioka
/ˈtapɪr/
noun
1. hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf
tapyras
/tɑˈrif/
noun
1. een vastgesteld bedrag per eenheid
muitas
noun
geltonžandė kaisaka
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
totorius
pronoun
1. stad in Estland
Tartu
/ˈtɑrʋə/
noun
  1. 3. zaad van tarwe
    1. kvietys
    2. kviečiai
  2. 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
    kviečiai
noun
zemelen van tarwekorrels
kviečių sėlenos
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
krepšys
pronoun
Tasmanija
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan, gelegen tussen Australië en Nieuw-Zeeland
Tasmano jūra
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
totorius
pronoun
1. de autonome republiek van Rusland met de hoofdstad Kazan
Tatarstanas
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
tatuiruotė
/tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
tatuiruoti
/tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
taksi
noun
1. een opstelplaats voor taxi's waar zij wachten op passagiers
taksi stotelė
noun
taksonomija
/tiːm/
noun
  1. 1. een ploeg van bij elkaar horende spelers
  2. 2. een groep samenwerkende mensen
brigada
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
technecis
noun
1. iemand die techniek toepast
technikas
noun
1. De bewerkingen en verrichtingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen
technika
noun
technokratija
noun
technologija
/tef/
noun
1. wijfjeshond
kalė
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
erkė
noun
1. deel van de mannelijke anatomie waarin het zaad wordt aangemaakt
sėklidė
noun
1. vingers van de voet
kojos pirštas
noun
kojos piršto nagas
/ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
derva
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
kauliukas
/ˈteɣəɫ/
noun
1. een rechthoekig stenen voorwerp dat meestal wordt gebruikt voor het bedekken van oppervlakten
plytelė
/təɣəˈlɛɪk/
adverb
1. op hetzelfde moment
kita vertus
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
priešnuodis
noun
1. tegenspreken, ontkennen
neigimas
verb
1. zich met woorden verzetten
prieštarauti
noun
1. vijand, rivaal
priešininkas
noun
1. tegenslag
nusivylimas
adjective
1. huidig
eiga
noun
1. vorm die aangeeft dat het huidige moment bedoeld wordt
esamasis laikas
noun
1. aanwezigheid
akivaizda
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
ženklas
verb
een tekening maken
piešti
noun
  1. 5. een beschrijving
    apibūdinimas
  2. 1. een door tekenen ontstane afbeelding of voorstelling
    piešinys
noun
1. verzameling letters en/of woorden
tekstas
noun
1. natuurlijke processen
tektonika
/ˌtelefoˈneːrən/
verb
1. een telefoon gebruiken
skambinti
/ˌtelə'fon/, /ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
telefonas
noun
1. een uniek nummer toegewezen aan een telefoonaansluiting
telefono numeris
noun
telegrafas
noun
telegrama
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
teleskopas
adverb
1. een onaangenaam gevoel hebbend omdat een verwachting of hoop niet uitgekomen is
nusivylusi
verb
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
apvilti
noun
1. een emotie opgeroepen door het niet uitkomen van een verwachting
nusivylimas
noun
  1. 2. medium
  2. 1. elektrisch apparaat
televizija
verb
1. aantal bepalen
lykúoti
/ˈtɛlər/
noun
1. het getal boven de streep van een breuk
skaitiklis
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
telūras
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
telūras
noun
1.
abakas
pronoun
1. een Dravidische taal met ongeveer 70 miljoen sprekers
telugų
noun
skaitvardis
/ˈtɛm.pəl/, /ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
šventykla
noun
tempera
/ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
temperatūra
noun
1. de tijd waarin de persoonsvorm staat
laikas
/ˈtɛm.sə/
pronoun
1. een gemeente in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen, gelegen aan de Schelde
Temzė
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
Tenerifė
noun
1. aanklacht door openbaar aanklager
mokestis
noun
1. een scheikundig element met het symbool Ts en het atoomnummer 117
tenesinas
noun
1. balsport
tenisas
noun
tenoras
noun
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
palapinė
noun
čiuptuvas
/tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
paroda
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
spenelis
noun
alcoholische drank afkomstig uit Mexico
tekilà
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
terbis
noun
egzekucija
noun
2. verzamelnaam voor ziektes waarbij de patiënt wegkwijnt
džiova
/tɛrəm/
noun
1. een woord of uitdrukking
ter̃minas
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
termitai
/tɛrˈmɛin/
noun
1. een vast tijdstip waarop iets gaat gebeuren of iets gebeurd moet zijn
kadencija
noun
1. licht-donkergrens
Terminatorius
noun
terminologija
noun
terpenas
noun
1. een vetoplossend oplosmiddel dat uit de sappen van bepaalde dennensoorten gewonnen kan worden
terpentinas
/tɛ'rɛin/
noun
1. een stuk grond van enige omvang
reljefas
adjective
teritorinis
noun
1. grondgebied
teritorija
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
terorizmas
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
teroristas
pronoun
Teršelingas
noun
1.
tercija
/trʏχ/, /təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
atgal
verb
1. gaan naar een plaats waar men eerder vandaan kwam
grįžti
/tə'rʌxkomə/
verb
1. opnieuw naar een plaats komen waar men eerder geweest is
grįžti
pronoun
1. naam van twee boeken uit het Nieuwe Testament
Laiškai tesalonikiečiams
/tɛst/
noun
  1. 1. probeersel
  2. 3. toets
egzaminas
noun
  1. 1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
  2. 1. gedeelte van de bijbel
testamentas
noun
1. teelbal, zaadbal
sėklidė
noun
1. een infectieziekte die door een gifstof leidt tot spierspasmen
stabligė
/ˈtøɣəl/, /ˈtøʝəl/
noun
1. stuurriem van rijdier
pavadis
/təvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel genoeg te hebben en voldaan te zijn
pasitenkinimas
verb
1. veroorzaken
padarinys
pronoun
Tekselis
/tɛk'stilɪndʌstri/
noun
de industrie van het maken van stoffen en kleding met textiel
tekstilės pramonė
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
  1. tajiškai
  2. tajų
/ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
Tailandas
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
talis
adverb
dabar
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
teatras
/teː/
noun
arbata
noun
1. een kleine lepel om thee mee te roeren
arbatinis šaukštelis
pronoun
1.de grootste rivier van Engeland
Temzė
noun
1. kan met deksel en schenktuit waarin een warme drank wordt bereid door bladeren in heet water te laten trekken
arbatinukas
/tema/
noun
1. een onderwerp dat behandelt wordt
tema
noun
1. staatsvorm die gebaseerd is op goddelijke
teokratija
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
teologija
noun
teorema
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
teorija
noun
iemand die een patiënt behandelt
terapeutas
noun
1. een methode om aan de genezing van zieken te werken
terapija
noun
1. de leer van warmte en arbeid
termodinamika
/ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
termometras
noun
1. thermoskan
termosas
noun
termosfera
noun
termosas
noun
1. synoniemenwoordenboek
tezauras
/ˈtora/
pronoun
1.-3.
Tora
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
toris
/tœʏs/, /tœːs/
noun
1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
namiẽ
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
tulis
noun
tiroksinas
pronoun
2. de rivier die stroomt door Rome
Tibras
pronoun
  1. 1. autonome regio
  2. 1. voormalig land
Tibetas
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
tibetietiškas
pronoun
  1. 1. Zwitsers kanton
  2. 1. zijrivier van de Po
Tičinas
noun
bilietas
suffix
1.
cija
cardinalNumeral
1. het getal 10
dešimt
noun
2. kerkbelasting
dešimtinė
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
dešimtas
noun
1. vrouwelijke borst
papas
/tɛit/, /tɛɪ̯d/, /tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
laikas
adverb
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
laikinai
noun
laiko dvasia
noun
epocha
adjective
1. een aanzienlijke hoeveelheid tijd vereisend
reikalaujantis daug laiko
noun
1. blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
žurnalas
/tɛɪdsdyr/
noun
1. de tijd dat iets duurt
trukmė
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
tigras
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
čiobrelis
pronoun
Tilburgas
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
dailidė
noun
mediena
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
dailidė
noun
1. een vrouw die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
dailidė
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noordwest-Australië en Timor
Timoro jūra
pronoun
Laiškai Timotiejui
noun
scheikundig element
alavas
/'tɪŋələ(n)/
verb
1. helder klinkend geluid maken
dzingsėti
verb
1. een rinkelend geluid maken
dzingsėti
adjective
1.van tin vervaardigd
alavinis
noun
atspalvis
noun
1. Italiaans dessert
tiramisù
noun
tironas
/tirɑ'nik/
adjective
1.
tironiškas
/ti'tan/
noun
titanas
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
titanas
noun
  1. 1. opschrift van een document
  2. 2. aanduiding van een persoon
antraštė
/ˈtitʏs/
pronoun
  1. Laiškas Titui
  2. Titus
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
pilkoji pečialinda
noun
2. activiteit waarbij men naar een of meer bestemmingen gaat
kelionė
noun
klausytoja
noun
1. benaming voor tropische vogels uit de familie Ramphastidae
tukanas
noun
ateitis
adjective
1. van de tijd die komen gaat
būsimas
noun
1. het recht om toegelaten te worden
įstojimas
verb
1. verduidelijken
aiškinti
/ˈtulɪxˌtɪŋ/
noun
1. nadere tekst om het te verduidelijken
paaiškinimas
/tun/
adverb
1. op of na dat tijdstip
tada
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
tundra
noun
1. het reizen voor ontspanning
turizmas
noun
1. een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
turistas
noun
1. een vrouwelijk persoon die voor haar plezier reist
keliautoja
noun
turnyras
/tusxɔuər/
noun
1. iemand die naar iets kijkt
žiūrovas
/ˈtuspra:k/
noun
1. een voordracht voor een groter publiek
kalba
verb
1. iets niet verbieden, iets mogelijk maken
leisti
/'tustɑnt/
noun
geheel van omstandigheden
būklė
noun
1. een werktuig dat uit meer dan één onderdeel bestaat
aparatas
verb
pritarti
noun
een toezegging dat iets geoorloofd is
sutikimas
noun
1. gerecht waarmee een maaltijd kan worden afgesloten
desertas
noun
1. het deelnemen aan iets, lid worden
įstojimas
noun
3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
klavišas
/ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
klaviatūra
/ˈtuːvɑl/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
sutapimas
verb
patikėti
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
pridėti
verb
1. beloven
žadėti
/'to.ɣo/, /ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Togas
/tʋɑ'lɛt/
noun
  1. 1. een plaats waar men zich kan ontlasten
  2. 3. persoonlijke verzorging
tualetas
/ˈtɔki ˈpoːnaː/
pronoun
1. bepaalde minimalistische kunsttaal
Tokipona
pronoun
1. de hoofdstad van Japan
Tokijas
verb
2. snaren bespelen
skambutis
noun
runkelis
/tɔl/
noun
    1. 3. plaats waar men slechts tegen betaling mag passeren
    2. 4. geld dat men bij een tol geheven wordt
    muitinė
  1. 2. kinderspeeltuig
    sukti
noun
1. de bereidheid ander gedrag dan het eigen te dulden
pakanta
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
vertėjas
noun
1. inner van tol of belastingen
publikanai
/toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
pomidoras
noun
1. strijdbijl van de Noord-Amerikaanse indianen
tomahaukas
noun
kečupas
noun
1. een vruchtensap dat uit tomaten is bereid
pomidorų sultys
noun
1. röntgenfoto waarbij slechts één vlak scherp wordt afgebeeld (doorsnede)
tomografija
noun
  1. 1. een vat in de vorm van...
    statìnė
  2. 3. een gewichteenheid van 1000 kilogram
    tona
/toˈnel/
noun
scena
noun
1. iemand die een toneelstukken schrijft
dramaturgas
/tonə(n)/
verb
2. laten zien
parodyti
noun
  1. 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
  2. 2. wat gesproken wordt
liežuvis
pronoun
Tonga
/ˈtɔŋval/
noun
1. het accent waarmee iemand spreekt
akcentas
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
tunas
noun
tonzilektomija
noun
angina
noun
1. spierspanning
tonusas
/ton/
noun
een geluid met een bepaalde herkenbare hoogte
atspalvis
noun
kompozitorius
noun
1. een volgens bepaalde schema stijgende of dalende opeenvolging van tonen
salelė
noun
1. woede, gram
pyktis
noun
deglas
noun
topazas
/tɔːrə(n)/
noun
  1. 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
  2. 1. een hoog bouwwerk
bokštas
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
pelėsakalis
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
  1. viesulas
  2. tornadas
noun
turnyras
noun
torpeda
noun
1.
komoda
verb
1.
nešioti
noun
toras
pronoun
Toskana
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
iki
adjective
1.
totalitarinis
noun
totalitarizmas
conjunction
iki
noun
totemas
/tɑu̯/
noun
1. een middel om zaken bij elkaar te binden
virvė
noun
1. een mannelijk iemand die kan toveren
burtininkas
noun
1. magisch handboek
grimuaras
/ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
toksikologija
adjective
1. giftig
toksiškas
/traːx/
adjective
1. met geringe snelheid
lėnas
noun
1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
ašara
noun
1.
ašarinės dujos
noun
1. een ademhalingsbuisje bij insecten, duizendpotigen, springstaarten, spinachtigen en fluweelwormen
kvėplė
noun
1. (medisch) het opensnijden van de luchtpijp
tracheotomija
noun
tracheitas
verb
1. een poging in het werk stellen
pabandyti
/ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
traktorius
/traˈxedi/
noun
  1. 1. een toneelspel dat handelt over een bedroevende gebeurtenis
  2. 2. gebeurtenis met een droevige of rampzalige afloop
tragedija
adjective
tragiškas
noun
treneris
noun
1. een oefening
lavinimas
/trenstər/
noun
1.
treneris
noun
1. hek met verticale stangen
ant grotelio kepti
/tram/, /trɑm/, /trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
tramvajus
noun
batutas
/trɑnsˈkrɪpsi/
noun
  1. 1. de conversie naar een geschreven tekst van een andere geschreven, getypte of gedrukte tekst.
  2. 2. het vastleggen van de uitspraak van een gesproken tekst op schrift.
  3. 3.
  4. 4. het omzetten van een muziekstuk naar een andere vorm of bezetting.
perraša
abbreviation
transformatorius
noun
tranzistorius
noun
1.
transliteracija
noun
1. verplaatsing, overplaatsing
translokacija
pronoun
1.
Padniestrė
adjective
1. lichtdoorlatend
skaidrus
verb
prakaitúoti
noun
pervežimas
pronoun
Transilvanija
pronoun
Transvalis
noun
  1. 1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
    laiptinė
  2. 1. benaming voor vogels uit de familie Otididae
    einis
/trɑˈpezɪʏm/
noun
1. een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
trapecija
verb
1. met een krachtige beweging van de voet raken of verplaatsen
spardyti
/tre/
noun
1. opstapje dat deel uitmaakt van een trap
laiptas
verb
1. raak schieten
mušti
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
traukinys
verb
  1. 4. aandacht opwekken
    pritraukti
  2. 1. op een voorwerp een kracht uitoefenen in een richting die ervan wegvoert
    traukti
  3. nog te sorteren
    šalinti
noun
2. een tractor
traktorius
noun
1. benaming voor sprinkhanen die normaal gesproken solitair leven,...
skėrys
noun
  1. nieuwe mode
  2. ontwikkeling in een bepaalde richting
tendencija
noun
liūdesys
noun
1. bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, Salix babylonica
svyruoklinis gluosnis
noun
triada
noun
2. overlegprocedure, in het wetgevend proces, tussen Parlement, Commissie en Raad van de EU
trišalis pokalbis
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
trikampis
noun
tribunolas
noun
1. de plaatsen voor het publiek
medynas
adjective
1. somber stemmend
liūdnas
/ˈtrɪf.tɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit drie klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
tribalsis
noun
trigonometrija
noun
suklaidinti
noun
1. gesprek tussen drie personen of groepen
trialogas
/ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
Trinidadas ir Tobagas
/ˈtritsijʏm/
noun
1. een isotoop van waterstof
tritis
noun
1.
tritonis
pronoun
Triestas
noun
1. een vervelende vrouw
karvė
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
trofėjus
pronoun
Troja
/'trɔ.li.bɵs/
noun
troleibusas
noun
1. een koperen blaasinstrument
trombonas
noun
1. de vorming van een bloedprop in een bloedvat of het hart
trombas
noun
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
būgnas
noun
būgnelis
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
trimitas
noun
1. musicus die een trompet bespeelt
trimitininkas
/troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
sostas
noun
troposfera
noun
  1. 2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
    kekė
  2. 1.
    vynuogė
/trɔˈtʋar/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
šaligatvis
/trʌʊ/
noun
1. het zich houden aan...
ištikimybė
verb
1. het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
tuoktis
/ˈtrɑuwəns/
adverb
1. overigens
beje
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
megztinis
/tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
caras
noun
1.
carienė
/tʃad/, /tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Čadas
/tʃɛx/, /tʃɛχ/
noun
1. een inwoner van Tsjechië, of iemand afkomstig uit Tsjechië.
čekas
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
  1. čekų
  2. čekiškai
  3. Čekų
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
Čekijos Respublika
/ˈtʃɛxi.jə/, /ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
Čekija
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
Čekoslovakija
/tʃɛnobil/
pronoun
Černobylis
pronoun
1.
Čečėnija
/tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
cunamis
noun
1. een koperen blaasinstrument met lage toon
tūba
/ˌtybɛrkyˈlozə/
noun
1. een ziekte veroorzaakt de de tuberculosebacterie Mycobacterium tuberculosis
tuberkuliozė
/tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
sodas
noun
1. vorm van gewassenkwekerij die zich specifiek toelegt op het intensief telen van groenten, bloemen, planten, bomen, bollen of zaden
sodininkystė
noun
1. en 2. cultuurplant en eetbaar kruid Lepidum sativum
sėjamoji pipirnė
noun
1. hoofddeksel
turbanas
noun
1. plant
tulpė
/ty.ˈne.zi.jə/, /tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
Tunisas
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
tunelis
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
turbina
verb
1. veen als brandstof
durpės
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
Turinas
/tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
turkas
/tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
Turkija
pronoun
Turkmėnija
/tʏrˈkojs/, /tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
turkis
/tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
  1. turkų
  2. turkiškai
  3. turkų kalba
noun
1. bepaald soort tuinplant, Lilium martagon
miškinė lelija
noun
1. iemand die turnt
gimnãstas
noun
kišimasis
/ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
jaustukas
/ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
Tuvalu
/twaːlf/, /tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
dvylika
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
dvyliktas
/tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
du
/tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
  1. dvejetas
  2. du
/ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
antras
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
kilmininkas
noun
antrasis asmuo
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
Antrasis pasaulinis karas
/tʋedəˈɦɑn(t)s/, /tʋedəˈɦɑnts/
adjective
1. reeds door iemand bezeten geweest
naudotas
cardinalNumeral
1. het getal 220
du šimtai dvidešimt
/ˈtʋeklɑŋk/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
dvibalsis
noun
1. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
sutema
/ˈtwelɪŋ/, /ˈtʋelɪŋ/, /ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
dvynys
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 21 mei tot 21 juni
Dvyniai
adverb
1. in twee gevallen
du kartus
noun
bilingvìzmas
cardinalNumeral
1. het getal 42
  1. keturiasdešimt du
  2. keturiasdešimt dvi
/ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
  1. abejonė
  2. dvejonė
verb
2. het vermoeden hebben dat iets niet waar is
abejonė
/twɛɪ̯x/, /tʋɛɪ̯χ/, /tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
šakelė
/ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
dvidešimt
ordinalAdjective
dvidešimtas
noun
1. een langdurig geschil
ginčas
/tiˈfon/, /tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
taifūnas
noun
1. door bepaalde karakteristieken herkenbare soort
tipas
noun
2. grafische vorm van tekst
tipografija
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
Tirėnų jūra
/yː/
personalPronoun
u (pers.vnw.)
jūs
/ˈyfo/
noun
1. vliegend voorwerp waarvan de identiteit niet bekend is, meestal in verband met een (vermeende) buitenaardse oorsprong
NSO
/œʏ̯/, /œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
svogūnas
noun
1. de melkklier van een herkauwer
tešmuo
/œʏ̯ɫ/, /œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
pelėda
/œʏ̯t/, /œːt/
adverb
1. niet aan, stand van een apparaat
nuo
/œʏ̯t/, /œːt/
preposition
1. geeft aan van welke plaats iets komt
nuo
verb
1. heel precies het gewicht verdelen zodat het zwaartepunt precies op de gewenste plaat ligt
likutis
noun
išskirtis
verb
publikuoti
verb
1. een gevoel of gedachte in taal verwoorden
greitasis
/ˈœytrʏkɪŋ/, /ˈœːdrʏkɪŋ(g)/, /ˈœːtrʏkɪŋ/
noun
  1. 2. verbinding van woorden
  2. 3. geheel van sprekende gelaatstrekken
  3. 4. het uitdrukken, uiting
išraiška
verb
1. door persen iets of iemand uit iets anders verwijderen
greitasis
/ˈœʏ.tεɪn.ˌdә/, /ˈœː.tεːn.ˌdə/
noun
galas
/œʏˈtɛɪndələk/
adjective
1. afsluitend, niet tussendoor maar op het eind komend
lemiamas
verb
    1. 1. ophouden met branden
    2. 3. naar de bar, disco of restaurant gaan
    gèsti
  1. 4. naar buiten gaan
    išeiti
noun
1.
komendanto valanda
/'œʏtχɑŋ/, /'œːtɣaŋ/
noun
išėjimas
verb
1. door glijden ten val komen
slysti
noun
  1. 1. het dusdanig weinig voedsel laten nuttigen dat dit op den duur verhongering tot gevolg heeft, meestal doelbewust
  2. 2. het uitgehongerd/verhongerd zijn
badas
verb
karšti
verb
1. uit een aantal mogelijkheden één of meer selecteren
išrinkti
/'œʏ̯tkɔmst/, /'œːtkɔms/, /'œːtkɔmst/
noun
  1. 1. de afloop van een bepaald proces
  2. 2. middel
  3. 3. resultaat van een bewerking
tirpalas
/ˈœʏ̯tlat/, /ˈœːtlaːt/
noun
1. een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden
duslintuvas
noun
1. een verhaal bedoeld om iets begrijpelijk te maken
paaiškinimas
verb
1. iets doen begrijpen
aiškinti
noun
lygiavimas
/'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
verb
1. iemand verzoeken iets bij te wonen
vadinti
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
kvietimas
/ˈœtruːp/, /ˈœytruːp/
noun
1. wat men uitroept, luid geuite woorden of klanken
sušukimas
verb
2. uit emotie luid roepen
sušukti
noun
1. !, een leesteken dat uitdrukt dat de zin een uitroep, bevel of uitdrukking van verbazing is
šauktukas
noun
1. benodigdheden voor een taak
įranga
verb
2.door andere schakeling deactiveren
išjungti
verb
1. niet langer tot de mogelijkheden rekenen
išskirti
verb
1. besparen
tausoti
/œytspra:k/
noun
1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
tarimas
noun
1.
vitrina
noun
2. kort plezierreisje
ekskursija
verb
1. naar een later tijdstip verschuiven
atidėti
verb
1.door ziekte en gebrek vermageren en verzwakken
atrofuoti
noun
1. persoon die uitvindingen doet
išradėjas
noun
1. de daad van het uitvinden, het ontdekken van een nieuwe methode of een nieuw toestel
išradimas
/'œytfɪsə(n)/
verb
1.
apklausti
verb
  1. 2. afhandelen, voltrekken, ten uitvoer brengen
  2. 3. software runnen
įvykdyti
noun
3. wijze van bewerking
vertimas
verb
3. besparen
tausoti
noun
apsikeitimas
noun
metastazė
verb
2. een programma uitzenden
transliuoti
/œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
išimtis
noun
1. een lichtbewapende bereden soldaat in enkele Europese legers
ulonai
/ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
ultimatumas
adjective
1. éénvormig, gelijkvormig
uniforma
noun
uniforma
/ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
universitetas
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
visata
noun
1. scheikundig element met symbool Uub en atoomnummer 112
ununbis
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
uranas
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
uranas
pronoun
Uranas
pronoun
1. de officiële taal van Pakistan en een van de officiële talen van India
urdu
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
šlaplė
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
šlapimas
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
šlaplė
noun
1. de buis die loopt tussen het nierbekken en de blaas
šlapimtakis
/ˌyriˈnɪːrə(n)/
verb
1. het via de blaas lozen van lichamelijke afvalstoffen in de vorm van vloeistof
myžti
noun
pisuaras
noun
1. allergische irritatie van de huid
dilgėlinė
/ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /ˈuruˌɡwe/, /ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
Urugvajus
/ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
utopija
adjective
utopiškas
/ˈytrɛx/, /ˈytrɛxt/, /ˈytrɛχt/
pronoun
2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
Utrechtas
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noorden van het land
Utar Pradešas
pronoun
1. een noordelijke Indiase deelstaat
Utarakhandas
/yːr/
noun
1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
valanda
noun
1. een mechaniek dat de tijd bijhoudt of aangeeft
laikrodis
/yu̯/
possessivePronoun
bezittelijk voornaamwoord uw
tàvo
adjective
neaiškus
/vaːk/
adverb
1. vele malen
dažnai
/val/, /vaɫ/
adjective
1. tot bijna kleurloos verbleekt
išbluko
noun
± onderscheidende vlag van een schip en/of militaire eenheid
vėliava
noun
1. desertie
dezertyravimas
/ˈvaːrdəxɦɛːt/, /ˈvaːrdəxɦɛːɪt/
noun
1. het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem juist op te lossen
įgūdis
/ˈvarɣøːl/, /ˈvarχʏːɫ/
noun
  1. 1. een relatief smalle strook in een groter water die geschikt is om te bevaren
  2. 2. een strook bevaarbaar water tussen twee zandbanken
kanalas
noun
  1. 1. opgebouwde snelheid
    greitis
  2. 2. kanaal, bevaarbaar gemaakte watergang
    kanalas
noun
vandens kelias
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
vaza
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
indaplovė
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
indaplovė
/vakˈsæː/, /vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
vakcina
noun
1. een inenting
vakcinacija
verb
1. een injectie met een vaccin geven
skiepyti
noun
1. behaarde huid van een dier, vel van woldragende dieren, met de wol erop
kailis
noun
1. materievrije ruimte
vakuumas
noun
1. een mannelijke ouder
tėvas
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
tėvo diena
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
tėvynė
adjective
1. op een niet heel duidelijke manier
alpulys
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
makštis
/vɑˈkɑn(t)si/
noun
  1. 1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
  2. 2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
atóstogos
adjective
1.
įgalus
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
  1. profesinė sąjunga
  2. profsąjunga
adjective
įgalus
noun
1. een man die zijn vak of professie verstaat
amatininkas
/vɑɫ/
noun
10. apparaat met een vallende deur of klem met als doel dieren te vangen
pinklės
pronoun
Valensija
noun
valentingumas
noun
1. 14 februari, de dag van de verliefden
Valentino diena
adjective
1. in staat tot werken en normaal functioneren
na
/vɑlk/
noun
1. roofvogel
sakalas
/vɑlkə'rɛɪ/
noun
1. africhten van roofvogels
sakalininkystė
noun
arnika
noun
1. een laagte tussen bergen
slėnis
verb
1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
kristi
adjective
1. niet echt
dirbtinis
noun
valiuta
noun
1. mythologisch ondood wezen
  1. vampyras
  2. vampyrė
preposition
  1. 2. geeft herkomst aan
  2. 1. geeft bezit aan
iš
preposition
dėl
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
vanadis
adverb
1. op deze dag
  1. šiandiena
  2. šiandien
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
vandalizmas
verb
  1. 1. te pakken krijgen
  2. 2. onderscheppen
pagauti
noun
1. vloeistof onttrokken aan vanillestokjes in een ethanol oplossing
vaniles ekstraktas
adverb
1. de komende nacht
šiąnakt
/va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
Vanuatu
noun
1. Varanidae, de grootste levende hagedis
varanas
noun
1. een sporenplant
papartis
noun
variantas
noun
1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
kiaulė
pronoun
1. baai op de Cubaanse kust
Kiaulių įlanka
noun
  1. 1. overdekt verblijf voor varkens
  2. 2. een zeer smerig huis
kiaulìdė
noun
kiauliena
adverb
2. niet los te krijgen, muurvast
įstrigęs
/vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
sausuma
verb
1. zich onthouden van voedsel
pasninkauti
noun
nekilnojamasis turtas
verb
1. vastplakken van iets dat eigenlijk niet de bedoeling is
durti
verb
1. bewaren van gegevens
pagrobti
verb
1.
kėglis
verb
1. met een of meer spelden vastmaken
kėglis
verb
1. iets zodanig zetten...
apsaugotas
noun
1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
statinė
/vatiˈkanstɑt/, /vatiˈkaːnstɑd/, /vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
Vatikanas
verb
2. begrijpen
mokėti
noun
1.
kadras
verb
1. strijd leveren
grumtis
noun
vektorius
/ˈveda/
pronoun
1. elk van de vier voornaamste heilige hindoegeschriften
Vedos
noun
plunksna
adjective
1.
šviestuvas
/veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
galvìjas
noun
1. iemand die zich specialiseert in de geneeskunst van dieren
veterinãras
/feɪɫ/, /veːl/
indefiniteCardinalNumeral
  1. 1. groot in hoeveelheid
  2. 2. groot in aantal
daug
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
daugiakampis
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
ernis
adjective
1. vaak
dažnas
noun
1. het grote aantal
dažnumas
/veːr/, /vɪːr/
noun
2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
spyruoklė
/ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
keturiolika
ordinalAdjective
keturioliktas
/ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
keturiasdešimt
noun
galvi̇̀jas
noun
veganizmas
verb
1. zonder water schoonmaken met een borstel
šluoti
noun
vegetaras
noun
augalija
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
saugus
noun
1. een situatie waarin een bepaald gevaar niets kan aanrichten
saugumas
noun
1. een klep die een opening in een reservoir of een leiding afsluit en die geopend wordt als de inwendige spanning te hoog wordt
apsauginis vožtuvas
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
Jungtinių Tautų Saugumo Taryba
/ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
aukcionas
verb
1. zich onecht voordoen
simuliuoti
noun
  1. 1. dunne laag
    lapas
  2. 2. afgestroopte huid
    oda
/vɛlt/
noun
  1. nog na te kijken
  2. 1. open stuk land
  3. 2. stuk land voor het bedrijven van een sport
laukas
noun
  1. dirvinis vieversys
  2. vieversys
noun
1. en 2. (bladeren van) kruidachtige plant Valerianella locusta
  1. salotinė sultenė
  2. sultenė
noun
1. een treffen tussen twee of meer legers
mūšis
noun
feldšpatas
/vɛltɔxt/
noun
1. een trektocht van een leger met het doel de vijand te verslaan
kampanija
noun
1.
gruñtkelis
/ˈvɛld.zyː.rɪŋ/, /ˈvɛɫ.tsyː.rɪŋ/
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Rumex acetosa
valgomoji rūgštynė
/vəˈlur/
noun
1.
aksomas
//
pronoun
1. provincie in Italië
Venecija
pronoun
Venetas
/ˌvenəzyˈweːla/, /ˌvenəzyˈβ̞ela/, /ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
Venesuela
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
kukmedis
noun
1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
paprastasis pankolis
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
langas
noun
sklendė
noun
ventiliatorius
pronoun
1. planeet
Venera
noun
jautrusis musėkautas
adverb
1. op grote afstand
tolimas
verb
  1. 1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
  2. 2. zodanig aan zichzelf werken of zichzelf behandelen dat men anders wordt
keistis
noun
1. iets dat anders is geworden
pakeitimas
adjective
  1. 1. iets met extra verplichtingen of moeilijkheden om het goed te laten lopen
  2. 2. de verantwoordelijkheid hebbend
atsakingas
adverb
1. er op aangesproken kunnen worden als het niet goed gaat
atsakingas
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
atsakomybė
noun
1. een stuk stof om een wond e.d. mee af te dekken
bintas
/vər.ˈbɑ.nɪŋ/
noun
1. het verbod opgelegd krijgen naar een bepaalde plaats terug te keren
tremtis
verb
1. door iets onverwachts gevoelsmatig treffen
nustebinti
verb
  1. 1. kunstzinnig weergeven
  2. 2. een weergave zijn van
perteikti
/vər.ˈbeːɫ.dɪŋ/, /vər.ˈbɪːɫ.dɪŋ/, /vɛr.ˈbeːl.dɪŋ(g)/
noun
2. iets visualiseren, ergens een beeld bij maken
vaizduotė
verb
1. iets ergens plaatsen waar het niet gemakkelijk door anderen gevonden wordt
slėpti
/vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
uždrausti
verb
1. zijn gevoelens van ergernis of pijn onder controle houden
užgniaužti
verb
3. behandelen door het aanbrengen van verband
bintúoti
/vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
  1. 2. scheikunde
    junginys
    1. 1. verbinden of samenvoegen
    2. 3. communicatie
    3. 4. vervoer
    jungtis
noun
1. teken in de vorm van een kort liggend lijntje
brūkšnelis
noun
pabuvimas
verb
1. tijdelijk wonen, ergens tijd doorbrengen
pasilikti
/vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
draudimas
adjective
1.onzichtbaar gemaakt
paslėptas
verb
1. verteerd worden door vuur of hitte
deginti
noun
nudegimas
/vər'brɛidə(n)/
verb
2. propageren
paskleisti
noun
2. de totale verbruikte hoeveelheid
vartojimas
noun
vartotojas
verb
2. het stelselmatig veranderen van de uitgang van een naamwoord al naargelang de functie van het woord in de zin
kaityti
/vər.ˈbœʏ̯.χɪŋ/, /vər.ˈbœː.ɣɪŋ/
noun
1. naamwoordsflexie
deklinacija
verb
1. beschermen tegen een aanval
ginti
noun
gynyba
verb
1. in kleinere stukken uiteendoen
dalinti
noun
pasiskirstymas
/vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
įtarimas
verb
1. het recht op een beloning of bestraffing verwerven
nusipelnyti
/vər.ˈdi.pɪŋ/
noun
3. alle ruimten op één hoogte in een gebouw
aukštas
interjection
prakeikimas
noun
1. bereidheid om te aanvaarden dat anderen zich gedragen op een manier die je niet goed vindt
pakanta
/vərˈdrɑx/
noun
1. een wettelijk wederzijds bindende overeenkomst tussen twee of meer staten
sutartis
verb
1. bestand zijn tegen
atlaikyti
noun
1. een gevoel van droefheid
liūdesys
adjective
1. in sombere stemming
liūdnas
verb
  1. 1. in het water omkomen
  2. 2. in het water doen omkomen
  3. 3. door drinken van alcohol doen verdwijnen
skęsti
verb
1. onderdrukken
užgniaužti
/vər.ˈdœʏ̯.stə.rɪŋ/, /vər.ˈdœː.stə.rɪŋ/, /vɛr.ˈdœːs.tə.rɪŋ(g)/
noun
užtemimas
verb
1. ongemak of lijden verdragen
kęsti
/vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
  1. 1. wegraken
  2. 3. uit het zicht gaan
dingti
verb
įamžinti
noun
1.
likutis
/vɛrɛɪsə(n)/
verb
1. nodig hebben
būti reikalingas
/vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
Jungtinė Karalystė
/vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
Jungtiniai Arabų Emyratai
pronoun
1. unie van Egypte en Syrië van 1958 tot 1961, en de officiële naam van Egypte van 1961 tot 1971
Jungtinė Arabų Respublika
noun
Jungtinių Tautų Organizacija
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Jungtinės Amerikos Valstijos
/və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Jungtinės Amerikos Valstijos
verb
1. afzonderlijke delen tot één geheel maken
jungtis
/vɛrf/
noun
1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
dažai
verb
žūti
noun
neužmirštuõlė
noun
atpildas
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
lyginti
noun
1. de vorm die een bijvoeglijk naamwoord aanneemt als het in een vergelijking gebruikt wordt
aukštesnysis laipsnis
/vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
  1. 1. relatie tussen twee zaken
    lyginimas
  2. 2. wiskundige uitdrukking
    lygtis
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
pamiršti
verb
1. vergiffenis schenken
atleisti
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
atleidimas
verb
1. met iemand meegaan
lydėti
/vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
nuodai
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
atleidimas
noun
1. een stof die in kleine hoeveelheden toegediend een zeer schadelijke of zelfs dodelijke werking heeft
nuodai
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
nuodyti
/vər.ˈɣɪ.sɪŋ/, /vər.ˈχɪ.sɪŋ/, /vɛr.ˈɣɪ.sɪŋ(g)/
noun
1. iets doen dat niet juist is, of een verkeerde conclusie trekken
klaida
noun
1. bolle lens waardoor de voorwerpen die men bekijkt groter lijken
didinamasis stiklas
/vərˈɣrotəndə trɑp/
noun
1. de vorm die het bijvoeglijk naamwoord aanneemt in vergelijkingen
aukštesnysis laipsnis
noun
1. een officiële (noodzakelijke) toestemming om een bepaalde activiteit uit te voeren
licencija
noun
1.
gomurys
adjective
džiaugsmingas
noun
1. een indringende ondervraging van een gevangene of verdachte
apklausa
verb
1. iemand onderwerpen aan indringende vragen, met name over diens rol in strafbare handelingen
apklausinėti
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
gimtadienis
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
eismas
adjective
1.
amoralus
noun
1. gestandaariseerd bord met aanwijzingen voor mensen in het verkeer
kelio ženklas
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
šviesoforas
noun
1.
žiedas
noun
  1. tyrinėjimas
  2. 2. militaire verkenning
    žvalgyba
/vər.ˈki.zɪŋ/, /vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
rinkimai
/vɛrˈklarə(n)/
verb
  1. 1. duidelijk maken
    aiškinti
  2. 2. een officieel standpunt uitspreken
    pareikšti
/vər.ˈkla.rɪŋ/, /vɛr.ˈkla.rɪŋ(g)/
noun
  1. 4. schriftelijk stuk
    deklaracija
    1. 1 het verklaren
    2. 3. opheldering
    paaiškinimas
/vərˈklɛɪ̯nʋɔːrt/
noun
1. woord waardoor iets als klein of weinig wordt voorgesteld
deminutyvas
noun
veja
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
pardavimas
noun
pardavėja
/vərˈkopə(n)/
verb
1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
  1. parduoti
  2. pardavinėti
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
pardavėjas
noun
1. een seksuele daad onder dwang
išprievartavimas
verb
1. in bezit krijgen, verwerven
gauti
verb
2. met lak overdekken
lakas
noun
1. toestand waarin men niet is staat is zich te bewegen
paralyžius
noun
1. iets willen hebben
geisti
verb
1. iets erg graag willen hebben
geisti
verb
1. weggaan
išeiti
noun
palikti
adjective
1. voorbij
praeitis
noun
1. de voorafgaande tijd
praeitis
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
būtojo laiko dalyvis
noun
būtasis laikas
/vərˈlɛŋə(n)/
verb
2. langer laten duren
prailginti
adjective
1. van een onderneming dat deze meer kosten heeft dan dat er baten zijn
nuostolingas
verb
1. iemand liefhebben; houden van iemand
pamilti
verb
1. iets kwijt raken
netèkti
noun
1. iemand die toegezegd heeft met een partner in het huwelijk te willen treden
sužadėtinis
/vər.ˈlɔ.sɪŋ/, /vɛr.ˈlɔ.sɪŋ/
noun
1. de bevrijding van de gevolgen van de zonden van de mens door het geloof in Jesus
išgelbėjimas
noun
pramoga
verb
1. iemand prettig en leuk bezighouden
linksminti
verb
1. het herhaald optellen van een getal; een rekenkundige bewerking waarvan de uitkomst het product wordt genoemd
padauginti
/vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
  1. 1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
  2. 2.een voortplanting
daugyba
/vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
antíena
noun
1. bepaalde rode kleurstof op basis van kwik(I)sulfide, HgS
cinoberis
verb
  1. 1. afnemen in aantal, kleiner worden
  2. 2. doen afnemen in aantal, kleiner maken
mažinti
noun
1. een waarschijnlijke waarheid
prielaida
noun
nuovargis
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
užmušti
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
vermutas
verb
1. iemand zo behandelen dat hij zich minderwaardig voelt
žeminti
verb
1.
ūkana
/vərˈniwə(n)/
verb
  1. 1. opnieuw maken, opknappen
  2. 2. bij de tijd brengen
atnaujinti
noun
1. een oplossing van filmvormende stoffen in vluchtige oplosmiddelen...
lakas
verb
1. iets voorzien van een laag vernis
lakas
noun
tarša
adverb
1. gevoelens koesterend dat men te na gekomen is
pasipiktinęs
verb
1. boos maken; woedend maken; sterk afkeuren
dirginti
verb
1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
nuteisti
verb
1. de oorzaak zijn van
sukelti
noun
reglamentas
verb
1. dwingend voorschrijven
mokestis
/vərˈʌʊdərə(n)/
verb
1. ouder worden
senti
noun
užkariavimas
noun
  1. 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
  2. 2. een deskundige in de verpleegkunde
seselė
verb
daužyti
/vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
išdavimas
verb
2. een geheim prijsgeven
išduoti
noun
1. iemand die verraad pleegt
išdavikas
verb
  1. 1. iemand onverwachts met iets confronteren
  2. 2. iemand onverwachts verblijden
nustebinti
/və.ˈra.sɪŋ/, /və.ˈrɑ.sɪŋ/, /vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
staigmena
/ˈvɛrəˌkɛːkər/, /ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
binoklis
adjective
2. niet ingeblikt, niet diepgevroren
šviežias
noun
    1. 2. dichtregel
    2. 3. couplet
    eilėraštis
  1. 1. gedicht
    poema
/vər'sxɑlkə(n)/
verb
1.
juokdarys
/vɛrsxɛɪnsəɫ/
noun
1. iets dat zich voordoet
reiškinys
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
skirtumas
adjective
1. niet op elkaar lijkend
kitoks
adverb
1. zo erg dat men er van schrikt
baisus
verb
1. door uitdroging rimpelig en klein worden
susitraukti
/ˈfɛrsi/
noun
  1. 1. specifieke vorm of variant van een uitgave
  2. 2. bepaalde verklaring of interpretatie van een gebeurtenis
variantas
verb
1. een definitieve overwinning boeken op een tegenstander
nugalėti
/vərˈslɑx/
noun
1. bericht over een gebeurtenis of toestand
ataskaita
noun
reporteris
verb
1. slechter worden
blogė́ti
noun
  1. 1. toename van het tempo
  2. 2. tweede tijdsafgeleide van de positie
pagreitis
verb
  1. 1. in omloop brengen, over een groter oppervlak uitbreiden
  2. 2. zich ~: een proces van uitbreiding ondergaan
paskleisti
verb
1. een uitspraak doen die men niet zo bedoelde te maken
žadėti
/vər.ˈstaːn/
verb
1. begrijpen van een uiting
suprasti
adjective
1. met verstand
protingas
noun
1. elk der vier achterste kiezen van boven- en onderkaak die pas later opkomen (als mensen tot de jaren des verstands zijn gekomen)
protinis dantis
/vər'stɛlbar/
adjective
1. dat je iets in een andere, aangepaste stand vast kunt zetten
kintamasis
verb
1. doen stikken
uždusinti
noun
1.
uždusimas
verb
1. plotseling sprakeloos worden
nutilti
/vər'stɔpə(n)/
verb
1. iets stoppen waar het niet gemakkelijk gevonden zal worden
slėpti
/vərˈstorə(n)/
verb
1. uit de concentratie brengen, onderbreken wat men aan het doen is
trukdyti
verb
1. ter beschikking stellen
duoti
verb
įpainioti
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
versti
noun
vertėjas
/vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
vertimas
/ˈvɛrtə/
noun
1. het gebied dat nog net binnen zichtsafstand is
toluma
noun
1. gewerveld dier
stuburinis
adjective
1.
dailus
verb
1.
atstovauti
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
atstõvas
verb
1. een al of niet ware gebeurtenis verhalen
pasakyti
adverb
vertikalus
verb
1. laten zien
parodyti
noun
2. de actie van het vertrekken of weggaan
išvykimas
adverb
gerai žinomas
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
pasitikėjimas
/vərˈvɑŋənt/
adjective
deputatas
verb
1. met verf bestrijken
dažyti
noun
dažytojas
interjection
prakeikta
/vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /vər.ˈvu.χɪŋ/, /vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
asmenuotė
noun
1. voorwerp bestemd om personen of goederen naar een andere plaats te brengen
transporto priemonė
/vər'vɔlɣən/
verb
2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
persekioti
noun
2. overeenkomst, affiniteit
sántykis
noun
1. het niet meer helder kunnen denken;een psychische gesteldheid waarbij iemand zich niet meer kan oriënteren
netvarka
verb
1. iets warm maken
kaitinti
/vər.ˈʋɑr.mɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑr.mɪŋ/, /vɛr.ˈwɑr.mɪŋ(g)/
noun
  1. 1. het proces van verwarmen
  2. 2. een installatie die voor het verwarmen zorgt
šildymas
/vɛrˈʋɑrən/
verb
1. in de war brengen
klaidinti
/vɛrˈʋɛ.χɪsˌtɑn/, /vɛrˈβ̞ɛ.ɣɪsˌtɑn/
pronoun
1. uithoek, een hypothetisch en oneindig ver land
Bezdonys
noun
1. vloek of belediging
prakeikimas
verb
1. afwijzen
atmesti
/vərˈwɛɪ̯dərə(n)/, /vərˈʋɛɪ̯dərə(n)/, /vərˈβ̞ɛːdərə(n)/
verb
  1. de ingewanden van een vis of pluimvee verwijderen
    išdarinėti
  2. 1. weghalen
    šalinti
noun
1. een vermelding van een bron waar meer informatie te vinden is
atsigrįžimas
verb
1. op een verwarrende, vervelende wijze bij een zaak betrokken zijn
įpainioti
noun
velti
noun
1.
įspėjimas
noun
1. lichamelijk letsel
susižeidimas
verb
1.
mokestis
verb
  1. 2. een verzameling hebben of aanleggen
    rinkti
    1. 1. bijeenbrengen
    2. 3. bijeenkomen
    surinkti
/vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
  1. 2. wiskundige verzameling
    aibė
  2. 1. meerdere voorwerpen...
    kolekcija
verb
1. verklaren dat iets ...
teigti
/vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
draudimas
noun
1. handelingen gericht tegen de heersende macht of de aanvallende vijand
pasipriešinimas
noun
1. beweging van het verzet, de gezamenlijke mensen die zich verzetten tegen een overheerser
rezistencija
verb
perteikti
verb
1. aan iemand vragen iets al dan niet te doen
prašyti
verb
dingti
noun
tvirtovė
adjective
  1. 1. dik, vet inhoudend
  2. 6. lijkend op iets vets
storas
noun
  1. 1. gladde, zeer vette vloeistoffen, smeermiddelen
  2. 2. gespecialiseerd dierlijk weefsel
riebalai
/vɛtblɑt/
noun
1.1 bepaald soort vleesetende plant, Pinguicula vulgaris
paprastoji tuklė
noun
riebalinis audinys
noun
2.
storulis
/ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
riebalų rūgštis
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
kumeliukas
noun
1.
veilologia
noun
1. een vezel is een lang, dun filament waarvan de lengte ten minste drie keer groter is dan de doorsnede
skaidula
noun
1. marimba met metalen toetsen en vibratosysteem
vibrafonas
noun
suklaidinti
noun
viceprezidentas
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Viktorija
noun
pergalė
noun
1. elektronisch spel, met beelden op een monitor of tv
video žaidimas
/viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
  1. keturi
  2. keturios
/ˈviːrdə/
ordinalAdjective
1. nummer vier in een rij
ketvirtas
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
keturkampis
adjective
1. met de vorm van een vierkant
kvadratas
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
kvadratas
noun
1.
kvadratinis metras
noun
1. dat getal dat met zichzelf vermenigvuldigd een gegeven getal oplevert
kvadratinė šaknis
adjective
1. van een dier of voorwerp dat het vier voeten heeft
keturkojis
pronoun
Keturių Kantonų ežeras
adjective
1. smerig
bjaurus
pronoun
Vietnamas
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
  1. vietnamiečių
  2. vietnamietiškai
noun
1. nachtwake
ìšvakarės
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
priešas
noun
1. het vijandig zijn
priešiškumas
noun
1. een toestand van op voet van oorlog zijn
priešiškumas
/vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
  1. penki
  2. penkios
/ˈvɛɪ̯f.də/, /ˈvɛɪ̯v.də/, /ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
penktas
cardinalNumeral
1. het getal 25
dvidešimt penki
cardinalNumeral
1. het getal 55
penkiasdešimt penki
/ˈvɛi̯fˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 500
penki šimtai
noun
1. atletiekmeerkamp met vijf onderdelen
penkiakovė
/ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
penkiolika
ordinalAdjective
penkioliktas
/ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
penkiasdešimt
noun
1. vrucht van de vijgenboom
  1. datulé
  2. figa
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
dildė
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
kūdra
noun
B 2. waterschroef
sraigė
/ˈvikɪŋ/
noun
1. Scandinavische krijger, behorend tot de noordelijke tak van de Germanen
vikingas
noun
1. een groot en vrijstaand huis
vila
noun
door langdurig bewerken verdichte wol
veltinys
noun
1. een pen met een poreuze kern
flomasteris
/vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
pelekas
/'vɪndə(n)/
verb
1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
surasti
noun
1. extremiteiten van de hand
pirštas
/ˈvɪ.ŋər.ˌɑf.drʏk/, /ˈvɪ.ŋər.ˌɑv.drʏk/
noun
1. een afdruk op een oppervlak van een vinger met meestal de unieke, persoonsgebonden figuur...
pirštų atspaudas
/'vɪŋərˌɦut/
noun
1. hard dopje dat het eerste kootje van de vinger beschermt bij het naaien
antpirštis
noun
rusmenė
/ˈvɪ.ŋər.knɪp/
noun
spragtelėti
noun
1. dun, doorzichtig plaatje van harde keratine op de bovenkant van elk van de vijf uitsteeksels van de hand
nagas
noun
topje van een vinger
nagas
noun
kikiles
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
violetinė
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de violoncellist of cellist tussen de knieën wordt gehouden
violončelė
noun
1. strijkinstrument
smuikas
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Viola
našlaitė
adjective
1.
vyriškas
noun
1.
virologija
/ˈvʏːrcuwəlriˌjɛləti/
noun
virtuali realybė
adjective
1.
virtualus
/virəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
virusas
noun
  1. 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
  2. 2. het vlees van een vis
žuvis
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
žuvininkas
noun
aplankymas
noun
1. vlechtwerk van touw om zeedieren te vangen of in water te bewaren
tinklas
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
Žuvys
verb
  1. 2. proberen te weten te komen
    meškerioti
  2. 1. proberen te vangen
    žvejoti
noun
1. iemand die beroepsmatig vist
žvejys
noun
Žuvies piršteliai
noun
viza
noun
gyvumas
noun
1. een stof die het lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft, maar niet of bijna niet door het lichaam zelf aangemaakt kan worden en derhalve in voldoende mate via voedsel of supplement ingenomen moet worden
vitaminas
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
kėkštas
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
Flandrija
/vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
vėliava
noun
flagštokas
/ˈvlɑɣəˌsxɪp/
noun
1. schip waarop zich de bevelvoerder over een vloot of eskader bevindt
flagmanas
noun
1. bepaald soort vis, Thymallus thymallus
kiršlys
/vlɑk/
adjective
1. zonder bergen of dalen
lygus
/vlɑk/
noun
1. een verzameling punten die twee dimensies vult
plotas
noun
1. bepaald soort giftige vaste plant die sporen vormt, Diphasiastrum complanatum
dvišakė padraika
noun
1. gebied met weinig of geen hoogteverschillen
lyguma
noun
1. kleinste vorm van vuur
liepsna
noun
linas
noun
1. een gebonden pluk haar
kasa
/ˈvlɛx.tə(n)/, /ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
pinti
noun
1. klein vliegend zoogdier
  1. šikšnosparnis
  2. šikšnósparnis
noun
  1. 1. spierweefsel van bepaalde organen
  2. 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
mėsa
noun
1. een vieze plek
dėmė
noun
  1. 1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
  2. 5. een deel van een leger
sparnas
/vlix/, /vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
musė
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
lėktuvnešis
/ˈvli.ɣə(n)/, /ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
  1. skristi
  2. skraidyti
noun
1. Lucanus cervus, een kever uit de familie vliegende herten
elniaragis
noun
1. bepaald soort paddenstoel, Amanita muscaria
  1. paprastoji musmirė
  2. musmirė
noun
    1. 1. een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
    2. 2. een vierhoek waarvan twee paar aanliggende zijden en één paar ...
    aitvaras
  1. 6. iemand die vliegt
    aviatorius
noun
1.
skraidantis
/ˈvlixtœːx/, /ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
  1. lėktuvas
  2. aeroplanas
/ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
aerodromas
noun
1. sneldraaiend wiel met grote massa
smagratis
noun
šeivamedis
noun
1. dunne laag op een oppervlak
filmas
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
  1. drugelis
  2. drugys
noun
drugelis
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
blusa
noun
1. verhoging van de waterstand
potvynis
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
skystas
/ˈvlujə(n)/
verb
1. zacht stromen
bė́gti
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
skystis
noun
1. bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
prakeikimas
/vlur/
noun
grindys
noun
blusų turgus
/vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
flotilė
noun
1. een drijvende constructie
plaustas
noun
  1. 1. het zich door luchtruim bewegen
    skrydis
  2. 3. het ontvluchten van bijvoorbeeld gevaar of straf
    srovė
/'vlɵxtəlɪŋ/
noun
1.
pabėgėlis
adjective
2. zonder al te veel aandacht voor alle details
paviršinis
noun
1.
reiso numeris
noun
1.
lapelis
pronoun
1. wereldwijde organisatie waarin alle landen kunnen samenwerken
ANO
noun
leksika
noun
1. de vijfde naamval waarin een naamwoord staat dat aanduidt tot wie het woord wordt gericht
šauksmininkas
adjective
drėgnas
noun
1. de mate van vocht
drėgmė
verb
1. van voedsel voorzien
maitinti
noun
1. een product, middel dat een organisme kan gebruiken om zich te voeden
maisto produktas
noun
1. voedingsmiddel dat bedoeld is als aanvulling op de normale voeding
maisto papildas
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
maistas
/ˈvuxʋoːrt/
noun
jungtukas
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
jausti
/ˈvuːrtœx/, /ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
važiuoklė
noun
  1. 3. oude lengtemaat
    pėda
  2. 1. voortzetting van het been beneden de enkel
    1. pėda
    2. koja
/ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
futbolas
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
pėstysis
/'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
rūta
noun
1. een onderstel voor o.a. beelden en vazen
pjedestalas
noun
1. de onderzijde van de voet
pėda
/ˈvoːɣəl/, /ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
  1. paukštis
  2. paukštė
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
ančiasnapis
/ˈvo.ɣəl.kɛrs/
noun
1. bepaalde boomsoort die in West-Europa thuishoort, Prunus padus
ieva
noun
1.
amalas
noun
daržinė žliūgė
noun
1. manshoge pop
baidyklė
/vɔl/, /vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
pilnas
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
Volapiukas
verb
1. een eis vervullen
patenkinti
indefinitePronoun
1. toereikend, genoeg
pakankamai
/vɔl.ˈdu.nɪŋ(g)/, /vɔɫ.ˈdu.nɪŋ/
noun
1. tevredenheid
pasitenkinimas
/'vɔlxə(n)/
verb
1. achterna gaan
sekti
adjective
1. dat later komt
kitas
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
pasak
/vɔlk/
noun
    1. 1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
    2. 2. de inwoners van een land
    1. liaudis
    2. tauta
  1. 4. een aantal mensen
    žmonės
pronoun
Tautų Sąjunga
noun
1. internationaal privaat- en publiekrecht
tarptautinė teisė
noun
genocidas
noun
1. tarwe met zemelen en kiem
viso kviečių rupiniai
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
valstybinis himnas
noun
1.
referendumas
/'vɔlkstɛlɪŋ/
noun
1.
cenzas
/ˈvɔlks.tœʏn/
noun
2. moestuin beschikbaar gesteld aan stadsbewoners
kolektyvinis sodas
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
pìlnatis
noun
  1. 1. spel
  2. 2. bal
tinklinis
/vɔlˈmaːkt/
adverb
1. zonder enig gebrek
nuostabus
noun
voltas
noun
1. spanningmeter
voltmetras
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
būtojo laiko dalyvis
verb
1. ten einde brengen
baigti
noun
  1. 1. ruimtelijke capaciteit
  2. 3. fysieke informatiedrager
garsumas
adjective
1. een leeftijd bereikt hebbend waarop men volgroeid en onafhankelijk kan zijn
didelis
noun
1. iemand die volgroeid is
suaugusi
noun
1. een tot een volledige zin geordende taaluiting van redelijk grote omvang
sakinys
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
kibirkštis
noun
1. een beslissing van een rechter in dagvaardingsprocedures
nuosprendis
noun
balsas
/vor/
noun
1. ploegsnede
vaga
/vor/
preposition
  1. 4. eerder in tijd
    pirm
  2. 1. dichterbij dan
    priešais
noun
1. iets ter navolging
pavyzdys
verb
1. handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
pasiruošti
/vorˈbɛɪ̯ɣan/, /vorˈbɛːɣan/, /vo̝rˈbɛɪ̯χan/
verb
  1. 1. langs een bepaald punt gaan.
  2. 2. tot verleden gaan behoren
slinkti
noun
1. doorwaadbare plaats
brasta
noun
kujis
adverb
1. in het verleden
anksčiau
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
kakta
noun
1. voorhuid van penis
apyvarpė
noun
1. de lente
pavasaris
/vorkɑnt/
noun
1. een van de zijden van een voorwerp, namelijk dewelke naar voren gericht is
priekis
/ˈvoːrkør/
noun
1. de neiging tot kiezen van het één boven het ander
preferencija
verb
1. hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
skaityti
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
vardas
/ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
įvardis
noun
išankstinis nusistatymas
noun
1. iemand van wie afgestammen wordt
protėvis
noun
prioritetas
noun
receptas
noun
3. liefdesspel als opmaat voor seks
erotinės glamonės
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
pasiūlymas
verb
1. een plan voorleggen
pasiūlyti
noun
  1. 1. signaal dat aan een gebeurtenis voorafgaat
  2. 2. plus- of minteken voor een getal
  3. 3. symbolen aan het begin van een notenbalk
pranašiškas ženklas
verb
1. in hoog tempo aan iets werken
skubėti
verb
tęsti
noun
1. het proces van technologische en economische groei van een samenleving
pažanga
noun
1.
protėvis
noun
1.
prejakuliatas
/ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
priešdėlis
verb
simuliuoti
noun
pratarmė
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
prielinksnis
/vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
apdairus
noun
priekis
noun
1. hoofd van een bestuur, leider van een vergadering
pirmininkas
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Forarlbergas
/'vɔː.rə/
noun
1. ploegsnede
vaga
indefiniteOrdinalNumeral
1. degene die of datgene dat eerder een positie innam
ankstesnis
noun
  1. 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
  2. 1. aftakking van een boomtak of van een weg
  3. 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
šakutė
noun
1. ruimtelijke begrenzing van een voorwerp
forma
noun
1. het ontstaan...
statymas
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
  1. lapė
  2. lapinas
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Laputė
noun
1. bepaald soort plant, Vaccinium vitis-idaea
bruknė
noun
lankstyti
verb
lankstyti
/vra:x/, /vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
klausimas
noun
1. een gesprek waarin iemand een aantal vragen beantwoordt
interviu
noun
1. een leesteken (?) dat men aan het eind van een zin plaatst om deze vragend te maken
klaustukas
/vrɑxt/, /vrɑχt/
noun
1. de lading van een vervoermiddel
krovinys
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
krovininis laivas
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
sunkvežimis
/ˈvraɣə(n)/, /ˈvraχə(n)/
verb
  1. 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
    1. klausti
    2. paklausti
  2. 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
    prašyti
noun
1. ontbreken van oorlog
taika
adjective
    1. 2. gek, onwerkelijk
    2. 3. niet bekend
    keista
  1. 1. van buiten, niet van hier
    svetimas
noun
1.
ksenofobija
verb
1. met een andere partner dan de echtgenoot verkeren
klajoti
noun
1. iets dat niet gewoon is; iets dat afwijkend is; iets dat onbekend is; iets dat raar is
saviškumas
noun
1. het gevoel dat iets gevaarlijk is of kan zijn
bijojimas
adjective
1. bijzonder erg, schrikwekkend
baisus
verb
1. het nuttigen van voedsel op een meestal onbeleefde wijze
suėsti
noun
1. een blij gevoel
džiaugsmas
/ˈvrøx.də.ˌvyːr/, /ˈvrøɣ.də.ˌvyːr/, /ˈvrøχ.də.ˌvyːr/
noun
1. een groots door mensen opgebouwd en gecontroleerd vuur om iets te vieren
laužas
/ˈvrezə(n)/
verb
1. bang zijn, angst hebben
baimintis
noun
1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
draugas
adjective
1. met het nodige respect
draugiškas
noun
  1. 1. een vrouwelijk persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
  2. 2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
draugė
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
draugystė
/vrispʌnt/
noun
užšalimo taškas
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen in bevroren toestand gebracht, te bewaren
šaldiklis
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
laisvas
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
penktadienis
noun
2. vrijheid
laisvė
adverb
laisvai
noun
1. een ongehuwde man of vrouw
viengungis
/ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
laisvė
noun
1. krijger, rebel of activist die zich inzet voor de vrijheid van zijn of haar onderdrukte volk, en door de vijand vaak gezien als terrorist of militant
Laisvės kovotojas
verb
1. toestaan om uit gevangenschap weg te gaan
paleisti
adjective
1. niet gedwongen
savanoriškas
/ˈvrud.vrɑu/
noun
1. een vrouw die een bevalling begeleidt
akušerė
adjective
  1. 1. aan het begin
  2. 2. eerder dan verwacht
ankstus
/ˈvruxər/, /ˈvruɣər/
adverb
1. (zoals) in het verleden
anksčiau
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
pusryčiauti
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
pusryčiauti
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
pusryčiauti
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
pusryčiauti
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
pusryčiauti
adverb
anksti
adjective
1. in goede stemming
džiugus
noun
  1. 1. een volwassen vrouwelijke mens
  2. 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
moteris
adjective
moteriškas
noun
ginekologas
noun
mizoginas
noun
2. grootste in Europa voorkomende orchideeënsoort, Cypripedium calceolus
lačialapė klumpaitė
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
vaisius
/'vrɵɣbar/
adjective
1. in staat vrucht af te werpen
derlingas
/'vrʏxt.bar.ɦɛɪ̯t/, /'vrʏxt.bar.ɦɛːt/, /'vrʏɣ.ba.rɛɪ̯d/
noun
1. het vermogen vrucht te dragen
gimstamumas
noun
1.
uzufruktas
/vœy̯l/
adjective
1. niet schoon
bjaurus
noun
1. voorwerp waarop men vuil kan vegen
semtuvėlis
verb
1.
užteršti
noun
1. materiaal dat weggeworpen wordt
šiukšlė
/'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
šiukšliadėžė
noun
1. gebalde hand
kumštis
adjective
vulgarus
noun
ugnikalnis
noun
1.
vulkaniniai pelenai
noun
1. de vaak explosieve activiteit waarmee in een vulkaan opgebouwde spanningen zich ontladen
ugnikalnio išsiveržimas
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
vulkanologija
verb
1. vol maken
pìldyti
noun
het materiaal waarmee iets opgevuld is
mokestis
/ˈvʏl.pɛn/, /ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
automatinis plunksnakotis
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
putė
/vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
ugnis
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
Ugnies Žemė
noun
1.
titnagas
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
  1. švyturys
  2. žibintas
noun
1. een wapen dat een kogel schiet met behulp van een chemische ontploffing
šaunamasis ginklas
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
fejerverkas
/'ʋajə(n)/
verb
1. plaatsvinden van een sterke luchtstroming
pūsti
noun
1. scherm in halve schijfvorm
vėduoklė
adverb
1. oplettend
budrus
noun
1. oplettendheid
pastabumas
/wal/
pronoun
(eigennaam) 1. brede zijrivier van de Rijn in Nederland
Valas
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
valonų
noun
1. het lijden aan een geestesstoornis
beprotybė
adjective
išprotėjęs
/ʋar/
adverb
1. op welke plaats
kur
noun
vertė
/ˈʋardəˌlos/
adjective
1. geen waarde hebbend
bevertis
noun
1. document met geldswaarde
vertybinis popierius
verb
2. op prijs stellen
vertinti
/'ʋardəˌvɔl/
adjective
1. een grote waarde hebbend
vertingas
noun
stiuardesė
noun
1. dat wat waar is
  1. tiesa
  2. teisybė
noun
  1. 1. iemand die iets waarneemt
  2. 3. een persoon die aanwezig is bij een gebeurtenis om de gang van zake in de gaten te houden
stebėtojas
noun
1. iets via de zintuigen registreren
stebėjimas
/ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
kodėl
adjective
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
be abejonės
adverb
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
tikriausiai
/ˈʋaːrsxyu̯ə(n)/
verb
1. iemand verwittigen dat er mogelijke gevaren, problemen of gevolgen zijn
perspėti
/'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
įspėjimas
noun
1. nevelsluier
ūkana
/ˈʋɑx.tə(n)/, /ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
laukti
noun
1. een aantal elementen die in een bepaalde volgorde op een gebeurtenis wachten
eilė
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
slaptažodis
noun
1. een bij eb droogvallend buitendijks gebied
vatas
noun
1. een ondiep deel van de Noordzee tussen het vasteland en de reeks eilanden van Texel tot Rømø
vatas
verb
1. door ondiep water lopen
bristi
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
au
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
noun
2. een auto
automobilis
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
Velsas
pronoun
1. een speciale hemel in de Noorse mythologie, voorbehouden voor de gesneuvelden in de strijd
Valhala
/ʋɑˈlonɪə/
pronoun
Valonija
/wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
vėplys
noun
4. dans
valsas
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
banginis
/ʋɑnt/
noun
siena
/ˈʋɑn.də.lə(n)/, /ˈβ̞ɑn.də.lə(n)/
verb
1. een wandeling maken
eiti
/ˈʋɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het lopend afleggen van een bepaalde afstand
pasivaikščiojimas
noun
1.
patalinė blakė
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
  1. skruostas
  2. žandas
/ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
beviltiškumas
verb
1. onvast op de voeten staan, dreigen te vallen
sverdinėti
/ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
kada
noun
1. een ongeregelde toestand met gebrek aan orde
netvarka
/ʋɑnt/
conjunction
1. geeft nevenschikkend een reden aan
nes
/ˈʋaːpən/
noun
  1. 1. een werktuig van geweld
    1. ginklas
    2. herbas
  2. 2. een wapenschild
    herbas
noun
1. een korte tekst die de bedoeling van iets weergeeft
devizas
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
paliaubos
noun
ginklavimosi varžybos
noun
1. een grote winkel die een uitgebreid assortiment aan goederen verkoopt
universalinė parduotuvė
/ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
karštas
noun
  1. 1. de mate waarin het weer warm is.
  2. 2. de hoeveelheid thermische energie.
šiluma
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Varšuva
/ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
vaškas
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
meškėnas
noun
1. Nyctereutes procyonoides, een zoogdier en roofdier uit de familie Canidae
usūrinis šuo
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
  1. skalbimo mašina
  2. skalbyklė
noun
1. zeep in een vorm om kleding en ander textiel in water te reinigen
skalbiklis
/'ʋɑsə(n)/
verb
  1. 3. groeien
    augti
    1. 1. iets schoonmaken
    2. 2. zichzelf schoonmaken
    mazgoti
/ʋɑt/
interrogativePronoun
vragend voornaamwoord
kas
noun
1. Bubalus bubalis, een tot de runderen behorend trekdier...
vandeninis buivolas
noun
garas
noun
trilapis puplaiškis
/ˈʋaːtərən/
verb
3. waterachtig vocht afscheiden
laistyti
noun
1.1 bepaald soort watervogel, Gallinula chloropus
nendrinė vištelė
noun
1. een dier dat behoort tot een van honderden soorten van de Coenagrionidae
laumžirgis
noun
1. apparaat dat een zeer sterke straal water kan produceren
vandens patranka
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Rorippa
rėžiukai
noun
čiaupas
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
Vandenis
/ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
  1. arbūzas
  2. tikrasis arbūzas
noun
2. een molen die door stromend water aangedreven wordt
vandens malūnas
noun
bepaald soort eenjarige waterplant met eetbare knollen, Trapa natans
plūduriuojantysis agaras
/ˈʋa.tər.o.ˌpaɫ/, /ˈβ̞a.tər.o.ˌpaɫ/
noun
1. een witte veldspaat, veelal schelpvormig
mėnulio akmuo
noun
1. een werktuig dat gebruikt wordt om zeker te stellen dat iets loodrecht op de richting van de zwaartekracht komt te staan
nivelyras
noun
kaljanas
noun
vandens augalas
noun
1. put waaruit men water haalt
na
noun
1. een schoepenrad dat draait door de stroming van het water
vandens ratas
noun
meldinė nendrinukė
noun
1. in Nederland en Vlaanderen voorkomende soort waterjuffer, Enallagma cyathigerum
mėlynoji strėliukė
/ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
vandenilis
noun
1. een atoom van het chemisch element waterstof.
atomo vandenilis
noun
1. middel dat gebruikt kan worden om te bleken, als desinfectiemiddel of als verbrandingshulp (in raketten)
vandenilio peroksidas
noun
vandens laikodris
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
krioklys
noun
1. een vliegtuig dat kan opstijgen en landen op het water
vandens lėktuvas
noun
dumblialaiškis
noun
vandens kelias
noun
1. apparaat dat een zeer sterke straal water kan produceren
vandens patranka
noun
1. (medisch) waterzucht
patinimas
/ʋese/
noun
1. toilet
tualetas
noun
tualetinis popierius
noun
1.
tualetinis popierius
noun
1.
naršyklė
noun
1. plaats waar zich informatie bevindt op het internet, aangeduid met een URL
internetinė svetainė
adjective
savitarpinis
/ˈwedərˈvɛrkop/
noun
1. de inkoop van waren in 't groot en de verkoop van deze waren in 't klein
perpardavimas
/wedərˈzɛits/
adjective
savitarpinis
noun
1. wedstrijd waarbij het erom gaat een bepaald traject of parcours zo snel mogelijk af te leggen
lenktynės
/ˈʋeːdyʋə/
noun
vrouw
našlė
/'ʋedyʋnar/
noun
man
našlys
/ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
audimo staklės
noun
2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
audinys
noun
1. vrouw die lappen textiel maakt door te weven
audėja
noun
gyslotis
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
svarstyklės
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
savaitė
noun
moliuskas
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
savaitgalis
/ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
savaitgalis
verb
1.
verkšlenti
noun
1. gevoel van treurnis, verdriet, nostalgie
melancholija
/weːr/, /ʋɪːr/, /β̞eːr/
noun
1. atmosferische gesteldheid
oras
noun
1. bericht of mededeling over de toestand van het weer
orų prognozė
noun
1. het weerkaatsen
aidėjimas
noun
meteorologija
noun
1. iemand die beroepsmatig het weer bestudeert
meteorologas
noun
orų pranešėja
verb
1. stand houden, weerstand bieden aan
atlaikyti
noun
  1. 1. een reactie die poogt een bepaalde actie tegen te werken
  2. 2. de tegenstand die een stroom in een geleider ondervindt
  3. 3. een elektronica-onderdeel
rezistorius
verb
prieštarauti
noun
orų prognozė
noun
orų prognozė
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
vilkolakis
/ʋes/
noun
našlaitis
/ˈʋeshœʏs/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
našlaičių prieglauda
/ʋɛχ/, /β̞ɛx/
noun
1. smalle strook grond voor het verkeer
kelias
/ˈwɛ.ɣaːn/, /ˈʋɛ.χan/
verb
1. zich ergens vandaan begeven
išeiti
verb
1. afstand nemen van iets door het aan iemand te geven
nuduoti
verb
1. van zijn plaats halen
šalinti
/ʋɛɪ/
noun
  1. 1. een stuk grasland voor begrazing door vee
    gluosnis
  2. 2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
    išrūgos
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
Vysla
noun
pieva
noun
1.
blizgančioji gražutė
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
atsisakymas
/'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
ganyklà
pronoun
Veimaro respublika
/ˈwɛɪ̯nɪx/, /ˈʋɛɪ̯nəχ/, /ˈβ̞ɛːnəx/
noun
  1. 1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
    mažai
  2. 2. in een klein aantal
    nedaug
/ˈwe.kə(n)/, /ˈʋe.kə(n)/, /ˈβ̞e.kə(n)/
verb
1. door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
išmirkyti
/ˈʋɛkər/
noun
1. een apparaat dat gebruikt wordt om de tijd bij te houden en een functie heeft die veel geluid produceert op een ingestelde tijd
žadintuvas
interjection
na
noun
1. de kunst om iets goed te kunnen verwoorden
iškalbingumas
noun
geradarys
/ʋɛlk/
relativePronoun
kuris
/ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
sveiki atvykę
/ʋɛˈlɪxt/
adverb
1. mogelijk, misschien
galbūt
pronoun
1. hoofdstad van Nieuw-Zeeland, gelegen op het Noordereiland
Velingtonas
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
  1. vališkai
  2. valų
noun
1. het gemak waarin iets of iemand van richting kan veranderen
judrumas
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
Viena
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
rauda
noun
signalizuoti
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
antakis
verb
priprask
/ʋεns/
noun
noras
/'ʋɛnsən/
verb
pageidauti
/ˈweː.ʁəlt/, /ˈʋɪː.rɔɫt/, /ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
pasaulis
noun
1. een kaart van het oppervlak van de aarde in de vorm van een bol
gaublys
/xxxx/
noun
1. uniek en als collectief bezit beschouwd cultureel of natuurlijk erfgoed
Pasaulio paveldas
pronoun
Pasaulinė sveikatos organizacija
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
Pasaulio Prekybos Organizacija
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
pasaulinis karas
noun
1. een tentoonstelling waaraan landen uit de wereld aan kunnen deelnemen
pasaulinė paroda
noun
1. elk van de grootste zeeën van de aarde
okeanas
/ʋɛrk/
noun
    1. 1. dat wat gedaan moet worden
    2. 2. beroep
    darbas
  1. hede, afval van vlas of hennep
    pakulas
adjective
1. niet verbeeld
labai
/'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
realybė
/ʋɛrkən/
verb
1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
dirbti
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
darbdavys
adjective
bedarbis
/wɛrkˈloshɛit/
noun
  1. 1. het werkloos zijn
  2. 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
nedarbas
noun
cechas
noun
2. krachtige computer die men voornamelijk gebruikt voor applicaties die veel rekenkracht vereisen
darbo stotis
noun
mechanikas
noun
1. het resultaat van in stukken knippen van een taak of proces en het distribueren van die taken over...
darbo pasidalinimas
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
veiksmažodis
verb
1. met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
mesti
noun
1. bot van de wervelkolom
slankstelis
noun
stuburas
noun
viesulas
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
  1. vapsva
  2. širšė
  3. širšuolis
noun
skiautalūpis
/ʋɛst/
adverb
vakarai
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
Vakarų Bengalija
pronoun
1.
Vakarų Berlynas
pronoun
Vakarų Vokietija
pronoun
1. het westelijk deel van Europa
Vakarų Europa
adjective
1. op West-Europa betrekking hebbend
Vakarų Europietis
adjective
vakarinis
pronoun
Vakarų Sachara
/ˈʋɛs.tə(n)/
noun
vakarai
adverb
vakarų-šiaurės vakarų
/wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
įstatymas
/ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
žinoti
/'ʋetənsxɑp/
noun
  1. 2. georganiseerde activiteit
  2. 1. het weten van de mens
mokslas
/,ʋetən'sxapələk/
adjective
mokslinis
/ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
mokslininkas
noun
1.
darna
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Veclaras
/ˈweː.və(n)/, /ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
austi
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
žebenkštis
/ˈʋeː.zə(n)/
noun
1. individu
būtybė
pronoun
1.
wisura
noun
1.
jakuzė
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
viskis
noun
1. een glad, wit gekleurd metalen bord waarop men met behulp van een viltstift met uitwisbare inkt kan schrijven of tekenen en waarop men met een magneet voorwerpen kan klemmen
balta lenta
/wiː/, /ʋiː/, /β̞iː/
relativePronoun
  1. 1. vragend voornaamwoord
  2. 2. betrekkelijk voornaamwoord
kas
interjection
degene die aan het eind het beste uit de strijd komt is de daadwerkelijke winnaar
juokiasi tas, kas juokiasi paskutinis
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
lopšys
noun
lopšinė
noun
1. ronddraaiende schijf
ratas
/'wiː.lə.wal/
noun
1. zwart-gele zangvogel
volungė
noun
1. in water voorkomende vaatloze, plantachtige organismen
dumblis
/ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
smilkalai
pronoun
1.
Vysbadenas
noun
1. een metalen of houten voorwerp in de vorm van een driehoekig blok met een scherpe hoek van 5 to 20 graden
vagis
noun
1. koepelvormig huis gebruikt door de Noord-Amerikaanse indianen
vigvamas
/wɛɪ̯/, /ʋɛɪ̯/, /β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
mes
/wɛɪ̯d/, /ʋɛɪ̯t/, /β̞ɛːt/
adjective
platus
verb
pradingti
/wɛɪ̯n/, /ʋɛɪ̯n/, /β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
vynas
noun
1. berg waarop wijngaarden gelegen zijn
vijoklis
noun
1. een druif die wordt gebruikt om wijn van te maken
vynuogė
/ˈʋɛi̯n.stɔk/
noun
1. klimplant waaraan druiven groeien
vynmedis
noun
  1. 1.
  2. 2.
apgamas
/wɛɪ̯s/, /ʋɛɪ̯s/, /β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
išmintingas
noun
1. de oudste wetenschap
filosofija
noun
filosofas
noun
1. gerijpt inzicht
išmintis
noun
1. achterste kies van iedere kaakhelft van het volwassen gebit van een mens
protinis dantis
noun
1. tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
rodomasis pirštas
noun
1. gewijd water
šventas vanduo
verb
parodyti pirštu
noun
1. een constructiesysteem voor internetpagina's waar, in het algemeen, iedereen alle pagina's kan wijzigen
viki
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Vikipedija
verb
1. draaiend iets buigzaams rond een voorwerp aanbrengen
vėjas
/ˈwikʃoˌnɛri/, /ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
Vikižodynas
/ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
valia
adjective
3. onbeschaafd, bruusk
laukinis
noun
3. vlees van een wild dier
elniena
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
šernas
/'wɪldbrat/
noun
1.
elniena
noun
1. Salix sp.
gluosnis
/ˈwɪləm/, /ˈʋɪləm/, /ˈβ̞ɪləm/
pronoun
  1. 1. een jongensnaam
    Vilhelmas
  2. 2. spelwoord voor de letter w
    Vìlhelmas
/ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
norėti
noun
blakstienėlė
/ʋɪnt/
noun
1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
vėjas
/ˈʋɪndə(n)/
verb
1. een draad of kabel draaiend op een as of klos aanbrengen
vėjas
adjective
1. weerstoestand waarbij er veel wind aanwezig is
vėjuotas
noun
1.
viesulas
noun
1. molen die door de wind gedreven wordt
vėjo malūnas
noun
1. een gebied waar windenergie gewonnen wordt met behulp van een aantal molens
vėjo jėgainių parkas
noun
1. een groep bij elkaar geplaatste windturbines
vėjo jėgainių parkas
noun
1.
bintúoti
noun
1.
vėjarodis
/'wɪŋɛrt/
noun
1. wijnstok
vijoklis
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
parduotuvė
noun
1. gebied of overdekte galerij waar meerdere winkels en horecazaken zijn gevestigd
prekybos centras
/ˈwɪŋkəl.jʏˈfrɑu/
noun
1. een vrouw die beroepsmatig in een winkel, een supermarkt, een warenhuis of buiten werkt, met name klanten bedient, waren verkoopt of achter de kassa zit
pardavėja
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
nugalėtojas
/ˈwɪnə(n)/, /ˈʋɪnə(n)/, /ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
  1. 1. als beste partij uit een wedstrijd komen
  2. 2. iets verkrijgen voor een goede prestatie bij een wedstrijd
laimėti
/ʋɪnst/
noun
1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde
pelnas
/ʋɪntər/
noun
1. seizoen
žiema
adjective
visžalis
noun
1. klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,
karetaitė
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
žiemos saulėgrįža
noun
1. een toestand van hypothermie en inactiviteit bij sommige warmbloedige dieren in de winter
ramybės būklė
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
žiemos saulėgrįža
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
žiemos saulėgrįža
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
žiemos saulėgrįža
/'ʋɪpə(n)/
verb
1. op en neer bewegen
likutis
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
stumbras
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
matematika
/ʋɪsˈkʏndəx/
adjective
1. op wiskunde betrekking hebbend of er gebruik van makend
matematinis
noun
matematikas
adjective
įnoringas
/ʋɪsəl/
noun
1. speciale constructie in een spoorweg om een voertuig naar een ander spoor te leiden
geležinkelio iešmas
noun
grąža
noun
1. wisselstroom
kintamoji elektros srovė
/ʋɪt/
adverb
1. kleur
baltas
/ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
  1. baltas
  2. balta
/wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
  1. Baltarusija
  2. Gudija
/ˌwɪtˈrʏsɪs/, /ˌʋɪtˈrʏsis/, /ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
  1. baltarusiškai
  2. baltarusių kalba
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
Didžiojo ketvirtadienio
noun
1.
baltoji nykštukė
noun
1. Carcharodon carcharias, de bekendste en de meest gevreesde haai
bidysis baltasis ryklys
pronoun
Baltieji rūmai
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
baltasis vynas
pronoun
Baltoji jūra
noun
1. en 2. (bladeren van) sluitkoolgewas dat lichtgroen tot wit van kleur is
gūžinis kopūstas
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
degtinė
/ˈʋudə/
noun
1. een gevoel van erge kwaadheid
pyktis
/'ʋudənt/
adjective
1. bijzonder boos
įnirtingas
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
au
noun
1. iemand die woeker drijft
lupikas
verb
iškasti
noun
1. klein, gravend, muisachtig knaagdier met stompe snuit
pelėnai
/ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
trečiadienis
noun
1.mannetjeseend
gaigalas
noun
1. een onherbergzaam gebied dat door niemand verzorgd wordt
dykynė
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
dykuma
noun
1. titel voor bestuurder of legeraanvoerder in Slavische gebieden
vaivada
/ˈvɔɪ̯vɔtsxɑp/
noun
1. naam voor bepaalde bestuurlijke gebieden in Oost-Europa
vaivadija
/ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
vilna
/wɔlf/, /ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
vilkas
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
volframas
noun
vaistinė šunvyšnė
noun
1. sporenplant van het geslacht Lycopodium
pataisas
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
gauruotasis raganosis
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
debesis
/ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
dangoraižis
pronoun
1. een Afrikaanse taal uit de Atlantische tak van de Niger-Congotalen met 3,5 miljoen sprekers, voornamelijk in Senegal
volofai
/wɔlˈvɪn/, /ʋɔlˈvɪn/
noun
vrouwelijke wolf
vilkė
pronoun
1.
Voluinė
noun
vombatas
/wɔnd/, /ʋɔnt/, /β̞ɔnt/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
žaizda
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
stebuklas
adverb
2. opmerkelijk goed
puikiai
/ˈwo.nə(n)/, /ˈʋo.nə(n)/, /ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
gyventi
/ʋoːrt/, /ˈʋʊːrt/, /ˈβoːrd/, /ˈβoːrt/
noun
  1. 1. mannetjeseend
    gaigalas
    1. 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
    2. 2. belofte
    3. 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
    4. 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
    žodis
/ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
žodynas
noun
žodynas
noun
žodžių srautas
noun
1. categorie waarin bepaalde woorden naar gelang het grammaticale gebruik in onderverdeeld worden
kalbos dalis
/ˈwɔrdə(n)/, /ˈʋɔrdə(n)/, /ˈβ̞ɔrdə(n)/
verb
2. gaan zijn, zich ontwikkelen tot
tapti
verb
1. doden door het dichtknijpen van de hals
pasmaugti
noun
1.
darboholikas
/ʋɔrm/
noun
1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
kirmėlė
/ʋɔrp/
noun
2. het aantal jonge dieren dat een moederdier bij één dracht op de wereld zet
vada
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
dešra
/ˈʋɔrtəl/
noun
  1. 1. Groente peen
    morka
    1. 3. Getal
    2. 2. Ondergronds gedeelte van een plant
    3. 4. Woord
    šaknis
/ʋʌːt/, /ʋʌːut/
noun
1. groot bos
miškas
/ʋʌʊ̯/, /β̞ʌːβ̞/
noun
A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
peslys
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
kerštas
noun
1. knobbeltje
karpa
verb
1. handeling
trinti
noun
pagieža
noun
1. een besmettelijk type coronavirus dat een ontsteking van de luchtwegen veroorzaakt, in december 2019 voor het eerst opgedoken in China
koronavirusas
/wœyvə/
verb
  1. 1. een groet brengen door met de handen te zwaaien
  2. 2. heen en weer buigen, zwenken
mojuoti
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
didžioji kuolinga
verb
1. iets of iemand vermoorden door het dichtknijpen van de keel
pasmaugti
/ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
ksenofobija
/ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
ksenonas
/ˈɣɪːrəs/
noun
1. sherry, een witte Spaanse wijn uit Jerez de la Frontera
chèresas
/ˈɣɪːrəsˌʋɛin/
noun
1. sherry, een witte Spaanse wijn uit Jerez de la Frontera
chèresas
/ksiˈlem/
noun
1.
ksilema
/ˌksiliˈtɔl/
noun
1. een zoetstof die bereid is door hydrogenatie van xylose
ksilitolis
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
ksilofonas
pronoun
1. de hoofdstad van Ivoorkust
Jamusukras
noun
1. actieve, mannelijke beginsel in de kosmos (volgens de Chinese filosofie), een van beide principes die samen de tao vormen
jang
noun
1. de munteenheid van Japan
jena
noun
1. het passieve vrouwelijke beginsel in de kosmos volgens de Chinese filosofie, een van beide principes die samen de tao vormen
in
/ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
joga
/ˈjɔxərt/, /ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
jogurtas
noun
1. scheikundig element met symbool Yb en atoomnummer 70
iterbis
noun
1.
itris
noun
1. een ronde nomadentent
jurta
/zaːt/
noun
1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
sėkla
/'zadlɛɪdər/
noun
sėklinis latakas
/zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
pjūklas
noun
1. benaming voor haaiachtige vissen met aan de kop een zaagvormig uitsteeksel uit de familie Pristidae
pjūklažuvė
verb
1. zaad strooien
sėti
adjective
įgalus
noun
1. room
grietinė
pronoun
2. boek in de Bijbel
Zacharijo knyga
adverb
  1. 1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
  2. 4. aangenaam voor de zinnen
minkštas
noun
zitplaats op dier of fiets
balnas
verb
1. een zadel plaatsen op
balnoti
/[ˈzɑː.greb]/
pronoun
1. hoofdstad van Kroatië
Zagrebas
noun
  1. 2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
    kišenė
  2. 1. slappe, vormeloze tas
    maišas
noun
nešiojamas kompiuteris
/ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
nosinaitė
/zaːkən/
noun
2. commerciële activiteiten
reikalas
/'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
verslininkas
noun
komandiruõtė
noun
kišenpinigiai
noun
1. lamp op zakformaat
žibintuvėlis
noun
1. een draagbare bron van licht, gewoonlijk van energie voorzien middels batterijen
žibintuvėlis
/zɑlm/, /zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
lašiša
/'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
Zambija
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
smėlis
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
dėžė
noun
1. benaming voor de zoetwatervis Sander lucioperca
starkis
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
smėlio laikrodis
noun
smiltainis
noun
dainavimas
/ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
dainininkas
noun
1. een vrouwelijk iemand die zingt
dainininkė
noun
1. Turdus philomelos, een lijstersoort die algemeen is in Nederland en Vlaanderen
strazdas giesmininkas
pronoun
1.
Saragosa
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
šeštadienis
/za.ˈiː.rə/
pronoun
Zairas
personalPronoun
  1. 2. clitische vorm van zij (derde persoon meervoud)
    jie
  2. 1. clitische vorm van zij (derde persoon vrouwelijk enkelvoud)
    jì
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
zebras
/ze/, /zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
  1. jūra
  2. marios
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
jūros ežys
noun
1. smalle doorgang tussen twee zeeën
sąsiauris
noun
1. bepaald soort roofvogel die in kustgebieden leeft, Haliaeetus albicilla
jūrinis erelis
noun
1. het grondvlak van een zee
jūros dugnas
/ˈzebɔŋk/
noun
1. ervaren zeeman
senas jūrų vilkas
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
sietas
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
paprastasis ruonis
noun
1. in zee levende kreeft
omaras
/ˈzelɑnt/, /ˈzeːlɑnd/, /ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
Zelandijos
noun
1. grote oorrob
jūrų liūtas
noun
1. bepaald soort karperachtiɡe zoetwatervis, Tinca tinca
lynas
noun
laivynas
noun
jūrininkas
noun
1. mythisch zeewezen
undinė
noun
1. afstandsmaat, in gebruik op zee, 1852m
jūrmylė
/ˈzeʔɔtər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Enhydra lutris
jūrinė ūdra
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
muilas
adverb
  1. 1. in hoge mate
    labai
  2. 3. pijn
    skausmas
/ˈzerɔp/
noun
2. benaming voor grote zeezoogdieren uit de familie Phocidae
ruonis
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
jūrų žvaigždė
noun
1. een smalle doorgang tussen twee zeeën en daarmee tevens de scheiding tussen twee landmassa's
sąsiauris
noun
1. bepaald soort platvis, Solea solea
europinis jūrų liežuvis
/ˈzeˌvoχɔɫ/, /ˈzeːˌvoːɣəl/
noun
1. een vogel die vooral in de directe omgeving van de zee leeft
jūriniai paukščiai
/ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
jūros vanduo
noun
1. in zee levend wier
jūros dumblių
noun
1.
pergalė
/ˈzexəl/
noun
  1. 1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
    antspaudas
  2. 2. een stukje papier meestal voorzien van een plaklaag dat dient om aan te geven dat betaling heeft plaatsgevonden
    štampuoti
verb
1. mededelen
sakyti
/ˈzεɣə(n)ˌsxɑp/, /ˈzεχə(n)ˌsχɑp/
noun
1. het recht om over iets te beslissen
sakoma
verb
1. veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
verkšlenti
noun
1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
burė
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Burės
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
dalgis
/'zekərɦɛɪt/
noun
tikrumas
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
saugiklis
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
  1. retai
  2. nedažnai
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
retas
noun
1. de beheersing van het eigen gedrag
santūrumas
noun
2. de mogelijkheid voor een volk om te bepalen onder welke soevereiniteit het wil vallen
apsisprendimas
noun
1. Het zich benemen van het leven
savižudybė
noun
1. beoordeling van het zelf, meestal gericht op dat wat verbeterd zou moeten worden
savikritika
adjective
1. zichzelf beoordelend, meestal gericht op dat wat verbeterd zou moeten worden
savikritiškas
/ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
savižudybė
noun
1. zich zelf kritisch bekijken en evalueren
savistaba
/'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
autoportretas
adjective
1. op zichzelf staand
nepriklausomas
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
daiktavardis
noun
nepriklausomybė
/'zɛndəlɪŋ/
noun
1. persoon die uitgezonden wordt om mensen tot het geloof in het protestantse christendom te bekeren
misionierius
/zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
zenitas
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
nervas
noun
1. het gehele zenuwsysteem
nervų sistema
noun
1. het getal 6
šeši
/ˈzɛs.də/, /ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
šeštas
/zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
šešiakampis
cardinalNumeral
1. het getal 16
šešiolika
ordinalAdjective
šešioliktas
cardinalNumeral
1. het getal 60
šešiasdešimt
ordinalAdjective
šešiasdešimtas
noun
krakmolas
noun
1. een medicament in de vorm van een pil die via de anus toegediend wordt
žvakùtė
noun
3. het vaststellen van een bedrag, een prijs
išdėstymas
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
kiaulė
/ˈsʏː.rə(n)/, /ˈzøː.rə(n)/
verb
1. veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
verkšlenti
/zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
Dzeusas
/ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
  1. septyni
  2. septynios
/ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
septintas
/ˈzøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 97
devyniasdešimt septyni
/ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
septyniolika
ordinalAdjective
septynioliktas
/ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
septyniasdešimt
noun
1. kleine zeis
pjautuvas
verb
vaipytis
adjective
1. lichamelijke toestand
sergantis
/ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
ligoninė
noun
1. een voertuig ingericht voor het vervoer van patiënten, gewoonlijk naar een ziekenhuis toe
greitoji
noun
liga
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
Parkinsono liga
noun
patologija
/zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
siela
noun
psichologija
verb
1. waarnemen met het oog
matyti
/siˈɣønər/
noun
Čigonas
/sɛɪ̯/, /zɛɪ̯/, /zɛː/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
ji
noun
2. vezel van de cocon van de zijdevlinder
šilkas
noun
1. de larve van de zijdevlinder
šilkverpis
verb
  1. 5. gelijk zijn aan.
  2. 6. tot de groep behoren van
  3. 1. bestaan
  4. 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
  5. 7. de eigenschap hebben.
  6. 3. zich bevinden.
  7. 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
būti
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
intakas
noun
sidabras
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Abies
kėnis
/'zɪlvərvlisrɛist/
noun
rijst waarvan de zemelen en de kiem niet verwijderd zijn
natūralūs ryžiai
/zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
Zimbabvė
noun
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
sakinys
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
  1. dainuoti
  2. giedoti
noun
1. (muziekinstrument) een zaag die gebruikt wordt als muziekinstrument
muzikinis pjūklas
noun
1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
cinkas
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
grim̃zti
/ˈzɪntœx/, /ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
nuojauta
/zijoˈnɪsmə/
noun
sionizmas
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
cirkonis
/'zɪtbɑŋk/
noun
1.
suolas
noun
1. een plaats waar men kan zitten
vieta
/ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
sėdėti
/zɪtɪŋ/
noun
2. de tijd dat een raad of ander lichaam werkzaam bijeen is
posėdis
noun
1. ruimte waarin een rechtszitting wordt gehouden
teismo salė
noun
1. achterste, achterwerk
užpakalis
verb
1. proberen te vinden
ieškoti
verb
1. zo behandelen dat iets niet meer terug te vinden is
prarasti
noun
1. een reis die men onderneemt op zoek naar iets
paieška
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
zuliškai
verb
1. een vrij zacht continu geluid voortbrengen dat op de z-klank lijkt
zirzenti
noun
1. het met de lippen aanraken van een persoon of een voorwerp
bučinys
verb
1. met de mond liefkozen
bučiuoti
/ˈzut/
adjective
1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
saldus
noun
1.
gėlas vanduo
noun
1. een zetmeel houdende knol behorend tot dezelfde orde van planten als de aardappel
batatas
/ˈzuthʌʊt/
noun
1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
saldymedis
/ˈzutəxhɛit/
noun
1. etenswaar met een zoete smaak
saldainiai
noun
2. zoetstof zonder suiker
dirbtinis saldiklis
/ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
palėpė
noun
1. bovenkant van een ruimte in een gebouw
lubos
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
zombis
noun
vasara
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus robur
paprastasis ąžuolas
noun
1. Anas querquedula
dryžagalvė kryklė
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
saulė
noun
1.
nusidėjėlis
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
sekmadienis
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
nuodėmė
noun
  1. 1.
  2. 2.
atpirkimo ožys
preposition
1. In afwezigheid van
be
/zɔndəɣə(n)/
verb
1. het overtreden van een religieuze wet
nusidėti
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
pasaulio tvanas
/ˈzɔneˌklɪps/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
saulės užtemimas
adverb
1. als dit niet het geval zou zijn
o dar
/'zɔnəʔenɛr'ɣi/
noun
1. energie die gewonnen wordt uit de straling van de zon
saulės energija
/ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
saulėgrąža
noun
1.
saulėgrąžų aliejus
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
akiniai nuo saulės
/ˈzɔnəpɑˌnel/, /ˈzɔnəpɑˌnɪːɫ/
noun
1. een paneel dat stralingsenergie van de zon omzet in elektriciteit
saulės modulis
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
saulės šviesa
noun
1.
Saulės sistema
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
saulės dėmė
/ˈzɔnəˌwɛndə/, /ˈzɔnəˌʋɛndə/, /ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
saulėgrįža
noun
saulės laikrodis
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
sáulės vė́jas
/zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
saulėlydis
noun
1. het opkomen van de zon
saulėtekis
/zɔnˈsɔpkɔmst/
noun
1. het 's morgens boven de horizon uitkomen van de zon
saulėtekis
/ˈzɔnsvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈzɔnsvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
saulės užtemimas
/zuː/
noun
1. verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
zoologijos sodas
/ˈzox.diːr/, /ˈzoːɣ.diːr/, /ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
žinduolis
noun
  1. 1. onderkant van de voet
  2. 3. onderkant van een schaaf
batų padas
/zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
sūnus
noun
  1. 2. verpleging, voorzien in een behoefte
  2. 1. behoedzame overweging
rūpintis
noun
1. (economie) een stelsel en systematiek voor de regulering van de zorgvoorziening
sveikatos priežiūros sistema
noun
1. iemand die zich dwaas gedraagt
juokdarys
noun
1.
juokdarys
/zɑu̯t/
adjective
1. zout bevattend of zout smakend
sūrus
/zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
druska
verb
1. met zout conserveren
pasūdyti
/ˈzɑutˌvacə/
noun
2. tafelgereedschap dat het zout bevat en strooit
druskinė
noun
1. een oplossing
druskos rūgštis
noun
zoofilija
noun
zoogeografija
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologija
/zoʔo'lox/
noun
1. een wetenschapper die zich bezig houdt met de studie van dieren.
zoologas
noun
1. hoorbare uitademing
atodūsis
verb
1. hoorbaar diep uitademen, meestal als uiting van frustratie
atsidusti
/zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /zœː'.dɑ.fri.ka/, /zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
  1. Pietų Afrikos Respublika
  2. Pietų Afrika
/ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
Pietų Amerika
pronoun
1. is een randzee van de Grote Oceaan en ligt ten zuiden van China
Pietų Kinijos jūra
pronoun
het zuidelijk deel van Europa
pietų Europa
/zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
Pietų Olandija
/ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
Pietų Korėja
adjective
1.
pietinis
/ˈzœy̯.də(n)/
noun
pietūs
pronoun
1. grootste eiland van Nieuw-Zeeland
Pietų sala
adverb
pietryčiai
pronoun
1. Noordpool
Pietų ašigalis
noun
1. hoofddeksel
aulaukė
/ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
1. (met de mond) naar zich toe trekken
čiul̃pti
noun
kolona
/zɵlk/
exclamativePronoun
toks
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
rūgštynė
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
sesuo
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
  1. sesuõ
  2. sesuo
/zyːr/
adjective
1. een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
rūgštus
/zyːr/
noun
1. zure vloeistof
rūgštis
/ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
deguonis
verb
  1. 1. begroeten door met de hand heen en weer te bewegen
  2. 2. aandacht vragen door met de armen heen en weer te bewegen
mojuoti
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Gulbė
/zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
gulbė
adjective
van groot gewicht
sunkus
noun
1. een lang, scherp wapen
  1. kalavijas
  2. kardas
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
durklažuvė
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
didžioji orka
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
gravitacija
/ˈzwɑxtəl/
noun
bintas
/ˈzʋa.ɣər/
noun
svainis
/zʋɑk/
adjective
silpnas
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
kregždė
noun
1. netwerk van schimmeldraden
grybiena
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
nėščia
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
nėštumas
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
juodas
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
juodoji skylė
noun
1. vruchtje van Ribes nigrum
juodasis serbentas
phraseologicalUnit
juodoji rinka
noun
1.
juodoji zylė
noun
juodasis raganosis
noun
1.
juodasis gandras
noun
1.
juodoji meleta
noun
1.
juodoji žuvėdra
pronoun
1. gebergte in het zuidwesten van Duitsland
Švarcvaldas
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
Juodoji jūra
noun
1. bepaald soort zee-eend, Melanitta nigra
juodoji antis
noun
1. bepaald soort vogel, Sylvia atricapilla
juodagalvė devynbalsė
noun
1. iemand die van het openbaar vervoer gebruikmaakt zonder te betalen
bebilietis
/zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
siera
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
  1. sieros rūgštis
  2. sulfato rūgštis
/ˈzweːdə(n)/, /ˈzʋedə(n)/, /ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
Švedija
/zwed/, /zʋet/, /zβ̞et/
noun
1. een inwoner van Zweden, of iemand afkomstig uit Zweden
švedas
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
adjective
1. betreffende Zweden of het Zweeds
  1. švediškas
  2. švedų
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
  1. švediškai
  2. švedų
verb
1. vlieg uit de familie
žiedmusė
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
sklandytuvas
noun
takelis
noun
1. een handwapen in de vorm van een lang ineengedraaid stuk leer dat met een zwiepende beweging pijnlijke slagen uit kan delen
botagas
noun
1.
opa
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
prakaitas
noun
1. een overmatig gebruik van eten en drinken
lėbavimas
verb
1. in volume toenemen
brinkti
/ˈzwɛmbɑd/, /ˈzʋɛmbɑt/, /ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
plaukiojimo baseinas
noun
1. kledingstuk voor mannen dat gebruikt wordt om in te zwemmen
glaudės
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
maudymosi kostiumėlis
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
  1. plaukti
  2. plaukioti
/'zʋɪːrə(n)/
verb
1. met een eed bekrachtigen
prisiekti
/zʋɛrm/
noun
1. een grote groep gezamenlijk op- en rondtrekkende personen, dieren of zaken, gewoonlijk vogels of insecten
būrys
/'zʋɛrvə(n)/
verb
1. doelloos of nomadisch heen en weer reizen
klajoti
/'zʋetə(n)/
verb
1. transpireren
prakaitúoti
noun
1. klierachtig, hormoonvormend orgaan
užkrūčio liauka
pronoun
1. en 2.
Cvikau
adjective
1. weinig sprekend
tykus
noun
1. een varken
kiaulė
/ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
kiaulìdė
verb
pradingti
/zʋɪŋələ(n)/
verb
1. van vlas- of hennepvezels de aanhangende houtdeeltjes met een zwingel verwijderen
brukti
/ˈzwɪtsər/, /ˈzʋɪtsər/, /ˈzβ̞ɪtsər/
noun
1. een inwoner van Zwitserland, of iemand afkomstig uit Zwitserland
šveicaras
/ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
Šveicarija
pronoun
Zvolė
noun
zigota
pronoun
Ciūrichas
interjection
1. inleiding op een opmerking die met het voorgaande verbonden is
tarp kitko
/ˈɔŋstrøm/
noun
1. lengtemaat met een waarde van 10-10 m
angstremas
/eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
vienas