adverb
1. gedurende de avond
вечером
/ˈsomərs/
adverb
летом
/ˌsxraːvə(n)ˈɦaːɣə/, /ˌsχravə(n)ˈɦaχə/
pronoun
1. een stad en gemeente in de Nederlandse provincie [[Zuid-Holland]]
Гаага
noun
(informatica) een apparaat dat driedimensionale objecten kan maken door laagje voor laagje materiaal aan te brengen
3D-при́нтер
symbol
3. akkoordsymbool
Т
noun
  1. 4. de naam van een toon
  2. 5. afkorting van “a-mineur”
а
/aka'pɛla/
adverb
1. zonder instrumentale begeleiding
а капе́лла
verb
1. zachtjes strelen
гладить
noun
1. lang vaartuig met een platte bodem en een brede boeg
баржа
noun
  1. 3. paling
  2. 4. kleine en jonge paling
угорь
noun
1. bepaald soort struik met eetbare rode bessen Ribes rubrum
  1. красная смородина
  2. смородина
noun
подаяние
noun
1.bepaald soort plant, Artemisia absinthium
Полынь горькая
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalacrocorax
баклан
pronoun
1. stad in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen
Алст
noun
наковальня
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
геморро́й
adjective
1. (predicatief) actief, in bedrijf
включён
preposition
1. verbonden met, tegen, tegenaan
включён
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
наковальня
noun
1. een eerste betaling bij het kopen van iets op afbetaling of in termijnen
[[пе́рвый]] взнос
verb
  1. 1. over iets of iemand bij iemand (positief) vertellen en adviseren om datgene/diegene te gebruiken/in te schakelen
    передать
  2. Nog na te kijken vertalingen
    рекомендовать
noun
рекомендация
noun
1. een brief waarin men iets of iemand aanbeveelt
[[рекомендательный|рекоменда́тельное]] [[письмо́]]
verb
1. vereren van een god of heilige door daar een gebed aan te richten
обожать
verb
  1. выставляться
    1. 1. aanreiken, bieden, offreren, presenteren
    2. 2. iets tegen bepaalde voorwaarden of prijs verhandelbaar stellen
    предлагать
noun
1. iets voordelig te koop aanbieden
предложение
verb
  1. 1. ergens naar blaffen
  2. 2. iemand toesnauwen
лаять
noun
1. een aanbieding
предложение
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
внимание
adverb
1. met belangstelling, met aandacht, met interesse
внимательный
noun
1. waardepapier
акция
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
акционер
noun
1. de handel in aandelen in het algemeen
ры́нок це́нных бума́г
noun
  1. 1. een herinnering
  2. 2. een object ter herinnering ergens aan
воспоминание
noun
ведущая ось
verb
2. doen bewegen
управля́ть
adjective
1. bij de geboorte verkregen eigenschappen
врождённый
adjective
1. met recht op schadeloosstelling bij het verloren gaan
заказной
verb
2. aanduiden
вносить
noun
лицо
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
  1. так как
  2. потому что
  3. поскольку
noun
уведомление
adjective
1. rechtstreeks grenzend aan iets anders
близлежа́щий
noun
1. leesteken om geciteerde woorden van die van de auteur te onderscheiden
кавычки
noun
2. rijdend object dat achter de auto gehangen kan worden voor het vervoeren van goederen.
приверженец
verb
2. tot onderwerp van discussie maken
завести разговор
verb
2. aanspreken
загова́ривать
verb
1. kloppen om binnen te komen
постучаться
verb
1. een bestemming bereiken
прибыва́ть
noun
1. de bestemming bereiken, het aankomen
прибытие
verb
  1. 1. bekendmaken
  2. 2. voorspellen
извещать
noun
3. talent
одарённость
noun
1. datgene wat iets tot gevolg heeft
по́вод
noun
  1. 2. het op toeren komen van een aandrijfmotor, machine etc.
  2. 3. een loop of tred voorafgaand aan een sprong, duik, enzovoort
разбег
verb
1. een bepaalde substantie produceren
изготовлять
adjective
де́рзкий
verb
  1. 1. zich opgeven
  2. 2. zich bekend maken met gebruikersnaam en wachtwoord
прописываться
verb
1. moed inspreken
воодушевлять
noun
1. het inspreken van moed
ободре́ние
/ˈaːneːmər/
noun
1. iemand die een (bouw)werk uitvoert tegen een bepaalde prijs
контра́ктор
noun
1. manier van aanpakken
подхо́д
verb
3. een probleem oplossen
боро́ться
adjective
1. in staat om zich aan te passen
адапти́руемый
/ˈaːmpɑsə(n)/
verb
  1. 1. aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken
    адапти́ровать
  2. 2. aantrekken om te passen
    подгоня́ть
noun
  1. 2. het zich aanpassen
    адапта́ция
  2. 1. een verandering in een richting
    приспособление
/ˈanrakˌsxɛrm/, /ˈanrakˌsχɛrm/
noun
1. een beeldscherm dat ook als invoerapparaat voor een computer kan worden gebruikt door het scherm aan te raken.
сенсорный экран
verb
1. fysiek contact maken met iets
  1. трогать
  2. касаться
noun
  1. 1. aanvaller
  2. 2. een persoon, in de regel van het mannelijke geslacht die iemand anders aanvalt om seksuele redenen
агре́ссор
noun
3. een fysieke aanval op iemand met als doel seksuele handelingen af te dwingen
половое преступление
noun
1. vaste tafel met kastjes langs keukenwand
столе́шница
verb
1.
взывать
noun
4. terroristische aanval
аттентат
verb
2. agressief verkopen
сбагривать
noun
1. het recht om het bezit of genot van iets te vorderen
право
noun
ответственность
noun
1. overeenkomst waarbij je premie betaalt aan een verzekeraar zodat die zal betalen voor schade die je per ongeluk veroorzaakt of waarvoor je verantwoordelijk wordt gehouden
страхование ответственности
verb
1. bevallen
нравиться
noun
1. apparaatje om vuur te maken
зажигалка
noun
1. iemand die zich aanstelt
позёр
noun
1. benoeming in een functie, dienst etc.
назначе́ние
verb
1. veroorzaken
подбива́ть
noun
зачи́нщик
noun
1. een telbare hoeveelheid
число
verb
1. (langzaam) beschadigen, aangrijpen
поража́ть
adjective
1. mogelijk om aan te tonen
доказу́емый
adjective
1. bekoorlijk
привлекательный
verb
    1. 1. dankzij een kracht objecten naar zich toe doen bewegen
    2. 3. kleding aandoen
    3. 4. een opwaartse trend, een stijgende lijn vertonen
    затягивать
  1. 2. aanlokken
    привлекать
adjective
1. te aanvaarden
приемлемый
noun
приня́тие
noun
1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven
ата́ка
verb
атакова́ть
noun
  1. 1. iemand die aanvalt
  2. 2. een persoon in de voorste linie
атаку́ющий
verb
1. beginnen, starten
начина́ть
adjective
1. in het begin
начальный
adverb
1. in het begin
внача́ле
noun
1. werkwoordswijs van mogelijkheid
сослагательное наклонение
noun
1. een bevelhebber, een leider
руководитель
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
петиция
noun
1. een papieren of elektronisch blad waarin men de benodigde informatie dient in te vullen voor het aanvragen ergens van
анке́та
/ˈanvʏlə(n)/
verb
1. het ontbrekende bijvoegen
набра́ть ещё раз
adjective
1. die of dat aanvult
дополнительный
noun
1. hebbelijkheid
грех
adjective
прису́тствовать
noun
  1. 2. vingerwijzing
    напоминание
  2. 1. het aanwijzen
    указание
noun
1. hoe men door anderen gezien wordt
престиж
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
обезьяна
noun
1. bloeiwijze van granen
колос
noun
чуфа
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
  1. картофель
  2. картошка
/ˈardɑˌpəɫpyˈre/
noun
1. een puree van zeer fijn gemaakte, met melk aangemengde aardappels
карто́фельное пюре́
noun
1. een salade die gemaakt wordt uit aardappelen
картофельный салат
/\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
  1. клубника
  2. земляника
noun
1. bepaald soort plant, Arbutus unedo
Земляничное дерево
noun
1. bepaald soort plant, Trifolium fragiferum
Клевер земляничный
adjective
клубничный
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
землетрясение
/ˈardə/
pronoun
Земля
/ˈardə/
noun
  1. 1. planeet
  2. 2. grond
земля
adjective
1. van aarde gemaakt
земляно́й
noun
керамика
/artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
природный газ
noun
1. het ontginnen van aardgas
добыча природного газа
/ˈart.kɔrst/
noun
1. het buitenste gedeelte van de planeet Aarde
земная кора
noun
1. Microtus agrestus, een zoogdier uit de orde van knaagdieren
темная полевка
noun
нефть
/ˈaːrtoliproˌdʏkt/
noun
1. verhandelbaar resultaat van het bewerken van aardolie
нефтепродукты
/ˈartpɪːr/
noun
bepaald soort zonnebloem, Helianthus tuberosus
  1. Топинамбур
  2. земляная груша
/ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
география
adjective
  1. 1. betrekking hebbende op de aarde, tot de aarde behorend
  2. 2. op het huidige leven hier op aarde betrekking hebbend
земно́й
/ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
  1. трубкозуб
  2. трубкозу́б
noun
1. bepaald soort altijd groene heester die zich met wortelvezels aan de omringende omgeving vasthecht, Glechoma hederacea
бу́дра плющеви́дная
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
оползень
noun
корнеплод
pronoun
1. een Waalse provinciehoofdstad
Арлон
noun
1. en 2. (blaadjes van) de plant Mentha spicata
мята колосистая
noun
1. bepaald soort parasitaire, maar onschadelijke rondworm van ca. 5–10 mm lengte, Enterobius vermicularis
остри́ца
prefix
архи-
/ˈaːrz.bɪz.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪs.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪz.dɔm/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
архиепископство
/ˈaːrzbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
  1. архиепископ
  2. архиепи́скоп
noun
1. een hemelgeest in een rang boven een engel
арха́нгел
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
эрцгерцог
noun
эрцге́рцогство
noun
1. adellijke titel, vrouw van een aartshertog
эрцгерцогиня
noun
первосвяще́нник
/'artsvɛɪɑnd/
noun
заклятый враг
/ˈarzələ(n)/
verb
1. onzeker zijn, twijfelen
колеба́ться
adjective
1. aarzelend
колеблющийся
noun
1. onzekerheid, twijfel, weifel
колебание
noun
1. speelkaart
ас
noun
па́дальщик
/'as.xir/
noun
  1. 1. bepaald soort roofvogel, Neophron percnopterus
    1. стервятник
    2. гриф
  2. 2. iemand die profijt probeert te halen uit de tegenslag van iemand anders
    хищник
noun
1.
падальщик
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Henegouwen
Ат
noun
  1. Bepaald soort bananenplant, Musa textilis
  2. Vezels van Musa textilis
абака
/ˈɑbɑkʏs/
noun
  1. 1. raam met staven
  2. 2. dekplaat van een kapiteel
аба́к
/a.bɑ.ˈtwaːr/, /ɑ.bɑ.ˈtβ̞ar/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
скотобойня
pronoun
1. West-Kaukasische taal gesproken in Rusland en Turkije
абазинский язык
adjective
1. betrekking hebbend op een abt of een abdij
абба́тский
noun
1. een ophoping van pus in het lichaam, daarbij een onnatuurlijke holte vormend
нарыв
/ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
абхазский язык
noun
абдикация
/ɑbˈdɛɪ̯/, /ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
аббатство
/ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
  1. аббатиса
  2. игуменья
  3. настоятельница монастыря
noun
брюхо
/ˌɑbdoʊmiˈnaːɫ/
adjective
1. de onderbuik betreffend
абдоминальный
verb
1. van de middellijn af bewegen
абду́кция
noun
  1. wegvoering
    абду́кция
  2. beweging vanuit neutrale uitgangshouding
    абдукция
noun
аберра́ция
pronoun
Абисси́ния
/ˌɑb.la.ˈtif/, /ˌɑb.la.ˈtiːf/
noun
1. de zesde naamval die onder meer de instantie aangeeft waarvan iets uitgaat of vertrekt
аблати́в
/ˈɑb.laut/, /ˈɑp.lɔut/, /ˈɑp.lʌut/
noun
1. regelmatige, grammaticaal bepaalde klinkerwisseling
абляут
adverb
1. ongewoon
ненормальный
noun
аболиционист
/ɑbomɪˈnabəl/
adjective
bijzonder slecht
отвратительный
/ɑbɔ'ne/
noun
1. iemand die op iets geabonneerd is
абонент
noun
подписка
/ɑbɔ'nerə(n)/
verb
1. een abonnement aangaan
вы́писать
noun
1. oorspronkelijke bewoner van Australië
абориген
noun
  1. абрикос
  2. абрико́с
pronoun
Абру́ццо
noun
1. de afstand tot de opstaande as van een coördinatenstelsel
абсцисса
verb
1. met behulp van een touw van een steile wand afdalen
[[спуска́ться]] на верёвке
/ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
  1. aбсент
  2. абсент
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
  1. полынь горькая
  2. полы́нь
/ɑpso'lysi/
noun
1. het vergeven van de zonden
абсолюция
/ɑpso'lyt/
adjective
  1. 1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
  2. 2. volledig, volkomen
  3. 3. beslist, zeker
  4. 4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
абсолю́тный
/ɑpsɔr'berə(n)/
verb
  1. поглощать
  2. поглоща́ть
noun
  1. абсорбция
  2. поглощение
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Абштат
noun
абстиненция
/ɑp'strɑksi/
noun
1. een begrip dat los staat van de dagelijkse werkelijkheid
абстракция
verb
1. concretiseren
абстрагировать
/ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
абсурдный
/ɑb/, /ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
аббат
adjective
глубоководный
noun
академия
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van mijten en teken
акароло́гия
noun
1. toename van de snelheid
ускорение
noun
  1. 2. een teken dat op een klinker kan worden geplaatst
    акце́нт
  2. 1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
    акцент
/ɑk.sep.ˈtaː.tʃi/
noun
1.
акце́пт
verb
1. aan een andere omgeving wennen
акклиматизировать
noun
  1. 1. voorzieningen ten behoeve van ...
  2. 2. aanpassing
аккомода́ция
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
  1. аккордеон
  2. гармонь
verb
1. een officieel stempel van goedkeuring aan iets of iemand verlenen
аккредитовать
noun
1.
аккре́ция
noun
1. een toestel om elektriciteit op te slaan
  1. аккумуляторная
  2. батарея
verb
накапливать
/ˌɑkusaˈtif/, /ˌɑkyzaˈtiːf/
noun
1. naamval voor het lijdend voorwerp
винительный падеж
noun
1. bepaald soort plant, Malpighia emarginata
Барбадосская вишня
noun
1. een ester of zout afgeleid van azijnzuur
ацета́т
noun
1. kleurloze, vluchtige, sterk riekende vloeistof die als oplosmiddel wordt gebruikt met als chemische formule: C₃H₆O
ацето́н
/ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
ацетилхолин
/ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
ацетилен
/xxxx/
noun
1.
ацетилсалици́ловая кислота́
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
  1. Ахилл
  2. Ахиллес
noun
1. kwetsbare plaats
ахиллесова пята
noun
ахиллово сухожилие
cardinalNumeral
1. het getal 8
  1. восемь
  2. во́семь
/ˈɑxtbaːn/
noun
1. een attractie met een karretje dat over een baan met bochten, stijgingen en dalingen rijdt
американские горки
cardinalNumeral
1. het getal 38
тридцать восемь
ordinalAdjective
1. nummer achtendertig in een rij
тридцать восьмо́й
cardinalNumeral
1. het getal 98
девяносто восемь
cardinalNumeral
1. het getal 88
восемьдесят восемь
cardinalNumeral
1. het getal 28
двадцать восемь
cardinalNumeral
1. het getal 48
сорок восемь
cardinalNumeral
1. het getal 58
пятьдесят восемь
cardinalNumeral
1. het getal 68
шестьдесят восемь
/ˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 78
семьдесят восемь
preposition
  1. за
  2. позади
adverb
1. in de laatste of een van de laatste posities in een rangschikking, op een verder weg liggende plaats
за
noun
1. de bank in het achterste deel van een voertuig
за́днее сиде́ние
noun
отставший
noun
1. de indirecte oorzaak van actualiteiten
бэ́кграунд
/ˈɑxtərkɑnt/
noun
зад
/ˈɑxtərklɛɪŋkɪnt/
noun
1. het kind van iemands kleinkind
пра́внук
/ˈɑxtərklɛɪ̯nzon/
noun
1. de zoon van iemands kleinkind
правнук
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
оставля́ть
noun
1. lamp(en) aan de achterkant van een voertuig
за́дний фона́рь
adjective
1. achterstand vertonend in de ontwikkeling
у́мственно отста́лый
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
фамилия
verb
1. hoofd en het bovenlijf omdraaien
оглянуться назад
noun
1. stag aan achterkant van zeil boot naar de top van de mast
бакштаг
noun
за́дний
adverb
1. omgedraaid, met de achterkant waar de voorkant hoort te zijn
задом наперёд
adverb
1. in achterwaartse richting
обра́тно
noun
1. een spiegel aan een auto of motorfiets waarmee men de situatie op de weg achter zich kan zien
зеркало заднего вида
/'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
суффикс
verb
1. iemand inhalen
гна́ться
noun
пого́ня
noun
1. een vorm met acht hoeken
восьмиуго́льник
/ɑxt'ɦukəx/
adjective
1.
восьмиуго́льный
/ˈɑxtˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 800
восемьсот
noun
1. aanzien
  1. почте́ние
  2. уваже́ние
noun
восьмой
noun
1.
восьма́я но́та
noun
1.
восьмая пауза
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
восемнадцать
ordinalAdjective
(одна) восемнадцатая (часть)
noun
ацидо́з
noun
акне
pronoun
1. begripomschrijving
Аконка́гуа
pronoun
1. braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noord van het land. Hoofdstad is Rio Branco
Акри
noun
1. oude oppervlaktemaat
акр
noun
1. gymnast
  1. акробат
  2. акробатка
adjective
1. heel erg lenig, sterk en handig zodat je circuskunsten kunt doen
акробатический
noun
акроним
noun
акрилами́д
noun
акрилонитрил бутадиен стирол
/ɑkˈtør/
noun
1. persoon
актёр
noun
бой
adjective
1. met iets bezig zijnde
  1. активный
  2. акти́вный
noun
[[приключе́нческий]] фильм
noun
группа активистов
noun
1. Scheikundig element
  1. актиний
  2. акти́ний
noun
1. in geld uitgedrukte waarde van de bezittingen van een onderneming
актив
verb
1. werkzaam maken
активизировать
noun
1. iets waarmee men actief is
де́ло
noun
1. vrouw
актриса
verb
  1. обновить
  2. обновлять
noun
актуарий
/ɑktyˈwel/
adjective
актуальный
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
акупунктура
/aˈkyt/
adjective
1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend
о́стрый
pronoun
Ада́м
/ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
  1. адамово яблоко
  2. кадык
noun
ада́птер
noun
1. bijlage
дополне́ние
noun
  1. 2. persoon
    1. гадина
    2. гадюка
  2. 1. gifslang
    гадюка
pronoun
Аддис-Абеба
noun
1. chemisch product
добавки
noun
1. bevoorrechte groep personen
  1. дворя́нство
  2. знать
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
орёл
noun
oрляк обыкновенный
/adəm/
noun
  1. дыха́ние
  2. дыхание
/ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
дышать
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
дыхание
noun
1. goedaardig klierweefselgezwel
адено́ма
noun
1. virus dat verkoudheden veroorzaakt
аденови́рус
/a.de.'kʋat/
adverb
1. correct en passend bij het beoogde doel
адекватно
noun
  1. 1. bloedvat met zuurstofarm bloed
    1. вена
    2. жила
  2. 2. langgerekt lichaam erts te midden van het gesteente
    жила
/ˈa.dər.la.tɪŋ/, /ˈaː.dər.laː.tɪŋ(g)/
noun
  1. 1. (medisch) de handeling van het aderlaten
  2. 2. (figuurlijk) een groot verlies
кровопускание
noun
1. de afkorting voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder,...
СДВГ
/ɑtˈhezi/
noun
  1. 1. een vergroeiing van organen
  2. 2. onderlinge aantrekkingskracht tussen ongelijke moleculen zonder dat er sprake is van een chemische binding
адге́зия
noun
проща́ние
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
прилагательное
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
прилагательное
noun
адъюта́нт
/ɑtmənɪstra'tør/
noun
1. iemand die de administratie
администратор
/ˌɑtminɪsˈtrasi/, /ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
  1. 3. bestuur
  2. 1. de plaats waar gegevens zorgvuldig worden vastgelegd zodat ze later terug te vinden of te controleren zijn
администрация
noun
администраторша
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
адмирал
noun
1. de reciproke complexe impedantie
адмиттанс
noun
1. jeugdig persoon, puber
подростковый
pronoun
Адольф
verb
1. een kind aannemen
усыновлять
noun
усыновле́ние
/aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
адрес
noun
1. een boek met alfabetisch en/of systematisch geordende adressen
а́дресная кни́га
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
Адриати́ческое мо́ре
noun
1. een fenomeen dat optreedt aan het grensvlak van twee fasen, waarbij moleculen of atomen zich aan dit grensvlak hechten
адсорбция
/ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis    2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
Адвент
noun
рекламода́тель
/ɑtfiˈzerə(n)/
verb
1. raad geven aan
советовать
noun
1. pleiter, verdediger in rechtszaken
адвокат
noun
аэродинамика
adjective
1.
аэро́бный
/ˌæːroˈzol/, /ˌɛːroˈzɔɫ/
noun
2. scheikunde
аэрозо́ль
adverb
1. op onregelmatige tijden
время от времени
noun
1. het onvermogen te spreken
афазия
verb
изображать
noun
спуск
noun
1.
[[подержанный|поде́ржанная]] вещь
/ˈɑfdelɪŋ/
noun
1. groep van werknemers die aan soortgelijke taken werken
отде́л
verb
1. door onderhandelen een prijs omlaag zien te krijgen
торговаться
verb
1. het vocht wegnemen
вы́сушить
noun
1. resultaat van het afdrukken
отпеча́ток
verb
  1. 1. onder dwang iets verkrijgen
  2. 2. via de wet of regels iets bewerkstelligen
навязывать
noun
афера
verb
1. verbranden van overtollig gas via een hoge fakkel
сжигание в факеле газов
noun
1. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
аффикс
/ˌɑfriˈkat/
noun
1. een combinatie van twee medeklinkers, waarvan de eerste een plosief...
аффрика́та
noun
лафет
verb
2. afgeschoten worden
взорва́ться
noun
производная
noun
1. iemand die als officiële vertegenwoordiger naar een andere partij gestuurd wordt
посла́нник
/ɑf.ˈxan/, /ɑf.ˈχan/
noun
  1. 1. Afghaanse windhond
    афган
  2. 2. Afghaans tapijt
    афганский ковёр
/ɑf.ˈxans/, /ɑf.ˈχans/, /ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
афганский
/ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
  1. Афганистан
  2. Афганиста́н
noun
литьё
noun
1. een stuk land waarvan de grond verwijderd is, of waar men nog steeds aan het graven is
копа́ние
/ˈɑfxrɔnt/, /ˈɑfχrɔnt/, /ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
бездна
adjective
1. iemand niet gunnen dat die iets heeft dat men zelf wil hebben
завистливый
adjective
зави́симый
noun
зависимость
verb
1. niet geschikt verklaren
не одобря́ть (что-л./чего́-л.)
/ˌɑfkørənsˈʋardəx/
adjective
1. afkeuring verdienend
досто́йный порица́ния
noun
1. het uitspreken van een negatief oordeel over iets
неодобре́ние
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
аббревиатура
/ˈɑflat/
noun
1. een kwijtschelding van tijdelijke straffen die men zou moeten ondergaan na het sterven..
индульгенция
verb
1. de aandacht opvragen
отвле́чь
noun
2. een woord dat middels toevoeging van een voor-, in- of achtervoegsel gevormd wordt uit een ander
[[производный|произво́дное]] [[сло́во]]
verb
1. brengen naar en achterlaten op de plek van bestemming
доста́вить
noun
1. elk onderdeel van een tv-serie dat op regelmatige tijden wordt uitgebracht of uitgezonden
се́рия
verb
  1. 2. geheel of gedeeltelijk voldoen
    вы́платить
  2. 1. de plaats innemen van
    облегча́ться
noun
1. het aflossen
замена
verb
1. ongemerkt luisteren naar de communicatie van anderen
подслушивать
verb
1. de sessie binnen een programma beëindigen
[[вы́йти]] из [[система|систе́мы]]
noun
1. korte spreuk met een kernachtige boodschap
афори́зм
/ˈɑf.pɛr.sɪŋ/
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
шантаж
verb
1. een pak slaag geven
бить
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
  1. Африка
  2. А́фрика
/afriˈkaːns/
adjective
1. komende van of betreffende het continent Afrika
африканский
/afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
  1. Африкаанс
  2. африкаанс
noun
1. een verkeersweg waarlangs men naar beneden van een autoweg of autosnelweg af kan rijden
вы́езд
noun
1.
афродизиа́к
verb
1. tot een einde brengen
отменя́ть
verb
1. loskoppelen van het elektriciteitsnet, andere stroombron, het internet e.d.
обесточить
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
прощание
/ɑfsxɪldərə(n)/
verb
1. een meestal niet geheel terechte weergave van iets of iemand geven
изображать
verb
1. het schuin afwerken van de rand van een materiaal.
[[снима́ть]] [[фаска|фа́ску]]
noun
2. beëindiging
выпуск
noun
1. een overeenkomst
договорённость
noun
потомок
/ˈɑfstɑnt/
noun
1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
  1. расстояние
  2. дистанция
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
  1. пульт
  2. ПДУ
verb
отталкивать
verb
3. zichtbaar, duidelijk worden
  1. вырисовываться
  2. обозначаться
  3. очерчиваться
noun
1. het naar beneden tellen om aan te geven hoelang het nog duurt voordat iets gaat gebeuren
обра́тный отсчёт
noun
1.
отста́вка
verb
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
вычитать
/ˈɑftrɛkɪŋ/
noun
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal van een ander getal afgetrokken wordt
вычитание
noun
1. onbruikbare resten die weggegooid worden
развалины
/ˈɑfɑlɦop/
noun
1. archeologie
кьёккенмединг
/ ˈɑfɑlə(n) /
verb
  1. 2. de koers van een schip in de richting van de lijzijde wijzigen
  2. 3. ontrouw worden aan zijn geloof
  3. 4. vallen vanaf een hoger gelegen plek
опадать
adjective
1. niet trouw of loyaal aan
отсту́пнический
noun
апоста́т
noun
1. het ontrouw worden aan zijn geloof
отступничество
noun
1. water dat gebruikt is in de industrie of in het huishouden en dat na gebruik geloosd wordt
помо́и
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
посудомоечная машина
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
посудомоечная машина
noun
1. het sop waarin met het eetgerei schoonmaakt of -gemaakt heeft
помо́и
/ɑfˈwerə(n)/
verb
1. een aanval neutraliseren
отби́ть
adjective
1. niet op een bepaald tijdstip en plaats zijn
отсутствующий
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
отсутствие
verb
1. niet de gangbare norm volgen
отклони́ться
/'ɑfʋɛɪzɪŋ/
noun
1. een bericht dat op een voorstel of aanzoek niet ingegaan wordt
неприня́тие
noun
1. iemand die iets naar een adres verzendt
адреса́нт
verb
9. tot afstand dwingen
низлага́ть
noun
грабёж
/ˈɑfzœʏχkɑp/, /ˈɑfzœːxkɑp/
noun
1. een huishoudelijk apparaat in de keuken dat de kookluchtjes moet afvoeren
вы́тяжка
/ˈɑfzwɪːrə(n)/
verb
клятвенно отрекаться
noun
  1. 1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
  2. 2. een stenen voorwerp bestaande of vervaardigd uit agaat
агат
adjective
агатовая серая
/a.ˈɣɛn.da/, /a.ˈχɛn.da/
noun
1. een notitieboek waarin afspraken genoteerd worden
ежедневник
noun
1. persoon belast met de handhaving van de openbare orde
де́ятель
noun
агломера́т
noun
ажио
noun
агностицизм
noun
1. iemand die ten aanzien van het bovennatuurlijke stelt dat dit niet te kennen valt
агностик
adjective
агности́ческий
noun
1. benaming voor Zuid-Amerikaans knaagdieren uit het geslacht Dasyprocta
агу́ти
noun
агорафобия
noun
агрессия
adjective
1. aanvallend
агрессивный
/aɣriˈmoni/
noun
1. benaming voor overblijvende, kruidachtige planten uit het geslacht Agrimonia
репешо́к
noun
1. de landbouwkunde
агроно́мия
interjection
а
noun
клено́вый сиро́п
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
СПИД
noun
вид
noun
1. beschermingssysteem in voertuigen
подушка безопасности
pronoun
1. hoofdstad van de Franse regio Corsica
Аяччо
adjective
гнету́щий
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
  1. Аахен
  2. Ахен
/'akər/
noun
2. vrucht van de eik
жёлудь
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Stachys arvensis
Чистец полевой
noun
сельскохозяйственное предприятие
noun
Хвощ полевой
noun
Вьюнок полевой
noun
2. samenklank van drie of meer, verschillende tonen
аккорд
/ˌakusˈtik/
noun
1. de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting ...
акустика
noun
1. platte en rechthoekige tas
диплома́т
adverb
1. reeds
уже
phraseologicalUnit
на лжи́ далеко́ не уе́дешь
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Алагоас
noun
1. het niet kunnen spreken
алалия
/ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
  1. албанский
  2. албанский язык
/ɑlˈbaːni.jə/, /ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
  1. Албания
  2. Алба́ния
noun
алебастр
adjective
1. van albast vervaardigd
алебастровый
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
альбатрос
noun
а́льба
noun
het ontbreken van pigmentkleurstof in de huid
альбинизм
noun
альбо́м
noun
1. in water oplosbaar eiwit dat veel in bloed voorkomt
альбумин
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
алхимия
noun
алхимик
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
  1. спирт
  2. алкоголь
adjective
1. alcohol bevattend
алкоголик
noun
алкоголизм
adjective
1. met een verwaarloosbaar alcoholgehalte
безалкогольный
noun
альдеги́д
pronoun
1. verzamelnaam voor een groep Duitse dialecten die gesproken worden door ongeveer zes miljoen mensen in Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Liechtenstein en Oost-Frankrijk
[[алема́ннский]] [[диале́кт]]
pronoun
1. keten van vulkanische eilanden in Alaska ,die zich boogvormig uitstrekt en een scheiding vormt tussen de Grote Oceaan en de Beringzee
Алеу́тские острова́
noun
александрийский стих
/ˈɑlfa/
noun
1. een aanduiding of markering van "de eerste" van een reeks
а́льфа
noun
de lettertekens van een taal
  1. алфавит
  2. азбука
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
алфавитный
noun
1. ontkiemde zaden van luzerne
Люцерна посевная
noun
1.
а́льфа-излуче́ние
/ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
алгебра
noun
всео́бщий
/ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
  1. Алжир
  2. Алжи́р
adjective
1. Uit/afkomstig van Algerije
алжирский
/ɑɫˈxiːrs/, /ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
Алжир
noun
алгоритм
/ˈaː.liˌbi/
noun
1. het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad,...
  1. а́либи
  2. алиби
noun
1. eetbare zeeslak
литори́на
noun
алименты
/aˈlinija/
noun
alinea
/ɑlk/
noun
1. bepaald soort zeevogel die veel op de zeekoet lijkt, maar een dikkere snavel heeft
гагарка
noun
алка́н
noun
щёлочь
adjective
met betrekking tot alkali
щелочной
noun
1. zuurverlies
алкалоз
noun
1. een stikstof bevattende plantenbase
алкалоид
noun
1. een kleine raamloze zijkamer, vaak gebruikt als slaapkamer
  1. альков
  2. ни́ша
adverb
1.
всё включено
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
  1. Аллах
  2. Алла́х
/ˈɑlə/
indefinitePronoun
1. elke, geen, uitgezonderd
  1. всё
  2. все
  3. вся
adjective
ежедне́вный
/ɑl.ˈen/
adjective
1. zonder gezelschap
одинокий
noun
аллегория
adjective
1. betrekking hebbend op het uitbeelden van een abstract begrip
аллегори́ческий
/ɑ.ˈlɛl/, /ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
алле́ль
noun
аллема́нда
noun
1. stof die overgevoeligheid veroorzaakt
аллерге́н
/ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
аллергия
adjective
1. overgevoelig
аллерги́ческий
noun
wetenschap die allergieën bestudeert
аллергология
pronoun
1. een rooms-katholieke feestdag op 1 november ter gezamenlijke verering van alle heiligen van de Kerk
День всех российских святых
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
всё
noun
1. een bondgenootschap
альянс
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
аллигатор
noun
1.
аллофон
adjective
аллювиа́льный
/ɑˈlʏvijʏm/
noun
1. los materiaal (regoliet) dat als sediment door een rivier is afgezet
аллю́вий
/ɑɫmɑxt/
noun
1. absolute macht, macht over alles
всемогущество
adjective
всемогу́щий
noun
альманах
noun
Альнико
noun
повсеме́стность
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
алоэ
noun
1. bepaald soort succulent, Aloe vera
aлоэ настоящее
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier Vicugna pacos
    альпака
  2. 2. zilverkleurige metaallegering
    нейзильбер
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
Альпы
noun
1. bepaald soort overblijvende plant die te vinden is in de meeste Europese gebergtes, Pulsatilla alpina
прострел альпийский
noun
Европейская кедровая сосна
noun
1. een van hout vervaardigd blaasinstrument met een lengte tot vier meter
альпи́йский рог
verb
1. sport waarbij men op ski's een heuvel of berg afdaalt.
го́рные лы́жи
/ɑls/, /ɑs/
conjunction
2. indien
если
phraseologicalUnit
1. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
без кота мышам раздолье
conjunction
1. en ook
и
conjunction
1. luidt een vergelijking in
бу́дто
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
пожалуйста
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Же́ртвенник
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
алтарь
pronoun
1. Atair/Altair
Альтаи́р
/ɑltərnaˈtif/
noun
1. een andere mogelijkheid of methode
альтернатива
adverb
  1. 1. op elk moment, blijvend
  2. 2. telkens opnieuw
  3. 3. in elk geval
  1. всегда
  2. постоя́нно
noun
альтруизм
adjective
1.
альтруисти́ческий
noun
1. een teken geplaatst op de derde lijn van een balk dat aangeeft dat deze een c weergeeft
альтовый ключ
/ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
альт
/alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
  1. алюминий
  2. алюми́ний
noun
уклейка
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
поджелудочная железа
/amɑl'ɣaːm/
noun
1. kwiklegering
  1. Амальгама
  2. амальга́ма
noun
  1. 1. kleine bladverliezende loofboom, Amygdalus dulcis
    миндаль
  2. 1. eetbare pit van de amandelvrucht
    1. миндаль
    2. миндалина
noun
минда́ль
noun
Молочай миндалевидный
noun
1. of 2. (zaden van) geslacht Amaranthus
Амарант
noun
нажда́к
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
любитель
pronoun
Амазонка
noun
2. een vrouwelijke ruiter
амазонка
noun
1. een handwerkvak dat vaak aanzienlijke vaardigheden vereist
ремесло́
adjective
1. volgens de methoden van het oude ambacht
ремесленный
noun
Амбарелла
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
  1. посольство
  2. посо́льство
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
посол
/ɑmˈbi(t)si/
noun
амби́ция
adjective
1. vol van de wens en het vertrouwen om iets te bereiken
честолюбивый
noun
1.
амбивале́нтность
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
неотложка
adjective
1. in staat om te lopen
амбулато́рный
pronoun
Амеланд
noun
  1. америций
  2. амери́ций
/aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
Америка
noun
  1. 1. een persoon die in Amerika woont
    американец
  2. 2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
    1. американец
    2. американка
adjective
1. betreffende of komende van Amerika
американский
noun
1. vrouwelijke inwoner van Noord- of Zuid-Amerika
Американка
noun
1. bepaald soort snelgroeiende boom, Quercus rubra
дуб красный
noun
1. bepaald soort plant, Mammea americana
Маммея американская
noun
1. Bubo virginianus
вирги́нский фи́лин
noun
1. bepaald soort struik, Hamamelis virginiana
Гамамелис вирджинский
noun
1. bepaald soort plant, Prunus serotina
Черёмуха поздняя
noun
1. Ursus americanus, een zwarte berensoort die in Noord - Amerika leeft.
барибал
noun
1. een vaak prachtig violet gekleurde vorm van kristallijn kwarts, die kleine hoeveelheden titaan en ijzer bevat
амети́ст
noun
stimulerend middel, uit de groep van de wekaminen
амфетами́н
noun
1. in water en op land levend dier
  1. амфибия
  2. земново́дное
adjective
1. geschikt zowel voor in het water als op het land
земново́дный
noun
амфитеа́тр
noun
1. een door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
а́мфора
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
Амхарский
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
Амхарский
noun
1. een organische verbinding die kan worden beschouwd afgeleid te zijn van ammoniak...
амин
noun
  1. аминокислота
  2. аминокислоты
noun
1. een chemische verbinding van stikstof en waterstof
аммиа́к
noun
аммо́ний
noun
1. een verklaring dat afgezien zal worden van strafvervolging voor een bepaalde groep
амнистия
noun
1. lamsvlies, het binnenste der eivliezen van het embryo in het moederlichaam
амнио́н
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
амёба
/a.'mɔrf/
adjective
1. niet geordened
амо́рфный
/aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
Амо́с
noun
амплитуда
noun
амплиту́дная модуля́ция
noun
  1. 1. dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
    а́мпула
  2. 4. schenkkannetje voor wijn of water, gebruikt bij de mis
    ампула
noun
ампута́ция
noun
  1. ампер
  2. ампе́р
noun
1. stroommeter
амперметр
noun
Горчица сарептская
/ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
  1. Амстердам
  2. Амстерда́м
verb
1. op aangename wijze een indruk op iemand maken, iemand doen (glim)lachen
забавля́ть
noun
амила́за
adjective
1. met betrekking tot de darmuitgang van de mens
анальный
noun
1. opbouw bij de stofwisseling waarbij simpele stoffen omgezet worden tot chemisch ingewikkeldere stoffen
анаболи́зм
noun
анахронизм
/ɑnakroˈnɪstis/
adjective
1. niet passend in de tijdsvolgorde of in de periode waarin het wordt gepresenteerd
анахрони́ческий
/anaˈkɔnda/
noun
1. zeer grote en zware wurgslang uit het geslacht Eunectes
анаконда
adjective
1. als gevolg van overgevoeligheid (allergie)
анафилактический
/ˌa.na.fi.lɑkˈsi/
noun
1. een medische term voor een snelle systemische allergische reactie
анафилакси́я
noun
1. seks waarbij de anus en het rectum een rol spelen
ана́л
noun
1. het voorkomen van mensen die niet kunnen lezen of schrijven
безгра́мотность
noun
1. een pijnstiller
анальгетик
noun
аналитик
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
аналогия
/ˌɑnəˈloːx/
adjective
2. tegenovergestelde van digitaal (geluidsopname, uurwerk)
аналогичный
/ɑnɐ'liːzə/
noun
анализ
verb
1. gedetailleerd en nauwkeurig bekijken
анализировать
noun
1. een vraaggesprek naar de ziektegeschiedenis
анамнез
noun
1. een vrucht van de ananasplant
  1. ананас
  2. анана́с
noun
Капский крыжовник
noun
анархия
noun
анархизм
noun
анархи́ст
adjective
1. betrekking hebbend op anarchisme
анархи́ческий
noun
анатомия
adjective
1. met betrekking tot de anatomie
анатомический
noun
1. een persoon die kennis draagt van de (menselijke) anatomie
анатом
pronoun
Андалусия
pronoun
Андалусия
adjective
1. niet deze
другой
noun
1. diegene die je niet zelf bent
друго́й
cardinalNumeral
полтора
/'ɑndərmɑns/
indefinitePronoun
1. genitief van een andere man, wordt gebruikt in bezittelijke zin
чужой
adjective
1. partitief van ander
другого
adverb
1. op andere wijze
  1. иначе
  2. по-другому
adverb
наоборот
pronoun
Анды
noun
андезит
noun
1. Cichorium endiva, een eetbaar eenjarig gewas dat nauw verwant is aan witlof
эндивий
noun
Чистец
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
Андорра
adjective
1. van/uit Andorra
андоррский
noun
1. kruis van twee even lange, schuingeplaatste balken
Андре́евский крест
noun
1. mannelijk geslachtshormoon
андроген
pronoun
  1. 1. mythologische figuur
  2. 2. sterrenbeeld
Андромеда
noun
андро́ид
/a.nɛg.ˈdo.tə/
noun
1. een amusant, kort verhaal
[[забавный|заба́вная]] [[исто́рия]]
adjective
несистемати́ческий
noun
1.
анемия
adjective
1. aan bloedarmoede lijdend
анеми́чный
noun
1. zelfregistrerende windsnelheidsmeter
анемо́граф
/ɑnəmon/
noun
1. een plant van het geslacht Anemone
ветреница
noun
анестезия
noun
een medisch vakgebied
анестезиоло́гия
noun
1. het orgaan waarmee wespen, bijen en soortgelijke dieren steken
жало
noun
1. leer van de Engelen
ангелоло́гия
/ɑŋəl'sɑksis/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die tussen ca. tussen 400 en 1100 werd gesproken en die geldt als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels
англосаксо́нский
noun
1. hartkramp, pijn op de borst
грудна́я жа́ба
noun
ангиотензин
noun
англика́нство
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Engels of gevormd naar Engels voorbeeld
англицизм
/ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
  1. Ангола
  2. Анго́ла
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
страх
noun
1. een angst veroorzakende droom
кошмарный сон
noun
невро́з стра́ха
pronoun
Ангилья
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
анис
noun
1. het zaad van de anijsplant
[[анисовый|ани́совое]] [[се́мя]]
noun
анион
noun
гвоздика
/ˈɑ.nʲər.re.voˌly.si/, /ˈɑ.ɲər.re.voˌly.tsi/
pronoun
1. geweldloze militaire staatsgreep
Революция гвоздик
noun
    1. 3. onderdeel van een uurwerk
    2. 2. muuranker
    3. 6. onderdeel van een elektromotor/dynamo
    якорь
  1. 1. onderdeel van een vaartuig
    1. якорь
    2. я́корь
verb
  1. 1. het anker uitgooien met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen
  2. 2. voor anker leggen
  3. 3. zich ergens een vaste positie verwerven, een zitplaats bemachtigen, ergens gaan wonen
становиться на якорь
pronoun
1. meisjesnaam
Анна
noun
анна́лы
/ˌɑnɛkˈsatsi/
noun
1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
а́ншлюс
/ˌɑnɛkˈsɪːrə(n)/
verb
1. het toeëigenen van een grondgebied
аннексировать
/ɑny'lerə/
verb
1. iets afgelasten
аннулировать
noun
1. afwijking van organen
аномалия
adjective
1. naamloos
анонимный
noun
1. naamloosheid
анонимность
noun
1. magerzucht, eetstoornis
анорексия
noun
1. verlies van eetlust
[[отсу́тствие]] [[аппетит|аппети́та]]
adjective
1. niet tot de koolstofverbindingen behorend
неорганический
/a.nɔsˈmi/
noun
аносмия
noun
анокси́я
noun
1. een postkaart met een afbeelding
открытка
noun
хамса́
noun
  1. 1. tegenwerkend middel of orgaan
  2. 2. belangrijkste tegenspeler
антагонист
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
  1. Антарктида
  2. Антарктика
verb
2. een eerdere datum op een document schrijven dan die van de huidige dag
дати́ровать задним числом
noun
1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
антенна
noun
антибиотик
noun
антихрист
noun
1. een deeltje waarvan een aantal fysische eigenschappen dezelfde zijn, maar andere eigenschappen (waaronder de lading) precies tegengesteld
античасти́ца
/ˌɑntideprɛˈsivʏm/
noun
1. een middel tegen ziekelijke neerslachtigheid
антидепресса́нт
noun
1. een tegengif
антидот
adjective
1. oud, maar waardevol
анти́чный
noun
1. oude kunst-, sier- en gebruiksvoorwerpen, die verzameld en verhandeld worden
анти́чный
noun
1. een middel tegen oplossing van fibrine bij de bloedstolling
антифибринолити́ческий
noun
1.
антифонарий
noun
1. vers dat gezongen wordt als inleiding of afsluiting van een psalm
антифон
noun
1. lichaamsvreemde afweeropwekkende stof
антиге́н
/ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
  1. Антигуа и Барбуда
  2. Анти́гуа и Барбу́да
noun
1. een hoofdpersonage in een verhaal met niet de typerende positieve eigenschappen van een held
антигерой
noun
антитело
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
Антильские острова
/ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
антилопа
noun
1.
антивещество́
noun
  1. сурьма
  2. стибиум
pronoun
1. een provinciehoofdstad in Turkije
Антиохи́я
noun
1. stof die reacties tegengaat waarbij elektronen worden uitgewisseld
антиоксидант
noun
1. geneesmiddel dat wanen vermindert
антипсихо́тик
noun
антиквар
noun
1. winkel of bedrijf dat oude en tweedehands boeken verhandelt en verkoopt
антиквариат
noun
iemand met antisemitische denkbeelden
антисемит
noun
антисептик
noun
1.een middel dat gebruikt worden om de natuurlijke stollingsneiging van het bloed te onderdrukken
антикоагуля́нт
noun
1. het tegenovergestelde
антите́за
noun
антитоксин
noun
1. een stof die veelal aan koelwater wordt toegevoegd om het vriespunt ervan te verlagen om bevriezen ervan te voorkomen
антифри́з
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
антоним
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
adjective
антраци́т
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
noun
1. een vorm aan steenkopl die hoge temperatuur heeft gehad
антраци́т
adjective
серая антрацитовая
noun
1. een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
сибирская язва
noun
антропология
noun
антрополог
verb
очелове́чивать
noun
антропоморфи́зм
noun
Антропософия
/ˈantˌwɛrpə(n)/, /ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Антверпен
/ˈantwɛrps/, /ˈɑntʋɛrps/, /ˈɑntβ̞ɛrps/
adjective
1. van, uit, betreffende of als in Antwerpen.
антверпенский
/ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
ответ
noun
автоотве́тчик
/ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
отвечать
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
анус
/aˈɔrta/
noun
1. de slagader die van het hart naar het lichaam, behalve de longen, loopt
аорта
adjective
  1. 2. bijzonder, opmerkelijk
    особенно
  2. 1. op zichzelf, afzonderlijk van het andere
    особенный
noun
1. lusteloosheid
апатия
pronoun
1. gebergte
Апенни́ны
noun
2. internetsymbool @
собака
noun
1. een eetlust opwekkende alcoholische drank die voor de maaltijd genuttigd wordt
аперитив
adjective
1. de punt, de kop, de kruin betreffende
апикальный
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
апокалипсис
adjective
апокалипти́ческий
noun
1. wegval van slotklank
апоко́па
noun
апогей
noun
аполог
noun
1. geprogrammeerde celdood
апопто́з
/ɑˈpɔstəl/
noun
  1. 1. leerling van Jezus
  2. 2. verkondiger van een nieuwe leer
апостол
noun
1. afkappings- of weglatingsteken
апостроф
/apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
аптека
noun
аптекарь
noun
1. toepassing
приложение
pronoun
1. gebergte in het oostelijk deel van Noord-Amerika
Аппалачи
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
аппарат
/ɑ.ˈpɛl/, /ɑ.ˈpɛɫ/, /ˈɑ.pəl/, /ˈɑ.pəɫ/, /ˈɑpəɫ/
noun
1. vrucht
  1. яблоко
  2. я́блоко
noun
яблочный уксус
noun
1. boom waaraan appels groeien
яблоня
noun
1. een moes van gekookte appels
яблочное пюре
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
яблочный сок
/ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
апельсин
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
яблочный пирог
/ɑplɔudi'serə/
verb
1. in de handen klappen om goedkeuring of bewondering te tonen
аплодировать
/ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
аплодисменты
/ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
апрель
pronoun
Апулия
noun
  1. 2. schildertechniek
  2. 1. waterverf
  3. 3. schilderij
акварель
/ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
аквариум
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
ара
noun
арабеска
/ˌɑ.ra.ˈbiːr/
noun
1. een persoon met het Arabisch als moedertaal
араб
/ɑ'rabis/
adjective
1. verwijzend naar de Arabische taal,cultuur,het alfabet of Arabië
арабский
/ɑ'rabis/
pronoun
  1. 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
    1. Арабский
    2. арабский
  2. 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
    арабский
pronoun
Ара́вия
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van de spinachtigen
арахнология
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noord-Australië en de oostelijke eilanden van Indonesië
Арафу́рское мо́ре
pronoun
Арагон
noun
1. Een inwoner van Aragon
араго́нский
pronoun
1. taal gesproken in Aragon
араго́нский
/araˈmes/
adjective
араме́йский
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
труд
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
рабочий
adjective
трудоёмкий
noun
1. inkomsten die men ontvangt door het uitvoeren van werk
эаработная плата
noun
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
трудовое право
noun
арби́тр
noun
  1. handelen van een scheidsrechter
  2. resultaat van het handelen van een arbiter
  3. systeem van gelijktijdige prijsbepaling
арбитра́ж
pronoun
Арка́дия
noun
архаи́зм
/ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
археология
noun
археолог
noun
архетип
noun
архив
noun
1. een eilandengroep
архипелаг
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
архитектор
adjective
1. betrekking hebbend op de architectuur
архитектурный
noun
1. de bouwstijl van een gebouw
  1. архитектура
  2. зодчество
noun
архитра́в
/ɑrxivaːrɨs/
noun
1. een persoon die een archief beheert
архива́риус
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
архивировать
adjective
аркти́ческий
adjective
1. extreem koud, behorend bij heel lage temperaturen
аркти́ческий
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
северный ледовитый океан
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Арде́ш
noun
ар
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Орёл
noun
1. roofvogel
  1. орел
  2. орёл
/ˌɑrɣɛnˈtɛɪ̯n/, /ˌɑrɣɛnˈtɛːn/, /ˌɑrχɛnˈtɛɪ̯n/
noun
1. iemand van Argentijnse komaf
аргентинец
/ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
  1. Аргентина
  2. Аргенти́на
noun
аргини́н
/ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
  1. аргон
  2. арго́н
/ˌɑrɣyˈmɛnt/
noun
1. een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
аргумент
noun
аргумента́ция
noun
ария
/arijaˈnɪsmə/
noun
1.
арианство
noun
1. een persoon die lid is van de aristocratie
аристократ
noun
1. een regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten
аристократия
adjective
1. volgens de principes van een aristocratie
аристократический
noun
1. onregelmatige hartslag
аритмия
noun
ковчег
/ɑrṃ/
adjective
  1. 1. weinig bezittend
  2. 2. beklagenswaardig
бедный
/ɑrṃ/
noun
1. lichaamsdeel
рука
noun
1. sieraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
брасле́т
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
adjective
1. betreffende Armenië of het Armeens
армянский
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Armenië
  1. Армянский
  2. армянский язык
/ɑrˈmensə/, /ɑrˈmeːnsə/
noun
армянка
pronoun
геноцид армян
noun
1.
богаде́льня
/ɑrˈmeni.jə/, /ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
  1. Армения
  2. Арме́ния
noun
подлоко́тник
/ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
  1. бедность
  2. нищета
noun
1. een hoeveelheid die men in één keer in zijn armen kan dragen
бере́мя
pronoun
Арнем
noun
1. (aangename) geur van spijzen, dranken, genotmiddelen enz
аромат
/aroˈmans/
pronoun
1. een Romaanse taal die in de Balkan gesproken wordt
арому́нский
adjective
  1. 1. met geurstof
  2. 2. voldoende aan de regel van Hückel
ароматный
verb
1. geur geven aan
ароматизировать
noun
2. muziekbewerking
аранжиро́вка
noun
1. een aanhouding
аре́ст
verb
1. van overheidswege in hechtenis nemen
арестовывать
adjective
высокоме́рный
noun
мышьяк
noun
мышьяко́вая кислота́
noun
1. stijlbeweging
ар-деко́
noun
  1. 1. kunstvoorwerp of -product
  2. 4. een bewerkt voorwerp uit prehistorische tijd
  3. 5. een kunstmatig veroorzaakte misvorming; zelf toegebracht letsel
артефа́кт
adjective
1. met betrekking tot de arteriën
артериальный
noun
артериосклеро́з
noun
ма́стер
/ɑrˈtiːkəl/
noun
    1. 1. een voorwerp dat te koop is
    2. 2. een publicatie in een tijdschrift
    3. 3. een van de bepalingen waaruit een wet bestaat
    вещь
  1. 4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
    статья
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
артиллерия
noun
1. een militair die dienst doet bij de artillerie
артиллерист
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
артишок
noun
1. gewrichtsontsteking
артрит
noun
1. een aandoening van het gewrichtskraakbeen
остеоартроз
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
врач
/a.ˈru.ba/, /a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
  1. Аруба
  2. Ару́ба
noun
    1. 2. lijn
    2. 1. centrale staaf
    ось
  1. 1. verbrandingsrest
    пепел
/ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
  1. пепельница
  2. пе́пельница
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
асбест
noun
аскети́зм
noun
аскорби́новая кислота́
noun
асексуа́льность
adjective
1. vrij van ziektekiemen, kiemvrij
асептический
noun
асфальт
noun
прибе́жище
pronoun
1. hoofdstad van Turkmenistan
Ашхабад
pronoun
1.
Ашдод
pronoun
1.
Ашкелон
/ɑʃkə'nazi/
noun
1. Hoogduitse jood, jood afkomstig uit Midden- of Oost-Europa
ашкенази
adjective
1. zonder sociaal besef
асоциальный
noun
аспартам
noun
1. een kant of zijde
вид
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
спаржа
noun
1. een middel tegen allerlei kwalen met als werkzame stof acetylsalicylzuur
аспирин
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land. Hoofdstad is Dispur
Асса́м
/ˈɑsəˌpustər/
pronoun
1. het meisje dat hoofdpersoon is het het gelijknamige sprookje
Зо́лушка
noun
1. een persoon die ondersteunt
ассистент
verb
1. tot compagnon maken of nemen
связываться
noun
ассона́нс
noun
1. aanbod van producten
ассортиме́нт
noun
1. de wetenschappelijke studie van het oude Mesopotamië
ассириология
noun
астат
noun
2. een bloem van de aster
астра
/ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
звёздочка
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
астероид
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
астма
noun
1
а́строфотогра́фия
/ɑstrolo'gi/
noun
1. de leer die gebeurtenissen aan het hemelgewelf in verband brengt met gebeurtenissen op aarde
астрология
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
астролог
noun
Астрометрия
/ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
астронавт
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
астрономия
adjective
астрономический
noun
астроном
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Asturië
астури́йский
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Астурия
noun
1. eerste dag van de vastentijd
Пе́пельная среда́
adverb
асимметричный
adjective
1. zonder ziekteverschijnselen
бессимпто́мный
/a.sɪmp.ˈtot/
noun
1. een lijn die door een kromme of functie willekeurig dicht benaderd wordt, maar deze nooit raakt
асимптота
adjective
асинхро́нный
/atɑkˈsi/
noun
1. een onzekere gang bij het lopen
атаксия
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Taiwan en die een van de twee Atayalische talen is
атая́льский
noun
1. de werkruimte van een kunstenaar
ателье́
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
Афины
/ˌa.te.ˈjɪsmə/, /ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
атеизм
/ˌa.te.ˈjɪst/, /ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
  1. атеист
  2. атеистка
pronoun
1. mythologisch eiland
Атлантида
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
Атлантический океан
pronoun
  1. 1. figuur uit de Griekse mythologie
  2. 2. gebergte in Noord-Afrika
А́тлас
noun
  1. 1. een boek dat geografische kaarten bevat
  2. 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
  3. 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
атлас
/ɑtlet/
noun
1. iemand die grote prestaties op sportief gebied verricht
атле́т
noun
sporttak waarin vooral lopen, springen en werpen aan bod komen
атле́тика
adjective
атлетический
noun
  1. 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
  2. 2. een stemming.
атмосфера
adjective
атмосферический
noun
атолл
adjective
атона́льный
noun
1. spierslapte
атония
noun
атом
noun
атомное ядро
noun
атомные часы
noun
1. de massa van een atoom, uitgedrukt in de atomaire massa-eenheid u
а́томная ма́сса
noun
1. de kernlading van een atoom
зарядовое число
pronoun
1. een stad in Frans-Vlaanderen
Аррас
noun
2. centraal vertrek
атриум
noun
1. verschrompeling van organen
атрофи́я
noun
атташе́
noun
1. het afleggen van een formele verklaring; het afleggen van een formele getuigenis
сертифика́ция
noun
1. houding
установка
noun
1.
атто́метр
noun
приманка
adjective
привлекательный
/ɑtrɪbʏˈtif/
adjective
1. wanneer het voor een zelfstandig naamwoord geplaatst wordt
атрибути́вный
noun
4. tot het wezen (de entiteit) behorende eigenschap
атрибут
adjective
1. afwijkend van het gemiddelde
атипичный
noun
альборада
/obɛrˈʒinə/
noun
2. purperachtige, vlezige vrucht
баклажан
pronoun
1. grootste stad van Nieuw-Zeeland, gelegen op het Noordereiland
О́кленд
adjective
1. zichtbaar en hoorbaar
аудиовизуальный
noun
1. een examen waarbij iemand zijn muzikale vaardigheden in klank bewijst.
про́ба
adjective
1. met betrekking tot het gehoor
слухово́й
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Аугсбург
/ʌuˈɣɵrk/, /ʌˈʝʏrk/
noun
1. kleine, in het zuur ingemaakte komkommer
корнишон
/aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
август
noun
1. luisteren naar lichaamsgeruis van bijv. hart of longen
аускульта́ция
verb
1. luister naar de geluiden in het lichaam
выслу́шивать
noun
1. ondersteuning, goedkeuring, toezicht
эги́да
/aʊ̯ˈstraːlɪs/, /ɔʊ̯ˈstraːlis/, /ʌʊ̯ˈstralis/
adjective
1. van Australië
австралийский
pronoun
1. Australisch territorium waarin de federale hoofdstad Canberra gelegen is
Австрали́йская столи́чная террито́рия
/aʊ̯ˈstraːli.jə/, /ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
Австралия
/aʊ̯ˈstraːli.jər/, /ɔʊ̯ˈstraːli.jər/, /ʌʊ̯ˈstrali.jər/
noun
1. een inwoner van Australië
  1. австралиец
  2. австралийка
/ɑustro'nezis/
adjective
behorend tot groep van talen
а̀встронези́йский
noun
автаркия
/oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
автор
adverb
аутентичный
/ʌuˈtɪsmə/, /ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
аутизм
/ʌuˈtɪstɪs/, /ʌˈtɪstɪs/
adjective
1. lijdend aan autisme
аутисти́ческий
/ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
  1. машина
  2. автомобиль
adjective
1. met betrekking tot afweerstoffen gericht tegen de eigen lichaamsweefsels
аутоиммунный
noun
автобиография
adjective
автобиографи́ческий
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
автобус
adjective
1. oorspronkelijk in een bepaald gebied thuishorend
автохто́нный
noun
1. de oorspronkelijke bewoner van een land
автохто́н
noun
автократия
adjective
автократи́ческий
noun
аутодафе
noun
1. handtekening van een beroemd persoon
автограф
noun
аутогинефилия
adjective
автомаги́ческий
adjective
  1. 1. niet bestuurd door de hand van de mens
  2. 2. vanzelfgaand
  3. 3. gedachteloos
автоматический
verb
1. automatisch doen werken
автоматизи́ровать
noun
автоматиза́ция
noun
автоматизм
noun
1. een bestuurder van een auto
автомобилист
/aʊ̯.to.no.ˈmi/, /ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
автономия
/ˌʌʊtoˈnom/
adjective
1. op zichzelf staand
автономный
noun
самокат
noun
1. een lijkschouwing
аутопси́я
/ˈɑʊ̯.to.ˌrɛɪ.sxol/
noun
автошкола
adjective
авторита́рный
noun
1. de overheid
авторите́т
noun
ключ от [[маши́ны]]
noun
1. weg voor snelverkeer (dat sneller kan en mag rijden dan 60 km per uur), met gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen
автомагистраль
/ɑu̯ˈtri.sə/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
авторша
pronoun
1. voormalige regio in Centraal-Frankrijk
Овернь
/'avatɑr/
noun
2. (informatica) een kleine afbeelding die een bepaalde gebruiker symboliseert
  1. аватар
  2. аватара
adjective
птичий
pronoun
1. een stad in Frankrijk
Авиньон
/ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
  1. авокадо
  2. авока́до
/ˌavoˈkadobom/
noun
1. immergroene boom uit Midden-Amerika die de avocadoperen voortbrengt
авокадо
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
вечер
noun
1. een maaltijd die 's avonds genuttigd wordt
ужин
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
коменда́нтский час
adjective
1. gedurende de avond
вечерний
noun
1. een school waarin in de avonduren lesgegeven wordt
вечерняя школа
noun
1. iemand die graag het avontuur opzoekt
[[иска́тель]] [[приключение|приключе́ний]]
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
  1. приключение
  2. авантюра
noun
2. neiging om ongewone dingen te willen beleven
жажда приключений
noun
1. een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden
аксио́ма
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
аятолла
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
аймара
noun
1. sierstruik van het geslacht rhododendron
аза́лия
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒans/, /ˌazərbɛɪ̯ˈdʒaːns/, /ˌazərbɛːˈdʒaːns/
adjective
1. op Azerbeidzjan betrekking hebbend
азербайджанский
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
  1. Азербайджан
  2. Азербайджа́н
/aˈzeːri/, /aˈzɪːri/
pronoun
1. Turkse taal die door 22 miljoen mensen vooral in Azerbeidzjan, maar ook in Iran, Georgië en Turkije wordt gesproken
азербайджанский
noun
азиат
adjective
1. afkomstig uit of betreffend Azië
азиатский
noun
1. Soort olifant
азиатский слон
/aˈzɛɪn/, /aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
  1. уксус
  2. у́ксус
noun
1. CH₃COOH
  1. уксусная кислота
  2. у́ксусная кислота́
noun
уксусный ангидрид
/azimɵt/
noun
1. horizontale hoek
азимут
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
  1. Азия
  2. А́зия
pronoun
Азо́рские острова́
pronoun
1.
Лазурный Берег
noun
лазу́рь
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
бу́хта
noun
1. een stapel bijeengebonden plantaardig materiaal zoals hooi of tabak
тюк
/baːn/
noun
  1. 1. het werk
    зада́ча
  2. 3. traject van een projectiel/hemellichaam
    орби́та
/baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
  1. борода
  2. борода́
noun
1. een alleen in India voorkomende zwarte aap met een kwastachtige staart en een opvallende grijze kraag
вандеру
noun
3. bepaald soort vogel, Panurus biarmicas
уса́тая сини́ца
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
утроба
noun
1. smal en buisvormig gedeelte van de baarmoeder dat aan een kant in de vagina eindigt ...
шейка матки
noun
1. een vorm van kanker die zich in de baarmoederhals ontwikkelt
рак шейки матки
noun
1. stekelvinnige riviervis
  1. о́кунь
  2. окунь
/baːs/
noun
1. overste, leider, chef
босс
verb
1. gezellig praten over zaken van weinig belang
балакать
noun
баббит
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
младенец
/ˈbebibɑt/
noun
1. kuip bedoeld om heel jonge kinderen in te wassen
ванночка детская
/ˈbe.bi.buːm/
noun
1. een periode waarin ongewoon veel kinderen geboren worden
демографический взрыв
noun
буты́лка с со́ской
noun
1. elektronisch afluisterapparaat om geluid uit de kinderkamer elders op te vangen
де́тский монито́р
noun
  1. 2. een woest drinkgelag, een losbandige drinkpartij
  2. 1. een feest ter ere van Bacchus
вакхана́лия
noun
1. benaming voor soorten uit de klasse Bacilli
бацилла
noun
бактерия
noun
plantenziekte veroorzaakt door de bacterie
бактериа́льный ожо́г
/bɑkteriɔfaɣ/
noun
1.
бактериофаг
noun
1. een wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van bacteriën
бактериоло́гия
adjective
бактериологи́ческий
noun
1. een wetenschapper die zich bezighoudt met de bacteriologie
бактериолог
/bɑt/
noun
1. voorwerp waarin men zich wast met water
ванна
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Бад-Берлебург
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Бад-Дюркхайм
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Бад-Дюрхайм
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Бад-Гандерсхайм
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Бад-Кройцнах
pronoun
1.
Бад-Ласфе
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Бад-Лангензальца
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Бад-Либенцелль
pronoun
1.
Бад-Мюнстерайфель
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein
Бад-Ольдесло
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Бад-Райхенхалль
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Бад-Зальцуфлен
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Бад-Шуссенрид
pronoun
1.
Бад-Вимпфен
verb
  1. 1. een bad nemen
  2. 3. in bad doen
купать
pronoun
1.
Баден-Баден
pronoun
1.
Баден-Вюртемберг
noun
1. grote handdoek gemaakt van badstof om (delen van) het lichaam af te drogen na het wassen
ба́нное полоте́нце
noun
купальный халат
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
ванная
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
купальный костюм
/ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
ванна
noun
1. een sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
бадминтон
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
  1. купальник
  2. купальный костюм
noun
1.
Ба́ффинов зали́в
/ba.ˈɣaːʃ/, /ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
  1. багаж
  2. кладь
noun
Велосипедный багажник
verb
1. iets ernstigs onbelangrijk doen voorkomen
преуменьшать
/'begəɫ/
noun
1.
бара́нка
/ba.ˈha.mas/, /ba.ˈɦa.mas/, /bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
  1. Багамы
  2. Багамские острова
  3. Багамские Острова
/ba.ˈrɛɪ̯n/, /bɑx.ˈrɛːn/, /bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
  1. Бахрейн
  2. Бахре́йн
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Beieren
Байрсброн
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
  1. штык
  2. багинет
noun
1. de linkerzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
[[ле́вый]] борт
noun
бакелит
noun
1. een markering, meer in het bijzonder gebruikt in de lucht- en scheepvaart...
ба́кен
noun
1. een driewielige fiets die voorzien is van een laadbak
Грузовые велосипед
noun
1. deel van het baardhaar dat groeit vanaf de kaaklijnen tot aan de haargrens boven de oren.
вакенбарды
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
печь
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
пекарь
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
пекарня
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
Баку
noun
1. speciaal geprepareerd papier dat in de oven gebruikt wordt om te bakken etenswaar niet aan de bakplaat of de bakvorm te laten kleven
пергаментная бумага
noun
1. rijsmiddel op basis van natriumbicarbonaat
пека́рный порошо́к
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
  1. кирпич
  2. кирпи́ч
adjective
кирпи́чный
noun
1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
мяч
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
балалайка
/balaˈnitɪs/
noun
1. ontsteking van de eikel bij de man.
баланит
noun
  1. 2. een meetapparaat met twee armen (bedoeld om het verschil te kunnen meten)
    весы
  2. 1. evenwicht
    равновесие
pronoun
1.
Балатон
noun
1. stoffen overdekking als ornament, meestal boven een troon, altaar of hemelbed
балдахин
pronoun
Балеарские острова
noun
  1. 1. hoornachtige stof uit de walvisbek
  2. 1. versterkingsstaafje voor corset of paraplu
кито́вый ус
/bɑlk/, /bɑɫk/
noun
  1. 1. deel van een constructie met een lengte die veel groter is dan de breedte en de hoogte in doorsnede
    балка
  2. 2. veelvlak met 6 rechthoekige zijvlakken, 8 hoekpunten en 12 ribben
    прямоугольный параллелепипед
pronoun
1. gebied...
Балканы
verb
1. een land staatkundig in kleine, onderling vijandige, onderdelen versnipperen
балканизировать
/ˈbɑlkə(n)/, /ˈbɑɫkə(n)/
verb
1. het geluid van een ezel maken
[[реве́ть]] (об [[осёл|осле́]])
noun
1. een bouwkundig onderdeel
балкон
noun
балла́да
noun
1. vervanging van de nuttige lading door iets dat voldoende weegt om een schip te stabiliseren
балла́ст
noun
1.
болбо́й
noun
1.
[[де́вушка]]-[[болбо́й]]
noun
1. een artistieke dansvorm
балет
noun
1. leer die de banen van projectielen bestudeert
баллистика
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
баллон
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
шариковая ручка
noun
бальзамический уксус
noun
бальза́м
verb
1. het prepareren van een stoffelijk overschot om het tegen ontbinding te beschermen
бальзамировать
noun
Пижма бaльзамическая
noun
[[игра́]] с [[мяч|мячо́м]]
pronoun
1. de nationale taal van Mali
  1. бамана
  2. бамананкан
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
бамбук
noun
бамбуковые побеги
noun
1. een vrucht van de bananenboom
банан
noun
  1. 1. een van de Midden-Amerikaanse staten zoals Honduras, Nicaragua, El Salvador of Guatemala, eens zo genoemd vanwege de bananenindustrie die daar alles overheerste
  2. 2. een in politiek en economisch opzicht corrupt en instabiel land, dat bovendien vaak rijk is aan grondstoffen
  1. ванановая республика
  2. банановая республика
noun
1. de schil van een banaaan
[[банановый|бана́новая]] [[кожура́]]
noun
3. groep muzikanten die een bepaald muzikaal repertoire ten gehore brengt
  1. ансамбль
  2. оркестр
noun
1. een schurk of misdadiger
бандит
noun
1. apparaat waarmee men geluid kan vastleggen op magnetische tape
магнитофон
/ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
Бангладеш
noun
    1. 3. een financiële instelling
    2. 4. een ondiepte in het water
    3. 5. gebouw waarin een financiële instelling gevestigd is
    4. 6. een opslagsysteem voor gegevens of voorwerpen b.v. beeldbank, bloedbank, boekenbank, kennisbank, spermabank
    банк
  1. 1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon
    софа
noun
1. een betaalmiddel van papier
  1. банкнота
  2. купюра
noun
1. een bakker die voornamelijk taarten, klein gebak en chocolade maakt
кондитер
/bɑŋkˈɦɑŋər/
noun
1. iemand die bankhangt
безде́льник
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
банкир
noun
1. een rekening-courant bij een bank
банковский счёт
noun
1. toestand van iemand die niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen
банкротство
noun
1. verschijnsel waarbij een groot aantal klanten hun geld van hun bankrekening halen
банковская паника
noun
1. een handig hulpmiddel om werkstukken in vast te houden
тиски
/ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
изгна́нник
noun
ба́нши
/ˈbɑntu/
noun
  1. 1. lid van een volk
    Банту
  2. 2. groep talen
    банту
noun
1. een kerkelijke straf
анафема
noun
benaming voor dikstammige bomen uit droge, warme gebieden uit het geslacht Adansonia
баобаб
noun
ва́рвар
adjective
  1. 1. zonder beperkingen opgelegd door beschaafd gedrag
  2. 2. strijdig met zeden en gewoonten van de beschaafde, gecultiveerde samenleving
ва́рварский
/ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
  1. Барбадос
  2. Барба́дос
/ˈbɑrbəkju/
noun
1. apparaat
шашлычница
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in de middenlopen van rivieren, Barbus barbus
усач
noun
1. een herenkapper die ook baarden bijwerkt
цирюльник
noun
1. Een slaapmiddel in de vorm van een barbituurzuur verbinding
барбитура́т
pronoun
  1. Барселона
  2. Барсело́на
/bɑrt/
noun
1. middeleeuws dichter en zanger bij de Kelten
бард
verb
1. op de wereld brengen
родить
noun
Баренцево море
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
берет
/bɑrx/
noun
1. gecastreerd mannetjesvarken
боров
noun
барит
noun
1. een mannenstem tussen bas en tenor
барито́н
noun
барий
noun
1. iemand die achter de bar staat en drankjes voor de gasten inschenkt
бармен
noun
1. een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
барокко
/ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
барометр
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
барон
noun
1. vrouwelijke baron
баронесса
noun
владе́ние
noun
1. benaming voor baarsachtige zeeroofvissen uit het geslacht Sphyraena
барракуда
noun
3. beslissingsronde
барра́ж
noun
1. straatversperring die de doorgang door een straat onmogelijk maakt
баррикада
noun
1. begrenzing, bescherming
барье́р
verb
1. heftig breken of uiteenspatten
ло́паться
noun
барио́н
noun
барелье́ф
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
  1. базальт
  2. база́льт
noun
  1. 1. stof die een of meer hydroxylgroepen bevat en in een waterige oplossing OH-ionen afsplitst
  2. 2. ion of molecuul dat de neiging heeft een proton op te nemen
основа́ние
/baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
базилик
noun
базилика
noun
1. fabeldier
василиск
noun
1. grondslag
ба́за
noun
1. scholing voor kinderen van 4 tot 12 jaar
Начальное общее образование
/ˈbazɪsxoɫ/
noun
1. een school voor lager onderwijs
начальная школа
/'bɑskən,lɑnd/
pronoun
  1. 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
  2. 3. Spaanse autonome regio
Баскские земли
noun
1. sport
баскетбол
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
  1. баскский
  2. баскский язык
noun
1. geurige rijstzaden
Басмати
noun
1. contrabasspeler
бас-гитари́ст
noun
1. een teken geplaatst op de vierde lijn van een balk dat aangeeft dat deze lijn een d weergeeft
басовый ключ
noun
1. een kind dat niet geboren is uit een wettig huwelijk
ублюдок
noun
1. Euproctis chrysorrhoea
златогузка
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Luxemburg
Бастонь
noun
батальо́н
noun
1. een fijn, doorschijnend weefsel dat gemaakt kan zijn van linnen, wol, katoen, zijde of zelfs kunstzijde
бати́ст
verb
2. geslachtsgemeenschap hebben
ебать
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
батарея
noun
1. eenheid van snelheid van informatieoverdracht van een datatransmissiekanaal (modem, telefoonlijn etc.)
бод
noun
1. een mineraal dat een belangrijk erts van aluminium vormt. Bauxiet bestaat voor een groot deel uit aluminiumoxide...
бокси́т
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
бабуин
pronoun
1. stad in Zwitserland
Базель
noun
горн
noun
1. kleine hond van een bepaald ras
го́нчая
/bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
отвечать
noun
Бит-поколение
pronoun
1. deel van de Noordelijke IJszee, ten noordwesten van Canada en ten noorden van Alaska
Море Бофорта
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
бородатый
verb
1.
намазывать маслом
adjective
1. brildragend
очкарик
noun
1. becijferde bas
генера́л-ба́с
verb
  1. 1. uitrekenen
  2. 2. door cijfers aanwijzen
  3. 3. (muziek) notaties door cijfers aangeven
оценивать
verb
1. van commentaar voorzien
закомменти́ровать
noun
беккерель
/bɛd/, /bɛt/
noun
1. een meubel gemaakt om in te slapen
  1. кровать
  2. постель
verb
1. erkentelijkheid tot uitdrukking brengen
благодари́ть
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
  1. благодарность
  2. спасибо
/bə'darə(n)/
verb
1. tot rust komen
унима́ться
noun
бельё
verb
1. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
накрывать
noun
1. een persoon die vraagt om geld zonder daar iets voor te doen
ни́щий
verb
1. om een aalmoes vragen
выпра́шивать
adjective
1. dat iets kan verrotten of vergaan en daardoor niet meer bruikbaar of eetbaar is
бре́нный
verb
  1. 2. verpesten, verknoeien
  2. 3. te veel verwennen
  3. 4. verrotten, oneetbaar worden
испо́ртиться
noun
1. iemand die een apparaat op een goede manier laat functioneren
опера́тор
/bɛdleɣərəɣ/
adjective
1. niet in staat uit bed te komen
[[прико́ванный]] к [[постель|посте́ли]]
adjective
1. van een ruimte dat je er moeilijk kunt ademhalen, dat het er stinkt en er geen frisse lucht is
душный
adjective
2. mogelijk op het punt staand van uitsterving
вымира́ющий
verb
1. iemand met een mogelijk gevaar confronteren
грози́ть
adjective
иску́сный
noun
1.
надува́тельство
adjective
оши́бочный
/bəˈdrɛɪ̯f/, /bəˈdrɛːf/
noun
1. organisatie, samenspel van mensen en middelen om producten en of diensten te leveren
компания
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
бизнес-администрирование
verb
1. triest stemmen
огорча́ть
/bek/
noun
1. stromend watertje
ручей
noun
1. bepaalde ondersoort van vissen die voorkomt in stromend water, Salmo trutta fario
ручьевая форель
noun
  1. 3. frame
    кадр
  2. 1. driedimensionaal kunstwerk
    1. картина
    2. скульптура
    3. статуя
    4. монумент
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Скульптор
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
  1. скульптор
  2. ваятель
noun
табло́
/beːn/
noun
  1. 3. stof waaruit benen/botten bestaan
    кость
  2. 1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
    нога
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
костный мозг
/beːr/, /bɪːr/
noun
  1. 1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
    медведь
  2. [E] beervlinder
    медведица‎
noun
1. een put waarin fecaliën verzameld worden
выгребна́я я́ма
/beːst/
noun
1. dier
зверь
/beɪt/, /beːt/
noun
1. samenklemming tussen de kaken
укус
/ˈbeːtʃjə/
noun
1. kleine hoeveelheid
немного
verb
1. het oraal bevredigen van een vrouw door haar geslachtsdelen te likken of met de tong te 'betasten'
[[де́лать]] [[куннили́нгус]]
noun
1. bepaald soort lijster, Turdus torquatus
белозо́бый дрозд
noun
1. verlangen
Желание
/bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
1. vergezellen
сопровождать
noun
1. personen die iemand vergezellen of bewaken
сопровождение
verb
1. een gift geven
быть одарённым
/bəˈχɪn/
noun
1. het eerste deel
начало
verb
1. aanvangen
  1. начинать
  2. начать
noun
1. (plantk.) Begonia, een geslacht bloeiende planten uit de begoniafamilie
бегония
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
кладбище
noun
1. een ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd
захороне́ние
/bəˈɣrafənɪsɔndərˌnemər/
noun
1. Een persoon die de begrafenis van overledenen verzorgt
гробовщи́к
verb
  1. 1. iets onder de grond stoppen
  2. 2. een overledene begraven
  3. 3. iets wegstoppen
зака́пывать
adjective
понятный
noun
1. het verstaan of begrijpen van iets
понимание
/bəˈɣrotɪŋ/
noun
1. raming van de te maken uitgaven voor de komende tijd
бюджет
/beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
  1. бюстгальтер
  2. лифчик
preposition
1. met uitzondering van
кроме
verb
3. medisch verzorgen
вы́лечить
noun
2. een handeling gericht op herstel
лечение
noun
1. ter versiering op de muur aangebrachte papieren bedekking
обои
verb
1. het bedekken van wanden met een laag papier
оклеивать обоями
noun
1. muurbedekking
обои
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
администра́тор
verb
3. verstaan
освоить
adjective
2.
ги́бкий
adjective
1. op zijn of haar hoede om gevaar te voorkomen
осторожный
/ˈbə'huftə/
noun
1. iets wat benodigd is
нужда
noun
бе́дность
/bəˈhuvə(n)/
verb
1. moeten
должен
verb
  1. 2. onderdeel uitmaken van wat gebruikelijk is of tot de fatsoensnormen gerekend wordt
  2. 1. onderdeel zijn van
относиться
adjective
1. iets niet verliezen
держа́ться
adjective
любе́зный
cardinalNumeral
1. alle twee
оба
pronoun
  1. Бавария
  2. Бава́рия
pronoun
1. taal gesproken door ten minste 12 miljoen mensen in Oostenrijk...
бава́рский
pronoun
1.
Баварский Лес
adjective
  1. бежевый
  2. бе́жевый
adjective
бежево – серый
adjective
красно - кремовый
noun
1. gebak gemaakt van gefrituurd beslag dat ook wel gevuld kan worden met een vrucht, groente, vlees of vis zit
ола́дья
/bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Бейрут
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
  1. зубило
  2. долото́
noun
  1. 1. snavel van vogels
    клюв
  2. 5. deel van een bankschroef
    че́люсть
adjective
1. vertrouwd
известный
noun
знако́мство
verb
1. toegeven
пока́яться
noun
1. een verklaring waarin men toegeeft een bepaalde daad gepleegd te hebben
призна́ние
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Чаша
noun
мензу́рка
noun
1. het (doen) overgaan van iemand tot een bepaald geloof.
конве́рсия
noun
1. een boete die wordt opgelegd voor het overtreden van een wet
штраф
noun
2. gebeente tussen beide heupen
таз
noun
диафра́гма та́за
verb
1. de nadruk leggen op iets
делать ударение
verb
1. naar de top van iets, zoals een berg, klimmen
взбира́ться
adjective
1. tot het belangrijkste en noodzakelijkste teruggebracht
ёмкий
adjective
1. aantrekkelijk, bekoring opwekkend
очаровательный
verb
1. kritiek uiten op iets of iemand
критиковать
noun
1. klok, schel, zoemer
звонок
/bəˈlɑɣələk/, /bəˈlɑχələk/
adjective
1. lachwekkend, om uit te lachen
  1. смешной
  2. смехотворный
verb
1. iemand agressief/intimiderend benaderen
беспоко́ить
noun
1. iets wat belangrijk is voor een persoon
значение
/bəˈlɑŋəlos/
adjective
2. uit liefdadigheid
бескоры́стный
noun
1. het zich inzetten voor iets dat belangrijk is voor iemand
засту́пничество
adjective
1. van grote betekenis
  1. важный
  2. ва́жный
verb
1. iemands goede naam geweld aandoen met onware aantijgingen
клеветать
noun
1. de daad van het belasteren.
  1. диффамация
  2. шельмование
noun
  1. 2. de mate waarin een machine belast wordt ofwel het vermogen dat van de machine
    нагру́зка
  2. 1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
    налог
noun
1. iemand die belasting betaalt
налогоплате́льщик
noun
[[нало́говый]] рай
verb
1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
обижать
adjective
1.
оскорби́тельный
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
  1. оскорбление
  2. оскорбле́ние
adjective
1. van goede omgangsvormen getuigend
ве́жливый
noun
1. een sociale vaardigheid, die de omgang in de maatschappij vergemakkelijkt.
вежливость
/bəˈlɛx/
noun
1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
oсада
verb
1. met een leger omsingeld houden
окружа́ть
verb
1. geld steken in een naar verwacht winstgevende onderneming
вкла́дывать
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
курс
/bəˈlɛmərə(n)/
verb
1. een factor vormen die een gebeurtenis of handeling (bijna) onmogelijk maakt
подавлять
noun
1. leesteken bestaand uit drie puntjes (…)
многоточие
adjective
начи́танный
noun
1. een stedelijke wachttoren met een stormklok
колокольня
/bɛlx/, /bɛɫx/, /bɛɫχ/
noun
1. een staatsburger van België
бельгиец
/ˈbɛl.ɣɪs/, /ˈbɛɫ.ɣis/, /ˈbɛɫ.χis/
adjective
1. met betrekking tot België
бельгийский
pronoun
Бельгийское Конго
/ˈbɛlɣijə/, /ˈbɛɫɣijə/, /ˈbɛɫχijə/
pronoun
  1. Бельгия
  2. Бе́льгия
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
Белград
verb
1. een denkbeeld of gevoel vormgeven in iets tastbaars
воплоти́ть
noun
1. zichtbaar gemaakte vorm van een idee of begrip
воплоще́ние
/bə.ˈlɪx.tə(n)/, /bə.ˈlɪχ.tə(n)/
verb
    1. 1. licht schijnen op iets
    2. 2. van een bepaalde kant bekijken
    освещать
  1. 3. een bepaalde tijd licht laten vallen op de film om deze op te nemen
    экспонировать
/be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
Белиз
noun
1. tandwalvis die doorgaans bij volwassenheid melkwit van kleur is, Delphinapterus leucas
белу́га
pronoun
1.
Белуджистан
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
обещание
verb
1. een prestatie of goede daad met geld of anderszins erkennen
вознагради́ть
noun
награда
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
обещать
noun
будильник
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
экипаж
verb
1. het toevoegen van meststoffen aan de aarde
удо́брить
noun
1. iemand die zich bemoeit met zaken van anderen
проныра
verb
1. iemand of iets nadeel toebrengen, iemand of iets schade toebrengen
дискриминировать
adjective
1. te benaderen, makkelijk mee te praten
[[охо́тно]] [[идти|иду́щий]] [[навстре́чу]]
verb
1. naartoe gaan en aanspreken
приближа́ться
noun
2. gezichtspunt, de richting van waaruit men naar iets beschouwd .
до́ступ
/ˈbɛn.də/
noun
1. een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
банда
preposition
внизу́
adjective
нижний
pronoun
1. een taal die in Bangladesh en West-Bengalen gesproken wordt
бенгальский
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris tigris
бенга́льский тигр
adjective
ко́стный
verb
1. wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft
завидовать
adjective
1. dat iets de moeite waard is om benijd te worden
зави́дный
/be.ˈnin/, /ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Бенин
noun
бензо́л
/bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
бензин
verb
1. tot een oordeel komen over iets
судить
verb
  1. 2. vaststellen, voorschrijven, regelen
  2. 3. beslissend beïnvloeden
определи́ть
verb
1. een verminderde reikwijdte geven
лимитировать
/bə.ˈpɛr.kɪŋ/
noun
1. iets dat ervoor zorgt dat de mogelijkheden beperkt worden
ограниче́ние
verb
напу́дрить
adjective
1. akkoord gaand, instemmend: bereid tot actie
гото́вый
noun
1. de afstand die afgelegd kan worden
диапазо́н
/bə'rɛɪkən/
verb
  1. 1. fysiek bij de andere kant aankomen
    дозвониться
  2. 2. het informeren van personen
    дойти́
/bə.ˈre.kə.nɪŋ/
noun
1. een numerieke uitwerking ergens van
вычисле́ние
/ˈberə(n)jɑxt/
noun
1. achter in het wild levende beren aangaan om ze te vangen of te doden
охота на медведя
/bɛrx/
noun
1. hoge terreinverheffing
гора
adjective
1. met bergen
гористый
noun
1. (fruit) een kleine, peervormige en zure citrusvrucht
бергамот
noun
1. iemand die zich toelegt op het alpinisme
альпинист
noun
1. Tadorna tadorna, een forse bijna gansachtige eend
пеганка
pronoun
1. stad in Noorwegen
Бе́рген
/'bɛrxtɔp/, /'bɛrχtɔp/
noun
1. de top van een berg
горная верши́на
noun
1. ziekte veroorzaakt door een tekort aan vitamine B1 (thiamine)
бери-бери
noun
1. overgebrachte korte communicatie, meestal over een recente gebeurtenis
сообще́ние
verb
1. van nieuws voorzien over iets
докладывать
noun
берилл
noun
1. vrouwelijk dier van de berenfamilie, Ursidae
медведица
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
Бе́рингов проли́в
pronoun
1. is de zee in het noordelijk deel van de Grote Oceaan
Бе́рингово мо́ре
verb
1. streng zeggen dat het gedrag wordt afgekeurd
кори́ть
/bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
берёза
noun
  1. беркелий
  2. берклий
noun
1.
березина
pronoun
  1. 1. de hoofdstad van Duitsland
  2. 2. een duitse deelstaat
  1. Берлин
  2. Берли́н
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
Бермуды
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Берн
/bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
знаменитый
noun
2. iemand die bekend is bij een groot publiek
звезда́
noun
  1. 2. dringend verzoek om bijstand
    апелля́ция
  2. 1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
    профессия
noun
1. een acute beschadiging van de hersenen die veroorzaakt wordt door een bloeduitstorting in de hersenen
инсу́льт
noun
1. een toestel dat rook produceert waarmee de imker zijn bijenvolk rustig kan houden
дымарь
noun
1. het betreuren van een eerdere kwalijke daad
покая́ние
/bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
  1. бериллий
  2. бери́ллий
/bɛs/
noun
1. kleine vrucht
ягода
adverb
1. vol met de neiging zich te verbergen voor anderen
застенчивый
verb
1. het toebrengen van schade
испо́ртить
/bə.ˈsxa.vɪŋ/, /bə.ˈsχa.vɪŋ/
noun
1. de complexe maatschappij waarin veel van de mensen in steden leven en hun voedsel door middel van landbouw verkrijgen
цивилизация
/bə'sxɛi(d)ə/
adjective
1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
скромный
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
защищать
noun
1. een heilige onder wiens bescherming een bepaalde persoon of groep staat
свято́й покрови́тель
/bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
защита
/bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
доступный
noun
1.e mogelijkheid om, indien nodig te kunnen beschikken over mensen, diensten of hulpmiddelen
наличие
adjective
1. onderhevig aan schimmelgroei
заплесневе́вший
/bəˈsxɪmələ(n)/
verb
1. aangevreten worden door schimmels
плесневеть
verb
1. in woorden uitdrukken
описать
/bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
описание
/bəˈsxʌldəgə/
verb
1. iemand de schuld geven van iets
обвинять
adjective
1.
обвини́тельный
/bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
обвине́ние
verb
1. het reëel bewust worden van iets
отдавать себе отчёт
verb
2. een paard van een hoefijzer voorzien
подко́вывать
noun
  1. 2. vloeibaar deeg
    кляр
  2. 1. confiscatie
    наложение ареста
/bə.ˈslɪ.sɪŋ/
noun
решение
verb
кра́сться за
adjective
1. niet in staat een besluit te nemen.
нереши́тельный
adjective
1. blootgesteld aan een ziektekiem of radioactief materiaal
заражённый
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
обрезать
/bəˈsnɛidənɪs/
noun
обреза́ние
adjective
1. uitermate vreemd
смехотворный
verb
1. een gesprek over een bepaald onderwerp voeren
обсуждать
/bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
обсуждение
pronoun
Бессарабия
verb
1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
существовать
adjective
1. bestand tegen
устойчивый
noun
  1. 3. een wapenstilstand
    перемирие
  2. 1. een verzameling van gegevens die een eenheid vormen
    файл
noun
1.
столовый прибор
verb
1. iemand iets wederrechtelijk ontnemen
украсть
verb
1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
заказывать
/bə.ˈstɛ.lɪŋ/
noun
1. een verzoek of opdracht om diensten of goederen te leveren
заказ
/bə.ˈstɛ.mɪŋ/
noun
1. het eindpunt van een route
[[ме́сто]] [[назначение|назначе́ния]]
noun
зоофили́я
/bəstɔrmə(n)/
verb
1. met een strijdmacht snel te voet een positie van de vijand trachten te overweldigen
штурмова́ть
verb
1. je er grondig in verdiepen
изучать
noun
опыление
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
  1. операционная система
  2. операцио́нка
/bəˈstyrdər/
noun
1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
водитель
noun
администрати́вное пра́во
noun
1.
заседа́ние правле́ния
adjective
1. niet te duur om te betalen
досту́пный
/bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
  1. платить
  2. заплатить
noun
1. iemand die betaalt
плате́льщик
/bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
  1. платёж
  2. опла́та
noun
платёжный бала́нс
verb
1. met de handen iemands lichaam op verschillende plaatsen aanraken
ла́пать
verb
1. ergens voor staan
значить
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
  1. смысл
  2. значение
/ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Бетельгейзе
/'beːtər/
adverb
лу́чше
noun
1. herstelde toestand
попра́виться
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
Бейт-Лахм
noun
  1. манифестант
  2. протестующий
adjective
серый бетон
noun
1. vader van een overgrootouder
прапрадед
verb
1. getuige worden van het feit dat iemand iets (verbodens) doet
застать врасплох
verb
1. gaan over, als onderwerp hebben
касаться
verb
1. leedwezen tonen over iets
горева́ть
/bətrørən'swardəx/
adjective
1. waard betreurd te worden
прискорбный
adjective
4. met wolken bedekt
  1. пасмурно
  2. пасмурный
noun
заме́шанность
noun
надёжность
/bə.ˈtraʊ̯.bar.hɛɪ̯ds.ˌɪn.tər.ˌvɑl/, /bə.ˈtrɔʊ̯β̞.bar.ɦɛːts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/, /bə.ˈtrʌʊ̯.bar.ɦɛɪ̯ts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/
noun
1. een statistische intervalschatting voor een parameter
довери́тельный интерва́л
/bɛtwetər/
noun
1. iemand die meent alles beter te weten dan anderen
умник
noun
1. boomsoort
бук
verb
1. ergens fors op slaan
колоти́ть
noun
2. vrucht van de beuk, Fagus sylvatica
[[бу́ковый]] [[оре́х]]
/bøːl/
noun
  1. 2. wreedaard
    1. жестокий человек
    2. чудовище
  2. 1. uitvoerder van lijfstraffen
    палач
noun
    1. 1. het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
    2. 2. een houder voor munten en biljetten
    биржа
  1. 4. bijeenkomst waar producenten van een bepaald vakgebied meest nieuwe producten tentoonspreiden
    вы́ставка
/bøːrt/
noun
1. gelegenheid of opdracht die bewust telkens aan een andere persoon uit en groep gegeven wordt
  1. очередь
  2. ход
adjective
1. breed, diep en stromingsarm genoeg om bevaren te worden
судохо́дный
adjective
1. -gewoonlijk vrouwelijke- schoonheid bezittend die bij anderen -gewoonlijk mannen- in de smaak valt
пригожий
verb
  1. 2. begrijpen
    1. постигать
    2. постичь
  2. 1. omvatten, in zich sluiten
    содержать
adjective
1. voorzien van vogelveren
перна́тый
verb
1. hard en heftig trillen
дрожа́ть
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
  1. бобр
  2. бобёр
noun
1. Myocastor coypus, een schadelijk knaagdier, leeft vooral in moerassige omgeving
нутрия
verb
1. zeggen dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
подтверждать
/bə.ˈvɛs.ti.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈvɛs.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛs.tə.χɪŋ/
noun
1. het bevestigen, het mededelen aan iemand dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
подтверждение
noun
1. aardbeving
тряска
adjective
компете́нтный
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
население
verb
1. een hogere rang verlenen aan iemand
повышать в должности
/bə'vrizə(n)/
verb
1. door afkoeling in vaste toestand komen
замерза́ть
verb
1. iemand of een bevolking van gevangenschap of onderdrukking verlossen
освобождать
noun
1. persoon die andere bevrijdt
освободитель
/bə.ˈvrɛɪ̯.dɪŋ/, /bə.ˈvrɛː.dɪŋ/
noun
1. het vrij maken van mensen die gevangen gehouden of onderdrukt worden
освобожде́ние
adjective
1. door afkoeling in vaste toestand gekomen; volledig met ijs bedekt
заморо́женный
verb
1. vuil maken; verontreinigen
вы́пачкать
noun
1. handeling waarbij men een goed van een ander ter bewaring aanneemt onder teruggaveverplichting
депози́т
verb
1. toezicht houden op de veiligheid van iets of iemand
охранять
noun
1. een persoon die toezicht houdt op de veiligheid van iets of iemand
вахта
/bə.ˈwa.kɪŋ/, /bə.ˈʋa.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞a.kɪŋ/
noun
наблюде́ние
/bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
1. iemand van wapens voorzien
вооружа́ть
/bə.ˈweː.ɣə(n)/, /bə.ˈʋe.χə(n)/, /bə.ˈβ̞e.ɣə(n)/
verb
1. van plaats veranderen
  1. двигать
  2. двигаться
/bə.ˈwe.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈʋe.χɪŋ/, /bə.ˈβ̞e.ɣɪŋ/
noun
  1. 1. in de staat verkeren waarin de locatie steeds verandert
  2. 2. van plaats/positie veranderen
  3. 3. een organisatie
движение
verb
1. iets met stelligheid verklaren waarvan het voor anderen niet duidelijk is of het waar is
утверждать
/bə'wɛrkə(n)/
verb
  1. 1. veranderen om iets voor een of ander doel geschikt te maken
  2. 4. iets met een mes anders maken
обраба́тывать
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
доказательство
verb
1. aantonen; staven
доказывать
/bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
о́блачный
noun
1. een persoon die iemand bewondert
поклонник
verb
1. bekijken met respect
восхищаться
adjective
1. wat het verdient bewonderd te worden
восхити́тельный
/bə.ˈwɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈʋɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔn.də.rɪŋ/
noun
1. het bekijken met enig ontzag
восхищение
noun
1. iemand die in of op iets woont
житель
/bə.ˈwo.nɪŋ/, /bə.ˈʋo.nɪŋ/, /bə.ˈβ̞o.nɪŋ/
noun
1. de permanente aanwezigheid van een bepaalde plaats
обита́ние
verb
обитаемый
/bə.ˈwoːr.dɪŋ/, /bə.ˈʋo̝ːr.dɪŋ/, /bə.ˈβ̞oːr.dɪŋ/
noun
1. een beschrijving in woorden
формули́рование
/[bəˈʋɵst]/
adjective
1. iets waarvan kennis is genomen
сознаю́щий
/bəw'ɤstəlos/
adverb
1. in een toestand waarin men het bewustzijn voor de omgeving is verloren
без созна́ния
noun
1. de staat van het bewusteloos zijn
беспамятство
/bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
сознание
abbreviation
1. de achterste mast van een zeilschip
биза́нь-ма́чта
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
  1. метла
  2. веник
adjective
1. gedomineerd door de aanwezigheid van...
за́нято
adjective
1. onder de invloed van een boze geest zijn
одержимый
verb
1. in gebruik nemen
завладе́ть
noun
1. iemand die bezet, meer in het bijzonder de bezetter van een overwonnen natie in oorlogstijd
оккупа́нт
/bə.ˈzɛ.tɪŋ/
noun
1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
оккупа́ция
adjective
1. interessant om naar te kijken
достопримеча́тельный
noun
1. een plaats die of een voorwerp dat door velen bezocht en bekeken wordt
достопримечательность
/bezəx/
adjective
1. aan het werken
де́ятельный
noun
2. het houden van een goed voor zichzelf
  1. владе́ние
  2. владение
/bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
иметь
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
владелец
noun
1. dat wat iemand in eigendom heeft, dat wat van iemand is
добро́
verb
2. vuil maken
марать
noun
  1. 2. de personen die op visite zijn of komen
    визит
  2. 1. het bezoeken
    посещение
/bəˈzukə(n)/
verb
1. bij iemand langsgaan of langskomen
посещать
noun
1. een persoon die iemand of iets bezoekt
посетитель
adjective
1. bijzonder dronken
пьяный
adjective
1. met zorgen beladen
беспокоиться
noun
1. moeilijkheid, bedenking
возраже́ние
adjective
1. met zweet op de huid
вспоте́вший
verb
1. zwichten
умирать
verb
1. tot een afsluiting brengen
  1. заканчивать
  2. закончить
pronoun
1.
  1. Беэ́р-Ше́ва
  2. Бе­ер­ше­ба
  3. Беэр-Шева
/bəˈɪnvludə(n)/
verb
1. iemand of iets proberen te veranderen, invloed nemen op
влия́ть
/bu.ˈtan/, /bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
  1. Бутан
  2. Бута́н
pronoun
Биафра
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
биатлон
verb
1. hevig trillen van kou of angst
ёжиться
noun
1.
передви́жная библиоте́ка
/ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
библиотекарь
/bib(l)ijo'tek/
noun
1. een plaats waar boeken verzameld staan
библиотека
noun
  1. 1. tweehoofdige spier
  2. 1.2 spier in de bovenarm
би́цепс
verb
1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
  1. молиться
  2. моли́ться
noun
1. soort van aan de muur bevestigde kom of bak voor het met behulp van water reinigen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet, of om de voeten te wassen
биде
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Mantodea
богомол
noun
1. de erkenning van zonden aan een geestelijke
исповедь
verb
1. ten overstaan van een geestelijke bekennen welke religeuze wetten men overtreden heeft
исповедать
noun
1. de verplichting om datgene wat de priester tijdens de biecht verneemt geheim te houden
тайна исповеди
noun
1. een meubelstuk dat bedoeld is voor het aanhoren en afleggen van de biecht
исповеда́льня
noun
1. een priester die biechten afneemt
испове́дник
noun
1. een periode in de geschiedenis van Noordwest-Europa en met name de Duitse Bond in de periode van het Congres van Wenen van 1815 tot 1848 die onder meer werd gekenmerkt door zelfvoldaanheid en eenvoud en elegantie in de bouwstijl
Бидермейер
noun
1. dunne lap vlees van de bovenbil van een rund
стейк
pronoun
1.
Билефельд
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
  1. пиво
  2. пи́во
noun
1. vette buik
пивно́й живо́т
noun
Пивоваренные дрожжи
/bis/
noun
2. een dun en hooggroeiend oevergewas
камыш
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
  1. лук скорода
  2. ре́занец
noun
  1. свёкла
  2. мангольд
  3. свекла красная
  4. свекла столовая
noun
бифобия
/bɪx/, /bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
поросёнок
pronoun
большой брат
/bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
пчела
noun
1. (de heilige tekst van) het heilige boek der christenen
Библия
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
  1. библия
  2. би́блия
verb
1. een aandeel leveren
[[вноси́ть]] вклад
/bɛi'embrɛŋə(n)/
verb
1. bij elkaar brengen
  1. собирать
  2. собрать
noun
1. benaming voor veelkleurige en insectenetende vogels die...
  1. щурка
  2. пчелоедка
noun
1. kunstmatige behuizing waarbinnen een bijenvolk zijn raten kan bouwen, oorspronkelijk in de vorm van een gevlochten korf
улей
/ˈbɛː.jə(n)ˌteɫt/
noun
1. het houden van bijen
пчеловодство
/ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
суеверие
adjective
1. iemand die gelooft in bijgeloof
суеве́рный
/bɛɪˈkɑns/
adverb
почти
/bɛɪ̯l/, /bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
топор
noun
  1. 2. een bestand dat bij een e-mail is meegezonden
  2. 1. geschrift ter aanvulling
приложение
verb
  1. 1. toevoegen
  2. 2. meningsverschil of ruzie oplossen.
разрешать
/'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
почти
abbreviation
1.
околосме́ртные пережива́ния
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
  1. прозвище
  2. кличка
  3. псевдоним
noun
надпо́чечник
/ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
  1. кусать
  2. куса́ть
/bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
  1. прилагательное
  2. имя прилагательное
noun
1. Artemisia vulgaris, een plant uit de composietenfamilie Asteraceae
чернобыль
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
  1. например
  2. наприме́р
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
  1. наречие
  2. наре́чие
adjective
1. alleen van dichtbij scherp kunnen zien
близорукий
/bɛizɪn/
noun
1. een deel van een uiting dat een ondergeschikte rol speelt ten opzichte van de hoofdzin
прида́точное предложе́ние
noun
1. tweedelige zwemkleding voor de vrouw
бикини
noun
1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
ягодица
adjective
1. aan twee kanten, in twee richtingen (buitenkanten)
двусторо́нний
noun
1. spel
бильярды
noun
1. gladde, massieve en vrijwel perfect bolvormige bal gebruikt in het biljartspel
шар
noun
1. een stuk van staatswege uitgegeven papier waaraan geldswaarde is toegekend
банкнота
cardinalNumeral
1. 1.000.000.000.000
триллио́н
noun
Биллон
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
белена́
adjective
бинарный
verb
1. vastmaken (evt. figuurlijk)
вяза́ть
noun
связь
noun
[[связующий|связу́ющее]] [[вещество́]]
noun
1. en 2. (bladeren van) sla met een stevige rechte krop
римский салат
/ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
соедини́тельная ткань
interjection
1. een uitroep gebruikt door spelers van bingo om aanspraak te maken op een overwinning
би́нго
noun
1. kansspel
би́нго
preposition
внутри́
/ˈbɪnənˌbɑnt/
noun
1. binnenste band, de band waarin de lucht aanwezig is
камера
verb
1. ergens in gaan
входить
noun
binnenoor
вну́треннее у́хо
/ˈbɪnə(n)ˌstɑt/
noun
1. een, meestal oud, stadscentrum
центр города
noun
внутренний карман
adjective
1. voor twee ogen
бинокулярный
adjective
1.
биоразлагаемый
noun
1. een wetenschapper die de biochemie beoefent
биохимик
/'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
  1. биохимия
  2. биохи́мия
adjective
1. met betrekking tot de chemische omzetting van stoffen in levende wezens
биохими́ческий
noun
1.
биоди́зель
/ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
биоразнообразие
noun
1. levensbeschrijver
био́граф
noun
биография
adjective
биографи́ческий
/ˌbiʲoloˈɣi/, /ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
  1. биология
  2. биоло́гия
/ˌbijo'loːɣis/
adjective
    1. 1. te maken hebbend met de biologie
    2. 3. van dier en plantvriendelijke landbouw en veeteeld
    биологический
  1. 2. van gelijke afstamming
    1. биологический
    2. кровный
    3. родной
/ˌbioˈlox/, /ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
биолог
noun
биома́сса
noun
2. verzameling technieken gericht op het meten en vaststellen van alle meetbare eigenschappen van levende wezens
биометрия
noun
бионика
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
кино
noun
биосфе́ра
noun
1. een gebied met een uniform landschapstype waarin bepaalde organismen kunnen gedijen
биотоп
pronoun
1. een taal die in Myanmar gesproken wordt, een minderheidstaal in Bangladesh, Maleisië en Thailand is...
бирманский
/ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
епископство
noun
бисексуа́льность
/bisɛksye:l/
adjective
1. seksueel gericht op beide geslachten
бисексуальный
pronoun
1. streek en provincie van Spanje rond de stad Bilbao
Бискайя
pronoun
1. de taal die naast Engels en Frans in de staat Vanuatu wordt gesproken
бислама
noun
висмут
/bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
  1. епископ
  2. епи́скоп
adjective
1. op het ambt van bisschop betrekking hebbend
епископский
/bɪt/
abbreviation
1. in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
бит
/bɪt/
noun
1. een metalen staaf die een paard in de bek gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken.
бит
pronoun
1.
Битбург
noun
биткойн
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
горький
/ˈbɪtərkrœʏt/
noun
1. naam voor planten uit het geslacht Picris
горлю́ха
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in schoon stilstaand of langzaam stromend water Rhodeus amarus
  1. амурский обыкновенный горчак
  2. горчак
/ˈbivɑk/
noun
1. kampement voor een leger of expeditie
бивак
adjective
неесте́ственный
noun
1. Noord-Amerikaans zoogdier, Bison bison
бизон
noun
1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
пузырь
noun
1. een luchtzak die samengedrukt kan worden om een sterke luchtstroom te veroorzaken
мех
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
духово́й инструме́нт
noun
  1. 1. plat, groen onderdeel van planten
  2. 2. vel papier
лист
noun
1. een deegsoort die in rechthoekige plakken wordt gebruikt
слойка
noun
1. een dun folie van goud dat wordt gebruikt voor decoratieve doeleinden
сусальное золото
/ˈblɑdɣrunˌkɔrəl/
noun
1
хлоропла́ст
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
тля
noun
1. vlindersoort
листовёртка
noun
черешо́к
noun
  1. 1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
  2. 2. bewaarde hyperlink
бу́кмарк
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
лаять
verb
1. het gedurende zeer korte tijd in kokend water gaar laten worden van voedingsmiddelen, zodat geur, smaak en uiterlijk optimaal behouden blijven
бланширова́ть
/blɑŋk/
adjective
1. met lichte huidskleur
бе́лый
noun
1. iemand met een van nature bleke (pigmentarme) huid
бе́лая
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Rutilus rutilus
  1. плотва
  2. вобла
  3. plotva obyknovennaya
/ˈblatə(n)/
verb
het geluid van een schaap maken
блеять
/blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
  1. синий
  2. голубой
/blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
  1. синий
  2. голубой
noun
голубая ленточница
pronoun
Си́няя Борода́
noun
1. bepaald soort visje van maximaal 11 cm dat van oorsprong uit Azië komt, Pseudorasbora parva
  1. Amurskiy chebachok
  2. амурский чебачок
noun
1. bepaald soort lijsterachtige, Luscinia svecica
варакушка
/blɑudrʏk/
noun
1. een directe fotografische kopie in witte lijnen op een achtergrond van Pruisisch blauw
светоко́пия
noun
1. Vaccinium corymbosum, een plant uit de heifamilie Ericaceae
Голубика высокорослая
noun
1. bepaald soort vaste plant, Vaccinium myrtillus
черника
noun
1.
плосконожка обыкновенная
noun
1. witte kraaiachtige met lavendelblauw verenkleed op de rug en kop Cyanocitta cristata
голубая сойка
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
серая цапля
noun
1. Balaenoptera musculus, een baleinwalvis, de grootste van alle walvisachtige
синий кит
noun
1. bepaald soort vaste plant, Eryngium maritimum
синеголо́вник примо́рский
/ˈblɑuɣrɛis/
adjective
сизый
/ˈblɑuɣrun/
adjective
зелено – голубая
/ˈblʌʊəχ/, /ˈblʌːβ̞əx/
adjective
2. op blauw lijkend
  1. голубоватый
  2. синеватый
adjective
лилово - голубая
noun
1. bepaald soort karperachtige riviervis Vimba vimba
  1. рыбец
  2. сырть
  3. syrt'
  4. вимба
adjective
1. met blauwe ogen
голубогла́зый
noun
катара́льная лихора́дка
noun
синильная кислота
noun
1.
фиолетовый шмель-плотник
/'bla.zə(n)/, /'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
дуть
adjective
1. gering van kleur
бледный
adjective
разбавленный коричневый
noun
1.
бле́дность
noun
белильная известь
noun
1. ontsteking van een ooglid
блефари́т
verb
1. witter of lichter doen worden
белеть
/blɛi̯/
adjective
радостный
noun
1. een aangename stemming
радость
noun
1. opvanghuizen voor vrouwen, kinderen en tegenwoordig ook mannen die slachtoffer zijn van of bedreigd...
[[прию́т]] для [[женщина|же́нщин]]
verb
ви́деться
noun
1. een toneelstuk, film of boek dat het doel heeft het publiek te vermaken en aan het lachen te maken
коме́дия
/blɛ.və(n)/
verb
  1. 3. ergens vertoeven
    оста́ться
  2. 1. niet veranderen
    оставаться
noun
  1. 1.1 vertind dun plaatstaal
    жесть
  2. 2.1 cilindervormig luchtdicht afgesloten vaatje van dun metaal
    жестянка
noun
консервный нож
/blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
молния
noun
1. een metalen stang of constructie die de bliksem aantrekt en naar de grond afvoert.
громоотвод
adjective
1. niet in staat te zien
слепой
noun
1.
[[свида́ние]] [[вслепу́ю]]
noun
1. over de ogen gebonden reep ondoorzichtige stof om het zien te verhinderen
[[повя́зка]] на [[глаз|глаза́]]
noun
1. iemand die niet kan zien
слепец
/'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
слепота
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
  1. кровь
  2. ю́шка
noun
анемия
noun
1. het gesloten systeem van hart en vaten waardoor bloed stroomt
кровото́к
noun
банк кро́ви
/'bludbrudər/
noun
1.
на́званый брат
noun
гематоци́т
noun
  1. 2. afgestaan bloed
    донорская кровь
  2. 1. daad
    донорство
adjective
1. vooral van de ogen dat er bloedvaatjes op het oogwit te zien zijn (door huilen, ouderdom of ontsteking)
[[нали́тый]] [[кровь|кро́вью]]
noun
артериа́льное давле́ние
verb
1. het vloeien van bloed
кровоточить
noun
группа крови
adjective
1. bijzonder warm, met name van weersgesteldheid.
знойный
noun
1. Brits hondenras met grote kop, lange hangende oren en een lange staart
ище́йка
noun
кровотече́ние
noun
ана́лиз кро́ви
noun
1. de vloeistof van het bloed waar geen bloedlichaampjes meer in zitten maar nog wel stollingseiwitten
плазма крови
adjective
1. rood als de kleur van bloed
а́лый
noun
Сыворотка крови
noun
кровообращение
noun
сахар в крови
noun
гемотрансфу́зия
noun
1. bloeduitstorting in de huid
гематома
noun
1. een bloedader
кровеносный сосуд
noun
vergiftiging door ziekteverwekkende bacteriën in het bloed
зараже́ние кро́ви
noun
1. het genetisch aan elkaar verwant zijn
[[кровный|кро́вное]] [[родство́]]
/'blutʋɔrst/
noun
1. vleeswaar vervaardigd van het bloed en het vet van een varken
кровяная колбаса
noun
кровная месть
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
пиявка
verb
  1. 1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen
  2. 2. het bijzonder goed maken
цвести
noun
1. een deel van plant met zaden
  1. цветок
  2. цвето́к
noun
1. een tuin met veel bloemen
цветни́к
pronoun
1.
Блу́мфонте́йн
noun
1. bloemenverkoper
цветочник
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
  1. цветная капуста
  2. цветна́я капу́ста
noun
антоло́гия
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
горшо́к
noun
горшок
noun
1. kledingstuk
блузка
/blusəm/
verb
1. het bloemengeheel van een vruchtboom
процветание
noun
1.
бло́ггер
noun
  1. 1. een vaak hoekig massief stuk materiaal
  2. 3. een onderdeel van een fluit
блок
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
реко́рдер
noun
блока́да
/ˈblɔkə(n)/
verb
1. heel hard studeren
зубарить
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
рубанок
/blɔnd/, /blɔnt/
adjective
1.
белокурый
/blɔnˈdiːnə/
noun
1. blond meisje, blonde vrouw
блондинка
noun
1. cocktail van wodka en tomatensap
Крова́вая Мэ́ри
adverb
го́лый
verb
1.in aanraking doen komen met
де́лать вы́держку
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
  1. краснеть
  2. покраснеть
  3. почервоніти
/blʏf/
noun
1. poging tot intimidatie
блеф
noun
1.
пожарное судно
verb
1. het doven van een brand
гасить
/blɵt/
adjective
1. geen geld meer hebbend
безде́нежный
verb
ушиби́ть
verb
  1. 2. blaten
    блеять
  2. 1. heel hard huilen
    орать
noun
1. zeer grote wurgslang
боа
verb
1. een sport waarbij een bochtig ijsparcours wordt afgelegd in een bestuurbare slee
бобслей
noun
  1. 2. een brede baai aan de kustlijn
    1. залив
    2. бухта
  2. 1. gebogen weg of pad
    1. изгиб
    2. кривая
    3. поворот
pronoun
1.
Бохум
noun
предложе́ние
/ˈbodəmˌkʏndə/
noun
почвоведение
interjection
бу
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Будапешт
pronoun
Бу́дда
noun
1. volger van de leer van Boeddha
буддист
noun
1. de voorkant van een schip
нос
noun
1. een beeld dat ter versiering aangebracht werd op de voorsteven van een schip
гальюн
pronoun
бугинский
adjective
1. niet in evenwicht door een verkeerde ladingsverdeling dusdanig dat schip aan de boeg te diep ligt
с дифферентом на нос
verb
1. voortslepen door een of meer (andere) schepen
буксировать
noun
1. uitstekend rondhout aan de voorsteven van een zeilschip
  1. Бушприт
  2. бушприт
noun
1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
буй
/bujə(n)/
verb
1. kluisteren
кандалы́
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
книга
noun
Буканьеры
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Бухарест
noun
переплётчик
/ˈbuɡdel/
noun
1. drukwerk dat zoveel bladzijden heeft dat het in aparte band kan worden gebonden, maar waarvan de inhoud onderdeel is van een groter werk
волю́м
/ˈbukən/
verb
1. reserveren van bijvoorbeeld een hotelkamer
  1. забронировать
  2. zabronírovat’
/ˈbu.kə.ˌkɑs/, /ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
книжный шкаф
noun
1. hulpmiddel dat ervoor zorgt dat boeken rechtop blijven staan op een niet geheel gevulde boekenplank
[[подпо́рка]] для книг
noun
1. iemand die de inkomsten en uitgaven van een organisatie bijhoudt
бухгалтер
noun
bijhouden van gegevens
бухгалтерия
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van boek
книжечка
noun
кни́жка
noun
1. en 2. (gepelde zaden van) plant Fagopyrum esculentum
  1. греча
  2. ядрица
noun
fijn gemalen zaden van boekweit
мука гречневая
/ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
книжный магазин
/bumɑn/
noun
1. een denkbeeldig wezen dat als schrikbeeld dient
бабай
noun
1. een gebogen werpstok die de neiging heeft terug te keren naar de werper
бумера́нг
/buːr/
noun
4. speelkaart
валет
noun
2. een onderneming van een boer
ферма
/buːrən/
verb
3. een boer laten
рыгать
/burə'kol/
noun
1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
  1. кале
  2. кудрявая капуста
noun
1. de klasse van de boeren
крестья́нство
noun
1. bepaald soort samengesteldbloemige plant Tanacetum vulgare
Пижма обыкновенная
/ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
деревенская ласточка
noun
1. het gehele lichaam, inclusief gezicht en ogen, verhullend gewaad gedragen door (streng) islamitische vrouwen
  1. Паранджа
  2. паранджа
noun
Буркини
noun
1.
бурну́с
noun
искупление
noun
бути́к
noun
1.
грудь
/bɔf/
noun
2. ziekte
  1. свинка
  2. заушница
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
Богемия
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
борий
noun
боярин
noun
1. mannelijke geit
козёл
pronoun
1. meest gebruikte schrijfwijze van het Noors
бу́кмол
noun
1. een gevechtswapen bestaande uit een stuk ijzer dat men gebruikt om mee te slaan
касте́т
noun
1. een tactische vechtsport
бокс
noun
1. handschoen gedragen tijdens het boksen
боксёрская перчатка
noun
straalvinnige vis (Boops boops) uit de familie van zeebrasems
  1. большеглазый боопс
  2. бопс
  3. полосатик
noun
1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
сфера
noun
1. een helder oplichtend bolvormig object met een diameter van maximaal 40 centimeter, dat soms waargenomen wordt in de buurt van een blikseminslag en dan gedurende meerdere seconden zichtbaar is
шарова́я мо́лния
noun
1. bolder
прикол
noun
1. Agrostemma githago
куколь
noun
1. een vierwielige ongemotoriseerde bak die wordt voortgetrokken aan een hendel vooraan
де́тская коля́ска
noun
1. hoed
котелок
/boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
Боливия
pronoun
1. een stad in Italië
Болонья
noun
1. lid van een factie van de marxistische Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (RSDAP) die zich ...
большеви́к
noun
большеви́зм
/bɔm/
noun
1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
  1. бомба
  2. бо́мба
noun
1. auto geladen met explosieven gebruikt als wapen bij terroristische aanslagen
автомоби́ль-бо́мба
noun
1. beschieting met bommen, het werpen van bommen
бомбардиро́вка
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
бомбардировать
noun
1. een militair vliegtuig dat is ontworpen voor het werpen van bommen op gronddoelen
бомбардировщик
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
  1. Бонайре
  2. Бонэйр
adjective
  1. краткий
  2. лаконичный
  3. сжатый
pronoun
1.
Бундестаг
noun
сатуре́я
pronoun
1.
Бонн
/bɔnt/
adjective
1. met veel verschillende felle kleuren
пёстрый
/bɔnt/
noun
мех
noun
1. soort dagvlinder, Pararge aegeria
краегла́зка эге́рия
noun
шу́ба
noun
1. overgebracht bericht
известие
noun
  1. 3. deel van bouwwerk
    дуга
  2. 1. wapen
    1. лук
    2. дуга
noun
а́рочный мост
noun
1. een sport waarbij pijlen worden weggeschoten naar een doel met behulp van een boog
стрельба́ из лу́ка
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
Стрелец
noun
1. iemand die schiet met een boog
лучник
noun
1. meerjarige plant met houten stam
дерево
noun
1. een stuk grond met vruchtbomen
сад
/ˈbom.ɣrɛns/, /ˈbom.χrɛns/
noun
1. een grens waarboven geen bomen meer groeien
граница леса
noun
эрика древовидная
noun
1. Hyla arborea, klein kikkertje dat zich in bomen en heesters kan begeven
квакша
/ˈbom.leː.β̞əˌrɪk/, /ˈbom.lɪː.β̞əˌrɪk/
noun
1. een vogelsoort die inheems is in Nederland en België
лесно́й жа́воронок
/ˈbom.mɑr.tər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes martes
куница лесная
/ˈbom.pi.pər/
noun
1. een vogelsoort die inheems is vrijwel geheel europa
лесна́я шеври́ца
/'bomslɑŋ/
noun
2. bepaald landdier zonder poten Dispholidus typus
бумсла́нг
noun
1. een rechtop gaande houten schacht van een boom
ствол
noun
1. kleine sierlijke valk, familie van de torenvalk, Falco subbuteo
чеглок
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
  1. фасоль
  2. боб
noun
B. chemisch element en een zwart metalloïde
бор
/ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
дрель
/boʊs/, /boːs/
adjective
1. kwaad, woedend
злой
/boʊt/, /boːt/
noun
1. klein vaartuig
лодка
noun
1. een rang gelijk aan sergeant bij de marine en de hoogste onderofficier bij de koopvaardij
боцман
noun
бура
/bɔRd/, /bɔrt/
noun
  1. 2. Vlak voorwerp aan een muur
    доска
  2. [1] Schijfvormig voorwerp
    тарелка
adjective
бордово - фиолетовый
noun
настольная игра
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
вы́шить
noun
1. iets wat men geborduurd heeft op aan het borduren is
вы́шивка
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
сверлить
noun
1. iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag
поручитель
noun
  1. 2.
    зало́г
  2. 1. overeenkomst waarbij een borg zich garant stelt
    поручи́тельство
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
бор
pronoun
1.
Боркум
pronoun
Борне́о
noun
1. drankje
водка
noun
2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
  1. грудь
  2. сиська
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
грудина
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
  1. щётка
  2. кисть
noun
1. is een vorm van kanker die uitgaat van het melkklierweefsel in de borst, meestal (maar niet altijd) bij vrouwen
рак молочной железы
noun
1. geraamte van de borst
грудная клетка
noun
1. ingreep waarbij de vrouwenborst operatief wordt vergroot
увеличе́ние груди́
noun
1.
грудной плавник
noun
[[грудной|грудно́е]] [[вска́рмливание]]
noun
1. een groep bomen
лес
noun
земляника
noun
ветреница дубравная
noun
  1. 1. en 3. plant, en bessen, uit geslacht Vaccinium
    1. Вакци́ниум
    2. Ягодник
  2. 2. plant Vaccinium myrtillus
    1. Черника
    2. Черника обыкновенная
/ˈbɔsbɑuw/
noun
1. het systematisch bosbeheer (teelt en verzorging van bossen) voor de productie van hout
лесоводство
noun
1. brand van of in een bos
лесной пожар
noun
1.
вя́хирь
noun
1. bepaald soort knaagdier, Apodemus sylvaticus
полевая мышь
/ˈbɔsnis/, /ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
боса́нский
/ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
Босния и Герцеговина
pronoun
1. zeestraat tussen de Zee van Marmara en de Zwarte Zee
Босфор
noun
болотная камышовка
noun
босано́ва
noun
1. jonge, onvolgroeide geboste ui met blad
лук зелёный
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
нея́сыть
noun
1. een beheerder van een boswachterij
лесник
noun
1. bepaald soort loofboom Salix caprea
Ива козья
adjective
1. stomp
тупой
noun
3. onderdeel van het skelet
кость
adjective
ботанический
/ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
  1. масло
  2. ма́сло
noun
1. een aantal planten uit het geslacht Ranunculus behorende tot de familie Ranunculaceae
лю́тик
noun
  1. 2. een belegde snee brood
    бутерброд
  2. 1. een snee brood
    ломоть
noun
1. CH₃(CH₂)₂COOH
масляная кислота
pronoun
1.
Ботнический зали́в
/ˈbɔt.sə(n)/
verb
  1. 1. met een flinke snelheid tegen elkaar aankomen
  2. 2. in een conflict of ruzie geraken
врезаться
/ˈbɔt.sɪŋ/
noun
  1. 1. het botsen
  2. 2. een conflict of ruzie
столкновение
/bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /bɔts.ˈʋa.na/, /bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
Ботсвана
pronoun
1.
Ботроп
/ˈbʌʊdəˌʋɛɪn/, /ˈbʌːdəˌβ̞ɛːn/
pronoun
1. een jongensnaam
Балдуин
adverb
1. zelfverzekerd, gedurfd
до́блестно
noun
1. het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
свеча зажигания
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
бульо́н
noun
psychologische toestand waarin een persoon terugkerende eetbuien heeft
булимия
noun
буке́т
noun
букет гарни
adjective
1. op Bourgondië betrekking hebbend
бургу́ндский
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Бургундия
noun
2. stuk vlees, meestal een poot
кострец
/ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
  1. строить
  2. постро́ить
noun
строитель
noun
разрешение на строительство
/ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
  1. наверху
  2. вверху
/bovənˈdin/
adverb
1. op de koop toe, daarenboven
в дополнение
noun
1. een hooggeplaatst raam, boven een deur of in het dak
фо́рточка
adjective
1. behorende tot een orde van dingen die buiten het menselijke ligt
сверхъестественный
adjective
1.
верхний
noun
1. een sport waarbij de speler door middel van een bowlingbal moet proberen om alle tien de pins omver te gooien
боулинг
noun
бойкот
verb
1. iemand uitsluiten, niet meer willen werken voor, leveren aan of kopen bij
бойкоти́ровать
noun
погадка
noun
1.
рво́тное
noun
1. struik & 2. vrucht
ежевика
verb
1. slecht en onduidelijk praten met name van baby's
бормота́ть
pronoun
1.
Бракенхайм
verb
1. vlees bereiden door het in vet te verhitten
жарить
noun
а́збука Бра́йля
verb
  1. 1. genuttigd voedselwaar ongewild door de mond naar buiten brengen
  2. 2. vlas of hennep breken
рвать
/ˈbrɑnd/, /ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
  1. пожар
  2. пожа́р
verb
1. verteerd worden door vuur
записать
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
Бранденбург
noun
1. een soort sterke drank
бре́нди
noun
1. hout dat gebruikt wordt om te verbranden
дрова́
/ˈbrɑntkran/
noun
1. aansluitpunt voor een brandslang aan het waterleidingnet
водоразборный кран
verb
1. (vee) merken door het inbranden van een teken
заклейми́ть
noun
2-3. een harige plant die bij aanraking een brandend gevoel en zwelling veroorzaakt
крапива
noun
[[наво́дка]] на [[ре́зкость]]
noun
1. een grote slang met een metalen eindstuk, bedoeld voor het spuiten van bluswater
брандспойт
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
поджига́тель
noun
поджог
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
  1. топливо
  2. горю́чее
noun
een elektrochemisch toestel
то́пливный элемент
noun
пожа́рная кома́нда
noun
пожа́рная ста́нция
noun
1. lid van de brandweer
пожарник
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
лещ
noun
1. Portugees zoals dat in Brazilië gesproken en geschreven wordt
брази́льский португа́льский
/braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
  1. Бразилия
  2. Брази́лия
adjective
в ширину́
/ˈbred.bɑnd/, /ˈbred.bɑnt/
noun
1. een internetverbinding met een hoog debiet
бро́дбэнд
adjective
1. breed van borst en schouders, breedgebouwd
плечи́стый
noun
1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
ширина
noun
1. cirkel van gelijke geografische breedten
широта
noun
1. stevige metalen stang, meestal voorzien van een gespleten einde, de koevoet, gebruikt om zaken open te breken.
гвоздодёр
verb
1.
затыкать
/ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
вязать
/brɛi̯n/
noun
1. orgaan
мозг
/ˈbrɛɪ̯nald/, /ˈbrɛɪ̯naɫt/, /ˈbrɛːnalt/
noun
1. een naald die gebruikt kan worden bij het breien
вяза́льная спи́ца
verb
  1. 1. in stukken uiteenvallen
  2. 5. in stukken uiteen doen vallen
ломать
noun
Показатель преломления
pronoun
Бремен
pronoun
1.
Бремерхафен
adjective
ракитово - желтый
/ˈbrɛŋ.ə(n)/
verb
1. ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
привезти́
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
Бретань
noun
1. broekophouder
подтяжка
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
  1. Бретонский
  2. бретонский
noun
1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
дробь
noun
  1. 1. het diakritisch teken (met ronde vorm) dat een korte klinker weergeeft
  2. 2. pauselijke brief
бреве
noun
бревиа́рий
noun
1. mogelijk vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie
бре́кзит
noun
  1. 1. een spel gespeeld door vier spelers, verdeeld in twee paren en gespeeld in dertien slagen
  2. 2. de kam van een elektrische gitaar
бридж
noun
1. zachte Franse schimmelkaas
бри
noun
1. verzonden geschreven boodschap
  1. письмо
  2. письмо́
noun
1. tekst bovenaan een brief met gegevens van de afzender en de geadresseerde en de datum van verzending
фи́рменный бланк
noun
1. een korte brief in de vorm van een kaart
открытка
noun
1. een doorgaans sierlijk mesje dat men gebruikt om briefomslagen met te openen
[[разрезно́й]] [[но́жик]]
/bris/
noun
1. zachte frisse wind
  1. бриз
  2. ветерок
noun
почтовый ящик
noun
бриганти́на
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
очки
/ˈbrɪl.beːr/, /ˈbrɪɫ.beːr/, /ˈbrɪɫ.bɪːr/
noun
1. een beer met grote cirkels rond de ogen, als een bril
Очковый медведь
noun
1. Bucephala clangula, een vogel uit de familie Anatidae
обыкновенный гоголь
adjective
1. buitengewoon slim
бриллиа́нт
noun
1. slijpvorm voor onder andere diamant
бриллиа́нт
adjective
люминисцентно - красный
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat Queensland
Бри́сбен
noun
брита́нец
/brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
британский
pronoun
Брита́нские Вирги́нские о́строва
pronoun
Брита́ния
/ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
брокколи
noun
брошюра
noun
1. iets wat heel slecht en heel onkundig is gemaakt
халтура
/'bru.də(n)/
verb
1. een gelegd ei met lichaamswarmte warm houden
высишивать
adjective
бра́тский
noun
1. moord van de ene broer op een andere broer, ook figuurlijk gebruikt
братоуби́йство
noun
  1. 1. kerkelijk goedgekeurde vereniging
  2. 2. vereniging van beroepsgenoten
  3. 1. vriendschappelijke betrekking als tussen broers
бра́тство
noun
выводок
noun
1. bouwsel met glazen wanden voor het opkweken van gewassen
сжимать
noun
парнико́вый эффе́кт
noun
парнико́вый газ
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
  1. брюки
  2. штаны
noun
штани́на
/bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
брат
noun
1. zijdeweefsel met ingeweven, meestal grote figuren, vaak met goud- of zilverdraad doorweven
парча́
noun
бром
noun
  1. 1. daar waar men informatie vandaan haalt
  2. 2. begin van een waterloop
  1. источник
  2. ключ
adjective
1. met betrekking tot de luchtpijp-takken
бронхиальный
noun
1. ontsteking van de luchtpijptak
бронхит
noun
  1. Бронза
  2. бронза
noun
paartijd
[[половой|полова́я]] [[охо́та]]
adjective
1.van brons gemaakt
бро́нзовый
verb
1.
бро́нзовый
/broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
хлеб
noun
2. klein brood, vaak versierd, belegd of in een speciale vorm, voor één persoon
булка
noun
кро́шка
noun
тостер
noun
1. vrucht van de broodboom Artocarpus altilis
плод хлебного дерева
noun
бром
adjective
1.
хрупкий
verb
1. (bier) brouwen
вари́ть
noun
1. iemand die bier maakt om te verhandelen
пивовар
/brɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
[[пивова́ренный]] [[заво́д]]
noun
1.
бра́уни
/brʏx/, /brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
мост
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
Брюгге
noun
плацда́рм
/brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
невеста
noun
1. man die in het huwelijk treedt
жених
noun
1. jurk gedragen door een bruid
  1. подвенечное платье
  2. свадебное платье
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
приданое
noun
1. kosteloze lening voor tijdelijk gebruik onder voorwaarde van teruggave
ссуда имущества
noun
1. huwelijks-, trouwfeest
свадьба
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
коричневый
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
коричневый
noun
Maniola jurtina, een dagvlinder uit de Satyrinae
ба́рхатница волоо́кая
adjective
кремово - коричневый
/ˌbrœʏnəˈbeːr/
noun
1. Ursus arctos, een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt.
бурый медведь
noun
1. hemellichaam met een massa tussen die van een gasreus en een ster, onvoldoende voor kernfusie tussen protonen
кори́чневый ка́рлик
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis Ameiurus nebulosus
американский сомик
noun
1. bepaald soort roofvogel, Circus aeruginosus
бололотный лунь
noun
1.
плоскобрю́х ры́жий
/ˈbrœyŋɣrɛis/
adjective
серо коричневая
adjective
зелено – коричневая
noun
1. lid van de SA in Nazi-Duitsland
коричневоруба́шечник
/ˈbrœʏnəχ/, /ˈbrœːnəx/, /ˈbrœːnɪx/
adjective
2. op bruin lijkend
  1. буроватый
  2. коричневатый
noun
бурый уголь
adjective
1. brood van tarwemeel dat nog zemelen bevat
красная бургундская
/ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
морская свинья
noun
Amerikaanse apen die een brullend lawaai kunnen produceren
реву́н
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Брунико
/bry.ˈnɛɪ̯/, /bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
  1. Бруней Дарассалам
  2. Бруней
noun
1. een vrouw met (donker)bruin (of zwart) haar en soms ook met een donkere gelaatstint
шате́н
pronoun
Брауншвейг
/brʏs/
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders (zonder de connotatie met zorg)
брат и сестра
pronoun
1. de hoofdstad van België
  1. Брюссель
  2. Брюссе́ль
noun
1. inwoner van Brussel
брюсселец
adjective
брюссельский
noun
1. vrouwelijke inwoner van Brussel
брюсселька
adjective
  1. 3. vrijpostig
    беззасте́нчивый
  2. 2.
    вызыва́ющий
noun
валовой внутренний продукт
adjective
1. nietsontziend en gewelddadig
брута́льный
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
НДС
/'bɵfəl/
noun
1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
буйвол
noun
3. tijdelijk geheugen in rekenmachines...
бу́фер
noun
1. een gebied dat op een of andere manier als buffer dient
буферная зона
/ˈby.χəɫ/, /ˈbyː.ɣəl/
noun
1. een koperen blaaasinstrument.
флюгельго́рн
noun
1. zoogdier dat het jong in een buidel draagt
су́мчатый
/bœʏ̯χə(n)/, /bœːɣə(n)/
verb
  1. 2. krom worden
    1. гну́ться
    2. изгиба́ться
  2. 1. krom maken
    1. гнуть
    2. сгиба́ть
    3. изгибать
  3. 3. een buiging maken, zich buigen
    1. кла́няться
    2. поклони́ться
noun
1. nijging als beleefde groet
покло́н
noun
1. spier die zorgt dat het tussenliggende gewricht buigt
сгиба́тель
noun
1.
трубогиб
adjective
ги́бкий
/bœʏ̯k/, /bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
  1. брюхо
  2. живот
/ˈbœʏ̯k.pɛɪ̯n/, /ˈbœːk.pɛɪ̯n/, /ˈbœːk.pɛːn/
noun
1. pijn in de buik
боль в животе
noun
чревовеща́тель
noun
1.
брюшина
noun
1. grote zeef voor het zeven van meel
сито для муки
noun
1. de meest voorkomende vorm van pest en wordt veroorzaakt door de
бубо́нная чума́
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
тру́бка
noun
2. buisklokken
оркестро́вые ко́локола
/bœʏ̯t/, /bœːt/
noun
goederen gewonnen door diefstaf of verovering
  1. добыча
  2. трофеи
/ˈbœʏ̯tə(n)/, /ˈbœːtə(n)/
adverb
  1. снаружи
  2. снару́жи
adjective
1. niet binnen het raamwerk van het huwelijk
внебра́чный
noun
1. ieder land buiten het eigene
заграница
/ˈbœytə(n)lɑndər/
noun
1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
иностранец
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
иностранный
noun
1.
положе́ние вне игры
verb
  1. 1. een buis in de school geven
  2. 2. een buis in de school krijgen
прова́ливать
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
обыкновенный канюк
/ˈbɵkən/
verb
  1. 1. het lichaam geheel vooroverbuigen om bij iets lagers te komen
  2. 2. het lichaam geheel voorover buigen
нагиба́ться
/bʏl/
noun
  1. 1. mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
    бык
  2. 2. pauselijke oorkonde
    булла
  3. 1. oorkonde bij het behalen van een academische graad
    диплом
noun
1. een stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken...
бульдог
noun
Муравьи-бульдоги
/bɵɫˈγ̊aːrs/
adjective
1. met betrekking tot Bulgarije of de Bulgaarse taal
болгарский
/bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
  1. болгарский
  2. болгарский язык
noun
болгарка
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
Болгария
noun
1. gestoomde, daarna gedroogde en vervolgens grof gemalen of gebroken tarwekorrels, meestal durumtarwe
булгур
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
бульдозер
noun
вы́пуклость
/ˈbʏltrʏx/
noun
1. benaming voor een van de grotere baardwalvissen met lange borstvinnen
  1. длиннорукий кит
  2. кит-горбач
noun
1. stootstang
ба́мпер
noun
1. zijdelings bijeengehouden verzameling langwerpige voorwerpen
вяза́нка
noun
1. woning of vakantiehuis zonder bovenverdieping
бу́нга́ло
noun
1. zwaar versterkte verdedigingsstelling
бу́нкер
noun
1. gasbrander met regelbare luchttoevoer die men gebruikt in een laboratorium
бу́нзеновская горе́лка
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela putorius
хорёк
noun
1. kasteel
замок
noun
2. een (politie)kantoor
контора
noun
бюрократия
noun
1.
бюре́тка
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
  1. мэр
  2. бургомистр
noun
градонача́льница
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Бургенланд
noun
  1. 2. lid van de burgerbevolking, in tegenstelling tot een strijdende partij of ordedienst
    [[гражда́нский]] [[челове́к]]
  2. 1. inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
    гражданин
/ˈbʏrɣərlək/
adjective
1. tot de burgers behorend, tot de middenstand behorend
буржуа́зный
noun
1. alle niet-militaire luchtvaart, en wordt verdeeld in de particuliere luchtvaart en de commerciële luchtvaart
гражда́нская авиа́ция
noun
1.
гражданское общество
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
гражданская война
noun
1. een recht dat men geniet als staatsburger van een land
гражда́нские права́
noun
гражда́нство
noun
1. edelman
виконт
/bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
  1. Буркина-Фасо
  2. Буркина Фасо
/bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
  1. Бурунди
  2. Буру́нди
/bɵs/
noun
1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
автобус
/ˈbʏshɑltə/, /ˈbʏshɑɫtə/
noun
1. een plek waar een bus stopt
автобусная остановка
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
порох
noun
  1. 1. boezem
  2. 2. borstbeeld
бюст
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
  1. бюстгальтер
  2. лифчик
noun
1. C₄H10
бутан
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
тыква мускатная
noun
1. een man naast wie men woont
сосед
noun
1. een (deel van een) wijk
квартал
noun
1. vrouw woonachtig in het belendende huis
соседка
noun
византи́ец
adjective
византи́йский
noun
бе́та
/ˈbɛːtaˌdeltʲə/
noun
β-части́ца
pronoun
1. en 2.
Бёблинген
symbol
1. akkoordsymbool
Си
/ˌkɑbɑˈrɛ(t)/
noun
1. een kleinkunst, vermaak met toneel, zang, dans, en voordracht
  1. Кабаре
  2. кабаре́
noun
каботаж
/kakaˈoː/, /kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
какао
noun
1.
какаовое масло
noun
1. een poederachtige substantie die wordt verkregen door het uitpersen van de cacaomassa van cacaobonen
какао-порошок
noun
1. een vetplant met stekels
кактус
noun
1. een stekelige vrucht van de Opuntia
инде́йская смо́ква
/kaˈdoː/
noun
1. iets dat men aan iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
подарок
noun
1. als geschenk gegeven bon, die recht geeft op aankoop tot het bedrag dat op de bon vermeld wordt
пода́рочная ка́рта
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
кадмий
noun
1. een eenvoudige eetgelegenheid, waar men een snelle hap kan nuttigen
буфет
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
  1. кофеин
  2. кофеи́н
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar men dranken kan nuttigen
кафе
noun
кессонная болезнь
pronoun
Кала́брия
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
  1. кальций
  2. ка́льций
noun
карбона́т ка́льция
verb
1. rekenen
  1. вычислять
  2. подсчитывать
  3. считать
noun
1. fijn katoenen weefsel
бязь
adjective
калифорнийский
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
  1. калифорний
  2. калифо́рний
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten. De staat grenst aan de Pacifische Oceaan en aan de Mexicaanse deelstaat Baja California, alsmede aan de Amerikaanse deelstaten Nevada, Oregon en Arizona.
Калифорния
pronoun
  1. 1. nimf uit de Griekse mythologie
  2. 2. een van de vier grote manen van Jupiter
Калли́сто
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
калория
noun
1.een sterke alcoholische drank
кальвадо́с
/kɑm.ˈbɔ.dja/, /kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
Камбоджа
pronoun
Кембридж
/ˈkɑmbrijʏm/
noun
ке́мбрий
/ˈkaməˌra/
noun
1. een apparaat om beelden mee te registreren
фотоаппарат
noun
1.
кинооператор
noun
камуфляж
/kɑmuflerən/
verb
1. een voorwerp onopvallend maken
закамуфли́ровать
/kɑmˈpɑɲə/
noun
кампания
pronoun
Кампа́ния
/ˈkɑmpʏs/
noun
1. universiteitsterrein
ка́мпус
/ˈka.na.da/, /ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
  1. Канада
  2. Кана́да
noun
1. bewust vervalst nieuwsbericht; valse hype
газетная утка
pronoun
Канарские острова
pronoun
1. de federale hoofdstad van Australië, gelegen in het Australisch Hoofdstedelijk Territorium
Ка́нберра
noun
кандела
noun
1. schimmelziekte van huid en slijmvliezen
кандидоз
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Кантабрия
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. cantalupensis
канталупа
noun
канта́та
noun
брезе́нт
adjective
1. rubber
каучук
noun
1. mogelijkheid om iets te bevatten
ёмкость
pronoun
1. Capella
Капе́лла
/ˌkapiˈbaːra/
noun
1. Hydrochoerus hydrochaeris, een groot knaagdier...
капибара
/ˌka.pɪ.la.ri.ˈtɛɪ̯t/
noun
капиллярность
noun
1. internationaalrechtelijke verklaring dat een partij de strijd tijdens een oorlog opgeeft
капитуляция
/kapu'ɪ:ra/
noun
1. een dans- en vechtsport afkomstig uit Brazilië
капоэйра
noun
1. kopje koffie dat uit gelijke delen espresso, melk en melkschuim bestaat
капучи́но
pronoun
Капри
adjective
голубой капри
noun
2.een omhulsel, veelal van gelatine met een medicijn erin
капсула
/ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
капюшон
noun
1. bepaald soort zoogdier, Profelis caracal
карака́л
/karákas/
pronoun
1. de hoofdstad van de Zuid-Amerikaanse staat Venezuela
Кара́кас
noun
1. kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonst
автодом
noun
карбона́т
noun
1. een organische verbinding die de functionele groep -COOH bezit
карбоновая кислота́
/kɑrˈbon/
noun
каменноу́гольный пери́од
noun
1. kankergezwel
карцино́ма
/ˈkɑrdɪɡən/
noun
1. vest met V-hals dat met knoopjes aan de voorkant wordt gesloten
кардига́н
/kɑrdijolo'xi/
noun
1. een medisch specialisme dat zich bezighoudt met het opsporen, diagnosticeren en behandelen van hartziekten
кардиоло́гия
adjective
1. met betrekking tot hartziekten
кардиологический
/kɑrdijo'lox/
noun
  1. кардио́лог
  2. кардиолог
noun
кариес
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
  1. карнавал
  2. масленица
/kɑrniˈvor/
noun
1. een vleesetend dier
плотоядный
noun
кароти́н
noun
1. koetswerk van een voertuig
кузов
pronoun
Карфаген
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
картография
noun
1. omlijst schild met tekst of een wapen op een kaart of gebouw
картуш
noun
кешью
noun
1. Manihot esculenta, een eetbare wortelknol
маниок
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
кассе́та
noun
  1. кассетник
  2. кассетный магнитофон
noun
specerij
коричник китайский
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Кассиопея
pronoun
1. landstreek in Spanje
Кастилия
pronoun
Кастилия и Леон
pronoun
Кастилия — Ла-Манча
noun
1. ontmanning, het volledig verwijderen van de teelballen bij de man
кастра́ция
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
кастрировать
noun
1. een naamval
падеж
noun
1. onderaardse ruimte, onderaards gangenstelsel in het algemeen
катако́мба
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
  1. каталонский
  2. каталанский
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
  1. Каталония
  2. Катало́ния
noun
1. vaartuig met twee drijvende delen (de rompen), die boven de waterlijn parallel aan elkaar gemonteerd zijn
катамаран
noun
1. grijze staar, een troebeling van de ooglens die het zien verstoort
катаракта
noun
1. de leer van een godsdienst in de vorm van vragen en antwoorden gebruikt in het godsdienstonderwijs...
катехи́зис
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
категория
adjective
1. oorzakelijk
кауза́льный
noun
1. strijdmacht te paard
кавале́рия
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
морская свинка
pronoun
Кайенна
noun
1. en 2. een peper, een scherp specerij
перец кайенский
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
Каир
pronoun
1. een taal die op de Filipijnen en met name op het eiland Cebu gesproken wordt
себуа́но
/ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
кедр
noun
  1. 1. een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
    1. камера
    2. ячейка
  2. 2. een kleine ruimte (in een klooster)
    1. келья
    2. ячейка
  3. 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
    1. клетка
    2. ячейка
  4. 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
    1. ячейка
    2. клетка
noun
1. slagwerkinstrument met een klavier
челеста
/sɛlkɛrən/
noun
1.
ядро
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
виолонче́ль
noun
1.
целлуло́ид
/ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
целлюлоза
/sɛlʋɑnd/
noun
1.
клеточная стенка
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
  1. цемент
  2. цеме́нт
adjective
серый цемент
noun
1. hoge ambtenaar in de Romeinse republiek
це́нзор
verb
1. bewust informatie uit de media weghalen
цензуровать
/sɛnˈsyr/
noun
1. de controle van de kant van de overheid op alles wat de media uitbrengen
цензура
noun
цент
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Центавр
noun
1.
кентавр
/'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
сантиметр
adjective
1. in het midden gelegen
центральный
/sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
  1. Центрально-Африканская Республика
  2. Центрально-африканская Республика
pronoun
Сре́дняя А́зия
pronoun
1. Iraanse taal gesproken door 6 miljoen mensen in Irak en Iran
курдский
noun
1. een verwarmingssysteem, waarbij de warmte centraal wordt opgewekt
центра́льное отопле́ние
verb
1. op één punt samenbrengen
централизова́ть
noun
1. pomp die een vloeistof verpompt door het met een draaiend rad naar buiten te slingeren
центробежный насос
noun
1. centrifugaalmachine
центрифуга
verb
1. met een centrifuge scheiden, zuiveren of drogen
центрифугировать
noun
1. middelpunt
центр
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Цефе́й
adjective
1. met betrekking tot de grote hersenen
мозгово́й
noun
1. een plechtige aangelegenheid
церемония
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Церера
noun
церий
/ˌsɛrtifiˈkat/
noun
1. een schriftelijk bewijs
удостоверение
noun
цезий
noun
1. overdracht van schuldvordering
цессия
noun
1. persoon die een vordering verkrijgt
цессионе́р
pronoun
Сеута
pronoun
Цейло́н
noun
1.
ча́кра
pronoun
Халде́я
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Шампань
/ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
шампанское
noun
1. bepaald soort eetbare en speciaal gekweekte witte paddenstoel, Agaricus bisporus
шампиньон
/xɑnuˈka/
noun
1. feest van de herinwijding van de tempel
Ха́нука
/xanukiˈja/
noun
1.
менора́т Ханука́
noun
Шансон
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
шантаж
verb
1. onder bedreiging een schandaal te veroorzaken iemand geld afhandig maken
вымога́ть
noun
1. grote wanorde
хаос
noun
1. deelgebied van de wiskunde en natuurwetenschappen dat zich bezighoudt met het gedrag van dynamische systemen zoals dat sterk door hun begintoestand wordt bepaald.
теория хаоса
adjective
хаотичный
noun
1. uitstraling
обая́ние
/ˈʃar.la.tan/
noun
шарлата́н
pronoun
1. grootste stad van Henegouwen
Шарлеруа
adjective
1. aangenaam in omgang
очарова́тельный
/sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
обая́ние
/χɑsiˈdɪsmə/
noun
1.
хасиди́зм
/ˈtʃɑtə(n)/, /ˈtʃɛtə(n)/
verb
1. op synchrone wijze met elkaar korte tekstberichten uitwisselen
беседовать
/ʃaʊ̯.ˈføːr/, /ʃo.ˈføːr/, /ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
  1. водитель
  2. шофёр
noun
шовини́зм
noun
шовини́ст
/χaˈzɑn/
noun
1.
хаза́н
noun
шеф-повар
noun
хими́ческое соедине́ние
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
химия
noun
химический элемент
pronoun
1.
Кемниц
noun
1. behandeling van kanker met medicijnen
химиотерапия
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat Tamil Nadu. De voormalige naam van de stad was Madras
Ченна́и
/ʃɛk/
noun
чек
noun
2. eetbare hartvormige vrucht van Annona cherimola
черимойя
/tʃɛ.ˈrɔ.ki/, /ˈtʃeː.ro.keː/
pronoun
1. inheemse taal gesproken door enkele duizenden mensen in Noord-Amerika
чероки
/ˈxerʏp/
noun
1.
херуви́м
noun
хи
/sʲik/
noun
1. modieus verfijnd
шикарный
pronoun
Чика́го
adjective
чилийский
/ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
  1. Чили
  2. Чи́ли
/'ʃílipepər/
noun
1.
го́рький пе́рец
noun
химе́ра
/ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
  1. шимпанзе
  2. шимпанзе́
noun
химе́ра
/ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
  1. Китай
  2. КНР
noun
шиншилла
/ʃi.ˈnes/
adjective
  1. 2. idem als 1., behalve:
    китайский
  2. 1. betreffende China
    1. китайский
    2. китайская
    3. китайское
/ʃi.ˈnes/
pronoun
  1. 2. persoon
    1. китаец
    2. китаянка
  2. 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
    1. китайский
    2. китайский язык
noun
2. een klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
чип
/ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
хирург
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
хирургия
adjective
1. betrekking hebben op operatief
хирургический
noun
хлор
noun
хлори́д
noun
хлорофо́рм
/ˌʃo.ko.ˈla.də/, /ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
шоколад
adjective
коричневая гризли
noun
1. drank gemaakt van cacao, suiker en melk
шоколадное молоко
noun
1. een veelal ronde, bruingekleurde taart, waarin chocolade of cacao verwerkt is
шокола́дный то́рт
noun
засло́нка
/χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
холера
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
  1. xолестерин
  2. холестерин
noun
1. muziekinstrumenten waarbij de toon wordt geproduceerd door een trillende snaar
хордофо́н
noun
хореограф
noun
хореогра́фия
pronoun
Кра́йстчерч
adjective
1. te maken hebbend met het christendom
христианский
/ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
  1. христианин
  2. христианка
  3. христиане
/ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
христианство
/ˈxrɪstʏs/
pronoun
Христос
/ˌɣro.mo.zo.ˈmal/, /ˌɣro.mo.zo.ˈmaɫ/, /ˌχro.mo.zo.ˈmaɫ/
adjective
1. met betrekking tot de chromosomen, de eiwitten die erfelijke informatie bevatten
хромосомный
/ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
хромосома
/ˈkronis/
adjective
1. voortdurend, aanhoudend
хронический
/xrono.lo'ɣiː/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
хроноло́гия
adjective
1. naar tijdstip gerangschikt
хронологический
noun
1. een uurwerk waarop zeer kleine tijdsdelen kunnen worden afgelezen
хроно́метр
noun
хром
adjective
хромовая зелень
noun
1.
хризанте́ма
/ˌxi.lo.mi.ˈkrɔn/, /ˌχi.lo.mi.ˈkrɔn/
noun
1. een grote door darmwandcellen geproduceerde lipoproteïne, waarin lipiden uit het voedsel van de darmwandcellen naar andere weefsels worden getransporteerd
хиломикрон
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
цика́да
/ˌsikoˈrɛɪ/
noun
цикорий
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
сидр
noun
1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
цифра
noun
  1. барабан
  2. цилиндр
noun
1.
киноман
noun
1.
ки́новарь
noun
1. bepaald soort naaldboom, Cupressus sempervirens
кипарис
noun
  1. 1. attractie
  2. 2. chaotische toestand
цирк
/ˈsɪrkəɫ/
noun
круг
verb
1. in cirkels ronddraaien of rondvliegen
кружи́ться
/ˈsɪrkəlzax/
noun
1. motorzaag met een rond zaagblad
круглая пила
noun
1.
огоро́дная овся́нка
noun
1.
цирроз
/'sɪrɵs/
noun
1. een zeer hoog drijvende wolk die eruitziet als katoenvlokken, pluimen of veren, in regelmatige strepen aan de hemel verdeeld
отро́сток
noun
1. aanhaling, ontleende passage
цитата
noun
1. versterking die een vestingstad domineert, hetzij om de inwoners van die stad onder bedwang te houden,...
кремль
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
ци́тра
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
лимон
noun
1. uit China afkomstige boomsoort waarvan de citroen de vrucht is, Citrus limon
лимон
adjective
желто - лимонный
noun
1.
лимо́нная аку́ла
noun
1. Melissa officinalis, een vaste plant die naar citroen ruikt; van de bladeren kan thee gezet worden
мелисса лекарственная
noun
2. raspsel van de schil van een citroen
цедра лимона
noun
1. dagvlinder van de Pieridaefamilie
лимонница
noun
лимо́нная кислота́
noun
цитрус
noun
1. Viverra, een geslacht van kleine slank gebouwde roofdieren dat ---
виве́рра
noun
гражданское строительство
noun
1. artistieke techniek
кьяроску́ро
noun
классифика́ция
/klʌstrofoˈbiː/, /klʌustrofoˈbiː/
noun
1. vrees voor afgesloten ruimten
клаустрофобия
noun
1.
гудо́к
noun
1. klimplant uit de ranonkel familie met veel bloemen
борода́вник
noun
1. de leiders van een kerkgenootschap
духовенство
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
клитор
noun
1. de gecombineerde darm- en urineuitgang bij bepaalde diersoorten
клоа́ка
noun
een verwijzing naar het internet
о́блако
/kloːn/, /klʌːun/
noun
  1. 1. komische artiest
    1. клоун
    2. шут
  2. 2. bespottelijk iemand
    1. шут
    2. клоун
/klɵp/
noun
  1. 1. besloten gemeenschap
    клуб
  2. 3. golfstok
    1. клюшка
    2. клуб
  3. 2. gemakkelijke stoel
    мяткое кресло
/kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
коалиция
noun
1. vrachtschip kleiner dan 1800 Brut Register Ton (1 BRT = 2,83 m³)
[[каботажный|кабота́жное]] [[су́дно]]
noun
1. gevaarlijke gifslang
очковя змея
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
кокаин
noun
1. heel stevig apparaat dat de gesprekken in de cockpit opneemt en bewaart, ook als het vliegtuig neerstort
каби́нный магнитофо́н
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
коктейль
noun
  1. Шейкер
  2. шейкер
noun
ко́кон
/'kodə/
noun
  1. код
  2. шифр
noun
коньяк
/kɔxniˈtif/
adjective
1. met betrekking tot het leerproces
когнити́вный
noun
1. ontgaste steenkool
кокс
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
  1. кола
  2. кока-кола
noun
пиджак
noun
2
коллабора́нт
verb
1. met de vijand samenwerken
сотру́дничать с враго́м
noun
колла́ж
/ˌkɔlɑˈɣen/
noun
1.
коллаген
noun
коллекция
adverb
коллектив
noun
1. meerdere groepen die onder één noemer worden aangesproken
коллекти́в
noun
1. stellen van het belang van de gemeenschap boven dat van het individu
коллективи́зм
/kɔˈleɣa/, /kɔˈleχa/
noun
  1. 1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt
  2. 2. een vak- of ambtgenoot
коллега
noun
1. de tijd waarin een docent een bepaald onderwerp uitlegt aan studenten
лекция
noun
1. een ruimte waarin les wordt gegeven aan studenten
актовый зал
noun
коллоид
pronoun
1.
Кольмар
noun
1. opsomming van de manier waarop een boek tot stand is gekomen
колофо́н
/ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Колумбия
noun
1. een inwoner van Colombia of persoon die de Colombiaanse nationaliteit bezit
колумбиец
/ko'lɔnə/
noun
1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
коло́нна
noun
1. dikke darmonderzoek waarbij men met een endoscoop het darmslijmvlies onderzoekt en zonodig een biopsie kan nemen
колоноскопи́я
noun
1. een kever die op de aardappelplant leeft van ongeveer 1 cm lang en met een geel...
колорадский жук
noun
1. de eerste, gelige moedermelk
молозиво
noun
колта́н
/ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
ко́ма
adjective
1. in volkomen bewusteloosheid
коматозный
noun
комбина́ция
noun
1. werktuig waarmee je zowel op verschillende manieren kan vastknijpen als afknippen
пассатижи
verb
сочетать
noun
комитет
verb
2. bevelen
приказывать
/kɔ.ˈmɑn.do/
noun
  1. 1. bevel, leiding
  2. 2. speciaal getrainde groep militairen voor speciale missies
  3. 3. opdracht om een bepaald proces uit te voeren
  4. 1. iemand uit een eenheid die extra getraind wordt voor speciale missies
команда
/kɔmən'tar/
noun
1. toelichting of verklaring
комментарий
noun
коммента́тор
/kɔmərˈʃel/, /kɔmɛrˈsjel/
adjective
1. zakelijk
  1. коммерческий
  2. торговый
noun
1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
комиссия
adjective
gemeenschappelijk
коммунальный
/ˌkɔ.my.nɪ.ˈkaː.si/, /ˌkɔmyniˈkasi/, /ˌkɔmyniˈkaʦi/
noun
1. het uitwisselen van informatie
коммуникация
noun
коммуникация
verb
2. met elkaar in contact komen
обща́ться
/kɔ.ˈmy.ni/, /kɔ.ˈmyː.nɪə̯/
noun
1. de gemeenschap met lichaam en bloed van Jezus Christus in de vorm van brood en wijn
причастие
noun
коммюнике́
/kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
коммунизм
noun
1. Comorbiditeit is het tegelijkertijd hebben van twee of meer stoornissen of aandoeningen bij een patiënt
коморбидность
pronoun
1. Bantoetaal gesproken op de Comoren, Madagaskar, Mayotte en Réunion
комо́рский
/ko.ˈmoː.rə(n)/, /ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
Коморские острова
adjective
1. ruimte beperkende uitvoering, gedrongen
компа́ктный
noun
2. het samengedrongen en daardoor stevig zijn
компа́ктность
noun
2. vennootschap
ро́та
noun
1. verschijning in rechte
я́вка
adjective
1. op elkaar aansluitend, met elkaar in overeenstemming te brengen
совместимый
noun
1. iets wat minder is uitvallen, weer goed (proberen te) maken (met een extra toegift)
возмеще́ние
noun
1. een ontwikkelbaar vermogen van mensen waarmee ze in voorkomende situaties adequaat, gemotiveerd, proces- en resultaatgericht kunnen handelen
компетенция
noun
1. wedijver, concurrentie
  1. конкуренция
  2. конкурс
  3. соревнование
  4. состязание
noun
дополне́ние
noun
взаимозаменя́емость
/kɔmplɛks/
adjective
1. ingewikkeld
ко́мплекс
noun
1. de mate waarin iets complex is
сложность
noun
1. de studie van de complexiteit en mate van oplosbaarheid van wiskundige vraagstukken binnen het kader van...
теория сложности вычислений
noun
1. bijkomende ziekte (verergering)
осложне́ние
verb
1.(nodeloos) ingewikkeld maken
осложни́ть
noun
1. een lovende of vleiende opmerking
комплиме́нт
noun
1. iemand die muziekstukken schrijft
композитор
noun
een samengesteld materiaal dat is opgebouwd uit verschillende componenten
композиционный материал
noun
  1. 1. een muziekstuk, werkstuk van een componist
  2. 2. samenstelling
компози́ция
noun
1. is het residu dat ontstaat na ontbinding van organisch materiaal (d.w.z. van plantaardige of dierlijke oorsprong)
компо́ст
noun
1. samendrukking
сжа́тие
/kɔmproˈmi/
noun
1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen...
компромисс
/kɔm.ˈpju.tər/, /kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
  1. bilgisayar
  2. компьютер
noun
1. een programma dat geïnstalleerd en gebruikt kan worden op een computer
компью́терная програ́мма
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
компью́терная игра́
noun
1. de taal waarin computerprogramma's worden geschreven, de programmeertaal.
компьютерный язык
noun
1.
компьютерный вирус
noun
информатика
adjective
1. holrond, met een naar binnen gebogen oppervlak
вогнутый
noun
концентрация
noun
1. afgesloten terrein met barakken waar machthebbers bepaalde groepen mensen zonder rechtsgang onder dwang van de samenleving afgezonderd houden
  1. концентрацио́нный ла́герь
  2. концла́герь
verb
  1. 1. op één plek samenbrengen
  2. 2. zich ~ op één zaak toespitsen
концентри́ровать
adjective
1. van cirkels of bollen dat ze het zelfde middelpunt hebben (maar niet dezelfde straal)
концентри́ческий
noun
1. een ontwerp, een project
план
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
концерт
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
конклав
/ˌkɔŋklyˈderən/
verb
2. (overgankelijk) tot een besluit komen
вы́вести
/kɔŋˈklyzi/
noun
умозаключе́ние
/kɔnˈkret/
adjective
2. in realiteit bestaand
действи́тельный
noun
1.
конкуре́нция
noun
1. het voordeel dat ontstaat wanneer een onderneming op een bepaalde markt een product kan aanbieden dat zich op een positieve manier onderscheidt van andere producten
конкуре́нтное преиму́щество
noun
1. (vloei)stof die ontstaat bij het afkoelen en verhogen van de druk van een gas
конденса́т
/kɔndɛn'zasi/
noun
конденсация
noun
1. elektrische component
  1. конденсатор
  2. конденса́тор
noun
  1. 1. gezondheidstoestand
  2. 2. voorwaarde
положе́ние
noun
гондон
noun
1. benaming voor sommige roofvogels uit de Amerikaanse tak (Cathartidae) van de gierenfamilie
кондор
noun
электрическая проводимость
noun
1.
  1. ткань
  2. мануфактура
/kɔnfedə'ral/
adjective
1.
конфедерати́вный
noun
конфере́нция
noun
1. felgekleurde papiersnippers
конфетти́
/kɔnfixy'rerə(n)/
verb
1. opbouwen en aanpassen aan eigen behoefte
конфигури́ровать
verb
1. van staatswege in beslag nemen
изъя́ть
noun
конфликт
verb
  1. 1. (onovergankelijk) gelijkvormig maken, naar iets inrichten
  2. 2. (wederkerend) zich aanpassen aan
быть подобным
noun
согласие
noun
конфронта́ция
verb
1.iemand laten zien wat diegene heeft gedaan
[[име́ть]] [[де́ло]] (с)
noun
конфуциа́нство
noun
1. samenklontering van verschillende bedrijven
конгломера́т
/kɔŋˈɣrɛs/, /kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
съезд
adjective
1. de vorm hebbend van een (afgeknotte) kegel
ко́нусный
noun
1. binding
соедине́ние
/kɔnˈsɛnzʏs/
noun
консенсус
noun
1. een noodzakelijk gevolg
следствие
/kɔnsɛrvaˈtif/
adjective
1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde
консерва́тор
noun
консерватизм
noun
хранитель
noun
1. een school in het hoger onderwijs waar men zich kan laten opleiden tot professioneel musicus, acteur/actrice of danser(es)
консервато́рия
noun
консорциум
adjective
1. Altijd onveranderlijk
постоя́нный
noun
Константан
pronoun
Константино́поль
noun
1. een situatie waarin men zich geen raad meer weet
  1. оцепенение
  2. ужас
noun
1. verstopping, harde of uitblijvende ontlasting
запо́р
adjective
конституционный
/ˌkɔnstrʏkˈtif/
adjective
1. opbouwend
конструкти́вный
noun
  1. 1. Romeins overheidspersoon
  2. 1. vertegenwoordiger
ко́нсул
noun
1.
консульство
noun
1. een deskundige raadgever
консульта́нт
verb
  1. 1. verorberen
    поедать
  2. 2. verbruik van goederen en diensten in de economie
    потреблять
/kɔn.ˈtɑk/, /kɔn.ˈtɑkt/
noun
  1. 1. een toestand waarbij twee voorwerpen elkaar raken
  2. 2. onderlinge communicatie
  3. 3. een contactpersoon
  4. 4. een verbinding van twee elektrische geleidingen
  5. 5. een elektrische schakelaar
  6. 6. de grens tussen stollings- en nevengesteente
конта́кт
verb
1. contact opnemen met
контакти́ровать
noun
1. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
конта́ктная ли́нза
noun
контейнер
noun
контейнерово́з
noun
1. verontreiniging of besmetting met chemische stof of bacterie
контаминация
/ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
контекст
noun
1. een werelddeel
  1. континент
  2. материк
adverb
непреры́вный
/ˌkɔntinyˈweːrə(n)/
verb
1. voortzetten
продолжить
noun
непрерывность
noun
1. een aanval tegen een aanval
контрудар
noun
1. het laagstklinkende muziekinstrument van de strijkinstrumenten
контраба́с
/kɔnˈtrɑkt/
noun
1. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
контра́кт
noun
1. (muziekinstrument) fagot waarvan de noten een octaaf lager klinken dan de gewone fagot
контрафагот
noun
контроль
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
контролировать
noun
1.
контро́ллер
adjective
1. bolrond, met een gebogen oppervlak
выпуклый
adjective
1.
кла́ссный
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
коперниций
/ˈkɔrnis/, /ˈkɔrnɪs/
pronoun
1. een Keltische taal die gesproken wordt in Cornwall
корнуэльский
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
Корнуолл
noun
корпора́ция
adjective
1. lichamelijk
телесный
adjective
1.
правильный
noun
1. samenhang
корреляция
verb
1. in onderling verband staan van twee of meer variabelen
коррели́ровать
noun
корреспонде́нция
verb
корреспонди́ровать
/ˌkɔriˈʒeːrə(n)/, /ˌkɔriˈʒɪːrə(n)/
verb
1. iets van fouten ontdoen
исправля́ть
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
коррозия
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
коррупция
/'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Корсика
pronoun
1. een taal die op Corsica gesproken wordt
корсиканский
noun
ко́синус
/ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
Коста-Рика
noun
котангенс
noun
кулон
/kup/
noun
1. staatsgreep
  1. государственный переворот
  2. путч
noun
купле́т
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
кабачо́к
noun
кускус
noun
1. iemand die tijdens de coronapandemie de maatregelen tegen de verspreiding...
ковидиот
noun
1. veedrijver/veehoeder
ковбой
noun
1. hoed gedragen door een cowboy
[[ковбойский|ковбо́йская]] [[шля́па]]
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
койот
noun
1. een constante factor van een onbekende of van een veranderlijke grootheid
  1. коэффициент
  2. фактор
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
ко́итус
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
  1. кооперати́в
  2. това́рищество
adjective
op samenwerking gebaseerd
готовый к сотрудничеству
verb
1. zo organiseren dat alles en iedereen goed kan samenwerken
координи́ровать
noun
1. bepaald soort struik en 2. vrucht daarvan, Vaccinium macrocarpon
клюква
adjective
1. met betrekking tot de schedel
краниальный
/krejaˈtif/
adjective
1. scheppend vermogen bezittend, met een scheppende geest
созида́тельный
noun
1.
креатин
noun
1. gedrevenheid of vaardigheid om iets oorspronkelijks te maken
[[творческий|тво́рческие]] [[способность|спосо́бности]]
verb
1. als tegoed boeken
зачислять
noun
кри
verb
кремировать
noun
1. in Latijns-Amerika geboren nazaten van een samensmelting van Afrikaanse slaven...)
крео́л
noun
1. een taal die is ontstaan doordat bevolkingsgroepen die twee verschillende talen spraken met elkaar in contact kwamen en een nieuwe taal ontwikkelden
креольские языки
/krɛˈʃɛndo/
noun
крешендо
/kreˈjeːrə(n)/
verb
1. iets nieuws maken, iets scheppen
создавать
noun
1. een uit Engeland afkomstig slagbalspel in de open lucht
кри́кет
noun
1. de misdadigheid, het begaan van misdaden
преступность
adjective
1. met betrekking tot misdaad
криминальный
noun
1. iemand door zich onderhoudt door de wet te breken
криминальный
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
  1. криминология
  2. криминоло́гия
noun
1. beoefenaar van de criminologie
криминали́ст
noun
1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
  1. кризис
  2. кри́зис
/kriˈterijʏm/
noun
1. toets, een doorslag gevende reden
критерий
/krʋɑˈsɑ̃/
noun
1. halvemaanvormig broodje
рогалик
noun
крупье
noun
грено́к
adjective
1. beslissend, doorslaggevend
важный
noun
1. vakantie op een varend schip met uitgebreide voorzieningen voor de passagiers
круиз
noun
1. een uit de auto-industrie afkomstig middel om de snelheid van een voertuig vast te zetten, zodat men zelf geen gas hoeft te geven
круи́з-контро́ль
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
круи́зное су́дно
noun
криптоанализ
noun
1. een oppascentrum voor kinderen
ясли
adjective
белая жемчужная
noun
1.
гофрированная бумага
noun
1.
бли́нная
/ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
  1. Куба
  2. Ку́ба
adjective
кубинский
adjective
1. met betrekking tot de kookkunst
кулина́рный
/kʏltyˈrel/
adjective
1.met betrekking tot cultuur
культурный
noun
культ
/kɵl'tyːr/
noun
1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
культура
/kymylaˈtif/
adjective
1. opstapelend, gesommeerd over alle bijdragen tot heden
кумуляти́вный
noun
[[ку́чево-дождевое]] облако
noun
1.
капке́йк
noun
куратор
/ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
Кюрасао
noun
2. gele voedselkleurstof
куркумины
noun
1. uitkrabbing
выска́бливание
noun
1.iets merkwaardigs
курьёз
noun
  1. кюрий
  2. кю́рий
noun
1. een precisiesport die lijkt op bowls, jeu de boules en bocce, die op ijs gespeeld wordt gespeeld met zware stenen in plaats van metalen (of plastic) ballen
кёрлинг
adjective
1.
курси́вный
noun
кривая
adjective
1. met betrekking tot de huid
ко́жный
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
кибернетика
noun
1. oorlogvoering waarbij hackers staten aanvallen om te trachten systemen te saboteren of te spioneren
кибервойна́
/ˈsiklis/
adjective
1. regelmatig terugkerend
цикли́ческий
noun
2.
циклон
noun
циклоп
noun
1. terugkerende, regelmatige reeks
цикл
/ˈsinis/
adjective
цини́чный
noun
1. inwoner van Cyprus
киприо́т
/ˈki.prʏs/, /ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
Кипр
/sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
  1. кириллический
  2. кириллица
noun
1. een alfabet dat geschreven wordt in het cyrillisch schrift
кириллица
/ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
киста́
noun
1. kijkonderzoek van de blaas
цистоскопия
/ˌsitɔˈplɑsma/
noun
цитоплазма
/ˈsitoskəˌlɛt/
noun
1.
цитоскеле́т
/daːt/
noun
1. bewust gepleegde handeling
действие
/daːr/
adverb
1. op die plaats
там
/daːr/
conjunction
1. omdat
там
/dar.ˈχɪn(t)s/, /ˈdar.ɣɪn(t)s/
adverb
1. op een plaats in de verte
вон там
adverb
о́коло того́
/daˈsit/
noun
1. vulkanisch stollingsgesteente.
дацит
verb
1. vingerafdrukken afnemen
дактилоскопировать
noun
дадаизм
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
финик
noun
1. palm waaraan dadels groeien
финиковая пальма
noun
1. iemand die iets (slechts) gedaan heeft
преступник
/dɑx/, /dɑχ/
noun
  1. 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
    день
  2. 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
    1. день
    2. сутки
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
[[ежедневный|ежедне́вная]] [[газе́та]]
noun
дневник
adjective
ежедневный
adverb
1. iedere dag
ежедне́вно
noun
1. het aanbreken van de nieuwe dag, de tijd net voor zonopkomst
заря́
/'dɑxlɪxt/
noun
1. licht van de zon
  1. дневной
  2. естественное освещение
noun
1. bepaalde soort dagvlinder, Aglais io
павлиний глаз
noun
1. een oproep om voor een rechtbank te verschijnen
повестка
noun
1.
георги́н
pronoun
Дагоме́я
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
  1. крыша
  2. кров
noun
1.
кро́вельщик
noun
1. een langgerekte bakvormige of halfronde constructie voor het afvoeren van (regen)water dat van het dak komt
жёлоб
noun
1. iemand die op de straat leeft, zonder vaste verblijfplaats
БОМЖ
noun
1. elkaar overlappende stenen of betonnen elementen waarmee een schuin dak lekdicht gedekt wordt
черепица
noun
1. raam dat in een dak zit
слухово́е окно́
/dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
долина
/dɑl'matis/
adjective
далма́тский
pronoun
1.
Далма́ция
noun
далматин
noun
1. (bij het damspel) twee gestapelde schijven
дамка
noun
1. weeftechniek, waarbij tekeningen aangebracht worden op een achtergrond van dezelfde kleur
дама́ст
/daːmə/
noun
  1. 1. beschaafde vrouw
    да́ма
  2. 3. koningin in het schaakspel
    ферзь
noun
1.
господа́
phraseologicalUnit
1. etiquetteregel
да́мы вперёд
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
лань
verb
1. het damspel spelen
играть в шашки
/dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
пар
noun
1. een bordspel gespeeld op een bord met honderd vlakken met stenen die alleen diagonaal verzet kunnen worden
шашки
adverb
1. toekomstig tijdstip
в тако́м слу́чае
conjunction
1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord.
чем
pronoun
3. jongensnaam
Даниил
noun
1. een goede gezindheid jegens iemand voor bewezen diensten
благода́рность
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
спасибо
adjective
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
благодарный
noun
1. het dankbaar zijn
благодарность
verb
благодари́ть
preposition
1. door de positieve werking van
благодаря
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
  1. танец
  2. пляс
verb
1. ritmisch bewegen
  1. танцевать
  2. потанцевать
noun
1. mannelijk persoon die danst
балеру́н
/dɑnsə'rɛs/
noun
1. een vrouwelijk persoon die danst
балери́на
noun
танцева́льная площа́дка
/ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
доблестный
noun
1. mannelijke bij
трутень
/dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
кишка
noun
дармштадтий
noun
1. evolutieleer die het ontstaan van de soorten verklaart door natuurlijke selectie uit varianten die bij reproductie optreden
дарвинизм
/dɑs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
  1. барсук
  2. барсу́к
/ˈdɑs.lok/
noun
1. sterk riekende, eetbare plant uit de lookfamilie
  1. лук медвежий
  2. черемша́
conjunction
1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
  1. что
  2. чтобы
relativePronoun
1. beperkend in een bijzin die het nog niet geheel bekende antecedent nader bepaalt
который
noun
1.
дата-центр
verb
1. meerdere dates, afspraakjes maken met iemand.
[[встреча́ться]] с
verb
1. de datum van ontstaan bepalen
восходи́ть
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
  1. дательный
  2. дательная
  3. дательное
  4. дательные
noun
1. Russisch buitenverblijf
дача
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
дата
noun
дофин
noun
  1. роса
  2. роса́
noun
1. elk van de talrijke bolletjes gecondenseerd water die op het koudst van de nacht, net voor zonsopgang, uit de lucht neerslaan op voorwerpen
роси́нка
noun
точка росы
verb
оглушительный
pronoun
Дави́д
phraseologicalUnit
1. het opgeven
опусти́ть ру́ки
verb
1. een lastige kwestie voortvarend en vastberaden aanpakken
  1. взять быка за рога
  2. взять быка за рога́
phraseologicalUnit
1. mensen zijn de belangrijkste vijanden van mensen
человек человеку человек
phraseologicalUnit
1. iets lijkt in het begin altijd erger dan het is
Не так страшен чёрт, как его малюют
verb
1. iets heel treffend verwoorden
не в бровь, а в глаз
interjection
1. er is een onomkeerbare stap gezet
жребий брошен
noun
  1. 1. Verkoper
  2. 2. Drugshandelaar
ди́лер
noun
1. extreme subgenre van heavy metal
дэт-ме́тал
noun
спор
/deˈbil/
adjective
  1. bespottelijk, ridicuul
  2. in lichte mate zwakzinnig
дебил
/deˈbil/
noun
  1. 1. iemand die min of meer zwakzinnig is
  2. 2. bespottelijk iemand, halve gare, idioot
деби́л
noun
деба́ггер
noun
1. een mannelijk persoon die voor de eerste maal in het openbaar optreedt, speelt of publiceert
дебюта́нт
verb
1. voor de eerste keer doen
дебюти́ровать
noun
  1. 1. C10H22
  2. 2. hoofd van een faculteit
декан
noun
1.
декаме́тр
verb
1. het afgieten van een vloeistof nadat de vaste stof in de vloeistof bezonken is
декантировать
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
декабрь
noun
децигра́мм
noun
1. 1063
вигинтиллион
noun
1. 1060
новемдециллион
verb
1.sterk in aantal terugbrengen, gewoonlijk door afslachting
истребля́ть
noun
1. een lengtemaat met een waarde van één tiende meter
дециметр
verb
1. letterkundige werken mondeling voordragen
деклами́ровать
/dekliˈna(t)si/
noun
1, 2
склоне́ние
verb
1. uit code overbrengen in gewone taal
дешифровывать
noun
1. laag uitgesneden halslijn bij vrouwenkleding
декольте
adjective
декоративный
verb
1. methoden en technieken gebruikt om bouwwerken, meubels of andere objecten te verfraaien
декорировать
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
тесто
noun
1. rol om deeg uit te rollen
скалка
noun
1. rol om deeg uit te rollen
скалка
/ˈdeːl/
noun
  1. 1. een afsplitsing van een geheel
  2. 2. één uit een reeks
часть
verb
1. meedoen, meevoelen
участвовать
noun
1. iemand die meedoet aan een wedstrijd of ander evenement
участник
noun
дели́мое
noun
2. onderdeel van een atoom
части́ца
noun
Физика элементарных частиц
noun
ускори́тель части́ц
noun
причастие
/den/, /deːn/
noun
1. een inwoner van Denemarken
датчанин
/dens/, /deːns/
adjective
1. betreffende Denemarken of het Deens
  1. датский
  2. датская
  3. датское
/dens/, /deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
  1. датский
  2. датский язык
/ˈdensə/, /ˈdeːnsə/
noun
датчанка
noun
1. ongeloof in het eigen succes.
дефетизм
adjective
1. van iets dat het gebreken vertoont
дефекти́вный
verb
1. uit het raam gooien
  1. вы́бросить из окно
  2. вы́кинуть из окно
  3. выбра́сывать из окно
  4. выки́дывать из окно
noun
1. begripsbepaling
определение
verb
определять
noun
  1. 1. het vallen van het prijspeil waardoor het geld in waarde toeneemt
  2. 2. proces waarbij gesteenten door de wind worden afgesleten
дефляция
noun
дефрагмента́ция
adjective
  1. 1. goed tegen een stootje kunnend
    крепкий
  2. 2. (van personen) eerlijk, oprecht, net in zijn manieren
    надёжный
adjective
1. afnemen of vermindering van orgaan of functie
дегенерати́вный
noun
6. verwijzing naar een lagere speelklasse
низвожде́ние
verb
1. in rang verlagen
понижать
noun
антиро́ст
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. kleinste van de twee manen van Mars
Де́ймос
noun
1. een verdieping op een schip
дек
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
одеяло
/dekə(n)/
noun
  1. 1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
    одеяло
    1. 1. voorzitter van de Nederlandse orde van advocaten
    2. 2. een kerkelijk of academisch ambt en territoriale eenheid
    3. 3. hoofd van een decanaat
    декан
verb
  1. 1.
  2. 5. paren
прикры́ть
noun
укры́тие
noun
1. een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken
кры́шка
noun
  1. 1. afvaardiging
  2. 3. schuldoverneming
делега́ция
verb
1. taken en verantwoordelijkheden doorgeven
делеги́ровать
verb
  1. 1. samen met een ander gebruiken
    дели́ть
  2. 2. in meer dan één stuk snijden of hakken
    делить
noun
дели́тель
pronoun
1. het nationaal hoofdstedelijk territorium van India waarin de nationale hoofdstad New Delhi gelegen is. Het territorium is gesitueerd in het noorden van het land
Де́ли
noun
де́льта
noun
демаго́гия
noun
1. een aandoening van de hersenen waardoor de verstandelijke en cognitieve vermogens verminderen
деме́нция
noun
1. het tonen en uitleggen van iets
демо
noun
  1. демократия
  2. демокра́тия
adjective
1. in overeenstemming met de principes van een democratie
демократический
verb
демократизировать
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
демография
noun
демон
adjective
демони́ческий
verb
демонстри́ровать
/dɛmpən/
verb
1. zwakker maken, de kracht verminderen van
амортизировать
verb
1. minder geheimzinnig maken
проясни́ть
noun
1. Pinus soort naaldboom
сосна
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
Гаага
noun
дендри́т
pronoun
1.
Денеб
/ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
Дания
verb
  1. 1. een oplossing zoeken
    1. думать
    2. ду́мать
  2. 3. een bepaalde mening toegedaan zijn
    1. думать
    2. полагать
noun
шишка
noun
1. bepaald soort naaldboom, Pinus sylvestris
сосна
adjective
зеленая елка
/ˈdejo/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
Дезодорант
/ˌdejodɔːˈrɑnt/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
дезодорант
noun
деонтология
noun
  1. 1. ministerie
  2. 3. bestuurlijk gewest in sommige landen
департамент
noun
1. verdwijning van kleur (pigment)
депигментация
noun
вы́сылка
noun
  1. 1. bewaarplaats
  2. 1. bezinksel
хранилище
noun
амортиза́ция
noun
  1. 1. ziekelijke neerslachtigheid
    1. Большое депрессивное расстройство
    2. депрессия
    1. 2. gebied met lage luchtdruk
    2. 3. langdurige inzinking in de economische ontwikkeling
    депрессия
adjective
1. somber makend; depressie veroorzakend
[[наводить|наводя́щий]] [[тоска|тоску́]]
/ˈdɛrdə/
noun
  1. 1. door drie gedeeld iets
    третий
  2. 2. (vooral meervoud) onbetrokken partij
    тре́тье лицо́
  3. 1. nummer drie in een rij
    третий
/ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
третий
noun
  1. дательный падеж
  2. датив
noun
тре́тье лицо́
pronoun
Третий Рейх
pronoun
Третья мировая война
noun
1. huidontsteking
дермати́т
noun
1. een specialisme binnen de geneeskunde dat zich bezighoudt met aandoeningen van de huid, de nagels en het haar, samen huidziekten genoemd
дерматоло́гия
noun
1. Huidspecialist
дерматолог
cardinalNumeral
1. het getal 13
  1. тринадцать
  2. трина́дцать
ordinalAdjective
тринадцатый
noun
1. ruimtelijke figuur met dertien vlakken
тринадцатигранник
cardinalNumeral
1. het getal 30
  1. тридцать
  2. три́дцать
noun
1. ruimtelijke figuur met dertig vlakken
тридцатигранник
verb
дезерти́ровать
noun
1.
дезерти́р
noun
1. het permanent verlaten van een krijgsmacht zonder toestemming
дезертирство
noun
1. onjuiste of misleidende informatie, die bewust verstrekt wordt met het oogmerk...
дезинформа́ция
noun
1.
выхухоль
noun
  1. Дезоксирибонуклеиновая кислота
  2. дезоксирибонуклеиновая кислота
adjective
1.
деспоти́чный
noun
деспоти́зм
noun
десе́рт
noun
1. legereenheid die om een bepaalde taak uit te voeren van het groter geheel is afgezonderd
наря́д
noun
1. onderdeel, kleinigheid
деталь
verb
2. ergens een signaal van door middel van apparatuur opvangen
вы́явить
verb
1. iemand van staatswege gevangen houden
заде́рживать
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
добродетель
adjective
1. bereid zich te gedragen in overeenstemming met algemeen aanvaarde waarden
добродетельный
/døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
дверь
noun
1. een handvat waarmee een deur wordt geopend of gesloten
дверна́я ру́чка
noun
1. een kleine mat, waarop men bij de deur de schoenen kan afvegen
ко́врик
/dœyˈterijʏm/
noun
1. een isotoop van waterstof
дейтерий
/dewteɾoˈnomjum/
pronoun
Второзако́ние
/'devəntər/
adjective
1. gemeente en oudste stad in de provincie Overijssel
Девентер
noun
1. woord of korte tekst die snel en tegelijkertijd duidelijk een bepaalde boodschap moet overbrengen
девиз
demonstrativePronoun
одина́ковый
/deʲɪsmə/
noun
деизм
noun
дха́рма
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam geen of te weinig insuline produceert
диабет
noun
диа́боло
noun
1. band (met edelstenen versierd) voor om het hoofd
диаде́ма
noun
1. vaststelling van een ziekte
диа́гноз
/'dɪɑɣnɔstɪ'seːrə(n)/
verb
1. aan de hand van verschijnselen de ziekte bepalen
диагности́ровать
adjective
диагности́ческий
adjective
диагона́ль
noun
een rechte lijn die twee niet-opeenvolgende hoekpunten van een veelhoek verbindt.
диагональ
noun
een vierkante matrix waarvan alle elementen buiten de hoofddiagonaal (↘) 0 zijn
диагона́льная ма́трица
noun
1. een symbolische en grafische voorstelling van een aantal zaken en hun onderling verband
диаграмма
noun
  1. дьякон
  2. диакон
/diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
  1. диалект
  2. диале́кт
/ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
диалектология
noun
диалог
noun
  1. 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
  2. 2. een edelsteen gesneden uit [1]
алмаз
noun
1. middellijn
диа́метр
noun
диапауза
/diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
понос
noun
диаспор
/diˈjaspora/
noun
диа́спора
adjective
2. gesloten
закрытый
preposition
1. op een korte afstand van
около
/dɪxtˈbɛː/, /dɪɣ.ˈbɛɪ̯/, /dɪχˈbɛɪ/
adverb
возле
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
поэт
noun
1. compactheid
плотность
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
диктатор
adjective
1.
диктаторский
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
диктатура
/dɪk'te/
noun
1. een tekst die wordt gedicteerd en door andere personen wordt opgeschreven als toets in het correct spellen
дикта́нт
verb
внущать
noun
1. Australisch, houten blaasinstrument afkomstig van de Aboriginals
диджериду́
/diˈdimijʏm/
noun
1. scheikundige stof
дидим
demonstrativePronoun
1. wijst iets aan dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de spreker bevindt
те
noun
2. een aanpassing in het eet- en voedingspatroon
[[режи́м]] [[питание|пита́ния]]
/dif/
noun
1. iem. die steelt
вор
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
  1. кража
  2. воровство
pronoun
1.
Дикирх
noun
лото́к
/ˈdinən/
verb
1. werken voor; in dienst zijn van
служить
noun
  1. 1.
  2. 4. kerkdienst
слу́жба
/ˈdinst.plɪxt/
noun
1. verplichting om ergens te werken
во́инская обя́занность
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
глубокий
adjective
оранжевая глубокая
/'diptə/
noun
1. de mate waarin iets diep is
глубина́
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen...
морозильник
/diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
животное
adjective
1. waaraan men grote waarde hecht
дорогой
noun
1. arts voor dieren, met name kleine huisdieren
ветеринар
noun
1. de verzameling van alle diersoorten
ца́рство живо́тных
/ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
зоопарк
noun
1. wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van dierziektes
ветеринария
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
зоология
noun
1. dieselmotor
ди́зель
noun
1. een locomotief met een dieselmotor als een energiebron
тепловоз
noun
ди́зельный дви́гатель
noun
  1. диффамация
  2. шельмование
noun
vergelijking voor een functie waarin een of meer van de afgeleiden van die functie voorkomen
дифференциа́льное уравне́ние
/dɪfərɛn'(t)ʃerə(n)/
verb
  1. 1. vanuit een homogeen geheel tot verschillende vormen komen
  2. 2. (wiskunde) het berekenen van de lokale stijging in een functie, het bepalen van de afgeleide van een functie
дифференцировать
noun
1. de vermenging van twee ongelijksoortige stoffen
диффу́зия
noun
1. infectieziekte
дифтери́я
adjective
цифровой
noun
дигра́мма
/dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
бедро
noun
бедренная кость
noun
1. een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
дамба
/dɪk/
adjective
    1. 1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
    2. 2. de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
    3. 4. ruim
    4. 5. hecht
    5. 6. nauw aaneengesloten
    6. 7. weinig vloeibaar
    гу́сто
  1. 3. een naar verhouding grote lichaamsomvang hebbend
    толстый
noun
3. kleine bruine motachtige dagvlindersoorten met een snelle schietvlucht
толстоголо́вка
adverb
часто
/dɪ'lɛmɑ/
noun
moeilijke keuze
дилемма
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
  1. укроп
  2. укро́п
noun
  1. 1. afmeting in een bepaalde richting
  2. 2. parameter van een wiskundige ruimte
  3. 3. categorie waarin een fysische grootheid valt
измере́ние
pronoun
1. Noordwest-Iraanse taal gesproken door 2,5 miljoen Koerden uit Turkije
зазаки
noun
диморфизм
noun
1. warme maaltijd
банке́т
verb
1. het diner gebruiken
поу́жинать
noun
1. voorwerp
вещь
/ˈdɪ.ŋəs/
noun
штуко́вина
noun
1. Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
динго
/ˌdinoˈsʌʊriər/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
динозавр
/ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
динозавр
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
  1. вторник
  2. вто́рник
noun
  1. диод
  2. дио́д
noun
диоксид
noun
диплодок
noun
1. een bewijs van bevoegdheid
аттеста́т
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
дипломат
noun
1. de kunst en de kunde van het voeren van overleg
диплома́тия
adjective
1. betrekking hebbende op de diplomatie
дипломати́ческий
/diploˈit/
adjective
1. met twee exemplaren van ieder chromosoom in de celkern
дипло́идный
adjective
1. zonder te wachten, zonder iets daartussen
непосре́дственный
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
дирижёр
/dɪs/
noun
1. gedekte tafel
стол
noun
1. beschrijvend overzicht van de elpee's of cd's van een artiest of muziekgroep
Дискография
noun
дискоте́ка
adjective
1. zonder aandacht te trekken, onopvallend
такти́чный
noun
1. onverwachte onderlinge afwijking
  1. расхождение
  2. разногласие
noun
  1. 1. bescheidenheid of kiesheid
  2. 2. geheimhouding
осмотри́тельность
noun
дискриминация
/ˈdɪskʏs/
noun
1. een zware werpschijf die gebruikt wordt bij de atletische sport discuswerpen.
диск
verb
обсуждать
noun
1. een atletiekdiscipline waarbij men een discus zo ver mogelijk probeert te werpen
метание диска
noun
дизъюнкция
noun
1. Magneetschijf
дискета
noun
дисквалификация
/dɪsəl/
noun
3. houtbewerkingsbijl
тесло́
noun
диссертация
adjective
диссидент
noun
диссонанс
adjective
1. naar het einde van de ledematen toe
диста́льный
noun
чертополо́х
verb
1. afzonderen van een gezuiverd product door het verhitten van een mengsel en afkoelen van de dampen
дистиллировать
noun
1. verdeling, verspreiding
pаспределение
noun
1. het gebied van een lokale overheid
ди́стрикт
demonstrativePronoun
  1. это
  2. эта
  3. этот
  4. эти
adjective
1. twee voorwerpen dragend die beide in een passieve constructie in een onderwerp omgezet kunnen worden
двупереходный
noun
1. urinedrijvend middel
диуре́тик
adjective
  1. 1. onderling duidelijk verschillend
  2. 2. gekenmerkt door de aanwezigheid van mensen met een verschillend achtergrond
друго́й
noun
1. verplaatsbaar tijdelijk toilet
каби́нка
noun
1. leer over gezonde voeding en de toepassing van die leer in de gezondheidszorg
диете́тика
/'dʒɛmbe/, /ˈdjɛmbe/
noun
1. soort trommel die oorspronkelijk vooral bespeeld werd in West-Afrika
джембе́
/(d)ʒi.ˈbu.ti/, /dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
Джибути
noun
1. de afkorting van desoxyribonucleic acid (desoxyribonucleïnezuur)
ДНК
pronoun
1.
Днепр
pronoun
1.
Днестр
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
кость
noun
1. een vrouwelijk kind
  1. дочь
  2. дочка
/ˈdɔktɔr/
abbreviation
1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
доктор
noun
1. een verzameling leerstellingen of dogmas die niet ter discussie staan
доктрина
noun
1. een verzameling gegevens
документ
adjective
документа́льный
noun
1. een op waarheid beruste film
документальный
/dokymɛn'taʦi/
noun
1. geschreven materiaal dat een bepaald onderwerp om- en beschrijft
документа́ция
verb
1. onderbouwen, staven
документи́ровать
noun
1. iemand die dood is, een gestorvene, overledene
мертвец
noun
1. C12H26
додекан
/'do:dələk/
adjective
1. de dood veroorzakend
смертоносное
/ˈdo.də(n)/
verb
1. iemand van het leven beroven.
  1. убивать
  2. убить
noun
1. dans van De Dood
пля́ска сме́рти
noun
1. een afgietsel van het gelaat van een dood persoon, gewoonlijk gemaakt van was of gips
посме́ртная ма́ска
/ˈdudɔɫˌzɑk/, /ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
волынка
noun
4. gordijn
за́навес
noun
  1. 1. een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld
    1. ворота
    2. гол
  2. 1. het punt waarop men zich richt
    цель
noun
1. de balk aan de bovenkant van een (voetbal)doel
перекла́дина
adjective
1.
бесце́льный
noun
  1. вратарь
  2. голкипер
adjective
целесообразный
noun
гол
noun
1. het punt waarop men zijn schiettuig richt
  1. мишень
  2. цель
verb
1. een actie ondernemen
  1. делать
  2. сделать
noun
1. een boom met zeer smakelijke maar stinkende vruchten
дуриа́н
noun
дож
/'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
догмат
adjective
догмати́ческий
noun
1. kamer zonder daglicht waarin foto's kunnen worden ontwikkeld en afgedrukt
тёмная ко́мната
/dɔl/
noun
  1. 1. roeipen
  2. 2. U-vormig steunpunt waarin een roeispaan rust
уклю́чина
noun
1. bovenste rand van een (roei)boot
планши́р
noun
до́льче фар ние́нте
verb
1. doelloos, richtingloos rondlopen
бродить
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Дельфин
/dɔlˈfɛɪ̯n/, /dɔlˈfɛːn/, /dɔɫˈfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛːn/, /ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
  1. дельфин
  2. дельфи́н
noun
  1. кинжал
  2. кинжа́л
/ ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
доллар
adjective
1. van weinig verstand getuigend
  1. глупый
  2. глупая
noun
1. hoofdkerk van een bisdom
собор
noun
владе́ние
noun
1. temming tot huisdier of cultuurgewas
доместика́ция
verb
1. tot huisdier of cultuurgewas temmen
одома́шнивать
noun
2. vijfde trede van toonladder
госпо́дствующий
noun
1. overheersing
госпо́дство
/domiˈnɪːrə(n)/
verb
1. het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden
домини́ровать
/ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
Доминиканская Республика
noun
1.
принцип домино
noun
2. werktuig
домкрат
verb
1. half in slaap zijn
грезить
/ˈdɔm.or/
noun
(milde benaming) dom persoon
дурак
noun
1. een schenking
пожертвование
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Дунай
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
гром
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
  1. четверг
  2. четве́рг
/ˈdɔndərə(n)/
verb
  1. 1. het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading.
  2. 2. op luide en barse toon een bevel geven of zijn ongenoegen uiten.
греме́ть
adjective
1. zonder licht
тёмный
noun
1. fijne veren die onder de taaiere buitenveren zitten, vaak gebruikt als vulstof voor kussens, dekbedden en slaapzakken
пух
adjective
1.
пушистый
/doːt/
adjective
1. niet meer levend
мёртвый
/doːt/
noun
  1. 2. skeletvormige figuur, vaak met zeis, die bovengenoemde toestand personifieert
    смерть
  2. 1. de toestand na het leven
    1. смерть
    2. мёртвый
/ˈdotxan/
verb
1. het leven verlaten
умереть
adjective
1. bij de geboorte al overleden
мертворождённый
noun
2. keversoort
могильщик
noun
3. hevige vrees
мука
/ˈdoːts.ɛsˌka.dər/
noun
1. bende die gevormd is om een of meerdere personen te doden
эскадрон смерти
noun
гроб
noun
1.
причи́на сме́рти
adjective
1. erg stil
молчать, как пле́нный партиза́н
noun
1. als straf gedood worden
  1. Смертная казнь
  2. смертная казнь
noun
1.de periode van het getij waarin het verschil tussen hoog- en laagwater minimaal is
малая вода
verb
1.
замалчивать
/doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
глухой
noun
  1. глухота
  2. глухота́
noun
1. smelten
оттепель
noun
желток
noun
1. stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
лабиринт
noun
1. plechtige besprenkeling of onderdompeling waarmee iemand tot een kerk gaat behoren
бапти́зм
/ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
купе́ль
/ˈdoːr/, /[doːr]/, /[dʊːr]/
preposition
  1. 3. in
  2. 6. als achterzetsel: doorheen
сквозь
noun
2. een cruciale ontdekking
проры́в
/dorˈdɛŋkə(n)/, /do̝rˈdɛŋkə(n)/, /ˈdordɛŋkə(n)/, /ˈdo̝rdɛŋkə(n)/
verb
1. [dóórdenken] ergens over blijven denken, ergens aan blijven denken
проду́мать
/ˈdoːrɣan/, /ˈdɔːrχan/
verb
1. tot het einde meemaken
продолжать
noun
перехо́д
adverb
1. geheel door
  1. насквозь
  2. сквозь
preposition
1. doorheen
сквозь
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
  1. колючка
  2. шип
noun
1. Datura stramonium, een zeer giftige plant die hallucinogene alkaloïden bevat
Дурман обыкновенный
/ˈdornəkron/
noun
1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
акантастер
noun
1. bepaalde soort vis, Squalus acanthias
катра́н
verb
проезжать
adjective
решительный
noun
1. het door een plaats, rivier of gebied trekken zonder dat deze plaats, rivier of dat gebied de reisbestemming is
перехо́д
/ˈdorvərˌkopə(n)/, /ˈdo̝rvərˌkopə(n)/
verb
1. iets verkopen dat onlangs is gekocht
перепродавать
verb
1. volhouden
добива́ться
/doʊs/, /doːs/
noun
1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
  1. коробка
  2. ящик
/dɔp/
noun
2. kapje ter afsluiting van iets
колпачо́к
noun
1.
дофами́н
verb
2. iemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
  1. крестить
  2. окрести́ть
noun
1. stimulerende (genees)middelen
допинг
noun
1. schijnbare frequentieverschuiving als de zender en ontvanger bewegen ten opzichte van elkaar
эффе́кт До́плера
/dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
  1. деревня
  2. село
verb
молотить
noun
1. toestel dat de graankorrels uit de korenaren slaat
молоти́лка
noun
жажда
noun
цеп
noun
1. vloer waarop gedorst wordt
гумно́
pronoun
Канал Дортмунд — Эмс
noun
1. (medisch) verstrekte hoeveelheid
до́за
noun
1. hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen
доза
noun
1. weduwe van een edelman
вдовствующая
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
таможня
/duʃ/
noun
1. stortbad
душ
noun
1.
гель для ду́ша
noun
1.
лейка душа
verb
1. een douche nemen
принимать душ
noun
1. een lipbloemige plant met bladeren die op die van de brandnetel lijken maar die niet branden.
ясно́тка
verb
1. een bestand van een computer of server op afstand naar een lokale computer of server overbrengen
скачать
/ˈdɑunvoʊtə(n)/
verb
1. met een stem tegen afwijzen in een populariteitspeiling
даунвоутить
noun
1. een set van twaalf
дюжина
/draːt/
noun
3. elektrisch verbindingsmateriaal
провод
/drat.los/, /ˈdraːd.loːs/
adjective
1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
  1. беспроводный
  2. беспроводной
/ˈdraxbar/, /ˈdraχbar/
adjective
1. te dragen, met de mogelijkheid gedragen te worden
переносно́й
noun
1. ongemoduleerde elektromagnetische radiogolf
несу́щий сигна́л
/ˈdraːɣ.mudər/
noun
суррога́тная мать
noun
1. stok waaraan men iets draagt
коромысло
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
токарный станок
noun
сценарий
noun
1. constructie van drie of vier deurbladen die rondom een gezamenlijke verticale as kunnen draaien, ter vervanging van een gewone deur m.n. gebruikt in winkels, ziekenhuizen enz.
враща́ющаяся дверь
/ˈdraːi̯ən/
verb
Vertalingen: na te kijken
вращать
noun
1. iemand die met een draaibank werkt
то́карь
noun
вито́к
noun
1. strijkinstrument met strijkwiel
колёсная лира
noun
1. een mechanisch bediend of automatisch spelend orgel, meestal op straat spelend
шарманка
pronoun
sterrenbeeld nabij de noordelijke hemelpool
Дракон
/draːk/
noun
  1. 2. open zeiljacht
    дракон
  2. 1. fabeldier
    1. дракон
    2. змей
/drɑf/
noun
1. draf bij viervoeters
рысь
verb
  1. 2. als kledingstuk of sieraad aanhebben
    носить
  2. 1. al van de vloer houdend vervoeren
    1. носить
    2. нести
adjective
1. van iets of iemand dat hij een belangrijke steun is
несу́щий
noun
5. voorwerp dat iets ondersteund
подкладка
/ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
эстрагон
noun
  1. 1.
    драгу́н
  2. 2. forse, bazige vrouw
    драгун
noun
1. vochtafvoering
дренаж
noun
  1. 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
  2. 2. een bepaald soort film of toneelstuk
драма
/drɑŋk/
noun
  1. 2. vloeistof om de dorst te lessen
  2. 1. alcoholhoudende vloeistof
напиток
/ˈdrɑs.tis/, /ˈdrɑs.tɪs/
adjective
1. doelgericht zeer ingrijpend
глубо́кий
verb
1. van paarden
рысить
noun
1. grassoort
костёр
noun
1.
дре́длоки
noun
1. onderdorpel van een kozijn
порог
/ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Дренте
pronoun
1.
Дрезден
verb
дрессировать
cardinalNumeral
1. telwoord
три
noun
1. het cijfer 3
три
adjective
1. bestaande uit drie atomen
трёхатомный
noun
1. vliegtuig met drie vleugels
трипла́н
adjective
1. met drie afmetingen, hoogte, breedte en diepte
в трёх [[измерение|измере́ниях]]
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Треугольник
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
треугольник
adjective
треуго́льный
noun
1. kleine tweekleppige zoetwaterschelp, oorspronkelijk uit het bekken van de Kaspische ...
речна́я дрейссе́на
noun
1. (romantische) verhouding waarbij drie mensen zijn betrokken
любо́вный треуго́льник
/ˈdriˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 300
триста
noun
триколор
noun
трезу́бец
noun
1.
моевка
noun
[[трёхколё́сный]] [[велосипе́д]]
cardinalNumeral
1. het getal 33
тридцать три
cardinalNumeral
1. het getal 93
девяносто три
cardinalNumeral
1. het getal 83
восемьдесят три
cardinalNumeral
1. het getal 23
двадцать три
cardinalNumeral
1. het getal 43
сорок три
cardinalNumeral
1. het getal 53
пятьдесят три
cardinalNumeral
1. het getal 63
шестьдесят три
/ˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 73
семьдесят три
noun
1. gas dat in spuitbussen gebruikt wordt om de inhoud onder druk te zetten
пропеллент
noun
шату́н
noun
1. bodem bestaand uit heel kleine korreltjes vergruisd gesteente, verzadigd met zoveel water dat alles wat zwaar is er in wegzakt
зыбучий песок
verb
  1. o1. iets of iemand voor zich uit doen bewegen
    гнать
    1. e1. op het oppervlak van een vloeistof rusten
    2. e2. in de lucht zweven
    плавать
adjective
неотло́жный
/'drɪŋkə(n)/
noun
  1. пить
  2. выпить
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
питьева́я вода́
noun
3. paardenziekte
мыт
verb
1. vocht laten of doen verdampen
сохнуть
noun
1. een toestel dat natte voorwerpen, bijvoorbeeld wasgoed droogmaakt
суши́лка
noun
winkel van een drogist
дрогерия
noun
1. uitwerpsel, ontlasting
говно́
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
  1. дромадер
  2. драмадэр
verb
1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
  1. мечтать
  2. помечтать
/drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
пьяный
noun
het zwaar onder invloed van alcohol zijn
градус
/droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
  1. сухой
  2. сухо́й
noun
2. droogzetinrichting voor schepen
эллинг
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
засуха
noun
  1. 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
    1. мечта
    2. сон
  2. 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
    1. сон
    2. грёза
noun
1. het duiden van de betekenis van de dromen die iemand heeft
онейрокрития
noun
zwart gekleurd snoepgoed
лакрица
noun
дурь
noun
наркоторговля
/'drɵksfər'slaːfdə/
noun
1. Verslaafd persoon
наркоман
noun
2. vrucht van de wijnstok
  1. виногра́дина
  2. виноград
verb
ка́пать
noun
1. een vruchtensap bereid uit druiven
виногра́дный сок
noun
1. pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
давление
verb
1. kracht uitoefenen op
жать
noun
1. een persoon die afdrukken maakt
печа́тник
noun
1. papier gevuld door een printer of een drukpers
печатная продукция
noun
ударная установка
/drɵ.pəl/
noun
  1. капля
  2. ка́пля
noun
друи́д
noun
1. mythologisch, vrouwelijk wezen dat in een bos of boom leeft
дриа́да
/ˈdʏbəl/
adjective
1. tweemaal voorhanden
двойной
noun
бипла́н
verb
1. twee keer, snel achterelkaar, met de muisknop op iets klikken
выполня́ть двойно́й щелчо́к
noun
1. dubbele toonverlaging
дубль-бемо́ль
/ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
бина́рная звезда́
/ˈdɵbəlcə/
noun
3. benaming voor muntstuk met de waarde van een tiende van een munteenheid
десятице́нтовик
/dʏbəl'zɪnəxhɛit/
noun
1. iets dat op meerdere manieren te interpreteren is
двусмысленность
noun
дублон
noun
1. een scheikundig element met het symbool Db
дубний
noun
1. een subgenre van elektronische dansmuziek dat eind jaren negentig is ontstaan in Engeland
да́бстеп
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Дудельдорф
/dʏf/
adjective
1. saai, doods
сверлильный
/ˈdœy̯dələk/
adverb
  1. 1. niet mis te verstaan
  2. 2. goed te herkennen
значительно
/dœʏ̯f/, /dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
  1. голубь
  2. го́лубь
adjective
голубо - серая
noun
ныро́к
noun
подводная лодка
/ˈdœy̯kə(n)/
verb
  1. 2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
    нырять
  2. 3. snel naar beneden gaan
    погружаться
noun
1. iemand die voor beroep of plezier zich onder de waterspiegel begeeft
водолаз
/'dœykspɔrt/
noun
1. langdurige onderwater verblijven en zwemmen
[[подводный|подво́дное]] [[пла́вание]] с [[акваланг|аквала́нгом]]
/dœy̯m/
noun
  1. 1. eerste, kortste en dikste vinger
    большой палец
  2. 2. lengtemaat
    дюйм
noun
1. het hoornen gedeelte van de eerste vinger van de hand
[[но́готь]] [[большой палец|большо́го па́льца]]
/dœʏ̯n/, /dœːn/
noun
  1. дюна
  2. дю́на
pronoun
1.
Дуйсбург
adjective
1. in weinig of geen licht badend
нея́сный
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
тьма
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
  1. немецкий
  2. неме́цкий
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
  1. немецкий
  2. неме́цкий
/ˈdœʏ̯tsə/, /ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
немка
pronoun
Германская Демократическая Республика
noun
1. hond uit een oorspronkelijk in Duitsland gefokt ras
немецкая овчарка
/ˈdœʏ̯tsər/, /ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
немец
/ˈdœʏ̯tslɑnt/, /ˈdœːtslɑnd/, /ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
  1. Германия
  2. Герма́ния
noun
  1. дьявол
  2. чёрт
noun
1. het gevoel zijn evenwicht te verliezen
головокруже́ние
/ˈdœy̆zənt/
noun
1000
тысяча
noun
тысячелистник обыкновенный
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
сороконо́жка
ordinalAdjective
тысячный
noun
1. oude munt
дукат
/dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
тонкий
noun
2. magerheid
то́нкость
verb
1. voorkomen
казаться
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon ramada
ramada
noun
1. deel van het spijsverteringskanaal tussen de maag en de dikke darm
то́нкая кишка́
noun
1. tweetal bij elkaar horende personen
дуэт
noun
1. 1075
кваттуорвигинтиллион
noun
1. 1072
тревигинтиллион
/'dyːrə(n)/
verb
1. een bepaalde tijd in beslag nemen
  1. длиться
  2. продолжаться
noun
1. enige tetraploïde tarwesoort die nog veel wordt verbouwd
пшеница твёрдая
conjunction
1.om die reden, daarom
поэтому
adverb
1. tot op dit moment
до сих по́р
verb
niet goedkoop
дорогой
/ˈdyːr.zam/
adjective
1. lang meegaand
длительный
noun
2.
экологическая устойчивость
noun
1. een schip dat zelf geen lading vervoert, maar als aandrijving werkt voor een aantal bijna vierkante stalen bakken met lading
буксир-толкач
/dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
толкать(ся)
noun
1.
[[блужда́ющий]] огонёк
adjective
1. onverstandig, gek
глупый
noun
1. iemand die onverstandig denkt en/of handelt
  1. дурак
  2. идиот
/dʋɑŋ/
noun
наси́лие
noun
1. werk dat onder dwang gedaan moet worden
каторга
noun
каторжник
noun
1. een kledingstuk dat de drager bewegingsvrijheid van de armen en handen ontneemt
смирительная рубашка
adjective
навязчивый
noun
1. psychische stoornis die gekenmerkt wordt door dwanggedachten en dwanghandelingen
обсессивно-компульсивное расстройство
/dʋɑrs/
adjective
через
/dʋɑrs/
adverb
1.
поперёк
/ˈdwɑrzbomə(n)/
verb
1. tegenwerken, moeilijkheden geven
воспрепя́тствовать
/ˈdʋɑrsflœʏt/
noun
1. een blaasinstrument dat dwars op de lippen geblazen wordt
современная флейта
/dʋɛi̯l/
noun
1. een stuk weefsel in natte vorm gebruikt om een gladde vloer te reinigen
[[половой|полова́я]] [[тря́пка]]
noun
1. een buitengewoon klein mens
карлик
noun
1. Anser erythropus
писку́лька
noun
1.
карликовая планета
noun
1. zeer kleine staat
карликовое государство
noun
1. kleinste soort van de vinvissen, Balaenoptera acutorostrata
северный малый полосатик
verb
1. iemand tegen zijn wil iets opleggen
заставлять
noun
springstof waarin nitroglycerine door een poreuze stof wordt vastgehouden
динамит
noun
динамо
adjective
1. betrekking hebbend op een erfelijke heerser
династический
noun
1. rode loop, bloeddiarree
дизентери́я
/ˌdɪsfaˈzi/
noun
1. een ontwikkelingsstoornis bij kinderen
дисфазия
noun
1.
дисфемизм
noun
1. sombere stemming, somber gevoel
дисфория
noun
дискинезия
/dɪslɛkˈsi/
noun
1. het onvermogen om woorden, waarvan men wel de letters ziet, in hun betekenis te vatten
дислекси́я
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
диспрозий
pronoun
  1. 1. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
  2. 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Дюрен
/ˈiːmeːɫ/, /ˈiːmɪːɫ/
noun
  1. 1. systeem voor het verzenden van berichten via een computernetwerk
  2. 2. bericht dat verstuurd is via e-mail
электронная почта
noun
1. adres voor het ontvangen en verzenden van e-mail
адрес электронной почты
/ˌodəkoˈlɔɲə/
noun
1. keulswater, reukwater
одеколон
noun
1. een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
отлив
/ˈɛ.xo/, /ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
эхо
noun
1. beeld (of foto) van organen dat gemaakt wordt via geluidsgolven die worden teruggekaatst
УЗИ
noun
1. het dwangmatig herhalen van woorden of zinnen, zonder de betekenis ervan daadwerkelijk te doorgronden
  1. зхолалия
  2. эхолалия
noun
Эхолокация
adjective
2. waarachtig, juist, niet vervalst
верный
noun
1. mensen die met elkaar getrouwd zijn
супруги
conjunction
1. een beperkende tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) beperkt
однако
pronoun
1. en 2.
Эхтернах
/ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
  1. муж
  2. супруг
/ˈɛxtxəˌnotə/, /ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
  1. супруга
  2. жена
noun
1. twee mensen die met elkaar getrouwd zijn
супруги
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
развод
noun
1.
эклер
adjective
эклектичный
/ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
экология
adjective
экологический
/ˌe.ko.ˈlox/, /ˌe.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
эколог
noun
2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
  1. экономика
  2. хозя́йство
adjective
1. betreffende economie
экономический
noun
1. deskundige op het gebied van de economie
экономи́ст
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
  1. Экосистема
  2. экосистема
noun
эктоплазма
noun
1. de naam voor elk element uit de achtste chemische reeks van het periodiek systeem
благоро́дный газ
noun
1. Cervus elaphus, hertensoort
благоро́дный оле́нь
noun
1. een metaal dat niet licht aan corrosie of oxidatie ten prooi valt
благородный металл
adjective
благодушный
noun
1. een stuk edelgesteente
драгоценный камень
noun
изда́ние
/et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
  1. присяга
  2. клятва
noun
1. echtgenoot of echtgenote
  1. супруг
  2. супруга
/ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
  1. белка
  2. бе́лка
noun
1. Bolletus edulis, een eetbare paddenstoel
белый гриб
noun
1. verdikking van de huid
мозоль
adjective
один
verb
дарёному коню́ в зу́бы не смо́трят
phraseologicalUnit
1. iets kopen zonder te weten wat de koopwaar is
купить кота в мешке
/enˈtwetʲə/
noun
1.
стенка
noun
вороний глаз четырёхлистный
/eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
утка
noun
1. insect uit de orde Ephemeroptera
подёнка
noun
Утиная печень
noun
согласие
/enˈdœydəx/
adjective
1. zonder twijfel
однозначный
cardinalNumeral
1. het getal 31
тридцать один
cardinalNumeral
1. het getal 91
девяносто один
cardinalNumeral
1. het getal 81
восемьдесят один
/ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
двадцать один
cardinalNumeral
1. het getal 41
сорок один
cardinalNumeral
1. het getal 51
пятьдесят один
cardinalNumeral
1. het getal 61
шестьдесят один
/ˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 71
семьдесят один
noun
  1. 1. bij elkaar horend geheel met kenmerkende eigenschappen
    еди́нство
  2. 2. maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt
    едини́ца
noun
1.
ячейка
noun
1. een matrix waarvan alle diagonale elementen 1 zijn en alle andere 0
едини́чная ма́трица
noun
единорог
adjective
1.
односло́жный
adjective
1. in het bezit van (slechts) één oog
криво́й
noun
1. kamer voor het verblijf van één persoon (bijvoorbeeld in een hotel of ziekenhuis)
[[одноме́стный]] [[но́мер]]
adjective
1. dezelfde mening hebbend
единоду́шный
adjective
моноязычный
noun
одноязы́чие
noun
одночлен
/eːnˈvɑudəx/, /eːnˈvɑudəχ/
adjective
  1. 2. zonder overdaad of vertoon
    обы́чный
  2. 1. niet ingewikkeld
    простой
noun
1.
моноци́кл
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
одиночество
adjective
1. met of aan één kant, belang, partij etc.
односторонний
/er/
noun
1. aanzien, roem
честь
/ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
позавчера
/ˈeːrlək/
adverb
1. vrij van leugen en bedrog
и́скренний
noun
1. het vertellen van de waarheid
добросовестность
adverb
1.
  1. сначала
  2. сперва
noun
1. nummer één in een volgorde
первый
noun
1. eerste kwartier
первая четверть
noun
  1. именительный падеж
  2. номинатив
phraseologicalUnit
1. grammaticale term die de spreker of sprekers aanduidt.
первое лицо
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
Первая мировая война
/ˈer.wrak/
noun
убийство чести
/ˈeːitbaːr/, /ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
съедобный
/ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
столо́вая
/etlepəl/
noun
1.
столо́вая ло́жка
noun
1. de behoefte om voedsel tot zich te nemen.
аппетит
noun
[[па́лочка]] для [[еды́]]
noun
наруше́ние пищево́го поведе́ния
/eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
  1. век
  2. столетие
noun
1. een feestelijke herdenking naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van iets
[[столетний|столе́тняя]] [[годовщи́на]]
/eːwɪx/, /eːʋəχ/, /eːβ̞əx/
adjective
1. voortdurend, zonder einde
вечный
/ɪːβ̞əχɛɪ̯t/
noun
1. alle tijd die nog zal komen
вечность
/e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Ефе́с
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
Ефесянам
adverb
1. doeltreffend
активный
noun
1. het effectief zijn
результати́вность
adjective
1. nuttig effect hebbend
эффекти́вный
noun
1. de mate waarin nuttig gebruik gemaakt wordt van het beschikbare bij een bepaald proces
эффекти́вность
/ɛx/, /ɛχ/
noun
1. een landbouw- of tuinbouwwerktuig dat gebruikt wordt voor het zaaiklaar maken van de grond
борона
verb
сровня́ть с землёй
adjective
уравни́тельный
/ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
  1. ёж
  2. ёжик
noun
1. wilde roos met gestekelde takken, geurige blaadjes, felroze bloemen en scharlaken bottels
шиповник
pronoun
Эгейское море
/xxxx/
noun
1. het uitsluitend op eigen belangen en gewin uit zijn
эгоизм
noun
1. een zelfzuchtig persoon
себялюбец
adjective
1. zelfzuchtig, gefocust op eigen voordeel
эгоистичный
/e.ˈɣɪp.tə/, /e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
  1. Египет
  2. Еги́пет
noun
египтоло́гия
/ɛɪ/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
  1. яйцо
  2. яйцо́
noun
1. bepaald soort zeevogel, Somateria mollissima
гага
adjective
1. betrekking hebbend op de visuele vermogens
эйдетический
noun
яйцерезка
noun
1. het geslachtsorgaan van de vrouw waarin eicellen gevormd worden
яичник
/ˈɛi̯ɣə(n)/
adjective
собственный
noun
1. iemand die iets in eigendom heeft
владелец
/'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
1. eigendomsrecht
собственность
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
имя собственное
noun
1. een gegeven karakteristiek die eigen is aan een bepaalde persoon of zaak
ка́чество
/ɛi̯k/, /ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
дуб
/ˈɛɪkəɫ/
noun
  1. 1. vrucht van de eik
  2. 2. top van een penis
жёлудь
noun
1.
садо́вая со́ня
/ɛɪ̯kə(n)/, /ɛːkə(n)/
adjective
1. vervaardigd van het hout van de eik
дубо́вый
/ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
  1. остров
  2. о́стров
/ˌɛilɑnt ˈmɛn/
pronoun
о́стров Мэн
noun
1. deel van de geslachtsorganen van de vrouw
ма́точная труба́
phraseologicalUnit
1.
хорошо всё то, что хорошо кончается
/ˈɛɪ̯ndə/, /ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
конец
adjective
1. een einde hebbende
коне́чный
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
эйнштейний
/ɛɪ̯s/
noun
1. een dwingende vraag
требование
pronoun
1.
Айзенах
pronoun
1.
Айзенштадт
/ɛiwɪt/
noun
2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
  1. протеин
  2. белок
noun
семяизверже́ние
verb
sperma uitwerpen
изве́ргнуть
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
сорока
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
локоть
/ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
Сальвадор
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
лось
noun
эластичность
noun
эластомер
noun
1.
электорат
/eləˈɣɑnt/
adverb
1. een prettige uitstraling hebbend door de subtiele afwerking
  1. изящный
  2. шикарный
noun
1. vakman op gebied van elektriciteit
электрик
/eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
электричество
noun
1. een krachtcentale waar elektriciteit wordt opgewekt
электростанция
adjective
1. door middel van elektriciteit
электрический
abbreviation
1. hersenfilm
электроэнцефалограмма
noun
электрохи́мия
verb
1. doden of ter dood brengen door elektrische stroom
[[казни́ть]] на [[электрический|электри́ческом]] [[стул|сту́ле]]
noun
[[сме́рть]] от [[электрический|электри́ческого]] [[ток|то́ка]]
noun
электро́д
adjective
1. met betrekking tot elektrische verschijnselen in levend weefsel
электрофизиологический
noun
  1. 1. chemische verbinding die in waterige oplossing in ionen wordt gesplitst
  2. 2. een stof of mengsel van stoffen gekenmerkt door het bezit van uitsluitend ionische geleidbaarheid
электроли́т
noun
1. een magneet waarvan het veld door een elektrische stroom veroorzaakt wordt
электромагнит
adjective
электромагнитный
noun
  1. электричество
  2. электромагнетизм
noun
электри́ческий мото́р
noun
1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
электрон
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
  1. электроника
  2. электро́ника
adjective
электро́нный
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
Электротехника
noun
электротерапи́я
noun
1. legering van goud en zilver
Электрум
noun
элемент
adjective
  1. элементарный
  2. основной
noun
элементарная частица
cardinalNumeral
1. het getal 11
одиннадцать
pronoun
1. een regionale Noord-Germaanse taal die gesproken wordt in de Zweedse gemeente Älvdalen
Эльвда́льский диалект
/ˈɛlf.də/, /ˈɛlv.də/
ordinalAdjective
1. nummer elf in een rij
одиннадцатый
noun
1. haringachtige, die paait in de bovenloop van rivieren en beken en ooit inheems was in de Benelux, Alosa alosa
шэд
noun
1. ruimtelijke figuur met elf vlakken
одиннадцатигранник
verb
  1. 1. verwijderen uit de vergelijking
  2. 2. verwijderen uit de bevolking, doden
ликвиди́ровать
/əl'kar/
reciprocalPronoun
1. als wederzijds lijdend voorwerp
друг друга
reciprocalPronoun
друг друга
noun
1. Gewricht
локоть
noun
1. armoedige, beklagenswaardige omstandigheden
беда
adjective
1. erg onaangenaam
жа́лкий
/ˈɛləpɛɪp/, /ˈɛləpɛːp/
noun
bot in de onderarm
локтевая кость
noun
  1. 1. twee-dimensionale figuur die wordt gevormd door alle punten waarvoor de som ...
  2. 2. een stijlfiguur waarbij een lopende zin wordt afgebroken, die echter door...
эллипс
noun
1. boomsoort
  1. ольха
  2. ольха́
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
Эльзас
/ɛlˈzɑsis/
noun
1. Een verzameling Alemannische dialecten die in de Elzas (Frankrijk) gesproken worden
эльзасский
verb
эмалировать
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
эмблема
noun
эмболия
noun
1. een organisme in het eerste ontwikkelingsstadium na de bevruchting
зародыш
noun
1. de wetenschap die zich met het ongeboren leven bezighoudt
эмбриоло́гия
adjective
2. betrekking hebbend op de ongeboren vrucht van een organisme
заро́дышевый
noun
1. longaandoening
эмфизема
noun
Эмиграция
/ˌemiˈχrɪːrə(n)/
verb
1. naar het buitenland verhuizen
эмигрировать
pronoun
Эмилия-Романья
/emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
эмират
/ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
  1. ведро
  2. ведро́
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
эму
noun
1. ideogrammen die worden gebruikt in Japanse elektronische berichten en webpagina's
эмо́дзи
noun
1.weergave van emoties door middel van een afbeelding, een teken of een combinatie van lees- en lettertekens
сма́йлик
noun
1. hevig gevoel, sterke gemoedsbeweging
чу́вство
adjective
1. zeer vatbaar voor gevoelens
эмоциона́льный
noun
сочувствие
adjective
1. wat op ervaring of proefneming berust
эмпирический
noun
stof die helpt bij het mengen van twee stoffen die normaal gesproken niet of moeilijk mengbaar zijn
эмульгатор
noun
эму́льсия
conjunction
  1. и
  2. а
conjunction
1. zowel afzonderlijk van als gezamenlijk met elkaar
и/или
noun
1. een stereo-isomeer dat het spiegelbeeld is van zijn tegenvoeter
энантиоме́р
noun
энцефалопатия
/ɛn.'kla.və/
noun
1. omsloten gebied
анкла́в
noun
1. een brief van de paus aan alle katholieke gelovigen
энциклика
/ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
энциклопедия
noun
1. laatste deel van het spijsverteringskanaal vlak voor de anus
пряма́я кишка́
adjective
1. van nature alleen in een specifiek gebied voorkomend
эндемический
adjective
1. met inwendige afscheiding in de bloedstroom, hormonaal
эндокри́нный
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de afscheidingen van klieren in het lichaam
эндокринология
noun
эндокрино́лог
noun
1. baarmoederslijmvlies buiten baarmoeder
эндометрио́з
noun
эндоско́п
noun
1. (kijk)onderzoek van lichaamsholten of inwendige kanalen
эндоскопия
adjective
1. waarbij warmte opgenomen wordt
эндотермический
noun
1.
энергетика
/enər'ʒi/, /enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
энергия
adverb
1. aan de ene kant
с одно́й стороны́
noun
1. een jong en excentriek persoon die veel last en verlegenheid veroorzaakt
анфа́н-терри́бль
adjective
1. angst veroorzakend
стра́шный
noun
1. hemels wezen
ангел
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Англия
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
  1. англичанин
  2. англичанка
  3. английский
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
  1. английский
  2. английский язык
noun
1. een grotere en lagere uitvoering van de hobo
английский рожок
/ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /ɛ.ŋəls.man/, /ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
англичанин
adjective
2. uniek
единственный
indefinitePronoun
1. een kleine mate
несколько
indefiniteCardinalNumeral
1. een vrij klein aantal
  1. несколько
  2. одни
indefinitePronoun
1. weinig, een paar
  1. несколько
  2. немного
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
  1. лодыжка
  2. щиколотка
noun
  1. 2. een band die om de enkel wordt gedragen
    [[ножно́й]] [[брасле́т]]
  2. 3. een band om de enkel met een zendertje
    электро́нный брасле́т
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
единственное число
/ɑŋ.ˈkɛː.tə/, /ɑ̃.ˈkɛt/
noun
1. een vragenlijst die aan meerdere personen wordt voorgelegd
опро́с
verb
1.
инсцени́ровать
noun
1. ontsteking van de ingewanden
энтери́т
noun
1. ontsteking van zowel de dikke als de dunne darm
энтѐроколи́т
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
adjective
1. hartstochelijk, met geestdrift
восторженный
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
noun
1. iemand die over iets of iemand geestdriftig is (vaak gebruikt als tweede deel van een samengesteld begrip
восторженный
noun
сущее
noun
энтомология
noun
1. een getal evenredig met de logaritme van het aantal realiseringmogelijkheden, ook wel gedefinieerd als de reversibele warmte gedeeld door de temperatuur
энтропия
noun
1. papieren omslag voor brieven
конверт
/ɛnˈzim/
noun
1. een organische molecuul dat biologische reacties mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf...
энзим
/ˈepɛnˌtezɪs/
noun
1. invoeging van middenlank
эпентеза
noun
1. het punt op het aardoppervlak loodrecht boven de haard van de aardbeving
эпицентр
/epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
эпидемия
noun
эпидемиология
adjective
1. met betrekking tot verspreiding van ziekten onder (delen) van de bevolking
эпидемиологѝческий
adjective
эпидеми́ческий
/epidyraɫ/
adjective
1. buiten het harde hersenvlies en de ruimte aan de buitenzijde van het harde ruggenmergvlies
эпидура́льный
/ˌepiˈfizə/
noun
1. een klier die onderdeel is van de epithalamus en melatonine uitscheidt
  1. шишковидная железа
  2. эпифиз
noun
эпифиты
noun
1. het vakgebied binnen de genetica dat de invloed bestudeert van de omkeerbare erfelijke veranderingen in de genexpressie die optreden zonder wijzigingen in de sequentie (volgorde van de basenparen) van het DNA in de celkern
эпигенетика
noun
эпигра́фика
noun
1. vallende ziekte, toevallen
эпилепсия
noun
1. een naschrift toegevoegd aan een boek of film
  1. эпилог
  2. послесловие
adjective
эпический
noun
эпистаз
noun
1. dekweefsel, bovenste laag van de huid en slijmvliezen
эпите́лий
/eˈpitetɔn/
noun
эпи́тет
noun
1. woord dat gevormd is op basis van een eigennaam van een persoon
эпо́ним
noun
1. kunsthars dat veel wordt gebruikt als tweecomponentenlijm
эпокси́дка
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Эппинген
noun
1. vijfde letter uit het Griekse alfabet ε
э́псилон
/ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
  1. Экваториальная Гвинея
  2. Экваториа́льная Гвине́я
adjective
1. betrekking hebbend op de evenaar
равноде́нственный
noun
1. passage van de zon door het vlak van de evenaar
равноденствие
adverb
1. onbepaald bijwoord van plaats: ergens
есть
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
эрбий
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
эрекция
noun
1. een groot geslacht van planten waarvan er 23 wilde soorten bekend zijn in Nederland
верони́ка
noun
1. grond behorend bij boerderijhuis
двор
adjective
  1. 1. wat op genetische wijze door nazaten verkregen kan worden
  2. 2. overdraagbaar op de oudste zoon, of meestal bij het ontbreken daarvan op de oudste dochter
насле́дственный
noun
1. degene die andermans nalatenschap erft
насле́дник
noun
1. een veelal kostbaar goed van van generatie op generatie door vererving overgegeven wordt
семе́йная рели́квия
pronoun
1.
Эрфурт
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
перворо́дный гре́х
adverb
где-то
noun
een zaak die gevoelens van onvrede oproept
доса́да
noun
эргономика
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Эри́да
/ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
  1. Эритрия
  2. Эритрея
/eriˈtres/
adjective
1. met betrekking tot of afkomstig van Eritrea
эритре́йский
verb
  1. 1. inzien, toegeven
  2. 2. als wettig, echt, juist aanvaarden
призна́ть
noun
1. een bevestiging van de juistheid of geldigheid van iets
признание
/ˌɛrˈkɛn.tə.lək/
adjective
благодарный
/ˈɛrkər/
noun
1. uitbouw aan een gevel
выступ
pronoun
1. + 2. stad en stadsdistrict
Эрланген
noun
1. stemming waarin men de dingen in hun wezenlijke waarde wil zien
серьёзность
adjective
1.
эроге́нный
noun
1-2. beschadiging en afslijting
  1. Эрозия
  2. эрозия
noun
1. kunst die nadrukkelijk seksuele activiteiten laat zien
эро́тика
adjective
эроти́ческий
noun
1. steen
  1. руда
  2. руда́
pronoun
1.
Рудные Горы
noun
2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
Извержение вулкана
adjective
1. bekwaam door ervaring
опытный
noun
1. een vorm van kennis
опыт
/ˈʔɛr.və(n)/
verb
1. de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
наследовать
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
  1. горох
  2. горо́х
noun
1. speelgoedpistool, bestaande uit een buis waardoor erwten of kleine voorwerpen worden geblazen
горохострел
noun
1. een groenige, lobbige soep vervaardigd van erwten
гороховый суп
noun
рожа
noun
1. de vorming van rode bloedlichaampjes
эритропоэз
pronoun
1. taal vooral in het oosten van Mordovië gesproken wordt
эрзянский
noun
1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
  1. ясень
  2. я́сень
noun
обостре́ние
verb
1. stapsgewijs toenemen in omvang, intensiteit
обостря́ть
noun
1. dwaze (jongens) streek
эскапада
/ɛsˌxatolo'gi/
noun
эсхатология
pronoun
1.
Эшеде
/ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
клён
noun
1. een kleine tactische eenheid bij de cavalerie (tegenwoordig gemechaniseerd of gemotoriseerd) of ...
эскадро́н
adjective
эзотери́ческий
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
осина
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
  1. эсперанто
  2. эспера́нто
noun
1. filologie van de kunsttaal Esperanto
эсперантология
noun
1. geconcentreerde koffie
эспре́ссо
noun
1. het meeste belangrijke
су́щность
/ɛsˈter/
pronoun
3. meisjesnaam
Есфи́рь
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
сло́жный эфи́р
/ɛsˈtetiˌka/
noun
1. het filosofisch discours over het wezen van kunst of het wezen van schoonheid
эсте́тика
adjective
эстетический
/ˈɛstis/, /ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
эстонский
/ˈɛslɑnd/, /ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
Эстония
noun
эстуарий
noun
1. dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden
есть
verb
1. het nuttigen van voedsel
  1. есть
  2. съесть
noun
1. C₂H₆
эта́н
/etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
этанол
noun
этиле́н
noun
1. een organische verbinding met de functionele groep R-O-R'
эфир
noun
1. een praktische wijsbegeerte die zich bezighoudt met wat goed en kwaad is
этика
adjective
1.
эфио́пский
/ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
Эфиопия
adjective
эти́ческий
noun
этология
noun
1. onderdeel van de pathologie dat zich bezighoudt met de oorzaken van ziekten
этиоло́гия
noun
1. tijdseenheid bestaande uit 24 uren
сутки
adjective
этнический
noun
этногра́фия
adjective
1. betrekking hebbend op de beschrijving van volkeren
этнографи́ческий
/ɛtnoːloːɣi/, /ɛtnoːloːʝi/
noun
этнология
/ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
гной
noun
  1. 1. woordherkomst
  2. 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
этимология
adjective
1.
этимологи́чески
noun
1. een rooms-katholiek sacrament dat een voortzetting is van het laatste avondmaal van Christus
Евхаристия
noun
1-2.
эвфемизм
noun
  1. 1. eufonium
  2. 2. een instrument van gestemde glazen
эуфониум
/ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
эйфория
noun
евгеника
/œykɑriotən/
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Eukaryota
эукариота
noun
  1. eвнух
  2. евнух
adjective
1.
еврази́йский
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
Евразия
interjection
1.
эврика
/'øː.ro/, /'ɵː.ro/
abbreviation
1. munt en munteenheid
евро
adjective
1. sterk tegen de Europese Unie gekeerd
еврофобский
/øːˈroːpa/, /ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
  1. Европа
  2. Евро́па
noun
1.
евродепутат
/ˌøːropeˈjaːn/, /ˌʏːropeˈjan/
noun
1. bewoner van het Europese continent of iemand die daarvan afkomstig is
европеец
/øːroˈpeːs/, /ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
европейский
pronoun
Европейский суд по правам человека
pronoun
Европейский парламент
pronoun
Европейский центральный банк
pronoun
Европейская комиссия
pronoun
Европейский суд по правам человека
pronoun
Европейский инвестиционный банк
pronoun
Европейский уполномоченный по правам человека
pronoun
Европейский совет
pronoun
Европейская счётная палата
/ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
  1. Европейский союз
  2. Европейский Союз
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
европий
pronoun
Европорт
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
эвтаназия
noun
эвтрофикация
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Ева
noun
эвакуация
/evɑky'erə(n)/
verb
эвакуи́ровать
noun
1. bespreking en beoordeling van de gang van zaken
анализ
noun
  1. Евангелие
  2. евангелие
noun
1. volgeling van Jesus die het verhaal van zijn leven en sterven op schrift gesteld heeft
евангели́ст
adjective
1. Deelbaar door twee
чётный
/evəˈnar/, /ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
экватор
adverb
1. ook, tevens
также
noun
1. belangrijke gebeurtenis
концерт
adjective
1. evenredig
пропорциона́льный
noun
1.
равновесие
noun
1. een turntoestel dat bij het damesturnen wordt gebruikt
бревно́
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
кабан
noun
1. wild varken
кабан
verb
1. aan een proces van geleidelijke veranderingen onderhevig zijn
разви́ться
/ˌevoˈlysi/, /ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
эволюция
noun
1. theorie over de stapsgewijze ontwikkeling van het leven
теория эволюции
adjective
эволюцио́нный
prefix
экс-
noun
1. onderzoek naar de kennis of vaardigheden van iemand door middel van ondervraging of opgedragen verrichtingen
экзамен
verb
1.aan een examen onderwerpen
испы́тывать
adjective
1. zonderling
чудаковатый
noun
1. schijf die...
чудаковатый
noun
1.
чуда́к
adjective
1. wat andere mogelijkheden uitsluit
исключительный
noun
отлуче́ние
noun
1. de verontschuldiging
извинение
verb
казнить
noun
Экзегетика
/ɛksɛm'plar/
noun
1. een individueel voorbeeld ergens van
экземпляр
noun
эксгибициони́ст
noun
поучение
noun
экзистенциализм
pronoun
исход
noun
внебра́чие
adjective
1. door oorzaken van buitenaf
экзогенный
noun
экзоним
noun
внесо́лнечная плане́та
noun
экзосфе́ра
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
экзоти́ческий
noun
расшире́ние
noun
экспеди́ция
noun
  1. эксперимент
  2. опыт
adjective
1.
экспериментальный
verb
1.
[[поста́вить]] [[о́пыт]]
noun
1. een computersysteem dat specifieke kennis van menselijke experts representeert en gebruikt om een probleem binnen een bepaald gebied op te lossen
Экспертная система
verb
взрывать
noun
взрыв
adjective
1. ontplofbaar
взры́вчатый
noun
1. ontplofbare stof of voorwerp
взры́вчатый
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
экспорт
noun
экспортёр
noun
экспрессиони́зм
/ɛk'stazə/
noun
1. een toestand van buiten zichzelf zijn door verrukking
экста́з
/ɛksˈtɛrn/
adjective
1. uitwendig
внешний
adjective
2.
внѐпарла́ментский
noun
экстраполяция
adjective
экстраверт
noun
ультраправые
pronoun
Эстремадура
noun
экстремизм
noun
1. iemand met radicale, extremistische standpunten, een aanhanger van een ideologie die ver van het politieke of maatschappelijke centrum ligt
экстремист
noun
1. vloeibaar make-up-product om lijnen rondom, boven of onder de ogen aan te brengen
ко́нтурный каранда́ш для глаз
pronoun
Иезекииль
/ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
  1. осёл
  2. ишак
noun
1. vrouwelijke ezel
осли́ца
noun
1. oor van een ezel
ослиное ухо
pronoun
Е́здра
/ˈfabəl/
noun
  1. 1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
    1. басня
    2. ба́сня
  2. 2. een verzinsel
    1. выдумка
    2. миф
    3. небылица
    4. сказка
noun
изготовле́ние
verb
1. een product door middel van werktuigen bewerken of vervaardigen
произвести́
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
  1. завод
  2. фабрика
noun
производи́тель
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
Фе́йсбук
noun
1. document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
  1. инвойс
  2. счёт
  3. счёт-фактура
  4. накладная
noun
3. product van een reeks factoren
факториал
/ˈfæːrøːə̯r/, /ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
Фарерские острова
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op de Faeröer
  1. фарерский
  2. фаре́рский
noun
1. vernietiging door een cel van schadelijke bestanddelen
фагоцито́з
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
фагот
noun
фаготист
/ˈfaːlən/
verb
1. niet bereiken van doelen
провалить
noun
1. (hulp)wetenschap die de vorm en de geschiedenis van de ridderorden én andere onderscheidingen bestudeert
фалеристика
pronoun
Фолклендские острова
adjective
1. met betrekking tot het mannelijk lid
фалли́ческий
adjective
фамилья́рный
/fa.ˈmi.li/, /fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
  1. cемья
  2. семья
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de familiale verhoudingen tussen personen
семейное право
noun
фанатизм
noun
фанданго
/foɱ.ˈfaːr/, /fɑn.ˈfa.rə/
noun
фанфа́ра
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
воображе́ние
adjective
фантастический
noun
фарад
/ˈfarao/
noun
1.
фараон
noun
Фараонов муравей
noun
1.
фарисе́й
noun
фармаце́вт
adjective
1. uit de farmacie, met betrekking tot de productie van geneesmiddelen
фармацевтический
noun
фармаце́втика
noun
фармакология
adjective
1. leer van de geneesmiddelen en de interactie tussen deze en een levend biologisch systeem betreffende
фармакологи́ческий
noun
1. spiertrillen
фасцикуляция
verb
1. iemands aandacht vasthouden
завора́живать
/fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
фашизм
adjective
1. van het fascisme
фашистский
noun
  1. 1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
  2. schijngestalt (astronomie)
  3. toestanden in een kringproces
  4. verschijningsvorm van een stof
аргумент
noun
фа́зовое простра́нство
adjective
1. noodlottig
роково́й
/fɑt'sun/
noun
1. goede manieren
поря́дочность
/ˈfʌʊna/, /ˈfʌːna/
noun
1. het geheel aan dieren in een gebied
фауна
/fo.tœj/
noun
1. Soort stoel
кресло
adjective
люби́мец
noun
фаворит
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
фазан
/fa.ˈsa.də/
noun
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
фасад
/febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
  1. февраль
  2. февра́ль
pronoun
  1. 2. Franse revolutie
    Революция 1848 года во Франции
  2. 1. Russische revolutie
    Февральская революция
adjective
1. met betrekking tot de ontlasting
ка́ловый
noun
Федерализм
/fe:/
noun
1.
  1. фе́я
  2. фея
noun
1. terugkoppeling
фидбек
noun
1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid
праздник
noun
выходно́й
noun
1. een extra lekkere, uitgebreide maaltijd die men met meerdere mensen gebruikt als een feestelijke gebeurtenis
банке́т
/ˌfe.jə.ˈrik/
adjective
1. sprookjesachtig mooi
феерический
/fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
факт
/fɛɪtələk/
adjective
1. daadwerkelijk
фактический
/fɛɪtələk/
adverb
1. daadwerkelijk
фактически
noun
1. het stimuleren van de penis met de mond, tong of keel
фелля́ция
noun
1. een zeilschip
фелука
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
  1. Феминизм
  2. феминизм
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
пажитник сенной
adjective
финики́йский
noun
феникс
noun
фенология
/fenoˈmen/
noun
1. een verschijnsel
феномен
adjective
феноменальный
noun
  1. феноменология
  2. феноменоло́гия
/fenilɑlɑninə/
noun
1. aminozuur
фенилаланин
noun
1.
фермио́н
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
фермий
noun
Платинит
/ˈfɛstiˌvɑɫ/
noun
  1. 1. een reeks optredens
    торжество
  2. 2. een groot evenement met zang en dans en muzikale optredens
    фестиваль
noun
1. vervolgverhaal in een krant of tijdschrift, dan wel op de radio of televisie
фельетон
/fɛs/
noun
1. bepaald soort hoed van Turkse oorsprong
  1. фес
  2. феска
noun
1. samentrekking van afzonderlijke spiervezels en een vorm van hartritmestoornis
фибрилляция сердца
noun
1.
фибриноген
noun
беллетри́стика
adjective
фиктивный
adjective
дове́ренный
/fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
велосипед
/ˈfitsərɛk/
noun
1. rek om fietsen te parkeren
вѐлопарко́вка
/ˈfiːtsər/
noun
1. iemand die met een fiets rijdt
велосипедист
noun
велосипе́дный шлем
noun
1. onderdeel van de kettingaandrijving van een fiets
Велосипедная трансмиссия
/ˈfitspɑt/
noun
1. een weggedeelte of vrijliggend pad dat is gereserveerd voor het gebruik door fietsers en snorfietsers.
Велосипедная дорожка
noun
велосипе́дный насо́с
noun
Велорикша
/fitsadəl/, /fitsadəɫ/
noun
Седло
/fi.ˈɣyːr/, /fi.ˈχyːr/
noun
телосложе́ние
noun
1. een heel fijn zaagje in de vorm van een dun zaagblad dat verticaal wordt gespannen in een lange horizontale beugel
ло́бзик
/ˈfi.(d)ʒi/, /ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
Фиджи
adjective
1. van geringe dikte
тонкий
phraseologicalUnit
1. kerstwens
  1. с праздником
  2. счастливых праздников
noun
мелкая пыль
adjective
1.
филантропи́ческий
noun
филателия
/faɪl/
noun
1. lange rij met stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen of personen
пробка
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
Филимо́н
/filiˈjal/
noun
1. een pand in een reeks van panden
ветвь
/ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Филиппины
/fili'pɛɪns/
pronoun
1. de officiële taal van de Filipijnen
пилипи́но
pronoun
Посла́ние к Филиппи́йцам
noun
  1. 2. een dun en oprolbaar medium om beelden op te nemen in een camera
    1. плёнка
    2. фотоплёнка
    1. 1. een dunne laag
    2. 3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
    1. фильм
    2. кинофильм
verb
1. beelden van iets vastleggen op film
снима́ть
noun
1. feestelijk evenement waarbij het tonen van films centraal staat
кинофестиваль
/'fɪlmkɵnst/
noun
1. kunstvorm die gebruikt maak van het verfilmen als medium
кинемато́граф
noun
фильмография
noun
Филология
/filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
  1. философия
  2. филосо́фия
adjective
1.
философский
/fɪltər/
noun
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
фильтр
noun
1. filtrering
фильтра́ция
noun
1. de beslissende wedstrijd in een toernooi tussen de laatste twee deelnemers
финал
adjective
1. met betrekking tot geld, geldelijk
финансовый
verb
1. voorzien van de benodigde geldmiddelen
авансировать
verb
притворяться
/ˈfɪnlɑnd/, /ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Финляндия
/fɪns/
adjective
1. betreffende Finland of het Fins
  1. финский
  2. финляндский
/fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
  1. финский
  2. финский язык
pronoun
1.
  1. Фи́нский зали́в
  2. Финский залив
noun
  1. 1. een handelsvennootschap waarbij de vennoten hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk zijn
  2. 2. een zaak of bedrijf
фирма
noun
1. een grofkorrelige substantie ontstaan uit sneeuw en ijs, van waaruit gletsjers ontspringen
фирн
adjective
фина́нсовый
noun
1. een kanaalvormige zweer
свищ
/fjɔrd/, /fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
фьорд
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
фламинго
noun
1. een textielsoort van los gesponnen garen, gewoonlijk van geruwde wollen of katoenen stof, ...
флане́ль
adjective
флане́левый
/ˈflɑp.or/
noun
2. iemand met grote oren
ушастый
adjective
2. in overdrachtelijke zin smakeloos
беспонто́вый
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Флайн
noun
1. dun soort pannenkoekje dat zowel als hoofdgerecht en als nagerecht gegeten wordt
блин
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
флеровий
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
  1. бутылка
  2. бутыль
adjective
темно – оливковая
/flɛts/
adjective
1. een vale kleur hebbend
  1. блеклый
  2. невыразительный
  3. тусклый
/ˈflevoˌlɑnt/, /ˈfleːvoˌlɑnd/, /ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Флеволанд
/flɛkˈsibəl/
adjective
1. het vermogen hebbend gebogen te worden
гибкий
/ˈflɛk.si/
noun
2. vormverandering van een woord
измене́ние фо́рмы сло́ва
/ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
Флоренция
pronoun
1.
Фло́рида
noun
1. betaalmiddel uit Florence dat later in heel Europa is gebruikt
флори́н
noun
флотилия
/floˈem/
noun
1. het levende gedeelte van de vaatbundels in planten
луб
verb
1. spreken met gedempte stem
шептать
noun
  1. 1. buisvormig blaasinstrument
  2. 4. een slank drinkglas
флейта
verb
1. een fluit bespelen
свистеть
noun
1. Anthriscus sylvestris, plant uit de schermbloemen familie
купы́рь лесно́й
noun
1.
пищу́ха
noun
1. musicus die een fluit bespeelt
флейтист
noun
чайник
noun
1.
свист
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
фтор
noun
1. het uitzenden van licht ...
флюоресценция
noun
фтори́д
noun
1. een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde...
аксами́т
adjective
1.
бархати́стый
noun
1. een vidaduct ter voorkoming van een gelijkvloerse kruising
виаду́к
noun
1. Sedimentaire gesteentelagen
флиш
noun
1. een ziekelijke vrees
фобия
/ˈfokʏs/
noun
2. een punt of verzameling van punten waar alle stralengangen samenkomen
[[концентра́ция]] [[внимание|внима́ния]]
/ˈfu.li/
noun
1. Myristica fragrans
ма́цис
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
плод
noun
A 1. driehoekig zeil bevestigd aan de voorstag
фок
verb
1. dieren houden om ze te laten voortplanten
развести́
noun
1. voorste mast van een driemastschip
фок-ма́чта
noun
1.
станио́ль
noun
1. alles wat een volk creëert of heeft gecreëerd
фолькло́р
noun
1.
фольклори́ст
noun
1. een ontsteking van de haarzakjes
фолликули́т
noun
3. effect (waardepapier)
Инвестиционная компания
noun
фондю
noun
1.
фонема
/ˌfoneˈtik/
noun
1.
фонетика
adjective
фонети́ческий
/ˌfonoloˈɣi/
noun
1.
фонология
/ˌfonɔˈloɣ/
noun
1. een persoon die fonologie gestudeerd heeft
фоно́лог
noun
  1. 1. nog niet verbeende plek in de schedel van een baby
  2. 2. beschermkoker bij sommige oude muziekinstrumenten
родничо́к
/fɔnˈtɛɪn/, /fɔnˈtɛːn/
noun
1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
фонтан
noun
  1. соска
  2. пустышка
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
форель
adjective
1. (juridisch) betrekking hebbend op justitie
судебный
noun
1.
формальдеги́д
noun
1. iemand die zich angstvallig houdt aan regels en voorschriften
формали́ст
noun
1. een resonantie (een significante smalle piek) op een bepaalde frequentie
форманта
verb
2. de harde schijf of een verwisselbare schijf volledig leeghalen
формати́ровать
/fɔrˈmel/
adjective
1. met inachtneming van strikte omgangsvormen
официа́льный
noun
фо́рмула
pronoun
1. categorie in de autosport
Формула 1
/fɔrmyˈlir/
noun
1. een stuk papier waarop voorgedrukte vragen kunnen worden beantwoord
  1. бланк
  2. формуляр
noun
печка
pronoun
1.
Фор-де-Франс
noun
1. een zout van een van de vormen van fosforzuur
фосфат
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
фосфор
noun
1 en 2
  1. фото
  2. фотография
noun
фотоальбо́м
noun
1. lichtschuwheid
светобоя́знь
adjective
1.op foto's een voordelige indruk makend
фотогени́чный
noun
1. iemand die fotos maakt
фотограф
verb
1. een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag
фотографировать
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
фотография
noun
1. een fotografisch gemaakte kopie
фотокопия
verb
1. een fotokopie maken van iets
снимать
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
фотон
verb
1. bewerken van foto's en ander digitaal beeldmateriaal via de computer
фотошопить
noun
1.
  1. фотосинтез
  2. фотоси́нтез
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
фотоаппарат
verb
1. iemand aftasten of er iets op het lijf gedragen wordt
обы́скивать ощу́пыванием
/fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
ошибка
noun
1. naam voor twee verschillende hondenrassen n.l. de gladharige foxterriër...
фокстерье́р
/fwɑ.ˈjeː(r)/, /fʋa.ˈje/
noun
1. verzamelplaats, zaal voor de verpozing (bijvoorbeeld in een hotel of schouwburg)
фойе́
/ˈfrɑksi/
noun
  1. 1. een klein deel
  2. 2. gezamenlijke vertegenwoordigers van een politieke partij in een volksvertegenwoordiging
фракция
noun
  1. фрагмент
  2. кусок
  3. часть
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
  1. малина
  2. мали́на
adjective
малиново - красный
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
франций
noun
1. reeks afhangende draden die ter versiering aan de rand van een kleed of kledingstuk gehangen worden
бахрома
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalaropus
плаву́нчик
/frɑŋk/
noun
munteenheid
франк
pronoun
Франкфурт-на-Майне
adjective
франкский
/ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
  1. Франция
  2. Фра́нция
/frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
французский
/frɑns/
pronoun
1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
  1. французский
  2. францу́зский
pronoun
Французская Гвиана
pronoun
Францу́зская Полине́зия
/ˈfrɑns.man/, /ˈfrɑns.mɑn/
noun
1. iemand uit Frankrijk
француз
adjective
  1. 1. de Franse taal sprekend
    франкоговоря́щий
  2. 2. taaluiting in het Frans
    франкоязычный
noun
1. een aantal woorden die een begrip uitdrukken, vaak een zinsdeel, soms een hele zin
фразеологизм
noun
1. het in frasen onderverdelen, met name gezegd van het articuleren van afzonderlijke muzikale zinnen in een muziekstuk, dat hierdoor als geheel beter moet klinken
фразировка
/fratər/
noun
1. bepaald soort vogel, Linaria flavirostris
го́рная конопля́нка
noun
1. bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
Мошенничество
verb
1. gelden wederrechtelijk ontvreemden
обма́нывать
noun
1. graanproduct gemaakt van geroosterde groene tarwe
фрике
noun
фрезерный станок
noun
1.
[[бесплатный|беспла́тное]] ПО
noun
  1. 1. Oorlogsschip
  2. 2. Driemaster
фрегат
noun
фрега́т
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
частота
noun
1. frequentiemeter
частотомер
noun
  1. 1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
    хорь
  2. C 1. metalen richel op de hals van een snaarinstrument (gitaar) waarop de snaar wordt afgeknepen
    бридж
/frɔɪdɪˈaːns/
adjective
1. volgens de leer van Sigmund Freud of zoals men vindt in diens geschriften en leerstellingen
фре́йдовский
verb
1. frezen
фрезеровать
pronoun
1.
Фридрихсхафен
noun
1. en 2.
фри́зский
pronoun
  1. 1. Westerlauwers Fries
    западнофризский
  2. 2. benaming voor een Germaanse taal
    1. фризский
    2. фри́зский
/ˈfrislɑnd/, /ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Фрисландия
noun
1. de benaming voor een gerecht van gefrituurde aardappelreepjes ('patat frites')
картофель фри
adjective
1. zojuist schoongemaakt, prettig ruikend
све́жий
noun
фриво́льность
verb
1. van verbazing of afkeuring de wenkbrauwen ophalen
морщить
noun
  1. 2. gevechtslinie
  2. 1. voorkant
  3. 2. begrenzing tussen twee luchtmassa's
фронт
adjective
1. met betrekking tot de voorkant van iets
ло́бный
noun
1.
ли́ния фро́нта
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
фруктоза
/frœʏ̯t/, /frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
  1. фрукт
  2. плод
  3. фрукты
noun
1.
плодо́вое де́рево
noun
1. koude schotel met verschillende soorten fruit
фрукто́вый сала́т
noun
1. een gevoel van ongenoegen omdat verwachte voortgang uitblijft
крах
verb
мешать
noun
фу́га
/fœyf/
noun
вечеринка
noun
  1. 1. taak
  2. 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
  3. 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
  4. 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
функция
noun
служебное слово
verb
1. ~ als een bepaalde functie vervullen
действовать
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
фундаментализм
adjective
1. aan de basis staande
основно́й
noun
фунгици́д
noun
си́нтез
/fʏt/
noun
1. de benodigde energie en zin ergens voor
энергия
adjective
безвольный
noun
1. bepaald soort watervogel, Podiceps cristatus
чомга
/ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
физика
noun
физиология
adjective
1. door de natuur bepaald, de natuurlijke verrichtingen van levende wezens of hun organen betreffend
физиологический
noun
физиотерапия
noun
фитопатология
/føn/
noun
1. een toestel dat een warme luchtstroom voortbrengt voor het drogen en opmaken van het kapsel
фён
/ɣaːj/
noun
1. middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, Garrulus glandarius
сойка
/ɣaːn/, /χaːn/
verb
1. zich in een bepaalde richting bewegen
  1. идти
  2. ходи́ть
adverb
1. geleidelijk aan, bijna ongemerkt
постепенно
/ɣas/
noun
1. een uit dunne gevlochten metalen draadjes gemaakte mat
се́тка
/'ɣa.bɔn/, /ɣa.'bɔn/, /χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
  1. Габон
  2. Габо́н
adjective
1. op Gabon betrekking hebbend
габо́нский
noun
1. echtgenoot, echtgenote
  1. супруг
  2. супруга
/ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
гадолиний
/ˈɣɑ.fəl/, /ˈɣɑ.fəɫ/, /ˈχɑ.fəɫ/
noun
1. rondhout
гафель
noun
1. een trapeziumvormig zeil dat aan de bovenkant uitgehouden wordt door een gaffel
га́фельный па́рус
noun
1.
гла́вный освети́тель
noun
[A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
  1. жёлчь
  2. желчь
adjective
галактический
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
Посла́ние к Гала́там
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
жёлчный пузырь
noun
1. een loodsulfide met de chemische formule PbS
галенит
noun
галере́я
/χɑlx/
noun
1. houten constructie bestaande uit één of meer staande balken met een horizontale balk haaks daarop en één of meer diagonale balken ter ondersteuning, in het verleden veel gebruikt om mensen door ophanging ter dood te brengen
виселица
noun
2. slecht persoon die gestraft zou moeten worden
ви́сельник
noun
1. de laatste maaltijd die een ter dood veroordeelde mag nuttigen
прощальный обед
/'ɣɑlɣə(n)strɔp/
noun
1. een tot strop geknoopt touw zoals dat aan een galg gehangen wordt ter verhanging van een veroordeelde
петля
adjective
  1. 1. een Spaanse regio in het noordwesten van het Iberisch schiereiland
  2. 2. betreffende het Galicisch
галиси́йский
pronoun
1. Romaanse taal gesproken in Galicië
галиси́йский
/ɣɑˈlisɪə/, /ʝɑˈlisɪə/
pronoun
1. Spaanse regio
Галисия
pronoun
Галиле́я
noun
1. historisch zeilschip
галео́н
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Frans of gevormd naar Frans voorbeeld
галлицизм
pronoun
1. uitgestorven taal
галльский
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
галлий
pronoun
Га́ллия
noun
галл
noun
1. streektaal die gesproken wordt in Frankrijk
галло
noun
1. Angelsaksische inhoudsmaat
галло́н
verb
1.
галопи́ровать
noun
1. een vaste structuur in de galwegen of de galblaas bestaande uit neergeslagen cholesterol, bilirubine of kalkzouten
же́лчный ка́мень
adjective
1. door een elektrochemisch proces aangebracht
гальванический
/'ɣɑm.bi.ja/, /'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Гамбия
adjective
гамби́йский
noun
  1. 1. bepaald soort liaan uit Indonesië, Uncaria gambir
  2. 2. stof
гамбир
noun
1. schaakopening
гамбит
noun
1. mannelijke gans (Anser en Branta)
гусь
noun
1. lange smalle ruimte
коридор
noun
1. smalle strook aan de zijkant van het dek van een schip direct naast de reling
трап
noun
1. zenuwknoop
ганглий
/ˈɣɑŋ(g).pɑd/, /ˈɣɑŋ.pɑt/, /ˈχɑŋ.pɑt/
noun
1. een pad voor wandelaars, voetpad
прохо́д
/gɑŋ'gren/
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
гангрена
/ ˈgɛŋstər /
noun
1. een lid van een criminele organisatie
гангстер
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
  1. гусь
  2. гусыня
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ганимед
noun
1. orgaan dat een grote rol speelt in de stofwisseling van een gans (Anser anser), na het slachten vaak gegeten als delicatesse
гусиная печень
/ˈɣa.pə(n)/, /ˈɣaː.pə(n)/, /ˈχa.pə(n)/
verb
  1. 2. met open mond vol verwondering ergens naar kijken
  2. 3. wijd openstaan
[[разева́ть]] рот
/ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
  1. 2. een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
    авторемонтная мастерская
  2. 1. een overdekte autostalling
    гараж
/ɣarɑndɪːrə(n)/
verb
1. de uitkomst ergens van verzekeren
гарантировать
/ɣa'rɑn(t)si/, /ɣa'rɑnsi/
noun
1. verklaring waarin men verklaart voor bepaalde gevolgen in te staan
гара́нтия
noun
сбруя
noun
1. samengebonden bundel halmen
сноп
noun
креветка
pronoun
1.
Гаронна
/ɣɑs/, /χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
газ
noun
1. een buis waardoor verschillende materialen in gasvorm vervoerd kunnen worden
газопровод
noun
het rechter pedaal van een auto waarmee de brandstoftoevoer naar de motor geregeld wordt
акселера́тор
/ɣɑst/, /χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
  1. гость
  2. гостья
noun
1. iemand die tijdeljk naar een ander land komt om daar arbeid te verrichten
гастарбайтер
noun
1.
гостево́й дом
noun
  1. 1. een man
  2. 2. (biologie) een organisme
кле́тка-хозя́ин
noun
1. maagwandontsteking
гастри́т
noun
гастроэнтерит
adjective
1. met betrekking tot maag en darm
желудочно-кише́чный
noun
гастрономия
/ɣɑstˈfrɛɪ/, /ʝɑstˈfrɛː/
adjective
1. gul in het onthalen of herbergen van gasten
гостеприи́мный
noun
гостеприимство
noun
хозя́йка
/ɣɑt/, /χɑt/
noun
1. opening
дыра
noun
1. politieke beweging in Frankrijk ontstaan na de Tweede Wereldoorlog gekenmerkt door een sterke nationale republiek, eenheid en een sterk presidentschap
голлизм
noun
  1. 1. een bijzondere aanleg
  2. 2. een geschenk
дар
noun
гавиал
noun
гей-рада́р
pronoun
1. exclave van Palestina tussen Egypte, Israël en de Middellandse Zee
Га́за
noun
1. benaming voor slanke hoefdieren
газель
adjective
общепринятый
noun
  1. язык жестов
  2. же́стовый язы́к
/ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
молитва
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
  1. го́рная цепь
  2. го́рный хребе́т
/ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
произойти́
noun
1. iets dat zich voordoet
событие
/ɣəˈbit/, /χəˈbit/
noun
1. een deel van het aardoppervlak
область
noun
1. alle tanden en kiezen van een dier of mens
вставная челюсть
/xəˈblat/
noun
1. het blaten van een schaap
блеяние
/ɣəˈbladərtə/, /χəˈbladərtə/
noun
1. een verzameling van bladeren van één of meer bomen
листва
noun
заповедь
/ɣəˈboːrtə/, /χəˈbo̝ːrtə/
noun
1. actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint
зарожде́ние
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel geboorten er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
рождаемость
noun
1. een opvallende tijdelijke toename in het aantal geboorten
бэ́би-бу́м
adjective
  1. 1. ter wereld gebracht, gebaard
  2. 2. begonnen, ontstaan
  3. 3. door herkomst of natuurlijke aanleg
урождённый
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
  1. здание
  2. постройка
  3. строение
noun
2. een defect
недостаток
noun
1. een dof trillend geluid
жужжа́ние
noun
2. toepassen van iets
испо́льзование
adjective
1. naar gewoonte, zoals men regelmatig doet
обычно
/ɣəˈbrœʏkən/, /χəˈbrœʏkən/
verb
1. zich bedienen van, toepassen
  1. использовать
  2. употреблять
/ɣə'brœːkər/, /χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
пользователь
noun
1.
[[и́мя]] [[пользователь|по́льзователя]]
adjective
1. een grotere eenheidscel dan de primitieve hebbend, zo gekozen om de rotatieassen beter in dekking te brengen met de translatievectoren van de cel
центрированный
/ɣə'dɑɣdə/, /ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
мысль
noun
1. een reeks op elkaar volgende denkstappen
ход мы́слей
noun
дистиллированная вода
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
стихотворение
/ɣə'dɛɪə(n)/
verb
1. voorspoedig groeien
благоденствовать
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
поведение
verb
1. zich ~: de manieren die iemand meest in de omgang met anderen aan de dag legt
[[вести́]] [[себя́]] [[пра́вильно]]
noun
1.
ко́декс поведе́ния
/xə'drɑxswɛizə/
noun
1.
манера
/ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
терпение
/gə'dʌldəx/
adjective
1. bereid te wachten en tegenslagen te verdragen
терпеливый
preposition
tijdens
в продолже́ние
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
жёлтый
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
noun
1. kleur tussen oranje en groen
жёлтый
adjective
желто – серый
adjective
зелено – желтая
adjective
желто - оранжевая
noun
желтуха
indefinitePronoun
1. ontkennend onbepaald lidwoord: tegenovergestelde van één, niet een
нет
adverb
никоим образом
/ɣeːst/, /χeːst/
noun
1. dat wat zich afspeelt in iemands gedachten
ум
adjective
1. met humor, gevat
остроу́мный
pronoun
1.
Гестланд
/ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
зевать
noun
шёпот
noun
1.
хихи́канье
noun
мясорубка
noun
1.
пре́данность
noun
совокупность
/ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
  1. секретный
  2. тайный
noun
1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
память
noun
Эффект памяти формы
noun
амнезия
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
слух
adjective
1. voorzien van horens
рога́тый
/ɣə'hoːrzam/, /ɣə'ɦoːrzam/, /χə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. bereid gehoor te geven aan regels of bevelen
послушный
verb
1. gevolg geven aan een opdracht of bevel
  1. подчиняться
  2. повиноваться
noun
1. instrument voor het meten van radioactieve straling
счетчик Гейгера
/ˈɣɛɪ̯t/, /ˈɣɛːt/, /ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
  1. коза
  2. козёл
noun
козий сыр
noun
voedzaam vocht dat tepels van een geit afscheiden
козье молоко
/ɣɛk/, /χɛk/
adjective
  1. обалде́нно
    1. 2. bezittende een zeer lage intelligentie, krankzinnig
    2. 4. knettergek
    помешанный
noun
1. gekko
геккон
noun
2. een product om haar mee in model te houden
гель
noun
лик
/ɣəˈlɑx/
noun
1. het lachen
смех
verb
[B] voltooid deelwoord van lassen
сварной
/ˈɣɛlt/, /ˈχɛlt/
noun
1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
деньги
/ˈɣɛldərˌlɑnd/, /ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Гелдерланд
/ˌɣɛldərsəˈros/
noun
1. Viburnum opulus
калина
adjective
1. waarvan de waarde of wettigheid erkend wordt
действительный
noun
валю́тный ры́нок
noun
1. bepaalde infectieziekte, veroorzaakt door het gelekoortsvirus
амарилле́з
/ɣəˈledə(n)/, /χəˈledə(n)/
adverb
1. een woord om aan te duiden dat iets zich in het verleden af heeft gespeeld
тому назад
/ɣə.let.ˈpo.tə.ɣə/, /ɣə.ˈleːd.ˌpoː.ti.ɣə/, /χə.let.ˈpo.tə.χə/
noun
1. een dier met een uitwendig skelet van chitine
членистоно́гое
adjective
1. zich veel aan studie gewijd hebbend
учёный
noun
1. iemand die onderricht en bekwaam is in een bepaalde tak van de wetenschap
знато́к
/ɣǝ.'le.ɣǝn.ɦɛjt/
noun
1. mogelijkheid tot
[[удо́бный]] [[слу́чай]]
verb
проводи́ть
noun
  1. 1. elektrische stroomgeleider
  2. 2. warmtegeleider
проводни́к
/ɣəlɛɪgˈbenəx/
adjective
1 & 2.
равнобе́дренный
noun
1. de mate waarin iets of iemand aan een ander doet denken
подо́бие
noun
равенство
noun
постоянный ток
noun
1. het op hetzelfde moment plaatsvinden van meerdere gebeurtenissen
одновре́ме́нность
adjective
1. alle zijden gelijk in lengte
равносторо́нний
/ɣə'lɔftə/
noun
1. een plechtige verklaring iets voortaan te zullen doen of na te zullen laten
заро́к
/ɣəˈlof/, /χəˈlof/
noun
1. godsdienst
религия
noun
1. de mate waarin iets of iemand verdient geloofd te worden
креди́т доверия
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
  1. верить
  2. ве́рить
/ɣə.ˈlo.vi.ɣə/, /ɣə.ˈlo.və.ɣə/, /χə.ˈlo.və.χə/
noun
1. iemand die een bepaald geloof aanhangt
ве́рующая
adjective
1. zodanig geïsoleerd dat geluiden niet binnen kunnen dringen of de ruimte verlaten
звуконепроница́емый
/ɣəˈlɵk/, /χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
  1. сча́стье
  2. везе́ние
adjective
  1. 1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
  2. 2. door gunstig toeval, met mazzel
счастливый
adverb
1. op een gelukkige manier
к счастью
adjective
уме́ренный
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
имбирь
adjective
1. beneden de gordel, buiten alle regels
злобный
noun
  1. 1. het met één of meer andere deel hebben aan iets
  2. 2. samenleving
  3. 3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
коло́ния
/ɣəˈmentə/, /ɣəˈmeɪntə/, /ʝəˈmentə/
noun
  1. 1. bestuurlijke eenheid
    коммуна
  2. 2. gezamenlijke gelovigen
    община
noun
1. gemeenschap van onafhankelijke landen
содру́жество
/ɣəˈmɪdəld/, /ɣəˈmɪdəlt/, /χəˈmɪdəɫt/
adverb
1. in de meeste gevallen
в сре́днем
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
сре́днее
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Гемминген
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
серна
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
ген
noun
благоволе́ние
adjective
безжалостный
noun
1. de laatste slag toegebracht aan een zwaargewonde vijand om hem uit zijn lijden te helpen
удар милосердия
noun
жанда́рм
/ˈdʒɛndər/
noun
1. sekse
Гендер
adjective
ге́ндерно-нейтра́льный
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
генеалогия
adjective
генеалоги́ческий
/γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
медицина
noun
1. iemand die het bevel heeft over een leger
генерал
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
  1. Поколение
  2. поколе́ние
/ˌɣenəˈratɔr/, /ˌχenəˈratɔr/
noun
1. een apparaat of persoon die iets genereert (doet ontstaan)
генера́тор
adjective
2. algemeen
безма́рочный
pronoun
Кни́га Бытия́
noun
1.de wetenschap van alles wat de werking van genen betreft, in het bijzonder erfelijke overdracht
генетика
/ɣəˈnetis/
adjective
1. gerelateerd aan de erfelijkheid
генетический
noun
генета
noun
1.
бессмы́слица
adjective
1. briljant, zeer slim, uitmuntend
гениальный
noun
1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
гений
verb
1. voordeel hebben van iets
вкушать
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
  1. родительный падеж
  2. генетив
noun
1. stelselmatige uitroeiing van een volk
геноцид
indefinitePronoun
  1. довольно
  2. достаточно
/xəˈnom/
noun
1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme
геном
noun
1. het geheel van genetische kenmerken dat een soort onderscheidt
  1. геноти́п
  2. генотип
noun
1. categorie in een kunstvorm
жанр
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
Гент
/ˈɣɛn.teː.ra.ˌpi/, /ˈχɛn.tɪː.ra.ˌpi/
noun
1. het inbrengen van genetisch materiaal in (menselijke) cellen in het kader van een geneeskundige behandeling
генотерапи́я
noun
горечавка
adjective
голубая шагаль
noun
джентрифика́ция
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Генуя
noun
1. Grammaticaal geslacht
род
pronoun
2. stad in Zwitserland
Женева
adjective
гѐоцентри́ческий
noun
1. iemand die de geodesie beoefent
геодези́ст
noun
геофизика
adjective
геофизи́ческий
noun
1. aardrijkskunde
география
adjective
1. aardrijkskundig, met betrekking tot de aardrijkskunde
географи́ческий
noun
1. aardkunde
геология
adjective
1. op de geologie betrekking hebbend
геологический
noun
геолог
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
геометрия
noun
геоморфология
adjective
открытый
/ɣeˈjɔrɣis/, /ɣeˈjɔrɣɪs/, /χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
  1. грузинский
  2. грузинский язык
/ɣeˈjɔrɣi.jə/, /χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
  1. Грузия
  2. Гру́зия
adjective
1.
геостациона́рный
/ˈɣeː.rɑrd/, /ˈɣeː.rɑrt/, /ˈχɪː.rɑrt/
pronoun
1. jongensnaam
Ге́рхард
noun
  1. 1. een bepaald soort voedsel op een bepaalde wijze bereid
    блюдо
  2. 2. rechtbank, de rechter
    суд
noun
беспристра́стие
noun
1. een mechanisch instrument dat gebruikt wordt om werk te kunnen doen
инструмент
noun
1. afsluitbare bak waarin gereedschap opgeborgen en bijeengehouden wordt
инструмента́рий
noun
гериатри́я
/ɣɛrˈmaːns/, /χɛrˈmans/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de taal der Germanen of de talen die er van afstammen
  2. 1. op de Germanen betrekking hebbend
[[герма́нский]] [[язы́к]]
/ɣɛrˈmaːns/, /χɛrˈmans/
pronoun
1. taal zoals die eertijds door de Germanen gesproken werd
[[герма́нский]] [[язы́к]]
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Duits of gevormd naar het Duits
германизм
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
германий
/ɣə.ˈru.zə.ˌmus/, /χə.ˈru.zə.ˌmus/
noun
1. een achtergrondgeluid bestaande uit veel door elkaar sprekende stemmen
гул голосов
noun
1. tak van wetenschap die het "ouder worden" bestudeert
геронтоло́гия
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
ячмень
noun
2. wit korreltje op het ooglid
милиум
/ɣə'rɵxt/
noun
2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
  1. слух
  2. сплетня
noun
1. zelfstandig gebruikte verbogen infinitief
геру́ндий
verb
1. iemands angst of zorgen ontzenuwen of minder aannemelijk maken
заве́рить
/ɣəˈsxɛŋk/, /ʝəˈsçɛŋk/
noun
1. iets dat men geeft
подарок
/ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
  1. История
  2. история
noun
историография
adjective
1. met de juiste eigenschappen
подходящий
noun
1. geweldloos conflict
различие
/ɣə'sxɵpt/
adjective
1. bedekt met schubben
чешу́йчатый
/ˈɣeː.zəl/, /ˈχe.səɫ/
noun
1. werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaat
бич
/ɣesələ(n)/
verb
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
бить [[плеть|пле́тью]]
/χəˈslɑχt/
noun
  1. 4. grammaticaal geslacht
    1. pод
    2. род
  2. 3. (biologisch) genus
    род
noun
расстро́йство ге́ндерной иденти́чности
/ɣəˈslɑxtsɔrɣaːn/, /ʝəˈslɑxtsɔrʝaːn/
noun
1. lichaamsdeel
полово́й о́рган
/ɣəˈsloːtə(n)/, /χəˈsloːtə(n)/
verb
закрытый
/ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
пряжка
adjective
1. met sterk ontwikkelde stevige spieren
мускулистый
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
разговор
noun
1. een persoon die deelneemt aan een gesprek
собесе́дник
/ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
горная порода
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis, Alburnoides bipunctatus
быстрянка
noun
число
adjective
1. talent hebbend
дарови́тый
noun
1. een elektrische centrale die functioneert op het verschil tussen eb en vloed
электростанция, работающая на энергии прилива
noun
1. de periodieke verandering van de waterstand ten gevolge van de stand van de maan
вре́мя
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) elektrische centrale die werkt door middel van getijdenstromen ontstaan door het hoogteverschil tussen eb en vloed
электростанция, работающая на энергии прилива
noun
1.
ти́канье
noun
1.
перетя́гивание кана́та
noun
1.
то́пот
adjective
ве́рный
adjective
1. voltooid deelwoord van trouwen
жена́тый
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
свидетель
verb
1. een veelal beëdigde verklaring afleggen ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
[[дава́ть]] [[показание|показа́ния]]
noun
показа́ние
/ɣøːr/, /χøːr/
noun
1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
запах
/ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
опасность
/ɣəˈvarlək/, /ɣəˈvaːrlɪk/, /χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
  1. опасный
  2. рискованный
noun
1.
де́ло
noun
1. iemand die gevangen genomen is
заключённый
/ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
  1. тюрьма
  2. тюрьма́
/ɣəˈvɛxt/, /χəˈvɛxt/
noun
1. een handgemeen
бой
noun
штурмовик
/ˈɣevə(n)/, /ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
  1. давать
  2. дать
adjective
1. met vleugels
крылатый
noun
1. gewaarwording
ощуще́ние
noun
  1. 1. een aandoenlijkheid
  2. 2. de nauwkeurigheid van instrumenten
  3. 3. de spanning van een film
восприи́мчивость
noun
1., 2.
онемение
/ɣəˈvɔlx/, /ɣəˈvɔɫx/, /χəˈvɔɫχ/
noun
1. iets dat voortkomt uit iets anders
ито́г
noun
1. dat wat aanwast op het veld, maar nog niet geoogst is.
сельскохозяйственная культура
noun
ружьё
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
рога
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
насилие
noun
свод
noun
1. een proces waarbij een eerder ongewone prikkel steeds meer als normaal ervaren gaat worden
адапта́ция
/ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
совесть
/ɣəˈʋɪxt/, /χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
вес
noun
1. een sport waarbij de beoefenaars proberen om zware gewichten op te heffen die aan stalen staven zijn bevestigd
тяжёлая атлетика
/xə'wɪxthɛfər/
noun
1.
гиреви́к
noun
1. het minder worden van de massa van een persoon of voorwerp
похуде́ние
noun
1. Balaenoptera physalus, een groot zeezoogdier, lang en gestroomlijnd met puntige kop
финвал
/ɣəˈwoːn/, /ɣəˈβ̞oːn/, /χəˈʋon/
adjective
обыкнове́нный
noun
1. Galanthus nivalis, een vroegbloeiend bolgewas met witte bloempjes
Подснежник белоснежный
adverb
1. zoals de ervaring leert dat het meestal is
обычно
/ɣəˈwoːntə/, /ɣəˈβ̞oːntə/, /χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
привычка
noun
1. verbinding
сустав
noun
посла́нец
noun
2. alle zinsdelen behalve het onderwerp
предика́т
noun
2. middeleeuwse ambachtsman in een gilde die nog niet de rang van meester of baas had verworven
подмастерье
/χəˈzɛləx/
adjective
  1. 2. sociaal aangenaam
  2. 3. knus
  3. 4. leuk, onderhoudend
уютный
/ɣə'zɛlsxɑp/
noun
    1. 1. een groep mensen die iets gemeen hebben
    2. 2. bij iemand blijven
    компа́ния
  1. 3. een vereniging met een bepaald doel
    наро́д
noun
1. de voorkant van een menselijk hoofd
еба́ло
noun
1. de ruimtelijke hoek waaronder beeldschermen en displays van apparaten zijn af te lezen
опти́ческий у́гол
/xə.ˈzɔnt/, /ɣə.ˈzɔnt/
adjective
1. vrij van ziektes en zeertes
здоровый
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
здоровье
noun
1. het volledige fysieke, spirituele en sociale welzijn
состояние здоровья
noun
1.
рабо́та
noun
интегра́льная схе́ма
/'ɣa.na/, /'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
  1. Гана
  2. Га́на
adjective
1. op Ghana betrekking hebbend
ганский
pronoun
Гибралтар
/ɣɪts/, /χɪts/
noun
persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
гид
/ɣiːr/, /χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
  1. гриф
  2. сип
  3. стервятник
/ɣiː.rə(n)/, /χiː.rə(n)/
verb
4. een draaiende beweging rond de verticale as maken
рыскание
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
скупой
noun
скряга
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
  1. пшено
  2. просо
/ˈɣirˌzʋalyw/
noun
1. bepaald soort vogel, Apus apus
стриж
noun
1. een soort emmer met sproeibuis om de planten te begieten
лейка
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het gieten van metalen voorwerpen
лите́йная
noun
  1. чугун
  2. литое железо
/ɣɪf/, /χɪf/
noun
1. substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
яд
/ˈɣɪftəx/, /ˈχɪftəx/
adjective
1. gif bevattend
  1. ядовитый
  2. токси́чный
noun
гигабайт
adjective
гига́нтский
noun
1. een miljard watt
гигаватт
/ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /ˈɣɛːzəlaːr/, /ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
заложник
/'ɣɛɪzələ(n)/
verb
1. iemand gevangen nemen om daarmee een losprijs te bedingen
брать в зало́жники
/ˈɣɪldə/, /ˈχɪɫdə/
noun
ги́льдия
noun
джин
adverb
там
noun
1.
женьше́нь
noun
1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
гипс
/ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
  1. жираф
  2. жира́ф
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Жираф
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
жираф
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
  1. дрожди
  2. дрожжи
verb
броди́ть
/ˈɣɪstər/, /ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
вчера
/ˈɣɪstərə(n)/, /ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
  1. вчера
  2. вчера́
noun
1.
до́мысел
/ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
  1. гитара
  2. гита́ра
adjective
черная
pronoun
1. stad in Armenië
Гюмри
noun
гляциология
adjective
гладкий
noun
гладиа́тор
verb
1. door strijken glad of effen maken
приглаживать
noun
1. betoverend uiterlijk, schone schijn
гламу́р
noun
1. Poecile palustris, een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae)
боло́тная га́ичка
verb
1. in zekere mate licht weerspiegelen of voortbrengen
  1. блестеть
  2. сиять
/ɣlɑs/, /χlɑs/
noun
  1. 1. niet-kristallijne vaste stof
    1. стакан
    2. стекло
    1. 2. op basis van SiO₂
    2. 3. om uit te drinken
    1. стекло
    2. стакан
noun
стекловидное тело
noun
1. glasharmonica
стекля́нная гармо́ника
noun
гла́сность
noun
isolatiemateriaal gemaakt van glas
стеклова́та
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
глаукома
verb
  1. 1. met een laag glazuur bedekken
  2. 2. met een laag glanzende suiker bedekken
залессирова́ть
noun
1-2
глазу́рь
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
ледник
adjective
1. glad, moeilijk houvast op te krijgen
скользкий
noun
горка
/ˈxlɛɪdə(n)/, /ˈɣlɛːdə(n)/
verb
1. met geringe wrijving gericht voortschuiven
скользить
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
улыбка
/'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
улыбаться
noun
1. een nachtelijk lichtgevend kevertje uit de familie Lampyridae
светляк
noun
1. een voortgaand proces van wereldwijde economische, culturele en politieke integratie
глобализация
/ɣlut/
noun
жар
/ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
лампочка
noun
глосса́рий
/ˈɣlɔtɪˌslɑx/
noun
1. een klank die met de stembanden in de keel geproduceerd wordt en tot de plosieven gerekend wordt
горта́нная смы́чка
/ˈɣlyː.rə(n)/
verb
1. in het geheim aandachtig naar iemand kijken
  1. подглядывать
  2. подсматривать
  3. посматривать украдкой
/'ɣly.tə(n)/
noun
глютен
/ˌɣlikɔˈɣen/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
гликоге́н
noun
1. een metamorf gesteente met verschillend gekleurde banden of aders
гнейс
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
гну
noun
1. mythologisch wezen dat lelijk, klein van stuk is en meestal een baard heeft
гном
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Го́а
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
Бог
/ɣɔd/, /ɣɔt/, /χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
бог
adjective
божественный
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
божество́
pronoun
1. benaming voor het vrouwelijk opperwezen
боги́ня
noun
1. een vrouwelijke godheid
богиня
noun
1. een geloof en alle daar bij horende rituelen en doctrines
  1. религия
  2. вера
noun
1.
свобо́да вероиспове́дания
noun
1. belediging of bespotting van God/een godheid
богохульство
adjective
1. lasterlijk ten opzichte van God
богоху́льный
adjective
1.
богобоя́зненный
adjective
1. kwaliteit bezittend
хороший
adverb
1. op goede wijze
хорошо
/ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
Вели́кая пя́тница
interjection
добрый день
/ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
доброе утро
interjection
avondwens
спокойной ночи
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
  1. добрый вечер
  2. до́брый ве́чер
noun
1. trein die uitsluitend is bestemd om goederen te vervoeren
това́рный по́езд
noun
1. de hoedanigheid van het goed zijn
доброта́
verb
1. toestemming verlenen
дока́зывать
adjective
1. laag in prijs
  1. дешёвый
  2. недорогой
noun
зона
noun
гуру
/ɡɔj/
noun
1. niet-jood
гой
/ɣɔk/, /χɔk/
noun
  1. 2. een keuze zonder het juiste antwoord te weten
    риск
  2. 3. neus
    рубильник
/ˈɣɔkən/, /ˈχɔkən/
verb
1. iets van waarde, veelal geld, inzetten op de mogelijke uitkomst van iets onzekers
рискова́ть
/gɔlf/, /χɔl(ə)f/
noun
  1. 1, 2 en 3
    волна
    1. 4. grote baai
    2. 1. balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
    гольф
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
Мексиканский залив
pronoun
1.
Рижский зали́в
noun
мяч для го́льфа
noun
1. constructie om de kracht van watergolven te weerstaan
волноло́м
noun
verpakkingsmateriaal, bestaande uit één of meer lagen dun, gegolfd karton
гофрокартон
noun
волна́
/ɣɔm/
noun
  1. 1. een gum
  2. 2. een kleverige vloeistof die wordt gemaakt van het sap van bomen
ластик
noun
гонада
/ˈɣɔndəl/
noun
1. een pleziervaartuig in Venetië
гондола
noun
1. een hangend slagwerk
гонг
noun
1. een geslachtziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Neisseria gonorrhea
гонорея
/ˈgu:gələ(n)/, /ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
гуглить
noun
гугол
noun
гуголплекс
/ˈɣoːi̯ən/, /ˈχoːi̯ən/
verb
1. het door de lucht verplaatsen van een voorwerp, al dan niet naar een doelwit
бросать
/χot/
noun
1. lid van een Oost-Germaans volk
гот
noun
кана́ва
/ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
раковина
noun
1. een band die om het middel gedragen wordt
зо́на
noun
1. zoogdier met pantser van beweegbare schubben uit de familie Dasipodidae
броненосец
/ɣɔrˈdɛːn/, /χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
  1. занавеска
  2. гарди́на
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
горилла
/ɣɔrs/, /χɔrs/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Emberizidae
овсянка
noun
крупа
noun
Госпел
pronoun
1. de uit de oostelijke tak van de Germaanse talen stammende en uitgestorven taal der Goten uit de eerste...
го́тский
/ˈɣɔtlɑnt/, /ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
Готланд
/χɔtspə/
noun
де́рзость
/ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
  1. золото
  2. аурум
noun
1.
бона́нца
noun
1. Physalis peruviana
Капский крыжовник
phraseologicalUnit
золота́я меда́ль
adjective
желтое золото
noun
1. bepaald soort klein vogeltje met een goudkleurig kruintje Regulus regulus
королёк
noun
золотая лихорадка
noun
Золото́й Бе́рег
noun
бархатцы
noun
1.
Га́уда
noun
1. een smid die met goud werkt
  1. ювелир
  2. золотых дел мастер
noun
1. bepaald soort vogel, Pyrrhul pyrrhula
снегирь
/ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
  1. золотая рыбка
  2. золота́я ры́бка
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
гуляш
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
губернатор
noun
1. eenheid om hoeken te meten
градус
noun
1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
граф
noun
гра́фство
/ɣrax/, /χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
охотно
interjection
1. beleefd antwoord nadat je bedankt bent
не за что
noun
злак
noun
косточка
noun
1. een instrument waarmee een hoek van een gekende grote uitgezet of gemeten kan worden
угломер
/ɣrɑf/, /χrɑf/
noun
  1. 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
  2. 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
могила
noun
1. kunstmatige heuvel die is opgeworpen om als graf te dienen
курга́н
noun
in plaatjes gekristalliseerde koolstof
графит
adjective
графитово – серая
adjective
черно - графитовый
adjective
графи́ческий
noun
  1. 1. het binnengaan van een graf of tombe met als doel er artefacten...
  2. 2. het binnengaan van een graf of tombe om het lichaam van een begravene te onteren...
разграбление могил
noun
1. op een grafsteen gegraveerde korte tekst, gewijd aan de overledene
эпитафия
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
надгробие
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
грамм
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
грамматика
adjective
грамматический
noun
5. groep kubische mineralen
гранат
noun
  1. 1. boom
    гранат
  2. 2. vrucht
    1. гранат
    2. грана́т
noun
1. wapen, of deel van een wapen, bestemd voor het lanceren van stuwloze ontploffende projectielen
гранатомёт
/ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
гранит
adjective
гранитово – серый
/ɣrɑp/, /χrɑp/
noun
1. verhaal dat of handeling die erop gericht is om de lachlust op te wekken
шутка
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
грейпфрут
noun
1. sap van de vrucht van de boom Citrus paradisi
грейпфрутовый сок
noun
1.een Italiaanse alcoholische drank
гра́ппа
/ˈɣrɑpəχ/
adjective
1. de lust tot (glim-) lachen opwekkend
весёлый
noun
  1. 1.1 benaming voor planten uit de familie Poaceae die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien
    мурава́
  2. 1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
    трава
adjective
зеленая сочная
/ɣrɑsmajər/
noun
газонокосилка
noun
лоша́дка травяно́й грязи
noun
дёрн
noun
1. het afzien van de uitvoering van een straf
помилование
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
  1. бесплатно
  2. даром
noun
1. bepaalde soort grijsbruine vogel met oranje snavel, Anser anser
серый гусь
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
  1. копать
  2. рыть
  3. выкопать
  4. выкапывать
  5. вырыть
  6. копнуть
verb
1. met een scherp gereedschap iets krassen in glas of metaal
выреза́ть
noun
гравировщица
noun
1. vrouwelijke graaf
графиня
noun
2. decoratie in metaal, glas of edelsteen gesneden
гравю́ра
pronoun
1.
Грац
adjective
григорианский
noun
гран
/ɣre.ˈna.da/, /ɣrɛ.ˈna.da/, /χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Гренада
noun
2. de raaklijn tussen twee landen
  1. граница
  2. кордо́н
noun
1. een smalle, ondiepe uitgraving in de grond voor de afvoer van teveel water
  1. канава
  2. кювет
/ɣrik/, /χrik/
noun
1. inwoner van Griekenland
грек
/ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
Греция
/ɣriks/, /χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
  1. греческий
  2. греческий язык
/ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
грипп
noun
1. grof gemalen meel
манная крупа
/ɣrit/, /χrit/
noun
  1. A. jonge vrouw, meisje
    бабёнка
  2. C. vissoort
    бриль
adjective
броса́ющий в дрожь
noun
1. iemand die de taak heeft alle communicatie rond een zaak schriftelijk vast te leggen en te ordenen
клерк
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
грифон
noun
усме́шка
noun
1. een pijnlijke, hatelijke, satirische vertrekking van het gelaat
ухмы́лка
verb
1. plotseling iets of iemand beetpakken
сжать
adjective
1. de kleur grijs hebbend
серый
noun
1. oude man
старик
adjective
1. gelijkend op, of eigenschappen hebbend van grijs
серова́тый
adjective
серая кремовая
adjective
серо – голубой
adjective
коричнево - серая
/ɣrɛɪsˈɦarəx/
adjective
1. met grijs haar
седо́й
adjective
белая карпатская
noun
1. stevige zwarte walvis, met bolvormig voorhoofd en een heel kleine snuit
серый кит
noun
1.
чернокры́лый ды́мчатый ко́ршун
verb
1. grijs worden, grijze haren krijgen
седеть
noun
onredelijk en willekeurig gedrag
блажь
noun
1. vertrokken gelaat, grijns, frats
гримаса
adjective
мра́чный
noun
гра́вий
noun
гризайль
/ˈgrɪzliˌbeːr/, /ˈɣrɪzliˌbeːr/
noun
1. Ursus arctos horribilis, een Amerikaanse ondersoort van de bruine beer.
гризли
/ɣruj/, /χruj/
noun
1. het groter worden
рост
/ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
расти
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
зелёный
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
зелёный
noun
  1. 1. groen verkeerslicht
  2. 2. toestemming
зелёный свет
adjective
кремово - зеленая
adjective
зеленовато – голубой
adjective
коричнево – зеленая
noun
1. Picus viridis
желна́
adjective
серо – зеленый
/ˈɣrun.lɑnd/, /ˈɣrun.lɑnt/, /ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
  1. Гренландия
  2. Гренла́ндия
adjective
гренландский
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
  1. овощ
  2. зелень
noun
1.
[[продаве́ц]] овоще́й и фру́ктов
/ɣrup/, /ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
группа
verb
1. in groepen stellen
группирова́ть
noun
коллекти́вный иммуните́т
noun
1.
группово́й секс
noun
1. verkrachting door een groep personen
группавое изнасилование
/ˈɣrut/, /ˈχrut/
noun
1. een uiting waarbij men elkaars aanwezigheid erkent wanneer men elkaar ontmoet
поклон
noun
1. mijnbouw) een mijn waar delfstoffen gewonnen worden, onderaards of dagbouw
яма
/ɣrɔk/, /ɣrɔx/
noun
1. alcoholisch mengsel van rum, suiker en heet water
грог
verb
1. een dreigend geluid voortbrengen
рыча́ть
noun
1.
землевладе́лец
verb
[[корми́ться]] со дна
noun
сырьё
adjective
1. een van de kortste translatievectors niet onder een rechte hoek met een hoofdas van de rotatiesymmetrie hebbend
бокоцентрированный
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
[[грунтовый|грунто́вая]] [[вода́]]
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
конституция
/ˈɣroːˌnɪŋə(n)/, /ˈχroˌnɪŋə(n)/
pronoun
  1. 1. hoofdstad van de provincie Groningen
  2. 2. gemeente in de provincie Groningen waarin de stad Groningen ligt
  3. 3. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Drenthe en het Duitse Oost-Friesland wordt begrensd
Гро́нинген
/ɣroːt/
adjective
  1. 1. meer dan normaal in formaat
  2. 2. bewonderenswaardig, goed
  3. 3. machtig, belangrijk
большой
noun
1. Pieris brassicae
капустница
/ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
Великобритания
pronoun
1. stad in Namibië
Хрутфонтейн
noun
1. bedrijf dat in het groot handelt, dat aan de detailhandel levert
опто́вая торго́вля
noun
мания величия
noun
1. adellijke titel die hoger is dan die van hertog maar lager dan die van koning
вели́кий ге́рцог
noun
1.
вели́кое ге́рцогство
noun
Широкоугольный объектив
noun
1. een moeder van een ouder
бабушка
noun
1. op een krachtige manier heel gul zijn
великоду́шие
noun
большеухая лисица
/ˈɣrotˌʌʊdər/
noun
1. de ouder van een ouder
  1. бабушка
  2. дедушка
adjective
1. verheven, groot van opzet
грандиозный
noun
размер
/ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
  1. дедушка
  2. дед
noun
  1. 1. in de klassieke zeilvaart de onderste, grootste zeil aan de grote mast
  2. 2. in de moderne zeilvaart het zeil bevestigd met het voorlijk aan de achterkant van de (grootste) mast
грот
pronoun
1. hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk zichtbaar sterrenbeeld
Большая Медведица
noun
1. soort zeevogel van ongeveer 70 centimeter groot, Larus hyperboreus
больша́я поля́рная ча́йка
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
Великие озёра
noun
1. bepaald soort overblijvende plant, Sanguisorba officinalis
кровохлёбка лекарственная
noun
1. bepaalde soort zeevogel, te herkennen aan zijn zwarte kuif en snavel met een klein geel puntje, Sterna sandvicensis
пестроносая крачка
phraseologicalUnit
1. een interval dat vier halve tonen omvat
больша́я те́рция
noun
1. Melanitta fusca, een vrijwel geheel zwarte eendensoort die voornamelijk op zee voorkomt
турпан
adjective
1. op afschrikwekkende wijze buitenissig
гроте́скный
pronoun
1.
Гро́зный
noun
песо́к
/ˈxrywəl/
noun
1.
ме́рзость
noun
1.
грюйер
/'ɣryzələ'mɛntə(n)/
noun
1. stukken die ontstaan wanneer een voorwerp breekt
осколки
noun
een dipsaus uit Midden-Amerika
гуакамоле
pronoun
Гваделупа
noun
гуа́но
/ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
Гватемала
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
гуайява
pronoun
Гернси
/ɣi.ˈne/, /χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
Гвинея
/ˌɣi.ne.bɪ.ˈsaʊ̯/, /ˌɣi.ne.ˈbɪ.sɔʊ̯/, /ˌχi.ne.ˈbɪ.sʌʊ̯/
pronoun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
Гвине́я-Биса́у
adjective
1. op Guinee betrekking hebbend
гвине́йский
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk in Gujerat gesproken wordt. De taal wordt nu ook in Uganda, Tanzania, Kenia en Pakistan gesproken
гуджарати
adjective
1. vrijgevig
щедрый
noun
золота́рник
/ɣɵlp/
noun
1. een door een strook stof afgesloten opening aan de voorzijde van een broek van de man,...
гульфик
/ɣɵnst/, /χɵnst/
noun
1. het vrijwillig verlenen van een dienst of goed aan iemand om iemand ter wille te zijn
благоскло́нность
noun
1. een levendbarend tandkarpertje en aquariumvisje uit Zuid-Amerika
гуппи
/ɣi.ˈja.na/, /ɣβ̞i.ˈja.na/, /χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
Гайана
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
гимнастика
noun
гирокомпас
/ˌɣiroˈskop/
noun
гироскоп
pronoun
1.
Гёрлиц
/ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
Гёттинген
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
[[живой|жива́я]] [[и́згородь]]
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
граб
/haːɪ̯/, /ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
  1. акула
  2. аку́ла
noun
1.
суп из аку́льих плавнико́в
/haːk/
noun
крюк
noun
аркебуза
noun
2. elk van de tekens, rond of met hoeken, gebruikt in paren om woorden of getallen af te zonderen
ско́бка
/ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
петух
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
волос
personalPronoun
2. datief van zij, derde persoon enkelvoud
её
possessivePronoun
1. bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
  1. её
  2. свой
noun
1. plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
камин
noun
1. een doorgaans dunne speld waarmee het haar kan worden opgestoken.
шпилька
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
  1. заяц
  2. за́яц
/hast/
adverb
1. bijna
почти
adjective
1. zich niet de tijd nemend
поспе́шный
/ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
ненависть
pronoun
2. boek in de Bijbel
Аввакум
/ˈhabiˌtɑt/
noun
1. het natuurlijke leefgebied van een organisme
среда обитания
noun
1. iemand die zich onbevoegd toegang verschaft tot een computersysteem
хакер
/haˈdejikʏm/
noun
азо́й
noun
1. verzamelde mondelinge overleveringen van de uitspraken en instructies van Mohammed
хади́с
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
адро́н
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
гафний
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
  1. ящерица
  2. я́щерица
/haɣəɫ/
noun
1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
град
verb
1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
град
/ˈhaɣəlˌsten/
noun
1. een klontje ijs dat als neerslag uit de lucht komt
гра́дина
noun
агиография
pronoun
1. Noord-Amerindische taal gesproken door 40 mensen in het westen van Canada en het zuiden van Alaska
ха́йда
noun
1.
хайку
noun
1. hiel van de voet
каблук
/ˈhaː.kə(n)ˌkrœys/
noun
свастика
noun
1. houtgewas dat ieder 6-10 jaar gekapt wordt meestal om te gebruiken als brandhout
лесо́к
verb
2. moeilijk en onzeker spreken met herhaling van klanken
заикаться
/ˈɦalə(n)/
verb
1. ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
ехать
/ɦɑlf/
adjective
1. de helft zijnde
наполови́ну
noun
1-2
полупроводник
noun
полубо́г
noun
1.
сводная сестра
interjection
1. groet
привет
noun
галлюциноге́н
noun
галоге́н
noun
1.
яре́мная ве́на
noun
1.
инди́йский ко́льчатый попуга́й
adjective
упрямый
noun
1. het te vasthoudend zijn
твердоло́бость
noun
гуж
/ˈhɑɫtə/
noun
1. een plaats waar gestopt wordt
остано́вка
noun
ганте́ль
noun
1.
полуфина́л
noun
1.
полови́нная но́та
noun
1.
половинная пауза
/ɦɑm/
noun
1. vlees van de achterkant van een varken
ветчина
noun
Гамбург
/ˈham.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.χər/
noun
1. schijf gebraden gehakt
га́мбургер
noun
1. gecastreerde ram
валу́х
noun
1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
  1. молоток
  2. молот
noun
1.
аку́ла-мо́лот
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
  1. хомяк
  2. хомя́к
/ɦɑnt/
noun
1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
  1. рука
  2. кисть руки
  3. рука́
noun
гандбол
/ˈɦɑnt.buj/
noun
1. een paar aan elkaar verbonden afsluitbare ringen
нару́чник
/ˈɦɑnt.buk/
noun
1. een boek waarin getracht wordt alle informatie nuttig voor een bepaalde bezigheid bijeen te brengen
руководство
noun
1. een doek waarmee men zich afdroogt
  1. Полотенце
  2. полотенце
noun
рукопожа́тие
/ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
торговля
verb
  1. 1. iets doen, al of niet met de handen, optreden
    де́йствовать
  2. 2. handel drijven
    действовать
pronoun
Деяния святых апостолов
noun
торговый барьер
noun
1.
торговый барьер
noun
това́рная ма́рка
noun
2. deel van het privaatrecht m.b.t. handelszaken
торговое право
adjective
1.
рукопи́сный
verb
1. iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
подде́рживать
/ˈɦɑndɪɣ/, /ˈɦɑndɪχ/
adjective
1. goed met de handen om kunnen gaan
иску́сный
noun
1. een 2 wielige kar die met menskracht wordt bewogen
[[ручной|ручна́я]] [[теле́жка]]
noun
1. met de hand bediende rem
ручни́к
/hɑnd.sxun/, /ɦɑnt.sxun/, /ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
  1. перчатка
  2. рукавица
noun
подпись
noun
2. klein aantal
горсть
noun
1. door mensen georganiseerd gevecht tussen kamphanen waarbij de toeschouwers kunnen wedden op de uitkomst van het gevecht
бойцовый петух
/ˈhanə(n)kɑm/
noun
1. Cantharellus cibarius, een eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak
лисичка
noun
1. brug die is opgebouwd uit twee (soms één) hoge pijlers of pylonen waartussen een dikke kabel gespannen is...
вися́чий мост
/ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
гамак
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
вися́чий замо́к
pronoun
1. stad in Duitsland
Ганновер
noun
1. stad die deel uitmaakt van de Hanze
город Ганзы
noun
1. voedsel of iets anders dat je door het openen en sluiten van je lippen in je mond krijgt
кусок
verb
[[пло́хо]] [[рабо́тать]]
adjective
1. betrekking hebbend op de tastzin
гаптический
/haˈram/
adjective
хара́мный
phraseologicalUnit
1. (informatica) Vooralsnog het meest gebruikte externe geheugen in een computer
жёсткий диск
/'ɦɑrdər/
noun
1. Mugil curema, een straalvinnige vissoort
кефа́ль
adjective
1. door koken stijf geworden (met name van eieren)
вкруту́ю
adjective
1.
глухова́тый
adverb
вслух
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
аппаратное обеспечение
/ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
  1. сельдь
  2. селёдка
noun
1. bepaalde middelgrote haai en consumptievis, Lamna nasus
се́льдевая аку́ла
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
грабли
noun
2. een grappig, koddig persoon in het algemeen
арлеки́н
noun
гармония
noun
гармонизация
noun
1. (muziekinstrument) een toetsinstrument dat gerekend wordt tot de aerofonen
фисгармо́ния
noun
1.
арфа
noun
3. feeks
га́рпия
/hɑrˈpun/, /ɦɑrˈpun/
noun
2. een speer met weerhaken
  1. гарпун
  2. острога
/ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
смола
/ɦɑrt/
noun
  1. сердце
  2. се́рдце
noun
1.
вале́т черве́й
noun
1.
серде́чная недоста́точность
adjective
пикантный
noun
1. verstopping van een kransslagader of een tak hiervan, leidend tot het afsterven van hartspierweefsel
инфаркт миокарда
noun
1. hartweefsel in de vorm van een vlies dat samengetrokken door een spiertje terugstromen van het verder gepompte bloed tegengaat
серде́чный кла́пан
noun
бие́ние се́рдца
/ˈhɑrtstɪlstand/, /ˈhɑrtstɪlstɑnt/, /ˈhɑrtstɪɫstɑnt/
noun
1. het stoppen van het kloppen van een hart
остано́вка се́рдца
noun
аборда́жная са́бля
noun
1. emotionele pijn die ontstaat door het verlies van een geliefd persoon
го́ре
noun
1. grafisch symbool #
ме́тка
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
хассий
/'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
ненавидеть
interjection
апчхи
pronoun
1. taal die wordt gesproken door meer dan 85 miljoen mensen, vooral in Niger en Nigeria
хауса (язык)
/ˌotkuˈtyr/
noun
высокая мода
noun
1. een droge doosvrucht, die minstens driemaal zo lang als breed is, zoals bij koolzaad en pinksterbloem.
Стручочек
/ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
  1. порт
  2. гавань
/ˈɦaːvən.ˌɑrbɛidər /
noun
1. arbeider die in een haven werkt
до́кер
noun
  1. 1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
    1. овёс
    2. овёс посевной
  2. 1. éénjarig graangewas Avena sativa
    овёс посевной
/ˈhavərˌmɪːɫ/
noun
zeer fijn gemalen haver
овсяная мука
noun
plantaardige melk op basis van hele haverkorrels
овсяное молоко
noun
овсяная каша
noun
havervlokken
  1. овсяные хлопья
  2. хлопья овсяные
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
отруби овсяные
/ˈɦavɪk/
noun
  1. 2. iemand die graag oorlog wil voeren
    ястреб
  2. 1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
    ястреб-тетеревятник
noun
ястреби́нка
pronoun
1. Polynesische taal gesproken in de Amerikaanse staat Hawaï
[[гава́йский]] [[язы́к]]
noun
1. een heester waaraan hazelnoten groeien
лещина
/ˈɦa.zəlˌmœːs/, /ˈɦa.zəɫˌmœʏ̯s/
noun
1. knaagdier in de familie van slaapmuizen, Muscardinus avellanarius
орешниковая соня
/ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
лесно́й оре́х
/ˈhaː.zə(n)ˌlɪp/
noun
за́ячья губа́
noun
1. snelle hond wordt ingezet voor wedrennen of jacht op hazen
борзая
/ha.ˈhi.ti/, /ɦa.ˈi.ti/, /ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Гаити
adjective
гаитянский
/haʔitiˈjanskreˌjols/
pronoun
1. taal gesproken door 6 000 000 mensen
гаитя́нский
noun
1. hoofdtelefoon met ingebouwde microfoon
нау́шники
/ˈɦɛbə(n)/
verb
1. bezitten
иметь
interjection
1. een uitroep geuit wanneer men iets heeft weten te vangen
попасться
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
  1. иврит
  2. еврейский язык
adjective
1. blijk gevend van hebzucht, hebberig
а́лчный
adjective
1. zeer druk en chaotisch
лихора́дочный
noun
1. 100 liter
гектолитр
noun
1.
гектометр
/ˈɦeː.də/
noun
1. werk, afval van vlas of hennep
па́кля
noun
1. leer dat genot het hoogste goed is
гедонизм
noun
европейская мерлуза
/heːl/
adjective
1. niet stuk
весь
/he.ˈlal/, /ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
вселенная
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
Господь
/ɦɪːr/
noun
1.
господин
noun
хвощ полевой
/hersə(n)/
verb
1. de macht uitoefenen
госпо́дствовать
noun
1. iemand die de macht uitoefent
владетель
noun
куст
/ɦeːt/
adjective
1.
горячий
noun
1.
рыча́г
noun
1. een (meestal lijnvormige) aanplanting van struiken en/of bomen die dient om ruimten te scheiden
живая изгородь
noun
гегемония
noun
1. een zangvogel ter grootte van een huismus met opvallend grijs op de kop
завиру́шка
/ˈhɛɪ̯də/, /ˈhɛːdə/
noun
1. een met heidekruid begroeide vlakte
вересковые пустоши
noun
1. mensen die geen jood of christen zijn
язычник
adjective
1. van de heidenen
  1. языческий
  2. язычник
adjective
фиолетовый вереск
noun
1. bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis, Hippoglossus hippoglossus
палтус
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
Гейльбро́нн
/ɦɛj.ləɣ/
adjective
1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
свято́й
noun
1. plaats of gebouw gewijd aan een god of godin
алта́рь
noun
свята́я
noun
1.
Святой Дух
noun
1.
свяще́нный и́бис
noun
1. de pauselijke regering
Святой Престол
noun
vergrijp aan iets heiligs
святотатство
adjective
благоприятный
/'hɛɪmʋe/
noun
1. sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
[[тоска́]] по [[родина|ро́дине]]
/ɦɛk/
noun
1. omheining, afscheiding
забор
noun
1. werktuig gebruikt bij het verwerken van hennep of vlas
чесалка
adjective
1. een verkeerde gewichtsverdeling hebbend, waardoor een boot van achteren te diep in het water steekt
с дифферентом на корму
/ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
ведьма
/ˈhɛksə(n)ˌjɑxt/
noun
1. het jagen op vermeende heksen
охота на ведьм
noun
шабаш ведьм
noun
ведовство́
/'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
ад
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
к сожалению
/ɦɛlt/
noun
герой
noun
1. de durf en de kracht van mensen, die zich, met gevaar voor eigen leven, voor de goede zaak inzetten
геро́йство
noun
1. het heel moedig en dapper zijn
герои́зм
noun
1.
це́лая но́та
/'ɦelə(n)/
verb
1. gezond worden
вылечивать
/ɦɛlft/
noun
  1. половина
  2. полови́на
/ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
вертолёт
adjective
гелиоцентри́ческий
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
гелий
noun
1. lang middeleeuws wapen
алебарда
noun
1. inwoner van het oude Griekenland of persoon die de oud-Griekse nationaliteit bezit
э́ллин
/ɦɛlə(n)/
verb
  1. 1. schuin staan
    1. иметь наклон
    2. клониться
  2. 2. schuin doen staan
    наклонить
noun
  1. 1. een glooiing in het landschap
    склон
  2. 4. scheepshelling
    эллинг
/ɦɛlm/
noun
  1. 2. helmgras
    песколюб
  2. 1. beschermend hoofddeksel
    1. шлем
    2. каска
/ˈɦɛlm.knɔp/
noun
пыльник
noun
корми́ло
noun
слу́жба техни́ческой подде́ржки
/ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
  1. помочь
  2. помогать
pronoun
1. de hoofdstad van Finland
Хельсинки
/ɦɛm/
personalPronoun
  1. 1.
    его
  2. 2.
    ему
noun
1. roodkleurig mineraal dat ferri-oxidekristallen bevat
гемати́т
noun
1. kledingstuk voor het bovenlijf
рубашка
/ˈɦeːməl/
noun
  1. 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
    1. небо
    2. не́бо
  2. 2. het hiernamaals, leven na de dood
    1. небо
    2. небеса
noun
небесное тело
adjective
небе́сный
adjective
средне - голубая
adjective
2. in rechte lijn gemeten
напряму́ю
noun
взлёт
noun
1. hemiool
гемиола
noun
полуша́рие
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam teveel ijzer uit het voedsel opneemt
гемохроматоз
noun
1. bloederziekte
гемофилия
/ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
курица
noun
гендиа́дис
pronoun
1. Belgische provincie
Эно
/ɦɛŋst/
noun
1. mannelijk paard
жеребец
noun
1. Lawsonia inermis
хна
/ˈɦɛ.nəp/
noun
  1. Конопля полезная
  2. конопля
noun
1. C31H64
гентриаконтан
adjective
1. met betrekking tot de lever
печёночный
noun
1. leverontsteking
гепатит
noun
1. C₇H16
гептан
noun
1. ruimtelijke figuur met zeven vlakken
гепта́эдр
/herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
геральдика
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
гостиница
verb
  1. 1. huisvesten
  2. 2. tot verblijf dienen
приютить
pronoun
  1. 1. Romeinse halfgod
  2. 2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Геркулес
verb
1. plechtig aandacht schenken aan een gebeurtenis uit het verleden
почти́ть
/'ɦɛrdər/
noun
1. begeleider en bewaker van een kudde
овчар
noun
1. hond die een kudde bewaakt
овчарка
noun
1. Geronticus eremita
ибис лесной
noun
1. een kreeftachtige (Eupagurus bernhardus) uit de orde van tienpotigen, die in de schelp van een zeeslak woont
рак-отшельник
verb
1. opnieuw tot een eenheid maken
воссоедини́ть
verb
1. iets op een nieuwe wijze in woorden uitdrukken
пересказать
noun
1. derde jaargetijde
осень
noun
1. een zeer dunne draad spinrag
паути́на
noun
1. bepaald soort plant, Colchicum autumnale
безвременник осенний
verb
1. organisaties of delen daarvan op nieuwe wijze rangschikken
перегруппиро́вывать
adjective
bijvoeglijk naamwoord
повто́рный
verb
1. iets opnieuw zeggen
повторять
noun
1. het nogmaals plaatsvinden
повторе́ние
/ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
  1. 1. opnieuw in gedachte brengen
    вспоминать
  2. 2. uit het geheugen opdiepen
    помнить
noun
воспомина́ние
noun
1. een herbivoor die zijn voedsel herkauwt
жвачное животное
verb
1. waarnemen en beseffen wie het is
  1. узнать
  2. узнавать
noun
распознава́ние
verb
  1. переизбирать
  2. переизбрать
noun
переизбрание
noun
происхождение
verb
1. een wapen opnieuw vullen met ammunitie
[[нагружа́ть]] [[сно́ва]]
verb
1. opnieuw lezen
перечи́тывать
/ˈɦɛr.mɑn/
pronoun
1. een jongensnaam
Ге́рман
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
горностай
pronoun
Герме́с
/ɦɛr'nemə(n)/
verb
  1. 1. opnieuw krijgen, opnieuw verkrijgen
  2. 4. opnieuw innemen
отбивать
noun
1. uitstulping van een orgaan of weefsel uit de lichaamsholte waar het normaliter in ligt
грыжа
noun
1. opnieuw in actie komen; opnieuw actief worden
возобновле́ние
verb
1. opnieuw op details bezien
пересма́тривать
noun
een verdovend middel
героин
noun
герпетоло́гия
pronoun
1.
Херренберг
verb
1. opnieuw oprijzen, opnieuw gaan leven of functioneren
воскресать
noun
смерть мозга
noun
1. brein
  1. мозг
  2. головной мозг
noun
1. de buitenste laag van de grote hersenen
[[кора́]] [[головной|головно́го]] [[мозг|мо́зга]]
noun
1. schade aan de hersenen door uitwendig geweld
коммо́ция
noun
indoctrinatietechniek
промыва́ние мозго́в
noun
возмеще́ние
noun
1. muzieksymbool
бекар
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
  1. олень
  2. оле́нь
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
  1. герцог
  2. князь
noun
1. het gebied dat onder leiding staat of stond van een hertog
герцогство
noun
1. adellijke titel, vrouw van een hertog
герцоги́ня
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
герц
verb
1. opnieuw publiceren
переизда́ть
verb
1.
впадать
noun
1. de verkiezing van een persoon in een functie die hij al eerder heeft bekleed
переизбрание
pronoun
Гессен
/(ɦ)ət/, /hɛt/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
  1. это
  2. оно
  3. он
  4. она
verb
выплеснуть ребёнка вместе с водой
/'he.tə(n)/, /'ɦe.tə(n)/
verb
1. de naam dragen
именова́ться
noun
гетерогенность
noun
1.
гетеронормативность
noun
гетеросексуа́льность
adjective
1. gericht op het andere geslacht of betrekking hebbend op liefde voor mensen met een ander geslacht
гетеросексуал
noun
1. man met seksuele voorkeur voor vrouwen of een vrouw met seksuele voorkeur voor mannen
гетеросексуа́л
/ˈhetroziˌgot/
adjective
1. in het bezit zijnde van twee allelen van een gen bij een (diploïd) organisme
гетерозиготный
pronoun
1. een dode taal die in het huidige Turkije werd gesproken
хеттский
demonstrativePronoun
1. de gelijke identiteit bezittend; onzijdig enkelvoud, zowel zelfstandig als bijvoeglijk gebruikt
тако́й же
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
  1. вальма
  2. бедро
noun
een kleine platte fles
пло́ская фля́жка
noun
1. tasje dat je om je heupen als een riem kan dragen
поясная сумка
adjective
1. betrekking op het vinden van iets
эвристи́ческий
/ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
холм
/'ɦøvəlɑxtəx/
adjective
1. met aanzienlijke hellingen en hoogteverschillen
холми́стый
/'ɦevəl/
noun
2. een geheel met vloeistof gevulde pijp of slang waarvan het ene einde lager gehouden wordt dan de andere, waardoor vloeistof van de laatste mond naar de eerste stroomt
сифон
noun
1. C₆H14
гексан
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een zestallige as bezittend
гексагональный
noun
1.
зия́ние
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
пятка
/ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
  1. здесь
  2. тут
adverbialPronoun
1. in deze richting
сюда
/hɑj/
adjective
1. in een euforische toestand van veranderd bewustzijn verkerend
обдо́лбаный
/hɛɪ̯/, /ɦɛɪ̯/, /ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
он
verb
1. zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
ахать
verb
1. iets met een touw of kabel in opwaartse richting trekken, al dan niet middels een katrol
водружать
noun
1. een constructie om zware lasten op te tillen
кран
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
  1. икота
  2. ико́та
/ˈɦɪkə(n)/
verb
1
ика́ть
pronoun
1. + 2. stad en district
Хильдесхайм
/ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
олениха
/'ɦɪndərə(n)/
verb
мешать
noun
заса́да
noun
1. iets dat de voortgang verstoort
барьер
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
  1. хинди
  2. хи́нди
noun
индуи́зм
noun
2. kinderspel, waarbij men zich deels op één been verplaatst
  1. классики
  2. кла́ссики
verb
хрома́ть
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
ржать
noun
Хиппи
adjective
1. betrekking hebbend op de paardensport
ко́нный
noun
1. ovale paardenrenbaan
ипподром
pronoun
Гаити
noun
гистогра́мма
noun
историчность
noun
историк
adjective
исторический
noun
гитлеровское приветствие
adjective
1.
ги́тлеровский
/ˈhɪtə/
noun
жара
/hɪ.tə.bə.stɛn.dɪx/, /ɦɪ.tə.bə.stɛn.dəx/, /ɦɪ.tə.bə.stɛn.dəχ/
adjective
1. bestand tegen hitte; kan na contact met hitte nog even goed functioneren
жаросто́йкий
noun
[[пери́од]] [[сильный|си́льной]] [[жара|жары́]]
noun
1. menselijk immuundeficiëntievirus
ВИЧ
noun
1. rangorde
иерархия
adjective
1. van of volgens de opeenvolging van rangen
иерархический
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat Tasmanië
Хобарт
noun
деревянный конь
noun
1.
хо́ббит
/hɔbi/
noun
1. een liefhebberij of bezigheid ter ontspanning voor in de vrije tijd
хобби
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
гобой
noun
1. balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
хокке́й
noun
клю́шка
pronoun
1. stad in Israël
Ход-ха-Шарон
/ɦu/
adverb
1. op welke wijze
как
/hud/, /ɦut/
noun
  1. 3. deel van een kwal
    купол
  2. 1. een hoofddeksel
    шляпа
  3. 2. deel van een zwam
    1. шляпка
    2. шляпа
noun
  1. een functie die men vervult
    качество
  2. een gesteldheid
    состояние
noun
1. iemand die hoofddeksels voor mensen maakt
торго́вец шля́пами
/ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
  1. копыто
  2. копы́то
noun
1. plant met grote bladeren die aan de rand van wateren groeit
белокопы́тник
noun
1. hoefdragend zoogdier
[[копытный|копы́тное]] [[живо́тное]]
noun
подкова
noun
конова́л
/ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
угол
adjective
углово́й
noun
углова́я ско́рость
/ˈhuk.steːn/
noun
  1. 1. een steen die gebruikt wordt om de hoekpunten van bouwwerken te verstevigen
  2. 2.
краеуго́льный ка́мень
/ɦur/
noun
1. vrouw die tegen betaling seksuele diensten verricht
блядь
noun
1.
сла́ва
noun
1.
сводница
noun
сукин сын
noun
1. bescherming die om een -meest vlak- voorwerp wordt aangebracht
  1. конверт
  2. чехол
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
кашель
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
кашлять
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
сколько
/huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
количество
indefiniteOrdinalNumeral
[[како́й]] по счёту
conjunction
1. drukt een tegenstelling uit
хоть
pronoun
Суд Европейского союза
noun
polymerisatieproduct van etheen
полиэтилен высокой плотности
noun
1. een gebied waar relatief een hogere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
антицикло́н
noun
Кастрюля-скороварка
noun
instelling waar hoger onderwijs wordt gegeven in bepaalde vakken
высшее профессиональное училище
noun
1. bepaald soort vis, Macruronus novaezelandiae
Новозеландский макруронус
noun
1. grot, spelonk
пещера
noun
1. bepaald soort vogel, Columba oenas
клинтух
noun
1. theorie
холизм
/ˈɦɔlɑnt/
pronoun
  1. 1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
  2. 2. heel Nederland
Голландия
pronoun
Хо́лландс-Ди́п
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
гольмий
/ˈholokaust/
pronoun
Холокост
/ˈholokaust/
noun
1. massale vernietiging van mensen of dieren
всесожже́ние
noun
голоцен
noun
1. techniek waarmee een afbeelding in een plat vlak diepte of verschillende beelden lijkt weer te geven als je er onder uiteenlopende hoeken naar kijkt
гологра́фия
noun
гомеоморфизм
noun
aanhanger of beoefenaar van de homeopathische geneeswijze
гомеопа́т
noun
гомеопа́тия
adjective
1.volgens de homeopathie
гомеопатический
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
гомеостаз
/ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
шмель
noun
1.
гомоэротичный
noun
гомофобия
noun
1. gelijkklinkend woord
омофо́н
adjective
гомоге́нный
noun
1.
гомоге́нность
noun
1. op dezelfde manier gespeld woord
омо́граф
noun
1. een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht
гей-бра́к
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
омоним
noun
гомосексуальность
adjective
1. betrekking hebbend op de liefde voor geslachtsgenoten
гомосексуальный
/ˈhɔnd/, /ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
  1. собака
  2. пёс
/ˈhɔn.də.ˌʋer/
noun
дерьмовая погода
/ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
сто
cardinalNumeral
1. het getal 100.000, een tiende deel van een miljoen
сто тысяч
pronoun
1.
Столе́тняя война́
noun
бешенство
noun
шиповник собачий
/hɔn.ˈdyː.rɑs/, /ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
  1. Гондурас
  2. Гондура́с
adjective
1. inwoner van Honduras
гондура́сский
verb
  1. 1. bespotten
    насмехаться
  2. 2. slijpen
    хонинговать
/hɔŋ(g).ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
венгр
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
  1. венгерский
  2. венгерский язык
/hɔŋ(g).ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈχar.sə/
noun
венгерка
/ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
  1. Венгрия
  2. Ве́нгрия
/ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
голод
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
  1. голод
  2. го́лод
noun
1. het weigeren van voedsel uit protest
голодовка
/hɔŋˈkɔŋ/
pronoun
1. een speciale administratieve regio van de Volksrepubliek China
Гонко́нг
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
мёд
noun
1. een bij van de soort Apis mellifera die honing maakt uit nectar en bloemen bestuift
пчела
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mellivora capensis
медое́д
adjective
медовое золото
noun
1. balsport waarbij de bal met een knuppel geslagen wordt en de spelers langs een drietal honken trachten rond te lopen tot zij weer de thuisplaat bereiken
бейсбо́л
/ɦoːft/
noun
1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
голова
noun
1. een kledingstuk dat (een deel van) het hoofd bedekt
головной убор
/'ɦovduk/
noun
1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
платок
noun
1. erläuterung
главное здание
noun
1.
второ́е блю́до
/'ɦo:ftlɛtərɣə'vu:ləx/, /'ɦo:ftlɛtərʝə'vu:ləx/
adjective
1. woorden geschreven met een hoofdletter anders verwerkend dan dezelfde woorden zonder hoofdletter
регистрозави́симый
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
вошь
noun
1. de voorste pagina van een website
Заглавная страница
noun
1. pijn in het hoofd
головная боль
noun
1. iemand die eindverantwoordelijkheid draagt voor de inhoud van een krant of dergelijke publicatie
главный редактор
noun
1.
[[основно́й]] долг
/'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
столица
noun
bepaalde opdeling van tekst of beeld in een boek
глава
noun
1. een telwoord dat een hoeveelheid of aantal aanduidt
количественное числительное
/ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
высокий
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
  1. Песнь песней Соломона
  2. Песнь пе́сней Соломо́на
noun
высокое напряжение
noun
1. atletiekdiscipline waarbij het de bedoeling is over een tussen twee staanders bevestigde lat of touw te springen
прыжок в высоту
adjective
верхний
adjective
вероятнее всего
noun
1. een verheffing van de aardkorst
высота
/ˈɦoxtəvres/, /ˈɦoçtəvres/
noun
1. angst voor hoogten
акрофобия
noun
государственная измена
noun
2. hoge waterstand in 't algemeen
наводнение
noun
1. gedroogd gras
сено
noun
2.1. bepaald soort kleine standvlinder, Coenonympha pamphilus
сенница памфил
/ˈɦojbɛrx/
noun
1. een ter bewaring opgestapelde hoeveelheid gedroogd gras
стог
noun
сенна́я лихора́дка
/ɦoːp/
noun
3. verwachting van iets wenselijks
надежда
adjective
1.
слы́шимый
/horn/
noun
1. hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
гудо́к
pronoun
Африка́нский Рог
/hoːrnar/, /ho̝ːrnar/
noun
1. Vespa crabro, een soort grote wesp
шершень
noun
1.
куко́лд
noun
  1. 1. bepaald soort vogel, Upupa epops
    удод
  2. 1. bepaalde plant die onder andere wordt gebruikt bij de bereiding van bier
    хмель
adjective
1. waaraan hoop op succes ontbreekt
безнадёжный
/ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
  1. надеяться
  2. наде́яться
pronoun
1. de enige Hopi-taal
хо́пи
/hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
слышать
noun
1. onderdanige en onvrije gehoorzaamheid
крепостно́е пра́во
noun
горизонт
noun
горизонт
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
горизонтальный
noun
1. een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
часы
adjective
1. met betrekking tot hormonen
гормона́льный
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
гормон
noun
гороско́п
noun
у́жас
noun
1.
заку́ска
noun
1.
горте́нзия
/ˈɦɔrzəɫ/
noun
1. parasitaire vliegsoort
  1. о́вод
  2. овод
pronoun
Осия
noun
1.
хо́спис
/ˈhɔs.pi.ˌta/, /ˈɦɔs.pi.ˌta/
noun
1. een vrouw die een of meer kamers in haar eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal
домовладе́лица
noun
1. opneming in een ziekenhuis
госпитализа́ция
verb
госпитализировать
noun
1. offerbrood
обла́тка
pronoun
1. uitgestorven Iraanse taal uit het westen van China
хотаносакский
/hoˈtɛl/, /ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
  1. гостиница
  2. отель
/ˈɦɑʊdə(n)/
verb
1. niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen
бере́чь
noun
владе́лец
noun
  1. 1. een pose
  2. 2. gedragslijn, opstelling
оса́нка
/ɦɑʊ̯t/, /[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
  1. дерево
  2. древесина
/ɦɑʊ̯tbɛi̯/
noun
1. enige bij onder de geslachtengroep Xylocopini
древогнёзд
noun
1. houtblaasinstrument
деревя́нный духово́й инструме́нт
noun
1. bepaalde soort wilde duif, Columba palumbus
  1. вя́хирь
  2. вяхирь
/ˈhɑutə(n)/
adjective
деревя́нный
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
  1. дровосек
  2. лесоруб
noun
q. bepaald soort zoutwatervis, Coregonus oxyrinchus
сиг
noun
1. jas die sluit met staafjes en lussen
дафлкот
noun
1. verkoold hout
древе́сный у́голь
noun
1. een vogel uit de familie van snipachtigen, Scolopacidae
вальдшнеп
noun
1.
рогохвост
noun
1. benaming voor verschillende in hout levende insectenlarven
точи́льщик
noun
1.
[[лесопи́льный]] [[заво́д]]
verb
1. iets met een scherp werktuig trachten af te hakken
руби́ть
noun
1.
гаубица
/hovəlɪŋ/
noun
1. een onderdaan die tot het dagelijkse gezelschap van een vorst behoort
придворный
noun
садовник
pronoun
1. binnenzee in Noordoost-Canada
Гудзо́нов зали́в
verb
1. veinzen, doen alsof
притворяться
/hœːd/, /ɦœʏ̯t/, /ɦœːt/
noun
1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
  1. кожа
  2. шкура
/hœytsiktə/
noun
1. aandoening van de huid
кожная болезнь
/hœːx/, /ɦœʏ̯χ/, /ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
язычок
noun
1.
пла́кса
/ɦœy̯lə(n)/
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
пла́кать
/hœːs/, /ɦœʏ̯s/, /ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
дом
noun
1. strafbepaling
дома́шний аре́ст
noun
арендода́тель
/ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
домашнее животное
noun
1. iemand die een huis bezit
домовладелец
noun
1. vrouw die andermans huishouden verzorgt
домрабо́тница
noun
1. bepaald soort knaagdier dat vaak in en rond gebouwen voorkomt, Mus domesticus
домовая мышь
noun
  1. 1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
    воробе́й
  2. 2. iemand die het liefst thuis blijft
    домосе́д
noun
номер дома
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
домохозяйка
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
[[подготовительный|подготови́тельная]] [[рабо́та]]
noun
1. een machtiging, uitgegeven door justitie, voor het binnentreden van de woning
о́рдер на о́быск
/ɦʏlp/
noun
1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
  1. помощь
  2. по́мощь
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
вспомогательный глагол
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
  1. падуб
  2. па́дуб
noun
1.aanhanger van het humanisme
гуманист
adjective
гуманисти́ческий
noun
1. puree van o.m. gekookte kikkererwten
хумус
noun
юмор
adjective
заба́вный
/ˈɦynəbɛt/
noun
1. neolithische begraafplaats
дольмен
verb
1.
  1. алкать
  2. возжелать
  3. жаждать
verb
перескакивать
verb
1. opspringen
подпры́гивать
/ɦyrə(n)/
verb
1. tegen betaling gebruiken
  1. нанимать
  2. арендовать
pronoun
1.
  1. Хургада
  2. Эль-Гурдака
  3. Эль-Хардага
verb
1. op de onderbenen gaan zitten
присе́д
/ɦʏt/
noun
1. een primitieve woning
хижина
/ɦyr/
noun
1. tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
аренда
noun
арендатор
/ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
брак
noun
1. een voorstel om in het huwelijk te treden
предложение руки и сердца
noun
1. akte van de burgerlijke stand waarin staat dat twee mensen met elkaar getrouwd zijn
свиде́тельство о бра́ке
noun
1.
бюро́ знако́мств
noun
1.
кавале́р
/ˈɦiu̯ələksˌrɛɪ̯s/
noun
1. de reis die een pasgetrouwd stel gewoonlijk onmiddellijk na hun trouwen onderneemt
[[свадебный|сва́дебное]] [[путеше́ствие]]
/hʊ.ˈzaːʁ/
noun
1. een ruiterijsoldaat.
гусар
noun
1.
салат Оливье
noun
3. bolgewas
гиацинт
/hi'drat/
noun
1.
гидра́т
verb
гидрати́ровать
adjective
гидравли́ческий
adjective
1.
гидроэлектри́ческий
noun
  1. гидрография
  2. гидрогра́фия
noun
гидрология
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
гиена
noun
гигиена
adjective
1. schoon, gezond
гигиени́ческий
noun
1.een instrument om vochtigheid van de lucht te meten
гигрометр
noun
хайп
adjective
1. overactief
[[чрезме́рно]] [[акти́вный]]
adjective
  1. 1. als in een hyperbool d.w.z. zwaar overdreven
  2. 1. de vorm van een hyperbool hebbend of daarop lijkend
гиперболи́ческий
noun
гипе́рбола
noun
гиперкорре́ктность
noun
1. overmatige zweetafscheiding
гипергидро́з
noun
1. een gekleurd en/of onderstreept tekstgedeelte dat een onderliggende verwijzing bevat
гиперли́нк
noun
1. een woord dat een verzameling van verwante specifiekere woorden samenvoegt, een overkoepelende term
гипероним
noun
1. verhoogde bloeddruk
гиперте́нзия
noun
1. bovenmatige groei
гипертрофи́я
noun
гиперурицемия
noun
1.
гипно́з
verb
1. het onder hypnose brengen van mensen
гипнотизировать
adjective
ипохо́ндрик
noun
1. overdreven bezorgdheid om de eigen gezondheid
ипохо́ндрия
adjective
1. onder de huid toegediend
подко́жный
/ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
гипофиз
noun
1. term die een subcategorie van een algemenere klasse aanduidt
гипоним
noun
1. lage bloeddruk
гипоте́нзия
noun
1. deel van de hersenen dat een directe verbinding heeft met het hormonale systeem
гипотала́мус
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
ипотека
noun
1. onderkoeling
Гипотермия
noun
1. zuurstoftekort in de weefsels
гипокси́я
noun
1. Hyssopus officinalis, een gewas met geneeskundige kracht
иссоп
adjective
истери́ческий
/ɦe/
interjection
  1. 2. uitroep van verbazing
    а
  2. 1. uitroep om aandacht
    эй
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
зернёный творог
adjective
1. door medisch ingrijpen veroorzaakt
ятроге́нный
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
Пиренейский полуостров
noun
1. een vogel met een lange gebogen snavel behorend tot de familie Threskiornithidae
ибис
noun
1.
ибупрофе́н
noun
1. soort vlinder, Polyommatus icarus
голубя́нка ика́р
noun
иконография
noun
1. een iconenwand die het altaar van het schip scheidt in de Russisch-orthodoxe kerk
иконоста́с
noun
    1. 1. heiligenafbeelding, zoals vereerd in de kerken van het oosten
    2. 2.
    и́дол
  1. 3.
    икона
/idiˈjal/
adjective
1. zo gunstig mogelijk
идеа́л
/idiˈjal/
noun
1. iets wat men zich voorstelt als het hoogste en dat men wil verwezenlijken
идеа́л
verb
1. iets gunstiger of zelfs als ideaal beoordelen
идеализировать
/ideja'lɪst/
noun
  1. 1. iemand die idealen nastreeft
  2. 2. (filosofie) aanhanger van het idealisme
идеали́ст
/iˈde/
noun
1. gedachte, plan
идея
noun
1. een dwangmatige gedachte
иде́я фикс
adjective
1. volledig hetzelfde, van dezelfde oorsprong
идентичный
noun
распознава́ние
verb
идентифицировать
noun
1. geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
  1. идентичность
  2. тожде́ственность
noun
1. een woordsoort van woorden die de associatie met een klank, kleur, gevoel, smaak of andere gewaarwoording oproepen
идеофо́н
/ˌideo'ɣrɑm/
noun
1. een grafisch teken dat een voorwerp symboliseert
идеограмма
/ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
  1. Идеология
  2. идеология
adjective
1. van, betreffend of volgens een ideologie
идеологический
noun
1. iemand die een ideologie opstelt
идеолог
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door trillend materiaal
идиофо́н
adjective
1. het idioom betreffend
идиоматичный
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
идиома
/idi'ot/
noun
1. iemand die een grote maat van zwakzinnigheid heeft
идиот
adjective
1. van onbekende oorzaak
идиопатический
pronoun
и́до
indefinitePronoun
1.
  1. всякого
  2. каждого
indefinitePronoun
  1. кто-нибудь
  2. кто-то
pronoun
Ипр
/iːr/
noun
1. inwoner van Ierland, of iemand afkomstig uit Ierland
ирла́ндец
/ˈiːrlɑnd/, /ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
Ирландия
/iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
ирландский
/ˈiːrsə/
noun
ирла́ндка
pronoun
1.
Ирла́ндское мо́ре
suffix
  1. 1. anion in submaximale oxidatietoestand
  2. 2. mineraal
ит
indefinitePronoun
1. een of ander ding
  1. что-нибудь
  2. что-то
/ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
иглу
adjective
1. vol van zelfbewondering, een te hoge dunk hebbend van het eigen voorkomen en/of de eigen bekwaamheden
показно́й
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
тщеславие
/ɛɪ̯s/, /ɛːs/
noun
  1. 1. de vaste vorm van water, bevroren water
  2. 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
лёд
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
белый медведь
noun
1. een zeer groot brok ijs dat in de zee drijft
айсберг
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
ледокол
verb
1. een discipline van het kunstschaatsen
та́нцы на льду́
noun
1. bepaald soort vogel Gavia immer
черноклюн гмуркач
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
  1. хоккей с шайбой
  2. хоккей
/ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
мороженое
/ˈɛɪ̯slɑnd/, /ˈɛɪ̯slɑnt/, /ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
  1. Исландия
  2. Исла́ндия
/ˈɛɪ̯slɑnds/, /ˈɛɪ̯slɑnts/, /ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
  1. исландский
  2. исландский язык
noun
1. ijspriem
пе́стик для ко́лки льда́
/ˈɛisəl/
pronoun
1. Gelderse IJssel
Эйссел
noun
1.een theevariant
холо́дный чай
/ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
зимородок
noun
1. een zoete geurige wijn die vaak als dessertwijn wordt gedronken en gemaakt is van bevroren druiven
ледяное вино
/'ɛɪ̯zəl/, /'ɛɪ̯zəɫ/, /'ɛːzəɫ/
noun
1. onderkoelde regen die in ijs overgaat eenmaal in aanraking met de grond
гололёд
/ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
  1. железо
  2. желе́зо
noun
желе́зная руда́
adjective
серо – стальная
noun
вербена лекарственная
adjective
1. het element ijzer bevattend
железоно́сный
noun
желе́зный век
noun
1. eenvoudige handelswaren gemaakt van metaal
[[стройматериа́л|стройматериа́лы]]
adjective
ледо́вый
personalPronoun
1.
я
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
я люблю тебя
noun
иллюзия
noun
иллюстра́ция
noun
иллюстратор
verb
де́лать иллюстра́ции
pronoun
1.
Ильзеде
pronoun
1.
Ильсфельд
adjective
мни́мый
noun
2. resultaat van de volledige gedaanteverwisseling bij een insect
имаго
noun
iemand die een ander persoon nadoet
имита́тор
/ˌimiˈterən/
verb
1. doen wat iemand anders doet
имитировать
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
пчеловод
adjective
1.
гига́нтский
/ˈɪmiɣrɑnt/
noun
иммигрант
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
  1. Иммиграция населения
  2. иммиграция
verb
1. een land binnenkomen om zich er te vestigen
иммигри́ровать
verb
1. beschermen tegen een infectieziekte door het geven van een ongevaarlijke vorm van een micro-organisme dat wel het immuunsysteem stimuleert maar geen ziekte veroorzaakt
иммунизи́ровать
noun
1. onvatbaarheid voor een ziekte
иммуните́т
noun
1. de leer van het afweersysteem dat verantwoordelijk is voor: afweer tegen besmettelijke ziekten...
иммуноло́гия
adjective
1. met betrekking tot onvatbaarheid voor schadelijke invloeden
иммунологический
noun
импа́ла
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
  1. импеданс
  2. импеда́нс
noun
брита́нский
noun
империали́зм
/ɪmˈperijʏm/
noun
импе́рия
adjective
1. te intiem en niet ter zake doende
де́рзкий
noun
1. etterige huidontsteking
импети́го
noun
1. een stof, voorwerp, toestel etc. dat in een lichaam wordt aangebracht
импланта́т
noun
1. verwikkeling
намёк
verb
1.stilzwijgend ten gevolge hebben
намека́ть
noun
1. het niet geliefd zijn bij veel mensen
непопуля́рность
adjective
импоте́нтный
noun
1. onvermogen tot geslachtsgemeenschap
импоте́нция
noun
1. een organisator van toneeluitvoeringen, concerten enz.
импреса́рио
noun
импрессиони́зм
noun
импрессиони́ст
noun
1. ter plekke verbeterde versie van een muziekstuk, voorlezing enz.
импровизация
noun
импровиза́тор
verb
1. iets bedenken zonder vooropgesteld plan
импровизи́ровать
/ɪmˈpʏls/
noun
  1. 2. product van massa en snelheid
    Импульс
  2. 1. innerlijke drang
    импульс
preposition
  1. 2. in (tijdelijk)
  2. 1.-12. in (ruimtelijk)
в
phraseologicalUnit
1. in een omgeving waar weinig gepresteerd wordt...
в стране слепых одноглазый — коро́ль
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
взаме́н
verb
1. lucht uit de omgeving opnemen
вдыхать
noun
1.
вдох
/ˌɪnʌʊɣyˈratsi/
noun
1. de feestelijke of plechtige inwijding in een ambt
  1. вступление в должность
  2. инаугурация
verb
1. een zuigeling geheel in windselen inwikkelen
  1. запеленать
  2. пеленать
adjective
1. erbij horend, erbij geteld
включая
noun
1. het inbreken
ограбление
noun
имбусовый ключ
noun
1. iemand die onvoldoende of nooit seks heeft ondanks dit wel te willen
инце́л
noun
инцест
/ˈɪntʃɛˌkə(n)/
verb
1. zich aanmelden aan een balie om een instapkaart te krijgen en eventueel bagage af te geven.
зарегистри́роваться
preposition
1. met inbegrip van
включительно
/ˌiŋkɔmpəˈtɛn(t)si/
noun
некомпете́нтность
noun
непоследовательность
noun
1. het onvermogen om urine of ontlasting op te houden
инконтине́нция
noun
1. #
инкубацио́нный пери́од
/ˌɪndərˈdad/, /ˌɪndərˈdat/
adverb
1. een bevestiging dat iets het geval is
на самом деле
noun
  1. 1. inhoudsopgave
  2. 2. index librorum prohibitorum
  3. 6. indexbestand
указатель
/ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
Индия
noun
1. de vorm van het werkwoord die de werkelijkheid aangeeft
изъявительное наклонение
noun
индика́тор
conjunction
1. onder de voorwaarde dat
если
noun
2.
диспепси́я
/ɪn.ˈdi.ɣo/, /ɪn.ˈdi.χo/
noun
1. een kleur die in het het lichtspectrum voorkomt met een golflengte van 440 tot 420 nanometer
индиго
/ˌɪndisəˌosiˈan/, /ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
Индийский океан
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
  1. индий
  2. и́ндий
adjective
1. afzonderlijk, op zichzelf
индивидуальный
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Индокитай
noun
[[внуше́ние]] [[идея|иде́й]]
verb
1. dwingen om bepaalde opvattingen te aanvaarden
знакомить
/ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
индонезийский
/ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Индонезия
adjective
1. binnen een gebouw beoefend; overdekt plaatsvindend
внутри́
/ˈɪndrʌk/
verb
впечатление
noun
индуктивность
verb
1. het veranderen van de economie door het vergroten van de nijverheid
индустриализи́ровать
noun
1. Nijverheid
промышленность
noun
1.
инессив
/ɪnfɛk'terən/
verb
заража́ть
noun
1. een besmetting van lichaamsweefsel met ziekteverwekkers als bacteriën, virussen, schimmels of...
инфекция
verb
инфильтри́ровать
/ɪɱfinitif/
noun
1. het hele werkwoord
инфинитив
noun
1. stijging van het prijspeil waardoor het geld in waarde daalt
инфля́ция
noun
1.
инфлюэ́нсер
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
информатика
noun
1. beoefenaar van de informatica
идео́лог программи́рования
noun
1.
информация
noun
информацио́нная безопа́сность
noun
1. samenleving, waarin informatie als de belangrijkste productiefactor gezien wordt.
информацио́нное о́бщество
noun
1.
информационная система
noun
1. informatie die primair tot doel heeft het beoogde publiek te vermaken
инфотэйнмент
adjective
инфракрасный
/ˈɪɱfrastrʏktyr/
noun
1. het totaal van onroerende voorzieningen zoals (spoor)wegen, vliegvelden,...
инфраструкту́ра
noun
1. vochttoediening in de bloedvaten
капельница
noun
2. een opening waar iets doorheen kan
вход
/ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
инженер
noun
2. verzamelnaam voor de inwendige organen van het darmkanaal
кишечник
pronoun
1.
Ингольштадт
noun
1.
вбра́сывание
noun
ингредие́нт
/ˈɪŋɣrep/
verb
вмеша́тельство
verb
  1. 2. zich beslissend mengen in het verloop van iets
  2. 1. handelen om een probleem te voorkomen of op te lossen
вмешиваться
pronoun
1. Finoegrische taal die door ongeveer 300 Ingriërs gesproken wordt
ижорский
noun
ингаля́тор
/'ɪnɦɑm/
noun
пещера
/ɪnˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens voorkomend
ме́стный
/ˈɪnhɑut/
noun
  1. 1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
  2. 3. alles wat in een geschrift of ander medium staat
содержание
noun
1. overzicht van de onderwerpen of hoofdstukken in een boek
содержание
noun
1. feestelijke gelegenheid waarbij iemand wordt gehuldigd, zoals een koning/vorst door diens onderdanen, bij aanvaarding van diens ambt
  1. вступление в должность
  2. инаугурация
/ˌiniˈtʃalwort/
noun
1. en 2.
[[инициальный|инициа́льная]] [[аббревиату́ра]]
/ini(t)ʃali'zerə(n)/
verb
1.
инициализи́ровать
noun
Инициация
noun
инъекция
noun
1.
борозда
noun
1. regelmatig verkregen som geld
дохо́д
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
чернила
/ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
черни́льница
/ˈɪŋktfɪs/
noun
1. een koppotig weekdier met vangarmen dat een inktachtig vocht afscheidt ter verdediging
кальмар
verb
заса́ливать
verb
1. verschuldigd geld in ontvangst nemen
обнали́чивать
pronoun
1.
Инсбрук
/ˈɪmpɑkə(n)/
verb
2. in een omhulsel doen
пакова́ть
/ɪ'mplɛnə(n)/
verb
1.
плани́ровать
verb
1. diep in het geheugen vastleggen
привить
noun
1. een rechtbank van de Rooms-Katholieke Kerk, die was belast met de opsporing, het onderzoek en het opleggen van straffen van ketters
инквизиция
verb
1. vragen of iemand tussenbeide of te hulp komt
апеллировать
/'ɪnsxepə(n)/
verb
1. aan boord gaan van een schip voor een reis ermee
  1. садиться на корабль
  2. сесть на корабль
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
насекомое
adverb
взаи́мно
verb
намека́ть
noun
1. horizontale draden die tijdens het weven tussen de opgespannen draden van de schering worden ingebracht
уток
verb
1. het voor een voertuig of ploeg vastmaken van een lastdier
запрягать
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
усилие
noun
инспе́ктор
/ɪnspi'rasi/
noun
1. een gevoel over hoe men een klus kan aanpakken
вдохнове́ние
verb
1. de geest gaande maken
вдохнови́ть
verb
1. met een sprong zich in iets begeven
впрыгнуть
noun
1. onbestendigheid
зы́бкость
noun
  1. 8. een kunstvorm
    базировка
  2. 3. een min of meer plechtige en officiële inwijding in een bepaald ambt
    инсталля́ция
verb
  1. 1. de formele aanvang van een officiële functie
  2. 2. het invoeren en gebruiksklaar maker van een computerprogramma
  3. 3. het aanleggen van een installatie
помести́ть
verb
1. het op juiste wijze afregelen van een toestel
настроить
noun
2. organisatie, die vaak subsidie van de overheid krijgt en geen geld wil verdienen
ве́домство
verb
1. het eens zijn
соглашаться
noun
1. gedrag dat geheel genetisch bepaald is
инсти́нкт
adjective
инстинктивный
verb
1. zwichten voor de zwaartekracht
обва́ливаться
noun
1. een order, een aanwijzing
инстру́кция
verb
инструкти́ровать
noun
  1. 2. verkort voor muziekinstrument
  2. 1. werktuig
инструмент
noun
1. een naamval die aangeeft dat een zelfstandig naamwoord het object is waarmee een actie wordt uitgevoerd
творительный падеж
/ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
инсулин
adjective
1. in goede staat, onaangetast
невреди́мый
/ɪnˈtexə(n)del/
adverb
наоборо́т
adjective
интегра́л
noun
интеграл
/ɪntəˈɣra(t)si/
noun
интегра́ция
/ɪntəɣriˈtɛit/
noun
1. onschendbaarheid, eerlijkheid, oprechtheid
нетронутость
/ɪntɛli'xɛnt/
adjective
1. met een goed verstand of daarvan blijk gevend
поня́тливый
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
интеллект
noun
IQ
noun
1.
интеллиге́нция
adjective
1. zeer krachtig, hevig
интенси́вный
noun
1. onderlinge beïnvloeding
обще́ние
adjective
междисциплина́рный
adjective
1. wekt interesse
интересный
noun
  1. 1. belang
  2. 2. belangstelling
  3. 3. iets waar belangstelling voor is
интере́с
verb
1. nieuwsgierig maken
заинтересова́ть
noun
интерфе́йс
noun
3. gezamelijke werking van golven
интерференция
/ĭn'tə(r)lĭng"wə/
pronoun
1. een hulptaal bedoeld is om de communicatie met anderstaligen te vereenvoudigen
интерлингва
noun
2. letterafstand
шпо́на
noun
интермедия
/ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
  1. интернациональный
  2. международный
pronoun
Международный валютный фонд
pronoun
Международное бюро мер и весов
verb
1. een verplichte verblijfplaats aanwijzen
интерни́ровать
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
интернет
noun
1.
Интернет-кафе
noun
1. Arts
интернист
noun
1. uitlegging, vertaling
интерпрета́ция
verb
1. uitleggen of opvatten
интерпрети́ровать
/'ɪntɛrpɵŋktsi/
noun
зна́ки препина́ния
adjective
1. tussenliggend
междоу́злие
noun
  1. 1. tussenperiode
  2. 3. de afstand tussen twee verschillende tonen
интерва́л
noun
1. vraaggesprek met iemand over diens opvattingen en ervaringen
интервью
verb
1.een vraaggesprek met iemand houden
интервьюи́ровать
adjective
1. in de spier
внутримы́шечный
adjective
1. in de ader gelegen of plaatvindend
внутриве́нный
noun
  1. 2.
  2. 3.
интри́га
verb
  1. 1. interesse wekken, fascineren
  2. 2. met slinkse streken te werk gaan
[[стро́ить]] [[ко́зни]]
adjective
имманентный
verb
  1. 1. iets nieuws inbrengen of invoeren
  2. 2. een nieuw persoon toegang verschaffen
  3. 3. iemand voor het eerst voorstellen
ввести́
/ˈɪntrɔn/
noun
1. stukje DNA dat zich bevindt in een gen maar dat niet wordt gebruikt om het eiwit te coderen
интрон
noun
1.
интро́ит
adjective
вторгаться
pronoun
инуктиту́т
noun
о́пись
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
инвестиция
/ˈɪnvluːt/
noun
  1. 1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
  2. 2. het vermogen om op anderen in te werken
влияние
adjective
влиятельный
noun
ввод
/ˈɪnvurə(n)/
verb
  1. 2. gegevens in een electronisch apparaat stoppen
  2. 1. iets nieuws introduceren
вводить
noun
1. krans of spiraal van schutbladen rond een bloeiwijze
обёртка
noun
ставка
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ио
/jɔn/
noun
ион
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Zuid-Italië en West-Griekenland
Иони́ческое мо́ре
noun
ионосфера
/i'peʔadrɛs/
noun
1. een combinatie van getallen waarmee een computer in een IP-netwerk kan worden herkend
IP-адрес
pronoun
1.
ира́нский
/i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
  1. Ирак
  2. Ира́к
/i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
  1. Иран
  2. Ира́н
noun
иранец
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
  1. иридий
  2. ири́дий
noun
  1. 1. orgaan in het oog van vele organismen
  2. 2. benaming voor planten uit het geslacht Iris
ирис
/ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
ирония
adjective
1.
ирони́ческий
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Иррель
adjective
1. van geen belang voor de huidige zaak
нева́жный
adjective
1. in hoge mate vervelend
раздража́ющий
verb
1. op onaangename wijze prikkelen
злить
noun
1. een zenuwontsteking bij de heup
ишиас
pronoun
1.
Изернхаген
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
  1. ислам
  2. мусульманство
pronoun
Исламабад
noun
1. een verzameling punten onder constant houden van de druk gemeten
изоба́ра
noun
  1. 1. ruimtelijke afzondering
    затво́рничество
  2. 2. het voorkomen van geleiding van energie of stroom
    изоляция
verb
  1. 1. persoonlijk
  2. 2. chemisch
  3. 3. elektrisch
  4. 4. warmte
изолировать
noun
изоморфизм
noun
1. een verzameling punten constante temperatuur gemeten of waar de temperatuur dezelfde waarde heeft
изоте́рма
noun
изотоп
/ˈɪs.ra.hɛl/, /ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
  1. Израиль
  2. Изра́иль
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door ongeveer 1.000 mensen in Zuid-Europa
истрорумынский язы́к
/italiˈjaːn/
noun
1. een persoon die uit Italië komt
итальянец
/italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
  1. итальянский
  2. итальянский язык
/iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
  1. Италия
  2. Ита́лия
adjective
итерати́вный
suffix
  1. 1.
  2. 2.
и́т
noun
слоновая кость
adjective
эльфийский
/i.ˈvoːr.kʏs/, /i.ˈvoːr.kʏst/, /i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
  1. Кот-д'Ивуар
  2. Кот-д’Ивуар
/jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
  1. да
  2. так
/jaː/
interjection
1. kreet van opwinding
да
/'jaxpɑt/
noun
1. een pad langs de kant van een kanaal of vaart waarover eertijds de trekdieren van de trekschuit werden voortgedreven
бечевни́к
/ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
  1. год
  2. лет
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
годи́чный
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adverb
ежего́дно
/jɑxt/
noun
  1. 1. het achtervolgen van wild
    1. ло́вля
    2. лов
  2. 3. een snel vaartuig
    яхта
noun
1. hond die speciaal gefokt wordt voor de jacht
гончая
noun
1. wettelijke toestemming om te jagen
охотничий билет
/ˈjaːɣə(n)/
verb
1. bewegende wezens proberen te vangen
  1. охотиться
  2. охо́титься
noun
1. iemand die op jacht gaat
охотник
noun
охо́тник-собира́тель
noun
1. een vrouw die jaagt
охо́тница
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Ягстхаузен
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
ягуар
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat Rajasthan
Джайпу́р
noun
як
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
шакал
pronoun
Иа́ков
noun
1. benaming voor bepaald soort mosselachtig schelpdier
гребешок
/jaˈkobʏs/
pronoun
Иа́ков
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
ревни́вый
/jɑluˈziː/
noun
2. zonnescherm
жалюзи
/ʃɛm/
noun
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
джем
/(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Ямайка
noun
ямб
adjective
1. met het ritme van een jambe
ямби́ческий
noun
1. een grote bijeenkomst van scouts in de leeftijd van 14 tot 17 jaar uit landen verspreid over de gehele wereld die eens per 4 jaar wordt georganiseerd
джамбори
/'jɑmərlək/
adverb
1. beklagenswaardig, bedroevend
жалкий
noun
1. bepaalde zeevogel, Morus bassanus
баклан
/jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
январь
pronoun
  1. 2. Romeinse god
  2. 3. maan
Я́нус
/jaˈpɑn/, /jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
  1. Япония
  2. Япо́ния
noun
  1. Японско
  2. японец
/jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
японский
/jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
  1. японский
  2. япо́нский
pronoun
1. taalfamilie van Japans en een tiental verwante talen die in Japan worden gesproken
японо-рюкюские языки
/jɑr.ˈɣɔn/
noun
2. vaktaal, taalgebruik binnen een bepaalde groep, vaak moeilijk te volgen voor een buitenstaander
жаргон
noun
1.
куртка
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Jasminum
жасмин
noun
я́спис
noun
1.
ятага́н
pronoun
1. een taal die door meer dan 75 miljoen mensen op Java en Bali gesproken wordt
ява́нский
/'jɑʋɛl/
adverb
ja, antwoordend op een ontkennende vraag
да
noun
1. terreinwagen
  1. внедорожник
  2. джип
/jeˈhova/
pronoun
Иего́ва
/ˈjemən/, /ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
  1. Йемен
  2. Йе́мен
pronoun
1. en 2.
Йена
noun
  1. 1. Juniperus communis
    можжевельник
  2. 2. vrucht
    можжевёловая ягода
pronoun
Иеремия
noun
1.
кани́стра
pronoun
  1. Исайя
  2. Книга пророка Исаии
/ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
молодёжь
noun
общежи́тие
adjective
1. jong, fris, onbevangen
юный
noun
1. kriebel
зуд
/ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Иисус
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Иисус Христос
/je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
иезуит
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
Джаркха́нд
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
подагра
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
идиш
noun
джихад
/jEi/, /jɛɪ̯/, /jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
ты
verb
1. iemand aanspreken met jij en jou in plaats van met u
тыкать
/'jɔb/
pronoun
  1. Иов
  2. Ио́в
/ˈjodələ(n)/
verb
1. zingen met een snelle wisseling van borst- naar keelstem
йодли́ровать
/joˈdɪn/
noun
евре́йка
/joˈdin/
noun
1.
еврейка
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
йод
pronoun
Югославия
noun
спорти́вные штаны́
pronoun
2.1 een van de vier Evangeliën
  1. Иван
  2. Иоанн
noun
  1. pожковое дерево
  2. рожковое дерево
noun
джойнт
noun
1. speelgoed
йо-йо
verb
джокер
/ˈjɔ.kə(n)/
verb
2. een relatief onschuldige leugen vertellen
привира́ть
adjective
1. van geringe leeftijd
  1. юный
  2. молодой
noun
1. onvolwassen man
мальчик
/jɔŋˈle.rə(n)/
verb
жонгли́ровать
/jɔŋˈlør/
noun
  1. 2. rondreizend artiest
  2. 1. rondreizend kunstenaar
  3. 3. de artiest die zo veel mogelijk objecten weet op te gooien...
жонглёр
noun
1. een jong persoon, jongeman, jongemeid
молодец
noun
1. schip
джонка
/jot/
noun
еврей
noun
  1. 1. aanhanger van het joodse geloof
    еврей
  2. 1. element jodium
    йод
adjective
1. te maken hebbend met het joodse geloof, het jodendom
еврейский
phraseologicalUnit
1.
бог весть
/jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
  1. Иордания
  2. Иорда́ния
noun
3. een kleinigheid, helemaal niets
ио́та
/jɑu̯/
personalPronoun
  1. тебе
  2. тебя
  3. тобой
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
журналист
/jɑu̯/
possessivePronoun
1.
твой
adjective
1. opgewekt en tegelijk aardig en vriendschappelijk in de omgang
сердечный
/joˈʔel/
pronoun
Джо́эл
/jybələ/
verb
1. juichen
ликова́ть
noun
1. feestelijke herdenking van de dag waarop iets gebeurde of begon
пра́зднество
pronoun
2. boek in de Bijbel
Иу́да
noun
1. vriendelijk gebaar van een iemand die veinst een vriend te zijn, kort voordat zijn ware bedoelingen duidelijk worden
лобзание Иуды
noun
1. naam voor planten uit het geslacht Lunaria
лунный
/'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
  1. дзюдо
  2. дзюдо́
noun
1. bepaald soort eenjarige plant met sterk greduceerde veerdelige bladeren, Nigella damascena
черну́шка
/jʏˈfrɑu/
noun
ба́рышня
noun
1. houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten verbindt
и́го
noun
1. een van de beenderen van de schedel
скула́
/jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
  1. июль
  2. ию́ль
pronoun
Июльская революция
/ˈjʏli/
personalPronoun
  1. 2.
    1. вам
    2. вы
  2. 3.
    1. вас
    2. вы
  3. 1.
    вы
/ˈjʏli/
possessivePronoun
1. jullie
ваш
noun
1. de zesde maand van het jaar
  1. июнь
  2. ию́нь
noun
1. een verzamelnaam voor snel bereid en geserveerd voedsel dat vaak ongezond is
джанк-фу́д
/ˈjypiˌtɛr/
pronoun
Юпитер
noun
  1. 1. kanton
  2. 2. gebergte
Юра
adjective
1. betrekking hebbend op het recht en de rechtsleer
  1. юридический
  2. правовой
noun
1. een deskundige op het gebied van rechtsleer
юрист
/jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
платье
noun
1. een groep mensen die oordeelkundig geacht wordt en gevraagd een oordeel ergens over uit te spreken
жюри́
noun
1. saus voor spijzen, bereid uit vleesnat
подли́вка
adjective
de bastvezels
джут
noun
een grof weefsel van jute vervaardigd
рогожа
noun
1. sieraad van grote schoonheid en hoge waarde
драгоце́нный ка́мень
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
ювели́р
noun
1. krokodilachtige uit de onderfamilie Caimaninae van de familie alligators
кайман
noun
1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
челюсть
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
столбняк
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
лы́сый
noun
1. het kaal zijn
облысе́ние
adjective
1.
лы́сый
noun
1. een in zee vooruitstekende landpunt
мыс
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Мыс Аркона
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
мыс До́брой Наде́жды
pronoun
мыс Горн
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
Кейптаун
/ˈkaːp.stɑn.dər/
noun
1. kaapstander
во́рот
/kab.ˈvɛr.di.jə/, /kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
  1. Кабо-Верде
  2. Ка́бо-Ве́рде
/kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
  1. свеча
  2. све́чка
/'karsəndovər/
noun
1. een werktuig om kaarsen mee te doven
гасильник
noun
1. het schijnsel van een brandende kaars
свет горящей свечи
noun
nog in te delen vertalingen
карта
/kartspɛl/
noun
  1. 1. een spel met speelkaarten
    [[игра́]] в [[ка́рты]]
  2. 2. een spel kaarten
    карточная игра
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
сыр
noun
1.
ма́рля
noun
ма́льва
/ˈkasxaf/, /ˈkasχaf/
noun
1. een gebruiksvoorwerp waarmee een dun plakje van een stuk kaas kan worden gesneden
сырорезка
/'kɑbələ(n)/
verb
1. zacht stromen en geluid maken
журча́ние
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
  1. кабель
  2. трос
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
треска
noun
1. en 2. lever van Gadus morhua voor opslag van bloed, galproductie en stofwisseling
печень трески
noun
кабине́т
/'kabul/
pronoun
1. Afghaanse stad/provincie
Кабул
noun
1. sprookjesfiguur
  1. гном
  2. карлик
/ˈkɑ.xəl/, /ˈkɑ.xəɫ/, /ˈkɑ.χɔɫ/
noun
1. een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
печь
pronoun
1. Tibeto-Birmaanse taal gesproken door 900 duizend mensen in Myanmar
Качин
/ˈkɑxtəl/, /ˈkɑxtəɫ/, /ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
  1. жеребёнок
  2. скид
noun
1. dood lichaam van een dier
падаль
/ˈkɑdiʃ/
noun
1. een joods gebed waarin Gods naam wordt geheiligd
кадиш
noun
  1. 2. situationele context, raamwerk, verband
    оконная рама
  2. 1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
    рамка
/kɑf/
noun
1. de vliezen rondom de graankorrels
лузга
noun
1.
кафта́н
pronoun
1. en 2.
Кайзерслаутерн
noun
1. een gesloten kano om in wild water of op zee te varen
каяк
noun
1. overdekte gemeenschappelijke verblijfplaats op schepen
каюта
/kaki/
noun
хурма
adjective
серая хаки
verb
какать
noun
2. verwaand/bekakt persoon
  1. мажор
  2. понтовальщик
  3. хлыщ
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
таракан
noun
1. rommelig geheel van vele klanken door elkaar
какофо́ния
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
  1. календарь
  2. календа́рь
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
телёнок
verb
конопатить
noun
теля́тина
noun
халиф
noun
халифа́т
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
калий
noun
хлори́д ка́лия
/ˈkɑl(ə)k/
noun
aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium
и́звесть
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
  1. дикая индейка
  2. индюк
  3. индейка
noun
2. orgaan van een kalkoen
печень индейки
noun
известняк
noun
1.
каллиграфия
/ˌkɑ.lɪ.ˈpi.ɣɪs/
adjective
1. met een mooi achterste
каллипиги́йская
/ˈkɑlmus/, /ˈkɑɫmus/
noun
аи́р
noun
поко́й
verb
1. een jong baren bij runderen
тели́ться
/kɑm/
noun
1. getand object om haren mee te verzorgen
  1. расчёска
  2. гребень
/kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
  1. верблюд
  2. верблю́д
noun
верблюдоводство
/ka'melejɔn/
noun
  1. 1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
  2. 2. veranderlijk persoon
хамелеон
noun
1. deel van een huis
комната
noun
камара́д
noun
1. een lange huisjas
пеньюа́р
/ka.mər.lɪt/
noun
1. iemand die een zetel in een der kamers van de volksvertegenwoordiging bekleedt
нарде́п
noun
ка́мерная му́зыка
/ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
  1. Камерун
  2. Камеру́н
noun
1.
ка́мерный орке́стр
noun
ко́мнатное расте́ние
noun
  1. комнатная температура
  2. ко́мнатная температу́ра
noun
  1. камфора
  2. ка́мфора
noun
1. elk van de planten van het geslacht Matricaria
ромашка
noun
1. mannenvest met lange mouwen en diepe zakken
камисо́ль
/kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
причёсывать
noun
  1. 1. een plaats waar een aantal troepen geruime tijd of permanent gehuisvest zijn
  2. 2. een kampeerplaats met een groep van bij elkaar horende tenten
ба́за
verb
1. een vorm van openluchtrecreatie
жить в [[палатка|пала́тке]]
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
жи́молость
/kɑmpiun/
noun
1. de winnaar van een kampioenschap
чемпион
noun
1. wedstrijd waar bepaald wordt wie de kampioenstitel mag dragen
[[зва́ние]] [[чемпион|чемпио́на]]
noun
vuur in een kamp waaromheen mensen zich (ter gezelligheid) verzamelen
костёр
noun
1. serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
бидо́н
pronoun
Англи́йский кана́л
/ka'naːl/
noun
  1. канал
  2. кана́л
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
канарейка
pronoun
1. een stad gelegen in Zuid-Afghanistan en de hoofdstad van de gelijknamige provincie
Кандага́р
noun
канделя́бр
/kɑndiˈdat/
noun
  1. 1. iemand die zich verkiesbaar gesteld heeft voor een politiek ambt
  2. 2. iemand die zich beschikbaar gesteld heeft voor een baan of functie
кандидат
/kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
корица
noun
1. tot poeder vermalen kaneel
корица молотая
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
кенгуру
noun
1.
[[япо́нский]] [[иеро́глиф]]
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
рак
pronoun
1. taal die in de Indische staat Karnataka gesproken wordt
ка́ннада
noun
1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
  1. каннибал
  2. людоед
noun
1.
каннибали́зм
noun
каноэ
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
пушка
noun
1.
каноне́рская ло́дка
noun
  1. 1. mogelijkheid dat er iets gaat gebeuren
    1. шанс
    2. вероятность
  2. 2. een mooie gelegenheid
    1. шанс
    2. возможность
noun
1. eerste minister
канцлер
noun
азартная игра
/kɑnt/
noun
1. een vorm van vlechtwerk
кружево
noun
1. eetgelegenheid in bedrijven, scholen, verenigingen
столовая
pronoun
een Chinese taal gesproken door ongeveer 54 miljoen mensen in het zuiden van China en ook buiten het land
гуанду́нский
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
  1. бюро
  2. офис
noun
1. een gebouw waarin één of meer organisaties hun kantoor hebben ondergebracht
[[офисный|о́фисное]] [[зда́ние]]
noun
1. een titel die aan bepaalde geestelijken wordt verleend binnen enkele christelijke kerkgemeenschappen.
кано́ник
noun
каолин
/kɑp/
noun
2. een bedekking van het hoofd
капюшон
noun
1. klein kerkgebouw
  1. капелла
  2. часовня
  3. придел
noun
1. een priester van de katholieke kerk, werkzaam in een parochie
капелла́н
verb
захва́тывать
/ˈka.pər.ˌbrif/
noun
1. een brief door de overheid of koning werd geschreven, waarmee een schip dat die brieven aan boord had het recht werd gegeven om schepen van vijandelijke mogendheden aan te vallen en leeg te roven
каперское свидетельство
noun
1. markt waarop vermogenstitels worden verhandeld met een onbepaalde looptijd, of met looptijden vanaf circa twee jaar
ры́нок капита́лов
adjective
капиталистический
noun
1.
капите́ль
noun
1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
  1. капитан
  2. капита́н
noun
1.
капитул
/'kɑpmɛs/
noun
1. stevig mes
  1. мачете
  2. косарь
  3. секач
noun
каплу́н
adjective
3. erg verdrietig of geschokt
безуте́шный
/ka'pɔtʲə/
noun
2.
гондон
noun
ка́ппа
noun
парикмахер
/'kɑ.pər.tʲə/
noun
2. klein groen bloemknopje van de kappertjesplant, Capparis spinosa, dat meestal op zuur bewaard wordt en dat als kruiderij gebruikt wordt
каперсы
/kɑpsɛɪ̯zə(n)/, /kɑpsɛːzə(n)/
verb
1. ondersteboven komen liggen
опроки́дываться
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
причёска
noun
1. een geweer met ingekorte loop en soms ook ingekorte schoudersteun
караби́н
noun
1. tafelfles met wijde buik en smalle hals
Декантер
noun
  1. 2. letter
    знак
  2. 1. aard
    характер
verb
охарактеризова́ть
noun
1. gebrande suiker
карамель
noun
1. vorm van vermaak, waarbij muziek wordt afgespeeld van een lied, en de amateur zanger in een microfoon de tekst (die op een televisiescherm te lezen is) live zingt
карао́ке
pronoun
1. stad in Namibië
Карасбург
noun
1. japanse gevechtsport
каратэ
noun
1.
караван
/kɑrboˈnadə/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
отбивная
noun
plant en zaad
кардамон
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
кардинал
noun
1. en 2. bladeren van Cynara cardunculus
кардон
pronoun
1. een aan het Fins verwante taal die wordt gesproken in Karelië, Rusland en Finland
карельский
/kɑˈrelɪə/
pronoun
1. deel van Rusland
Каре́лия
noun
1. een zoogdier uit de familie der hertachtigen
кари́бу
noun
1.
карикатурист
noun
1.
карикату́ра
pronoun
1.
Каринтия
pronoun
Карл-Маркс-Штадт
pronoun
1., 2. en 3.
  1. Карловы Вары
  2. Ка́рлови-Ва́ри
noun
1. een rode kleurstof die wordt gewonnen uit een soort schildluis, de Cochenilleluis, Dactylopius coccus Costa
карми́н
adjective
красная карминовая
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het zuiden van het land
Карна́така
noun
1. gefermenteerde melk
пахта
adjective
1. van, betreffende de Karolingers
каролингский
pronoun
Карпаты
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
  1. карп
  2. сазан
noun
1. de verzameling verschijnselen die samenhangen met de oplosbaarheid van kalksteen onder invloed van koolzuur in de atmosfeer
карст
noun
ободо́чная кишка́
/kɑrˈtɔn/
noun
  1. 1. bordpapier
  2. 2. verpakking
картон
noun
каравелла
noun
plant, zaad en specerij
тмин
noun
1. gedroogde (gemalen) aromatische zaad van Carum carvi
семена тмина
/'kɑs/
noun
  1. 1. de bak die het ontvangen geld bevat
    касса
  2. 3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...
    теплица
pronoun
Кашми́р
pronoun
1. een Westslavische taal die gesproken wordt in het oosten van Pommeren
кашубский
noun
1.
блокба́стер
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
  1. Каспийское море
  2. Каспи́йское мо́ре
noun
  1. 3. machine om ontvangen geld te registreren en te bewaren
    [[ка́ссовый]] [[аппара́т]]
  2. 1. plaats waar men aankopen betaalt in een winkel
    ка́сса
pronoun
1. Duitse stad
Кассель
noun
1. iemand die het beheer heeft over de kas en de mutaties ervan bijhoudt
касси́р
/kɑs/, /kɑst/
noun
1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
  1. гардероб
  2. шкаф
noun
  1. 1. de vrucht
  2. 1. de boom
каштан
adjective
каштановый
noun
1. streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
каста
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
замок
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Casuarius
казуа́р
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
  1. кот
  2. кошка
noun
1. geheel van de afbraakprocessen in een lichaam
катаболизм
noun
катафалк
noun
катализа́тор
noun
    1. 1. belegeringswapen
    2. 3. lanceerinrichting voor vliegtuigen
    катапульта
  1. 2. speeltuig
    рогатка
noun
2. gevolgen van alcoholgebruik
  1. похмелье
  2. похме́лье
/kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
собор
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
катетер
noun
1-2 scheikunde + elektronica
катод
/ˌka.to.ˈlik/
adjective
  1. 1. overeenkomstig de geloofsleer van de Katholieke Kerk
  2. 2. te maken hebbend met de Katholieke Kerk
католический
noun
катион
/kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
хлопок
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
  1. блок
  2. шкив
pronoun
Ка́ттегат
noun
1. bepaald soort loofboom Salix viminalis
и́ва прутовидная
pronoun
1. gebergte
Кавка́з
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
галка
verb
жевать
noun
1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
жва́чка
noun
икра
pronoun
1. een taal die van oorsprong door de Kazachen in Kazachstan gesproken werd
  1. казахский
  2. каза́хский
/ˈka.zɑx.stɑn/, /ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
Казахстан
noun
1. inwoner van Kazachstan
каза́к
noun
1. een tegen vijandelijk vuur gedekte en van schietgaten voorziene ruimte voor de opstelling...
казема́т
noun
1. gebouw waar soldaten gelegerd zijn
казарма
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
орна́т
pronoun
1. oudste zoon van Adam en Eva
Каин
/keːl/
noun
1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
горло
noun
1. pijnlijke irritatie van het slijmvlies in de keelholte, meestal door een ontsteking ervan
анги́на
/keːp/
noun
2. kleurrijke vinkensoort
  1. вьюрок
  2. юрок
/ˈkipər/
noun
  1. вратарь
  2. голкипер
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
раз
noun
тропик
pronoun
1. stad in Namibië
Китмансхуп
noun
кефир
/ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
  1. конус
  2. кегля
  3. сосулька
noun
1. een kromme gevormd door het snijden van een kegel met een plat vlak
  1. коническое сечение
  2. кони́ческое сече́ние
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
  1. император
  2. царь
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
императрица
adjective
имперский
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
  1. империя
  2. импе́рия
noun
1. operatieve verlossing
кесарево сечение
noun
1. een ondergrondse bergruimte
подвал
noun
ку́бок
noun
кельнер
/kɛɫt/
noun
1. lid van een Indo-Europees volk waarvan na de Romeinse tijd de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
кельт
/kɛɫtən/
noun
2. Indo-Europees volk waarvan de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
кельты
/ˈkɛl.tis/, /ˈkɛɫ.tis/
adjective
1. met betrekking tot Kelten
ке́льтский
noun
1. bepaald soort vogel, Calidris pugnax
турухтан
/ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
Кения
verb
  1. 1. bekend, vertrouwd zijn met
  2. 2. door studie of oefening geleerd hebben
знать
noun
знаток
/ˈkɛnɪs/
noun
1. wat je weet of hebt geleerd
знание
verb
eerste begroeting
познакомиться
noun
  1. 1. een teken waaraan iets of iemand herkenbaar is
  2. 2. een identificatienummer van een (gemotoriseerd) voertuig
автомобильный номер
noun
са́ржа
noun
1. militair hoofddeksel met klep
кепи
/ˈkɛpəl/
noun
1. hoofddeksel in de vorm van een ondiep bolsegment
кипа
noun
керамика
noun
чувак
noun
1. een ingesneden groef
вы́емка
/kɛrk/
noun
  1. 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
    костёл
    1. 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
    2. 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
    1. церковь
    2. костёл
/ˈkɛrk.bɑŋk/
noun
1. harde langwerpige constructie waar in een kerkgebouw waarop gelovigen tijdens een dienst kunnen zitten
[[церковный|церко́вная]] [[скамья́]]
noun
1. bijeenkomst van een christelijke gemeente waarin God vereerd wordt
[[церковный|церко́вная]] [[слу́жба]]
/ˈkɛr.kə.lək/
adjective
1. verband hebbend met de kerk
духовник
/kɛrkər/
noun
1. een ondergrondse ruimte die bestemd is voor het opsluiten van gevangenen
подземе́лье
noun
1. terrein waar overledenen begraven worden
кладбище
/ˈkɛr.klɔk/
noun
1. een bel in de toren van een kerk
церковный колокол
noun
1. een toren bij een kerk
башня церкви
/ˈkɛrgœːl/, /ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
сипу́ха обыкнове́нная
noun
атомная электростанция
noun
1. energie geproduceerd door kernfusie of kernsplijting, waarmee in een kerncentrale elektriciteit wordt opgewekt
а́томная эне́ргия
noun
1. het proces waarbij twee atoomkernen botsen en één zwaardere kern vormen waarbij energie vrij komt
термоя́дерная реа́кция
noun
1. ouders en hun minderjarige kinderen
нуклеа́рная семья́
noun
ядерный реактор
noun
1. een rampzalige gebeurtenis waarbij de brandstof van een kernreactor smelt door het wegvallen van de koeling
[[разруше́ние]] [[активный|акти́вной]] зоны [[ядерный|я́дерного]] [[реактор|реа́ктора]]
noun
1. een vrij zware fractie alkanen die met name als vliegtuigbrandstof gebruikt wordt
кероси́н
noun
specerij
карри
adjective
кари
noun
1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
  1. вишня
  2. черешня
/ˈkɛr.sə.ˌlaːr/
noun
  1. 1. een boom uit het geslacht Prunus
  2. 2. het hout van een boom uit het geslacht Prunus
вишня
noun
1. benaming voor bomen waaraan kleine ronde vruchten groeien, uit het ondergeslacht Prunus subg. Cerasus
вишня
/kɛr.ˈsta.vɔnt/, /kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
соче́льник
/ˈkɛrsd.bom/, /ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
  1. ёлка
  2. новогодняя ёлка
/ˈkɛrs.dɑx/, /ˈkɛrs.dɑχ/, /ˈkɛrz.dɑx/
noun
Рождество́
/ˈkɛr.stə.ˌnə(n)/
verb
2. heidense volkeren, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren; veelal in historische context
[[обрати́ть]] в [[христиа́нство]]
/ˈkɛrs.kart/, /ˈkɛrst.kart/
noun
1. een wenskaart die wordt gekenmerkt door een kerstgroet en wensen voor het komende nieuwe jaar
нового́дняя откры́тка
/ˈkɛrs.lid/, /ˈkɛrst.lit/
noun
1. een op Kerstmis betrekking hebbend lied
  1. Колядки
  2. коля́дка
/ˈkɛrs(t)məs/, /ˈkɛrsmɪs/, /ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
  1. Рождество
  2. Рождество Христово
noun
1.
морозник чёрный
/ˈkɛr.stɑl/, /ˈkɛr.stɑɫ/
noun
1. een voorstelling van de geboorte van Jezus met figuren van hout of gips, die vooral in katholieke gezinnen rond Kerstmis in huis te vinden is, vaak onder de kerstboom
рожде́ственский верте́п
/ˈkɛrstɛr/
noun
Вифлеемская звезда
/ˈkɛr.strɔŋk/
noun
1. een gebak in de vorm van een stronk dat met kerst gegeten wordt.
рождественское полено
noun
1. plant
Кервель ажурный
noun
1. een saus op basis van tomaten
кетчуп
noun
  1. 1. meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
  2. 2. waterketel
котёл
/ˈke.təl.dɑl/, /ˈke.təɫ.dɑɫ/, /ˈkeː.təl.dɑl/
noun
1. een half cirkelvormige vallei gevormd door de erosie die een gletsjer veroorzaakt
кар
noun
Накипь
noun
1.een goederenwagon waarop een ketel gemonteerd is, geschikt voor het vervoer van vloeibare producten
вагон-цистерна
noun
1. uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
цепь
noun
1. iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
ерети́к
/ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
ересь
noun
4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
Бусы
noun
1. motorzaag die een ketting met getande schakels heeft
бензопила
/ˈkøːkə(n)/
noun
  1. 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
    кухня
  2. 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
    1. кухня
    2. ку́хня
pronoun
Кёльн
noun
курфюрст
/'kø:s/
noun
gelegenheid
выбор
verb
1. gezellig praten zonder al te veel diepgang
  1. болтать
  2. трепаться
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
вы́бор
/ˈkevər/, /ˈkɛvər/
noun
1. bepaald insect
жук
/ˈkiːbɔː(r)d/, /ˈkiːbɔː(r)t/
noun
  1. 1. een elektronisch muziekinstrument met een toetsenbord
  2. 2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
клавиатура
pronoun
1. taal die in Cambodja gesproken wordt
кхмерский
/ˈkɪbuts/
noun
кибуц
noun
1.1 benaming voor roofvogels uit het geslacht Circus
лунь
noun
1. verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip
киль
noun
1. spoor van waterstroom (achter een schip)
кильва́тер
noun
заро́дыш
adjective
1.
разборчивый
noun
1. een gebied, waar bij verkiezingen op dezelfde kandidaten kan worden gestemd
избирательный округ
noun
1. de wijze waarop de volksvertegenwoordiging bij verkiezingen wordt gekozen.
избирательная систе́ма
noun
1. ademhalingsorgaan van vele in water levende dieren
жа́бры
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Киев
noun
пигалица
adjective
бежево – серая
noun
1. (scheikunde) een zwak zuur dat is afgeleid van siliciumdioxide
кремниевая кислота
verb
  1. 1. uit meerdere mogelijkheden één nemen
    выбирать
  2. kiezen voor iets
    решать
noun
1. iemand die stemt bij een politieke verkiezing
избиратель
noun
1. een statistische bepaling van het aantal kijkers en hun waardering van een bepaald televisieprogramma
рейтинг
verb
  1. смотреть
  2. глядеть
noun
1. iemand die kijkt
зри́тель
verb
1. ruzie maken, een woordenstrijd hebben
  1. браниться
  2. ругаться
noun
1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
  1. лягушка
  2. лягу́шка
noun
1. legsel
лягуша́чья икра́
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
  1. нут
  2. бара́ний горо́х
abbreviation
1. kilogram
  1. килограмм
  2. кило́
noun
1. duizend meter
километр
noun
1. meetinstrument dat de totaal afgelegde afstand in kilometers aangeeft
одо́метр
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
подбородок
noun
  1. 1. mens tussen 0 en 18 jaar
  2. 2. persoon voortkomend uit
  1. ребёнок
  2. дитя
noun
детский труд
noun
1. een arts die gespecialiseerd is in de behandeling van kinderen
детский врач
noun
1. een kamer die speciaal is ingericht voor kinderen
детская комната
adjective
1. op kinderlijke wijze
по-детски
noun
1. het om het leven brengen van een kind
детоубийство
noun
Бэбиситтер
noun
1. een voertuig waarin zuigelingen of kleuters met de hand verreden kunnen worden
де́тская коля́ска
noun
  1. 1. ziekte bij kinderen
  2. 2. fout, tekortkoming bij een nieuw voorwerp, project of plan
детская болезнь
noun
1. kind dat deelneemt aan een gewapend conflict
[[де́ти]]-[[солдат|солда́ты]]
adjective
1. wat beweging veroorzaakt
кинети́ческий
noun
хинин
/kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
  1. коклюш
  2. ко́клюш
pronoun
1. officiële taal van Ruanda, behoort tot de Bantoe-talen
киньяруа́нда
noun
1. klein vrijstaand winkeltje waar men snoep, koffie, kranten en tijdschriften kan kopen
киоск
/kɪp/
noun
  1. 1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
    1. курица
    2. цыплёнок
  2. 2. kippenvlees
    1. курятина
    2. курица
noun
1.
куриное яйцо
noun
hok voor kippen
курятник
/ˈkɪpəvɛɫ/
noun
1. het verschijnsel waarbij als gevolg van kou de huid gaat kleine bubbeltjes vertoont
гусиная кожа
noun
1. voer speciaal geschikt voor kippen
[[кури́ный]] корм
pronoun
1. de taal die in Kirgizië gesproken wordt
киргизский
/kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
  1. Киргизия
  2. Киргизстан
/ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Кирибати
pronoun
1. de officiële taal van Burundi
ру́нди
/kɪts/
adjective
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
кеч
noun
1. schijnkunst die niet aanslaat met veel versieringen en/of de verkeerde materialen waarvan de meeste mensen denken dat het wansmaak is
китч
noun
2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
киви
noun
эле́гия
pronoun
Плач Иереми́и
/klaːr/
adjective
1. in staat van gereedheid gebracht, gereed
готовый
/ˈklaːr ɪs kes/
interjection
вуаля́
pronoun
1. denkbeeldig mannetje dat mensen 's nachts iets in de ogen strooit zodat ze kunnen slapen
песочный человек
noun
1. een aanklacht
жалоба
verb
1. ongenoegen uiten
жа́ловаться
noun
2. houten hemel boven een spreekgestoelte waardoor het geluid van de spreker weerkaatst en zich verspreidt
аба-вуа
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
покупатель
noun
2. bestraffing
пощёчина
noun
нахле́бник
noun
1. bepaald soort zoogdier, Cystophora cristata
хохлач
verb
1. applaudisseren
хло́пать
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
мак
noun
1. ± stuk rundvlees van de borst of klaprib, dat langdurig in een oven gebraden wordt
грудинка
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
кларнет
noun
1. het helder maken van een vloeistof
осветле́ние
/klɑs/
noun
  1. 1. een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
  2. 2. een leerjaar op school
  3. 3. een klaslokaal
класс
noun
1. een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
класс
noun
класс
/ˈklʌʊtərə(n)/
verb
1. klimmen, zich verticaal verplaatsen met behulp van alle vier de ledematen
взбира́ться
/klʌu/
noun
  1. 1. poot van een roofdier
  2. 2. hand
ко́готь
noun
молоток-гвоздодёр
noun
1. klauwplaat
держа́тель
noun
1. toetsinstrument
клавеси́н
noun
клевер
noun
1.
вале́т треф
noun
1. kaartkleur
кре́сти
verb
1. kleren aandoen
облача́ть
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
одежда
noun
1.
[[предме́т]] [[оде́жда|одежды]]
noun
1. rijstsoort die veel zetmeel bevat
kлейкий рис
noun
1. zachte borstel waarmee men stof van kleding kan verwijderen
платяная щётка
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
портной
/klɛɪ̯/, /klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
  1. гли́на
  2. глина
adjective
1. van geringe grootte
  1. маленький
  2. ма́ленький
pronoun
Ма́льчик-с-па́льчик
noun
крестовник обыкновенный
pronoun
Малая Азия
/ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
внучка
pronoun
1. een hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk sterrenbeeld
Ма́лая Медве́дица
noun
1. bepaald soort meeuw, Larus glaucoides
полярная чайка
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Малый Пёс
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Малый Лев
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Cobitis taenia
обыкновенная щиповка
phraseologicalUnit
1. een interval dat drie halve tonen omvat
ма́лая те́рция
noun
1. bepaald soort vlinder, Aglais urticae
крапи́вница
noun
1. Lyceaena phlaeas, een soort vlinder
многогла́зка пятни́стая
/ˈklɛːnɣɛlt/
noun
1. geld in kleine coupures, vooral in munten
ме́лочь
noun
1. de handel die tatbare producten direct aan consumenten verkoopt
розница
/ˈklɛːŋkɪnt/, /ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
  1. внук
  2. внучка
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
внук
noun
ударение
noun
1. verstelbare afsluiting
кла́пан
/ˈkleː.rən/
noun
1. kleding of kledingstukken
одежда
verb
2. praten, babbelen
болтать
noun
болту́н
/kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
цвет
verb
1. van kleur voorzien met potloden, stiften, wasko etc.
красить
adjective
1. zonder kleur
бесцве́тный
noun
цветно́й каранда́ш
adjective
1. vol opvallende kleuren
разноцве́тный
noun
1. stof waarmee men iets kleurt
краситель
verb
кле́ить
/ˈkleːvərɪx/
adjective
1. vasthechtend bij aanraking
кле́йкий
noun
кли́ка
noun
2. opgewarmd voedsel dat overgebleven is van een eerdere maaltijd
оста́вшийся
noun
2. orgaan
  1. железа
  2. железа́
/ˈklivə(n)/
verb
1. langs een scherp breukvlak in tweeën hakken
коло́ть
noun
1. steile hoge rots
скала
verb
1. een klikkend geluid maken
клик
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
  1. климат
  2. кли́мат
noun
1. de verandering van het klimaat in een bepaald gebied over een bepaalde periode, m.n. de wereldwijde opwarming sinds de 19e eeuw
изменение климата
noun
климатическая зона
/klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
климатология
/klɪmɑtoˈloxɪs/
adjective
1. op het klimaat betrekking hebbend
климатологи́ческий
verb
1. het bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
влезать
/'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
плющ
noun
1. planten die tegen voorwerpen aan omhoog kunnen groeien
ползучее растение
noun
1. sport- of speeltoestel waarop men klimt
констру́кция для ла́зания
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
клингонский
noun
1. een inrichting waar patiënten worden verpleegd
амбулато́рия
adjective
1. direct voor de arts (hulpverlener) zichtbaar
клини́ческий
/klɪŋk/
noun
  1. 2. constructie om een deur gesloten te houden
    задви́жка
  2. 1. handvat om de deur te openen of te sluiten
    ру́чка
verb
1. een bepaalde klank voortbrengen
звуча́ть
/ˈklɪŋkər/
noun
1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
гласный звук
noun
1. een metalen verbinding tussen twee platen bestaande uit twee cilidrische delen die van weerszijden,...
заклёпка
adverb
1. zo duidelijk dat een misverstand uitgesloten is
коротко и ясно
noun
1., 2. plant met kleverige bloemknoppen
лопух
noun
  1. 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
    колокол
  2. 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
    1. часы
    2. часы́
/ˈklɔkɦœs/, /ˈklɔkɦœʏs/
noun
1. binnenste van een vrucht
сердцеви́на
noun
колоко́льчик
noun
2. smal hoog bouwwerk met bovenin een of meer wijzerplaten van een uurwerk
часова́я ба́шня
/klɔmp/
noun
  1. 2. een vrij vormeloze hoeveelheid materiaal
    ком
  2. 1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
    сабо
verb
1. een identieke kopie van een levend wezen maken
клонировать
verb
1. klonten vormen
коагули́ровать
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
каньон
/klon/
noun
1. een levend wezen dat een exacte genetische kopie is van een ander wezen
клон
/klostər/
noun
  1. 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
  2. 2. een kloostergemeenschap als zodanig
монастырь
noun
облава
verb
  1. 2. hoorbaar bewegen
  2. 5. verslaan
бить
noun
    1. 1. toneelstuk
    2. 2. lachwekkend voorval
    фарс
  1. 3. schijnvertoning
    1. фарс
    2. балаган
/klœʏs/, /klœːs/
noun
1. een tegen inbraak en brand beveiligde kist of kast
сейф
noun
1. iemand die alleen en in afzondering leeft
затво́рник
/klyt/
noun
1. bepaald soort watervogel, Recurvirostra avosetta
шилоклювка
noun
1. tot een bol opgewonden draad
клубо́к
/ˈknaxdiːr/, /ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
грызун
noun
1. jongen, jongeman
ма́льчик-слуга́
verb
грызть
verb
1. met de tanden aanvreten
  1. грызть
  2. глодать
adjective
2. aantrekkelijk
краси́вый
noun
1.
кото́мка
verb
1. een massa soepel maken door er steeds in te knijpen
месить
/ˈknɛsɛt/
noun
1.
Кне́ссет
noun
1. bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
коноплянка
noun
1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
колено
noun
1.1. buiging als eerbetoon
коленопреклоне́ние
verb
1. op de knieën gaan
[[стоя́ть]] на [[колено|коле́нях]]
verb
1. tussen twee punten druk uitoefenen
защеми́ть
noun
1.
кле́щи
/'knɪkə(n)/
verb
1. een verticale beweging met het hoofd maken
кивать
noun
1. balletje van glas, marmer, steen, hout of klei
марбл
noun
1. teken in de vorm van het kort toeknijpen van een oog om verstandhouding of waardering uit te drukken
морг
noun
1.
сук
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
  1. чеснок
  2. чесно́к
noun
1. vingergewricht
суста́в па́льца
verb
  1. 2. (figuurlijk) vechten
    1. бороться
    2. сражаться
  2. 1. vechten
    1. сражаться
    2. биться
    3. драться
noun
  1. 1. verdikte plantenwortel.
    клубень
  2. 2. koolraap, een eetbare wortel van een plant uit het geslacht Brassica.
    корнеплод
noun
сельдере́й
noun
  1. 3. aan een jas e.d.
    пуговица
  2. 2. snelheidsmaat
    узел
  3. 1. in een draad
    1. узел
    2. клубок
noun
1. spleet die in een stuk stof is gemaakt zodat een ander stuk stof daaraan kan worden vastgemaakt
петлица
verb
1. een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
вязать
noun
палица
noun
1. omhelzing
объятие
verb
1. omhelzen
друг другу
adjective
  1. дубоватый
  2. неуклюжий
  3. топорный
noun
1. korte dikke stok, bedoeld om lijfstraf mee uit te delen
дуби́на
noun
1. een Australisch buideldier
коала
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
кобальт
adjective
  1. кобальтовая синь
  2. тенарова синь
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
паук
noun
1. Ursus arctos middendorffi, de grootste beer en het grootste bekende landroofdier
кадья́к
noun
1. vrouwelijk rund
корова
noun
1. een platte pan met een lang handvat
сковоро́дка
/[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
печенье
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
кукушка
noun
klok
часы с кукушкой
adjective
1. met een naar verhouding lagere temperatuur dan de warme of hete omgeving
холодный
/ˈku:li/
noun
ку́ли
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
холодильник
noun
1.
ба́шенный охлади́тель
noun
1. koelvloeistof
охлаждающая жидкость
/ˈkuːmɛlk/
noun
коровье молоко
noun
кумыс
noun
  1. 1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
  2. 2. een ruimtelijke figuur, veelvlak
купол
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
  1. курдский
  2. Курдский
noun
1. kleine witte reigersoort
еги́петская ца́пля
noun
курс
noun
1. overdekte ruimte waarin koeien kunnen verblijven
коро́вник
verb
1. iets geliefds nauw aan het hart houden
дорожить
/ˌku.tər.ˈʋaːls/
noun
1. aanduiding voor een onverstaanbare taal
тарабарщина
noun
1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
карета
noun
1. iemand die de paarden van een koets ment
кучер
noun
1. stevige metalen stang voorzien van een gespleten einde, gebruikt om er zaken mee open te breken
гвоздодёр
/ˈkuwɛɪ̯t/, /ˈkuʋɛɪ̯t/, /ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
  1. Кувейт
  2. Куве́йт
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
чемодан
noun
1. het gedeelte van een auto waar de bagage in geplaatst wordt
багажник
noun
1. drank uit koffiebonen
  1. кофе
  2. ко́фе
noun
Кофе с молоком
noun
кофе́йное зерно́
noun
1. het donkere bezinksel van gemalen koffiebonen dat overblijft na het zetten van koffie
[[кофейный|кофе́йная]] [[гу́ща]]
noun
фильтр-кофе
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
Кафе
noun
1. een huishoudelijk apparaat waarin koffiebonen kunnen worden gemalen
  1. Кофемолка
  2. кофемолка
noun
Кофе (род)
noun
1-2. munitie
пуля
noun
1.
шарикоподши́пник
adjective
1. kogelvrij
пуленепробива́емый
noun
1. middeleeuws vrachtschip dat vooral door de Hanze werd gebruikt
когг
noun
повар
verb
2. met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
  1. варить
  2. готовить
noun
1. bepaald soort zeevogel met een gekleurde kop en een lachende roep, Chroicocephalus ridibundus
озёрная ча́йка
/ˈko.kɔsˌbom/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
кокосовая пальма
/ˈko.kɔsˌmɛlk/, /ˈko.kɔsˌmɛɫk/
noun
1. vocht verkregen door het kiemwit van een kokosnoot met water te vermengen en uit te knijpen
кокосовое молоко
/'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
кокосовый орех
/ˈko.kɔsˌo.li/
noun
1. een soort olie gewonnen uit kokosnoten
коко́совое ма́сло
/ˈko.kɔsˌpɑlm/, /ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
кокосовая пальма
noun
колхоз
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) thermische centrale die elektrische stroom opwekt door verbranding van steenkool
угольная электростанция
noun
1. ganzensoort
белоло́бый гусь
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
колибри
noun
графа́
noun
1. een hoge militaire rang
полковник
adjective
1. betrekking hebbend op koloniën en het hebben van koloniën
колониа́льный
/'kolonijaˌlismə/
noun
1.
колониали́зм
/koˈloni/
noun
1. een vestiging van een deel van een bevolking, buiten het eigenlijke territorium van dat volk
коло́ния
noun
колонизация
verb
1. koloniën vormen
колонизи́ровать
noun
1. iemand die zich in een kolonie heeft gevestigd
колони́ст
noun
гига́нт
adjective
гига́нтский
pronoun
Посла́ние к Коло́ссянам
noun
1. eetgerei zoals een bord, maar dan dieper
Пиала
noun
1.
чайный гриб
/koˈmedi/
noun
1. een blijspel
комедия
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
комета
verb
1. bewegen van verder weg naar dichterbij
  1. приходить
  2. прибывать
pronoun
1. macrotaal die door 220 duizend mensen in Rusland gesproken wordt
Коми
noun
1. iemand die een publiek vermaakt door ze aan het lachen te brengen
комик
noun
plant, zaden en specerij
  1. зира
  2. кумин
  3. зёрна кумина
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
зёрна кумина
adjective
комеди́йный
/kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
  1. огурец
  2. огуре́ц
/ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
запятая
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
  1. компас
  2. буссо́ль
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
шахтёр
pronoun
Свободное государство Конго
/kɔˈnɛɪn/, /kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
  1. кролик
  2. кроль
/ˈkonɪŋ/, /ˈkoːnɪŋ/
noun
1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
  1. король
  2. царь
pronoun
Кни́га Царе́й
/konɪˈŋɣɪn/, /konɪˈŋɪn/, /koʊnɪˈŋɪn/
noun
  1. королева
  2. царица
pronoun
1. een stad in het voormalige Oost-Pruisen
Кёнигсберг
noun
[[королевский|короле́вская]] власть
noun
1. een bewuste moord op een koning.
цареубийство
noun
1.
ца́рская во́дка
/ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
королевский
/ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
  1. королевство
  2. царство
noun
1. de billen, het achterwerk
жопа
noun
1.
автоколо́нна
/koːɪ/
noun
  1. 1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
    клетка
  2. 4. slaapplaats op een schip
    койка
noun
boek waaruit men leert koken
  1. кулинарная книга
  2. поваренная книга
noun
1.
кухня
noun
точка кипения
noun
  1. 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
    капуста
  2. 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
    уголь
noun
1. reukloos gas dat ontstaat bij volledige verbranding van koolstof
двуо́кись углеро́да
noun
1. een bepaald type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
углевод
noun
больша́я сини́ца
noun
брюква
noun
кольраби
/ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
  1. углерод
  2. углеро́д
noun
цикл углеро́да
noun
1. verbinding met moleculen van één atoom zuurstof en één atoom koolstof (CO)
моноокси́д углеро́да
noun
1. bepaald soort vis met donker gekleurde mondholte en rug die voorkomt in het hoge noorden van de Atlantische Oceaan, Pollachius virens
сайда
/kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
углеводород
noun
рапс
adjective
ярко-желтый
/'kolzyr/
noun
1. H₂CO₃
угольная кислота
noun
1. de hoeveelheid goederen of diensten die gekocht kan worden met een bepaald geldbedrag
покупательная способность
noun
торговец
noun
1. zeeschip voor het vervoer van handelsgoederen
торговое судно
noun
1. een groep mensen die samen zingen
хор
noun
1. rechte tussen twee cirkelpunten
хо́рда
noun
1.
хорист
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
  1. лихорадка
  2. жар
adjective
кошерный
noun
1. hielbeentje van het paard
ба́бка
noun
1. beentje van vinger of teen
[[суста́в]] [[палец|па́льца]]
noun
    1. 1. hoofd van een dier
    2. 2. hoofd van een mens
    голо́вка
  1. 1. porseleinen recipiënt met oor, om uit te drinken
    чашка
noun
1.
уда́р голово́й
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
  1. покупать
  2. купить
pronoun
1.
Копенгаген
noun
2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
  1. медь
  2. купрум
adjective
коричневая медь
adjective
1.
медный
/kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
  1. 1. een duplicaat maken van
    копировать
  2. 2. imiteren
    подражать
/ˈkɔplɑmp/
noun
1. een witte of gele lamp aan de voorzijde van een voertuig
Фара
noun
  1. 1. iemand die probeert mensen van verschillende groepen met elkaar in contact te brengen (met name voor een huwelijk)
  2. 2. iemand die probeert twee mensen met elkaar in contact te brengen (met name voor een niet-huwelijkse relatie)
сват
noun
  1. 1. een constructie die in een motor of voertuig mechanische krachten op een te onderbreken wijze overbrengt
  2. 2. een vaste maar beweeglijke verbinding tussen twee voorwerpen, bijvoorbeeld treinwagons
  3. 3. een verbindingsstuk
сцепление
noun
1. voetbediening om de verbinding tussen de motor van een voertuig en de wielen te verbreken
педаль сцепления
noun
1. een streepje om twee of meer woorden een eenheid te laten vormen
дефис
noun
1. een werkwoord dat een eigenschap koppelt aan het onderwerp
связка
noun
1. iemand die tot een stam behoort die aan koppensnellen doet
охо́тник за голова́ми
/ˈkɔpəx/, /ˈkɔpəç/
adjective
1. vasthoudend aan eigen wil of inzicht
упрямый
noun
1. een meestal dodelijk schot in het hoofd
[[вы́стрел]] в голову
noun
1. stel van twee kleine luidsprekers die men tegen of in de oren plaatst
наушник
noun
1. skelet van de koraalpoliep
коралл
adjective
карало - красный
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan
Кора́лловое мо́ре
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
Коран
/koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Корея
/koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
  1. корейский
  2. корейский язык
noun
1. een balsport waarbij een bal door een mand (korf) moet worden gegooid
корфбол
noun
1. Lyrurus tetrix
тетерев
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
кориандр
/korijɑndərzaːt/
noun
1. gedroogde zaden van Coriandrum sativum
семена кориандра
pronoun
Посла́ние к Кори́нфянам
pronoun
1. Paleosiberische taal gesproken door drieduizend mensen in het uiterste oosten van Siberië
корякский язык
noun
  1. op een bugel gelijkend koperen blaasinstrument
  2. 1. rang van vaandrig bij de cavalerie en de artillerie bij de Koninklijke Landmacht
корне́т
noun
кизил
noun
  1. 1. een enkele zaad van graan
    гра́нула
  2. 2. basisdeeltje waaruit een granulair, korrelig materiaal bestaat
    гранула
/ˈkɔrəlˌhaɣəl/
noun
мелкий град
noun
корсет
/kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
корка
noun
лиша́й
adverb
  1. 2. van geringe lengte
  2. 1. van geringe duur
  1. короткий
  2. краткий
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
скидка
/ˈkɔrt.slœy.tɪŋ/
noun
1. het plaatsvinden van een gewenste of ongewenste weerstandloze verbinding in een stroomkring
короткое замыкание
noun
2. bijziendheid
близору́кость
noun
Корунд
noun
1.
корве́т
noun
космология
noun
космонавт
adjective
1. op Kosovo betrekking hebbend
ко́совский
/ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
  1. Косово
  2. Ко́сово
verb
1. als te betalen prijs hebben
стоить
noun
1. kerkelijke bediende, die met de zorg van het kerkgebouw, en het vlot verloop van de kerkdiensten belast is
[[церко́вный]] [[сто́рож]]
noun
костюм
pronoun
1. internationale kunsttaal ontworpen om cultureel zo neutraal mogelijk te zijn
котава
/kotəˈlɛt/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
отбивна́я котле́та
verb
1. de maaginhoud via de mond weer naar buiten werken
блевать
noun
катер
/kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
  1. холодный
  2. холо́дный
/ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
холод
/kaʊ̯s/, /kɔʊ̯s/, /kʌʊ̯s/
noun
1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
чулок
noun
1. lid van een hoofdzakelijk Slavisch ruitervolk
каза́к
/kraɪ̯/, /kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
  1. ворона
  2. воро́на
/ˈkraɪ̯.jə/, /ˈkraː.jə/
verb
1. het voor de haan kenmerkende geluid voortbrengen
кукаре́кать
noun
  1. 1. nest van een kraai
  2. 2. uitkijkplaats in de mast van een schip
марс
noun
  1. 1. zeemonster, waarschijnlijk de inmiddels goed gedocumenteerde reuzenpijlinktvis
  2. 2. inktvis zonder inwendig skelet
осьминог
/ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
хрящ
noun
би́сер
noun
ларёк
noun
  1. 3. mechanisme waarmee de stroming van vloeistof of gas geregeld kan worden
    заты́чка
    1. 4. werktuig om voorwerpen in de hoogte te verplaatsen
    2. 2. iemand die op een bepaald gebied uitblinkt
    кран
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
журавль
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
краб
noun
1.
когтеточка
noun
1. vermogen om iets te verrichten
сила
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Краков
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
судорога
noun
1. twee uit de aorta ontspringende slagaders die de hartspier van bloed voorzien
вене́чная арте́рия
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
газета
/'krɑntəpaˌpir/
noun
1. een soort papier zoals waarop de kranten gedrukt worden
газетная бумага
noun
1. een lot waarbij men direct weet of men wel of niet gewonnen heeft als men een beschermfolie wegkrast
скретч-карта
noun
1. houten of plastic doos met openingen in de zijkanten in een standaardformaat, vaak gebruikt voor opslag en het vervoer van flessen, fruit of andere waren
клеть
noun
кратер
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
Рак
/kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
  1. омар
  2. лобстер
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
се́верный тро́пик
noun
1. Gryllidae
  1. сверчок
  2. сверчо́к
pronoun
Кремль
noun
1. druif
кори́нка
adjective
скупой
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
Крит
verb
2. gekreukt raken
мять
/krønə(n)/
verb
1. ongearticuleerde geluiden maken, vaak van pijn of ander leed
стона́ть
noun
чаща
/krøpəɫə(n)/
verb
1. kreupel slaan, een persoon of dier dusdanig letsel toebrengen dat het zich voortbewegen blijvend bemoeilijkt of onmogelijk wordt
калечить
noun
1.laag stuikgewas waarbij de takken van de boompjes door elkaar heen groeien
заросль
/krɪp/
noun
3,4,5. golfbrekertjes
буна
noun
1. voederbak
корму́шка
noun
вишня
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
бое́ц
adjective
воинственный
noun
Полевой командир
noun
1. een handeling die erop gericht is om door list en bedrog de vijand te misleiden, zoals het verspreiden van valse geruchten
стратаге́ма
noun
1. een olifant die vroeger tijdens op het land uitgevochten oorlogen werd ingezet als strijddier
боевые слоны
verb
1. luidkeels schreeuwend een hoog geluid voortbrengen
визг
noun
  1. 1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
  2. 2. schrijfmateriaal uit dat materiaal vervaardigd
мел
/krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Крым
pronoun
1. een van de Turkse talen, gesproken door ongeveer een half miljoen mensen, oorspronkelijk van de Krim afkomstig, maar door een deportatie in 1944, nu vooral in Oezbekistan en Kirgizië, maar ook in Moldavië, Roemenië en Turkije gesproken
  1. крымскотатарский язык
  2. крымскотатарский
verb
1. kleiner in omvang worden
сокращаться
noun
1. een ronde figuur zoals een cirkel
круг
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
кристалл
/krɪsta'lɛɪn/
adjective
1. een inwendige structuur bezittend die zichzelf eindeloos herhaalt
кристалли́ческий
noun
1. kristalvorming
кристаллиза́ция
verb
1. ordeningsproces
кристаллизовать
noun
кристаллогра́фия
noun
Детекторный приёмник
adjective
1. op het scherp van de snede, met onzekere uitkomst, zeer ernstig
крити́ческий
noun
  1. 1. uitingen waarmee bepaald gedrag, een bepaalde zienswijze e.d. van anderen worden veroordeeld of in twijfel getrokken
  2. 2. een document dat kunstzinnig commentaar levert op een optreden, tentoonstelling, boek , film of andere kunstuiting
кри́тика
adjective
  1. 1. ernaar geneigd vraagtekens te plaatsen achter iets
  2. 2. onder zulke omstandigheden dat er meer neutronen geproduceerd dan geabsorbeerd worden, waardoor een nucleaire kettingreactie op gang kan komen
крити́ческий
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
  1. хорватский
  2. хорватский язык
/kroˈwatsi.jə/, /kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
Хорватия
/krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
бар
noun
крупу́к
noun
1. een rol ragout die gepaneerd en gefrituurd wordt
крокет
/krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
  1. крокодил
  2. крокоди́л
/kroko'dɪlwɑxtər/
noun
1.
еги́петский бегуно́к
noun
1. irisachtige lentebloem
кро́кус
adjective
1. niet recht
кривой
verb
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
короновать
noun
ле́топись
noun
Ле́тописи
/ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
венча́ние
noun
1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
  1. корона
  2. крона
/krœʏ̯t/, /krœːd/, /krœːt/
noun
трава
noun
  1. 2. winkel met levensmiddelen
    [[продово́льственный]] [[магази́н]]
  2. 1. winkelier in levensmiddelen
    бакалейщик
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
  1. гвоздика
  2. гвозди́ка
/krœyjər/
noun
1. iemand die bagage vervoert op o.a. stations en vliegvelden
гру́зчик
noun
кувшин
/ˈkrœy.məl/
noun
кро́шка
noun
1. een soort braam
моро́шка
/'krʌʏ.pə(n)/
verb
по́лзать
noun
  1. 4. symbool
    крест
  2. 1. geometrisch figuur
    1. крест
    2. крестик
noun
1. kleine vinkachtige zangvogel
клёст
noun
1. Ribes uva-crispa
крыжовник
/ˈkrœʏsər/
noun
1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
крейсер
noun
1. een door een blok hout verschuifbare liniaal, die is voorzien van een ijzeren punt
рейсмус
verb
1. een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt
распина́ть
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
перекрёсток
noun
1. ondernemingen van de westerse christenen tussen 1095 en 1271 in Palestina
кресто́вый похо́д
noun
1.
крестоносец
/krœʏ̯sˈvɔr.məχ/, /krœːsˈvɔr.məx/
adjective
1. de vorm van een kruis hebbend
крестовидный
noun
кроссворд
noun
1. kruiswoordpuzzel
кроссворд
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
тачка
noun
  1. 2. hulpmiddel bij het lopen
    костыль
  2. 1. simpel zitmeubel zonder leuningen
    1. табурет
    2. табуретка
/ˈkrʏl.spɛlt/
noun
1. hulpmiddel waarom je een haarlok kunt wikkelen om krullen te maken in stijlhaar
бигуди
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
  1. криптон
  2. крипто́н
adjective
1. als hoofdassen vier gelijkwaardige drietallige assen bezittend in de richting van de lichaamsdiagonaal van een kubus samen met drie gelijkwaardige assen in de richting van de ribben van de kubus die ten minste twee- en ten hoogste viertallig zijn
кубический
noun
1. 20-eeuwse stroming binnen de beeldende kunst waarin de werkelijkheid op een sterk vereenvoudigde manier wordt weergegeven
кубизм
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
куб
verb
1. kort en zacht hoesten
  1. кашлянуть
  2. покашливать
/'kɵdə/
noun
  1. een kudde schapen
    ота́ра
  2. 1. een groep samenlevende (zoog)dieren
    стадо
/ˈkœʏ̯kə(n)/, /ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
цыплёнок
noun
бондарь
adjective
девственный
noun
  1. 2. visseneitjes
  2. 1. deel van het been
икра
/kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
кукареку
noun
1. en 2. (citrusvrucht van) plant Citrus japonica
кумкват
verb
1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
мочь
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
  1. искусство
  2. иску́сство
noun
1. iemand die voor zijn beroep kunst koopt en verkoopt
[[торго́вец]] [[произведение искусства|произведе́ниями иску́сства]]
adjective
1. door menselijk, moedwillig ingrijpen tot stand gekomen
искусственный
noun
1. een combinatie van chemische stoffen die aan de aarde wordt toegevoegd ter bemesting daarvan
удобре́ние
/ˈkʏns.tal/, /ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
иску́сственный язы́к
/kʌnstwɛrk/
noun
1. resultaat van een inspanning om iets te maken dat bijzonder mooi of indringend is
произведение искусства
/kʏrk/
noun
  1. 1. afdichting voor flessen, gemaakt uit de veerkrachtige schors van een bepaalde boomsoort, Quercus suber
  2. 1. licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
пробка
/kʏr.kɛi̯k/, /kʏr.kɛːk/, /kʏrk.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus suber; een boom uit de napjesdragersfamilie
дуб пробковый
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
  1. Штопор
  2. што́пор
noun
plant en specerij
  1. куркума
  2. желтя́к
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
поцелу́й
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
  1. подушка
  2. поду́шка
verb
1. een kus geven
целовать
noun
1.
бой подушками
/'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
  1. берег
  2. побережье
/kɵt/
adjective
slecht, onaangenaam
пизда
/kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
пизда
noun
1. een oord met geneeskrachtige baden
курорт
adjective
1. schade aanrichtend
болезнетво́рный
noun
1. het innerlijk slecht zijn
зло
/kʋɑp/
noun
2. een gedeelte van lever, longen of hersenen
до́ля
noun
1. langwerpige, op de bodem levende zoetwatervis, Lota lota
налим
/kwɑ'drat/
noun
2. vierkant
квадратный
/kʋɑk/
noun
2. bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax
кваква
verb
1. witter
ква́кать
/kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
  1. медуза
  2. меду́за
noun
квалификация
/kvalitɑ'tif/
adjective
1. naar de hoedanigheid, betreffende de kwaliteit
ка́чественный
noun
  1. 1. een peil van uitmuntendheid
    бездефектность
  2. 2. eigenschap
    ка́чество
adjective
1. met betrekking tot de hoeveelheid
коли́чественный
noun
количество
noun
ква́нтовая хи́мия
noun
vorm van onkraakbare beveiliging voor elektronische communicatie
ква́нтовая криптогра́фия
noun
getal dat in de kwantummechanica wordt gebruikt voor het beschrijven van de eigenschappen van bepaalde deeltjes
ква́нтовое число́
noun
een theorie die kwantummechanica en relativiteitstheorie met elkaar zou moeten verenigen
квантовая гравитация
noun
1. studie en beschrijving van het gedrag van de kleinste deeltjes
ква́нтовая меха́ника
noun
een discipline van de natuurkunde die de kwantumeffecten die bij licht optreden bestudeert en gebruikt
квантовая оптика
noun
een theoretisch kader voor de constructie van kwantummechanische modellen van veld-achtige systemen of, equivalent, veeldeeltjessystemen
квантовая теория поля
noun
квантовая запутанность
noun
  1. 3,4
    ква́рта
  2. 1. een vierde deel
    четверть
noun
een kwart van een kalenderjaar
квартал
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
перепел
noun
1. bepaald soort vogel, Crex crex
дерга́ч
noun
1. een groep van vier muzikanten
квартет
noun
1. (in een toernooi) een van de vier wedstrijden waarin gestreden wordt voor een plaats in de halve finale(s)
четвертьфинал
noun
1.
четвертная нота
noun
1.
четвертная пауза
noun
een vorm van siliciumdioxide
кварц
adjective
серый кварц
/kʋɑst/
noun
  1. 1. Versiering
    ки́сточка
  2. 5. Limonade
    лимона́д
  3. 3. Vreemd persoon
    сумасбро́д
noun
1.
катре́н
/ˈkwe.peːr/, /ˈkʋe.pɪːr/, /ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
  1. айва
  2. айва́
/kwɛl/, /kʋɛɫ/, /kβ̞ɛl/
noun
2 Uittredend water
инфильтра́т
verb
  1. 1. het doorsijpelen van water onder een dijklichaam door
    бить ключом
  2. 1. pijn of ergernis bezorgen
    мучить
adjective
1. weinig beschermd tegen beschadiging
  1. уязвимый
  2. уязви́мый
verb
  1. 1. beschadigen, schaden
  2. 2. beledigen, schofferen
ранить
/kʋɛi̯t/
adjective
kwijt zijn
поте́рянный
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
ртуть
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Motacilla en Dendronanthus
трясогузка
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
ртуть
noun
1.
остро́та
noun
1.
кви́нта
noun
1. een pot bestemd voor het opvangen van sputum
плева́льница
verb
1. druk met de staart zwaaien.
виля́ть
noun
кассовый чек
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Киев
noun
1. muzieknoot
ля
pronoun
Ла-Манча
pronoun
Риоха
/lax/
adjective
    1. 1. niet ver boven iets anders zijn
    2. 2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
    3. 3. geluid met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
    4. 4. met een beperkt aanzien
    низкий
  1. 5. gemeen
    1. низкий
    2. простой
/lax/
noun
1. iets dat zich in twee richtingen uitstrekt maar in de derde een beperkte dikte heeft
слой
noun
ни́зменность
adjective
нижний
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
аллея
noun
1. een open plek in een bos
поляна
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
сапог
adjective
  1. 2. 's avonds, 's nachts
    поздний
  2. 1. na het voorziene ogenblik
    1. поздний
    2. запоздалый
adjective
1. overtreffende trap van laat
последний
adverb
1. onlangs
недавно
noun
1. laatste kwartier
последняя четверть
adjective
губно́й
noun
1. met de lippen gevormde medeklinker, lipklank
губно́й
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
лаборатория
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
лабиринт
/lɑx/, /lɑχ/
noun
1. een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak...
смех
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
  1. смеяться
  2. ржать
adjective
лаконичный
noun
1. enzym dat in de dunne darm lactose kan afbreken
лакта́за
noun
is een suiker die o.a. in melk voorkomt
лактоза
noun
het niet kunnen verdragen van melksuiker
гиполактази́я
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
ле́стница
noun
1. uitschuifbare bergplaats
выдвижной ящик
/ˈlaːdə(n)/
verb
1. van een lading voorzien
заряди́ть
noun
  1. 3. opeengehoopte elektriciteit
    заря́д
    1. 1. goederen die vervoerd worden
    2. 2. een grote hoeveelheid
    нагру́зка
noun
1. beschadiging van het weefsel in een organisme
поврежде́ние
/lɑf/
adjective
1. een gebrek aan moed tonend
малоду́шный
/ˈlɑfɦɛit/
noun
1. de neiging keuzes te maken die van weinig moed getuigen
трусость
noun
1. ondiep meer
лагуна
pronoun
1. stad in Pakistan
Лахор
noun
1. stof die een dunne beschermlaag vormt nadat ze opgelost in een vluchtig oplosmiddel...
лак
noun
1. (beroep) Een lakei of dienaar is een bediende werkend aan een koninklijk hof
лакей
/ˈlakə(n)/
noun
2. een rechthoekig stuk stof dat ter bedekking dient, m.n. bij het slapen
Простыня
noun
ла́кмус
noun
1. jong van het schaap
ягнёнок
noun
1. soort Zuid-Amerikaans eeltpotig zoogdier Lama glama
лама
noun
1. in het water levende zoogdieren uit het geslacht Trichechus
ламантин
noun
1.
ламина́т
verb
ламинировать
/lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
лампа
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
абажур
noun
1. een kan met waswater, vaak samen met een ondiepe teil, de waskom, bedoeld om zich in de morgen...
жбан
noun
  1. 1. benaming voor vissen uit de familie Petromyzontidae
    минога
  2. jong van een konijn
    крольчонок
verb
бросать
noun
1. een dubbelsnedig operatiemes
ланце́т
noun
  1. 4. niet verstedelijkt gebied
    страна
  2. 3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
    1. страна
    2. край
/ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
сельское хозяйство
noun
1.
переше́ек
adjective
2. met betrekking tot minder bevolkte, niet-stedelijke gebieden
дереве́нский
verb
1. vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
приземли́ться
noun
  1. 2. vlucht van vliegtuigen...
    поса́дка
  2. 1. vanaf een schip
    приземление
noun
вид
noun
1. schildpad uit de familie Testudinidae
сухопутная черепаха
noun
1. smalle strook land die zich in zee of meer uitstrekt
мыс
adjective
1. van grote duur
длинный
adjective
1.
длинноно́гий
adjective
1.lang en smal
вы́тянутый
noun
1. een manier van voortbewegen op latten door de sneeuw
[[ката́ние]] на [[беговы́х лы́жах]]
noun
1.
лангу́ст
noun
1. benaming voor muggen met opvallend lange broze poten, die de familie Tipulidae vormen
долгоножка
preposition
1. terzijde van, evenwijdig aan
вдоль
/lɑŋskomə(n)/
verb
  1. 1. voorbijgaan
  2. 2. langsgaan, op bezoek komen
заглянуть
adjective
1. waar al lang naar uitgekeken werd
долгожда́нный
/lɑŋ.ʋɛr.pəx/
adjective
1. lang en smal van vorm
вы́тянутый
/ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
медленный
noun
1. een lang steekwapen met een metalen punt
пи́ка
noun
1. Chemisch element
лантан
noun
лантаноиды
noun
1. Chemisch element
лантан
/ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
  1. Лаос
  2. Лао́с
pronoun
1. een taal die in Laos gesproken wordt
лаосский
noun
1. een stuk van iets
запла́та
noun
1. met een kijkbuis in de buikholte kijken en opereren
лапароскопи́я
pronoun
Лапландия
noun
1. kleine draagbare computer
ноутбук
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
личинка
noun
лазанья
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
лазер
noun
1. krachtige geconcentreerde lichtstraal met licht van maar één golflengte
ла́зерный луч
noun
1. iemand die stukken metaal op een naad door sterke plaatselijke verhitting verbindt
сва́рщик
noun
1. iets wat een mens hindert
бремя
noun
1. een gedomesticeerd dier dat men gebruikt om vracht te vervoeren
вью́чное живо́тное
noun
1. onterechte beweringen die iemand in een kwaad daglicht stellen
диффамация
noun
1. actie met als doel iets of iemand in de goede naam aan te tasten
клеветни́ческая кампа́ния
verb
1. ten onrechte kwaadspreken over iemand
замара́ть
noun
1. latei
при́толока
verb
  1. 3. niet doen
  2. 4. niets veranderen
  3. 5. vertrekken
  4. 6. aansporing
позволять
adjective
1. sluimerend
  1. латентный
  2. скрытый
/ˈlaː.tər/
adjective
по́зже
/'la.tɛks/
noun
латекс
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
  1. латинский язык
  2. латынь
adjective
латинский
pronoun
Лати́нская Аме́рика
noun
1. de reeks lettertekens oorspronkelijk gebruikt om teksten in het Latijn te schrijven en tegenwoordig met aanpassingen voor veel talen gebruikt
лати́ница
noun
boom en kruid
лавр
noun
2. (gedroogde) bladeren van Laurus nobilis
  1. лавровый лист
  2. лист лавровый
pronoun
1.
Лозанна
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
ла́ва
noun
1. koepelvormige structuur die ontstaat als lava die rijk is aan silica naar buiten treedt uit de barsten en spleten van een groeiende kussenachtige structuur
вулканический купол
noun
1. bepaald kruid, Levisticum officinale, dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
любисток
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
лаванда
verb
1-2 bij tegenwind zigzagsgewijs opzeilen
лавировать
/la'ʋaj/
noun
1. luid en storend geluid
шум
/la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
лавина
noun
1. Chemisch element
  1. лоуренсий
  2. лоуре́нсий
noun
слаби́тельное
noun
1.
лазарист
noun
1. fosfatidylcholine, een fosfolipide die de hoofdmoot uitmaakt van een fosfatidefractie die uit eidooier
лецити́н
noun
ле́ктор
/lɛt/
noun
1. elektronische lichtbron in de vorm van een diode die licht uitstraalt
СД
/ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
  1. конечность
  2. член
noun
1. het niets doen, het niets te doen hebben
безде́лье
noun
1. het genoegen scheppen in het leed van een ander
злорадство
noun
1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
возраст
/lex/
adjective
1. zonder inhoud
  1. пустой
  2. пусто́й
/lek/
noun
1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
мирянин
/lem/, /leɪm/
noun
1. kleihoudende grondsoort
сугли́нок
adjective
коричнева медовая
/len/
noun
1. leengoed; vastgoed dat door de heer aan zijn vazal ten gebruike werd afgestaan
фео́д
/ˈlenvərˌtalɪŋ/
noun
1. woord dat aan een vreemde taal is ontleend in letterlijke vertaling en analoge constructie
  1. ка́лька
  2. калька
/ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
заи́мствование
adjective
1. op leer gelijkend
ко́жистый
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
учебник
noun
1.
подмастерье
noun
1. iemand die onderwijs volgt
уча́щаяся
noun
1. stoornis bij het leren
[[затруднение|затрудне́ния]] при [[обучение|обуче́нии]]
adjective
разбо́рчивый
noun
1. een bril die op leesafstand een scherp beeld geeft
очки для чтения
/lest/
noun
1. schoenvorm
коло́дка
noun
1. conventioneel symbool in interpunctie
знак препинания
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
Лев
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
лев
noun
1. plant van het geslacht Antirrhinum waarvan de bloem lijkt op de muil van een leeuw
льви́ный зев
noun
львиная доля
noun
жаворонок
noun
1. vrouwtje van de leeuw
львица
noun
1.
отёк
adjective
branie, moed
отвага
adjective
1. wettig, rechtmatig
  1. зако́нный
  2. правоме́рный
noun
  1. 1-2. Romeinse officier of pauselijk gezant
    лега́т
  2. 1. testamentaire beschikking
    насле́дство
noun
1. de uitleg over de gebruikte symbolen
[[условный|усло́вные]] [[обозначение|обозначе́ния]]
/ˈleːɣər/, /ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
  1. армия
  2. войско
noun
1. Metaalverbinding van twee of meer elementen
сплав
noun
легио́н
verb
легитими́ровать
/ˌleɣyˈwan/
noun
1. hagedis
игуана
noun
3. daklei
ши́ферная плита́
pronoun
Ле́йден
verb
  1. 1. een leidinggevende functie hebben
  2. 2. iets tot gevolg hebben
вести
noun
Лейтмотив
adjective
серая сланец
pronoun
1.
Лайнгартен
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Лейпциг
noun
1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
течь
noun
течь
verb
1. vloeistof laten ontsnappen
протека́ть
adjective
1. aangenaam van smaak
лакомый
/ˌlɛ.kər.ˈnɛi/
noun
лакомство
noun
лилия
/ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
  1. некрасивый
  2. уродливый
  3. безобразный
noun
  1. 3. een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen
    ле́мма
  2. 1. het eerste woord van een artikel in een woordenboek of encyclopedie
    лемма
noun
1. een knaagdier dat vooral in het hoge noorden op de toendra's voorkomt
лемминг
noun
1. laagste deel van de rug voor het kruis
поясни́ца
verb
1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
занимать
noun
1. ontlener, leningnemer
[[брать|беру́щий]] [[взаймы́]]
noun
1. kabeljauwachtige zoutwatervis, Molva molva
мольва
/ˈlɛŋktə/
noun
  1. 1. afmeting van een voorwerp
    длина
  2. 1. op welke meridiaan een plaats ligt
    долгота
  3. 2. tijdsduur
    продолжительность
noun
долгота́
noun
заём
noun
ленинизм
noun
  1. 1. een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
  2. 2. een stelsel van lenzen of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
  3. 3. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
ли́нза
noun
1. seizoen
весна
pronoun
. spelwoord voor de letter l
Лев
noun
1.
леонский диалект
/ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
  1. ложка
  2. ло́жечка
noun
1. een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
ко́лпица
noun
2. benaming voor kruisbloemige planten van het geslacht Cochlearia
Ложечница
noun
1. bepaald soort vis met lepelvormig verbrede bek die 2 meter lang kan worden en meer dan 80 kilogram kan wegen, Polyodon spathula
Веслонос
noun
проказа
/ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
преподаватель
noun
учительница
/ˈleːrə/, /ˈlɪːrə/
verb
1. kennis of vaardigheid verwerven
учи́ть
/lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
  1. урок
  2. лекция
  3. занятие
verb
1. de taak van een leraar op zich nemen
преподава́ть
/le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
  1. Лесото
  2. Лесо́то
/ˈlɛsə(n)/
verb
1. met vocht de dorst beëindigen
напи́ться
noun
1. een standaard om bladmuziek op te plaatsen
ка́федра
/lɛt/
noun
1. een inwoner van Letland, of iemand afkomstig uit Letland
латыш
noun
  1. 1. een toestand van geestelijke ongevoeligheid
  2. 2.
летаргия
/ˈlɛtlɑnd/, /ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
Латвия
/lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
  1. латышский
  2. латышский язык
/ˈlɛtsə/
noun
1. inwoonster van Letland
латышка
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
буква
/ˈlɛtərˌxrep/, /ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
слог
noun
1. een stylistisch samenhangende set tekens die meestal letters, cijfers en leestekens uitbeelden
[[гарниту́ра]] ([[шри́фт]]а)
/'lɛtərzɛtər/
noun
2. Ips typographus, een schorskever die vooral leeft op de spar
короед-типограф
/ˈløːɣən/, /ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
  1. ложь
  2. враньё
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
  1. лгун
  2. лжец
noun
1. bloedkanker
лейкемия
verb
1. steunen, het evenwicht bewaren door het eigen gewicht deels door iets anders te laten steunen
наклони́ться
/ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
Лёвен
/'levən/
noun
  1. 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
  2. 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
  1. жизнь
  2. живо́т
/'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
  1. жить
  2. прожи́ть
adjective
в живы́х
adjective
1. vol opgewekte drukte
живо́й
adjective
1. tot de dood durend
пожизненный
noun
лайфста́йл
noun
1. het kunnen gaan leven
жизнеспосо́бность
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
  1. печень
  2. пе́чень
noun
поставщи́к
/ˈlevərˌblumpʲə/
noun
1. Hepatica nobilis, een plant uit de ranonkelfamilie
печёночница
pronoun
1.
Леверкузен
noun
ры́бий жир
noun
ли́верная колбаса́
/leˈvijatɑn/
noun
1. reusachtige waterslang
левиафа́н
pronoun
Леви́т
noun
лексема
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
  1. читать
  2. прочитать
noun
1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
читатель
pronoun
1.
лезгинский
noun
показа́ние
/ˈli.ba.nɔn/, /ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
  1. Ливан
  2. Лива́н
/li.ˈbɛl/, /li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
стрекоза
/libəˈral/
adjective
либеральный
noun
либерализм
/li.'beː.ri.ja/, /li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
Либерия
/'libido/
noun
1. geslachtsdrift
либи́до
adjective
1. op Libië betrekking hebbend
ливи́йский
/ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
  1. Ливия
  2. Ли́вия
noun
либрация
noun
1.de gangbare benaming voor het tekstboekje van een opera, operette, ballet of musical
либре́тто
noun
  1. 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
    тело
  2. 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
    1. тело
    2. те́ло
/ˈlɪxamsbəˌweɣɪŋ/
noun
1. bezigheden die bijdragen aan de lichamelijke fitheid
заря́дка
/ˈlɪxaːmzdeːl/
noun
1. onderdeel van een lichaam
часть [[те́ла]]
noun
жестикуля́ция
/ˈlɪxaːmstɛmpɛrɑˌtyːr/
noun
1. temperatuur van een lichaam
[[температу́ра]] [[тело|те́ла]]
adjective
    1. 2. van een gewicht
    2. Vertalingen: na te kijken en onderverdelen per verklaring
    лёгкий
  1. 1. helder van kleur
    1. светлый
    2. бледный
noun
  1. 1. Elektromagnetische golven
  2. 2. lichtbron
свет
adjective
кремово - бежевая
adjective
1. een lichte oranje kleur die naar rood zweemt
ярко - оранжевый
adjective
пепельная платинная
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
световой год
adjective
светло - розовая
noun
1. de snelheid waarmee het licht zich voortplant in het luchtledige (ongeveer 299792 km/s)
скорость света
noun
светово́е загрязне́ние
noun
  1. 1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
  2. 5. deel van het lichaam
  3. 3. mannelijk geslachtsdeel
  4. 2. deel van een wetsartikel
член
noun
1. de status van iemand als lid van een organisatie
членство
noun
1. een staat die toegetreden is tot een inter- of supranationale organisatie
госуда́рство-уча́стник
noun
  1. артикль
  2. арти́кль
/ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
Лихтенштейн
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
  1. песня
  2. песнь
noun
1. een boek met een verzameling (kerkelijke) liederen
пе́сенник
adverb
  1. 1. vriendelijk, zachtaardig
  2. 2. mooi, fijngebouwd
дорогой
noun
1.het geven van hulp
благотвори́тельность
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
любовь
adjective
1. niet getuigend van enige vorm van liefde
без [[любовь|любви́]]
noun
1. brief waarin men zijn liefde betuigt
любовное письмо
noun
1. roman met liefdesperikelen als hoofdonderwerp
любовный роман
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
  1. любить
  2. полюбить
verb
гла́дить
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
  1. лгать
  2. врать
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Лира
/lir/
noun
1. een Grieks snaarinstrument
ли́ра
noun
1. anatomie
пах
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
  1. божья коровка
  2. бо́жья коро́вка
/ˌlivə'vraʊ̯wəˌbɛtstro/, /ˌlivəˌvrɔʊ̯β̞ə'bɛtstro/, /ˌlivəˌvrʌʊ̯β̞ə'bɛtstro/
noun
1.
ясменник
noun
1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
  1. лифт
  2. подъёмник
noun
1. opwaartse kracht
подъёмная сила
noun
ли́га
noun
1. bindweefselband
лигаме́нт
verb
1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
  1. лежа́ть
  2. полежа́ть
/lɪχ.ˈni.nə/
noun
1. een aromatische verbinding die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
лигнин
/'lɪxplats/
noun
2. een plaats waar een boot kan liggen
ме́сто
noun
1. een stoel waarin men gemakkelijk kan liggen
шезлонг
pronoun
Лигу́рия
noun
1. olijfachtige heester veel gebruikt voor het maken van heggen
бирючи́на
noun
1. de kant waar de wind niet vandaan komt
подветренная сторона
verb
1. smart en ellende ondergaan
страдать
phraseologicalUnit
1. zinsdeel waarop de actie die wordt uitgedrukt door een overgankelijk werkwoord rechtstreeks van toepassing is
прямо́е дополне́ние
noun
1. iemand die aan iets lijdt
страда́лец
noun
крепостни́чество
pronoun
1. een Finoegrische taal die in Estland en Letland gesproken wordt
ливский
noun
1. een straf waarbij iemand lijfelijk pijn gedaan wordt
теле́сное наказа́ние
/ˈlɛɪfʋɑxt/
noun
2. een lid van een lijfwacht
телохранитель
noun
1. hybride kruising tussen een mannetjesleeuw en een vrouwtjestijger
лигр
noun
1. dood lichaam
труп
/ˈlɛi.kə(n)/
verb
2. naar aanschijn zijn
каза́ться
/ˈlɛɪkxeˌʋat/
noun
1. de kleding waarin een overledene begraven wordt
саван
noun
1. doek waarin men een overledene wikkelt; kleed dat men over een lijkkist legt tijdens de begrafenis
[[покро́в]] на [[гроб|гро́бе]]
noun
1. een koets toegerust voor het vervoer van een doodskist
катафалк
noun
1. textiel waarin een overledene begraven wordt
саван
noun
1. plakmiddel
клей
verb
1. twee of meer delen aan elkaar bevestigen met behulp van een kleefstof
клеить
/lɛi̯n/
noun
    1. 1. een streep
    2. 2.
    [[наследственный|насле́дственная]] [[ли́ния]]
  1. 11. een band, riem om een huisdier in te tomen
    по́вод
/lɛist/
noun
1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
пе́речень
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
дрозд
noun
1. geslacht van loofbomen, Sorbus
Рябина
adjective
  1. толстый
  2. увесистый
noun
лисель
noun
лайк
verb
[[поста́вить]] лайк
noun
1. een drank bereid met gestookte alcohol, aangevuld met smaakstoffen en veelal ook suiker
ликёр
verb
1. met de tong aanraken
лизать
noun
1. lichte tint van paars
лило́вый
noun
1. en 2. (zaden van) plant Phaseolus lunatus
  1. фасоль луновидная
  2. Фасо́ль лунообра́зная
  3. фасоль ли́мская
  4. фасоль лу́нная
/ˈlɪm.bʏrx/, /ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
1. provincie in het zuidoosten van Nederland
Лимбург
/ˈlɪm.bʏrxs/, /ˈlɪm.bʏrχs/
pronoun
1. verzamelnaam van een reeks variëteiten van de Germaanse taalfamilie
  1. лимбургский
  2. ли́мбургский
noun
een dichtvorm van 5 regels met een vrij strak metrum
лимерик
noun
лимнология
noun
1. Een citrusvrucht
  1. лайм
  2. зелёный лимо́н
noun
1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
лимонад
/ˈlɪndə/
noun
loofboom
липа
adjective
1. lijnvormig
линейный
noun
1. beoefenaar van de taalkunde
лингвист
noun
1. wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
лингвистика
/ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
линейка
adjective
  1. 1. gevaarlijk
    опасный
  2. 2. sluw
    хитрый
noun
  1. 1. een betrekking of relatie
    связь
  2. 2. een verwijzing
    ссылка
noun
1.
левобере́жный
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
левый
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
левору́кий
noun
1.
лино́левая кислота́
noun
линогравюра
noun
1. lange, smalle strook stof
ба́нтик
noun
1. een platte worm die parasiteert in de darm bij mens en dier
ле́нточный червь
noun
ленточная пила
noun
чечеви́ца
noun
1. anatomie
губа
/liˈpidə/
noun
1. vetten en vetachtige stoffen die in de biochemie een belangrijke rol spelen
липи́д
noun
лицемерное признание
noun
  1. 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
  2. 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
губная помада
noun
1. soort baars, vis behorend tot de familie van lipvissen
губан
noun
1. Typha
  1. рого́з
  2. рогоз
pronoun
1.
Лиссабон
noun
1.
ектенья́
/litər/
noun
1. een inhoudsmaat voor voornamelijk vloeistoffen en gassen
литр
adjective
литературный
noun
  1. 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
  2. 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
литература
/ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
  1. литий
  2. ли́тий
noun
лито́та
/liˈtaʊ̯.wə(n)/, /liˈtɑuwə(n)/, /liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
Литва
/liˈtaʊ̯.wər/, /ˈlitɔʊ̯.β̞ər/, /ˈlitʌʊ̯.β̞ər/
noun
1. inwoner van Litouwen
литовец
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
adjective
1. betreffende Litouwen of het Litouws
литовский
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
  1. литовский
  2. литовский язык
/liˈtaʊ̯sə/, /ˈlitɔʊ̯β̞sə/, /ˈlitʌʊ̯sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Litouwen
литовка
noun
1. zichtbaar overblijfsel van een oude verwonding
шрам
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
литургия
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
ливерморий
noun
1. vloeibaar gemaakt aardgas
СПГ
verb
1. poging de besluitvorming te beïnvloeden
лобби́ровать
noun
лоботомия
noun
1.
локомотив
verb
1. van lood vervaardigd
свинцо́вый
pronoun
  1. 1. eigennaam van Frankische herkomst
    Луи́
  2. 2. spelwoord voor de letter l
    Людвиг
noun
1. de kant waar de wind vandaan komt
наветренная сторона
/ˈlu.jə(n)/
verb
1. een langgerekt klagend geluid voortbrengen
мычать
noun
1. met vlees en groente gevulde en gefrituurde lap deeg
весе́нний руле́т
verb
1. scheel kijken
[[смотре́ть]] [[и́скоса]]
noun
лупа
noun
Мусанг
noun
1. prijzen
похвала
noun
1. snelheidsmeter voor zeegaande schepen
лаг
noun
1. de exponent van de macht waartoe een gegeven getal verheven moet worden om een ander getal te krijgen
логари́фм
noun
1. boek met gegevens over de navigatie
[[бортово́й]] [[журна́л]]
noun
1. een vissersschip, tegenwoordig met een motor aangedreven, dat vroeger een loggergetuigd zeilschip was
люггер
noun
логика
/ˈloɣis/
adjective
  1. 1. natuurlijk, voor de hand liggend
  2. 2. betrekking hebbend op de logica
логи́ческий
adjective
логи́стика
noun
1. beeldmerk, logogram, naambeeld
логотип
noun
логопед
/ˈloʒban/
pronoun
1. een kunsttaal ontwikkeld door James Cooke Brown
Ложбан
/lɔk/
noun
1. haarlok, pluk haar
локон
noun
1. plaatsbepaling
локализа́ция
verb
2. als eerste deel van samenstellingen
прима́нивать
noun
потеха
/ˈlɔlɪ/
noun
snoepje
леденец
pronoun
Ломбардия
adjective
zich op een onwellevende en onbehouwen manier gedragend
  1. неотёсанный
  2. сырой
/ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
Лондон
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
лёгкое
noun
медуни́ца
/'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
  1. пневмония
  2. воспаление лёгких
noun
1. bloedvat dat vanuit de rechter hartkamer naar de longen gaat
лёгочная артерия
noun
1. vis met kieuwen én longen
[[двоякодышащий|двоякоды́шащая]] [[ры́ба]]
noun
1. koord voor ontsteking
фити́ль
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
свинец
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
  1. водопроводчик
  2. сантехник
/lotlɛin/
noun
1. een lijn die een rechte hoek maakt met de raaklijn van de figuur waarop zij wordt neergelaten
перпендикуляр
adjective
2. in een rechte hoek
перпендикулярный
/loːts/
noun
2. iemand die schepen als stuurman begeleidt bij het varen van en naar een haven
ло́цман
noun
1. een witte verfstof met bestanddelen van lood
свинцо́вые бели́ла
noun
  1. 1. gebladerde boom
  2. 2. bladverliezend boom
лиственное дерево
adjective
зеленый лист
/loːx/
noun
een alkalische substantie
щёлок
noun
1. (beroep) een persoon die van de huid van dieren leer maakt
дубильщик
adjective
van groot gewicht
  1. тяжёлый
  2. тяжелая
  3. тяжелое
  4. тяжелые
/loːn/
noun
1. financiële vergoeding voor geleverde arbeid
зарплата
noun
платёжная ве́домость
/loːp/
noun
voorste deel van een wapen
ствол
/ˈlopχraf/
noun
1. een uitgegraven geul, diep en breed genoeg dat men er in kan lopen...
око́п
/-los/
suffix
1. een achtervoegsel dat het ontbreken van het eerste aangeeft
  1. ез-
  2. ес-
verb
1. stappen, gaan
  1. идти
  2. ходить
noun
4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
слон
pronoun
1.
Лоруп
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
вы́куп
verb
1. ervoor zorgen dat iets of iemand los wordt
отвя́зывать
noun
2. noodlot, wat het toeval iemand toebedenkt
доля
pronoun
Лотарингия
noun
поза лотоса
pronoun
1.
Луизиа́на
verb
1. blijk geven van bewondering
хвалить
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Лука
/lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
  1. воздух
  2. во́здух
noun
1. een aanval vanuit de lucht op een grondpositie
авианалёт
noun
обработка воздуха
noun
1. stroom van transportvliegtuigen
возду́шный мост
noun
воздушный фильтр
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
  1. аэропорт
  2. аэродром
adjective
2. zorgeloos
  1. безмятежный
  2. беспечный
  3. неунывающий
/ˈlʏxmɑxt/, /ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
ВВС
noun
трахея
noun
1. de luchtlagen boven een bepaald grondgebied
возду́шное простра́нство
noun
1. verkeer in de lucht
авиация
noun
1. een bedrijf dat vervoer door de lucht aanbiedt
авиакомпа́ния
noun
1.
авиадиспе́тчер
noun
управление воздушным движением
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
спичка
/lœʏ/, /lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
ленивый
/lœʏ/, /lœː/
noun
1. groep mensen
люди
noun
  1. 2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
    1. ленивец
    2. лени́вец
  2. 1. werkschuw persoon
    1. лентяй
    2. лодырь
adverb
вслух
noun
громкоговори́тель
noun
пелёнка
noun
1. het ontbreken van de wil iets te doen
лень
/lœʏ̯k/, /lœːk/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Льеж
/lœʏ̯k/, /lœːk/
noun
  1. 4. onderdeel van een altaar-schilderij
    крыло
  2. 1. openklappend vlak, klapdeur
    люк
  3. 2. afdekking van een scheepsruim
    люковое закрытие
  4. 3. openklappende plank die een raam afdekt en beschermt
    ставня
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
  1. леопард
  2. леопа́рд
/lœʏ̯s/, /lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
вошь
/'lœstərə(n)/
verb
1. gericht waarnemen met het oor
  1. слушать
  2. слу́шать
noun
1. luit
лютня
noun
1. rang in het leger
лейтена́нт
/ˈlykɑs/
pronoun
Лука
noun
1. geslachtsdeel van de man
хуй
noun
яркость
noun
1.
люминесценция
adjective
лу́нный
verb
1. de lunch gebruiken
обедать
noun
1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
люпин
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
лютеций
adjective
лютеранский
/lyks/
adjective
1. duur, exclusief
предме́т ро́скоши
/lyks/
noun
1. niet alledaagse dingen die gebruikt worden voor het persoonlijk genot
люкс
/ˈlyksəmˌbʏrx/, /ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
  1. Люксембург
  2. Люксембу́рг
/ˈlyksəmˌbʏrɣər/, /ˈlyksəmˌbʏrχər/
noun
1. een inwoner of iemand die afkomstig is van het Groothertogdom Luxemburg
люксембуржец
/ˈlyksəmˌbʏrxs/, /ˈlyksəmˌbʏrχs/
pronoun
1. een taal die in Luxemburg gesproken wordt
Люксембургский язык
adjective
люксовый
pronoun
Львов
noun
1.
личи
noun
лимфангит
adjective
1.
лимфати́ческий
noun
лимфа
noun
лимфо́ма
verb
1. iemand executeren zonder rechtsgeldig proces, met name door opknoping
линчева́ть
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
рысь
pronoun
1.
Лион
adjective
лирик
pronoun
1. feministische kunsttaal...
лаадан
/mṇ/
possessivePronoun
1. van de eerste persoon enkelvoud
  1. мая
  2. мой
  3. моё
/maːx/
noun
1. Orgaan
  1. желудок
  2. желу́док
pronoun
  1. 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
  2. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  3. 3. de moeder van Jesus
Дева
/maːxt/, /maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
девственница
adjective
девственный
noun
1. eigenschap dat je niet eerder geslachtsverkeer hebt gehad
де́вственность
pronoun
Девин
pronoun
Вирги́нские острова́
/ˈmaɣdəˌvlis/, /ˈmaʝdəˌvlis/
noun
vlies
гиме́н
noun
желу́дочный сок
/ˈmaɪ̯ə(n)/
verb
1. met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
жать
/ma:l/
verb
1 1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
раз
/ˈmaɫtekə(n)/
noun
1. het symbool × of · of * om een vermenigvuldiging aan te duiden
знак умноже́ния
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
еда
/maːn/
noun
  1. луна
  2. месяц
/maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
  1. месяц
  2. ме́сяц
/ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
  1. понедельник
  2. понеде́льник
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
ежеме́сячник
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adjective
1. iedere maand een keer
ежеме́сячно
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adverb
1. iedere maand een keer
месячно
noun
прилунение
noun
полумесяц
/ˈmansvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈmansvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan verduisterd raakt doordat ze in de schaduw...
лунное затмение
noun
мак
/maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
  1. но
  2. а
noun
ма́ршал
/maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
март
pronoun
Революция 1848—1849 годов в Германии
/mas/
pronoun
1. een rivier die onspringt in Frankrijk en door België en Nederland stroomt
Маас
/mas/
noun
1. een van de geknoopte ringen waaruit een net bestaat
пе́тля́
/maːt/
noun
3. eenheid van lengte enz.
  1. мера
  2. такт
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
мера
noun
  1. 1. vereniging tot het drijven van handel
    компа́ния
  2. 2. de wereld, omgang en verkeer der mensen
    общество
noun
1. een vertikale lijn op een notenbalk
тактовая черта
adjective
макабрический
noun
2. gerecht op basis van gebogen pijpjes van deeg
макаро́ны
pronoun
1. een stad op een eiland aan de zuidkust van China, ten westen van Hong Kong
Макао
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
  1. македонский
  2. македонский язык
/ˌmasəˈdoni.jə/, /ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
  1. 3. land
  2. 1. historisch Grieks koninkrijk
  3. 2. regio in Griekenland
Македония
/ˌmasəˈdoni.jər/, /ˌmasəˈdoːni.jər/
noun
1. inwoner van Macedonië
македо́нец
/mɑˈʃinə/
noun
  1. машина
  2. маши́на
noun
1. een ruimte voor machines
  1. машинное отделение
  2. машинный зал
/mɑˈʃinəˈri/
noun
1. geheel van machines
механи́зм
noun
  1. 1. het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
    власть
  2. 2. een staat die zijn invloed doet gelden
    держава
/ˈmɑxtəx/, /ˈmɑxtɪx/, /ˈmɑχtəχ/
adjective
1. meer invloed hebben dan anderen
мо́щный
verb
1. aan iemand anders het recht overdragen in je naam te handelen
авторизо́вывать
noun
1.
бала́нс сил
noun
1.het gebruiken van macht voor doeleinden waarvoor het niet bedoeld is
злоупотребление властью
noun
1. gevecht om de macht
[[борьба́]] за власть
noun
1. een handwerktechniek om decoraties of weefsel te maken, door het met de hand knopen van draden
макраме́
/ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Мадагаскар
noun
1. Pootloze larve
личинка
noun
1. Bellis perennis
маргаритка многолетняя
pronoun
1. een Indiase deelstaat gelegen in het centrum van het land met de hoofdstad Bhopal
Ма́дхья-Праде́ш
pronoun
  1. Мадрид
  2. Мадри́д
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
мафия
noun
2. winkel met groot assortiment
склад
noun
1. kleur tussen rood en blauw
[[пу́рпу́рный]] цвет
/ˈma.ɣər/, /ˈma.χər/
adjective
1.
тощий
adjective
1.met een bijzondere, bovennatuurlijke betekenis
волше́бный
noun
1. een persoon die rechtspreekt
судья́
noun
  1. 1. gemagnetiseerd metaal
  2. 2. persoon, zaak of plaats
магнит
noun
магнитное поле
noun
1. Chemisch element
  1. магний
  2. ма́гний
noun
1. magnetisch, ijzer bevattend mineraal; magnetisch erts
магнетит
adjective
1. verschijnselen vertonend die toegeschreven kunnen worden aan een kringstroom...
магнитный
verb
магни́тить
noun
магнетизм
/ˈmɑɣ.nə.trɔn/, /ˈmɑχ.nə.trɔn/
noun
1. een toestel waarin met zeer korte en gerichte golven voedsel in zeer korte tijd warm kan worden gemaakt
микроволновая печь
noun
1. boom met tulpachtige bloemen
магно́лия
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Махара́штра
adjective
коричнево - махогоновая
/ˈmelə(n)/
verb
1. per elektronische post verzenden
послать имейл
/mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
кукуруза
adjective
желтая кукуруза
noun
1. en 2. verbinding van glucose en koolhydraten of bindmiddel dat uit maiskorrels wordt gewonnen
кукурузный крахмал
noun
1.
величие
noun
майо́р
/ma'kak/
noun
1. een aap behorende tot een geslacht (Macaca) van apen van de Oude Wereld
мака́к
noun
1. schoonheidsproducten
грим
/ˈmaːkən/
verb
1. in elkaar zetten
  1. делать
  2. сделать
noun
1. iemand die iets maakt of gemaakt heeft
изготови́тель
adjective
1. niet moeilijk, waar weinig moeite en inspanning voor vereist is
лёгкий
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
скумбрия
noun
1. infectieziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten van het geslacht Plasmodium
малярия
/ma.'la.wi/, /ma.'la.ʋi/, /ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
Малави
pronoun
1. Dravidische taal die wordt gesproken door 47 miljoen mensen, vooral in de Indiase deelstaat Kerala
малая́лам
/mɑl.ˈdi.və(n)/, /mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Мальдивы
pronoun
Малахия
/mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
малайский
/maˈlɛ:zi.jə/, /maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
Малайзия
/malə(n)/
verb
1. tussen twee harde voorwerpen fijnwrijven
молоть
/'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
Мали
noun
1.
кольчу́га
/ˈmɑlta/, /ˈmɑɫta/
pronoun
  1. 1. eiland in de Middellandse Zee
  2. 2. land in de Middellandse Zee
Мальта
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
  1. мальтийский
  2. мальти́йский
/mɑlˈteːsə/, /mɑɫˈtesə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Malta
мальтийка
/ˈmɑmaː/
noun
1.
ма́ма
/ˈmɑmi/
noun
1. moeder
мама
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Mammuthus
мамонт
noun
1.
суперта́нкер
noun
  1. 2. een echtgenoot, een getrouwde man
    муж
  2. 1. persoon van het mannelijk geslacht
    мужчина
  3. 3. een mens
    человек
noun
1. een persoon die de leiding heeft over een afdeling binnen een organisatie
manager
pronoun
Манаус
noun
2. hulpstuk om een granaat op zijn plaats te houden in een kanonloop
конте́йнер
noun
1. een sierknoop die de manchet aan de mouw van een overhemd sluit
за́понка
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
корзина
noun
манда́т
noun
1. Een citrusvrucht
  1. мандарин
  2. мандари́н
noun
1. een klein, luitvormig tokkelinstrument met vier paar snaren waarop met een plectrum getokkeld wordt
мандолина
noun
1. Chrysocyon brachyurus, Zuid-Amerikaanse wilde hondachtige, meer verwant met de vos dan met de wolf
гривастый волк
/manəsxɛɪn/
noun
1. Het door de maan weerkaatste licht dat op de aarde schijnt, maanlicht
лунный свет
/ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
манга
noun
1. Chemisch element
марганец
/'mɑnɣɑt/
noun
1.
лаз
/ˈmɑŋələ(n)/
verb
3. door de mangel halen, met een mangel glad maken
выжима́ть
noun
1. soort oranje-groene sappige tropische vrucht
манго
noun
мангр
noun
манья́к
noun
1. ziekelijke neiging (opgewonden psychische toestand)
ма́ния
/ mɑˈniːr/
noun
способ
noun
1. openlijke bekendmaking van een staatshoofd, regering, leider of politieke partij
манифе́ст
noun
  1. 1.
  2. 2. openbare gebeurtenis
манифеста́ция
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
маниок
noun
манипуляция
verb
манипули́ровать
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land
Манипу́р
adjective
  1. 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
  2. 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
мужской
pronoun
1.
Мангейм
noun
мане́вр
noun
  1. Манометр
  2. манометр
noun
  1. 2. omhulsel apparaat
    кожух
  2. 1. omhullend kledingstuk
    плащ
pronoun
1. taal die door de Mantsjoes gesproken werd.
маньчжу́р
/ˌmanɵsʲəvɑnˈɑləs/
noun
1. iemand die bekwaam is in het doen van allerlei verschillende klusjes
и швец, и жнец, и на дуде игрец
noun
1. hoeveelheid werk die één persoon in één uur kan verrichten
рабо́чий час
pronoun
1. een Keltische taal die (als tweede taal) wordt gesproken op het eiland Man
мэ́нский
pronoun
1. taal die door de Maori's wordt gesproken
ма́ори
noun
1. variant van het communisme zoals uitgedragen en toegepast in China gedurende het derde kwart van de 20e eeuw
маои́зм
noun
1. communist die zich vooral heeft laten inspireren door Mao Zedong
маои́ст
adjective
1.
маои́стский
/mɑp/
noun
  1. 3. deel van het bestandssysteem
    директо́рия
    1. 1. een stevig omhulsel voor papieren
    2. 2. een gebundelde verzameling gegevens
    папка
pronoun
1. inheemse taal gesproken door 440 duizend mensen in Chili en Argentinië
араука́нский
noun
марафо́н
verb
марширова́ть
noun
1. Viscum album
омела
noun
маргарин
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus wiedii
длиннохво́стая ко́шка
/mɑrɣiˈnal/
adjective
1. aan de rand of de rand betreffend
маргинальный
pronoun
Ма́рья
noun
1. het hoogfeest ter gedachtenis van de aankondiging (annunciatie) van de geboorte van Jezus aan Maria
  1. Благовещение
  2. Благовещение Пресвятой Богородицы
/mɑˈrɪmba/
noun
1. een zeer grote houten xylofoon uit Guatemala met onder elke toets een resonator van houtsnijwerk
мари́мба
noun
марина́д
/maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
военно-морские силы
noun
1. lid van een goed getrainde, gespecialiseerde militaire eenheid
[[морско́й]] [[пехоти́нец]]
pronoun
1.
Марианске-Лазне
noun
2. kruid
майоран
/mɑr.ˈkeːr.stɪft/
noun
1. een viltstift waarmee met stukken tekst doet opvallen
ма́ркер
/mɑr.kɪː.rə(n)/
verb
1. het afbakenen van een grens
маркирова́ть
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
марки́з
noun
  1. geheel van omstandigheden waaronder hoeveelheden van producten of diensten verhandeld worden
    база́р
  2. warenverkoop op pleinen en straten
    ры́нок
noun
ры́ночная эконо́мика
noun
2.
ры́ночная цена́
/mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
  1. мрамор
  2. мра́мор
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
сурок
adjective
1.
марокка́нский
/ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
Марокко
pronoun
Марс
noun
  1. 4. het halfronde platform aan de top van het onderste deel van de mast van een zeilschip
    марс
  2. 1. regelmatige manier van lopen met afgemeten passen, vooral gebruikt door soldaten...
    марш
  3. 2. een wandeltocht
    1. марш
    2. поход
noun
1. een Italiaanse versterkte wijn die gemaakt wordt in de omgeving van Marsala op het westelijk deel van Sicilië
Марсала
noun
1.
марципан
pronoun
1. een taal die op de Marshalleilanden gesproken wordt
маршалльский
/mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
  1. Маршалловы острова
  2. Маршалловы Острова
noun
1. sponzig snoepje
маршмэ́ллоу
noun
1. iemand die voor een zaak lijdt of sterft en daarmee tot symbool wordt gezien van de strijd voor die zaak
му́ченик
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Martes
куница
noun
1. cocktail van gin en droge witte vermout
марти́ни
pronoun
Мартиника
noun
1. de socialistische ideologie van de volgelingen van Karl Marx
маркси́зм
noun
1. schoonheidsmiddel
тушь
pronoun
1. eilandengroep in de Indische Oceaan
Маскаренские острова
noun
1.
  1. маска
  2. ма́ска
noun
1.
мазохи́зм
/ˈmɑsaː/
noun
1. totale hoeveelheid materie in een object
масса
noun
масса́ж
noun
1. moord op een groot aantal personen
ма́ссовое уби́йство
noun
1. een wapen dat zeer velen doodt
оружие массового поражения
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Массенбаххаузен
verb
1. het toepassen van uitwendige druk op de zachte weefsels
[[де́лать]] [[масса́ж]]
adjective
масси́вный
noun
1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
мачта
noun
мастэктомия
noun
1. grote hond met een heel los rimpelig vel bij het hoofd
дог
noun
  1. 1. ontsteking van de borstklier
  2. 2. ontsteking van de uier
мастит
noun
1. het stimuleren van de eigen geslachtsdelen
онанизм
verb
дрочить
noun
1. een tastbare stof
материа́л
noun
материя
/mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
матрац
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
матрица
noun
1.
матро́на
noun
1. een zeeman van de laagste rang
матро́с
pronoun
  1. Матвей
  2. Матфей
/ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
Мавритания
/maʊ̯.'ri.si.jəs/, /mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
Маврикий
noun
1. groot en rijk versierd graf
мавзоле́й
adjective
1. het grootst mogelijk
максима́льный
abbreviation
1. grootst mogelijke hoeveelheid
максимум
noun
1.
карт-максимум
/ˌmajoˈnɛːzə/
noun
1. een saus op basis van eieren
майонез
pronoun
Майотта
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
корь
noun
1. een vrouw die een relatie heeft met een getrouwde man
любовница
/ˈmaʲɪs/, /ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
кукуруза
noun
механика
adjective
1. met betrekking op de mechanica, machinaal, automatisch zonder na te denken
механический
noun
1. machinerie
механизм
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
медаль
noun
1. iemand die uit honing mede bereidt
медовар
noun
1. iemand die burger is van dezelfde stad of hetzelfde land
согражданин
noun
1. informatie die bekend wordt gemaakt
сообщение
/ˈmedədoɣgə(n)/
noun
1. welwillend medelijden
жалость
/ˈme.dəˌklɪŋ.kər/
noun
  1. 1. een klank waarbij de lucht niet ongehinderd door de mond naar buiten kan
  2. 2. een letter die zo'n klank in schrift weergeeft
согла́сная
noun
1. verdriet over het leed van anderen
  1. жалость
  2. сострадание
adjective
1. bewust bijgedragen hebbend tot een wandaad
соуча́ствующий
noun
1. het mede schuld hebben aan een misdrijf
соуча́стие
noun
2.
медиа́на
noun
1. iemand die zich bezighoudt met het onderzoek naar en de beschrijving van de geschiedenis van de media
историк медиа
noun
Медиация
noun
1. het voorschrijven van geneesmiddelen
лекарство
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
лекарство
adjective
1. geneeskrachtig
медицинский
adjective
1. op de geneeskunde betrekking hebbend
медицинский
noun
1. spirituele bezigheid
Медитация
/ˈmeɣevə(n)/, /ˈmeχevə(n)/
verb
подда́ться
noun
1. Rubia tinctorum
маре́на
/mel/, /meɫ/, /mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
мука
noun
1. kever ontstaan uit de meelworm die leeft van graan en meel
большо́й мучно́й хруща́к
/ˈme.ma.kə(n)/
verb
1. getuige zijn van een gebeurtenis
дождаться
verb
1. bij het vertrek meevoeren
подвозить
/meːr/
indefiniteCardinalNumeral
1. vergrotende trap van veel
более
/meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
озеро
pronoun
1.
Женевское озеро
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
большинство
adjective
1. de leeftijd bereikt hebbend dat men alle rechten en plichten van een volwassene heeft
совершеннолетний
noun
1. één van een aantal Afrikaanse apensoorten uit de Cercopithecus-familie
марты́шка
noun
1. bepaald soort watervogel, Fulica atra
лысуха
adjective
  1. 1. gerelateerd aan meerdere talen
  2. 2. (persoon) meerdere talen sprekend
многоязы́чный
noun
1. de staat van meerdere talen te kunnen spreken
многоязы́чие
/ˈmeːrvɑɫ/
noun
1. benaming voor grote roofvissen uit het geslacht Siluris
сом
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
множественное число
noun
1. een extra waarde
добавленная стоимость
noun
1. benaming voor kleine weinig schuwe vogels uit de familie Paridae
синица
indefiniteCardinalNumeral
1. de grootste hoeveelheid, het hoogste aantal
большинство́
noun
1. baas, heer, patroon
мастер
noun
влады́чица
noun
Горичник настурциевый
adjective
1.
измеримый
noun
1. eenheid die gebruikt wordt om meetresultaten in uit te drukken
единица измерения
/ˈmetɪnstryˌmɛnt/
noun
1. een instrument waarmee grootheden gemeten kunnen worden
измерительный прибор
/'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
геометрия
/meːβ̞/, /mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
чайка
/'mezɪŋə(n)/
verb
1. gezamenlijk met anderen zingen
подпе́ть
noun
мания величия
noun
1. de vijfde maand van het jaar
май
/mɛi̯t/
noun
служа́нка
/ˈmɛɪ̯.dorn/
noun
1.
боярышник
adjective
майская зелень
noun
1. Melolontha melolontha, schildvleugelig insect dat in mei te voorschijn komt
хрущ
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
клятвопреступление
/mɛɪˈozə/
noun
1.
мейоз
/ˈmɛɪ̯ʃə/, /ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
девочка
/ˈmɛɪ̯ʃəsˌnam/, /ˈmɛːsjəsˌnam/
noun
2. eigen achternaam van een vrouw die de naam van haar echtgenoot of geregistreerd partner voert
де́вичья фами́лия
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
  1. мейтнерий
  2. мейтне́рий
pronoun
1. geboorteplaats van Mohammed en bedevaartplaats voor islamieten
Мекка
adjective
met droevige gedachten aan de dagen van weleer
меланхоличный
pronoun
Мелане́зия
noun
1. een groep van organische pigmenten
мелани́н
noun
1. een abnormaal zwarte huid en haar of veren door een aangeboren overmaat aan het organisch pigment “melanine”
мелани́зм
noun
меланома
noun
1. een restproduct bij de suikerproductie
мела́сса
pronoun
1. tweede grootste stad van Australië en hoofdstad van de deelstaat Victoria
Ме́льбурн
noun
1. Atriplex sp, een geslacht van meer dan tweehonderd soorten plantjes...
лебеда́
pronoun
Мелилья
/mɛlk/
noun
  1. молоко
  2. молоко́
noun
[[разно́счик]] [[молоко|молока́]]
noun
1. chocolade die bereid is met room of melk
моло́чный шокола́д
noun
Осот
/mɛlkə(n)/
verb
1.
  1. доить
  2. дои́ть
noun
1.het orgaan dat bij het zoogdier de melk produceert
моло́чная железа́
noun
1. een tand uit de eerste set tijdelijke tanden van de mens en sommige andere dieren (zoals de hond of de koe), die na verloop van tijd worden vervangen door de permanente tanden
молочный зуб
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
Мле́чный Путь
noun
1. organisch zuur
молочная кислота
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
мелодия
adjective
aangenaam klinkend
мелоди́чный
noun
дыня
adjective
желтая дыня
noun
1. iemand die heel veel van muziek houdt
мелома́н
/mɛmbran/
noun
2. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
мембра́на
noun
pomp waar de pompwerking ontstaat door een membraan te laten trillen
мембранный насос
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door een trillend vel
мембранофон
/ˈme:mə/
noun
мем
noun
1. eerste maandstonden, de eerste keer dat er een menstruatie is en daarmee de puberteit
мена́рхе
/ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
менделевий
/məˈneːr/, /məˈnɪːr/
noun
in te delen
  1. господин
  2. сударь
/menə(n)/
verb
1. de bedoeling hebben
ду́мать
verb
1. het homogeniseren van twee of meer zaken
меша́ть
noun
смесь
noun
1.
менги́р
noun
1. levensfase waarin vrouwen niet langer menstrueren
менопауза
/məno'ra/
noun
1. kandelaar met zeven armen
мено́ра
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
человек
adjective
  1. 2. goed voor de medemens
    человеческий
  2. 1. zoals de mens
    1. человеческий
    2. человечный
/ˈmɛnsələkɦɛjt/
noun
гуманность
noun
[[торго́вля]] [[люди|людьми́]]
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
правa челове́кa
pronoun
1. benaming voor Jezus Christus als eerder door Daniël aangekondigde verlosser
cын человеческий
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
человечество
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
менструация
noun
1.
ме́сячные
/ˌmɛn.taː.liˈtɛit/
noun
мента́льность
noun
1. vluchtige olie die een belangrijk bestanddeel is van pepermuntolie,...
менто́л
noun
наставник
noun
меню́
noun
1.
строка́ меню́
noun
1.
менуэ́т
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Мера́н
pronoun
  1. Меркурий
  2. Мерку́рий
/meːrəl/, /ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
  1. дрозд
  2. чёрный дрозд
verb
поста́вить на я́корь
noun
  1. 1. zacht weefsel in de kern van een bot
  2. 2.
мозг
noun
1. halve cirkel die de beide polen met elkaar verbindt
меридиа́н
noun
меритокра́тия
noun
2. een herkenbaar product door een bepaalde producent vervaardigd
бренд
noun
1. een term die een deel van iets anders weergeeft
мероним
noun
1. vrouwelijk paard
кобыла
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saarland
Мерциг
noun
1. snijwerktuig
нож
noun
1.
мезон
adjective
1.
месопота́мский
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
Междуречье
noun
мезосфе́ра
/ˈmɛssxedə/
noun
2. een marien tweekleppig weekdier, met een geheel rechte schelp
черенок
noun
1.
ножовщик
/mɛˈsijɑs/
pronoun
1. de in de joodse Tenach voorspelde Redder die door God gezonden zal worden en die door de christenen met Jezus gelijkgesteld wordt
Месси́я
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
  1. удобрение
  2. навоз
/ˈmɛstkevər/
noun
1. een donkergekleurde kever die zich met mest voedt
навозный жук
/mɛd/, /mɛt/
preposition
с
verb
1. situaties die eigenlijk hetzelfde zijn toch heel anders beoordelen
использовать двойную мораль
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
металл
noun
1. instrument om metalen voorwerpen op te sporen
дете́ктор мета́лла
noun
1. stofwisselprodukt
метаболи́т
noun
1. het geheel van de biochemische processen op celniveau
Mетаболизм
/me.ta.ˈfɔːr/, /mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
  1. mетафора
  2. метафора
noun
1. de wijsgerige leer die niet de werkelijkheid onderzoekt zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke ervaring, maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert
метафизика
/ˌmetaˈfizis/
adjective
1. bovennatuurlijk; (nog) niet met de gangbare wetenschap te verklaren
метафизи́ческий
noun
металлурги́я
noun
метаморфо́за
noun
1. weefselvormverandering
метаплази́я
noun
1. taal met behulp waarvan dezelfde of een andere taal wordt beschreven
метаязык
/mɛ.ˈden/, /mɛ.ˈten/
adverb
2. tegelijkertijd
кстати
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
мерить
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
метеор
/meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
метеорология
noun
1. de SI-eenheid van lengte
метр
noun
компаньо́н
noun
1. CH₄
метан
/meˈtodə/
noun
ме́тод
noun
1. Een stroming in het protestantisme
методизм
/ˌmetodoloˈɣi/, /ˌmetodoloˈχi/
noun
мето́дика
noun
измере́ние
/mæː.to.ˈny.mi.ja/
noun
метони́мия
adjective
метри́ческий
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
метро
/ˌmetroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
метроло́гия
noun
метроном
noun
1. wereldstad
метрополия
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
каменщик
/ˌmɛ.tər.ˈtɛɪ̯t/
adverb
1. na verloop van (een zekere) tijd
постепе́нно
noun
1. stuk huisraad
мебель
noun
1. groep (jacht)honden, e.d.
сво́ра
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
госпожа
adjective
мексика́нский
/ˈmɛg.zi.ˌko/, /ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
Мексика
/mə'zuza/
noun
1.
мезу́за
/ˈmɛtsə/
noun
1.
мезе
interjection
1. het geluid van een kat
мяу
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
мяукать
noun
мицелла
/miˈxa/, /ˈmiʃa/
pronoun
Михей
/ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
микроорганизм
noun
1. een levend micro-organisme
микро́б
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
микробиология
/ˌmɪkrobɪoˈloɣɪs/
adjective
1. met betrekking tot de microbiologie
микробиологический
noun
микроконтро́ллер
noun
микрофон
/ˈmik.ro.χɔl(ə)f/, /ˈmɪk.ro.ɣɔlf/
noun
2. elektromagnetische golf van 0,1 mm tot 1 cm lengte
микроволна́
noun
1. miljoenste gram
микрограмм
noun
2.
микро́метр
/ˌmi.kro.ˈne.zi.ja/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Federale Staten van Micronesia
Микронезия
noun
geïntegreerde schakeling die de hele CVE van een computer bevat op één enkele chip
микропроцессор
/mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
  1. микроскоп
  2. микроско́п
adjective
1. zeer klein, voor het blote oog onzichtbaar
микроскопи́ческий
noun
микросеку́нда
noun
  1. 1. het midden van de dag, 12.00
    полдень
  2. 2. het gedeelte van de dag tussen 12.00 en 18.00 uur
    послеобеденное время
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
обед
/ˈmɪdəɫ/
noun
1. middendeel van het lichaam
талия
pronoun
1.
Ми́дделбург
/ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
Средневековье
/ˈmɪdəɫɪ:ws/
adjective
1. gerelateerd aan de middeleeuwen
средневековый
pronoun
1.
среднефранцузский язык
pronoun
1. Hoogduitse dialecten uit de periode 1050-1350
средневерхненеме́цкий
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
Средиземное море
noun
1. middellijn
диаметр
/ˌmɪdəɫˈmatəx/
adjective
2. niet in positieve zin opvallen
заурядный
noun
1. van een cirkel of bol is het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft
центр
noun
1. vinger
сре́дний па́лец
noun
1. het centrale deel
медиана
pronoun
1. het gebied tussen Noord-Amerika en Zuid-Amerika
Центральная Америка
noun
1. regio die bestaat uit Zuidwest-Azië en het noordoosten van Afrika
Бли́жний Восто́к
noun
1. maatschappelijke, economische klasse
сре́дний класс
noun
сре́днее у́хо
noun
spier- en peesachtig tussenschot tussen borstholte en buikholte
диафрагма
noun
1.
рите́йлер
/ˈmɪdəˌstentɛit/
noun
мезолит
noun
1.
полузащи́тник
/ˌmɪdərˈnɑxt/, /ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
полночь
noun
полуно́чное со́лнце
noun
кри́зис сре́днего во́зраста
verb
1. via de blaas als vloeistof lozen van lichamelijke afvalstoffen
  1. ссать
  2. поссать
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
  1. муравей
  2. мураве́й
noun
ехидна
noun
1. benaming voor tandloze zoogdieren uit de onderorde Vermilingua
муравьед
noun
1. HCOOH
муравьиная кислота
noun
2. wortel
Хрен обыкновенный
noun
1. slapjanus, kleinzerig persoon
тряпка
noun
1. schele hoofdpijn
мигрень
noun
мигра́ция
verb
  1. 1. trekken, verhuizen, zich verplaatsen
  2. 2. gegevens zoals een bestand of code overzetten naar een ander computersysteem en/of netwerk
кочевать
verb
1. ontwijken, trachten niet in aanraking te komen met iets of iemand
избегать
/mɛi̯l/
abbreviation
миля
noun
1. een paal die op elke mijl staat
веха
/mɛi̯n/
noun
1. onderaardse plaats waar delfstoffen gewonnen worden
  1. шахта
  2. мина
/mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
  1. мой
  2. моё
  3. мая
noun
1. het bedrijven van winning van delfstoffen
го́рное де́ло
adverb
1. van mijn kant
с моей стороны
noun
1. een verticale, meestal cilindervormige toegangsweg tussen het aardoppervlak en plaatsen...
ша́хта
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
шахтёр
noun
1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
клещ
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
митра
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Милан
/mi.li.ˈjøː/, /mɪɫˈjø/
noun
2. de wereldwijde natuurlijke omgeving
обстано́вка
noun
1. alle maatregelen die gericht zijn op de instandhouding van een leefbare leefomgeving
охра́на окружа́ющей среды́
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
adjective
1. met het leger te maken hebbend
военный
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
noun
1. lid van een leger
  1. солдат
  2. военнослужащий
  3. военный
  4. воин
  5. вояка
  6. солдафон
noun
милитари́зм
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
  1. миллиард
  2. биллион
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
миллиарде́р
noun
1. 1.000.000
  1. миллион
  2. миллио́н
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
миллионер
noun
1. dikke koude drank
молочный коктейль
noun
1. een periode van 1000 jaar
тысячелетие
noun
1. een lengtemaat ter grootte van een duizendste meter
миллиметр
noun
миллисеку́нда
/mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
селезёнка
/ˈmɪltfyr/
noun
1. een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
сибирская язва
noun
1.
мимо́за
adverb
1. minus, verminderd met (-)
минус
noun
1. vrouw die tegen betaling het kind van een andere vrouw zoogt
кормилица
/ˈmɪnɑxtɪŋ/
noun
1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
презрение
noun
минаре́т
/ˈmɪndər/
indefiniteCardinalNumeral
1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
ме́нее
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal minder dan de helft uitmaakt
меньшинство
noun
язы́к меньшинства́
noun
ко́мплекс неполноце́нности
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
майнкрафт
/minəˈral/
noun
минера́л
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
  1. Минеральная вода
  2. минеральная вода
noun
минерало́гия
verb
минировать
/ˈminimal/
adjective
1. het kleinst mogelijk
минима́льный
adjective
1.
минималисти́ческий
noun
1.
мини-юбка
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
  1. министр
  2. мини́стр
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
премьер-министр
/ˌminɪsˈtɪːri/
noun
1. een afdeling van een overheid waar het beleid van de regering wordt uitgevoerd
министерство
adjective
министе́рский
/mɪnst/
indefiniteCardinalNumeral
наиме́ньший
noun
знак ми́нус
adjective
зеленая
adjective
бирюзовая мята
noun
  1. 2. hoek
    минута
  2. 1. tijdeenheid
    1. минута
    2. мину́та
noun
1. neerbuigende vriendelijkheid als karakter eigenschap
доброта́
noun
1. een godsdienstoefening in de katholieke kerk, een eucharistieviering
ме́сса
noun
1. haat tegen mannen
миза́ндрия
/'mɪsbrʌʏk/
noun
абьюз
noun
1. een handeling die een ernstig vergrijp tegen het wetboek van strafrecht is
злоде́йство
noun
1. is iemand die de priester helpt tijdens het opdragen van de mis
министра́нт
noun
1. een misdaad of delict
преступление
verb
1. iemand slecht behandelen en pijn doen of verwonden
пло́хо обраща́ться
noun
1. het moedwillig toebrengen...
[[жестокий|жесто́кое]] [[обраще́ние]]
verb
недооценивать
noun
выкидыш
adjective
1.
[[вводить|вводя́щий]] в [[заблужде́ние]]
noun
1. iets dat niet goed is gegaan
[[вы́ход]] из [[строй|стро́я]]
noun
2. vrucht van de mispelboom
мушмула
/məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
  1. может быть
  2. возможно
noun
рво́та
/ˈmɪsə(n)/
verb
6. de afwezigheid voelen van
скучать
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
  1. мгла
  2. туман
adjective
1. met mist
мгли́стый
noun
1.wijn die gebruikt wordt in de misdiensten
прича́стное вино́
/ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
митохондрия
/miˈtozə/
noun
1.
митоз
/ˈmɪksə(n)/
verb
1. door elkaar mengen
замиксова́ть
interjection
1. uitroep van verrukking
ммм
/moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
  1. мобильный телефон
  2. сотовый телефон
noun
мобилиза́ция
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
гвазда
/ˈmodə/
noun
мода
noun
маке́т
/moˈdɛrn/
adjective
1. van deze tijd, volgens de laatste mode
современный
/mo.dɛr.ni.ˈzɪː.rə(n)/, /mo.dɛr.nɪ.ˈzeː.rə(n)/
verb
1. modern maken
модернизи́ровать
/modɛrniˈzerɪŋ/
noun
модернизация
noun
модерни́зм
noun
совреме́нность
adjective
1. volgens de mode
мо́дный
noun
модификации
adjective
модульный
noun
модуля́ция
noun
мо́дуль
/muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
  1. усталый
  2. утомлённый
/mud/, /mut/
noun
1. dapperheid, lef, branie
му́жество
noun
1. een vrouwelijke ouder
  1. мать
  2. мама
noun
материнская плата
noun
1. een dag ter ere van de moeders
День ма́тери
adjective
1.met de liefde en zorg van een moeder
матери́нский
noun
1. het fungeren als moeder
материнство
noun
родной язык
/ˈmuːdəx/, /ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
  1. храбрый
  2. хра́брый
noun
1. de diersoort waartoe het tamme schaap behoort, Ovis gmelini
муфлон
/mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
  1. трудный
  2. сложный
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
сло́жность
/ˈmuitə/
noun
1. een grote inspanning
усилие
adjective
1. geen moeite kostend
без труда
noun
  1. [A]
    1. гайка
    2. га́йка
  2. [C] 1. drassig land, vooral gebruikt voor natte veengebieden
    1. болото
    2. марши
noun
болото
noun
  1. тут
  2. шелковица
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
муссон
/ˈmus.tœʏ̯n/, /ˈmus.tœːn/
noun
1. een tuin waarin op kleine schaal verschillende groenten en evt kruiden en/of fruit worden verbouwd
огород
verb
1. gedwongen zijn
должен
noun
1. huwelijk ingegeven door zwangerschap
брак по залёту
pronoun
1. een rivier die ontspringt in de Vogezen en na 544 kilometer bij Koblenz in de Rijn uitmondt
Мозель
noun
  1. 1. scheldnaam voor een Duitser
    бош
  2. 1. met bont gevoerde koker om de handen warm te houden
    му́фта
adjective
1. een keuze om iets te doen
возможный
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
возможность
/'mo.χə(n)/
verb
1. toegestaan zijn
мочь
pronoun
1. taal gesproken door 3 350 mensen in Canada en de Verenigde Staten
могаук
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Mordovië gesproken wordt
мокшанский
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
    крот
  2. 3. hoeveelheid van een stof die net zo veel deeltjes bevat als er atomen...
    моль
/mɔlˈdaːvisə/, /mɔɫˈdavisə/
adjective
1. vrouwelijke inwoner van Moldavië
молдаванка
/mɔlˈdaːvi.jə/, /mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
  1. Молдавия
  2. Молдова
adjective
1. bestaande uit moleculen
молекулярный
/moləˈkyle/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
молекула
/moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
  1. молекула
  2. моле́кула
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
мельница
/ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
мельник
noun
1. een ronde steen die onder andere in windmolens en watermolens wordt gebruikt voor het malen van granen en andere producten, zoals boekweit, erwten en bonen, lijnkoeken en eikenschors
жёрнов
noun
1. met brandbare stof gevulde glazen fles die via een lont of lap stof wordt ontstoken
коктейль Молотова
noun
1.
крото́вина
pronoun
Молу́ккские острова́
noun
1. Chemisch element
  1. молибден
  2. молибде́н
noun
1. zeer korte tijd
момент
verb
1. geluiden maken die moeilijk te verstaan zijn
бормота́ть
/moˈnako/, /ˈmo.na.ko/
pronoun
  1. 2. de hoofdstad van Monaco
    Монако
  2. 1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
    1. Монако
    2. Monako
noun
монарх
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
  1. монархия
  2. мона́рхия
/[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
  1. рoт
  2. рот
abbreviation
1. een zeer besmettelijke virusziekte (Aphtae epizooticae) die evenhoevige dieren, vooral runderen treft
я́щур
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
  1. губная гармоника
  2. губна́я гармо́ника
noun
1. een klein tokkelinstrument en lamellofoon waarbij de klank gevormd wordt door een dunne lamel aan te tokkelen waarbij het frame tussen de tanden of tegen de lippen wordt gehouden
варга́н
/ˈmɔndɪŋ/
noun
1. plaats waar een rivier uitkomt in zee of meer
устье
noun
1. dat deel van een blaasinstrument dat in de mond genomen wordt of aan de lippen gezet
мундшту́к
/ˈmɔntwatər/
noun
1. vloeistof waarmee de mondholte kan worden gespoeld
  1. жи́дкость для полоска́ния го́рла
  2. жи́дкость для полоска́ния рта
noun
монгольское пятно
/mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Монголия
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
  1. монгольский
  2. монгольский язык
/ˈmoniˌtɔr/
noun
beeldscherm
монитор
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
мона́х
noun
3. plant
аконит
noun
1. een bril voor één oog
моно́кль
/ˈmonɔfˌtɔŋ/
noun
1. de benaming voor één enkele klinker die de nucleus vormt van een lettergreep
монофтонг
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong.
монофтонгиза́ция
noun
1. het samenleven of getrouwd zijn met één persoon
единобрачие
noun
1. figuur met initialen
ве́нзель
/mo.no.'klin/
adjective
1. een symmetrie bezittend die ten hoogste een tweetallige hoofdas of een spiegelvlak bevat
моноклинный
noun
монолит
adjective
2. van iets dat het kolossaal groot is en uit één massief brok bestaat
моноли́тный
/ˌmonoˈlox/
noun
1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
монолог
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
монополия
noun
1.
моноре́льс
noun
монотеизм
noun
монооксид
noun
1. schrikwekkend wezen
монстр
noun
монтаж
/ˌmɔntəneˈgrɛɪ̯ns/, /ˌmɔntəneˈgrɛːns/, /ˌmɔntəneˈɣrɛɪ̯ns/
adjective
1. op Montenegro betrekking hebbend
черногорский
/ˌmɔntəneˈgrɛɪ̯ns/, /ˌmɔntəneˈgrɛːns/, /ˌmɔntəneˈɣrɛɪ̯ns/
pronoun
1. vorm van het Servo-Kroatisch, gesproken in Montenegro
черного́рский
/ˌmɔntəˈnegro/, /ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Черногория
noun
монтёр
/mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
  1. Монсеррат
  2. Монтсеррат
noun
1. een groot gedenkteken
монуме́нт
/moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
красивый
/ˈmoːrd/, /ˈmoːrt/, /ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
  1. уби́йство
  2. убийство
/mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
убийца
noun
резня
/moˈral/
noun
мора́ль
noun
1. een uitstel van betaling
мораторий
pronoun
Моравия
pronoun
1. autonome republiek van Rusland
Мордовия
/moˈrel/
adjective
мора́льный
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
морфема
/ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
  1. 1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
  2. 4. de wetenschap die de vorm van de oppervlakte van de aarde bestudeert
  3. 2. de wetenschap van de bouw van organismen
морфология
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
завтра
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
noun
1. eerste deel van de dag
утро
noun
черво́нец о́гненный
noun
1. benaming voor de planeet Venus
денни́ца
noun
1. pejoratieve benaming voor een hond, bastaardhond
дворняга
noun
1. bijnaam van een lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
мормо́н
adjective
1. behorend tot, passend bij de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
мормо́нский
pronoun
1.
Моршен
adjective
мертвёхонькая
noun
1. seinalfabet
  1. азбука Морзе
  2. код Морзе
  3. морзянка
/'mɔrsə(n)/
verb
1.
проли́ть
noun
  1. 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
  2. 2,3 korte kanontypen
  1. миномёт
  2. мортира
noun
мох
noun
1. een scheikundig element met het symbool Mc en het atoomnummer 115
московий
noun
1. een boom uit de napjesdragersfamilie
дуб австрийский
adjective
средне шалфейная
adjective
зеленый мох
noun
1. gebedshuis
  1. мечеть
  2. мече́ть
pronoun
1.
Москва
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
мусульманин
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
мидия
adjective
1. met mos bedekt
замше́лый
noun
1. gistend vruchtensap, meestal van druiven
муст
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
горчица
noun
иприт
noun
1.
горчичное зерно
noun
1. een vlinderachtig insect
  1. моль
  2. мотылёк
noun
1.
моте́т
noun
предложе́ние
noun
2.3.
  1. Мотив
  2. моти́в
noun
  1. Мотивация
  2. мотива́ция
/moːtiˈveːrə(n)/
verb
1. met redenen omkleden
мотивировать
/'mo.tɔr/
noun
1. krachtbron
  1. двигатель
  2. мотор
noun
1. een klein tot middelgroot bootje dat voortbewogen wordt door middel van een motor
моторная лодка
noun
мотоцикл
noun
1. het vermogen om het lichaam(sdeel) te bewegen
моторика
noun
spoorvoertuig
автодрези́на
noun
1. lichte neerslag in de vorm van heel kleine druppeltjes water
изморось
noun
нафтали́новый ша́рик
noun
го́рный велосипе́д
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky,...
со́лод
noun
1. fabriek waar van granen mout wordt gemaakt, door het in water te weken waardoor het onkiemt, en het daarna te drogen
солоди́льня
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
рукав
adjective
1. zonder mouw
безрука́вный
/ˌmo.zɑm.ˈbik/, /ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
Мозамбик
noun
мозаика
noun
1. Italiaanse kaas
моцаре́лла
/ˈmysli/, /ˈmyə̯zli/
noun
1. eten gemaakt van graanvlokken, zuivel, fruit en noten
мюсли
noun
1. de persoon die vanuit een minaret van de moskee oproept tot de dagelijkse gebeden
муэдзи́н
/mɵf/
adjective
1. onaangenaam en bedorven ruikend
чёрствый
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
  1. комар
  2. мошка
adjective
1. al te zeurderig en precies
приди́рчивый
noun
  1. 1. bek van een groot dier
    пасть
  2. 3. bepaald soort schoeisel
    тапок
  3. kruising tussen een paard en een ezel
    мул
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
мул
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
лошак
/mœʏ̯s/, /mœːs/
noun
  1. 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
  2. 3. computermuis
  1. мышь
  2. мышка
adjective
серая мышь
/ˈmœʏʃjə/
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord muis
мышка
/ˈmœʏsmɑt/, /ˈmœːsmɑt/
noun
1. een onderlegger voor een computermuis
ко́врик
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Coliiformes
Птицы-мыши
verb
1. in opstand komen tegen wettige autoriteit
бунтова́ть
noun
1.
бунтовщи́к
noun
бунт
noun
1.
мышело́вка
pronoun
1.
Мюлуз
adjective
1. met, of aan veel kanten, belangen, partijen etc.
многосторо́нний
noun
мультимедиа
noun
транснациональная компания
noun
рассе́янный склеро́з
noun
1. composietplaat die bestaat uit meer dan 3 gelijmde laagjes hout
фане́ра
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
мумия
verb
1.van een overledene een mummie maken
муммифицировать
noun
1. en 2. (boon van) eenjarige plant Vigna radiata
маш
/mʏˈnitsi/, /mʏˈnisi/
noun
schietbenodigdheden
боеприпасы
noun
  1. 1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
    1. мята
    2. мя́та
  2. 5. muntzijde van geldstuk
    решка
noun
1. benaming voor kleine hertachtigen uit het geslacht Muntiacinae
мунтжа́к
pronoun
Мурсия
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
воробей
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
музей
noun
мю́зикл
verb
1. het ten gehore brengen van muziek door middel van een muziekinstrument of de stem
  1. (совместно) заниматься музыкой
  2. играть (на музыкальных инструментах)
noun
1.
музыкове́д
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
музыкант
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
тыква мускатная
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
тыква мускатная
noun
1.
мушкетёр
/'mɵskɵs/
noun
1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
Мускус
noun
1. plomp hoefdier met grote kop en brede snuit
му́скусный бык
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
тыква мускатная
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
ондатра
noun
1. stof
мутаге́н
noun
1. proces waardoor de genetische informatie van een organisme verandert en er een nieuw stabiel organisme ontstaat
мутагенез
noun
1. een sprongsgewijze verandering
  1. Мутация
  2. мутация
noun
1. onvermogen om te spreken
немота
/mʏʦ/
noun
1. hoofddeksel van textiel zonder harde rand.
шапка
/myːr/
noun
1. verticale vlakke constructie van metselwerk
  1. стена
  2. стена́
noun
стенна́я ро́спись
noun
латук постенный
noun
му́за
/my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
музыка
/myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
музыкальный инструмент
noun
1.een school waar men muziek leert maken
музыка́льная шко́ла
noun
1. de leer van systematiek in muziek
тео́рия музыки
noun
1. iemand die muziek maakt
музыкант
/ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
микология
/miˈkozə/
noun
1. een door een schimmel veroorzaakte ziekte
микоз
noun
1. afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
близорукость
noun
1. een grote groep mensen, een ontelbare menigte
мириа́да
/miˈstɪːri/
noun
зага́дка
noun
ми́стик
/ˈmitə/
noun
леге́нда
adjective
мифи́ческий
/mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
мифология
noun
1. ernstige konijnenziekte die verspreid wordt door vectoren (dragers) zoals muggen, konijnenvlooien...
миксомато́з
preposition
1. in tijd volgend op
после
noun
1.
шов
/'natlos/
adjective
1. zonder naad aan elkaar bevestigd
бесшовный
/naf/
noun
1. centrale as of middenstuk van een wiel of rad
вту́лка
/ˈnaːi̯ə(n)/
verb
  1. 2. geslachtsgemeenschap hebben
    ебать
  2. 1. naaldwerk verrichten
    шить
noun
  1. швейная машинка
  2. шве́йная маши́на
noun
1. een vrouw die naaiwerk verricht
белошвейка
/naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
голый
noun
1. het naakt zijn
нагота
/nald/, /naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
  1. игла
  2. спи́ца
noun
хвойное дерево
noun
  1. 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
    1. имя
    2. и́мя
  2. 2. bekendheid, reputatie
    1. имя
    2. имена
noun
1. een dag waarop een heilige wordt herdacht
именины
noun
1. iets of iemand met dezelfde naam
однофами́лец
noun
простра́нство имён
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
падеж
/namwort/
noun
1. een woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt
имя
/naːr/
adverb
1. in de richting van
  1. в
  2. к
  3. на
preposition
1. aan de zijkant van
рядом
noun
ближний
noun
1. liefde jegens de medemens
милосе́рдие
adjective
1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
близкий‎
adverb
поблизости
preposition
поблизости от
noun
бли́зость
/'na.bo.tsə(n)/
verb
1. nadoen, imiteren
имитировать
adjective
1. in de buurt ervan gelegen
соседний
/nɑx/, /nɑxt/, /nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
ночь
adjective
темно – голубая
noun
1. een uitgaansgelegenheid voor volwassenen
дискоте́ка
noun
1. een dier dat overdag slaapt en 's nachts actief is
ночное животное
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
  1. соловей
  2. солове́й
adjective
ночно́й
noun
ту́мбочка
noun
  1. 1. een zeer angstige droom
  2. 2. een schrikbeeld
кошмар
noun
1.
паслён
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
моли
noun
козодо́й
/na'dɑt/
conjunction
по́сле того́, как
noun
1. ongunstige eigenschap
[[невыгодный|невы́годное]] [[положе́ние]]
noun
1. denkbeeldig punt aan de sterrenhemel loodrecht onder de waarnemer
надир
/'nadrɵk/
noun
1. een bijzondere aandacht die besteed wordt
акце́нт
/ˈnaː.ɣəˌbor.tə/
noun
3. de moederkoek, navelstreng en vliezen die het lichaam van de moeder verlaten nadat de baby is geboren
де́тское ме́сто
noun
  1. 3. spijker
    гвоздь
  2. 1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
    1. ноготь
    2. но́готь
noun
1. een balk met gaten waarin korvijnagels worden gestoken
Кофель-планка
noun
1. schoonheidsmiddel
лак
noun
пото́мство
/ˈna.wɑtl̥̩/, /ˈna.wɑtl̩/
pronoun
1. benaming voor de talen die door de oorspronkelijke bewoners van Mexico gesproken worden
науатль
/ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
  1. Нау́м
  2. Наху́м
noun
1. herfst
осень
adjective
1. van iets dat in de nabije toekomst gaat gebeuren
надвига́ющийся
verb
  1. 2. in een testament toebedelen
    завещать
  2. 1. iets niet doen, dat men had zullen of moeten doen
    пренебре́чь
noun
ги́бкость
/ˈnamələk/
abbreviation
именно
pronoun
1. provincie in het oosten van België
Намюр
preposition
1.
и́менем
/na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
  1. Намибия
  2. Нами́бия
noun
1. tijd aan het einde van de middag
втора́я полови́на дня
noun
нанду
noun
1.
нанометр
noun
наносеку́нда
noun
нанотехноло́гия
adjective
1. van na de oorlog
послевое́нный
pronoun
1. stad in Italië
Неаполь
adjective
1.
наполеоновский
adjective
1. een taal die in Napels, Campanië, Basilicata en noordelijk Calabrië gesproken wordt
неаполитанский
noun
нарцисс
noun
нарцисси́зм
adjective
желтая хромовая
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Monodon monoceros
нарвал
/naˈsal/
adjective
1. met betrekking tot de neus
наза́льный
/ˈna.slɑx.ˌwɛrk/, /ˈna.slɑx.ˌβ̞ɛrk/, /ˈna.slɑχ.ˌʋɛrk/
noun
1. een boek dat dient om iets in op te zoeken
спра́вочник
noun
после́дствие
noun
1. een veranderde smaak van iets dat men al heeft doorgeslikt heeft en in het begin anders smaakte
послевку́сие
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
мокрый
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
  1. Нация
  2. нация
noun
национальное государство
adjective
1. op een volk met een eigen land betrekking hebbend
национальный
noun
национа́л-социали́зм
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
национализм
noun
национали́ст
noun
гражда́нство
verb
1.
мочи́ть
noun
  1. натрий
  2. на́трий
noun
гидрокарбонат натрия
noun
1.2.3. stroming in de literatuur aan het eind van de 19e eeuw, die de mens beschouwt als bepaald door milieu en erfelijkheid en leer die de natuur boven alles stelt
натурали́зм
noun
1.
натурист
noun
überhaupt
природа
/naˈtyrkʏndə/, /naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
физика
adjective
1. uit de natuur afkomstig
естественный
noun
1. mens van vlees en bloed die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
физи́ческое лицо́
noun
1. een ongelukkige gebeurtenis die door de natuur veroorzaakt wordt
стихи́йное бе́дствие
noun
2. in de natuurlijke orde van de dingen gefundeerd
есте́ственное пра́во
/na.ˈu.ru/, /naˈuru/, /ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
  1. Науру
  2. Нау́ру
/nɑuruˈwans/
pronoun
1. taal die door 6 000 mensen wordt gesproken in Nauru
науруанский
noun
[[затруднительный|затрудни́тельное]] [[положе́ние]]
adverb
1. slechts in geringe mate
е́ле
pronoun
1. taal die het zuidwesten van de Verenigde Staten wordt gesproken door 170 duizend Navajo's
Навахо
pronoun
  1. Наварра
  2. Нава́рра
/'navəl/
noun
  1. пупок
  2. пуп
noun
1. opeenhoping van wollig materiaal in iemands navel
  1. пупочные катышки
  2. пупочный пух
/ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
пуповина
noun
навига́ция
noun
1. NAVO
НА́ТО
pronoun
1.
Неккарзульм
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Неккарвестхайм
noun
1. een biografie van een overleden persoon en/of een bespreking van diens werk
некроло́г
noun
1. de afsterving van weefsel
некроз
noun
1. suikerrijke vloeistof die door veel planten wordt geproduceerd
нектар
noun
2. een perzikachtige vrucht van boom Prunus persica var. nucipersica
нектарин
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Ни́жняя А́встрия
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal...
нижнесаксонский
noun
1. het verlies van een strijd
поражение
/ˈnedərˌlɑnt/, /ˈneːdərˌlɑnd/, /ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
  1. Нидерланды
  2. Голландия
/ˈne.dər.ˌlɑn.dər/
noun
1. inwoner van Nederland of persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit
Голландец
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
adjective
1. met betrekking tot Nederland of de Nederlandse taal
нидерландский
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
  1. нидерландский
  2. голлáндский
/ˈne.dər.ˌlɑn.tsə/, /ˈne.dər.ˌlɑnd.sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Nederland, vrouw uit Nederland
нидерландка
/ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
Нидерландские Антильские острова
noun
1. gebarentaal gebruikt door de dovengemeenschap van Nederland
нидерландский жестовый язык
pronoun
Нижняя Саксония
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal zonder Hoogduitse klankverschuiving
нижнесаксонский
pronoun
1. een West-Slavische taal die in het gebied Neder-Lausitz in het oosten van Duitsland gesproken wordt
нижнелужицкий
noun
1. een vestiging, een bewoonde plaats
коло́ния
/neː/
interjection
1. ontkenning
нет
noun
  1. 2. kozijn
    1. двоюродный брат
    2. кузен
  2. 1. mannelijke oomzegger
    племянник
/nen/
interjection
nee
нет
/ner/
adverb
1. in benedenwaartse richting
вниз
noun
1. hemelwater
атмосферные осадки
verb
1. het vliegvermogen verliezen en onzacht op de aarde terugvallen
вре́заться
verb
1. te snel naar beneden verplaatsen
па́дать
verb
1. iets op een lagere plek plaatsen
  1. поставить
  2. ставить
noun
нефрология
adjective
1. ontkennend, afwijzend
Негатив
/ˈne.ɣə(n)/, /ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
девять
/ˈne.ɣən.də/, /ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
девятый
cardinalNumeral
1. het getal 39
тридцать девять
cardinalNumeral
1. het getal 99
девяносто девять
cardinalNumeral
1. het getal 89
восемьдесят девять
cardinalNumeral
1. het getal 29
двадцать девять
cardinalNumeral
1. het getal 49
сорок девять
cardinalNumeral
1. het getal 59
пятьдесят девять
cardinalNumeral
1. het getal 69
шестьдесят девять
/ˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 79
семьдесят девять
noun
девятиуго́льник
/ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
девятьсот
cardinalNumeral
1. het getal 19
девятнадцать
ordinalAdjective
девятна́дцатый
/ˈne.ɣə(n).təx/, /ˈne.ɣə(n).tɪx/, /ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
  1. девяносто
  2. девяно́сто
noun
1. iemand met voorouders uit Afrika bezuiden de Sahara met lichamelijke kenmerken daarvan
негр
verb
1. doen alsof iemand of iets niet bestaat
игнори́ровать
noun
1. vrouw met een donkere huidskleur en vaak zwart kroeshaar wier voorouders afkomstig zijn uit Afrika bezuiden de Sahara
негритя́нка
pronoun
Кни́га Нееми́и
/nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
затылок
/ˈne.mə(n)/
verb
1. iets vastpakken met de handen
  1. брать
  2. взять
  3. схватить
  4. хватать
noun
1. kunststroming
неоклассици́зм
noun
неодим
/nejoˈɣen/
noun
geologisch tijdperk
неоге́н
/nejoˈlitikʏm/
noun
неоли́т
/ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
неологизм
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
  1. неон
  2. нео́н
noun
неонаци́зм
noun
1. bepaalde kleurrijke kleine vissoort uit Zuid-Amerika, Paracheirodon innesi
голубо́й нео́н
/ˈnepɑɫ/, /ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
  1. Непал
  2. Непа́л
pronoun
1. een taal die vooral in Nepal gesproken wordt
непальский язык
/nepo'tɨzmə/
noun
1.
непотизм
noun
1. Chemisch element
  1. нептуний
  2. непту́ний
pronoun
Нептун
noun
1. iemand die sociaal en seksueel weinig in trek is en een grote voorliefde voor intellectuele zaken aan de dag legt
бoтáн
noun
жи́лка
adverb
нигде
noun
  1. 1. benaming voor bepaalde pelsdieren uit de familie der marterachtigen
  2. 1. pels van een nerts
но́рка
adverb
1. lijdend aan gespannen zenuwen
нервный
/nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
гнездо
noun
соколёнок
noun
1. een geheel van fijne draden
сеть
pronoun
1.
Нетания
noun
3. sport die veel lijkt op korfbal en basketbal
нетбо́л
/ˈnɛcəs/
adjective
1. net, schoon
аккуратный
/ˈnɛcəs/
adverb
1. op een nette manier
аккуратный
noun
1. tweede maag van herkauwers
рети́кулум
adverb
чи́стый
/'nɛtolon/
noun
1.
чи́стый за́работок
noun
1. een vlies aan de binnenkant van het oog waarop een beeld wordt gevormd
сетчатка
noun
сеть
/ˈnøːk.bar/
adjective
еба́бельный
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
ебать
pronoun
1. een gemeente in het Zwitser kanton Schaffhausen
Нойнкирх
pronoun
Ню́рнберг
noun
1. zenuwontsteking
неври́т
noun
1. de chemische processen in zenuwstelsels
нейрохимия
noun
1.
нейрохиру́рг
noun
1.
нейрохирурги́я
noun
1. het ontstaan van nieuwe zenuwcellen in levende organismen, dat zowel voor als na de geboorte plaatsvindt
нейрогенез
noun
1. een discipline binnen de biologie en geneeskunde die zich bezighoudt met alles wat aandoeningen van het centrale zenuwstelsel betreft
неврология
adjective
1. met betrekking tot de zenuwen
неврологи́ческий
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
нейрон
noun
1. zenuwziekte
невропа́тия
noun
нейропсихология
adjective
1. met betrekking tot een ziekelijke houding
невроти́ческий
/ˈnøːrotransˌmɪtər/, /ˈnøːrotrɑnsˌmɪtər/, /ˈnʏːrotrɑnsˌmɪtər/
noun
1. een chemische stof die fungeert als overbrenger van de zenuwprikkel
нейромедиа́тор
noun
нейробиоло́гия
/nøʏs/, /nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
нос
noun
1. een van de beenderen van de schedel
носовая кость
noun
1. bepaald soort zoogdier, Nasua nasua
коати
noun
ноздря
noun
1. het eerste stuk van het luchtwegstelsel waar de ingeademde lucht doorheen gaat
носова́я по́лость
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
  1. носорог
  2. носоро́г
noun
1.
пти́ца-носоро́г
/ˈnøsklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
[[носово́й]] звук
noun
1.
нижняя носовая раковина
/nøˈtral/
adjective
    1. 2. natuurkunde: noch een positieve noch een negatieve lading dragend
    2. 4. scheikunde: noch zuur noch alkaline
    нейтра́льный
  1. 1. geen partij kiezend in een conflict
    нейтральный
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
нейтралитет
noun
нейтри́но
noun
нейтрон
noun
1.
нейтро́нная бо́мба
noun
нейтро́нная звезда́
noun
2. wolken in de nabijheid van de grond, ontstaan door plaatselijke oorzaken zoals door afkoeling of door menging van koude met warme vochtige lucht
туманность
noun
1. bepaald soort zoogdier, Neofelis nebulosa
ды́мчатый леопа́рд
/nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
Нью-Йо́рк
pronoun
1.
Ньюфаундленд
noun
Песнь о Нибелунгах
/ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
Никарагуа
noun
  1. 4. mannelijke homoseksueel
    голубой
  2. 3. dochter van iemands oom of tante
    двоюродная сестра
  3. 1. dochter van iemands broer of zus
    племянница
noun
никоти́н
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
  1. никто
  2. никто́
/nimən'dɑl/
indefinitePronoun
ничтожество
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
почка
noun
1. een samengroeisel in het nierbekken dat meestal uit urinezuur en urinezure zouten bestaat
ка́мень в по́чках
noun
1. glibberige stof, gewonnen uit het weefsel rond de beide organen die bij zoogdieren het bloed zuiveren
[[нутряной|нутряно́е]] [[са́ло]]
noun
1.
чиха́ние
noun
1. giftige plant die vroeg in het voorjaar bloeit
морозник
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
не
noun
1.
некурящий
noun
1. een apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
  1. степлер
  2. сшиватель
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
скоба́
noun
1. apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
  1. степлер
  2. сшиватель
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
  1. ничто
  2. ничего
noun
1. iemand die voor niets deugt
никчёмный
postposition
вопреки
adverb
тем не ме́нее
/niβ̞/, /nyʊ̯/
adjective
    1. woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
    2. 2. recentelijk ontdekt
    3. 5. in originele staat
    4. 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
    5. 3. huidige
    6. 6. vreemd, onbekend
    новый
  1. 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
    1. новый
    2. Нью-
  2. 1. recentelijk gemaakt
    1. новый
    2. но́вый
pronoun
Новая Каледония
pronoun
1.
Но́вая Гвине́я
/niβ̞.ˈze.lɑnt/, /nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
Новая Зеландия
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Но́вый Ю́жный Уэ́льс
pronoun
Но́вые Ге́бриды
noun
1. nieuwe maan
новолуние
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
Но́вый Заве́т
noun
1. iets dat nieuw is
новизна́
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
Новый год
/niu̯s/
noun
  1. 1. actuele ontwikkelingen
  2. 2. een uitzending in de media waarin berichten over actuele ontwikkelingen worden verspreid aan het publiek
ве́сти
noun
1.een regelmatige publicatie
[[информацио́нный]] [[бюллете́нь]]
/ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
  1. любопытный
  2. любопы́тный
/niu'sxirəxɛit/
noun
1. het verlangen naar kennis
любозна́тельность
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
  1. чихать
  2. чиха́ть
/'ni.ɣər/, /'ni.χər/
pronoun
  1. 1. land in West-Afrika
  2. 2. een rivier in West-Afrika
Нигер
/ni.'ɣeː.ri.ja/, /ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Нигерия
noun
1. binnen de filosofie een begrip dat wordt gebruikt om de ontkenning van het bestaan van betekenis...
нигили́зм
noun
1. zelfstandig denker die vindt dat voor werkelijke verbetering dingen die nu...
нигили́ст
pronoun
1.
Нил
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
  1. гиппопотам
  2. бегемот
pronoun
Неймеген
noun
Никаб
noun
1. Chemisch element
  1. никель
  2. ни́кель
noun
  1. 1. stralenkrans
  2. 3. wolk
дождево́е о́блако
noun
  1. 1. wezen dat rivieren, bossen enz. bewoont
  2. 2. bekoorlijk meisje
  3. 4. insect in de tweede toestand van gedaanteverwisseling
личи́нка
/niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
ниобий
noun
  1. 1. een tepel
  2. 2. een hol koppelstukje
ни́ппель
noun
1. de hoogste staat die door de mens bereikt kan worden, en waardoor heiligheid behaald wordt; toestand van volkomen rust
нирва́на
/nɪs/
noun
1. een inham in een muur
ни́ша
noun
  1. 1. een zout van salpeterzuur dat het ion NO₃− bevat
  2. 2, een ester van salpeterzuur
нитра́т
noun
1. een verbinding van stikstof waarin dit element in de oxidatietoestand -3 optreedt
нитри́д
pronoun
Ниу́э
noun
1. de rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, enzovoort
сте́пень
verb
1. gelijk maken, op gelijk niveau brengen
нивелировать
noun
1. scheikundig element
  1. нобелий
  2. нобе́лий
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
Нобелевские премии
conjunction
ни
/'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
необходимый
verb
  1. 1. met een naam aanduiden
    1. звать
    2. называть
  2. 2. vermelden door het uitspreken van de naam
    называть
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
знаменатель
pronoun
1. Turkse taal gesproken door 87 duizend mensen in het zuiden van Rusland
нога́ец
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Saarland
Нофельден
noun
3. uitstulpingen aan as
кулачо́к
noun
1. as met nokken
распредвал
noun
коче́вник
adjective
1.
коче́внический
noun
номенклату́ра
adjective
номина́льный
noun
выдвиже́ние
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
  1. Именительный падеж
  2. именительный падеж
noun
1. grafiek die behulpzaam is bij het maken van een berekening
номогра́мма
/nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
монахиня
adjective
1. achteloos, onbekommerd
беспе́чный
noun
2. soort eend, Mergellus albellus
луток
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Saarland
Нонвайлер
noun
  1. Ерунда
  2. Нонсенс
noun
экстренный случай
noun
1. datgene wat het toeval iemand doet overkomen
судьба
adjective
роково́й
noun
1. noodzakelijke verdediging van zichzelf of iemand anders, diens eerbaarheid of bezittingen
законная защита
/ˈnotzak/
noun
1. iets moeten hebben voor vaak praktische of medische redenen
необходимость
/ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
никогда
/noːr/, /no̝ːr/
noun
1. een inwoner van Noorwegen
норвежец
/ˈnoːrd/, /ˈnoːrt/, /ˈno̝ːrt/
adverb
север
/nɔːrt ˈafrɪkɑ/, /nɔːrt ˈɑfrɪkɑ/
pronoun
gedeelte van het Afrikaanse continent ten noorden van de Sahara
Северная Африка
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
  1. Северная Америка
  2. Се́верная Аме́рика
/noːrd.ˈbra.bɑnt/, /no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
Северный Брабант
pronoun
1.
Се́верная Дако́та
pronoun
het noordelijk deel van Europa
Се́верная Евро́па
/noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
Северная Голландия
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1.
Се́верная Ирла́ндия
pronoun
1. regio van Finland
Се́верная Каре́лия
/ˌnoːrt koˈre.ja/, /ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
Северная Корея
pronoun
1.
Северная Македония
pronoun
1. Australisch territorium gelegen in het noorden van het land
Се́верная террито́рия
noun
1. windrichting
север
pronoun
Се́верный о́стров
noun
1. sterrenbeeld, bestaande uit zeven sterren die in een halve cirkel staan
Се́верная Коро́на
adverb
северо-северо-восток
adverb
северо-северо-запад
adverb
северо-восток
pronoun
1. Noordpool
Се́верный по́люс
noun
1,2,3. noordpool
се́верный по́люс
adverb
северо-запад
/ˈnoːrdzeː/, /ˈnoːrtseː/, /ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
Северное море
/noːrs/, /no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
норвежский
/noːrs/, /no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
  1. норвежский
  2. норве́жский
/ˈnoːrˌweɣə(n)/, /ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
  1. Норвегия
  2. Норве́гия
/noːt/
noun
  1. 3. (muziek) een geluid van zekere tijdsduur
    но́та
  2. 2. (plantkunde) boomvrucht met verhoute vruchtwand
    оре́х
  3. 1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
    орех
noun
1. en 2. (gepeld) zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
мускатный орех
noun
норма
/nɔrˈmaɫ/
adjective
2. als norm dienend
нормальный
noun
1. oude eenheid van lichtsterkte
канде́ла
noun
1. in overeenstemming brengen met een norm
нормализа́ция
noun
норма́льность
/nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Нормандия
noun
1.
нормандец
noun
ностальги́я
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
нотариус
noun
нота́ция
noun
1. set van vijf lijnen
нотный стан
noun
1. een boomsoort uit het geslacht Juglans
ореховое дерево
adjective
орехово - коричневый
noun
кедро́вка
noun
1. een verslag van een bijeenkomst
протоко́л
/nʌu ˈɛn/
interjection
1. uitdrukking van onverschilligheid
ну и что
noun
1. de elfde maand van het jaar
  1. ноябрь
  2. ноя́брь
pronoun
Ноябрьская революция
adverb
1. op het huidige tijdstip
  1. сейчас
  2. теперь
verb
2. in een discussie aangeven dat de waarheid meer in het midden ligt
нюанси́ровать
noun
нуби́ец
/nɵxtər/
adjective
1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
тверёзый
/nykleʏs/
noun
1.
ядро
noun
1.
нуди́зм
/nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
  1. ноль
  2. нуль
noun
1. de meridiaan die gebruikt wordt in de landmeetkunde als referentie voor het bepalen van de lengte van een punt op de aarde of een ander hemellichaam
Гри́нвичский меридиа́н
/ˈnumeɾi/
pronoun
Кни́га Чи́сел
adjective
1.
цифрово́й
noun
1. de munt- en penningkunde
нумизматика
/ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
номер
noun
1.
ну́нций
pronoun
1. eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Нусантара
/nʏt/
noun
1. baat, voordeel
по́льза
adjective
полезный
/'nɵtəɣə(n)/
verb
1. voedsel gebruiken
употреблять
pronoun
1.
Нуук
adjective
нейло́н
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Нюмбрехт
noun
1. onvoltooid tegenwoordige tijd
настоящее время
/otete'te/
noun
1. onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd
  1. будущее
  2. будущее время
noun
1. onvoltooid verleden tijd
  1. претерит
  2. простое прошедшее время
/o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
оазис
/oˈbɑtja/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Кни́га А́вдия
noun
1. een bediende in een restaurant of café
кельнер
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Обердердинген
noun
1. vetzucht
ожире́ние
/ˈɔpjɛkt/
noun
  1. 1. voorwerp
  2. 2. grammaticaal voorwerp
  3. 3. filosofische entiteit en 4. informaticacomponent
объе́кт
noun
1. lens
  1. Объектив
  2. объектив
adjective
непристойный
verb
1. in buitensporige, ziekelijke mate boeien
заци́кливаться
noun
1. moeilijke stoelgang
обстипа́ция
noun
1. (muziekinstrument) een fluit die veelal gemaakt wordt van gebakken klei
окарина
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
окситанский
pronoun
  1. 1. streek in het zuiden van Frankrijk
  2. 2. regio in het zuiden van Frankrijk
Окситания
/ˌɔklyˈsif/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie ergens in het spraakkanaal
смычный
adjective
окку́льтный
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
океан
adjective
голубо – зеленая
adjective
1.
океа́нский
/oseˈjani.jə/, /oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
Океания
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
оцелот
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
утро
noun
1,2,3. toontrap, interval en toonhoogtereeks
октава
noun
1. C₈H18
окта́н
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Октант
noun
1. hoekmeetinstrument
окта́нт
/ɔkta'ʔedər/
noun
1. een regelmatig achtvlak, een ruimtelijke figuur begrensd door acht gelijkzijdige driehoeken
октаэдр
noun
1. 1051
сексдециллион
noun
1. 1048
квиндециллион
noun
1. lens waar men inkijkt
окуляр
noun
1. een slavin of concubine in de harem van de Turkse sultan
одали́ска
noun
Ода
pronoun
  1. Одесса
  2. Оде́сса
/ˌø.kyˈme.nis/
adjective
1. tussen kerken, van meerdere kerkgenootschappen
экуменический
noun
1. (medisch) waterzucht
отёк
verb
1. proberen zonder fouten uit te voeren
попрактикова́ться
noun
1. test om de kennis te peilen
пра́ктика
/u.'ɣɑn.da/, /u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Уганда
noun
1.
филин
/ukraˈɦins/, /ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
  1. украинский
  2. украинский язык
/ukraˈɦinsə/, /ukraˈʔinsə/
noun
1. een inwoonster van Oekraïne
украинка
/ukraˈɦinə/, /ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
Украина
/ukraˈɦinər/, /ukraˈʔinər/
noun
1. een inwoner van Oekraïne
украинец
/ˌenoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap van de wijnbereiding
эноло́гия
noun
een bos dat van oudsher bestaat
де́вственный лес
/ˈuːrknɑl/
noun
1. de volgens de bigbangtheorie enorme explosie waaruit het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden zou zijn ontstaan
Большо́й взрыв
/ˈuː.rɔs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius
тур
noun
джунгли
/uˈsʲɑŋka/
noun
1. muts
  1. ушанка
  2. шапка-ушанка
noun
1. ontsteking van de slokdarm
эзофагит
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
устрица
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel die meestal groeit op de stam van een loofboom, Pleurotus ostreatus
вёшенка
noun
1. een vrouwelijk hormoon
эстроген
noun
1. waterkant
берег
noun
берегова́я ла́сточка
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Turks en die door de Oezbeken gesproken wordt
узбекский
/us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
Узбекистан
conjunction
  1. 1. keuze
    1. или
    2. либо
  2. 2. onzekerheid
    ли
adjective
1. aanvallend
наступа́тельный
noun
1.
наступление
verb
1. wijden aan
же́ртвовать
/ɔ'fɛrtə/
noun
1. een aanbieding van goederen of diensten tegen een vaste prijs
расце́нивание
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
казённый
noun
1. iemand die een rang in het leger bekleedt die hem of haar het bevel over...
офице́р
adjective
неофициальный
/ɔfˈtɑɫmis/
adjective
1. met betrekking tot het oog en/of de ziekten ervan.
глазной
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
офтальмология
noun
1. een scheikundig element met het symbool Og en het atoomnummer 118
оганесон
noun
1. Een bepaald tijdstip
  1. момент
  2. мгновение
noun
2. plant die men gebruikt bij oogziekten
оча́нка
noun
1. ohm
ом
noun
1. groot zoogdier dat nauw verwant is aan de giraffe
окапи
noun
1. een mineraal dat als gele of oranje kleurstof gebruikt wordt
охра
adjective
охристо – коричневый
adjective
охристо - желтая
adjective
1. met betrekking tot Okinawa of de Okinawaanse taal
[[окина́вский]] [[язы́к]]
pronoun
  1. 1. een streektaal in Okinawa
  2. 2. streektaalen van Okinawa
  3. 3. dialect van het Japans
[[окина́вский]] [[язы́к]]
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten van Amerika.
Оклахома
noun
  1. бамия
  2. гомбо
  3. окра
noun
1. holte tussen de arm en de romp
подмышка
noun
1. de tiende maand van het jaar
  1. октябрь
  2. октя́брь
pronoun
Октябрьская революция
interjection
1. goed, in orde
ла́дно
adjective
1. betrekking hebbend op het reukzintuig
обоня́тельный
noun
1. vettige vloeistof
масло
noun
1. een baksel gemaakt van een vloeibaar gerezen beslag dat in hete olie gebakken is
пампушка
noun
1. fabriek waar ruwe aardolie wordt verwerkt tot aardolieproducten
[[нефтеперераба́тывающий]] [[заво́д]]
noun
1. een sedimentair fijnkorrelig gesteente dat organische en chemische stoffen bevat en waar synthetisch olie en gas uit gewonnen kan worden
горю́чий сла́нец
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
слон
noun
олигарх
noun
олигархия
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
олигомер
noun
олигопо́лия
/oˈlɛɪf/, /oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
  1. маслина
  2. оливка
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
масли́на
adjective
оливково - коричневый
adjective
желто - оливковый
adjective
оливково – серый
adjective
оливково – зеленый
/oˈlɛɪ̯fkløːrɪx/, /oˈlɛɪ̯fklʏːrəχ/, /oˈlɛːfkløːrəx/
adjective
1. de kleur van olijven hebbend
оливковый
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
  1. оливковое масло
  2. оли́вковое ма́сло
noun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
олимпиада
adjective
олимпийский
adjective
1. verband houdend met de Olympische Spelen
олимпийский
/o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
Олимпийские игры
pronoun
1. evenement dat eens in de vier jaar wordt gehouden waarbij allerlei wintersporten competitief beoefend worden
Зимние Олимпийские игры
pronoun
Оли́мп
noun
1. moeder van een ouder
бабушка
/o.ˈman/, /ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
  1. Оман
  2. Ома́н
verb
1. de armen om iemand heen slaan
включать
adjective
темно – серый
/ˈɔmbʏdsˌmɑn/, /ˈɔmbʏtsˌmɑn/
noun
1. een ambtenaar die de taak heeft om als onpartijdige instantie klachten van individuele burgers tegen de overheid, instellingen en bedrijven te onderzoeken
[[уполномо́ченный]] по [[право|права́м]] [[человек|челове́ка]]
/ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
потому что
/ɔmdrajə(n)/
verb
1. twee zijden van iets van plaats doen verwisselen
перевернуть
noun
оме́га
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
омлет
noun
1. de nabijheid
конфигура́ция
verb
1. aan alle kanten omsluiten
загради́ть
verb
1. de armen om iemand slaan
обнимать
adverb
1. omhoog
кверху
verb
1.
хвата́ть
/ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
подкупать
adverb
1. in neerwaartse richting
вниз
noun
оборо́т
noun
1. iets dat totaal anders is geworden
перелом
noun
1. alleseter, zowel plantaardig als dierlijk voedsel
всеядный
verb
1. door roeren homogeen maken
перемешивать
verb
1. omroeren
перемешивать
noun
hoe de zaken er voorliggen
обстоя́тельство
noun
1. de lengte van een gesloten kromme
окружность
verb
2. een einde maken aan een bewind
све́ргнуть
noun
1. het afzetten van een regering, overheid of regime
свержение
/ˈɔm.vɔl.kɪŋ/
noun
Великое замещение
/ˈɔmʋɛx/
noun
1. de weg die langer is dan de gewone of kortste verbinding tussen twee plaatsen
обход
noun
  1. 1. politieke revolutie
  2. 2. algemene grootscheepse verandering
  3. 3. volledige draaiing
враще́ние
preposition
ради
/ˈɔmzɛtɪŋ/
noun
превраще́ние
prefix
1. toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord drukt dit voorvoegsel het tegendeel uit.
не-
adjective
1. geen verbinding hebbend met
независимый
adjective
1. niet mogelijk om te kunnen veranderen of vermijden
неизбежный
noun
кулан
adverb
1. niet of zeer moeilijk te begrijpen, rationeel niet te volgen, onlogisch
невразуми́тельный
adjective
1. van delen van het lichaam dat er geen haar op zit, dat het niet met haar bedekt is
безволо́сый
adjective
1. niet behorend tot de kennis
неизвестный
adjective
1. slecht gemanierd
невежливый
noun
1. gedrag dat schaamte op zou moeten roepen maar het bij die persoon niet doet
наглость
adjective
неопису́емо
adjective
1. niet te vertrouwen
неблагонадёжный
adjective
недоказуемый
adjective
1.
[[неприго́дный]] для [[жильё|жилья́]]
adjective
безлю́дный
adjective
1. zonder kennis van te nemen
бессознательный
noun
1. een medisch specialist die zich bezighoudt met de gezwelgroei, in het bijzonder met kanker
онколог
adjective
1. zonder erkentelijk te zijn voor ontvangen hulp of producten
неблагодарный
preposition
  1. 1. ook al is het zo dat
    несмотря на
  2. ondanks dat
    хотя
/ˈɔn.dər/
preposition
1. niet gesorteerd
под
verb
перепи́ть
/ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
предплечье
verb
1. te weinig betalen
недопла́чивать
noun
1. het geheel van processen dat zich in iemands geest afspeelt en waar deze zich niet van bewust is
подсозна́ние
verb
1. actie ondernemen om een in gang zijnd proces tot staan te brengen
прерывать
/ɔn.dər.ˈbre.kɪŋ/, /ɔn.dər.ˈbreː.kɪŋ(g)/
noun
1. een tijdelijk staken van activiteit door een onverwachte gebeurtenis
переры́в
noun
1. kledingstuk dat onder de gewone broek wordt gedragen
трусы
noun
по́дданная
/ˌɔndərˈdanəx/
adjective
1. gehoorzaam aan een leider
поко́рный
noun
1.
погруже́ние
noun
een chemische verbinding met de formule H₃PO₂.
фосфорноватистая кислота
verb
1. onderhevig gemaakt worden
испы́тывать
noun
  1. 1.
    закат
  2. 4.
    погибель
  3. 2-3.
    упадок
noun
1.
подро́д
noun
2. (schertsend) in verwijzing naar zichzelf
ваш поко́рный слуга́
/ˈɔn.dər.ˌɣud/, /ˈɔn.dər.ˌɣut/, /ˈɔn.dər.ˌχut/
noun
1. kleding die direct op het lichaam gedragen wordt, doorgaans nog onder andere kleding
бельё
verb
de basis waarop iets rust eronder vandaan halen
подрыва́ть
adjective
под землёй
verb
1. overleggen om tot een afspraak te komen
[[вести́]] [[перегово́ры]]
/ɔndər'ɦɑndəlɪŋ/
noun
1. een proces van overleg waarbij partijen trachten tot een voor beiden aanvaardbare afspraak te komen
переговоры
noun
майка
noun
1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden.
содержание в порядке
verb
  1. 1. zorgen dat iets in goede staat blijft
  2. 3. zich onderhouden: een gesprek houden met iemand
беседовать
noun
1. de onderste kaak
нижняя челюсть
verb
1. bewust worden van iets
осозна́ть
noun
1. gouverneur van een land of een provincie die als vervanger van de monarch optreedt
вице-коро́ль
noun
ни́жняя губа́
noun
предпринимательница
verb
1. een bedrijf of actie in werking stellen
предпринима́ть
noun
1.
антрепренёр
noun
1.
предпринимательство
noun
1. een organisatie
[[риско́ванный]] [[прое́кт]]
noun
би́знес-пла́н
/ɔn.də.'rɔn.s<sup>j</sup>ə/
noun
междусобойчик
noun
1. de onderste delen van de rug; lumbale wervelkolom
поясни́ца
verb
1. iets kleiner of van kleiner belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
  1. недооценивать
  2. недооценить
verb
1. een verschil in aanmerking nemen
различа́ть
/ɔndər'sxɛpə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iets dat onderweg is zijn bestemming niet haalt
заде́рживать
noun
1. handtekening
  1. подпись
  2. роспись
noun
2.
подви́д
adjective
нижний
verb
подпи́сывать
noun
1. een geschreven vertaling die bij een film(pje) in beeld wordt gebracht
субтитр
/ɔndərˈvraxə(n)/
verb
1. iemand aan een intensieve reeks vragen onderwerpen
допра́шивать
/ˌɔndərˈwɛx/, /ˌɔndərˈʋɛχ/, /ˌɔndərˈβ̞ɛx/
adverb
1. bezig zijn zich van plek A naar plek B te verplaatsen
в [[дорога|доро́ге]]
noun
2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
  1. субъект
  2. подлежащее
verb
1. gezag opleggen
подчини́ть
noun
1. de voorziening van opleidingen
  1. Образование
  2. образова́ние
noun
1. iemand die lesgeeft
Учитель
noun
подводная лодка
/ɔndər'zuːk/
noun
1. het onderzoeken van iets
исследование
verb
исследовать
noun
1. iemand die een onderzoek uitvoert
иссле́дователь
/ˌɔn.dər.ˈzuk.stər/
noun
1. een vrouwelijk persoon die vraagstukken onderzoekt
исследовательница
adjective
1. niet diep
мелкий
adjective
1. niet mis de verstaan, met slechts één betekenis
недвусмы́сленный
adjective
1. zonder einde
бесконечный
noun
несогла́сие
noun
1. het nog niet veel ondervinding hebben
нео́пытность
adjective
1. Niet deelbaar door twee
нечётный
noun
1. de mate waarin iets of iemand geen fouten kan maken
безоши́бочность
preposition
1. los van
  1. несмотря на
  2. невзирая на
adjective
1. niet conform datgene wat gebruikelijk is
неупотребляемый
noun
1. ongewenste dieren, die de mens op een of andere manier last bezorgen
вреди́тель
noun
нетерпе́ние
/ɔnɣə'hoːrzam/, /ɔnɣə'ɦoːrzam/, /ɔnχə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. niet bereid gehoor te geven aan gestelde regels
непоко́рный
adjective
1. niet getrouwd
неженатый
adjective
2. niet onderricht in lezen en schrijven
неграмотный
adjective
  1. 1. onmogelijk om geloof aan te schenken
  2. 2. bijzonder, uitzonderlijk
изуми́тельный
noun
1.het niet geloven
неве́рие
noun
несчастливое число
adverb
некомфорта́бельный
adjective
1. niet gepast, niet geschikt
неуместный
adjective
1.
непи́саный
noun
2. lichte ziekte
недомога́ние
/ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
несчастный случай
abbreviation
bij benadering
примерно
adjective
неви́димый
adjective
неблагоприятный
adjective
1. niet goed met de handen om kunnen gaan
неуклюжий
adjective
1. zonder mogelijkheid om ongedaan gemaakt te worden
необратимый
adjective
1. niet met de oren waarneembaar
неслы́шный
adjective
1. helemaal niet boeiend; niet belangwekkend; niet de moeite waard om over na te denken
неинтере́сный
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
сорняк
noun
1. gif of andere methode om planten die op de verkeerde plaats staan uit te roeien
гербицид
/ɔnlaŋs/
adverb
1. recentelijk, niet lang geleden
недавно
adjective
неразбо́рчивый
adjective
1. in verbintenis met het internet
онлайн
adjective
1. niet volgens de laatste mode
немо́дный
adjective
1. niet te verwezenlijken
невозможный
noun
1. iets dat niet kan gebeuren
невозмо́жность
adjective
3. dwaas, naïef
глуповатый
/ˌonomatoˈpe/
noun
1. door klanknabootsing gevormd woord
звукоподража́ние
adjective
1.
необходи́мый
noun
1. een werkwoord dat niet vergezeld kan worden door een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in een zin
неперехо́дный глаго́л
adjective
1.van iets of iemand dat er nog nooit een betere is geweest
непревзойдённый
adjective
непобеди́мый
adjective
1. chaotisch, onduidelijk
ненаглядный
adjective
niet partijdig , niet bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
беспристра́стный
adjective
1. een negatief gevoel oproepend
неуютный
adjective
  1. onzuiver, onkuis
  2. vuil
амора́льный
noun
1. het verstoord zijn van de maatschappelijke of sociale orde, rust
беспорядок
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud als (direct of indirect) object of na een voorzetsel
  1. нам
  2. нас
  3. нами
possessivePronoun
1. van de 1e persoon meervoud
наш
/ɔnˈsxʏɫdəx/
adjective
1. niet schuldig
невинный
adjective
бессмертный
noun
1. de eigenschap niet te zullen sterven
бессме́ртие
verb
1. overgaan in iets verkeerds
дегенерировать
noun
1. het missen van zaken die noodzakelijk zijn om voort te kunnen leven
нужда
noun
1. eerste maaltijd van de dag
завтрак
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
завтракать
verb
  1. 2. het uiteen (laten) vallen van een chemische stof in een aantal andere
    разбира́ть
  2. 1. een organisatie opheffen
    распуска́ть
noun
1
разложение
noun
[[вы́рубка]] [[лес|ле́са]]
/ɔntˈsɛɪ̯fərə(n)/, /ɔntˈsɛːfərə(n)/
verb
1. qua betekenis duiden
расшифро́вывать
/ɔnˈdɛ.kə(n)/
verb
  1. 1. ergens achter komen
    обнару́живать
  2. 2. een onbekend gebied verkennen en onderzoeken
    обнаружить
noun
1. het vinden van iets nieuws
открытие
noun
экспроприа́ция
verb
1.
[[лиши́ть]] [[насле́дства]]
/ɔntəˈvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel niet genoeg te hebben en onvoldaan te zijn
недово́льство
verb
1.
  1. достаться
  2. получить на орехи
verb
1. iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
обезглавливать
verb
1. in het geheugen bewaren
запоминать
/ɔnt'ɦɑʊdɪŋ/
noun
1. het bewust niet een gewoonte of behoefte volgen
воздержа́ние
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
отрица́ть
verb
разряди́ть
verb
1. anatomiseren, analyseren
анализи́ровать
verb
1.
вычёсывать вшей
verb
1. een geheel dusdanig in delen uiteennemen dat het niet meer als geheel fuctioneert
демонти́ровать
verb
1. de moed ontnemen
[[отбива́ть]] [[охота|охо́ту]]
verb
1. met iemand kennismaken en een gesprek voeren
встречать
verb
1. terugbrengen uit een waan of roes
отрезве́ть
adjective
невменяемый
verb
1. arbeidsovereenkomst beëindigen
уво́лить
/ɔnt'slɑx/
noun
1. het verbreken van het dienstverband met een werknemer
отста́вка
verb
1. aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
[[соверша́ть]] [[побе́г]]
/ɔnt.ˈstan/
verb
1. de verandering ondergaan van niet bestaan naar wel bestaan
возникать
/ɔnt.'ste.kə(n)/
verb
  1. 1. in vlammen (doen) opgaan
  2. 3. geïnfecteerd raken
воспаляться
noun
1. (medisch) ontsteking
воспаление
/ɔn'tronə(n)/
verb
1. iemand van de macht beroven
свергнуть
/ɔntʌxt/
noun
1. seks die tegen de heersende moraal ingaat
блуд
/ɔndˈvaŋ(g)ə(n)/, /ɔntfɑŋə(n)/
verb
1. het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
  1. получать
  2. получить
adjective
воспламеня́ющийся
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
похищать
noun
1. het, tegen iemands zin, wederrechtelijk verplaatsen van een persoon
похищение
verb
обезвре́дить
verb
1. draineren
осуша́ть
/ɔntˈʋɛrpə(n)/
verb
1. bedenken en uitwerken op papier
проектировать
/ɔntʋɪkələ(n)/
verb
  1. 2. zich ~ tot geleidelijk iets worden
    прояви́ть
    1. 1. iets ~ een aanwezige aanleg tot bloei brengen
    2. 3. een film ~ het latente beeld van een belicht fotografisch materiaal chemisch zichtbaar maken
    3. 4. ontwerpen en uitvoeren op basis van onderzoek
    развивать
noun
1. geleidelijke verandering in een zekere richting
развитие
verb
вы́вихнуть
noun
1.
десалиниза́ция
adjective
безотве́тственный
adjective
1. niet geneigd om zich door smeekbeden tot andere handelwijze te laten bewegen
неумолимый
/ɔnvərˈbœxbaːr/, /ɔnvərˈbœyxbaːr/
adjective
1. onmogelijk te verbuigen
несклоня́емый
adjective
1.niet te verdragen
невыносимый
adjective
1.
  1. настойчивый
  2. неотступный
adjective
1. niet te vergelijken
бесподо́бный
adjective
1.
незабве́нный
/ɔnvɛrˈsxɪləɣˌɦɛit/
noun
1. houding waarbij men zich niets aantrekt van omstandigheden en de opvattingen van anderen
безразличие
adjective
1. duidt de onmogelijkheid aan de plaats van iets door iets anders in te laten nemen
незамени́мый
adjective
1. niet van tevoren zien aankomen
нежда́нный
adverb
неожи́данно
/ˌɔn.vərˈʋust.bar/, /ˌɔn.vərˈβ̞ust.bar/
adjective
1. niet stuk te krijgen, buitengewoon robuust
неразруши́мый
noun
настоящее время
noun
имперфект
noun
1. het zo jong zijn dat men nog niet meerderjarig is
незре́лость
adjective
1. waarvan de uitkomst niet bij voorbaat te kennen is
непредсказу́емый
noun
1. het niet kunnen weten wat de toekomst brengen zal
непредсказу́емость
adjective
1. bij verrassing optredend
неожиданность
adjective
беспло́дный
adjective
1. een geringe kans bezittend om waar te worden of te blijken
невероя́тный
/ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
гроза
adjective
неотрази́мый
adjective
1. zich niet gezond voelend
нездоро́вый
adjective
1. niet voldoend aan de eisen van de wetenschap
ненау́чный
/ˈɔnwɪl/
noun
1. het de keuze maken om niet mee te werken
нежела́ние
noun
een variëteit van kwarts
о́никс
noun
1. benaming voor torren uit de familie Coccinellidae
божья коровка
pronoun
1. christelijk gebed
О́тче Наш
adjective
невидимый
noun
1.
неви́димость
/ɔn'zɛidəx/
adjective
средний
noun
бессмыслица
/ox/, /oːx/, /oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
глаз
/ˌox.ɔm.ˌox, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/, /ˌoɣ.ɔm.ˌox, ˌtɑnd.ɔm.ˈtɑnd/, /ˌoχ.ɔm.ˌoχ, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/
interjection
1. benadrukt volledige vergelding
око за око, зуб за зуб
noun
глазной врач
noun
1. ooggetuige
очеви́дец
noun
  1. глазница
  2. орбита
/ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
веко
verb
1. het van het land halen van het rijpe gewas
жа́тва
verb
  1. 1. het volgroeide gewas van het veld halen
    жать
  2. 2. als reactie krijgen
    пожинать
noun
1. vrouwelijk schaap
овца́
/'oɪ̯.bɔs/
noun
тугай
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
  1. аист
  2. а́ист
/oːɪt/
adverb
1. op een zeker tijdstip in het verleden
  1. когда-нибудь
  2. когда-то
/oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
  1. также
  2. тоже
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
дядя
/oːr/
noun
1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
ухо
noun
1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
  1. серёжка
  2. серьга
/ort/
noun
1. een bepaalde plaats
местность
noun
осужде́ние
noun
скряга
noun
1. klein voorwerp om de gehoorgang te blokkeren zodat je niet door lawaai gehinderd wordt
беру́ши
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
дипломатика
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
война
noun
1. een daad in tijd van oorlog die het oorlogsrecht of -gebruik schendt
военное преступление
/ 'orlɔxsmɪsdadəxər/
noun
1. iemand die een oorlogsmisdaad pleegt of heeft gepleegd en daarvoor individueel aansprakelijk gesteld...
[[вое́нный]] [[престу́пник]]
noun
вое́нный мемориа́л
noun
военный корабль
/'orlɔxsfərklarɪŋ/
noun
1. een officiële mededeling van een land dat het oorlog gaat voeren
объявле́ние войны́
noun
вдова войны
/ˈorɔntˌstekɪŋ/
noun
1. een ontsteking van het oor
отит
/orsxɛlp/, /o̝rsχɛɫp/
noun
1. het uit het hoofd stekende deel van een oor
вне́шнее у́хо
noun
stroperige vloeistof in de gehoorgangen
сера
noun
происхождение
adjective
1. zoals het in begin was
исхо́дный
noun
1.1 gewone oorworm (Forficula auricularia)
уховёртка
noun
навязчивая мело́дия
noun
причина
adverb
восток
pronoun
Восто́чная А́зия
pronoun
1.
восточный Берлин
pronoun
Восто́чная Герма́ния
pronoun
Восто́чная Евро́па
/os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
Восточный Тимор
adjective
восто́чный
/ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
восток
/ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
  1. Австрия
  2. А́встрия
/ˈo.stə.ˌrɛɪ̯.kər/, /ˈo.stə.ˌrɛː.kər/, /ˈos.tə(n).ˌrɛɪ̯.kər/
noun
1. een inwoner van Oostenrijk of persoon die de Oostenrijkse nationaliteit bezit
  1. австриец
  2. австрийка
noun
1. oostelijke zeeoever
восточное побережье
adverb
востоко-северо-восток
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
Балтийское море
adverb
востоко-юго-восток
preposition
1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op
на
noun
1. de vader van een ouder
  1. дед
  2. дедушка
/o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
опал
adjective
зеленый опал
/ˈɔˌbɛlə(n)/
verb
1. iemand telefonisch proberen te bereiken
звони́ть
/'ɔp.bla.zə(n)/
verb
2. een gas in een uitzetbare ruimte pompen
наду́ть
/'ɔbrɛŋs/, /'ɔbrɛŋst/
noun
1. dat wat opgebracht wordt, de baat die men heeft van zijn activiteiten
вы́работка
conjunction
чтоб
noun
1. een te verrichten werk
задание
verb
  1. 1. iemand iets te doen geven
    [[вмени́ть]] в [[обя́занность]]
  2. 2. als eerbewijs iets wijden aan iemand
    надпи́сывать
/ˈoː.pə(n)/
adverb
1. niet gesloten
  1. открытый
  2. откры́тый
adjective
1. vrij toegankelijk
публичный
noun
1. laatste boek van de Bijbel
Апокали́псис
verb
  1. 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
  2. 3. openstellen, toegankelijk maken
  3. 4. (informatica) een bestand inladen
открывать
/ˈoː.pə(n).ɣaːn/
verb
1. zich openen
отвори́ться
noun
  1. 1. een plaats die toegang biedt tot iets dat is afgesloten
  2. 2. het openstellen van iets wat nog niet toegankelijk of in functie was
дебю́т
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
опера
noun
  1. 1. aantal gecoördineerde acties
  2. 2. een chirurgische ingreep
  3. 3. een bewerking op een object
де́йствие
noun
1. ruimte waar heelkundige bewerkingen uitgevoerd worden
  1. операционная
  2. операционная комната
  3. операционный зал
noun
1.
операцио́нный стол
noun
1.
оперетта
noun
1. het seksueel of emotioneel (te) gespannen zijn
аза́рт
noun
1.
раскопка
verb
1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
вы́расти
verb
1. een voorwerp of persoon bij iets/iemand vandaan halen
встречать
/'ɔpɦɑŋə(n)/
verb
  1. 1. iets in een hangende positie bevestigen
  2. 3. aan de galg opknopen
ве́шать
verb
1. kwaad en opgewonden maken
настраивать
/'ɔphoxə(n)/
verb
1.iets hoger maken dat het was
возвести́
verb
2. een activiteit beëindigen
переста́ть
noun
1. opiumbevattend geneesmiddel
опиа́т
noun
1. een mening of oordeel
мнение
noun
1. een steekproefsgewijs onderzoek naar de mening van de bevolking
опро́с обще́ственного мне́ния
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
опиум
/'ɔpkɛɪkə(n)/, /'ɔpkɛːkə(n)/
verb
1. de blik omhoog richten
[[смотре́ть]] вверх
verb
1. zorgen dat iemands stemming verbeterd
воодушеви́ть
/'ɔpklarə(n)/
verb
1. het ontstaan van open plekken in wat een gesloten wolkendek was
рассе́иваться
noun
1. totaal aantal afdrukken van een drukwerk dat in één keer wordt vervaardigd
издание
verb
1. iets een liggende plaats geven op iets anders
налага́ть
noun
профессиональное образование
verb
1. bij voortduring aandachtig zijn
[[обрати́ть]] [[внима́ние]]
verb
3. helder worden, meer licht gaan geven
вспыхивать
adjective
2. scheikunde: het vermogen bezittend in oplossing te gaan
растворимый
verb
    1. 1. een homogeen mengsel gaan vormen
    2. 2. een homogeen mengsel doen vormen
    раствори́ть
  1. 3. een probleem ophelderen
    реша́ть
noun
  1. 4. het antwoord
    раство́р
  2. 1. een mengsel
    раствор
  3. 2. een manier om van een probleem af te komen
    решение
noun
1.het gevoel bevrijd te zijn van iets dat dreigde
облегче́ние
noun
зата́кт
noun
1. een uiting van een gedachte
замечание
/'ɔpnam(ə)/
noun
2. geluid
за́пись
noun
1. een ruimte die speciaal geschikt is gemaakt om muziek op te nemen
студия звукозаписи
verb
  1. 7. (beeld, geluid) registreren, vastleggen
    запи́сывать
  2. 1. in handen nemen
    снять трубку
/ˈɔpniu/
adverb
1. nog een keer, een vorige gebeurtenis herhalend
  1. опять
  2. снова
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Верхняя Австрия
pronoun
Ве́рхняя Во́льта
noun
1. bot in de bovenarm
плечева́я кость
adjective
верхний
/ˈɔpərvlɑk/
noun
1. vlak dat iets naar boven begrenst
поверхность
/ɔpər'vlɑkəx/
adjective
  1. 1. niet diepgaand of niet grondig
  2. 2. zich aan de oppervlakte bevindend
поверхностный
noun
1. vlak dat iets naar boven begrenst
поверхность
noun
1. geschiktheid van tijd of gelegenheid
оказия
/ˌɔpoˈzitsi/
noun
2. mensen en partijen die niet tot de regeringspartijen horen
оппозиция
adjective
1. de waarheid sprekend
искренний
/ˈɔprɔlə(n)/
verb
  1. 1. zich ~, tot een rol vormen
  2. 2. ergens een rol van maken
свернуть
verb
3. iets in orde brengen, netjes maken
почи́стить
noun
1. een lange, grote en diepe lepel
половник
verb
2. aangedikte beweringen doen
хва́статься
/ˈɔpslan/
verb
5. informatica: vastleggen of bewaren van gegevens
сохранять
noun
перечень
verb
  1. 1. gaan staan
  2. 2. het bed verlaten
встать
/ˈɔpstɑnt/
noun
1. een massale, vaak gewelddadige, poging het heersende gezag af te schudden
бунт
noun
1. verrijzenis
воскресение
verb
1. nauwkeurig omschrijven en schriftelijk vastleggen zodat men het later nog kan raadplegen
запи́сывать
verb
1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
подсчитать
noun
1. het samenvoegen van een of meer termen tot een totaal, de som
сложение
noun
оптика
noun
1. iemand die kundig is in de optica
о́птик
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
поднимать
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen gunstig gaan uitvallen
оптими́зм
noun
1. iemand die alles van de positieve kant beschouwt
оптимист
adjective
1. van het positieve uitgaand
  1. оптимистический
  2. оптимистичный
adjective
необяза́тельный
/ˈɔp.tre.də(n)/
verb
1. voor een publiek bepaalde handelingen verrichten, bijvoorbeeld in kunstzinnige zin
выступать
verb
воспи́тывать
noun
  1. 1. het proces waarin iemand wordt gevormd naar de normen van diens opvoeders, en daarmee meestal de samenleving waarin hij leeft
    воспитание
  2. 2. iemands algemene vorming en ontwikkeling
    образова́ние
verb
2. iemands functie overnemen
сле́довать
noun
2. het proces van temperatuursverhoging
нагревание
verb
  1. 3. in staat van agitatie brengen
    возбуди́ть
  2. 2. draaiend onder spanning zetten
    заводи́ть
noun
2. het onderdeel zijn van een zo gewenst plan
намерение
adverb
1. bewust op deze manier
наме́ренный
verb
5. taxidermie bedrijven
наби́ть
noun
1. mensaap met lange armen en roodbruinachtig haar
орангутан
adjective
1. de kleur oranje hebbend
  1. оранжевый
  2. ора́нжевый
pronoun
Оранжевое Свободное Государство
noun
1. de witte bloemen van de sinaasappelboom
апельси́новый цвето́к
adjective
коричнево - оранжевый
pronoun
1. en 2.
Ораньемунд
adjective
глазни́чный
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
орхидея
noun
  1. 3. (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families
  2. 1. gewenste regelmaat
  3. 2. een hiërarchische organisatie
порядок
adjective
аккура́тный
/ɔrdoˈvisijʏm/
noun
ордови́к
noun
2. keukenkruid
орегано
noun
  1. 1. Onderdeel van het organisme
  2. 2. Communicatiemiddel
орган
noun
органе́лла
/ˌɔrɣɑniˈzasi/, /ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
  1. 3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
  2. 1. het organiseren
  3. 2. de manier waarop iets georganiseerd is
организация
pronoun
Организация экономического сотрудничества и развития
pronoun
Организация по безопасности и сотрудничеству в Европе
noun
1. iemand die organiseert of die organisatietalent heeft
  1. организатор
  2. устроитель
/ɔr.ˈɣa.nɪs/, /ɔr.ˈχa.nɪs/
adjective
  1. 1. met betrekking tot een orgaan of de organen
  2. 2. koolstof bevattend
  3. 3. niet werkend met of vervaardigd kunstmatige stoffen
органи́ческий
/ˌɔrɣɑniˈzeːrə(n)/, /ˌɔrχɑniˈzɪːrə(n)/
verb
  1. 1. een bepaalde structuur aanbrengen
  2. 2. iets, vaak een evenement, tot stand brengen
организо́вывать
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
организм
/ɔr.ˈɣaː.no.ɣe.ˌneːzə/
noun
1. het zich ontwikkelen van organen uit enkele typen weefsel
οрганогенез
adjective
1. werking op een orgaan uitoefenend
органолептический
/ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
орган
noun
1.
органная труба
/ˈɔrxi/
noun
о́ргия
adjective
  1. 1. enige of zeer zeldzaam in zijn soort
  2. 2. gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker
исхо́дный текст
noun
1. voorwerp, gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker, waarvan een of kopieën zijn gemaakt
исхо́дный текст
pronoun
1. de officiële taal van de Indiase staat Orissa
о́рия
verb
ориенти́роваться
adjective
восточно - красный
/ɔrk/
noun
1. fictieve wezentjes die in groepsverband leven en gewoonlijk de vijand van de mensen zijn
орк
/ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
косатка
noun
1. een bijzonder hevige storm
  1. tайфун
  2. tропический циклон
  3. ураганами
/ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
оркестр
noun
орнитология
noun
1. de tandheelkunde die gericht is op de vorming van een regelmatig gebit
ортодо́нти́я
noun
1. een tandarts-specialist die de vorm, groei en ontwikkeling van het gebit en de kaken bestudeert
ортодонт
/ɔrtoˈdɔks/
adjective
  1. 1. star vasthoudend aan een bepaald geloof
  2. 2. star vasthoudend aan bepaalde opvattingen of gewoontes die algemeen zijn aanvaard
православный
/ɔrtodɔk'si/
noun
ортодокса́льность
adjective
1. drie onderling loodrechte spiegelvlakken of tweetallige assen bezittend
орторомбический
noun
1. gecastreerde stier
вол
noun
осцилло́граф
pronoun
  1. 1. de hoofdstad en grootste stad van Noorwegen en is gelegen in het zuidoosten van het land
  2. 2. een provincie in Noorwegen
Осло
noun
1. Chemisch element
  1. осмий
  2. о́смий
noun
1.
воловья шкура
pronoun
1. een taal uit de centrale Kaukasus
осетинский язык
pronoun
Осе́тия
/ˌɔstejoˈsit/, /ˌɔstejoˈsyt/, /ˌɔsteoˈsit/
noun
1. een cel die bot om zich heeft aangemaakt en daar nu door omgeven wordt
остеоци́т
noun
1. een structuur in het binnenoor van gewervelden en een rolspelen in het waarnemen van geluid,...
отоли́т
pronoun
1. de hoofdstad van Canada
Оттава
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
выдра
/aʊ̯d/, /ɔʊ̯t/, /ʌʊ̯t/
adjective
  1. 1. oud mens, dier
    1. старый
    2. пожило́й
  2. 2. oud ding, concept
    1. старый
    2. ста́рый
adjective
1.
чёрствый
noun
1. reeks boeken in de christelijke Bijbel die zijn ontleend aan de joodse Tenach
Ветхий Завет
pronoun
1. het Engels zoals dat tussen ca. 400 en 1100 werd gesproken en dat wordt gezien als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels en nog later het moderne Engels
англосакский язык
/ˈaʊ̯.dər/, /ˈɔʊ̯.dər/, /ˈʌʊ̯.dər/
noun
1. de moeder of vader van een kind
родитель
adjective
роди́тельский
noun
1.
старе́йшина
/ˈaʊ̯.dərs/, /ˈɔʊ̯.dərs/, /ˈʌʊ̯.dərs/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ouder
родители
noun
1. alles wat met het ouder zijn te maken heeft
матери́нство
adjective
1. niet langer gebruikt of in de mode
старомо́дный
noun
1. periode van eind september tot half november waarin het nog zomerachtig weer kan zijn
бабье лето
pronoun
1. het Frans zoals dat in het noorden van Frankrijk gesproken werd van de 10e tot de 14e eeuw
старофранцу́зский
pronoun
1. een nu dode taal die werd gesproken in Griekenland
[[древнегре́ческий]] [[язы́к]]
/ɑʊ̭tɦɛɪ̭t/
noun
  1. 1. het tijdperk van de geschiedenis vóór de middeleeuwen
  2. 2. een overblijfsel uit
дре́вность
pronoun
1. de voorloper van het huidige Duits in de periode 700-1050
древневерхненемецкий
pronoun
1. de Slavische taal die rond de negende eeuw rond Thessaloniki gesproken werd
старославя́нский язы́к
pronoun
1. een West-Germaanse taal die gesproken werd tussen ongeveer 800 en 1150 in delen van Nederland, België, Frankrijk en Duitsland en die de voorloper was van het Middelnederlands en vervolgens het huidige Nederlands.
древненидерландский
/'ʌʊtom/
noun
1.
двою́родный дед
adjective
антично - розовый
/ɑutˈsɑksis/
pronoun
1. de voorloper van het huidige Nedersaksisch in de periode 650-1100
древнесаксонский язык
pronoun
1. taal die vanaf de 10e tot in de 15e eeuw werd gesproken door de bewoners van Castilië
староиспанский язык
/'ʌʊtɑntə/
noun
1.
двоюродная бабушка
noun
1. een meestal instrumentaal muziekstuk dat als opening fungeert van een opera of operette
увертюра
noun
1. bekende Griekse alcoholische drank
у́зо
/o'val/
adjective
1. in vorm gelijkend op een ei
ова́л
/o'val/
noun
1. een figuur in de vorm van een ei
ова́л
noun
яичник
noun
[[бурный|бу́рные]] [[аплодисме́нты]]
/ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
  1. печь
  2. духо́вка
preposition
1. wat betreft
о
adverb
1.
  1. везде́
  2. всю́ду
noun
1. toestand waarbij een ruimte, gebied of land zo dichtbevolkt is dat het problemen geeft
перенаселе́ние
verb
1. een hoger bod uitbrengen dan een ander
переби́ть
adjective
излишний
verb
2. meer dan eenmaal verhuren
забронировать избыточное
noun
1. excessief verbruik van goederen en/of diensten
[[чрезме́рное]] [[потребле́ние]]
noun
передозиро́вка
verb
1. de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn
преувеличивать
noun
1.
преувеличе́ние
adverb
1.
поперек
noun
2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
договор
verb
2. in overeenstemming brengen
соотве́тствовать
/ˌovərˈʔetə(n)/
verb
1. uit gulzigheid te veel eten
объе́сться
verb
    1. 4. van eigenaar veranderen
    2. 6. minder worden en uiteindelijk weggaan
    перее́хать
  1. 3. veranderen in
    преврати́ться
noun
2. het van een toestand in een andere geraken
перехо́д
noun
1. reeks handelingen die gedaan wordt bij een belangrijke gebeurtenis in het leven
обряд перехода
/'ovərɣavə/
noun
1. het opgeven van de strijd en zich aan de wijand onderwerpen
капитуля́ция
verb
  1. 2. capituleren
    1. капитулировать
    2. сдаваться
    3. сдаться
  2. 1. braken
    1. рвать
    2. блевать
noun
1. moeder van de grootvader of van de grootmoeder
прабабушка
/ˈovərɣrotˌʌʊdər/
noun
1. een ouder van een grootouder
пра́дед
/ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
  1. прадед
  2. прадедушка
verb
1. iemand zo ver proberen te krijgen ergens in mee te gaan
  1. убедить
  2. уговорить
verb
1. in de handen van een ander geven
вруча́ть
adverb
сквозь
noun
1. het overheersen
господство
/ˈovərɦɛit/
noun
1. het geheel aan gezagvoerende lichamen
администрация
/ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Оверэйсел
noun
1. een jas die hoofdzakelijk als bescherming van de kleding eronder wordt gedragen
пальто́
noun
мёртвый
/ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
пережить
noun
1. iemand die een levensbedreigende situatie overleefd heeft
[[остаться|оста́вшийся]] [[в живы́х]]
/ˈovərlevərɪŋ/
noun
1.
зна́ние
verb
2. in de strijd van zijde wisselen
переходи́ть на сто́рону проти́вника
adjective
1. buitensporig
избы́точный
adverb
  1. послезавтра
  2. послезавтрашний
verb
1. ergens de nacht doorbrengen
ночевать
verb
1., 2.
аннексировать
adjective
1.
перезре́лый
verb
1. iets domineren, naar de achtergrond drukken
заслоня́ть
verb
1. iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
переоце́нивать
/ˈo.vər.sxɔt/
noun
  1. het stoffelijk overschot
    1. бренные останки
    2. прах
  2. 1. wat er overblijft, de rest
    1. избыток
    2. излишек
verb
1. de overzijde van een grens betreden
  1. превосходить
  2. превышать
verb
1. het ene geschrevene vervangen
перезапи́сывать
noun
де́нежный перево́д
verb
1. een beurt doen missen
прогу́ливать
noun
3. trapje, laddertje om over een heining te komen
перела́з
verb
1. doorkruisen om de overzijde te bereiken
перейти́
/ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
наводнение
noun
1. een relatief licht strafbaar feit
правонаруше́ние
verb
1.een voorheen behaald niveau te boven gaan
превзойти
/ˌo.vər.ˌtrɛ.fən.də.ˈtrɑp/
noun
превосхо́дная сте́пень
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
убеждать
noun
1. sterke mening of geloof
убеждение
noun
избы́ток
/'ovərʋɛx/, /ovər'ʋɛx/
noun
1. een kruising van een weg met een spoorbaan
железнодорожный переезд
/ovər'ʋeɣən/, /ˈovərʋeɣən/
verb
de voor- en nadelen bezien alvorens een beslissing te nemen
обду́мать
verb
1. de winter doorbrengen
зимова́ть
adjective
заграни́чный
verb
  1. 1. van de ene kant naar de andere brengen
  2. 3. zie vertalen
переправить
noun
1. toestand dat je het geheel kunt duidelijk overzien
вид
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
овуляция
pronoun
Оксфорд
noun
  1. окисление
  2. оксидация
noun
  1. окись
  2. оксид
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
озон
/ozɔnlax/
noun
1. laag in de atmosfeer die veel ozon bevat
озо́новый слой
/pa:/
noun
1. vader
па́па
/pajə(n)/
verb
  1. 2. trachten in het gevlij te komen bij iemand
    1. завлекать
    2. задабривать
    3. обхаживать
    4. окучивать
  2. 1. het leggen en bevruchten van eieren door vissen
    нереститься
noun
  1. 3. een doelpaal
  2. 1. een langwerpig stuk materiaal dat in de grond staat
столб
noun
1. in zee levend weekdier dat zich in hout boort, Teredo navalis
корабельный червь
noun
2. bepaald soort Europese kleine zangvogel, Saxicola rubetra
луговой чекан
/paːr/
noun
1. twee van een soort die bij elkaar horen
пара
/paːrt/
noun
  1. 2. turntoestel
    конь
    1. 1. tam hoefdier met manen
    2. 3. schaakstuk
    1. конь
    2. лошадь
noun
  1. 1. samengesteldbloemige plant Taraxacum officinale
    oдува́нчик лека́рственный
  2. 1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
    одуванчик
noun
Боб садовый
/'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
  1. лошадиная сила
  2. лошади́ная си́ла
noun
  1. 2. haardracht
    ко́нский хвост
    1. 1. sporenplant
    2. 3. staart van een paard
    хвощ
/ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
конюшня
noun
2. bepaald soort vastgehecht oesterachtig schelpdier met een onregelmatige vorm, Anomia ephippium
раковина
/ˈpaːrt.rɛidə(n)/
noun
het rijden op een paard, ter ontspanning of als sportbeoefening
[[верховой|верхова́я]] [[езда́]]
adjective
1. met een kleur tussen rood en blauw
фиолетовый
adjective
голубая вересковая
noun
  1. 2. ter gelegenheid van Pasen gekleurd en versierd kippenei
  2. 1. ei van chocolade of suiker dat op of omstreeks Pasen gegeten wordt
  1. пасхальное яйцо
  2. писанка
pronoun
о́стров Па́схи
noun
пасхальный заяц
noun
ЭКС
noun
аренда́тор
/pɑsiˈfɪsmə/
noun
1. een wereldbeschouwing die duurzame vrede nastreeft en tegen oorlog en geweld is
пацифи́зм
/pɛːt/
noun
  1. 1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
    1. жаба
    2. жа́ба
  2. 1. een smalle weg of voetweg
    тропа
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
гриб
/paˈeʎa/
noun
1. gerecht
паэлья
noun
1. persoonlijke dienaar van iemand
паж
noun
страница
/pɑk/
noun
  1. 2. lading
    груз
  2. 3. een stel bovenkleren
    костюм
  3. 1. pakket
    пакет
  4. 4. een groep wolven
    стая
/ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
  1. пакистан
  2. Пакистан
/'pɑkpapir/
noun
1. papier men gebruikt voor het (feestelijk) inpakken van voorwerpen
обёрточная бума́га
noun
1. Aziatische groene koolsoort met witte stelen Brassica rapa subsp. chinensis
  1. бок-чой
  2. кита́йская черешко́вая капу́ста
  3. пак-чо́й
/palaˈdɛin/
noun
  1. 2. een ridder of hofdienaar
  2. 1. een slaafse aanhanger
паладин
/pa.ˈlaʊ̯/, /pa.ˈlɔʊ̯/, /pa.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Палау
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
дворец
/palejoˈɣen/
noun
1.
Палеоген
/ˈpalejoˌlitikʏm/
noun
1. eerste periode van de steentijd
палеоли́т
adjective
палеолитический
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
палеонтоло́гия
/ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
Палеозой
pronoun
Пале́рмо
adjective
1.
палести́нский
pronoun
Палестина
noun
палитра
noun
1. een spatelvormig stuk gereedschap dat de kunstschilder gebruikt om op het palet een gebruikshoeveelheid verf van de juiste kleur te mengen
мастихи́н
noun
палимпсест
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
палиндром
noun
1. chemisch element
палладий
noun
1. (sub-)tropisch gewas
пальма
noun
пальма
noun
пальмитиновая кислота
noun
пальмовое масло
pronoun
1. de zondag voor Pasen
Вход Господень в Иерусалим
adjective
1. met betrekking tot het ooglid
[[относя́щийся]] к [[веко|ве́ку]]
/pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
  1. сковорода
  2. сковородка
adjective
1.
панъевропейский
noun
1. geneesmiddel dat alle kwalen zou verhelpen
панацея
/ˈpa.na.ma/, /ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
Панама
pronoun
Панамский канал
noun
1. iemand afkomstig uit Panama
жи́тель Пана́мы
noun
2. een gebouw
владе́ние
noun
1. (zoogdieren) een beerachtig dier uit het Himalayagebied
панда
/ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
пандемия
/pɑn.deʲ'ɪsmə/
noun
1. een theologische positie
пандеи́зм
verb
1.met geklopt ei bestrijken en daarna bestrooien met paneermeel
панирова́ть
noun
1. blaasinstrument dat is samengesteld uit een reeks van eentonige fluiten
многоствольная флейта
noun
па́ника
noun
1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
блин
noun
пансексуа́льность
noun
брюки
noun
1. benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
пантера
noun
1.
пантеон
/pɑn.teʲ'ɪsmə/
noun
пантеизм
noun
тапочки
/pɑnˈtɔfəldirtʲə/
noun
1. eencellig diertje
инфузория-туфелька
noun
1. toneelspel alleen maar met gebaren en lichaamsuitdrukkingen dus zonder woorden
пантомима
noun
1. een beschermende laag om dieren of voorwerpen
броня
noun
бронетранспортер
noun
1. een voertuig op wielen dat uitgerust is met een verstevigde buitenzijde om gewelddadige aanvallen te kunnen weerstaan
бронеавтомоби́ль
/ˈpɛnti/
noun
1. kledingstuk
колго́тки
noun
1. gerecht dat meestal bestaat uit melk die is gebonden met een zetmeelproduct zoals meel
пюре́
noun
1.
папаби́ль
/paˈpa.ja/
noun
1. en 2. (vrucht van) de boom Carica papaya
папайя
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
попугай
noun
1.1 bepaald soort opvallende zeevogel die zelfs onder water kan vliegen, Fratercula arctica
топо́рик
noun
скрепка
pronoun
1. taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
папьяменто
pronoun
1. een taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
папьяменто
/pɑ'pir/
noun
1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
бумага
noun
1. bouwmateriaal dat gemaakt wordt door papier te vermengen met natte lijm
папье́-маше́
/ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
  1. Папуа Новая Гвинея
  2. Па́пуа-Но́вая Гвине́я
/ˈpaprika/, /ˈpɑprika/
noun
2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
  1. перец овощной
  2. перец сладкий
adjective
пепельно - белая
noun
иносказа́ние
/ˌparaˈboɫ/
noun
1. kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt.
парабола
noun
парашют
verb
1. het uitvoeren van een sprong uit een vliegtuig of ballon...
пры́гнуть с парашютом
adjective
1. tot een paradigma behorend
парадигмати́ческий
noun
рай
/ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoɣəl/, /ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoχəɫ/, /ˌpɑrɑˈdɛːsvoɣəl/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Paradisaeidae
райская птица
noun
парадо́кс
/ˌparadɔkˈsal/
adjective
1. tegenstrijdig lijkend
парадокса́льный
noun
парафи́н
/ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /ˈparaˌɡwe/
pronoun
  1. Парагвай
  2. Парагва́й
noun
паралла́кс
noun
параллелепипед
/paralɛloˈɣrɑm/, /pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
параллелограмм
noun
1. achtervolgingswaanzin
парано́йя
/ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
зонтик
noun
парапсихоло́гия
noun
  1. 1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
    парази́т
  2. 2.
    паразит
noun
1. leer en studie van de parasieten en het parasitisme
паразитология
noun
[[зо́нтик]] (от [[со́лнца]])
noun
1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
  1. жемчуг
  2. же́мчуг
noun
1. rond gepolijste gepelde gerst
перловая крупа
noun
1.
глазчатая ящерица
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Numididae
цесарка
/parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
перламутр
adjective
жемчужно – серый
adjective
белая кремовая
noun
основная ткань
/ˌparɛntəˈral/
adjective
1. niet via het maag-darmkanaal het lichaam binnenkomend
парентера́льный
noun
вво́дное сло́во
noun
духи́
verb
души́ть
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
  1. Париж
  2. Пари́ж
noun
een inwoner van Parijs
парижанин
noun
чётность
noun
бит чётности
/pɑrᵊk/
noun
1. een groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
парк
noun
1. lang warm jack met een met bont gevoerde capuchon oorspronkelijk kledingstuk van de Inuits
анора́к
noun
1. een installatie met klok die na de muntinworp de toegestane parkeertijd aangeeft
стояночные часы
noun
1. plek waar auto's of andere voertuigen geparkeerd kunnen worden
автостоянка
noun
парковочный диск
verb
1. (een voertuig) tijdelijk ergens laten staan
паркова́ть
noun
  1. 1. Openbaar Ministerie
  2. 2. afzonderlijke ruimte in gerechtszalen
  3. 3. parketvloer
паркет
noun
vogel
длиннохво́стый попуга́й
noun
1. risicosport waarbij een traject met obstakels zo snel en vloeiend mogelijk moet worden afgelegd
паркур
noun
парламент
adjective
парла́ментский
noun
1.
прихожа́нин
noun
1. gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
прихо́д
/pa.ˈrɔ.xiˌkɛrk/, /pa.ˈrɔ.χiˌkɛrk/
noun
1. een lokaal kerkgebouw dat het religieuze centrum van een parochie vormt
приходска́я це́рковь
verb
пароди́ровать
noun
1. woord dat een of meerdere morfemen met een ander woord deelt en daardoor soms met dat andere woord verward kan worden
паро́ним
noun
1. ontsteking van het nagelbed
паронихия
noun
1. bof, ontsteking van de parotis (speekselklier in mond)
пароти́т
noun
парсе́к
adjective
bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
небеспристра́стный
noun
1. klein deeltje
части́ца
noun
  1. 2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
    компаньо́н
    1. 1. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
    2. 3. iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
    партнёр
/pɑr.və.'ny/
noun
вы́скочка
noun
  1. 5. schot naar een medespeler
    пас
  2. 3. identiteitsbewijs
    паспорт
  3. 4. doorgang tussen bergtoppen
    перевал
noun
1. eenheid voor druk (symbool: Pa)
паска́ль
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
Пасха
adjective
1. kort geleden geboren
новорождённый
pronoun
1. taal die vooral in Afghanistan en Pakistan door 50 tot 60 miljoen Pathanen wordt gesproken
пашто́
noun
  1. паспорт
  2. па́спорт
noun
1. de vaste oostelijke wind die waait tussen de 30 graden noorderbreedte en 30 graden zuiderbreedte en het reizen met zeilschepen over de oceaan aanzienlijk eenvoudiger maakt
пасса́т
noun
5. ontlasting, doorgang
вы́держка
noun
1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
пассажи́р
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Пассау
verb
1. precies de goede maat zijn, erin kunnen
быть впо́ру
noun
циркуль
noun
1
му́ка
adjective
1. niet zelfstandig werkzaam
безде́ятельный
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
маракуйя
adjective
пастельно – голубая
adjective
средне - оранжевая
adjective
бирюзово – пастельный
adjective
фиолетовая пастельная
noun
1. een document of ander kunstwerk zoals een toneel- of muziekstuk dat is gemaakt via nabootsing en/of het combineren van bepaalde kenmerken van een of meerdere originelen
стилизация
noun
1.
пастилка
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
пастернак
noun
пастор
noun
1. remise doordat een speler geen zet meer kan doen
пат
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
Патагония
verb
1.
брать пате́нт
adjective
1. & 2. vaderlijk
отцо́вский
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
патология
adjective
1. ziekte betreffend
патологический
adjective
степная зелень
/pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
  1. пациент
  2. пацие́нт
noun
1.
патриа́рх
noun
1. aanzienlijk persoon, burger, rijke koopman, regent, ...
патри́ций
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
  1. куропатка
  2. куропа́тка
noun
1. klein rond raam in een scheepswand dat waterdicht kan worden afgesloten
иллюминатор
noun
1. goede vaderlander
патриот
noun
отчество
noun
дозо́р
verb
патрулировать
noun
1. wagen waarmee de politie rondrijdt om inspecties uit te voeren
патру́льная маши́на
pronoun
1. stad in Thailand
Паттайя
noun
1. stevig, maar smeerbaar mengsel van fijngemalen vlees
паште́т
noun
1. een grote verstembare keteltrommel zoals gebruikt in een orkest
литавры
/'pɑupər/
noun
1. iemand die heel arm is
бе́дный
/pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
  1. папа римский
  2. папа
adjective
1. betrekking hebbend op de paus, het hoofd van de rooms-katholieke kerk
па́пский
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Павлин
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
  1. павлин
  2. па́ва
noun
1. bepaald soort tropische struik met prachtige bloemen, Caesalpinia pulcherrima
павлиний цветок
/ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
пауза
verb
2. even stoppen
[[де́лать]] [[пауза|па́узу]]
noun
павильо́н
adjective
валю́тный
noun
  1. 1. met de voet te bedienen hefboom
  2. 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
  3. 2. voetklavier van een orgel
педаль
noun
педиатрия
adjective
1. behorende tot het verlangen van een volwassene naar seksueel contact met kinderen
педофи́л
noun
1. een volwassene die verlangt naar seksueel contact met kinderen
педофи́л
noun
1.
педофилия
noun
1. vrucht
  1. груша
  2. груща
adjective
1. de vorm hebbend van een peer, dus rond met één enkele uitloper
грушеви́дный
/pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
  1. сухожилие
  2. жи́ла
noun
1.
крестник
pronoun
2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Пегас
/ˈpɛɪ̯nzə(n)/, /ˈpɛːnzə(n)/
verb
1. heel diep nadenken
грузиться
pronoun
1. meer op de grens van Estland en Rusland
Чудское озеро
noun
дёготь
verb
1. overgankelijk blootstellen aan een sterke oplossing van zout
засаливать
/pɛlgrɪm/
noun
богомо́лец
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
  1. пеликан
  2. пелика́н
/peloˈtɔn/
noun
een groep soldaten
пелотон
adjective
серая белка
noun
1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
ручка
noun
пеницилли́н
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
половой член
noun
1. kleinste Britse munt, Engelse stuiver
пе́нни
noun
2. een gerecht bereid van (1)
рубе́ц
noun
ки́сточка
noun
Пенсионный фонд
noun
1. een gelegenheid waar men kan overnachten
бординга́уз
/pɛnʃo'nerɪŋ/
noun
1.
[[ухо́д]] на [[пенсия|пе́нсию]]
noun
1. C₅H12
пентан
noun
1. C15H32
пентадекан
pronoun
1.
Пентаго́н
noun
пентагра́мма
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
перец
/'pepərkɔrəl/
noun
1.
перец
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Mentha × piperita
mята перечная
noun
1. vluchtige olie, uit de bladeren en bloesemtoppen van de pepermuntstruik Mentha × piperita bereid
масло мяты перечной
/pɛpˈsinə/
noun
1. een verteringsenzym dat in de maag eiwitten in kleine stukken breekt
пепси́н
preposition
  1. 3. over een periode van, over een afstand van.
    в
  2. 1. door middel van
    за
adverb
1. noodzakelijkerwijs
абсолютный
/pɛrsɛnˈtaʒə/
noun
1. een percentsgewijze berekend bedrag of hoeveelheid
[[процентный|проце́нтное]] [[отноше́ние]]
/perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
  1. груша
  2. грушевое дерево
noun
1. hervormingen zoals deze door Gorbatsjov werden voorgesteld in de Sovjet-Unie
перестро́йка
/pɛrˈfɛkt/
adjective
1. zonder enig gebrek
совершенный
noun
соверше́нство
verb
1. meer perfect of volmaakt maken
соверше́нствовать
/ˌpɛrfoˈratɔr/
noun
1. een apparaat om gaten te maken in papier, karton, kunststof folie of metaalplaat.
дыроко́л
noun
1.
бесе́дка
adjective
1. aan de buitenzijde
окружно́й
noun
периферия
noun
перигелий
noun
проме́жность
/pɪri'jodɘ/
noun
  1. 1. tijdperk
  2. 4. repeterende getallenreeks
период
noun
периоди́ческая систе́ма
noun
1. een dun schrijfmateriaal, gemaakt van huid van kalveren, koeien, geiten, schapen, konijnen of ezels
перга́мент
adjective
1. voortdurend
зави́вка
noun
1. populistische en nationalistische politieke stroming in Argentinië
перонизм
noun
пе́рекись
adjective
перпендикулярный
/pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
перрон
noun
  1. 1. instrument waarmee druk uitgeoefend kan worden
    [[печа́тный]] [[стано́к]]
  2. 2. journalistieke media
    пресс
noun
1. samengeperste lucht onder een bepaalde druk
сжа́тый во́здух
noun
ли́чность
noun
  1. 1. menselijk individu
  2. 2. grammaticaal begrip
  1. лицо
  2. человек
adjective
1. betrekking hebbend of uitgevoerd door de persoon zelf
ли́чный
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
личное местоимение
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
личность
noun
ли́чностное расстро́йство
/pɛrspɛkˈtif/
noun
вид
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat West-Australië
Перт
/peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Перу
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
  1. персик
  2. пе́рсик
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
  1. фарси
  2. фарси́
pronoun
1.
Персидский залив
pronoun
Пешавар
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen ongunstig gaan uitvallen
пессими́зм
noun
(medisch) Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis
чума
verb
1. jennen, treiteren
досажда́ть
noun
пестициды
noun
1. bepaald soort vogel, Bombycilla garrulus
свиристель
noun
1. tamelijk plat hoofddeksel met een klep
кепка
/petəkɪnt/
noun
кре́стник
noun
2. kruid
петрушка
noun
1. laag plat ronde bakje van glas of kunststof met een ruim eroverheen passend deksel
ча́шка Пе́три
adjective
betrekking hebbend op de industrie die aardolie als grondstof verwerkt
нефтехими́ческий
noun
1. een symbool, figuur of andere afbeelding die in de rotsen is gekrast, gekerfd of gehakt
петроглиф
noun
1. gesteentekunde
петрология
pronoun
1. discipel van Jezus
Пётр
noun
1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
бычо́к
noun
боб
noun
1. een jong kind in de leeftijd van een tot vier jaar
карапу́з
pronoun
1.
Пфорцхайм
noun
1.
фи́шинг
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. grotere van de twee manen van Mars
Фо́бос
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Фи́никс
noun
1. musicus die een piano bespeelt
пианист
noun
1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
  1. пианино
  2. пиани́но
/pɪˈkɑrdɪʲə/
pronoun
regio in Noord-Frankrijk
Пика́рдия
noun
1. piccolofluit
пи́кколо
noun
1. een maaltijd in de vrije natuur
пикни́к
noun
1.
пикометр
noun
1. geslachtsdeel van de man, penis gebruikt voor onvolgroeide jongens
пиписька
verb
  1. 3. stiekem, snel of oppervlakkig naar iets kijken
    загля́дывать
  2. 1.1 het geluid van een muisje
    пища́ть
  3. 1.4 het fijn schril geluid van een krakende scharnier
    пищать
noun
  1. 3. aardappel
    карто́фелина
  2. 1. benaming voor vogels uit het geslacht Anthus
    конёк
adjective
1. bijzonder klein
кро́хотный
noun
пенопла́ст
/piːr/
noun
2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
мол
noun
ringetje, staafje enz.
пи́рсинг
noun
1. ondiep zwembad geschikt voor heel kleine kinderen die nog niet kunnen zwemmen
лягуша́тник
pronoun
1. jongensnaam
Пётр
pronoun
1. hoofdstad van KwaZoeloe-Natal
Питермарицбург
noun
1. een organische of minerale stof met een vaste kleur
пигме́нт
noun
1. projectiel
  1. стрела
  2. стрелка
noun
мара́нта
/pɛɪ̯n/, /pɛːn/
noun
1. lichamelijk leed
боль
/ˈpɛɪ̯nɑpəɫˌkliːr/, /ˈpɛːnɑpəlˌkliːr/
noun
1. klier in de hersenen, die melatonine uitscheidt
  1. шишковидная железа
  2. эпифиз
adjective
зеленая сосна
/ˈpɛːinlək/, /ˈpɛːnlək/
adjective
1. pijn gevend
болезненный
adjective
1.wat de pijn doet ophouden
болеутоля́ющий
/'pɛːinstɪlər/
noun
1. middel
анальге́тик
noun
1.
орга́н
/ˈpɪkhʌʊʋɪ:ɫ/
noun
1. hakwerktuig met steel, voorzien van een punt aan de ene zijde en een beitelachtige voorziening aan de andere zijde
кайло
verb
4. (met de snavel) prikken
клева́ть
adjective
1. heel zwart
беспросве́тный
noun
  1. 1
  2. 2
пилюля
noun
1. een langgerekt verticaal bouwelement, gewoonlijk uit één stuk en met een willekeurig gevormde doorsnede
  1. столб
  2. колонна
noun
1. een bestuurder van een vliegtuig, luchtschip of race-auto
пилот
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
  1. лазоревка
  2. обыкновенная лазоревка
/pɪn.ˈsɛt/
noun
1. een gevorkt werktuig bestaande uit twee armen waarvan de punt bijeengeknepen kan worden
пинце́т
noun
2. een vrucht van deze plant
земляной орех
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
  1. ара́хисовое ма́сло
  2. оре́ховое ма́сло
/ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
пингвин
noun
2. een éénjarig kalf dat nog alle melktanden heeft
тёлка
pronoun
1. Christelijk feest
троица
/ˈpɪnə(n)/
verb
  1. 2. het elektronisch betalen met een pinpas
    оплатить карточкой
  2. 1. het opnemen van geld bij een daartoe bedoeld apparaat
    снять деньги с карточки
/piˈɔn/
noun
1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
пешка
noun
первооткрыва́тель
noun
1.
пират
noun
1.
  1. Пирамида
  2. пирамида
noun
  1. 1. het beroven of plunderen van een schip op open zee
  2. 2. opzettelijke schending van het auteursrecht door het ongeoorloofd namaken van goederen of ...
контрафа́кция
noun
1. een ornament op een markant punt van een bouwwerk
фиал
verb
1. plassen
  1. ссать
  2. поссать
noun
писта́ция
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
пистолет
pronoun
1. groep van vijf eilanden halverwege Paaseiland en Tahiti
Пи́ткэрн
adjective
2. stevig en scherp van smaak
пряный
noun
1. een beeldpunt
пи́ксель
/ˈpidza/, /ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
пицца
noun
1. deeg voor de bodem van een pizza
тесто для пиццы
noun
1. restaurant
пиццерия
pronoun
Пьемо́нт
pronoun
1. taal gesproken door 3 106 620 mensen in Italië, Argentinië, Australië en de Verenigde Staten
пьемо́нтский
noun
1. vlak, plat en vrij dun stuk materiaal
пласти́на
/plaːts/
noun
  1. 1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
    место
  2. 2. een plein
    площадь
  3. 3. een dorp of stad (woonplaats)
    поселение
noun
1. precieze plek waar een misdaad is gebeurd
ме́сто преступле́ния
verb
1. op een bepaalde plaats zetten
класть
noun
1. het aantal argumenten van een relatie of functie
арность
/ˈplatsnemə(n)/
verb
1. gaan zitten op een daartoe bestemde plek
садиться
/platsˈvɪndə(n)/
verb
1. gebeuren, geschieden, plaatshebben
иметь место
noun
1. geneesmiddel zonder werkzame stof
плаце́бо
/plɑˈfɔnt/
noun
1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
потолок
verb
1. iemand (goedmoedig) pesten
дразни́ть
noun
плагиат
/ˈplɑg.bɑnt/
noun
1. een lintvormige drager die aan één of beide zijden bedekt is met kleefstoffen
скотч
noun
2.
афи́ша
noun
1. een stift voor het aanelkaar lijmen van bijvoorbeeld papier of (dun) karton
кле́ящий каранда́ш
noun
1. een voorgenomen handelswijze
план
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
планета
adjective
плане́тный
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
планетарий
noun
1. stelsel van planeten om de zon of een ster
плане́тная систе́ма
noun
1.
планетарный ученый
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
малая планета
/plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
доска
noun
боя́знь сце́ны
noun
  1. 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
  2. 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
растение
/plɑntˈaːr.dəx/
adjective
1. tot de planten behorend, uit planten bestaand of daarvan afkomstig
растительный
verb
1. (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
сажать
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
бота́ника
noun
  1. 1. een verzameling van vocht
  2. 2. een door veenafgraving ontstaan meer
лу́жа
noun
1.
пла́зма
/plɑs.ˈmi.də/
noun
1. een ringvormig DNA-molecuul dat voornamelijk voorkomt voor bij bacteriën
плазми́да
/'plɑstik/, /'plɛstɪk/
noun
plastisch vervormbare polymere kunststof
пластик
adjective
3. kneedbaar
пласти́чный
noun
1. een chirurgisch specialisme waarin men zich richt op het uit esthetisch en/of functioneel oogpunt aanpassen van het uiterlijk
пласти́ческая опера́ция
noun
1. benaming voor loofbomen uit het geslacht Platanus
платан
noun
1. bepaalde omgeving waarin een computer werkt
платфо́рма
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
платина
adjective
серо – платинная
noun
1. het landelijke gebied buiten de steden
[[се́льский]] [[пейза́ж]]
/ˈplɑtvɪs/
noun
1. een orde van vissoorten die op hun zijde op de bodem leven, en geheel plat zijn
камбалообразные
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Плауэн
adjective
met ceremonieel
торжественный
noun
1. het plaatje waarmee snaren worden aangeslagen
плектр
noun
1. toilet
  1. гальюн
  2. нужник
  3. сортир
  4. толчок
noun
1. een kind dat als een eigen kind wordt grootgebracht
приёмыш
noun
1. een volwassene die in zijn/haar eigen gezin het kind van iemand anders opvoedt, zonder dit kind echter te adopteren
приёмный роди́тель
noun
площадь
/ˈplɛinˌvreːs/
noun
агорафобия
noun
  1. 1. (gipshoudend) kalkmengsel
    пластырь
  2. 2. zelfklevend verband
    штукатурка
noun
плейстоце́н
adjective
1. in aanwezigheid van allen
плена́рный
noun
1. vergadering waaraan alle leden deelnemen
общее собрание
/plejoˈnɑsmə/
noun
1.
плеоназм
noun
1.
зуёк
noun
переплете́ние
noun
1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen
долг
noun
  1. 2. groep personen
    команда
  2. 1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
    плуг
verb
2. land met de ploeg bewerken
пахать
noun
1.
па́харь
/ˈplɔfklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie ergens in het spraakkanaal
смычный
noun
1. geluid van iets dat in een vloeistof valt
всплеск
verb
1. een geluid voortbrengen zoals dat van iets dat luidruchtig in een vloeistof ondergedompeld wordt
плескаться
verb
1. iets in losse vouwen opstapelen
скла́дывать
noun
1.
хлопо́к
/ploˈsif/
noun
1. medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie...
  1. Взрывные согласные
  2. смычный
adjective
1. snel en onverwacht
внезапный
adverb
1. snel en onverwacht
внезапно
noun
1. vlok droge, lichte stof met een open structuur
пух
/'plʌʏ.zəx/
adjective
1. vol met pluizen
ворси́стый
/'plɵkə(n)/
verb
    1. 1. (bloemen) afbreken of oogsten
    2. 2. ontdoen van de veren
    3. 4. (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
    игра́ть
  1. 3. iemand geld afzetten
    ощипывать
conjunction
плюс
noun
знак плюс
pronoun
1.
Плутон
noun
1. Chemisch element
плутоний
/po/
pronoun
1. stroom in Italië
По
noun
1. digitale radio-uitzending waarbij een audiobestand op internet wordt gezet...
подкаст
pronoun
1.
Подолье
noun
1. verouderde Russische eenheid van massa
пуд
noun
1. Frans krulharig hondenras
пудель
noun
прах
noun
1. platte doos voor cosmetisch poeder
пудреница
noun
1. zeer fijn gemalen suiker
са́харная пу́дра
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis concolor
пума
noun
1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
говно
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
  1. кошка
  2. кот
noun
1. sociaal-economische en politieke praktijk in Rusland in het begin van de 21 eeuw
путинизм
noun
  1. 1. razzia tegen joden
  2. 2. gewelddadige aanvallen...
погром
noun
  1. 1. staande jachthond
  2. 2. een variabele waar een geheugenadres in staat
по́йнтер
noun
1.kaartspel
покер
noun
1. emotieloos gezicht
мо́рда кирпичо́м
noun
2. epidemische huidziekte
оспа
pronoun
1. Polaris
Поля́рная звезда́
noun
полярность
/ˈpɔldəʀ/
noun
1. een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
польдер
/ˈpolə(n)/, /ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
  1. Польша
  2. По́льша
pronoun
1.
Полесье
noun
поли́п
/poˈlɛɪstə(n)/
verb
1. een stenen of glazen oppervlak bijzonder glad slijpen met steeds fijnere slijpmiddelen
полировать
noun
1. een discipline
политоло́гия
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
  1. полиция
  2. милиция
noun
полицейский участок
/poliˈtik/
adjective
1. betreffende de politiek
политический
/poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
политика
noun
2.(België) een diepe, grote lepel met een lange steel gebruikt voor het opdienen van soepen, sauzen e.d.
черпак
noun
1. Chemisch element
  1. полоний
  2. поло́ний
noun
anatomie: 1. gewricht
запя́стье
noun
полиамиды
noun
полиамо́рия
noun
полиандрия
noun
2. thermoplastisch polymeer
поликарбонаты
adjective
полиэ́стер
noun
многоголо́сие
noun
многобра́чие
noun
полиглот
noun
1.
  1. полимер
  2. полиме́р
noun
полимолочная кислота
noun
полимериза́ция
noun
полиморфизм
pronoun
1. eilanden in de Grote Oceaan of Stille Oceaan die samen Oceanië vormen
Полине́зия
noun
thermoplastische kunststof, bereid door polymerisatie van propeen
полипропилен
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
полисемия
noun
1. godsdienst met meer dan één god
многобо́жие
noun
1. vermeerderde urinelozing
полиури́я
noun
1. en 2. (vrucht van de) boom Citrus maxima × Citrus ×paradisi
помело
pronoun
1. historische regio in het zuiden van de Oostzee
Померания
noun
насос
/ˈpɔmpəlˌmus/, /ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
2. een vrucht van deze boom
  1. помело
  2. поме́ло
verb
1. vloeistof of gas met behulp van een pomp verplaatsen
кача́ть
pronoun
1.
Помпе́и
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
  1. тыква
  2. ты́ква
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
фунт
noun
kaart die tot de jaren 80 werd gebruikt voor het vastleggen van gegevens d.m.v. erin geponste gaatjes
перфока́рта
noun
1.
понтифика́т
noun
1. werkschuit met een vlak dek
понтон
noun
1. een brug die bestaat uit op het water drijvende elementen
[[понто́нный]] мост
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
по́ни
/'poːjər/
noun
1. een man die prostituees tegen betaling beschermt en helpt.
сутенёр
/pok/
noun
1. stang om het vuur op te porren
кочерга
/pol/, /poɫ/, /po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
поляк
noun
    1. A 2. een van beide einden van een magneet
    2. A 3. een uitzonderlijk punt waar een functie naar oneindig neigt
    по́люс
  1. A 1. uiteinde van een draaiingsas
    полюс
noun
1. de begrenzing van het gebied waar 's zomer de middernachtszon gezien kan worden en 's winters de nacht een heel etmaal kan duren
поля́рный круг
noun
1.
полярное сияние
/poɫs/, /poːls/, /po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
  1. польский
  2. польский язык
noun
1. bepaald soort zoogdier, Alopex lagopus
песец
noun
1. benaming voor zeevissen uit familie Triglidae
морской петух
/poːrt/
noun
  1. 1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
    ворота
  2. 2.
    логический элемент
noun
лапа
noun
1. speeltuig
  1. кукла
  2. кокон
  3. куколка
  4. сноп
  5. шкурка
noun
1. een in het klein uitgevoerde versie
кукольный домик
noun
1. kunstenaar achter poppenspel
ку́кольник
noun
1.
  1. тополь
  2. то́поль
noun
1. politieke stroming die vindt dat een maatschappelijke elite de belangen van het volk verwaarloost...
наро́дничество
noun
порногра́фия
/pɔrsəlɛːn/, /pɔrsəˈlɛɪn/
noun
1. fijn, geglazuurd aardewerk
фарфор
noun
1,2 portaal (entree)
порта́л
noun
1. portaalkraan
козловой кран
noun
1. geldbuidel
кошелёк
noun
2. zuilengalerij
по́ртик
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
портрет
/'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
  1. Португалия
  2. Португа́лия
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
adjective
1. verwijzend naar Portugal of naar de Portugese taal
португальский
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
noun
1. inwoner van Portugal
португалец
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
  1. португальский
  2. португа́льский
/pɔr.ty.ˈɣe.sə/, /ˌpɔr.ty.ˈχe.sə/
noun
1. vrouw
португалка
noun
1. bepaald soort vis, Gymnocephalus cernuus
ёрш
verb
пози́ровать
/po'zisi/
noun
  1. 1. een stand van het lichaam
  2. 2. een innerlijke houding
  3. 3. een plaats van waaruit men iets onderneemt
  4. 4. een toestand waarin iemand zich bevindt
  5. 5. een vaste betrekking
  6. 6. een maatschappelijke stand
  7. 7. de ligging van de hand
  8. 8. een opstelling van troepen en materieel
до́лжность
adjective
позитивный
noun
  1. 1. de opvatting dat alleen de empirische wetenschappen geldige kennis opleveren
  2. 2. een levensinstelling waarbij je ervan uitgaat dat alles goed komt
позитиви́зм
noun
позитрон
/pɔs/, /pɔst/
noun
1. toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
почта
noun
1. postbeambte
почтальон
noun
почтовый индекс
noun
1. een afgerichte duif die berichten kan overbrengen
почтовый голубь
noun
1. bepaalde soort eenjarige groene plant, Portulaca oleracea
портулак
noun
1. posthoorn
почто́вый рожо́к
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
почта́мт
noun
1.
постмодерни́зм
adjective
1. na een letsel
посттравмати́ческий
noun
перевод
/ˈpɔseɣəl/, /ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
  1. марка
  2. штемпель
  3. почтовая марка
noun
  1. горшок
  2. ле́сби
/ˈpɔ.dɑs/
noun
пота́ш
adjective
1. mogelijkheid
возмо́жный
/'potəx/
adjective
1. stevig uit de kluiten gewassen, weerbaar, ruig
кре́пкий
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
карандаш
noun
1. iets wat bestaat uit een samenraapsel van fragmenten uit andere werken
попурри́
pronoun
1.
Поступим
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
  1. кашалот
  2. кашало́т
noun
пути́н
noun
1. in ritme, maat en klank verwoorden
поэзия
/prax/, /praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Прага
/ˈpraːt.jəs.ˌma.kər/
noun
2. iemand die praat om te imponeren of te misleiden
балабол
noun
1. Utetheisa pulchella
медведица красноточечная
/'prɑxtəx/
adjective
1. bijzonder mooi
прекрасный
noun
1.
прагмати́зм
noun
1. Cynomys, een eekhoornachtig zoogdier uit Noord-Amerika dat een scherp blaffend geluid maakt
лугова́я соба́чка
/prɑkˈtɛɪ̯k/, /prɑkˈtɛːk/
noun
  1. 2. hoe dingen werkelijk gaan...
    кабинет
    1. 1. ruimte waarin een arts zijn beroep uitoefent
    2. 4. gewoonte(n), manier van doen
    обы́чай
adjective
1. op een manier die ook echt uitgevoerd kan worden
практи́ческий
/ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
празеодим
/ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
  1. говорить
  2. сказать
/preˈkɑmbrijʏm/
noun
Доке́мбрий
/presəˈdɛnt/
noun
  1. 1. eerder plaatsgevonden hebbend geval
  2. 2. bestaande jurisprudentie die dient ter beslechting van een vergelijkbaar geschil
прецеде́нт
noun
преце́ссия
/pre'kɵrsɔr/
noun
1. een voorloper
предше́ственник
noun
1. het vangen, doden en opeten door een organisme, meestal een dier, van een ander dier, het prooidier
охо́та
noun
3. (grammaticaal) gezegde
предика́т
/ˌpredikaˈtif/
adjective
предикати́вный
pronoun
  1. Кни́га Екклесиа́ста
  2. Экклезиа́ст
noun
про́поведь
noun
2. bureau van een prefect
префекту́ра
noun
праисто́рия
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
лук-порей
noun
1. de betaling aan een verzekeringsmaatschappij voor een verzekering
страхово́й взнос
noun
наемная убийца
noun
1. de eerste vaak feestelijke vertoning van een film, toneelstuk of een andere vorm van entertainment
премье́ра
noun
кни́жка с карти́нками
noun
1. bereiding van chemische stof, geneesmiddel e.d
препара́т
noun
прерогатива
noun
1. het staatshoofd van een republiek
президент
adjective
1.
президе́нтский
noun
1. het bestuur van een vereniging (vooral van studentenverenigingen en politieke organisaties)
прези́диум
noun
1. vaak fraai gevormd, zwaar voorwerp dat men boven op een stapel losse papieren kan leggen zodat de papieren niet kunnen wegwaaien
пресс-папье́
noun
ачивка
noun
3. iemand die preuts is
свято́ша
/prøts/
adjective
1. zeer ingetogen, overdreven kuis
жема́нный
/prəˈvɛn(t)si/
noun
1. voorkoming (van ziekte, brand, etc)
предотвраще́ние
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
приапизм
noun
1. priemgetal
простое число
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
  1. жрец
  2. священник
noun
бред си́вой кобы́лы
noun
1. de gevraagde geldsom bij verkoop
цена
noun
1. een bord (vaak van vilt) waar met behulp van punaises foto's en andere papierwerken op kunnen worden opgespeld
доска́ объявле́ний
noun
синдро́м раздражённого кише́чника
noun
1. materiaal bestaande uit een dubbele, in elkaar gedraaide metalen draad...
колючая проволока
noun
  1. 2. kerkelijke titel
    архиепи́скоп
  2. 1. benaming voor zoogdieren uit de orde Primates
    примат
noun
1.
приматолог
adjective
  1. 1. alle kortste translatievectors in de richting van de hoofdassen van de rotatiesymmetrie hebbend.
  2. 2. de drie kortste niet in hetzelfde vlak liggende translatievectors als ribben van de eenheidscel hebbend.
примитивный
/'primyla/
noun
1.
  1. первоцве́т
  2. при́мула
noun
  1. 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
  2. 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
  1. принц
  2. князь
noun
  1. 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
  2. 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
княгиня
/ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
  1. принтер
  2. при́нтер
noun
1. (elektrotechniek) plaat waarop elektronische bedrading aanwezig is, aangebracht met frees- of etstechnieken
печа́тная пла́та
noun
версия для печати
noun
приорат
noun
при́зма
verb
1. omvormen van staatsbedrijven, overheidsdiensten tot particuliere, private bedrijven
приватизи́ровать
noun
1. de tijd die besteed wordt aan persoonlijke bezigheden
ли́чная жизнь
/proˈberə(n)/
verb
пытаться
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
проблема
adjective
1. met problemen behept
проблематика
adjective
1. een probleem vormend
проблематичный
/prosəˈdyrə/, /proseˈdyrə/
noun
  1. 1.
  2. 4.
ме́тод
/pro'sɛnt/
noun
1. een honderdste deel
проце́нт
/proˈsɛs/
noun
2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
процесс
noun
процессуальное право
/proˈsɛˌsi/
noun
шествие
noun
деклара́ция
noun
1. het resultaat van een bewerking
проду́кт
noun
1. voortbrenging
продукция
adjective
1. vruchten afwerpend
продуктивный
noun
2. experiment
испытание
noun
1. konijn waarop er geëxperimenteerd wordt
подо́пытный кро́лик
noun
испыта́тельный срок
verb
  1. 1. onderzoeken hoe iets smaakt
  2. 2. smaak waarnemen
попро́бовать
noun
1. een persoon die boodschappen van een godheid aan de mensen doorgeeft
пророк/проро́чица
/pro'fɛsi/
noun
1. het beroep dat iemand uitoefent om geld mee te verdienen, met kennis van zaken en met betrokkenheid
вероиспове́дание
/proˈfɛsɔr/
noun
1. de aanspreektitel voor een hoogleraar
профессор
noun
прогестерон
noun
1. een applicatie voor de computer
программа
noun
язык программирования
verb
1. het schrijven van computerporgramma
программировать
noun
программист
adjective
  1. 1. vooruitstrevend
  2. 2-3
передово́й
/proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
план
noun
прое́кция
noun
toestel om een afbeelding op een scherm te projecteren
прое́ктор
noun
пролетариа́т
noun
пролета́рий
noun
1. snelle vermenigvuldiging
размноже́ние
noun
  1. 1. inleidende rede van een tekst
  2. 3. de inleiding tot een theaterstuk
предисло́вие
noun
пешехо́дная у́лица
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
прометий
/proˈmotə(n)/
verb
1. reclame maken voor
продвигать
/proˈmotsi/
noun
  1. 1. een verhoging in rang
    повышение
  2. 2. bevordering naar een hogere speelklasse
    продвиже́ние
noun
докторант
noun
1. en 2. (peulvrucht van) Phaseolus coccineus
фасоль многоцветковая
noun
1. dat wat door een dier wordt buitgemaakt
добы́ча
/prost/
interjection
1. heildronk
  1. ваше здоровье
  2. за ваше здоровье
  3. за твоё здоровье
  4. твоё здоровье
noun
1. C₃H₈
пропан
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
  1. пропаганда
  2. пропага́нда
noun
1.
агитатор
/propə'dœyzɛ/
noun
2. Voorbereidingsjaar
пропедевтика
noun
1. CH₃CH₂COOH
пропионовая кислота
noun
1.een klier tussen de blaas en de penis van de man
проста́та
noun
рак [[простата|проста́ты]]
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
проституция
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
протактиний
noun
1.
[[гла́вный]] [[геро́й]]
noun
2.
протекциони́зм
/ˌprotəroˈzowikʏm/
noun
протерозо́й
noun
1. een uiting van ontevredenheid met het gevolgde beleid
демонстра́ция
verb
1. grote bezwaren uiten
протестова́ть
noun
1.
  1. белок
  2. протеин
noun
1. een kunstmatig lichaamsdeel
проте́з
pronoun
1. hypothetische, gereconstrueerde taal waar vele Europese talen, waaronder het Nederlands en het Frans, van afstammen
праиндоевропе́йский
noun
4. geheel van voorschriften en afspraken in de internationale diplomatieke omgang
протокол
adjective
протоко́льный
/'protɔn/
noun
протон
noun
1.
протопла́зма
noun
1. oorspronkelijk model, eerste model van een product
прототип
adjective
1. met betrekking tot de Provence
прова́нский
/pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
  1. провинция
  2. край
noun
провока́ция
noun
1. een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordt
парик
verb
2. droevig zijn zonder geluid te maken
ду́ться
noun
2. vrucht van de pruimenboom
  1. слива
  2. сли́ва
noun
чернослив
pronoun
Пруссия
noun
1. iemand die slecht werk levert
бе́здарь
/psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
псалом
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
Псалмы́
noun
onechte programmeertaal
псевдоко́д
/psœydoˈnim/
noun
1. een aangenomen naam waaronder men iets publiceert
псевдоним
noun
лженау́ка
noun
1. schubziekte met overmatige vette schilfers van de huid
псориаз
/ˌpsɪxeˈdelɪs/
adjective
1. de werking van het bewustzijn verruimend
психодели́ческий
noun
психиатр
noun
психиатрия
adjective
1. met betrekking tot de behandeling van geestelijke stoornissen
психиатри́ческий
adjective
1. geestelijk
душевный
/psixoloˈɣi/, /psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
психология
adjective
1. met betrekking tot het gevoelsleven.
психологи́ческий
/ˌpsi.χo.ˈloχ/, /ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
психолог
noun
1. de bewuste, vanuit de hersenen gestuurde beweging
психомоторика
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
псих
noun
психопатоло́гия
/psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
психоз
adjective
1. met betrekking tot het verband tussen geest en lichaam
психосомати́ческий
noun
1. stroming in de psychologie
психотерапи́я
noun
1. spiegel die kan draaien om een horizontale as waarmee men zich van top tot teen kan bekijken
псише
noun
1. het proces van seksuele rijping van kind naar volwassene en het gedrag dat daar bij hoort
переходный возраст
noun
изве́стность
/pyˈblik/
adjective
2. wat het publiek aangaat
общественный
/pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
  1. публика
  2. аудитория
  3. зрители
noun
gangbare benaming voor de status van werken die geheel vrij zijn van auteursrechten en naburige rechten
всео́бщее достоя́ние
noun
1. nagerecht, vaak zoet, koud en op basis van melk
пу́динг
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Пуэрто-Рико
noun
пе́мза
/pœʏ̯n/, /pœːn/
noun
1. een massa vergruizelde steen
обломок
noun
1. een prik
пункция
pronoun
1. taal die in de Punjab, zowel in India als in Pakistan gesproken wordt
Пенджабский
noun
  1. 1. een spits toelopend uiteinde
    [[о́стрый]] край
  2. 1. een positie in de ruimte
    пункт
noun
1. taps toelopende houder met een mesje dat bedoeld is voor het aanslijpen van een verse punt aan een potlood
точилка
noun
1. een leesteken dat twee nauw aan elkaar gerelateerde zinnen tot een geheel verbindt (;)
точка с запятой
noun
  1. 2. leerling
  2. 1. oogappel
зени́ца
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
  1. щенок
  2. кутёнок
noun
1. streven naar puurheid
пуризм
noun
1.
пури́ст
/pyri'tɛins/
adjective
1. (te) vroom, sober, ingetogen en streng
пурита́нский
noun
1.
ры́жая ца́пля
adjective
жемчужно - красный
adjective
пурпурно - фиолетовый
/pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
колодец
/pyzəl/, /pʏzɔl/
noun
1. een raadsel of moeilijke opgave die men als tijdverdrijf probeert op te lossen
пазл
noun
acroniem van polyvinylchloride
поливинилхлорид
noun
1.
Пигмеи
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
пижама
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Пиренеи
noun
  1. 1. een kubisch mineraal met de samenstelling FeS₂
    пири́т
  2. 2. een vaste stof die het structuurtype heeft waarvan [1] het archetype is
    пирит
noun
1.
пирома́н
/piˈrozɪs/
noun
1. een brandend gevoel ten gevolge van oprisping van maagzuur
изжо́га
noun
1. een niet-giftige en grote wurgslang
пито́н
/kɑt/
noun
1. blad van een bedektzadige plant Catha edulis
кат
/ka'tar/, /ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
Катар
noun
1. een motorfiets of brommer op vier wielen
мотовездеход
noun
1. volgeling van een religieuze beweging gekend onder de naam Genootschap der Vrienden
ква́кер
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
карантин
/kwɑrk/
noun
кварк
noun
квазар
/kwatəerˈnɛːr/
adjective
четвертичный
noun
кватернион
noun
1.
кватроченто
pronoun
1. macrotaal die door indianen in Ecuador, Peru en Bolivia wordt gesproken
ке́чуа
pronoun
1.
Кведлинбург
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het noordoosten van het land
Кви́нсленд
pronoun
1. een door de schrijver J.R.R. Tolkien bedachte kunsttaal die toegeschreven is aan de Elven
кве́нья
noun
миллеиллион
/kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
киноа
noun
центиллион
noun
дециллион
noun
1. spel waarbij de deelnemers vragen moeten proberen te beantwoorden
викторина
noun
1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
частное
interjection
1. horizontaal draaibare boom aan mast
  1. рей
  2. рея
/rat/, /raːd/
noun
  1. 2. een orgaan dat bestaat uit leden die raadgevende of beslissende bevoegdheden bezitten
    сове́т
  2. 1. aanbeveling hoe om te gaan met een probleem
    совет
pronoun
Совет Европейского союза
pronoun
Совет Европы
adjective
1.
совеща́тельный
verb
1. een bron van informatie of ervaring aanspeken
консульти́роваться
noun
1. iets waarnaar men moet raden
загадка
/ratsəlɑxtəx/
adjective
1. onbegrijpelijk door dubbelzinnige of verborgen informatie
загадочный
/raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
ворон
noun
1.
каса́тельная
noun
1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
окно
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
ревень
/rɑˈbɛin/
noun
  1. раввин
  2. рабби
noun
расизм
adjective
1. voortkomend uit de opvatting dat mensen door afstamming kunnen worden ingedeeld in grote groepen...
раси́стский
noun
раке́тка
noun
1. techniek
РЛС
verb
1. een gissing maken naar iets
отга́дывать
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
радиан
noun
1. een toestel dat door straling warmte afgeeft, ofwel ter verwarming van een ruimte, ofwel ter koeling van bijvoorbeeld een motor
батаре́я
adverb
радика́л
noun
3.
радика́л
verb
радикализировать
noun
радика́льность
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
редис
/ˈradijo/
noun
  1. 1. toestel
  2. 2. medium
  1. радио
  2. радиоприёмник
adjective
радиоактивный
noun
1.
радиоактивность
noun
1. het medisch specialisme...
радиология
noun
радио́лог
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
радий
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
  1. радон
  2. радо́н
noun
[[нефтеперераба́тывающий]] [[заво́д]]
noun
рагу́
noun
  1. 1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
  2. 2. een baan waar een railvoertuig over rijdt
рельс
pronoun
1. Indische taal gesproken door 50 miljoen mensen in de staat Rajasthan in India
раджастха́ни
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
ракета
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
Овен
noun
1. mannelijk schaap
баран
/ˈrɑmadɑn/
noun
рамазан
noun
1. een harige vrucht uit de zeepboomfamilie
рамбута́н
verb
1. een botsing op een vijandelijk schip veroorzaken
вти́скивать
noun
1. een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
бе́дствие
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Рамштайн-Мизенбах
/rɑnt/
noun
  1. 1. de bovenkant van een bak of vat
  2. 3. de buitenkant van een gebied of een ding
край
noun
1. grote inham van een continent die grenst aan een oceaan
окра́инное мо́ре
noun
зва́ние
noun
1. bepaald soort vogel, Asio otus
уша́стая сова́
/rɑnt'sun/
noun
1. beperkte dagelijks verstrekte hoeveelheid voedsel en andere primaire levensbenodigdheden
но́рма
verb
1. verdelen van een schaars goed door iedereen een kleinere, afgepaste hoeveelheid te geven
квоти́ровать
noun
1.
рапи́ра
verb
1. ritmisch uitspreken van een tekst begeleid door een beat
рэповать
noun
1. iemand die ritmisch teksten voordraagt op muziek, meestal hiphop
рэ́пер
verb
1. het uitbrengen van een verslag of rapport
  1. сообщать
  2. сообщить
noun
1. een muziek of dichtwerk dat contrasterende delen bevat en toch een eenheid vormt
рапсо́дия
noun
порода
noun
1. een grofgetande vijl die wordt gebruikt om rondingen aan hout te maken
тёрка
/rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
крыса
noun
1.
ратату́й
noun
1. een eenvoudige muziek- en signaalinstrument dat geluid geeft doordat bij het rondslingeren een tandrad een latje repeterend weggedrukt en laat terugvallen
трещотка
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
осина
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
грему́чая змея́
verb
1. bekrachtigen van een internationaal verdrag door het nationale parlement of regering
ратифицировать
noun
рационали́зм
noun
1.
рациона́льность
noun
1.
крысиный яд
adverb
1. ongekookt en vers
сыро́й
verb
1. heel snel rijden
мча́ться
noun
реактивное сопротивление
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
реа́кция
adjective
реакцио́нный
noun
пробирка
/'reʲaɣɛns/
noun
1. een chemische stof die deelneemt aan een reactie
реаге́нт
verb
1. op een nieuwe situatie actie ondernemen
реагировать
noun
1. het in de praktijk tot stand brengen van iets
достижение
verb
реализовать
noun
реализм
noun
реали́ст
noun
1. een televisieserie met echte mensen en echt drama, soms worden waargebeurde zaken nagespeeld, minder zakelijke weergave dan bij een documentaire
реа́лити-телеви́дение
noun
het reanimeren
оживление
/reani'merən/
verb
1. het kunstmatig overnemen van de ademhaling en de bloedsomloop, indien er sprake is van een circulatiestilstand
оживи́ть
verb
  1. 1. rebellerend onvoltooid deelwoord van rebelleren, attributief gebruikt
  2. 2. rebellerend onvoltooid deelwoord van rebelleren, bijwoordelijk gebruikt
мятежный
noun
1. soort raadsel
ребус
verb
1. een beoordelend verslag schrijven, meestal van een culturele gebeurtenis
де́лать обзо́р
adjective
1. een korte tijd geleden gebeurd of begonnen
неда́вний
adverb
1. nog niet lang geleden
недавно
noun
  1. 1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
  2. 2. doktersvoorschrift voor (de bereiding van) een geneesmiddel
рецепт
noun
спад
noun
1. het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
право
adverb
1. noch naar rechts noch naar links van richting veranderend
напрямик
noun
1. hoek van 90 graden
прямой угол
/ˈrɛxtə ˈklɪɯɪŋ/
noun
1. lengtegraad op de hemelbol
прямое восхождение
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
правa челове́кa
/ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
судья
noun
1.
[[пра́вый]] [[бе́рег]]
pronoun
Книга Судей Израилевых
/'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
прямоугольник
adjective
1. tegenovergestelde van links
  1. правый
  2. пра́вый
verb
1. rechterknop van een computermuis gebruiken
щёлкать [[правый|пра́вой]] [[кнопка|кно́пкой]] [[мышь|мы́ши]]
/ɾɛχts.pɛɾ.soːn/
noun
1. groepering van goederen of natuurlijke personen die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
юридическое лицо
noun
1. juridische constructie
Правовой статус, правосубъектность, субъект права
noun
1. staat waarvan de macht gereguleerd en beperkt wordt door het geldende recht
правовое государство
adverb
1. recht naar voren
напрямик
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
справедливый
verb
1. onderbouwen volgens bepaalde ethische beginselen
извини́ть
noun
рецидиви́ст
noun
речитатив
verb
деклами́ровать
noun
1,2 informatie over, en aanprijzing van diensten, producten en ideeën
реклама
verb
1. weder opbouwen
воссоздавать
/rəˈkɔrt/
noun
  1. 1. beste prestatie
  2. 3. bij elkaar behorende gegevens
реко́рд
adjective
1. met betrekking tot de endeldarm
прямокише́чный
verb
1. na verbruik weer omzetten in iets bruikbaars
рециклировать
noun
  1. 1. iemand die berichten verzamelt en bewerkt voor publicatie
    реда́ктор
  2. 2. iemand die teksten corrigeert en klaarmaakt voor publicatie
    редактор
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
спасать
noun
спасе́ние
noun
1. een speciaal gebouwde en uitgeruste boot om het schip in geval van nood veilig te kunnen verlaten.
спаса́тельная ло́дка
noun
    1. разум
    2. рассудок
  1. 3. een ankerplaats buitengaats
    рейд
  2. 2. een formele toespraak
    1. речь
    2. выступление
adverb
1. op een beredeneerde wijze
разу́мно
/ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
до́вод
/ˌredəˈnɪːrɪŋ/
noun
1. het proces waarmee men van een aantal argumenten, premissen of axioma's tot een standpunt of conclusie komt
аргумента́ция
noun
1. eigenaar van een schip
арматор
noun
избы́точность
/redypliˈkatsi/
noun
1. vorming van een nieuw woorden of zinsneden door geheel of gedeeltelijke herhalen van een deel daarvan
редупликация
noun
1. sierlijk slank hert, komt bijna in heel Europa voor
козуля
adjective
коричневый олень
adverb
1. al
  1. уже
  2. ранее
noun
1. een opeenvolgende rij van gebeurtenissen
ряд
noun
1. een glycoproteïne dat vooral een belangrijke rol speelt bij het sturen van de neuronale migratie...
рилин
noun
2. kont, billen
зад
noun
1. een stemming over een wetsvoorstel, waarbij gestemd wordt door het volk zelf...
референдум
noun
1. verwijzing
исто́чник
noun
рефлексия
noun
1. een onwillekeurige reactie op bepaalde prikkels
рефле́кс
noun
рефракция
noun
  1. припев
  2. рефрен
/ˈreɣəɫ/
noun
  1. 3. een voorschrift, richtlijn, norm
    правило
  2. 1. een zin in een tekst
    строчка
verb
1. zorgen dat het gebeurt
отрегули́ровать
noun
1. een combinatie van afspraken voor een bepaalde groep
договорённость
adjective
1. aan een bepaalde regel gehoorzamend
пра́вильный
noun
1. een apparaat of een verzameling apparatuur om het gedrag van een of ander systeem of proces te regelen
cистема управления
/reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
дождь
adjective
1. regelmatig regenend of neigend naar regen
дождливый
/ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
  1. радуга
  2. ра́дуга
/ˈreɣə(n)ˌdrʏpəɫ/
noun
1. een druppel die als regen uit de lucht naar beneden valt
[[дождевой|дождева́я]] [[ка́пля]]
/ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
дождь
noun
2. herstelgroei
pегенерация
noun
1. een waterdichte overjas die geschikt is voor regenachtig weer
плащ
noun
1. toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag in een bepaalde periode op een bepaalde plaats meet
дождеме́р
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Регенсбург
noun
ре́гентство
noun
дождева́я вода́
noun
1. een bos in een klimaat met het hele jaar door neerslag
дождевой лес
noun
средний кроншнеп
verb
1. het uitoefenen van de politieke macht...
вла́ствовать
/re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /rə.'ɣeː.rɪŋ/, /rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
правительство
/ˌreɣiˈsidə/
noun
1. een bewuste moord op een koning.
цареубийство
noun
дидаскалия
noun
1. bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
режим
noun
1. geografisch gebied
регион
noun
кинорежиссёр
noun
реабилита́ция
noun
1. reidans
хоровод
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
цапля
/rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
  1. путешествие
  2. поездка
noun
бюро́ путеше́ствий
verb
1. onderweg zijn
путешествовать
/ˈrɛɪzəɣər/
noun
1. persoon op reis
  1. путешественник
  2. путешественница
  3. путник
  4. путница
noun
  1. 2. raamwerk
    ве́шалка
  2. 1. uitrekking
    растя́гивание
/ˈre.kə.nə(n)/
verb
1. getallen manipuleren
предполагать
noun
1. de optelsom van te betalen bedragen
счёт
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
арифметика
noun
1. een verstoring van de openbare orde door een menigte, meestal gepaard gaand met geweld en politieoptreden
бунт
verb
релятивизи́ровать
noun
1. een natuurkundige theorie die ervan uitgaat dat de tijd een relatief begrip is
  1. теория относительности
  2. тео́рия относи́тельности
/rəlɛksə(n)/
verb
1. de tijd nemen zich te ontspannen
релаксировать
adjective
1. van toepassing
[[иметь|име́ющий]] [[отноше́ние]]
noun
актуа́льность
/rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
религия
/relɪˈɣɪøs/, /relɪˈʝɪøs/
adjective
1. te maken hebbend met godsdienst of geloof
религиозный
noun
1. alles wat te maken heeft met godsdienst en geloof in een opperwezen
религио́зность
noun
1. een overblijfsel van het lichaam van een heilige of een voorwerp dat...
мо́щи
/relɪŋ/
noun
1. een leuning boven de verschansing die een scheepsdek omgeeft
фальшборт
noun
рельеф
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
тормоз
noun
1. de afstand die een rijdend voertuig nodig heeft om tot stilstand te komen
тормозно́й путь
/rəˈmedi/, /reˈmedi/
noun
  1. 1. een medicijn of een op genezing gerichte behandeling
  2. 2. iets dat iets anders corrigeert of iets schadelijks wegwerkt
лека́рство
verb
1. snelheid doen verminderen
тормози́ть
noun
2. geremdheid, belemmering
задержка
/ˈrɛm.spor/
noun
  1. 1. spoor van een rubberband
  2. 2.
[[коричневый|кори́чневые]] [[след|следы́]] на [[внутренний|вну́тренней]] [[сторона|стороне́]] [[трусы|трусо́в]]
adjective
1. met betrekking tot de nier
по́чечный
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
  1. северный олень
  2. кари́бу
noun
1. Chemisch element
рений
/ˈrɛn.ku.kuk/
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Geococcyx
куку́шка-подоро́жник
noun
  1. [A] 1. zeer snel lopen
  2. [B] 1. een snelheidsproef op de weg of in het terrein
бе́гать
noun
обновле́ние
/rənoˈverə(n)/
verb
1. opknappen, repareren, vernieuwen
восстана́вливать
noun
1. paard dat gefokt is met het doel om aan paardenrennen deel te nemen
[[беговой|бегова́я]] [[ло́шадь]]
noun
почи́нка
verb
1.
репатрии́ровать
verb
1. de zaadbol van het vlas scheiden
очёсывать
noun
репертуа́р
/rɛp'til/
noun
1.
  1. рептилия
  2. пресмыкающееся
/repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
республика
pronoun
Республика Соединённых провинций
noun
республиканец
adjective
республиканский
noun
1. de manier waarop iemand bekend is
репутация
noun
резеда
adjective
салатно – горошковая
noun
1.
запа́ска
noun
1. iemand die oproepbaar is voor militaire dienst in tijden van oorlog, oorlogsdreiging of andere situaties waarin inzet van het leger nodig is
[[военнообя́занный]] [[запас|запа́са]]
/resər'vʷar/
noun
1. plaats waar water of een andere vloeistof bewaard kan worden
резервуа́р
noun
дом
noun
2. pixeldichtheid
разреше́ние
noun
резонанс
/rɛsˈpɛkt/
noun
eerbied uit hoogachting of angst
уважение
verb
  1. 1. iemand in aanzien houden
  2. 2. iets naleven
почита́ть
/rɛst/
noun
1. wat er overblijft
оста́ток
noun
het restant — 1. wat is overgebleven
остаток
noun
  1. ресторан
  2. рестора́н
noun
2. het minitieus herstellen van een voorwerp van kunstzinnig of historisch belang
восстановле́ние
/rezɵl'tat/
noun
1. een uitkomst
результат
noun
1. ophouding, het vertraagd afgeven of vasthouden van iets
задержа́ние
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door 40.000 mensen in Zwitserland
реторома́нский
noun
1.
риторический вопрос
noun
1. een verouderd toestel voor het destilleren bestaande uit een vat met een neergebogen tuit
ко́лба
/rətu'ʃeːrə(n)/, /rətu'ʃɪːrə(n)/
verb
ретуши́ровать
/ˈre.tro.ˌflɛks/
noun
1. een medeklinkerklank die gevormd wordt door de tong om te buigen zodat het met de onderkant naar het verhemelte staat
[[ретрофле́ксный]] [[согла́сный]]
noun
1. overzicht van iemands oeuvre (waarin dus wordt teruggekeken)
ретроспектива
noun
1. een mannelijke hond
пёс
noun
1. een buitengewoon grote man
  1. великан
  2. велика́н
adjective
громадный
noun
1. verkregen door uitsmelting van varkensvet
сма́лец
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita maxima
тыква гигантская
noun
1. kermisattractie
колесо обозрения
noun
реваншизм
noun
1-3. streven naar herziening (van het marxisme, de geschiedenis)
ревизиони́зм
noun
1.
  1. Революция
  2. революция
adjective
революционе́р
noun
1. een handvuurwapen met een roterende trommel met kogels
револьвер
noun
  1. 1. theatershow
  2. 2. tijdschrift
обозре́ние
noun
возрожде́ние
noun
  1. 1. (verouderd) hereniging
  2. 3. het weerzien van voormalige studenten, collega's, enz.
воссоедине́ние
pronoun
Родезия
pronoun
1. een rivier van 812 km lengte die ontspringt in Zwitserland, door Frankrijk naar het zuiden stroomt en uitmondt in de Middellandse Zee
Рона
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
ребро
noun
1. het geraamte van de borst
грудная клетка
noun
Рибонуклеиновая кислота
noun
1.
рибосо́ма
/ˈrɪxtɪŋ/, /ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
направление
noun
1. een systeem om richting aan te geven in een voertuig
индика́тор
noun
  1. 1. aanwijzing voor een te volgen gedrag
  2. 2. (juridisch) bindend voorschrift
директи́ва
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
  1. рыцарь
  2. ры́царь
noun
жи́вокость
/rim/
noun
  1. 2. steel met een bladvormig uiteinde, bedoeld om een vaartuig voort te bewegen
    весло
  2. 1. een band van leer of een ander materiaal
    ремень
/rit/
noun
  1. 1. plantensoort
  2. 2. onderdeel muziekinstrument
камы́ш
adjective
зеленый тростник
noun
2. drinkbuisje
соломинка
noun
suiker, verkregen uit het sap van suikerriet
тростниковый сахар
noun
1. karperachtige zoetwatervis
краснопёрка
noun
камышовка-барсучок
noun
1. een ondiepte in water, koraalbank, klip
риф
pronoun
1.
Рига
/rɛɪ̯/, /rɛː/
noun
1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
  1. очередь
  2. ряд
noun
1. weggedeelte bestemd voor voertuigen
Проезжая часть
/ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
  1. водительское удостоверение
  2. водительские права
/ˈrɛɪ̯də(n)/, /ˈrɛːdə(n)/
verb
  1. 1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
    везти́
  2. 3. zich voortbewegen op een rijdier (bijv. een paard)
    е́здить
  3. 2. iemand met een voertuig ergens heen brengen
    ехать
pronoun
1.
Риека
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
богатый
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
noun
1. een staat of natie onder een vorst of heerser
держава
/ˈrɛik.dɔm/
noun
1. het bezitten van veel geld en goud
благосостоя́ние
noun
1. fraai uitgevoerde bol met bovenop een kruis die symbolisch de wereld voorstelt
держа́ва
noun
1. gelijkheid van klank in een vers
рифма
/rɛɪ̯n/, /rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
Рейн
pronoun
Рейнланд
pronoun
Рейнланд-Пфальц
adjective
1. geschikt voor de oogst
  1. зрелый
  2. зре́лый
pronoun
1. stad in Noord-Frankrijk nabij de Belgische grens
Лилль
noun
вале́жник
/rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
рис
noun
1. een alcoholische drank met als basis rijst
ри́совое вино́
noun
1.Aziatisch twee- of driewielig karretje voor personen vervoer
ри́кша
verb
дрожа́ть
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
морщина
noun
    1. 1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
    2. 2. cirkelvormig voorwerp
    кольцо
  1. 3. plaats waar gestreden wordt
    ринг
noun
1. een zangvogel uit de familie van mussen en sneeuwvinken
воробей
noun
1. Natrix natrix
  1. уж
  2. обыкновенный уж
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
безымянный палец
noun
2. huidziekte door een schimmel veroorzaakt
стригу́щий лиша́й
pronoun
1. een Rijnfrankisch dialect dat behoot tot de Middelduitse dialectgroep
рипуа́рский язы́к
noun
1. een mogelijk gevaar voor schade
риск
/rɪt/
noun
1. een reis in een voertuig
езда́
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
ритм
noun
1. deel van een bandje of orkest dat het ritme van een muziekstuk aangeeft
ритм-секция
adjective
ритми́чный
noun
1. de larve van een kever uit de familie kniptorren (Elateridae)
проволочник
noun
2. ritssluiting
застёжка-молния
adjective
обря́д
/riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
река
noun
1. bepaald soort slanke eetbare Euraziatisch zoetwatervis, Gobio gobio
пескарь
noun
1. een soort kreeft die in riviertjes leeft
рак
/ˌritsoˈsfeːr/, /ˌritsoˈsfɪːr/
noun
1. gedeelte van de bodem waarin het ecosysteem onder invloed van plantenwortels staat
ризосфе́ра
noun
1. afkorting van ribo nucleic acid (ribonucleïnezuur), een hoogmoleculaire verbinding...
РНК
pronoun
Роберт
noun
  1. рубин
  2. руби́н
adjective
красная рубиновая
/ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
робот
/roˈbyst/
adjective
кре́пкий
noun
1. muziek- en dansstijl
рок-н-ро́лл
verb
1. op een vervelende manier over anderen praten
спле́тничать
noun
свёкла
noun
1.
кра́сный ка́рлик
noun
1. Trifolium pratense, een overblijvend kruid uit de vlinderbloemenfamilie
кра́сный кле́вер
pronoun
Кра́сный Крест
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx rufus
красная рысь
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
красное вино
noun
1.
кра́сный ко́ршун
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
Красное море
/ˌro.də.ˈhɔnt/
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
краснуха
noun
1. en 2. donkerrood sluitkoolgewas
краснокочанная капуста
noun
1. chemisch element met symbool Rh
родий
/ˈrubəl/
noun
рубль
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
грести
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
грач
adjective
1. zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
безотве́тственный
noun
1. eer en glorie
  1. слава
  2. честь
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
adjective
1. betreffende Roemenië of het Roemeens
румынский
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
румынский
/ruˈmeni.jə/, /ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
Румыния
noun
рентгений
/rup/
noun
1. een vrij harde klank geproduceerd met stemgeluid
крик
/'rupi/
noun
1.
ру́пия
/'rupɪŋ/
noun
1. een taak waarvoor een persoon zich verplicht voelt, vaak met religieuze invloed
призва́ние
noun
  1. 3. lokvogel
    1. манок
    2. приманка
  2. 1. vlak waarmee gestuurd wordt
    руль
  3. 2. stuurmiddel
    1. руль
    2. штурвал
/ˈrur.bɑ.kə(n)/
verb
1. een kooktechniek voor het bereiden van voedsel in een wok
жа́рить в ма́сле
/rurɛi/
noun
1. een gerecht van gebakken eieren en losgeklopte melk
яичница-болтунья
verb
1. een vloeistof met een spaan in ronde beweging brengen
мешать
noun
1. beweegbare, stoffelijke zaak
дви́жимость
noun
1. geoxideerd ijzer
ржавчина
verb
1. het langzaam oxideren van ijzerhoudende materialen
ржаветь
/rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
сажа
pronoun
1.
Рётген
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
скат
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
рожь
/ˈrɔɣəbrod/
noun
1. een van rogge gebakken brood
ржано́й хлеб
noun
1. gekiemde en gedroogde granen van rogge
солод ржаной
noun
1. met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van roggekorrels
ржаные отруби
pronoun
1.
рохи́нджа
noun
  1. 2. rokkostuum
    фрак
  2. 1. buis- of kegelvormig kledingstuk
    юбка
noun
1. zet in een schaakspel
рокировка
/ˈroːkə(n)/
verb
  1. 1. rook afgeven
    1. дымить
    2. курить
  2. 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
    1. курить
    2. дымить
verb
1.1. het doen van een zet waarbij de koning en een toren elkaar passeren
рокирова́ться
noun
бабник
verb
1. zich wentelend over een oppervlak bewegen
ездить
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
инвалидная коляска
noun
1. trap met bewegende treden
эскалатор
noun
B 1. volk in Europa en Azië dat traditioneel een zwervend bestaan leidt
рома́
adjective
1.
лати́нский
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
роман
/romaˈnɛs/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
рома́
noun
1. (kool van) groentesoort Brassica oleracea convar. botrytis var. botrytis
романеско
noun
1.
романтизм
adjective
романти́чный
adjective
1. drie onderling loodrechte spiegelvlakken of tweetallige assen bezittend
ромбический
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een drietallige as bezittend met de primitieve translaties onder een eindige hoek daarmee
ромбоэдрический
/ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Рим
adjective
1. met betrekking tot Rome
римский
/roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
  1. Римская империя
  2. Ри́мская импе́рия
noun
  1. 1. het lichaam van een mens of dier zonder ledematen, kop of staart
    туловище
  2. 2. het gedeelte van een vliegtuig zonder vleugels en stabilo
    фюзеляж
adjective
1. cirkelvormig
круглый
noun
2. een wedstrijd in de vorm van een rondrit
ра́унд
verb
1. op een plaats langdurig verblijven zonder iets te doen te hebben
окола́чиваться
noun
циркуляр
adverb
и́скренне
/rod/, /rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
  1. красный
  2. кра́сный
noun
1. bepaald soort struik, Daphne mezereum
волчеягодник обыкновенный
adjective
красноватый
noun
1. bepaald soort vis, Sebastes marinus
морской окунь
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
  1. зарянка
  2. малиновка
adjective
красно - коричневый
adjective
1. zo heet dat het rood licht uitstraalt
накалённый докрасна́
noun
1.
краснозо́бая каза́рка
adjective
1. met rood gekleurde haren
рыжеволосый
noun
1.
краснота́
pronoun
1. sprookjesfiguur
Красная Шапочка
adjective
красно - сиреневый
noun
1. en 2. (bladeren van) Cichorium intybus var. foliosum
радиккьо
adjective
оранжевая кирпичная
adjective
красно - фиолетовый
noun
1. Falco vespertinus
кобчик
noun
1. het openlijk en gewelddadig wegnemen van hetgeen een ander toebehoort
грабеж
noun
1. exotische roof- en zoetwatervis die voorkomt in de wateren van de Benelux, Leuciscus aspius
жерех
/ˈrovdir/
noun
1. dier dat zijn prooi bejaagt en doodt
хи́щник
noun
1. benaming voor gewervelde waterdieren met kieuwen die hun prooi bejagen en doden
хищная рыба
/ˈroˌfoχɔɫ/, /ˈroːˌfoːɣəl/, /ˈroːˌvoːɣəl/
noun
1. eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
хищная птица
/roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
дым
noun
1. apparaat dat een zeer luid signaal afgeeft als er rook aanwezig is
дете́ктор ды́ма
noun
1. een verbod om te roken
запрет на курение
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
сли́вки
/roːs/
noun
1. bloem
  1. роза
  2. ро́за
noun
A3. een structuur met translatiesymmetrie, gewoonlijk in drie dimensies
решётка
/'rɔskɑm/
noun
1. een grof soort kam die voor het verzorgen van paarden of het schoonmaken van andere borstels gebruikt wordt
скребница
adjective
rood, rossig (van haar)
рыжий
pronoun
1.
Росток
noun
враще́ние
noun
2. bepaald soort vuurwerk dat na het aansteken van de lont wordt weggegooid en dan een harde knal geeft
пета́рда
noun
1. een grote ruwe steen
утёс
/ˈrɔtstœʏn/, /ˈrɔtstœːn/
noun
1. een tuin met rotspartijen en rotsplanten
альпийская горка
noun
1. Duits hondenras, stevig gebouwd, kortharig met brede kop, korte snuit en hangoren
ротве́йлер
noun
1. vervelend weer
непогода
noun
2. iemand die zich eropuit is anderen ergernis te bezorgen
гни́да
/ra<sup>ʊ</sup>/, /rʌʊβ̞/, /rʌːβ̞/
noun
1. grote smart of droefenis na een verlies
скорбь
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
грабитель
/roːzə/, /rɔːs/, /rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
розовый
noun
2. keukenkruid
  1. розмарин
  2. розмари́н
noun
1. schijnvrucht van wilde rozen
  1. плоды шиповника
  2. шиповник
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
  1. розарий
  2. чётки
noun
розовая вода
noun
1. kleine gedroogde vruchtjes van Vitis vinifera
изюм
/ˈrɵ.bər/
noun
резина
noun
1. Chemisch element
  1. рубидий
  2. руби́дий
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
руккола
adjective
зача́точный
/rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
  1. спина
  2. корешок
noun
ре́гби
noun
  1. позвоночник
  2. хребет
noun
спинной мозг
noun
1. pijn in de rug
боль в [[поясни́це]]
noun
1.
спинно́й плавни́к
noun
рюкзак
pronoun
1. een regio in de Duitse deelstat Noordrijn-Westfalen
Рурская область
noun
1. traliewerk waarachter hooi ligt
ко́злы
/rœʏkə(n)/, /rœːkə(n)/
verb
  1. 1. een geur waarnemen
    1. нюхать
    2. обонять
    3. чуять
  2. 2. een geur verspreiden
    1. пахнуть
    2. ню́хать
/rœʏl/, /rœːl/
noun
обмен
/rœy̯m/
adjective
1. van grote omvang of uitgestrektheid
просторный
/rœy̯m/
noun
1. de laadruimte van een schip
трюм
noun
stuk gereedschap waarmee men een boorgat iets ruimer kan maken
развёртка
noun
3. heelal
  1. ко́смос
  2. простра́нство
adjective
1. de kortste translatievectors in de lichaamsdiagonale richting tussen de hoofdassen van de rotatiesymmetrie hebbend
объёмноцентрированный
noun
1. verzameling symmetrie-elementen -translaties, rotaties en combinaties daarvan- die samen een ruimtevullende groep vormen
пространственная группа
noun
скафа́ндр
noun
1. vaartuig geschikt om zich buiten de aardse atmosfeer te begeven
  1. космический корабль
  2. космический детательный аппарат
noun
АМС
noun
косми́ческая ста́нция
noun
1. het zich in de ruimte buiten de dampkring van de aarde begeven
косми́ческое путеше́ствие
/ˈrœʏ̯m.tə.ˌʋɑn.də.lɪŋ/, /ˈrœːm.tə.ˌβ̞ɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het uitvoeren van een activiteit buiten een ruimteschip
внекорабельная деятельность
/rœʏn/
noun
1. gecastreerde hengst
мерин
noun
1. structuurloos en voortdurend geluid dat een continuüm van toonhoogten bevat
шум
noun
1. bepaald soort zoetwatervis die zich graag tussen het riet ophoudt, Scardinius erythrophtalmus
краснопёрка
noun
2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
ромб
noun
1.
бубно́вый вале́т
noun
1.
бубновый король
noun
1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
дво́рник
noun
1. berijder van een rijdier
вса́дник
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
ром
/rʏnd/, /rʏnt/
noun
1. holhoornig herkauwend zoogdier
бы́чий
/ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
говядина
/ˈrynə/
noun
1. een schriftteken van het Oud-Germaanse alfabet
ру́на
noun
1. vlinderlarve
гусеница
noun
1. een inwoner van Rusland
россиянин
/'rʏs/
noun
plant
камыш
noun
1. autoritaire nationalistische ideologie in Rusland
рашизм
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
  1. Россия
  2. Русь
/ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
  1. русский
  2. российский
/ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
  1. русский
  2. русский язык
pronoun
1. een pidgintaal die wordt gesproken in Spitsbergen
Руссенорск
adjective
1. een sterke afkeer van of angst voor de Russen aan de dag leggend
русофобский
/rɵst/
noun
2. tijdelijke toestand van ontspanning na arbeid, moeite of inspanning
  1. покой
  2. спокойствие
verb
1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
отдохну́ть
adjective
1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
ти́хий
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
рутений
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
резерфордий
adjective
  1. 1. oneffen, niet glad
    шероховатый
  2. 2. grof, onbesuisd
    шершавый
noun
1. toestand waarin men in ernstig conflict is met anderen
спор
/ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
  1. руина
  2. развалина
/ˌryiˈnerə(n)/
verb
  1. 1. helemaal kapotmaken
  2. 2. iemand financieel te gronde richten
испо́ртить
/ru.ˈwɑn.da/, /ru.ˈʋɑn.da/, /ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
Руанда
noun
1.
[[рентге́новский]] луч
/saɪ̯/, /saːɪ̯/
adjective
скучный
pronoun
1. zijrivier van de Moezel
Саар
pronoun
1.
Саар
pronoun
1. en 2.
Зарлуи
pronoun
Саба
noun
1.
день суббо́тний
noun
1. bepaald soort zoogdier, Marter zibellina
Со́боль
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
саботаж
verb
саботировать
noun
вреди́тель
noun
сахари́д
noun
1. caloriearme kunstmatige zoetstof die geen directe invloed heeft het bloedsuikergehalte
сахарин
noun
1. een disacharide, bestaande uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid
сахаро́за
noun
1. plechtige gebeurtenis in de katholieke kerk
сакрамент
noun
1. een ruimte in een rooms-katholieke kerk, waarin men alles bewaart dat nodig kan zijn om een kerkdienst te houden.
сакристия
noun
сади́зм
noun
1. iemand die bevrediging zoekt in het pijnigen van een ander
сади́ст
adjective
сади́стский
/sɑˈfarɪ/
noun
1. expeditie in de wildgebieden in Afrika
сафа́ри
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
сапфир
adjective
темно – сапфировая
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
  1. шафран
  2. шафра́н
adjective
желтый шафран
/ˈsaɣə/
noun
сага
pronoun
1. zandwoestijn in Noord-Afrika
Саха́ра
/sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
  1. Сен-Винсент и Гренадины
  2. Сент-Винсент и Гренадины
pronoun
Сен-Пье́р и Микело́н
noun
1. Falco cherrug
балабан
pronoun
1. Duitse deelstaat
Саксония
pronoun
Саксония-Анхальт
noun
сала́т
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
саламандра
/ˈsalami/
noun
1. Italiaanse worst
салями
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
шалфей
noun
1.
сальмонелла
pronoun
1. koning van Israël
Соломо́н
/ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
Соломоновы острова
noun
1. een lage tafel die in een woonkamer staat
журна́льный сто́лик
/sɑlpetər/
noun
1. een mineraal bestaande uit kaliumnitraat
селитра
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
азотная кислота
verb
салютовать
pronoun
Самари́я
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
самарий
noun
саа́м
adverb
вместе
verb
1. meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
собира́ть
noun
2. verbinding van twee of meer zelfstandige woorden
словосложение
/ˈsaːməvɑtɪŋ/
noun
1. een beknopte beschrijving van een inhoud
резюме
verb
1. met een of meer aan hetzelfde werken
коопери́ровать
noun
1. het samenwerken van meerdere personen
сотрудничество
/ˈsamə(n)ˌzʋɪːrə(n)/
verb
1. geheimelijk met anderen samenwerken ten nadele van een derde partij
замышля́ть
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
саамский язык
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
саамский язык
/sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Самоа
pronoun
1. een taal die gesproken wordt door 370.337 mensen in Samoa, Amerikaans-Samoa, Fiji, Nieuw-Zeeland, Tonga en de Verenigde Staten
самоанский
/ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
самурай
pronoun
1. Baltische taal gesproken door 500 duizend mensen in Litouwen
жема́йтский
pronoun
  1. Самойло
  2. Самуи́л
/ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
Сан-Марино
/'sɑŋksi/
noun
1. strafmaatregel
[[применя́ть]] [[санкция|са́нкции]]
/sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
сандалия
noun
1. een bepaald houtsoort (Santalum album of verwante soorten)
санда́л
/ˈsɑntwɪtʃ/
noun
сэндвич
noun
1. een Spaanse licht-alcoholische drank
сангри́я
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
  1. Санскрит
  2. санскри́т
/saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
Сан-Томе и Принсипи
/sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Саудовская Аравия
noun
1. plantenvocht
сок
noun
1. soldaat die loopgraven maakt
сапёр
adjective
1. vol met sap
со́чный
noun
1. plant die van organisch afval leeft
сапрофит
noun
сарабанда
noun
1.
сарказм
adjective
1.
саркасти́ческий
noun
1. een stenen doodskist
саркофа́г
noun
саркома
noun
1. klein zilverkleurig haringachtig visje, Sardina pilchardus
иваси́
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
сардина
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Сардиния
/sɑr'donis/
adjective
1. op een bittere manier grijnzen of lachen
ехи́дный
/ˈsatɑn/
pronoun
Сатана
noun
1. aanbidding van Satan
дьяволопоклонничество
/sɑtɛ'lit/
noun
спутник
noun
сатир
noun
1. een weefsel vervaardigd met een weeftechniek, waarbij de kruispunten van de ketting-...
атлас
noun
сатира
pronoun
1.
Сатурн
/saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Саудовская Аравия
/saˈul/
pronoun
2. jongensnaam
Савл
/'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
сауна
/sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
соус
/ˈsa.va/
pronoun
1. een rivier in Zuidoost-Europa met een lengte van 940 km.
Сава
noun
1. een grasland met verspreid voorkomende bomengroei
саванна
noun
1. en 2. (bladeren van) Brassica oleracea convar. capitata var. sabauda)
савойская капуста
noun
1. iemand die (beroepshalve) saxofoon speelt
саксофонист
/sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
саксофон
/skɑn.ˈdeː.rə(n)/, /skɑn.ˈdɪː.rə(n)/
verb
2. ritmisch declameren met één sterke nadruk per versvoet.
скандировать
pronoun
1. Denemarken, Noorwegen en Zweden.
Скандина́вия
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
скандий
noun
ска́нер
/sə.ˈna.ri.jo/
noun
1. een kort uitgewerkt schema voor de handeling van een dramatisch werk
сцена́рий
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
жезл
/ˈskɛptɪs/
adjective
1. geneigd tot twijfel
скептично
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
рубанок
noun
сса́дина
interjection
шах
noun
2. het schaakspel als zodanig
шахматы
/ˈsxagbɔrt/, /ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
шахматная доска
adverb
мат
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
шахматы
/ˈsxakstʌk/
noun
1. een onderdeel van het schaken dat over het schaakbord bewogen wordt.
[[шахматный|ша́хматная]] [[фигу́ра]]
noun
  1. 3. verhouding van de grootte tussen een model en een echt voorwerp
  2. 4. bepaalde ijking op een grafiek, as of eenheid
масшта́б
/sxaːldir/
noun
1. een dier met een schaal als uitwendig skelet
ракообразное
noun
1.
лобо́к
noun
1. huidplooi bij de opening van de vulva, aan beide zijden van de vagina
губа
noun
1. kleine parasieten die voorkomen in het schaamhaar, maar ook op wimpers...
лобко́вая вошь
/'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
стыд
adjective
1. zonder schaamte
беззасте́нчивый
noun
1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
  1. овца
  2. овца́
noun
  1. 3. grijporgaan van sommige schaaldieren en spinachtigen
    клешня
  2. 1. werktuig om te knippen
    1. ножницы
    2. но́жницы
adjective
1. weinig in aantal of hoeveelheid
дефицитный
/'sxarstə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
недоста́ток
noun
1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
  1. коньки
  2. конёк
verb
1. zich voortbewegen op schaatsen
[[ката́ние]] на [[коньки|конька́х]]
noun
2. bepaald soort insect, Gerris lacustris
водоме́рка
/ˈsxɑxt/
noun
1. (holle) buis
дре́вко
noun
1. geheel van beschadigingen
вред
/ˈsxadələk/
adjective
1. schade toebrengend
вредный
noun
1. het genoegen scheppen in het leed van een ander
злорадство
/ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
тень
noun
выключатель
verb
1. een verbinding tot stand brengen
переключа́ть
noun
1. een sedimentair gesteente
глинистый сланец
noun
1. gas uit schalie
сла́нцевый газ
verb
1. blaasinstrument met een rechte conische boring en een los dubbel riet dat de toon vormt
зурна́
adjective
  1. 1. waarvoor men zich schaamt
  2. 2. gering in omvang
жалкий
/ˈsxaː.mə(n)/, /ˈsχa.mə(n)/
verb
1. schaamte voelen
срами́ться
verb
1.
задеть
noun
1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
скандал
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
срам
noun
1. een paal op een plein, waaraan mensen bij wijze van straf werden vastgemaakt om vernederd...
позо́рный столб
noun
1. een wintersport waarbij op skis van een helling (de schans) gesprongen wordt. Het doel daarbij is om zowel zo ver als zo mooi mogelijk te springen
прыжки на лыжах с трамплина
noun
1. een plank om iets op te zetten
полка
noun
1. bepaald soort platvis Limanda limanda
ершоватка
/sxɑr'mɪŋkɛl/
noun
1. te mager iemand
Коще́й бессме́ртный
/sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
дверная петля
noun
3. vogel uit de familie van de scharrelaars
сизоворонка
noun
1. verzamelde rijkdom
  1. сокровище
  2. клад
/'sxatərə(n)/
verb
1. luidkeels lachen
ржать
noun
лапочка
noun
  1. 2. de financiën van de staat
    казна
  2. 1. een kist
    сундук
/'sxɑtə(n)/, /'sχɑtə(n)/
verb
2. benaderen van een waarde door berekening
оце́нивать
adjective
1. leuk, aardig, enig
миловидный
verb
1. gladmaken door middel van een schaaf.
строга́ть
noun
1. een stellage voorzien van een galg of een valbijl waar veroordeelden terechtgesteld worden
пла́ха
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
ножны
/'sχedəl/
noun
череп
/sxeːl/
adjective
1. het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
косо́й
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
голень
/ˈsxenben/
noun
большеберцовая кость
noun
1. een van zes vrijheidsgraden van beweging van een schip
качка
noun
судостроение
noun
ю́нга
noun
1. iemand die de maaltijden op een schip verzorgt
кок
noun
1. (scheepvaart) een werkgebied
верфь
noun
1. het verkeer op het water
морепла́вание
noun
электробри́тва
/ˈsxɪːrkʋɑst/
noun
1. een dikke kwast waarmee men scheerzeep aanbrengen
кисть для бритья
/sxeːrmɛs/, /sχɪːrmɛs/
noun
1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
бритва
noun
  1. 1. het uiteenhalen van iets in zijn onderdelen
  2. 2. de lijn aan weerszijden waarvan haar naar de ene of de andere kant valt
  3. 3. het verbreken van een huwelijk
отделе́ние
/'sxɛɪtsrɛxtər/
noun
1. iemand die tijdens een spel de spelregels toepast
ампа́йр
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
химия
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
химический
noun
химик
adjective
пронзи́тельный
/ˈsχɛldə/
pronoun
1.een rivier die ontspringt in de gemeente Gouy in noordelijk Frankrijk
Шельда
/'sxɛltwoːrt/
noun
1. een term die bedoeld is om iets of iemand te beledigen
бранное слово
/sxɛlp/
noun
1. een uit kalk gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier wordt aangemaakt
па́нцирь
noun
1. bepaald soort kabeljauwachtige consumptievis, Melanogrammus aeglefinus
пикша
noun
схема
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
сумерки
/sxɛndə(n)/
verb
1. iets niet in acht nemen
изнасиловать
pronoun
Шенген
/'sxɛŋ.kə(n)/
verb
1. geven
  1. давать
  2. дать
noun
1. lepelvormig werktuig
лопата
/ˈsxɛpə(n)/
verb
1. doen ontstaan uit niets
создавать
noun
1. iets nieuws dat uit het niets gemaakt is
мирозда́ние
noun
1. creatuur; iets dat gemaakt is
творение
/sxeːrə(n)/, /sχɪːrə(n)/
verb
  1. 1. baard afsnijden
  2. 2. zich de baard kort afsnijden
брить
/sxɛrf/, /sχɛrf/
noun
1. een onregelmatig gevormd stuk materie dat deel heeft uitgemaakt van een groter geheel
оско́лок
noun
1. verticale draden van het weefgetouw
основа
/sxɛr'mɵʦəlɪŋ/
noun
перепа́лка
adjective
1. goed snijdend
острый
noun
ме́ткий стрело́к
noun
острота́
adjective
проница́тельный
noun
1.
ничто́жество
noun
набро́сок
noun
1. tekenboek
альбо́м
verb
  1. 1. met een minimum van pennenstreken een voorlopige en gewoonlijk uitwisbare afbeelding van iets maken
  2. 2. in overdrachtelijke zin: een korte maar rake beschrijving van iets geven
делать эскиз
/sxøːr/, /sχʏːr/
noun
1. een kloof in een vlies of weefsel
разры́в
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
цинга
/sxʏːrə(n)/
verb
1. in twee of meer delen trekken
рвать
adverb
почти
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
полуостров
pronoun
Схирмонниког
/ˈsxi.tə(n)/, /ˈsχi.tə(n)/
verb
  1. 1. een projectiel afvuren met een wapen
  2. 2. de bal een trap geven
стрелять
noun
1. gat om door te schieten
амбразу́ра
noun
1. een draad met loden balletje om de loodrechte stand van iets te onderzoeken
отвес
noun
1. een confrontatie waarbij partijen elkaar beschieten
пальба́
/sxɛi̯f/
noun
1. plat en rond voorwerp
диск
noun
1. een rem, waarbij op de as van het af te remmen toestel een schijf meedraait, die door middel van remblokken afgeremd kan worden.
ди́сковый то́рмоз
/sxɛi̯n/
adverb
1. bedriegelijk voorkomen
сияние
verb
  1. 1. zich voordoen, vaak op bedrieglijke wijze
  2. 2. naar verluidt
  3. 3. straling uitzenden
казаться
/'sxɛi̯n.ɦi.u̯ə.lək/
noun
1. huwelijk voor de schijn
фиктивный брак
/sxɛjn.vrɵxt/
noun
ложный плод
/sxɛɪt/
noun
1. vaste uitwerpselen
говно
/sxɛɪtə(n)/, /sxɛːtə(n)/, /sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
срать
noun
1. buitenste bekleding van een vrucht
ко́жица
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Щит
/sxɪlt/
noun
  1. 1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
  2. 3. bord
щит
noun
1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
  1. художник
  2. маляр
verb
    1. 1. een kunstwerk vervaardigen door met verf een beeld op een oppervlak te maken
    2. 2. een bouwwerk of voorwerp van een beschermend laag verf voorzien
    писа́ть
  1. 1-2.
    писать
/ˌsxɪldə'rɛː/, /ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
  1. живопись
  2. картина
noun
1. een van beide figuren -menselijk of anderszins- die het wapen flankeren
щитоно́с
/sxɪldkliːr/, /sxɪɫtkliːr/, /sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
щитовидная железа
noun
оруженосец
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
  1. черепаха
  2. черепа́ха
noun
щи́тник
verb
1. de schil van een vrucht verwijderen
очи́стить
noun
1. Oostenrijkse munt
ши́ллинг
noun
  1. 1. paardenras met een grotendeels witte vacht met fijne grijze of blauwige tekening
  2. 2. zwamsoort of substantie die op dode of levende organismen groeit.
белая лошадь
noun
1. ziekte door schimmels
мико́з
noun
2. rijk binnen de eukaryoten, Fungi
гриб
noun
1. schaduwspel
теа́тр тене́й
noun
  1. 1. groot zeewaardig vaartuig
    1. корабль
    2. судно
  2. 2. grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk
    1. неф
    2. корабль
/sxɪbrøk/
noun
1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
кораблекрушение
noun
1. uit elkaar vallen van een kerkgenootschap in twee delen door sterk verschillende opvattingen
раско́л
noun
1. gesteente
сланцы
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
  1. Шизофрения
  2. шизофрения
noun
1. gepaneerd kalfsvlees
шни́цель
noun
1. alles wat men om de voeten heen kan dragen, zoals schoenen en laarzen
обувь
noun
1. een vervelend iemand
говню́к
/sxun/
noun
1. voetbekleedsel
  1. туфля
  2. башмак
  3. обувь
  4. полуботинок
noun
1.
китогла́в
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
шхуна
noun
рожок
noun
сапожник
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
  1. шнурок
  2. шнурок для ботинок
/ˈsxɔfəl/, /ˈsχɔfəɫ/
noun
1. een horizontaal liggend scherp geslepen mes van staal dat bevestigd is aan een houten steel
мотыга
noun
неуважение
noun
  1. 1. schouder van paard of rund
    холка
  2. 1.
    мерза́вец
noun
1. mechanisme om schokken te dempen
амортизатор
noun
1. heftige uitwerking
влия́ние
noun
1. bepaald soort platvis, Pleuronectus platessa
морска́я ка́мбала
noun
1. zwart-witte waadvogel met luide roep, Haematopus ostralegus
кули́к-соро́ка
verb
1. aan een opleiding onderwerpen
учи́ть
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
ученик
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
качели
verb
1. op een schommel heen en weer bewegen
качаться
noun
колебание
/ˈsxɔməlstul/
noun
1. een stoel, gewoonlijk op gebogen staanders, waarop men heen en weer kan schommelen
кре́сло-кача́лка
noun
  1. 2. wiskundige structuur
    пучок
  2. 1. samengebonden bundel halmen
    сноп
/sxoːl/, /sxoːɫ/, /sχoːɫ/
noun
1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
  1. школа
  2. шко́ла
noun
доска
noun
дире́ктор
noun
учени́к
/sxols/, /sχo̝ɫs/
adjective
1. zoals op school
учебный
/ˈsxoːl.tɑs/
noun
школьный ранец
prefix
со [[сторона|стороны́]] [[муж|му́жа]]/[[жена|жены́]]
/ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
шурин
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
  1. невестка
  2. сноха
/ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
красота
noun
конкурс красоты
noun
уборщик
/ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
  1. свекровь
  2. тёща
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
  1. свёкор
  2. тесть
noun
1. de man van een dochter of zoon
зять
/ˈsxonzʉs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
золовка
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
  1. дымоход
  2. труба́
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
трубочист
/ˈsxoːrwɑl/, /ˈsxoːrβ̞ɑl/, /ˈsχɔːrʋɑl/
noun
1. een lange, smalle landtong die gevormd wordt door afzetting van zand in een bocht van de zeekust, en die de bocht op deze manier geheel of gedeeltelijk afsluit van de open zee
коса
/sxot/, /sχot/
noun
3. een lijn, aan de benedenhoek (de schoothoek) van een zeil bevestigd om het zeil mee in de wind te richten
шкот
noun
1. graafwerktuig
Лопата
/'sxɔ.pə(n)/
noun
1. kaartkleur
ви́ни
noun
1. aas van schoppen
пи́ковый туз
noun
1.
вале́т пик
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 oktober tot 22 november
Скорпион
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
  1. скорпион
  2. скорпио́н
/sxɔrs/
noun
1. buitenste laag van (boom)stam
кора
noun
козелец
noun
1. een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen ...
  1. передник
  2. фартук
noun
1. een persoon afkomstig uit Schotland
шотла́ндец
noun
  1. 1. afvuren
    бросо́к
  2. 2. tussenwand
    дефле́ктор
noun
3. kop en schotel
блюдце
/ˈsxɔtlɑnt/, /ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Шотландия
/ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lis/, /ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lɪs/, /ˌsχɔts.χa.ˈe.lis/
pronoun
1. Keltische taal die door ongeveer 60.000 personen wordt gesproken op de Schotse eilanden ...
гэ́льский
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
плечо
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
лопатка
noun
1. het naar boven bewegen van de schouders als teken dat iemand het niet weet of niet interesseert is, soms is het een uitdrukking van machteloosheid
[[пожима́ние]] [[плечо|плеча́ми]]
verb
болельщик
verb
поскрести́
/'srɑpə(n)/, /'sxrɑpə(n)/
verb
2. doorhalen, verwijderen van een lijst
списать
/sxreu̯/, /sχrɪːu̯/
noun
1. een luide (uit)roep
крик
/ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
вопи́ть
/srɪft/, /sxrɪf/, /sxrɪft/
noun
1. een dun boekje met lege bladzijden om in te schrijven
тетрадь
noun
1. een mechanisch apparaat, voorzien van druktoetsen waarmee schrifttekens op papier gezet kunnen worden
пишущая машинка
/ˈsrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛːfstər/
noun
1. een persoon van het vrouwelijk geslacht die op professionele manier boeken of verhalen schrijft
писательница
/sxrɛɪn/, /sçrɛːn/
noun
kistje
ра́ка
/ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
  1. писать
  2. написать
/ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
писатель
noun
1. een jaar met 366 dagen
високосный год
verb
2. een achterwaartse beweging in de lengterichting maken
продольная качка
noun
  1. 2. werktuig met twee of meer gebogen bladen die door draaiing een schip of vliegtuig voortbewegen
    1. винт
    2. пропеллер
  2. 1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
    1. винт
    2. шуруп
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
отвёртка
/sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
чешуйка
adjective
застенчивый
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
трясти
noun
штангенинструме́нт
/sxʌʏm/
noun
1. iets dat veel luchtbellen bevat
пена
verb
пе́ниться
noun
Шумовка
noun
  1. Шумовка
  2. шумовка
adjective
  1. 1. niet-loodrecht
    косо́й
  2. 2. betrekking hebbend op seks
    неприличный
noun
[[косой|коса́я]] [[черта́]]
/sxœyt/
noun
  1. 1. een eenvoudig open vaartuig
    1. лодка
    2. чёлн
  2. 2. een spoelhouder
    челнок
verb
1. over de grond verplaatsen
засо́вывать
noun
2. een verantwoordelijkheid die iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
вина́
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
кредитор
/'sxɵldəx/
adverb
вино́вный
noun
1. langdurig verlies van vrijheid als gevolg van een schuld die niet kan worden afgelost
кабала́
noun
1.
понт
/sxyrə(n)/
verb
1. een oppervlak glad maken door wrijving met een ruw oppervlak van grotere hardheid
отдра́ивать
adjective
1. met veel wrijving; beetje vervelend
абрази́вный
/sxɵrft/
noun
1. een huidaandoening veroorzaakt door de schurftmijt
чесо́тка
noun
зу́день
/sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
  1. негодяй
  2. мерзавец
  3. подлец
  4. злодей
noun
1. onfatsoenlijke staat
госуда́рство-изго́й
noun
  1. 2. een blad dat in de oksel van een bloem of bloeiwijze onmiddellijk daaronder staat
    прицве́тник
  2. 1. een vel papier dat het boekblok beschut
    фо́рзац
/sxyːr/, /sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
  1. сарай
  2. амбар
pronoun
1. stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Швайгерн
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Beieren
Швангау
pronoun
1.
Зверин
noun
1. ziekelijke verharding
склеро́з
noun
1.
инвали́дная коля́ска
verb
получа́ть
noun
1. scouting
разве́дка
/ˈskrɪp.si/
noun
1. een werkstuk over een (literatuur-) onderzoek dat gemaakt wordt om een opleiding te kunnen voltooien
диссертация
verb
1. scrollen
скро́ллить
noun
сце́на
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
сиборгий
noun
сепаратизм
noun
  1. 5. een interval met een toonafstand
    секунда
  2. 1. SI-grondeenheid van tijd
    1. секунда
    2. секу́нда
/səkrəta'rɛsə/
noun
vrouw
секретарша
/səkre'tarəs/
noun
1. functie in organisatie
секретарь
noun
1. hoge functionaris binnen grote organisaties, zoals de Verenigde Naties, NAVO, FIFA
генера́льный секрета́рь
noun
1. afscheiding
выделе́ние
/səkʏnˈdɛːr/
adjective
втори́чный
noun
1. 1099
дуотригинтиллион
adjective
осе́длый
adjective
оса́дочный
pronoun
Се́дна
pronoun
Софо́ния
noun
1. onderdeel
отре́зок
/sɛɪn/
noun
1. een betekenisvolle beweging
знак
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Сена
noun
1. een toestel dat beweging en of trillingen van de aardkorst waarneemt en registreert
сейсмограф
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
сейсмология
/sɛɪ̯.ˈzun/, /sɛː.ˈzun/
noun
  1. 1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
    вре́мя го́да
  2. 2. een jaarlijks terugkerende periode
    сезо́н
/sɛks/
noun
2. geslachtsgemeenschap
секс
noun
1. sekse
пол
noun
секси́зм
adjective
1.
женоненави́стнический
noun
1.
секс-игру́шка
noun
сексуальность
/sɛksy'el/
adjective
1. op de geslachtsdrift betrekking hebbend
полово́й
noun
1.
сексуальное злоупотребление
/ˌsɛksʏwolo'ɣi/
noun
сексоло́гия
/ˈsɛks.wɛr.kər/
noun
  1. рабо́тник се́кс-би́знеса
  2. рабо́тница се́кс-би́знеса
adjective
1. betrekking hebbend op een sekte
секта́нтский
/ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
секта
noun
  1. 1. stukje dood weefsel
  2. 2.
  3. 3.
секвестр
noun
1. bepaald soort plant, Apium graveolens
сельдерей
noun
га́лочка
noun
1. Scheikundig element met symbool Se en atoomnummer 34
селен
noun
селен
/sɛlfi/
noun
1. een foto die iemand van zichzelf heeft genomen
се́лфи
pronoun
Селлафилд
/se'mɑntis/
adjective
1. de semantiek betreffend
семанти́ческий
noun
een half jaar
семестр
noun
семиотика
adjective
1.
семи́тский
noun
сенат
noun
сена́тор
/ˈse.ne.ˌɣɑl/, /ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Сенегал
/seˈnil/
adjective
1. aan de ouderdom eigen, door de ouderdom afgetakeld
дря́хлый
noun
1. geestelijke en lichamelijke ouderdomsverschijnselen
дря́хлость
noun
1. sterke beroering door een verrassend voorval of bericht
сенса́ция
noun
сепаратизм
adjective
коричневая
noun
1. ernstige onstekingsreactie
зараже́ние кро́ви
noun
1. negende maand van het jaar
  1. сентябрь
  2. сентя́брь
/seˈkoja/, /seˈkɔja/
noun
1.1 benaming voor bomen uit het geslacht Sequoia
секвойя
adjective
1.vredig en kalm
безмяте́жный
noun
1. muzikaal eerbetoon
серена́да
noun
1.
везучесть
noun
1. het helder en kalm zijn
безмяте́жность
noun
1. een rang onder de onderofficieren
сержант
noun
1. een aantal elementen op volgorde
после́довательность
adverb
1. ernstig
серьёзный
/sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
сирень
noun
1. een slang
змея
noun
  1. 1. glazen veranda
    зи́мний сад
  2. 2. gebouw(tje) met veel glas voor het kweken van planten
    теплица
noun
1. de vloeibare stof die overblijft als bloed is gestold
сы́воротка
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
сервер
verb
1. iets op tafel opdienen
обслу́живать
/sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
  1. салфетка
  2. салфе́тка
/ˈsɛrvis/, /ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
сербский
/ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
Сербия
/ˈsɛrvi.jər/
noun
1. een inwoner van Servië, of iemand afkomstig uit Servië
Серб
/sɛrvoːkroːˈaːtis/
pronoun
  1. сербохорватский
  2. сербско-хорватский
noun
1. een uit Afrika afkomstige plant uit de familie Pedaliaceae
  1. кунжут
  2. сезам
noun
кунжу́тное ма́сло
noun
1. verzameling
колле́кция
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Секста́нт
noun
1. hoekmeetinstrument
секстант
/se.ˈʃɛ.lə(n)/, /sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
Сейшелы
noun
1. het geheel van gedachten en gevoelens die de gemoederen in een bepaalde omgeving bezighouden
настро́й
noun
1.
сферо́ид
noun
1.
сфинкс
/ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
  1. шампунь
  2. шампу́нь
noun
1. een vorm van software die zonder of met weinig restricties verspreid mag worden,...
усло́вно-беспла́тное ПО
noun
1. een Spaanse versterkte wijn
херес
noun
1.
сянгу́
noun
ши́ллинг
noun
синтоизм
/ʃɔk/
noun
1. een toestand die ontstaat door acute te geringe bloedtoevoer naar weefsels door ondervulling van het slagaderlijk systeem
шок
pronoun
1. een taal die gesproken wordt door ongeveer 11.000.000 mensen in Zimbabwe, Botswana, Malawi en Zambia
шо́на
noun
1. een schaatsdiscipline waarbij op een baan van 111,12 meter op diverse afstanden geschaatst wordt door meerdere rijders tegelijk
шорт-трек
/ˈʃo.pro.sɛs/
noun
показательный процесс
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
  1. Международная система единиц
  2. Междунаро́дная систе́ма едини́ц
noun
лазу́рная пти́ца
pronoun
Сибирь
adverb
2. het staat zo letterlijk in de brontekst
так
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 10 miljoen mensen op Sicilië, in Zuid-Calabrië en Salento
[[сицили́йский]] [[язы́к]]
/sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
  1. Сицилия
  2. Сици́лия
noun
1. bepaald soort grote, palingachtige vis die zware stroomstoten kan afgeven, Electrophorus electricus
электри́ческий у́горь
noun
1. naam voor soorten platvis die hun prooi kunnen verdoven met een elektrische stroomstoot
гнюс
verb
укра́сить
/ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
Сьерра-Леоне
noun
Табак крылатый
noun
1.
цветово́дство
noun
сигара
/sɪɣɑˈrɛt/, /sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
сигарета
noun
1.
си́гма
/sɪɲˈaːl/
noun
1,2,3,4,5,6. vorm van informatie
сигна́л
adjective
голубая сигнальная
adjective
сигнальный коричневый
adjective
желтая сигнальная
adjective
серая сигнальная
adjective
зеленая сигнальная
adjective
оранжевая сигнальная
adjective
фиолетовая сигнальная
adjective
белая сигнальная
adjective
черная сигнальная
verb
1. constateren en waarschuwen
  1. замечать
  2. фиксировать
  3. отмечать
verb
1. langzaam wegvloeien
капать
noun
1. benaming voor een hoefdier Cervus nippon
пятнистый олень
noun
сикх
/ˈsɪkəl/
noun
  1. 1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
    серп
  2. 1-4. Joodse munt
    1. сикль
    2. шекель
/siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
Силезия
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
силуэт
noun
силика́т
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
  1. кремний
  2. силиций
noun
1. organische silicium verbinding
силикон
noun
1. het uit winstbejag verhandelen van geestelijke (kerkelijke) goederen of ambten
симония
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
апельсин
pronoun
1. een taal die ontworpen is door J. R. R. Tolkien en gebaseerd is op het Welsh
си́ндарин
pronoun
1.
Зиндельфинген
pronoun
1. een taal die in zowel Pakistan als India gesproken wordt
синдхи
noun
1. makkelijk baantje, taak
корму́шка
/sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /sɪŋ.gɑ.poːr/, /sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Сингапур
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Зинсхайм
/ˌsɪntøˈsta(t)sijʏs/
pronoun
Синт-Эстатиус
/sɪnt.'maːr.tən/
pronoun
1. eiland in het noordoostelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Сен-Мартен
pronoun
Свята́я Еле́на
noun
1. Pecten jakobeus
гребешок
noun
Зверобой продырявленный
pronoun
1.
Река́ Свято́го Лавре́нтия
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
  1. Санкт-Петербург
  2. Петербу́рг
noun
синус
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
сире́на
pronoun
1. Sirius
Си́риус
noun
сиро́кко
noun
1. een instrument dat rinkelende geluid voortbrengt
систр
noun
1.
ситар
/sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
ситуация
noun
1. een langwerpige lap stof die om de hals gedragen wordt
  1. шаль
  2. шарф
/ʃɑ'blo:n/
noun
трафарет
noun
1.
шах
noun
1. een kleine uiensoort
лук-шалот
noun
1. aan een spit geroosterde stukjes vlees en paprika
шашлы́к
/'ʃɛkɛl/
noun
1.
ше́кель
noun
1. een brede, gekleurde band die vaak gedragen wordt als een waardigheidsteken
куша́к
noun
Шииты
/ˈʃɪksə/
noun
1.
ши́кса
/ʃul/
noun
cинагога
/ʃoˈfɑr/
noun
1.
шофа́р
verb
1. iets met touw stevig vastzetten, zodat deze niet kan overgaan bij transport
крепить
noun
1. iemand die beroepsmatig zware lasten verplaatst
  1. грузчик
  2. носильщик
/ʃʋɑ/
noun
1. toonloze klinker
шва
noun
скейт
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
скелет
noun
лы́жа
noun
1. bril die tijdens het skiën gedragen wordt
лыжные очки
noun
1.
сци́нк
verb
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
кататься на лыжах
/ˈskɔp.jə/
pronoun
1. de hoofdstad van Noord-Macedonië
Ско́пле
noun
  1. 1. plant van de soort Lactuca
    1. Лату
    2. Сала
  2. 2. plant Lactuca sativa
    Лату́к посевной
  3. 4. salade
    Сала́т
  4. 2 en 3. (bladeren van) Lactuca sativa
    1. Сала́т латук
    2. салат
/slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
  1. раб
  2. рабыня
verb
  1. 1. een klap uitdelen; met de arm of een vastgehouden voorwerp een snelle, rakende beweging maken
  2. 2. het voorbrengen van geluid door ergens op te slaan
бить
/slap/
noun
  1. 3. zijvlak van het hoofd
    висок
  2. 1. periode van inactiviteit
    сон
noun
1.
дива́н-крова́ть
noun
1. een van de beenderen van de schedel
височная кость
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
спальня
noun
1. meestal in een punt uitlopend hoofdbedekking van textiel, gedragen tijdens de nachtrust
колпа́к
noun
1.
дежу́рный режи́м
noun
1. iemand die loopt in een toestand van verminderd bewustzijn
луна́тик
noun
спа́льный мешо́к
noun
со́нная боле́знь
/slɑp/
noun
1. doekje om op te morsen
слюнявчик
/slɑxtə(n)/
verb
1. een dier doden voor het vlees of als offer
заби́ть
noun
мясни́к
noun
1. slachthuis
мясная лавка
noun
    1. 1. een dier dat gedood wordt als offer voor een godheid
    2. 3. in het bijzonder iemand die sterft (of gewond raakt) ten gevolge van een gebeurtenis (ramp of gewelddaad)
    же́ртва
  1. 2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
    жертва
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
артерия
/ˈslɑxbom/, /ˈslɑçbom/
noun
balk die dwars over een weg kan worden neergelaten als afsluiting
шлагбаум
/ˈslaːɣə(n)/, /ˈslaːχə(n)/
verb
2. het examen succesvol beëindigen
сдать
noun
1. een verkoper van vlees
мясник
noun
1. bedrijf van een slager
мясная лавка
noun
1. muziekinstrument waarop wordt geslagen
уда́рный инструме́нт
noun
1. slagpen
уда́рник
noun
взбитые сливки
noun
1. groot schip met zware bewapening
бронено́сец
noun
1. buitengewoon lange tand van bepaalde soorten zoogdieren
бивень
/ˈslaxfɛlt/
noun
1. een gebied waarop een militair treffen tussen twee legers plaatsvindt of plaatsgevonden heeft
[[по́ле]] [[битва|би́твы]]
noun
  1. 1. een buikpotig weekdier (huisjesslak)
    улитка
  2. 2. een onoplosbaar afvalproduct bij het smelten van metaal
    шлак
noun
1. met een ~: erg langzaam
черепаший темп
noun
1. Rostrhamus sociabilis, een roofvogel van de moerassen van de warmere streken van de beide...
коршун-слизнеед
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
змея
adjective
1. met de vorm of het gedrag van een langgerekt reptiel zonder poten
змееви́дный
noun
заклина́тель змей
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Змеено́сец
noun
змеиный яд
adjective
стро́йный
noun
бессонница
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
  1. спать
  2. поспа́ть
noun
со́ня
/ˈsla.pə.rəx/, /ˈsla.pə.rəχ/, /ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
сонный
/ˈsla.pə.rəx.ˌɦɛːt/, /ˈsla.pə.rəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /ˈsla.pə.rɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
2. de neiging te gaan slapen
дремо́та
noun
[[торго́вля]] [[раб|раба́ми]]
noun
1.
рабство
adjective
славянский
pronoun
Славянин
pronoun
1.
Славо́ния
/slɛçt/
adjective
1. niet goed
плохой
/slɛçt/
adverb
1. niet goed
плохо
adjective
ху́же
noun
1. iemand die kwaad doet of in de zin heeft
[[отрица́тельный]] [[геро́й]]/[[персона́ж]]
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
сапсан
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
сани
noun
1. bepaald soort plant met blauwe vruchten, Prunus spinosa
терно́вник
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
буксир
noun
1. vlechtwerk van touw dat over een waterbodem gesleept kan worden om zo waterdieren te vangen
трал
pronoun
Шлезвиг-Гольштейн
noun
2. kloof
гра́бен
verb
1. (langzaam) ergens heen lopen, futloos of lusteloos
волочи́ть но́ги
verb
1. trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
воло́чь
noun
блядь
/sløːtəl/, /sløːtəɫ/, /ˈslø.tɔɫ/
noun
  1. 1. werktuig om te (ont)sluiten
  2. 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
  3. 3. een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
ключ
noun
1. het bot dat het borstbeen met de schouder verbindt
ключица
/ˈsløtəɫˌbɔs/
noun
1. aantal sleutels dat aan eenzelfde ring of band hangt
связка ключей
/ˈsløtəɫχɑt/, /ˈsløːtəlɣɑt/
noun
1. een gat in een slot waardoor een sleutel moet worden gestoken om hem te openen
замо́чная сква́жина
/ˈsløtəɫˌɦɑŋər/
noun
1. ring om sleutels aan te hangen, vaak voorzien van een logo of label.
брело́к
noun
1.
ключево́е сло́во
/slɛɪm/
noun
1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
слизь
noun
1. slijm afscheidend membraan
слизистая оболочка
noun
брус
adjective
1. intelligent, snel van begrip
умный
/slɪp/
noun
1. kort, strak onderbroekje zonder pijpen
бри́фы
/slɪpə(n)/
verb
1. door gladheid over de weg schuiven
скользи́ть
noun
1. een brandewijn gedestilleerd uit gefermenteerde pruimen
сливо́вица
adjective
1.
мешковатый
noun
гамаша
noun
  1. 2. een scheepstype dat vele jaren als onafhankelijk zeevaartuig in gebruik is geweest.
    шлюп
  2. 1. een klein scheepstype dat op het dek van een groter schip wordt meegevoerd
    шлюпка
noun
1. een mondvol vloeistof die ingeslikt wordt
глоток
noun
пищевод
noun
шарово́й тара́н
/sloːt/
noun
1. smal watergang om of tussen weilanden
  1. канава
  2. кювет
verb
1. een structuur ontmantelen, afbreken
разру́шить
/slopə'rɛi/
noun
1. sloopbedrijf
сва́лка
adjective
1. zonder de nodige zorg uitgevoerd
неаккуратный
noun
  1. 1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
    замок
  2. 2. een middeleeuwse versterkte woning
    1. замок
    2. затвор
    3. запор
noun
слесарь
/sloˈvens/, /sloˈveːns/, /sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
словенский
/sloˈveni.jə/, /sloˈveːni.jə/, /sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
Словения
pronoun
1. internationale hulptaal
Словио
noun
1. film met vertraagde beelden
заме́дленное движе́ние
/slo.ˈwaks/, /slo.ˈʋaks/, /slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
  1. словацкий
  2. словацкий язык
/ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Словакия
noun
вуа́ль
noun
1. het in een lichte slaap verkeren
дрёма
noun
1. Alternatieve route die meestal gebruikt wordt om files te mijden
[[кратча́йший]] [[пу́ть]]
noun
1.
снайпер
noun
шлюз
noun
1. symbool voor een verticaal streepje
пайп
verb
1. toedoen, dichtmaken
закрыть
/ˈslœʏ̯.tər/, /ˈslœː.tər/
noun
1. een element van een fotocamera
затвор
noun
1. het tijdstip dat een winkel, horecazaak gaat sluiten
[[вре́мя]] [[закрытие|закры́тия]]
adjective
долговязый
noun
1. verlengde snuit
рыло
/slyw/
adjective
1. op een doortrapte wijze slim
кова́рный
noun
  1. 3. bepaalde subjectieve voorkeur
  2. 2. gewaarwording bij het proeven van eten en drank
вкус
noun
вкусово́й сосо́чек
verb
1. ~ naar een bijzonder sterk verlangen hebben naar iets dat men ontbeert
жа́ждать
adjective
1. goed van smaak zijnd of van een goede smaak genietend
изя́щный
/ˈsmaː.kə.los/
adjective
  1. 1. (van voedsel) geen smaak hebbend
  2. 2. (figuurlijk) geen fatsoen of gevoel voor esthetiek of mode hebbend, vulgair
безвку́сный
noun
изумруд
adjective
зеленая изумрудная
noun
1. harde slag
смэш
verb
1. het bewerken van metalen door deze heet te maken en met een hamer te slaan om het materiaal de gewenste vorm te geven
кова́ть
noun
1. is ijzer dat wordt gemaakt door het te smeden
ко́ваное желе́зо
noun
костоло́мка
noun
1. afscheiding die men onder de voorhuid van de penis kan aantreffen
смегма
/smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
умолять
noun
1. (bloemplanten)
луговик
noun
дербник
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
таять
/ˈsmɛltkrus/
noun
  1. 1. vuurvaste pot voor het mengen van gesmolten metaal
  2. 2.
плави́льный котёл
/smɛltpʌnt/
noun
1. de temperatuur waarbij iets gaat smelten
температура плавления
noun
1. besmet materiaal
контамина́нт
/ˈsmø.lə(n)/
verb
  1. 1. zacht en langzaam branden zonder vlammen
  2. 2. verborgen aanwezig zijn
тлеть
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
  1. кузне́ц
  2. кузнец
noun
1. smient
свия́зь
/smɛitə(n)/
verb
1. hard gooien of werpen
  1. бросать
  2. забрасывать
/smul/
noun
1. (vulgair of informeel) mond
пасть
noun
смокинг
noun
контрабанди́ст
/ˈsmɔ.kə.lə(n)/
verb
1. wederrechtelijk goederen over een grens brengen om heffingen te ontduiken
торговать контрабандой
verb
  1. 1. iemand of iets het ademen beletten
    душить
  2. 2. onderdrukken
    1. душить
    2. давить
  3. 3. iets in enig vet aanbraden, vervolgens vocht toevoegen en afdekken om het zachtjes gaar te laten worden
    тушить
noun
1. strip- en tekenfilmfiguur in de vorm van een soort blauwe kabouter met een wit mutsje
смурф
noun
2. lang zeer dun rond en flexibel voorwerp
струна́
noun
1. muziekinstrument met snaren
струнный инструмент
noun
тео́рия струн
/ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
клюв
/sne/
noun
  1. 1. inkeping gemaakt door het snijden met een mes of ander scherp voorwerp
  2. 2. een afgeneden plak, meestal van brood
поре́з
/sneʊ̯/, /sneːβ̞/, /snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
снег
/ˈsneʊ̯bɑl/, /ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
снежок
noun
эффе́кт сне́жного ко́ма
noun
2. soort slee
ватрушка
noun
1. een laag sneeuw op de bodem, die wordt gevormd als gevolg van sneeuwval en sneeuwstormen en gedurende een bepaalde periode blijft liggen
сне́жный покро́в
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
  1. идти
  2. снежи́ть
noun
белый гусь
noun
1.
пуночка
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
тундреная куропатка
/'snewjɑxt/
noun
1. sneeuwval bij harde wind
бура́н
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
снежная баба
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
снежная баба
/ˈsneʊ̯.sxœː.vər/, /ˈsneːβ̞.sxœː.vər/, /ˈsnɪːβ̞.sχœʏ̯.vər/
noun
2. een voertuig dat is uitgerust met een mechaniek waarmee het sneeuw kan verplaatsen
снегоочиститель
/'snew.stɔrm/
noun
  1. пурга
  2. буран
noun
1. bepaald soort vogel, Bubo scandiacus
  1. Белая сова
  2. белая сова
noun
снегопад
/'snewvlɔk/
noun
1. een kleine massa aaneengehechte sneeuwkristallen
снежинка
pronoun
Белоснежка
/snɛɫ/
adjective
  1. быстрый
  2. быстрая
  3. быстрое
noun
1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
скорость
noun
мангольд
noun
1. en 2. (peulvrucht van) ras van Phaseolus vulgaris
фасоль стручковая
/ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
резать
noun
1. iets dat of iemand die snijdt
ре́зчик
noun
2. met een mes gemaakte snee
отре́зок
noun
сельдерей
verb
всхлипывать
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Scolopacidae
бека́с
noun
1. verwaandheid
сноби́зм
/ˈsnujə(n)/
verb
1. terugbrengen op gewenste lengte
прореживать
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
щука
noun
1. bepaald soort zoetwaterroofvis, Sander lucioperca
судак
noun
  1. 2. vogel
    соловьиный сверчок
  2. 1. beharing
    усы
noun
  1. 1. een holle gebogen buis van rubber of plastic, met een mondstuk, dat je in staat stelt adem te halen als je aan het wateroppervlak zwemt met je hoofd onder water.
  2. 2. een toestel voor luchtverversing in een onderzeeboot.
дыхательная трубка
noun
1. een slijmerige afscheiding uit de neusholte
со́пли
noun
1. jonge onverlaat, iemand die nog niet meetelt
сопля́к
noun
1. soort skiplank
сноуборд
verb
1. met een snowboard van een berghelling of piste afglijden
ката́ться на сноубо́рде
noun
1. reukorgaan van dieren
морда
verb
2.
ню́хать
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
храпеть
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
ЗППП
adjective
1.
бережли́вый
/soʃal/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de menselijke samenleving
  2. 2. geneigd om in groepen te leven
  3. 3. gevoel hebbend voor de nood van de medeleden van de samenleving
социальный
noun
сосло́вие
noun
1.
[[социа́льное]] [[дистанци́рование]]
noun
1. aanzien dat of voorname positie die iemand heeft in een groep of samenleving
социальный статус
noun
социализм
noun
социалист
pronoun
1. officiële naam van Joegoslavië van 1963 tot 1992
Социалисти́ческая Федерати́вная Респу́блика Югосла́вия
noun
1. visuele voorstelling van de affectieve relaties in een sociale groep
социограмма
noun
социолект
noun
1. wetenschap
социология
adjective
1. betrekking hebbend op of product zijn van de sociologie
социологически
noun
социолог
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
социопа́т
pronoun
Соко́тра
/su.ˈdɑn/, /zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
Судан
noun
суфизм
/sundaˈnes/
pronoun
1. taal die vooral in het westen van Java gesproken wordt
сунданский
noun
Сунниты
noun
1. vloeibaar gerecht
  1. суп
  2. похлёбка
noun
1. diep bord
глубокая тарелка
noun
2. lepel waarmee soep gegeten wordt
столо́вая ло́жка
noun
список
noun
суверените́т
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
  1. программное обеспечение
  2. софтвер
noun
разработчик
noun
со́евое ма́сло
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
носок
noun
1. een voetstuk, voornamelijk voor beelden
цоколь
noun
2. extra online identiteit
ку́кла из носка́
/sɔlˈdaːt/
noun
1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
  1. солдат
  2. воин
noun
1. een stuk gereedschap om mee te solderen
паяльник
noun
1. brander waarmee men kan solderen
пая́льная ла́мпа
noun
1. metaalmengsel waarmee men
припо́й
verb
1. een door verhitting vloeibare tussenstof aanbrengen tussen losse metaaldelen waardoor deze na afkoeling vast verbonden blijven
паять
noun
сольфе́джио
adjective
солидарный
noun
солида́рность
pronoun
1.
Золинген
noun
солипсизм
/ˈsolo/
noun
со́ло
/sɔm/
noun
1. resultaat van een optelling
сумма
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Somalië
  1. сомали
  2. сомалийский язык
/so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
Сомали
adjective
  1. 1. in neergeslagen stemming
  2. 2. een neergeslagen stemming veroorzakend
мра́чный
noun
1. instrumentaal muziekstuk
сона́та
noun
  1. 1. een peilstift om de ruimte binnen een lichaam te verkennen, of om er gegevens op te nemen
  2. 3. een onbemand ruimtevaartuig
  3. 2. een instrument om voeding in vloeibare vorm toe te dienen
зонд
/ˈsɔːrt/
noun
2. een groep levende wezens die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
вид
noun
2. de naam van de groep waartoe iets behoort
апелляти́в
pronoun
1. een groep Slavische talen die wordt gesproken in het oosten van Saksen en het zuidoosten van Brandenburg
лужицкий
verb
1. orde in een verzameling aanbrengen door soort bij soort te leggen
отсортирова́ть
verb
1. zijn rol zachtjes voorzeggen
подска́зывать
noun
1. klein voorwerp dat helpt om aan een prettige ervaring met een plaats of persoon terug te denken
сувенир
pronoun
Советский Союз
noun
1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
Спица
/ˈspakbeɪn/
noun
bot in de onderarm
лучевая кость
/ˈspandər/
noun
1. langwerpig stukje hout dat bij het hakken afvalt.
стружка
/spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
  1. испанский
  2. испанский язык
/spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
  1. испанский
  2. испанский язык
/ˈspan.sə/
noun
1.
испанка
adjective
1.
испаноговоря́щий
noun
1. afgesloten voorwerp waarin contant geld opgespaard wordt
копилка
/'spar.zam/
adjective
1. zorg dragend niet te verspillen
бережливо
noun
1. brede, zware schep, bedoeld voor het spitten van grond
лопата
noun
спагетти
noun
1. plankje e.d. om arm of been rust te geven
лубо́к
verb
1. fixeren van een gewricht
[[накла́дывать]] [[шина|ши́ну]]
/spɑnduk/
noun
1. een uitgespannen doek met een leus erop
  1. лозунг
  2. транспарант
noun
1. hondenras
спание́ль
/ˈspɑ.ɲard/, /ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
испанец
/ˈspɑ.ɲə/, /ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
  1. Испания
  2. Гишпа́ния
noun
2. vlinder
пяденица
noun
  1. 1. mechanische spanning
  2. 2. emotionele spanning
вольта́ж
noun
1. afstand tussen uiteinden
разма́х кры́льев
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
  1. пихта
  2. ель
/ˈspa.rə(n)/
verb
1. geld niet uitgeven
экономить
noun
1. een spar
пихта
noun
1. verhoogde spierspanning, continue kramp
спастичность
noun
1.
крыло́
noun
1. spaan, lepel, e.d. met plat, bot uiteinde om mee te smeren
лопа́тка
noun
1. tussenruimte tussen twee woorden
пробе́л
noun
спасьонавт
noun
1. een gedroogd plantendeel, anders dan een groen blad of stengel, dat als geur-, kleur- of smaakstof aan voedsel wordt toegevoegd
пря́ность
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
  1. дятел
  2. дя́тел
/spe.si.ˈjal/, /spe.ˈsjaːl/, /spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
дорого́й
noun
1. specificatie
специфика́ция
adjective
1. kenmerkend
конкре́тный
adverb
1. in het bijzonder
конкре́тный
adjective
захва́тывающий
adjective
спектральный
noun
1. kleurenband
спектр
adjective
спекуляти́вный
verb
1. inzetten op een bepaalde kans, meestal met hoog risico
спекули́ровать
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
  1. слюна
  2. слюна́
noun
1. een klier die speeksel produceert en naar de mondholte afscheidt
слю́нная железа́
/ˈspelɣud/, /ˈspelɣut/, /ˈspɪːɫχut/
noun
1. één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
игрушка
noun
игрушечный автомобиль
noun
игра́льная ка́рта
noun
2. tepel van een zoogdier
со́ска
noun
1.1 bepaald soort plant met niervormige bladeren, botergele bloemen en wortelknolletjes, Ficaria verna
лютик весенний
/spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
копьё
noun
1. opzienbarend schouwspel
зре́лище
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
игра
/ˈspeːlə(n)/
verb
  1. играть
  2. поиграть
/spelejo'lox/
noun
1. holen en grotten onderzoeker
спелео́лог
noun
  1. 1. deelnemer aan een spel
  2. 2. een partij
игрок
verb
1. letters in de juiste volgorde plaatsen
[[писа́ть]] по [[буква|бу́квам]]
/ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
орфография
noun
1. grove tarwesoort
  1. по́лба
  2. спельта
noun
1. een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat
тео́рия игр
noun
молофья́
noun
1.
сперматозо́ид
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
  1. перепелятник
  2. ястреб-перепелятник
noun
1. en 2. (peul van) cultivar van Phaseolus vulgaris
  1. спаржевая фасоль
  2. зелёностручковая фасоль
  3. фасоль стручковая
pronoun
1.
Шпейер
noun
1. beelden terugkaatsend voorwerp
зеркало
noun
1. een orgaan
  1. мышца
  2. мускул
verb
2. ter dood brengen door doorboring met een spies
посади́ть на́ кол
verb
1.
прогуливать
noun
1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
гвоздь
noun
клинопись
noun
пищеварение
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
паук
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
  1. шпинат
  2. шпина́т
noun
1. voorlichter
политтехнолог
verb
1. een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
прясть
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
паук
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
паук
noun
1. een door een spin gemaakt net om insecten te vangen
паути́на
noun
шпион
noun
1. de handeling van het spioneren
шпиона́ж
noun
1. een kromme lijn
спира́ль
noun
духо́вность
noun
1. draaiende staak waarop men vlees of een geslacht dier spietst en boven of naast een hittebron roostert
ве́ртел
adjective
1. in een punt uitkomend
остро
noun
  1. 1. grote drukte in het verkeer op terugkerende tijdstippen
    час пик
  2. 5. type hond met een spitse snuit
    шпиц
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
Шпицберген
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
землеро́йка
adjective
  1. 2. bedriegelijk
    лукавый
  2. 1. scherpzinnig
    остроумный
/splet/
noun
щель
noun
1. miltvergroting
спленомегалия
/'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
зано́за
noun
  1. 2. een element van zelfinductie
    боби́на
    1. 1. een cilindrische vorm
    2. 3. fotografische
    катушка
noun
1.
спутник
noun
1. versvoet met twee beklemtoonde lettergrepen
спонде́й
noun
гу́бка
noun
покрови́тель
adjective
самопроизво́льный
adjective
губчатый
noun
1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
привидение
noun
1. een legendarisch schip dat zonder bemanning eeuwig blijft rondvaren
корабль-призрак
noun
1. verspreking door verwisseling van klanken van verschillende woorden
каламбу́р
noun
1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
путь
adjective
1. verdwenen zonder aanwijzing van waarnaartoe
бессле́дный
noun
железная дорога
adjective
спорадический
noun
1. bepaald soort loofboom, Frangula alnus
жо́стер ло́мкий
/spɔrt/
noun
1. lichaamsbeweging
спорт
noun
1. beoefenaar van een sport
спортсмен
adjective
2.
спортивный
noun
iemand die zich toelegt op het bedrijven van sport
атле́т
noun
1. vrouw die sport op een hoog niveau beoefent
атле́тка
noun
1. toneellamp
проже́ктор
verb
1. zich met belachelijk makende of oneerbiedige scherts uiten
насмехаться
noun
1. een zangvogel die geluiden kan nabootsen
зелёная пересме́шка
/sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
речь
noun
1. een spreekstoornis
дефект речи
/'sprakhɛrkɛnɪŋ/
noun
1. het omzetten van geluiden in taal
распознавание речи
noun
1. geneigdheid om veel te praten
болтли́вость
verb
1. korte heldere lichtflitsjes voortbrengen door weerkaatsing of door vonkjes
искриться
/ˈsprekyːr/
noun
1. de tijd waarin een hulpverlener patiënten te woord staat
приёмное время
noun
пословица
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
  1. обыкновенный скворец
  2. скворец
/ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
говорить
/ˈspɾøkə(n)/
noun
  1. Кни́га При́тчей Соломо́новых
  2. При́тчи
verb
1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
прыгать
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
  1. кузнечик
  2. саранча
noun
1. bepaald soort vrij kleine vogel met gestreepte bovenzijde en monotone zang, Locustella naevia
обыкновенный сверчок
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
веснушка
noun
проры́в
noun
1. verzonnen vertelling
  1. ба́йка
  2. ба́сня
noun
Sprattus sprattus
  1. европейский шпрот
  2. шпрот
noun
2. een uitloper van de spruitkool
брюссельская капуста
noun
1. koolsoort waarvan de gekookte okselknoppen als spruitjes gegeten worden
брюссельская капуста
noun
1. slijmvliesontsteking in mond of darmen
кандидо́з
noun
1. spuigat
шпига́т
verb
2. ergatief: snel stromen
[[вы́бросить]] струёй
noun
[[шпио́нский|шпио́нское]] [[програ́ммное обеспече́ние]]
noun
сквош
/sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
Шри-Ланка
/staːɫ/
noun
  1. 2. een monster van een stof, een kleine hoeveelheid van iets als proef
    образец
  2. 1. een legering van ijzer en koolstof
    сталь
adjective
голубо – стальной
/stalwɔl/
noun
железная вата
/staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
стоять
noun
  1. 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
  2. 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
  3. 3. een bundel lang haar
хвост
/ˈstaːr.de.lɪŋ/
noun
1. een algoritme om een getal door een ander te delen op papier
деление столбиком
noun
длиннохвостая синица
noun
комета
noun
1.
хвостово́й плавни́к
noun
  1. 1. een land
  2. 1. toestand
  1. государство
  2. держава
noun
1.overheidsbedrijf
госпредприя́тие
noun
1. iemand die burgerrechten in een staat heeft
гражданин
noun
1. illegale afzetting van een regering
путч
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
глава государства
noun
государственный долг
noun
  1. 1.
  2. 2.
враг [[государство|госуда́рства]]
adjective
1. standvastig, duurzaam
стабильный
noun
стабильность
/'stakɛrəvɛn/
noun
1. caravan met vaste staplaats
переносной дом
/stɑd/, /stɑt/
noun
Woonplaats
  1. город
  2. го́род
/ˈstɑdhœːs/, /ˈstɑthœʏs/, /ˈstɑthœːs/
noun
1. een gebouw waar de stadsdiensten gehuisvest zijn
ратуша
noun
стадион
noun
1.
городские ворота
/ˈstɑt.stat/
noun
1. staatsvorm
город-государство
noun
1. een stok bedoeld voor ondersteuning of onderscheiding van een persoon
жезл
noun
1. een touw of kabel waarmee een mast stabiel wordt gehouden
штаг
noun
стаж
noun
1.
стагфляция
verb
1. een werkonderbreking of (ludieke) actie houden voor betere arbeidsvoorwaarden of meer loon
бастова́ть
/'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
  1. забастовка
  2. стачка
noun
1. iemand die veel pech heeft, veel tegenslagen meemaakt
  1. бедняга
  2. бедолага
  3. горемыка
/stɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
  1. коню́шня
  2. хлев
noun
1. variant van het marxisme-leninisme gekenmerkt door een totalitair nationalistisch...
сталини́зм
noun
1.
[[ко́нюх]] (на [[постоялый двор|постоя́лом дворе́]])
noun
1. hinderlijk volgen
ста́лкерство
noun
  1. 7.
    основа
  2. 4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
    1. племя
    2. пле́мя
  3. 2. deel van de boom tussen de wortels en de kruin
    ствол
  4. 1. dikke houtige stengel van een struik
    1. ствол
    2. стебель
/'stɑmbom/
noun
1-2
генеалоги́ческое де́рево
noun
стволова́я кле́тка
noun
2. vijzelstamper
пест
verb
1. alles onderwerpen aan een vooraf bepaalde standaard
стандартизировать
noun
1. officieel vastgelegde taalvorm die binnen een bepaald gebied als de voorgeschreven norm geldt.
литературный язык
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
  1. статуя
  2. ста́туя
/stɑmplats/
noun
1. een vaste plaats waar iemand zich bevindt
стоя́нка
noun
1. een sterke, stinkende geur
  1. вонь
  2. зловоние
/stɑp/
noun
1. het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan
шаг
noun
  1. 3. een houten stokje ingeklemd tussen het boven- en onderblad van de klankkast van een snaarinstrument
    душка
  2. 1. een gestructureerde hoop spullen
    1. куча
    2. стопка
  3. 2. de tijdelijke constructie waarop een in aanbouw of reparatie zijnd schip rust
    стапель
noun
1.Twee bedden op elkaar
двухъярусная крова́ть
noun
1. cumulus
кучевое
/ˈstɑ.pə(n)/
verb
1. het lichaam vooruit bewegen door een of meer keer een voet naar voren te zetten
идти́
verb
глазе́ть
noun
1. een begin ergens van
старт
noun
1. stabiel onderstel voor camera
штатив
/sta.ˈsʲɔn/
noun
1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
  1. станция
  2. вокзал
noun
стати́стика
adjective
1. cijfermatig berekend
статисти́ческий
noun
1. plaats in een vast geheel of een bepaald proces
положе́ние
noun
1. huidige stand van zaken
ста́тус-кво
adjective
зако́нный
adverb
1. voortdurend
всегда
noun
1. zeer smal straatje
переулок
/steːk/
noun
  1. 3. een eenmalige doorvoering van een draad door een weefsel, meestal met behulp van een naald
    пе́тля
  2. 1. een penetratie met een scherp puntig voorwerp
    прока́лывание
noun
1. een spel waarbij twee ridders elkaar met lansen trachtten uit het zadel te werpen
поеди́нок
noun
1.
ручна́я теле́жка
noun
кастрю́ля
/sten/, /steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
камень
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
беркут
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
Козерог
noun
1.1 bepaald soort zoogdier, Capra ibex
горный альпийский козел
noun
тро́пик Козеро́га
noun
камнеломка
/ste.nɛi̯k/, /ste.nɛːk/, /sten.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus ilex; een boom uit de napjesdragersfamilie
дуб каменный
adjective
серая каменная
noun
1.
каменоло́мня
noun
ка́менщик
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
уголь
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes foina
ка́менная куни́ца
/ˈstentɛit/
noun
Каменный век
/ˈstenœʏ̯ɫ/, /ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
  1. домовый сыч
  2. сыч
noun
vlezige vrucht waarvan het binnenste deel steenhard is
косточковые плоды
noun
1. hardloopwedstrijd met hindernissen
стипль-чез
adverb
  1. незыблемый
  2. неизменный
  3. стабильный
noun
1. de kennis van het op verborgen wijze overbrengen van informatie
стеганогра́фия
noun
2. werkvloerconstructie in de bouw
леса́
/stɛil/, /stɛːl/
adjective
1.
крутой
noun
1. benaming voor kleine vissen met puntige doorns op de rug en de buik uit de familie Gasterosteidae
ко́люшка
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
дикобра́з
verb
1. doorboren, prikken
жечь
noun
1. stekker
ви́лка
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
красть
/ˈstɛ.lə(n)/
verb
2. beweren, verklaren
утверждать
noun
1.
положи́тельная сте́пень
noun
1. uitgestorven zeezoogdier, Hydrodamalis gigas
капустница
noun
1. een bewering die men als waarheid aangenomen wil zien worden
тезис
/stɛlsəl/
noun
  1. 1. een geordend geheel, samenstel van delen
  2. 2. een systeem
систе́ма
/stɛlt/
noun
ходуля
noun
  1. 6. een keuze gemaakt door een stemmer (kiezer) bij een stemming (verkiezing)
  2. 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
голос
noun
1. geluidvoortbrengende plooien in het strottenhoofd
голосовая связка
/ˈstɛmbɪljɛt/
noun
1. formulier om te stemmen
бюллете́нь
/stεmə(n)/
verb
  1. 1. deelnemen aan een verkiezing
  2. 2. een instrument op de juiste toonhoogte brengen
  3. 3. iemand een bepaald gevoel geven
голосовать
/ˈstɛmpəl/, /ˈstɛmpəɫ/
noun
A2. een afdruk van [1]
  1. печать
  2. штемпель
/stɛmvɔrək/
noun
1. stemvork
камерто́н
noun
1. langgerekt en stevig orgaan van een vaatplant dat water en voedingstoffen vervoert
стебель
noun
Побиение камнями
noun
1. grote boomloze vlakte in de zone van het Middellandse Zeeklimaat
степь
noun
1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
  1. звезда
  2. звезда́
noun
стерадиа́н
noun
бадьян
noun
стереотип
adjective
сме́ртный
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel sterfgevallen er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
смертность
/ˌsteriliˈzasi/, /ˌsterəliˈzatsi/
noun
1. een handeling waarmee alle ziektekiemen worden gedood
стерилиза́ция
verb
  1. 1. iets vrij maken van micro-organismen
  2. 2. onvruchtbaar maken
стерилизовать
/stɛrk/
adjective
  1. 2. geconcentreerd
    кре́пкий
  2. 1. krachtig
    сильный
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige vogels uit de familie Sternidae
кра́чка
noun
1. verzameling dicht bijeen staande sterren
звёздное
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
астрономия
noun
гала́ктика
noun
1. een sterfelijk wezen
сме́ртный
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
  1. умереть
  2. умирать
noun
карамбола
/steto'skop/
noun
1. een medisch instrument waarmee men geluiden in het lichaam kan beluisteren
стетоско́п
/'stønə(n)/
verb
  1. 1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
    быть согласным
  2. 3. van vermoeidheid of pijn een kreunend geluid maken
    стонать
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
осётр
adjective
4. voedzaam (zonder verfijning)
здоро́вый
noun
бортпроводни́ца
verb
1. de grondslag voor iets leggen, iets instellen
осно́вывать
noun
2. zelfstandig vermogen met rechtspersoonlijkheid opgericht op de verwezenlijking...
фонд
/ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
мачеха
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
отчим
pronoun
  1. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  2. 2. astrologisch teken
Телец
/stiːr/
noun
  1. бычачий
  2. бык
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Штирия
/stɛif/
adjective
одеревене́лый
noun
крахма́л
/ˈstɛi̯xˌbøː.ɣəl/
noun
1. voetsteun voor de ruiter
  1. стре́мя
  2. стремя
/ˈstɛi̯ɣə(n)/
verb
1. naar boven gaan, toenemen
возраста́ть
/stɛi̯l/
noun
  1. 1. handelswijze
  2. 3. beschrijvende plantkunde: buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
стиль
noun
ритори́ческая фигу́ра
noun
стоя́к
verb
крахмалить
/ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
  1. азот
  2. азо́т
/[stɪɫ]/
adjective
  1. 1. geen of weinig geluid producerend
  2. 2. onbeweeglijk
  3. 3. rustig, kalm
неподви́жный
noun
1. mes waarbij het lemmet uit het handvat kan klappen
стилет
pronoun
1. dag na Goede Vrijdag en voor Pasen
Великая суббота
noun
натюрмо́рт
/'stɪl.tə/
noun
  1. тишина‎
  2. тишина
verb
1. maatregelen nemen om iets te bevorderen
стимули́ровать
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
скунс
verb
1. een onaangename geur hebben
вонять
adjective
зловонный
adjective
  1. 1. precies op tijd komend
  2. nauwgezet
вовремя
adverb
1. met grote precisie
вовремя
noun
1. Kuehneromyces mutabilis
опёнок летний
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Стокгольм
/stul/, /stuɫ/
noun
1. zitmeubel
стул
/'stulɣɑŋ/
noun
2.
кал
noun
1. een boeddhistisch bouwwerk dat de relieken van een boeddhistische heilige bevat
сту́па
adjective
1. indruk makend
де́рзкий
noun
  1. 1. materiaal, chemische verbinding
    вещество
  2. 2. weefsel, textiel
    ткань
  3. 1. heel kleine deeltjes
    пыль
noun
1. meubelstoffeerder
драпиро́вщик
adjective
1. tot de materie behorend of eruit bestaand, materieel
материальный
adjective
грязно – серый
/'stɔfʋɪsəlɪɳ/
noun
1. het geheel van chemische processen dat gepaard gaat met het in leven zijn van een wezen
метаболизм
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
пылесос
noun
стехиометри́я
/stɔk/
noun
па́лка
verb
топи́ть
noun
1.Suricata suricatta, roofdier behorend tot de mangoesten
мирка́т
noun
1. gedroogde kabeljauw of kabeljauwachtige vis, zoals heek, leng, lom, schelvis en koolvis
вя́леная ры́ба
/ˈstɔlɪŋsɣəˌstentə/
noun
1. gesteente bestaande uit gestolde lava of gestold magma.
  1. магматические горные породы
  2. магмати́ческие го́рные поро́ды
adjective
  1. 1. geluidloos
  2. 2. niet in staat te spreken
немой
verb
  1. 1. iets ter reiniging en desinfectie met stoom bewerken
  2. 3. etenswaar garen door het in hete stoom te hangen
тушить
noun
1.
немо́й
noun
een bijzonder onverstandige daad
глупость
noun
1. een schip dat met behulp van stoom wordt voortbewogen
парохо́д
noun
1. een locomotief die wordt aangedreven door een stoommachine
паровоз
noun
1. een machine die door middel van stoom drijfkracht ontwikkelt
парова́я маши́на
noun
1. een schip dat voortgedreven wordt middels een stoommachine
пароход
noun
парово́з
noun
парова́я турби́на
noun
1. grote slagtand
  1. бивень
  2. клык
/'stɔbɔrt/
noun
1.
движение без остановки запрещено
/ˈstɔplɪxt/
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
светофор
noun
1. naald die men gebruikt bij het repareren van weefsels of breiwerk
што́пальная игла́
noun
1
щети́на
noun
1. erg harde wind
  1. шторм
  2. буря
noun
1. Larus canus
сизая чайка
noun
een toestel, balk, e.d. om een deur, poort te forceren
  1. сокол
  2. таран
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Procellariidae
буреве́стник
noun
ливень
verb
3. zich volledig aan een bepaalde bezigheid gaan wijden
броситься
noun
1. het storten van geld op een bankrekening
  1. вклад
  2. депозит
verb
1. dezelfde lettergreep een aantal malen herhalend moeilijk uit zijn woorden komen
заикаться
noun
1. een wijsbegeerte die leert slechts de rede te volgen en de hartstochten uit te bannen
стоици́зм
adjective
1. berustend, gevoelloos
стои́ческий
/straɫ/, /ˈstral/
noun
2. een bundel elektromagnetische straling
луч
adjective
  1. пьяный в зюзю
  2. пьяный в хлам
noun
1. jachtvliegtuig met straalmotor
реактивный истребитель
/strat/
noun
1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
  1. улица
  2. у́лица
pronoun
1. zeestraat tussen het Australisch vasteland en Papoea-Nieuw-Guinea
То́рресов проли́в
pronoun
1.
Гибралта́рский проли́в
noun
1. muzikant die in de openbare ruimte optreedt
у́личный музыка́нт
noun
1. een bord in de openbare ruimte met daarop de naam van de straat waar men zich bevindt
уличная табличка
noun
1. hoofdstad van de Franse regio Grand Est
Страсбург
noun
  1. 1. soep
  2. 2. zuivelproduct
страчате́лла
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
  1. наказание
  2. штраф
adjective
1.
наказу́емый
noun
скаме́йка для оштрафованных игроков
noun
1.
безнака́занность
/ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
наказывать
/'strɑfrɛxt/
noun
1. het geheel van rechtsregels waarmee bepaalde handelingen strafbaar worden gesteld
уголо́вное пра́во
noun
1. directe vrije trap
пенальти
adjective
  1. 3. streng
    напряжённый
  2. 1. nauwzittend
    те́сный
noun
излучение
pronoun
1.
Штральзунд
noun
1. Strook land langs de kust
  1. пляж
  2. берег
noun
надувно́й мяч
verb
1. aan de grond vastlopen
потерпеть кораблекрушение
/straˈteɣ/
noun
1. een persoon die strategieën uitwerkt
страте́г
noun
1. een plan om iets te bereiken
страте́гия
noun
стратосфе́ра
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
стратовулкан
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Штраубинг
noun
3. een veeg of streep met een werktuig
мазо́к
/ˈstrek.tal/, /ˈstrek.taɫ/
noun
2. één of meer taalvariëteiten van de overheid dit label hebben gekregen
региональный язык
noun
2. lijnvormig patroon
поло́ска
verb
вы́тянуть
verb
1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken
гладить
verb
1. neerslaan van opgeloste eiwitten
створа́живать
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
ре́ннин
noun
1. spanning, geestelijke druk.
стресс
verb
1. een doel willen bereiken
боро́ться
noun
  1. 1. een handgemeen
  2. 2. een militair treffen
борьба́
noun
1. een slagwapen in de vorm van een metalen staf met een versterkte kop
  1. булава
  2. палица
noun
колесни́ца
verb
2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
гладить
/ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
утюг
noun
1. gestreken snaarinstrument
струнный инструмент
noun
1. een plankvormig voorwerp, gewoonlijk op een inklapbaar onderstel, bedoeld als ondergrond waarop kleding gestreken kan worden
глади́льная доска́
noun
1. een constructie waarmee de snaren van een strijkinstrument in trilling gebracht worden
смычо́к
noun
1. een boek met een verhaal in beeldvorm
ко́микс
verb
1. het zich ontdoen van alle kleding of een groot deel van de kleding die het lichaam bedekt, vaak met een erotische bijbedoeling
снима́ть
/stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
солома
adjective
1. de wrijvingsweerstand van een ruw oppervlak
жёсткий
noun
1. hoed
соло́менная шля́па
/'stromən/
verb
1. voortbewegen van vloeistoffen
течь
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
стронций
noun
1. zweertje op het ooglid
ячмень
verb
разбрасывать
noun
  1. 2. strook stof of papier
    лента
  2. 1, strook
    полоса
/stroːm/
noun
2. elektriciteit
ток
noun
водосбор
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
сироп
noun
1. lus van stevig touw
пе́тля
noun
галстук
noun
гортань
adjective
1. met betrekking tot de opbouw van een geheel
структу́рный
verb
структурировать
/strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
структу́ра
noun
1. heester
куст
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
запина́ться
noun
1. bepaald soort in heel Europa voorkomende plant, Calluna vulgaris
вереск
noun
1. iemand die vanuit een hinderlaag reizigers berooft
разбойник с большой дороги
adjective
крепкий
noun
страус
/ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
страус
noun
1. zeer vergiftig alkaloïde
стрихнин
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
студент
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
учиться
noun
1.
учёба
noun
  1. 1. werkplaats van een beeldend kunstenaar
  2. 2. plaats waar geluidsopnamen, films of televisie- of radioprogramma's gemaakt worden
  3. 3. een eenkamerappartement
сту́дия
/stɵx/
adverb
1 weerbarstig
жестокий
noun
1. onderste deel van de ruggengraat, de laatste vier vergroeide ruggenwervels
копчик
/'stœytlɪxɪŋ/
noun
1.
[[ро́ды]] при [[тазовое предлежание|та́зовом предлежа́нии]]
/stɵk/
noun
1. deel
фи́шка
noun
1. Soort bouwvakker
штукатур
verb
1. onhandig bezig zijn
возиться
noun
каскадёр
noun
каскадёрша
/'styːrə(n)/
verb
2. het stuur van een auto bedienen.
вести
pronoun
1. hoofdstad van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Штутгарт
/styːr/
noun
1. een hulpmiddel waarmee een bestuurder richting kan geven aan een voertuig
руль
/ˈstyrbəkrɑxtəxɪŋ/
noun
1. ondersteuning bij het sturen
усили́тель руля́
noun
1. de rechterzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
[[пра́вый]] борт
noun
1. een stuk software dat een verbinding legt tussen de hardware en het besturingssysteem
дра́йвер
noun
1. kunstmatig meer
водохрани́лище
noun
1.
поджа́нр
adverb
1.
немедленно
adjective
субъекти́вный
noun
субъекти́вность
noun
2. het proces waarbij een vaste stof overgaat in zijn dampfase
возгонка
verb
1. van overheidswege financiële hulp voor een bepaalde activiteit, ver- of aankoop verlenen
субсиди́ровать
noun
1. stof (stoffen)
вещество́
noun
1. vervanging
заме́на
/sʌp'til/
adjective
  1. 1. alleen bij nauwkeurig toezien of voor fijn gevoel waar te nemen of te begrijpen
  2. 2. fijn onderscheidend, scherpzinnig
неуловимый
adjective
субтропи́ческий
noun
1. een luidspreker die speciaal is ontworpen voor het weergeven van lage tot zeer lage tonen
сабву́фер
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
успех
noun
1.
война́ за насле́дство
adjective
1. succes hebbend
успешный
pronoun
1. hoofdstad van het Boliviaans departement Chuquisaca
Су́кре
/suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Судан
adjective
2. dom
о́лух
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
суффикс
noun
1. zoetstof
  1. сахар
  2. са́хар
noun
1. bepaalde ondersoort van de biet waaruit bietsuiker gewonnen wordt
са́харная свёкла
noun
1. Coereba flaveola, een klein zangvogeltje uit de tropische delen van de Amerika's...
бана́новый певу́н
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
  1. сахарный тростник
  2. са́харный тростни́к
/ˈsœʏkərˌspɪn/, /ˈsœːkərˌspɪn/
noun
1. lekkernij bestaande uit een hoeveelheid gesponnen suiker aan een stokje
сахарная вата
noun
1.gezoete schil van de vrucht van de sukadeboom
цука́ты
pronoun
1. Bantoetaal gesproken door 5,4 miljoen mensen in Tanzania
сукума
noun
сульфа́т
noun
сульфи́д
noun
1., 2. en 3. (gedroogde vrycht van) een variëteit van de druif Vitis vinifera
белый кишмиш
pronoun
Сума́тра
adjective
  1. краткий
  2. немногословный
noun
кла́ссный
noun
1. afwezigheid van elektrische weerstand
сверхпроводи́мость
noun
1. fictieve figuur uit een stripverhaal of een film die over bovenmenselijke krachten beschikt
супергеро́й
adjective
вы́сший
noun
1. een staat die zoveel macht heeft dat ze de wereldpolitiek beslissend kan beïnvloeden
сверхдержава
noun
  1. супермаркет
  2. универмаг
noun
het verschijnsel waarbij een ster op spectaculaire wijze explodeert
сверхно́вая
adjective
сверхзвуковой
noun
1. iets dat als aanvulling toegevoegd wordt
дополни́тельный у́гол
noun
верховенство
/ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Суринам
noun
сюрреализм
noun
взвесь
adjective
1. geneigd zijn om zelfmoord te plegen
[[скло́нный]] к [[самоубийство|самоуби́йству]]
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
суахили
pronoun
1. stad in Namibië
Свакопмунд
noun
свастика
/ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
Свазиленд
/'swɛtʃʏːrt/
noun
1.
балахо́н
pronoun
1. de grootste stad van Australië en de hoofdstad van de deelstaat Nieuw-Zuid-Wales
Си́дней
noun
сифилис
adjective
силлаби́ческий
noun
1. een logische redenering waaruit een conclusie afgeleid wordt
силлогизм
adjective
1.samenlevend en samenwerkend
симбиоти́ческий
verb
1. een betekenis hebben die verwijst naar
символизи́ровать
noun
1. Teken
знак
noun
симфо́ния
adjective
1.
симфони́ческий
noun
симме́трия
/si'metris/
adjective
1. aan twee zijden, bijvoorbeeld spiegelbeeldig gelijk
симметри́чный
noun
1. een gevoel van toegenegenheid
симпатия
adjective
сочувствующий
/sɪmˈpoziəm/
noun
1. een wetenschappelijke samenkomst waarop verschillende wetenschappers een lezing houden over een bepaald onderwerp
симпозиум
adjective
1. met betrekking tot ziekteverschijnselen
симптомати́чный
noun
1. ziekteverschijnsel
  1. симптом
  2. признак
noun
1. gebedshuis van joden.
  1. cинагога
  2. синагога
noun
синхроничность
adjective
синхро́нный
verb
синхронное плавание
noun
  1. 1. plotseling bewustzijnsverlies
  2. 3. wegval van middenklank
о́бморок
noun
1.
синдикалист
/sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
синдром
noun
1. situatie waarbij het samengaan van delen groter is dan de som der delen
синергия
noun
1. gelijkbetekenend woord
синоним
adjective
синтаксический
/sɪnˈtɑksəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
синтаксис
noun
1. samenstelling
синтез
adjective
1. op kunstmatige manier gefabriceerd
иску́сственный
verb
синтези́ровать
/ˈsi.ri.jə/, /ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
  1. Сирия
  2. Си́рия
/siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
  1. cистема
  2. система
noun
  1. 1. een interdiscipline tussen informatie en bedrijfskunde, gericht op het analyseren van systemen, voorafgaande aan reorganisatie en of automatisering van bedrijfsprocessen
  2. 2. een werkwijze om verschijnselen te bestuderen voorafgaande aan de ontwikkeling van informatiesystemen
системный анализ
noun
cистемный подход
noun
1. de theorie over de systematische beschouwing van systemen in de natuur, wetenschap en of maatschappij
теория систем
/ˌsisteˈmatis/
adjective
1. stelselmatig, ordelijk volgens een systeem opgezet
систематический
verb
1. het stelselmatig ordenen volgens een vooropgezet systeem
систематизировать
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
  1. футболка
  2. майка
adjective
1. met de vorm van de hoofdletter T
Т-обра́зный
pronoun
1.
Тахо
adjective
  1. 1. moeizaam en plastisch vervormend onder mechanische belasting
  2. 2. moeilijk te snijden, kauwen (van vlees)
густой
/taːk/
noun
1. een te verrichten werk
зада́ча
/taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
язык
/ˈtaːlbəˌɦeːrsɪŋ/
noun
1. het vermogen zich te kunnen uitdrukken in een of meer talen
[[владе́ние]] [[язык|языко́м]]
noun
1. talengroepen die een zelfde voorgeschiedenis hebben
языковая семья
noun
1. grens van een taalgebied
языкова́я грани́ца
/ˈtalklɑŋk/
noun
1.
фонема
noun
1. wetenschap
лингвистика
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
лингвист
noun
гра́ммар-на́ци
noun
языково́е измене́ние
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
лингвист
/taːrt/
noun
1. cirkelvormig zoet gebak
торт
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
табак
noun
Курительная трубка
noun
1. een geordende lijst met gegevens
таблица
noun
дарохранительница
noun
1. pastille
таблетка
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
табу
cardinalNumeral
1. het getal 80
  1. восемьдесят
  2. во́семьдесят
pronoun
Восьмидесятилетняя война
noun
тахикарди́я
noun
1. kleine, gevouwen tortilla, gevulde mexicaanse maïspannenkoek
та́ко
noun
такт
/tɑkˈtik/
noun
1. een manier om onder gegeven omstandigheden een doel te bereiken
тактика
/ˈtɑkt.fɔɫ/
adjective
дипломати́чный
pronoun
1. de officiële taal van Tadzjikistan en een variant van het Perzisch
таджикский
/taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
  1. Таджикистан
  2. Таджикиста́н
noun
1. taf
тафта́
/ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
стол
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Столо́вая Гора́
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
  1. настольный теннис
  2. пинг-понг
noun
1. voetbal op een tafel met opstaande randen
ки́кер
pronoun
1. taal die op de Filipijnen gesproken wordt
тагалог
pronoun
Таити
pronoun
1. een Polynesche taal uit de Oceanische tak van de Austronesische talen gesproken op Tahiti
таитянский
noun
1. naaldbossen in koude streken
тайга
/ˌtɑjkoˈnaʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnɔʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Chinese ruimtevaarder.
тайконавт
/tɑj'ʋɑn/
pronoun
  1. Тайвань
  2. Формоза
noun
тайва́ньский
/tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
  1. ветвь
  2. ветка
noun
1. bijzondere aanleg
талант
/tɑɫx/
noun
  1. 1. huidvet, een vetachtige substantie die geproduceerd wordt door talgklieren
    ко́жное са́ло
  2. 2. het harde vet van sommige herkauwers
    са́ло
noun
1.een klier om de haarzakjes, die talg afgeeft
са́льная железа́
noun
1. benaming voor kleine vogels uit het geslacht Anas of het geslacht Callonetta
чиро́к
noun
талисман
/tɑlk/
noun
тальк
noun
1. van personen dat ze niet erg meegaand zijn
тальк
/'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
  1. Таллин
  2. Таллинн
  3. Ревель
  4. Колывань
  5. Талинн
/ˈtɑlmut/
noun
1.
Талму́д
adjective
1. groot in aantal
многочисленный
noun
1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
тамаринд
noun
1. muziekinstrument
бу́бен
pronoun
1. taal die gesproken wordt in India, Sri Lanka, Singapore, en Maleisië
тамильский
noun
  1. 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
  2. 2. scherp uitsteeksel
зуб
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
  1. зубной врач
  2. дантист
  3. стоматолог
noun
1. fiets
Тандем
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
  1. зубная щётка
  2. зубна́я щётка
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
зубочистка
noun
1. wetenschap voor de verzorging van de tanden
стоматология
/ˈtand.pɑs.taː/, /ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
  1. зубная паста
  2. зубна́я па́ста
/tɑntpɛin/
noun
1. pijn in één of meerdere tanden
зубная боль
/ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
десна
noun
шестерённая гидромашина
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
[[ни́тка]] для [[чистка|чи́стки]] [[зуб|зубо́в]]
/tɑŋ/
noun
1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
  1. щипцы
  2. схваты
pronoun
Танжер
/tɑŋk/, /tɛŋk/
noun
1. een groot vat
  1. бак
  2. танк
noun
1. een krijgshandeling waarbij een (groot) aantal tanks is betrokken
танковая битва
/ˈtɑŋkstaʃɔː/, /ˈtɛŋkstɑʃɔn/
noun
автозаправка
noun
танин
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
тантал
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
  1. тётя
  2. тётка
/ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
Танзания
noun
1. een Chinese filosofische en religieuze stroming
даоси́зм
noun
ковёр
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
тапиока
/ˈtapɪr/
noun
1. hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf
тапир
noun
1. gifspin
мизги́рь
/tɑˈrif/
noun
1. een vastgesteld bedrag per eenheid
тариф
noun
тара
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
татарский
pronoun
1. stad in Estland
  1. Дерпт
  2. Тарту
  3. Юрьев
/ˈtɑrʋə/
noun
  1. 3. zaad van tarwe
  2. 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
пшеница
noun
zemelen van tarwekorrels
отруби пшеничные
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
сумка
pronoun
Тасма́ния
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan, gelegen tussen Australië en Nieuw-Zeeland
Тасма́ново мо́ре
noun
осязательность
verb
нащу́пывать
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
  1. татарский
  2. татарский язык
pronoun
1. de autonome republiek van Rusland met de hoofdstad Kazan
Татарстан
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
татуировка
/tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
татуировать
/tɑuˈge/
noun
1. uitlopers van mungbonen
проро́сток
pronoun
1. heuvel van Nieuw-Zeeland
  1. Таумата
  2. Тауматафакатангихангакоауауотаматеатурипукакапикимаунгахоронукупокаифенуакитанатаху
/tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
такси
/'tɑksimetər/
noun
1.
счётчик
noun
1. een opstelplaats voor taxi's waar zij wachten op passagiers
стоя́нка такси́
noun
таксономия
preposition
1. plaats
к
preposition
1. in het midden van
ме́жду
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
технеций
noun
1. iemand die techniek toepast
tехник
noun
1. De bewerkingen en verrichtingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen
техника
adjective
1. op techniek betrekking hebbend
технический
noun
технокра́тия
adjective
1.
технократи́ческий
noun
техника
/tef/
noun
1. wijfjeshond
сука
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
клещ
noun
1. vingers van de voet
  1. палец
  2. палец ноги
noun
но́готь
/ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
дёготь
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
кость
noun
1. een bouwvakker die wandtegels zet en vloertegels legt
пли́точник
/teːɣən/, /teːχən/
preposition
  1. 2. oneens met, ter bestrijding van
    от
  2. 1. zijdelings aanleunend
    про́тив
noun
1. een aanval tegen een aanval
контрудар
verb
1. proberen iets te stoppen of te verhinderen
противоде́йствовать
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
противоя́дие
noun
1. handeling gericht op het bestrijden van de effecten van een andere handeling
контрме́ра
preposition
1. aan de overzijde van
напро́тив
noun
1. hetgeen wat precies voorstelt wat iets helemaal niet is
противополо́жность
noun
1. iemand die de pauselijke titel opeist zonder door het Vaticaan als paus erkent te zijn
антипа́па
verb
1. zich met woorden verzetten
перечить
noun
1. vijand, rivaal
противник
noun
1. voorbeeld dat aantoont dat iets niet juist is
контрприме́р
noun
1. wind tegen
[[встре́чный]] [[ве́тер]]
noun
1. vorm die aangeeft dat het huidige moment bedoeld wordt
настоя́щее вре́мя
noun
1. het geen zin hebben in iets
нежела́ние
noun
баланс
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
знак
noun
1. iemand die beroepsmatig tekent
рисовальщик
verb
een tekening maken
рисовать
/ˈtekə(n)ˌfɪlm/, /ˈtekə(n)ˌfɪɫm/
noun
1. een film waarin een getekende realiteit wordt verbeeld
мультфильм
noun
  1. 1. een door tekenen ontstane afbeelding of voorstelling
  2. 3. een wijze waarop iets van figuren is voorzien of zich in figuren vertoont
  3. 5. een beschrijving
рисунок
noun
1. een ontbrekende hoeveelheid
дефицит
verb
1. onvoldoende of ontoereikend zijn
быть
noun
1. verzameling letters en/of woorden
текст
adjective
те́кстовый
noun
1. een computerprogramma waarmee teksten kunnen worden geschreven en bewerkt
текстовый процессор
noun
1. natuurlijke processen
тектоника
adjective
1. betrekking hebbend op de aardplaten, de breuken in de aardplaten en hun verschuivingen
тектони́ческий
noun
телефони́я
/ˌtelə'fon/, /ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
телефон
noun
телегра́ф
verb
1. per telegraaf berichten
телеграфировать
noun
депе́ша
noun
телеметрия
verb
1. door nauwgezette verzorging doen groeien
выращивать
noun
телепортация
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
телескоп
adverb
1. een onaangenaam gevoel hebbend omdat een verwachting of hoop niet uitgekomen is
разочаро́ванный
verb
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
  1. разочаровывать
  2. разочаровать
adjective
1.
доса́дный
noun
1. een emotie opgeroepen door het niet uitkomen van een verwachting
разочарование
noun
  1. 2. medium
    1. телевидение
    2. телевизор
  2. 1. elektrisch apparaat
    1. телевизор
    2. телевидение
noun
1. een technische norm waaraan een televisiesignaal moet voldoen
cтандарты телевизионного вещания
/tɛlx/
noun
1. lid van een familie
о́тпрыск
noun
1.
иноходь
/ˈtɛɫkəns/
adverb
1. elke keer
каждый раз
verb
1. aantal bepalen
  1. считать
  2. посчитать
/ˈtɛlər/
noun
1. het getal boven de streep van een breuk
счётчик
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
теллур
pronoun
1. een Dravidische taal met ongeveer 70 miljoen sprekers
те́лугу
noun
  1. числительное
  2. имя числительное
verb
1. tam maken
прируча́ть
/ˈtɛm.pəl/, /ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
храм
noun
темпера
noun
нрав
/ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
  1. температура
  2. температу́ра
noun
1. blauwdruk
шабло́н
adverb
1. luidt het eerste lid van een opsomming van minstens twee argumenten in
в пе́рвую о́чередь
noun
1. beweging in bepaalde richting, neiging
тенденция
adjective
1. gekleurd door bijbedoelingen
тенденцио́зный
noun
1. wagen achter een locomotief
те́ндер
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
Тенерифе
noun
1. een scheikundig element met het symbool Ts en het atoomnummer 117
теннессин
noun
1. balsport
теннис
noun
тенор
noun
1. een teken geplaatst op de vierde lijn van een balk dat aangeeft dat deze een c weergeeft
теноровый ключ
/tɛnˈslɔtə/
adverb
1. immers
в конечном счете
noun
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
  1. палатка
  2. шатёр
noun
щу́пальце
/tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
  1. выставка
  2. вы́ставка
/ˈtɛn.zɛɪ/
conjunction
1. behalve wanneer
[[е́сли]] не
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
сосок
noun
терабайт
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
тербий
verb
1. het beëindigen van een mensenleven op gerechtelijk bevel
казнить
noun
выполнение
/tɛrəm/
noun
1. een woord of uitdrukking
термин
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
терми́т
/tɛrˈmɛin/
noun
1. een vast tijdstip waarop iets gaat gebeuren of iets gebeurd moet zijn
срок
noun
терминология
noun
терпен
noun
1. een vetoplossend oplosmiddel dat uit de sappen van bepaalde dennensoorten gewonnen kan worden
скипида́р
adjective
коричневый земляной
noun
een met een horecaterras vergelijkbare plek in een tuin
терраса
/tɛ'rɛin/
noun
1. een stuk grond van enige omvang
площадка
noun
тера́кт
noun
1. grondgebied
территория
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
  1. терроризм
  2. террори́зм
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
  1. террорист
  2. террористка
  3. террористы
pronoun
Терсхеллинг
/tɛrsjɛːr/
adjective
трети́чный
noun
1.
терция
/trʏχ/, /təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
назад
/təˈrʏxbrɛŋə(n)/
verb
  1. 1. naar het punt van vertrek brengen
  2. 2. naar de eigenaar brengen
верну́ть
/t(ə)ˈrʏɣ.drɪŋə(n)/
verb
1. dringen naar de oorspronkelijke richting
отбрасывать
/təˈrʏχaːn/
verb
1. naar de punt van vertrek gaan
верну́ться
noun
1.
возвраще́ние
verb
верну́ть
verb
1. gaan naar een plaats waar men eerder vandaan kwam
  1. возвратить
  2. возвращать
noun
о́тзыв
noun
1. ontstaan van een nieuw woord doordat een bestaand woord van een vermeend voorvoegsel, achtervoegsel of uitgang wordt ontdaan
обра̀тное словообразова́ние
/tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
  1. 1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
    1. пока
    2. в то время как
  2. 2. hoewel
    1. хотя
    2. в то время как
/tɛst/
noun
  1. 1. probeersel
    тест
  2. 3. toets
    1. экзамен
    2. тест
noun
  1. 1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
    заве́т
  2. 1. gedeelte van de bijbel
    завещание
noun
1. een infectieziekte die door een gifstof leidt tot spierspasmen
столбня́к
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een viertallige as bezittend
тетрагональный
/ˈtøɣəl/, /ˈtøʝəl/
noun
  1. 1. stuurriem van rijdier
    1. узда
    2. уздечка
  2. 2. streek bij vogels
    уздечка
noun
1. datgene wat over is boven de gewenste hoeveelheid
превыше́ние
/təvərˈɣefs/
adverb
зря
/təˈvredə(n)/
adjective
1. geen behoefte voelend om aanmerkingen te maken
довольный
/təvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel genoeg te hebben en voldaan te zijn
удовлетворение
verb
1. veroorzaken
индуцировать
pronoun
Тексел
noun
тексти́ль
noun
1. de manier waarop iets is samengesteld, hoe het materiaal aanvoelt en hoe de structuur eruit ziet
строе́ние
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
тайский
/ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
Таиланд
noun
1. grijze stof van de tussenhersenen
тала́мус
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
таллий
noun
таллом
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
театр
/teː/
noun
чай
noun
1. blad van de theestruik
ча́йный лист
suffix
bewaarplaats
те́ка
noun
1. een kleine lepel om thee mee te roeren
ча́йная ло́жка
pronoun
1.de grootste rivier van Engeland
Те́мза
noun
1. een gevoerde kap om de thee warm te houden
ча́йная ба́ба
noun
1. namiddagsepauze
[[переры́в]] на чай
noun
1. kan met deksel en schenktuit waarin een warme drank wordt bereid door bladeren in heet water te laten trekken
чайник
noun
1. theeplant
ча́йный куст
/tema/
noun
1. een onderwerp dat behandelt wordt
тема
noun
1. staatsvorm die gebaseerd is op goddelijke
теокра́тия
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
богословие
adjective
1.
богосло́вский
noun
1. een beoefenaar van de theologie
теолог
/ˌteɔːˈretis/
adjective
1. wat niet perse in de werkelijkheid voorkomt, m.b.t. feiten en wetten berustende ...
теоретический
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
тео́рия
noun
iemand die een patiënt behandelt
терапевт
adjective
1. genezend; op de geneeswijze betrekking hebbend
лече́бный
noun
1. een methode om aan de genezing van zieken te werken
терапия
noun
1. elektronisch muziekinstrument
терменвокс
noun
1. een poedermengsel van een onedel metaal, gewoonlijk aluminium, en een oxide van een edeler metaal, vaak ijzer of koper
терми́т
noun
1. de leer van warmte en arbeid
термодина́мика
adjective
термодинами́ческий
/ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
термометр
noun
термосфе́ра
noun
термостат
noun
1. synoniemenwoordenboek
тезаурус
noun
1.
положе́ние
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Saarland
Толай
/ˈtora/
pronoun
1.-3.
То́ра
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
торий
pronoun
1. uitgestorven Indo-Europese taal uit de Balkan
фракийский
/tœʏs/, /tœːs/
noun
1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
до́ма
noun
1. multimedia opstelling die van een huiskamer een bioscoopzaak maakt
дома́шний кинотеа́тр
noun
1. geheel van organisaties en activiteiten waarmee de burgerbevolking een bijdrage aan de oorlog levert
тыл
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
тулий
noun
тиристор
pronoun
Тюрингия
pronoun
2. de rivier die stroomt door Rome
Тибр
pronoun
  1. 1. autonome regio
  2. 1. voormalig land
Тибет
adjective
1. gerelateerd aan of afkomstig uit Tibet
тибетский
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
тибетский
noun
1. zenuwtrek
не́рвный тик
pronoun
  1. 1. Zwitsers kanton
  2. 1. zijrivier van de Po
Тичино
cardinalNumeral
1. het getal 10
десять
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
десятый
noun
де́сять ты́сяч
noun
десятитысячеугольник
noun
декаго́н
adverb
1. in (naar schatting) tien gevallen
десятью
noun
  1. 1. met het aantal van tien
  2. 2. ongeveer tien
десяток
noun
1. biljet van tien euro
десятка
noun
1. vrouwelijke borst
моло́чная железа́
/tɛit/, /tɛɪ̯d/, /tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
  1. время
  2. час
adjective
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
вре́менный
preposition
1. gedurende de tijd dat
во время
noun
дух вре́мени
noun
1. iemand die in dezelfde historische periode leefde
современник
adjective
1.
[[неподвла́стный]] [[время|вре́мени]]
/ˈtɛːtmɑˌʃinə/, /ˈtɛːɪtmɑˌʃinə/
noun
1. machine om mee door de tijd te reizen
маши́на вре́мени
noun
пери́од
adjective
1. een aanzienlijke hoeveelheid tijd vereisend
[[требовать|тре́бующий]] [[мно́го]] [[время|вре́мени]]
noun
1. het laten zien hoe laat het is; het laten zien wanneer iets gebeurd is
указание времени
noun
1. blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
журнал
noun
1. afsluitmechanisme van een kluis of ruimte waarin een of meer uurwerken zijn verwerkt
временной замок
noun
1.verschil in tijd van de dag
ра́зница во вре́мени
noun
поте́ря времени
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
тигр
noun
1.
тигро́вая аку́ла
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
  1. тимьян
  2. тимья́н
pronoun
Тилбург
noun
де́рево
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
плотник
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noordwest-Australië en Timor
Тимо́рское мо́ре
pronoun
Тимофей
noun
scheikundig element
  1. олово
  2. станнум
noun
1.
насто́йка
adjective
1.van tin vervaardigd
оловянный
noun
тиннитус
noun
1. prikkelend gevoel
пока́лывание
/ˈtɪ.pə.lar.stər/
noun
2. prostituée op straat
([[у́личная]]) [[проститу́тка]]
noun
1. Italiaans dessert
тирамису́
noun
тиран
/tirɑ'nik/
adjective
1.
деспоти́чный
pronoun
  1. 1. regio
  2. 2. deelstaat van Oostenrijk
Тироль
pronoun
1.
Тита́н
pronoun
1.
Тита́ния
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
титан
noun
  1. 1. opschrift van een document
    1. заглавие
    2. титул
  2. 2. aanduiding van een persoon
    титул
verb
титровать
/ˈtitʏs/
pronoun
Тит
noun
1. Chinees gerecht met groenten, rijst en vlees
кита́йское рагу́
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
пеночка-теньковка
/dɔx/, /tɔx/, /tɔχ/
adverb
3. om bevestiging vragend
же
verb
1. het doen opnemen van bijvoorbeeld een medicijn door iemand
давать
noun
1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
вступле́ние
adjective
1.te bereiken
достижи́мый
noun
1. benaming voor tropische vogels uit de familie Ramphastidae
тукан
noun
  1. будущий
  2. будущее
adjective
1. van de tijd die komen gaat
будущий
verb
2. toegang verschaffen
допускать
verb
1. verduidelijken
пояснять
/tun/
adverb
1. op of na dat tijdstip
затем
/tun/
conjunction
1. op het tijdstip dat
когда́
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
тундра
verb
1. in de praktijk brengen
испо́льзовать
noun
  1. 1. een computerprogramma
  2. 2. het in de practijk brengen van iets
примене́ние
noun
1.
бананоед
noun
1. het reizen voor ontspanning
туризм
noun
1. een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
турист
noun
1. een vrouwelijk persoon die voor haar plezier reist
туристка
adjective
1. een plaats die veel toeristen aantrekt
туристический
verb
1. het auteurschap of de eigenaar van iets associëren met iemand
относи́ть
/ˈtuspra:k/
noun
1. een voordracht voor een groter publiek
выступление
verb
1. iets niet verbieden, iets mogelijk maken
позволять
/'tustɑnt/
noun
geheel van omstandigheden
положе́ние
noun
een toezegging dat iets geoorloofd is
дозволение
verb
1. iemand zo mishandelen dat hij of zij zichtbaar lichamelijk letsel heeft
искале́чить
noun
3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
кла́виша
/ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
клавиатура
noun
1. steen voor het bepalen van het goudgehalte
проби́рный ка́мень
/ˈtuːvɑl/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
случайность
adjective
случайный
noun
случайность
verb
дове́рить
/'tuvlut/
noun
1.
наплы́в
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
добавлять
noun
1. datgene wat met een groter geheel verenigd wordt
прибавле́ние
noun
2. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
аффикс
noun
1. het in de gaten houden, het letten op
контроль
noun
ма́нтия
/'to.ɣo/, /ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Того
/tʋɑ'lɛt/
noun
  1. 3. persoonlijke verzorging
    туале́т
  2. 1. een plaats waar men zich kan ontlasten
    туалет
/ˈtɔki ˈpoːnaː/
pronoun
1. bepaalde minimalistische kunsttaal
токипона
pronoun
1. de hoofdstad van Japan
Токио
noun
1. snaarinstrument waarvan de snaren worden getokkeld
щипковый музыкальный инструмент
noun
гопник
/tɔl/
noun
  1. 1. om zijn as draaiend voorwerp
    волчок
    1. 3. plaats waar men slechts tegen betaling mag passeren
    2. 4. geld dat men bij een tol geheven wordt
    сбор
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
толмач
noun
1. weg voor het gebruik waarvan betaald moet worden
[[платный|пла́тная]] [[автомобильный|автомоби́льная]] [[доро́га]]
/toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
  1. помидор
  2. томат
adjective
томатно - красный
noun
1. strijdbijl van de Noord-Amerikaanse indianen
томагавк
noun
кетчуп
noun
1. een vruchtensap dat uit tomaten is bereid
тома́тный сок
noun
1. naam voor koperlegeringen met zink
томпа́к
noun
1. röntgenfoto waarbij slechts één vlak scherp wordt afgebeeld (doorsnede)
томография
noun
3. een gewichteenheid van 1000 kilogram
то́нна
noun
1. iemand die een toneelstukken schrijft
драмату́рг
/tonə(n)/
verb
2. laten zien
показывать
noun
1. traditioneel Okinawaans wapen
тонфа
noun
  1. 2. wat gesproken wordt
    язык
  2. 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
    1. язык
    2. jezik
    3. језик
pronoun
Тонга
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
тунец
noun
тонзиллэктоми́я
noun
анги́на
noun
1. stuurriem van rijdier
  1. узда
  2. уздечка
/ton/
noun
een geluid met een bepaalde herkenbare hoogte
интона́ция
noun
1. toonhoogte
высота́
noun
1. een stijgende of dalende opeenvolging van tonen
га́мма
noun
1. hoogste punt, (bovenste) uiteinde
вершина
noun
топаз
noun
тополо́гия
/tɔːrə(n)/
noun
  1. 1. een hoog bouwwerk
    1. башня
    2. ладья
  2. 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
    1. ладья
    2. тура
    3. башня
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
пустельга
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
  1. смерч
  2. торна́до
verb
1. herhaald tussen de steken doorknippen van een draad waarmee iets vastgenaaid zit
  1. отпарывать
  2. пороть
  3. распарывать
noun
торпеда
noun
1. snel, wendbaar oorlogsschip dat torpedo's kan afvuren
миноно́сец
noun
тор
pronoun
Тоска́на
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
до свидания
noun
1. alle onderdelen tezamen
ито́г
noun
тоталитари́зм
conjunction
до тех пор, пока́ не
noun
тоте́м
/ˈtoːtɘmˌpaːl/
noun
1. een houten standbeeld
[[тоте́мный]] столб
/tɑu̯/
noun
1. een middel om zaken bij elkaar te binden
верёвка
noun
1. een mannelijk iemand die kan toveren
маг
noun
1. een vrouwelijk iemand die kan toveren
ве́дьма
noun
1. magisch handboek
[[колдовской|колдовска́я]] [[кни́га]]
/ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
токсикология
/ˌtɔk.si.ko.ˈlo.ɣis/, /ˌtɔk.si.ko.ˈlo.ɣɪs/, /ˌtɔk.si.ko.ˈlo.χis/
adjective
1. met betrekking tot gifstoffen
токсикологи́ческий
/ˌtɔk.si.ko.ˈlox/, /ˌtɔk.si.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
токсико́лог
noun
1. verslaving aan gifstof
токсикома́ния
noun
токсин
noun
1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
слеза
noun
1.
слезоточи́вый газ
pronoun
1.
Трабен-Трарбах
noun
трахеит
noun
1. ruw, grijs uitvloeiingsgesteente
трахи́т
/ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
трактор
/tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
традиционный
/traˈxedi/
noun
  1. 2. gebeurtenis met een droevige of rampzalige afloop
    траге́дия
  2. 1. een toneelspel dat handelt over een bedroevende gebeurtenis
    трагедия
adjective
1.met een lach en een tran
трагикоми́ческий
adjective
траги́ческий
verb
1. het doen van lichamelijke oefeningen
натренирова́ться
noun
тренер
noun
1. een oefening
тренировка
verb
угости́ть
/tram/, /trɑm/, /trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
трамвай
noun
  1. бату́т
  2. батут
/ˈtra.nə(n).ˌdɑl/, /ˈtra.nə(n).ˌdɑɫ/
noun
  1. 1. plek van enorm verdriet
  2. 2. alle verdriet en smart gevoeld in het leven
юдо́ль
noun
опера́ция
noun
трансцендентный
/trɑnsˈkrɪpsi/
noun
  1. 1. de conversie naar een geschreven tekst van een andere geschreven, getypte of gedrukte tekst.
  2. 2. het vastleggen van de uitspraak van een gesproken tekst op schrift.
  3. 3.
  4. 4. het omzetten van een muziekstuk naar een andere vorm of bezetting.
транскри́пция
noun
трансфо́бия
abbreviation
трансформатор
noun
1. het inbrengen van bloed in het bloedvatenstelsel
гемотрансфу́зия
noun
  1. Транзистор
  2. транзистор
noun
параллельный перенос
noun
1.
транслитерация
noun
1. verplaatsing, overplaatsing
Транслокация
noun
транс-мужчи́на
noun
Трансмутация
pronoun
1.
Приднестро́вье
adjective
1. lichtdoorlatend
прозрачный
noun
1.
транспо́ндер
noun
транспорт
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
перевозить
pronoun
Трансильвания
pronoun
Трансвааль
noun
транс-женщина
noun
  1. 1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
    ле́стница
  2. 1. benaming voor vogels uit de familie Otididae
    дрофа
/trɑˈpezɪʏm/
noun
1. een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
трапеция
noun
psychische stoornis, ontstaan door een schokkende ervaring
травма
adjective
1. door een letsel ontstaan
травматический
verb
1.
травмировать
noun
трансвести́т
noun
1. taps toelopende buis, gebruikt voor het vullen van vaten
воронка
noun
1. 1081
сексвигинтиллион
noun
1. 1078
квинвигинтиллион
/tre/
noun
1. opstapje dat deel uitmaakt van een trap
ступе́нька
noun
1. een titelwoord van een stuk tekst in een catalogus, woordenboek of encyclopedie
загла́вное сло́во
adjective
1.
трефной
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
  1. поезд
  2. по́езд
verb
nog te sorteren
  1. потащи́ть
  2. потяну́ть
noun
1. pop
марионетка
noun
1. een vogel die 's winters een andere verblijfplaats kiest dan in de broedtijd
перелётная пти́ца
noun
1. diakritisch teken
Умлаут
noun
тремоло
verb
1. verdrietige gevoelens koesteren, vaak na het verlies van iemand of iets
горева́ть
noun
грусть
noun
1. bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, Salix babylonica
плакучая ива
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
треугольник
noun
суд
pronoun
1.
Трир
adjective
1. somber stemmend
печа́льный
/ˈtrɪf.tɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit drie klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
трифтонг
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie ten hoogste een drietallige as bezittend, in welke richting ook een van de primitieve translaties zich bevindt indien er sprake is een van een ruimtegroep
тригональный
adjective
1. een symmetrie bezittend die ten hoogste een inversiecentrum omvat
триклинный
noun
1. naam van een grassengeslacht
трясу́нка
/ˈtrɪlɦarˌdirtʲə/
noun
1. eencellig organisme
инфузо́рия
cardinalNumeral
1. 1.000.000.000.000.000.000.000 (1021)
секстиллио́н
cardinalNumeral
квинтиллион
/'trɪlə(n)/
verb
1. snel heen een weer bewegen
вибри́ровать
noun
1.
трилоби́т
noun
1.
тримара́н
noun
1. een periode van drie maanden
триме́стр
/ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
  1. Тринидад и Тобаго
  2. Тринида́д и Тоба́го
noun
3. seksuele activiteit met drie personen
секс втроём
noun
трио́д
noun
  1. 1. feestelijke intocht
    побе́да
  2. 2. grootse overwinning of prestatie
    триумф
noun
1. triool
трио́ль
noun
трискаидекафобия
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Трито́н
noun
1.
трито́н
pronoun
Триест
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
трофей
noun
1. een driekantige platte schep met handvat voor het opbrengen van metselspecie
кельма
noun
1. een langgerekte voederbak.
  1. корыто
  2. лохань
pronoun
Тро́я
/'trɔ.li.bɵs/
noun
троллейбус
/ˌtrɔmboˌsitopeˈni/
noun
1. het symptoom dat men een te laag aantal bloedplaatjes of trombocyten heeft.
тромбоцитопения
noun
1. een koperen blaasinstrument
тромбон
noun
1. de vorming van een bloedprop in een bloedvat of het hart
тромб
noun
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
барабан
noun
Магнитный барабан
noun
бараба́нная перепо́нка
noun
тромплей
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
  1. труба
  2. труба́
/troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
  1. трон
  2. престол
noun
1. steun bij verdriet of pijn
утешение
verb
1. als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven
утешать
noun
1.
утеши́тель
noun
1. streken tussen beide keerkringen
тропики
noun
тропосфе́ра
noun
  1. 2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
    гроздь
  2. 1.
    кисть
noun
2. het gevoel dat men wil pronken met wat men heeft of doet
гордость
noun
1. stroming binnen het leninisme, die Stalins politiek te weinig marxistisch vindt en een minder autoritaire en meer internationalistische benadering voorstaat
троцки́зм
noun
  1. 1. rondreizend kunstenaar
  2. 2. rondreizend artiest
трубаду́р
/trʌʊ/
adjective
1. op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen
ве́рующий
verb
1. het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
  1. женить
  2. идти замуж
  3. пойти замуж
/ˈtrɑuwəns/
adverb
1. overigens
кстати
noun
обручальное кольцо
noun
трюфель
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
свитер
/tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
  1. царь
  2. импера́тор
pronoun
1. Helleense taal gesproken door 1500 mensen in het oosten van de Peloponnesos in Griekenland
цаконский
noun
1.
цари́ца
/tʃad/, /tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Чад
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
adjective
1. op Tsjechië betrekking hebbend
чешский
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
  1. чешский
  2. чешский язык
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
Чешская Республика
/ˈtʃɛxi.jə/, /ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
  1. Чехия
  2. Че́хия
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
Чехословакия
/tʃɛnobil/
pronoun
Чернобыль
pronoun
1. een taal die in Tsjetsjenië gesproken wordt
чеченский
pronoun
1.
Чечня
pronoun
1. taal gesproken door 3 275 105 mensen in Zuid-Afrika, Mozambique, Swaziland en Zimbabwe
тсо́нга
/tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
цунами
pronoun
1. Bantoetaal die wordt gesproken door 4,5 miljoen mensen in Botswana en Zuid-Afrika
тсвана
noun
1. een koperen blaasinstrument met lage toon
туба
/ˌtybɛrky'løs/
adjective
1. met betrekking tot tuberculose
туберкулёзный
/ˌtybɛrkyˈlozə/
noun
1. een ziekte veroorzaakt de de tuberculosebacterie Mycobacterium tuberculosis
туберкулёз
noun
1.
вулкани́ческий туф
/tœy̯x/
noun
4. harnas
ремень
noun
1. het geheel van masten, bomen, zeilen en touwwerk van moderne zeilschepen
рангоут
verb
3. een schip van tuigage voorzien
оснащать
/tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
  1. сад
  2. огород
noun
1. vorm van gewassenkwekerij die zich specifiek toelegt op het intensief telen van groenten, bloemen, planten, bomen, bollen of zaden
огоро́дничество
noun
1. en 2. cultuurplant en eetbaar kruid Lepidum sativum
кресс-салат
noun
садовник
verb
schenkpijp aan een kan of ketel
носик
noun
1. hoofddeksel
  1. тюрбан
  2. чалма
noun
тюль
noun
1. plant
  1. тюльпан
  2. тюльпа́н
/tyˈmʏlt/
noun
1.
гвалт
/ty.ˈne.zi.jə/, /tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
  1. Тунис
  2. Туни́с
noun
1. lange bloes of korte jurk vaak gedragen over een lange broek door vrouwen
блузка
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
  1. тоннель
  2. туннель
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
турбина
/ˌtyːrəˈlyːr/
noun
1. een weidevogel
травник
verb
1. veen als brandstof
торф
noun
1. het delven en gebruiksklaar maken van turf
добыча торфа
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
  1. Турин
  2. Тури́н
/tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
турок
/tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
  1. Турция
  2. Ту́рция
pronoun
1. de taal die door de Turkmenen in Turkmenistan en Afghanistan gesproken wordt
туркме́нский
pronoun
  1. Туркмения
  2. Туркменистан
/tʏrˈkojs/, /tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
аквамарин
adjective
бирюзово – голубая
adjective
бирюзовая зелень
/tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
  1. турецкий
  2. турецкий язык
noun
1. bepaald soort tuinplant, Lilium martagon
лилия кудреватая
noun
1.
ко́льчатая го́рлица
pronoun
1. stad in Finland
Турку
/ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
между
/ˌtʏsənˈdoːrtjə/
noun
1. een versnapering, iets te eten tussen de maaltijden door
закуска
noun
вмешательство
/ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
междометие
verb
1. elkaar met jij en jou aanspreken
тыкать
/ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
Тувалу
pronoun
1. Austronesische taal, gesproken door 13.080 mensen in Tuvalu, Fiji, Kiribati, Nauru en Nieuw-Zeeland
тувалу
/twaːlf/, /tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
двенадцать
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
двена́дцатый
/tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
  1. два
  2. две
/tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
  1. два
  2. двойка
adjective
1. bestaande uit twee atomen
двухатомный
noun
1. geribbeld wollen weefsel
твид
/ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
второй
noun
1. 26 december
День пода́рков
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
родительный падеж
noun
второ́е лицо́
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
вторая мировая война
/ˈtweːˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 200
двести
/ˈtwelɪŋ/, /ˈtʋelɪŋ/, /ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
близнец
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 21 mei tot 21 juni
Близнецы
adjective
1.om de twee maanden
раз в два месяца
noun
1.
двуспа́льная крова́ть
noun
1. kamer waar twee personen kunnen slapen
[[двухме́стный]] [[но́мер]]
noun
2.iets met belangrijke, duidelijke voordelen maar met minstens even belangrijke, vaak minder duidelijke nadelen.
обоюдоо́стрый меч
adjective
двуязычный
noun
двуязы́чность
noun
1. wezen dat op twee voeten loopt
двуно́гий
adjective
1. met, of aan twee kanten, belangen, partijen etc.
двусторо́нний
cardinalNumeral
1. het getal 32
тридцать два
noun
1.
тридцать вторая нота
cardinalNumeral
1. het getal 92
девяносто два
cardinalNumeral
1. het getal 82
восемьдесят два
cardinalNumeral
1. het getal 22
двадцать два
cardinalNumeral
1. het getal 42
сорок два
cardinalNumeral
1. het getal 52
пятьдесят два
cardinalNumeral
1. het getal 62
шестьдесят два
/ˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 72
семьдесят два
pronoun
1. taal die oorspronkelijk door de Ashanti's gesproken werd
чви
/ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
сомнение
verb
na te gaan
сомневаться
/twɛɪ̯x/, /tʋɛɪ̯χ/, /tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
веточка
/ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
двадцать
ordinalAdjective
двадцатый
noun
1.
я́блоко раздо́ра
/tiˈfon/, /tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
тайфун
noun
тиф
noun
1. door bepaalde karakteristieken herkenbare soort
тип
adjective
1. wat kenmerkend is voor iets of iemand
типичный
adjective
2. kenmerkend
типи́чный
noun
2. grafische vorm van tekst
книгопеча́тание
noun
тирози́н
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
Тирренское море
/yː/
personalPronoun
u (pers.vnw.)
Вы
noun
1. bocht van 180°
поворо́т круго́м
/ˈyfo/
noun
1. vliegend voorwerp waarvan de identiteit niet bekend is, meestal in verband met een (vermeende) buitenaardse oorsprong
НЛО
/œʏ̯/, /œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
  1. лук
  2. луковица
/œyjəsup/
noun
1. een uit uien bereide soep
луковый суп
noun
1. de melkklier van een herkauwer
вымя
/œʏ̯ɫ/, /œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
  1. сова
  2. сыч
/œʏ̯t/, /œːt/
preposition
1. geeft aan van welke plaats iets komt
из
/ˈœytˌadəmən/
verb
вы́дохнуть
noun
2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
извержение
noun
2.
аутсо́рсинг
noun
вы́брос
verb
1. iets een groter oppervlak laten innemen
продлева́ть
/ˈœʏdaχɪŋ/, /ˈœːdaɣɪŋ/
noun
1. taak die moeilijk te verwezenlijken valt
вызов
verb
1. een gevoel of gedachte in taal verwoorden
вы́разить
/ˈœytrʏkɪŋ/, /ˈœːdrʏkɪŋ(g)/, /ˈœːtrʏkɪŋ/
noun
  1. 2. verbinding van woorden
  2. 3. geheel van sprekende gelaatstrekken
  3. 4. het uitdrukken, uiting
выраже́ние
/œʏˈtɛɪndələk/
adverb
1. na een hele tijd
в конце концов
/ˈœʏ̯tə(n)/, /ˈœːtə(n)/
verb
2. zeggen
по́лный
verb
1. plotseling en ongewenst iets doms zeggen
бря́кнуть
verb
    1. 1. ophouden met branden
    2. 3. naar de bar, disco of restaurant gaan
    [[быва́ть]] в [[общество|о́бществе]]
  1. 4. naar buiten gaan
    выходить
/'œʏtχɑŋ/, /'œːtɣaŋ/
noun
вы́езд
adjective
1. heel goed doordacht, (te) slim
  1. изощренный
  2. продуманный
/'œytxəmɛrxəlt/
adjective
1.
измождёный
adverb
1. dodelijk vermoeid
истощённый
verb
  1. 1. financiële middelen aanspreken
    выпускать на свет
  2. 2. een geschrift in drukvorm verspreiden
    издавать
noun
1. een persoon die of bedrijf dat boeken of andere publicaties in omloop brengt
редактор издания
noun
  1. 1. het dusdanig weinig voedsel laten nuttigen dat dit op den duur verhongering tot gevolg heeft, meestal doelbewust
  2. 2. het uitgehongerd/verhongerd zijn
го́лод
verb
1. honend toeroepen
букать
verb
прочеса́ть
verb
1. uit een aantal mogelijkheden één of meer selecteren
избирать
verb
7. rondkomen
обходиться
/ˈœʏ̯tlat/, /ˈœːtlaːt/
noun
1. een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden
вы́хлоп
verb
1. iemand door te lachen bespotten
  1. высмеивать
  2. высмеять
verb
1. vrachtgoed uit een scheepsruim of uit overdekte wagen lossen
разрядить
verb
1. een verlangen tot verzadiging kunnen botvieren
наслаждаться жизнью
verb
1. een gevangene in handen van een andere autoriteit overdragen
выдавать
noun
1. plantkunde
столо́н
/'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
verb
1. iemand verzoeken iets bij te wonen
приглашать
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
приглашение
/ˈœʏtpɑkə(n)/, /ˈœːtpɑkə(n)/
verb
1. uit een verpakking halen
разверну́ть
noun
1. de toestand waarin iets of iemand aan het eind van zijn of haar krachten is
изнеможение
noun
1. uitputtende oorlog, oorlogsvoering
[[война́]] на [[истоще́ние]]
/ˈœtruːp/, /ˈœytruːp/
noun
1. wat men uitroept, luid geuite woorden of klanken
во́зглас
verb
  1. 2. uit emotie luid roepen
    воскли́кнуть
  2. 1. officieel verklaren
    объяви́ть
noun
1. !, een leesteken dat uitdrukt dat de zin een uitroep, bevel of uitdrukking van verbazing is
восклица́тельный знак
noun
1. benodigdheden voor een taak
обору́дование
verb
  1. 2. uitstellen
    откладывать на потом
  2. 1.
    раздвигать
/œytspra:k/
noun
  1. 2. woord of zin
    высказывание
  2. 3. veroordeling
    приговор
  3. 1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
    1. произношение
    2. выговор
noun
2. kort plezierreisje
экскурсия
verb
простира́ться
noun
2. biologisch materiaal van de baarmoedermond dat op een objectglaasje wordt uitgesmeerd
мазо́к Папаникола́у
verb
1.
перечи́слить
/ˈœytrɛkə(n)/
verb
1. van je lichaam af halen
снимать
verb
опублико́вывать
noun
1. persoon die uitvindingen doet
изобретатель
noun
1. de daad van het uitvinden, het ontdekken van een nieuwe methode of een nieuw toestel
изобретение
adjective
1. mogelijk om uitgevoerd te worden
исполни́мый
verb
    1. 2. afhandelen, voltrekken, ten uitvoer brengen
    2. 3. software runnen
    вы́полнить
  1. 1. exporteren
    выполнить
adverb
подробный
noun
1.
отклоне́ние
adjective
1. zich aan de buitenkant bevindend
внешний
noun
2. vaste uitgescheiden afvalstoffen van een mens of dier
испражнение
noun
обме́н
noun
метастаз
noun
1. complete uitrusting van kleren, linnengoed, borden, etc. van een bruid of bruidspaar
приданое
noun
  1. 1. wat men van de omgeving vanaf een bepaalde plek kan zien
  2. 2. verwachting, iets waar men naar kan uitzien
вид
/œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
исключение
/œʏtˈzɔndərlək/
adjective
1. niet alledaags, niet gewoon
исключительный
noun
1.
исключи́тельность
noun
1. een lichtbewapende bereden soldaat in enkele Europese legers
улан
/ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
ультиматум
noun
1. blauwe verfstof, blauw pigment dat van nature wordt aangetroffen in het mineraal lazuriet
ультрамари́н
adjective
голубо – фиолетовая
adjective
1. van elektromagnetische straling, net buiten het gebied van het spectrum dat met het menselijk oog zichtbaar is
ультрафиолетовый
pronoun
У́мбрия
/ˈumlʌʊt/
noun
  1. 1. trema dat een vocaalwijziging aangeeft
  2. 2. vocaalwijziging o.i.v. een klinker in de volgende lettergreep
умла́ут
/ʏnɑˈnim/
adjective
1. met eenheid van stemmen
единогла́сный
noun
1. C11H24
ундекан
noun
1. 1069
дуовигинтиллион
noun
1. 1066
унвигинтиллион
/y.ˈnik/
adjective
1. enige in zijn soort
еди́нственный
adjective
1. alom bekend, vertegenwoordigd of erkend
всесторо́нний
/ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
университет
noun
1.
университетский город
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
вселенная
/ʌnstər/
noun
  1. 1. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op een balans met ongelijke armen
    безме́н
  2. 2. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op de rek van een veer
    ручные пружинные весы
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Унтергруппенбах
noun
1. scheikundig element met symbool Uub en atoomnummer 112
унунбий
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuh en het atoomnummer 116
унунгексий
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuo en het atoomnummer 118
унуноктий
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uup en het atoomnummer 115
унунпентий
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuq en het atoomnummer 114
унунквадий
verb
1. een bestand van een lokale computer of server naar een computer of server op afstand overbrengen
вка́чивать
/ˈʏpvoʊtə(n)/
verb
1. met een stem vóór steunen in een populariteitspeiling
апвоутить
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
Уран
pronoun
Уран
noun
1. een trek van de landelijke gebieden naar de stad
урбанизация
pronoun
1. de officiële taal van Pakistan en een van de officiële talen van India
урду
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
уретра
noun
мочеви́на
noun
1. de mate waarin iets dringend gewenst of nodig is
срочность
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
моча
noun
1.bij zoogdieren een orgaan dat de urine uit de nieren verzamelt en deze opslaat tot het moment van urineren
мочевой пузырь
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
мочеиспуска́тельный кана́л
noun
1. de buis die loopt tussen het nierbekken en de blaas
мочеточник
/ˌyriˈnɪːrə(n)/
verb
1. het via de blaas lozen van lichamelijke afvalstoffen in de vorm van vloeistof
мочиться
noun
1.
мочева́я кислота́
noun
1. eerste betekenisomschrijving
ларец
noun
урология
/ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /ˈuruˌɡwe/, /ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
  1. Уругвай
  2. Уругва́й
/yʔɛsˈbeʔstɪk/
noun
флеш-накопитель
/ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
утопия
adjective
утопи́ческий
/ˈytrɛx/, /ˈytrɛxt/, /ˈytrɛχt/
pronoun
2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
Утрехт
/yːr/
noun
1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
час
/yu̯/
possessivePronoun
bezittelijk voornaamwoord uw
ваш
noun
1. voltooid tegenwoordige tijd
  1. перфект
  2. настоящее завершённое время
adjective
неопределённый
/vaːk/
adverb
1. vele malen
часто
/val/, /vaɫ/
adjective
1. tot bijna kleurloos verbleekt
  1. выцветший
  2. поблекший
noun
± onderscheidende vlag van een schip en/of militaire eenheid
зна́мя
noun
1. een aspirant-reserveofficier
пра́порщик
noun
  1. нетель
  2. тёлка
noun
  1. 1. opgebouwde snelheid
    дви́жущая си́ла
  2. 3. het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
    рейс
/ˈvaːrtœx/, /ˈvaːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel op water
кора́бль
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
ваза
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
посудомоечная машина
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
посудомоечная машина
noun
вака́нсия
/vakˈsæː/, /vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
вакцина
noun
1. materievrije ruimte
  1. вакуум
  2. ва́куум
noun
вакуумный насос
noun
1.
морская са́жень
noun
1.
руково́дство
noun
1. een mannelijke ouder
  1. отец
  2. папа
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
День отца́
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
  1. родина
  2. отечество
/ˈva.ɣə.ˌvyːr/, /ˈva.χə.ˌvyːr/
noun
1. een toestand waar de zielen van gestorven personen gereinigd worden.
чистилище
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
влагалище
adjective
вагина́льный
/vɑˈkɑn(t)si/
noun
  1. 2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
    кани́кулы
  2. 1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
    каникулы
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
  1. профсоюз
  2. профессиона́льный сою́з
noun
1. een man die zijn vak of professie verstaat
реме́сленник
noun
1. vaardigheid in een beroep of handel, de vaardigheid om hoog kwalitatief werk af te leveren
мастерство
noun
1. (onderwijs) school waar men voor een bepaald vak wordt opgeleid
специальное училище
/vɑɫ/
noun
    1. 1. omlaag gaan
    2. 2. ten gevolge van de zwaartekracht naar beneden gaan
    3. 3. onvrijwillig ergens op terecht komen
    4. 4. hoogte van waarvandaan iets naar beneden valt
    паде́ние
  1. 5. van zijn macht beroofd worden
    падение
  2. 10. apparaat met een vallende deur of klem met als doel dieren te vangen
    ловушка
pronoun
Валенсия
noun
вале́нтность
noun
1. 14 februari, de dag van de verliefden
День Святого Валентина
noun
валин
/vɑlk/
noun
1. roofvogel
  1. сокол
  2. со́кол
noun
1. bedrijver van valkerij
сокольничий
/vɑlkə'rɛɪ/
noun
1. africhten van roofvogels
соколиная охота
noun
1. een laagte tussen bergen
долина
verb
1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
падать
adverb
1. op basis van onwaarheden
ло́жно
noun
1.
фальшивомоне́тчик
noun
1. mythologisch ondood wezen
вампир
preposition
  1. 1. geeft bezit aan
    -ев
  2. 2. geeft herkomst aan
    от
preposition
из-за
phraseologicalUnit
1. oprecht en onvoorwaardelijk
всеце́ло
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
ванадий
adverb
1.duidt een tijdstip aan waarna (en waarop) iets geldt
начиная от
adverb
сегодня вечером
adverb
внутри
adverb
1. aan de buitenzijde
снаружи
adverb
1. op deze dag
  1. сегодня
  2. сегодняшний день
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
вандализм
verb
  1. 1. te pakken krijgen
  2. 2. onderscheppen
лови́ть
noun
социальная защита
/ˈvɑŋ.re(i)l/
noun
1. metalen stroken langs autowegen, die dient om te voorkomen dat auto's van de rijbaan raken
огражде́ние
/vɑŋs/, /vɑŋst/
noun
добы́ча
/vɑ'nijə/
noun
een smaak- en geurstof geëxtraheerd van de vanilleplant
ваниль
noun
1. vloeistof onttrokken aan vanillestokjes in een ethanol oplossing
экстракт ванили
adverb
1. de komende nacht
[[сего́дня]] [[но́чью]]
/va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
Вануату
noun
1. Varanidae, de grootste levende hagedis
вара́н
noun
1. een sporenplant
папоротник
adjective
зеленый папоротник
noun
вариант
/ˌva.ri.ˈjɑn.si/, /ˌva.ri.ˈjɑn.tsi/
noun
1. een maat voor de spreiding van een variabele of van een verdeling gedefinieerd als de wortel uit de variantie
диспе́рсия
noun
вариа́ция
noun
идиом
noun
1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
свинья
pronoun
1. baai op de Cubaanse kust
Залив Свиней
noun
onder-/zijkant van de buik van een varken
пашина
noun
2. lever van een varken
Свиная печень
noun
свинина
noun
вазелин
noun
1. vaatvernauwing
вазоконстрикция
/vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
  1. материк
  2. континент
verb
1. zich onthouden van voedsel
голода́ть
verb
1. iets of iemand grijpen en vasthouden
хватать
verb
1. bevestigen dat iets zo is.
определи́ть
noun
  1. 2. standaard inhoudsmaat
    баррель
  2. 1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
    бочка
  3. 3. ader
    сосуд
/vatiˈkanstɑt/, /vatiˈkaːnstɑd/, /vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
Ватикан
noun
васса́л
adjective
1.
вои́нственный
noun
дра́ка
noun
вектор
/veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
скот
/feɪɫ/, /veːl/
indefiniteCardinalNumeral
1. groot in hoeveelheid
много
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
многоугольник
adjective
1.
многоуго́льный
noun
кра́тное
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
росомаха
noun
1. het veel mogelijkheden of kwaliteiten hebben; het geschikt zijn voor veel taken
многосторонность
noun
1.
медве́дка
/veːr/, /vɪːr/
noun
  1. 1. lichaamsbedekking van een vogel
    перо
  2. 2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
    1. пружина
    2. пружи́на
  3. 1. boot of schip toegewijd aan het onderhouden van een regelmatige verbinding over een rivier of een ander water
    паром
noun
2. herstellingsvermogen van iemands gestel of gemoed
ги́бкость
noun
1. een persoon die een veer bedient
паро́мщик
noun
1. een overzetvaartuig
Паром
/ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
четырнадцать
ordinalAdjective
четырнадцатый
noun
1. ruimtelijke figuur met veertien vlakken
четырнадцатигранник
/ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
  1. сорок
  2. со́рок
noun
веганство
verb
1. zonder water schoonmaken met een borstel
вы́тереть
adjective
1. als of voor vegetariërs
вегетарианский
noun
вегетариа́нец
/ˈvɛilə(n)/
verb
1. verkopen op een openbare verkoping waar een prijs vastgesteld wordt
[[продава́ть]] с [[аукцио́на]]
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
безопасный
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
Совет Безопасности ООН
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
англи́йская була́вка
/ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
аукцион
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Beieren
Файтсхёххайм
noun
2. afgestroopte huid
шкура
adjective
веля́рный
/vɛlt/
noun
nog na te kijken
поле
/ ˈvɛltflɛs /
noun
1. een afsluitbare en draagbare fles, meestal uit metaal of plastic vervaardigd, die gebruikt wordt om de drager buitenshuis van vocht te voorzien
бидо́н
noun
полево́й го́спиталь
noun
  1. полевой жаворонок
  2. жаворонок
noun
1. en 2. (bladeren van) kruidachtige plant Valerianella locusta
  1. полевой салат
  2. Валерянелла
noun
полево́й шпат
noun
1.
болотная сова
/ˈvɛld.zyː.rɪŋ/, /ˈvɛɫ.tsyː.rɪŋ/
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Rumex acetosa
щавель кислый
/vɛlx/, /vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
Колесо
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Фельберг
verb
1. neer doen komen, doen vallen
вали́ть
noun
велодром
adjective
1. met betrekking tot de geslachtsziekten
венери́ческий
pronoun
1. een taal die in de Veneto-regio gesproken wordt
венециа́нский
//
pronoun
1. provincie in Italië
  1. Венеция
  2. Вене́ция
pronoun
Венето
/ˌvenəzyˈweːla/, /ˌvenəzyˈβ̞ela/, /ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
Венесуэла
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
тис
noun
  1. 2. plant Foeniculum vulgare
    Фенхель обыкновенный
  2. 1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
    фенхель
noun
1. gedroogde zaden van Foeniculum vulgare
плод фенхеля
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
окно
noun
подоконник
adjective
оконный серый
noun
1. kerel, man
чувак
noun
ве́нтиль
noun
  1. вентилятор
  2. вентиля́тор
adjective
1. met betrekking tot de orgaanholte
желудочковый
pronoun
1. planeet
  1. Венера
  2. Вене́ра
noun
венерина мухоловка
adverb
1. op grote afstand
  1. далеко
  2. далёкий
/vərˈɑxtə(n)/, /vərˈɑçtə(n)/
verb
1. in hoge mate minachten
презира́ть
/vərˈadəmɪŋ/
noun
1.
отсро́чка
/vɛ.ˈrɑf.sxy.wə(n)/
verb
1. afschuw hebben voor
ненави́деть
verb
1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
изменить
noun
1. iets dat anders is geworden
  1. изменение
  2. перемена
adjective
  1. 1. iets met extra verplichtingen of moeilijkheden om het goed te laten lopen
  2. 2. de verantwoordelijkheid hebbend
отве́тственный
adverb
1. er op aangesproken kunnen worden als het niet goed gaat
отве́тственный
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
ответственность
verb
1. armer worden
беднеть
adjective
1. met woorden
верба́льный
adverb
1. als je iets vreemd vindt omdat je het niet verwacht had
изумлённый
verb
1. iemand van regeringswege dwingen een bepaald gebied te verlaten
вы́слать
/vər.ˈbɑ.nɪŋ/
noun
1. het verbod opgelegd krijgen naar een bepaalde plaats terug te keren
вы́сылка
verb
1. door iets onverwachts gevoelsmatig treffen
удивляться
noun
1. grote verwondering
удивление
/vər.ˈbeːɫ.dɪŋ/, /vər.ˈbɪːɫ.dɪŋ/, /vɛr.ˈbeːl.dɪŋ(g)/
noun
2. iets visualiseren, ergens een beeld bij maken
воображе́ние
verb
1. iets ergens plaatsen waar het niet gemakkelijk door anderen gevonden wordt
прятать
/vər.ˈbe.tə,rɪŋ/
noun
1. een verandering ten goede
исправле́ние
/vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
  1. заказать
  2. заказывать
verb
  1. 1. twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken
  2. 2. met iets of iemand contact maken via de telefoonlijn
подключа́ть
/vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
  1. 1. verbinden of samenvoegen
    1. связь
    2. соединение
  2. 2. scheikunde
    соединение
  3. 3. communicatie
    1. телефонная связь
    2. связь
noun
2. twee-personen-verhouding waarbij de ene tot een prestatie gerechtigd, de andere tot dezelfde verplicht is
обязательство
adjective
голубо – пепельная
verb
1. alle kleur verliezen
побледнеть
noun
пребыва́ние
noun
1. een plaats waar men, al dan niet noodgedwongen, verblijft
местонахожде́ние
verb
1. verstomd doen staan van verbazing
озада́чивать
/vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
запрет
noun
пакт
verb
  1. 2.planten telen
    выращивать
  2. 1.anders bouwen
    перестраивать
adjective
изумлённый
verb
1. verteerd worden door vuur of hitte
сжечь
noun
возгора́ние
noun
2. de totale verbruikte hoeveelheid
  1. расход
  2. потребление
verb
1. door buiging blijvend vervormen
погнуть
/vər.ˈbœʏ̯.χɪŋ/, /vər.ˈbœː.ɣɪŋ/
noun
1. naamwoordsflexie
склонение
verb
1. met een laagje chroom bedekken
хроми́ровать
adverb
подозри́тельный
noun
1. iemand die verdacht wordt
подозрева́емая
verb
1. overgaan van een gecondenseerde fase, vast of vloeibaar, naar de gasfase
испари́ть
verb
1. beschermen tegen een aanval
защищать
noun
защита
verb
1. in kleinere stukken uiteendoen
дели́ть
verb
1. het vermoeden hebben van iets slechts
  1. подозревать
  2. подозрева́ть
/vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
подозре́ние
adverb
да́льше
verb
  1. 2. geld verkrijgen door arbeid of een andere prestatie
    зарабатывать
  2. 1. het recht op een beloning of bestraffing verwerven
    заслу́живать
noun
2. goede, opbouwende daad
заслуга
/vɛr.ˈdi.pə(n)/
verb
1. dieper maken
углуби́ть
/vər.ˈdi.pɪŋ/
noun
3. alle ruimten op één hoogte in een gebouw
этаж
verb
  1. 1. dikker worden
  2. 2. dikker doen worden
сгусти́ться
interjection
блин
adjective
порочный
verb
1. de pijnprikkel onderdrukken, bijvoorbeeld door het toedienen van een medicijn
анестези́ровать
noun
1. een gevoel van droefheid
скорбь
verb
  1. 1. driemaal zo groot maken
  2. 2. driemaal zo groot worden
утра́ивать
verb
1.uit het land verjagen
отгонять
noun
утопле́ние
verb
2. iets (m.n. geld) ontvreemden/stelen
присва́ивать
verb
2. door toevoeging van oplosmiddel de concentratie verlagen
разба́вить
/vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
1. wegraken
  1. исчезать
  2. исчезнуть
noun
1. het verdwijnen
исчезнове́ние
/vərenˈvʌʊdəχtʃiˌnes/, /vərenˈvʌːdəxtʃiˌnes/
phraseologicalUnit
1. het schrift waarmee het Chinees met name op het vasteland van China geschreven wordt
упрощённый кита́йский
verb
упроститьупрощать
verb
обессмертить
/vɛrɛɪsə(n)/
verb
1. nodig hebben
нужда́ться
/vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
  1. Соединённое Королевство
  2. Великобритания
/vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
  1. Объединённые Арабские Эмираты
  2. Ара́бские Эмира́ты
pronoun
1. unie van Egypte en Syrië van 1958 tot 1961, en de officiële naam van Egypte van 1961 tot 1971
Объединённая Ара́бская Респу́блика
noun
Организация Объединённых Наций
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
  1. Соединённые Штаты Америки
  2. Соединённые Штаты
/və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Соединённые Штаты Америки
verb
1. afzonderlijke delen tot één geheel maken
объедини́ть
/və.ˈre.nə.ɣɪŋ/, /və.ˈre.nə.χɪŋ/, /vər.ˈe.ni.ɣɪŋ(g)/
noun
  1. 3. een operatie die twee of meer verzamelingen samenvoegt
    [[объедине́ние]] [[множество|мно́жеств]]
  2. 1. groepering van mensen die op een bepaald doel gericht is
    ассоциация
verb
1. tot onderwerp van aanbidding hebben, eer bewijzen
преклоня́ться
verb
1. erger worden of maken
обостри́ть
/vɛrf/
noun
1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
краска
verb
1. mooier maken
укра́сить
verb
1. Franstalig maken/worden
офранцузить
verb
обновля́ть
verb
  1. затонуть
  2. тонуть
/vər.ˈɣa.də.rə(n)/, /vər.ˈχa.də.rə(n)/, /vɛr.ˈɣa.də.rə(n)/
verb
1. in vergadering bijeenkomen, een vergadering bijwonen
заседать
/vərˈɣadəˌrɪŋ/, /vərˈχadəˌrɪŋ/
noun
1. een georganiseerde bijeenkomst voor bespreking en overleg
заседа́ние
noun
незабу́дка
adjective
1. niet goed kunnen onthouden
забывчивый
noun
1. het slecht kunnen onthouden; de neiging hebben zaken snel te vergeten
забывчивость
noun
воздая́ние
verb
1. geel worden door veroudering of invloed van de omgeving
желтеть
adjective
1. goed te vergelijken
сопостави́мый
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
сравнить
/vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
2. wiskundige uitdrukking
уравнение
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
  1. забывать
  2. забыть
verb
1. vergiffenis schenken
извини́ть
/vərˈxit/
noun
1. teiltje met gaten
дуршлаг
verb
проли́ть
/vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
яд
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
прощение
noun
1. een stof die in kleine hoeveelheden toegediend een zeer schadelijke of zelfs dodelijke werking heeft
яд
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
отрави́ть
noun
de toestand van vergiftigd worden
отравле́ние
verb
1. eerste betekenisomschrijving
ошибаться
verb
1. aan iemand compensatie verlenen voor gemaakte kosten of geleden schade
возмещать
noun
1. bolle lens waardoor de voorwerpen die men bekijkt groter lijken
  1. лупа
  2. увеличительное стекло
verb
1. groter doen worden
увеличить
/vərˈɣrotəndə trɑp/
noun
1. de vorm die het bijvoeglijk naamwoord aanneemt in vergelijkingen
сравнительный
noun
1. een toename in grootte
увеличе́ние
/vər'xœyzə(n)/
verb
1.
очерня́ть
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje goud
золотить
noun
1. een officiële (noodzakelijke) toestemming om een bepaalde activiteit uit te voeren
дозволе́ние
/vər'ɦal/
noun
1. verslag (mondeling of schriftelijk) van een waargebeurde of verzonnen gebeurtenis
рассказ
noun
1. het onjuiste gebruik van een woord of uitdrukking
малапропи́зм
verb
  1. (vrijmetselarij)
  2. naar fysiek of geestelijk niveau brengen
повышать
verb
1. voorkomen, ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
помешать
adjective
завуали́рованный
/vərˈɦɔʊ̯.dɪŋ/, /vərˈɦʌʊ̯.dɪŋ/, /vɛrˈhaʊ̯.dɪŋ/
noun
  1. 1.
  2. 2. de betrekking van personen onderling
  3. 3. een intieme, duurzame relatie tussen twee personen
отношение
verb
1. een houtachtige structuur krijgen
деревене́ть
verb
  1. 1. van woonplaats veranderen
  2. 2. de inboedel van een ander overbrengen
переезжать
/vərˈhœʏzɪŋ/, /vərˈhœːzɪŋ/
noun
1. de verwisseling van één (semi-) permanente woonplaats voor een andere
перее́зд
verb
1. iets niet openlijk zeggen of tonen
покрывать
verb
1. nagaan, controleren
проверять
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
день рождения
verb
1. jonger maken
омола́живать
/vər'jɔŋɪŋ/
noun
2. vernieuwen van de (levens)krachten
омоложение
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
движе́ние
adjective
голубая морская
noun
1. gestandaariseerd bord met aanwijzingen voor mensen in het verkeer
доро́жный знак
adjective
желтая
adjective
зеленая
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
светофор
adjective
дорожно - оранжевый
adjective
розово - фиолетовая
adjective
красная дорожная
adjective
белая бескидская
adjective
дорожно - черный
noun
2. militaire verkenning
разве́дка
verb
1. iemand door een stemming een ambt doen toekomen
вы́брать
/vər.ˈki.zɪŋ/, /vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
выборы
adjective
объясни́мый
/vɛrˈklarə(n)/
verb
1. duidelijk maken
объяснить
/vər.ˈkla.rɪŋ/, /vɛr.ˈkla.rɪŋ(g)/
noun
  1. 2. plechtige bekendmaking
  2. 1 het verklaren
  3. 3. opheldering
заявление
verb
2. zich vermommen door andere kleren aan te trekken
наряжаться
/vərˈklɛɪ̯nʋɔːrt/
noun
1. woord waardoor iets als klein of weinig wordt voorgesteld
уменьшительная форма
noun
доно́счик
verb
запоро́ть
verb
напорта́чить
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
прода́жа
/vərˈkopə(n)/
verb
1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
  1. продавать
  2. продава́ть
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
продаве́ц
noun
1. een virusinfectie aan keel of neus
простуда
verb
1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
  1. изнасиловать
  2. насиловать
noun
1. een seksuele daad onder dwang
изнасилование
verb
1. in bezit krijgen, verwerven
добы́ть
/vər'lɑmə(n)/
verb
1. van het vermogen zich te bewegen beroven
парализова́ть
noun
1. toestand waarin men niet is staat is zich te bewegen
паралич
noun
1. iets willen hebben
желание
verb
1. weggaan
  1. уезжать
  2. уходить
noun
1. de voorafgaande tijd
прошлое
noun
проше́дшее вре́мя
verb
1. tot kwaad brengen
подби́ть
/vər.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/, /vər.ˈlɛː.dɪŋ/, /vɛr.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het verleiden van iets of iemand
обольще́ние
/vərlenə(n)/
verb
1. iemand begunstigen met iets, iemand iets toestaan
вы́дать
/vərˈlɛŋə(n)/
verb
  1. 1. langer maken
  2. 2. langer laten duren
продлевать
/vər.ˈlɛ.ŋɪŋ/, /vɛr.ˈlɛ.ŋɪŋ/
noun
3. extra speeltijd
дополни́тельное вре́мя
noun
elektrisch snoer voorzien van stekker en contrastekker
удлини́тель
verb
  1. 2. minder zwaar maken
    обле́гчить
  2. 1. van licht voorzien
    освещать
noun
1. het teloorgaan, kwijtraken
потеря
verb
  1. 1. iets kwijt raken
    потерять
  2. 2. niet winnen
    прои́грывать
noun
1. iemand die in een spel, wedstrijd, onderhandeling of oorlog verliest
неудачник
noun
о́тпуск
adjective
1.
зама́нчивый
noun
1. iets wat heel aantrekkelijk is, maar verkeerd en zondig is
искуше́ние
adjective
обручённая
noun
1. iemand die toegezegd heeft met een partner in het huwelijk te willen treden
невеста
noun
2. de beroepsmatige begeleiding tijdens iemands zwangerschap en de bevalling
акуше́рство
/vər.ˈlɔ.sɪŋ/, /vɛr.ˈlɔ.sɪŋ/
noun
1. de bevrijding van de gevolgen van de zonden van de mens door het geloof in Jesus
избавле́ние
verb
1. iemand een (informele) belofte om te trouwen geven
обручить
verb
1.aan lichaamsgewicht verliezen
[[сбра́сывать]] вес
verb
1. iemand prettig en leuk bezighouden
забавлять
verb
1. in getal doen toenemen of laten toenemen
увеличить
verb
1. een feit noemen in een verhaal of tekst
упомина́ть
noun
ссы́лка
verb
перепу́тать
verb
1. het herhaald optellen van een getal; een rekenkundige bewerking waarvan de uitkomst het product wordt genoemd
множить
/vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
умножение
/vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
избега́ть
noun
1. bepaalde rode kleurstof op basis van kwik(I)sulfide, HgS
киноварь
noun
1. verkleining
сокращение
verb
1. iemands lichaam blijvend en misvormend letsel toebrengen
кале́чить
conjunction
1. omdat of aangezien, geeft onderschikkend een reden aan
принимая во внимание
adjective
1. naar men denkt, maar niet zeker weet
предполагаемый
noun
1. een waarschijnlijke waarheid
Гипотеза
noun
уста́лость
/vərˈmoχə(n)/
noun
2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen
мощность
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
уби́ть
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
вермут
adjective
1. van iets dat het je eer aantast
унижающий
verb
1. een einde maken aan, het bestaan uitwissen van, volledig tenietdoen
уничтожать
noun
1. einde maken aan het bestaan van iets
уничтожение
verb
1. een bepaalde aanname maken
предполагать
noun
предположе́ние
adverb
1. gevoelens koesterend dat men te na gekomen is
возмущенный
/və.rɔn.ˈtʋar.də.χɪŋ/, /və.rɔn.ˈtβ̞ar.də.ɣɪŋ/, /vɛr.ɔnt.ˈwar.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1. boosheid
возмущение
verb
1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
осуди́ть
verb
1. de oorzaak zijn van
вызыва́ть
adjective
устаревший
/vərovərə(n)/
verb
1. een gebied door een militaire operatie in zijn macht nemen
  1. завоевать
  2. побеждать
noun
завоевание
noun
1. het materiaal waarin iets verpakt is
упако́вка
noun
  1. 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
  2. 2. een deskundige in de verpleegkunde
медбра́т
noun
1. vrouw die zorg verleent aan zieken of gewonden
медсестра
adjective
1. vernietigend
сокруши́тельный
adjective
1. door iets of iemand gedwongen
непреме́нный
verb
1. tot regel maken dat iets moet
обя́зывать
/vər.ˈplɪx.tɪŋ/, /vər.ˈplɪχ.tɪŋ/, /vɛr.ˈplɪx.tɪŋ(g)/
noun
1. iets dat moet
обязанность
/vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
  1. предательство
  2. измена
verb
2. een geheim prijsgeven
вы́дать
noun
1. iemand die verraad pleegt
изменник
adjective
вероло́мный
/və.ˈra.sɪŋ/, /və.ˈrɑ.sɪŋ/, /vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
сюрприз
/ˈvɛrəˌkɛːkər/, /ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
бино́кль
verb
1. rijker maken
обогащать
noun
  1. 2. dichtregel
  2. 3. couplet
стих
noun
  1. 1. militaire versterking
  2. 2. reling van een schip
фальшбо́рт
verb
1. aan stukken rijten
рвать
/vər'sxɛɪnə(n)/
verb
  1. 3. voor het gerecht verschijnen
    появи́ться
  2. 1. aan het licht treden, zichtbaar worden
    появляться
noun
появле́ние
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
разница
verb
1. in bepaalde opzichten niet hetzelfde zijn
расходи́ться во мне́ниях
adverb
1. zo erg dat men er van schrikt
ужасный
verb
1. door uitdroging rimpelig en klein worden
сокращаться
/ˈfɛrsi/
noun
  1. 1. specifieke vorm of variant van een uitgave
  2. 2. bepaalde verklaring of interpretatie van een gebeurtenis
вариа́нт
noun
1.iemand die verslaafd is aan iets
зави́симая
verb
1. een definitieve overwinning boeken op een tegenstander
побить
verb
1. te lang blijven slapen met als gevolg dat men een afspraak mist
проспа́ть
verb
1. slechter worden
уху́дшиться
verb
1. door veelvuldig gebruik onbruikbaar worden of maken
изма́тывать
verb
1. grote hoeveelheden geheel verorberen
поглощать
verb
1. een grotere snelheid (doen) bereiken
уско́рить
noun
  1. 2. tweede tijdsafgeleide van de positie
    ускорение
  2. 1. toename van het tempo
    1. ускорение
    2. разгон
noun
1. een schakelinrichting aan een motorvoertuig om van de ene naar de andere versnelling te gaan
коро́бка переда́ч
verb
1. tot splinters maken
раскалывать
/vər.ˈstaːn/
verb
1. begrijpen van een uiting
понимать
noun
  1. te controlerende vertalingen
    здра́вый смысл
  2. 2. denkkracht, denkvermogen (met betrekking tot het brein)
    разум
verb
1.
[[превраща́ть]] в [[ка́мень]]
verb
2. het aantal vergroten
подкреплять
noun
1. signaalversterker
усили́тель
/vər.ˈstɛr.kɪŋ/, /vɛr.ˈstɛr.kɪŋ(g)/
noun
3,4. signaalversterking
усиле́ние
verb
1. doen stikken
души́ть
noun
1.
асфиксия
/vərˈstɔ.pər.tjə/
noun
прятки
verb
1. ter beschikking stellen
доставлять
noun
1.
рассе́янность
noun
1.
растяже́ние
verb
2. blazend verplaatsen
  1. передувать
  2. передуть
noun
1. in de poëzie gebruikte term voor een combinatie van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen
стопа́
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
переводить
noun
переводчик
/vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
  1. перевод
  2. перево́д
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
представитель
verb
1. een al of niet ware gebeurtenis verhalen
рассказать
noun
1. een verhaal dat bedoeld is om verteld te worden
рассказ
verb
1. voedsel afbreken
перева́ривать
adverb
вертика́льный
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje tin
луди́ть
/vər.ˈtra.ɣɪŋ/, /vər.ˈtra.χɪŋ/, /vɛr.ˈtra.ɣɪŋ(g)/
noun
1. het langzamer gaan
задержка
noun
2. de actie van het vertrekken of weggaan
отправление
verb
1. weggaan
отпра́виться
/vər.ˈtrɛk.stat/
noun
1. een tabel waarop staat aangegeven wanneer en op welk perron een trein of bus vertrekt
часовой
noun
[[вре́мя]] [[вылет|вы́лета]]
noun
утеше́ние
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
  1. доверие
  2. дове́рие
verb
1. maken, samenstellen
  1. изготовить
  2. изготовлять
verb
разма́зать
noun
  1. 1 verslechteren
    гние́ние
  2. 3 verschil in waterstand
    спад
/vər.ˈvɑɫ.sɪŋ/, /vɛr.ˈvɑl.sɪŋ(g)/
noun
1. een artefact opzettelijk nagemaakt om mensen in de waan te brengen dat het echt is
подде́лка
/vər'vɑŋə(n)/
verb
1. het ene de plaats doen innemen van het andere
заменять
noun
замена
noun
скука
verb
1. met verf bestrijken
красить
verb
1. iets viermaal zo groot maken
учетвери́ть
verb
A.1 omvormen van een werkwoord om wijze, tijd en persoon uit te drukken
проспряга́ть
/vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /vər.ˈvu.χɪŋ/, /vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
спряжение
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
перевозить
noun
1. voorwerp bestemd om personen of goederen naar een andere plaats te brengen
транспортное средство
/vər'vɔlɣən/
verb
2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
[[подверга́ть]] [[гонение|гоне́ниям]]
noun
2. het vervolgen of vervolgd worden
гоне́ние
verb
1. vreemd maken, van eigenaar doen wisselen
отврати́ть
noun
2. overdracht van het eigendom
отчужде́ние
verb
1. het (doen) uitkomen van een voorspelling of belofte
испо́лнить
adjective
1. zich boven anderen verheven voelend
самодово́льный
verb
1.
снизойти́
adjective
1. niet de moeite om zich met iets bezig te houden
пренебрежи́мый
verb
1. iets niet de benodigde verzorging schenken
запускать
verb
1. ergens van uitgaan
ожидать
/vər.ˈʋɑχ.tɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑx.tɪŋ/, /vɛr.ˈwɑx.tɪŋ(g)/
noun
datgene wat verwacht wordt
наде́жда
adjective
  1. 1. geparenteerd, familie zijnd
  2. 2. op een of andere wijze gerelateerd
ро́дственный
noun
2. overeenkomst, affiniteit
взаимоотноше́ние
/vər.ˈʋɑr.mɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑr.mɪŋ/, /vɛr.ˈwɑr.mɪŋ(g)/
noun
  1. 1. het proces van verwarmen
  2. 2. een installatie die voor het verwarmen zorgt
отопление
/vɛrˈʋɑrən/
verb
2. door elkaar halen
мешать
noun
защи́та
/vɛrˈʋɛ.χɪsˌtɑn/, /vɛrˈβ̞ɛ.ɣɪsˌtɑn/
pronoun
1. uithoek, een hypothetisch en oneindig ver land
тьмутаракань
/və(r).ˈʋɛ.kə(n)/
verb
doen ontstaan (ook in biologische zin)
породить
adjective
бало́ванный
verb
2. aan erosie blootstaan
выветриваться
noun
1. het verkrijgen van iets
приобрете́ние
noun
1. het verwijderen
удаление
/vər'wɛift/
adjective
1.
женоподо́бный
/vər.ˈʋɪ.sə.lɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɪ.sə.lɪŋ/, /vɛr.ˈwɪ.sə.lɪŋ(g)/
noun
1. het verwisselen van twee zaken
путаница
verb
1. ~ van iemand ergens van op de hoogte brengen
информировать
verb
1. totaal vernielen
опустошать
noun
1.
опустынивание
noun
1. lichamelijk letsel
повреждение
verb
1. minder erg maken
размягча́ть
noun
насыще́ние
noun
аккумуля́тор
verb
1. bijeenbrengen
собирать
/vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
2. wiskundige verzameling
множество
/vərzekərar/
noun
1. een bedrijf dat tegen betaling van een premie een bepaald risico voor een klant dekt
страховщик
verb
  1. 1. verklaren dat iets ...
    заве́рить
  2. 2. tegen betaling van een premie ...
    застрахо́вывать
/vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
страхование
noun
1. handelingen gericht tegen de heersende macht of de aanvallende vijand
сопротивле́ние
verb
4. met een laag zink afdekken
оцинко́вывать
verb
1. aan iemand vragen iets al dan niet te doen
проси́ть
verb
1. vrede laten sluiten
примирять
verb
1. zuur (doen) worden
оки́слить
noun
1.zuur worden van het milieu
кислова́ние
/vɛrzʋɑkə(n)/
verb
  1. 1. zwakker maken
  2. 1. zwakker worden
осла́бить
noun
1. een mouwloos jasje, te dragen onder de jas van het kostuum
жилет
noun
вестибюль
noun
крепость
adjective
1. dik, vet inhoudend
  1. жирный
  2. толстый
noun
  1. 1. gladde, zeer vette vloeistoffen, smeermiddelen
    жир
  2. 2. gespecialiseerd dierlijk weefsel
    1. жир
    2. сало
/vɛtblɑt/
noun
1.1 bepaald soort vleesetende plant, Pinguicula vulgaris
Жирянка обыкновенная
noun
  1. 1. een voormalig militair die gevochten heeft, een uitgediend krijgsman
  2. 2. een ervaren en oud persoon in een bepaald onderwerpgebied, zoals een sporter, geleerde, etc.
ветеран
adjective
ветерина́рный
noun
кок
verb
1. een dier/persoon overvloedig en calorierijk voedsel aanbieden zodat deze in gewicht aankomt
откармливать
noun
1. veto
[[пра́во]] [[ве́то]]
noun
2.
толстяк
/ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
жирная кислота
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
  1. жеребёнок
  2. скид
noun
1.
вексиллоло́гия
noun
1. een vezel is een lang, dun filament waarvan de lengte ten minste drie keer groter is dan de doorsnede
волокно́
noun
1. marimba met metalen toetsen en vibratosysteem
вибрафон
noun
вице-президент
noun
  1. заколдованный круг
  2. порочный круг
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Викто́рия
/viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
  1. четыре
  2. четвёрка
/ˈviːrdə/
ordinalAdjective
1. nummer vier in een rij
четвёртый
verb
1. een feest vieren
праздновать
cardinalNumeral
1. het getal 34
тридцать четыре
cardinalNumeral
1. het getal 94
девяносто четыре
cardinalNumeral
1. het getal 84
восемьдесят четыре
cardinalNumeral
1. het getal 24
двадцать четыре
noun
1. ruimtelijke figuur met vierentwintig vlakken
двадцатичетырёхгранник
cardinalNumeral
1. het getal 44
сорок четыре
cardinalNumeral
1. het getal 54
пятьдесят четыре
cardinalNumeral
1. het getal 64
шестьдесят четыре
/ˈvirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 74
семьдесят четыре
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
четырёхугольник
/ˈviːrˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 400
четыреста
/ˈviː.rɪŋ(g)/, /ˈviː.rɪŋ/
noun
1. het vieren
пра́зднование
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
квадрат
noun
1.
квадра́тный метр
noun
1. dat getal dat met zichzelf vermenigvuldigd een gegeven getal oplevert
квадратный корень
adjective
1. van een dier of voorwerp dat het vier voeten heeft
четвероно́гий
pronoun
Фирвальдштетское озеро
adjective
1. smerig
грязное
pronoun
  1. Вьетнам
  2. Вьетна́м
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
  1. вьетнамский
  2. вьетнамский язык
noun
1. 10120
новемтригинтиллион
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
враг
adjective
1. van de vijand
вра́жеский
adjective
1. zich als een vijand gedragend
вра́жеский
noun
1. het vijandig zijn
вражда
/vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
  1. пять
  2. пя́теро
/vɛi̯f/
noun
1. het teken 5
пятёрка
/ˈvɛɪ̯f.də/, /ˈvɛɪ̯v.də/, /ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
пятый
cardinalNumeral
1. het getal 35
тридцать пять
ordinalAdjective
1. nummer vijfendertig in een rij
тридцать пятый
cardinalNumeral
1. het getal 95
девяносто пять
cardinalNumeral
1. het getal 85
восемьдесят пять
cardinalNumeral
1. het getal 25
двадцать пять
cardinalNumeral
1. het getal 45
сорок пять
cardinalNumeral
1. het getal 55
пятьдесят пять
cardinalNumeral
1. het getal 65
шестьдесят пять
/ˈvɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 75
семьдесят пять
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
пятиугольник
/ˈvɛi̯fˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 500
пятьсот
noun
1. atletiekmeerkamp met vijf onderdelen
пятибо́рье
adverb
пятью
noun
2. een groep van vijf
пятёрка
/ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
пятнадцать
ordinalAdjective
пятна́дцатый
noun
пятнадцатиугольник
/ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
  1. пятьдесят
  2. пятьдеся́т
noun
1. vrucht van de vijgenboom
  1. инжир
  2. фига
noun
фи́говый листо́к
noun
1. tropische boom
инжир
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
  1. напильник
  2. пилка
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
пруд
noun
1. een groot en vrijstaand huis
вилла
pronoun
1.
Филлах
verb
1. van het vel ontdoen
свежевать
noun
door langdurig bewerken verdichte wol
фетр
/vɪn/
noun
  1. 2. een zwemvin, gebruikt bij het snorkelen en duiken...
    ласт
  2. 1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
    плавник
/'vɪndə(n)/
verb
1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
  1. находить
  2. найти
noun
1. de mate waarin iemand goed is in het vinden van nieuwe oplossingen
изворо́тливость
noun
1. extremiteiten van de hand
  1. палец
  2. перст
/ˈvɪ.ŋər.ˌɑf.drʏk/, /ˈvɪ.ŋər.ˌɑv.drʏk/
noun
1. een afdruk op een oppervlak van een vinger met meestal de unieke, persoonsgebonden figuur...
отпечаток пальца
noun
1. bepaalde grassoort, Eleusine coracana
дагусса
/'vɪŋərˌɦut/
noun
1. hard dopje dat het eerste kootje van de vinger beschermt bij het naaien
напёрсток
noun
наперстя́нка
/ˈvɪ.ŋər.knɪp/
noun
щёлкать пальцами
noun
topje van een vinger
[[ко́нчик]] [[палец|па́льца]]
noun
1. het heel snel zaken met de vingers kunnen verrichten
ло́вкость рук
noun
зяблик
noun
1. knie- of beenviool
виола да гамба
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
[[фиоле́товый]] цвет
noun
1. musicus die een viool bespeelt
скрипач
noun
1. strijkinstrument
скрипка
noun
1. vioolsleutel
скрипичный ключ
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Viola
фиалка
noun
1.
вирусоло́гия
noun
1. (beroep) deskundige op het gebied van virussen en virusziekten
вирусолог
adjective
1.
виртуальный
noun
виртуо́з
/virəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
вирус
noun
  1. 2. het vlees van een vis
    рыба
  2. 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
    1. рыба
    2. ры́ба
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
скопа
pronoun
1.
Фисбек
adjective
1. met betrekking tot de ingewanden
висцеральный
noun
1. stroperigheid van een vloeistof of gas
вя́зкость
noun
рыболовный крючок
noun
1. de wijze waarop men zaken beoordeelt of beschouwt
взгляд
/vizi'ɣotis/
adjective
1.
вестготский
noun
1. een droombeeld
виде́ние
adjective
визионе́р
noun
1. vlechtwerk van touw om zeedieren te vangen of in water te bewaren
[[рыболовный|рыболо́вная]] сеть
noun
1. vloeibare substantie gemaakt van vergiste vis
ры́бный со́ус
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
Рыбы
verb
1. proberen te vangen
рыбачить
noun
1. iemand die beroepsmatig vist
рыба́к
noun
рыба́цкая ло́дка
/vizyʋel/
adjective
1. betreffende het zicht, betreffende het zienbare
визуа́льный
noun
ви́за
noun
живость
noun
1. een stof die het lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft, maar niet of bijna niet door het lichaam zelf aangemaakt kan worden en derhalve in voldoende mate via voedsel of supplement ingenomen moet worden
витами́н
noun
  1. 1. een richttoestel op de loop van een vuurwapen
    визир
  2. 2. klep aan een hoofddeksel
    забороло
  3. 1. minister of hoog staatsdienaar
    визи́рь
pronoun
1. Nederlands zoals dat in Vlaanderen gesproken wordt
фламандский
pronoun
1. Belgische provincie
Фламандский Брабант
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
сойка
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
Фландрия
/vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
  1. флаг
  2. знамя
  3. вымпел
/ˈvlɑɣəˌsxɪp/
noun
1. schip waarop zich de bevelvoerder over een vloot of eskader bevindt
[[фла́гманский]] [[кора́бль]]
noun
1. bepaald soort vis, Thymallus thymallus
европейский хариус
/vlɑk/
adjective
1. zonder bergen of dalen
ро́вный
adjective
1. de kortste translatievectors in de diagonale richtingen tussen de hoofdassen van de rotatiesymmetrie hebbend
гранецентрированный
noun
stuk rubber dat door wrijven potloodschrift van papier kan verwijderen
ластик
noun
1. gebied met weinig of geen hoogteverschillen
равни́на
noun
1. kleinste vorm van vuur
пламя
noun
Дуговая сталеплавильная печь
/'vlamɪŋ/
noun
1. een inwoner van Vlaanderen of iemand afkomstig uit Vlaanderen
фламандец
noun
лён
adjective
1. lichtgeel blond met name van haar
светлово́лосый
noun
1. een gebonden pluk haar
коса
/ˈvlɛx.tə(n)/, /ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
заплести́
noun
1. klein vliegend zoogdier
  1. летучая мышь
  2. лету́чая мышь
noun
  1. 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
    мясо
  2. 1. spierweefsel van bepaalde organen
    1. мясо
    2. плоть
noun
1. een vleesetend dier
плотоядное животное
verb
1. (onoprechte) complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen
льстить
adjective
1. te vriendelijk
ле́стный
noun
льстец
noun
1. een vieze plek
пятно
noun
1. een hoeveelheid gasvormige substantie die men ruikend waarneemt
запашок
noun
1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
крыло
noun
1.iemand die bevelen van een hoger geplaatst persoon overbrengt
адъюта́нт
noun
1. gevleugelde vrucht
крыла́тка
/vlix/, /vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
  1. муха
  2. му́ха
noun
зола́-уноса
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
  1. авианосец
  2. авиаматка
/ˈvli.ɣə(n)/, /ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
  1. (про)летать
  2. летать
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Летучая Рыба
noun
1. benaming voor zeevissen uit de familie Exocoetidae
лету́чая ры́ба
noun
1. bepaald soort paddenstoel, Amanita muscaria
  1. красный мухомор
  2. мухомо́р
noun
  1. 1. een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
    змей
  2. 6. iemand die vliegt
    1. лётчик
    2. лётчица
noun
1. van bijenkorf
леток
/ˈvlixtœːx/, /ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
  1. самолёт
  2. аэроплан
/ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
аэродро́м
noun
1. sneldraaiend wiel met grote massa
махови́к
pronoun
Влиланд
noun
бузина́
/'vlirbɛs/
noun
1. bessen van de gewone vlier
бузина́
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
  1. бабочка
  2. мотылёк
noun
бабочка
noun
1.
сачо́к
pronoun
1.
Флиссинген
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
блоха
noun
1. verhoging van de waterstand
прилив
noun
1.
прили́в
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
жидкий
/ˈvlujə(n)/
verb
1. zacht stromen
течь
adjective
2. zonder haperingen een taal kunnen spreken
бе́гло
noun
2.
промока́тельная бума́га
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
жидкость
noun
1. bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
ана́фема
verb
1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
матери́ть
/vlur/
noun
пол
adjective
1.
хлопьевидный
/vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
флот
noun
1. een drijvende constructie
плот
noun
1. het zich door luchtruim bewegen
полёт
/'vlɵxtəlɪŋ/
noun
1.
бе́женец
/vlɵxtə(n)/
verb
1. (onovergankelijk) trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
бежать
noun
1.
но́мер ре́йса
/vlɵx/
adjective
1. met hoge snelheid
быстрый
/vlɵx/
adverb
1. met hoge snelheid, in korte tijd
быстро
noun
1. snel en oppervlakkig seksueel contact
перепихон
pronoun
1. wereldwijde organisatie waarin alle landen kunnen samenwerken
ООН
noun
1. de vijfde naamval waarin een naamwoord staat dat aanduidt tot wie het woord wordt gericht
звательный падеж
adjective
вла́жный
noun
1. de mate van vocht
мокрота
verb
1. van voedsel voorzien
кормить
/ˈvu.dɪŋ(g)/, /ˈvu.dɪŋ/
noun
1. voedsel
питание
noun
1. toevoeging aan voeding
пищевые добавки
noun
1. voedingsmiddel dat bedoeld is als aanvulling op de normale voeding
биологически активные добавки
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
  1. еда
  2. пища
noun
пищевой банк
adjective
1.
питательный
/ˈvuxʋoːrt/
noun
союз
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
ощути́ть
/vur/
noun
1. voedsel, inzonderlijk voor huisdieren en vee
корм
/ˈvuː.rɪŋ(g)/, /ˈvuː.rɪŋ/
noun
1. de binnenbekleding van een voorwerp
подкла́дка
pronoun
sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Возни́чий
/ˈvuːrtœx/, /ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
транспортное средство
noun
  1. 1. voortzetting van het been beneden de enkel
    1. нога
    2. ступня
  2. 3. oude lengtemaat
    1. стопа
    2. ступня
/ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
  1. футбол
  2. футбо́л
noun
футбольное поле
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
пешеход
/'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
пешехо́дная доро́жка
noun
след
noun
шаг
noun
1. de onderzijde van de voet
ступня
/ˈvoːɣəl/, /ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
птица
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
утконос
noun
звездчатка средняя
noun
1. gezien vanuit de lucht; gezien vanuit de positie van een vliegende vogel
с высоты́ пти́чьего полёта
noun
1. grote behaarde spin die leeft in de tropische streken
пау́к-птицее́д
noun
1. manshoge pop
  1. пугало
  2. чучело
noun
1. het geluid dat vogels maken
[[пти́чий]] [[ще́бет]]
pronoun
1. gebergte
Воге́зы
noun
войсо́вер
pronoun
1.
Воеводина
/vɔl/, /vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
  1. полный
  2. по́лный
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
  1. волапюк
  2. воляпюк
verb
1. geheel uitvoeren
[[довести́]] до [[конец|конца́]]
adverb
1. tot bevrediging
достаточно
/'vɔlxə(n)/
verb
1. achterna gaan
следовать
adjective
1. dat later komt
следующий
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
согласно
adjective
1.
покорный
/vɔlk/
noun
  1. 4. een aantal mensen
    люди
  2. 2. de inwoners van een land
    народ
  3. 1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
    1. народ
    2. нация
pronoun
Лига Наций
noun
1. brood van meel met zemelen
цельнозерновой хлеб
noun
1.
наро́дная этимоло́гия
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
государственный гимн
noun
народная республика
/'vɔlkstɛlɪŋ/
noun
1.
пе́репись
/ˈvɔlks.tœʏn/
noun
2. moestuin beschikbaar gesteld aan stadsbewoners
дача
noun
1. verhaal dat (ook) mondeling wordt overgedragen
наро́дная ска́зка
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
полнолуние
noun
1. de fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
полная луна
noun
  1. 1. spel
  2. 2. bal
волейбол
/vɔlˈmaːkt/
adverb
1. zonder enig gebrek
безупречный
noun
1. rechtsbevoegdheid om namens een ander te handelen
доверенность
verb
1. overvol maken door er nog iets bij te duwen
вти́скивать
noun
вольт
adverb
1.
за́нятый по́лное рабо́чее вре́мя
noun
1. spanningmeter
вольтме́тр
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
причастие прошедшего времени
noun
настоя́щее соверше́нное вре́мя
noun
  1. плюсквамперфект
  2. предпрошедшее время
  3. прошедшее завершённое время
noun
достиже́ние
noun
  1. 3. fysieke informatiedrager
    гро́мкость
  2. 1. ruimtelijke capaciteit
    объём
/volymi'nøs/
adjective
1.
масси́вный
adjective
1. een leeftijd bereikt hebbend waarop men volgroeid en onafhankelijk kan zijn
взро́слый
noun
1. iemand die volgroeid is
взрослый
noun
подкидыш
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
искра
adjective
zeer fel, vonken voortbrengend
искряной
noun
1. een beslissing van een rechter in dagvaardingsprocedures
приговор
noun
1. Haïtiaanse religie
ву́ду
/voːxt/
noun
1. belangenbehartiger van minderjarige
опекун
noun
1. belangenbehartiging van minderjarige
опе́ка
/vor/
preposition
  1. 1. dichterbij dan
    ruперед
  2. 7. ten behoeve van, ten gunste van
    для
  3. 4. eerder in tijd
    1. перед
    2. до
    3. прежде
noun
1. iets ter navolging
пример
adjective
примерный
verb
1. handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
подготовить
/ˈvor.bə.rɛɪ̯.dɪŋ(g)/, /ˈvor.bə.rɛː.dɪŋ/, /ˈvo̝r.bə.rɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het voorbereiden
подготовка
adjective
1. wat al in het verleden ligt
ми́мо
/vorˈbɛɪ̯ɣan/, /vorˈbɛːɣan/, /vo̝rˈbɛɪ̯χan/
verb
  1. 1. langs een bepaald punt gaan.
  2. 2. tot verleden gaan behoren
исте́чь
/ˈvorbodə/
noun
1. vooruitgestuurde bode (letterlijk)
предве́стник
noun
  1. 1. profijt
  2. 2. aangename eigenschap
  3. 3. (tennis)
вы́года
/'voːrdøːr/
noun
1. de hoofddeur aan de voorzijde van een woning
входная дверь
noun
1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
предше́ственник
noun
1. gevel aan de voorkant
фасад
noun
предчу́вствие
adverb
наве́ки
noun
кувалда
/vɔːr.'ɦɑn.də(n)/
adjective
1. beschikbaar, voorradig
под руко́й
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
  1. лоб
  2. чело
noun
1. voorhuid van penis
крайняя плоть
/vorɪ'nxənomə(n)/
adjective
1.
предубеждённый
noun
1. het opruimen en poetsen van een woning in het voorjaar
весе́нняя убо́рка
/vorkɑnt/
noun
1. een van de zijden van een voorwerp, namelijk dewelke naar voren gericht is
перёд
/ˈvoːrkør/
noun
1. de neiging tot kiezen van het één boven het ander
выбор
/'vɔːr.ko.mə(n)/, /vɔːr.'ko.mə(n)/
verb
  1. 1. met regelmaat ergens te vinden zijn
    встречаться
  2. 1. ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
    предотвратить
verb
1. hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
зачитывать
/vorˈlopəx/, /vorˈlopəç/
adjective
1. tijdelijk in afwachting van iets definitiefs
временный
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
имя
/ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
местоимение
noun
1. een bijwoord ter vervanging van de combinatie voorzetsel met voornaamwoord,...
местоименное наречие
adverb
1. in hogere mate
в основно́м
verb
1. vooraf voor waar aannemen van een stelling om hiermee tot een conclusie te komen
предполага́ть
noun
предвзя́тость
verb
1. vooropstellen
предполагать
noun
1. iemand van wie afgestammen wordt
пра́щур
adjective
имеющийся
noun
предшествова́ние
noun
1. glazen vlak aan de voorkant van een voertuig dat zorgt voor zicht op de weg en bescherming tegen weer en wind
лобовое стекло
/'vɔːrsxrɛɪvə(n)/
verb
1. een schriftelijke opdracht geven
предписывать
noun
3. liefdesspel als opmaat voor seks
прелю́дия
adjective
1. van tevoren te verwachten
предсказу́емый
noun
1. de mate waarin het mogelijk is betrouwbare voorspellingen te doen
предсказу́емость
verb
1. een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
предска́зывать
noun
прогноз
noun
благосостоя́ние
/'vorsprɔŋ/
noun
1. de mate waarin men verder gevorderd is dan anderen
преиму́щество
noun
1. iemand die voor iets is
защи́тник
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
предложе́ние
verb
  1. 1. een plan voorleggen
    предлага́ть
  2. 2. een beeld geven
    презентовать
adverb
1. van nu af aan, in het vervolg
отныне
noun
1. signaal dat aan een gebeurtenis voorafgaat
предзнаменование
noun
1. het voortzetten van iets
продолжение
noun
1. het proces van technologische en economische groei van een samenleving
прогресс
verb
zo ver als mogelijk in voorwaartse richting strekken
  1. выпятить
  2. выпячивать
noun
1.
предок
noun
1. iemand die ergens een voorstander van is en zich daarvoor actief inzet
боре́ц
noun
1.
внутрипартийные выборы
noun
1.
Ку́перова жи́дкость
/ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
приставка
noun
1. omstandigheid die noodzakelijk is of gemaakt wordt wil iets anders plaats of...
усло́вие
noun
1. een object, iets dat fysiek bestaat
  1. объект
  2. предмет
noun
1. een soort van aandrijfmechanisme, waarbij de motorkracht op de voorwielen wordt uitgeoefend
пере́дний при́вод
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
предлог
/vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
благоразумный
/vɔːr.'zin/
verb
  1. 2. beschikbaar maken, voorzorgen treffen voor
    обеспе́чивать
  2. 1. herkennen als toekomstige ontwikkeling
    предви́деть
noun
1. een van de zijden van een voorwerp, namelijk dewelke naar voren gericht is
перёд
noun
аверс
verb
1. leiding geven aan een vergadering
председа́тельствовать
noun
1. hoofd van een bestuur, leider van een vergadering
председатель
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Форарльберг
/vɔɾ.dǝ.ɾɪŋ/
noun
1. vooruitgang, progressie
прогресс
indefiniteOrdinalNumeral
1. degene die of datgene dat eerder een positie innam
предыду́щий
noun
  1. 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
    вилка
    1. 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
    2. 1. aftakking van een boomtak of van een weg
    1. вилка
    2. ви́лка
noun
1. ruimtelijke begrenzing van een voorwerp
фигу́ра
/vɔrst/
noun
2. weersomstandigheden
  1. моро́з
  2. мороз
noun
1.
кня́жество
adjective
1. van het weer dat het koud en vriezend is
моро́зный
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
  1. лиса
  2. лисица
  3. лис
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Лиси́чка
adjective
гнедой
noun
1. bepaald soort plant, Vaccinium vitis-idaea
Брусника
noun
вуайери́зм
/vra:x/, /vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
вопрос
noun
1. een leesteken (?) dat men aan het eind van een zin plaatst om deze vragend te maken
  1. вопросительный знак
  2. знак вопроса
/vrɑxt/, /vrɑχt/
noun
1. de lading van een vervoermiddel
груз
/ˡvrɑxtɑuto/
noun
1. een auto voor goederenvervoer
грузовик
noun
1.
[[путево́й]] лист
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
Грузовым судном
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
  1. грузовик
  2. грузовой автомобиль
noun
дальнобойщик
/ˈvraɣə(n)/, /ˈvraχə(n)/
verb
  1. 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
    1. просить
    2. попросить
  2. 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
    1. спрашивать
    2. спросить
noun
1. ontbreken van oorlog
мир
noun
1.
тру́бка ми́ра
noun
1.
ми́рное вре́мя
adjective
  1. 1. van buiten, niet van hier
    заграничный
  2. 3. niet bekend
    причудливый
  3. 2. gek, onwerkelijk
    странный
noun
1.
ксенофобия
noun
жмот
verb
1. het nuttigen van voedsel op een meestal onbeleefde wijze
жрать
noun
1. een blij gevoel
радость
/ˈvrøx.də.ˌvyːr/, /ˈvrøɣ.də.ˌvyːr/, /ˈvrøχ.də.ˌvyːr/
noun
1. een groots door mensen opgebouwd en gecontroleerd vuur om iets te vieren
костёр
noun
1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
друг
adjective
1. met het nodige respect
дружелюбный
noun
2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
подруга
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
  1. дружба
  2. дру́жба
/vrispʌnt/
noun
температу́ра замерза́ния
verb
моро́зить
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen in bevroren toestand gebracht, te bewaren
морозильник
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
свободный
adverb
довольно
noun
1. een zeerover
флибустьер
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
  1. пятница
  2. пя́тница
noun
1.
вольнодум
adjective
1. een ongehuwde man of vrouw
холостяк
noun
1. een ongehuwde man of vrouw
холосто́й
noun
беспо́шлинная торго́вля
/ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
свобода
noun
1. krijger, rebel of activist die zich inzet voor de vrijheid van zijn of haar onderdrukte volk, en door de vijand vaak gezien als terrorist of militant
[[боре́ц]] за [[свобода|свобо́ду]]
verb
1. toestaan om uit gevangenschap weg te gaan
освободи́ть
noun
масон
noun
оправда́ние
noun
свободное государство
adjective
1. niet gedwongen
добровольный
/ˈvrud.vrɑu/
noun
1. een vrouw die een bevalling begeleidt
  1. акушерка
  2. повитуха
adjective
1. in goede stemming
весёлый
noun
1. een aangename stemming waarin men veel lacht, zich goed voelt en het leven optimistisch bekijkt
весе́лье
noun
1.
благоче́стие
noun
  1. 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
    женщина
  2. 1. een volwassen vrouwelijke mens
    1. женщина
    2. же́нщина
adjective
женский
noun
1.
же́нственность
noun
2. grootste in Europa voorkomende orchideeënsoort, Cypripedium calceolus
башмачок настоящий
noun
1. een man die veel vrouwen verleidt
ба́бник
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
  1. фрукт
  2. плод
/'vrɵɣbar/
adjective
  1. 1. in staat vrucht af te werpen
  2. 2. tot resultaat leidend
плодотворный
/'vrʏxt.bar.ɦɛɪ̯t/, /'vrʏxt.bar.ɦɛːt/, /'vrʏɣ.ba.rɛɪ̯d/
noun
1. het vermogen vrucht te dragen
плодови́тость
/ˈvrʏxtə(n)ˌsɑp/, /ˈvrʏχtə(n)ˌsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
фрукто́вый сок
noun
1.
узуфру́кт
noun
о̀колопло́дная жи́дкость
/vœy̯l/
noun
viezigheid, onreine materie
грязь
/'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
бак для мусора
/ˈvœʏɫnɪsˌʋaxə(n)/, /ˈvœːɫnɪsˌβaɣə(n)/
noun
1. een auto van de vuilophaaldienst
мусоровоз
noun
1. gebalde hand
  1. кулак
  2. кула́к
adjective
вульгарный
noun
вулкан
noun
1. de vaak explosieve activiteit waarmee in een vulkaan opgebouwde spanningen zich ontladen
извержение вулкана
adjective
1. betrekking hebbend op de processen die in een vulkaan plaatsvinden
вулканический
verb
вулканизи́ровать
noun
1. natuurlijke processen
вулкани́зм
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
вулканоло́гия
verb
1. vol maken
запо́лнить
noun
het materiaal waarmee iets opgevuld is
наполнение
/ˈvʏl.pɛn/, /ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
  1. автору́чка
  2. ве́чное перо́
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
вульва
/vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
  1. огонь
  2. пламя
  3. горение
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
Огненная Земля
adjective
красная огневая
noun
1.
кремень
/ˈvyːrtɛmˌpəɫ/
noun
1. heiligdom waarin een eeuwigbrandend vuur onderhouden wordt.
храм огня
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
  1. мая́к
  2. маяк
noun
1. Lycaena, geslacht van vlinders
медный
noun
1. een wapen dat een kogel schiet met behulp van een chemische ontploffing
огнестре́льное ору́жие
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
фейерверк
noun
1. een Zuid-Afrikaans blaasinstrument
вувузе́ла
pronoun
1. meer in Zweden
Венерн
pronoun
1. meer in Zweden
Веттерн
pronoun
1.
Фёльклинген
noun
1. iemand die veel durft
лиха́ч
/'ʋajə(n)/
verb
1. plaatsvinden van een sterke luchtstroming
дуть
noun
1. scherm in halve schijfvorm
веер
/ˈʋakɦɔnt/
noun
1. een hond die het huis of een erf bewaakt
сторожевая собака
adverb
1. oplettend
бди́тельный
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
валлонский
/ʋar/
adverb
1. op welke plaats
где
verb
гара́нт
/ʋaːrt/
noun
A 1. baas van een herberg, taveerne of café
хозяин
noun
стоимость
/ˈʋardəˌlos/
adjective
1. geen waarde hebbend
[[ничего́]] не [[стоить|сто́я́щий]]
/'wardəordel/
noun
1.
оце́ночное сужде́ние
noun
1. document met geldswaarde
це́нная бума́га
noun
1. het hechten van een waarde aan iets of het tonen daarvan
благода́рность
/'ʋardəˌvɔl/
adjective
1. een grote waarde hebbend
це́нный
noun
1. dat wat waar is
  1. правда
  2. истина
adverbialPronoun
чем
verb
1. iets via de zintuigen in zich opnemen
воспринимать
noun
1. iets via de zintuigen registreren
наблюде́ние
/ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
  1. почему
  2. почему́
adjective
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
вероятный
adverb
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
вероятно
/ˈʋaːrsxyu̯ə(n)/
verb
1. iemand verwittigen dat er mogelijke gevaren, problemen of gevolgen zijn
  1. предупреждать
  2. предостерегать
/'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
предупреждение
noun
1. een schot ter waarschuwing
предупредительный выстрел
noun
1. nevelsluier
помутне́ние
/ˈʋɑx.tə(n)/, /ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
ждать
noun
1. ruimte of vertrek voor wachtenden, bijvoorbeeld bij een arts of op een station
приёмная
/ˈʋɑxtlɛɪst/
noun
1. een lijst met wachtenden
спи́сок очерёдности
noun
1. een aantal elementen die in een bepaalde volgorde op een gebeurtenis wachten
очередь
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
пароль
pronoun
1. een binnenzee die aan de ene kant grenst aan de Waddeneilanden en de Noordzee en aan de andere kant begrensd wordt door het vasteland van Nederland, Duitsland en Denemarken
пролив Ваддензе
verb
1. door ondiep water lopen
брести
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
гав-гав
noun
1. plat gebak dat vervaardigd wordt in een wafelijzer
ва́фля
noun
1. een toestel waarin wafels gebakken worden
ва́фельница
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
noun
2. een auto
  1. автомобиль
  2. машина
noun
тавот
noun
1. het houten wiel van een wagen of kar
колесо́
noun
1. reisziekte
укачивание
adjective
1.
вагнеровский
/ʋa'ɣɔn/
noun
1. een voertuig dat deel uitmaakt van een trein
вагон
/ˈwa.kə(n)/, /ˈʋa.kə(n)/, /ˈβ̞a.kə(n)/
verb
  1. 2. wakker zijn
    бдеть
    1. 1. opzettelijk wakker zijn
    2. 4. letten op, beschermen
    бодрствовать
adjective
1. niet in slaap
бодрый
/'ʋɑkflɑktə/
noun
1. groot ijsvrij gebied te midden van pakijs
лу́нка
noun
  1. 3. het vaste land in tegenstelling tot het boord van een schip
    берег
  2. 1. aarden verhoging als verdediging tegen een vijand
    вал
  3. 2. aarden verhoging als verdediging tegen een overstroming
    1. насыпь
    2. дамба
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
  1. Уэльс
  2. Уэ́льс
pronoun
1. een speciale hemel in de Noorse mythologie, voorbehouden voor de gesneuvelden in de strijd
Валга́лла
noun
1. een draagbare radio en/of CD-speler met koptelefoon
пле́ер
noun
ва́ллаби
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Вальдюрн
/ʋɑˈlonɪə/
pronoun
Валлония
/wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
морж
noun
4. dans
вальс
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
кит
pronoun
1. zeehaven in Namibië
Уолфиш-Бей
/ʋɑnt/
noun
стена
noun
1. een misdaad, een slechte of gruwelijke handeling
злодея́ние
noun
1. een van de beenderen van de schedel
теменная кость
/ˈʋɑn.də.ˌlar/, /ˈβ̞ɑn.də.ˌlar/
noun
1. iemand die buitenshuis een stuk loopt
пешехо́д
/ˈʋɑn.də.lə(n)/, /ˈβ̞ɑn.də.lə(n)/
verb
1. een wandeling maken
гулять
/ˈʋɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het lopend afleggen van een bepaalde afstand
похо́д
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌsχun/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌsxun/
noun
1. een schoeisel dat speciaal geschikt is om grote wandelingen mee te maken
похо́дный боти́нок
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌstɔk/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌstɔk/
noun
1. stok die dient als steun bij het wandelen en beschermt tegen vallen
трость
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
щека
noun
1. een slecht en lelijk mens of dier
чудо́вище
noun
1. flexibel deel van de huid aan de zijkanten van de kop dat door bepaalde zoogdieren wordt gebruikt om voedsel op te slaan
защёчный мешок
/ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
безнадёжность
verb
1. onvast op de voeten staan, dreigen te vallen
вихлять
/ˈʋɑŋkəɫˌmotɔr/
noun
1. een verbrandingsmotor die niet met heen en weer gaande zuigers werkt, maar met een roterende zuiger.
двигатель Ванкеля
noun
веялка
/ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
когда
verb
1. graan zuiveren van kaf door het in de wind op te werpen of te laten vallen
ве́ять
noun
1. het niet nakomen van een overeenkomst
наруше́ние догово́ра
/ʋɑnt/
conjunction
1. geeft nevenschikkend een reden aan
потому что
/ʋɑnt/
noun
  1. 2. scheepvaart
    ванта
  2. 1. handschoen
    1. варежка
    2. рукавица
verb
1. niet vertrouwen
не доверять
noun
клоп
/ˈʋaːpən/
noun
  1. 2. een wapenschild
    1. герб
    2. оружие
  2. 1. een werktuig van geweld
    1. оружие
    2. ору́жие
noun
торговец оружием
noun
щит
noun
1. een korte tekst die de bedoeling van iets weergeeft
девиз
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
перемирие
noun
го́нка вооруже́ний
noun
1. een grote winkel die een uitgebreid assortiment aan goederen verkoopt
универма́г
/ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
тёплый
noun
  1. 2. de hoeveelheid thermische energie.
  2. 1. de mate waarin het weer warm is.
жар
noun
1. het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht
когенерация
noun
1. een verwarmingsinstallatie die via mechanische arbeid warmte onttrekt aan een koude omgeving en deze toevoert aan een warmere omgeving
тепловой насос
noun
теплообменник
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Варшава
/ʋɑs/
noun
  1. 3. wasgoed
    бельё
  2. 1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
    воск
  3. 2. het schoonmaken met water
    1. мытьё
    2. мойка
    3. стирка
  4. 4. aangroei, stijging
    повышение уровня
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
енот
noun
1. Nyctereutes procyonoides, een zoogdier en roofdier uit de familie Canidae
Енотовидная собака
noun
geribbeld bord waarop men de was kan doen
стиральная доска
noun
1. een toestel om de kleding die uit de wasmachine komt te drogen
сушилка для белья
/ˈwɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈʋɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈβ̞ɑs.knɛː.pər/
noun
1. een knijper die gemaakt is van hout of plastic om nat wasgoed aan een waslijn te klemmen
прищепка
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
стиральная машина
noun
1. zeep in een vorm om kleding en ander textiel in water te reinigen
детергент
/'ʋɑsə(n)/
verb
    1. 3. groeien
    2. 4. in de was zetten
    восково́й
  1. 1. iets schoonmaken
    мыть
  2. 2. zichzelf schoonmaken
    чистить
noun
1. een plaats waar men kleding en textiel kan (laten) wassen (zonder personeel)
[[пра́чечная]] [[самообслуживание|самообслу́живания]]
noun
1. een bak waarin men zich of iets wast
умывальник
/ʋɑt/
interrogativePronoun
vragend voornaamwoord
что
phraseologicalUnit
1.
  1. Как вас зовут?
  2. Как тебя зовут?
noun
Розовое яблоко
noun
1. een bed waarvan het matras gevuld is met water
водяная кровать
adjective
бирюзовая морская
noun
1. wetenschap die zich richt op ontwerp en beheer van waterbouwkundige werken
гидротехника
noun
водяной пар
adjective
1. ondoordringbaar voor water
  1. водонепроницаемый
  2. водостойкий
  3. водоупорный
noun
вахта
/ˈʋaːtərən/
verb
3. waterachtig vocht afscheiden
во́ды
noun
фильтр для воды
noun
1. een drinkglas voor water
стакан
noun
1.1 bepaald soort watervogel, Gallinula chloropus
камышница
adjective
2. uitziend alsof men tranen in de ogen heeft
водяни́стый
noun
1. apparaat dat een zeer sterke straal water kan produceren
брандспойт
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Rorippa
кресс водяной
noun
гидрологи́ческий цикл
/ˈwatərˌlɛin/
noun
2. de grens tussen onderwaterschip en bovenwaterschip
ватерли́ния
pronoun
1. gemeente en plaats in Waals-Brabant
Ватерлоо
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
Водолей
/ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
  1. арбуз обыкновенный
  2. арбуз
noun
водяно́й знак
noun
2. een molen die door stromend water aangedreven wordt
водяная мельница
noun
bepaald soort eenjarige waterplant met eetbare knollen, Trapa natans
Чилим
noun
1. een werktuig dat gebruikt wordt om zeker te stellen dat iets loodrecht op de richting van de zwaartekracht komt te staan
у́ровень
noun
Горец перечный
noun
калья́н
noun
1. pistool waaruit een straal water kan spuiten
водяно́й пистоле́т
noun
водное растение
noun
2. goedaardige infectieziekte die gepaard gaat met het verschijnen van rode vlekjes op de huid die daarna overgaan in jeukende blaasjes
ветряная оспа
noun
1. een balsport waarbij twee ploegen van zeven spelers elkaar in het water bestrijden
ватерпо́ло
noun
1. een schoepenrad dat draait door de stroming van het water
водяно́е колесо́
noun
1. bepaald soort watervogel, Rallus aquaticus
водяно́й пастушо́к
noun
2. iemand die dol is op zwemmen
водяная крыса
noun
вертлявая камышовка
noun
1. ski voor het waterskiën
водные лыжи
noun
1. Argyroneta aquatica, middelgrote spin die in stilstaande wateren leeft
водяной паук
noun
1. bepaald soort bruine, bolle vogel met witte borst, Cinclus cinclus
оля́пка
noun
Горгулья
/ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
  1. водород
  2. водоро́д
noun
1. een atoom van het chemisch element waterstof.
атом водорода
noun
водородная связь
noun
1. een toren die zorgt voor een gelijkmatige waterdruk in het waterleidingnet
водонапорная башня
noun
водяные часы
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
водопад
noun
загрязне́ние воды́
noun
1. een vliegtuig dat kan opstijgen en landen op het water
гидросамолёт
noun
водоснабжение
noun
бе́шенство
noun
Частуха
noun
1. plukje watten bevestigd op een houten of plastic stokje, gebruikt voor bepaalde medische doeleinden...
ва́тная па́лочка
noun
1.
веб-диза́йн
noun
1.
веб-разработка
noun
1. een dienst die particulieren of bedrijven ruimte aanbiedt voor het opslaan van informatie, afbeeldingen, of andere inhoud die toegankelijk is via een website
веб-хо́стинг
noun
  1. 1. computerprogramma
  2. 2. server waarop de
веб-се́рвер
noun
закла́д
noun
1.
возрожде́ние
noun
возвра́тное местоиме́ние
noun
1. een werkwoord waarbij de handelende persoon tevens het voorwerp van de handeling is
возвратный глагол
adjective
обоюдный
noun
1. periode waarin de oorlogsschade door de Tweede Wereldoorlog werd hersteld
восстановление
/ˈwedərˈvɛrkop/
noun
1. de inkoop van waren in 't groot en de verkoop van deze waren in 't klein
перепродажа
/wedərˈzɛits/
adjective
взаи́мный
verb
конкури́ровать
noun
1. een strijd van twee of meer personen om uit te maken wie op een bepaald gebied de beste is
ко́нкурс
/ˈʋeːdyʋə/
noun
vrouw
вдова
/'ʋedyʋnar/
noun
man
вдовец
/ʋeː/
noun
1. pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt
сокраще́ние
/ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
ткацкий станок
noun
  1. 2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
  2. 1. een dunne geweven stof of textiel
ткань
noun
подоро́жник
pronoun
teken van de dierenriem van 23 september to 23 oktober
Весы
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
весы
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
adjective
1. slap
мягкий
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
неделя
/'ʋekblɑt/
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
еженеде́льник
noun
моллюск
/ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
  1. выходные
  2. уик-энд
  3. конец
/weːr/, /ʋɪːr/, /β̞eːr/
noun
1. atmosferische gesteldheid
погода
noun
зубе́ц
verb
1. door elastische botsing van richting veranderen
отража́ть
verb
1. stand houden, weerstand bieden aan
выдерживать
noun
  1. 1. een reactie die poogt een bepaalde actie tegen te werken
  2. 2. de tegenstand die een stroom in een geleider ondervindt
  3. 3. een elektronica-onderdeel
резистор
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
оборотень
/ʋes/
noun
сирота
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Веце
/ʋɛχ/, /β̞ɛx/
noun
1. smalle strook grond voor het verkeer
  1. дорога
  2. путь
verb
1. geleidelijk afnemen, verdwijnen
ослабевать
/ˈʋeχə(n)/, /β̞eɣə(n)/
verb
  1. 1. het gewicht/de massa bepalen
  2. 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
весить
noun
автомобильная навигационная карта
/ˈwɛ.ɣaːn/, /ˈʋɛ.χan/
verb
1. zich ergens vandaan begeven
уходить
verb
1. te midden van andere informatie iets niet insluiten
включать
/ʋɛɪ/
noun
2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
сыворотка
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
Висла
noun
луг
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
  1. отказ
  2. отка́з
/'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
луг
pronoun
Веймарская республика
/ˈwɛɪ̯nɪx/, /ˈʋɛɪ̯nəχ/, /ˈβ̞ɛːnəx/
noun
  1. 1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
  2. 2. in een klein aantal
ма́ло
noun
1. tas waarin een jager zijn buit stopt
ягдташ
/ˈwe.kə(n)/, /ˈʋe.kə(n)/, /ˈβ̞e.kə(n)/
verb
1. door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
вы́мочить
verb
  1. 2. veroorzaken
    1. вызвать
    2. произвести
  2. 1. wakker maken
    разбудить
/ˈʋɛkər/
noun
1. een apparaat dat gebruikt wordt om de tijd bij te houden en een functie heeft die veel geluid produceert op een ingestelde tijd
будильник
noun
1. de kunst om iets goed te kunnen verwoorden
красноречие
noun
благодетель
adjective
1. financieel goed gesitueerd
бога́тый
/ˌʋɛləsˈʋar/
adverb
1. geeft een toegeving aan
всё же
/ʋɛlk/
relativePronoun
како́й
/ˈʋɛɫkɔm/
adjective
1. gewenst zijn te blijven
приём
/ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
  1. добро пожаловать
  2. с
/ʋɛˈlɪxt/
adverb
1. mogelijk, misschien
возможно
pronoun
1. hoofdstad van Nieuw-Zeeland, gelegen op het Noordereiland
Ве́ллингтон
adjective
благозвучный
noun
1.
лакшери
interjection
нет
adjective
1.
воспи́танный
/wɛlp/
noun
1. jong van hond, wolf, leeuw e.d.
щенок
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
валлийский
noun
1. een vrouwelijke inwoner van Wales
валли́йка
/ˌʋɛltə'rʏstə(n)/
interjection
спокойной ночи
verb
благоде́нствовать
adjective
1.
благосклонный
/'wɛlzɛin/
noun
1. wanneer een individu of maatschappij zich in een goede toestand bevindt ...
благоде́нствие
noun
1. het gemak waarin iets of iemand van richting kan veranderen
ло́вкость
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
Вена
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
бровь
verb
привы́кнуть
/ʋεns/
noun
желание
noun
приня́тие жела́емого за действи́тельное
adjective
1. wat men zou wensen
жела́нный
/'ʋɛnsən/
verb
желать
adjective
1. betreffende het Wepsische volk
вепсский
pronoun
1. de Fins-Oegrische taal met circa 8000 sprekers gesproken in het noordwesten van Rusland
вепсский
/ˈweː.ʁəlt/, /ˈʋɪː.rɔɫt/, /ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
  1. мир
  2. свет
pronoun
Всемирный банк
noun
1. een kaart van het oppervlak van de aarde in de vorm van een bol
Земля́
/xxxx/
noun
1. uniek en als collectief bezit beschouwd cultureel of natuurlijk erfgoed
всемирное наследие
pronoun
Всемирная организация здравоохранения
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
Всемирная торговая организация
noun
1. persoon die of team dat tijdens een toernooi of competitie om de wereldtitel in een bepaalde tak van sport winnaar is
чемпион мира
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
мировая война
/'werəltal/
noun
1.
мировой язык
noun
1. een tentoonstelling waaraan landen uit de wereld aan kunnen deelnemen
Всемирная выставка
/ˈweː.rəld.ˌzwɛr.vər/, /ˈʋɪː.rɔɫt.ˌzʋɛr.vər/, /ˈβ̞eː.rəɫt.ˌzβ̞ɛr.vər/
noun
1. een veelvoorkomende libel die de langst bekende migratieroute heeft van alle insecten
бродяжка рыжая
/wɛr(ə)f/
noun
1. een scheepswerf
верфь
/ʋɛrk/
noun
  1. 2. beroep
    работа
  2. 1. dat wat gedaan moet worden
    1. работа
    2. труд
  3. 4. dat wat gemaakt is, kunstwerk
    труд
  4. hede, afval van vlas of hennep
    па́кля
noun
1. werkbank
верста́к
noun
1 een dag waarop gewerkt wordt
будний день
adjective
1. niet verbeeld
действительный
/'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
действительность
/ʋɛrkən/
verb
1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
работать
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
работодатель
noun
1. een hond die men gebruikt bij de jacht, het hoeden van een kudde, het speuren naar mensen of drugs etc.
служе́бная соба́ка
noun
1.
оборотный капитал
/ˈʋɛrkrɑxt/
noun
1. een persoon die gewoonlijk tegen betaling werk verricht
рабочий
adjective
безработный
/wɛrkˈloshɛit/
noun
  1. 1. het werkloos zijn
  2. 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
безработица
noun
1. uitkering voor iemand die buiten zijn of haar schuld om werkloos is
посо́бие по безрабо́тице
noun
1.
безработный
noun
1. fysieke en sociale omgeving waarin men arbeid verricht
усло́вия труда́
noun
2. krachtige computer die men voornamelijk gebruikt voor applicaties die veel rekenkracht vereisen
рабо́чая ста́нция
noun
1.
рабо́чий язы́к
noun
1.
металлоре́жущий стано́к
noun
  1. 1.dagen per week waarop er gewerkt wordt
  2. 2.het totaal aantal arbeidsuren per week
рабо́чая неде́ля
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
  1. глагол
  2. глаго́л
adjective
1.
глаго́льный
verb
1. met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
бросать
noun
3. bij honkbal
пи́тчер
noun
верста
noun
1. bot van de wervelkolom
позвонок
noun
позвоно́чник
noun
вихрь
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
  1. оса
  2. оса́
noun
1.
осое́д
noun
2. (figuurlijk) netelige situatie, waar men beter niet in verzeild raakt
оси́ное гнездо́
noun
Дремлик
noun
1. een zeer smalle taille
осиная талия
/ʋɛst/
adverb
запад
pronoun
За́падная А́фрика
pronoun
1. grootste van de Australische deelstaten, gelegen in het westen van het land
За́падная Австра́лия
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
За́падная Бенга́лия
pronoun
1.
Западный Берлин
pronoun
За́падная Герма́ния
pronoun
1. het westelijk deel van Europa
За́падная Евро́па
adjective
1. op West-Europa betrekking hebbend
западноевропе́йский
pronoun
1. de taal die de voorouder is van de huidige West-Germaanse talen
западногерма́нский
pronoun
Вест-И́ндия
pronoun
1. Belgische provincie
Западная Фландрия
adjective
западный
pronoun
Западная Сахара
/ˈʋɛs.tə(n)/
noun
запад
pronoun
Вестфалия
adverb
западо-северо-запад
adverb
западо-юго-запад
/wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
закон
phraseologicalUnit
Закон Мерфи
/ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
  1. знать
  2. ведать
/'ʋetənsxɑp/
noun
  1. 2. georganiseerde activiteit
  2. 1. het weten van de mens
наука
/,ʋetən'sxapələk/
adjective
научный
/ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
учёный
noun
1. door de regering uitgaand voorstel tot wet
законопроект
/ˈwɛtələk/
adjective
2. tot de wet behorend
законный
/'ʋɛtəxhɛɪt/
noun
1. het in overeenkomst met de wet zijn
зако́нность
/ˈweː.və(n)/, /ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
ткать
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
  1. ласка
  2. ла́ска
/ˈʋeː.zə(n)/
noun
  1. 1. individu
    ([[живой|живо́е]]) [[существо́]]
  2. 2. aard
    су́щность
pronoun
1.
Везер
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
виски
noun
1. een glad, wit gekleurd metalen bord waarop men met behulp van een viltstift met uitwisbare inkt kan schrijven of tekenen en waarop men met een magneet voorwerpen kan klemmen
бе́лая доска́
/wiː/, /ʋiː/, /β̞iː/
relativePronoun
  1. 1. vragend voornaamwoord
  2. 2. betrekkelijk voornaamwoord
кто
interjection
degene die aan het eind het beste uit de strijd komt is de daadwerkelijke winnaar
хорошо смеётся тот, кто смеётся последним
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
колыбель
/ˈwiɣə(n)/
verb
1. zachtjes heen en weer bewegen, gewoonlijk om een zuigeling in slaap te brengen
баю́кать
noun
1. het plotseling zonder duidelijke oorzaak overlijden van een zuigeling
синдро́м внеза́пной де́тской сме́рти
noun
1. ronddraaiende schijf
колесо
noun
1. de afstand tussen de twee middelpunten van de voor- en achteras
колёсная база
noun
1. de sport van het wielrennen
велоспорт
/'wiː.lə.wal/
noun
1. zwart-gele zangvogel
иволга
/ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
  1. ладан
  2. ла́дан
pronoun
1.
Виршем
pronoun
1.
Висбаден
/ʋit/
noun
1. een softdrug die bestaat uit gedroogde hennep
тра́вка
adjective
1. vorm van een wig hebbend
клиновидный
noun
1. koepelvormig huis gebruikt door de Noord-Amerikaanse indianen
вигва́м
/wɛɪ̯/, /ʋɛɪ̯/, /β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
мы
/ˈʋixə(n)/
pronoun
Вихен
verb
1. geheel voor een bepaald doel bestemmen
посвятить
adjective
1. overal aanwezig, vindbaar
[[широко́]] распространённый
/ʋɛi̯f/
noun
1. vrouw
баба
verb
  1. избегать
  2. отступать
  3. уклоняться
/wɛɪ̯n/, /ʋɛɪ̯n/, /β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
  1. вино
  2. вино́
noun
1. azijn uit wijn bereid
ви́нный у́ксус
noun
1.
ви́нный бар
noun
het verbouwen van druiven voor de productie van wijn
виногра́дарство
noun
1. een druif die wordt gebruikt om wijn van te maken
виноград
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om wijn uit te drinken
бока́л
noun
1.
[[вино́]] [[урожай|урожа́я]]
noun
1.
винный погреб
adjective
средне - бордовая
noun
ру́та души́стая
/ˈʋɛi̯n.stɔk/
noun
1. klimplant waaraan druiven groeien
виноградная лоза
/wɛɪ̯s/, /ʋɛɪ̯s/, /β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
му́дрый
adverb
му́дро
noun
1. gerijpt inzicht
му́дрость
noun
1. tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
указательный палец
/ˈʋɛi.tɪŋ/
noun
1. bepaald soort straalvinnige vis, Merlangius merlangus
мерла́нг
noun
1. gewijd water
святая вода
noun
1. manier
лад
verb
указывать
noun
1. de plaat van een klok waarop de wijzers de tijd aangeven
цифербла́т
noun
1. een constructiesysteem voor internetpagina's waar, in het algemeen, iedereen alle pagina's kan wijzigen
ви́ки
/ʋɪkifiˈsɪːrə(n)/
verb
1. een tekst aanpassen aan het wikisysteem
викифицировать
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Википедия
noun
1. een gebruiker op Wikipedia
википеди́ст
/ˈwɪkə/
noun
1. (plantkunde) naam voor planten uit het geslacht Vicia
вика
/ˈwikʃoˌnɛri/, /ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
Вики-словарь
/ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
  1. воля
  2. во́ля
adjective
3. onbeschaafd, bruusk
дикий
noun
  1. 3. vlees van een wild dier
  2. 1. dieren die niet onder menselijke beheersing zijn opgegroeid
дичь
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
кабан
noun
1. (onevenhoevigen) Equus africanus
дикий осёл
noun
3. graan van Zizania palustris, die worden gegeten als rijst
водяно́й рис
noun
1. een bosachtig gebied dat weinig door de mens geregeld is
[[дикий|ди́кая]] [[приро́да]]
noun
1. Salix sp.
ива
pronoun
1.
Вильгельмсхафен
adjective
произво́льный
/ˈwɪləm/, /ˈʋɪləm/, /ˈβ̞ɪləm/
pronoun
  1. 1. een jongensnaam
  2. 2. spelwoord voor de letter w
Вильгельм
/ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
  1. хотеть
  2. захотеть
adverb
1. met opzet
нарочно
noun
1. onvermogen om te handelen, ook al weet je wat je moet doen
абули́я
noun
1. eenzijdige wilsuiting die gericht is op het tot stand brengen van rechtsgevolgen
волеизъявле́ние
noun
  1. рыбец
  2. сырть
/ˈʋɪmpəɫ/
noun
вымпел
noun
ресница
/xxxx/
noun
1. klein, tangachtig voorwerp om de bovenste wimpers mee om te buigen zodat ze gaan krullen
щипцы для ресниц
/ʋɪnt/
noun
1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
ветер
noun
  1. 2. benaming voor slingerende planten met kegelvormige bloemen uit het geslacht Convolvus
    вьюно́к
  2. 3. bepaald soort karperachtige zoetwatervis, Leuciscus idus
    язь
/ˈʋɪndə(n)/
verb
1. een draad of kabel draaiend op een as of klos aanbrengen
вить
noun
ветроэнергетика
adjective
1. weerstoestand waarbij er veel wind aanwezig is
ве́треный
noun
1.
ветро́вка
noun
1. molen die door de wind gedreven wordt
ветряна́я ме́льница
noun
1. een gebied waar windenergie gewonnen wordt met behulp van een aantal molens
ветряная электростанция
noun
роза ветров
noun
1. periode met geen of weinig wind
безве́трие
noun
сильный порыв ветра
noun
1.
флюгер
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
магазин
noun
1. gebied of overdekte galerij waar meerdere winkels en horecazaken zijn gevestigd
молл
noun
1. iemand die iets steelt in een winkel
магази́нная воро́вка
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Науго́льник
noun
1. een wagentje dat in winkels wordt gebruikt om tijdens het winkelen producten in te verzamelen
тележка для покупок
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
победитель
/ˈwɪnə(n)/, /ˈʋɪnə(n)/, /ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
  1. 1. als beste partij uit een wedstrijd komen
  2. 2. iets verkrijgen voor een goede prestatie bij een wedstrijd
  3. 4. iemand bereid vinden zich ergens voor in te zetten
выигрывать
/ʋɪnst/
noun
1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde
прибыль
/ʋɪntər/
noun
1. seizoen
  1. зима
  2. зима́
noun
зимная депрессия
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus petrae
дуб ска́льный
noun
1. klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,
крапивник
adjective
1. typerend voor de winter
зимний
noun
1. een toestand van hypothermie en inactiviteit bij sommige warmbloedige dieren in de winter
спячка
noun
зимний спорт
noun
чирок-свистунок
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
зубр
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
  1. математика
  2. матема́тика
/ʋɪsˈkʏndəx/
adjective
1. op wiskunde betrekking hebbend of er gebruik van makend
математи́ческий
pronoun
1.
Висмар
noun
1. het op een onvoorspelbare manier steeds weer veranderen
вы́ходка
/ʋɪsəl/
noun
1. speciale constructie in een spoorweg om een voertuig naar een ander spoor te leiden
стре́лка
noun
сда́ча
noun
wisselkoers
курс
/'wɪsəlslɑx/
noun
1.
ко́мплексное пла́вание
noun
1. wisselstroom
переменный ток
/ʋɪt/
adverb
1. kleur
белый
/ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
  1. белый
  2. бе́лый
/wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
  1. Беларусь
  2. Белоруссия
/ˌwɪtˈrʏsɪs/, /ˌʋɪtˈrʏsis/, /ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
белорусский
noun
1.
светлое пиво
noun
1. een document dat beschrijft hoe overheidsbeleid, een technologie, en/of product een specifiek probleem oplost
бе́лая кни́га
adjective
1. van een metaal dat het zo heet is dat het een wit licht uitstraalt
светя́щийся
noun
1. een legering van goud en palladium
бе́лое зо́лото
adjective
салатно – белая
noun
1.
белизна́
noun
2. benaming voor insecten uit de familie Pieridae
белянка
noun
1.
известко́вый раство́р
noun
1. loof van met dat doel in het donker geteelde varianten van cichorei, Cichorium intybus var. foliosum
цикорий
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
Великий Четверг
noun
1.
бе́лый ка́рлик
noun
1. Carcharodon carcharias, de bekendste en de meest gevreesde haai
большая белая акула
pronoun
Белый дом
noun
1. zangvogel (Motacilla alba)
бе́лая трясогу́зка
noun
1. halfvleugelige uit de familie
белокры́лка
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
белое вино
pronoun
Бе́лое мо́ре
noun
1. en 2. (bladeren van) sluitkoolgewas dat lichtgroen tot wit van kleur is
капуста белокочанная
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
водка
/ˈʋudə/
noun
1. een gevoel van erge kwaadheid
гнев
verb
1. met veel geweld gaande zijn van een natuurverschijnsel
беси́ться
/'ʋudənt/
adjective
1. bijzonder boos
бе́шеный
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
гав-гав
noun
1. iemand die woeker drijft
ростовщик
noun
лихва́
noun
1. klein, gravend, muisachtig knaagdier met stompe snuit
полёвка
/ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
  1. среда
  2. среда́
noun
1.mannetjeseend
селезень
noun
1. een onherbergzaam gebied dat door niemand verzorgd wordt
пу́стошь
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
пустыня
/ˈvɔɪ̯vɔtsxɑp/
noun
1. naam voor bepaalde bestuurlijke gebieden in Oost-Europa
воево́дство
noun
1. ronde pan die wordt gebruikt in de oosterse keuken, vooral om te roerbakken
вок
/ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
шерсть
/wɔlf/, /ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
  1. волк
  2. волчица
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
вольфрам
/ˈwɔlᵊfsbʏrᵊx/
pronoun
1.
Вольфсбург
noun
белладонна
noun
1. sporenplant van het geslacht Lycopodium
плаун
noun
молоча́й
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
волоса́тый носоро́г
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
  1. облако
  2. туча
/ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
небоскрёб
/wɔlə(n)/
adjective
1. gemaakt van wol
шерстяной
/wɔlˈvɪn/, /ʋɔlˈvɪn/
noun
vrouwelijke wolf
волчица
pronoun
1.
Волынь
noun
во́мбат
/wɔnd/, /ʋɔnt/, /β̞ɔnt/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
рана
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
чудо
noun
вундеркинд
/ˈwo.nə(n)/, /ˈʋo.nə(n)/, /ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
  1. жить
  2. проживать
noun
1. een kamer ingericht om in te wonen en gasten te ontvangen
гостиная
noun
местожи́тельство
/ʋoːrt/, /ˈʋʊːrt/, /ˈβoːrd/, /ˈβoːrt/
noun
  1. 1. mannetjeseend
    селезень
    1. 2. belofte
    2. 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
    3. 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
    слово
  2. 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
    1. слово
    2. сло́во
/ˈwoːrtˌɑvbreːkɪŋ/, /ˈʋo̝ːrtˌɑvbreɪ̯kɪŋ/, /ˈβ̞oːrtˌɑvbreːkɪŋ/
noun
по слогам
/ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
словарь
/ˈʋɔːrdə(n)ˌlɛɪst/
noun
1. een lijst bestaande uit woorden
сло́вник
noun
словарный запас
noun
1. categorie waarin bepaalde woorden naar gelang het grammaticale gebruik in onderverdeeld worden
часть ре́чи
noun
1. volgorde van woorden in een zin
поря́док слов
/ˈwɔrdə(n)/, /ˈʋɔrdə(n)/, /ˈβ̞ɔrdə(n)/
verb
    1. 2. gaan zijn, zich ontwikkelen tot
    2. 1. vormt de lijdende vorm
    становиться
  1. стать
noun
1.
работого́лик
/ʋɔrm/
noun
1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
червь
noun
een hypothetische mogelijkheid binnen de ruimte-tijd
червоточина
adjective
1. door wormen aangevreten
черви́вый
/ʋɔrp/
noun
  1. 1. de handeling van het werpen van iets
    бросо́к
  2. 2. het aantal jonge dieren dat een moederdier bij één dracht op de wereld zet
    приплод
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
  1. колбаса́
  2. соси́ска
verb
боро́ться
noun
1. aftreksel van mout
су́сло
/ˈʋɔrtəl/
noun
  1. 2. Ondergronds gedeelte van een plant
    1. корень
    2. ко́рень
  2. 3. Getal
    1. корень
    2. корни
  3. 1. Groente peen
    морковь
pronoun
1. Finoegrische taal die door de Woten in Ingrië gesproken werd
водский
/ʋʌːt/, /ʋʌːut/
noun
1. groot bos
лес
noun
1. kleinste reigersoort die in Nederland voorkomt
волчо́к
/ʋʌʊ̯/, /β̞ʌːβ̞/
noun
A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
  1. ко́ршун
  2. коршун
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
месть
noun
брак
verb
juridisch
отводи́ть
noun
1. een giftige, reukloze, overblijvende plant, die behoort tot de ranonkelfamilie
морозник зелёный
noun
1. knobbeltje
бородавка
adjective
1. heel onvriendelijk
жестокий
noun
1. bovenkant van de voet tussen tenen en enkel
подъём
verb
1.
мстить
noun
мститель
verb
1. handeling
тереть
noun
тре́ние
noun
горечь
noun
1. oorspronkelijk een rol van twee ineengedraaide repen stof, gevuld met haar of wol, aangebracht bovenop de helm om vijandelijke slagen te breken
гирля́нда
/wœyvə/
verb
1. een groet brengen door met de handen te zwaaien
махать
noun
1. Buccinum undatum
труба́ч
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
большой кроншнеп
verb
1. iets of iemand vermoorden door het dichtknijpen van de keel
душить
noun
1.
удуше́ние
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Вюстенрот
/ˈɪksɑs/
noun
1.
ось x
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar binnen gericht zijn.
кривые ноги
/ksɑnˈtinə/
noun
1. een organische stof die in vlees, urine en andere dierlijke stoffen voorkomt
ксанти́н
/ksenofɪˈli/
noun
1. het welgezind zijn jegens vreemdelingen of buitenlanders
ксенофи́лия
/ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
ксенофобия
noun
1. iemand die een sterke afkeer van vreemdelingen heeft
ксенофо́б
/ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
ксенон
/ˈksenotrɑnsplɑnˌtatsi/
noun
1. een transplantatie van dierlijke organen bij de mens
ксенотрансплантация
noun
ксерофит
/ˈkoːsa/
pronoun
1. een taal die in Zuid-Afrika gesproken wordt
ко́са
/ksiˈlem/
noun
1.
ксилема
/ˌksiliˈtɔl/
noun
1. een zoetstof die bereid is door hydrogenatie van xylose
ксилит
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
ксилофон
/ˌksiloɣraˈfi/
noun
  1. 1. houtsnijkunst
  2. 2. houtsnede of houtgravure
ксилография
noun
1.
ось y
pronoun
1. de hoofdstad van Ivoorkust
Ямусукро
noun
1. actieve, mannelijke beginsel in de kosmos (volgens de Chinese filosofie), een van beide principes die samen de tao vormen
ян
noun
  1. 1. een Angelsaksische lengtemaat (3 voet is 0,9144 m)
  2. 2. een Engelse vlaktemaat (12,14 ha)
ярд
noun
1. de munteenheid van Japan
иена
/ˈjeti/
noun
1. een legendarisch monster met de bijnaam 'de verschrikkelijke sneeuwman' die voor zou komen in de Himalaya
йети
noun
1. het passieve vrouwelijke beginsel in de kosmos volgens de Chinese filosofie, een van beide principes die samen de tao vormen
инь
/ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
йога
/ˈjɔxərt/, /ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
йогурт
noun
1. een beoefenaar van de yoga
йог
pronoun
1. taal die door de Yoruba in Nigeria, Benin, Togo en Sierra Leone gesproken wordt
йоруба
noun
1. scheikundig element met symbool Yb en atoomnummer 70
иттербий
noun
1.
иттрий
noun
1. een ronde nomadentent
юрта
/zaːt/
noun
  1. 2. zaadcellen uit de mannelijke geslachtsorganen van een mens of een dier
    се́мя
  2. 1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
    семя
noun
1. een klein knopje in het vruchtbeginsel waaruit na bevruchting een zaadje groeit
семязача́ток
/'zadlɛɪdər/
noun
семявынося́щий прото́к
noun
семядо́ля
/zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
  1. пила
  2. пила́
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
опилки
/'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
опилки
/'zaxtɑnt/
noun
1. scherpe tandvormige karteling aangebracht op de rand van een zaagblad
зуб [[пила|пилы́]]
verb
1. zaad strooien
сеять
noun
1. persoon die het land inzaait
сеятель
noun
1. uit zaad opgekweekte plant, het stadium volgend op de kiemplant
сеянец
/zal/
noun
гости́ная
pronoun
2. boek in de Bijbel
Захария
adverb
  1. 1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
  2. 4. aangenaam voor de zinnen
мягкий
noun
zitplaats op dier of fiets
седло
verb
1. een zadel plaatsen op
оседла́ть
noun
1. een persoon die zadels maakt
седе́льник
noun
1. bepaald soort zoogdier, Pagophilus groenlandicus
лысун
/ˈza.ɣə(n)/, /ˈza.χə(n)/
verb
1. in stukken delen door middel van een zaag
пилить
/[ˈzɑː.greb]/
pronoun
1. hoofdstad van Kroatië
Загреб
noun
  1. 2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
    1. карман
    2. карма́н
  2. 1. slappe, vormeloze tas
    мешок
/ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
носовой платок
/zaːkən/
noun
2. commerciële activiteiten
де́ло
/'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
  1. бизнесмен
  2. предприниматель
noun
делова́я пое́здка
noun
карма́нные де́ньги
noun
1. iemand die ongemerkt waardevolle zaken steelt
карманник
noun
1. lamp op zakformaat
фонарик
/ˈzɑkmɛs/
noun
1. een klein invouwbaar mes, vaak met extra gereedschappen
  1. складной нож
  2. карманный нож
noun
1. hapjes zoals die in de Russische keuken bij het aperitief worden geserveerd
заку́ски
noun
smeerbare massa om op de huid aan te brengen
мазь
adjective
  1. 1. gerechtvaardigd tegenover God, doordat men van zonde bevrijd is
  2. 2. bijzonder aangenaam, hemels
благословенный
noun
1. dwarshout dat het want spreidt
са́линг
/zɑlm/, /zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
  1. лосось
  2. сёмга
adjective
розово - оранжевый
adjective
розово - коричневая
/zɑlvə(n)/
verb
2. het aanbrengen van een welriekende olie, meestal als inhuldiging in een politieke of religieuze hoedanigheid
ма́зать
/'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
  1. Замбия
  2. За́мбия
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
песок
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
песочница
noun
1. een ophoping van zand op de bodem van een zee of meer
ба́нка
noun
1. benaming voor de zoetwatervis Sander lucioperca
Судак
adjective
желтая песочная
noun
1. een van zand gebouwd miniatuurkasteel
песча́ный за́мок
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
песо́чные часы́
noun
песчаник
noun
een harde, droge wind die boven een woestijngebied een grote hoeveelheid zand en stof doet opwaaien
песчаная буря
noun
1. zandweg. Weg met onverhard wegdek
песчаная дорога
/ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
вокали́ст
noun
1. een vrouwelijk iemand die zingt
певица
noun
1. Turdus philomelos, een lijstersoort die algemeen is in Nederland en Vlaanderen
певчий дрозд
/zɛpən/
verb
переключать телевизионные каналы
pronoun
1.
Сарагоса
adjective
1. verzadigd, vol, met name van alcoholische drank
бухо́й
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
  1. суббота
  2. суббо́та
/za.ˈiː.rə/
pronoun
Заир
noun
1. Bos taurus indicus een rund dat in het Indische subcontinent en Afrika wordt...
зе́бу
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
  1. зебра
  2. зе́бра
noun
1. een patroon van witte strepen aangebracht op het wegdek ter aanduiding van een beschermde voetgangersoversteekplaats
пешехо́дный перехо́д
adjective
1. zoals het volgens normen en waarden behoort
доброде́тельный
/ze/, /zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
море
noun
1. grote zwarte zwemvogel, onderfamilie van de eend, gans, zwaan, die leeft aan de kusten en op zee
  1. лысуха
  2. турпан
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
морской ёж
noun
1. smalle doorgang tussen twee zeeën
пролив
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Actiniaria
акти́ния
noun
1. bepaald soort roofvogel die in kustgebieden leeft, Haliaeetus albicilla
орлан-белохвост
noun
1. aardbeving waarvan het epicentrum op de bodem van de zee ligt
моретрясение
noun
1. het grondvlak van een zee
морское дно
noun
1. bepaald soort grote zeevis, Lophius piscatorius
ры́ба-уди́льщик
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
дуршла́г
noun
1. de deining van de zee
волнение
noun
1. haven die in verbinding staat met de zee
[[морско́й]] порт
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
тюлень
noun
1. plantenetend zoogdier uit de orde Sirenia
сирена
/ˈzekut/
noun
1. zwart-witte zeevogel, Uria aalge
тонкоклювая кайра
noun
1. benaming voor op de op komkommers lijkende zeedieren uit de klasse Holothuroidea
голоту́рия
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Salicornia
солерос
noun
1. in zee levende kreeft
омар
/ˈzelɑnt/, /ˈzeːlɑnd/, /ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
Зеландия
noun
1. grote oorrob
морско́й лев
/ˈze.le.li/
noun
1. benaming voor de sessiele zeedieren uit de klasse Crinoidea
морска́я ли́лия
noun
1. bepaald soort karperachtiɡe zoetwatervis, Tinca tinca
линь
noun
  1. моряк
  2. матрос
noun
1. mythisch zeewezen
  1. русалка
  2. сирена
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
чайка
noun
1. afstandsmaat, in gebruik op zee, 1852m
морска́я ми́ля
noun
1. rob uit het geslacht Mirounga
морско́й слон
/ˈzeʔɔtər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Enhydra lutris
калан
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
мыло
noun
1. bolvormig vlies van water en zeep dat een hoeveelheid gas (meestal lucht) omringt
мыльный пузырь
noun
1. benaming voor zeedieren uit de familie Cheloniidae
морская черепаха
noun
1. luchtige massa die bij heftige beweging van golven in zeewater ontstaat
пе́на
noun
2. bordspel
морско́й бой
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
морска́я звезда́
noun
1. iemand die voor zijn beroep de zee bevaart
морепла́ватель
/ˈzeˌvoχɔɫ/, /ˈzeːˌvoːɣəl/
noun
1. een vogel die vooral in de directe omgeving van de zee leeft
морские птицы
noun
2. allerlei eetbare schaal- en schelpdieren
морепродукты
/ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
морская вода
noun
1. in zee levend wier
во́доросль
adjective
[[страда́ть|страда́ющий]] [[морская болезнь|морско́й боле́знью]]
noun
1. misselijkheid als gevolg van de onregelmatige beweging van een schip
морска́я боле́знь
noun
1. zout, uit zeewater gewonnen
морская соль
/ˈzexəl/
noun
1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
печа́ть
/ˈzeɣəɫˌrɪŋ/
noun
1. een ring die aan de rugzijde voorzien is van een gravure, waarmee een zegel kan worden gestempeld
жиковина
/ˈzeːɣə(n)/, /ˈzeːχə(n)/
noun
  1. 1. verlening van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand
    благода́ть
  2. 4. breed en naar verhouding niet erg hoog sleepnet
    не́вод
verb
1. de zegen geven
благословлять
noun
1. een geslacht van zowel bladverliezende als groenblijvende kruidachtige planten
осока
verb
1. mededelen
  1. говорить
  2. сказать
noun
1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
парус
noun
1. een boot waarmee gezeild kan worden
  1. парусное судно
  2. парусник
adjective
средне серая
/ˈzɛɪlə(n)/
noun
1. wedstrijdsport met zeilvaartuigen
плыть
/ˈzɛɪlə(n)/
verb
  1. 1. voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
  2. 2. zich in een zeilboot met behulp van de wind over het water voortbewegen
идти под парусом
noun
1. iemand die het zeilen beoefent
яхтсме́н
noun
1. een schip waarmee gezeild kan worden
  1. парусник
  2. парусное судно
noun
1. vrouwelijke zeiler
яхтсме́нка
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
коса
/ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
уверенный
/ˈze.kə.rə(n)/
verb
1. het touw waarmee iemand klimt op een veilige manier vasthouden
подстрахо́вывать
/'zekərɦɛɪt/
noun
уве́ренность
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
[[пла́вкий]] [[предохрани́тель]]
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
редко
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
редкий
/zɛlf/, /zɛɫf/
demonstrativePronoun
  1. 1. in eigen persoon
  2. 2. in tegenstelling met iets anders
[[оно́]] [[сам|само́]]
noun
2. de mogelijkheid voor een volk om te bepalen onder welke soevereiniteit het wil vallen
самоопределе́ние
demonstrativePronoun
одина́ковый
noun
1. Het zich benemen van het leven
самоубийство
noun
1. elk van de meestal versterkt geweven zijkanten van een weefsel in de lengterichting van het doek
кро́мка
noun
1. beoordeling van het zelf, meestal gericht op dat wat verbeterd zou moeten worden
самокритика
adjective
1. zichzelf beoordelend, meestal gericht op dat wat verbeterd zou moeten worden
самокритический
/ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
  1. самоубийство
  2. суицид
noun
1. brief die als verklaring of afscheid achtergelaten wordt door iemand die zelfmoord pleegt
предсме́ртная запи́ска
/'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
  1. автопортрет
  2. автопортре́т
adjective
[[уве́ренный]] в [[свой|свои́х]] [[сила|си́лах]]
noun
1. het vermogen om het leven in te richten zonder hulp van anderen
находчивость
adverb
аж
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
  1. имя существительное
  2. существительное
noun
1. verbranding van zichzelf
самосожже́ние
noun
1. verdediging van zichzelf
самооборона
adjective
самопровозглашённый
noun
1. de opoffering van de eigenbelangen ten gunste van een ander
самоотречение
noun
1. het zichzelf in een oneervolle, schaamte veroorzakende positie brengen
самоуниже́ние
adjective
самодовольный
noun
B 1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
отруб
noun
1. brief van een apostel of een geestelijke aan de gelovigen
эпистола
noun
1.
эфи́рное вре́мя
/zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
зени́т
noun
сад камней
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
нерв
noun
1. het gehele zenuwsysteem
нервная система
verb
мы́лить
noun
1. het getal 6
  1. шесть
  2. ше́стеро
/ˈzɛs.də/, /ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
шестой
cardinalNumeral
1. het getal 36
тридцать шесть
cardinalNumeral
1. het getal 96
девяносто шесть
cardinalNumeral
1. het getal 86
восемьдесят шесть
cardinalNumeral
1. het getal 26
двадцать шесть
cardinalNumeral
1. het getal 46
сорок шесть
cardinalNumeral
1. het getal 56
пятьдесят шесть
cardinalNumeral
1. het getal 66
шестьдесят шесть
/ˈzɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 76
семьдесят шесть
/zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
шестиугольник
/ˈzɛsˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 600
шестьсот
cardinalNumeral
1. het getal 16
шестнадцать
ordinalAdjective
шестна́дцатый
noun
1.
восьмая
noun
1. ruimtelijke figuur met zestien vlakken
шестнадцатигранник
cardinalNumeral
1. het getal 60
шестьдесят
ordinalAdjective
шестидесятый
/zɛt/
noun
handeling gedurende een spelbeurt
ход
noun
  1. 1. constructie bestemd om prettig op te zitten
  2. 2. lidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
  3. 3. plaats waar een organisatie gevestigd is
ме́сто
noun
крахма́л
noun
1. een medicament in de vorm van een pil die via de anus toegediend wordt
суппозитория
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
свинья
/ˈsʏː.rə(n)/, /ˈzøː.rə(n)/
verb
1. veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
плакаться
/zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
Зевс
/ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
  1. семь
  2. се́меро
/ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
седьмой
/ˈzøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 37
тридцать семь
/ˈzøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 97
девяносто семь
/ˈzøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 87
восемьдесят семь
/ˈzøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 27
двадцать семь
/ˈzøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 47
сорок семь
/ˈzøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 57
пятьдесят семь
/ˈzøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 67
шестьдесят семь
/ˈzøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 77
семьдесят семь
noun
семиугольник
/ˈzeːvə(n)ˌɦɔndərt/, /ˈzøvənˌhɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 700
семьсот
/ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
семнадцать
ordinalAdjective
семна́дцатый
/ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
  1. семьдесят
  2. се́мьдесят
noun
1. ruimtelijke figuur met zeven vlakken
семигранник
adjective
1. voor de zevende keer
семикра́тный
noun
1. wat gezien kan worden
вид
adjective
видимый
adjective
1. lichamelijke toestand
больной
adjective
1. geneigd om vaak ziek te zijn
боле́зненный
noun
1. compensatie voor loon gederfd door ziekte
[[де́нежный|де́нежное]] [[посо́бие]] по [[болезнь|боле́зни]]/[[нетрудоспособность|нетрудоспосо́бности]]
/ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
больница
noun
  1. болезнь
  2. хворь
noun
боле́знь Кро́на
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
Па́ркинсон
/zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
душа
verb
1. waarnemen met het oog
  1. видеть
  2. увидеть
/ˈzɪftə(n)/
verb
1. de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
отсе́ивать
/siˈɣønər/
noun
цыган
/sɛɪ̯/, /zɛɪ̯/, /zɛː/
personalPronoun
  1. 1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
    она
  2. 2. 3e persoon meervoud
    они
noun
2. vezel van de cocon van de zijdevlinder
шёлк
adjective
серая шелковая
/ˈzɛɪdə(n)/, /ˈzɛːdə(n)/
adjective
  1. 2. op zijde gelijkend
  2. 1. van zijde, van zijdegaren vervaardigd
шёлковый
/zɛɪkɑnt/
noun
1. datgene dat de zijde vormt
сторона
possessivePronoun
1. derde persoon enkelvoud m/o
  1. его
  2. свой
verb
  1. 5. gelijk zijn aan.
  2. 6. tot de groep behoren van
  3. 1. bestaan
  4. 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
  5. 3. zich bevinden.
  6. 7. de eigenschap hebben.
  7. 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
быть
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
приток
noun
серебро
adjective
сере́бряный
phraseologicalUnit
сере́брянная меда́ль
adjective
голубо – серая
noun
1. grote meeuwensoort
серебристая чайка
noun
1
ту́лес
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Abies
ель
/'zɪlvərvlisrɛist/
noun
rijst waarvan de zemelen en de kiem niet verwijderd zijn
kоричневый рис
adjective
1. lichtgrijs met een metaalglans
серебристо-белый
noun
1. een fijne witte zandsoort met een laag ijzergehalte die vrijwel geheel uit kwarts bestaat
кварцевый песок
/zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
Зимбабве
noun
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
предложение
adjective
1.2 van huisdieren: alleen buitenshuis of binnenshuis op een daarvoor bestemde plaats poepend en plassend
приу́ченный к лотку́
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
  1. петь
  2. спеть
noun
1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
цинк
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
тонуть
adjective
светло - желтая
adjective
1. iets dat geen zin (nut) heeft
бессмысленный
noun
1.syntactische eenheid binnen een zin
синтагма
/ˈzɪntœx/, /ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
  1. о́рган восприя́тия
  2. о́рган чуття́
/zijoˈnɪsmə/
noun
сионизм
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
цирконий
/zɪr'koːn/
noun
1. een mineraal
циркон
noun
1. een plaats waar men kan zitten
ме́сто
/ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
сидеть
noun
1. zitmeubel
бинбэг
adverb
1. net, even tevoren
только что
conjunction
2. bijvoorbeeld
как
conjunction
en daardoor
так что
conjunction
1. geeft aan welke gebeurtenis eerst moe(s)t plaatsvinden
как только
verb
1. proberen te vinden
искать
noun
2. een richtmiddel op een camera of vuurwapen
видоиска́тель
noun
проже́ктор
noun
1. een instrument waarmee men informatie kan zoeken in een bepaalde collectie...
поисковая система
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
зулусский
verb
1. een vrij zacht continu geluid voortbrengen dat op de z-klank lijkt
гуде́ть
/ˈzut/
adjective
1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
  1. сладкий
  2. сла́дкий
noun
1.
пре́сная вода́
noun
1. een zetmeel houdende knol behorend tot dezelfde orde van planten als de aardappel
батат
noun
доброду́шие
/ˈzuthʌʊt/
noun
1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
  1. лакрица
  2. солодка голая
noun
2. zoetstof zonder suiker
подсластитель
adjective
ки́сло-сла́дкий
/ˈzoːɣ.ə(n)/
verb
1. moedermelk geven
кормить грудью
/zo.ɣə.'namt/
adverb
1. naar (betwijfelde) bewering
якобы
/ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
чердак
/zolə(n)/
verb
1.
подбить новые подмётки
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
зомби
verb
1. van zomen voorzien
обши́ть
noun
  1. лето
  2. ле́то
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus robur
  1. дуб летний
  2. дуб обыкновенный
  3. дуб чере́шчатый
/ˈzo.mər.ˌhœʏ̯s/, /ˈzo.mər.ˌhœːs/
noun
1. huis om de zomer en de vakanties door te brengen
да́ча
adjective
1. typerend voor de zomer
ле́тний
noun
1. Anas querquedula
чиро́к
noun
1. regeling waarbij de klok gedurende de lente- en zomermaanden een uur vooruit wordt gezet
ле́тнее вре́мя
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
солнце
noun
1.
грешник
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
  1. воскресенье
  2. воскресе́нье
adverb
воскресный
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
грех
noun
  1. 1.
  2. 2.
козёл отпущения
preposition
1. In afwezigheid van
без
adjective
гре́шный
/zɔndəɣə(n)/
verb
1. het overtreden van een religieuze wet
греши́ть
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
всемирный потоп
/ˈzoːnə/
noun
1. bepaald gebied dat is afgebakend van aangrenzend gebied
зона
noun
1. de zichtbare elektromagnetische straling van de ster waarrond onze aarde draait
со́лнечный свет
/'zɔnəʔenɛr'ɣi/
noun
1. energie die gewonnen wordt uit de straling van de zon
со́лнечная эне́ргия
verb
1. een of meerdere zonnebaden nemen
загорать
/ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
  1. подсолнечник
  2. подсолнух
noun
1.
подсолнечное масло
noun
1. de pit van een zonnebloem
подсо́лнечное се́мечко
noun
1. de vaak pijnlijke gevolgen van een blootstelling van de huid aan een te grote dosis ultraviolet licht
солнечный ожог
noun
1. substantie tegen verbranding van de huid
солнцезащитный крем
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
солнечные очки
noun
фотоэле́мент
noun
солнечный коллектор
noun
3. de tijd tussen het weer even hoog aan de hemel staan van de zon
со́лнечные су́тки
/ˈzɔnəpɑˌnel/, /ˈzɔnəpɑˌnɪːɫ/
noun
1. een paneel dat stralingsenergie van de zon omzet in elektriciteit
со́лнечная батаре́я
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
  1. [[со́лнечный]] свет
  2. со́лнце
noun
1.
  1. Солнечная система
  2. солнечная система
noun
солнечный луч
noun
1. bepaald soort eetbare vis, Zeus faber
со́лнечник
noun
со́лнечная вспы́шка
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
  1. солнечные пятна
  2. солнечное пятно
/ˈzɔnəˌwɛndə/, /ˈzɔnəˌʋɛndə/, /ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
солнцестояние
noun
солнечные часы
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
солнечный ветер
adjective
1. zonovergoten, met zonneschijn
солнечный
/zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
закат
noun
1. het opkomen van de zon
заря́
/ˈzɔnsvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈzɔnsvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
со́лнечное затме́ние
/zuː/
noun
1. verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
зоопарк
/ˈzox.diːr/, /ˈzoːɣ.diːr/, /ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
млекопитающее
noun
1. onderkant van de voet
подошва
/zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
сын
noun
  1. 1. behoedzame overweging
  2. 2. verpleging, voorzien in een behoefte
беспоко́йство
adjective
1. onbekommerd, zonder zorgen
беззаботный
verb
1. zorg dragen
беспокоиться
noun
1. (economie) een stelsel en systematiek voor de regulering van de zorgvoorziening
система здравоохранения
adjective
1. met de nodige zorg
забо́тливый
/zɑu̯t/
adjective
1. zout bevattend of zout smakend
солёный
/zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
соль
verb
1. met zout conserveren
солить
/ˈzɑutˌvacə/
noun
2. tafelgereedschap dat het zout bevat en strooit
солонка
noun
1. een oplossing
соляная кислота
adverb
1. evenzeer
обе
/ˈzo.zo/
adjective
ничего́
noun
зоофили́я
noun
зоогеография
/zoʔo'lox/
noun
1. een wetenschapper die zich bezig houdt met de studie van dieren.
зоолог
noun
1. hoorbare uitademing
вздох
verb
1. hoorbaar diep uitademen, meestal als uiting van frustratie
вздохну́ть
/zœʏ̯t/, /zœːd/, /zœːt/
adverb
юг
/zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /zœː'.dɑ.fri.ka/, /zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
  1. Южно-Африканская Республика
  2. Южная Африка
adjective
1.
южноафрика́нский
/ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
  1. Южная Америка
  2. Ю́жная Аме́рика
pronoun
1. Australische deelstaat in het zuiden
Ю́жная Австра́лия
pronoun
1.
Ю́жная Кароли́на
pronoun
1. is een randzee van de Grote Oceaan en ligt ten zuiden van China
Ю́жно-Кита́йское мо́ре
pronoun
1.
Ю́жная Дако́та
pronoun
het zuidelijk deel van Europa
Ю́жная Евро́па
/zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
Южная Голландия
/ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
Южная Корея
/ˌzœʏ̯t koreˈjans/, /ˌzœːt koreˈjaːns/
adjective
1.
южнокоре́йский
pronoun
1. Oeralische taal gesproken door 600 mensen in Noorwegen en Zweden
южносаамский
/ˈzœy̯.də(n)/
noun
юг
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Южный Треугольник
pronoun
1. grootste eiland van Nieuw-Zeeland
Ю́жный о́стров
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Ю́жная Коро́на
adverb
юго-восток
pronoun
1. Noordpool
Ю́жный по́люс
noun
1,2,3. zuidpool
ю́жный по́люс
adverb
юго-запад
adjective
1. op het zuidwesten betrekking hebbend
юго-за́падный
noun
1. hoofddeksel
зюйдвестка
adverb
юго-юго-восток
adverb
юго-юго-запад
/ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
1. (met de mond) naar zich toe trekken
  1. сосать
  2. всасывать
noun
aпоршень
noun
1. platworm met zuignappen waarmee hij zich aan zijn gastheer kan vastzuigen
двуу́стка
verb
1. zwaar of gulzig drinken
бухать
noun
1. voedingsmiddel op basis van melk
моло́чный проду́кт
adjective
оранжевый
adjective
белая альпийская
verb
1. van verontreinigingen ontdoen
очи́стить
/zɵlk/
exclamativePronoun
тако́й
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
щавель
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
сестра
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
сестра
noun
2. de gemeenschap van vrouwen in algemene of meer beperkte zin
се́стринство
/zyːr/
adjective
1. een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
кислый
/zyːr/
noun
1. zure vloeistof
кислота
noun
1. fijngesneden en licht gezouten kool die enige tijd gefermenteerd is
[[кислый|ки́слая]] [[капу́ста]]
noun
капустница
/ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
  1. кислород
  2. кислоро́д
noun
1. snoep in de vorm van een gekleurde staaf met een zoetzure smaak
караме́льная па́лочка
noun
2. vrucht
сауасеп
verb
1. begroeten door met de hand heen en weer te bewegen
качаться
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Ле́бедь
/zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
лебедь
adjective
van groot gewicht
  1. тяжёлый
  2. тяжелая
  3. тяжелое
  4. тяжелые
noun
1. water waarin de waterstofatomen vervangen zijn door de waterstofisotoop deuterium
тяжёлая вода́
noun
1. een lang, scherp wapen
меч
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
  1. рыба-меч
  2. меч-рыба
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
косатка
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
  1. сила тяжести
  2. гравитация
  3. сила тяготения
/ˈzwɑbər/
noun
швабра
pronoun
Швабия
/ˈzʋa.ɣər/
noun
  1. шурин
  2. зять
/zʋɑk/
adjective
  1. слабый
  2. слабая
  3. слабое
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
  1. ласточка
  2. ла́сточка
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
беременная
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
беременность
noun
1. een voortijdige en kunstmatige beëindiging van een zwangerschap
аборт
noun
2. produkt dat via de urine tekenen van een zwangerschap onthult
тест на бере́менность
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
чёрный
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
чёрная дыра
noun
1. betaalmiddelen die afkomstig zijn uit belastingontduiking of onwettige handel
гря́зные де́ньги
adjective
голубо – черная
noun
1. een publicatie van gegevens over een misstand
чёрная книга
adjective
коричнево - черный
noun
1. vruchtje van Ribes nigrum
чёрная сморо́дина
noun
  1. 1. systeem, apparaat of voorwerp waarvan bekend is wat het doet maar niet hoe het werkt
  2. 2. crashbestendig apparaat met vluchtgegevens
чёрный я́щик
noun
1. Plegadis falcinellus
каравайка
phraseologicalUnit
чёрный ры́нок
noun
1.
моско́вка
noun
чёрный носоро́г
noun
1.
чёрный аист
noun
1.
желна
noun
1.
чёрная боло́тная кра́чка
pronoun
1. gebergte in het zuidwesten van Duitsland
Шварцвальд
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
Чёрное море
noun
1. bepaald soort zee-eend, Melanitta nigra
синьга
noun
1. Capaea nemoralis
лесна́я ули́тка
adjective
серо – черный
adjective
зелено – черная
noun
1. iemand die van het openbaar vervoer gebruikmaakt zonder te betalen
заяц
adjective
красно - черная
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis nigripes
черноно́гая ко́шка
/zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
сера
noun
двуо́кись се́ры
adjective
желтая сера
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
серная кислота
/ˈzweːdə(n)/, /ˈzʋedə(n)/, /ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
  1. Швеция
  2. Шве́ция
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
adjective
1. betreffende Zweden of het Zweeds
шведский
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
  1. Шведский
  2. шведский язык
verb
1. vlieg uit de familie
журча́лка
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
планёр
noun
1. een handwapen in de vorm van een lang ineengedraaid stuk leer dat met een zwiepende beweging pijnlijke slagen uit kan delen
  1. кнут
  2. плеть
noun
1.
я́зва
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
пот
noun
1.een klier in het lichaam dat zweet produceert
потова́я железа́
/ˈzwɛmbɑd/, /ˈzʋɛmbɑt/, /ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
бассейн
noun
очки́ для пла́вания
noun
1. kledingstuk voor mannen dat gebruikt wordt om in te zwemmen
пла́вки
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
купальный костюм
verb
  1. 1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
    1. плавать
    2. плыть
  2. 2. zwemmend ergens heen gaan
    плыть
/'zʋɛmvlis/
noun
  1. 2. schoeisel
    ласт
  2. 1. huidplooi
    плавательная перепонка
/zʋɛrm/
noun
1. een grote groep gezamenlijk op- en rondtrekkende personen, dieren of zaken, gewoonlijk vogels of insecten
рой
verb
пари́ть
/'zʋevɪŋ/
noun
1. een geluidsverschijnsel dat veroorzaakt wordt door de interferentie van twee tonen met een gering verschil in toonhoogte
биения
pronoun
1. en 2.
Цвиккау
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Цвифальтен
noun
1. draai, zwaai
мах
verb
1. ervan afzien te spreken
молчать
/'zʋɛɪxɛlt/
noun
[[де́ньги]] за [[молча́ние]]
adjective
1. weinig sprekend
молчали́вый
noun
1. een varken
свинья
noun
1. iemand die een kudde zwijnen hoedt
свинопас
/ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
барда́к
/'zʋɪŋəl/
noun
1. houten werktuig om vlas- en hennepvezels van de scheven te bevrijden
трепа́ло
/zʋɪŋələ(n)/
verb
1. van vlas- of hennepvezels de aanhangende houtdeeltjes met een zwingel verwijderen
трепа́ть
/ˈzwɪtsər/, /ˈzʋɪtsər/, /ˈzβ̞ɪtsər/
noun
1. een inwoner van Zwitserland, of iemand afkomstig uit Zwitserland
швейцарец
pronoun
1. verzamelnaam voor een groep Duitse dialecten die gesproken worden door ongeveer zes miljoen mensen in Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Liechtenstein en Oost-Frankrijk
[[швейца́рский]] [[неме́цкий]]
/ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
Швейцария
pronoun
Зво́лле
noun
зигота
pronoun
Цюрих
pronoun
1. een groep eilanden in de Oostzee die tot Finland behoren, maar geheel Zweedstalig zijn
Ала́ндские острова́
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Этисхайм
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Saarland
Иберхерн
interjection
1. inleiding op een opmerking die met het voorgaande verbonden is
кстати
/ˈɔŋstrøm/
noun
1. lengtemaat met een waarde van 10-10 m
ангстрем
/eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
  1. один
  2. одна
  3. одно