noun
1. gedeelte van het voetbalveld
straffområde
noun
1. gedeelte van het voetbalveld
straffområde
noun
(informatica) een apparaat dat driedimensionale objecten kan maken door laagje voor laagje materiaal aan te brengen
3D-skrivare
/
aka'pɛla/
adverb
1. zonder instrumentale begeleiding
a cappella
adverb
1. des te eerder, des te meer
desto hellre
pronoun
1. een stad in Denemarken
Åbenrå
noun
1. streling, liefkozing
smek
verb
1. zachtjes strelen
klappa
noun
1. lang vaartuig met een platte bodem en een brede boeg
pråm
noun
- 3. paling
- 4. kleine en jonge paling
ål
noun
1. bepaald soort struik met eetbare rode bessen Ribes rubrum
vinbär
noun
1. geestelijke voor militairen, gevangenen en leden van jeugdbewegingen
allmoseutdelare
noun
1.bepaald soort plant, Artemisia absinthium
malört
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalacrocorax
skarv
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hemorrojder
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hemorrojder
adjective
1. (predicatief) actief, in bedrijf
till
verb
1. de grond rondom ophogen
kupa
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
städ
noun
1. een eerste betaling bij het kopen van iets op afbetaling of in termijnen
handpenning
verb
- 1. over iets of iemand bij iemand (positief) vertellen en adviseren om datgene/diegene te gebruiken/in te schakelen
- 2. aanprijzen
anbefalla
- Nog na te kijken vertalingen
rekommendera
adjective
1. een aanbeveling verdienend
rekommendabel
noun
1. een brief waarin men iets of iemand aanbeveelt
rekommendationsbrev
verb
- 1. aanreiken, bieden, offreren, presenteren
- 2. iets tegen bepaalde voorwaarden of prijs verhandelbaar stellen
bjuda på
noun
1. iemand die beroepshalve een advies, dienst of een product ter beschikking stelt
leverantör
noun
1. iets voordelig te koop aanbieden
offert
verb
- 1. ergens naar blaffen
- 2. iemand toesnauwen
skälla på
noun
1. een aanbieding
erbjudande
leverans
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
uppmärksamhet
adverb
1. met belangstelling, met aandacht, met interesse
uppmärksam
noun
1. een onderwerp dat bijzondere aandacht verdient of krijgt
huvudpunkt
noun
1. eigenaar van aandelen, actionaris
aktieägare
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
aktieägare
noun
1. de handel in aandelen in het algemeen
aktiemarknad
verb
1. vaster drukken
tryck
/
'ʔan.dɵr.və(n)/
verb
1. Moed hebben
våga
noun
1. iets dat belachelijk of schandelijk is
hån
spe
adjective
1. bij de geboorte verkregen eigenschappen
medfödd
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
eftersom
adjective
1. rechtstreeks grenzend aan iets anders
angränsande
noun
1. leesteken om geciteerde woorden van die van de auteur te onderscheiden
anföringstecken
noun
- 2. rijdend object dat achter de auto gehangen kan worden voor het vervoeren van goederen.
- 1. iemand die gelooft in een bepaald idee, of die een bepaalde groep of persoon steunt.
anhängare
noun
1. de mate waarin een mens of dier trouw en toegenegen is
tillgivenhet
verb
- 1. door een bepaalde kaart uit te spelen een medespeler een aanwijzing geven
- 2. tot onderwerp van discussie maken
alludera
verb
1. enteren
gå fram till
verb
1. kloppen om binnen te komen
knacka på
noun
1. de bestemming bereiken, het aankomen
ankomst
verb
- 2. voorspellen
förebåda
- 1. bekendmaken
tillkännage
noun
1. datgene wat iets tot gevolg heeft
anledning
noun
3. een loop of tred voorafgaand aan een sprong, duik, enzovoort
ansats
verb
1. een bepaalde substantie produceren
framställa
verb
- 1. zich opgeven
- 2. zich bekend maken met gebruikersnaam en wachtwoord
anmäla
verb
1. moed inspreken
uppmuntra
noun
1. het inspreken van moed
uppmuntran
noun
1. prijs ter aanmoediging
infodringspengar
verb
3. een probleem oplossen
angripa
adjective
1. in staat om zich aan te passen
anpassningsbar
/
ˈaːmpɑsə(n)/
verb
- 1. aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken
anpassa
- 2. aantrekken om te passen
prova ut
noun
2. het zich aanpassen
anpassning
/
ˈanrakˌsxɛrm/, /
ˈanrakˌsχɛrm/
noun
1. een beeldscherm dat ook als invoerapparaat voor een computer kan worden gebruikt door het scherm aan te raken.
pekskärm
verb
1. fysiek contact maken met iets
röra
beröra
verb
1. fysiek aanvallen
angrepp
noun
3. een fysieke aanval op iemand met als doel seksuele handelingen af te dwingen
sexuellt övergrepp
noun
1. vaste tafel met kastjes langs keukenwand
köksbänk
noun
4. terroristische aanval
attentat
verb
3. passend maken
binda
/
ˈanslœytɪŋ/
noun
kommunikation
noun
- 1. het recht om het bezit of genot van iets te vorderen
- 3. aanspraak maken
anspråk
adjective
1. verantwoordelijk, om vergoeding of betaling aangesproken kunnen worden
orsak
noun
1. overeenkomst waarbij je premie betaalt aan een verzekeraar zodat die zal betalen voor schade die je per ongeluk veroorzaakt of waarvoor je verantwoordelijk wordt gehouden
ansvarsförsäkring
noun
1. apparaatje om vuur te maken
tändare
noun
1. iemand die zich aanstelt
person full av överdrifter
noun
1. benoeming in een functie, dienst etc.
utnämnande
verb
1. veroorzaken
anstifta
noun
1. een telbare hoeveelheid
antal
tal
verb
1. (langzaam) beschadigen, aangrijpen
drabba
adjective
1. bekoorlijk
tilldragande
verb
- 1. dankzij een kracht objecten naar zich toe doen bewegen
attrahera
- 4. een opwaartse trend, een stijgende lijn vertonen
dra på sig
- 3. kleding aandoen
klä på
- 2. aanlokken
locka
adjective
1. te aanvaarden
acceptabel
noun
1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven
anfall
noun
- 1. iemand die aanvalt
- 2. een persoon in de voorste linie
angripare
verb
1. beginnen, starten
begynna
adverb
1. in het begin
inledningsvis
noun
1. werkwoordswijs van mogelijkheid
konjunktiv
noun
1. een bevelhebber, een leider
chef
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
ansökan
noun
1. een papieren of elektronisch blad waarin men de benodigde informatie dient in te vullen voor het aanvragen ergens van
ansökningsblankett
/
ˈanvʏlə(n)/
verb
1. het ontbrekende bijvoegen
komplettera
adjective
1. die of dat aanvult
extra
verb
1. door wijzen tonen
visa
noun
- 1. het aanwijzen
- 2. vingerwijzing
hänvisning
noun
- 1. begin
- 4. het optionele eerste deel van een lettergreep, altijd bestaand uit een of meer medeklinkers
- 5. de wijze waarop een muzikaal geluid begint
ansats
noun
1. hoe men door anderen gezien wordt
påseende
adjective
1. voornáám, groot
ansenlig
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
apa
noun
- 1. bloeiwijze van granen
- 2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
ax
noun
1. bepaald soort plant, Lathyrus tuberosus
knölvial
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
potatis
/
ˈardɑˌpəɫpyˈre/
noun
1. een puree van zeer fijn gemaakte, met melk aangemengde aardappels
potatismos
noun
1. een salade die gemaakt wordt uit aardappelen
potatissallad
/
\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
jordgubbe
smultron
noun
1. bepaald soort plant, Arbutus unedo
smultronträd
noun
1. bepaald soort plant, Trifolium fragiferum
smultronklöver
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
jordbävning
jordskalv
/
ˈardə/
noun
- 2. grond
jord
mark
- 1. planeet
jorden
jord
noun
1. zandweg. Weg met onverhard wegdek
sandväg
/
artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
naturgas
noun
1. het ontginnen van aardgas
utvinning av naturgas
/
ˈar.dəx/, /
ˈar.dəχ/, /
ˈaːr.dɪx/
adjective
1. aangenaam in omgang
vänlig
/
ˈart.kɔrst/
noun
1. het buitenste gedeelte van de planeet Aarde
jordskorpan
noun
1. bepaling van de afmetingen van de aardbol
geodesie
noun
1. Microtus agrestus, een zoogdier uit de orde van knaagdieren
åkersork
/
ˈartpɪːr/
noun
bepaald soort zonnebloem, Helianthus tuberosus
jordärtskocka
/
ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
geografi
adjective
1. betrekking hebbende op de aarde, tot de aarde behorend
jordisk
/
ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
jordsvin
myrslok
noun
1. bepaald soort altijd groene heester die zich met wortelvezels aan de omringende omgeving vasthecht, Glechoma hederacea
jordreva
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
jordskred
pronoun
1. een Waalse provinciehoofdstad
Arlon
noun
1. en 2. (blaadjes van) de plant Mentha spicata
grönmynta
noun
1. bepaald soort parasitaire, maar onschadelijke rondworm van ca. 5–10 mm lengte, Enterobius vermicularis
springmask
/
ˈaːrz.bɪz.dɔm/, /
ˈaːrʦ.bɪs.dɔm/, /
ˈaːrʦ.bɪz.dɔm/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
ärkebiskopsdöme
/
ˈaːrzbɪsxɔp/, /
ˈaːrʦbɪsxɔp/, /
ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
ärkebiskop
noun
1. een hemelgeest in een rang boven een engel
ärkeängel
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
ärkehertig
noun
1. adellijke titel, vrouw van een aartshertog
ärkehertiginna
/
'artsvɛɪɑnd/
noun
ärkefiende
noun
1. bepaald soort vaste waterplant, Myriophyllum spicatum
axslinga
/
ˈarzələ(n)/
verb
1. onzeker zijn, twijfelen
dröja
adjective
1. aarzelend
tvekande
noun
1. onzekerheid, twijfel, weifel
tvekan
noun
- 1. speelkaart
ess
äss
- 1. lokmiddel
agn
bete
- 2. dood dier
as
/
'as.xir/
noun
- 2. iemand die profijt probeert te halen uit de tegenslag van iemand anders
- 1. bepaald soort roofvogel, Neophron percnopterus
gam
/
ˈɑbɑkʏs/
noun
- 1. raam met staven
- 2. dekplaat van een kapiteel
abakus
/
a.bɑ.ˈtwaːr/, /
ɑ.bɑ.ˈtβ̞ar/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
slakthus
pronoun
1. West-Kaukasische taal gesproken in Rusland en Turkije
abazinska
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
förkortning
noun
1. een ophoping van pus in het lichaam, daarbij een onnatuurlijke holte vormend
abscess
/
ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
abchaziska
/
ɑbˈdɛɪ̯/, /
ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
abbotskloster
kloster
/
ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
abbedissa
abedissa
/
ˌɑbdoʊmiˈnaːɫ/
adjective
1. de onderbuik betreffend
abdominal
noun
- beweging vanuit neutrale uitgangshouding
- wegvoering
abduktion
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus alba
silverpoppel
/
ˌɑb.la.ˈtif/, /
ˌɑb.la.ˈtiːf/
noun
1. de zesde naamval die onder meer de instantie aangeeft waarvan iets uitgaat of vertrekt
ablativ
/
ˈɑb.laut/, /
ˈɑp.lɔut/, /
ˈɑp.lʌut/
noun
1. regelmatige, grammaticaal bepaalde klinkerwisseling
avljud
noun
1. onregelmatigheid
abnormitet
/
ɑbomɪˈnabəl/
adjective
bijzonder slecht
avskyvärd
/
ɑbɔ'ne/
noun
1. iemand die op iets geabonneerd is
prenumerant
abonnent
noun
abonnemang
prenumeration
/
ɑbɔ'nerə(n)/
verb
1. een abonnement aangaan
prenumerera
noun
1. de afstand tot de opstaande as van een coördinatenstelsel
abskissa
verb
1. met behulp van een touw van een steile wand afdalen
fira
/
ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
absint
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
malört
noun
1. grootte van een reëel getal of lengte van een andere grootheid
absolutbelopp
belopp
/
ɑpso'lysi/
noun
1. het vergeven van de zonden
absolution
/
ɑpso'lyt/
adjective
- 1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
- 2. volledig, volkomen
- 3. beslist, zeker
- 4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
absolut
/
ɑpsɔr'berə(n)/
verb
absorbera
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Abstatt
/
ɑp'strɑksi/
noun
1. een begrip dat los staat van de dagelijkse werkelijkheid
abstraktion
verb
1. concretiseren
abstrahera
/
ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
absurd
/
ɑb/, /
ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
abbot
/
ˈɑpt.sχɑp/
noun
ambt of ambtsduur van een abt
abbotsdöme
/
ɑkɑ'demis/
adjective
akademisk
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van mijten en teken
akarologi
noun
- 1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
- 2. een teken dat op een klinker kan worden geplaatst
accent
verb
1. aan een andere omgeving wennen
acklimatisera
noun
- 1. voorzieningen ten behoeve van ...
- 2. aanpassing
ackommodation
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
dragspel
ackordeon
verb
1. een officieel stempel van goedkeuring aan iets of iemand verlenen
ackreditera
noun
1. een toestel om elektriciteit op te slaan
ackumulator
/
ˌɑkusaˈtif/, /
ˌɑkyzaˈtiːf/
noun
1. naamval voor het lijdend voorwerp
ackusativ
noun
1. bepaald soort plant, Malpighia emarginata
acerola
noun
1. een ester of zout afgeleid van azijnzuur
acetat
/
ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /
ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /
ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
acetylkolin
/
ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
acetylen
/
xxxx/
noun
1.
acetylsalicylsyra
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
Akilles
noun
1. kwetsbare plaats
akilleshäl
cardinalNumeral
1. het getal 8
åtta
/
ˈɑxtbaːn/
noun
1. een attractie met een karretje dat over een baan met bochten, stijgingen en dalingen rijdt
berg-och-dal-bana
bergochdalbana
noun
1. gebrek aan aandacht voor mogelijke problemen
ansvarslös
cardinalNumeral
1. het getal 38
trettioåtta
ordinalAdjective
1. nummer achtendertig in een rij
trettioåttonde
cardinalNumeral
1. het getal 98
nittioåtta
cardinalNumeral
1. het getal 88
åttioåtta
cardinalNumeral
1. het getal 28
tjugoåtta
cardinalNumeral
1. het getal 48
fyrtioåtta
cardinalNumeral
1. het getal 58
femtioåtta
cardinalNumeral
1. het getal 68
sextioåtta
adverb
1. in de laatste of een van de laatste posities in een rangschikking, op een verder weg liggende plaats
bakom
noun
1. de bank in het achterste deel van een voertuig
baksäte
noun
1. de indirecte oorzaak van actualiteiten
bakgrund
fond
/
ˈɑxtərklɛɪŋkɪnt/
noun
1. het kind van iemands kleinkind
barnbarnsbarn
/
ˈɑxtərklɛɪ̯nzon/
noun
1. de zoon van iemands kleinkind
barnbarnsbarn
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
lämna
noun
1. lamp(en) aan de achterkant van een voertuig
bakljus
adjective
1. achterstand vertonend in de ontwikkeling
utvecklingsstörd
/
ɑxtər'na/
adverb
1. iemand of iets volgend
bakom
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
efternamn
noun
1. stag aan achterkant van zeil boot naar de top van de mast
akterstag
noun
1. een tuin aan de achterzijde van een huis
bakträdgård
adverb
1. in achterwaartse richting
baklänges
noun
1. een spiegel aan een auto of motorfiets waarmee men de situatie op de weg achter zich kan zien
backspegel
/
'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
suffix
verb
1. iemand inhalen
förfölja
noun
1. een zak aan de achterkant van een kledingstuk
bakficka
noun
1. een vorm met acht hoeken
oktagon
åttahörning
/
ɑxt'ɦukəx/
adjective
1.
åttakantig
/
ˈɑxtˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 800
åttahundra
adjective
- 1. 8 jaren durend
åttaårig
- 2. met de leeftijd van 8 jaar
åttaårig
åttaåring
noun
1. levend wezen dat 8 jaar oud is of iets dat 8 jaar bestaat
åttaåring
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
arton
aderton
ordinalAdjective
adertonde
adjective
- 1. 18 jaren durend
artonårig
- 2. met de leeftijd van 18 jaar
artonårig
artonåring
noun
1. levend wezen dat 18 jaar oud is of iets dat 18 jaar bestaat
artonåring
pronoun
1. begripomschrijving
Aconcagua
pronoun
1. braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noord van het land. Hoofdstad is Rio Branco
Acre
adjective
1. heel erg lenig, sterk en handig zodat je circuskunsten kunt doen
akrobat-
noun
1. blauwkleuring van handen, voeten
akrocyanos
verb
1. een rol vervullen in een toneelspel
aagera
/
ɑkˈtør/
noun
1. persoon
skådespelare
aktör
adjective
1. met iets bezig zijnde
aktiv
noun
1. Scheikundig element
aktinid
noun
1. Scheikundig element
aktinium
verb
1. werkzaam maken
aktivera
noun
1. iets waarmee men actief is
aktivitet
noun
1. vrouw
skådespelerska
aktris
/
ɑktyˈwel/
adjective
nuvarande
aktuell
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
akupunktur
/
aˈkyt/
adjective
1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend
akut
/
aˈdaɣijʏm/
noun
1.
ordspråk
/
ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
adamsäpple
noun
- 1. gifslang
huggorm
- 2. persoon
orm
noun
1. chemisch product
tillsatsmedel
noun
1. bevoorrechte groep personen
adel
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
örn
/
ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
andas
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
andhämtning
andning
noun
1. het systeem van luchtopname via de neus of mondholte, door de luchtpijp (trachea) met zijn vertakkingen naar de longen waardoor een organisme van zuurstof wordt voorzien
respirationssystemet
noun
1. (lymfe)klierontsteking
körtelinflammation
noun
1. goedaardig klierweefselgezwel
adenom
noun
1. virus dat verkoudheden veroorzaakt
adenovirus
/
a.de.'kʋat/
adverb
1. correct en passend bij het beoogde doel
adekvat
noun
1. bloedvat met zuurstofarm bloed
ven
åder
/
ˈa.dər.la.tɪŋ/, /
ˈaː.dər.laː.tɪŋ(g)/
noun
- 1. (medisch) de handeling van het aderlaten
- 2. (figuurlijk) een groot verlies
återlåtning
noun
1. de afkorting voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder,...
adhd
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
adjektiv
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
adjektiv
/
ɑtmənɪstra'tør/
noun
1. iemand die de administratie
administratör
/
ˌɑtminɪsˈtrasi/, /
ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
3. bestuur
administration
förvaltning
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
amiral
noun
1. de reciproke complexe impedantie
admittans
noun
1. jeugdig persoon, puber
tonåring
verb
1. een kind aannemen
adoptera
noun
1. een hormoon en een neurotransmitter die wordt geproduceerd in de bijnieren en in sommige zenuwcellen
adrenalin
/
aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
adress
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
Adriatiska havet
noun
1. een fenomeen dat optreedt aan het grensvlak van twee fasen, waarbij moleculen of atomen zich aan dit grensvlak hechten
adsorption
/
ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis 2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
advent
noun
1. de kalender bestaat vaak uit een platte kartonnen doos waarin 24 genummerde vakjes zijn aangebracht
adventskalender
julkalender
julekalender
noun
1. een aankondiging in een krant, reclameblad, tijdschrift ...
annons
anmälan
/
ɑtfiˈzerə(n)/
verb
1. raad geven aan
råda
noun
1. pleiter, verdediger in rechtszaken
advokat
/
ˌæːroˈzol/, /
ˌɛːroˈzɔɫ/
noun
2. scheikunde
aerosol
adverb
1. op onregelmatige tijden
av och till
då och då
noun
1. het onvermogen te spreken
afasi
noun
1. een grafisch beeld
bild
verb
2. voortijdig beëindigen
avbryta
bryta
/
ˈɑfdelɪŋ/
noun
1. groep van werknemers die aan soortgelijke taken werken
avdelning
verb
1. door onderhandelen een prijs omlaag zien te krijgen
köpslå
verb
2. overdragen
betala in
noun
1. resultaat van het afdrukken
avtryck
verb
- 1. onder dwang iets verkrijgen
- 2. via de wet of regels iets bewerkstelligen
tvinga på
verb
1. verbranden van overtollig gas via een hoge fakkel
avfackling
noun
1. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
affix
/
ˌɑfriˈkat/
noun
1. een combinatie van twee medeklinkers, waarvan de eerste een plosief...
affrikata
noun
1. iemand die als officiële vertegenwoordiger naar een andere partij gestuurd wordt
emissarie
/
ɑf.ˈxan/, /
ɑf.ˈχan/
noun
2. Afghaans tapijt
Afghanmatta
/
ɑf.ˈxans/, /
ɑf.ˈχans/, /
ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
afghansk
/
ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /
ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /
ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
Afghanistan
/
ɑfxodə'rɛi/
noun
avguderi
noun
1. een stuk land waarvan de grond verwijderd is, of waar men nog steeds aan het graven is
utgrävning
/
ˈɑfxrɔnt/, /
ˈɑfχrɔnt/, /
ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
avgrund
verb
1. happen zodat er iets verdwijnt
avbita
verb
1. niet geschikt verklaren
ogilla
/
ˌɑfkørənsˈʋardəx/
adjective
1. afkeuring verdienend
klandervärd
noun
1. het uitspreken van een negatief oordeel over iets
avvisande
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
förkortning
/
ˈɑflat/
noun
1. een kwijtschelding van tijdelijke straffen die men zou moeten ondergaan na het sterven..
avlat
verb
1. de aandacht opvragen
distrahera
noun
2. een woord dat middels toevoeging van een voor-, in- of achtervoegsel gevormd wordt uit een ander
avledning
verb
1. brengen naar en achterlaten op de plek van bestemming
lämna av
noun
1. elk onderdeel van een tv-serie dat op regelmatige tijden wordt uitgebracht of uitgezonden
avsnitt
verb
2. geheel of gedeeltelijk voldoen
amortera
noun
- 2. een bedrag waarmee een schuld wordt afgelost in termijnen
amortering
- 1. het aflossen
avbytare
verb
1. ongemerkt luisteren naar de communicatie van anderen
avlyssna
verb
1. de sessie binnen een programma beëindigen
logga ut
noun
1. korte spreuk met een kernachtige boodschap
aforism
/
'ɑfpɑsə(n)/
verb
1. nauwkeurig afmeten
avmäta
/
ˈɑf.pɛr.sɪŋ/
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
utpressning
chantage
verb
1. een pak slaag geven
klå
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
Afrika
/
afriˈkaːns/
adjective
1. komende van of betreffende het continent Afrika
afrikansk
/
afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
afrikaans
verb
1. tot een einde brengen
avskaffa
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
avsked
noun
1. een jaarlijks afgeboekt bedrag op een begroting om in rekening te brengen dat sommige goederen een beperkte levensduur beziten
avskrivning
verb
1. het schuin afwerken van de rand van een materiaal.
bryta
noun
1. een overeenkomst
överenskommelse
noun
1. de genetische voorgescheidenis van een individu, volk of soort
ursprung
/
ˈɑfstɑnt/
noun
1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
avstånd
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
fjärrkontroll
verb
1. ontdoen van stof
damma
noun
1. de eerste trap vanuit de middencirkel bij het begin van speeltijd van een voetbalwedstrijd
avspark
verb
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
subtrahera
/
ˈɑftrɛkɪŋ/
noun
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal van een ander getal afgetrokken wordt
subtraktion
noun
1. onbruikbare resten die weggegooid worden
detritus
/
ˈɑfɑlə(n) /
verb
- 2. de koers van een schip in de richting van de lijzijde wijzigen
- 3. ontrouw worden aan zijn geloof
- 4. vallen vanaf een hoger gelegen plek
falla av
noun
1. het ontrouw worden aan zijn geloof
avfall
noun
1. water dat gebruikt is in de industrie of in het huishouden en dat na gebruik geloosd wordt
avloppsvatten
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
diskmaskin
noun
1. zeepproduct voor de afwas
diskmedel
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
diskmaskin
noun
1. het sop waarin met het eetgerei schoonmaakt of -gemaakt heeft
diskvatten
noun
1. de paden waarlangs water uit een stuk land afgevoerd kan worden
vattenavlopp
/
ɑfˈwerə(n)/
verb
1. een aanval neutraliseren
avvärja
adjective
1. niet op een bepaald tijdstip en plaats zijn
frånvarande
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
frånvaro
verb
1. niet de gangbare norm volgen
avvika
/
'ɑfʋɛɪzɪŋ/
noun
1. een bericht dat op een voorstel of aanzoek niet ingegaan wordt
avvisande
noun
2. afhandeling van een bepaald zakelijk of technisch proces
avveckling
noun
1. een termijn mondeling afbestellen
återbud
noun
1. iemand die iets naar een adres verzendt
avsändare
verb
9. tot afstand dwingen
avsätta
/
ˈɑfzœʏχkɑp/, /
ˈɑfzœːxkɑp/
noun
1. een huishoudelijk apparaat in de keuken dat de kookluchtjes moet afvoeren
köksfläkt
/
ˈɑfzwɪːrə(n)/
verb
avsvära
noun
- 1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
- 2. een stenen voorwerp bestaande of vervaardigd uit agaat
agat
noun
1. een gebrek aan moedermelk
agalakti
verb
1. moeite doen om een meest politiek doel te bereiken
agera
noun
1. elk van de toestanden, afhankelijk van druk en temperatuur, waarin een stof kan voorkomen
aggregationstillstånd
noun
1. iemand die ten aanzien van het bovennatuurlijke stelt dat dit niet te kennen valt
agnostiker
noun
1. benaming voor Zuid-Amerikaans knaagdieren uit het geslacht Dasyprocta
aguti
adjective
1. aanvallend
aggressiv
noun
- 1. de neiging tot agressie
- 2. het agressief zijn
aggressivitet
/
aɣriˈmoni/
noun
1. benaming voor overblijvende, kruidachtige planten uit het geslacht Agrimonia
småborresläktet
noun
1. de landbouwkunde
agronomi
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
aids
noun
1. beschermingssysteem in voertuigen
krockkudde
pronoun
1. hoofdstad van de Franse regio Corsica
Ajaccio
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
Aachen
/
'akər/
noun
2. vrucht van de eik
ekollon
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Stachys arvensis
Åkersyska
/
ˈɑ.kər.ˌbo.tər.ˌblum/
noun
1. bepaald soort plant, Ranunculus arvensis
Åkerranunkel
noun
1. bepaald soort tweejarige- of meerjarige plant, Melilotus officinalis
gul sötväppling
noun
1. bepaald soort vaste plant, Cerastium arvense
fältarv
noun
1. bepaald soort plant, Lapsana communis
harkål
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Ajuga chamaepitys
gulsuga
noun
2. samenklank van drie of meer, verschillende tonen
ackord
/
ˌakusˈtik/
noun
1. de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting ...
akustik
noun
1. platte en rechthoekige tas
portfölj
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Alagoas
/
ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
albanska
albansk
/
ɑlˈbaːni.jə/, /
ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
Albanien
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
albatross
noun
het ontbreken van pigmentkleurstof in de huid
albinism
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
alkemi
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
alkohol
noun
1. de overmatige consumptie van alcoholhoudende drank
alkoholmissbruk
adjective
1. met een verwaarloosbaar alcoholgehalte
alkoholfri
pronoun
1. verzamelnaam voor een groep Duitse dialecten die gesproken worden door ongeveer zes miljoen mensen in Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Liechtenstein en Oost-Frankrijk
alemanniska
pronoun
1. keten van vulkanische eilanden in Alaska ,die zich boogvormig uitstrekt en een scheiding vormt tussen de Grote Oceaan en de Beringzee
Aleuterna
/
ˈɑlfa/
noun
1. een aanduiding of markering van "de eerste" van een reeks
alfa
noun
de lettertekens van een taal
alfabet
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
alfabetisk
noun
1. ontkiemde zaden van luzerne
blålusern
/
ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
algebra
/
ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /
ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /
ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
Algeriet
adjective
1. Uit/afkomstig van Algerije
algerisk
/
ɑɫˈxiːrs/, /
ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
Alger
/
ˈaː.liˌbi/
noun
1. het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad,...
alibi
/
ɑlk/
noun
1. bepaald soort zeevogel die veel op de zeekoet lijkt, maar een dikkere snavel heeft
tordmule
/
ˈɑlkalimeˌtal/
noun
1. de naam voor elk element uit de eerste chemische reeks van het periodiek systeem
alkalimetall
adjective
met betrekking tot alkali
lutartad
noun
1. een stikstof bevattende plantenbase
alkaloid
noun
1. een kleine raamloze zijkamer, vaak gebruikt als slaapkamer
alkov
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
Allah
/
ɑl.ˈen/
adjective
1. zonder gezelschap
ensam
/
ɑl.ˈen/
adverb
1. slechts
bara
endast
noun
1. iemand die met onbeperkte oppermacht regeert
envåldshärskare
adjective
1. betrekking hebbend op het uitbeelden van een abstract begrip
allegorisk
/
ɑ.ˈlɛl/, /
ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
allel
/
ˈɑlən/
indefinitePronoun
1. alle
mangrant
noun
1. stof die overgevoeligheid veroorzaakt
allergen
/
ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
allergi
adjective
1. overgevoelig
allergisk
noun
wetenschap die allergieën bestudeert
allergologi
pronoun
1. een rooms-katholieke feestdag op 1 november ter gezamenlijke verering van alle heiligen van de Kerk
Alla helgons dag
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
allt
noun
1. een bondgenootschap
allians
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
alligator
/
ɑˈlʏvijʏm/
noun
1. los materiaal (regoliet) dat als sediment door een rivier is afgezet
alluvialavlagring
/
ɑɫmɑxt/
noun
1. absolute macht, macht over alles
omnipotens
allsmäktighet
adverb
1. overal, onder velen
överallt
noun
allestädesnärvaro
ubikvitet
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
aloesläktet
aloe
noun
1. bepaald soort succulent, Aloe vera
äkta aloe
noun
- 1. bepaald soort zoogdier Vicugna pacos
alpacka
- 2. zilverkleurige metaallegering
nysilver
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
Alperna
noun
1. bepaald soort overblijvende plant die te vinden is in de meeste Europese gebergtes, Pulsatilla alpina
alpsippa
noun
1. een van hout vervaardigd blaasinstrument met een lengte tot vier meter
alphorn
verb
1. sport waarbij men op ski's een heuvel of berg afdaalt.
alpin skidsport
noun
1. bepaald soort Zuid-Europese verdovende en bedwelmende overblijvende plant
alruna
/
ɑls/, /
ɑs/
conjunction
2. indien
om
phraseologicalUnit
1. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
när katten är borta, dansar råttorna på bordet
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
var snäll och
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
altare
pronoun
1. Atair/Altair
Altair
/
ɑltərnaˈtif/
noun
1. een andere mogelijkheid of methode
alternativ
adverb
- 1. op elk moment, blijvend
- 2. telkens opnieuw
- 3. in elk geval
alltid
noun
1. altsaxofoon
altsaxofon
noun
1. een teken geplaatst op de derde lijn van een balk dat aangeeft dat deze een c weergeeft
altklav
/
ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
altfiol
viola
/
alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
aluminium
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
bukspottkörtel
pankreas
/
amɑl'ɣaːm/
noun
1. kwiklegering
amalgam
noun
- 1. kleine bladverliezende loofboom, Amygdalus dulcis
mandelträd
mandel
- 1. eetbare pit van de amandelvrucht
mandel
noun
1. fijn gemalen amandelen, rijk aan vitaminen, mineralen en vitaminen B1, B2, B6 en E
mandelmjöl
noun
1. een melkachtige drank die uit fijngemalen amandelen en water bereid kan worden
mandelmjölk
noun
1. of 2. (zaden van) geslacht Amaranthus
amarantsläktet
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
amatör
noun
1. vrouw die iets als hobby doet en dus niet beroepsmatig
amatris
noun
1. een handwerkvak dat vaak aanzienlijke vaardigheden vereist
handarbete
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
ambassad
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
ambassadör
/
ɑmˈbi(t)si/
noun
ambition
adjective
1. vol van de wens en het vertrouwen om iets te bereiken
ambitiös
adverb
1. vanwege het ambt
ex officio
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
ambulans
/
ɑˈmɛxtəx/
adjective
1. sterk hijgend
andlös
/
aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
Amerika
noun
- 1. een persoon die in Amerika woont
amerikan
- 2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
amerikan
amerikanare
adjective
1. betreffende of komende van Amerika
amerikansk
noun
1. vrouwelijke inwoner van Noord- of Zuid-Amerika
amerikanska
noun
1. bepaald soort karperachtige, Pimephales promelas
knölskallelöja
noun
1. bepaald soort snelgroeiende boom, Quercus rubra
rödek
noun
1. oorspronkelijk uit Amerika afkomstige soort zoetwatervis die ook in de Benelux voorkomt, Umbra pygmaea
dvårghundfisk
noun
1. bepaald soort plant, Mammea americana
mamey
noun
1. Ursus americanus, een zwarte berensoort die in Noord - Amerika leeft.
svartbjörn
noun
1. een vaak prachtig violet gekleurde vorm van kristallijn kwarts, die kleine hoeveelheden titaan en ijzer bevat
ametist
noun
stimulerend middel, uit de groep van de wekaminen
amfetamin
noun
1. in water en op land levend dier
groddjur
amfibie
adjective
1. geschikt zowel voor in het water als op het land
amfibisk
noun
1. een door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
amfora
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
amhariska
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
amhariska
noun
1. een organische verbinding die kan worden beschouwd afgeleid te zijn van ammoniak...
amin
noun
1. een chemische verbinding van stikstof en waterstof
ammoniak
noun
1. NH₄NO₃, het ammoniumzout van salpeterzuur
ammoniumnitrat
noun
1. een verklaring dat afgezien zal worden van strafvervolging voor een bepaalde groep
amnesti
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
amöbor
amöba
/
a.'mɔrf/
adjective
1. niet geordened
amorf
/
aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
Amos
noun
1. dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
ampull
noun
1. stroommeter
amperemätare
/
ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
Amsterdam
noun
1. iets waarmee men zich vermaakt
underhållning
adjective
1. met betrekking tot de darmuitgang van de mens
anal
noun
1. opbouw bij de stofwisseling waarbij simpele stoffen omgezet worden tot chemisch ingewikkeldere stoffen
anabolism
/
anaˈkɔnda/
noun
1. zeer grote en zware wurgslang uit het geslacht Eunectes
anakonda
noun
1. seks waarbij de anus en het rectum een rol spelen
analsex
noun
1. iemand die niet kan lezen of schrijven
analfabet
noun
1. het voorkomen van mensen die niet kunnen lezen of schrijven
analfabetism
noun
1. een pijnstiller
analgetikum
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
analogi
/
ˌɑnəˈloːx/
adjective
2. tegenovergestelde van digitaal (geluidsopname, uurwerk)
analog
verb
1. gedetailleerd en nauwkeurig bekijken
analysera
noun
1. een vraaggesprek naar de ziektegeschiedenis
anamnes
noun
1. een vrucht van de ananasplant
ananas
adjective
1. met betrekking tot de anatomie
anatomisk
noun
1. een persoon die kennis draagt van de (menselijke) anatomie
anatom
adjective
1. niet deze
annan
noun
1. Cichorium endiva, een eetbaar eenjarig gewas dat nauw verwant is aan witlof
endiv
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
Andorra
adjective
1. van/uit Andorra
andorransk
noun
1. kruis van twee even lange, schuingeplaatste balken
andreaskors
/
a.nɛg.ˈdo.tə/
noun
1. een amusant, kort verhaal
anekdot
adjective
1. aan bloedarmoede lijdend
anemisk
/
ɑnəmon/
noun
1. een plant van het geslacht Anemone
sippa
noun
1. het orgaan waarmee wespen, bijen en soortgelijke dieren steken
gadd
noun
1. leer van de Engelen
angelologi
/
ɑŋəl'sɑksis/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die tussen ca. tussen 400 en 1100 werd gesproken en die geldt als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels
anglosaxiska
noun
1. hartkramp, pijn op de borst
kärlkramp
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Engels of gevormd naar Engels voorbeeld
anglicism
/
ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /
ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
Angola
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
rädsla
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
anis
noun
1. het zaad van de anijsplant
anis
/
ˈɑ.nʲər.re.voˌly.si/, /
ˈɑ.ɲər.re.voˌly.tsi/
pronoun
1. geweldloze militaire staatsgreep
nejlikerevolutionen
noun
- 1. onderdeel van een vaartuig
- 3. onderdeel van een uurwerk
- 2. muuranker
- 6. onderdeel van een elektromotor/dynamo
ankare
verb
1. het anker uitgooien met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen
ankra
pronoun
1. meisjesnaam
Anna
/
ˌɑnɛkˈsatsi/
noun
1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
annektering
/
ˌɑnɛkˈsɪːrə(n)/
verb
1. het toeëigenen van een grondgebied
annektera
noun
2. aankondiging
annons
/
ɑny'lerə/
verb
1. iets afgelasten
annulera
annullera
noun
1. afwijking van organen
anomali
adjective
1. naamloos
anonym
noun
1. verwijderen van gegevens die zouden kunnen leiden de tot identificatie van de persoon
anonymisering
noun
1. naamloosheid
anonymitet
adjective
1. (medisch) lijdend aan of betrekking hebbend op anorexia nervosa
anorektisk
noun
1. magerzucht, eetstoornis
anorexia
noun
1. verlies van eetlust
anorexi
adjective
1. niet tot de koolstofverbindingen behorend
oorganisk
noun
1. een postkaart met een afbeelding
kort
noun
- 1. tegenwerkend middel of orgaan
- 2. belangrijkste tegenspeler
antagonist
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
Antarktis
noun
1. de naam voor het woord waarnaar een ander woord, meestal een betrekkelijk voornaamwoord, verwijst
korrelat
noun
1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
antenn
noun
1. een deeltje waarvan een aantal fysische eigenschappen dezelfde zijn, maar andere eigenschappen (waaronder de lading) precies tegengesteld
antipartikel
/
ˌɑntideprɛˈsivʏm/
noun
1. een middel tegen ziekelijke neerslachtigheid
antidepressiva
noun
1. geneesmiddel ter behandeling van suikerziekte
antidiabetikum
noun
1. een tegengif
motgift
noun
1. vers dat gezongen wordt als inleiding of afsluiting van een psalm
antifon
noun
1. lichaamsvreemde afweeropwekkende stof
antigen
/
ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /
ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
Antigua och Barbuda
noun
1. een hoofdpersonage in een verhaal met niet de typerende positieve eigenschappen van een held
antihjälte
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
Antillerna
/
ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
antilop
pronoun
1. een provinciehoofdstad in Turkije
Antiochia vid Orontes
noun
1. stof die reacties tegengaat waarbij elektronen worden uitgewisseld
antioxidant
noun
1. winkel of bedrijf dat oude en tweedehands boeken verhandelt en verkoopt
antikvariat
noun
iemand met antisemitische denkbeelden
antisemit
noun
1. het tegenovergestelde
antites
noun
1. een stof die veelal aan koelwater wordt toegevoegd om het vriespunt ervan te verlagen om bevriezen ervan te voorkomen
frostskyddsmedel
adjective
1. tegengesteld van betekenis
antonym
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
antonym
/
an.tra.ˈsit/, /
ɑn.tra.ˈsit/
noun
1. een vorm aan steenkopl die hoge temperatuur heeft gehad
antracit
noun
1. een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
mjältbrand
noun
1. het eten van mensen
antropofagi
/
ˈantˌwɛrpə(n)/, /
ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /
ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
- 2. een Belgische provincie
- 1. een provinciehoofdstad in België
Antwerpen
/
ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
svar
/
ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
svara
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
analöppning
anus
adjective
- 1. op zichzelf, afzonderlijk van het andere
- 2. bijzonder, opmerkelijk
egen
noun
1. lusteloosheid
apati
pronoun
1. gebergte
Apenninerna
noun
2. internetsymbool @
snabel-a
noun
1. een eetlust opwekkende alcoholische drank die voor de maaltijd genuttigd wordt
aperitif
adjective
1. de punt, de kop, de kruin betreffende
apikal
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
apokalyps
noun
1. wegval van slotklank
apokope
adjective
1. niet als gezaghebbend erkend
apokryferna
noun
1. geprogrammeerde celdood
apoptos
/
ɑˈpɔstəl/
noun
- 1. leerling van Jezus
- 2. verkondiger van een nieuwe leer
apostel
noun
- 1. afkappings- of weglatingsteken
- 2. aanspreking van afwezige personen of zaken
apostrof
/
apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
apotek
pronoun
1. gebergte in het oostelijk deel van Noord-Amerika
Appalacherna
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
apparat
/
ɑ.ˈpɛl/, /
ɑ.ˈpɛɫ/, /
ˈɑ.pəl/, /
ˈɑ.pəɫ/, /
ˈɑpəɫ/
noun
- 1. vrucht
äpple
- 1. verzoek
appell
noun
1. boom waaraan appels groeien
äppelträd
noun
1. een moes van gekookte appels
äppelmos
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
äppeljuice
äppelmust
/
ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
apelsin
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
äppelpaj
noun
1. Campaea margaritaria
Blekgrön mätare
/
ɑplɔudi'serə/
verb
1. in de handen klappen om goedkeuring of bewondering te tonen
applådera
/
ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
applåd
/
ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
april
noun
nog uit te zoeken
akvarell
/
ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
akvarium
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
ara
/
ˌɑ.ra.ˈbiːr/
noun
1. een persoon met het Arabisch als moedertaal
arab
/
ɑ'rabis/
adjective
1. verwijzend naar de Arabische taal,cultuur,het alfabet of Arabië
arabisk
/
ɑ'rabis/
pronoun
- 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
- 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
arabiska
arabisk
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noord-Australië en de oostelijke eilanden van Indonesië
Arafurasjön
noun
1. Een inwoner van Aragon
aragonska
pronoun
1. taal gesproken in Aragon
aragonska
/
araˈmes/
adjective
arameiska
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
arbete
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
arbetare
noun
1. inkomsten die men ontvangt door het uitvoeren van werk
lön
noun
1. de interactie tussen vraag naar en aanbod van arbeid
arbetsmarknad
noun
1. ongeval dat tijdens het werk (of onderweg van en naar het werk) optreedt, bedrijfsongeval
arbetsolycka
noun
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
arbetsrätt
noun
- systeem van gelijktijdige prijsbepaling
arbitrage
- resultaat van het handelen van een arbiter
avgörande
adjective
1. behorend tot of betrekking hebbend op een zeer oud tijdperk
arkaisk
ålderdomlig
/
ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /
ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /
ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
arkeologi
noun
1. een eilandengroep
skärgård
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
arkitekt
noun
1. de bouwstijl van een gebouw
arkitektur
byggnadskonst
/
ɑrxivaːrɨs/
noun
1. een persoon die een archief beheert
arkivarie
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
arkivera
pronoun
1. naam voor het noordpoolgebied
Arktis
adjective
1. extreem koud, behorend bij heel lage temperaturen
arktisk
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
Norra ishavet
noun
1. bepaald soort grote massief zeezoogdier met een kolossale kop, Balaena mysticetus
Grönlandsval
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Ardèche
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Örnen
adjective
1. zonder zich van mogelijk gevaar bewust te zijn
naiv
/
ˌɑrɣɛnˈtɛɪ̯n/, /
ˌɑrɣɛnˈtɛːn/, /
ˌɑrχɛnˈtɛɪ̯n/
noun
1. iemand van Argentijnse komaf
argentinare
/
ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /
ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
Argentina
/
ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
argon
/
ˌɑrɣyˈmɛnt/
noun
1. een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
argument
noun
1. gekoesterd gevoel van verdenking
misstanke
/
arijaˈnɪsmə/
noun
1.
arianism
noun
1. een persoon die lid is van de aristocratie
aristokrat
noun
1. een regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten
aristokrati
adjective
1. volgens de principes van een aristocratie
aristokratisk
/
ɑrṃ/
adjective
- 1. weinig bezittend
- 2. beklagenswaardig
fattig
/
ɑrṃ/
noun
1. lichaamsdeel
arm
noun
1. sieraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
armband
/
ɑrˈmens/, /
ɑrˈmeːns/
adjective
1. betreffende Armenië of het Armeens
armenisk
armeniska
/
ɑrˈmens/, /
ɑrˈmeːns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Armenië
armeniska
armenisk
pronoun
armeniska folkmordet
/
ɑrˈmeni.jə/, /
ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
Armenien
/
ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
fattigdom
armod
/
aroˈmans/
pronoun
1. een Romaanse taal die in de Balkan gesproken wordt
arumänska
adjective
- 1. met geurstof
- 2. voldoende aan de regel van Hückel
aromatisk
verb
1. geur geven aan
aromatisera
noun
2. muziekbewerking
arrangemang
noun
1. document
arresteringsorder
noun
1. stijlbeweging
Art déco
noun
- 1. kunstvoorwerp of -product
- 4. een bewerkt voorwerp uit prehistorische tijd
- 5. een kunstmatig veroorzaakte misvorming; zelf toegebracht letsel
artefakt
adjective
1. met betrekking tot de arteriën
arteriell
/
ɑrˈtiːkəl/
noun
4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
artikel
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
artilleri
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
kronärtskocka
noun
1. gewrichtsontsteking
artrit
noun
1. een aandoening van het gewrichtskraakbeen
artros
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
läkare
/
a.ˈru.ba/, /
a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Aruba
noun
- 2. lijn
axel
- 1. verbrandingsrest
aska
/
ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
askfat
askkop
askkopp
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
asbest
pronoun
1. hoofdstad van Turkmenistan
Asjchabad
/
ɑʃkə'nazi/
noun
1. Hoogduitse jood, jood afkomstig uit Midden- of Oost-Europa
ashkenazisk jude
adjective
1. zonder sociaal besef
asocial
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
sparris
noun
1. een middel tegen allerlei kwalen met als werkzame stof acetylsalicylzuur
acetylsalicylsyra
pronoun
1. een taal die in Assam, een staat in India, gesproken wordt
Assamesiska
/
ˈɑsəˌpustər/
pronoun
1. het meisje dat hoofdpersoon is het het gelijknamige sprookje
Askungen
/
ɑsɛrˈtif/
adjective
självsäker
noun
1. een persoon die ondersteunt
assistent
verb
1. tot compagnon maken of nemen
associera
förknippa
noun
1. scheikundig element met symbool At en atoomnummer 85
astat
noun
2. een bloem van de aster
aster
/
ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /
ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
asterisk
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
asteroid
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
astma
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
astrolog
/
ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /
ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /
ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
astronaut
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomi
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Asturië
asturiska
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Asturien
noun
1. eerste dag van de vastentijd
askonsdag
noun
1. een aerosol van fijnverdeelde vulkanische as
askmoln
adjective
1. zonder ziekteverschijnselen
asymtomatisk
/
a.sɪmp.ˈtot/
noun
1. een lijn die door een kromme of functie willekeurig dicht benaderd wordt, maar deze nooit raakt
asymptot
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
amiral
/
atɑkˈsi/
noun
1. een onzekere gang bij het lopen
ataxi
noun
1. de werkruimte van een kunstenaar
ateljé
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
Athen
Aten
/
ˌa.te.ˈjɪsmə/, /
ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
ateism
/
ˌa.te.ˈjɪst/, /
ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
ateist
pronoun
1. mythologisch eiland
Atlantis
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
Atlanten
noun
1. anadrome vis die tot 4 meter lang en 250 kg zwaar kan worden, Acipenser oxyrinchus
stør
pronoun
- 1. figuur uit de Griekse mythologie
- 2. gebergte in Noord-Afrika
Atlas
noun
- 1. een boek dat geografische kaarten bevat
- 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
- 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
atlas
kartbok
/
ɑtlet/
noun
1. iemand die grote prestaties op sportief gebied verricht
atlet
noun
sporttak waarin vooral lopen, springen en werpen aan bod komen
friidrott
noun
- 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
- 2. een stemming.
- 2. eenheid.
atmosfär
noun
1. de massa van een atoom, uitgedrukt in de atomaire massa-eenheid u
atommassa
noun
1. de kernlading van een atoom
atomnummer
noun
1. abnormale aanleg om allergisch te reageren
atopi
adjective
1. niet-giftig
giftfri
pronoun
1. een stad in Frans-Vlaanderen
Arras
noun
- 2. centraal vertrek
atrium
- 1. deel van het hart
förmak
noun
1. verschrompeling van organen
atrofi
noun
1. houding
kroppställning
/
ɑtrɪbʏˈtif/
adjective
1. wanneer het voor een zelfstandig naamwoord geplaatst wordt
attributiv
noun
4. tot het wezen (de entiteit) behorende eigenschap
attribut
adjective
1. afwijkend van het gemiddelde
atypisk
/
obɛrˈʒinə/
adjective
1. dieppaars
auberginefärgad
/
obɛrˈʒinə/
noun
- 1. plant uit de nachtschadefamilie
äggplanta
- 2. purperachtige, vlezige vrucht
äggplanta
aubergine
pronoun
1. grootste stad van Nieuw-Zeeland, gelegen op het Noordereiland
Auckland
/
ˈɑuˌdi<sup>j</sup>oɣrɑm/
noun
audiogram
adjective
1. zichtbaar en hoorbaar
audiovisuell
noun
1. een examen waarbij iemand zijn muzikale vaardigheden in klank bewijst.
audition
/
ʌuˈɣɵrk/, /
ʌˈʝʏrk/
noun
1. kleine, in het zuur ingemaakte komkommer
ättiksgurka
/
aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /
ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /
ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
augusti
/
ˈʌurɑ/
noun
- 1. energieveld
- 2. beginverschijnselen van een aanval
aura
noun
1. luisteren naar lichaamsgeruis van bijv. hart of longen
auskultation
noun
1. ondersteuning, goedkeuring, toezicht
beskydd
/
aʊ̯ˈstraːlɪs/, /
ɔʊ̯ˈstraːlis/, /
ʌʊ̯ˈstralis/
adjective
1. van Australië
australisk
/
aʊ̯ˈstraːli.jə/, /
ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /
ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
Australien
/
aʊ̯ˈstraːli.jər/, /
ɔʊ̯ˈstraːli.jər/, /
ʌʊ̯ˈstrali.jər/
noun
1. een inwoner van Australië
australier
australiensare
australiensiska
/
oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
författare
/
ʌuˈtɪsmə/, /
ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
autism
/
ʌuˈtɪstɪs/, /
ʌˈtɪstɪs/
adjective
1. lijdend aan autisme
autistisk
/
ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
bil
adjective
1. met betrekking tot afweerstoffen gericht tegen de eigen lichaamsweefsels
autoimmun
noun
1. auto geladen met explosieven gebruikt als wapen bij terroristische aanslagen
bilbomb
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
buss
adjective
1. oorspronkelijk in een bepaald gebied thuishorend
autokton
noun
1. de oorspronkelijke bewoner van een land
autokton
noun
1. handtekening van een beroemd persoon
autograf
adjective
- 1. niet bestuurd door de hand van de mens
- 2. vanzelfgaand
- 3. gedachteloos
automatisk
verb
1. automatisch doen werken
automatisera
noun
1. een bestuurder van een auto
bilist
noun
1. vakman die beroepshalve reparaties verricht aan en onderhoud doet van auto's
bilmekaniker
/
aʊ̯.to.no.ˈmi/, /
ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /
ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
autonomi
/
ˌʌʊtoˈnom/
adjective
1. op zichzelf staand
autonom
noun
1. een lijkschouwing
obduktion
/
ˈɑʊ̯.to.ˌrɛɪ.sxol/
noun
bilskola
noun
1. de overheid
auktoritet
noun
1. weg voor snelverkeer (dat sneller kan en mag rijden dan 60 km per uur), met gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen
motorväg
noun
1. een chromosoom dat geen geslachtschromosoom (heterosoom) is; homoloog chromosoom
autosom
noun
1. een zitplaats in een auto
bilsäte
/
ˈɑʊ̯toˌvrɛɪ̯/, /
ˈɔʊ̯toˌvrɛː/
adjective
1. zonder auto's
bilfri
pronoun
1. voormalige regio in Centraal-Frankrijk
Auvergne
/
'avatɑr/
noun
2. (informatica) een kleine afbeelding die een bepaalde gebruiker symboliseert
avatar
pronoun
1. een stad in Frankrijk
Avignon
/
ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
avokado
/
ˌavoˈkadobom/
noun
1. immergroene boom uit Midden-Amerika die de avocadoperen voortbrengt
avokadoträd
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
kväll
afton
noun
1. een maaltijd die 's avonds genuttigd wordt
kvällsmat
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
utegångsförbud
noun
1. rode kleur van het hemelgewelf
aftonrodnad
noun
1. een school waarin in de avonduren lesgegeven wordt
aftonskola
noun
1. iemand die graag het avontuur opzoekt
äventyrare
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
äventyr
noun
2. neiging om ongewone dingen te willen beleven
äventyrslust
noun
1. een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden
axiom
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
ayatolla
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
aymara
/
ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /
ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
Azerbajdzjan
/
aˈzeːri/, /
aˈzɪːri/
pronoun
1. Turkse taal die door 22 miljoen mensen vooral in Azerbeidzjan, maar ook in Iran, Georgië en Turkije wordt gesproken
azerbajdzjanska
adjective
1. afkomstig uit of betreffend Azië
asiatisk
noun
1. Soort olifant
Asiatisk elefant
noun
1. Berensoort
kragbjörn
/
aˈzɛɪn/, /
aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
vinäger
ättika
noun
1. CH₃COOH
ättiksyra
etansyra
/
azimɵt/
noun
1. horizontale hoek
asimut
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
Asien
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
bukt
noun
1. een stapel bijeengebonden plantaardig materiaal zoals hooi of tabak
bal
/
baːn/
noun
- 2. verkeersweg
- 6. bovenblad van aambeeld
bana
- 3. traject van een projectiel/hemellichaam
omloppsbana
/
baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
skägg
noun
3. bepaald soort vogel, Panurus biarmicas
skäggmes
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
livmoder
noun
1. smal en buisvormig gedeelte van de baarmoeder dat aan een kant in de vagina eindigt ...
livmoderhals
noun
1. een vorm van kanker die zich in de baarmoederhals ontwikkelt
livmoderhalscancer
noun
1. stekelvinnige riviervis
abborre
/
baːs/
noun
1. overste, leider, chef
chef
anförare
noun
1. iets met een gunstig effect
gagn
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
baby
spädbarn
/
ˈbe.bi.buːm/
noun
1. een periode waarin ongewoon veel kinderen geboren worden
babyboom
noun
1. elektronisch afluisterapparaat om geluid uit de kinderkamer elders op te vangen
babymonitor
noun
1. benaming voor soorten uit de klasse Bacilli
bacill
/
bɑkteriɔfaɣ/
noun
1.
bakteriofag
noun
1. een wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van bacteriën
bakteriologi
noun
1. een wetenschapper die zich bezighoudt met de bacteriologie
bakteriolog
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Bacteria
bakterier
/
bɑt/
noun
1. voorwerp waarin men zich wast met water
badkar
verb
- 1. een bad nemen
- 3. in bad doen
bada
pronoun
1.
Baden-Württemberg
noun
1. grote handdoek gemaakt van badstof om (delen van) het lichaam af te drogen na het wassen
badhandduk
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
badrum
noun
1. een deur die toegang geeft aan een badkamer
badrumsdörr
noun
1. bergmeubel bestemd voor een vertrek waar men zich kan wassen
badrumsskåp
noun
1. een meubel dat bestemd is voor of geplaatst is in een badkamer
badrumsmöbel
/
ˈbɑtkamərˌspixəl/
noun
1. aan de wand van een vertrek waar men zich kan wassen bevestigd glad oppervlak waarin men zichzelf goed weerkaatst kan zien
badrumsspegel
noun
1. glad afgewerkte platte stenen, meestal van aardewerk, waarmee wanden of vloeren van badkamers worden bekleed
badrumskakel
/
ˈbɑtkamərvɛntiˈlatɔr/
noun
1. toestel dat de vaak vochtige lucht in een vertrek waar men zich kan wassen afvoert, zodat die door drogere lucht wordt vervangen
badrumsfläkt
/
ˈbɑtkamərˈvɛrᵊf/
noun
1. stof die wegens waterbestendigheid en schimmelwerende eigenschappen...
badrumsfärg
/
ˈbɑtkamərˈvlur/
noun
1. bodem van het vertrek waar men zich kan wassen, meestal met tegels of ander waterbestendig materiaal afgewerkt
badrumsgolv
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
badkläder
/
ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
badkar
noun
1. een sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
badminton
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
badkläder
/
bɑtplaːts/
noun
1. aan zee gelegen plaats waar mensen vaak gaan zwemmen
badort
/
ba.ˈɣaːʃ/, /
ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
bagage
packning
verb
1. iets ernstigs onbelangrijk doen voorkomen
bagatellisera
/
ba.ˈha.mas/, /
ba.ˈɦa.mas/, /
bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
Bahamas
/
ba.ˈrɛɪ̯n/, /
bɑx.ˈrɛːn/, /
bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
Bahrain
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
bajonett
noun
1. de linkerzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
babord
noun
1. een markering, meer in het bijzonder gebruikt in de lucht- en scheepvaart...
båk
noun
1. een driewielige fiets die voorzien is van een laadbak
paketcykel
noun
1. deel van het baardhaar dat groeit vanaf de kaaklijnen tot aan de haargrens boven de oren.
polisonger
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
baka
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
bagare
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
bageri
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bakkerijproduct
Backwaare
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
Baku
noun
1. speciaal geprepareerd papier dat in de oven gebruikt wordt om te bakken etenswaar niet aan de bakplaat of de bakvorm te laten kleven
bakplåtspapper
noun
1. rijsmiddel op basis van natriumbicarbonaat
bakpulver
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
tegel
tegelsten
mursten
noun
- 1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
boll
- 1. een danspartij
bal
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
balalajka
verb
1. evenwicht behouden om er niet vanaf te vallen
balansera
/
balaˈnitɪs/
noun
1. ontsteking van de eikel bij de man.
balanit
noun
- 1. evenwicht
balans
jämvikt
jämviktsläge
- 3. (economie) een volledige opsomming van de waarde van alle bezit en alle tegoeden en ...
balansräkning
- 2. een meetapparaat met twee armen (bedoeld om het verschil te kunnen meten)
våg
balansvåg
vågskål
noun
1. stoffen overdekking als ornament, meestal boven een troon, altaar of hemelbed
baldakin
noun
- 1. hoornachtige stof uit de walvisbek
- 1. versterkingsstaafje voor corset of paraplu
bard
pronoun
1. Austronesische taal die wordt gesproken door 3,3 miljoen mensen op of afkomstig van Bali
balinesiska
/
bɑlk/, /
bɑɫk/
noun
- 1. deel van een constructie met een lengte die veel groter is dan de breedte en de hoogte in doorsnede
balk
bjälke
- 2. veelvlak met 6 rechthoekige zijvlakken, 8 hoekpunten en 12 ribben
rätblock
pronoun
1. gebied...
Balkan
verb
1. een land staatkundig in kleine, onderling vijandige, onderdelen versnipperen
balkanisera
/
ˈbɑlkə(n)/, /
ˈbɑɫkə(n)/
verb
1. het geluid van een ezel maken
skria
noun
1. een bouwkundig onderdeel
balkong
noun
1. vervanging van de nuttige lading door iets dat voldoende weegt om een schip te stabiliseren
ballast
noun
1. speeltoestel voor kinderen
bollhav
noun
1. een artistieke dansvorm
balett
noun
1. gedwongen verblijf elders dan waar men thuis is
exil
noun
1. leer die de banen van projectielen bestudeert
ballistik
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
ballong
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
kulspetspennan
kulspetspenna
verb
1. het prepareren van een stoffelijk overschot om het tegen ontbinding te beschermen
balsamera
noun
1. het paargedrag van met name vogels
lek
noun
1. een laag hekwerk dat een min of verheven standplaats omsluit
balustrad
pronoun
1. de nationale taal van Mali
bambara
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
bambu
noun
1. een vrucht van de bananenboom
banan
noun
- 1. een van de Midden-Amerikaanse staten zoals Honduras, Nicaragua, El Salvador of Guatemala, eens zo genoemd vanwege de bananenindustrie die daar alles overheerste
- 2. een in politiek en economisch opzicht corrupt en instabiel land, dat bovendien vaak rijk is aan grondstoffen
bananrepublik
noun
1. de schil van een banaaan
bananskal
noun
- 3. groep muzikanten die een bepaald muzikaal repertoire ten gehore brengt
band
- 1. ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
däck
noun
1. een schurk of misdadiger
bandit
noun
1. bepaald soort zoogdier, Phoca fasciata
bandsäl
/
ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /
ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
Bangladesh
noun
- 3. een financiële instelling
- 4. een ondiepte in het water
- 5. gebouw waarin een financiële instelling gevestigd is
- 6. een opslagsysteem voor gegevens of voorwerpen b.v. beeldbank, bloedbank, boekenbank, kennisbank, spermabank
bank
- 1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon
soffa
bänk
noun
1. een betaalmiddel van papier
sedel
noun
1. een bakker die voornamelijk taarten, klein gebak en chocolade maakt
konditor
/
bɑŋkˈɦɑŋər/
noun
1. iemand die bankhangt
soffliggare
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
bankir
noun
1. een rekening-courant bij een bank
bankkonto
noun
1. toestand van iemand die niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen
bankrutt
noun
1. verschijnsel waarbij een groot aantal klanten hun geld van hun bankrekening halen
bankrusning
noun
1. een handig hulpmiddel om werkstukken in vast te houden
skruvstycke
/
ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
landsflykting
/
ˈbɑntu/
noun
1. lid van een volk
bantu
/
ˈbɑntutaːl/
noun
1. een taal die tot de Bantoetak van de Niger-Congotalen behoort
Bantuspråk
noun
1. een kerkelijke straf
anatema
noun
benaming voor dikstammige bomen uit droge, warme gebieden uit het geslacht Adansonia
apbrödsträd
adjective
1. zonder beperkingen opgelegd door beschaafd gedrag
barbarisk
/
ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /
ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
Barbados
/
ˈbɑrbəkju/
noun
- 2. bijeenkomst
grillfest
- 1. apparaat
utegrill
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in de middenlopen van rivieren, Barbus barbus
barb
noun
1. een herenkapper die ook baarden bijwerkt
barberare
noun
1. Een slaapmiddel in de vorm van een barbituurzuur verbinding
barbiturat
noun
1. (informatica) een op artikelen, verpakkingen afgedrukte reeks smalle en brede streepjes waarmee in gecodeerde vorm productinformatie is vastgelegd die met een scanner kan worden gelezen
streckkod
/
bɑrt/
noun
1. middeleeuws dichter en zanger bij de Kelten
bard
verb
1. op de wereld brengen
föda
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
baskermössa
basker
/
bɑrx/
noun
1. gecastreerd mannetjesvarken
galt
noun
1. een mannenstem tussen bas en tenor
baryton
noun
1. iemand die achter de bar staat en drankjes voor de gasten inschenkt
bartender
/
bɑrn/
noun
1. eenheid van oppervlakte in de atoomfysica, 10−28 m²
barn
noun
1. een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
barock
/
ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
barometer
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
baron
noun
1. vrouwelijke baron
baronessa
noun
- 3. beslissingsronde
- 2. dam
damm
noun
1. straatversperring die de doorgang door een straat onmogelijk maakt
barrikad
verb
1. heftig breken of uiteenspatten
brista
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
basalt
noun
- 1. stof die een of meer hydroxylgroepen bevat en in een waterige oplossing OH-ionen afsplitst
- 2. ion of molecuul dat de neiging heeft een proton op te nemen
bas
/
baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
basilika
noun
1. een vorm van democratie waarin zo veel mogelijk beslissingen actief door het kiesbevoegde volk worden genomen...
direkt demokrati
noun
1. scholing voor kinderen van 4 tot 12 jaar
grundskoleutbildning
/
ˈbazɪsxoɫ/
noun
1. een school voor lager onderwijs
grundskola
/
'bɑskən,lɑnd/
pronoun
- 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
- 3. Spaanse autonome regio
Baskien
noun
- 1. sport
- 2. bal
basketboll
basket
adjective
- 1. met betrekking tot de Basken
- 2. met betrekking tot de Baskische taal
baskisk
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
baskiska
baskisk
noun
1. bassaxofoon
bassaxofon
noun
- 1. contrabasspeler
- 2. baszanger
basist
noun
1. een kind dat niet geboren is uit een wettig huwelijk
bastard
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Luxemburg
Bastogne
noun
1. een fijn, doorschijnend weefsel dat gemaakt kan zijn van linnen, wol, katoen, zijde of zelfs kunstzijde
batist
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
elektrokemisk cell
batteri
noun
1. een mineraal dat een belangrijk erts van aluminium vormt. Bauxiet bestaat voor een groot deel uit aluminiumoxide...
bauxit
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
babian
pronoun
1. stad in Zwitserland
Basel
noun
1. kleine hond van een bepaald ras
beagle
/
bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
svara
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
skäggig
verb
1. met bomen bedekken
beskoga
adjective
1. brildragend
glasögonprydd
verb
- 1. uitrekenen
- 2. door cijfers aanwijzen
- 3. (muziek) notaties door cijfers aangeven
uppskatta
verb
1. van commentaar voorzien
kommentera
/
bɛd/, /
bɛt/
noun
1. een meubel gemaakt om in te slapen
säng
bädd
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
tack
/
bə'darə(n)/
verb
1. tot rust komen
avta
bedarra
lugna
mojna
verb
1. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
täcka
noun
1. een persoon die vraagt om geld zonder daar iets voor te doen
tiggare
verb
1. om een aalmoes vragen
tigga
verb
- 2. verpesten, verknoeien
- 3. te veel verwennen
- 4. verrotten, oneetbaar worden
fördärva
noun
1. iemand die een apparaat op een goede manier laat functioneren
operatör
noun
1. de groep van personen die eten en of drinken brengen in een horecagelegenheid
servering
/
bɛdleɣərəɣ/
adjective
1. niet in staat uit bed te komen
sängbunden
verb
1. iemand met een mogelijk gevaar confronteren
hota
/
bəˈdrɛɪ̯f/, /
bəˈdrɛːf/
noun
1. organisatie, samenspel van mensen en middelen om producten en of diensten te leveren
företag
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
företagsekonomi
/
bek/
noun
1. stromend watertje
bäck
noun
1. bepaalde ondersoort van vissen die voorkomt in stromend water, Salmo trutta fario
bäckforell
noun
1. zeldzaam visje dat inheems voorkomt in de Benelux, Lampetra planeri
bäcknejonöga
noun
1. driedimensionaal kunstwerk
bild
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Bildhuggaren
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
skulptör
bildhuggare
/
beːn/
noun
- 1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
- 3. stof waaruit benen/botten bestaan
ben
noun
1. een verkoper van vlees
slaktare
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
benmärg
/
beːr/, /
bɪːr/
noun
- 1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
björn
- 1. mannetjesvarken
galt
noun
1. een put waarin fecaliën verzameld worden
avloppsbrunn
/
ˈbeːtʃjə/
noun
1. kleine hoeveelheid
lite
adjective
1. op een goede manier bekend staan
berömd
noun
1. bepaald soort lijster, Turdus torquatus
ringtrast
noun
1. verlangen
begär
åtrå
/
bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /
bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /
bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
1. vergezellen
ackompanjera
beledsaga
noun
1. personen die iemand vergezellen of bewaken
ackompanjemang
verb
1. een gift geven
begåvas
/
bəˈχɪn/
noun
1. het eerste deel
början
begynnelse
noun
1. (plantk.) Begonia, een geslacht bloeiende planten uit de begoniafamilie
begonia
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
begravningsplats
kyrkogård
noun
1. een ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd
begravning
/
bəˈɣrafənɪsɔndərˌnemər/
noun
1. Een persoon die de begrafenis van overledenen verzorgt
begravningsentreprenör
verb
2. een overledene begraven
begrava
noun
- 1. het verstaan of begrijpen van iets
- 3. inlevingsvermogen
förståelse
/
bəˈɣrotɪŋ/
noun
1. raming van de te maken uitgaven voor de komende tijd
budget
/
beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
behå
preposition
1. met uitzondering van
förutom
verb
- 1. verwerken
- 2. bespreken, spreken of schrijven over
behandla
noun
2. een handeling gericht op herstel
behandlande
behandling
noun
1. ter versiering op de muur aangebrachte papieren bedekking
tapet
verb
1. het bedekken van wanden met een laag papier
tapetsera
noun
1. muurbedekking
tapet
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
administratör
/
ˈbə'huftə/
noun
1. iets wat benodigd is
behov
/
bəˈhuvə(n)/
verb
- 2. nodig hebben
behöva
- 1. moeten
måste
verb
- 2. onderdeel uitmaken van wat gebruikelijk is of tot de fatsoensnormen gerekend wordt
- 1. onderdeel zijn van
höra
pronoun
1. taal gesproken door ten minste 12 miljoen mensen in Oostenrijk...
bayerska
pronoun
1.
Bayerischer Wald
/
bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Beirut
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
stämjärn
mejsel
verb
1. iets met een beitel (be)werken, met een scherp voorwerp steen bewerken
mejsla
adjective
1. vertrouwd
bekant
noun
1. een verklaring waarin men toegeeft een bepaalde daad gepleegd te hebben
bekännelse
verb
1. tot een bepaald geloof overhalen
omvända
noun
2. gebeente tussen beide heupen
bäcken
verb
1. ontevredenheid uiten, klachten indienen
klaga
/
bəˈkledɪŋ/
noun
1. een laag stof ter versiering en berscherming aangebracht op een hard oppervlak of een meubelstuk
klädsel
verb
1. de nadruk leggen op iets
betona
verb
1. naar de top van iets, zoals een berg, klimmen
bestiga
adjective
1. tot het belangrijkste en noodzakelijkste teruggebracht
koncis
verb
1. kritiek uiten op iets of iemand
kritisera
noun
1. iets wat belangrijk is voor een persoon
betydelse
/
bəˈlɑŋəlos/
adjective
2. uit liefdadigheid
ojävig
adjective
1. van grote betekenis
viktig
betydelsefull
verb
1. iemands goede naam geweld aandoen met onware aantijgingen
förtala
noun
1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
skatt
noun
1. iemand die belasting betaalt
skattebetalare
verb
1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
förolämpa
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
förolämpning
adjective
1. van goede omgangsvormen getuigend
artig
noun
1. een sociale vaardigheid, die de omgang in de maatschappij vergemakkelijkt.
artighet
/
bəˈlɛx/
noun
1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
belägring
verb
1. met een leger omsingeld houden
belägra
verb
1. geld steken in een naar verwacht winstgevende onderneming
investera
noun
1. geld besteed aan iets waarvan men verwacht dat het later meer waarde zal hebben
investering
placering
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
politik
/
bəˈlɛmərə(n)/
verb
1. een factor vormen die een gebeurtenis of handeling (bijna) onmogelijk maakt
hindra
noun
1. leesteken bestaand uit drie puntjes (…)
uteslutningstecken
/
bɛlx/, /
bɛɫx/, /
bɛɫχ/
noun
1. een staatsburger van België
belgare
belgier
/
ˈbɛl.ɣɪs/, /
ˈbɛɫ.ɣis/, /
ˈbɛɫ.χis/
adjective
1. met betrekking tot België
belgisk
/
ˈbɛlɣijə/, /
ˈbɛɫɣijə/, /
ˈbɛɫχijə/
pronoun
Belgien
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
Belgrad
/
bɛlhaməl/
noun
1. een gecastreerd mannelijk schaap dat met een bel om zijn nek vaak de kudde leidt
skällgumse
verb
1. een denkbeeld of gevoel vormgeven in iets tastbaars
förkroppsliga
noun
1. zichtbaar gemaakte vorm van een idee of begrip
förkroppsligande
/
bə.ˈlɪx.tə(n)/, /
bə.ˈlɪχ.tə(n)/
verb
- 1. licht schijnen op iets
- 2. van een bepaalde kant bekijken
belysa
/
be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
Belize
noun
1. tandwalvis die doorgaans bij volwassenheid melkwit van kleur is, Delphinapterus leucas
vitval
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
löfte
verb
1. een prestatie of goede daad met geld of anderszins erkennen
belöna
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
utlova
lova
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
besättning
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
besättning
verb
1. het toevoegen van meststoffen aan de aarde
gödsla
verb
1. amoureuze gevoelens voor iemand koesteren
älska
adjective
1. te benaderen, makkelijk mee te praten
lättillgänglig
noun
2. gezichtspunt, de richting van waaruit men naar iets beschouwd .
närmande
/
bəˈnadrʏkə(n)/
verb
betona
/
ˈbɛn.də/
noun
1. een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
gäng
noun
1. je eigen benen als vervoersmiddel, te voet gaan, te voet ergens heen gaan
använda apostlahästarna
adjective
2. bekrompen
trångsynt
pronoun
1. een taal die in Bangladesh en West-Bengalen gesproken wordt
bengali
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris tigris
Bengalisk tiger
verb
1. wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft
avundas
adjective
1. dat iets de moeite waard is om benijd te worden
avundsvärd
/
be.ˈnin/, /
ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Benin
/
bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
bensin
verb
1. tot een oordeel komen over iets
bedöma
verb
- 3. beslissend beïnvloeden
avgöra
- 2. vaststellen, voorschrijven, regelen
bestämma
noun
5. woordgroep die een van de delen van een zin nader bepaalt
adverbfras
/
bə.ˈpɛr.kɪŋ/
noun
1. iets dat ervoor zorgt dat de mogelijkheden beperkt worden
begränsning
adjective
1. akkoord gaand, instemmend: bereid tot actie
villig
/
bə'rɛɪkən/
verb
1. fysiek bij de andere kant aankomen
nå
nå fram till
/
ˈberə(n)jɑxt/
noun
1. achter in het wild levende beren aangaan om ze te vangen of te doden
björnjakt
/
bɛrx/
noun
- 2. een grote hoeveelheid
berg
- 1. hoge terreinverheffing
berg
fjäll
adjective
1. met bergen
bergig
noun
1. (fruit) een kleine, peervormige en zure citrusvrucht
bergamott
noun
1. iemand die zich toelegt op het alpinisme
bergsbestigare
noun
1. Tadorna tadorna, een forse bijna gansachtige eend
gravand
pronoun
1. stad in Noorwegen
Bergen
noun
1. een soort geit die leeft op rotsachtige ondergrond in de bergen.
gems
noun
1. een langgerekt gebergte
bergskedja
/
'bɛrxtɔp/, /
'bɛrχtɔp/
noun
1. de top van een berg
bergstopp
noun
1. ziekte veroorzaakt door een tekort aan vitamine B1 (thiamine)
beriberi
noun
1. overgebrachte korte communicatie, meestal over een recente gebeurtenis
meddelande
verb
1. van nieuws voorzien over iets
rapportera
noun
1. vrouwelijk dier van de berenfamilie, Ursidae
björnhona
björninna
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
Berings sund
pronoun
1. is de zee in het noordelijk deel van de Grote Oceaan
Berings hav
verb
1. streng zeggen dat het gedrag wordt afgekeurd
förebrå
/
bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
björk
pronoun
- 1. de hoofdstad van Duitsland
- 2. een duitse deelstaat
Berlin
noun
1. de onverharde kant van een weg
ren
noun
2. een van de drie in de Benelux inheemse modderkruipers, Barbatula barbatula
grönling
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
Bermuda
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Bern
noun
1. Borago officinalis, een kruid dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
gurkört
/
bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
berömd
noun
2. iemand die bekend is bij een groot publiek
celebritet
noun
1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
yrke
noun
1. de plicht om te zwijgen over feiten en gegevens van derden, die iemand bij het uitoefenen van zijn beroep te weten is gekomen
tystnadsplikt
noun
1. dat deel van iemands leven dat te maken heeft met het werk dat men verricht
arbetsliv
adjective
1. in het kader van iemands ambt
yrkesmässig
noun
1. een acute beschadiging van de hersenen die veroorzaakt wordt door een bloeduitstorting in de hersenen
slaganfall
noun
1. een toestel dat rook produceert waarmee de imker zijn bijenvolk rustig kan houden
rökpust
verb
1. iemand met geweld zijn bezit ontnemen
beröva
/
bə.ˈrʏs.tɪŋ/
noun
saktmodighet
/
bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
beryllium
/
bɛs/
noun
1. kleine vrucht
bär
adverb
1. vol met de neiging zich te verbergen voor anderen
skamsen
verb
1. het toebrengen van schade
skada
/
bə.ˈsxa.di.ɣɪŋ/, /
bə.ˈsxa.də.ɣɪŋ/, /
bə.ˈsχa.də.χɪŋ/
noun
2. het beschadigen van iets of iemand bijv. diens reputatie
skadegörelse
/
bə.ˈsxa.vɪŋ/, /
bə.ˈsχa.vɪŋ/
noun
1. de complexe maatschappij waarin veel van de mensen in steden leven en hun voedsel door middel van landbouw verkrijgen
civilisation
/
bə'sxɛi(d)ə/
adjective
- 1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
blygsam
försynt
- 2. niet de indruk makend te hoge verwachtingen van zichzelf te hebben
- 3. niet groots of talrijk
enkel
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
skydda
noun
1. een heilige onder wiens bescherming een bepaalde persoon of groep staat
skyddshelgon
/
bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /
bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
skydd
/
bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
tillgänglig
noun
1.e mogelijkheid om, indien nodig te kunnen beschikken over mensen, diensten of hulpmiddelen
tillgänglighet
adjective
1. onderhevig aan schimmelgroei
möglig
/
bəˈsxɪmələ(n)/
verb
1. aangevreten worden door schimmels
mögla
adjective
1. onder invloed van alcohol
berusad
påstruken
verb
- 1. bekijken als
- 2. denken over
anser
verb
1. in woorden uitdrukken
beskriva
/
bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /
bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /
bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
beskrivning
/
bəˈsxʌldəgə/
verb
1. iemand de schuld geven van iets
anklaga
/
bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /
bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /
bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
anklagelse
verb
2. een paard van een hoefijzer voorzien
sko
noun
- 1. confiscatie
- 3. kleine metalen elementen
beslag
- 2. vloeibaar deeg
smet
noun
1. gerechtelijke handeling waardoor iemand niet meer vrij over zijn eigendom kan beschikken
exekution
adjective
1. niet in staat een besluit te nemen.
obeslutsam
/
bə'smɛtələk/
adjective
1. het vermogen hebbend gemakkelijk van persoon op persoon overgedragen te worden
smittbärande
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
omskära
/
bəˈsnɛidənɪs/
noun
manlig omskärelse
verb
- 1. minder van iets gebruiken of verbruiken
- 2. minder geld uitgeven, bezuinigen
spara
adjective
1. uitermate vreemd
befängd
verb
1. een gesprek over een bepaald onderwerp voeren
diskutera
/
bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
diskussion
verb
1. druppels van een vloeistof ergens over strooien
skvätta
verb
- 1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
- 2.~ uit samengesteld zijn uit bepaalde delen
bestå
noun
1. een verzameling van gegevens die een eenheid vormen
fil
verb
1. iemand iets wederrechtelijk ontnemen
stjäla
verb
1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
beställa
/
bə.ˈstɛ.lɪŋ/
noun
1. een verzoek of opdracht om diensten of goederen te leveren
beställning
noun
1. auto die structureel ingericht is voor het vervoer van goederen
skåpbil
/
bə.ˈstɛ.mɪŋ/
noun
1. het eindpunt van een route
destination
/
bəstɔrmə(n)/
verb
1. met een strijdmacht snel te voet een positie van de vijand trachten te overweldigen
storma
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
operativsystem
/
bəˈstyrdər/
noun
1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
förare
chaufför
noun
1. de zitting waarop de chauffeur van een voertuig zit
förarsäte
adjective
1. niet te duur om te betalen
överkomlig
/
bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
betala
noun
1. iemand die betaalt
betalare
/
bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
betalning
verb
1. met de handen iemands lichaam op verschillende plaatsen aanraken
antasta
verb
- 1. ergens voor staan
- 1. ergens toe doen
betyda
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
betydelse
/
ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /
ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /
ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Betelgeuse
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
Betlehem
noun
1. vader van een overgrootouder
gammelgammelfarfar
verb
1. getuige worden van het feit dat iemand iets (verbodens) doet
ertappa
verb
1. gaan over, als onderwerp hebben
anbelanga
noun
1. een voornaamwoord dat een betrekkelijke bijzin inleidt
relativpronomen
/
bə.ˈtrɛ.kɪŋ/
noun
1. band of relatie tussen personen of groepen
förhållande
verb
1. leedwezen tonen over iets
sörja
/
bətrørən'swardəx/
adjective
1. waard betreurd te worden
beklagansvärd
adjective
- 1. die erbij horen
inblandad
- betrokken zijn bij
inblandad i
/
bə.ˈtraʊ̯.bar.hɛɪ̯ds.ˌɪn.tər.ˌvɑl/, /
bə.ˈtrɔʊ̯β̞.bar.ɦɛːts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/, /
bə.ˈtrʌʊ̯.bar.ɦɛɪ̯ts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/
noun
1. een statistische intervalschatting voor een parameter
konfidensintervall
verb
1. ergens fors op slaan
banka
noun
2. vrucht van de beuk, Fagus sylvatica
bokollon
/
bøːl/
noun
- 2. wreedaard
bödel
monster
- 1. uitvoerder van lijfstraffen
bödel
skarprättare
noun
- 1. het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
börs
- 4. bijeenkomst waar producenten van een bepaald vakgebied meest nieuwe producten tentoonspreiden
mässa
- 2. een houder voor munten en biljetten
portmonnä
börs
/
bøːrt/
noun
1. gelegenheid of opdracht die bewust telkens aan een andere persoon uit en groep gegeven wordt
tur
noun
1. een balkje dat ervoor dient in een supermarkt met een lopende band boodschappen van klanten te scheiden
kassakloss
adjective
1. breed, diep en stromingsarm genoeg om bevaren te worden
segelbar
verb
1. omvatten, in zich sluiten
innehålla
/
bə.ˈvɛɪ̯.lə.χɪŋ/, /
bə.ˈvɛɪ̯.lɪ.ɣɪŋ/, /
bə.ˈvɛː.lə.ɣɪŋ/
noun
1. de genomen maatregelen die er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt
säkerhet
verb
1. een dwingende opdracht geven.
befalla
verb
1. hard en heftig trillen
darra
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
bäver
noun
1. Myocastor coypus, een schadelijk knaagdier, leeft vooral in moerassige omgeving
sumpbäver
verb
1. zeggen dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
bekräfta
/
bə.ˈvɛs.ti.ɣɪŋ(g)/, /
bə.ˈvɛs.tə.ɣɪŋ/, /
bə.ˈvɛs.tə.χɪŋ/
noun
1. het bevestigen, het mededelen aan iemand dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
bekräftelse
/
bə'vuxtɛit/
noun
kompetens
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
befolkning
noun
1. een bepaald deel van de bevolking in een samenleving of gebied
befolkningsgrupp
verb
- 1. een hogere rang verlenen aan iemand
befordra
- 2. aanmoedigen, promoten
främja
adjective
1. de eigenschap bezittend iets te bevorderen
befrämjande
/
bə'vrizə(n)/
verb
1. door afkoeling in vaste toestand komen
frysa
verb
1. iemand of een bevolking van gevangenschap of onderdrukking verlossen
befria
noun
1. persoon die andere bevrijdt
befriare
/
bə.ˈvrɛɪ̯.dɪŋ/, /
bə.ˈvrɛː.dɪŋ/
noun
1. het vrij maken van mensen die gevangen gehouden of onderdrukt worden
befrielse
adjective
1. door afkoeling in vaste toestand gekomen; volledig met ijs bedekt
frusen
verb
1. vuil maken; verontreinigen
smutsa ner
noun
1. handeling waarbij men een goed van een ander ter bewaring aanneemt onder teruggaveverplichting
deposition
verb
1. toezicht houden op de veiligheid van iets of iemand
bevaka
/
bə.ˈwa.kɪŋ/, /
bə.ˈʋa.kɪŋ/, /
bə.ˈβ̞a.kɪŋ/
noun
bevakning
/
bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
1. iemand van wapens voorzien
beväpna
/
bə.ˈweː.ɣə(n)/, /
bə.ˈʋe.χə(n)/, /
bə.ˈβ̞e.ɣə(n)/
verb
1. van plaats veranderen
röra
/
bə.ˈwe.ɣɪŋ(g)/, /
bə.ˈʋe.χɪŋ/, /
bə.ˈβ̞e.ɣɪŋ/
noun
- 1. in de staat verkeren waarin de locatie steeds verandert
- 2. van plaats/positie veranderen
- 3. een organisatie
rörelse
verb
1. iets met stelligheid verklaren waarvan het voor anderen niet duidelijk is of het waar is
påstå
/
bə'wɛrkə(n)/
verb
- 1. veranderen om iets voor een of ander doel geschikt te maken
- 4. iets met een mes anders maken
- 2. een bestand of map wijzigen om voor een ander doel geschikt te maken
bearbeta
/
bə.ˈwɛr.kɪŋ/, /
bə.ˈʋɛr.kɪŋ/, /
bə.ˈβ̞ɛr.kɪŋ/
noun
1. een verandering om iets voor een bepaald doel geschikt te maken
bearbetning
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
bevis
verb
1. aantonen; staven
bevisa
/
bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
molnig
mulen
noun
1. een persoon die iemand bewondert
beundrare
verb
1. bekijken met respect
beundra
adjective
1. wat het verdient bewonderd te worden
beundransvärd
/
bə.ˈwɔn.də.rɪŋ/, /
bə.ˈʋɔn.də.rɪŋ/, /
bə.ˈβ̞ɔn.də.rɪŋ/
noun
1. het bekijken met enig ontzag
beundran
noun
1. iemand die in of op iets woont
invånare
/
[bəˈʋɵst]/
adjective
1. iets waarvan kennis is genomen
medveten
/
bəw'ɤstəlos/
adverb
1. in een toestand waarin men het bewustzijn voor de omgeving is verloren
medvetslös
noun
1. de staat van het bewusteloos zijn
medvetslöshet
/
bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
medvetande
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
kvast
sopkvast
noun
1. de lange stok waaraan de borstel van een bezem bevestigd is
kvastskaft
adjective
1. gedomineerd door de aanwezigheid van...
ockuperad
adjective
1. onder de invloed van een boze geest zijn
besatt
verb
1. in gebruik nemen
besätta
noun
1. iemand die bezet, meer in het bijzonder de bezetter van een overwonnen natie in oorlogstijd
ockupant
/
bə.ˈzɛ.tɪŋ/
noun
1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
ockupation
/
bə.ˈzɪx.ti.ɣɪŋ/, /
bə.ˈzɪx.tə.ɣɪŋ/, /
bə.ˈzɪχ.tə.χɪŋ/
noun
1. het bekijken
besiktning
adjective
1. interessant om naar te kijken
sevärd
noun
1. een plaats die of een voorwerp dat door velen bezocht en bekeken wordt
sevärdhet
/
bezəx/
adjective
1. aan het werken
upptagen
noun
2. het houden van een goed voor zichzelf
besittning
/
bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
äga
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
besittningshavare
noun
1. dat wat iemand in eigendom heeft, dat wat van iemand is
egendom
/
bəˈzukə(n)/
verb
1. bij iemand langsgaan of langskomen
besöka
noun
1. een persoon die iemand of iets bezoekt
besökare
adjective
1. bijzonder dronken
berusad
adjective
1. met zorgen beladen
orolig
adjective
1. met zweet op de huid
svettig
verb
1. tot een afsluiting brengen
avsluta
/
bəˈɪnvludə(n)/
verb
1. iemand of iets proberen te veranderen, invloed nemen op
influera
/
bu.ˈtan/, /
bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
Bhutan
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
skidskytte
noun
1. theologische stroming die de teksten uit de Bijbel zeer letterlijk opvat
bokstavstro
/
ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
bibliotekarie
/
bib(l)ijo'tek/
noun
1. een plaats waar boeken verzameld staan
bibliotek
noun
1.2 spier in de bovenarm
biceps
verb
- 2. dringend iets vragen, smeken
be
- 1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
be
bedja
noun
1. soort van aan de muur bevestigde kom of bak voor het met behulp van water reinigen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet, of om de voeten te wassen
bidé
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Mantodea
bönsyrsa
/
ˈbɪt.stul/, /
ˈbɪt.stuɫ/
noun
bönepall
noun
1. de erkenning van zonden aan een geestelijke
bikt
noun
1. de verplichting om datgene wat de priester tijdens de biecht verneemt geheim te houden
bikthemlighet
noun
1. een meubelstuk dat bedoeld is voor het aanhoren en afleggen van de biecht
biktstol
noun
1. een priester die biechten afneemt
biktfader
noun
1. dunne lap vlees van de bovenbil van een rund
biff
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
öl
/
birbrɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
bryggeri
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om bier uit te drinken
ölglas
/
bis/
noun
4. een smalle en rechte versieringslijn
passpoal
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
gräslök
/
bist/
noun
1. colostrum van koe
råmjölk
noun
rödbeta
beta
sockerbeta
foderbeta
fodersockerbeta
/
bɪx/, /
bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
griskulting
/
bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
bi
phraseologicalUnit
1. in het bijzonder, vooral
par excellence
noun
1. (de heilige tekst van) het heilige boek der christenen
bibel
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
bibeln
bibel
noun
1. bijkomende woordbetekenis
bibetydelse
verb
1. zorgen dat men niet achterblijft bij de voortgang van iets
hinna med
/
ˈbɛːdraʝə/, /
ˈbɛːɪdraɣə/
noun
1. iemands aandeel
bidrag
verb
1. een aandeel leveren
bidra
noun
1. benaming voor veelkleurige en insectenetende vogels die...
biätare
noun
1. kunstmatige behuizing waarbinnen een bijenvolk zijn raten kan bouwen, oorspronkelijk in de vorm van een gevlochten korf
bikupa
/
ˈbɛː.jə(n)ˌteɫt/
noun
1. het houden van bijen
biodling
/
ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /
ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /
ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
skrock
vidskepelse
adjective
1. iemand die gelooft in bijgeloof
skrockfull
vidskeplig
/
bɛɪ̯l/, /
bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
yxa
noun
2. een bestand dat bij een e-mail is meegezonden
bilaga
verb
- 1. toevoegen
- 2. meningsverschil of ruzie oplossen.
bilägga
/
'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
nästan
uppemot
abbreviation
1.
näradödenupplevelse
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
smeknamn
öknamn
/
ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
bita
verb
1. als extra ergens aan toevoegen
bifoga
/
bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /
bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /
ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
adjektiv
noun
1. Artemisia vulgaris, een plant uit de composietenfamilie Asteraceae
gråbo
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
till exempel
exempelvis
/
bɛiʋɛrkɪŋ/
noun
biverkning
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
adverb
adjective
1. alleen van dichtbij scherp kunnen zien
kortsynt
/
bɛizɪn/
noun
1. een deel van een uiting dat een ondergeschikte rol speelt ten opzichte van de hoofdzin
bisats
inbäddad sats
noun
1. tweedelige zwemkleding voor de vrouw
bikini
noun
1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
skinka
noun
1. gladde, massieve en vrijwel perfect bolvormige bal gebruikt in het biljartspel
biljardboll
noun
1. een stuk van staatswege uitgegeven papier waaraan geldswaarde is toegekend
sedel
cardinalNumeral
1. 1.000.000.000.000
biljon
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
bolmört
verb
1. vastmaken (evt. figuurlijk)
binda
noun
1. en 2. (bladeren van) sla met een stevige rechte krop
romansallat
noun
1. een slijmvlies dat de sclera en de binnenste zijde van de oogleden bedekt
bindhinna
/
ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
bindväv
interjection
1. een uitroep gebruikt door spelers van bingo om aanspraak te maken op een overwinning
bingo
/
ˈbɪnənˌbɑnt/
noun
1. binnenste band, de band waarin de lucht aanwezig is
innerslang
verb
1. ergens in gaan
inträda
adverb
1. binnen afzienbare tijd
inom kort
noun
1. een deel van een land dat ver van kust of grens gelegen is
hemland
noun
1. een open ruimte omringd door gebouwen, vaak tussen voor- en achterhuis
gård
adjective
1. met meest aan de binnenkant gelegen
innerst
/
ˈbɪnə(n)ˌstɑt/
noun
1. een, meestal oud, stadscentrum
innerstad
/
'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
biokemi
/
ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
biodiversitet
biologisk mångfald
noun
1. levensbeschrijver
levnadstecknare
/
ˌbiʲoloˈɣi/, /
ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
biologi
/
ˌbijo'loːɣis/
adjective
- 1. te maken hebbend met de biologie
- 2. van gelijke afstamming
biologisk
/
ˌbioˈlox/, /
ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
biolog
noun
2. verzameling technieken gericht op het meten en vaststellen van alle meetbare eigenschappen van levende wezens
biometri
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
biograf
noun
1. een gebied met een uniform landschapstype waarin bepaalde organismen kunnen gedijen
biotop
/
bis/
noun
1. verhoogde toon b
hiss
noun
1. middelgroot waterbewonend zoogdier
bisam
/
ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
stift
biskopsdöme
/
bisɛksye:l/
adjective
1. seksueel gericht op beide geslachten
bisexuell
pronoun
1. streek en provincie van Spanje rond de stad Bilbao
Biscaya
/
bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
biskop
/
bɪt/
abbreviation
1. in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
bit
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
bitter
besk
/
ˈbɪtərkrœʏt/
noun
1. naam voor planten uit het geslacht Picris
strävfibblor
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in schoon stilstaand of langzaam stromend water Rhodeus amarus
bitterling
noun
1. een viskeuze vloeistof die van nature voorkomt als de minst vluchtige fractie van ruwe aardolie
bitumen
/
ˈbivɑk/
noun
1. kampement voor een leger of expeditie
bivack
noun
1. muts die tot onder de kin doorloopt met openingen om door te kijken en te ademen
rånarluva
noun
1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
blåsa
noun
1. een luchtzak die samengedrukt kan worden om een sterke luchtstroom te veroorzaken
blåsbälg
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
blåsinstrument
noun
- 1. plat, groen onderdeel van planten
- 2. vel papier
blad
löv
noun
1. een deegsoort die in rechthoekige plakken wordt gebruikt
smördeg
adjective
zonder bladeren
bladlös
noun
1. een dun folie van goud dat wordt gebruikt voor decoratieve doeleinden
bladguld
/
blɑt'xrun/
noun
klorofyll
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
bladlus
noun
- 1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
- 2. bewaarde hyperlink
bokmärke
/
ˈblɑtsɛidɚ/
noun
1. elk van de beide zijden van een blad papier in boek, krant of tijdschrift
sida
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
skälla
noun
1. een afgang veroorzaakt door eigen falen
blamage
verb
1. het gedurende zeer korte tijd in kokend water gaar laten worden van voedingsmiddelen, zodat geur, smaak en uiterlijk optimaal behouden blijven
blanchera
/
blɑŋk/
adjective
1. met lichte huidskleur
vit
noun
1. iemand met een van nature bleke (pigmentarme) huid
vit
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Rutilus rutilus
mört
/
ˈblatə(n)/
verb
het geluid van een schaap maken
bräka
/
blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
blå
/
blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
blå
blått
noun
1. bepaald soort visje van maximaal 11 cm dat van oorsprong uit Azië komt, Pseudorasbora parva
bandslätting
noun
1. bepaald soort lijsterachtige, Luscinia svecica
blåhake
/
blɑudrʏk/
noun
1. een directe fotografische kopie in witte lijnen op een achtergrond van Pruisisch blauw
blåkopia
noun
1. Vaccinium corymbosum, een plant uit de heifamilie Ericaceae
amerikanskt blåbär
noun
1. bepaald soort vaste plant, Vaccinium myrtillus
blåbär
noun
1. witte kraaiachtige met lavendelblauw verenkleed op de rug en kop Cyanocitta cristata
blåskrika
noun
1. bepaalde soort roofvogel uit de familie van de arendachtigen, Circus cyaneus
blå kärrhök
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
gråhäger
häger
noun
1. Balaenoptera musculus, een baleinwalvis, de grootste van alle walvisachtige
blåval
noun
1. bepaald soort vaste plant, Eryngium maritimum
martorn
/
ˈblɑuɣrɛis/
adjective
blågrå
/
ˈblʌʊəχ/, /
ˈblʌːβ̞əx/
adjective
2. op blauw lijkend
blåaktig
noun
1. bepaald soort karperachtige riviervis Vimba vimba
vimma
adjective
1. met blauwe ogen
blåögd
/
'bla.zə(n)/, /
'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
blåsa
adjective
1. gering van kleur
blek
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Alyssum alyssoides
grådådra
noun
1. ontsteking van een ooglid
blefarit
verb
1. witter of lichter doen worden
bleka
noun
1. een aangename stemming
glädje
/
ˈblɛɪ̯ɦɛɪ̯t/, /
ˈblɛːɦɛːt/
noun
1. een positieve stemming
munterhet
/
blɛ.və(n)/
verb
- 1. niet veranderen
förbli
densamme
- 3. ergens vertoeven
släntra
noun
- 1.1 vertind dun plaatstaal
bleck
- 2.1 cilindervormig luchtdicht afgesloten vaatje van dun metaal
konserv
konservburk
/
blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
blixt
noun
1. een metalen stang of constructie die de bliksem aantrekt en naar de grond afvoert.
åskledare
noun
1. iets dat bedoeld is om sterk de aandacht te trekken
blickfång
adjective
1. niet in staat te zien
blind
synskadad
noun
1. over de ogen gebonden reep ondoorzichtige stof om het zien te verhinderen
ögonbindel
/
'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
blindhet
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
blod
noun
1. het gesloten systeem van hart en vaten waardoor bloed stroomt
blodomlopp
noun
2. afgestaan bloed
blodgivning
adjective
1. vooral van de ogen dat er bloedvaatjes op het oogwit te zien zijn (door huilen, ouderdom of ontsteking)
blodsprängd
verb
1. het vloeien van bloed
blöda
adjective
1. bijzonder warm, met name van weersgesteldheid.
stekhet
noun
1. Brits hondenras met grote kop, lange hangende oren en een lange staart
blodhund
noun
1. de vloeistof van het bloed waar geen bloedlichaampjes meer in zitten maar nog wel stollingseiwitten
blodplasma
noun
1. onderzoek van bloed met name naar de aanwezigheid van alcohol of drugs
blodprov
adjective
1. rood als de kleur van bloed
blodröd
noun
1. een bloedader
blodkärl
noun
vergiftiging door ziekteverwekkende bacteriën in het bloed
blodförgiftning
noun
1. het genetisch aan elkaar verwant zijn
blodsfrändskap
/
'blutʋɔrst/
noun
1. vleeswaar vervaardigd van het bloed en het vet van een varken
blodkorv
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
blodigel
verb
1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen
blomma
noun
- 1. een deel van plant met zaden
blomma
blomster
- 2. fijngemalen poeder, meestal van granen
mjöl
noun
- 1. bloemenverkoper
- 2. bloemenkweker
florist
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
blomkål
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
blomkruka
/
blusəm/
verb
1. het bloemengeheel van een vruchtboom
blom
noun
- 1. een vaak hoekig massief stuk materiaal
- 3. een onderdeel van een fluit
block
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
blockflöjt
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
hyvel
/
blɔnd/, /
blɔnt/
adjective
1.
blond
ljus
/
blɔnˈdiːnə/
noun
1. blond meisje, blonde vrouw
blondin
noun
1. cocktail van wodka en tomatensap
bloody mary
verb
1.in aanraking doen komen met
exponera
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
rodna
/
blʏf/
noun
1. poging tot intimidatie
bluff
noun
1. een onverwacht domme, vaak erg publieke, daad die meestal iemands geloofwaardigheid aantast
groda
verb
1. het doven van een brand
släcka
noun
1. het blussen (van een brand)
släckningsarbete
noun
1. activiteiten van de brandweer om het vuur van een brand te doven
släckningsarbeten
/
blɵt/
adjective
1. geen geld meer hebbend
pank
verb
- 2. blaten
bräka
- 1. heel hard huilen
gallskrika
noun
1. zeer grote wurgslang
boa
verb
1. een sport waarbij een bochtig ijsparcours wordt afgelegd in een bestuurbare slee
rodel
noun
- 1. gebogen weg of pad
kurva
- 2. een brede baai aan de kustlijn
vik
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Budapest
noun
1. volger van de leer van Boeddha
buddhist
noun
1. de voorkant van een schip
bog
noun
1. een beeld dat ter versiering aangebracht werd op de voorsteven van een schip
galjonsfigur
noun
1. een geleider voor kabel of touw
halkip
verb
1. voortslepen door een of meer (andere) schepen
bogsera
noun
1. uitstekend rondhout aan de voorsteven van een zeilschip
bogspröt
noun
1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
boj
/
bujə(n)/
verb
- 1. kluisteren
fjättra
- 2. fascineren
fängsla
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
bok
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Bukarest
/
ˈbuɡdel/
noun
1. drukwerk dat zoveel bladzijden heeft dat het in aparte band kan worden gebonden, maar waarvan de inhoud onderdeel is van een groter werk
band
noun
1. de in de 15de eeuw ontwikkelde kunst om teksten door middel van een drukpers te vermenigvuldigen
boktryckarkonst
/
ˈbukən/
verb
1. reserveren van bijvoorbeeld een hotelkamer
boka
/
ˈbu.kə.ˌkɑs/, /
ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
bokhylla
bokskåp
noun
1. hulpmiddel dat ervoor zorgt dat boeken rechtop blijven staan op een niet geheel gevulde boekenplank
bokstöd
noun
1. boekwinkel
bokhandel
noun
1. iemand die de inkomsten en uitgaven van een organisatie bijhoudt
bokhållare
noun
bijhouden van gegevens
bokföring
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van boek
liten bok
noun
1. en 2. (gepelde zaden van) plant Fagopyrum esculentum
bovete
noun
fijn gemalen zaden van boekweit
bovetemjöl
noun
1. geplette granen van Fagopyrum esculentum
boveteflingor
/
ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /
ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /
ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
bokhandel
noun
1. een gebogen werpstok die de neiging heeft terug te keren naar de werper
bumerang
/
buːr/
noun
- 1. landbouwer
bonde
- 4. speelkaart
knekt
noun
- 1. een woning met bedrijfsruimte van een boer
bondgård
- 2. een onderneming van een boer
gård
bondgård
/
buːrən/
verb
3. een boer laten
rapa
/
burə'kol/
noun
1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
grönkål
noun
1. de klasse van de boeren
allmoge
noun
1. bepaald soort samengesteldbloemige plant Tanacetum vulgare
renfana
/
ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
ladusvala
noun
1. het gehele lichaam, inclusief gezicht en ogen, verhullend gewaad gedragen door (streng) islamitische vrouwen
burka
verb
1. straf ondergaan
plikta
/
bɔf/
noun
2. ziekte
påssjuka
parotit
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
Böhmen
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
bohrium
noun
1. mannelijke geit
bock
/
ˈbɔkə(n)/
verb
2. (van paarden) de achterhand in de lucht gooien
bakut
noun
1. gerookte en gezouten haring
böckling
pronoun
1. meest gebruikte schrijfwijze van het Noors
bokmål
noun
1. een gevechtswapen bestaande uit een stuk ijzer dat men gebruikt om mee te slaan
knogjärn
noun
1. een tactische vechtsport
boxning
noun
1. handschoen gedragen tijdens het boksen
boxhandske
boxningshandske
noun
straalvinnige vis (Boops boops) uit de familie van zeebrasems
oxögonfisk
noun
1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
sfär
glob
noun
1. een helder oplichtend bolvormig object met een diameter van maximaal 40 centimeter, dat soms waargenomen wordt in de buurt van een blikseminslag en dan gedurende meerdere seconden zichtbaar is
klotblixt
noun
1. bolder
förtöjningspåle
noun
1. Agrostemma githago
klätt
noun
1. een vierwielige ongemotoriseerde bak die wordt voortgetrokken aan een hendel vooraan
barnskrinda
noun
1. hoed
kubb
plommonstop
noun
1. een bolvormige groep sterren zoals die in galactische halo's kunnen worden aangetroffen
klotformade
/
boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
Bolivia
pronoun
1. een stad in Italië
Bologna
noun
1. lid van een factie van de marxistische Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (RSDAP) die zich ...
bolsjevik
/
bɔm/
noun
1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
bomb
noun
1. beschieting met bommen, het werpen van bommen
bombardemang
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
bombardera
bomba
noun
1. een brief die explodeert wanneer men hem opent
brevbomb
noun
1. een mededeling dat er een bom gaat ontploffen
bombhot
bombalarm
noun
1. een militair vliegtuig dat is ontworpen voor het werpen van bommen op gronddoelen
bombflyg
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Bonaire
noun
1. een andere macht waarmee een afspraak gemaakt is aan dezelfde zijde te zullen strijden
bundsförvant
noun
1. Pan paniscus, een mensaap, staat samen met de chimpansee van alle diersoorten...
dvärgschimpans
bonoboapan
/
bɔnt/
adjective
1. met veel verschillende felle kleuren
brokig
noun
1. bepaalde vogelsoort uit de familie van plevieren, Charadrius hiaticula
blåhake
noun
1. hoofddeksel
pälsmössa
noun
1. overgebracht bericht
budskap
meddelande
bud
noun
(huishouden) lijst waarop staat welke inkopen gedaan moeten worden
inköpslista
noun
1. een tas waarin men de boodschappen kan doen bij het winkelen
kasse
/
ˈbotsxɑpər/
noun
1. berichtenoverbrenger
budbärare
bud
noun
- 2. cirkelboog
- 3. deel van bouwwerk
båge
- 1. wapen
båge
pilbåge
noun
1. een sport waarbij pijlen worden weggeschoten naar een doel met behulp van een boog
bågskytte
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
Skytten
noun
1. iemand die schiet met een boog
bågskytt
noun
1. meerjarige plant met houten stam
träd
/
ˈbom.blɑʊ̯.cə/, /
ˈbom.blɔʊ̯.tʲə/
noun
1. bepaald soort dagvlinder, Celastrina argiolus
tosteblåvinge
noun
1. een stuk grond met vruchtbomen
fruktträdgård
/
ˈbom.ɣrɛns/, /
ˈbom.χrɛns/
noun
1. een grens waarboven geen bomen meer groeien
trädgräns
noun
1. Bombus hypnorum, vrij grote soort hommel
hushumla
noun
1. Hyla arborea, klein kikkertje dat zich in bomen en heesters kan begeven
lövgroda
noun
1. bepaald soort vogeltje, Sitta europaea
nötväcka
/
ˈbom.kɵn.də/, /
ˈbom.kʏn.də/
noun
dendrologi
/
ˈbom.leː.β̞əˌrɪk/, /
ˈbom.lɪː.β̞əˌrɪk/
noun
1. een vogelsoort die inheems is in Nederland en België
trädlärka
/
ˈbom.mɑr.tər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes martes
mård
/
ˈbom.mes.tər/
noun
1. een persoon die de slagboom naar de haven beheert en havengelden in ontvangst neemt
hamnkapten
/
ˈbo.mɛs/
noun
1. een groot mes om bomen mee te schillen
bandkniv
/
ˈbom.pi.pər/
noun
1. een vogelsoort die inheems is vrijwel geheel europa
trädpiplärka
/
ˈbom.sxɔrs/, /
ˈbom.sχɔrs/
noun
1. het dode buitenste deel van de bast van een boom
bark
/
ˈbom.slɑk/
noun
1. een veelvoorkomende Europese slak
fläcklundsnäcka
/
'bomslɑŋ/
noun
2. bepaald landdier zonder poten Dispholidus typus
boomslang
noun
1. een rechtop gaande houten schacht van een boom
stam
noun
1. kleine sierlijke valk, familie van de torenvalk, Falco subbuteo
lärkfalk
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
böna
noun
B. chemisch element en een zwart metalloïde
bor
/
bɔːrt/
noun
1. het dek van een schip
bord
/
ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
borrmaskin
noun
1. hoge boorinstallatie
borrtorn
/
boʊs/, /
boːs/
adjective
1. kwaad, woedend
arg
/
boʊt/, /
boːt/
noun
1. klein vaartuig
båt
/
ˈbotsxun /
noun
1. een lichte soort van schoenen van zacht leer, ontwikkeld naar het voorbeeld van Indiaanse mocassins
seglarsko
noun
1. een rang gelijk aan sergeant bij de marine en de hoogste onderofficier bij de koopvaardij
båtsman
noun
1. zout van boorzuur met de chemische formule BO₃3−
borat
/
bɔRd/, /
bɔrt/
noun
- 2. Vlak voorwerp aan een muur
svarta tavlan
- [1] Schijfvormig voorwerp
tallrik
noun
1. een huis waarin tegen betaling seksuele diensten worden aangeboden
bordell
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
brodera
noun
1. weefselversiering aangebracht met naaldwerk
broderie
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
borra
noun
1. iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag
borgensman
noun
1. overeenkomst waarbij een borg zich garant stelt
borgen
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
bor
noun
- 1. bovenste deel van de voorkant van de romp van mens of dier
bröst
- 2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
bröst
barm
bringa
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
bröstben
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
borste
noun
1. geraamte van de borst
bröstkorg
noun
1. ingreep waarbij de vrouwenborst operatief wordt vergroot
bröstförstoring
noun
1. een groep bomen
skog
noun
1. Calopteryx virgo, een bepaald soort van de beekjuffers.
blå jungfruslända
noun
- 2. plant Vaccinium myrtillus
blåbär
- 1. en 3. plant, en bessen, uit geslacht Vaccinium
blåbärssläktet
odonsläktet
/
ˈbɔsbɑuw/
noun
1. het systematisch bosbeheer (teelt en verzorging van bossen) voor de productie van hout
skogsbruk
noun
1. brand van of in een bos
skogsbrand
noun
1. bepaald soort knaagdier, Apodemus sylvaticus
skogsmus
/
ˈbɔsnis/, /
ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
bosniska
/
ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /
ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /
ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
Bosnien och Hercegovina
pronoun
1. zeestraat tussen de Zee van Marmara en de Zwarte Zee
Bosporen
noun
1. jonge, onvolgroeide geboste ui met blad
salladslök
vårlök
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
kattuggla
noun
1. een beheerder van een boswachterij
jägmästare
noun
1. bepaald soort loofboom Salix caprea
sälg
noun
- 3. onderdeel van het skelet
ben
- 1. platvis
flundra
skrubbskädda
/
ˈbɔtbrøk /
noun
1. een onderbreking van een bot
benbrott
/
ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
smör
noun
1. een aantal planten uit het geslacht Ranunculus behorende tot de familie Ranunculaceae
smörblomma
noun
1. CH₃(CH₂)₂COOH
smörsyra
/
ˈbɔt.sə(n)/
verb
1. met een flinke snelheid tegen elkaar aankomen
kollidera
krocka
/
ˈbɔt.sɪŋ/
noun
1. het botsen
kollision
/
bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /
bɔts.ˈʋa.na/, /
bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
Botswana
noun
1. het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
tändstift
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
buljong
noun
psychologische toestand waarin een persoon terugkerende eetbuien heeft
bulimi
adjective
1. op Bourgondië betrekking hebbend
burgundisk
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Bourgogne
noun
2. stuk vlees, meestal een poot
bog
/
ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
bygga
uppföra
anlägga
förfärdiga
uppresa
upprätta
noun
1. (wetenschap)
byggteknik
/
ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
uppe
noun
1. het bovenste gedeelte van de arm tussen de schouder en de elleboog
överarm
/
bovənˈdin/
adverb
1. op de koop toe, daarenboven
dessutom
adjective
1. behorende tot een orde van dingen die buiten het menselijke ligt
övernaturlig
noun
1. een sport waarbij de speler door middel van een bowlingbal moet proberen om alle tien de pins omver te gooien
bowling
verb
1. iemand uitsluiten, niet meer willen werken voor, leveren aan of kopen bij
bojkotta
noun
2. werktuig om vlas of hennep te braken of te kneden.
bråka
noun
1. struik & 2. vrucht
björnbär
/
ˈbramslœʏpər/
noun
1. bepaald soort zangvogel, Sylvia curruca
ärtsångare
verb
1. vlees bereiden door het in vet te verhitten
steka
/
ˈbrɑnd/, /
ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
brand
/
ˈbrɑntbəˌstrɛidɪŋ/
noun
1. vuur dat schade aanricht tegengaan
släckningsarbeten
verb
1. verteerd worden door vuur
bränna
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
Brandenburg
noun
1. een soort sterke drank
brännvin
noun
1. bepaald soort gans, Branta leucopsis
vitkindad gås
noun
1. hout dat gebruikt wordt om te verbranden
brasved
/
ˈbrɑntkran/
noun
1. aansluitpunt voor een brandslang aan het waterleidingnet
brandpost
verb
- 1. (vee) merken door het inbranden van een teken
- 2. stigmatiseren
brännmärka
noun
2-3. een harige plant die bij aanraking een brandend gevoel en zwelling veroorzaakt
brännässla
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
mordbrännare
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
bränsle
noun
een elektrochemisch toestel
bränslecell
noun
1. lid van de brandweer
brandman
brandsoldat
noun
1. lid van de brandweer
brandsoldat
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
braxen
/
braˈʃɛːrə/
noun
1. dameskledingstuk
behån
noun
1. Portugees zoals dat in Brazilië gesproken en geschreven wordt
brasiliansk portugisiska
/
braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
Brasilien
/
ˈbred.bɑnd/, /
ˈbred.bɑnt/
noun
1. een internetverbinding met een hoog debiet
bredband
adjective
1. breed van borst en schouders, breedgebouwd
bredaxlad
noun
1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
bredd
noun
1. cirkel van gelijke geografische breedten
latitud
noun
1. stevige metalen stang, meestal voorzien van een gespleten einde, de koevoet, gebruikt om zaken open te breken.
kofot
bräckjärn
/
ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
sticka
/
brɛi̯n/
noun
1. orgaan
hjärna
/
ˈbrɛɪ̯nald/, /
ˈbrɛɪ̯naɫt/, /
ˈbrɛːnalt/
noun
1. een naald die gebruikt kan worden bij het breien
sticka
verb
- 1. in stukken uiteenvallen
- 5. in stukken uiteen doen vallen
bryta
/
ˈbrɛŋ.ə(n)/
verb
1. ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
bringa
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
Bretagne
noun
1. broekophouder
hängsle
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
bretonska
bretagniska
bretagnska
noun
1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
bråk
noun
1. mogelijk vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie
brexit
noun
- 1. een spel gespeeld door vier spelers, verdeeld in twee paren en gespeeld in dertien slagen
- 2. de kam van een elektrische gitaar
bridge
noun
1. verzonden geschreven boodschap
brev
noun
brevs konfidentialitet
noun
1. tekst bovenaan een brief met gegevens van de afzender en de geadresseerde en de datum van verzending
brevhuvud
noun
1. een korte brief in de vorm van een kaart
brevkort
noun
1. een doorgaans sierlijk mesje dat men gebruikt om briefomslagen met te openen
brev öppnare
brevöppnare
noun
brevpapper
skrivpapper
/
bris/
noun
1. zachte frisse wind
bris
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
glasögon
/
ˈbrɪl.beːr/, /
ˈbrɪɫ.beːr/, /
ˈbrɪɫ.bɪːr/
noun
1. een beer met grote cirkels rond de ogen, als een bril
glasögonbjörn
noun
1. Bucephala clangula, een vogel uit de familie Anatidae
knipa
adjective
1. buitengewoon slim
briljant
noun
1. slijpvorm voor onder andere diamant
briljant
/
brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
brittisk
pronoun
Brittiska Jungfruöarna
/
ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
broccoli
/
'bru.də(n)/
verb
1. een gelegd ei met lichaamswarmte warm houden
ruva
häcka
/
brudər/
noun
1. een broer
broder
noun
1. moord van de ene broer op een andere broer, ook figuurlijk gebruikt
brodermord
noun
- 1. kerkelijk goedgekeurde vereniging
- 1. vriendschappelijke betrekking als tussen broers
broderskap
noun
1. bouwsel met glazen wanden voor het opkweken van gewassen
växthus
drivhus
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
byxor
byxa
/
bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
bror
broder
noun
1. zijdeweefsel met ingeweven, meestal grote figuren, vaak met goud- of zilverdraad doorweven
brokad
noun
- 1. daar waar men informatie vandaan haalt
- 2. begin van een waterloop
källa
adjective
1. met betrekking tot de luchtpijp-takken
bronkial
noun
1. ontsteking van de luchtpijptak
bronkit
luftrörskatarr
noun
1. water dat uit de grond is gehaald, gebruikt als drinkwater of geneeskrachtig water
källvatten
/
broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
bröd
noun
1. boom Artocarpus altilis
brödfruktträd
noun
2. klein brood, vaak versierd, belegd of in een speciale vorm, voor één persoon
bulle
verb
1. (bier) brouwen
brygga
noun
1. iemand die bier maakt om te verhandelen
bryggare
/
brɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
bryggeri
/
brʏx/, /
brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
bro
brygga
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
Brygge
/
brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
brud
noun
1. man die in het huwelijk treedt
brudgum
noun
1. jurk gedragen door een bruid
bröllopsklänning
brudklänning
noun
1. De twee mensen die met elkaar in het huwelijk treden
brudpar
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
hemgift
noun
1. huwelijks-, trouwfeest
bröllopsfest
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
brun
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
brun
/
ˌbrœʏnəˈbeːr/
noun
1. Ursus arctos, een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt.
brunbjörn
noun
1. hemellichaam met een massa tussen die van een gasreus en een ster, onvoldoende voor kernfusie tussen protonen
brun dvärg
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis Ameiurus nebulosus
brun dvärgmal
dvärgmal
noun
1. bepaald soort roofvogel, Circus aeruginosus
brun kärrhok
brun kärrhök
noun
1.
spetsfläckad trollslända
noun
1. grijsbruin knaagdier met een kale geringde staart Rattus norvegicus
brunråtta
adjective
1. met bruine haren.
brunhårig
brunett
noun
1. lid van de SA in Nazi-Duitsland
brunskjorta
/
ˈbrœʏnəχ/, /
ˈbrœːnəx/, /
ˈbrœːnɪx/
adjective
2. op bruin lijkend
brunaktig
/
ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
tumlare
marsvin
/
bry.ˈnɛɪ̯/, /
bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
Brunei
noun
1. een vrouw met (donker)bruin (of zwart) haar en soms ook met een donkere gelaatstint
brunett
/
brʏs/
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders (zonder de connotatie met zorg)
syskon
pronoun
1. de hoofdstad van België
Bryssel
adjective
- 3. vrijpostig
fräck
- 2.
oförskämd
noun
bruttonationalprodukt
adjective
1. nietsontziend en gewelddadig
brutal
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
moms
adjective
1. met betrekking tot een budget, begroting
budget
/
'bɵfəl/
noun
1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
buffel
noun
3. tijdelijk geheugen in rekenmachines...
buffert
/
ˈbyfɛt/
noun
- 1. meubelstuk waarin men tafelgoed en -zilver opbergt
- 2. toonbank waarop allerlei etenswaar ligt die men kan bekomen of zelf pakken
buffé
/
ˈby.χəɫ/, /
ˈbyː.ɣəl/
noun
1. een koperen blaaasinstrument.
flygelhorn
noun
1. zoogdier dat het jong in een buidel draagt
pungdjur
/
bœʏ̯χə(n)/, /
bœːɣə(n)/
verb
- 3. een buiging maken, zich buigen
bocka sig
buga sig
- 1. krom maken
böja
kröka
- 2. krom worden
krokna
buga
noun
1. nijging als beleefde groet
bockning
noun
1. spier die zorgt dat het tussenliggende gewricht buigt
böjmuskel
/
bœʏ̯k/, /
bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
mage
buk
/
ˈbœʏ̯k.pɛɪ̯n/, /
ˈbœːk.pɛɪ̯n/, /
ˈbœːk.pɛːn/
noun
1. pijn in de buik
magsmärta
noun
1. buikspier
magmuskel
noun
1. grote zeef voor het zeven van meel
mjölsikt
noun
1. de meest voorkomende vorm van pest en wordt veroorzaakt door de
böldpest
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
rör
noun
2. buisklokken
rörklockor
/
ˈbœʏ̯tə(n)/, /
ˈbœːtə(n)/
adverb
ut
adjective
1. niet binnen het raamwerk van het huwelijk
utomäktenskaplig
noun
1. ieder land buiten het eigene
utomlands
/
ˈbœytə(n)lɑndər/
noun
1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
utlänning
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
utländsk
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
ormvråk
/
ˈbɵkən/
verb
1. het lichaam geheel vooroverbuigen om bij iets lagers te komen
bocka sig
noun
1. een stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken...
bulldogg
/
bɵɫˈγ̊aːrs/
adjective
1. met betrekking tot Bulgarije of de Bulgaarse taal
bulgarisk
/
bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
bulgariska
bulgarisk
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
Bulgarien
noun
1. gestoomde, daarna gedroogde en vervolgens grof gemalen of gebroken tarwekorrels, meestal durumtarwe
bulgur
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
bandschaktare
/
ˈbʏltrʏx/
noun
1. benaming voor een van de grotere baardwalvissen met lange borstvinnen
knölval
noun
1. stootstang
stötfångare
noun
1. zijdelings bijeengehouden verzameling langwerpige voorwerpen
bunt
noun
1. zwaar versterkte verdedigingsstelling
bunker
noun
1. gasbrander met regelbare luchttoevoer die men gebruikt in een laboratorium
bunsenbrännare
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela putorius
iller
noun
- 2. een (politie)kantoor
kontor
- 1. een werkmeubel voor administratief- en studiewerk
skrivbord
noun
1. een stoel die ontworpen is om in een kantooromgeving gebruikt te worden
kontorsstol
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
borgmästare
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Burgenland
noun
1. inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
medborgare
/
ˈbʏrɣərlək/
adjective
1. tot de burgers behorend, tot de middenstand behorend
borgerlig
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
inbördeskrig
noun
1. een recht dat men geniet als staatsburger van een land
civilrätt
noun
1. een recht dat men geniet als staatsburger van een land
medborgerliga rättigheter
civila rättigheter
noun
1. edelman
borggreve
vicomte
/
bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /
bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
Burkina Faso
/
bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
Burundi
/
bɵs/
noun
1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
buss
noun
1. iemand die beroepsmatig reizigers vervoert in een bus
busschaufför
/
ˈbʏshɑltə/, /
ˈbʏshɑɫtə/
noun
1. een plek waar een bus stopt
busshållplats
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
krut
/
ˈbʏsɔŋɣəˌvɑl/
noun
1. verkeersonɡeluk waarbij een tourinɡcar of een lijnbus is betrokken
bussolycka
noun
- 1. boezem
- 2. borstbeeld
byst
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
behå
bysthållare
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
butternutpumpa
noun
1. een man naast wie men woont
granne
noun
- 1. een (deel van een) wijk
kvarter
- 2. de nabijheid
närhet
noun
1. vrouw woonachtig in het belendende huis
granne
/
ˈbɛːtaˌdeltʲə/
noun
betapartikel
/
ˌkɑbɑˈrɛ(t)/
noun
1. een kleinkunst, vermaak met toneel, zang, dans, en voordracht
kabaré
/
kakaˈoː/, /
kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
kakao
choklad
/
kɑˈkʌʊbom/
noun
1. een boom waarvan uit de vruchten de cacao wordt gewonnen
kakaoträd
noun
1. een poederachtige substantie die wordt verkregen door het uitpersen van de cacaomassa van cacaobonen
kakaopulver
noun
1. een vetplant met stekels
kaktus
noun
1. een stekelige vrucht van de Opuntia
kaktusfikon
/
kaˈdoː/
noun
1. iets dat men aan iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
gåva
present
noun
1. als geschenk gegeven bon, die recht geeft op aankoop tot het bedrag dat op de bon vermeld wordt
presentkort
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
kadmium
noun
1. een eenvoudige eetgelegenheid, waar men een snelle hap kan nuttigen
fik
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
koffein
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar men dranken kan nuttigen
café
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
kalcium
/
kɑlkʏˈlatɔr/
noun
1. machine
kalkylator
räknare
verb
1. rekenen
beräkna
räkna ut
noun
1. fijn katoenen weefsel
kalikå
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
californium
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten. De staat grenst aan de Pacifische Oceaan en aan de Mexicaanse deelstaat Baja California, alsmede aan de Amerikaanse deelstaten Nevada, Oregon en Arizona.
Kalifornien
pronoun
- 1. nimf uit de Griekse mythologie
- 2. een van de vier grote manen van Jupiter
Callisto
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
kalori
noun
1. gereformeerde substroming binnen het Christendom waarin o.a. het voorbestemd zijn centraal staat
kalvinism
/
kɑm.ˈbɔ.dja/, /
kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
Kambodja
/
ˈkɑmbrijʏm/
noun
kambrium
/
ˈkaməˌra/
noun
1. een apparaat om beelden mee te registreren
kamera
/
kɑmuflerən/
verb
1. een voorwerp onopvallend maken
kamouflera
/
ˈkɑmpɪŋ/, /
ˈkɛmpɪŋ/
noun
1. een terrein met voorzieningen om te kamperen
campingplats
/
ˈkɑmpʏs/
noun
1. universiteitsterrein
campus
/
ˈka.na.da/, /
ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
Kanada
noun
1. bewust vervalst nieuwsbericht; valse hype
tidningsanka
pronoun
1. de federale hoofdstad van Australië, gelegen in het Australisch Hoofdstedelijk Territorium
Canberra
noun
1. schimmelziekte van huid en slijmvliezen
candidiasis
/
'ka.nɔn/
noun
1. de strengste vorm van een meerstemmige compositie, waarin de stemmen elkaar in de tijd verschoven imiteren
kanon
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Kantabrien
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. cantalupensis
nätmelon
/
ˌkɑntaˈrɛɫ/
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak, Cantharellus cibarius
kantarell
adjective
1. rubber
kautschuk
noun
1. mogelijkheid om iets te bevatten
kapacitet
/
ˌkapiˈbaːra/
noun
1. Hydrochoerus hydrochaeris, een groot knaagdier...
capybara
/
ˌka.pɪ.la.ri.ˈtɛɪ̯t/
noun
kapillärkraft
noun
1. internationaalrechtelijke verklaring dat een partij de strijd tijdens een oorlog opgeeft
kapitulation
/
kapu'ɪ:ra/
noun
1. een dans- en vechtsport afkomstig uit Brazilië
capoeira
noun
1. kopje koffie dat uit gelijke delen espresso, melk en melkschuim bestaat
cappuccino
noun
2.een omhulsel, veelal van gelatine met een medicijn erin
kapsel
/
ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /
ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
huva
kapuschong
noun
1. bepaald soort zoogdier, Profelis caracal
ökenlo
/
karákas/
pronoun
1. de hoofdstad van de Zuid-Amerikaanse staat Venezuela
Caracas
noun
1. kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonst
husvagn
noun
1. carbidgas/acetyleen
acetylen
noun
1. een organische verbinding die de functionele groep -COOH bezit
karboxylsyra
noun
1. toestel dat vloeibare brandstof (bv. benzine) in fijn verdeelde toestand vermengt met lucht
förgasare
noun
1. kankergezwel
karcinom
noun
1. aandrijfas die tevens de versnellingsbak van een auto met het differentieel verbindt
kardanaxel
/
ˈkɑrdɪɡən/
noun
1. vest met V-hals dat met knoopjes aan de voorkant wordt gesloten
cardigan
/
kɑrdijolo'xi/
noun
1. een medisch specialisme dat zich bezighoudt met het opsporen, diagnosticeren en behandelen van hartziekten
kardiologi
adjective
1. met betrekking tot hartziekten
kardiologisk
/
kɑrdijo'lox/
noun
kardiolog
adjective
1. met betrekking tot hart en bloedvaten
kardiovaskulär
pronoun
1. de zee ten westen van de Atlantische Oceaan, begrensd door de Kleine en de Grote Antillen, de noordkust van Zuid-Amerika en de oostkust van Midden-Amerika
Karibiska havet
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
karneval
/
kɑrniˈvor/
noun
1. een vleesetend dier
köttätare
noun
1. koetswerk van een voertuig
kaross
noun
1. iemand die land-, zee- en/of luchtkaarten maakt
kartograf
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
kartografi
noun
1. Manihot esculenta, een eetbare wortelknol
maniok
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
kassett
pronoun
1. landstreek in Spanje
Kastilien
pronoun
Kastilien och León
pronoun
Kastilien-La Mancha
noun
1. ontmanning, het volledig verwijderen van de teelballen bij de man
kastrering
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
kastrera
noun
- 2. concrete voorbeeld(en) van iets in de praktijk, vooral gebruikt in wetenschappelijke uitleg en cursussen
förebild
- 1. een naamval
kasus
noun
1. onderaardse ruimte, onderaards gangenstelsel in het algemeen
katakomb
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
katalanska
katalansk
verb
1. in een register onderbrengen
katalogisera
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
Katalonien
noun
1. vaartuig met twee drijvende delen (de rompen), die boven de waterlijn parallel aan elkaar gemonteerd zijn
katamaran
noun
1. de leer van een godsdienst in de vorm van vragen en antwoorden gebruikt in het godsdienstonderwijs...
katekes
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
kategori
adjective
1. oorzakelijk
kausal
noun
1. strijdmacht te paard
kavalleri
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
marsvin
noun
1. en 2. een peper, een scherp specerij
cayennepeppar
kajennpeppar
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
Kairo
noun
1. persoon die een vordering overdraagt
tillsättare
/
ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
ceder
noun
- 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
- 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
- 2. een kleine ruimte (in een klooster)
- 1. een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
cell
noun
1. slagwerkinstrument met een klavier
celesta
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
cello
/
ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
cellulosa
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
cement
kitt
noun
1. een fabriek waar cement geproduceerd wordt
cementfabrik
noun
1. hoge ambtenaar in de Romeinse republiek
censor
verb
1. bewust informatie uit de media weghalen
censurera
/
sɛnˈsyr/
noun
1. de controle van de kant van de overheid op alles wat de media uitbrengen
censur
/
'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
centimeter
adjective
1. in het midden gelegen
central
/
sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /
sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /
sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
Centralafrikanska republiken
pronoun
1. regio van Finland
Mellersta Finland
pronoun
1. Iraanse taal gesproken door 6 miljoen mensen in Irak en Iran
kurdiska
noun
1. een verwarmingssysteem, waarbij de warmte centraal wordt opgewekt
centralvärme
verb
1. op één punt samenbrengen
centralisera
noun
1. pomp die een vloeistof verpompt door het met een draaiend rad naar buiten te slingeren
centrifugalpump
noun
1. centrifugaalmachine
centrifug
verb
1. met een centrifuge scheiden, zuiveren of drogen
centrifugera
adjective
1. met betrekking tot de grote hersenen
cerebral
noun
1. een plechtige aangelegenheid
ceremoni
adjective
1. in slechte stemming, slecht gehumeurd
vresig
/
ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
champagne
noun
1. bepaald soort eetbare en speciaal gekweekte witte paddenstoel, Agaricus bisporus
champinjon
/
xɑnuˈka/
noun
1. feest van de herinwijding van de tempel
chanukka
/
xanukiˈja/
noun
1.
chanukkia
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
utpressning
chantage
verb
1. onder bedreiging een schandaal te veroorzaken iemand geld afhandig maken
utpressa
noun
1. deelgebied van de wiskunde en natuurwetenschappen dat zich bezighoudt met het gedrag van dynamische systemen zoals dat sterk door hun begintoestand wordt bepaald.
kaosforskning
noun
1. uitstraling
karisma
adjective
1. aangenaam in omgang
charmig
/
sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
charm
/
χɑsiˈdɪsmə/
noun
1.
chasidism
/
ˈtʃɑtə(n)/, /
ˈtʃɛtə(n)/
verb
1. op synchrone wijze met elkaar korte tekstberichten uitwisselen
chatta
/
ʃaʊ̯.ˈføːr/, /
ʃo.ˈføːr/, /
ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
chaufför
förare
adjective
- 1. behept met een overdreven vorm van vaderlandsliefde
- 2. met betrekking tot het chauvinisme
chauvinistisk
/
ˈtʃɛkən/
verb
1. controleren, nakijken
kontrollera
kolla
noun
1. Acinonyx jubatus, een zeer snel Afrikaans katachtig roofdier
gepard
noun
1. de baas, iemand die de leiding heeft
ledare
chef
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
kemi
adjective
1. dat wat tot de chemie behoort, volgens de chemie
kemisk
noun
1. behandeling van kanker met medicijnen
kemoterapi
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat Tamil Nadu. De voormalige naam van de stad was Madras
Chennai
noun
2. eetbare hartvormige vrucht van Annona cherimola
kirimoja
/
tʃɛ.ˈrɔ.ki/, /
ˈtʃeː.ro.keː/
pronoun
1. inheemse taal gesproken door enkele duizenden mensen in Noord-Amerika
cherokesiska
/
sʲik/
noun
1. modieus verfijnd
stilig
/
ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
Chile
/
'ʃílipepər/
noun
1.
chilipeppar
/
ˈtʃɪlə(n)/
verb
1. tot rust komen, ontspannen
chilla
/
ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
schimpans
/
ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
Kina
Folkrepubliken Kina
/
ʃi.ˈnes/
adjective
1. betreffende China
kinesisk
kinesiska
/
ʃi.ˈnes/
pronoun
- 2. persoon
kinesisk
kinesiska
- 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
kinesiska
noun
(bladeren van) Brassica rapa subsp. pekinensis
kinakål
noun
1. bepaald soort grasachtige plant, Eleocharis dulcis
vattenkastanj
noun
2. een klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
chips
/
ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
kirurg
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
kirurgi
noun
1. een mengsel van gelijke delen waterstof en chloor
klorknallgas
/
ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
choklad
/
ˌʃo.ko.ˈla.də/, /
ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
choklad
noun
1. drank gemaakt van cacao, suiker en melk
chokladmjölk
noun
1. een veelal ronde, bruingekleurde taart, waarin chocolade of cacao verwerkt is
chokladkaka
/
χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
kolera
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
kolesterol
/
ˌɣɔndroˈsit/, /
ˌχɔndroˈsit/
noun
1. een cel die kraakbeen om zich heeft aangemaakt en daar nu door omgeven wordt
kondrocyt
adjective
1. te maken hebbend met het christendom
kristen
kristlig
/
ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
kristen
/
ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
kristendom
/
ˈxrɪstʏs/
pronoun
Kristus
/
ˌxromatisiˈtɛɪt/, /
ˌɣromatisiˈtɛɪt/, /
ˌχromatisiˈtɛɪt/
noun
1. de kwaliteit van een kleur zoals gedefinieerd door zijn kleurvolheid en helderheid
Kromaticitet
kromaticitet
/
ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
kromosom
noun
1. theoretisch geluidssegment dat fonemen die alleen in duur verschillen van elkaar onderscheidt
kronem
/
ˈkronis/
adjective
1. voortdurend, aanhoudend
kronisk
/
xrono.lo'ɣiː/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
kronologi
adjective
1. naar tijdstip gerangschikt
kronologisk
/
ˌxi.lo.mi.ˈkrɔn/, /
ˌχi.lo.mi.ˈkrɔn/
noun
1. een grote door darmwandcellen geproduceerde lipoproteïne, waarin lipiden uit het voedsel van de darmwandcellen naar andere weefsels worden getransporteerd
chylomikron
kylomikron
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
cikada
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
cider
noun
1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
siffra
noun
1. bepaald soort naaldboom, Cupressus sempervirens
cypress
noun
- 1. attractie
- 2. chaotische toestand
cirkus
/
ˈsɪrkəɫ/
noun
cirkel
krets
verb
1. in cirkels ronddraaien of rondvliegen
kretsa
/
ˈsɪrkəlzax/
noun
1. motorzaag met een rond zaagblad
cirkelsåg
noun
1. aanhaling, ontleende passage
citat
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
cittra
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
citron
noun
1. Melissa officinalis, een vaste plant die naar citroen ruikt; van de bladeren kan thee gezet worden
citronmeliss
noun
2. raspsel van de schil van een citroen
citronzest
noun
1. en 2. schil van een citroen
citronskal
noun
1. Viverra, een geslacht van kleine slank gebouwde roofdieren dat ---
sibetkatt
noun
väg- och vattenbyggnad
noun
1. artistieke techniek
clairobscur
/
klʌstrofoˈbiː/, /
klʌustrofoˈbiː/
noun
1. vrees voor afgesloten ruimten
klaustrofobi
/
klʌʊˈsylə/
noun
1. een extra bepaling in een ambtelijke brief.
klausul
noun
1. klimplant uit de ranonkel familie met veel bloemen
clematis
noun
1. te veel gebruikte uitdrukking
kliché
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
klitoris
noun
1. de gecombineerde darm- en urineuitgang bij bepaalde diersoorten
kloaköppning
noun
een verwijzing naar het internet
moln
/
kloːn/, /
klʌːun/
noun
- 1. komische artiest
- 2. bespottelijk iemand
clown
pajas
/
klɵp/
noun
- 1. besloten gemeenschap
klubb
- 3. golfstok
klubba
klubb
- 2. gemakkelijke stoel
klubbfåtölj
/
kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
koalition
noun
1. vrachtschip kleiner dan 1800 Brut Register Ton (1 BRT = 2,83 m³)
kustfarare
noun
1. gevaarlijke gifslang
cobra
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
kokain
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
cocktail
noun
1. (geneeskunde) een ongeneeslijke stofwisselingsziekte die veroorzaakt wordt door een glutenintolerantie
celiaki
/
kɔxniˈtif/
adjective
1. met betrekking tot het leerproces
kognitiv
noun
1. ontgaste steenkool
koks
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
kola
cola
verb
1. met de vijand samenwerken
kollaborera
/
ˌkɔlɑˈɣen/
noun
1.
kollagen
noun
1. meerdere groepen die onder één noemer worden aangesproken
kollektiv
/
kɔˈleɣa/, /
kɔˈleχa/
noun
- 2. een vak- of ambtgenoot
arbetskamrat
- 1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt
kollega
noun
1. de tijd waarin een docent een bepaald onderwerp uitlegt aan studenten
föreläsning
noun
1. een ruimte waarin les wordt gegeven aan studenten
hörsal
/
ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Colombia
/
ko'lɔnə/
noun
1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
kolonn
noun
1. dikke darmonderzoek waarbij men met een endoscoop het darmslijmvlies onderzoekt en zonodig een biopsie kan nemen
koloskopi
noun
1. een kever die op de aardappelplant leeft van ongeveer 1 cm lang en met een geel...
koloradoskalbagge
noun
1. de eerste, gelige moedermelk
råmjölk
/
ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
koma
noun
1. werktuig waarmee je zowel op verschillende manieren kan vastknijpen als afknippen
kombinationstång
/
kɔ.ˈmɑn.do/
noun
- 1. bevel, leiding
- 2. speciaal getrainde groep militairen voor speciale missies
- 3. opdracht om een bepaald proces uit te voeren
- 1. iemand uit een eenheid die extra getraind wordt voor speciale missies
kommando
/
kɔmən'tar/
noun
- 1. toelichting of verklaring
- 2. kritiek
kommentar
/
kɔmərˈʃel/, /kɔmɛrˈsjel/
adjective
1. zakelijk
kommersiell
noun
1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
kommission
noun
1. onrust bij een groep mensen
uppseende
uppståndelse
adjective
gemeenschappelijk
kommunal
/
ˌkɔ.my.nɪ.ˈkaː.si/, /
ˌkɔmyniˈkasi/, /
ˌkɔmyniˈkaʦi/
noun
1. het uitwisselen van informatie
kommunikation
verb
2. met elkaar in contact komen
kommunicera
/
kɔ.ˈmy.ni/, /
kɔ.ˈmyː.nɪə̯/
noun
1. de gemeenschap met lichaam en bloed van Jezus Christus in de vorm van brood en wijn
kommunion
/
kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
kommunism
pronoun
1. Bantoetaal gesproken op de Comoren, Madagaskar, Mayotte en Réunion
komoriska
/
ko.ˈmoː.rə(n)/, /
ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
Comorerna
Komorerna
adjective
1. ruimte beperkende uitvoering, gedrongen
kompakt
noun
2. het samengedrongen en daardoor stevig zijn
kompakthet
noun
2. vennootschap
kompani
adjective
1. op elkaar aansluitend, met elkaar in overeenstemming te brengen
kompatibel
noun
1. een ontwikkelbaar vermogen van mensen waarmee ze in voorkomende situaties adequaat, gemotiveerd, proces- en resultaatgericht kunnen handelen
kompetens
noun
1. wedijver, concurrentie
konkurrens
adjective
1. gewend aan en in staat om strijd te leveren
tävlingsinriktad
/
kɔmplɛks/
adjective
1. ingewikkeld
komplex
noun
1. de mate waarin iets complex is
komplexitet
noun
1. de studie van de complexiteit en mate van oplosbaarheid van wiskundige vraagstukken binnen het kader van...
komplexitetsteori
noun
1. bijkomende ziekte (verergering)
svit
verb
1.(nodeloos) ingewikkeld maken
komplicera
noun
1. een lovende of vleiende opmerking
komplimang
noun
1. iemand die muziekstukken schrijft
kompositör
noun
een samengesteld materiaal dat is opgebouwd uit verschillende componenten
kompositmaterial
noun
- 2. samenstelling
bildkomposition
- 1. een muziekstuk, werkstuk van een componist
komposition
noun
1. is het residu dat ontstaat na ontbinding van organisch materiaal (d.w.z. van plantaardige of dierlijke oorsprong)
kompost
verb
1. tot compost verwerken
kompostera
/
kɔmproˈmi/
noun
1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen...
kompromiss
/
kɔm.ˈpju.tər/, /
kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
dator
noun
1. een programma dat geïnstalleerd en gebruikt kan worden op een computer
datorprogram
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
dataspel
datorspel
noun
1. afgesloten terrein met barakken waar machthebbers bepaalde groepen mensen zonder rechtsgang onder dwang van de samenleving afgezonderd houden
koncentrationsläger
verb
1. op één plek samenbrengen
koncentrera
adjective
1. van cirkels of bollen dat ze het zelfde middelpunt hebben (maar niet dezelfde straal)
koncentrisk
noun
1. een ontwerp, een project
projekt
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
konsert
/
kɔn.si.ˈjɛr.ʒə/, /
kɔn.ˈʒɛr.ʒə/
noun
1. een huisbewaarder, een toezichter in een gebouw
vaktmästare
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
konklav
/
ˌkɔŋklyˈderən/
verb
2. (overgankelijk) tot een besluit komen
sluta sig till
/
kɔnˈkret/
adjective
2. in realiteit bestaand
konkret
noun
1. het voordeel dat ontstaat wanneer een onderneming op een bepaalde markt een product kan aanbieden dat zich op een positieve manier onderscheidt van andere producten
konkurrensfördel
/
kɔndɛn'zasi/
noun
kondensation
noun
1. elektrische component
kondensator
noun
- 2. voorwaarde
- 1. gezondheidstoestand
kondition
noun
1. leerproces waarbij een organisme zich aanpast aan de omgeving
betingning
noun
1. benaming voor sommige roofvogels uit de Amerikaanse tak (Cathartidae) van de gierenfamilie
kondor
noun
1. een medewerker van de spoorwegen die reizigers op vervoersbewijzen controleert en de orde in de trein of tram dient te bewaren
konduktör
noun
1. felgekleurde papiersnippers
konfetti
/
kɔnfixy'rerə(n)/
verb
1. opbouwen en aanpassen aan eigen behoefte
konfigurera
verb
1. van staatswege in beslag nemen
konfiskera
verb
1.iemand laten zien wat diegene heeft gedaan
konfrontera
/
kɔŋˈɣrɛs/, /
kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
kongress
adjective
1. de vorm hebbend van een (afgeknotte) kegel
konisk
noun
1. de bijklank of gevoelswaarde van een woord of woordgroep, die tot op zekere hoogte losstaat van de letterlijke betekenis
konnotation
/
kɔnˈsɛnzʏs/
noun
konsensus
noun
1. een noodzakelijk gevolg
konsekvens
/
kɔnsɛrvaˈtif/
adjective
1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde
konservativ
noun
1. een school in het hoger onderwijs waar men zich kan laten opleiden tot professioneel musicus, acteur/actrice of danser(es)
konservatorium
adjective
1. Altijd onveranderlijk
konstant
noun
1. verstopping, harde of uitblijvende ontlasting
förstoppning
noun
1. een ontwerper van constructies
konstruktör
/
ˌkɔnstrʏkˈtif/
adjective
1. opbouwend
konstruktiv
noun
- 1. Romeins overheidspersoon
- 1. vertegenwoordiger
konsul
noun
1. een deskundige raadgever
konsult
verb
1. raadplegen, advies vragen
konsultera
verb
- 1. verorberen
- 2. verbruik van goederen en diensten in de economie
förtära
/
kɔn.ˈtɑk/, /
kɔn.ˈtɑkt/
noun
- 1. een toestand waarbij twee voorwerpen elkaar raken
- 2. onderlinge communicatie
- 3. een contactpersoon
- 4. een verbinding van twee elektrische geleidingen
- 5. een elektrische schakelaar
- 6. de grens tussen stollings- en nevengesteente
kontakt
verb
1. contact opnemen met
kontakta
noun
1. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
kontaktlins
noun
1. verontreiniging of besmetting met chemische stof of bacterie
förorening
/
ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
kontext
sammanhang
noun
1. een werelddeel
kontinent
/
ˌkɔntinyˈweːrə(n)/
verb
1. voortzetten
fortsätta
noun
1. het laagstklinkende muziekinstrument van de strijkinstrumenten
kontrabas
/
kɔnˈtrɑkt/
noun
1. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
kontrakt
noun
1. (muziekinstrument) fagot waarvan de noten een octaaf lager klinken dan de gewone fagot
kontrafagott
verb
1. een tegenstelling vormen
kontrastera
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
kontrollera
noun
1. een overeenkomst
avsiktsförklaring
/
ˌkɔnvɛrˈɣɛnt/
adjective
1. in één punt samenkomend
konvergent
verb
1. een gesprek voeren
konversera
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
copernicium
noun
1. een gezamenlijke productie
samproduktion
noun
1. het eten van ontlasting
koprofagi
/
ˈkɔrnis/, /
ˈkɔrnɪs/
pronoun
1. een Keltische taal die gesproken wordt in Cornwall
korniska
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
Cornwall
adjective
1. lichamelijk
kroppslig
noun
1. samenhang
korrelation
/
ˌkɔriˈʒeːrə(n)/, /
ˌkɔriˈʒɪːrə(n)/
verb
1. iets van fouten ontdoen
rätta
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
korrosion
adjective
1. met behulp van geschenken, geld e.d. over te halen om zijn plicht, partij, of overtuiging te verzaken
korrupt
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
korruption
/
'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Korsika
pronoun
1. een taal die op Corsica gesproken wordt
korsikanska
korsikansk
/
ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
Costa Rica
/
kup/
noun
1. staatsgreep
statskupp
kupp
maktövertagande
noun
1. massamedium
dagstidning
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
squash
noun
1. veedrijver/veehoeder
cowboy
noun
1. hoed gedragen door een cowboy
cowboyhatt
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
prärievarg
noun
1. een constante factor van een onbekende of van een veranderlijke grootheid
koefficient
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
coitus
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
kooperativ
noun
1. onderlinge afstemming, het coördineren
samordning
verb
1. zo organiseren dat alles en iedereen goed kan samenwerken
koordinera
noun
1. bepaald soort struik en 2. vrucht daarvan, Vaccinium macrocarpon
tranbär
amerikanskt tranbär
adjective
1. met betrekking tot de schedel
kranial
/
krejaˈtif/
adjective
1. scheppend vermogen bezittend, met een scheppende geest
kreativ
noun
1. gedrevenheid of vaardigheid om iets oorspronkelijks te maken
kreativitet
verb
1. als tegoed boeken
kreditera
noun
- 1. religie
- 2. geloof of overtuiging
- 3. motto
credo
noun
1. centrum voor lijkverbranding
krematorium
noun
1. een taal die is ontstaan doordat bevolkingsgroepen die twee verschillende talen spraken met elkaar in contact kwamen en een nieuwe taal ontwikkelden
kreolspråk
/
krɛˈʃɛndo/
noun
crescendo
/
kreˈjeːrə(n)/
verb
1. iets nieuws maken, iets scheppen
skapa
noun
1. een uit Engeland afkomstig slagbalspel in de open lucht
kricket
noun
1. de misdadigheid, het begaan van misdaden
brottslighet
adjective
1. met betrekking tot misdaad
kriminell
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
kriminologi
noun
1. beoefenaar van de criminologie
kriminolog
noun
1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
psykisk kris
kris
/
kriˈterijʏm/
noun
1. toets, een doorslag gevende reden
kriterium
/
krʋɑˈsɑ̃/
noun
1. halvemaanvormig broodje
giffel
croissant
adjective
1. beslissend, doorslaggevend
avgörande
noun
1. vakantie op een varend schip met uitgebreide voorzieningen voor de passagiers
kryssning
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
kryssningsfartyg
noun
1. een oppascentrum voor kinderen
dagis
/
ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
Kuba
adjective
1. met betrekking tot de kookkunst
kulinarisk
noun
1. film die populair is bij een kleine maar betrokken groep fans
kultfilm
/
kʏltyˈrel/
adjective
1.met betrekking tot cultuur
kulturell
/
kɵl'tyːr/
noun
1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
kultur
/
ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /
kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
Curaçao
noun
2. gele voedselkleurstof
kurkumin
gurkmejaextrakt
noun
1.iets merkwaardigs
kuriositet
noun
1. een precisiesport die lijkt op bowls, jeu de boules en bocce, die op ijs gespeeld wordt gespeeld met zware stenen in plaats van metalen (of plastic) ballen
curling
verb
1. met schuine letters drukken
kursivera
noun
1. een blauwgroene kleur
cyan
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
cybernetik
kybernetik
/
ˈsiklis/
adjective
1. regelmatig terugkerend
cyklisk
noun
1. terugkerende, regelmatige reeks
cykel
noun
1. inwoner van Cyprus
cypriot
adjective
1. op Cyprus betrekking hebbend
cypriotisk
/
ˈki.prʏs/, /
ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
Cypern
/
sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
kyrillisk
kyrilliska
noun
1. een alfabet dat geschreven wordt in het cyrillisch schrift
kyrillisk alfabet
/
ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
cysta
noun
1. kijkonderzoek van de blaas
cystoskopi
/
ˌsitɔˈplɑsma/
noun
cytoplasma
/
ˈsitoskəˌlɛt/
noun
1.
cellskelett
/
dər/
possessivePronoun
1. clitische vorm van haar, bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
henne
/
daːr/
adverb
1. op die plaats
där
/
daːr/
conjunction
1. omdat
där
/
dar.ˈχɪn(t)s/, /
ˈdar.ɣɪn(t)s/
adverb
1. op een plaats in de verte
där borta
/
daˈsit/
noun
1. vulkanisch stollingsgesteente.
dacit
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
dadel
noun
1. palm waaraan dadels groeien
dadelpalm
noun
1. iemand die iets (slechts) gedaan heeft
förövare
gärningsman
/
dɑx/, /
dɑχ/
interjection
- 1. ontmoetingsgroet
hej
- 2. afscheidsgroet
hej då
/
dɑx/, /
dɑχ/
noun
- 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
- 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
dag
dygn
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
dagstidning
adverb
1. iedere dag
daglig
noun
1. het aanbreken van de nieuwe dag, de tijd net voor zonopkomst
gryning
/
'dɑxlɪxt/
noun
1. licht van de zon
dagsljus
noun
1. bepaalde soort dagvlinder, Aglais io
påfågelöga
verb
1. voor een rechtszitting oproepen
instämma
noun
1. een oproep om voor een rechtbank te verschijnen
stämning
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
tak
yttertak
noun
1. een langgerekte bakvormige of halfronde constructie voor het afvoeren van (regen)water dat van het dak komt
hängränna
takränna
noun
1. iemand die op de straat leeft, zonder vaste verblijfplaats
hemlös
noun
1. elkaar overlappende stenen of betonnen elementen waarmee een schuin dak lekdicht gedekt wordt
taktegel
noun
1. taal die sterk lijkt op een andere taal die wordt gesproken binnen hetzelfde gebied maar door een kleiner deel van de bevolking.
takspråk
/
dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
dal
noun
1. het dalen, het lager worden
minskning
noun
1. een inwoner van Damascus
damaskener
noun
1. weeftechniek, waarbij tekeningen aangebracht worden op een achtergrond van dezelfde kleur
damast
/
daːmə/
noun
- 1. beschaafde vrouw
dam
- 3. koningin in het schaakspel
dam
drottning
noun
1.
mina damer och herrar
phraseologicalUnit
1. etiquetteregel
damerna först
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
dovhjort
verb
1. het damspel spelen
damspel
/
dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
ånga
noun
2. huishoudelijk apparaat in de keuken dat de kookluchtjes moet afvoeren
köksfläkt
noun
1. een bordspel gespeeld op een bord met honderd vlakken met stenen die alleen diagonaal verzet kunnen worden
damspel
adverb
1. toekomstig tijdstip
alltså
conjunction
1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord.
än
pronoun
3. jongensnaam
Daniel
noun
1. een goede gezindheid jegens iemand voor bewezen diensten
tack
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
tack
tackar
adjective
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
tacksam
noun
1. het dankbaar zijn
tacksamhet
preposition
1. door de positieve werking van
tack vare
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
dans
verb
1. ritmisch bewegen
dansa
noun
1. mannelijk persoon die danst
dansare
/
dɑnsə'rɛs/
noun
1. een vrouwelijk persoon die danst
dansös
danserska
noun
1. iemand die op een dansschool dansles geeft
danslärare
/
ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
modig
noun
1. mannelijke bij
drönare
/
dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
tarm
noun
1. de micro-organismen in het maag-darmkanaal
tarmflora
noun
1. evolutieleer die het ontstaan van de soorten verklaart door natuurlijke selectie uit varianten die bij reproductie optreden
darwinism
/
dɑs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
grävling
noun
1. paneel met instrumenten waarmee een voertuig of installatie kan worden bestuurd of bediend
instrumentbräda
/
ˈdɑs.lok/
noun
1. sterk riekende, eetbare plant uit de lookfamilie
ramslök
conjunction
1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
att
verb
1. meerdere dates, afspraakjes maken met iemand.
gå ut med
verb
1. de datum van ontstaan bepalen
datera
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
dativ
noun
1. Russisch buitenverblijf
datja
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
datum
noun
1. elk van de talrijke bolletjes gecondenseerd water die op het koudst van de nacht, net voor zonsopgang, uit de lucht neerslaan op voorwerpen
daggdroppe
article
1. (de) wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en altijd voor het meervoud, waarbij het een specifieke persoon of ding aanduidt in plaats van het algemene geval
-en
-et
phraseologicalUnit
1. het opgeven
kasta in handduken
verb
1. een lastige kwestie voortvarend en vastberaden aanpakken
ta tjuren vid hornen
phraseologicalUnit
1. mensen zijn de belangrijkste vijanden van mensen
människan är människans människa
verb
1. iets heel treffend verwoorden
slå huvudet på spiken
interjection
1. er is een onomkeerbare stap gezet
tärningen är kastad
noun
1. extreme subgenre van heavy metal
death metal
/
de.blɔ.ˈkeː.rə(n)/
verb
avblockera
verb
1. voor de eerste keer doen
debutera
noun
- 2. hoofd van een faculteit
- 1. C10H22
dekan
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
december
adverb
1. gedurende tientallen jaren
decennielång
verb
1.sterk in aantal terugbrengen, gewoonlijk door afslachting
decimera
noun
1. een lengtemaat met een waarde van één tiende meter
decimeter
verb
1. letterkundige werken mondeling voordragen
deklamera
/
dekliˈna(t)si/
noun
1, 2
deklination
verb
1. uit code overbrengen in gewone taal
dechiffrera
noun
1. laag uitgesneden halslijn bij vrouwenkleding
dekolletage
noun
2. faillissement, bankroet
konkurs
verb
1. methoden en technieken gebruikt om bouwwerken, meubels of andere objecten te verfraaien
dekorera
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
deg
noun
1. rol om deeg uit te rollen
kavel
brödkavel
noun
1. rol om deeg uit te rollen
kavel
brödkavel
/
ˈdeːl/
noun
- 1. een afsplitsing van een geheel
- 2. één uit een reeks
del
verb
1. meedoen, meevoelen
delta
deltaga
noun
1. iemand die meedoet aan een wedstrijd of ander evenement
deltagare
noun
1. symbool om deling aan te duiden
divisionstecken
noun
2. onderdeel van een atoom
partikel
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
skymning
/
den/, /
deːn/
noun
1. een inwoner van Denemarken
dansk
danska
/
dens/, /
deːns/
adjective
1. betreffende Denemarken of het Deens
dansk
danska
/
dens/, /
deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
danska
dansk
/
ˈdensə/, /
ˈdeːnsə/
noun
danska
noun
1. ongeloof in het eigen succes.
defaitism
noun
1. iemand die zich bij voorbaat neerlegt bij een mislukking
defaitist
adjective
1. van iets dat het gebreken vertoont
defektiv
verb
1. uit het raam gooien
defenestrera
noun
1. begripsbepaling
definition
noun
1. het vallen van het prijspeil waardoor het geld in waarde toeneemt
deflation
adjective
- 1. goed tegen een stootje kunnend
- 2. (van personen) eerlijk, oprecht, net in zijn manieren
pålitlig
noun
6. verwijzing naar een lagere speelklasse
nedflyttning
verb
1. in rang verlagen
degradera
pronoun
- 1. Griekse god van de paniek
- 2. kleinste van de twee manen van Mars
Deimos
noun
1. een verdieping op een schip
däck
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
täcke
/
dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
täcke
filt
noun
1. een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken
lock
noun
- 1. afvaardiging
- 3. schuldoverneming
delegation
verb
1. taken en verantwoordelijkheden doorgeven
delegera
verb
2. in meer dan één stuk snijden of hakken
dela
dividera
pronoun
1. het nationaal hoofdstedelijk territorium van India waarin de nationale hoofdstad New Delhi gelegen is. Het territorium is gesitueerd in het noorden van het land
Delhi
noun
1. een wiskundige bewerking op twee getallen
division
noun
1. een aandoening van de hersenen waardoor de verstandelijke en cognitieve vermogens verminderen
demens
adjective
1. in overeenstemming met de principes van een democratie
demokratisk
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
demografia
demografi
verb
1. minder geheimzinnig maken
avmystifiera
noun
1. Pinus soort naaldboom
tall
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
Haag
/
ˌdɛn.dro.loˈɣi/, /
ˌdɛn.dro.loˈχi/
noun
1. de studie van bomen, heesters en andere houtachtige planten
dendrologi
/
ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /
ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
Danmark
verb
- 3. een bepaalde mening toegedaan zijn
tycka
anse
- 1. een oplossing zoeken
tänka
noun
- 1. bewaarplaats
- 1. bezinksel
förråd
noun
- 1. ziekelijke neerslachtigheid
- 2. gebied met lage luchtdruk
- 3. langdurige inzinking in de economische ontwikkeling
depression
adjective
1. somber makend; depressie veroorzakend
deppig
/
ˈdɛrdə/
noun
1. door drie gedeeld iets
tredjedel
/
ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
tredje
noun
1. huidontsteking
dermatit
noun
1. een specialisme binnen de geneeskunde dat zich bezighoudt met aandoeningen van de huid, de nagels en het haar, samen huidziekten genoemd
dermatologi
noun
1. Huidspecialist
dermatolog
cardinalNumeral
1. het getal 13
tretton
ordinalAdjective
trettonde
adjective
- 1. 13 jaren durend
trettonårig
- 2. met de leeftijd van 13 jaar
trettonårig
trettonåring
noun
1. levend wezen dat 13 jaar oud is of iets dat 13 jaar bestaat
trettonåring
cardinalNumeral
1. het getal 30
trettio
verb
1. eenduidig maken, van zijn dubbelzinnigheid ontdoen
klargöra
noun
1. onjuiste of misleidende informatie, die bewust verstrekt wordt met het oogmerk...
desinformation
noun
dNA
deoxiribonukleinsyra
noun
1. legereenheid die om een bepaalde taak uit te voeren van het groter geheel is afgezonderd
detachement
noun
1. onderdeel, kleinigheid
detalj
verb
2. ergens een signaal van door middel van apparatuur opvangen
upptäcka
verb
1. iemand van staatswege gevangen houden
gripa
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
dygd
adjective
1. bereid zich te gedragen in overeenstemming met algemeen aanvaarde waarden
dygdig
/
døk/
noun
1. vervorming van het oppervlak van een voorwerp in de vorm van een put of uitholling, meest veroorzaakt door botsing met een ander voorwerp
buckla
bula
/
døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
dörr
noun
1. een handvat waarmee een deur wordt geopend of gesloten
dörrhandtag
noun
1. een kleine mat, waarop men bij de deur de schoenen kan afvegen
dörrmatta
/
dœyˈterijʏm/
noun
1. een isotoop van waterstof
deuterium
/
dewteɾoˈnomjum/
pronoun
Femte Moseboken
/
'devəntər/
adjective
1. gemeente en oudste stad in de provincie Overijssel
Deventer
noun
1. woord of korte tekst die snel en tegelijkertijd duidelijk een bepaalde boodschap moet overbrengen
valspråk
demonstrativePronoun
1. aanduiding voor dichtbijzijnde dingen, dieren of mensen
de här
demonstrativePronoun
samma
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam geen of te weinig insuline produceert
diabetes
noun
1. band (met edelstenen versierd) voor om het hoofd
diadem
noun
1. vaststelling van een ziekte
diagnos
/
'dɪɑɣnɔstɪ'seːrə(n)/
verb
1. aan de hand van verschijnselen de ziekte bepalen
diagnostisera
noun
een vierkante matrix waarvan alle elementen buiten de hoofddiagonaal (↘) 0 zijn
diagonalmatris
noun
1. een symbolische en grafische voorstelling van een aantal zaken en hun onderling verband
diagram
/
diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
dialekt
folkmål
/
ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /
ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
dialektologi
noun
- 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
- 2. een edelsteen gesneden uit [1]
diamant
noun
1. middellijn
diameter
/
diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
diarré
/
diˈjaspora/
noun
diaspora
/
ˌdiatoˈmeə(n)/
noun
1. stam van eencellige organismen, Bacillariophyta
kiselalgerna
/
ˌdiaˈtomə(n)/
noun
1. stam van eencellige organismen, Bacillariophyta
kiselalgerna
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
poet
diktare
noun
1. compactheid
densitet
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
diktator
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
diktatur
/
dɪk'te/
noun
1. een tekst die wordt gedicteerd en door andere personen wordt opgeschreven als toets in het correct spellen
diktamen
noun
1. Australisch, houten blaasinstrument afkomstig van de Aboriginals
didgeridoo
/
diˈdimijʏm/
noun
1. scheikundige stof
didym
demonstrativePronoun
1. wijst iets aan dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de spreker bevindt
de
noun
2. een aanpassing in het eet- en voedingspatroon
diet
/
dif/
noun
1. iem. die steelt
tjuv
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
stöld
/
ˈdinən/
verb
1. werken voor; in dienst zijn van
tjäna
/
ˈdinst.plɪxt/
noun
1. verplichting om ergens te werken
värnplikt
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
djup
/
'diptə/
noun
1. de mate waarin iets diep is
bakgrund
/
diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
djur
adjective
1. waaraan men grote waarde hecht
kär
noun
1. arts voor dieren, met name kleine huisdieren
djurläkare
noun
1. de verzameling van alle diersoorten
djurriket
/
ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /
ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
djurpark
Zoo
noun
1. wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van dierziektes
veterinärmedicin
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologi
noun
vergelijking voor een functie waarin een of meer van de afgeleiden van die functie voorkomen
differentialekvation
noun
1. infectieziekte
difteri
/
ˈdɪftɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
diftong
adjective
1. met betrekking tot de spijsvertering
digestiv
noun
1. middel dat
digestiv
/
dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
lår
noun
1. een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
vall
/
dɪk/
adjective
- 3. een naar verhouding grote lichaamsomvang hebbend
- 2. de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
- 1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
- 6. nauw aaneengesloten
- 7. weinig vloeibaar
- 5. hecht
- 4. ruim
tjock
noun
1. (dierkunde) zoogdier met een dikke huid
tjockhuding
noun
4. in het zand levende grondelsoort
sandstubb
/
dɪ'lɛmɑ/
noun
moeilijke keuze
dilemma
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
dill
noun
- 1. afmeting in een bepaalde richting
- 2. parameter van een wiskundige ruimte
- 3. categorie waarin een fysische grootheid valt
dimension
noun
2. feestmaal met gasten
diné
noun
1. Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
dingo
/
ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
dinosaurie
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
tisdag
noun
1. een bewijs van bevoegdheid
diplom
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
diplomat
noun
1. de kunst en de kunde van het voeren van overleg
diplomati
adjective
1. betrekking hebbende op de diplomatie
diplomatisk
/
diploˈit/
adjective
1. met twee exemplaren van ieder chromosoom in de celkern
diploid
adjective
1. zonder te wachten, zonder iets daartussen
direkt
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
dirigent
/
dɪs/
noun
1. gedekte tafel
taffel
noun
1. beschrijvend overzicht van de elpee's of cd's van een artiest of muziekgroep
diskografi
adjective
1. zonder aandacht te trekken, onopvallend
diskret
noun
1. onverwachte onderlinge afwijking
diskrepans
noun
- 1. bescheidenheid of kiesheid
- 2. geheimhouding
diskretion
/
ˈdɪskʏs/
noun
1. een zware werpschijf die gebruikt wordt bij de atletische sport discuswerpen.
diskus
noun
1. een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld
diskussion
noun
1. een atletiekdiscipline waarbij men een discus zo ver mogelijk probeert te werpen
diskus
/
dɪsəl/
noun
3. houtbewerkingsbijl
däxel
skarvyxa
adjective
1. naar het einde van de ledematen toe
distal
verb
1. afzonderen van een gezuiverd product door het verhitten van een mengsel en afkoelen van de dampen
destillera
noun
1. verdeling, verspreiding
distribution
noun
1. het gebied van een lokale overheid
distrikt
demonstrativePronoun
den här
denna
adjective
- 1. onderling duidelijk verschillend
- 2. gekenmerkt door de aanwezigheid van mensen met een verschillend achtergrond
diverse
noun
1. verplaatsbaar tijdelijk toilet
bajamaja
noun
1. leer over gezonde voeding en de toepassing van die leer in de gezondheidszorg
dietetik
/
'dʒɛmbe/, /
ˈdjɛmbe/
noun
1. soort trommel die oorspronkelijk vooral bespeeld werd in West-Afrika
djembe
/
(d)ʒi.ˈbu.ti/, /
dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
Djibouti
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
tärning
noun
1. een vrouwelijk kind
dotter
/
ˈdɔktɔr/
abbreviation
1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
doktor
noun
1. een verzameling leerstellingen of dogmas die niet ter discussie staan
doktrin
noun
1. een verzameling gegevens
dokument
noun
1. een op waarheid beruste film
dokumentär
/
dokymɛn'taʦi/
noun
1. geschreven materiaal dat een bepaald onderwerp om- en beschrijft
dokumentation
verb
1. onderbouwen, staven
dokumentera
noun
1. iemand die dood is, een gestorvene, overledene
död
/
'do:dələk/
adjective
1. de dood veroorzakend
dödlig
/
ˈdo.də(n)/
verb
1. iemand van het leven beroven.
döda
dräpa
avliva
mörda
assasinera
noun
1. dans van De Dood
dödsdans
noun
1. een afgietsel van het gelaat van een dood persoon, gewoonlijk gemaakt van was of gips
dödsmask
/
ˈdudɔɫˌzɑk/, /
ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
säckpipa
noun
1. het punt waarop men zich richt
mål
noun
1. de balk aan de bovenkant van een (voetbal)doel
ribba
noun
1. de lijn die het doel scheidt van de rest van het veld
förlängd mållinje
verb
1. een actie ondernemen
göra
noun
1. een boom met zeer smakelijke maar stinkende vruchten
durian
/
'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
dogm
noun
- 2. droogzetinrichting voor schepen
docka
- 3 laad- en loshaven
hamnbassäng
noun
1. kamer zonder daglicht waarin foto's kunnen worden ontwikkeld en afgedrukt
mörkrum
noun
1. witte jas die een arts ter bescherming over zijn kleding draagt
läkarrock
/
dɔl/
noun
- 1. roeipen
tullapinne
- 2. U-vormig steunpunt waarin een roeispaan rust
årklyka
årtull
noun
1. bovenste rand van een (roei)boot
reling
noun
behaglig sysslolöshet
/
dɔlˈfɛɪ̯n/, /
dɔlˈfɛːn/, /
dɔɫˈfɛɪ̯n/, /
ˈdɔlfɛɪ̯n/, /
ˈdɔlfɛːn/, /
ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
delfin
/
ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
dollar
adjective
1. van weinig verstand getuigend
dum
fånig
noun
- 1. hoofdkerk van een bisdom
- 2. bolvormig dak
dom
noun
1. temming tot huisdier of cultuurgewas
domesticering
verb
1. tot huisdier of cultuurgewas temmen
domesticera
noun
2. automatische overschrijving van geldbedragen door de bank laten verrichten
stående överföring
noun
2. vijfde trede van toonladder
dominant
noun
1. overheersing
dominans
/
domiˈnɪːrə(n)/
verb
1. het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden
dominera
/
ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /
ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
Dominikanska republiken
/
ˈdɔm.kɔp/
noun
1. iemand die niet erg slim is
dumhuvud
verb
1. half in slaap zijn
dåsa
/
ˈdɔm.or/
noun
(milde benaming) dom persoon
dumming
noun
1. een schenking
donation
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Donau
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
åska
tordön
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
torsdag
adverb
1. de latere uren van de donderdag
torsdagskväll
/
ˈdɔndərə(n)/
verb
- 1. het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading.
- 2. op luide en barse toon een bevel geven of zijn ongenoegen uiten.
dundra
/
'dɔndərslɑx/
noun
1. de luide knal die het inslaan van de bliksem veroorzaakt
åskknall
adjective
1. zonder licht
mörk
noun
1. fijne veren die onder de taaiere buitenveren zitten, vaak gebruikt als vulstof voor kussens, dekbedden en slaapzakken
fjun
dun
/
doːt/
noun
- 1. de toestand na het leven
- 2. skeletvormige figuur, vaak met zeis, die bovengenoemde toestand personifieert
död
verb
1. door massaal bloedverlies het leven verliezen
förblöda
/
ˈdotxan/
verb
1. het leven verlaten
dö
adjective
1. bij de geboorte al overleden
dödfödd
noun
1. (beroep) persoon
dödgrävare
/
ˈdoːts.ɛsˌka.dər/
noun
1. bende die gevormd is om een of meerdere personen te doden
dödspatrull
/
dotslɑx/
noun
1. het iemand anders opzettelijk, maar zonder voorbedachten rade van het leven beroven
dråp
noun
1. als straf gedood worden
dödsstraff
noun
- 1. juridisch
- 2. figuurlijk
dödsdom
/
doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
döv
noun
1. stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
labyrint
noun
1. plechtige besprenkeling of onderdompeling waarmee iemand tot een kerk gaat behoren
dop
/
ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
dopfunt
/
ˈdoːr/, /
[doːr]/, /
[dʊːr]/
preposition
- 3. in
- 6. als achterzetsel: doorheen
genom
igenom
adverb
1. volkomen, volledig
alltigenom
noun
2. een cruciale ontdekking
genombrott
/
dorˈdɛŋkə(n)/, /
do̝rˈdɛŋkə(n)/, /
ˈdordɛŋkə(n)/, /
ˈdo̝rdɛŋkə(n)/
verb
- 1. [dóórdenken] ergens over blijven denken, ergens aan blijven denken
- 1. [doordénken] serieus en goed nadenken over een kwestie
tänka igenom
/
ˈdoːrɣan/, /
ˈdɔːrχan/
verb
1. tot het einde meemaken
fortsätta
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
torn
törne
noun
1. Datura stramonium, een zeer giftige plant die hallucinogene alkaloïden bevat
spikklubba
/
ˈdornəkron/
noun
1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
törnekrona
noun
1. bepaalde soort vis, Squalus acanthias
pigghaj
/
dɔːrˈstan/
verb
1. ondanks moeilijkheden er nog goed voorstaan
genomlida
verb
1. volhouden
framhärda
/
doʊs/, /
doːs/
noun
- 5. informele naam voor toilet
dass
toa
- 1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
låda
ask
verb
- 2. iemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
döpa
- 3. een naam geven
nämna
noun
1. stimulerende (genees)middelen
doping
dopning
noun
1. schijnbare frequentieverschuiving als de zender en ontvanger bewegen ten opzichte van elkaar
dopplereffekt
/
dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
by
noun
1. inwoner van een kleine plaats op het platteland
bybo
noun
1. toestel dat de graankorrels uit de korenaren slaat
tröskverk
noun
1. vloer waarop gedorst wordt
loggolv
noun
1. (medisch) verstrekte hoeveelheid
dosering
noun
1. hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen
dos
/
doˈsir/, /
dɔˈʃe/, /
ˈdɔs·jeː/
noun
1. verzameling documenten en andere vastgelegde informatie,...
dossier
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
tullavgift
tull
/
duʃ/
noun
1. stortbad
dusch
verb
1. een douche nemen
duscha
noun
1. een lipbloemige plant met bladeren die op die van de brandnetel lijken maar die niet branden.
plister
verb
1. een bestand van een computer of server op afstand naar een lokale computer of server overbrengen
ladda ner
/
ˈdɑunvoʊtə(n)/
verb
1. met een stem tegen afwijzen in een populariteitspeiling
nedrösta
noun
1. een set van twaalf
dussin
/
draːt/
noun
- 3. elektrisch verbindingsmateriaal
- 1. in elkaar gesponnen vezels
tråd
/
drat.los/, /
ˈdraːd.loːs/
adjective
1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
trådlös
noun
1. ongemoduleerde elektromagnetische radiogolf
bärvåg
/
ˈdraːɣ.mudər/
noun
surrogatmor
noun
- 1. een vlak waarop een last gedragen wordt
- 2. een vleugel van een vliegtuig
vinge
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
svarv
svarvstol
noun
1. constructie van drie of vier deurbladen die rondom een gezamenlijke verticale as kunnen draaien, ter vervanging van een gewone deur m.n. gebruikt in winkels, ziekenhuizen enz.
svängdörr
/
ˈdraːi̯ən/
verb
Vertalingen: na te kijken
vända
noun
1. iemand die met een draaibank werkt
svarvare
noun
1. strijkinstrument met strijkwiel
vevlira
noun
1. een mechanisch bediend of automatisch spelend orgel, meestal op straat spelend
positiv
vevorgel
noun
1. zitmeubel voor één persoon waarvan de zitting kan draaien vooral in gebruik in kantoren
kontorsstol
pronoun
sterrenbeeld nabij de noordelijke hemelpool
Draken
/
draːk/
noun
- 1. fabeldier
- 2. open zeiljacht
drake
/
drɑf/
noun
- 3. bezinksel
drav
- 1. draf bij viervoeters
trav
verb
- 1. al van de vloer houdend vervoeren
bära
- 2. als kledingstuk of sieraad aanhebben
bära
ha på sig
noun
1. een persoon die (letterlijk) draagt
bärare
/
ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
dragon
noun
1. vochtafvoering
dränering
noun
- 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
- 2. een bepaald soort film of toneelstuk
drama
/
drɑŋk/
noun
- 2. vloeistof om de dorst te lessen
- 1. alcoholhoudende vloeistof
dryck
/
ˈdrɑs.tis/, /
ˈdrɑs.tɪs/
adjective
1. doelgericht zeer ingrijpend
drastisk
noun
1. onderdorpel van een kozijn
tröskel
/
ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Drenthe
cardinalNumeral
1. telwoord
tre
noun
1. het cijfer 3
trea
tre
noun
1. vliegtuig met drie vleugels
triplan
adjective
1. met drie afmetingen, hoogte, breedte en diepte
tredimensionell
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
triangel
trekant
noun
1. kleine tweekleppige zoetwaterschelp, oorspronkelijk uit het bekken van de Kaspische ...
vandrarmussla
noun
1. (romantische) verhouding waarbij drie mensen zijn betrokken
kärlekstriangel
adjective
- 1. 3 jaren durend
treårig
- 2. met de leeftijd van 3 jaar
treårig
treåring
noun
1. levend wezen dat 3 jaar oud is of iets dat 3 jaar bestaat
treåring
noun
1. plek waar de grenzen van drie landen elkaar treffen
treriksröse
cardinalNumeral
1. het getal 33
trettiotre
cardinalNumeral
1. het getal 23
tjugotre
cardinalNumeral
1. het getal 43
fyrtiotre
cardinalNumeral
1. het getal 53
femtiotre
/
ˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 73
sjuttiotre
noun
1. gas dat in spuitbussen gebruikt wordt om de inhoud onder druk te zetten
drivmedel
bränsle
noun
1. bodem bestaand uit heel kleine korreltjes vergruisd gesteente, verzadigd met zoveel water dat alles wat zwaar is er in wegzakt
kvicksand
verb
e1. op het oppervlak van een vloeistof rusten
flyta
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
dricksvatten
noun
3. paardenziekte
kvarka
verb
1. vocht laten of doen verdampen
torka
noun
1. een toestel dat natte voorwerpen, bijvoorbeeld wasgoed droogmaakt
torktumlare
noun
1. uitwerpsel, ontlasting
bajskorv
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
dromedar
verb
- 1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
- je een voorstelling maken van wat je graag wil
drömma
/
drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
full
noun
het zwaar onder invloed van alcohol zijn
dryckenskap
/
droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
torr
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
torka
noun
- 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
- 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
dröm
noun
zwart gekleurd snoepgoed
lakrits
/
'drɵksfər'slaːfdə/
noun
1. Verslaafd persoon
narkoman
noun
2. vrucht van de wijnstok
druva
vindruva
noun
1. een vruchtensap bereid uit druiven
druvjuice
noun
1. pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
tryck
verb
1. kracht uitoefenen op
pressa
noun
1. een persoon die afdrukken maakt
tryckare
noun
1. papier gevuld door een printer of een drukpers
trycksak
noun
1. mythologisch, vrouwelijk wezen dat in een bos of boom leeft
skogsrå
dryad
/
ˈdʏbəl/
adjective
1. tweemaal voorhanden
dubbel
verb
1. twee keer, snel achterelkaar, met de muisknop op iets klikken
dubbelklicka
noun
1. dubbele toonverlaging
dubbel sänkning
/
ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /
ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
dubbelstjärna
noun
1. een scheikundig element met het symbool Db
dubnium
/
dʏf/
adjective
1. saai, doods
tråkig
/
ˈdœy̯dələk/
adverb
- 1. niet mis te verstaan
- 2. goed te herkennen
tydlig
klar
/
dœʏ̯f/, /
dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
duva
/
ˈdœy̯kə(n)/
verb
- 2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
- 1. het zich onder water voortbewegen (van bijvoorbeeld duikboten) of zwemmen (van mensen)
- 3. snel naar beneden gaan
dyka
noun
1. iemand die voor beroep of plezier zich onder de waterspiegel begeeft
dykare
/
dœy̯m/
noun
- 2. lengtemaat
tum
- 1. eerste, kortste en dikste vinger
tumme
noun
1. het hoornen gedeelte van de eerste vinger van de hand
tumnagel
/
dœʏ̯n/, /
dœːn/
noun
dyn
sanddyn
adjective
1. in weinig of geen licht badend
mörk
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
mörker
/
dœʏ̯ts/, /
dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
tysk
tyska
/
dœʏ̯ts/, /
dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
tyska
tysk
/
ˈdœʏ̯tsə/, /
ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
tyska
pronoun
Östtyskland
Tyska demokratiska republiken
/
ˈdœʏ̯tsər/, /
ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
tysk
/
ˈdœʏ̯tslɑnt/, /
ˈdœːtslɑnd/, /
ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
Tyskland
noun
1. afgesloten kistje waaruit door een springveer opeens een figuur te voorschijn komt
gubben i lådan
noun
1. het gevoel zijn evenwicht te verliezen
yrsel
/
ˈdœy̆zənt/
noun
1000
tusen
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
enkelfoting
verb
1. bereid zijn iets ongestraft te laten
finna sig i
/
dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
tunn
verb
1. voorkomen
förefalla
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon ramada
multe
noun
1. deel van het spijsverteringskanaal tussen de maag en de dikke darm
tunntarm
/
'dyːrə(n)/
verb
1. een bepaalde tijd in beslag nemen
vara
noun
1. enige tetraploïde tarwesoort die nog veel wordt verbouwd
durumvete
verb
1. ~ te de moed hebben om iets gewaagds te doen
våga
conjunction
1.om die reden, daarom
därför
på så sätt
sålunda
adverb
1. tot op dit moment
dittills
/
ˈdyːr.zam/
adjective
1. lang meegaand
varaktig
/
dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
knuffa
noun
1. werk dat onder dwang gedaan moet worden
tvångsarbete
noun
1. een kledingstuk dat de drager bewegingsvrijheid van de armen en handen ontneemt
tvångströja
noun
1. psychische stoornis die gekenmerkt wordt door dwanggedachten en dwanghandelingen
tvångssyndrom
/
ˈdwɑrzbomə(n)/
verb
1. tegenwerken, moeilijkheden geven
hindra
/
ˈdʋɑrsflœʏt/
noun
1. een blaasinstrument dat dwars op de lippen geblazen wordt
tvärflöjt
traversflöjt
noun
1. iemand die niet bereid is tot medewerking, die zich overal tegen verzet
glädjestörare
/
dʋɛi̯l/
noun
1. een stuk weefsel in natte vorm gebruikt om een gladde vloer te reinigen
skurtrasa
noun
1. een buitengewoon klein mens
dvärg
noun
1. Anser erythropus
fjällgås
noun
1. kleinste soort van de vinvissen, Balaenoptera acutorostrata
vikval
verb
1. iemand tegen zijn wil iets opleggen
tvinga
noun
springstof waarin nitroglycerine door een poreuze stof wordt vastgehouden
dynamit
adjective
1. betrekking hebbend op een erfelijke heerser
dynastisk
noun
1. uitspraakgebrek
dysartri
noun
1. rode loop, bloeddiarree
dysenteri
/
ˌdɪsfaˈzi/
noun
1. een ontwikkelingsstoornis bij kinderen
dysfasi
noun
1. sombere stemming, somber gevoel
dysfori
/
dɪslɛkˈsi/
noun
1. het onvermogen om woorden, waarvan men wel de letters ziet, in hun betekenis te vatten
dyslexi
ordblindhet
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
dysprosium
pronoun
- 1. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Düren
/
ˈiːmeːɫ/, /
ˈiːmɪːɫ/
noun
- 1. systeem voor het verzenden van berichten via een computernetwerk
- 2. bericht dat verstuurd is via e-mail
e-post
noun
1. adres voor het ontvangen en verzenden van e-mail
e-postadress
noun
1. een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
ebb
/
ˈɛ.xo/, /
ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
eko
noun
1. het dwangmatig herhalen van woorden of zinnen, zonder de betekenis ervan daadwerkelijk te doorgronden
ekolali
adjective
2. waarachtig, juist, niet vervalst
äkta
noun
1. mensen die met elkaar getrouwd zijn
gift par
conjunction
1. een beperkende tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) beperkt
dock
/
ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
make
/
ˈɛxtxəˌnotə/, /
ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
fru
hustru
maka
noun
1. twee mensen die met elkaar getrouwd zijn
gift par
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
skilsmässa
/
ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /
ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
ekologi
miljöforskning
/
ˌe.ko.ˈlox/, /
ˌe.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
ekolog
noun
2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
ekonomi
hushållning
adjective
1. betreffende economie
ekonomisk
noun
1. deskundige op het gebied van de economie
ekonom
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
ekosystem
noun
1. de naam voor elk element uit de achtste chemische reeks van het periodiek systeem
ädelgas
noun
1. Cervus elaphus, hertensoort
kronhjort
noun
1. een metaal dat niet licht aan corrosie of oxidatie ten prooi valt
ädelmetall
noun
1. een stuk edelgesteente
ädelsten
/
et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
ed
noun
1. echtgenoot of echtgenote
äktenskapspartner
/
ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
ekorre
noun
1. Bolletus edulis, een eetbare paddenstoel
stensopp
noun
1. verdikking van de huid
valk
verb
1. worden afgewezen door iemand die je amoureus benaderd hebt
få korgen
verb
skåda inte given häst i munnen
phraseologicalUnit
1. iets kopen zonder te weten wat de koopwaar is
köpa grisen i säcken
/
enˈtwetʲə/
noun
1.
väggpass
/
eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
anka
and
noun
1. insect uit de orde Ephemeroptera
dagslända
/
enˈdœydəx/
adjective
1. zonder twijfel
entydig
cardinalNumeral
1. het getal 31
trettioett
trettioen
cardinalNumeral
1. het getal 81
åttioett
/
ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
tjugoett
cardinalNumeral
1. het getal 41
fyrtioett
cardinalNumeral
1. het getal 51
femtioett
cardinalNumeral
1. het getal 61
sextioen
/
ˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 71
sjuttioen
sjuttioett
noun
- 2. maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt
- 1. bij elkaar horend geheel met kenmerkende eigenschappen
enhet
noun
1. een matrix waarvan alle diagonale elementen 1 zijn en alle andere 0
enhetsmatris
adjective
- 1. één jaar durend
ettårig
- 2. één jaar oud
ettårig
ettåring
noun
1. levend wezen dat 1 jaar oud is of iets dat 1 jaar bestaat
ettåring
adjective
1. in het bezit van (slechts) één oog
enögd
noun
1. kamer voor het verblijf van één persoon (bijvoorbeeld in een hotel of ziekenhuis)
enkelrum
adjective
1. dezelfde mening hebbend
enhällig
/
eːnˈvɑudəx/, /
eːnˈvɑudəχ/
adjective
2. zonder overdaad of vertoon
vanlig
adjective
1. gebrek aan gezelschap ondervindend
ensam
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
ensamhet
adjective
1. met of aan één kant, belang, partij etc.
ensidig
/
er/
noun
1. aanzien, roem
ära
honnör
/
ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /
ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
i förrgår
/
ˈeːrlək/
adverb
1. vrij van leugen en bedrog
ärlig
noun
1. het vertellen van de waarheid
ärlighet
noun
1. nummer één in een volgorde
första
phraseologicalUnit
1. grammaticale term die de spreker of sprekers aanduidt.
första person
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
Första världskriget
noun
1. de medische zorg die direct toegankelijk is voor patiënten
primärvård
/
ˈer.wrak/
noun
hedersmord
/
ˈeːitbaːr/, /
ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
ätbar
ätlig
/
ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
matsal
noun
1. de behoefte om voedsel tot zich te nemen.
aptit
/
eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
sekel
århundrade
noun
1. een feestelijke herdenking naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van iets
hundraårsdag
/
eːwɪx/, /
eːʋəχ/, /
eːβ̞əx/
adjective
1. voortdurend, zonder einde
evig
/
ɪːβ̞əχɛɪ̯t/
noun
1. alle tijd die nog zal komen
evighet
/
e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Efesos
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
Efesier
adverb
1. doeltreffend
effektiv
adjective
1. nuttig effect hebbend
effektiv
noun
1. de mate waarin nuttig gebruik gemaakt wordt van het beschikbare bij een bepaald proces
effektivitet
/
ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
igelkott
adjective
2. zichzelf als het middelpunt van alles zien
egocentrisk
/
xxxx/
noun
1. het uitsluitend op eigen belangen en gewin uit zijn
egoism
noun
1. een zelfzuchtig persoon
egoist
adjective
1. zelfzuchtig, gefocust op eigen voordeel
egoistisk
/
e.ˈɣɪp.tə/, /
e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
Egypten
/
ɛɪ/, /
ɛɪ̯/, /
ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
ägg
noun
1. bepaald soort zeevogel, Somateria mollissima
ejder
adjective
1. betrekking hebbend op de visuele vermogens
eidetisk
noun
1. het geslachtsorgaan van de vrouw waarin eicellen gevormd worden
äggstock
/
ˈɛi̯ɣə(n)/
adjective
egen
noun
1. iemand die iets in eigendom heeft
ägare
/
'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
1. eigendomsrecht
ägande
noun
1. het meest omvattend zakeljike recht dat een eigenaar op zijn goed kan uitoefenen
äganderätt
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
egennamn
noun
1. een gegeven karakteristiek die eigen is aan een bepaalde persoon of zaak
egenskap
/
ɛi̯k/, /
ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
ek
/
ˈɛɪkəɫ/
noun
- 1. vrucht van de eik
ekollon
- 2. top van een penis
ollon
ekollon
- 3. dom persoon; sufferd, zak
tönt
/
ɛɪ̯kə(n)/, /
ɛːkə(n)/
adjective
1. vervaardigd van het hout van de eik
ek
/
ˈɛi̯kəˌblɑd/, /
ˈɛi̯kəˌblɑt/, /
ˈɛːkəˌblɑt/
noun
1. blad van een eikenboom
eklöv
/
ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
ö
holme
/
ˌɛilɑnt ˈmɛn/
pronoun
Man
noun
1. deel van de geslachtsorganen van de vrouw
äggledare
phraseologicalUnit
1.
Slutet gott, allting gott
/
ˈɛɪ̯ndə/, /
ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
slut
adverb
1. na een (te) lange tijd.
äntligen
adjective
1. een einde hebbende
begränsad
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
einsteinium
/
ɛɪ̯s/
noun
1. een dwingende vraag
krav
/
ɛiwɪt/
noun
2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
protein
äggviteämne
verb
sperma uitwerpen
ejakulera
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
skata
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
aln
/
ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /
ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
El Salvador
/
eˈlɑn/
noun
1. animo
hänförelse
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
älg
/
eləˈɣɑnt/
adverb
1. een prettige uitstraling hebbend door de subtiele afwerking
elegant
noun
1. vakman op gebied van elektriciteit
elektriker
/
eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
elektricitet
el
noun
1. een krachtcentale waar elektriciteit wordt opgewekt
elkraftverk
adjective
1. door middel van elektriciteit
elektrisk
abbreviation
1. hersenfilm
elektroencefalogram
adjective
1. met betrekking tot elektrische verschijnselen in levend weefsel
elektrofysiologisk
noun
- 1. chemische verbinding die in waterige oplossing in ionen wordt gesplitst
- 2. een stof of mengsel van stoffen gekenmerkt door het bezit van uitsluitend ionische geleidbaarheid
elektrolyt
noun
1. een magneet waarvan het veld door een elektrische stroom veroorzaakt wordt
elektromagnet
adjective
elektromagnetisk
noun
1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
elektron
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
elektronik
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
elektroteknik
noun
1. legering van goud en zilver
elektrum
cardinalNumeral
1. het getal 11
elva
pronoun
1. een regionale Noord-Germaanse taal die gesproken wordt in de Zweedse gemeente Älvdalen
Älvdalska
Älvdalsmål
/
ˈɛlf.də/, /
ˈɛlv.də/
ordinalAdjective
1. nummer elf in een rij
elfte
adjective
- 1. 11 jaren durend
elvaårig
- 2. met de leeftijd van 11 jaar
elvaårig
elvaåring
noun
1. levend wezen dat 11 jaar oud is of iets dat 11 jaar bestaat
elvaåring
pronoun
1. schaatswedstrijd die langs de elf Friese steden voert
Elvastadsloppet
noun
1. haringachtige, die paait in de bovenloop van rivieren en beken en ooit inheems was in de Benelux, Alosa alosa
majfisk
verb
2. verwijderen uit de bevolking, doden
driva
noun
1. armoedige, beklagenswaardige omstandigheden
elände
misär
/
ˈɛləpɛɪp/, /
ˈɛləpɛːp/
noun
bot in de onderarm
armbågsben
noun
1. twee-dimensionale figuur die wordt gevormd door alle punten waarvoor de som ...
ellips
noun
- 1. boomsoort
al
- 1. priem
pryl
syl
/
ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
Alsace
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
emblem
noun
1. een organisme in het eerste ontwikkelingsstadium na de bevruchting
embryo
adjective
2. betrekking hebbend op de ongeboren vrucht van een organisme
embryonal
noun
1. longaandoening
emfysem
/
ˌemiˈχrɪːrə(n)/
verb
1. naar het buitenland verhuizen
emigrera
utvandra
/
emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
emirat
noun
2. uitzending van kleine deeltjes of van licht of andere elektromagnetische straling
utsläpp
/
ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
hink
spann
ämbar
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
emu
noun
1. ideogrammen die worden gebruikt in Japanse elektronische berichten en webpagina's
emoji
noun
1.weergave van emoties door middel van een afbeelding, een teken of een combinatie van lees- en lettertekens
emotikon
noun
1. hevig gevoel, sterke gemoedsbeweging
emotion
känsla
adjective
1. zonder gevoelens
känslolös
adjective
1. zeer vatbaar voor gevoelens
emotionell
adjective
1. wat op ervaring of proefneming berust
empirisk
noun
stof die helpt bij het mengen van twee stoffen die normaal gesproken niet of moeilijk mengbaar zijn
emulgator
conjunction
1. zowel afzonderlijk van als gezamenlijk met elkaar
och/eller
noun
1. een stereo-isomeer dat het spiegelbeeld is van zijn tegenvoeter
enantiomer
/
ɛn.'kla.və/
noun
1. omsloten gebied
enklav
noun
1. een brief van de paus aan alle katholieke gelovigen
encyklika
/
ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
encyklopedi
uppslagsverk
noun
1. laatste deel van het spijsverteringskanaal vlak voor de anus
ändtarm
adjective
1. van nature alleen in een specifiek gebied voorkomend
endemisk
adjective
1. met inwendige afscheiding in de bloedstroom, hormonaal
endokrin
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de afscheidingen van klieren in het lichaam
endokrinologi
noun
1. (kijk)onderzoek van lichaamsholten of inwendige kanalen
endoskopi
adjective
1. waarbij warmte opgenomen wordt
endoterm
/
enər'ʒi/, /
enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
energi
adverb
1. aan de ene kant
å ena sidan
adjective
1. angst veroorzakend
läskig
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
England
/
ˈɛ.ŋ(g)əls/, /
ˈɛ.ŋɔɫs/, /
ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
engelska
engelsman
engelsk
/
ˈɛ.ŋ(g)əls/, /
ˈɛ.ŋɔɫs/, /
ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
engelska
engelsk
noun
1. een grotere en lagere uitvoering van de hobo
engelskt horn
/
ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /
ɛ.ŋəls.man/, /
ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
engelsman
adjective
1. niet dubbel, bijvoorbeeld enkel spoor, enkele reis
enkel
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
ankel
vrist
noun
- 3. een band om de enkel met een zendertje
elektronisk fotboja
- 2. een band die om de enkel wordt gedragen
vristlänk
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
singular
ental
singularis
verb
1. aan boord gaan en overnemenn
äntra
noun
1. ontsteking van de ingewanden
enterit
noun
1. ontsteking van zowel de dikke als de dunne darm
enterokolit
/
ɛntuˈʒɑs/, /
ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
adjective
1. hartstochelijk, met geestdrift
entusiastisk
noun
1. een getal evenredig met de logaritme van het aantal realiseringmogelijkheden, ook wel gedefinieerd als de reversibele warmte gedeeld door de temperatuur
entropi
noun
1. papieren omslag voor brieven
kuvert
konvolut
/
ɛnˈzim/
noun
1. een organische molecuul dat biologische reacties mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf...
enzym
/
ˈepɛnˌtezɪs/
noun
1. invoeging van middenlank
epentes
noun
1. het punt op het aardoppervlak loodrecht boven de haard van de aardbeving
epicentrum
/
epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
epidemi
farsot
/
ˌepiˈfizə/
noun
1. een klier die onderdeel is van de epithalamus en melatonine uitscheidt
tallkottkörteln
noun
1. het vakgebied binnen de genetica dat de invloed bestudeert van de omkeerbare erfelijke veranderingen in de genexpressie die optreden zonder wijzigingen in de sequentie (volgorde van de basenparen) van het DNA in de celkern
epigenetik
adjective
1. van de aard van een epigram
epigrammatisk
noun
1. vallende ziekte, toevallen
epilepsi
noun
1. een naschrift toegevoegd aan een boek of film
epilog
noun
1. dekweefsel, bovenste laag van de huid en slijmvliezen
epitel
noun
1. woord dat gevormd is op basis van een eigennaam van een persoon
eponym
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Eppingen
noun
1. vijfde letter uit het Griekse alfabet ε
epsilon
noun
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
ekvator
/
ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /
ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /
ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
Ekvatorialguinea
noun
1. passage van de zon door het vlak van de evenaar
dagjämning
adverb
- 1. onbepaald bijwoord van plaats: ergens
det
- 3. partitief onder weglating van van
därför
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
erbium
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
erektion
noun
1. grond behorend bij boerderijhuis
gård
adjective
- 1. wat op genetische wijze door nazaten verkregen kan worden
- 2. overdraagbaar op de oudste zoon, of meestal bij het ontbreken daarvan op de oudste dochter
ärftlig
noun
1. wat door de erflater bij zijn overlijden wordt nagelaten
arv
noun
2. regeling voor troonwisseling
tronföljd
noun
1. het samenstel van regels dat de vererving regelt
arvsrätt
noun
1. een veelal kostbaar goed van van generatie op generatie door vererving overgegeven wordt
släktklenod
noun
1. overgeërfd inheems woord
arvord
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
arvsynd
noun
een zaak die gevoelens van onvrede oproept
irritationsmoment
/
ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /
ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
Eritrea
/
eriˈtres/
adjective
1. met betrekking tot of afkomstig van Eritrea
eritreansk
verb
- 1. inzien, toegeven
- 2. als wettig, echt, juist aanvaarden
erkänna
noun
1. een bevestiging van de juistheid of geldigheid van iets
erkännande
/
ˌɛrˈkɛn.tə.lək/
adjective
tacksam
/
ˈɛrkər/
noun
1. uitbouw aan een gevel
burspråk
pronoun
1. + 2. stad en stadsdistrict
Erlangen
noun
1-2. beschadiging en afslijting
erosion
noun
1. kunst die nadrukkelijk seksuele activiteiten laat zien
erotik
noun
- 1. plotselinge, felle uiting
- 3. plotselinge huiduitslag
utbrott
adjective
1. bekwaam door ervaring
erfaren
noun
1. een vorm van kennis
erfarenhet
/
ˈʔɛr.və(n)/
verb
1. de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
ärva
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
ärta
ärt
noun
1. speelgoedpistool, bestaande uit een buis waardoor erwten of kleine voorwerpen worden geblazen
blåsrör
noun
1. een groenige, lobbige soep vervaardigd van erwten
ärtsoppa
noun
1. de vorming van rode bloedlichaampjes
erytropoes
pronoun
1. taal vooral in het oosten van Mordovië gesproken wordt
erza
noun
1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
ask
verb
1. stapsgewijs toenemen in omvang, intensiteit
eskalera
noun
1. dwaze (jongens) streek
eskapad
/
ɛsˌxatolo'gi/
noun
eskatologi
/
ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
lönn
noun
1. een kleine tactische eenheid bij de cavalerie (tegenwoordig gemechaniseerd of gemotoriseerd) of ...
skvadron
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
asp
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
esperanto
noun
1. geconcentreerde koffie
espresso
noun
1. het meeste belangrijke
essens
/
ɛsˈter/
pronoun
3. meisjesnaam
Ester
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
ester
/
ɛsˈtetiˌka/
noun
1. het filosofisch discours over het wezen van kunst of het wezen van schoonheid
estetik
/
ˈɛstis/, /
ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
estniska
/
ˈɛslɑnd/, /
ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
Estland
noun
1. een vrouwelijk hormoon
östrogen
noun
1. dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden
äta
verb
1. het nuttigen van voedsel
äta
spisa
/
etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
etanol
noun
1. een organische verbinding met de functionele groep R-O-R'
eter
noun
1. een praktische wijsbegeerte die zich bezighoudt met wat goed en kwaad is
etik
/
ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
Etiopien
noun
1. stuk papier met informatie dat ergens opgeplakt zit
etikett
noun
1. onderdeel van de pathologie dat zich bezighoudt met de oorzaken van ziekten
etiologi
noun
1. tijdseenheid bestaande uit 24 uren
dygn
adjective
1. betrekking hebbend op de beschrijving van volkeren
etnografisk
/
ɛtnoːloːɣi/, /
ɛtnoːloːʝi/
noun
etnologi
/
ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
var
noun
- 1. woordherkomst
- 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
etymologi
noun
1. een rooms-katholiek sacrament dat een voortzetting is van het laatste avondmaal van Christus
nattvard
noun
- 2. een instrument van gestemde glazen
barytonhorn
- 1. eufonium
eufonium
/
ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
eufori
/
œykɑriotən/
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Eukaryota
eukaryoter
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
Eurasien
/
'øː.ro/, /
'ɵː.ro/
abbreviation
1. munt en munteenheid
euro
/
øːˈroːpa/, /
ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
Europa
/
ˌøːropeˈjaːn/, /
ˌʏːropeˈjan/
noun
1. bewoner van het Europese continent of iemand die daarvan afkomstig is
europé
/
øːroˈpeːs/, /
ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
europeisk
pronoun
Europeiska centralbanken
pronoun
Europeiska kommissionen
pronoun
Europeiska investeringsbanken
pronoun
Europeiska ombudsmannen
pronoun
Europeiska revisionsrätten
/
ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /
ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
Europeiska unionen
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
europium
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
eutanasi
noun
övergödning
eutrofiering
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Eva
/
evɑky'erə(n)/
verb
utrymma
noun
1. bespreking en beoordeling van de gang van zaken
utvärdering
adjective
1. Deelbaar door twee
jämn
/
evəˈnar/, /
ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
ekvator
adverb
1. ook, tevens
likaså
noun
1. belangrijke gebeurtenis
evenemang
adjective
1. evenredig
proportionell
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
vildsvin
noun
1. wild varken
vildsvin
/
ˌevoˈlysi/, /
ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
evolution
noun
1. theorie over de stapsgewijze ontwikkeling van het leven
evolutionsteori
noun
1. onderzoek naar de kennis of vaardigheden van iemand door middel van ondervraging of opgedragen verrichtingen
examen
verb
1.aan een examen onderwerpen
undersöka
adjective
1. zonderling
excentrisk
noun
1. schijf die...
excentrisk
adjective
1. wat andere mogelijkheden uitsluit
exklusiv
noun
1. uitvoering van een vonnis
tvångsförsäljning
pronoun
Andra Moseboken
Andra Mosebok
adjective
1. door oorzaken van buitenaf
exogen
noun
1. een deel van het pre-mRNA dat de kern verlaat en dus getranscribeerd wordt
exon
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
exotisk
noun
1. een computersysteem dat specifieke kennis van menselijke experts representeert en gebruikt om een probleem binnen een bepaald gebied op te lossen
expertsystem
adjective
1. ontplofbaar
explosiv
noun
1. ontplofbare stof of voorwerp
explosiv
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
exportera
/
ɛk'stazə/
noun
1. een toestand van buiten zichzelf zijn door verrukking
extas
/
ɛkˈstɛnsi/
noun
1. het strekken van ledematen
tillägg
/
ɛksˈtɛrn/
adjective
1. uitwendig
extern
adjective
2.
utomparlamentarisk
adjective
1. uiterst, uitzonderlijk
extrem
noun
1. iemand met radicale, extremistische standpunten, een aanhanger van een ideologie die ver van het politieke of maatschappelijke centrum ligt
extremist
noun
1. vloeibaar make-up-product om lijnen rondom, boven of onder de ogen aan te brengen
eyeliner
/
ˈezəɫ/
noun
- 3. schilderswerktuig
staffli
- 1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
åsna
noun
1. vrouwelijke ezel
åsnesto
noun
2. omgevouwen hoek
hundöra
noun
1. een der herautstukken; een horizontale band die het middelste derde deel van het veld van het wapen beslaat
bjälke
/
ˈfabəl/
noun
- 1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
fabel
- 2. een verzinsel
fabel
dikt
påhitt
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
fabrik
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
Facebook
noun
1. document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
faktura
räkning
noun
- 3. product van een reeks factoren
- 1. hoofdafdeling van een universiteit
fakultet
/
ˈfæːrøːə̯r/, /
ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
Färöarna
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op de Faeröer
färöiska
färöisk
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
fagott
/
ˌfajisəˈmɛnt/
noun
1. de toestand van iemand die, blijkens rechterlijk onderzoek, niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.
konkurs
noun
1. staaf of stok die aan de bovenkant in een brandbare stof gedrenkt is, brandend zorgt het voor verlichting
fackla
/
ˈfaːlən/
verb
1. niet bereiken van doelen
klicka
noun
1. (hulp)wetenschap die de vorm en de geschiedenis van de ridderorden én andere onderscheidingen bestudeert
faleristik
adjective
1. met betrekking tot het mannelijk lid
fallisk
/
fa.ˈmi.li/, /
fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
familj
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de familiale verhoudingen tussen personen
familjerätt
/
foɱ.ˈfaːr/, /
fɑn.ˈfa.rə/
noun
fanfar
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
fantasi
adjective
1. uit de farmacie, met betrekking tot de productie van geneesmiddelen
farmaceutisk
adjective
1. leer van de geneesmiddelen en de interactie tussen deze en een levend biologisch systeem betreffende
farmakologisk
noun
1. spiertrillen
fascikulation
verb
1. iemands aandacht vasthouden
fascinera
/
fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
fascism
adjective
1. van het fascisme
fascistisk
noun
1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
fas
adjective
1. noodlottig
fatal
/
fɑt'sun/
noun
1. goede manieren
anständighet
/
ˈfʌʊna/, /
ˈfʌːna/
noun
1. het geheel aan dieren in een gebied
fauna
/
fo.tœj/
noun
1. Soort stoel
fåtölj
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
fasan
/
fa.ˈsa.də/
noun
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
fasad
/
febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
februari
pronoun
- 2. Franse revolutie
Februarirevolutionen 1848
- 1. Russische revolutie
februarirevolutionen 1917
adjective
1. met betrekking tot de ontlasting
fekal
noun
1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid
fest
noun
1. een extra lekkere, uitgebreide maaltijd die men met meerdere mensen gebruikt als een feestelijke gebeurtenis
fest
noun
1. vaak kegelvormig hoofddeksel dat men draagt ter gelegenheid van een feestelijke gebeurtenis.
partyhatt
/
fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
faktum
noun
1. het stimuleren van de penis met de mond, tong of keel
fellatio
noun
1. een zeilschip
feluck
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
feminism
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
bockhornsklöver
/
fenoˈmen/
noun
1. een verschijnsel
fenomen
/
fenilɑlɑninə/
noun
1. aminozuur
fenylalanin
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
fermium
noun
1. verlaagde toon f
fess
noun
1. vervolgverhaal in een krant of tijdschrift, dan wel op de radio of televisie
kultursida
/
fɛs/
noun
1. bepaald soort hoed van Turkse oorsprong
fez
noun
1. samentrekking van afzonderlijke spiervezels en een vorm van hartritmestoornis
hjärtflimmer
/
fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
cykel
verb
1. op een fiets rijden
cykla
/
ˈfitsərɛk/
noun
1. rek om fietsen te parkeren
cykelställ
/
ˈfiːtsər/
noun
1. iemand die met een fiets rijdt
cyklist
noun
1. onderdeel van de kettingaandrijving van een fiets
cykelkedja
/
ˈfitspɑt/
noun
1. een weggedeelte of vrijliggend pad dat is gereserveerd voor het gebruik door fietsers en snorfietsers.
cykelväg
/
ˈfits.snɛl.β̞ɛx/, /
ˈfits.snɛɫ.ʋɛχ/
noun
1. een fietspad dat een voorrangsroute vormt voor langeafstandsfietsers
supercykelväg
/
ˈfitstrat/
noun
1. een straat waarop fietsers oververtegenwoordigd zijn en waarop auto's zich aan fietsers moeten aanpassen
cykelfartsgata
/
fitsadəl/, /
fitsadəɫ/
noun
cykelsadel
noun
1. een heel fijn zaagje in de vorm van een dun zaagblad dat verticaal wordt gespannen in een lange horizontale beugel
lövsåg
/
ˈfi.(d)ʒi/, /
ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
Fiji
adjective
- 1. van geringe dikte
- 3. leuk
fin
/
faɪl/
noun
- 1. lange rij met stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen of personen
bilkö
kö
- 1. bestand op de computer
fil
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
Filemon
/
filiˈjal/
noun
1. een pand in een reeks van panden
filial
/
ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /
ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /
ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Filippinerna
/
fili'pɛɪns/
pronoun
1. de officiële taal van de Filipijnen
filippinska
noun
- 1. een dunne laag
- 3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
- 2. een dun en oprolbaar medium om beelden op te nemen in een camera
film
verb
1. beelden van iets vastleggen op film
filma
noun
1. feestelijk evenement waarbij het tonen van films centraal staat
filmfestival
/
filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
filosofi
/
fɪltər/
noun
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
filter
noun
1. filtrering
filtration
noun
- 1. de beslissende wedstrijd in een toernooi tussen de laatste twee deelnemers
- 2. het slotstuk van een meerdelig toneel- of muziekstuk
final
adjective
1. met betrekking tot geld, geldelijk
finansiell
verb
1. voorzien van de benodigde geldmiddelen
finansiera
/
ˈfɪnlɑnd/, /
ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Finland
/
fɪns/
adjective
1. betreffende Finland of het Fins
finsk
finländsk
/
fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
finska
finsk
noun
- 1. een handelsvennootschap waarbij de vennoten hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk zijn
- 2. een zaak of bedrijf
firma
noun
1. een kanaalvormige zweer
fistel
/
fjɔrd/, /
fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
fjord
noun
1. slappe hoed
slokhatt
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
flamingo
noun
1. een textielsoort van los gesponnen garen, gewoonlijk van geruwde wollen of katoenen stof, ...
flanell
/
flɑŋk/
noun
1. zijkant van een samenhangend geheel
flank
adjective
2. in overdrachtelijke zin smakeloos
lam
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Flein
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
flerovium
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
flaska
butelj
/
ˈflevoˌlɑnt/, /
ˈfleːvoˌlɑnd/, /
ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Flevoland
/
flɛkˈsibəl/
adjective
1. het vermogen hebbend gebogen te worden
böjlig
/
ˈflɛk.si/
noun
2. vormverandering van een woord
böjning
/
floˈrɑ/
noun
1. plantenrijk in een bepaalde streek of periode
flora
/
ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
Florens
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
tandtråd
verb
1. spreken met gedempte stem
viska
noun
- 1. buisvormig blaasinstrument
- 4. een slank drinkglas
- 3. een scheepstype
flöjt
noun
1. een luidruchtig en langdurig gefluit op de vingers door een menigte als teken van afkeuring
visselkonsert
verb
1. een fluit bespelen
vissla
noun
1. Anthriscus sylvestris, plant uit de schermbloemen familie
hundkäx
noun
1. musicus die een fluit bespeelt
flöjtist
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
fluor
noun
1. het uitzenden van licht ...
fluorescens
noun
1. een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde...
sammet
noun
1. een vidaduct ter voorkoming van een gelijkvloerse kruising
viadukt
noun
1. een ziekelijke vrees
fobi
/
ˈfokʏs/
noun
2. een punt of verzameling van punten waar alle stralengangen samenkomen
fokus
/
ˈfu.li/
noun
1. Myristica fragrans
muskotblomma
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
foster
noun
A 1. driehoekig zeil bevestigd aan de voorstag
fock
verb
1. dieren houden om ze te laten voortplanten
avla
noun
1. voorste mast van een driemastschip
fockmast
noun
1. een blad met informatie of reclame
broschyr
noun
1. alles wat een volk creëert of heeft gecreëerd
folklore
noun
3. effect (waardepapier)
fond
/
ˌfoneˈtik/
noun
1.
fonetik
/
ˌfonoloˈɣi/
noun
- 1.
- 2.
fonologi
noun
- 1. nog niet verbeende plek in de schedel van een baby
- 2. beschermkoker bij sommige oude muziekinstrumenten
fontanell
/
fɔnˈtɛɪn/, /
fɔnˈtɛːn/
noun
1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
fontän
springbrunn
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
forell
öring
adjective
1. (juridisch) betrekking hebbend op justitie
forensisk
noun
2. vorm van een bestand
format
verb
2. de harde schijf of een verwisselbare schijf volledig leeghalen
formatera
/
fɔrˈmel/
adjective
1. met inachtneming van strikte omgangsvormen
formell
pronoun
1. categorie in de autosport
Formel 1
/
fɔrmyˈlir/
noun
1. een stuk papier waarop voorgedrukte vragen kunnen worden beantwoord
formulär
blankett
noun
1. vroeg in het voorjaar geel bloeiende sierheester / chinees klokje
forsythiasläktet
noun
1. een zout van een van de vormen van fosforzuur
fosfat
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
fosfor
verb
1.langdurig licht afgeven na belichting door het bestaan van een langlevende aangeslagen toestand
fosforescera
noun
1. lichtschuwheid
fotofobi
adjective
1.op foto's een voordelige indruk makend
fotogenisk
noun
1. iemand die fotos maakt
fotograf
verb
1. een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag
fotografera
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
fotografi
noun
1. een fotografisch gemaakte kopie
fotocopia
verb
1. een fotokopie maken van iets
fotokopiera
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
foton
verb
1. bewerken van foto's en ander digitaal beeldmateriaal via de computer
photoshoppa
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
kamera
verb
1. iemand aftasten of er iets op het lijf gedragen wordt
muddra
/
fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
fel
misstag
noun
1. mate van onzekerheid bij de uitslag van een steekproef, statistische meting enz.
felmarginal
noun
1. naam voor twee verschillende hondenrassen n.l. de gladharige foxterriër...
foxterrier
/
fwɑ.ˈjeː(r)/, /
fʋa.ˈje/
noun
1. verzamelplaats, zaal voor de verpozing (bijvoorbeeld in een hotel of schouwburg)
foajé
/
ˈfrɑksi/
noun
2. gezamenlijke vertegenwoordigers van een politieke partij in een volksvertegenwoordiging
partigrupp
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
hallon
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
francium
noun
1. reeks afhangende draden die ter versiering aan de rand van een kleed of kledingstuk gehangen worden
frans
/
frɑŋk/
noun
munteenheid
franc
/
ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /
ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
Frankrike
/
frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
fransk
franska
/
frɑns/
pronoun
1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
franska
fransk
pronoun
Franska Polynesien
/
ˈfrɑns.man/, /
ˈfrɑns.mɑn/
noun
1. iemand uit Frankrijk
fransman
adjective
- 2. taaluiting in het Frans
franskspråkig
- 1. de Franse taal sprekend
franskspråkig
fransktalande
noun
1. een aantal woorden die een begrip uitdrukken, vaak een zinsdeel, soms een hele zin
fras
noun
1. het in frasen onderverdelen, met name gezegd van het articuleren van afzonderlijke muzikale zinnen in een muziekstuk, dat hierdoor als geheel beter moet klinken
frasering
/
fratər/
noun
1. bepaald soort vogel, Linaria flavirostris
vinterhämpling
noun
1. bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
bedrägeri
verb
1. gelden wederrechtelijk ontvreemden
svindla
noun
- 1. Oorlogsschip
- 2. Driemaster
fregatt
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
frekvens
noun
1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
tamiller
/
frɔɪdɪˈaːns/
adjective
1. volgens de leer van Sigmund Freud of zoals men vindt in diens geschriften en leerstellingen
freudiansk
pronoun
- 2. benaming voor een Germaanse taal
frisiska
frisisk
- 1. Westerlauwers Fries
västfrisiska
/
ˈfrislɑnd/, /
ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Friesland
adjective
1.
frisisktalande
noun
1. de benaming voor een gerecht van gefrituurde aardappelreepjes ('patat frites')
pommes frites
adjective
1. zojuist schoongemaakt, prettig ruikend
frisk
noun
1. everjong
vildsvinskulting
noun
- 1. voorkant
- 2. gevechtslinie
front
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
fruktos
fruktsocker
/
frœʏ̯t/, /
frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
frukt
noun
1. koude schotel met verschillende soorten fruit
fruktsallad
adjective
1. van iets waarvan de verwachtingen in het geheel niet zijn uitgekomen
frustrerande
noun
- 1. een zout afgeleid van een ftaalzuur
- 2. een ester afgeleid van een ftaalzuur
ftalat
noun
- 1. taak
- 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
- 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
- 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
funktion
verb
1. ~ als een bepaalde functie vervullen
fungera
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
fundamentalism
adjective
1. aan de basis staande
fundamental
/
fʏt/
noun
1. de benodigde energie en zin ergens voor
energi
noun
1. bepaald soort watervogel, Podiceps cristatus
skäggdopping
/
ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
fysik
adjective
1. door de natuur bepaald, de natuurlijke verrichtingen van levende wezens of hun organen betreffend
fysiologisk
noun
1. plantaardig plankton
fytoplankton
/
føn/
noun
1. een toestel dat een warme luchtstroom voortbrengt voor het drogen en opmaken van het kapsel
föhn
/
ɣaːj/
noun
1. middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, Garrulus glandarius
nötskrika
/
ɣaːn/, /
χaːn/
verb
1. zich in een bepaalde richting bewegen
gå
åka
noun
1. bepaald soort parasitaire nematode die de luchtpijp van zekere vogels infecteert, Syngamus trachea
gapemask
noun
1. instelling die gratis voedsel beschikbaar stelt
soppkök
/
'ɣa.bɔn/, /
ɣa.'bɔn/, /
χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
Gabon
adjective
1. op Gabon betrekking hebbend
gabonesisk
/
ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
gadolinium
/
ˈɣɑ.fəl/, /
ˈɣɑ.fəɫ/, /
ˈχɑ.fəɫ/
noun
1. rondhout
gaffel
noun
1. een trapeziumvormig zeil dat aan de bovenkant uitgehouden wordt door een gaffel
gaffelsegel
noun
[A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
galla
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
Galater
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
gallblåsa
noun
1. een loodsulfide met de chemische formule PbS
blyglans
/
χɑlx/
noun
1. houten constructie bestaande uit één of meer staande balken met een horizontale balk haaks daarop en één of meer diagonale balken ter ondersteuning, in het verleden veel gebruikt om mensen door ophanging ter dood te brengen
galge
noun
1. de laatste maaltijd die een ter dood veroordeelde mag nuttigen
sista måltid
pronoun
1. Romaanse taal gesproken in Galicië
galiciska
/
ɣɑˈlisɪə/, /
ʝɑˈlisɪə/
pronoun
- 1. Spaanse regio
Galicien
- 2. historische landstreek
Galizien
noun
1. historisch zeilschip
galeon
pronoun
1. uitgestorven taal
Galliska
gallisk
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
gallium
noun
1. de snelste gang van een paard
galopp
noun
1. een vaste structuur in de galwegen of de galblaas bestaande uit neergeslagen cholesterol, bilirubine of kalkzouten
gallsten
adjective
1. door een elektrochemisch proces aangebracht
galvanisk
/
ˌɣɑɫvaniˈzeːrə(n)/
verb
1. een laag zink opbrengen
galvanisera
/
'ɣɑm.bi.ja/, /
'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Gambia
noun
1. mannelijke gans (Anser en Branta)
gåshanne
noun
1. lange smalle ruimte
korridor
/
'ɣɑŋbar/
adjective
1. wat gebruikelijk is
gängse
noun
1. zenuwknoop
ganglion
/
ˈɣɑŋ(g).pɑd/, /
ˈɣɑŋ.pɑt/, /
ˈχɑŋ.pɑt/
noun
1. een pad voor wandelaars, voetpad
genomgång
/
ˈgɛŋstər /
noun
1. een lid van een criminele organisatie
gangster
/
ˈɣɑnəf/
noun
1.
missdådare
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
gås
noun
1. orgaan dat een grote rol speelt in de stofwisseling van een gans (Anser anser), na het slachten vaak gegeten als delicatesse
gåslever
/
ˈɣa.pə(n)/, /
ˈɣaː.pə(n)/, /
ˈχa.pə(n)/
verb
- 3. wijd openstaan
- 2. met open mond vol verwondering ergens naar kijken
gapa
/
ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
1. een overdekte autostalling
garage
/
ɣarɑndɪːrə(n)/
verb
1. de uitkomst ergens van verzekeren
ansvara för
/
ɣa'rɑn(t)si/, /
ɣa'rɑnsi/
noun
1. verklaring waarin men verklaart voor bepaalde gevolgen in te staan
garanti
noun
1. bewegelijke pasvorm waaraan de trekstrengen bevestigd worden om het halsjuk uit te balanceren
svängel
noun
1. samengebonden bundel halmen
kärve
/
ɣɑs/, /
χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
gas
noun
1. een buis waardoor verschillende materialen in gasvorm vervoerd kunnen worden
gasledning
noun
het rechter pedaal van een auto waarmee de brandstoftoevoer naar de motor geregeld wordt
gaspedal
/
ɣɑst/, /
χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
gäst
noun
1. iemand die tijdeljk naar een ander land komt om daar arbeid te verrichten
gästarbetare
noun
1. een boek of elektronische versie daarvan waarin bezoekers hun opmerkingen achter kunnen laten
gästbok
noun
- 1. een man
- 2. (biologie) een organisme
värd
noun
1. maagwandontsteking
gastrit
noun
gastroenterit
mag-tarmkatarr
adjective
1. met betrekking tot maag en darm
gastrointestinal
/
ɣɑstˈfrɛɪ/, /
ʝɑstˈfrɛː/
adjective
1. gul in het onthalen of herbergen van gasten
gästfri
/
ɣɑt/, /
χɑt/
noun
1. opening
hål
noun
1. politieke beweging in Frankrijk ontstaan na de Tweede Wereldoorlog gekenmerkt door een sterke nationale republiek, eenheid en een sterk presidentschap
Gaullism
noun
- 1. een bijzondere aanleg
- 2. een geschenk
begåvning
pronoun
1. exclave van Palestina tussen Egypte, Israël en de Middellandse Zee
Gazaremsan
noun
1. benaming voor slanke hoefdieren
gasell
/
ɣə/, /
χə/
personalPronoun
1. tweede persoon enkelvoud. In Nederland verouderd, maar in België in dagelijks gebruik.
du
/
xəˈbar/
noun
1. een beweging waarmee men iets wil zeggen
gest
verb
1. communiceren door het maken van gebaren
gestikulera
/
ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
bön
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
bergskedja
/
ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
ske
hända
noun
1. iets dat zich voordoet
evenemang
/
ɣəˈbit/, /
χəˈbit/
noun
1. een deel van het aardoppervlak
område
noun
1. alle tanden en kiezen van een dier of mens
bett
/
ɣəˈboːrtə/, /
χəˈbo̝ːrtə/
noun
1. actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint
födelse
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel geboorten er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
nativitet
noun
1. een opvallende tijdelijke toename in het aantal geboorten
babyboom
/
ɣəˈboːr.təˌkɛrk/, /
χəˈbo̝ːr.təˌkɛrk/
pronoun
1. een kerkgebouw in Bethlehem op de Westelijke Jordaanoever op de plaats waar Jezus geboren zou zijn
Födelsekyrka
adjective
- 1. ter wereld gebracht, gebaard
- 2. begonnen, ontstaan
- 3. door herkomst of natuurlijke aanleg
född
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
byggnad
bygge
hus
/
ɣəˈbroːkən/, /
χəˈbroːkən/
adjective
bruten
noun
2. toepassen van iets
bruk
användning
adjective
1. naar gewoonte, zoals men regelmatig doet
bruklig
/
ɣəˈbrœʏkən/, /
χəˈbrœʏkən/
verb
1. zich bedienen van, toepassen
använda
bruka
begagna
/
ɣə'brœːkər/, /
χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
användare
noun
1. meestal schriftelijke instructie die bij een product wordt gegeven
bruksanvisning
/
ɣə'dɑɣdə/, /
ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
tanke
noun
1. een reeks op elkaar volgende denkstappen
tankegång
/
ɣəˈdɑɣdəˌstreːp/, /
χəˈdɑχtəˌstrep/
noun
1. leesteken in de vorm van een half kastlijntje
tankstreck
/
ɣəˈdeltələk/, /
ʝəˈdeltələk/
adjective
delvis
adjective
- 2. in de natuur als zodanig voorkomend
gedigen
- 1. degelijk, grondig
grundlig
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
dikt
poem
/
ɣə'dɛɪə(n)/
verb
1. voorspoedig groeien
frodas
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
beteende
uppförande
sätt
verb
1. zich ~: de manieren die iemand meest in de omgang met anderen aan de dag legt
agera
/
xə'drɑxswɛizə/
noun
1.
beteende
/
ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
tålamod
/
gə'dʌldəx/
adjective
1. bereid te wachten en tegenslagen te verdragen
tålmodig
preposition
tijdens
genom hela
/
ɣeːl/, /
ɣeːɫ/, /
χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
gul
/
ɣeːl/, /
ɣeːɫ/, /
χeɪɫ/
noun
1. kleur tussen oranje en groen
gul
indefinitePronoun
1. ontkennend onbepaald lidwoord: tegenovergestelde van één, niet een
ingen
inget
/
ɣer/
noun
1. heraldisch element
giron
/
ɣeːst/, /
χeːst/
noun
- 1. dat wat zich afspeelt in iemands gedachten
- 2. een onsubstantieel wezen
ande
adjective
1. met humor, gevat
fyndig
/
ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
gäspa
adjective
1. met geren bezet
gironnerad
/
ɣəˈɣevə(n)/, /
χəˈχevə(n)/
noun
1. een bekend geval of feit
uppgift
noun
1. iemand met een beperking van lichamelijke, verstandelijke, psychische en/of sociale aard
funktionshindrad
/
ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
hemlig
/
ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
hemlig
noun
- 1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
- 2. snel toegankelijke plaats om data op te slaan
minne
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
hörsel
adjective
1. voorzien van horens
behornad
/
ɣə'hoːrzam/, /
ɣə'ɦoːrzam/, /
χə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. bereid gehoor te geven aan regels of bevelen
lydig
verb
1. gevolg geven aan een opdracht of bevel
lyda
noun
1. instrument voor het meten van radioactieve straling
geigerräknare
/
ˈɣɛɪ̯t/, /
ˈɣɛːt/, /
ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
get
noun
voedzaam vocht dat tepels van een geit afscheiden
getmjölk
/
ɣɛk/, /
χɛk/
adjective
- 2. bezittende een zeer lage intelligentie, krankzinnig
- 4. knettergek
galen
sjukt
noun
1. lawaai ontstaan door onenigheid
käbbla
noun
2. een product om haar mee in model te houden
gel
/
ɣəˈlɑx/
noun
1. het lachen
skratt
/
ˈɣɛlt/, /
ˈχɛlt/
noun
1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
pengar
/
ˈɣɛldərˌlɑnd/, /
ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /
ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Gelderland
adjective
1. waarvan de waarde of wettigheid erkend wordt
giltig
noun
1. de besteding van geld aan minder voordelige doeleinden dan mogelijk zou zijn geweest
slöseri med pengar
noun
1. bepaalde infectieziekte, veroorzaakt door het gelekoortsvirus
gul feber
/
ɣəˈledə(n)/, /
χəˈledə(n)/
adverb
1. een woord om aan te duiden dat iets zich in het verleden af heeft gespeeld
sedan
/
ɣə.let.ˈpo.tə.ɣə/, /
ɣə.ˈleːd.ˌpoː.ti.ɣə/, /
χə.let.ˈpo.tə.χə/
noun
1. een dier met een uitwendig skelet van chitine
leddjur
adjective
1. zich veel aan studie gewijd hebbend
lärd
noun
1. iemand die onderricht en bekwaam is in een bepaalde tak van de wetenschap
forskare
/
ɣǝ.'le.ɣǝn.ɦɛjt/
noun
1. mogelijkheid tot
tillfälle
noun
- 1. elektrische stroomgeleider
- 2. warmtegeleider
ledare
/
ɣəlɛɪkˈaːrdəx/, /
ʝəlɛkˈaːrdəx/
adjective
1. vele overeenkomsten vertonend
likartad
/
ɣəlɛɪgˈbenəx/
adjective
1 & 2.
likbent
noun
1. de mate waarin iets of iemand aan een ander doet denken
likhet
noun
1. het op hetzelfde moment plaatsvinden van meerdere gebeurtenissen
samtidighet
adjective
1. alle zijden gelijk in lengte
liksidig
/
ɣə'lɔftə/
noun
1. een plechtige verklaring iets voortaan te zullen doen of na te zullen laten
löfte
/
ɣəˈlof/, /
χəˈlof/
noun
1. godsdienst
religion
noun
1. de mate waarin iets of iemand verdient geloofd te worden
trovärdighet
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
tro
/
ɣə.ˈlo.vi.ɣə/, /
ɣə.ˈlo.və.ɣə/, /
χə.ˈlo.və.χə/
noun
1. iemand die een bepaald geloof aanhangt
troende
adjective
1. zodanig geïsoleerd dat geluiden niet binnen kunnen dringen of de ruimte verlaten
ljudisolerad
noun
1. Geluidsoverlast
buller
noun
1. (filmkunst) film met geluid dat hoort bij de beelden die men ziet
ljudfilm
noun
1. Geluidsoverlast
buller
/
ɣəˈlɵk/, /
χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
lycka
tur
adjective
1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
lycklig
adverb
1. op een gelukkige manier
lyckligtvis
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
ingefära
noun
1. fijngemalen gedroogde wortels van Zingiber officinale
ingefärapulver
noun
- 1. het met één of meer andere deel hebben aan iets
- 3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
gemenskap
- 2. samenleving
samhälle
/
ɣəmenˈsxɑpələk/, /
χəmenˈsχɑpələk/
adjective
3. gerelateerd aan meer dan een entiteit
gemensam
/
ɣəˈmentə/, /
ɣəˈmeɪntə/, /
ʝəˈmentə/
noun
- 2. gezamenlijke gelovigen
församling
- 1. bestuurlijke eenheid
kommun
noun
1. gemeenschap van onafhankelijke landen
samvälde
/
ɣəˈmɪdəld/, /
ɣəˈmɪdəlt/, /
χəˈmɪdəɫt/
adverb
1. in de meeste gevallen
i genomsnitt
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
medeltal
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Gemmingen
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
gems
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
gen
noun
1. de laatste slag toegebracht aan een zwaargewonde vijand om hem uit zijn lijden te helpen
nådaskott
/
ˈdʒɛndər/
noun
1. sekse
socialt kön
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
genealogi
släktforskning
/
γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
medicin
noun
1. iemand die het bevel heeft over een leger
general
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
generation
/
ˌɣenəˈratɔr/, /
ˌχenəˈratɔr/
noun
1. een apparaat of persoon die iets genereert (doet ontstaan)
generator
adjective
3. tot een geslacht behorend
generisk
pronoun
Första Moseboken
Första Mosebok
noun
1.de wetenschap van alles wat de werking van genen betreft, in het bijzonder erfelijke overdracht
genetik
/
ɣəˈnetis/
adjective
1. gerelateerd aan de erfelijkheid
genetisk
noun
1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
geni
verb
1. voordeel hebben van iets
åtnjuta
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
genitiv
indefinitePronoun
nog
tillräckligt
/
xəˈnom/
noun
1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme
genom
noun
1. het geheel van genetische kenmerken dat een soort onderscheidt
genotyp
noun
1. categorie in een kunstvorm
genre
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
gnista
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
Gent
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Genua
noun
1. Grammaticaal geslacht
genus
pronoun
2. stad in Zwitserland
Genève
noun
1. een meetinstrument in de vorm van een driehoek met een maatverdeling en een gradenboog
gradskiva
noun
1. aardrijkskunde
geografi
adjective
1. op de geologie betrekking hebbend
geologisk
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
geometri
noun
1. futensoort met zwarte nek, zwarte kop en een goudgele oorpluim, Podiceps nigricollis
svarthalsad dopping
/
ɣeˈjɔrɣis/, /
ɣeˈjɔrɣɪs/, /
χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
georgiska
georgisk
/
ɣeˈjɔrɣi.jə/, /
χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
Georgien
/
ˈɣeː.rɑrd/, /
ˈɣeː.rɑrt/, /
ˈχɪː.rɑrt/
pronoun
1. jongensnaam
Gerhard
noun
- 2. rechtbank, de rechter
domstol
rätt
- 1. een bepaald soort voedsel op een bepaalde wijze bereid
maträtt
rätt
noun
1. afsluitbare bak waarin gereedschap opgeborgen en bijeengehouden wordt
verktygslåda
/
ɣɛrˈmaːns/, /
χɛrˈmans/
adjective
- 1. betrekking hebbend op de taal der Germanen of de talen die er van afstammen
- 1. op de Germanen betrekking hebbend
germansk
/
ɣɛrˈmaːns/, /
χɛrˈmans/
pronoun
1. taal zoals die eertijds door de Germanen gesproken werd
germansk
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Duits of gevormd naar het Duits
germanism
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
germanium
/
ɣə.ˈru.zə.ˌmus/, /
χə.ˈru.zə.ˌmus/
noun
1. een achtergrondgeluid bestaande uit veel door elkaar sprekende stemmen
sorl
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
korn
noun
2. wit korreltje op het ooglid
milier
/
ɣə'rɵxt/
noun
- 2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
- 1. lawaai; een klein geluid
rykte
noun
1. zelfstandig gebruikte verbogen infinitief
gerundium
/
ɣəˈsxɛŋk/, /
ʝəˈsçɛŋk/
noun
1. iets dat men geeft
gåva
present
/
ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
historia
adjective
1. met de juiste eigenschappen
lämplig
noun
1. geweldloos conflict
tvist
/
ɣə'sxɵpt/
adjective
1. bedekt met schubben
fjällig
/
ˈɣeː.zəl/, /
ˈχe.səɫ/
noun
1. werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaat
gissel
/
ɣesələ(n)/
verb
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
piska
/
χəˈslɑχt/
noun
- 4. grammaticaal geslacht
genus
kön
- 2. geslachtsorganen
kön
- 3. (biologisch) genus
släkte
- 5. afstammelingen van één persoon
ätt
noun
könsidentitetsstörning
/
ɣəˈslɑxtsɔrɣaːn/, /
ʝəˈslɑxtsɔrʝaːn/
noun
1. lichaamsdeel
könsorgan
/
ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
spänne
adjective
- 3. ongemakkelijk, blijk gevend van stress, het punt van (uit-)barsten naderend
- 1. strak uitgerekt
- 2. in hoge mate werkzaam
spänd
adjective
1. met sterk ontwikkelde stevige spieren
muskulös
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
samtal
konversation
adjective
1. geleidelijk maar persistent
stadig
adverb
1. op gestage wijze
beständig
noun
1. een verticale vlakke constructie van stenen of houtsblokken zonder mortel tussen de stenen of blokken.
kallmur
/
ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
bergart
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis, Alburnoides bipunctatus
strömlöja
/
ɣəˈstɔːrt/, /
χəˈstɔːrt/
adjective
1. geen normale functionering van de geest hebbend
störd
adjective
1. talent hebbend
begåvad
noun
1. een elektrische centrale die functioneert op het verschil tussen eb en vloed
tidvattenkraftverk
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) elektrische centrale die werkt door middel van getijdenstromen ontstaan door het hoogteverschil tussen eb en vloed
tidvattenkraftverk
adjective
1. voltooid deelwoord van trouwen
gift
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
vittne
verb
1. een veelal beëdigde verklaring afleggen ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
vittna
/
ɣøːr/, /
χøːr/
noun
1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
doft
/
ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
fara
/
ɣəˈvarlək/, /
ɣəˈvaːrlɪk/, /
χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
farlig
noun
1. iemand die gevangen genomen is
fånge
/
ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
fängelse
noun
1een driehoekige rode reflector
varningstriangel
/
ɣəˈvɛxt/, /
χəˈvɛxt/
noun
1. een handgemeen
fajt
/
ˈɣevə(n)/, /
ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
ge
giva
adjective
1. met vleugels
bevingad
noun
1. gewaarwording
känsla
noun
- 1. een aandoenlijkheid
- 2. de nauwkeurigheid van instrumenten
känslighet
/
ɣəˈvɔlx/, /
ɣəˈvɔɫx/, /
χəˈvɔɫχ/
noun
1. iets dat voortkomt uit iets anders
konsekvens
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
horn
hjorthorn
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
våld
noun
1. een daad van geweld
övergrepp
/
ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
samvete
/
ɣəˈʋɪxt/, /
χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
tyngd
vikt
noun
1. een sport waarbij de beoefenaars proberen om zware gewichten op te heffen die aan stalen staven zijn bevestigd
tyngdlyftning
/
xə'wɪxthɛfər/
noun
1.
tyngdlyftare
noun
1. het minder worden van de massa van een persoon of voorwerp
viktförlust
noun
1. Delphinus delphis, waarschijnlijk de meest bekende soort dolfijn na de tuimelaar
Delfin
noun
1. bepaald soort loofboom, Acer pseudoplatanus
tysklönn
noun
1. Balaenoptera physalus, een groot zeezoogdier, lang en gestroomlijnd met puntige kop
sillval
noun
1. bepaald soort zoogdier, Phoca vitulina
knulb säl
/
ɣəˈwoːn/, /
ɣəˈβ̞oːn/, /
χəˈʋon/
adjective
vanlig
noun
1. Galanthus nivalis, een vroegbloeiend bolgewas met witte bloempjes
snödroppe
adverb
1. zoals de ervaring leert dat het meestal is
vanligen
vanligtvis
/
ɣəˈwoːntə/, /
ɣəˈβ̞oːntə/, /
χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
vana
noun
2. alle zinsdelen behalve het onderwerp
predikat
noun
2. middeleeuwse ambachtsman in een gilde die nog niet de rang van meester of baas had verworven
gesäll
/
χəˈzɛləx/
adjective
- 3. knus
- 2. sociaal aangenaam
- 4. leuk, onderhoudend
mysig
/
ɣə'zɛlsxɑp/
noun
- 3. een vereniging met een bepaald doel
samhälle
- 1. een groep mensen die iets gemeen hebben
sällskap
noun
1. de voorkant van een menselijk hoofd
ansikte
/
xə.ˈzɔnt/, /
ɣə.ˈzɔnt/
adjective
- 1. vrij van ziektes en zeertes
frisk
hälsosam
- 2. bevorderlijk voor een goede conditie
sund
frisk
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
hälsa
noun
1. het volledige fysieke, spirituele en sociale welzijn
hälsotillstånd
verb
1. betrokken
inblandad
/
'ɣa.na/, /
'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
Ghana
adjective
1. op Ghana betrekking hebbend
ghanansk
/
ɣɪts/, /
χɪts/
noun
persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
guide
/
ˈɣixələ(n)/
verb
1. een snelle, wat ingehouden vorm van lachen
fnissa
noun
1. rondhout bevestigd aan het onderlijk van een zeil
bom
/
ɣiːr/, /
χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
gam
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
snål
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
hirs
/
ˈɣirˌzʋalyw/
noun
1. bepaald soort vogel, Apus apus
tornseglare
tornsvala
noun
1. een soort emmer met sproeibuis om de planten te begieten
vattenkanna
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het gieten van metalen voorwerpen
gjuteri
/
ɣɪf/, /
χɪf/
noun
1. substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
gift
/
ˈɣɪf.ɣrun/, /
ˈχɪf.χrun/
adjective
giftgrön
/
'ɣɪftɑnt/
noun
1. tand waarmee bij een beet gif in het slachtoffer ingespoten wordt
gifttand
/
ˈɣɪftəx/, /
ˈχɪftəx/
adjective
1. gif bevattend
giftig
noun
1. een miljard watt
gigawatt
/
ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /
ˈɣɛːzəlaːr/, /
ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
gisslan
noun
1. het gevangen houden of nemen van iemand ten einde iets af te dwingen
gisslantagande
/
ˈɣɪldə/, /
ˈχɪɫdə/
noun
gille
noun
1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
gips
/
ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
giraff
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
giraff
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
jäst
/
ˈɣɪstər/, /
ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
i går
igår
/
ˈɣɪstərə(n)/, /
ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
i går
igår
/
ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
gitarr
verb
1. door strijken glad of effen maken
glätta
noun
1. betoverend uiterlijk, schone schijn
glamour
noun
1. Poecile palustris, een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae)
entita
verb
1. in zekere mate licht weerspiegelen of voortbrengen
blänka
glänsa
reflektera
/
ɣlɑs/, /
χlɑs/
noun
- 2. op basis van SiO₂
- 3. om uit te drinken
- 1. niet-kristallijne vaste stof
glas
noun
1. glasharmonica
glasharmonika
noun
isolatiemateriaal gemaakt van glas
glasull
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
glaukom
verb
- 1. met een laag glazuur bedekken
- 2. met een laag glanzende suiker bedekken
glasera
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
glaciär
jökel
/
ˈxlɛɪdə(n)/, /
ˈɣlɛːdə(n)/
verb
1. met geringe wrijving gericht voortschuiven
glida
noun
1. toestel met vleugels, maar zonder motor dat vanaf een hoogte langzaam daalt onder een vlakke hoek
glidflygplan
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
leende
/
'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
le
noun
1. een nachtelijk lichtgevend kevertje uit de familie Lampyridae
lysmaskar
lysmask
/
ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
glödlampa
/
ˈɣlɔtɪˌslɑx/
noun
1. een klank die met de stembanden in de keel geproduceerd wordt en tot de plosieven gerekend wordt
glottal klusil
glottisstöt
/
ˈɣlyː.rə(n)/
verb
1. in het geheim aandachtig naar iemand kijken
snegla
spana
/
ˌɣlikɔˈɣen/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
glykogen
noun
1. een metamorf gesteente met verschillend gekleurde banden of aders
gnejs
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
gnu
noun
1. mythologisch wezen dat lelijk, klein van stuk is en meestal een baard heeft
gnom
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Goa
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
Gud
/
ɣɔd/, /
ɣɔt/, /
χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
gud
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
gudom
pronoun
1. benaming voor het vrouwelijk opperwezen
Gudinna
noun
1. een vrouwelijke godheid
gudinna
noun
1. een geloof en alle daar bij horende rituelen en doctrines
religion
noun
1. belediging of bespotting van God/een godheid
blasfemi
adjective
1. lasterlijk ten opzichte van God
blasfemisk
adjective
1. kwaliteit bezittend
god
bra
adverb
1. op goede wijze
bra
väl
noun
1. iets concreets of abstracts dat men in bezit kan hebben
bra
/
ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
Långfredag
långfredag
/
ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
god morgon
interjection
avondwens
god natt
go'natt
natti
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
god kväll
god afton
god natt
noun
1. trein die uitsluitend is bestemd om goederen te vervoeren
godståg
noun
1. het al te veel vertrouwen hebben in wat mensen zeggen
godtrogenhet
noun
1. de hoedanigheid van het goed zijn
godhet
verb
1. toestemming verlenen
godkänna
adjective
1. laag in prijs
billig
/
ɣɔk/, /
χɔk/
noun
- 2. een keuze zonder het juiste antwoord te weten
chansning
- 3. neus
kran
/
ˈɣɔkən/, /
ˈχɔkən/
verb
1. iets van waarde, veelal geld, inzetten op de mogelijke uitkomst van iets onzekers
hasard
/
gɔlf/, /
χɔl(ə)f/
noun
- 4. grote baai
golf
bukt
- 1, 2 en 3
våg
bölja
- 1. balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
golf
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
Mexikanska golfen
noun
verpakkingsmateriaal, bestaande uit één of meer lagen dun, gegolfd karton
wellpapp
/
ˈɣɔndəl/
noun
1. een pleziervaartuig in Venetië
gondol
noun
1. een hangend slagwerk
gonggong
noun
1. een geslachtziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Neisseria gonorrhea
gonorré
/
ˈgu:gələ(n)/, /
ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /
ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
googla
/
χot/
noun
1. lid van een Oost-Germaans volk
got
/
ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
diskbänk
noun
1. een band die om het middel gedragen wordt
bälte
noun
1. zoogdier met pantser van beweegbare schubben uit de familie Dasipodidae
bältdjur
/
ɣɔrˈdɛːn/, /
χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
gardin
noun
1. (bouwkunde) houten dwarsbalk of ligger
bjälke
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
gorilla
/
ɣɔrs/, /
χɔrs/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Emberizidae
fältsparv
pronoun
1. de uit de oostelijke tak van de Germaanse talen stammende en uitgestorven taal der Goten uit de eerste...
gotiska
/
ˈɣɔtlɑnt/, /
ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
Gotland
/
ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
guld
noun
1. Physalis peruviana
kapkrusbär
phraseologicalUnit
guldmedalj
noun
1. bepaald soort klein vogeltje met een goudkleurig kruintje Regulus regulus
kungsfågel
adjective
1. met goudkleurig haar.
guldhårig
noun
1. soort plevier, Pluvialis apricaria
ljungpipare
noun
1. een smid die met goud werkt
guldsmed
noun
1. bepaald soort vogel, Pyrrhul pyrrhula
domherre
/
ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /
ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /
ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
guldfisk
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
gulasch
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
guvernör
ståthållare
noun
1. eenheid om hoeken te meten
grad
noun
1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
greve
/
ɣrax/, /
χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
gärna
interjection
1. beleefd antwoord nadat je bedankt bent
det var så lite
noun
1. een instrument waarmee een hoek van een gekende grote uitgezet of gemeten kan worden
gradskiva
/
ɣrɑf/, /
χrɑf/
noun
- 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
- 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
grav
noun
in plaatjes gekristalliseerde koolstof
grafit
noun
- 1. het binnengaan van een graf of tombe met als doel er artefacten...
- 2. het binnengaan van een graf of tombe om het lichaam van een begravene te onteren...
gravplundring
noun
1. op een grafsteen gegraveerde korte tekst, gewijd aan de overledene
epitafium
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
gravsten
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
gram
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
grammatik
noun
- 5. groep kubische mineralen
- 2. met springlading gevuld projectiel
granat
noun
1. wapen, of deel van een wapen, bestemd voor het lanceren van stuwloze ontploffende projectielen
granatkarbin
/
ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
granit
/
ˌɣranyloˈsit/
noun
1.
granulocyt
/
ɣrɑp/, /
χrɑp/
noun
1. verhaal dat of handeling die erop gericht is om de lachlust op te wekken
skämt
vits
skoj
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
grapefrukt
grape
noun
1. sap van de vrucht van de boom Citrus paradisi
grapefruktjuice
noun
1.een Italiaanse alcoholische drank
grappa
/
ˈɣrɑpəχ/
adjective
1. de lust tot (glim-) lachen opwekkend
rolig
noun
- 1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
- 1.1 benaming voor planten uit de familie Poaceae die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien
gräs
/
ɣrɑsmajər/
noun
gräsklippare
noun
1. Sylvia communis, een zangvogel uit de familie zangers Syviidae
törnsångare
noun
1. Anthus pratensis, een zangvogel uit de familie Motacillidae
ängspiplärka
/
ˈɣrɑsvɛlt/, /
ˈɣrɑzvɛld/, /
ˈχrɑsvɛɫt/
noun
1. een veld dat door met name gras wordt begroeid
gräsmatta
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
gratis
adjective
1. donkergrijs, kleurloos
grå
noun
1. bepaalde soort grijsbruine vogel met oranje snavel, Anser anser
grågås
noun
1. bepaalde soort roofvogel, Circus pygargus
ängshök
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
gräva
verb
1. met een scherp gereedschap iets krassen in glas of metaal
gravera
noun
1. vrouwelijke graaf
grevinna
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
gravitation
noun
2. decoratie in metaal, glas of edelsteen gesneden
gravyr
/
'χrazə(n)/
verb
1. het eten van gras en andere bodemvegetatie zoals bijvoorbeeld runderen dit doen
beta
/
ɣre.ˈna.da/, /
ɣrɛ.ˈna.da/, /
χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Grenada
adjective
op Grenada betrekking hebbend
grenadier
noun
- 2. de raaklijn tussen twee landen
- 1. een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
gräns
/
ɣrik/, /
χrik/
noun
1. inwoner van Griekenland
grek
/
ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /
ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /
ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
Grekland
/
ɣriks/, /
χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
grekiska
grekisk
noun
3.bepaald soort zeezoogdier, Globicephala melas
grindval
/
ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
influensa
flunsa
noun
1. grof gemalen meel
mannagryn
/
ɣrit/, /
χrit/
noun
C. vissoort
slätvar
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
grip
verb
1. plotseling iets of iemand beetpakken
gripa
adjective
1. de kleur grijs hebbend
grå
adjective
1. gelijkend op, of eigenschappen hebbend van grijs
gråaktig
/
ɣrɛɪsˈɦarəx/
adjective
1. met grijs haar
gråhåret
gråhårig
noun
1.
grå långörad fladdermus
noun
1. stevige zwarte walvis, met bolvormig voorhoofd en een heel kleine snuit
gråval
noun
1. bepaald soort zoogdier, Halichoerus grypus
gråsäl
noun
onredelijk en willekeurig gedrag
infall
/
ˈgrɪzliˌbeːr/, /
ˈɣrɪzliˌbeːr/
noun
1. Ursus arctos horribilis, een Amerikaanse ondersoort van de bruine beer.
grizzlybjörn
/
ɣruj/, /
χruj/
noun
1. het groter worden
växt
/
ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
växa
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
grön
grönt
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
grön
grönt
noun
- 1. groen verkeerslicht
- 2. toestemming
grönt ljus
/
ˈɣru.nə ˈbom.bo.a/, /
ˈχru.nə ˈbom.bo.a/
noun
1. een grote groene slang die voorkomt in delen van Zuid-Amerika
smaragdboa
/
ˈɣru.nə ˈɦɔnts.kɔp.bo.a/, /
ˈχru.nə ˈɦɔnts.kɔp.bo.a/
noun
1. een grote groene slang die voorkomt in delen van Zuid-Amerika
smaragdboa
noun
1. Picus viridis
gröngöling
/
ˈɣrun.lɑnd/, /
ˈɣrun.lɑnt/, /
ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
Grönland
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Balaena mysticetus
Grönlandsval
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
grönsak
/
ɣrup/, /
ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
grupp
verb
1. in groepen stellen
gruppera
noun
1. sociale druk
grupptryck
noun
1. verkrachting door een groep personen
gruppvåldtäkt
/
ˈɣrut/, /
ˈχrut/
noun
1. een uiting waarbij men elkaars aanwezigheid erkent wanneer men elkaar ontmoet
hälsning
/
ˈɣrutə(n)/
noun
1. iemand goedendag of gedag zeggen
hälsa
noun
1. mijnbouw) een mijn waar delfstoffen gewonnen worden, onderaards of dagbouw
grop
/
ɣrɔk/, /
ɣrɔx/
noun
1. alcoholisch mengsel van rum, suiker en heet water
grogg
verb
1. een dreigend geluid voortbrengen
morra
noun
1. het gebied waarover een instantie of overheid het beheer heeft
territorium
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
grundvatten
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
grundlag
konstitution
/
ˈɣroːˌnɪŋə(n)/, /
ˈχroˌnɪŋə(n)/
pronoun
- 1. hoofdstad van de provincie Groningen
- 2. gemeente in de provincie Groningen waarin de stad Groningen ligt
- 3. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Drenthe en het Duitse Oost-Friesland wordt begrensd
Groningen
/
ɣroːt/
adjective
- 1. meer dan normaal in formaat
- 2. bewonderenswaardig, goed
- 3. machtig, belangrijk
stor
/
ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /
ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
Storbritannien
noun
1. bedrijf dat in het groot handelt, dat aan de detailhandel levert
grosshandel
noun
1. adellijke titel die hoger is dan die van hertog maar lager dan die van koning
storhertig
noun
1. een moeder van een ouder
farmor
mormor
/
ˈɣrotˌʌʊdər/
noun
1. de ouder van een ouder
[[farförälder|far-]] eller morförälder
adjective
1. verheven, groot van opzet
grandios
/
ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
farfar
morfar
noun
3. groothertog
storfurste
noun
- 1. in de klassieke zeilvaart de onderste, grootste zeil aan de grote mast
- 2. in de moderne zeilvaart het zeil bevestigd met het voorlijk aan de achterkant van de (grootste) mast
storsegel
/
ɣrɔt/
noun
1. een onderaardse holte
grotta
pronoun
1. hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk zichtbaar sterrenbeeld
Karlavagen
noun
1. bepaald soort vrij grote vogel met zwarte rug- en lichtere buikzijde, Dendrocopos major
större hackspett
noun
1. soort zeevogel van ongeveer 70 centimeter groot, Larus hyperboreus
vittrut
noun
1. de eindhersenen en de tussenhersenen vormen samen de grote hersenen
storhjärna
noun
1. Limenitis populi, een dagvlinder uit de familie Nymphalisdae
aspfjäril
noun
1. soort zeevogel, Larus marinus
havstrut
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
Stora sjöarna
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Stilla havet
noun
1. bepaald soort overblijvende plant, Sanguisorba officinalis
blodtopp
noun
1. Balaena mysticetus, grote massieve walvis met een kolossale kop
Grönlandsval
noun
1. bepaalde soort zeevogel, te herkennen aan zijn zwarte kuif en snavel met een klein geel puntje, Sterna sandvicensis
Kentsk tärna
phraseologicalUnit
1. een interval dat vier halve tonen omvat
durters
noun
1. Melanitta fusca, een vrijwel geheel zwarte eendensoort die voornamelijk op zee voorkomt
svärta
adjective
1. op afschrikwekkende wijze buitenissig
grotesk
/
ˈxrʏto/, /
ˈɣrʏto/
noun
1. bepaald soort weidevogel en een van de grootste steltlopers
rödspov
/
ˈxrywəl/
noun
1.
styggelse
/
'ɣryzələ'mɛntə(n)/
noun
1. stukken die ontstaan wanneer een voorwerp breekt
småbitar
noun
een dipsaus uit Midden-Amerika
guacamole
/
ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /
ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /
ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
Guatemala
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
guava
/
ɣi.ˈne/, /
χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
Guinea
/
ˌɣi.ne.bɪ.ˈsaʊ̯/, /
ˌɣi.ne.ˈbɪ.sɔʊ̯/, /
ˌχi.ne.ˈbɪ.sʌʊ̯/
pronoun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
Guinea-Bissau
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk in Gujerat gesproken wordt. De taal wordt nu ook in Uganda, Tanzania, Kenia en Pakistan gesproken
gujarati
adjective
1. vrijgevig
givmild
/
ɣɵlp/
noun
1. een door een strook stof afgesloten opening aan de voorzijde van een broek van de man,...
gylf
/
ɣɵnst/, /
χɵnst/
noun
1. het vrijwillig verlenen van een dienst of goed aan iemand om iemand ter wille te zijn
gunst
noun
1. een levendbarend tandkarpertje en aquariumvisje uit Zuid-Amerika
guppy
/
ɣi.ˈja.na/, /
ɣβ̞i.ˈja.na/, /
χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
Guyana
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
gymnastik
/
ˌɣiroˈskop/
noun
gyroskop
/
ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
Göttingen
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
häck
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
avenbok
/
haːɪ̯/, /
ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
haj
noun
2. elk van de tekens, rond of met hoeken, gebruikt in paren om woorden of getallen af te zonderen
parentes
noun
1. een naald die wordt gebruikt bij haakwerk
virknål
/
ˈɦal.mɛs/, /
ˈɦaɫ.mɛs/
noun
1. een groot mes om bomen mee te schillen
bandkniv
/
ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
höns
tupp
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
hår
hårstrå
personalPronoun
2. datief van zij, derde persoon enkelvoud
hennes
possessivePronoun
1. bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
henne
hennes
noun
1. plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
härd
noun
2. verticaal rooster om vonken en kooltjes die van een brandend haardvuur kunnen komen tegen te houden
brasskydd
noun
1. een doorgaans dunne speld waarmee het haar kan worden opgestoken.
hårnål
/
ˈharspɛldˌboχt/
noun
1. een zeer scherpe bocht in de weg, gelijkend op een haarspeld, die gebruikt wordt om op een beperkte ruimte sterke hoogteverschillen te overbruggen
hårnålskurva
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
hare
/
hast/
adverb
1. bijna
nästan
adjective
1. zich niet de tijd nemend
förhastad
/
ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
hat
pronoun
2. boek in de Bijbel
Habackuk
noun
1. iemand die zich onbevoegd toegang verschaft tot een computersysteem
hacker
/
haˈdejikʏm/
noun
hadeikum
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
hadron
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
hafnium
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
ödla
ödledjur
/
haɣəɫ/
noun
- 1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
- 2. verzameling van stukjes metaal -vaak lood- waarmee geschoten wordt in plaats van een kogel
hagel
noun
1. een bui met hagel
hagelskur
hagelby
verb
1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
hagla
noun
1. een vuurwapen om voornamelijk hagelpatronen mee af te schieten
hagelgevär
hagelbössa
/
ˈhaɣəlˌsten/
noun
1. een klontje ijs dat als neerslag uit de lucht komt
hagelkorn
noun
1. een bui waarin veel hagel valt en waarin het tijdelijk ook hard waait
hagelskur
pronoun
2. boek in de Bijbel
Haga
noun
- 3. werktuig om de grond mee open te hakken
hacka
- 1. hiel van de voet
klack
verb
3. bevestigen d.m.v. een haak
haka
/
ˈhaː.kə(n)ˌkrœys/
noun
hakkors
noun
1. houtgewas dat ieder 6-10 jaar gekapt wordt meestal om te gebruiken als brandhout
hult
/
ˈɦalə(n)/
verb
1. ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
hämta
/
ɦɑlf/
adjective
1. de helft zijnde
halv
adjective
1. gedeeltelijk automatisch
halvautomatisk
noun
1. een halfgeleider met een negatieve indirecte bandgap
halvmetall
adverb
1. halverwege de vlaggenstok
halv stång
/
ˈɦɑ.ləˌkɛrk/
noun
1. een kerk met meerdere beuken
hallkyrka
interjection
1. groet
hallå
verb
1. zinsbegoochelingen hebben
hallucinera
noun
1. stralenkrans die het hoofd van een heilige in afbeeldingen omgeeft
gård
noun
1. slagader in de hals
halspulsåder
/
ˈhɑɫtə/
noun
- 1. een plaats waar gestopt wordt
- 2. een plaats waar een bus stopt
hållplats
/
ɦɑm/
noun
1. vlees van de achterkant van een varken
skinka
/
ˈham.bʏr.ɣər/, /
ˈhɑm.bʏr.ɣər/, /
ˈhɑm.bʏr.χər/
noun
1. schijf gebraden gehakt
hamburgare
noun
1. gecastreerde ram
hammel
noun
- 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
- 2. een van de gehoorsbeentjes in het oor
hammare
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
hamster
verb
1. een voorraad aanleggen bij voedselschaarste
hamstra
/
ɦɑnt/
noun
1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
hand
/
ˈɦɑnt.ɑr.bɛɪ̯t/, /
ˈɦɑnt.ɑr.bɛːt/
noun
handarbete
/
ˈɦɑnt.buj/
noun
1. een paar aan elkaar verbonden afsluitbare ringen
handboja
/
ˈɦɑnt.buk/
noun
1. een boek waarin getracht wordt alle informatie nuttig voor een bepaalde bezigheid bijeen te brengen
handbok
noun
1. een doek waarmee men zich afdroogt
handduk
/
ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
handel
verb
- 1. iets doen, al of niet met de handen, optreden
agera
handla
- 2. handel drijven
handla
noun
1. datgene dat gedaan is
dåd
handling
pronoun
Apostlagärningarna
noun
2. deel van het privaatrecht m.b.t. handelszaken
handelsrätt
/
ˈɦɑn.dən.ɑr.bɛɪ̯t/, /
ˈɦɑn.dən.ɑr.bɛːt/
noun
handarbete
/
ˈhɑntɣəmen/
noun
handgemäng
verb
- 1. iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
bibehålla
- 2. krachtdadig in standhouden, naleving afdwingen
upprätthålla
noun
1. het leggen van de hand op iemands hoofd
handpåläggning
noun
1. met de hand bediende rem
handbroms
/
hɑnd.sxun/, /
ɦɑnt.sxun/, /
ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
handske
vante
noun
2. klein aantal
handfull
noun
1. door mensen georganiseerd gevecht tussen kamphanen waarbij de toeschouwers kunnen wedden op de uitkomst van het gevecht
tuppfäktning
/
ˈhanə(n)kɑm/
noun
1. Cantharellus cibarius, een eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak
kantarell
/
ɦɑŋ/
noun
1. de neiging tot iets
håg
noun
1. brug die is opgebouwd uit twee (soms één) hoge pijlers of pylonen waartussen een dikke kabel gespannen is...
hängbro
/
ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
hängmatta
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
hänglås
pronoun
1. stad in Duitsland
Hannover
noun
1. toneelfiguur, het meest overeenkomende Harlekijn
Kasper
noun
1. stad die deel uitmaakt van de Hanze
Hansestad
noun
1. voedsel of iets anders dat je door het openen en sluiten van je lippen in je mond krijgt
munsbit
adjective
1. betrekking hebbend op de tastzin
haptisk
phraseologicalUnit
1. (informatica) Vooralsnog het meest gebruikte externe geheugen in een computer
hårddisk
noun
1. en 2 grof gemalen meel van harde tarwe (Triticum durum)
durumvetegryn
/
'ɦɑrdər/
noun
1. Mugil curema, een straalvinnige vissoort
multe
adjective
1. door koken stijf geworden (met name van eieren)
hårdkokt
noun
1. een mannelijke beoefenaar van de hardloopsport
löpare
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
maskinvara
hårdvara
/
ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
sill
strömming
noun
1. bepaalde middelgrote haai en consumptievis, Lamna nasus
håbrand
sillhaj
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
kratta
noun
2. een grappig, koddig persoon in het algemeen
harlekin
/
hɑrˈpun/, /
ɦɑrˈpun/
noun
- 2. een speer met weerhaken
- 1. een grote pijl met weerhaken aan een touw
harpun
verb
1. het vangen van vissen door middel van een harpoen
harpunera
/
ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
kåda
noun
1. het afsterven van hartspierweefsel door afsluiting van een kransslagader of een tak hiervan
hjärtinfarkt
noun
1. verstopping van een kransslagader of een tak hiervan, leidend tot het afsterven van hartspierweefsel
hjärtinfarkt
noun
1. hartweefsel in de vorm van een vlies dat samengetrokken door een spiertje terugstromen van het verder gepompte bloed tegengaat
hjärtklaff
/
ˈhɑrtstɪlstand/, /
ˈhɑrtstɪlstɑnt/, /
ˈhɑrtstɪɫstɑnt/
noun
1. het stoppen van het kloppen van een hart
hjärtstillestånd
adjective
1. vorm van een hart hebbend
hjärtformad
noun
1. grafisch symbool #
hashtag
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
hassium
/
'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
hata
pronoun
1. taal die wordt gesproken door meer dan 85 miljoen mensen, vooral in Niger en Nigeria
hausa
/
ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
hamn
/
ˈɦaːvən.ˌɑrbɛidər /
noun
1. arbeider die in een haven werkt
hamnarbetare
noun
1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
havre
/
ˈhavərˌmɪːɫ/
noun
zeer fijn gemalen haver
havremjöl
noun
plantaardige melk op basis van hele haverkorrels
havredryck
havremjölk
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
havrefiber
noun
havervlokken
havregryn
havreflager
havreflingor
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
havrekli
/
ˈɦavɪk/
noun
- 1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
duvhök
- 2. iemand die graag oorlog wil voeren
hök
pronoun
1. Polynesische taal gesproken in de Amerikaanse staat Hawaï
hawaiiska
noun
1. een heester waaraan hazelnoten groeien
hassel
/
ˈɦa.zəlˌmœːs/, /
ˈɦa.zəɫˌmœʏ̯s/
noun
1. knaagdier in de familie van slaapmuizen, Muscardinus avellanarius
hasselmus
/
ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
hasselnöt
noun
1. pootloze hagedis (Anguis fragilis)
kopparödla
/
ˈhaː.zə(n)ˌlɪp/
noun
harmynthet
/
ha.ˈhi.ti/, /
ɦa.ˈi.ti/, /
ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Haiti
/
haʔitiˈjanskreˌjols/
pronoun
1. taal gesproken door 6 000 000 mensen
haitisk kreol
noun
1. hoofdtelefoon met ingebouwde microfoon
headset
/
ˈɦɛbə(n)/
verb
- 1. bezitten
ha
äga
- 1. voor voltooide tijd
ha
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
hebreiska
hebreisk
adjective
1. blijk gevend van hebzucht, hebberig
girig
adjective
1. zeer druk en chaotisch
jäktig
noun
1. 100 liter
hektoliter
noun
1. leer dat genot het hoogste goed is
hedonism
/
heːl/
adjective
1. niet stuk
hel
/
he.ˈlal/, /
ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
universum
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
Herre
Herren
/
hersə(n)/
verb
- 1. de macht uitoefenen
- 1. als epidemie aanwezig zijn in de bevolking
härska
noun
1. iemand die de macht uitoefent
härskare
/
ˈhes.tərˌslɑk/
noun
1. algemeen in Europa voorkomende landslakkensoort
fläcklundsnäcka
noun
1. een (meestal lijnvormige) aanplanting van struiken en/of bomen die dient om ruimten te scheiden
häck
noun
1. een zangvogel ter grootte van een huismus met opvallend grijs op de kop
järnsparv
/
ˈhɛɪ̯də/, /
ˈhɛːdə/
noun
1. een met heidekruid begroeide vlakte
hedmark
noun
1. mensen die geen jood of christen zijn
hedning
adjective
1. van de heidenen
hednisk
noun
1. bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis, Hippoglossus hippoglossus
hälleflundra
helgeflundra
noun
1. plaats of gebouw gewijd aan een god of godin
helgedom
noun
1. de pauselijke regering
Heliga stolen
noun
vergrijp aan iets heiligs
helgerån
/
'hɛɪmʋe/
noun
1. sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
hemlängtan
/
ɦɛk/
noun
1. omheining, afscheiding
staket
noun
1. werktuig gebruikt bij het verwerken van hennep of vlas
häckla
/
ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
häxa
/
ˈhɛksə(n)ˌjɑxt/
noun
1. het jagen op vermeende heksen
häxjakt
/
'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
helvete
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
tyvärr
noun
1. de durf en de kracht van mensen, die zich, met gevaar voor eigen leven, voor de goede zaak inzetten
heroism
noun
1. het heel moedig en dapper zijn
mod
/
'ɦelə(n)/
verb
1. gezond worden
hela
/
ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
helikopter
noun
1. overbezorgde vader of moeder die te veel wil nagaan en regelen wat een kind doet
curlingförälder
/
ˈhe.lɪŋ/
noun
2. het verkopen van gestolen goederen zonder dat de verkoper ze zelf gestolen heeft
häleri
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
helium
noun
1. lang middeleeuws wapen
hillebard
noun
1. inwoner van het oude Griekenland of persoon die de oud-Griekse nationaliteit bezit
hellen
/
ɦɛlə(n)/
verb
1. schuin staan
kränga
noun
1. een glooiing in het landschap
sluttning
backe
/
ɦɛlm/
noun
- 1. beschermend hoofddeksel
hjälm
- 2. helmgras
margräs
marhalm
sandrör
/
ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
hjälpa
pronoun
1. de hoofdstad van Finland
Helsingfors
/
ɦɛm/
personalPronoun
- 1.
- 2.
honom
noun
1. roodkleurig mineraal dat ferri-oxidekristallen bevat
hematit
noun
1. kledingstuk voor het bovenlijf
skjorta
/
ˈɦeːməl/
noun
- 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
- 2. het hiernamaals, leven na de dood
himmel
adjective
2. in rechte lijn gemeten
fågelvägen
noun
1. christelijke feestdag waarin gevierd wordt dat Jezus na de opstanding naar de Hemel ging
Kristi himmelsfärdsdag
noun
1. halfzijdige verlamming
halvsidesförlamning
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam teveel ijzer uit het voedsel opneemt
hemokromatos
noun
1. bloederziekte
hemofili
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hemorrojder
/
ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
höna
/
ɦɛŋst/
noun
1. mannelijk paard
hingst
adjective
1. met betrekking tot de lever
hepatisk
noun
1. leverontsteking
hepatit
/
herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
heraldik
noun
1. verzameling van, album met gedroogde planten
herbarium
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
värdshus
verb
- 1. huisvesten
hysa
- 2. tot verblijf dienen
hysa
härbärgera
pronoun
- 1. Romeinse halfgod
- 2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Herkules
verb
1. plechtig aandacht schenken aan een gebeurtenis uit het verleden
högtidlighålla
/
'ɦɛrdər/
noun
1. begeleider en bewaker van een kudde
herde
noun
1. hond die een kudde bewaakt
fårhund
noun
1. een geestelijke die in afzondering leeft
eremit
noun
1. Geronticus eremita
eremitibis
noun
1. een kreeftachtige (Eupagurus bernhardus) uit de orde van tienpotigen, die in de schelp van een zeeslak woont
eremitkräfta
verb
1. opnieuw tot een eenheid maken
återförenas
verb
1. iets op een nieuwe wijze in woorden uitdrukken
omformulera
noun
1. derde jaargetijde
höst
noun
1. een zeer dunne draad spinrag
spindelväv
noun
1. bepaald soort plant, Colchicum autumnale
tidlösa
verb
1. organisaties of delen daarvan op nieuwe wijze rangschikken
omgruppera
adjective
bijvoeglijk naamwoord
upprepad
verb
- 1. iets opnieuw doen
repetera
upprepa
- 1. iets opnieuw zeggen
upprepa
repetera
noun
1. het nogmaals plaatsvinden
repetition
noun
1. lastige en hinderlijke veldmosterd die meestal op en rond akkers groeit
åkersenap
/
ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
1. opnieuw in gedachte brengen
påminna
noun
1. een herbivoor die zijn voedsel herkauwt
idisslare
verb
1. waarnemen en beseffen wie het is
erkänna
verb
1. opnieuw verwerven
återfå
verb
1. een wapen opnieuw vullen met ammunitie
ladda om
/
ˈɦɛr.mɑn/
pronoun
1. een jongensnaam
Herman
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
hermelin
lekatt
adjective
1. de uitleg van een (religieuze) tekst betreffend
hermeneutisk
noun
1. uitstulping van een orgaan of weefsel uit de lichaamsholte waar het normaliter in ligt
bråck
verb
1. opnieuw op details bezien
ompröva
noun
een verdovend middel
heroin
verb
1. opnieuw oprijzen, opnieuw gaan leven of functioneren
återuppstå
noun
1. de buitenste laag van de grote hersenen
hjärnbark
noun
1. schade aan de hersenen door uitwendig geweld
hjärnskakning
noun
indoctrinatietechniek
hjärntvätt
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
hjort
hjortdjur
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
hertig
noun
1. het gebied dat onder leiding staat of stond van een hertog
hertigdöme
noun
1. adellijke titel, vrouw van een hertog
hertiginnan
hertiginna
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
hertz
noun
1. de verkiezing van een persoon in een functie die hij al eerder heeft bekleed
omval
/
ɦɛrˈvɔr.mər/
noun
1. een persoon die hervormingen nastreeft
reformerare
verb
1. opnieuw, en vaak positiever, beoordelen
omvärdera
/
(ɦ)ət/, /
hɛt/
indefinitePronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
det
/
(ɦ)ət/, /
hɛt/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
det
den
verb
kasta ut barnet med badvattnet
/
hət ˈre.γənt ˈpɛipə.ˌste.lə(n)/
phraseologicalUnit
Det regnar katter och hundar.
/
'he.tə(n)/, /
'ɦe.tə(n)/
verb
1. de naam dragen
heta
adjective
1. gericht op het andere geslacht of betrekking hebbend op liefde voor mensen met een ander geslacht
heterosexuell
/
ˈhetroziˌgot/
adjective
1. in het bezit zijnde van twee allelen van een gen bij een (diploïd) organisme
heterozygot
heterozygotisk
pronoun
1. een dode taal die in het huidige Turkije werd gesproken
hettitiska
demonstrativePronoun
1. de gelijke identiteit bezittend; onzijdig enkelvoud, zowel zelfstandig als bijvoeglijk gebruikt
samma
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
höft
noun
een kleine platte fles
plunta
noun
1. tasje dat je om je heupen als een riem kan dragen
magväska
adjective
1. betrekking op het vinden van iets
heuristisk
/
ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
kulle
höjd
/
'ɦøvəlɑxtəx/
adjective
1. met aanzienlijke hellingen en hoogteverschillen
kullig
/
'ɦevəl/
noun
2. een geheel met vloeistof gevulde pijp of slang waarvan het ene einde lager gehouden wordt dan de andere, waardoor vloeistof van de laatste mond naar de eerste stroomt
hävert
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een zestallige as bezittend
hexagonal
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
häl
/
ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
här
adverbialPronoun
2. in deze buurt, in deze contreien
häromkring
/
hɑj/
adjective
1. in een euforische toestand van veranderd bewustzijn verkerend
hög
/
hɛɪ̯/, /
ɦɛɪ̯/, /
ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
han
verb
1. zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
flämta
flåsa
verb
1. iets met een touw of kabel in opwaartse richting trekken, al dan niet middels een katrol
hissa
noun
1. een constructie om zware lasten op te tillen
kran
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
hicka
hickning
pronoun
1. + 2. stad en district
Hildesheim
/
ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
hind
noun
1. iets dat de voortgang verstoort
hinder
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
hindi
noun
2. kinderspel, waarbij men zich deels op één been verplaatst
hoppa hage
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
gnägga
adjective
1. betrekking hebbend op de paardensport
häst
noun
1. ovale paardenrenbaan
galoppbana
/
hɪ.tə.bə.stɛn.dɪx/, /
ɦɪ.tə.bə.stɛn.dəx/, /
ɦɪ.tə.bə.stɛn.dəχ/
adjective
1. bestand tegen hitte; kan na contact met hitte nog even goed functioneren
värmeresistent
noun
1. menselijk immuundeficiëntievirus
hiv
adjective
1. van of volgens de opeenvolging van rangen
hierarkisk
/
ɦɔbələç/, /
ˈɦɔbələx/
adjective
1. met hobbels, oneffen
guppig
/
hɔbi/
noun
1. een liefhebberij of bezigheid ter ontspanning voor in de vrije tijd
hobby
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
oboe
noun
1. balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
hockey
/
ɦu/
adverb
1. op welke wijze
hur
vad
/
hud/, /
ɦut/
noun
- 2. deel van een zwam
hatt
- 1. een hoofddeksel
hatt
mössa
noun
1. iemand die hoofddeksels voor mensen maakt
hattmakare
/
ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
hov
klöv
noun
1. plant met grote bladeren die aan de rand van wateren groeit
pestskråp
noun
1. hoefdragend zoogdier
hovdjur
/
ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
hörn
vinkel
/
ɦur/
noun
1. vrouw die tegen betaling seksuele diensten verricht
hora
noun
1. pand waar mannen tegen betaling seks hebben met vrouwen
horhus
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
hosta
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
hosta
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
hur mycket
hur många
/
huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
mängd
conjunction
1. drukt een tegenstelling uit
ehuru
/
ɦɔf/
noun
- 1. de uitgebreide huishouding van een vorstelijke, bijvoorbeeld koninklijke familie
- 3. een stuk bebouwd land of tuin
hov
pronoun
Europeiska unionens domstol
noun
1. een gebied waar relatief een hogere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
högtryck
noun
1. hoge cilindervormige hoed
cylinderhatt
cylinder
hög hatt
stormhatt
noun
instelling waar hoger onderwijs wordt gegeven in bepaalde vakken
yrkeshögskola
noun
1. bepaald soort vis, Macruronus novaezelandiae
hoki
noun
- 1. grot, spelonk
- 2. ondergrondse woning of schuilplaats van een dier
håla
noun
1. Ursus spelaeus, een grote berensoort, kwam in Europa voor in het Pleistoceen
grott björn
noun
1. bepaald soort vogel, Columba oenas
skogsduva
noun
1. een dier dat tot de Bovidae gerekend wordt
slidhornsdjur
/
ˈɦɔlɑnt/
pronoun
- 1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
- 2. heel Nederland
Holland
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
holmium
/
ˈholokaust/
pronoun
Förintelsen
/
ˈholokaust/
noun
1. massale vernietiging van mensen of dieren
folkmord
noun
1. een term die het geheel van iets weergeeft, terwijl in werkelijkheid slechts een deel wordt bedoeld
holonym
noun
aanhanger of beoefenaar van de homeopathische geneeswijze
homeopat
adjective
1.volgens de homeopathie
homeopatisk
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
homeostas
/
ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
humla
noun
1. gelijkklinkend woord
homofon
noun
1. op dezelfde manier gespeld woord
homograf
noun
1. een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht
homoäktenskap
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
homonym
/
ˈhɔnd/, /
ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
hund
hynda
/
ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
hundra
cardinalNumeral
1. het getal 100.000, een tiende deel van een miljoen
etthundratusen
cardinalNumeral
1. het getal 110
hundratio
/
hɔn.ˈdyː.rɑs/, /
ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
Honduras
adjective
1. inwoner van Honduras
honduransk
/
hɔŋ(g).ˈɣar/, /
ɦɔŋ.ˈɣar/, /
ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
ungrare
/
hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /
ɦɔŋ.ˈɣars/, /
ɦɔŋ.ˈχars/
adjective
1. betreffende Hongarije of het Hongaars
ungerska
/
hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /
ɦɔŋ.ˈɣars/, /
ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
ungerska
/
hɔŋ(g).ˈɣar.sə/, /
ɦɔŋ.ˈɣar.sə/, /
ɦɔŋ.ˈχar.sə/
noun
ungerska
/
ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /
ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /
ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
Ungern
/
ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
hunger
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
dyrtid
hungersnöd
noun
1. het weigeren van voedsel uit protest
hungerstrejk
/
hɔŋˈkɔŋ/
pronoun
1. een speciale administratieve regio van de Volksrepubliek China
Hongkong
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
honung
noun
1. een bij van de soort Apis mellifera die honing maakt uit nectar en bloemen bestuift
honungsbi
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mellivora capensis
honungsgrävling
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. inodorus
honungsmelon
noun
1. balsport waarbij de bal met een knuppel geslagen wordt en de spelers langs een drietal honken trachten rond te lopen tot zij weer de thuisplaat bereiken
baseboll
/
ɦoːft/
noun
1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
huvud
noun
1. een kledingstuk dat (een deel van) het hoofd bedekt
huvudbonad
/
'ɦovduk/
noun
1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
huckle
noun
1. erläuterung
huvudbyggnad
noun
1. een scheikundig element uit de reeks hoofdgroepmetalen van het periodiek systeem
övriga metall
noun
1. een letter die een groter formaat en meestal ook een andere vorm heeft dan een kleine letter
stor bokstav
/
'ɦo:ftlɛtərɣə'vu:ləx/, /
'ɦo:ftlɛtərʝə'vu:ləx/
adjective
1. woorden geschreven met een hoofdletter anders verwerkend dan dezelfde woorden zonder hoofdletter
skiftlägeskänslig
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
lus
noun
1. de voorste pagina van een website
huvudsida
noun
1. pijn in het hoofd
huvudvärk
noun
1. iemand die eindverantwoordelijkheid draagt voor de inhoud van een krant of dergelijke publicatie
chefredaktör
/
'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
huvudstad
noun
bepaalde opdeling van tekst of beeld in een boek
kapitel
noun
1. een telwoord dat een hoeveelheid of aantal aanduidt
grundtal
adverb
1. in belangrijke mate, in overwegende mate
huvudsaklig
/
ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /
ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
hög
adjective
1. te emotionele of plechtige manier van spreken of schrijven; vol bombast
högtravande
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
Höga Visan
noun
1. atletiekdiscipline waarbij het de bedoeling is over een tussen twee staanders bevestigde lat of touw te springen
höjdhopp
noun
- 1. een verheffing van de aardkorst
- 2. niveau
höjd
/
ˈɦoxtəvres/, /
ˈɦoçtəvres/
noun
1. angst voor hoogten
höjdskräck
noun
2. hoge waterstand in 't algemeen
högvatten
noun
2.1. bepaald soort kleine standvlinder, Coenonympha pamphilus
kamgräsfjäril
/
ˈɦojbɛrx/
noun
1. een ter bewaring opgestapelde hoeveelheid gedroogd gras
höstack
/
ɦoːp/
noun
3. verwachting van iets wenselijks
hopp
förhoppning
/
horn/
noun
1. hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
horn
/
hoːrnar/, /
ho̝ːrnar/
noun
1. Vespa crabro, een soort grote wesp
bålgeting
noun
1. bepaald soort vogel, Upupa epops
härfågel
adjective
1. waaraan hoop op succes ontbreekt
hopplös
/
ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
hoppas
/
hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
höra
noun
1. onderdanige en onvrije gehoorzaamheid
livegenskap
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
horisontell
noun
1. een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
armbandsur
klocka
adjective
1. met betrekking tot hormonen
hormonell
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
hormon
/
ˈɦɔrzəɫ/
noun
1. parasitaire vliegsoort
styngfluga
/
ˈhɔs.pi.ˌta/, /
ˈɦɔs.pi.ˌta/
noun
1. een vrouw die een of meer kamers in haar eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal
hyresvärdinna
noun
1. opneming in een ziekenhuis
sjukhusvistelse
/
hoˈtɛl/, /
ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
hotell
noun
1. een kamer die voor gasten per nacht te huur is in een hotel
hotellrum
/
ˈɦɑʊdə(n)/
verb
1. niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen
behålla
/
ɦɑʊ̯t/, /
[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
trä
virke
/
ɦɑʊ̯tbɛi̯/
noun
1. enige bij onder de geslachtengroep Xylocopini
snickarbi
noun
1. houtblaasinstrument
träblåsinstrument
noun
1. bepaalde soort wilde duif, Columba palumbus
ringduva
/
ˈhɑutə(n)/
adjective
trä-
noun
1. hoofdpijn en overgevoeligheid voor prikkels zoals die enige tijd na het gebruik van ...
kopparslagare
verb
1. het met een bijl in houtblokken hakken van boomstammen
fälla
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
skogshuggare
noun
q. bepaald soort zoutwatervis, Coregonus oxyrinchus
sik
noun
1. jas die sluit met staafjes en lussen
duffel
noun
1. verkoold hout
träkol
noun
1. een vogel uit de familie van snipachtigen, Scolopacidae
morkulla
verb
1. iets met een scherp werktuig trachten af te hakken
hugga
/
hovəlɪŋ/
noun
1. een onderdaan die tot het dagelijkse gezelschap van een vorst behoort
hovman
pronoun
1. bepaalde telescoop die als een kunstmaan rond de aarde draait
Hubble rymteleskop
pronoun
1. binnenzee in Noordoost-Canada
Hudson Bay
verb
1. veinzen, doen alsof
hyckla
/
hœːd/, /
ɦœʏ̯t/, /
ɦœːt/
noun
1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
hud
skinn
hy
noun
1. specialist in de geneeskunde
dermatolog
/
hœytsiktə/
noun
1. aandoening van de huid
hudsjukdom
/
hœːx/, /
ɦœʏ̯χ/, /
ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
gomspene
/
ɦœy̯lə(n)/
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
gråta
/
hœːs/, /
ɦœʏ̯s/, /
ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
hus
hem
noun
1. strafbepaling
husarrest
noun
1. een arts die de eerste lijn van opvang vormt voor een aantal vaste patiënten in de buurt
allmänläkare
/
ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
husdjur
noun
1. iemand die een huis bezit
husägare
noun
1. Hond die men als huisdier houdt
sällskapshund
noun
1. vrouw die andermans huishouden verzorgt
hushållerska
noun
1. bepaald soort knaagdier dat vaak in en rond gebouwen voorkomt, Mus domesticus
husmus
noun
1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
gråsparv
/
ˈhœysfredəbrøk/
noun
1. zonder toestemming binnendringen of aanwezig zijn in iemands woning
hemfridsbrott
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
hemmafru
husfru
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
hemläxa
noun
1. een machtiging, uitgegeven door justitie, voor het binnentreden van de woning
husrannsakningsorder
noun
1. Delichon urbica, een zwaluw die zijn nest tegen de huizen aanbouwt
ladusvala
svala
verb
1. iemand hulde of eer bewijzen
hylla
/
ɦʏlp/
noun
1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
hjälp
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
hjälpverb
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
järnek
noun
1.aanhanger van het humanisme
humanist
noun
1. puree van o.m. gekookte kikkererwten
hummus
/
ˈɦynəbɛt/
noun
1. neolithische begraafplaats
dös
stendös
/
ɦyrə(n)/
verb
1. tegen betaling gebruiken
hyra
leja
verb
1. op de onderbenen gaan zitten
huk
/
ɦʏt/
noun
3. eenvoudige behuizing op kampeerterrein/recreatiegebied
stuga
/
ɦyr/
noun
1. tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
hyra
noun
1. de wettelijke bescherming die een huurder heeft in zijn relatie met de verhuurder
hyresreglering
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de huur en verhuur van woon- en bedrijfsruimte
hyresrätt
adjective
1. geschikt om in het huwelijk te treden
giftasvuxen
/
ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
äktenskap
noun
1. akte van de burgerlijke stand waarin staat dat twee mensen met elkaar getrouwd zijn
vigselbevis
noun
1. notarieel contract waarin de vermogenspositie van beide huwelijkspartners wordt geregeld
äktenskapsförord
/
ˈɦiu̯ələksˌrɛɪ̯s/
noun
1. de reis die een pasgetrouwd stel gewoonlijk onmiddellijk na hun trouwen onderneemt
smekmånad
bröllopsresa
noun
1. notarieel contract waarin de vermogenspositie van beide huwelijkspartners wordt geregeld
äktenskapsförord
/
hʊ.ˈzaːʁ/
noun
1. een ruiterijsoldaat.
husar
noun
1. een speciale uitgeruste waterkraan geplaatst ten behoeve van de brandweer
brandpost
noun
1. de splitsing van scheikundige verbindingen door opneming van water
hydrolys
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
hyena
adjective
1. schoon, gezond
hygienisk
noun
1.een instrument om vochtigheid van de lucht te meten
hygrometer
adjective
- 1. als in een hyperbool d.w.z. zwaar overdreven
- 1. de vorm van een hyperbool hebbend of daarop lijkend
hyperbolisk
noun
1. een gekleurd en/of onderstreept tekstgedeelte dat een onderliggende verwijzing bevat
hyperlänk
noun
1. een woord dat een verzameling van verwante specifiekere woorden samenvoegt, een overkoepelende term
hyperonym
noun
1. bovenmatige vermeerdering van weefsel
hyperplasi
noun
1. verhoogde bloeddruk
hypertoni
noun
1. bovenmatige groei
hypertrofi
verb
1. het onder hypnose brengen van mensen
hypnotisera
noun
1. overdreven bezorgdheid om de eigen gezondheid
hypokondri
adjective
1. onder de huid toegediend
hypodermisk
/
ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
hypofys
noun
1. term die een subcategorie van een algemenere klasse aanduidt
hyponym
noun
1. lage bloeddruk
hypotoni
noun
1. deel van de hersenen dat een directe verbinding heeft met het hormonale systeem
hypotalamus
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
hypotek
noun
1. onderkoeling
hypotermi
noun
1. tekortschietende ademhaling
hypoventilation
noun
1. zuurstoftekort in de weefsels
hypoxi
noun
1. Hyssopus officinalis, een gewas met geneeskundige kracht
isop
/
ɦe/
interjection
- 1. uitroep om aandacht
hallå
hör du
- 5. informele groet
hej
hejsan
- 2. uitroep van verbazing
va
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
keso
/
iˈbeːris/, /
iˈbɪːris/, /
ɪˈbeːrɪs/
pronoun
1. Uitgestorven taal van Spanje
iberisk
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
Pyreneiska halvön
noun
1. een vogel met een lange gebogen snavel behorend tot de familie Threskiornithidae
ibis
ibisfågel
noun
1. een iconenwand die het altaar van het schip scheidt in de Russisch-orthodoxe kerk
ikonostas
noun
- 1. heiligenafbeelding, zoals vereerd in de kerken van het oosten
- 2.
ikon
/
idiˈjal/
adjective
1. zo gunstig mogelijk
ideal
/
idiˈjal/
noun
1. iets wat men zich voorstelt als het hoogste en dat men wil verwezenlijken
ideal
verb
1. iets gunstiger of zelfs als ideaal beoordelen
idealisera
/
iˈde/
noun
1. gedachte, plan
idé
tanke
noun
1. een dwangmatige gedachte
fix idé
adjective
1. volledig hetzelfde, van dezelfde oorsprong
identisk
noun
1. geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
identitet
noun
1. een document waaruit de identiteit van iemand blijkt
ID-kort
/
idɛnti'tɛitskart/
noun
1. een identiteitsbewijs dat op een kaart gedrukt is
identitetskort
noun
1. een woordsoort van woorden die de associatie met een klank, kleur, gevoel, smaak of andere gewaarwoording oproepen
ideofon
/
ˌideo'ɣrɑm/
noun
1. een grafisch teken dat een voorwerp symboliseert
ideogram
/
ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
ideologi
adjective
1. van, betreffend of volgens een ideologie
ideologisk
noun
1. iemand die een ideologie opstelt
ideolog
adjective
1. het idioom betreffend
idiomatisk
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
idiom
/
idi'ot/
noun
1. iemand die een grote maat van zwakzinnigheid heeft
idiot
adjective
1. van onbekende oorzaak
idiopatisk
adjective
1. bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid
idyllisk
personalPronoun
1. clitische vorm van de 3e persoon enkelvoud mannelijk nominatief
han
/
i.də.ˈreːn/
indefinitePronoun
1. elke persoon
alla
/
iːr/
noun
1. inwoner van Ierland, of iemand afkomstig uit Ierland
irländare
/
ˈiːrlɑnd/, /
ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
Irland
/
iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
iriska
irländsk
suffix
- 1. anion in submaximale oxidatietoestand
- 2. mineraal
it
indefinitePronoun
1. een of ander ding
något
någonting
/
ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
igloo
iglo
adjective
1. vol van zelfbewondering, een te hoge dunk hebbend van het eigen voorkomen en/of de eigen bekwaamheden
fåfäng
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
fåfänga
/
'ɛɪ̯kə(n)/
verb
1. meting op juiste schaal brengen
kalibrera
/
ɛɪ̯s/, /
ɛːs/
noun
- 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
glass
is
- 1. de vaste vorm van water, bevroren water
is
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
isbjörn
noun
1. een zeer groot brok ijs dat in de zee drijft
isberg
noun
1. en 2 (bladeren van) Lactuca sativa var. capitata
isbergssallat
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
isbrytare
verb
1. een discipline van het kunstschaatsen
isdans
noun
1. bepaald soort vogel Gavia immer
svartnäbbad islom
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
ishockey
/
ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
glass
/
ˈɛɪ̯slɑnd/, /
ˈɛɪ̯slɑnt/, /
ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
Island
/
ˈɛɪ̯slɑnds/, /
ˈɛɪ̯slɑnts/, /
ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
isländska
isländsk
noun
1.een theevariant
iste
/
ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /
ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /
ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
kungsfiskare
noun
1. een zoete geurige wijn die vaak als dessertwijn wordt gedronken en gemaakt is van bevroren druiven
isvin
/
'ɛɪ̯zəl/, /
'ɛɪ̯zəɫ/, /
'ɛːzəɫ/
noun
1. onderkoelde regen die in ijs overgaat eenmaal in aanraking met de grond
halka
/
ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
järn
noun
1. een verbinding van ijzer en zuurstof, waarin zuurstof de oxidatietoestand -2 bezit
järnoxid
noun
1. eenvoudige handelswaren gemaakt van metaal
järnvara
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
jag älskar dig
adjective
1. in weerwil van de wet
illegal
noun
1. een buitenlander die zonder werk- en verblijfsvergunning in een land verblijft
illegal
noun
iemand die een ander persoon nadoet
imitatör
/
ˌimiˈterən/
verb
1. doen wat iemand anders doet
härma
efterapa
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
biodlare
/
ˈɪmatəriˌjel/
adjective
immateriell
/
ˈɪmiɣrɑnt/
noun
immigrant
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
invandring
verb
1. een land binnenkomen om zich er te vestigen
invandra
verb
1. beschermen tegen een infectieziekte door het geven van een ongevaarlijke vorm van een micro-organisme dat wel het immuunsysteem stimuleert maar geen ziekte veroorzaakt
immunisera
noun
1. onvatbaarheid voor een ziekte
immunitet
noun
1. de leer van het afweersysteem dat verantwoordelijk is voor: afweer tegen besmettelijke ziekten...
immunologi
adjective
1. met betrekking tot onvatbaarheid voor schadelijke invloeden
immunologisk
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
impedans
/
ɪmˈperijʏm/
noun
imperium
adjective
1. te intiem en niet ter zake doende
impertinent
noun
1. een stof, voorwerp, toestel etc. dat in een lichaam wordt aangebracht
implantat
verb
1.stilzwijgend ten gevolge hebben
antyda
noun
1. zeer snel ineenklappen van een holle ruimte
implosion
noun
1. het niet geliefd zijn bij veel mensen
impopularitet
noun
1. onvermogen tot geslachtsgemeenschap
impotens
noun
1. ter plekke verbeterde versie van een muziekstuk, voorlezing enz.
improvisation
verb
1. iets bedenken zonder vooropgesteld plan
improvisera
/
ɪmˈpʏls/
noun
2. product van massa en snelheid
rörelsemängd
preposition
- 1.-12. in (ruimtelijk)
i
- 2. in (tijdelijk)
i
på
adverb
1. snel doordat het weinig moeite kost, vlot alsof het gemakkelijk is
i en handvändning
phraseologicalUnit
1. in een omgeving waar weinig gepresteerd wordt...
i de blindas land är den enögde kung
adverb
1. werkelijk aanwezig, in het echt
i egen hög person
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
i stället för
verb
1. lucht uit de omgeving opnemen
andas in
pronoun
1. meer in Finland
Enare träsk
/
ˌɪnʌʊɣyˈratsi/
noun
1. de feestelijke of plechtige inwijding in een ambt
installation
adjective
1. erbij horend, erbij geteld
inbegripen
noun
1. het inbreken
inbrott
/
ˌɪŋkɑˈseːrə(n)/, /
ˌɪŋkɑˈsɪːrə(n)/
verb
1. (geld) in ontvangst nemen.
inkassera
preposition
1. met inbegrip van
inklusive
/
ˌiŋkɔmpəˈtɛn(t)si/
noun
inkompetens
noun
1. het onvermogen om urine of ontlasting op te houden
inkontinens
/
ˌɪndərˈdad/, /
ˌɪndərˈdat/
adverb
1. een bevestiging dat iets het geval is
faktisk
/
ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
Indien
noun
1. inwoner van Amerika voor de komst van de Europeanen
indian
noun
1. de vorm van het werkwoord die de werkelijkheid aangeeft
indikativ
conjunction
1. onder de voorwaarde dat
om
ifall
/
ˌɪndisəˌosiˈan/, /
ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
Indiska oceanen
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
indium
adjective
1. afzonderlijk, op zichzelf
individuell
verb
1. dwingen om bepaalde opvattingen te aanvaarden
indoktrinera
/
ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
indonesiska
/
ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Indonesien
adjective
1. binnen een gebouw beoefend; overdekt plaatsvindend
inomhus
verb
1. het veranderen van de economie door het vergroten van de nijverheid
industrialisera
noun
1. Nijverheid
industri
noun
1. een besmetting van lichaamsweefsel met ziekteverwekkers als bacteriën, virussen, schimmels of...
infektion
/
ɪɱfinitif/
noun
1. het hele werkwoord
infinitiv
noun
1. stijging van het prijspeil waardoor het geld in waarde daalt
inflation
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
datavetenskap
datalogi
informatik
noun
1. beoefenaar van de informatica
datalog
noun
datasikkerhet informationssäkerhet
noun
1. samenleving, waarin informatie als de belangrijkste productiefactor gezien wordt.
informationssamhälle
/
ˈɪɱfrastrʏktyr/
noun
1. het totaal van onroerende voorzieningen zoals (spoor)wegen, vliegvelden,...
infrastruktur
noun
2. een opening waar iets doorheen kan
ingång
entré
/
ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
ingenjör
pronoun
1. Finoegrische taal die door ongeveer 300 Ingriërs gesproken wordt
ingriska
/
ɪnˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens voorkomend
inhemsk
/
ˈɪnhɑut/
noun
1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
innehåll
noun
1. overzicht van de onderwerpen of hoofdstukken in een boek
innehållsförteckning
noun
1. feestelijke gelegenheid waarbij iemand wordt gehuldigd, zoals een koning/vorst door diens onderdanen, bij aanvaarding van diens ambt
installation
/
inisjaˈtif/
noun
1. het ter hand nemen van iets nieuws
initiativ
noun
1. regelmatig verkregen som geld
inkomst
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
bläck
/
ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
bläckhorn
/
ˈɪn.lɛxˌkrœy.ʃə/
noun
1.
trosskydd
/
ɪ'mplɛnə(n)/
verb
1.
inplanera
verb
1. diep in het geheugen vastleggen
inskärpa
noun
1. functionaris van de kerkelijke rechtbank die ketters moet opsporen en bestraffen
inkvisitor
noun
1. een rechtbank van de Rooms-Katholieke Kerk, die was belast met de opsporing, het onderzoek en het opleggen van straffen van ketters
inkvisition
verb
1. een woning ~: een ruimte geschikt maken voor bewoning met vloerbedekking, behang, huisraad, enzovoort
inreda
verb
1. een lidmaatschap of deelnemerschap schriftelijk vastleggen
inskriva
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
insekt
kryp
noun
1. horizontale draden die tijdens het weven tussen de opgespannen draden van de schering worden ingebracht
väft
verb
2. zich ~: moeite doen
anstränga
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
ansträngning
insats
/
ɪnspi'rasi/
noun
1. een gevoel over hoe men een klus kan aanpakken
inspiration
verb
1. de geest gaande maken
inspirera
noun
8. een kunstvorm
installation
verb
- 2. het invoeren en gebruiksklaar maker van een computerprogramma
- 3. het aanleggen van een installatie
installera
verb
1. het op juiste wijze afregelen van een toestel
justera
noun
2. organisatie, die vaak subsidie van de overheid krijgt en geen geld wil verdienen
institut
verb
1. het eens zijn
samtycka
noun
1. gedrag dat geheel genetisch bepaald is
instinkt
verb
1. zwichten voor de zwaartekracht
kollapsa
noun
1. een order, een aanwijzing
instruktion
noun
- 2. verkort voor muziekinstrument
- 1. werktuig
instrument
/
ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
insulin
adjective
1. in goede staat, onaangetast
intakt
/
ɪnˈtexə(n)del/
adverb
tvärtom
/
ɪntəˈɣra(t)si/
noun
integration
/
ɪntəɣriˈtɛit/
noun
1. onschendbaarheid, eerlijkheid, oprechtheid
integritet
/
ɪntɛli'xɛnt/
adjective
1. met een goed verstand of daarvan blijk gevend
intelligent
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
intelligens
noun
1. een verklaring van een partij omtrent een bedoeling (intentie)
avsiktsförklaring
noun
1. onderlinge beïnvloeding
interaktion
/
ɪntərɑk'tif/
adjective
interaktiv
adjective
tvärvetenskaplig
adjective
1. wekt interesse
intressant
noun
- 1. belang
- 2. belangstelling
- 3. iets waar belangstelling voor is
intresse
verb
1. nieuwsgierig maken
intressera
noun
3. gezamelijke werking van golven
interferens
/
ˌɪn.tərˈkɛr.kə.lək/
adjective
1. tussen kerken, van meerdere kerkgenootschappen
ekumenisk
/
ĭn'tə(r)lĭng"wə/
pronoun
1. een hulptaal bedoeld is om de communicatie met anderstaligen te vereenvoudigen
interlingua
noun
1. regelafstand
radavstånd
/
ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
internationell
pronoun
Internationella valutafonden
pronoun
Internationella byrån för mått och vikt
verb
1. een verplichte verblijfplaats aanwijzen
internera
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
internet
Internet
noun
1. Arts
invärtesläkare
adjective
1. voor interpretatie vatbaar
tolkbar
noun
1. uitlegging, vertaling
tolkning
verb
1. uitleggen of opvatten
förklara
/
'ɪntɛrpɵŋktsi/
noun
skiljetecken
noun
- 1. tussenperiode
- 3. de afstand tussen twee verschillende tonen
intervall
verb
1.een vraaggesprek met iemand houden
intervjua
noun
1. onverdraagzaamheid
intolerans
noun
1. vergiftiging
intoxikation
adjective
1. in de spier
intramuskulär
adjective
1. in de ader gelegen of plaatvindend
intravenös
verb
- 2. met slinkse streken te werk gaan
- 1. interesse wekken, fascineren
intrigera
verb
- 1. iets nieuws inbrengen of invoeren
- 2. een nieuw persoon toegang verschaffen
- 3. iemand voor het eerst voorstellen
införa
/
ˈɪntrɔn/
noun
1. stukje DNA dat zich bevindt in een gen maar dat niet wordt gebruikt om het eiwit te coderen
intron
verb
2 iemands plaats tijdelijk innemen
hoppa in
noun
inventarieförteckning
noun
1. een mengsel van gelijke delen druivensuiker en vruchtensuiker
invertsocker
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
investering
/
ˈɪnvluːt/
noun
- 1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
- 2. het vermogen om op anderen in te werken
påverkan
/
ˈɪnvurə(n)/
verb
2. gegevens in een electronisch apparaat stoppen
knappa in
/
ˈɪnzin/
verb
1. documenten (vluchtig) lezen
ha uppsikt över
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Zuid-Italië en West-Griekenland
Joniska havet
/
i'peʔadrɛs/
noun
1. een combinatie van getallen waarmee een computer in een IP-netwerk kan worden herkend
IP-adress
/
i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
Irak
/
i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
Iran
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
iridium
noun
1. orgaan in het oog van vele organismen
regnbågshinna
/
ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
ironi
adjective
1. van geen belang voor de huidige zaak
irrelevant
adjective
1. in hoge mate vervelend
irriterande
verb
1. op onaangename wijze prikkelen
irritera
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
islam
noun
- 1. ruimtelijke afzondering
isolation
- 2. het voorkomen van geleiding van energie of stroom
isolering
verb
- 1. persoonlijk
- 2. chemisch
- 3. elektrisch
- 4. warmte
isolera
/
ˈɪs.ra.hɛl/, /
ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
Israel
/
italiˈjaːn/
noun
1. een persoon die uit Italië komt
italienare
/
italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
italienska
/
iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
Italien
noun
1. gebroken witte kleur zoals de slagtanden van de olifant
elfenbensfärg
/
i.ˈvoːr.kʏs/, /
i.ˈvoːr.kʏst/, /
i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
Elfenbenskusten
/
jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
ja
jo
/
jaː/
interjection
1. kreet van opwinding
ja
/
ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
år
/
ˈjar.ləks/, /
ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
årlig
årligen
/
jɑxt/
noun
- 1. het achtervolgen van wild
jakt
- 3. een snel vaartuig
jakt
yacht
- 2. het achtervolgen van misdadigers door de politie
mördarjakt
noun
1. jachthobo
oboe da caccia
noun
1. hond die speciaal gefokt wordt voor de jacht
hund
jakthund
noun
1. een hoorn als signaalinstrument op de jacht
jakthorn
jägarhorn
noun
1. wettelijke toestemming om te jagen
jaktkort
noun
gevechtsvliegtuig
jaktflygplan
jaktflyg
/
ˈjaːɣə(n)/
verb
1. bewegende wezens proberen te vangen
jaga
noun
- 2. jachtvliegtuig
jaktflygplan
jaktflyg
- 1. iemand die op jacht gaat
jägare
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Jagsthausen
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
jaguar
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
schakal
sjakal
noun
1. benaming voor bepaald soort mosselachtig schelpdier
mussla
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
svartsjuk
avundsjuk
/
jɑˈluːrshɛɪt/, /
jɑˈluːrshɛːt/
noun
1. een wrok die iemand koestert omdat men een ander niet gunt wat men zelf begeert
svartsjuka
avund
avundsjuka
/
jɑluˈziː/
noun
2. zonnescherm
jalusi
/
ʃɛm/
noun
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
sylt
marmelad
/
(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /
dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Jamaica
adjective
1. met het ritme van een jambe
jambisk
noun
1. een grote bijeenkomst van scouts in de leeftijd van 14 tot 17 jaar uit landen verspreid over de gehele wereld die eens per 4 jaar wordt georganiseerd
jamboree
interjection
1. uitroep van teleurstelling
synd
/
'jɑmərlək/
adverb
1. beklagenswaardig, bedroevend
jämmerlig
noun
1. bepaalde zeevogel, Morus bassanus
havssula
/
jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
januari
pronoun
- 2. Romeinse god
- 3. maan
Janus
/
jaˈpɑn/, /
jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
Japan
/
jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
japansk
japanska
/
jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
japanska
pronoun
1. taalfamilie van Japans en een tiental verwante talen die in Japan worden gesproken
japoniska språk
/
jɑr.ˈɣɔn/
noun
2. vaktaal, taalgebruik binnen een bepaalde groep, vaak moeilijk te volgen voor een buitenstaander
jargong
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Jasminum
jasminsläktet
pronoun
1. een taal die door meer dan 75 miljoen mensen op Java en Bali gesproken wordt
javanesiska
/
'jɑʋɛl/
adverb
ja, antwoordend op een ontkennende vraag
jo
/
jaʋɔːrt/
noun
1. het bevestigende antwoord op een huwelijksaanzoek
ja
/
ˈjemən/, /
ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
Jemen
Yemen
/
jə'nevər/
noun
1. gedestilleerde alcoholische drank vervaardigd op basis van graan (mout)
genever
noun
- 1. Juniperus communis
en
- 2. vrucht
enbär
/
ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
ungdom
/
ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Jesus
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Jesus Kristus
/
je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
jesuit
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
Jharkhand
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
gikt
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
jiddisch
/
jEi/, /
jɛɪ̯/, /
jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
du
/
ˈjodələ(n)/
verb
1. zingen met een snelle wisseling van borst- naar keelstem
joddla
/
ˈjo.də(n).kuk/
noun
jødekaka
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
jod
pronoun
2.1 een van de vier Evangeliën
Jan
Jens
noun
johannesbrödsträd
johannesbröd
adjective
1. van geringe leeftijd
ung
noun
1. onvolwassen man
pojke
kille
/
ˈjɔŋə(n)sˌnam/
noun
[1] een voornaam die doorgaans gegeven wordt aan kinderen van het vrouwelijk geslacht
pojknamn
noun
1. het taalgebruik van jongeren
ungdomsspråk
/
jɔŋˈle.rə(n)/
verb
jonglera
/
jɔŋˈlør/
noun
1. rondreizend kunstenaar
jonglör
noun
- 1. aanhanger van het joodse geloof
jude
- 1. element jodium
jod
adjective
1. te maken hebbend met het joodse geloof, het jodendom
judisk
phraseologicalUnit
1.
Gud vet
/
jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
Jordanien
noun
3. een kleinigheid, helemaal niets
dugg
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
journalist
/
jɑu̯/
possessivePronoun
1.
din
adjective
1. opgewekt en tegelijk aardig en vriendschappelijk in de omgang
hjärtlig
/
jybələ/
verb
1. juichen
jubla
noun
1. feestelijke herdenking van de dag waarop iets gebeurde of begon
jubileum
pronoun
2. boek in de Bijbel
Judas
noun
1. kus die Judas aan Jezus gaf
Judaskyssen
noun
1. vriendelijk gebaar van een iemand die veinst een vriend te zijn, kort voordat zijn ware bedoelingen duidelijk worden
judaskyss
/
'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
judo
noun
1. bepaald soort eenjarige plant met sterk greduceerde veerdelige bladeren, Nigella damascena
jungfrun i det gröna
adjective
1. zoals het moet, waar
korrekt
noun
1. houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten verbindt
ok
noun
1. een van de beenderen van de schedel
kindben
okben
/
jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
juli
/
ˈjʏli/
personalPronoun
- 1.
- 2.
- 3.
ni
noun
1. de zesde maand van het jaar
juni
noun
1. een verzamelnaam voor snel bereid en geserveerd voedsel dat vaak ongezond is
skräpmat
/
ˈjypiˌtɛr/
pronoun
Jupiter
adjective
1. betrekking hebbend op het recht en de rechtsleer
juridisk
rättsligt
noun
1. een deskundige op het gebied van rechtsleer
jurist
/
jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
klänning
noun
1. een groep mensen die oordeelkundig geacht wordt en gevraagd een oordeel ergens over uit te spreken
jury
noun
1. persoon die deel uitmaakt van een jury
jurymedlem
noun
1. saus voor spijzen, bereid uit vleesnat
skysås
adjective
de bastvezels
jute
noun
1. sieraad van grote schoonheid en hoge waarde
juvel
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
juvelerare
noun
1. krokodilachtige uit de onderfamilie Caimaninae van de familie alligators
kajman
noun
- 1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
käke
- 3. een houten of stenen podest, waarop de te straffen misdadigers tentoon werden gesteld
skampåle
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
stelkramp
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
skallig
flintskallig
noun
1. het kaal zijn
skallighet
noun
1. persoon
flintskalle
flintis
noun
1. (landbouw) het vellen van alle bomen op een stuk grond
kalhuggning
noun
1. een in zee vooruitstekende landpunt
kap
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Kap Arkona
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Godahoppsudden
pronoun
1. een kaap in Zuidwest-Spanje, bekend om de gelijknamige zeeslag die er uitgevochten werd
Kap Trafalgar
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
Kapstaden
/
ˈkaːp.stɑn.dər/
noun
1. kaapstander
ankarbult
/
kab.ˈvɛr.di.jə/, /
kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Kap Verde
verb
1. het behandelen van ruwe katoen of wol met behulp van een kaard
karda
/
kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
ljus
stearinljus
noun
1. het schijnsel van een brandende kaars
ljussken
noun
- nog in te delen vertalingen
karta
- 2. bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
- 3. kartonnen of plastic vel uit een kaartspel, om mee te spelen
kort
/
kartspɛl/
noun
- 1. een spel met speelkaarten
- 2. een spel kaarten
kortspel
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
ost
/
ˈkasfɔndy/
noun
1. een gerecht waarbij etenswaren in een saus van kaas gedompeld worden
fondue
/
ˈkasxaf/, /
ˈkasχaf/
noun
1. een gebruiksvoorwerp waarmee een dun plakje van een stuk kaas kan worden gesneden
osthyvel
/
'kɑbələ(n)/
verb
1. zacht stromen en geluid maken
porla
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
kabel
wire
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
torsk
kabeljo
noun
- 2. padvindster
minior
- 1. sprookjesfiguur
tomte
gnom
/
ˈkɑ.xəl/, /
ˈkɑ.xəɫ/, /
ˈkɑ.χɔɫ/
noun
1. een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
kamin
pronoun
1. Tibeto-Birmaanse taal gesproken door 900 duizend mensen in Myanmar
Kachin
/
ˈkɑxtəl/, /
ˈkɑxtəɫ/, /
ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
föl
noun
1. dood lichaam van een dier
kadaver
noun
1. beschoeide of gemetselde oeverstrook waaraan de schepen kunnen aanleggen
kaj
noun
- 3. geschoolde medewerkers in een organisatie
kader
- 1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
- 2. situationele context, raamwerk, verband
karm
adjective
1. iets is zo beschadigd dat het zijn functie niet meer kan uitoefenen
trasig
/
kɑf/
noun
1. de vliezen rondom de graankorrels
agn
noun
1. een gesloten kano om in wild water of op zee te varen
kajak
noun
1. overdekte gemeenschappelijke verblijfplaats op schepen
hytt
kajuta
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
kackerlacka
noun
1. rommelig geheel van vele klanken door elkaar
kakofoni
noun
1. kaalhoofdig iemand
flintskalle
flintis
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
kalender
noun
1. een periode van een jaar, beginnend op 1 januari en eindigend op 31 december
kalenderår
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
kalv
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
kalium
/
ˈkɑl(ə)k/
noun
aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium
kalk
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
kalkon
/
kɑlm/
adjective
1. weinig in beroering, zonder opwinding
stilla
verb
1. een jong baren bij runderen
kalva
/
kɑm/
noun
1. getand object om haren mee te verzorgen
kam
/
kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
kamel
dromedar
/
ka'melejɔn/
noun
- 1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
- 2. veranderlijk persoon
kameleont
noun
1. deel van een huis
rum
adjective
1. zo breed als een kamer, vooral van tapijt dat 400 cm breed is
heltäckande
noun
1. een lange huisjas
morgonrock
/
ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
Kamerun
noun
1. kamertoon
normalton
noun
1. elk van de planten van het geslacht Matricaria
kamomill
/
kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
kamma
noun
1. een plaats waar een aantal troepen geruime tijd of permanent gehuisvest zijn
läger
verb
1. een vorm van openluchtrecreatie
tälta
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
kaprifol
/
kɑmpiun/
noun
1. de winnaar van een kampioenschap
mästare
noun
1. wedstrijd waar bepaald wordt wie de kampioenstitel mag dragen
mästerskap
noun
vuur in een kamp waaromheen mensen zich (ter gezelligheid) verzamelen
lägereld
noun
1. serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
kanna
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
kanariefågel
pronoun
1. een stad gelegen in Zuid-Afghanistan en de hoofdstad van de gelijknamige provincie
Kandahar
/
kɑndiˈdat/
noun
- 1. iemand die zich verkiesbaar gesteld heeft voor een politiek ambt
- 2. iemand die zich beschikbaar gesteld heeft voor een baan of functie
kandidat
/
kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
kanel
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
känguru
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
cancer
kräfta
pronoun
1. taal die in de Indische staat Karnataka gesproken wordt
kannada
noun
1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
kannibal
människoätare
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
kanon
noun
2. een mooie gelegenheid
chanse
noun
- 1. eerste minister
- 2. hoofd van een kanselarij
kansler
/
kɑnt/
noun
1. een vorm van vlechtwerk
spets
noun
1. eetgelegenheid in bedrijven, scholen, verenigingen
kantin
pronoun
een Chinese taal gesproken door ongeveer 54 miljoen mensen in het zuiden van China en ook buiten het land
kantonesisk
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
kontor
noun
1. een titel die aan bepaalde geestelijken wordt verleend binnen enkele christelijke kerkgemeenschappen.
kanik
/
kɑp/
noun
2. een bedekking van het hoofd
luva
noun
1. klein kerkgebouw
kapell
noun
1. een priester van de katholieke kerk, werkzaam in een parochie
kaplan
/
ˈka.pər.ˌbrif/
noun
1. een brief door de overheid of koning werd geschreven, waarmee een schip dat die brieven aan boord had het recht werd gegeven om schepen van vijandelijke mogendheden aan te vallen en leeg te roven
kaparbrev
noun
1. markt waarop vermogenstitels worden verhandeld met een onbepaalde looptijd, of met looptijden vanaf circa twee jaar
kapitalmarknad
noun
1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
kapten
noun
1. bepaald soort zeevogel, Larus ridibundus
skrattmås
/
'kɑpmɛs/
noun
1. stevig mes
faskinkniv
machete
adjective
- 3. erg verdrietig of geschokt
förkrossad
- 4. erg moe
slut
/
'kɑ.pər.tʲə/
noun
2. klein groen bloemknopje van de kappertjesplant, Capparis spinosa, dat meestal op zuur bewaard wordt en dat als kruiderij gebruikt wordt
kapris
/
kɑpsɛɪ̯zə(n)/, /
kɑpsɛːzə(n)/
verb
1. ondersteboven komen liggen
kapsejsa
kantra
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
frisyr
noun
1. een geweer met ingekorte loop en soms ook ingekorte schoudersteun
karbin
noun
1. tafelfles met wijde buik en smalle hals
karaff
noun
1. gebrande suiker
bränt socker
noun
1. vorm van vermaak, waarbij muziek wordt afgespeeld van een lied, en de amateur zanger in een microfoon de tekst (die op een televisiescherm te lezen is) live zingt
karaoke
noun
1. japanse gevechtsport
karate
/
kɑrboˈnadə/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
kotlett
noun
plant en zaad
kardemumma
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
kardinal
noun
1. hoofddeksel
kardinalshatt
noun
1. en 2. bladeren van Cynara cardunculus
kardon
pronoun
1. een aan het Fins verwante taal die wordt gesproken in Karelië, Rusland en Finland
karelska
/
kɑˈrelɪə/
pronoun
1. deel van Rusland
Karelen
noun
1. een zoogdier uit de familie der hertachtigen
ren
verb
1. een karikatuur maken van
karikera
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het zuiden van het land
Karnataka
noun
1. gefermenteerde melk
kärnmjölk
filmjölk
verb
1. het langdurig mechanisch bewerken van melk
kärna
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
karp
/
kɑrˈtɔn/
noun
- 1. bordpapier
- 2. verpakking
kartong
noun
plant, zaad en specerij
kummin
/
'kɑs/
noun
3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...
drivhus
växthus
pronoun
1. een Westslavische taal die gesproken wordt in het oosten van Pommeren
kasjubiska
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
Kaspiska havet
noun
3. machine om ontvangen geld te registreren en te bewaren
kassaapparat
pronoun
1. Duitse stad
Kassel
noun
1. iemand die het beheer heeft over de kas en de mutaties ervan bijhoudt
kassör
/
kɑs/, /
kɑst/
noun
1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
skåp
noun
- 1. de vrucht
- 1. de boom
kastanj
noun
1. streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
kast
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
slott
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Casuarius
kasuar
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
katt
kattdjur
noun
1. geheel van de afbraakprocessen in een lichaam
katabolism
noun
- 1. belegeringswapen
- 3. lanceerinrichting voor vliegtuigen
katapult
- 2. speeltuig
slangbella
slangbåge
noun
2. gevolgen van alcoholgebruik
bakfylla
baksmälla
kopparslagare
/
kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
katedral
domkyrka
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
kateter
noun
1-2 scheikunde + elektronica
katod
/
ˌka.to.ˈlik/
adjective
- 1. overeenkomstig de geloofsleer van de Katholieke Kerk
- 2. te maken hebbend met de Katholieke Kerk
katolsk
/
kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
bomull
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
block
trissa
noun
1. bepaald soort loofboom Salix viminalis
korgvide
pronoun
1. gebergte
Kaukasien
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
kaja
noun
1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
tuggummi
pronoun
1. een taal die van oorsprong door de Kazachen in Kazachstan gesproken werd
kazakiska
kazakstanska
/
ˈka.zɑx.stɑn/, /
ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
Kazakstan
noun
1. inwoner van Kazachstan
kazak
noun
1. een tegen vijandelijk vuur gedekte en van schietgaten voorziene ruimte voor de opstelling...
kasematt
noun
1. gebouw waar soldaten gelegerd zijn
kasern
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
mässhake
pronoun
1. oudste zoon van Adam en Eva
Kain
/
keːl/
noun
- heraldiek
hals
- 1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
strupe
svalg
noun
1. pijnlijke irritatie van het slijmvlies in de keelholte, meestal door een ontsteking ervan
halsont
/
keːp/
noun
2. kleurrijke vinkensoort
bergfink
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
gång
/
ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
kon
kägla
noun
1. een kromme gevormd door het snijden van een kegel met een plat vlak
kägelsnitt
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
kejsare
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
kejsarinna
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
kejsardöme
noun
1. operatieve verlossing
kejsarsnitt
noun
1. een ondergrondse bergruimte
källare
/
kɛɫt/
noun
1. lid van een Indo-Europees volk waarvan na de Romeinse tijd de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
kelt
/
ˈkɛl.tis/, /
ˈkɛɫ.tis/
adjective
1. met betrekking tot Kelten
keltisk
noun
1. bepaald soort vogel, Calidris pugnax
brushane
/
ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
Kenya
verb
1. bekend, vertrouwd zijn met
känna till
/
ˈkɛnɪs/
noun
1. wat je weet of hebt geleerd
kunskap
noun
- 1. een teken waaraan iets of iemand herkenbaar is
kännetecken
- 2. een identificatienummer van een (gemotoriseerd) voertuig
registreringsnummer
/
ˈkɛpəl/
noun
1. hoofddeksel in de vorm van een ondiep bolsegment
kippa
noun
1. een ingesneden groef
hack
/
kɛrk/
noun
- 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
- 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
- 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
kyrka
/
ˈkɛrk.bɑn/
noun
1. uitsluiting van de sacramenten of de kerkgemeenschap
bannlysning
exkommunikation
/
ˈkɛrk.bɑŋk/
noun
1. harde langwerpige constructie waar in een kerkgebouw waarop gelovigen tijdens een dienst kunnen zitten
kyrkbänk
noun
1. de bovenste bedekking van een christelijk religieus gebouw
kyrktak
noun
1. bijeenkomst van een christelijke gemeente waarin God vereerd wordt
gudstjänst
/
ˈkɛr.kə.lək/
adjective
1. verband hebbend met de kerk
kyrklig
/
kɛrkər/
noun
1. een ondergrondse ruimte die bestemd is voor het opsluiten van gevangenen
fängelsehåla
/
ˈkɛrkχɑŋər /
noun
1. een gelovige die zich naar de kerk begeeft om de kerkdienst bij te wonen
kyrkobesökare
/
ˈkɛrk.ɣəˌbɔʊ̯/, /
ˈkɛrk.χəˌbɑʊ̯/
noun
1. een bel naast de ingang van de sacristie die tijdens kerkdiensten geluid wordt
kyrkobyggnad
kyrka
/
ˈkɛrk.hɛrˌvɔr.mər/
noun
2. een persoon die betrokken was bij het ontstaan en/of vormkrijgen van de reformatie
reformator
noun
1. terrein waar overledenen begraven worden
kyrkogård
/
ˈkɛr.klɔk/
noun
1. een bel in de toren van een kerk
kyrkklocka
noun
1. een toren bij een kerk
kyrktorn
/
ˈkɛrgœːl/, /
ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /
ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
tornuggla
noun
1. grotere ruimte in een gebouw bestemd voor missen of vieringen
församlingshem
noun
1. een feest met attracties
marknad
noun
1. energie geproduceerd door kernfusie of kernsplijting, waarmee in een kerncentrale elektriciteit wordt opgewekt
atomkraft
noun
1. het proces waarbij twee atoomkernen botsen en één zwaardere kern vormen waarbij energie vrij komt
kärnfusion
noun
1. ouders en hun minderjarige kinderen
kärnfamilj
noun
1. een rampzalige gebeurtenis waarbij de brandstof van een kernreactor smelt door het wegvallen van de koeling
härdsmälta
noun
1. een vrij zware fractie alkanen die met name als vliegtuigbrandstof gebruikt wordt
fotogen
noun
1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
körsbär
noun
1. benaming voor bomen waaraan kleine ronde vruchten groeien, uit het ondergeslacht Prunus subg. Cerasus
körsbärsträd
/
kɛr.ˈsta.vɔnt/, /
kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
julafton
/
ˈkɛrsd.bɑɫ/, /
ˈkɛrz.bɑl/
noun
1. een bal die men als versiering ophangt aan de takken van een kerstboom
julgranskula
/
ˈkɛrsd.bom/, /
ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
julgran
/
ˈkɛrs.dɑx/, /
ˈkɛrs.dɑχ/, /
ˈkɛrz.dɑx/
noun
juldag
/
ˈkɛr.stə.ˌnə(n)/
verb
2. heidense volkeren, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren; veelal in historische context
kristna
/
ˈkɛr.stə.ˌnɪŋ/
noun
1. het proces waarbij heidense volkeren zich, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren
kristnande
/
ˈkɛrs.kart/, /
ˈkɛrst.kart/
noun
1. een wenskaart die wordt gekenmerkt door een kerstgroet en wensen voor het komende nieuwe jaar
julkort
/
ˈkɛrs.lid/, /
ˈkɛrst.lit/
noun
1. een op Kerstmis betrekking hebbend lied
julsång
/
ˈkɛrs(t)məs/, /
ˈkɛrsmɪs/, /
ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
jul
/
ˈkɛr.sto.ˌmat/
noun
1. een trostomaat zo groot als een kers
körsbärstomat
/
ˈkɛr.stɑl/, /
ˈkɛr.stɑɫ/
noun
1. een voorstelling van de geboorte van Jezus met figuren van hout of gips, die vooral in katholieke gezinnen rond Kerstmis in huis te vinden is, vaak onder de kerstboom
julkrubba
/
ˈkɛrstɛr/
noun
julstjärna
/
ˈkɛr.stɔl/, /
ˈkɛr.stɔɫ/
noun
1. een speciaal brood gebakken voor de kerst gevuld met noten, vruchten en spijs
stolle
/
ˈkɛrst.fa.ˌkɑn.si/, /
ˈkɛrst.fa.ˌkɑn.ʦi/, /
ˈkɛrz.va.ˌkɑn.si/
noun
1. een schoolvakantie op het einde van het jaar die gewoonlijk twee weken duurt
jullov
/
ˈkɛrst.fər.ˌsiː.rɪŋ/, /
ˈkɛrz.vɛr.ˌsiː.rɪŋ/
noun
1. aangekochte of zelfgemaakte voorwerpen die gebruikt worden ter versiering ter gelegenheid van Kerstmis
julpynt
noun
- 2. keukenkruid
körvel
- 1. plant
trädgårdskörvel
noun
1. een saus op basis van tomaten
ketchup
noun
1. meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
Ångpanna
noun
1. uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
kedja
noun
zuurvergiftiging bij suikerziekte
ketoacidos
noun
1. iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
kättare
/
ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
kätteri
noun
4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
halsband
noun
1. motorzaag die een ketting met getande schakels heeft
kedjesåg
/
ˈkøːkə(n)/
noun
- 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
- 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
kök
/
'kø:s/
noun
gelegenheid
val
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
val
/
ˈkevər/, /
ˈkɛvər/
noun
1. bepaald insect
skalbagge
/
ˈkiːbɔː(r)d/, /
ˈkiːbɔː(r)t/
noun
- 1. een elektronisch muziekinstrument met een toetsenbord
keyboard
- 2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
tangentbord
pronoun
1. taal die in Cambodja gesproken wordt
khmer
kambodjanska
noun
1.1 benaming voor roofvogels uit het geslacht Circus
kärrhök
noun
1. verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip
köl
noun
1. spoor van waterstroom (achter een schip)
kölvatten
noun
1. minimale aantal stemmen dat vereist is om verkozen te worden in een vertegenwoordiging
riksdagsspärr
noun
1. een gebied, waar bij verkiezingen op dezelfde kandidaten kan worden gestemd
valkrets
noun
1. pijn in één of meerdere kiezen
tandvärk
noun
1. de wijze waarop de volksvertegenwoordiging bij verkiezingen wordt gekozen.
valsystem
noun
1. ademhalingsorgaan van vele in water levende dieren
gäl
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiev
/
ˈkizəɫˌʋirə(n)/
noun
2. stam van eencellige organismen, Bacillariophyta
kiselalgerna
verb
1. uit meerdere mogelijkheden één nemen
välja
rösta
noun
1. iemand die stemt bij een politieke verkiezing
väljare
noun
1. een statistische bepaling van het aantal kijkers en hun waardering van een bepaald televisieprogramma
tittarsiffra
verb
titta
se
kika
kolla
spana
noun
- 1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
groda
- 2. een dubbele haak ter bevestiging van een touw
knap
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
kikärt
noun
1. fijn gemalen kikkererwten
kikärtsmjöl
noun
1. kikker- of paddenlarve
grodyngel
abbreviation
1. kilogram
kilogram
kilo
noun
1. duizend meter
kilometer
noun
1. meetinstrument dat de totaal afgelegde afstand in kilometers aangeeft
odometer
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
haka
noun
- 1. mens tussen 0 en 18 jaar
- 2. persoon voortkomend uit
barn
unge
noun
1. een arts die gespecialiseerd is in de behandeling van kinderen
barnläkare
noun
1. kindermeisje (in een huishouden)
barnskötare
noun
1. een kamer die speciaal is ingericht voor kinderen
barnkammare
noun
1. het om het leven brengen van een kind
barnmord
noun
1. een voertuig waarin zuigelingen of kleuters met de hand verreden kunnen worden
barnvagn
noun
1. een ziekenhuis gespecialiseerd in de behandeling van kinderen
barnsjukhus
noun
- 1. ziekte bij kinderen
- 2. fout, tekortkoming bij een nieuw voorwerp, project of plan
barnsjukdom
noun
1. kind dat deelneemt aan een gewapend conflict
barnsoldat
adjective
1. wat beweging veroorzaakt
kinetisk
/
kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
kikhosta
noun
1. klein vrijstaand winkeltje waar men snoep, koffie, kranten en tijdschriften kan kopen
kiosk
/
kɪp/
noun
- 1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
höna
kyckling
- 2. kippenvlees
kyckling
noun
hok voor kippen
hönshus
/
ˈkɪpəvɛɫ/
noun
1. het verschijnsel waarbij als gevolg van kou de huid gaat kleine bubbeltjes vertoont
gåshud
noun
1. voer speciaal geschikt voor kippen
kycklingfoder
pronoun
1. de taal die in Kirgizië gesproken wordt
kirgizisk
/
kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /
kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
Kirgizistan
/
ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Kiribati
pronoun
1. taal die door 67 790 mensen in Kiribati, Fiji, Nauru, de Solomoneilanden, Tuvalu en Vanuatu wordt gesproken
kiribatisk
/
kɪts/
adjective
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
ketch
noun
1. schijnkunst die niet aanslaat met veel versieringen en/of de verkeerde materialen waarvan de meeste mensen denken dat het wansmaak is
kitsch
noun
2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
kiwi
kivi
pronoun
1. denkbeeldig mannetje dat mensen 's nachts iets in de ogen strooit zodat ze kunnen slapen
John Blund
verb
1. ongenoegen uiten
klaga
adjective
1. een beetje vochtig aanvoelend
fuktig
noun
1. in het algemeen wordt hiermee het totaal aan eigenschappen van een geluid aangeduid
ljud
noun
2. houten hemel boven een spreekgestoelte waardoor het geluid van de spreker weerkaatst en zich verspreidt
predikstolstak
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
kund
noun
1. bepaald soort zoogdier, Cystophora cristata
klappmyts
noun
1. speelgoed pistool dat door kleine hoeveelheid kruit een hard geluid kan maken
knallpulverpistol
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
vallmo
/
ˈklɑpstuːl/
noun
stoel met opklapbare zitting
fällstol
noun
1. ± stuk rundvlees van de borst of klaprib, dat langdurig in een oven gebraden wordt
bringa
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
klarinett
/
klɑs/
noun
- 1. een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
- 2. een leerjaar op school
- 3. een klaslokaal
klass
noun
1. een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
klassrum
/
ˈklʌʊtərə(n)/
verb
1. klimmen, zich verticaal verplaatsen met behulp van alle vier de ledematen
klänga
/
klʌu/
noun
- 1. poot van een roofdier
- 2. hand
klo
noun
1. toetsinstrument
cembalo
verb
- 1. kleren aandoen
- 2. met weefsel bedekken, van kleding voorzien
klä
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
kläder
noun
1. rijstsoort die veel zetmeel bevat
klibbris
noun
1. zachte borstel waarmee men stof van kleding kan verwijderen
klädborste
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
skräddare
/
klɛɪ̯/, /
klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
lera
adjective
1. van geringe grootte
liten
noun
korsört
vanlig korsört
/
ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
dotterdotter
pronoun
1. een hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk sterrenbeeld
Lilla Björn
noun
1. bepaald soort meeuw, Larus glaucoides
vitvingad trut
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Lilla hunden
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Cobitis taenia
nissöga
phraseologicalUnit
1. een interval dat drie halve tonen omvat
mollters
noun
1. bepaald soort vlinder, Aglais urticae
nässelfjäril
noun
1. de handel die tatbare producten direct aan consumenten verkoopt
detaljhandel
/
ˈklɛːŋkɪnt/, /
ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
barnbarn
noun
1. klein voorwerp van hoge waarde
klenod
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
dotterson
sonson
noun
1. een werktuig waarin iets door samendrukken bijeengehouden of vastgezet kan worden
klämma
noun
1. verstelbare afsluiting
klaff
noun
1. de onweerstaanbare drang om te stelen
kleptomani
/
ˈkleː.rən/
noun
1. kleding of kledingstukken
kläder
verb
2. praten, babbelen
prata
snacka
/
kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
färg
kulör
verb
1. van kleur voorzien met potloden, stiften, wasko etc.
färga
adjective
1. zonder kleur
färglös
adjective
1. vol opvallende kleuren
färgglad
/
ˈkleːvərɪx/
adjective
1. vasthechtend bij aanraking
kladdig
/
ˈklivə(n)/
verb
1. langs een scherp breukvlak in tweeën hakken
klyva
noun
1. steile hoge rots
klippa
verb
1. een klikkend geluid maken
klick
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
klimat
noun
1. de verandering van het klimaat in een bepaald gebied over een bepaalde periode, m.n. de wereldwijde opwarming sinds de 19e eeuw
klimatförändring
/
klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
klimatologi
/
klɪmɑtoˈloxɪs/
adjective
1. op het klimaat betrekking hebbend
klimatologisk
verb
1. het bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
klättra
/
'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
murgröna
noun
1. planten die tegen voorwerpen aan omhoog kunnen groeien
klätterväxt
noun
1. sport- of speeltoestel waarop men klimt
klätterställning
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
klingonska
noun
1. een inrichting waar patiënten worden verpleegd
klinik
adjective
1. direct voor de arts (hulpverlener) zichtbaar
klinisk
/
klɪŋk/
noun
- 2. constructie om een deur gesloten te houden
hasp
- 1. handvat om de deur te openen of te sluiten
vred
/
ˈklɪŋkər/
noun
1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
vokal
noun
1. een metalen verbinding tussen twee platen bestaande uit twee cilidrische delen die van weerszijden,...
nit
adverb
1. zo duidelijk dat een misverstand uitgesloten is
klar och tydlig
noun
1., 2. plant met kleverige bloemknoppen
kardborre
noun
- 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
klocka
- 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
klocka
ur
/
ˈklɔkɦœs/, /
ˈklɔkɦœʏs/
noun
1. binnenste van een vrucht
kärnhus
noun
2. smal hoog bouwwerk met bovenin een of meer wijzerplaten van een uurwerk
klocktorn
noun
1. klokkenbrons
klockmetall
/
klɔmp/
noun
1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
träsko
verb
1. een identieke kopie van een levend wezen maken
klona
verb
1. klonten vormen
stelna
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
kanjon
ravin
/
klon/
noun
1. een levend wezen dat een exacte genetische kopie is van een ander wezen
klon
/
klostər/
noun
- 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
- 2. een kloostergemeenschap als zodanig
kloster
verb
- 1. tegen iets slaan
knacka
- 5. verslaan
- 2. hoorbaar bewegen
vispa
noun
- 2. lachwekkend voorval
fars
- 1. toneelstuk
fars
buskteater
/
klœʏs/, /
klœːs/
noun
1. een tegen inbraak en brand beveiligde kist of kast
kassaskåp
noun
1. iemand die alleen en in afzondering leeft
eremit
noun
1. een onhandig persoon
klant
noun
1. tot een bol opgewonden draad
nystan
/
ˈknaxdiːr/, /
ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
gnagare
noun
1. jongen, jongeman
hjon
verb
1. met de tanden aanvreten
gnaga
verb
1. een hard geluid of knal geven
smälla
adjective
2. aantrekkelijk
stilig
verb
1. een massa soepel maken door er steeds in te knijpen
knåda
noun
1. bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
hämpling
noun
1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
knä
verb
1. op de knieën gaan
knäböja
verb
1. tussen twee punten druk uitoefenen
nypa
/
'knɪkə(n)/
verb
1. een verticale beweging met het hoofd maken
nicka
noun
1. balletje van glas, marmer, steen, hout of klei
kula
noun
1. teken in de vorm van het kort toeknijpen van een oog om verstandhouding of waardering uit te drukken
blinkning
/
knɪˈpa/
noun
- 1. fruitboom in de Amerikaanse tropen (Melicoccus bijugatus)
- 2. vrucht van de gelijknamige boom
honungsbär
verb
- 1. met een schaar uitsnijden
- 3. (informatica) overnemen van informatie
klippa
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
vitlök
noun
1. vingergewricht
knoge
verb
1. vechten
kämpa
strida
slåss
noun
- 1. verdikte plantenwortel.
knöl
- 2. koolraap, een eetbare wortel van een plant uit het geslacht Brassica.
rova
noun
- 3. aan een jas e.d.
knapp
- 2. snelheidsmaat
knop
knut
- 1. in een draad
knut
knop
stek
noun
1. een platte knoopvormige batterij die meestal in draagbare elektronische apparatuur wordt gebruikt
knappcell
noun
1. spleet die in een stuk stof is gemaakt zodat een ander stuk stof daaraan kan worden vastgemaakt
knapphål
verb
1. een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
knyta
noun
- 2. speelgoed
gosedjur
kramdjur
- 1. omhelzing
kram
noun
1. korte dikke stok, bedoeld om lijfstraf mee uit te delen
klubba
/
knʌtsələ(n)/
verb
1. zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf
pyssla
noun
1. een Australisch buideldier
koala
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
kobolt
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
spindel
noun
1. Ursus arctos middendorffi, de grootste beer en het grootste bekende landroofdier
kodiakbjörn
noun
1. vrouwelijk rund
ko
kossa
noun
1. een platte pan met een lang handvat
stekpanna
/
[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
kaka
småkaka
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
gök
adjective
1. met een naar verhouding lagere temperatuur dan de warme of hete omgeving
kall
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
kylskåp
noun
- 1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
- 2. een ruimtelijke figuur, veelvlak
kupol
noun
1. een vereniging of stichting waarin een aantal belangenorganisaties vertegenwoordigd zijn
paraplyorganisation
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
kurdiska
noun
1. kleine witte reigersoort
kohäger
/
ˌku.tər.ˈʋaːls/
noun
1. aanduiding voor een onverstaanbare taal
rotvälska
noun
1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
kärra
noun
1. iemand die de paarden van een koets ment
kusk
noun
1. stevige metalen stang voorzien van een gespleten einde, gebruikt om er zaken mee open te breken
kofot
/
ˈkuwɛɪ̯t/, /
ˈkuʋɛɪ̯t/, /
ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
Kuwait
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
resväska
koffert
noun
1. het gedeelte van een auto waar de bagage in geplaatst wordt
bagageutrymme
noun
1. drank uit koffiebonen
kaffe
noun
1. sterk geconcentreerd aftreksel van koffie
kaffeextrakt
noun
1. het donkere bezinksel van gemalen koffiebonen dat overblijft na het zetten van koffie
kaffesump
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
kafé
/
ˈkɔ.fi.ˌka.mər/
noun
fikarum
noun
1. een huishoudelijk apparaat waarin koffiebonen kunnen worden gemalen
kaffekvarn
noun
- 1-2. munitie
- 3. metalen bal gebruikt bij kogelstaten
kula
noun
1. benaming voor zeevissen uit het geslacht Tetraodontidae
pallokalat
adjective
1. kogelvrij
skottsäker
noun
1. middeleeuws vrachtschip dat vooral door de Hanze werd gebruikt
kogg
verb
- 1. vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
koka
- 2. met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
laga mat
koka
noun
1. bepaald soort zeevogel met een gekleurde kop en een lachende roep, Chroicocephalus ridibundus
skrattmås
/
ˈko.kɔsˌbom/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
kokosnöt
/
ˈko.kɔs.maˌkron/
noun
1. een ronde koek op kokosbasis op een stuk rond ouwel
kokostopp
/
ˈko.kɔsˌmɛlk/, /
ˈko.kɔsˌmɛɫk/
noun
1. vocht verkregen door het kiemwit van een kokosnoot met water te vermengen en uit te knijpen
kokosmjölk
/
'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
kokosnöt
/
ˈko.kɔsˌo.li/
noun
1. een soort olie gewonnen uit kokosnoten
kokosolja
kokosfett
/
ˈko.kɔsˌpɑlm/, /
ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
kokospalm
/
ˈko.kɔsˌvles/
noun
1. vruchtvlees van de kokosnoot
kokoskött
noun
hoge witte muts
kockmössa
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) thermische centrale die elektrische stroom opwekt door verbranding van steenkool
kolkraftverk
noun
1. ganzensoort
bläsgås
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
kolibri
noun
1. een hoge militaire rang
överste
noun
1. een rang in het Pruisische leger, het Duitse keizerlijke leger en de Wehrmacht, het leger van nazi-Duitsland
generalöverste
adjective
1. betrekking hebbend op koloniën en het hebben van koloniën
kolonial
/
'kolonijaˌlismə/
noun
1.
kolonialism
/
koˈloni/
noun
1. een vestiging van een deel van een bevolking, buiten het eigenlijke territorium van dat volk
koloni
verb
1. koloniën vormen
kolonisera
noun
1. iemand die zich in een kolonie heeft gevestigd
kolonisatör
noun
1. eetgerei zoals een bord, maar dan dieper
skål
/
koˈmedi/
noun
1. een blijspel
komedi
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
komet
verb
- 1. bewegen van verder weg naar dichterbij
- 2. een orgasme hebben
komma
noun
1. iemand die een publiek vermaakt door ze aan het lachen te brengen
komiker
noun
plant, zaden en specerij
spiskummin
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
spiskumminfrön
/
kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
gurka
/
ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
komma
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
kompass
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
gruvarbetare
/
kɔˈnɛɪn/, /
kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
kanin
/
ˈkonɪŋ/, /
ˈkoːnɪŋ/
noun
- 1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
- 2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
kung
konung
pronoun
Andra Kungaboken
Första Kungaboken
/
konɪˈŋɣɪn/, /
konɪˈŋɪn/, /
koʊnɪˈŋɪn/
noun
drottning
pronoun
1. een stad in het voormalige Oost-Pruisen
Königsberg
noun
1. een bewuste moord op een koning.
kungamord
/
ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
kunglig
/
ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /
ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /
ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
kungarike
konungarike
noun
1. de billen, het achterwerk
arsle
/
koːɪ/
noun
- 3. stal
box
- 1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
bur
- 4. slaapplaats op een schip
koj
noun
boek waaruit men leert koken
kokbok
/
ˈkokʋɛkər/
noun
1. een apparaatje dat in de keuken gebruikt wordt om de tijd te meten
tidur
noun
- 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
kol
- 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
vitkål
kål
noun
1. reukloos gas dat ontstaat bij volledige verbranding van koolstof
koldioxid
noun
1. een bepaald type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
kolhydrat
/
ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
kol
noun
1. verbinding met moleculen van één atoom zuurstof en één atoom koolstof (CO)
kolmonoxid
noun
1. bepaald soort vis met donker gekleurde mondholte en rug die voorkomt in het hoge noorden van de Atlantische Oceaan, Pollachius virens
gråsej
/
kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
kolväte
/
'kolzyr/
noun
1. H₂CO₃
kolsyra
noun
1. de hoeveelheid goederen of diensten die gekocht kan worden met een bepaald geldbedrag
köpkraft
noun
1. zeeschip voor het vervoer van handelsgoederen
handelsfartyg
noun
1. een groep mensen die samen zingen
kor
kör
noun
1. rechte tussen twee cirkelpunten
korda
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
feber
noun
1. beentje van vinger of teen
falang
noun
- 1. hoofd van een dier
- 2. hoofd van een mens
huvud
- 9. zijde van een geldstuk met een afgebeeld hoofd
krona
- 1. porseleinen recipiënt met oor, om uit te drinken
kopp
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
köpa
noun
- 2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
koppar
- 1. persoon die koopt
köpare
inköpare
klient
uppköpare
/
kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
- 2. imiteren
härma
- 1. een duplicaat maken van
kopiera
/
ˈkɔplɑmp/
noun
1. een witte of gele lamp aan de voorzijde van een voertuig
framlykta
noun
1. een constructie die in een motor of voertuig mechanische krachten op een te onderbreken wijze overbrengt
koppling
noun
1. voetbediening om de verbinding tussen de motor van een voertuig en de wielen te verbreken
kopplingspedal
noun
1. een streepje om twee of meer woorden een eenheid te laten vormen
bindestreck
noun
1. een werkwoord dat een eigenschap koppelt aan het onderwerp
kopula
verb
- 2. de kop verwijderen
nicka
- 1. een bal een stotende beweging met het hoofd geven
skalla
noun
1. iemand die tot een stam behoort die aan koppensnellen doet
huvudjägare
/
ˈkɔpəx/, /
ˈkɔpəç/
adjective
1. vasthoudend aan eigen wil of inzicht
envis
noun
1. een meestal dodelijk schot in het hoofd
huvudskott
noun
1. stel van twee kleine luidsprekers die men tegen of in de oren plaatst
hörlurar
hörtelefon
noun
1. skelet van de koraalpoliep
korall
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan
Korallhavet
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
koranen
Koranen
/
koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Korea
/
koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
koreanska
noun
1. een balsport waarbij een bal door een mand (korf) moet worden gegooid
korfball
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
koriander
/
korijɑndərblɑt/
noun
1. (gedroogd) blad van Coriandrum sativum
korianderblad
noun
1. gemalen gedroogde zaden van Coriandrum sativum
korianderpulver
/
korijɑndərzaːt/
noun
1. gedroogde zaden van Coriandrum sativum
korianderfrö
noun
1. een enkele zaad van graan
gryn
/
ˈkɔrəlˌhaɣəl/
noun
snöhagel
/
kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
skorpa
adverb
- 2. van geringe lengte
- 1. van geringe duur
kort
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
rabatt
rea
/
ˈkɔrt.slœy.tɪŋ/
noun
1. het plaatsvinden van een gewenste of ongewenste weerstandloze verbinding in een stroomkring
kortslutning
noun
2. bijziendheid
kortsiktighet
noun
1. een staaf waarmee schoten, vallen en andere lijnen op zeilschepen worden belegd
koffernagel
noun
1. het gehele tijd-ruimte continuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
kosmos
adjective
1. op Kosovo betrekking hebbend
kosovansk
/
ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
Kosovo
noun
2. voedsel, als onderdeel van het dagelijks bestaan
mat
verb
1. als te betalen prijs hebben
kosta
/
'kɔstənplats/
noun
kostnadsställeredovisning
noun
1. kerkelijke bediende, die met de zorg van het kerkgebouw, en het vlot verloop van de kerkdiensten belast is
kyrkvaktmästare
noun
1. iemand die (tegen betaling) bij iemand anders voeding en onderdak ontvangt
matgäst
/
kotəˈlɛt/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
kotlett
/
kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
kall
/
ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
kyla
kall
/
kaʊ̯s/, /
kɔʊ̯s/, /
kʌʊ̯s/
noun
1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
strumpa
noun
1. lid van een hoofdzakelijk Slavisch ruitervolk
kosack
noun
1. rand van een raam of deur waar de ruit of de deur in gevat is
Fönsterkarm
noun
1. een, vaak geornamenteerde, uitstekende steen aan een gevel die een dragende functie heeft
kragsten
/
kraɪ̯/, /
kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
kråka
/
ˈkraɪ̯.jə/, /
ˈkraː.jə/
verb
1. het voor de haan kenmerkende geluid voortbrengen
gala
noun
- 1. nest van een kraai
- 2. uitkijkplaats in de mast van een schip
mastkorg
noun
- 1. zeemonster, waarschijnlijk de inmiddels goed gedocumenteerde reuzenpijlinktvis
- 2. inktvis zonder inwendig skelet
bläckfisk
/
ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
brosk
noun
- 4. werktuig om voorwerpen in de hoogte te verplaatsen
- 2. iemand die op een bepaald gebied uitblinkt
kran
- 3. mechanisme waarmee de stroming van vloeistof of gas geregeld kan worden
tapp
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
trana
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
krabba
noun
1. vermogen om iets te verrichten
kraft
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Kraków
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
kramp
noun
1. twee uit de aorta ontspringende slagaders die de hartspier van bloed voorzien
kransartär
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
dagstidning
tidning
/
'krɑntəpaˌpir/
noun
1. een soort papier zoals waarop de kranten gedrukt worden
tidningspapper
noun
1. een lot waarbij men direct weet of men wel of niet gewonnen heeft als men een beschermfolie wegkrast
skraplott
noun
1. houten of plastic doos met openingen in de zijkanten in een standaardformaat, vaak gebruikt voor opslag en het vervoer van flessen, fruit of andere waren
back
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
Kräftan
/
kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
hummer
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
Kräftans vändkrets
noun
- 3. zitvlak
bak
rumpa
ända
- 2. gierigaard
girigbuk
snåljåp
gnidare
- 1. druif
korint
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
Kreta
verb
2. gekreukt raken
skrynkla
/
krønə(n)/
verb
1. ongearticuleerde geluiden maken, vaak van pijn of ander leed
stöna
noun
1.laag stuikgewas waarbij de takken van de boompjes door elkaar heen groeien
ris
/
krɪp/
noun
3,4,5. golfbrekertjes
dammverk
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
krigare
noun
1. een handeling die erop gericht is om door list en bedrog de vijand te misleiden, zoals het verspreiden van valse geruchten
krigslist
noun
1. een olifant die vroeger tijdens op het land uitgevochten oorlogen werd ingezet als strijddier
stridselefant
noun
1. een raad die optreedt als rechtsorgaan in het krijgsrecht
krigsrätt
noun
- 1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
- 2. schrijfmateriaal uit dat materiaal vervaardigd
krita
/
krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Krim
pronoun
1. een van de Turkse talen, gesproken door ongeveer een half miljoen mensen, oorspronkelijk van de Krim afkomstig, maar door een deportatie in 1944, nu vooral in Oezbekistan en Kirgizië, maar ook in Moldavië, Roemenië en Turkije gesproken
krimtatariska
verb
1. kleiner in omvang worden
krympa
noun
- 1. een ronde figuur zoals een cirkel
cirkel
- 2. een gemeenschap van mensen
krets
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
kristall
/
krɪsta'lɛɪn/
adjective
1. een inwendige structuur bezittend die zichzelf eindeloos herhaalt
kristallin
noun
1. kristalvorming
kristallisation
verb
1. ordeningsproces
kristallisera
noun
- 1. uitingen waarmee bepaald gedrag, een bepaalde zienswijze e.d. van anderen worden veroordeeld of in twijfel getrokken
- 2. een document dat kunstzinnig commentaar levert op een optreden, tentoonstelling, boek , film of andere kunstuiting
kritik
adjective
- 1. ernaar geneigd vraagtekens te plaatsen achter iets
- 2. onder zulke omstandigheden dat er meer neutronen geproduceerd dan geabsorbeerd worden, waardoor een nucleaire kettingreactie op gang kan komen
kritisk
/
kroˈwatis/, /
kroˈwaːtɪs/
adjective
kroatiska
/
kroˈwatis/, /
kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
kroatiska
kroatisk
/
kroˈwatsi.jə/, /
kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
Kroatien
/
krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
krog
pub
noun
1. een rol ragout die gepaneerd en gefrituurd wordt
krokett
/
krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
krokodil
/
kroko'dɪlwɑxtər/
noun
1.
krokodilväktare
noun
1. irisachtige lentebloem
krokus
adjective
1. niet recht
böjd
verb
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
kröna
noun
Andra Krönikeboken
Första Krönikeboken
/
ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
kröning
noun
1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
krona
noun
1. een prins die in een monarchie de eerste is die de rechtmatige vorst opvolgt bij aftreden of overlijden
tronarvinge
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva var. latifolia
escarolesallat
/
krœʏ̯t/, /
krœːd/, /
krœːt/
noun
ört
verb
1. specerij bij een gerecht doen
krydda
noun
2. winkel met levensmiddelen
livsmedelsaffär
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
kryddnejlika
nejlika
/
krœyjər/
noun
1. iemand die bagage vervoert op o.a. stations en vliegvelden
bärare
/
ˈkrœyməlˌdifstɑl/
noun
1. bij herhaling spullen of bedragen met een lage waarde stelen
snatteri
noun
1. een soort braam
hjortron
noun
- 1. geometrisch figuur
- 4. symbool
kors
kryss
noun
1. kleine vinkachtige zangvogel
mindre korsnäbb
noun
1. Ribes uva-crispa
krusbär
/
ˈkrœʏsər/
noun
- 1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
- 2. een type jacht
kryssare
verb
1. een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt
korsfästa
/
krœʏ̯s.kɛrk/, /
krœːs.kɛrk/
noun
1. een kerkgebouw waarvan de plattegrond een kruisvorm heeft
korskyrka
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
korsning
noun
1. kruissleutel
fälgkors
noun
1. ondernemingen van de westerse christenen tussen 1095 en 1271 in Palestina
korståg
/
krœʏ̯sˈvɔr.məχ/, /
krœːsˈvɔr.məx/
adjective
1. de vorm van een kruis hebbend
korsformig
noun
1. kruiswoordpuzzel
korsordet
korsord
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
skottkärra
noun
- 2. hulpmiddel bij het lopen
krycka
- 1. simpel zitmeubel zonder leuningen
pall
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva
frisésallat
/
ˈkrʏl.spɛlt/
noun
1. hulpmiddel waarom je een haarlok kunt wikkelen om krullen te maken in stijlhaar
papiljott
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
krypton
/
kup/
noun
1. Zweeds buitenspel
kubb
noun
1. 20-eeuwse stroming binnen de beeldende kunst waarin de werkelijkheid op een sterk vereenvoudigde manier wordt weergegeven
kubism
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
kub
/
'kɵdə/
noun
- een kudde schapen
flock
- 1. een groep samenlevende (zoog)dieren
hjord
/
ˈkœʏ̯kə(n)/, /
ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
kyckling
noun
- 2. visseneitjes
rom
- 1. deel van het been
vad
/
kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
kuckeliku
noun
1. en 2. (citrusvrucht van) plant Citrus japonica
kumquat
verb
1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
kunna
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
konst
noun
1. iemand die voor zijn beroep kunst koopt en verkoopt
konsthandlare
adjective
1. door menselijk, moedwillig ingrijpen tot stand gekomen
artificiell
konstgjord
noun
1. een combinatie van chemische stoffen die aan de aarde wordt toegevoegd ter bemesting daarvan
konstgödsel
noun
1. sport waarbij individuelen, paren en groepen schaatsers rotaties, sprongen en andere bewegingen op het ijs maken, die vaak met muziek wordt uitgevoerd
konståkning
/
ˈkʏns.tal/, /
ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
konspråk
/
kʌnstwɛrk/
noun
1. resultaat van een inspanning om iets te maken dat bijzonder mooi of indringend is
konstverk
/
kʏrk/
noun
1. licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
kork
/
kʏr.kɛi̯k/, /
kʏr.kɛːk/, /
kʏrk.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus suber; een boom uit de napjesdragersfamilie
korkek
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
korkskruv
noun
plant en specerij
gurkmeja
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
kyss
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
dyna
kudde
verb
1. een kus geven
kyssa
noun
1. een vorm van uitvloeiingsgesteente, dat het uiterlijk heeft van min of meer op elkaar gestapelde kussentjes
kuddlava
/
'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
kust
/
kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
fitta
noun
1. een oord met geneeskrachtige baden
kurort
adjective
1. schade aanrichtend
elakartad
noun
1. het innerlijk slecht zijn
illvilja
/
kʋɑp/
noun
2. een gedeelte van lever, longen of hersenen
lob
noun
1. langwerpige, op de bodem levende zoetwatervis, Lota lota
lake
/
kʋɑk/
noun
2. bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax
natthäger
/
kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
manet
/
kvalitɑ'tif/
adjective
1. naar de hoedanigheid, betreffende de kwaliteit
kvalitativ
noun
2. eigenschap
kvalitet
adjective
1. met betrekking tot de hoeveelheid
kvantitativ
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
kvantum
noun
vorm van onkraakbare beveiliging voor elektronische communicatie
kvantkryptering
noun
getal dat in de kwantummechanica wordt gebruikt voor het beschrijven van de eigenschappen van bepaalde deeltjes
kvanttal
noun
1. studie en beschrijving van het gedrag van de kleinste deeltjes
kvantmekanik
noun
een discipline van de natuurkunde die de kwantumeffecten die bij licht optreden bestudeert en gebruikt
kvantoptik
noun
een theoretisch kader voor de constructie van kwantummechanische modellen van veld-achtige systemen of, equivalent, veeldeeltjessystemen
kvantfältteori
noun
kvantmekanisk sammanflätning
noun
- 1. een vierde deel
fjärdedel
- 3,4
kvart
noun
een kwart van een kalenderjaar
kvartal
noun
1. een tijdsperiode van 25 jaar
kvartssekel
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
vaktel
noun
1. bepaald soort vogel, Crex crex
kornknarr
noun
1. een groep van vier muzikanten
kvartett
noun
1. (in een toernooi) een van de vier wedstrijden waarin gestreden wordt voor een plaats in de halve finale(s)
kvartsfinal
noun
een vorm van siliciumdioxide
kvarts
/
kʋɑst/
noun
- 3. Vreemd persoon
kuf
- 5. Limonade
lemonad
- 1. Versiering
tofs
/
ˈkwe.peːr/, /
ˈkʋe.pɪːr/, /
ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
kvitten
/
'kʋekə(n)/
verb
1. dieren of planten verzorgen en hun voortplanting mogelijk maken
avla
verb
1. pijn of ergernis bezorgen
pina
adjective
1. weinig beschermd tegen beschadiging
sårbar
verb
- 1. beschadigen, schaden
- 2. beledigen, schofferen
såra
verb
1. een vloed van speeksel onwillekeurig uit de mond laten lopen
dregla
/
ˈkʋɛːtrakə(n)/
verb
2. niet meer weten waar iets is
förlora
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
kvicksilver
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Motacilla en Dendronanthus
sädesärla
ärla
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
kvicksilver
noun
1. een pot bestemd voor het opvangen van sputum
spottkopp
verb
1. druk met de staart zwaaien.
vifta
/
ˈkʋɪstəx/, /
ˈkβ̞istəç/
adjective
1. op lichtzinnige wijze verbruikend
slösaktig
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiev
/
lax/
adjective
- 1. niet ver boven iets anders zijn
- 2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
- 3. geluid met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
- 4. met een beperkt aanzien
låg
/
lax/
noun
1. iets dat zich in twee richtingen uitstrekt maar in de derde een beperkte dikte heeft
lager
skikt
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
allé
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
stövel
adjective
2. 's avonds, 's nachts
sen
adjective
1. overtreffende trap van laat
sist
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
laboratorium
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
labyrint
/
lɑ.ˈka.zə/
noun
1. een enzym dat met behulp van koperionen andere stoffen kan oxideren
lackas
/
lɑx/, /
lɑχ/
noun
1. een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak...
skratt
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
skratta
noun
1. enzym dat in de dunne darm lactose kan afbreken
laktas
noun
is een suiker die o.a. in melk voorkomt
laktos
noun
het niet kunnen verdragen van melksuiker
laktosintolerans
noun
1. iets dat ontbreekt
lakun
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
stege
noun
1. uitschuifbare bergplaats
låda
noun
3. opeengehoopte elektriciteit
elektrisk laddning
noun
1. beschadiging van het weefsel in een organisme
lesion
/
lɑf/
adjective
1. een gebrek aan moed tonend
feg
/
ˈlɑfɦɛit/
noun
1. de neiging keuzes te maken die van weinig moed getuigen
feghet
noun
1. een gebied waar relatief een lagere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
lågtryck
noun
1. ondiep meer
lagun
strandsjö
pronoun
1. stad in Pakistan
Lahore
noun
1. stof die een dunne beschermlaag vormt nadat ze opgelost in een vluchtig oplosmiddel...
lack
noun
1. (beroep) Een lakei of dienaar is een bediende werkend aan een koninklijk hof
lakej
/
ˈlakə(n)/
noun
2. een rechthoekig stuk stof dat ter bedekking dient, m.n. bij het slapen
lakan
/
ˈlɑk.mus.ˌpruf/
noun
lackmustest
noun
1. jong van het schaap
lamm
noun
1. soort Zuid-Amerikaans eeltpotig zoogdier Lama glama
lama
noun
1. in het water levende zoogdieren uit het geslacht Trichechus
manat
/
lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
lampa
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
lampskärm
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Petromyzontidae
nejonögon
noun
1. een dubbelsnedig operatiemes
lansett
noun
- 3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
- 4. niet verstedelijkt gebied
- 1. gedeelte van het aardoppervlak dat boven water uitsteekt
- 2. dat deel van de aardbodem dat geschikt is voor bebouwing...
land
/
ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
jordbruk
lantbruk
adjective
2. met betrekking tot minder bevolkte, niet-stedelijke gebieden
lantlig
verb
1. vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
landa
noun
1. iemand uit hetzelfde land
landsman
/
ˈlɑntɛɪ̯s/, /
ˈlɑntɛːs/
noun
1. de vaste vorm van water, bevroren water
istäcke
noun
2. vlucht van vliegtuigen...
landning
noun
1. schildpad uit de familie Testudinidae
sköldpadda
noun
1. smalle strook land die zich in zee of meer uitstrekt
udde
halvö
landtunga
adjective
- 1. van grote duur
- 2. van grote lengte
lång
noun
1. een manier van voortbewegen op latten door de sneeuw
längdåkning
noun
1. benaming voor muggen met opvallend lange broze poten, die de familie Tipulidae vormen
harkrank
preposition
1. terzijde van, evenwijdig aan
längs
/
lɑŋskomə(n)/
verb
- 1. voorbijgaan
- 2. langsgaan, op bezoek komen
komma förbi
/
ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
långsam
noun
1. een vorm van arbeidsconflict waarbij de werkers niet thuis blijven maar opzettelijk langzaam werken
maskning
noun
1. Chemisch element
lantan
noun
1. Chemisch element
lantan
/
ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
Laos
pronoun
1. een taal die in Laos gesproken wordt
laotiska
noun
1. een stuk van iets
lapp
noun
1. met een kijkbuis in de buikholte kijken en opereren
laparoskopi
noun
1. kleine draagbare computer
bärbar dator
laptop
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
larv
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
laser
noun
1. krachtige geconcentreerde lichtstraal met licht van maar één golflengte
laserstråle
verb
1. door plaatselijke sterke verhitting van de voeg twee metalen voorwerpen met elkaar verbinden
svetsa
noun
1. iemand die stukken metaal op een naad door sterke plaatselijke verhitting verbindt
svetsare
noun
1. iets wat een mens hindert
börda
noun
1. een gedomesticeerd dier dat men gebruikt om vracht te vervoeren
dragdjur
noun
1. onterechte beweringen die iemand in een kwaad daglicht stellen
förtal
noun
1. actie met als doel iets of iemand in de goede naam aan te tasten
nedsvärtningskampanj
verb
1. ten onrechte kwaadspreken over iemand
smutskasta
verb
- 3. niet doen
- 4. niets veranderen
- 5. vertrekken
lämna
- 6. aansporing
- 2. toestaan
låta
adjective
1. sluimerend
latent
/
ˈlaː.tər/
adjective
senare
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
latin
noun
1. de reeks lettertekens oorspronkelijk gebruikt om teksten in het Latijn te schrijven en tegenwoordig met aanpassingen voor veel talen gebruikt
latinska alfabetet
noun
2. (gedroogde) bladeren van Laurus nobilis
lagerblad
/
laʊ̯/, /
lʌʊ̯/, /
lʌː/
adjective
1. een temperatuuraanduiding die tussen warm en koud ligt
ljumm
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
lava
noun
1. bepaald kruid, Levisticum officinale, dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
libbsticka
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
lavendel
/
la'ʋaj/
noun
1. luid en storend geluid
buller
oväsen
/
la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
lavin
snöskred
noun
1. Chemisch element
lawrencium
noun
1. een grote mobiele medische (militaire) installatie die tijdelijk de taken van een ziekenhuis kan overnemen
lazarett
noun
1. de vierde maag van een herkauwer, zoals een rund
löpmage
noun
1.verwijst naar alles wat gelezen kan worden
läsning
/
ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
lem
noun
1. het niets doen, het niets te doen hebben
sysslolöshet
noun
1. het genoegen scheppen in het leed van een ander
skadeglädje
noun
1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
ålder
/
lex/
adjective
1. zonder inhoud
tom
/
lek/
noun
1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
lekman
ickefackman
/
lem/, /
leɪm/
noun
1. kleihoudende grondsoort
lera
/
len/
noun
1. leengoed; vastgoed dat door de heer aan zijn vazal ten gebruike werd afgestaan
förläning
/
ˈlenvərˌtalɪŋ/
noun
1. woord dat aan een vreemde taal is ontleend in letterlijke vertaling en analoge constructie
översättningslån
/
ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
lånord
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
lärobok
noun
1. iemand die onderwijs volgt
elev
noun
1. schema in de tijd van leeractiviteiten om vastgestelde leerdoelen te bereiken en de leerstof,...
läroplan
noun
1. een bril die op leesafstand een scherp beeld geeft
läsglasögon
/
lest/
noun
1. schoenvorm
läst
noun
1. conventioneel symbool in interpunctie
skiljetecken
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
Lejonet
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
lejon
noun
1. plant van het geslacht Antirrhinum waarvan de bloem lijkt op de muil van een leeuw
lejongap
noun
1. vrouwtje van de leeuw
lejoninna
lejonhona
adjective
1. wettig, rechtmatig
laglig
rättmätig
noun
1. testamentaire beschikking
legat
noun
1. de uitleg over de gebruikte symbolen
teckenförklaringar
/
ˈleːɣər/, /
ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
armé
här
noun
1. Metaalverbinding van twee of meer elementen
legering
/
ˌleɣyˈwan/
noun
1. hagedis
leguan
noun
2. schrijflei
griffeltavla
verb
1. een leidinggevende functie hebben
leda
noun
1. blauwgrijs gesteente
skiffer
adjective
1. vloeistof of gas doorlatend
läck
noun
1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
läcka
verb
1. vloeistof laten ontsnappen
läcka
adjective
1. aangenaam van smaak
läcker
/
le.li.tʲə.vɑn.da.ləⁿ/
noun
1. bepaald soort kleine tot 30 centimeter hoge vaste plant, Convallaria majalis
liljekonvalj
/
ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
ful
noun
3. een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen
lemma
noun
1. een knaagdier dat vooral in het hoge noorden op de toendra's voorkomt
lämmel
noun
1. laagste deel van de rug voor het kruis
länd
verb
1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
låna
noun
- 2. uitlener, leninggever
långivare
- 1. ontlener, leningnemer
låntagare
noun
1. kabeljauwachtige zoutwatervis, Molva molva
långa
/
ˈlɛŋktə/
noun
- 1. afmeting van een voorwerp
- 2. tijdsduur
längd
noun
- 1. een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
- 2. een stelsel van lenzen of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
- 3. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
lins
pronoun
. spelwoord voor de letter l
Leo
/
ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
sked
noun
1. een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
skedstork
noun
2. benaming voor kruisbloemige planten van het geslacht Cochlearia
skörbjuggsörter
/
ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
lärare
/
ˈleːrə/, /
ˈlɪːrə/
verb
1. kennis of vaardigheid verwerven
lära
/
lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
lektion
verb
1. de taak van een leraar op zich nemen
undervisa
/
le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
Lesotho
/
ˈlɛsə(n)/
verb
1. met vocht de dorst beëindigen
släcka
noun
1. een standaard om bladmuziek op te plaatsen
podium
/
lɛt/
noun
1. een inwoner van Letland, of iemand afkomstig uit Letland
lett
lettländare
noun
- 1. een toestand van geestelijke ongevoeligheid
- 2.
letargi
/
ˈlɛtlɑnd/, /
ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
Lettland
/
lɛts/
adjective
1. betreffende Letland
lettisk
/
lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
lettiska
lettisk
/
ˈlɛtsə/
noun
1. inwoonster van Letland
lettiska
noun
1. lichamelijke schade met name aangericht in een ongeluk of gevecht
skada
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
bokstav
/
ˈlɛtərˌxrep/, /
ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
stavelse
noun
1. een stylistisch samenhangende set tekens die meestal letters, cijfers en leestekens uitbeelden
typsnitt
/
'lɛtərzɛtər/
noun
2. Ips typographus, een schorskever die vooral leeft op de spar
granbarkborre
/
ˈløːɣən/, /
ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
lögn
ljug
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
lögnare
noun
1. bloedkanker
leukemi
verb
1. steunen, het evenwicht bewaren door het eigen gewicht deels door iets anders te laten steunen
luta
noun
2. de achterkant van een stoel
armstöd
/
ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
Leuven
/
'levən/
noun
- 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
- 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
liv
levnad
/
'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
leva
adjective
1. vol opgewekte drukte
livlig
adjective
1. tot de dood durend
livslång
noun
1. de kwaliteit van de omgeving die er voor zorgt dat men in leven kan blijven
livsvillkor
noun
1. het kunnen gaan leven
livsduglighet
noun
1. de manier van leven van een levend wezen
livsform
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
lever
/
ˈlevərˌblumpʲə/
noun
1. Hepatica nobilis, een plant uit de ranonkelfamilie
blåsippa
rödsippa
/
leˈvijatɑn/
noun
1. reusachtige waterslang
Leviatan
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
läsa
noun
1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
läsare
noun
1. verzamelbegrip voor mensen met een seksuele voorkeur die minder vaak voorkomt dan heteroseksualiteit
HBT
HBTQ
/
ˈli.ba.nɔn/, /
ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
Libanon
/
li.ˈbɛl/, /
li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
trollslända
/
li.'beː.ri.ja/, /
li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
Liberia
/
'libido/
noun
1. geslachtsdrift
libido
adjective
1. op Libië betrekking hebbend
libysk
/
ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
Libyen
noun
- 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
- 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
kropp
/
ˈlɪxamsbəˌweɣɪŋ/
noun
1. bezigheden die bijdragen aan de lichamelijke fitheid
träning
noun
1. de specifieke anatomie van iemands lichaam
kroppsbyggnad
/
ˈlɪxaːmzdeːl/
noun
1. onderdeel van een lichaam
kroppsdel
adjective
- 1. helder van kleur
ljus
blek
- Vertalingen: na te kijken en onderverdelen per verklaring
- 2. van een gewicht
lätt
noun
- 1. Elektromagnetische golven
- 2. lichtbron
ljus
adjective
1. met lichte haren.
ljushårig
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
ljusår
noun
1. de snelheid waarmee het licht zich voortplant in het luchtledige (ongeveer 299792 km/s)
ljusets hastighet
/
ˈlɪxtstɛrktə/
noun
1. helderheid van een lichtbron
ljusstyrka
noun
1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
medlem
noun
1. de status van iemand als lid van een organisatie
medlemskap
noun
1. een staat die toegetreden is tot een inter- of supranationale organisatie
medlemsland
/
ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /
ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /
ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
Liechtenstein
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
sång
visa
noun
1. een boek met een verzameling (kerkelijke) liederen
sångbok
adverb
- 2. mooi, fijngebouwd
kär
- 1. vriendelijk, zachtaardig
snäll
noun
1.het geven van hulp
välgörenhet
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
kärlek
adjective
1. niet getuigend van enige vorm van liefde
kärlekslös
noun
1. brief waarin men zijn liefde betuigt
kärleksbrev
noun
1. roman met liefdesperikelen als hoofdonderwerp
kärleksroman
noun
liefdesrelatie
kärleksförhållande
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
älska
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
ljuga
/
lir/
noun
1. een Grieks snaarinstrument
lyra
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
nyckelpiga
/
ˌlivə'vraʊ̯wəˌbɛtstro/, /
ˌlivəˌvrɔʊ̯β̞ə'bɛtstro/, /
ˌlivəˌvrʌʊ̯β̞ə'bɛtstro/
noun
1.
myskmadra
noun
1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
hiss
verb
1. liften (meerijden)
lifta
noun
1. opwaartse kracht
lyftkraft
noun
1. bindweefselband
ledband
verb
- 1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
- 2. op een bepaalde plaats bevinden
ligga
noun
1. de wijze waarop iets of iemand gelegen is
läge
noun
1. een stoel waarin men gemakkelijk kan liggen
vilstol
noun
1. olijfachtige heester veel gebruikt voor het maken van heggen
liguster
noun
1. de kant waar de wind niet vandaan komt
lä
verb
1. smart en ellende ondergaan
lida
phraseologicalUnit
1. zinsdeel waarop de actie die wordt uitgedrukt door een overgankelijk werkwoord rechtstreeks van toepassing is
direkt objekt
/
lɛi̯f/
noun
1. lichaam
kropp
pronoun
1. een Finoegrische taal die in Estland en Letland gesproken wordt
liviska
noun
1. levenslange rente
livränta
noun
1. een straf waarbij iemand lijfelijk pijn gedaan wordt
aga
noun
1. dood lichaam
lik
kadaver
/
ˈlɛi.kə(n)/
verb
2. naar aanschijn zijn
se ut
/
ˈlɛɪkxeˌʋat/
noun
1. de kleding waarin een overledene begraven wordt
svepning
noun
1. textiel waarin een overledene begraven wordt
liksvepning
noun
1. een voortuig ingericht om een stoffelijk overschot te vervoeren
likbil
bårbil
verb
1. twee of meer delen aan elkaar bevestigen met behulp van een kleefstof
limma
/
lɛist/
noun
1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
lista
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
trast
noun
1. geslacht van loofbomen, Sorbus
rönnsläktet
noun
1. een drank bereid met gestookte alcohol, aangevuld met smaakstoffen en veelal ook suiker
likör
verb
1. met de tong aanraken
slicka
noun
1. lichte tint van paars
lila
noun
1. en 2. (zaden van) plant Phaseolus lunatus
limaböna
smörböna
/
ˈlɪm.bʏrx/, /
ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
- 1. provincie in het zuidoosten van Nederland
- 2. een provincie in België
Limburg
/
ˈlɪm.bʏrxs/, /
ˈlɪm.bʏrχs/
pronoun
1. verzamelnaam van een reeks variëteiten van de Germaanse taalfamilie
limburgiska
noun
een dichtvorm van 5 regels met een vrij strak metrum
limerick
noun
1. Een citrusvrucht
lime
noun
1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
citronläsk
/
ˈlɪndə/
noun
loofboom
lind
pronoun
1. Bantoetaal gesproken door 60 miljoen sprekers vooral in de Democratische Republiek Congo en de Republiek Congo
lingala
noun
1. beoefenaar van de taalkunde
lingvist
språkforskare
/
ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
linjal
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
vänster
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
vänsterhänt
noun
1. lange, smalle strook stof
band
noun
1. een platte worm die parasiteert in de darm bij mens en dier
bandmask
/
liˈpidə/
noun
1. vetten en vetachtige stoffen die in de biochemie een belangrijke rol spelen
lipid
noun
- 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
- 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
läppstift
noun
1. soort baars, vis behorend tot de familie van lipvissen
läppfisk
/
litər/
noun
1. een inhoudsmaat voor voornamelijk vloeistoffen en gassen
liter
noun
- 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
- 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
litteratur
/
ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
litium
/
liˈtaʊ̯.wə(n)/, /
liˈtɑuwə(n)/, /
liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /
ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
Litauen
/
liˈtaʊ̯s/, /
ˈlitɔʊ̯β̞s/, /
ˈlitʌʊ̯s/
adjective
1. betreffende Litouwen of het Litouws
litauisk
litauiska
litauiske
litauiskt
/
liˈtaʊ̯s/, /
ˈlitɔʊ̯β̞s/, /
ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
litauiska
litauisk
noun
1. zichtbaar overblijfsel van een oude verwonding
ärr
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
liturgi
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
livermorium
noun
1. officiële instructie waardoor mensen of informatie een plaats of gebied niet mogen verlaten of binnenkomen
nedstängning
pronoun
- 1. eigennaam van Frankische herkomst
- 2. spelwoord voor de letter l
Ludvig
noun
1. de kant waar de wind vandaan komt
lo
/
ˈlu.jə(n)/
verb
1. een langgerekt klagend geluid voortbrengen
råma
noun
1. met vlees en groente gevulde en gefrituurde lap deeg
vårrulle
verb
1. scheel kijken
snegla
noun
1. snelheidsmeter voor zeegaande schepen
logg
noun
1. de exponent van de macht waartoe een gegeven getal verheven moet worden om een ander getal te krijgen
logaritm
noun
1. boek met gegevens over de navigatie
loggbok
noun
1. een vissersschip, tegenwoordig met een motor aangedreven, dat vroeger een loggergetuigd zeilschip was
loggert
noun
1. beeldmerk, logogram, naambeeld
logo
logga
/
ˈloʒban/
pronoun
1. een kunsttaal ontwikkeld door James Cooke Brown
lojban
/
lɔk/
noun
1. haarlok, pluk haar
lock
verb
1. mens of dier verleiden ergens heen te komen
locka
/
ˈlɔlɪ/
noun
snoepje
klubba
noun
1. zeevis, behorende tot de dorsvissen
lubb
/
ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
London
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
lunga
/
ˈlɔŋblaʃə/
noun
1. een blaasje in de longen waarin gasuitwisseling plaatsvindt
alveol
/
'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
lunginflammation
pneumoni
noun
1. bloedvat dat vanuit de rechter hartkamer naar de longen gaat
lungartär
noun
1. koord voor ontsteking
lunta
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
bly
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
rörmokare
/
loːts/
noun
2. iemand die schepen als stuurman begeleidt bij het varen van en naar een haven
lots
noun
1. een witte verfstof met bestanddelen van lood
blyvitt
/
lo:f/
noun
bladverk
lövverk
noun
- 1. gebladerde boom
- 2. bladverliezend boom
lövträd
/
loːx/
noun
een alkalische substantie
lut
adjective
van groot gewicht
tung
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Allium
lökväxt
/
loːn/
noun
1. financiële vergoeding voor geleverde arbeid
lön
/
loːp/
noun
voorste deel van een wapen
pipa
lopp
/
ˈlopχraf/
noun
1. een uitgegraven geul, diep en breed genoeg dat men er in kan lopen...
skyttegrav
noun
4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
löpare
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
lösensumma
verb
1. iets dat met een gesp bevestigd is losmaken
öppna
verb
1. ervoor zorgen dat iets of iemand los wordt
knyta loss
noun
2. noodlot, wat het toeval iemand toebedenkt
öde
verb
1. blijk geven van bewondering
lova
noun
1. het lozen van (overtollige) vloeistoffen of gassen
utsläpp
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Lukas
/
lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
luft
atmosfär
noun
1. een aanval vanuit de lucht op een grondpositie
luftangrepp
noun
1. stroom van transportvliegtuigen
luftbro
noun
fotografie vanuit de lucht
flygfoto
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
flygplats
/
ˈlʏxmɑxt/, /
ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
flygvapen
noun
1. de luchtlagen boven een bepaald grondgebied
luftrum
noun
1. verkeer in de lucht
flyg
luftfart
noun
1. een bedrijf dat vervoer door de lucht aanbiedt
flygbolag
/
ˈlʏχt.fres/
noun
aerofobi
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
tändsticka
/
lœʏ/, /
lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
lat
noun
2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
sengångare
noun
1. het ontbreken van de wil iets te doen
lättja
lathet
/
lœʏ̯k/, /
lœːk/
pronoun
- 1. een provinciehoofdstad in België
- 2. een Belgische provincie
Liège
/
lœʏ̯k/, /
lœːk/
noun
1. openklappend vlak, klapdeur
lucka
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
leopard
/
lœʏ̯s/, /
lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
lus
/
'lœstərə(n)/
verb
1. gericht waarnemen met het oor
lyssna
noun
1. rang in het leger
löjtnant
noun
1. geslachtsdeel van de man
kuk
verb
1. de lunch gebruiken
luncha
noun
1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
lupin
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
lutetium
/
'lywtə/
noun
1. een windloze plek
lä
/
lyks/
noun
1. niet alledaagse dingen die gebruikt worden voor het persoonlijk genot
lyx
/
ˈlyksəmˌbʏrx/, /
ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
Luxemburg
/
ˈlyksəmˌbʏrɣər/, /
ˈlyksəmˌbʏrχər/
noun
1. een inwoner of iemand die afkomstig is van het Groothertogdom Luxemburg
luxemburgare
/
ˈlyksəmˌbʏrxs/, /
ˈlyksəmˌbʏrχs/
pronoun
1. een taal die in Luxemburg gesproken wordt
luxemburgska
verb
1. iemand executeren zonder rechtsgeldig proces, met name door opknoping
lyncha
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
lodjur
lo
/
maːx/
noun
1. Orgaan
mage
magsäck
pronoun
- 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
- 1. sterrenbeeld van de dierenriem
Jungfrun
/
maːxt/, /
maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
jungfru
oskuld
noun
1. eigenschap dat je niet eerder geslachtsverkeer hebt gehad
jungfrudom
/
ˈmaɣdəˌvlis/, /
ˈmaʝdəˌvlis/
noun
vlies
mödomshinna
noun
1. een pijnlijk gevoel in de maagstreek
magont
/
ˈmaɪ̯ə(n)/
verb
1. met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
klippa
slå
/
ˈmaɫtekə(n)/
noun
1. het symbool × of · of * om een vermenigvuldiging aan te duiden
multiplikationstecken
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
måltid
mål
/
maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
månad
/
ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
måndag
/
mandɑxˈɔxtənt/
adverb
1. de voormiddag van een maandag
måndagsmorgon
/
ˈman.də.ləks/, /
ˈmaːn.də.lɪks/
adverb
1. iedere maand een keer
månatlig
noun
1. het loon dat men met arbeid in één maand verdient
månadslön
noun
1. het zonlicht dat van de maan naar de aarde reflecteert
månljus
/
ˈmansvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /
ˈmansvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan verduisterd raakt doordat ze in de schaduw...
månförmörkelse
/
maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
men
fast
/
maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
mars
/
mas/
pronoun
1. een rivier die onspringt in Frankrijk en door België en Nederland stroomt
Meuse
Maas
/
mas/
noun
1. een van de geknoopte ringen waaruit een net bestaat
maska
/
maːt/
noun
3. eenheid van lengte enz.
mått
noun
1. een glas met maatverdelingen
måttbägare
noun
1. een glazen kolf met een geijkte maatstreep voor het nauwkeurig bepalen van een volume vloeistof
mätflaska
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
åtgärd
/
matsxɑpələk/
adjective
1. op de maatschappij betrekking hebbend
samhällelig
noun
- 1. vereniging tot het drijven van handel
firma
- 2. de wereld, omgang en verkeer der mensen
samhälle
noun
2. gerecht op basis van gebogen pijpjes van deeg
makaroner
pronoun
1. een stad op een eiland aan de zuidkust van China, ten westen van Hong Kong
Macao
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
makedonska
/
ˌmasəˈdoni.jə/, /
ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
- 3. land
- 1. historisch Grieks koninkrijk
- 2. regio in Griekenland
Makedonien
/
ˌmasəˈdoni.jər/, /
ˌmasəˈdoːni.jər/
noun
1. inwoner van Macedonië
makedonier
/
mɑˈʃinəˈri/
noun
1. geheel van machines
maskineri
noun
1. het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
makt
/
ˈmɑxtəx/, /
ˈmɑxtɪx/, /
ˈmɑχtəχ/
adjective
1. meer invloed hebben dan anderen
mäktig
verb
1. aan iemand anders het recht overdragen in je naam te handelen
auktorisera
noun
1.het gebruiken van macht voor doeleinden waarvoor het niet bedoeld is
maktmissbruk
maktövergrepp
noun
1. gevecht om de macht
maktkamp
noun
1. een handwerktechniek om decoraties of weefsel te maken, door het met de hand knopen van draden
makramé
/
ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /
ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Madagaskar
noun
1. Pootloze larve
larv
likmask
maggot
noun
1. Bellis perennis
tusensköna
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
maffia
noun
2. winkel met groot assortiment
lagerlokal
/
ˈma.ɣər/, /
ˈma.χər/
adjective
1.
mager
adjective
1.met een bijzondere, bovennatuurlijke betekenis
magisk
noun
1. een persoon die rechtspreekt
magistrat
noun
- 1. gemagnetiseerd metaal
- 2. persoon, zaak of plaats
magnet
noun
1. Chemisch element
magnesium
noun
1. magnetisch, ijzer bevattend mineraal; magnetisch erts
magnetit
adjective
1. verschijnselen vertonend die toegeschreven kunnen worden aan een kringstroom...
magnetisk
/
ˈmɑɣ.nə.trɔn/, /
ˈmɑχ.nə.trɔn/
noun
1. een toestel waarin met zeer korte en gerichte golven voedsel in zeer korte tijd warm kan worden gemaakt
mikrovågsugn
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Maharashtra
/
mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
majs
noun
1. een etagewoning met eigen toegang waarbij woon- en slaapverdieping boven elkaar liggen
etagevåning
noun
1. en 2. verbinding van glucose en koolhydraten of bindmiddel dat uit maiskorrels wordt gewonnen
majsstärkelse
stärkelse av majs
/
ma'kak/
noun
1. een aap behorende tot een geslacht (Macaca) van apen van de Oude Wereld
makak
noun
1. schoonheidsproducten
make-up
/
ˈmaːkən/
verb
1. in elkaar zetten
göra
noun
1. iemand die iets maakt of gemaakt heeft
tillverkare
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
makrill
pronoun
1. macrotaal die op Madagaskar gesproken wordt
malagassiska
noun
1. infectieziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten van het geslacht Plasmodium
malaria
/
ma.'la.wi/, /
ma.'la.ʋi/, /
ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
Malawi
pronoun
1. Dravidische taal die wordt gesproken door 47 miljoen mensen, vooral in de Indiase deelstaat Kerala
malajiska
/
mɑl.ˈdi.və(n)/, /
mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Maldiverna
/
mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
malajiska
/
maˈlɛ:zi.jə/, /
maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
Malaysia
/
malə(n)/
verb
1. tussen twee harde voorwerpen fijnwrijven
mala
/
'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
Mali
/
ˈmɑlta/, /
ˈmɑɫta/
pronoun
- 1. eiland in de Middellandse Zee
- 2. land in de Middellandse Zee
Malta
/
mɑlˈteːs/, /
mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
maltesiska
/
ˈmɑmi/
noun
1. moeder
mamma
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Mammuthus
mammut
noun
- 2. een echtgenoot, een getrouwde man
make
man
- 1. persoon van het mannelijk geslacht
- 3. een mens
man
noun
1. een persoon die de leiding heeft over een afdeling binnen een organisatie
chef
noun
2. hulpstuk om een granaat op zijn plaats te houden in een kanonloop
drivspegel
noun
1. een sierknoop die de manchet aan de mouw van een overhemd sluit
manschettknapp
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
korg
noun
1. Een citrusvrucht
mandarin
tangerin
noun
1. schil van Citrus reticulata, Citrus reticulata var. 'mandarine' of Citrus × tangerina
mandarinskal
noun
1. een klein, luitvormig tokkelinstrument met vier paar snaren waarop met een plectrum getokkeld wordt
mandolin
noun
1. bepaald soort zoogdier, Otaria flavescens, zeeroofdier dat leeft aan de kusten van het zuidelijk deel...
sydamerikanskt sjölejon
noun
1. Chrysocyon brachyurus, Zuid-Amerikaanse wilde hondachtige, meer verwant met de vos dan met de wolf
manvarg
/
manəsxɛɪn/
noun
1. Het door de maan weerkaatste licht dat op de aarde schijnt, maanlicht
månsken
/
ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
manga
noun
1. Chemisch element
mangan
/
mɑn.ˈχan.pɛr.ɔk.si.ˌda.zə/
noun
1. een enzym dat met behulp van mangaanionen andere stoffen kan oxideren
manganperoxidas
/
'mɑnɣɑt/
noun
1.
gatubrunn
/
ˈmɑŋələ(n)/
verb
- 3. door de mangel halen, met een mangel glad maken
- 1. ontbreken, tekortschieten
mangla
noun
1. onderfamilie van de civetkatten, zeer snelle en behendige roofdiertjes...
mungo
noun
1. ziekelijke neiging (opgewonden psychische toestand)
mani
noun
1. openlijke bekendmaking van een staatshoofd, regering, leider of politieke partij
manifest
noun
- 1.
- 2. openbare gebeurtenis
manifestation
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
maniok
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land
Manipur
adjective
- 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
manlig
maskulin
- 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
maskulin
manlig
noun
1. Plumbago auriculata
blyblomma
pronoun
1. taal die door de Mantsjoes gesproken werd.
manchu
/
ˌmanɵsʲəvɑnˈɑləs/
noun
1. iemand die bekwaam is in het doen van allerlei verschillende klusjes
alltiallo
noun
1. hoeveelheid werk die één persoon in één uur kan verrichten
mantimme
pronoun
1. een Keltische taal die (als tweede taal) wordt gesproken op het eiland Man
manx
pronoun
1. taal die door de Maori's wordt gesproken
maori
noun
1. variant van het communisme zoals uitgedragen en toegepast in China gedurende het derde kwart van de 20e eeuw
maoism
noun
1. communist die zich vooral heeft laten inspireren door Mao Zedong
maoist
/
mɑp/
noun
- 2. een gebundelde verzameling gegevens
katalog
- 1. een stevig omhulsel voor papieren
pärm
pronoun
1. taal die met name in Maharashtra, een staat in India gesproken wordt, onder andere in Mumbai (Bombay)
marathi
noun
1. Viscum album
mistel
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus wiedii
margaykatt
/
mɑrɣiˈnal/
adjective
1. aan de rand of de rand betreffend
marginell
noun
1. het hoogfeest ter gedachtenis van de aankondiging (annunciatie) van de geboorte van Jezus aan Maria
Bebådelsen
Jungfru Marie bebådelsedag
/
mɑˈrɪmba/
noun
1. een zeer grote houten xylofoon uit Guatemala met onder elke toets een resonator van houtsnijwerk
marimba
/
maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
flotta
marin
adjective
1. donkerblauw
marinblå
noun
1. lid van een goed getrainde, gespecialiseerde militaire eenheid
marinsoldat
/
mɑr.ˈkeːr.stɪft/
noun
1. een viltstift waarmee met stukken tekst doet opvallen
överstrykningspenna
/
mɑr.kɪː.rə(n)/
verb
1. het afbakenen van een grens
märka
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
markis
noun
- warenverkoop op pleinen en straten
- geheel van omstandigheden waaronder hoeveelheden van producten of diensten verhandeld worden
marknad
/
mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
marmor
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
murmeldjur
/
ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
Marocko
noun
- 1. regelmatige manier van lopen met afgemeten passen, vooral gebruikt door soldaten...
- 2. een wandeltocht
- 3. een mand of bak die op de rug gedragen wordt
marsch
noun
1. een Italiaanse versterkte wijn die gemaakt wordt in de omgeving van Marsala op het westelijk deel van Sicilië
Marsalavin
pronoun
1. een taal die op de Marshalleilanden gesproken wordt
marshalliska
/
mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /
mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /
mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
Marshallöarna
noun
1. sponzig snoepje
marshmallow
noun
1. iemand die voor een zaak lijdt of sterft en daarmee tot symbool wordt gezien van de strijd voor die zaak
martyr
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Martes
mård
noun
1. de socialistische ideologie van de volgelingen van Karl Marx
marxism
noun
1. schoonheidsmiddel
mascara
pronoun
1. eilandengroep in de Indische Oceaan
Maskarenerna
/
ˈmɑsaː/
noun
1. totale hoeveelheid materie in een object
massa
noun
1. moord op een groot aantal personen
massmord
noun
1. een wapen dat zeer velen doodt
massförstörelsevapen
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Massenbachhausen
verb
1. het toepassen van uitwendige druk op de zachte weefsels
massera
noun
- 1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
- 2. palen waartussen (elektriciteits- of telefoon-)draden gespannen kunnen worden
- 4. hoge antenne
- 5. varkensvoer
mast
- 3. lange paal voor vlaggen
stång
noun
- 1. ontsteking van de borstklier
- 2. ontsteking van de uier
bröstkörtelinflammation
noun
1. een tastbare stof
material
/
mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
madrass
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
matris
noun
1. een zeeman van de laagste rang
matros
/
ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /
ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /
ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
Mauretanien
/
maʊ̯.'ri.si.jəs/, /
mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /
mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
Mauritius
noun
1. groot en rijk versierd graf
gravbyggnad
adjective
1. het grootst mogelijk
maximal
abbreviation
1. grootst mogelijke hoeveelheid
maximum
/
ˌmajoˈnɛːzə/
noun
1. een saus op basis van eieren
majonnäs
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
mässling
/
ˈmɑzəl/
noun
1. goed geluk
flax
noun
1. een vrouw die een relatie heeft met een getrouwde man
mätress
/
ˈmaʲɪs/, /
ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
majs
adjective
1. met betrekking op de mechanica, machinaal, automatisch zonder na te denken
mekanisk
noun
1. machinerie
mekanism
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
medalj
noun
1. informatie die bekend wordt gemaakt
meddelande
/
ˈme.dəˌklɪŋ.kər/
noun
1. een klank waarbij de lucht niet ongehinderd door de mond naar buiten kan
konsonant
noun
1. verdriet over het leed van anderen
medlidande
noun
1. het mede schuld hebben aan een misdrijf
medskyldighet
noun
1. iemand die zich bezighoudt met het onderzoek naar en de beschrijving van de geschiedenis van de media
mediehistoriker
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
läkemedel
medicin
medikament
medicinen
adjective
1. op de geneeskunde betrekking hebbend
medicinsk
noun
1. spirituele bezigheid
meditation
/
ˈmeɣevə(n)/, /
ˈmeχevə(n)/
verb
ge efter
noun
1. Rubia tinctorum
krapp
/
mel/, /
meɫ/, /
mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
mjöl
verb
1. bij het vertrek meevoeren
ta med
/
meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
sjö
insjö
indefiniteCardinalNumeral
1. verscheidene
flera
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
majoritet
adjective
1. de leeftijd bereikt hebbend dat men alle rechten en plichten van een volwassene heeft
myndig
noun
1. één van een aantal Afrikaanse apensoorten uit de Cercopithecus-familie
markattor
noun
1. bepaald soort watervogel, Fulica atra
sothöna
adjective
- 1. gerelateerd aan meerdere talen
- 2. (persoon) meerdere talen sprekend
mångspråkig
noun
1. de staat van meerdere talen te kunnen spreken
flerspråkighet
/
ˈmeːrvɑɫ/
noun
1. benaming voor grote roofvissen uit het geslacht Siluris
mal
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
plural
pluralis
noun
1. benaming voor kleine weinig schuwe vogels uit de familie Paridae
mes
indefiniteCardinalNumeral
1. de grootste hoeveelheid, het hoogste aantal
flertal
noun
1. baas, heer, patroon
mästare
noun
1. eenheid die gebruikt wordt om meetresultaten in uit te drukken
måttenhet
/
ˈmetɪnstryˌmɛnt/
noun
1. een instrument waarmee grootheden gemeten kunnen worden
mätinstrument
/
'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
geometri
/
meːβ̞/, /
mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
mås
trut
/
'mezɪŋə(n)/
verb
1. gezamenlijk met anderen zingen
sjunga med
noun
1. megahertz (1 miljoen Hz)
megahertz
noun
1. de vijfde maand van het jaar
maj
/
ˈmɛɪ̯.dorn/
noun
1.
hagtorn
noun
1. Melolontha melolontha, schildvleugelig insect dat in mei te voorschijn komt
majbagge
ollonborre
noun
1. Convallaria majalis
konvalje
lilje konvalje
/
'mɛɪlər/
noun
1. houtstapel
kolmila
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
mened
/
mɛɪˈozə/
noun
1.
meios
reduktionsdelning
/
ˈmɛɪ̯ʃə/, /
ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
flicka
tjej
/
ˈmɛɪ̯ʃəsˌnam/, /
ˈmɛːsjəsˌnam/
noun
2. eigen achternaam van een vrouw die de naam van haar echtgenoot of geregistreerd partner voert
flicknamn
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
meitnerium
pronoun
1. geboorteplaats van Mohammed en bedevaartplaats voor islamieten
Mekka
adjective
met droevige gedachten aan de dagen van weleer
melankolisk
noun
1. een groep van organische pigmenten
melanin
noun
1. een abnormaal zwarte huid en haar of veren door een aangeboren overmaat aan het organisch pigment “melanine”
melanism
noun
1. een restproduct bij de suikerproductie
melass
pronoun
1. tweede grootste stad van Australië en hoofdstad van de deelstaat Victoria
Melbourne
noun
1. Atriplex sp, een geslacht van meer dan tweehonderd soorten plantjes...
målla
noun
1. chocolade die bereid is met room of melk
mjölkchoklad
noun
1.het orgaan dat bij het zoogdier de melk produceert
mjölkkörtel
/
mɛlkku/
noun
1. een soort koe die gekweekt wordt voor haar melkproductie
mjölkko
noun
1. een tand uit de eerste set tijdelijke tanden van de mens en sommige andere dieren (zoals de hond of de koe), die na verloop van tijd worden vervangen door de permanente tanden
mjölktand
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
vintergatan
noun
1. organisch zuur
mjölksyra
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
melodi
adjective
aangenaam klinkend
melodiös
/
mɛmbran/
noun
2. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
hinna
membran
noun
pomp waar de pompwerking ontstaat door een membraan te laten trillen
membranpump
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door een trillend vel
membranofon
indefinitePronoun
1. iemand, maar niemand in het bijzonder
man
noun
1. eerste maandstonden, de eerste keer dat er een menstruatie is en daarmee de puberteit
menarche
/
ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
mendelevium
/
məˈneːr/, /
məˈnɪːr/
noun
2. een nette man
gentleman
/
menə(n)/
verb
1. de bedoeling hebben
mena
verb
1. het homogeniseren van twee of meer zaken
blanda
noun
1. het hebben van een andere opinie over iets
meningsskiljaktighet
noun
1. levensfase waarin vrouwen niet langer menstrueren
menopaus
/
məno'ra/
noun
1. kandelaar met zeven armen
menora
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
människa
mänska
adjective
- 1. zoals de mens
- 2. goed voor de medemens
mänsklig
/
ˈmɛnsələkɦɛjt/
noun
mänsklighet
noun
1. de bekendste en de meest gevreesde haai, Carcharodon carcharias
vithaj
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
mänskliga rättigheter
noun
1. het schenden van mensenrechten
människorättskränkning
pronoun
1. benaming voor Jezus Christus als eerder door Daniël aangekondigde verlosser
mäniskosonen
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
mänsklighet
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
menstruation
noun
1. vluchtige olie die een belangrijk bestanddeel is van pepermuntolie,...
mentol
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Merano
/
meːrəl/, /
ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
koltrast
noun
- 1. zacht weefsel in de kern van een bot
benmärg
märg
- 2.
märg
noun
1. halve cirkel die de beide polen met elkaar verbindt
meridian
noun
2. een herkenbaar product door een bepaalde producent vervaardigd
märke
noun
1. een term die een deel van iets anders weergeeft
meronym
noun
1. vrouwelijk paard
sto
märr
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
Mesopotamien
/
mɛˈsijɑs/
pronoun
1. de in de joodse Tenach voorspelde Redder die door God gezonden zal worden en die door de christenen met Jezus gelijkgesteld wordt
Messias
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
gödsel
dynga
noun
1. iemand van gemengd Europese en indiaanse afkomst
mestis
/
mɛd/, /
mɛt/
preposition
med
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
metall
noun
1. instrument om metalen voorwerpen op te sporen
larmbåge
noun
1. stofwisselprodukt
metabolit
noun
1. het geheel van de biochemische processen op celniveau
metabolism
/
me.ta.ˈfɔːr/, /
mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
metafor
noun
1. de wijsgerige leer die niet de werkelijkheid onderzoekt zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke ervaring, maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert
metafysik
/
ˌmetaˈfizis/
adjective
1. bovennatuurlijk; (nog) niet met de gangbare wetenschap te verklaren
metafysisk
noun
1. vorm van logica die de grondbeginselen van de logica bestudeert
metalogik
noun
1. taal met behulp waarvan dezelfde of een andere taal wordt beschreven
metaspråk
noun
1. wetenschappelijke theorie waarmee een of meerdere andere theorieën beschreven worden
metateori
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
mäta
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
meteor
/
meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
meteorologi
/
meteoroˈloʝɪs/, /
meteɔroˈloɣis/
adjective
1. betrekking hebbend op de meteorologie
meteorologisk
noun
1. de SI-eenheid van lengte
meter
noun
1. Een stroming in het protestantisme
metodism
/
mæː.to.ˈny.mi.ja/
noun
metonymi
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
tunnelbana
T-bana
/
ˌmetroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
mätteknik
noun
1. wereldstad
metropol
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
murare
verb
1. losse stenen met voegspecie samenvoegen om zo een muur te bouwen.
mura
/
ˌmɛ.tər.ˈtɛɪ̯t/
adverb
1. na verloop van (een zekere) tijd
med tiden
noun
1. stuk huisraad
möbel
noun
1. groep (jacht)honden, e.d.
flock
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
fru
/
ˈmɛg.zi.ˌko/, /
ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
Mexiko
Mexico
interjection
1. het geluid van een kat
mjau
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
jama
/
miˈxa/, /
ˈmiʃa/
pronoun
Mika
/
ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /
ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
mikroorganism
noun
1. een levend micro-organisme
mikrob
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
mikrobiologi
/
ˌmɪkrobɪoˈloɣɪs/
adjective
1. met betrekking tot de microbiologie
mikrobiologisk
/
ˈmik.ro.χɔl(ə)f/, /
ˈmɪk.ro.ɣɔlf/
noun
2. elektromagnetische golf van 0,1 mm tot 1 cm lengte
mikrovåg
noun
1. miljoenste gram
mikrogram
noun
- 2.
- 1. een meetinstrument waarmee zeer nauwkeurig dikten, afstanden en diepten kunnen worden gemeten
mikrometer
/
ˌmi.kro.ˈne.zi.ja/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Federale Staten van Micronesia
Mikronesien
noun
geïntegreerde schakeling die de hele CVE van een computer bevat op één enkele chip
mikroprocessor
/
mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
mikroskop
adjective
1. zeer klein, voor het blote oog onzichtbaar
mikroskopisk
noun
1. het midden van de dag, 12.00
middag
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
lunch
/
ˈmɪdəɫ/
noun
- 2. iets met behulp waarvan een doel bereikt kan worden
- 4. geld, bezit
medel
- 1. middendeel van het lichaam
midja
/
ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
medeltiden
/
ˈmɪdəɫɪ:ws/
adjective
1. gerelateerd aan de middeleeuwen
medeltida
noun
1.
medelhögt bergsområde
pronoun
1. Hoogduitse dialecten uit de periode 1050-1350
medelhögtyska
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
Medelhavet
noun
1. middellijn
diameter
noun
1. een lijn die loodrecht op het midden van een lijnstuk staat
mittpunktsnormal
/
ˌmɪdəɫˈmatəx/
adjective
2. niet in positieve zin opvallen
medelmåttig
pronoun
1. de West-Germaanse taal die van 1100-1400 in het noorden van Duitsland, met name in de Hanzesteden gesproken werd
medellågtyska
pronoun
1. de voorloper van het Nieuwnederlands.
medelnederländska
noun
1. van een cirkel of bol is het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft
mittpunkt
noun
1. het centrale deel
mitt
pronoun
1. het gebied tussen Noord-Amerika en Zuid-Amerika
Centralamerika
pronoun
1. regio van Finland
Mellersta Finland
noun
1. regio die bestaat uit Zuidwest-Azië en het noordoosten van Afrika
Mellanöstern
noun
1. maatschappelijke, economische klasse
medelklass
noun
spier- en peesachtig tussenschot tussen borstholte en buikholte
diafragma
/
ˌmɪdərˈnɑxt/, /
ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
midnatt
verb
1. via de blaas als vloeistof lozen van lichamelijke afvalstoffen
pissa
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
myra
noun
1. benaming voor tandloze zoogdieren uit de onderorde Vermilingua
myrslok
noun
- 1. slapjanus, kleinzerig persoon
- 2. (scheldwoord) slappe, verwijfde homoseksueel
fjolla
noun
1. schele hoofdpijn
migrän
noun
1. # persoonlijke of familiaire voorgeschiedenis waarin men uit een ander land is weggegaan
utländsk bakgrund
verb
- 1. trekken, verhuizen, zich verplaatsen
- 2. gegevens zoals een bestand of code overzetten naar een ander computersysteem en/of netwerk
migrera
verb
1. ontwijken, trachten niet in aanraking te komen met iets of iemand
undvika
noun
1. een paal die op elke mijl staat
milsten
/
mɛi̯n/
noun
1. onderaardse plaats waar delfstoffen gewonnen worden
mina
gruva
/
mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
min
noun
1. het bedrijven van winning van delfstoffen
gruvdrift
adverb
1. van mijn kant
för min del
noun
1. brandbaar, giftig, reukloos gas dat in steenkoolmijnen voor kan komen vooral bestaande uit methaan (CH₄)
gruvgas
noun
1. een verticale, meestal cilindervormige toegangsweg tussen het aardoppervlak en plaatsen...
gruvschakt
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
gruvarbetare
noun
1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
kvalster
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
mitra
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Milano
/
mi.li.ˈjøː/, /
mɪɫˈjø/
noun
2. de wereldwijde natuurlijke omgeving
miljö
/
miliˈjøɑutoriˌtɛit/
noun
1. zelfstandig onderdeel van de overheid dat optreedt tegen vervuiling die levende wezens bedreigt
Naturvårdsverket
naturvårdsverk
noun
1. alle maatregelen die gericht zijn op de instandhouding van een leefbare leefomgeving
miljövård
/
ˌmiliˈtæːr/, /
ˌmiliˈtɛːr/
adjective
1. met het leger te maken hebbend
militär
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
miljard
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
miljardär
noun
1. 1.000.000
miljon
million
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
miljonär
noun
1. dikke koude drank
milkshake
noun
1. een periode van 1000 jaar
millennium
årtusende
noun
1. een lengtemaat ter grootte van een duizendste meter
millimeter
/
mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
mjälte
/
ˈmɪltfyr/
noun
1. een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
mjältbrand
adverb
1. minus, verminderd met (-)
minus
/
mɪnɑxtə(n)/
verb
1.
förakta
/
ˈmɪnɑxtɪŋ/
noun
1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
förakt
/
ˈmɪndər/
indefiniteCardinalNumeral
1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
färre
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal minder dan de helft uitmaakt
minoritet
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
Minecraft
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
mineralvatten
noun
1. groentesoep
minestrone
/
ˈminimal/
adjective
1. het kleinst mogelijk
minimal
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
minister
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
premiärminister
statsminister
/
ˌminɪsˈtɪːri/
noun
1. een afdeling van een overheid waar het beleid van de regering wordt uitgevoerd
departement
noun
förlustpunkt
minuspunkt
/
mɪnst/
indefiniteCardinalNumeral
minst
noun
- 2. hoek
minut
- 1. tijdeenheid
minut
bågminut
noun
1. een godsdienstoefening in de katholieke kerk, een eucharistieviering
mässa
noun
1. haat tegen mannen
manshat
/
mɪzˈbrœykən/, /
mɪzˈbrœːkən/
verb
op een slechte wijze gebruik maken van iets of iemand
missbruka
noun
1. een handeling die een ernstig vergrijp tegen het wetboek van strafrecht is
brott
noun
1. is iemand die de priester helpt tijdens het opdragen van de mis
altarpojke
noun
1. een misdaad of delict
brott
/
mɪzˈdʒɛndərən/
verb
verwijzen naar een persoon met termen die het verkeerde gender uitdrukken
felköna
verb
1. iemand slecht behandelen en pijn doen of verwonden
misshandla
noun
1. het moedwillig toebrengen...
mishandlingar
verb
1. iemand in de waan van iets brengen
missta
/
mɪsˈlʏkə(n)/
verb
verkeerd aflopen, zonder het gewenste resultaat
misslyckas
noun
2. vrucht van de mispelboom
mispel
verb
1. spot of afkeuring over iemand of iets uitspreken
förakta
/
məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
kanske
möjligen
adjective
1. tot braken geneigd
illamående
/
ˈmɪsə(n)/
verb
1. niet raken, niet treffen
sakna
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
dimma
töcken
/
ˈmɪsfərstɑnt/
noun
1. het verkeerd begrijpen van elkaars bedoelingen
missförstånd
noun
1.wijn die gebruikt wordt in de misdiensten
nattvardsvin
/
ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
mitokondrie
/
ˈmɪksə(n)/
verb
1. door elkaar mengen
blanda
interjection
1. uitroep van verrukking
mmm
mums
/
moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
mobiltelefon
mobil
nalle
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
lera
/
moˈdɛrn/
adjective
1. van deze tijd, volgens de laatste mode
modern
/
mo.dɛr.ni.ˈzɪː.rə(n)/, /
mo.dɛr.nɪ.ˈzeː.rə(n)/
verb
1. modern maken
modernisera
adjective
1. volgens de mode
inne
/
muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
trött
/
mud/, /
mut/
noun
1. dapperheid, lef, branie
mod
noun
1. een vrouwelijke ouder
moder
mor
mamma
noun
1. een dag ter ere van de moeders
mors dag
/
ˈmudər.kuk/
noun
alternatieve benaming van placenta
moderkaka
noun
1. het fungeren als moeder
moderskap
/
ˈmuːdəx/, /
ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
modig
noun
1. de diersoort waartoe het tamme schaap behoort, Ovis gmelini
mufflon
noun
1. toestand waarin je door afmatting behoefte hebt om uit te rusten
trötthet
/
mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
svår
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
svårighet
/
ˈmuitə/
noun
1. een grote inspanning
möda
besvär
adjective
1. geen moeite kostend
mödolös
noun
- [A]
mutter
- [C] 1. drassig land, vooral gebruikt voor natte veengebieden
marskland
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Henegouwen
Mouscron
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
monsun
verb
1. gedwongen zijn
måste
få
noun
1. scheldnaam voor een Duitser
tyskjävel
adjective
1. een keuze om iets te doen
möjlig
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
möjlighet
/
'mo.χə(n)/
verb
1. toegestaan zijn
kunna
pronoun
1. taal gesproken door 3 350 mensen in Canada en de Verenigde Staten
mohawk
noun
- 1. drinkbeker
- 2. paardenziekte
mugg
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Mordovië gesproken wordt
moksja
noun
- 1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
mullvad
- 3. hoeveelheid van een stof die net zo veel deeltjes bevat als er atomen...
mol
/
mɔlˈdaːvi.jə/, /
mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
Moldavien
adjective
1. bestaande uit moleculen
molekylär
/
moləˈkyle/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molekyl
/
moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molekyl
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
kvarn
/
ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
mjölnare
noun
1. een ronde steen die onder andere in windmolens en watermolens wordt gebruikt voor het malen van granen en andere producten, zoals boekweit, erwten en bonen, lijnkoeken en eikenschors
kvarnsten
noun
1. met brandbare stof gevulde glazen fles die via een lont of lap stof wordt ontstoken
molotovcocktail
noun
1. Chemisch element
molybden
noun
1. zeer korte tijd
moment
stund
verb
1. geluiden maken die moeilijk te verstaan zijn
muttra
/
moˈnako/, /
ˈmo.na.ko/
pronoun
- 1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
- 2. de hoofdstad van Monaco
Monaco
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
monarki
/
[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
mun
abbreviation
1. een zeer besmettelijke virusziekte (Aphtae epizooticae) die evenhoevige dieren, vooral runderen treft
mul- och klövsjuka
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
munspel
noun
1. een klein tokkelinstrument en lamellofoon waarbij de klank gevormd wordt door een dunne lamel aan te tokkelen waarbij het frame tussen de tanden of tegen de lippen wordt gehouden
mungiga
/
ˈmɔndɪŋ/
noun
1. plaats waar een rivier uitkomt in zee of meer
mynning
/
ˈmɔntwatər/
noun
1. vloeistof waarmee de mondholte kan worden gespoeld
munvatten
munskölj
/
monəˈɣɑskis/, /
monəˈɣɑskɪs/, /
monəˈχɑskis/
adjective
monegaskisk
/
mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /
mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /
mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Mongoliet
noun
1. iemand met het syndroom van Down
mongolid
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
mongoliska
mongolisk
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
munk
noun
- 1. van een monnikspij
kapuschong
- 3. plant
stormhatt
noun
1. een bril voor één oog
monokel
/
ˈmonokʏɫˌtyːr/
noun
1. landbouw met één gespecialiseerd gewas
monokultur
/
ˈmonɔfˌtɔŋ/
noun
1. de benaming voor één enkele klinker die de nucleus vormt van een lettergreep
monoftong
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong.
monoftongering
noun
1. het samenleven of getrouwd zijn met één persoon
monogami
noun
1. figuur met initialen
monogram
/
ˌmonoˈlox/
noun
1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
monolog
noun
2. te eenzijdige fixatie op één zaak
monomani
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
monopol
noun
1. schrikwekkend wezen
monster
/
ˌmɔntəneˈgrɛɪ̯ns/, /
ˌmɔntəneˈgrɛːns/, /
ˌmɔntəneˈɣrɛɪ̯ns/
pronoun
1. vorm van het Servo-Kroatisch, gesproken in Montenegro
montenegrinsk
/
ˌmɔntəˈnegro/, /
ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Montenegro
/
mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
Montserrat
noun
1. een groot gedenkteken
minnesmärke
/
moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
vacker
skön
/
ˈmoːrd/, /
ˈmoːrt/, /
ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
mord
/
mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
mördare
noun
1. anekdote met een verrassend en komisch slot
vits
noun
1. een uitstel van betaling
moratorium
/
moˈrel/
adjective
moralisk
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
morfem
/
ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /
ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
morfologi
/
ˈmɔrxə(n)/, /
ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
i morgon
imorgon
/
ˈmɔrxə(n)/, /
ˈmɔrɣə(n)/
noun
1. eerste deel van de dag
morgon
noun
1. een bruidsschat die binnen het Morganatische huwelijk door een man aan zijn vrouw wordt gegeven de ochtend na de huwelijksnacht
Morgongåva
noun
1. benaming voor de planeet Venus
morgonstjärna
noun
1. pejoratieve benaming voor een hond, bastaardhond
byracka
noun
1. bijnaam van een lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
mormon
adjective
1. behorend tot, passend bij de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
mormonsk
noun
1. seinalfabet
morsealfabet
morse
noun
- 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
- 2,3 korte kanontypen
mörsare
noun
1. een scheikundig element met het symbool Mc en het atoomnummer 115
moskovium
noun
1. een boom uit de napjesdragersfamilie
turkisk ek
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
muslim
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
mussla
adjective
1. met mos bedekt
mossig
noun
1. gistend vruchtensap, meestal van druiven
must
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
senap
adjective
1. met de gele kleur van mosterd
senapsgul
noun
1. een vlinderachtig insect
mal
/
moːtiˈveːrə(n)/
verb
1. met redenen omkleden
motivera
/
'mo.tɔr/
noun
1. krachtbron
motor
noun
1. een klein tot middelgroot bootje dat voortbewogen wordt door middel van een motor
motorbåt
noun
1. het vermogen om het lichaam(sdeel) te bewegen
motorik
noun
spoorvoertuig
motorvagn
noun
1. lichte neerslag in de vorm van heel kleine druppeltjes water
duggregn
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky,...
malt
noun
1. fabriek waar van granen mout wordt gemaakt, door het in water te weken waardoor het onkiemt, en het daarna te drogen
mälteri
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
ärm
adjective
1. zonder mouw
ärmlös
/
ˌmo.zɑm.ˈbik/, /
ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
Moçambique
noun
1. Italiaanse kaas
mozzarella
/
ˈmysli/, /
ˈmyə̯zli/
noun
1. eten gemaakt van graanvlokken, zuivel, fruit en noten
müsli
noun
1. de persoon die vanuit een minaret van de moskee oproept tot de dagelijkse gebeden
böneutropare
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
mygga
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
mula
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
mulåsna
verb
2. beletten te spreken
sätta munkavle på
noun
1. klap in het gezicht
örfil
/
mœʏ̯s/, /
mœːs/
noun
- 3. computermuis
mus
datormus
- 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
mus
råtta
/
ˈmœʏʃjə/
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord muis
liten mus
/
ˈmœʏsmɑt/, /
ˈmœːsmɑt/
noun
1. een onderlegger voor een computermuis
musmatta
/
ˈmʏltidɪsɪpliˌnɛ:r/
adjective
1. betrekking hebbend op meerdere disciplines
flervetenskaplig
noun
multinationellt företag
noun
1. composietplaat die bestaat uit meer dan 3 gelijmde laagjes hout
kryssfaner
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
mumie
verb
1.van een overledene een mummie maken
mumifiera
noun
1. en 2. (boon van) eenjarige plant Vigna radiata
mungböna
noun
1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
myntur
mynta
noun
1. benaming voor kleine hertachtigen uit het geslacht Muntiacinae
muntjak
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
sparv
gråsparv
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
museum
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
musiker
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
butternutpumpa
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
butternutpumpa
/
'mɵskɵs/
noun
1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
mysk
noun
1. plomp hoefdier met grote kop en brede snuit
myskoxe
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
butternutpumpa
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
bisam
noun
1. proces waardoor de genetische informatie van een organisme verandert en er een nieuw stabiel organisme ontstaat
mutagenes
noun
1. een sprongsgewijze verandering
mutation
noun
1. onvermogen om te spreken
mutism
/
mʏʦ/
noun
1. hoofddeksel van textiel zonder harde rand.
mössa
/
myːr/
noun
1. verticale vlakke constructie van metselwerk
vägg
mur
/
my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
musik
/
myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
musikinstrument
noun
1.een school waar men muziek leert maken
musikskola
noun
1. de leer van systematiek in muziek
musiklära
noun
1. iemand die muziek maakt
musiker
/
ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
mykologi
/
ˌmikoˈloɣis/
adjective
1. met betrekking tot schimmels
mykologisk
/
miˈkozə/
noun
1. een door een schimmel veroorzaakte ziekte
svampinfektion
noun
1. afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
närsynthet
noun
1. een grote groep mensen, een ontelbare menigte
myriad
/
miˈstɪːri/
noun
mysterium
/
mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
mytologi
preposition
1. in tijd volgend op
efter
/
ˈnaːɦaːpə(n)/, /
ˈnaːʔapə(n)/
verb
1. doen wat iemand anders doet
efterapa
härma
/
'natlos/
adjective
1. zonder naad aan elkaar bevestigd
sömlös
/
naf/
noun
1. centrale as of middenstuk van een wiel of rad
nav
/
ˈnaːi̯ə(n)/
verb
1. naaldwerk verrichten
sy
noun
1. een vrouw die naaiwerk verricht
sömmerska
/
naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
naken
noun
1. het naakt zijn
nakenhet
/
nald/, /
naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
nål
barr
noun
- 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
- 2. bekendheid, reputatie
namn
noun
1. een dag waarop een heilige wordt herdacht
namnsdag
noun
1. iets of iemand met dezelfde naam
namne
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
kasus
/
namwort/
noun
1. een woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt
nomen
/
naːr/
adverb
1. in de richting van
till
preposition
1. aan de zijkant van
bredvid
noun
1. liefde jegens de medemens
kärlek till nästan
adjective
1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
nära
/
'na.bo.tsə(n)/
verb
1. nadoen, imiteren
härma
/
nɑx/, /
nɑxt/, /
nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
natt
noun
1. een uitgaansgelegenheid voor volwassenen
nattklubb
noun
1. een dier dat overdag slaapt en 's nachts actief is
nattdjur
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
näktergal
sydnäktergal
noun
1. kleding die men in bed aanheeft tijdens het slapen
nattkläder
noun
- 1. een zeer angstige droom
- 2. een schrikbeeld
mardröm
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
nattfjäril
mal
noun
1. ongunstige eigenschap
nackdel
verb
1. In aantocht zijn
närma
verb
1. doen wat iemand anders doet
efterapa
härma
/
ˈnaː.ɣəˌbor.tə/
noun
3. de moederkoek, navelstreng en vliezen die het lichaam van de moeder verlaten nadat de baby is geboren
efterbörd
noun
- 1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
nagel
- 3. spijker
spik
nagel
noun
1. een balk met gaten waarin korvijnagels worden gestoken
nagelbänk
noun
1. schoonheidsmiddel
nagellack
/
ˈna.wɑtl̥̩/, /
ˈna.wɑtl̩/
pronoun
1. benaming voor de talen die door de oorspronkelijke bewoners van Mexico gesproken worden
Nahuatl
nahuatl
/
ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Nahum
adjective
1. van iets dat in de nabije toekomst gaat gebeuren
förestående
verb
2. in een testament toebedelen
testamentera
/
ˈnamələk/
abbreviation
nämligen
pronoun
1. provincie in het oosten van België
Namur
/
na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
Namibia
noun
1. tijd aan het einde van de middag
eftermiddag
adjective
1. van na de oorlog
efterkrigs-
pronoun
1. stad in Italië
Neapel
adjective
1. een taal die in Napels, Campanië, Basilicata en noordelijk Calabrië gesproken wordt
neapolitanska
noun
1. een kunstmatige algehele verdoving
narkos
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Monodon monoceros
narval
/
ˈna.slɑx.ˌwɛrk/, /
ˈna.slɑx.ˌβ̞ɛrk/, /
ˈna.slɑχ.ˌʋɛrk/
noun
1. een boek dat dient om iets in op te zoeken
uppslagsverk
noun
1. een veranderde smaak van iets dat men al heeft doorgeslikt heeft en in het begin anders smaakte
eftersmak
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
våt
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
nation
folk
adjective
1. op een volk met een eigen land betrekking hebbend
nationell
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
nationalism
noun
1.2.3. stroming in de literatuur aan het eind van de 19e eeuw, die de mens beschouwt als bepaald door milieu en erfelijkheid en leer die de natuur boven alles stelt
naturalism
noun
1. natuurhoorn
naturhorn
/
naˈtyrkʏndə/, /
naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
fysik
adjective
1. uit de natuur afkomstig
naturlig
noun
1. mens van vlees en bloed die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
fysisk person
noun
1. een ongelukkige gebeurtenis die door de natuur veroorzaakt wordt
naturkatastrof
noun
2. in de natuurlijke orde van de dingen gefundeerd
naturrätt
noun
1. een verticale vlakke constructie van natuursteen
byggnadssten mur
/
na'tyrʋetənsxɑp/, /
na'tyrʋetənsçɑp/
noun
naturvetenskap
noun
1. wetenschapper die zich bezighoudt met natuurwetenschap
naturvetare
/
na.ˈu.ru/, /
naˈuru/, /
ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
Nauru
/
nɑuruˈwans/
pronoun
1. taal die door 6 000 mensen wordt gesproken in Nauru
nauriska
adverb
1. slechts in geringe mate
knappt
pronoun
1. taal die het zuidwesten van de Verenigde Staten wordt gesproken door 170 duizend Navajo's
navaho
verb
1. overmatig bezig zijn met zichzelf
navelskådning
/
ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
navelsträng
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Neckarwestheim
noun
1. een biografie van een overleden persoon en/of een bespreking van diens werk
nekrolog
noun
1. de afsterving van weefsel
nekros
noun
2. een perzikachtige vrucht van boom Prunus persica var. nucipersica
nektarin
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Niederösterreich
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal...
lågtyska
plattyska
noun
1. het verlies van een strijd
förlust
nederlag
/
ˈnedərˌlɑnt/, /
ˈneːdərˌlɑnd/, /
ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
Nederländerna
Holland
/
ˈne.dər.ˌlɑn.dər/
noun
1. inwoner van Nederland of persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit
nederländare
holländare
/
ˈne.dər.ˌlɑnds/, /
ˈne.dər.ˌlɑnts/
adjective
1. met betrekking tot Nederland of de Nederlandse taal
nederländsk
holländsk
/
ˈne.dər.ˌlɑnds/, /
ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
nederländska
holländska
/
ˈne.dər.ˌlɑn.tsə/, /
ˈne.dər.ˌlɑnd.sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Nederland, vrouw uit Nederland
nederländska
holländska
/
ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /
ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
Nederländska Antillerna
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal zonder Hoogduitse klankverschuiving
lågtyska
plattyska
noun
1. een vestiging, een bewoonde plaats
koloni
/
neː/
interjection
1. ontkenning
nej
noun
- 1. mannelijke oomzegger
brorson
systerson
- 2. kozijn
kusin
noun
1. hemelwater
nederbörd
verb
1. het vliegvermogen verliezen en onzacht op de aarde terugvallen
krocka
noun
1. het ontkennen
nekande
adjective
1. ontkennend, afwijzend
negativ
/
ˈne.ɣə(n)/, /
ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
nio
/
ˈne.ɣən.də/, /
ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
nionde
cardinalNumeral
1. het getal 39
trettionio
cardinalNumeral
1. het getal 99
nittionio
cardinalNumeral
1. het getal 29
tjugonio
cardinalNumeral
1. het getal 49
fyrtionio
cardinalNumeral
1. het getal 59
femtionio
cardinalNumeral
1. het getal 69
sextionio
/
ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /
ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /
ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
niohundra
adjective
- 1. 9 jaren durend
nioårig
- 2. met de leeftijd van 9 jaar
nioårig
nioåring
noun
1. levend wezen dat 9 jaar oud is of iets dat 9 jaar bestaat
nioåring
cardinalNumeral
1. het getal 19
nitton
adjective
- 1. 19 jaren durend
nittonårig
- 2. met de leeftijd van 19 jaar
nittonårig
nittonåring
noun
1. levend wezen dat 19 jaar oud is of iets dat 19 jaar bestaat
nittonåring
/
ˈne.ɣə(n).təx/, /
ˈne.ɣə(n).tɪx/, /
ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
nittio
noun
1. iemand met voorouders uit Afrika bezuiden de Sahara met lichamelijke kenmerken daarvan
neger
verb
1. doen alsof iemand of iets niet bestaat
ignorera
noun
1. een afgelegen gehucht
håla
/
nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
nacke
/
ˈne.mə(n)/
verb
1. iets vastpakken met de handen
fatta
ta
gripa
hålla
noun
1. kunststroming
nyklassicism
/
nejoˈlitikʏm/
noun
bondestenålder
/
ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /
ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
neologism
nybildning
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
neon
noun
1. licht afkomstig van een neonlamp
neonljus
/
ˈnepɑɫ/, /
ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
Nepal
pronoun
1. een taal die vooral in Nepal gesproken wordt
nepalesiska
/
nepo'tɨzmə/
noun
1.
nepotism
noun
1. Chemisch element
neptunium
noun
1. iemand die sociaal en seksueel weinig in trek is en een grote voorliefde voor intellectuele zaken aan de dag legt
nörd
noun
- 1. benaming voor bepaalde pelsdieren uit de familie der marterachtigen
- 1. pels van een nerts
mink
adverb
1. lijdend aan gespannen zenuwen
nervös
/
nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
näste
rede
bo
noun
1. een geheel van fijne draden
nät
noun
3. sport die veel lijkt op korfbal en basketbal
korgboll
/
ˈnɛcəs/
adjective
1. net, schoon
ordentlig
/
ˈnɛcəs/
adverb
1. op een nette manier
ordentlig
noun
1. tweede maag van herkauwers
nätmage
/
'nɛtolon/
noun
1.
nettolön
noun
1. een vlies aan de binnenkant van het oog waarop een beeld wordt gevormd
näthinna
/
ˈnøːk.bar/
adjective
knullbar
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
knulla
adjective
1. met betrekking tot de zenuwen
nerv-
noun
1. de chemische processen in zenuwstelsels
neurokemi
noun
1. het ontstaan van nieuwe zenuwcellen in levende organismen, dat zowel voor als na de geboorte plaatsvindt
neurogenes
/
ˈnøːroˌhipoˌfizə/, /
ˈnʏːroˌhipoˌfizə/
noun
1. het neurale deel van de hypofyse, vanwaar bepaalde hormonen geproduceerd in de hypothalamus afgegeven worden
neurohypofys
noun
1. een discipline binnen de biologie en geneeskunde die zich bezighoudt met alles wat aandoeningen van het centrale zenuwstelsel betreft
neurologi
adjective
1. met betrekking tot de zenuwen
neurologisk
adjective
1. met betrekking tot zenuwen en spieren
neuromuskulär
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
neuron
adjective
1. met betrekking tot een ziekelijke houding
neurotisk
/
ˈnøːrotransˌmɪtər/, /
ˈnøːrotrɑnsˌmɪtər/, /
ˈnʏːrotrɑnsˌmɪtər/
noun
1. een chemische stof die fungeert als overbrenger van de zenuwprikkel
signalsubstans
/
nøʏs/, /
nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
näsa
nos
noun
1. het eerste stuk van het luchtwegstelsel waar de ingeademde lucht doorheen gaat
näshåla
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
noshörning
/
ˈnøsklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
nasalljud
/
nøˈtral/
adjective
1. geen partij kiezend in een conflict
neutral
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
neutralitet
noun
2. wolken in de nabijheid van de grond, ontstaan door plaatselijke oorzaken zoals door afkoeling of door menging van koude met warme vochtige lucht
nebulosa
noun
1. bepaald soort zoogdier, Neofelis nebulosa
trädleopard
/
nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
New York
noun
1. een van de voor de mens noodzakelijke vitaminen, een wateroplosbaar microvoedingsmiddel dat van belang is voor de menselijke gezondheid
niacin
/
ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /
ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /
ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
Nicaragua
noun
- 1. dochter van iemands broer of zus
brorsdotter
systerdotter
- 4. mannelijke homoseksueel
fjolla
bög
- 3. dochter van iemands oom of tante
kusin
noun
1. Zweeds volksinstrument
nyckelharpa
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
ingen
/
nimən'dɑl/
indefinitePronoun
ingen
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
njure
noun
1. een samengroeisel in het nierbekken dat meestal uit urinezuur en urinezure zouten bestaat
njursten
noun
1. glibberige stof, gewonnen uit het weefsel rond de beide organen die bij zoogdieren het bloed zuiveren
njurtalg
noun
1. giftige plant die vroeg in het voorjaar bloeit
julros
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
inte
ej
icke
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
häftklammer
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
ingenting
inget
noun
1. iemand die voor niets deugt
odugling
adjective
1. zonder argwaan, argeloos
aningslös
/
niβ̞/, /
nyʊ̯/
adjective
- 1. recentelijk gemaakt
- woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
- 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
- 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
- 5. in originele staat
- 3. huidige
- 6. vreemd, onbekend
ny
- 2. recentelijk ontdekt
ny
nyupptäckt
/
niβ̞.ˈze.lɑnt/, /
nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
Nya Zeeland
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
New South Wales
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
Nya Testamentet
noun
1. iets dat nieuw is
nyhet
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
nyår
noun
1. een feest dat gevierd wordt vanwege het begin van het nieuwe jaar
nyårsfest
noun
1. uiting waarmee men elkaar traditioneel het beste wenst voor het nieuwe jaar
nyårshälsning
/
niu̯s/
noun
- 1. actuele ontwikkelingen
- 2. een uitzending in de media waarin berichten over actuele ontwikkelingen worden verspreid aan het publiek
nyhet
noun
1.een regelmatige publicatie
nyhetsbrev
/
ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
nyfiken
frågvis
/
niu'sxirəxɛit/
noun
1. het verlangen naar kennis
nyfikenhet
noun
1. een televisiezender die de gehele dag nieuws en achtergrondinformatie uitzendt
nyhetskanal
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
nysa
/
'ni.ɣər/, /
'ni.χər/
pronoun
- 1. land in West-Afrika
- 2. een rivier in West-Afrika
Niger
/
ni.'ɣeː.ri.ja/, /
ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Nigeria
noun
1. binnen de filosofie een begrip dat wordt gebruikt om de ontkenning van het bestaan van betekenis...
nihilism
noun
1. zelfstandig denker die vindt dat voor werkelijke verbetering dingen die nu...
nihilist
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
flodhäst
noun
1. Chemisch element
nickel
noun
- 1. wezen dat rivieren, bossen enz. bewoont
- 4. insect in de tweede toestand van gedaanteverwisseling
- 2. bekoorlijk meisje
nymf
/
niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
niob
noun
1. de hoogste staat die door de mens bereikt kan worden, en waardoor heiligheid behaald wordt; toestand van volkomen rust
nirvana
/
nɪs/
noun
1. een inham in een muur
nisch
noun
- 1. een zout van salpeterzuur dat het ion NO₃− bevat
- 2, een ester van salpeterzuur
nitrat
noun
1. een verbinding van stikstof waarin dit element in de oxidatietoestand -3 optreedt
nitrid
noun
1. de rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, enzovoort
nivå
noun
1. scheikundig element
nobelium
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
Nobelpris
adverb
1. luidt een zin in die een onverwachte tegenstelling uitdrukt
icke desto mindre
/
'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
nödvändig
verb
- 1. met een naam aanduiden
- 2. vermelden door het uitspreken van de naam
nämna
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
nämnare
noun
3. uitstulpingen aan as
kam
noun
1. as met nokken
kamaxel
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
nominativ
/
nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
nunna
/
ˈnɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
morbror
onkel
farbror
noun
2. soort eend, Mergellus albellus
salskrake
noun
1. zeer slecht weer
oväder
/
ˈnotzak/
noun
1. iets moeten hebben voor vaak praktische of medische redenen
nödvändighet
/
ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
aldrig
/
noːr/, /
no̝ːr/
noun
1. een inwoner van Noorwegen
norrman
/
nɔːrt ˈafrɪkɑ/, /
nɔːrt ˈɑfrɪkɑ/
pronoun
gedeelte van het Afrikaanse continent ten noorden van de Sahara
Nordafrika
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
Nordamerika
/
noːrd.ˈbra.bɑnt/, /
no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /
ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
Noord-Brabant
pronoun
het noordelijk deel van Europa
Nordeuropa
/
noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /
no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /
ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
Noord-Holland
/
ˈɛlzɑs/
pronoun
1.
Nordirland
pronoun
1. regio van Finland
Norra Karelen
/
ˌnoːrt koˈre.ja/, /
ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
Nordkorea
abbreviation
1. een van de Samitalen die in Scandinavië gesproken wordt
nordsamiska
pronoun
1. Australisch territorium gelegen in het noorden van het land
Northern Territory
noun
1. windrichting
nord
norr
pronoun
1. wordt beschouwd als het noordelijkste punt van het Europese vasteland
Nordkap
/
ˈnoːrtkrɔmp/
noun
1. bepaalde soort in zee levend schelpdier, Arctica islandica
islandsmussla
pronoun
1. Noordpool
nordpolen
noun
1,2,3. noordpool
nordpol
pronoun
1. een vorm van skisport waarbij de twee onderdelen van het Noords skiën, schansspringen en langlaufen, gecombineerd worden
nordisk kombination
/
ˈnoːrdzeː/, /
ˈnoːrtseː/, /
ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
Nordsjön
/
noːrs/, /
no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
norsk
norska
/
noːrs/, /
no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
norska
norsk
/
ˈnoːrˌweɣə(n)/, /
ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /
ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Norge
/
noːt/
noun
- 3. (muziek) een geluid van zekere tijdsduur
not
- 1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
nöt
noun
- 2. gepeld zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
muskot
- 1. en 2. (gepeld) zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
muskotnöt
/
nɔrˈmaɫ/
adjective
2. als norm dienend
normal
noun
1. in overeenstemming brengen met een norm
normalisering
/
nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Normandie
noun
1. de studie van het ontstaan en verloop van ziekten
nosologi
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
notarie
notarius publicus
noun
1. een boomsoort uit het geslacht Juglans
valnötsträd
noun
1. muzieknotatiesysteem
musiknotation
noun
1. een verslag van een bijeenkomst
mötesprotokoll
/
nʌu ˈɛn/
interjection
1. uitdrukking van onverschilligheid
och…
noun
1. de elfde maand van het jaar
november
pronoun
Tyska novemberrevolutionen
adverb
1. op het huidige tijdstip
nu
/
nɵxtər/
adjective
1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
nykter
/
nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
noll
nolla
adjective
1. nog niet 1 jaar oud
nollårig
noun
1. levend wezen dat 0 jaar oud is of iets dat 0 jaar bestaat
nollåring
noun
1. de meridiaan die gebruikt wordt in de landmeetkunde als referentie voor het bepalen van de lengte van een punt op de aarde of een ander hemellichaam
nollmeridian
/
ˈnumeɾi/
pronoun
Fjärde Moseboken
noun
1. de munt- en penningkunde
numismatik
/
ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
nummer
/
nʏt/
noun
1. baat, voordeel
gagn
noun
1. een verhoogde urinelozing in de nacht
nykturi
/
o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
oas
/
oˈbɑtja/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Obadja
noun
1. een bediende in een restaurant of café
kypare
/
ˈɔpjɛkt/
noun
- 1. voorwerp
- 2. grammaticaal voorwerp
- 3. filosofische entiteit en 4. informaticacomponent
objekt
adjective
2. onpartijdig, volgens de feiten, neutraal
objektiv
verb
1. in buitensporige, ziekelijke mate boeien
vara besatt
noun
1. moeilijke stoelgang
obstipation
noun
1. (muziekinstrument) een fluit die veelal gemaakt wordt van gebakken klei
okarina
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
occitanska
/
ˌɔklyˈsif/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie ergens in het spraakkanaal
klusil
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
ocean
/
oseˈjani.jə/, /
oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
Oceanien
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
ozelot
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
morgon
/
ˈɔxtəntblɑt/
noun
1. een krant die 's morgens vroeg wordt bezorgd
morgontidning
/
ˈɔxtəntkrɑnt/
noun
1. een blad dat 's morgens vroeg wordt bezorgd
morgontidning
noun
1,2,3. toontrap, interval en toonhoogtereeks
oktav
noun
1. hoekmeetinstrument
kvadrant
/
ɔkta'ʔedər/
noun
1. een regelmatig achtvlak, een ruimtelijke figuur begrensd door acht gelijkzijdige driehoeken
oktaeder
noun
1. achtarmige inktvis
bläckfisk
noun
1. lens waar men inkijkt
okular
/
ˌø.kyˈme.nis/
adjective
1. tussen kerken, van meerdere kerkgenootschappen
ekumenisk
noun
1. (medisch) waterzucht
ödem
verb
1. proberen zonder fouten uit te voeren
träna
noun
1. test om de kennis te peilen
övning
/
u.'ɣɑn.da/, /
u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Uganda
/
ukraˈɦins/, /
ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
ukrainska
ukrainsk
/
ukraˈɦinə/, /
ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
Ukraina
/
ukraˈɦinər/, /
ukraˈʔinər/
noun
1. een inwoner van Oekraïne
ukrainare
/
ˌenoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap van de wijnbereiding
vinberedningskonst
noun
een bos dat van oudsher bestaat
urskog
/
ˈuːrknɑl/
noun
1. de volgens de bigbangtheorie enorme explosie waaruit het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden zou zijn ontstaan
big bang
/
ˈuː.rɔs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius
uroxe
/
uˈsʲɑŋka/
noun
1. muts
usjanka
noun
1. ontsteking van de slokdarm
esofagit
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
ostron
noun
1. een vrouwelijk hormoon
östrogen
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Turks en die door de Oezbeken gesproken wordt
uzbekiska
/
us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /
uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
Uzbekistan
conjunction
- 1. keuze
eller
- 2. onzekerheid
huruvida
om
/
ɔ'fɛrtə/
noun
1. een aanbieding van goederen of diensten tegen een vaste prijs
offert
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
officiell
noun
1. iemand die een rang in het leger bekleedt die hem of haar het bevel over...
officer
/
ɔfˈtɑɫmis/
adjective
1. met betrekking tot het oog en/of de ziekten ervan.
oftalmisk
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
oftalmologi
noun
1. een scheikundig element met het symbool Og en het atoomnummer 118
oganesson
noun
1. Een bepaald tijdstip
ögonblick
noun
2. plant die men gebruikt bij oogziekten
ögontröst
noun
1. groot zoogdier dat nauw verwant is aan de giraffe
okapi
noun
1. een mineraal dat als gele of oranje kleurstof gebruikt wordt
ockra
adjective
1. met betrekking tot Okinawa of de Okinawaanse taal
okinawianska
pronoun
- 1. een streektaal in Okinawa
- 2. streektaalen van Okinawa
- 3. dialect van het Japans
okinawianska
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten van Amerika.
Oklahoma
noun
1. holte tussen de arm en de romp
armhåla
noun
1. de tiende maand van het jaar
oktober
pronoun
Oktoberrevolutionen
interjection
1. goed, in orde
okej
adjective
1. betrekking hebbend op het reukzintuig
luktsinnes-
noun
1. vettige vloeistof
olja
noun
1. fabriek waar ruwe aardolie wordt verwerkt tot aardolieproducten
oljeraffinaderi
noun
1. een gebeurtenis waarbij grote hoeveelheden olie in het milieu terecht komen en daar schade aanrichten
oljeutsläpp
noun
1. een sedimentair fijnkorrelig gesteente dat organische en chemische stoffen bevat en waar synthetisch olie en gas uit gewonnen kan worden
oljeskiffer
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
elefant
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
oligomer
/
oˈlɛɪf/, /
oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
oliv
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
olivträd
/
oˈlɛɪ̯fkløːrɪx/, /
oˈlɛɪ̯fklʏːrəχ/, /
oˈlɛːfkløːrəx/
adjective
1. de kleur van olijven hebbend
oliv
olivgrönt
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
olivolja
verb
1. met olie bewerken
olja
adjective
1. verband houdend met de Olympische Spelen
olympisk
/
o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
Olympiska Spelen
pronoun
1. evenement dat eens in de vier jaar wordt gehouden waarbij allerlei wintersporten competitief beoefend worden
Olympiska vinterspelen
noun
1. moeder van een ouder
farmor
mormor
/
o.ˈman/, /
ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
Oman
/
ˈɔmbʏdsˌmɑn/, /
ˈɔmbʏtsˌmɑn/
noun
1. een ambtenaar die de taak heeft om als onpartijdige instantie klachten van individuele burgers tegen de overheid, instellingen en bedrijven te onderzoeken
ombudsman
justitieombudsman
/
ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
eftersom
/
ɔmdrajə(n)/
verb
1. twee zijden van iets van plaats doen verwisselen
vända
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
omelett
noun
- 1. de nabijheid
- 2. personenkring
miljö
verb
1. aan alle kanten omsluiten
inhägna
verb
1. de armen om iemand slaan
omfamna
/
ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
muta
adverb
1. in neerwaartse richting
nedåt
verb
1. op een andere manier laden; naar een ander vervoermiddel overladen
lasta om
noun
1. iets dat totaal anders is geworden
omslag
noun
1. alleseter, zowel plantaardig als dierlijk voedsel
allätare
noun
hoe de zaken er voorliggen
omständighet
noun
1. de lengte van een gesloten kromme
omkrets
verb
2. een einde maken aan een bewind
störta
noun
1. het afzetten van een regering, overheid of regime
subversion
/
ˈɔmʋɛx/
noun
1. de weg die langer is dan de gewone of kortste verbinding tussen twee plaatsen
omväg
noun
- 1. politieke revolutie
- 2. algemene grootscheepse verandering
- 3. volledige draaiing
rotation
prefix
1. toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord drukt dit voorvoegsel het tegendeel uit.
o-
adjective
1. geen verbinding hebbend met
oberoende
noun
oavhängighetsförklaring
adjective
1. niet mogelijk om te kunnen veranderen of vermijden
ofrånkomlig
oundviklig
adverb
1. niet of zeer moeilijk te begrijpen, rationeel niet te volgen, onlogisch
obegriplig
adjective
1. niet behorend tot de kennis
okänd
adjective
1. slecht gemanierd
oartig
noun
1. de onverbogen werkwoordsvorm die naar persoon en getal onvervoegd is
infinitiv
noun
1. gedrag dat schaamte op zou moeten roepen maar het bij die persoon niet doet
oförskämdhet
adjective
1. niet te vertrouwen
opålitlig
noun
1. een medisch specialist die zich bezighoudt met de gezwelgroei, in het bijzonder met kanker
onkolog
adjective
1. zonder erkentelijk te zijn voor ontvangen hulp of producten
otacksam
preposition
1. ook al is het zo dat
trots
/
ˈɔn.dər/
adverb
- 1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord zoals onderlopen.
- 2. prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord zoals waaronder.
under
/
ˈɔn.dər/
preposition
- 1. niet gesorteerd
- 1. op een plaats die lager gelegen is dan het aangeduide.
under
verb
dricka någon under bordet
/
ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
underarm
verb
1. te weinig betalen
underbetala
noun
1. het geheel van processen dat zich in iemands geest afspeelt en waar deze zich niet van bewust is
undermedvetenhet
/
ɔn.dər.ˈbre.kɪŋ/, /
ɔn.dər.ˈbreː.kɪŋ(g)/
noun
- 1. een tijdelijk staken van activiteit door een onverwachte gebeurtenis
- 2. een kort ophouden van bezigheden als pauze
avbrott
noun
1. kledingstuk dat onder de gewone broek wordt gedragen
kalsonger
/
ˌɔndərˈdanəx/
adjective
1. gehoorzaam aan een leider
lydig
verb
1. een wens, verlangen, uiting of ontwikkeling eventueel met geweld tegengaan
förtrycka
verb
1. onderhevig gemaakt worden
genomgå
noun
- 2. (schertsend) in verwijzing naar zichzelf
- 1. die het bericht ondertekend heeft
undertecknad
/
ˈɔn.dər.ˌɣud/, /
ˈɔn.dər.ˌɣut/, /
ˈɔn.dər.ˌχut/
noun
1. kleding die direct op het lichaam gedragen wordt, doorgaans nog onder andere kleding
underkläder
verb
1. overleggen om tot een afspraak te komen
underhandla
/
ɔndər'ɦɑndəlɪŋ/
noun
1. een proces van overleg waarbij partijen trachten tot een voor beiden aanvaardbare afspraak te komen
förhandling
noun
1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden.
underhåll
verb
- 3. zich onderhouden: een gesprek houden met iemand
prata
- 1. zorgen dat iets in goede staat blijft
roa
noun
1. de onderste kaak
underkäke
verb
1. bewust worden van iets
erkänna
noun
1. gouverneur van een land of een provincie die als vervanger van de monarch optreedt
vicekonung
verb
1. een bedrijf of actie in werking stellen
företa
noun
1. een organisatie
företag
noun
1. de onderste delen van de rug; lumbale wervelkolom
korsrygg
verb
1. iets kleiner of van kleiner belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
underskatta
undervärdera
verb
1. een verschil in aanmerking nemen
skilja
noun
1. handtekening
underskrift
namnteckning
/
ˌɔndərˈtitələ(n)/
verb
1. ondertiteling aanbrengen
texta
noun
1. een geschreven vertaling die bij een film(pje) in beeld wordt gebracht
textning
adjective
1.
underrepresenterad
/
ɔndərˈvraxə(n)/
verb
1. iemand aan een intensieve reeks vragen onderwerpen
förhöra
/
ˌɔndərˈwɛx/, /
ˌɔndərˈʋɛχ/, /
ˌɔndərˈβ̞ɛx/
adverb
1. bezig zijn zich van plek A naar plek B te verplaatsen
på väg
noun
- 2. het schimmenrijk van de doden
underjord
- 1. de kringen van de criminaliteit
undre värld
noun
- 2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
subjekt
- 1. waar iets over gaat, een thema
ämne
verb
1. gezag opleggen
underkuva
noun
1. de voorziening van opleidingen
utbildning
undervisning
noun
1. iemand die lesgeeft
lärare
noun
1. een oude benaming voor een vrouwelijke leraar op een lagere school of basisschool
lärarinna
noun
1. een vaartuig dat onder het wateroppervlak kan varen
ubåt
noun
1. iemand die een onderzoek uitvoert
forskare
adjective
1. niet mis de verstaan, met slechts één betekenis
entydig
adjective
1. zonder einde
oändlig
adjective
1. ter zake nieuw
oerfaren
noun
1. het nog niet veel ondervinding hebben
oerfarenhet
adjective
1. Niet deelbaar door twee
ojämn
noun
1. de mate waarin iets of iemand geen fouten kan maken
ofelbarhet
preposition
1. los van
oavsett
adjective
1. niet conform datgene wat gebruikelijk is
ovanlig
noun
1. ongewenste dieren, die de mens op een of andere manier last bezorgen
ohyra
/
ɔnɣə'hoːrzam/, /
ɔnɣə'ɦoːrzam/, /
ɔnχə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. niet bereid gehoor te geven aan gestelde regels
olydig
adjective
1. niet getrouwd
ogift
adjective
2. niet onderricht in lezen en schrijven
analfabetisk
/
ˌɔnɣəˈlɛi̯k/, /
ˌɔnχəˈlɛi̯k/
adjective
1. niet met elkaar overeenstemmend
olik
adjective
2. bijzonder, uitzonderlijk
otrolig
/
ˈɔnɣəˌlɵk/, /
ˈɔnɣəˌlʏk/
noun
1. een onvoorziene gebeurtenis met negatieve en soms zelfs fatale gevolgen
olycka
adjective
1. niet gepast, niet geschikt
olämplig
noun
2. lichte ziekte
illamående
/
ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
olycka
abbreviation
bij benadering
ungefär
adjective
1. niet goed met de handen om kunnen gaan
klumpig
adjective
1. zonder mogelijkheid om ongedaan gemaakt te worden
oåterkallelig
adjective
1. niet met de oren waarneembaar
ohörbar
/
ˈɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
farbror
morbror
onkel
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
ogräs
phraseologicalUnit
1. het slechte is moeilijk uit te roeien
ont krut förgås inte så lätt
/
ɔnlaŋs/
adverb
1. recentelijk, niet lang geleden
nyligen
adjective
1. waarover geen twijfel kan bestaan
omisskännlig
adjective
1. niet volgens de laatste mode
omodern
adjective
1. niet te verwezenlijken
omöjlig
noun
1. iets dat niet kan gebeuren
omöjlighet
adjective
3. dwaas, naïef
abderitisk
/
ˌonomatoˈpe/
noun
1. door klanknabootsing gevormd woord
onomatopoetikon
noun
1. een werkwoord dat niet vergezeld kan worden door een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in een zin
intransitivt verb
adjective
1.van iets of iemand dat er nog nooit een betere is geweest
oöverträffad
adjective
niet partijdig , niet bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
opartisk
noun
1. schadeverwekkende inbreuk op een zorgvuldigheids- of rechtsnorm waardoor burgerrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat
ersättningsrätt
adjective
- onzuiver, onkuis
- vuil
oren
noun
1. het verstoord zijn van de maatschappelijke of sociale orde, rust
oro
noun
1. iemand die opschudding teweegbrengt met schrikbarende verhalen die vaak overdreven of gewoonweg onwaar zijn
orosstiftare
possessivePronoun
1. van de 1e persoon meervoud
vår
/
ɔnˈsxʏɫdəx/
adjective
1. niet schuldig
oskyldig
noun
1. de eigenschap niet te zullen sterven
odödlighet
adjective
1. moeilijk in toom te houden
uppbrusande
verb
1. overgaan in iets verkeerds
degenerera
noun
1. eerste maaltijd van de dag
frukost
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
frukost
verb
1. een organisatie opheffen
upplösa
verb
1. niet aanwezig zijn terwijl dit wel zou moeten of verwacht wordt
saknas
/
ɔntˈsɛɪ̯fərə(n)/, /
ɔntˈsɛːfərə(n)/
verb
1. qua betekenis duiden
dechiffrera
/
ɔnˈdɛ.kə(n)/
verb
1. ergens achter komen
upptäcka
noun
1. het vinden van iets nieuws
upptäckt
noun
expropriation
expropriering
/
ɔntəˈvredə(n)/
adjective
1. behoefte voelend om aanmerkingen te maken
missnöjd
/
ɔntəˈvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel niet genoeg te hebben en onvoldaan te zijn
missnöje
verb
1. van een illusie beroven
avförtrolla
verb
1. iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
halshugga
verb
1. in het geheugen bewaren
komma ihåg
noun
1. iemand die bepaalde genotmiddelen niet gebruikt
asket
/
ɔnt'ɦɑʊdɪŋ/
noun
1. het bewust niet een gewoonte of behoefte volgen
avhållsamhet
/
ɔntˈɦɵlə(n)/, /
ɔntˈɦʏlə(n)/
verb
- 2. openbaren van onbekende feiten
avslöja
röja
- 1. van het hulsel ontdoen
avtäcka
/
ɔnt.ˈkɑl.kə(n)/, /
ɔnt.ˈkɑɫ.kə(n)/
verb
1. kalk van een metalen oppervlak verwijderen
avkalka
/
ɔnt.ˈkɑl.kɪŋ/, /
ɔnt.ˈkɑɫ.kɪŋ/
noun
1. het verwijderen van kalk van een metalen oppervlak
avkalkning
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
förneka
noun
1. handeling of uiting waarmee iemand kan laten weten dat iets niet waar is
nekande
verb
1. een fles van de afsluitende kurk ontdoen
öppna
noun
- 1.
avlastning
- 2.
elektrisk urladdning
- 3.
plötslig explosion
verb
1. anatomiseren, analyseren
dissekera
verb
1. door te castreren of het amputeren van de penis, iemand ontdoen van zijn mannelijkheid
omanliggöra
verb
1. een geheel dusdanig in delen uiteennemen dat het niet meer als geheel fuctioneert
demontera
verb
1. de ware aard laten zien van iets of iemand
avmaskera
verb
1. de moed ontnemen
avskräcka
verb
1. met iemand kennismaken en een gesprek voeren
träffa
verb
1. terugbrengen uit een waan of roes
nyktra till
verb
1. van de schoonheid beroven
vanpryda
verb
1. arbeidsovereenkomst beëindigen
avskeda
/
ɔnt'slɑx/
noun
1. het verbreken van het dienstverband met een werknemer
uppsägning
verb
1. kleine organismen zoals bacteriën gericht doden
desinficera
verb
1. aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
fly
/
ɔnt.ˈstan/
verb
1. de verandering ondergaan van niet bestaan naar wel bestaan
uppstå
/
ɔnt.'ste.kə(n)/
verb
- 1. in vlammen (doen) opgaan
- 3. geïnfecteerd raken
bli inflammerad
noun
1. (medisch) ontsteking
inflammation
noun
- 2. het falen, mislukken
fiasko
misslyckande
strandning
- 1. het niet voorhanden zijn, ontbreken, niet aanwezig zijn, verhinderd zijn (meestal door factoren buiten de macht van de betrokkene bijvoorbeeld ziekte, familieomstandigheden)
frånvaro
avsaknad
brist
undvikande
uteblivelse
/
ɔndˈvaŋ(g)ə(n)/, /
ɔntfɑŋə(n)/
verb
- 1. het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
få
motta
- 2. het op bezoek krijgen van gasten
motta
ta emot
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
kidnappa
noun
1. het, tegen iemands zin, wederrechtelijk verplaatsen van een persoon
kidnappning
/
ɔntˈʋɛrpə(n)/
verb
1. bedenken en uitwerken op papier
designa
/
ɔntʋɪkələ(n)/
verb
- 1. iets ~ een aanwezige aanleg tot bloei brengen
- 3. een film ~ het latente beeld van een belicht fotografisch materiaal chemisch zichtbaar maken
- 4. ontwerpen en uitvoeren op basis van onderzoek
utveckla
noun
1. geleidelijke verandering in een zekere richting
utveckling
adjective
1. niet geneigd om zich door smeekbeden tot andere handelwijze te laten bewegen
obönhörlig
/
ɔnvɛrˈsxɪləɣˌɦɛit/
noun
1. houding waarbij men zich niets aantrekt van omstandigheden en de opvattingen van anderen
likgiltighet
adjective
1. van een drank: zonder toevoegingen van mindere kwaliteit
oblandad
adjective
1. niet in de doeltaal omgezet
oöversatt
adjective
1. niet van tevoren zien aankomen
oväntad
/
ˌɔn.vərˈʋust.bar/, /
ˌɔn.vərˈβ̞ust.bar/
adjective
1. niet stuk te krijgen, buitengewoon robuust
oförstörbar
oförgänglig
noun
1. het zo jong zijn dat men nog niet meerderjarig is
omogenhet
adjective
1. waarvan de uitkomst niet bij voorbaat te kennen is
oförutsägbar
noun
1. het niet kunnen weten wat de toekomst brengen zal
oförutsägbarhet
adjective
1. bij verrassing optredend
oförutsedd
adjective
1. een geringe kans bezittend om waar te worden of te blijken
osannolik
/
ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
åska
åskväder
adjective
1. zich niet gezond voelend
krasslig
/
ˈɔnwɪl/
noun
1. het de keuze maken om niet mee te werken
ovilja
noun
een variëteit van kwarts
onyx
/
ˌɔn.zəˌli.vəˈvrɑʊ̯.əˌkɛrk/, /
ˌɔn.zəˌli.vəˈvrɔʊ̯.əˌkɛrk/
noun
1. een veel voorkomende naam van katholieke kerken
Vår Fru-kyrka
noun
1. benaming voor torren uit de familie Coccinellidae
nyckelpiga
pronoun
1. christelijk gebed
Herrens bön
/
ɔn'zɛidəx/
adjective
neutral
/
ox/, /
oːx/, /
oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
öga
/
ˌox.ɔm.ˌox, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/, /
ˌoɣ.ɔm.ˌox, ˌtɑnd.ɔm.ˈtɑnd/, /
ˌoχ.ɔm.ˌoχ, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/
interjection
1. benadrukt volledige vergelding
öga för öga
noun
2. een oogbol
ögonsten
noun
1. ooggetuige
ögonvittne
/
ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
ögonlock
verb
1. het van het land halen van het rijpe gewas
skörd
verb
1. het volgroeide gewas van het veld halen
skörda
hösta
noun
1. vrouwelijk schaap
tacka
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
stork
/
oːɪt/
adverb
2. een mogelijk tijdstip in de toekomst
någonsin
/
oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
också
även
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
farbror
onkel
morbror
/
oːr/
noun
- 1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
- 3. handvat waaraan je een stuk servies kunt optillen
öra
noun
1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
örhänge
/
ort/
noun
1. een bepaalde plaats
ort
noun
1. klein voorwerp om de gehoorgang te blokkeren zodat je niet door lawaai gehinderd wordt
öronpropp
/
ˈɔːrkɔndə/
noun
1. rechtskrachtig door getuigen bevestigd bewijsstuk, stammend uit de middeleeuwen
charta
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
diplomatik
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
krig
noun
1. een daad in tijd van oorlog die het oorlogsrecht of -gebruik schendt
krigsförbrytelse
/
'orlɔxsmɪsdadəxər/
noun
1. iemand die een oorlogsmisdaad pleegt of heeft gepleegd en daarvoor individueel aansprakelijk gesteld...
krigsförbrytare
noun
krigsminnesmärke
krigsmonument
/
'orlɔxsfərklarɪŋ/
noun
1. een officiële mededeling van een land dat het oorlog gaat voeren
krigsförklaring
/
orsxɛlp/, /
o̝rsχɛɫp/
noun
1. het uit het hoofd stekende deel van een oor
öronmussla
noun
stroperige vloeistof in de gehoorgangen
öronvax
noun
1.1 gewone oorworm (Forficula auricularia)
tvestjärt
/
os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
Östtimor
/
ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
öst
öster
pronoun
1. een gemeente in de Belgische provincie West-Vlaanderen
Oostende
/
ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /
ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /
ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
Österrike
/
ˈo.stə.ˌrɛɪ̯.kər/, /
ˈo.stə.ˌrɛː.kər/, /
ˈos.tə(n).ˌrɛɪ̯.kər/
noun
1. een inwoner van Oostenrijk of persoon die de Oostenrijkse nationaliteit bezit
österrikare
noun
1. oostelijke zeeoever
ostkust
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
Östersjön
preposition
- 1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op
på
- 3. omhoog
upp
noun
1. de vader van een ouder
farfar
morfar
mormor
/
o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
opal
/
ˈɔˌbɛlə(n)/
verb
1. iemand telefonisch proberen te bereiken
ringa
verb
1. toegeven dat men iets kwaads gedaan heeft
erkänna
/
'ɔp.bla.zə(n)/
verb
- 2. een gas in een uitzetbare ruimte pompen
- 3. op overdreven manier beschrijven
blåsa upp
/
ˈɔpbɑu(w)ə(n)/
verb
- 1. maken uit losse onderdelen
- 2. laten ontstaan
bygga upp
/
'ɔbrɛŋs/, /
'ɔbrɛŋst/
noun
1. dat wat opgebracht wordt, de baat die men heeft van zijn activiteiten
utbyte
noun
1. een te verrichten werk
uppdrag
verb
2. als eerbewijs iets wijden aan iemand
tillägna
/
ˈɔpɛːsə(n)/
verb
eisen dat iets of iemand waarop men recht heeft, wordt overgegeven
fordra
/
ˈoː.pə(n)/
adverb
1. niet gesloten
öppen
adjective
1. vrij toegankelijk
offentlig
noun
1. openbaar toegankelijk personenvervoer
kollektivtrafik
noun
1. laatste boek van de Bijbel
Uppenbarelseboken
verb
- 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
- 3. openstellen, toegankelijk maken
- 1. laten beginnen, in bedrijf brengen
- 4. (informatica) een bestand inladen
öppna
/
ˈoː.pə(n).ɣaːn/
verb
1. zich openen
öppna
noun
- 1. een plaats die toegang biedt tot iets dat is afgesloten
- 2. het openstellen van iets wat nog niet toegankelijk of in functie was
öppning
noun
1. plechtigheid als opening van een evenement
invigningsceremoni
verb
1. de sluiting van iets verbreken
öppna
verb
1. (wettelijk) toegankelijk maken
öppna
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
opera
noun
- 1. aantal gecoördineerde acties
- 2. een chirurgische ingreep
- 3. een bewerking op een object
operation
noun
1. ruimte waar heelkundige bewerkingen uitgevoerd worden
operationssal
verb
1. een voorwerp uit de bodem naar boven halen
gräva
verb
1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
växa upp
verb
1. een voorwerp of persoon bij iets/iemand vandaan halen
avhämta
/
'ɔpɦɑŋə(n)/
verb
3. aan de galg opknopen
hänga
/
'ɔphoxə(n)/
verb
1.iets hoger maken dat het was
upphöja
verb
2. een activiteit beëindigen
upphöra
noun
1. opiumbevattend geneesmiddel
opiat
noun
1. onderzoek naar de mening van...
opinionsundersökning
noun
1. een steekproefsgewijs onderzoek naar de mening van de bevolking
opinionsundersökning
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
opium
/
'ɔpkɛɪkə(n)/, /
'ɔpkɛːkə(n)/
verb
- 1. de blik omhoog richten
- 3. (~ naar) bewonderen
se upp
verb
1. zorgen dat iemands stemming verbeterd
muntra upp
/
'ɔpklarə(n)/
verb
1. het ontstaan van open plekken in wat een gesloten wolkendek was
klarna
noun
1. het wegtrekken van de bewolking
uppklarnande
noun
2. de mate waarin de kiesgerechtigden gebruik maken van hun stemrecht in een verkiezing
valdeltagande
noun
1. totaal aantal afdrukken van een drukwerk dat in één keer wordt vervaardigd
upplaga
verb
1. iets een liggende plaats geven op iets anders
ålägga
verb
1. bij voortduring aandachtig zijn
uppmärksamma
verb
3. helder worden, meer licht gaan geven
flamma till
noun
1. bedrog waarbij men iemand geld of goed afhandig weet te maken
bedrägeri
noun
1. bedrog waarbij men iemand geld of goed afhandig weet te maken
bedrägeri
adjective
2. scheikunde: het vermogen bezittend in oplossing te gaan
löslig
verb
- 3. een probleem ophelderen
- 1. een homogeen mengsel gaan vormen
- 2. een homogeen mengsel doen vormen
lösa
noun
- 1. een mengsel
- 2. een manier om van een probleem af te komen
lösning
/
ɔ'plʏxtə(n)/
verb
1.
lätta
noun
1.het gevoel bevrijd te zijn van iets dat dreigde
lättnad
noun
1. een uiting van een gedachte
anmärkning
/
'ɔpnam(ə)/
noun
2. geluid
inspelning
verb
7. (beeld, geluid) registreren, vastleggen
spela in
/
ˈɔpniu/
adverb
1. nog een keer, een vorige gebeurtenis herhalend
igen
på nytt
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Oberösterreich
noun
1. bot in de bovenarm
överarmsben
noun
1. leider van een stam
hövding
/
ˈɔpərvlɑk/
noun
1. vlak dat iets naar boven begrenst
yta
/
ɔpər'vlɑkəx/
adjective
- 1. niet diepgaand of niet grondig
- 2. zich aan de oppervlakte bevindend
ytlig
noun
- 2. uitgebreidheid
area
- 1. vlak dat iets naar boven begrenst
yta
/
ˌɔpoˈzitsi/
noun
2. mensen en partijen die niet tot de regeringspartijen horen
opposition
adjective
1. de waarheid sprekend
sann
verb
3. iets in orde brengen, netjes maken
städa
noun
1. een lange, grote en diepe lepel
slev
verb
2. aangedikte beweringen doen
skryta
/
ˈɔpslan/
verb
5. informatica: vastleggen of bewaren van gegevens
spara
verb
- 1. gaan staan
- 2. het bed verlaten
gå upp
/
ˈɔpstɑnt/
noun
1. een massale, vaak gewelddadige, poging het heersende gezag af te schudden
uppror
verb
1. nauwkeurig omschrijven en schriftelijk vastleggen zodat men het later nog kan raadplegen
anteckna
verb
1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
addera
summera
noun
1. het samenvoegen van een of meer termen tot een totaal, de som
addition
noun
1. iemand die kundig is in de optica
optiker
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
lyfta
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen gunstig gaan uitvallen
optimism
noun
1. iemand die alles van de positieve kant beschouwt
optimist
adjective
1. van het positieve uitgaand
optimistisk
/
ˈɔp.tre.də(n)/
verb
1. voor een publiek bepaalde handelingen verrichten, bijvoorbeeld in kunstzinnige zin
agera
noun
- 2. iemands algemene vorming en ontwikkeling
hövlighet
- 1. het proces waarin iemand wordt gevormd naar de normen van diens opvoeders, en daarmee meestal de samenleving waarin hij leeft
uppfostran
noun
1. iemand die een ambt bekleedt na iemand anders
efterträdare
efterföljare
noun
2. het proces van temperatuursverhoging
uppvärmning
verb
2. draaiend onder spanning zetten
skruva upp
noun
2. het onderdeel zijn van een zo gewenst plan
avsikt
adverb
1. bewust op deze manier
avsiktlig
verb
5. taxidermie bedrijven
stoppa upp
noun
1. mensaap met lange armen en roodbruinachtig haar
orangutang
adjective
1. de kleur oranje hebbend
orange
brandgul
noun
1. de witte bloemen van de sinaasappelboom
apelsinblom
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
orkidé
noun
- 1. gewenste regelmaat
- 2. een hiërarchische organisatie
- 3. (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families
orden
noun
- 1. ruwe indicatie van de omvang, met weinig precisie aangeduide hoeveelheid
- 2. aanduiding om de grootte van een getal mee uit te drukken, uitgedrukt als de exponent van de dichtstbijzijnde macht van 10
storleksordning
noun
- 2. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak
- 1. een verzoek om diensten of goederen te leveren
order
/
ɔrdoˈvisijʏm/
noun
ordovicium
noun
- 2. keukenkruid
- 1. Origanum vulgare
oregano
noun
- 1. Onderdeel van het organisme
- 2. Communicatiemiddel
organ
/
ˌɔrɣɑniˈzasi/, /
ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
- 3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
- 1. het organiseren
- 2. de manier waarop iets georganiseerd is
organisation
pronoun
Organisationen för säkerhet och samarbete i Europa
noun
1. iemand die organiseert of die organisatietalent heeft
organisatör
arrangör
/
ˌɔrɣɑniˈzeːrə(n)/, /
ˌɔrχɑniˈzɪːrə(n)/
verb
- 1. een bepaalde structuur aanbrengen
- 2. iets, vaak een evenement, tot stand brengen
organisera
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
organism
adjective
1. werking op een orgaan uitoefenend
organoleptisk
/
ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
orgel
adjective
- 1. enige of zeer zeldzaam in zijn soort
- 2. gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker
förlaga
noun
1. voorwerp, gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker, waarvan een of kopieën zijn gemaakt
förlaga
pronoun
1. de officiële taal van de Indiase staat Orissa
oriya
/
ɔrk/
noun
1. fictieve wezentjes die in groepsverband leven en gewoonlijk de vijand van de mensen zijn
orch
/
ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
späckhuggare
noun
1. een bijzonder hevige storm
orkan
tropisk cyklon
/
ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
orkester
noun
1. de tandheelkunde die gericht is op de vorming van een regelmatig gebit
ortodonti
noun
1. een tandarts-specialist die de vorm, groei en ontwikkeling van het gebit en de kaken bestudeert
ortodontist
/
ɔrtoˈdɔks/
adjective
- 1. star vasthoudend aan een bepaald geloof
- 2. star vasthoudend aan bepaalde opvattingen of gewoontes die algemeen zijn aanvaard
ortodox
/
ɔrtodɔk'si/
noun
ortodoxi
adjective
1. drie onderling loodrechte spiegelvlakken of tweetallige assen bezittend
ortorombisk
noun
1. gecastreerde stier
oxe
verb
1. oscilleren
oscillera
pronoun
- 1. de hoofdstad en grootste stad van Noorwegen en is gelegen in het zuidoosten van het land
- 2. een provincie in Noorwegen
Oslo
noun
1. Chemisch element
osmium
pronoun
1. een taal uit de centrale Kaukasus
ossetiska
/
ˈɔstejoˌblɑs/, /
ˌɔstejoˈblɑst/, /
ˌɔsteoˈblɑst/
noun
1. een cel die bot aanmaakt
osteoblast
noun
1. een structuur in het binnenoor van gewervelden en een rolspelen in het waarnemen van geluid,...
otolit
pronoun
1. de hoofdstad van Canada
Ottawa
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
utter
/
aʊ̯d/, /
ɔʊ̯t/, /
ʌʊ̯t/
adjective
- 3. vorige
före detta
tidigare
- 2. oud ding, concept
gammal
förlegad
utsliten
använd
- 1. oud mens, dier
gammal
åldrig
ålderstigen
noun
1. reeks boeken in de christelijke Bijbel die zijn ontleend aan de joodse Tenach
gamla testamentet
pronoun
1. het Engels zoals dat tussen ca. 400 en 1100 werd gesproken en dat wordt gezien als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels en nog later het moderne Engels
fornengelska
/
ˈaʊ̯.dər/, /
ˈɔʊ̯.dər/, /
ˈʌʊ̯.dər/
noun
1. de moeder of vader van een kind
förälder
/
ˈaʊ̯.dərs/, /
ˈɔʊ̯.dərs/, /
ˈʌʊ̯.dərs/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ouder
föräldrar
noun
1. alles wat met het ouder zijn te maken heeft
föräldraskap
adjective
1. niet langer gebruikt of in de mode
gammalmodig
noun
1. periode van eind september tot half november waarin het nog zomerachtig weer kan zijn
brittsommar
pronoun
1. het Frans zoals dat in het noorden van Frankrijk gesproken werd van de 10e tot de 14e eeuw
fornfranska
pronoun
1. een nu dode taal die werd gesproken in Griekenland
klassisk grekiska
/
ɑʊ̭tɦɛɪ̭t/
noun
1. het tijdperk van de geschiedenis vóór de middeleeuwen
antiken
forntid
pronoun
1. de voorloper van het huidige Duits in de periode 700-1050
fornhögtyska
pronoun
1. de Slavische taal die rond de negende eeuw rond Thessaloniki gesproken werd
fornkyrkoslaviska
pronoun
1. een West-Germaanse taal die gesproken werd tussen ongeveer 800 en 1150 in delen van Nederland, België, Frankrijk en Duitsland en die de voorloper was van het Middelnederlands en vervolgens het huidige Nederlands.
fornnederländska
pronoun
1. een taal die de voorganger van de Scandinavische talen was
fornnordiska
pronoun
1. een taal die de voorloper van het Noors was
fornnorska
/
'ʌʊtom/
noun
1.
gammelfarbror
/
ɑutˈsɑksis/
pronoun
1. de voorloper van het huidige Nedersaksisch in de periode 650-1100
fornsaxiska
pronoun
1. taal die vanaf de 10e tot in de 15e eeuw werd gesproken door de bewoners van Castilië
fornspanska
/
'ʌʊtɑntə/
noun
1.
fars faster
/
ɑʊ̯tˈzʋets/, /
ɔʊ̯tˈzβ̞ets/
noun
1. een taal die in de middeleeuwen in Zweden werd gesproken
Fornsvenska
noun
1. een meestal instrumentaal muziekstuk dat als opening fungeert van een opera of operette
ouvertyr
noun
1. bekende Griekse alcoholische drank
ouzo
/
o'val/
adjective
1. in vorm gelijkend op een ei
oval
/
o'val/
noun
1. een figuur in de vorm van een ei
oval
/
ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
ugn
noun
1. paal waarmee brood in en uit de oven gehaald wordt
brödspade
adverb
2. nog resterend
kvar
preposition
- 1. wat betreft
om
- 6. meer dan
- 4. via, langs
över
noun
1. toestand waarbij een ruimte, gebied of land zo dichtbevolkt is dat het problemen geeft
överbefolkning
verb
2. meer dan eenmaal verhuren
överboka
noun
1. excessief verbruik van goederen en/of diensten
överkonsumtion
/
ˌovərˈdɑx/
adverb
1. tijdens de uren van de dag
på dagen
adjective
1. buiten proportie weergegeven
överdriven
verb
1. de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn
överdriva
noun
- 2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
avtal
- te controleren vertalingen
överrenskommelse
verb
2. in overeenstemming brengen
överensstämma
/
ˌovərˈʔetə(n)/
verb
1. uit gulzigheid te veel eten
föräta
noun
2. het van een toestand in een andere geraken
övergång
noun
1. de naam voor elk element uit het D-blok van het periodiek systeem der elementen
övergångsmetall
noun
1. reeks handelingen die gedaan wordt bij een belangrijke gebeurtenis in het leven
övergångsrit
noun
1. een werkwoord dat vergezeld wordt door een lijdend voorwerp in een zin, dat gewoonlijk in de lijdende vorm het onderwerp kan worden
transitivt verb
/
'ovərɣavə/
noun
1. het opgeven van de strijd en zich aan de wijand onderwerpen
kapitulation
verb
- 2. capituleren
ge sig
- 1. braken
kräkas
spy
noun
1. moeder van de grootvader of van de grootmoeder
farfarsmor
/
ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
gammelfarfar
gammelmorfar
verb
1. iemand zo ver proberen te krijgen ergens in mee te gaan
övertala
verb
1. in de handen van een ander geven
överlämna
/
ˈovərɦɛit/
noun
1. het geheel aan gezagvoerende lichamen
Obrigkeit
/
ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /
ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /
ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Overijssel
noun
1. een jas die hoofdzakelijk als bescherming van de kleding eronder wordt gedragen
överrock
verb
2. meest onbedoeld een bepaalde indruk wekken op iemand anders
ge ett intryck av
/
ovərˈlɛx/
noun
1. beraad, beraadslaging
överläggning
noun
1. een pagina bestemd voor overleg
diskussionssida
/
ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
överleva
noun
1. iemand die een levensbedreigende situatie overleefd heeft
överlevare
/
ˈovərlevərɪŋ/
noun
1.
lära
adjective
1. buitensporig
överdriven
verb
1. ergens de nacht doorbrengen
övernatta
verb
1. met de wielen van een voertuig over iets of iemand heen rijden
köra över
verb
1. iets domineren, naar de achtergrond drukken
överskugga
verb
1. iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
överskatta
/
ˈo.vər.sxɔt/
noun
1. wat er overblijft, de rest
överskott
verb
1. het ene geschrevene vervangen
skriva över
verb
1. een beurt doen missen
container
noun
3. trapje, laddertje om over een heining te komen
stätta
verb
1. doorkruisen om de overzijde te bereiken
korsa
verb
1. het onder water komen staan van een laaggelegen gebied
svämma över
/
ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
översvämning
noun
1. een relatief licht strafbaar feit
överträdelse
verb
1.een voorheen behaald niveau te boven gaan
överträffa
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
övertyga
noun
1. sterke mening of geloof
övertygelse
/
ovərˈvluːdəx/, /
ovərˈvluːdəç/
adjective
1. in ruime hoeveelheid aanwezig
riklig
/
'ovərʋɛx/, /
ovər'ʋɛx/
noun
1. een kruising van een weg met een spoorbaan
plankorsning
/
ovər'ʋeɣən/, /
ˈovərʋeɣən/
verb
de voor- en nadelen bezien alvorens een beslissing te nemen
fundera på
överväga
verb
1. de winter doorbrengen
övervintra
noun
1. toestand dat je het geheel kunt duidelijk overzien
överblick
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
ägglossning
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
ozon
/
ozɔnlax/
noun
1. laag in de atmosfeer die veel ozon bevat
ozonlager
noun
4. (heraldiek) een loodrechte band midden over een wapenschild
stolpe
noun
1. in zee levend weekdier dat zich in hout boort, Teredo navalis
skeppsmask
noun
2. bepaald soort Europese kleine zangvogel, Saxicola rubetra
buskskvätta
/
paːr/
noun
- 1. twee van een soort die bij elkaar horen
- 2. twee geliefden die een relatie hebben
par
/
paːrt/
noun
- 2. turntoestel
bygelhäst
- 1. tam hoefdier met manen
- 3. schaakstuk
häst
springare
noun
- 1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
maskros
- 1. samengesteldbloemige plant Taraxacum officinale
ogräsmaskrosor
maskros
/
'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
hästkraft
noun
- 2. haardracht
- 3. staart van een paard
hästsvans
- 1. sporenplant
rävsvans
/
ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
stall
noun
1. paardenzuring is een vaste plant die behoort tot de duizendknoopfamilie Polygonaceae
gårdsskräppa
/
ˈpaːrt.rɛidə(n)/
noun
het rijden op een paard, ter ontspanning of als sportbeoefening
hästridning
adjective
1. met een kleur tussen rood en blauw
violett
noun
- 2. ter gelegenheid van Pasen gekleurd en versierd kippenei
- 1. ei van chocolade of suiker dat op of omstreeks Pasen gegeten wordt
påskägg
noun
1. de dag die volgt op paaszondag
annandag påsk
noun
1. de dag waarop christenen vieren dat Jezus opgestaan is uit de dood, op de derde dag na zijn kruisiging
påskdagen
pronoun
1. oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Ausralië
Stilla havet
/
pɑsiˈfɪsmə/
noun
1. een wereldbeschouwing die duurzame vrede nastreeft en tegen oorlog en geweld is
pacifism
/
pɛːt/
noun
- 1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
padda
- 1. een smalle weg of voetweg
stig
stråt
gång
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
svamp
sopp
/
paˈeʎa/
noun
1. gerecht
paella
noun
1. persoonlijke dienaar van iemand
page
noun
1. de meest voorkomende vorm van zee-ijs en bestaat uit op elkaar geschoven ijsschollen; opeengepakt drijfijs
packis
/
ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
Pakistan
/
'pɑkpapir/
noun
1. papier men gebruikt voor het (feestelijk) inpakken van voorwerpen
omslagspapper
noun
1. Aziatische groene koolsoort met witte stelen Brassica rapa subsp. chinensis
sellerikål
pak choi
/
pa.ˈlaʊ̯/, /
pa.ˈlɔʊ̯/, /
pa.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Palau
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
palats
/
palejoˈɣen/
noun
1.
Paleogen
/
ˈpalejoˌlitikʏm/
noun
1. eerste periode van de steentijd
paleolitikum
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
paleontologi
/
ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
Paleozoikum
noun
1. een spatelvormig stuk gereedschap dat de kunstschilder gebruikt om op het palet een gebruikshoeveelheid verf van de juiste kleur te mengen
palettkniv
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
palindrom
noun
1. chemisch element
palladium
pronoun
1. de zondag voor Pasen
Palmsöndagen
palmsöndag
noun
1. boomloze grasvlakte in Argentinië en Uruguay
pampas
/
pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
panna
stekpanna
noun
1. geneesmiddel dat alle kwalen zou verhelpen
panacé
/
ˈpa.na.ma/, /
ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
Panama
noun
1. iemand afkomstig uit Panama
panaman
noun
2. een gebouw
fastighet
noun
1. (zoogdieren) een beerachtig dier uit het Himalayagebied
panda
/
ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
pandemi
/
pɑn.deʲ'ɪsmə/
noun
1. een theologische positie
pandeism
noun
1. bank van lening waar men geld kan krijgen als men een pand in bewaring geeft, dit pand kan men...
pantbank
noun
1. de theologische positie dat God immanent is in de gehele schepping en dat het universum een deel is van God en dat God de drijvende kracht vormt achter het universum
panenteism
verb
1.met geklopt ei bestrijken en daarna bestrooien met paneermeel
bröa
noun
1. blaasinstrument dat is samengesteld uit een reeks van eentonige fluiten
panflöjt
noun
1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
pannkaka
noun
1. benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
panter
/
pɑn.teʲ'ɪsmə/
noun
panteism
/
pɑnte'jɪstis/
adjective
1.
panteistisk
/
pɑnˈtɔfəldirtʲə/
noun
1. eencellig diertje
toffeldjur
noun
1. toneelspel alleen maar met gebaren en lichaamsuitdrukkingen dus zonder woorden
pantomim
noun
1. een beschermende laag om dieren of voorwerpen
pansar
/
ˈpɛnti/
noun
1. kledingstuk
strumpbyxor
noun
1. gerecht dat meestal bestaat uit melk die is gebonden met een zetmeelproduct zoals meel
smörja
/
paˈpa.ja/
noun
1. en 2. (vrucht van) de boom Carica papaya
papaya
papaja
noun
1. een plantengeslacht waarin ook de opiumpapaver thuis hoort
vallmo
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
papegoja
noun
1.1 bepaald soort opvallende zeevogel die zelfs onder water kan vliegen, Fratercula arctica
lunnefågel
pronoun
1. taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
papiamento
/
pɑ'pir/
noun
1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
papper
noun
1. bouwmateriaal dat gemaakt wordt door papier te vermengen met natte lijm
papier-maché
/
ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /
ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /
ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
Papua Nya Guinea
/
ˈpaprika/, /
ˈpɑprika/
noun
2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
paprika
/
ˌparaˈboɫ/
noun
1. kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt.
parabel
/
ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoɣəl/, /
ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoχəɫ/, /
ˌpɑrɑˈdɛːsvoɣəl/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Paradisaeidae
paradisfågel
/
ˌparadɔkˈsal/
adjective
1. tegenstrijdig lijkend
paradoxal
/
ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /
ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /
ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /
ˈparaˌɡwe/
pronoun
Paraguay
/
paralɛloˈɣrɑm/, /
pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
parallellogram
noun
1. achtervolgingswaanzin
paranoia
/
ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
paraply
parasoll
noun
- 1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
- 2.
parasit
noun
1. leer en studie van de parasieten en het parasitisme
parasitologi
noun
1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
pärla
noun
1. rond gepolijste gepelde gerst
pärlgryn
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Numididae
pärlhöna (hjälmpärlhöna)
pärlhöna
/
parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
pärlemor
noun
1. winkel waar men parfums verkoopt
parfymeri
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
Paris
noun
een inwoner van Parijs
parisare
/
pɑrᵊk/
noun
1. een groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
park
noun
1. lang warm jack met een met bont gevoerde capuchon oorspronkelijk kledingstuk van de Inuits
parkas
noun
1. garage voor het parkeren van motorvoertuigen
parkeringsgarage
parkeringshus
noun
1. een installatie met klok die na de muntinworp de toegestane parkeertijd aangeeft
parkeringsmätare
noun
1. plek waar auto's of andere voertuigen geparkeerd kunnen worden
parkeringsplats
verb
1. (een voertuig) tijdelijk ergens laten staan
parkera
noun
1. risicosport waarbij een traject met obstakels zo snel en vloeiend mogelijk moet worden afgelegd
Parkour
noun
1. gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
församling
/
pa.ˈrɔ.xiˌkɛrk/, /
pa.ˈrɔ.χiˌkɛrk/
noun
1. een lokaal kerkgebouw dat het religieuze centrum van een parochie vormt
församlingskyrka
noun
1. ontsteking van het nagelbed
paronyki
adjective
bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
partisk
noun
1. klein deeltje
partikel
noun
- 2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
kompanjon
- 1. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
- 3. iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
partner
noun
1. eenheid voor druk (symbool: Pa)
pascal
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
påsk
adjective
1. kort geleden geboren
nyfödd
pronoun
1. taal die vooral in Afghanistan en Pakistan door 50 tot 60 miljoen Pathanen wordt gesproken
pashto
noun
1. pop waarop men gemaakte kleren past
provdocka
noun
5. ontlasting, doorgang
avsnitt
noun
1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
passagerare
verb
1. precies de goede maat zijn, erin kunnen
passa
adjective
1. niet zelfstandig werkzaam
passiv
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
passionsfrukt
noun
1. de benaming voor een aantal Italiaanse deegproducten
pasta
noun
1. een document of ander kunstwerk zoals een toneel- of muziekstuk dat is gemaakt via nabootsing en/of het combineren van bepaalde kenmerken van een of meerdere originelen
pastisch
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
palsternacka
noun
1. model van kledingstuk precies aansluitend op het lichaam
passform
adjective
1. in een toestand waarin een speler geen enkele zet meer kan doen
patt
noun
1. remise doordat een speler geen zet meer kan doen
patt
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
Patagonien
noun
1. gefrituurde aardappelreepjes
pommes frites
noun
1. schotel voor de hostie
paten
noun
1. zich te pas en vooral te onpas als een zorgzame vader gedragen
paternalism
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
patologi
adjective
1. ziekte betreffend
patologisk
/
pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
patient
noun
1. aanzienlijk persoon, burger, rijke koopman, regent, ...
patricier
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
rapphöna
noun
1. klein rond raam in een scheepswand dat waterdicht kan worden afgesloten
fönsterventil
noun
1. goede vaderlander
patriot
noun
1. wagen waarmee de politie rondrijdt om inspecties uit te voeren
polisbil
noun
1. stevig, maar smeerbaar mengsel van fijngemalen vlees
pastej
/
'pɑupər/
noun
1. iemand die heel arm is
fattighjon
/
pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
påve
adjective
1. betrekking hebbend op de paus, het hoofd van de rooms-katholieke kerk
påvlig
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Påfågeln
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
påfågel
noun
1. bepaald soort tropische struik met prachtige bloemen, Caesalpinia pulcherrima
påfågelsträd
/
ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
paus
/
pɛx/, /
pɛχ/
noun
1. de conditie waarin er tegenslag te verwerken is die niet door eigen schuld veroorzaakt is
otur
noun
- 1. met de voet te bedienen hefboom
- 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
pedal
adjective
1. behorende tot het verlangen van een volwassene naar seksueel contact met kinderen
peddo
noun
1. een volwassene die verlangt naar seksueel contact met kinderen
pedofil
adjective
1. de vorm hebbend van een peer, dus rond met één enkele uitloper
päronformad
/
pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
sena
/
pɛːl/, /
pɛːɫ/
noun
1. niveau of stand van bijvoorbeeld water
pegel
/
ˈpɛɪ̯nzə(n)/, /
ˈpɛːnzə(n)/
verb
1. heel diep nadenken
grubbla
/
'pejorɑ'tif/
adjective
pejorativ
verb
1. overgankelijk blootstellen aan een sterke oplossing van zout
rimma
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
pelikan
noun
1. zoogdier waarvan de behaarde huid als bont gebruikt wordt
pälsdjur
noun
1. (kleding) een mantel vervaardigd van het bont van pelsdieren
päls
noun
1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
penna
noun
1. een directe vrije trap voor de aanvallende partij na een zware overtreding van de verdedigende partij binnen het strafschopgebied
straffspark
straff
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
penis
noun
1. kleinste Britse munt, Engelse stuiver
penny
noun
1. de eerste afdeling van de maag van herkauwers
våm
/
pɛnʃo'nerɪŋ/
noun
1.
pensionering
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
peppar
verb
1. met peper bestrooien, kruiden
peppra
/
'pepərkɔrəl/
noun
1.
pepparkorn
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Mentha × piperita
pepparmynta
noun
1. vluchtige olie, uit de bladeren en bloesemtoppen van de pepermuntstruik Mentha × piperita bereid
pepparmintolja
/
pɛpˈsinə/
noun
1. een verteringsenzym dat in de maag eiwitten in kleine stukken breekt
pepsin
preposition
- 1. door middel van
efter
- 3. over een periode van, over een afstand van.
per
adverb
1. noodzakelijkerwijs
ovillkorlig
/
pɛrsɛnˈtaʒə/
noun
1. een percentsgewijze berekend bedrag of hoeveelheid
andel
adjective
1. door de huid heen
perkutan
/
perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
päronträd
noun
1. vruchtensap dat uit peren is bereid
päronjuice
noun
1. hervormingen zoals deze door Gorbatsjov werden voorgesteld in de Sovjet-Unie
perestrojka
/
pɛrˈfɛkt/
adjective
1. zonder enig gebrek
perfekt
verb
1. meer perfect of volmaakt maken
fullkomna
/
ˌpɛrfoˈratɔr/
noun
1. een apparaat om gaten te maken in papier, karton, kunststof folie of metaalplaat.
hålslag
hålslagare
adjective
1. aan de buitenzijde
perifer
/
pɪri'jodɘ/
noun
1. tijdperk
period
adjective
1. periodisch, regelmatig terugkerend
periodisk
noun
1. tijdschrift
periodisk
noun
1. een dun schrijfmateriaal, gemaakt van huid van kalveren, koeien, geiten, schapen, konijnen of ezels
pergament
noun
1. populistische en nationalistische politieke stroming in Argentinië
peronism
/
pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
perrong
plattform
noun
- 2. journalistieke media
- 1. instrument waarmee druk uitgeoefend kan worden
press
noun
1. schriftelijke verklaring om iets via de media bekend te maken
pressrelease
noun
1. samengeperste lucht onder een bepaalde druk
tryckluft
noun
- 1. menselijk individu
- 2. grammaticaal begrip
person
adjective
1. betrekking hebbend of uitgevoerd door de persoon zelf
personlig
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
personligt pronomen
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
personlighet
noun
personlighetsstörning
/
peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Peru
noun
1. perversiteit, tegennatuurlijkheid, verdorvenheid
perversion
verb
1. iets bederven, slecht maken
pervertera
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
persika
noun
1. gepureerde vruchten van de perzikenboom
persikopuré
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
persiska
farsi
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen ongunstig gaan uitvallen
pessimism
noun
(medisch) Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis
pest
verb
1. jennen, treiteren
plåga
noun
1. bepaald soort vogel, Bombycilla garrulus
sidensvans
noun
1. tamelijk plat hoofddeksel met een klep
keps
noun
1. laag plat ronde bakje van glas of kunststof met een ruim eroverheen passend deksel
petriskål
adjective
betrekking hebbend op de industrie die aardolie als grondstof verwerkt
petrokemisk
noun
1. een symbool, figuur of andere afbeelding die in de rotsen is gekrast, gekerfd of gehakt
hällristning
noun
1. gesteentekunde
petrologi
pronoun
- 1. discipel van Jezus
Peter
Petter
- 3. Peter
Peter
Petter
Per
noun
- 2. sigaret
cigg
tagg
- 1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
fimp
noun
2. en 3. (peulen van) Pisum sativum var. saccharatum
sockerärt
noun
1. een jong kind in de leeftijd van een tot vier jaar
koltbarn
pronoun
- 1. Griekse god van de paniek
- 2. grotere van de twee manen van Mars
Phobos
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Phoenix
noun
1. musicus die een piano bespeelt
pianist
noun
1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
piano
/
pɪˈkɑrdɪʲə/
pronoun
regio in Noord-Frankrijk
Picardie
noun
1. piccolofluit
piccolaflöjt
noun
1. een maaltijd in de vrije natuur
picknick
noun
1. geslachtsdeel van de man, penis gebruikt voor onvolgroeide jongens
snopp
verb
- 3. stiekem, snel of oppervlakkig naar iets kijken
kika
- 1.1 het geluid van een muisje
- 1.4 het fijn schril geluid van een krakende scharnier
- 1.2 het geluid van de vogeltjes
pipa
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Anthus
piplärka
adjective
1. bijzonder klein
pytteliten
/
piːr/
noun
- 3. overdekte loopbrug op luchthaven
brygga
- 2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
pir
noun
ringetje, staafje enz.
piercing
noun
1. ondiep zwembad geschikt voor heel kleine kinderen die nog niet kunnen zwemmen
plaskdamm
pronoun
1. jongensnaam
Peter
Petter
noun
1. een organische of minerale stof met een vaste kleur
pigment
/
pɛɪ̯n/, /
pɛːn/
noun
1. lichamelijk leed
smärta
noun
1. een houtige zaaddoos van een aantal naaldbomen
kotte
/
ˈpɛɪ̯nɑpəɫˌkliːr/, /
ˈpɛːnɑpəlˌkliːr/
noun
1. klier in de hersenen, die melatonine uitscheidt
tallkottkörtel
/
ˈpɛːinlək/, /
ˈpɛːnlək/
adjective
1. pijn gevend
smärtsam
adjective
1.wat de pijn doet ophouden
smärtstillande
/
'pɛːinstɪlər/
noun
1. middel
smärtlindrare
adjective
1. zeer donker
beckmörk
/
ˈpɪkhʌʊʋɪ:ɫ/
noun
1. hakwerktuig met steel, voorzien van een punt aan de ene zijde en een beitelachtige voorziening aan de andere zijde
hacka
korp
verb
4. (met de snavel) prikken
picka
adjective
1. heel zwart
beckmörk
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
blåmes
/
pɪn.ˈsɛt/
noun
1. een gevorkt werktuig bestaande uit twee armen waarvan de punt bijeengeknepen kan worden
pincett
noun
2. een vrucht van deze plant
jordnöt
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
jordnötssmör
/
ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
pingvin
noun
1. de vijfde, kleinste en buitenste vinger
lillfinger
pronoun
1. Christelijk feest
pingst
/
piˈɔn/
noun
- 1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
bonde
- 2. subatomair deeltje dat bestaat uit twee quarks en dus een boson is
pion
noun
- 1. het beroven of plunderen van een schip op open zee
- 2. opzettelijke schending van het auteursrecht door het ongeoorloofd namaken van goederen of ...
piratkopiering
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
pistol
pronoun
1. groep van vijf eilanden halverwege Paaseiland en Tahiti
Pitcairnöarna
noun
1. een beeldpunt
pixel
/
ˈpidza/, /
ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
pizza
noun
- 1. persoon
- 2. bedrijf of winkel
pizzabagare
noun
1. bodem van een pizza
pizzabotten
noun
1. deeg voor de bodem van een pizza
pizzadeg
noun
1. platte, vierkante, kartonnen doos waarin men een pizza kan stoppen
pizzakartong
noun
1. restaurant
pizzeria
pronoun
1. taal gesproken door 3 106 620 mensen in Italië, Argentinië, Australië en de Verenigde Staten
piedmontesisk
noun
1. vlak, plat en vrij dun stuk materiaal
platta
/
plaːts/
noun
1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
plats
ställe
noun
1. precieze plek waar een misdaad is gebeurd
brottsplats
verb
1. op een bepaalde plaats zetten
placera
noun
1. het aantal argumenten van een relatie of functie
aritet
/
platsˈvɪndə(n)/
verb
1. gebeuren, geschieden, plaatshebben
äga rum
noun
1. geneesmiddel zonder werkzame stof
placebo
/
plɑˈfɔnt/
noun
1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
tak
verb
1. iemand (goedmoedig) pesten
reta
/
ˈplɑg.bɑnt/
noun
1. een lintvormige drager die aan één of beide zijden bedekt is met kleefstoffen
tejp
noun
1. een stift voor het aanelkaar lijmen van bijvoorbeeld papier of (dun) karton
limstift
verb
1. steenachtige, houten of andere ondergronden met plamuur egaliseren of repareren
spackla
noun
1. een voorgenomen handelswijze
plan
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
planet
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
planetarium
noun
1. stelsel van planeten om de zon of een ster
planetsystem
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
asteroid
/
plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
bräda
noun
- 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
- 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
växt
planta
/
plɑntˈaːr.dəx/
adjective
1. tot de planten behorend, uit planten bestaand of daarvan afkomstig
växt-
verb
1. (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
plantera
noun
1. dier dat uitsluitend plantaardig voedsel eet
växtätare
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
botanik
noun
1. een verzameling van vocht
pöl
noun
1. immunoglobulinen producerende cellen
plasmacell
/
plɑs.ˈmi.də/
noun
1. een ringvormig DNA-molecuul dat voornamelijk voorkomt voor bij bacteriën
plasmid
/
'plɑstik/, /
'plɛstɪk/
noun
plastisch vervormbare polymere kunststof
plast
adjective
3. kneedbaar
formbar
noun
1. een chirurgisch specialisme waarin men zich richt op het uit esthetisch en/of functioneel oogpunt aanpassen van het uiterlijk
plastikkirurgi
noun
1. bepaalde omgeving waarin een computer werkt
plattform
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
platina
noun
1. platte of afgezaagde zinsnede
plattityd
noun
1. het landelijke gebied buiten de steden
glesbygd
/
ˈplɑtvɪs/
noun
1. een orde van vissoorten die op hun zijde op de bodem leven, en geheel plat zijn
plattfisk
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Plauen
adjective
met ceremonieel
högtidlig
noun
1. het plaatje waarmee snaren worden aangeslagen
plektrum
/
'pleɣə(n)/
verb
- 1. een gewoonlijk verboden handeling uitvoeren
begå
- 2. gewoon zijn, vaak doen
bruka
/
ˈplɛinˌvreːs/
noun
agorafobi
noun
- 2. zelfklevend verband
plåster
häfta
häftplåster
- 1. (gipshoudend) kalkmengsel
puts
rappning
verb
2. iets met kalkspecie of gips bestrijken
gipsa
noun
1. vergadering waaraan alle leden deelnemen
plenarsammanträde
/
plejoˈnɑsmə/
noun
1.
pleonasm
noun
1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen
plikt
noun
1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
plog
verb
2. land met de ploeg bewerken
plöja
ploga
/
ˈplɔfklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie ergens in het spraakkanaal
klusil
noun
1. geluid van iets dat in een vloeistof valt
plask
verb
1. iets in losse vouwen opstapelen
vika
/
ploˈsif/
noun
1. medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie...
klusil
noun
1. vlok droge, lichte stof met een open structuur
fjun
/
'plʌʏ.zəx/
adjective
1. vol met pluizen
fluffig
/
'plɵkə(n)/
verb
- 1. (bloemen) afbreken of oogsten
- 2. ontdoen van de veren
- 4. (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
plocka
noun
1. Chemisch element
plutonium
noun
1. longontsteking
lunginflammation
/
po/
pronoun
1. stroom in Italië
Po
noun
1. digitale radio-uitzending waarbij een audiobestand op internet wordt gezet...
podcast
poddsändning
noun
1. Frans krulharig hondenras
pudel
noun
1. platte doos voor cosmetisch poeder
puderdosa
/
pudərsnew/
noun
1. fijne sneeuw
pudersnö
noun
1. zeer fijn gemalen suiker
florsocker
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis concolor
puma
noun
1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
skit
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
katt
noun
1. sociaal-economische en politieke praktijk in Rusland in het begin van de 21 eeuw
putinism
verb
1. in eigen vocht gaar laten worden
halstra
noun
- 1. razzia tegen joden
- 2. gewelddadige aanvallen...
pogrom
noun
- 1. staande jachthond
- 2. een variabele waar een geheugenadres in staat
pekare
noun
1. emotieloos gezicht
pokeransikte
noun
2. epidemische huidziekte
smittkoppor
pronoun
1. Polaris
Polstjärnan
/
ˈpɔldəʀ/
noun
1. een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
polder
/
ˈpolə(n)/, /
ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
Polen
/
poˈlɛɪstə(n)/
verb
1. een stenen of glazen oppervlak bijzonder glad slijpen met steeds fijnere slijpmiddelen
polera
/
ˈpo.lɪs/
noun
1. schriftelijke vastlegging van een overeenkomst
polis
noun
1. een discipline
statskunskap
noun
1. iemand die zich beroepsmatig met politiek bezighoudt
politiker
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
polis
noun
1. iemand die in dienst is van de politie
polistjänsteman
/
poliˈtik/
adjective
1. betreffende de politiek
politisk
/
poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
politik
noun
1. iemand wiens taak het is de wet te handhaven en overtreders in de kraag te grijpen
polistjänsteman
noun
2.(België) een diepe, grote lepel met een lange steel gebruikt voor het opdienen van soepen, sauzen e.d.
slev
noun
1. Chemisch element
polonium
noun
anatomie: 1. gewricht
handled
noun
2. thermoplastisch polymeer
polykarbonat
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
polygon
månghörning
pronoun
1. eilanden in de Grote Oceaan of Stille Oceaan die samen Oceanië vormen
Polynesien
noun
thermoplastische kunststof, bereid door polymerisatie van propeen
polypropen
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
polysemi
noun
1. godsdienst met meer dan één god
polyteism
noun
1. vermeerderde urinelozing
polyuri
noun
1. en 2. (vrucht van de) boom Citrus maxima × Citrus ×paradisi
honungspomelo
pomelo
pronoun
1. historische regio in het zuiden van de Oostzee
Pommern
/
ˈpɔmpəlˌmus/, /
ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
2. een vrucht van deze boom
pompelmus
pomelo
verb
1. vloeistof of gas met behulp van een pomp verplaatsen
pumpa
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
pumpa
kurbits
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
pund
noun
kaart die tot de jaren 80 werd gebruikt voor het vastleggen van gegevens d.m.v. erin geponste gaatjes
hålkort
noun
1. een brug die bestaat uit op het water drijvende elementen
pontonbro
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
ponny
/
'poːjər/
noun
1. een man die prostituees tegen betaling beschermt en helpt.
hallick
/
pok/
noun
1. stang om het vuur op te porren
eldgaffel
/
pol/, /
poɫ/, /
po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
polack
noun
A 1. uiteinde van een draaiingsas
pol
noun
1. de begrenzing van het gebied waar 's zomer de middernachtszon gezien kan worden en 's winters de nacht een heel etmaal kan duren
polcirkel
/
poɫs/, /
poːls/, /
po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
polska
polsk
noun
1. bepaald soort zoogdier, Alopex lagopus
fjällräv
noun
1. benaming voor zeevissen uit familie Triglidae
knorrhane
/
poːrt/
noun
1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
grind
port
noun
1. een in het klein uitgevoerde versie
dockskåp
dockhus
noun
1. kunstenaar achter poppenspel
dockspelare
noun
- 1.
- 3. een groep organismen
population
noun
1. politieke stroming die vindt dat een maatschappelijke elite de belangen van het volk verwaarloost...
populism
/
pɔrsəlɛːn/, /
pɔrsəˈlɛɪn/
noun
- 1. fijn, geglazuurd aardewerk
- 2. voorwerpen van fijn, geglazuurd aardewerk
porslin
noun
1. portaalkraan
portalkran
noun
1. geldbuidel
portmonnä
noun
2. zuilengalerij
portik
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
porträtt
avbildning
/
'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
Portugal
/
ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /
ˌpɔr.ty.ˈχes/
adjective
1. verwijzend naar Portugal of naar de Portugese taal
portugisisk
portugisiska
portugisiske
portugisiskt
/
ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /
ˌpɔr.ty.ˈχes/
noun
1. inwoner van Portugal
portugisiska
portugis
/
ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /
ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
portugisiska
/
pɔr.ty.ˈɣe.sə/, /
ˌpɔr.ty.ˈχe.sə/
noun
1. vrouw
portugisiska
noun
1. bepaald soort vis, Gymnocephalus cernuus
gärs
/
po'zisi/
noun
7. de ligging van de hand
position
läge
noun
- 1. de opvatting dat alleen de empirische wetenschappen geldige kennis opleveren
- 2. een levensinstelling waarbij je ervan uitgaat dat alles goed komt
positivism
/
pɔs/, /
pɔst/
noun
1. toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
post
noun
1. postbeambte
brevbärare
noun
1. een afgerichte duif die berichten kan overbrengen
brevduva
noun
1. koerier die de post vervoerde
postförare
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
postkontor
adjective
1. na een letsel
posttraumatisk
/
ˈpɔseɣəl/, /
ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
frimärke
adjective
1. mogelijkheid
potentiell
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
blyertspenna
penna
noun
1. iets wat bestaat uit een samenraapsel van fragmenten uit andere werken
potpurri
noun
1. deel van een gebroken pot van aardewerk
krukskärva
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
kaskelot
pottval
noun
1. in ritme, maat en klank verwoorden
poesi
/
prax/, /
praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Prag
noun
2. een hulpmiddel in de vorm van een stuk hout en een lus die om de bovenlip aangebracht wordt om een paard rustig te houden
brems
noun
1. Cynomys, een eekhoornachtig zoogdier uit Noord-Amerika dat een scherp blaffend geluid maakt
präriehund
/
ˈprɑkə(n)/
verb
1. eten fijndrukken
mosa
/
prɑkˈtɛɪ̯k/, /
prɑkˈtɛːk/
noun
2. hoe dingen werkelijk gaan...
praktik
adjective
1. op een manier die ook echt uitgevoerd kan worden
praktisk
/
ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
praseodym
/
ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
tala
prata
snacka
/
preˈkɑmbrijʏm/
noun
prekambrium
/
presəˈdɛnt/
noun
2. bestaande jurisprudentie die dient ter beslechting van een vergelijkbaar geschil
prejudikat
/
pre'kɵrsɔr/
noun
1. een voorloper
prekursor
noun
3. (grammaticaal) gezegde
predikat
/
ˌpredikaˈtif/
adjective
predikativ
noun
2. bureau van een prefect
prefektur
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
förstavelse
prefix
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
purjolök
noun
1. de eerste vaak feestelijke vertoning van een film, toneelstuk of een andere vorm van entertainment
premiär
noun
1. het staatshoofd van een republiek
president
noun
1. het bestuur van een vereniging (vooral van studentenverenigingen en politieke organisaties)
presidium
noun
1. vaak fraai gevormd, zwaar voorwerp dat men boven op een stapel losse papieren kan leggen zodat de papieren niet kunnen wegwaaien
brevpress
noun
3. iemand die preuts is
pryd person
/
prøts/
adjective
1. zeer ingetogen, overdreven kuis
pryd
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
priapism
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
präst
noun
1. een vrouw die de taak heeft religieuze rituelen te verzorgen
prästinna
noun
- 1. de gevraagde geldsom bij verkoop
- 2. een uitzonderlijke beloning, bijvoorbeeld voor een bepaalde prestatie
pris
noun
1. een bord (vaak van vilt) waar met behulp van punaises foto's en andere papierwerken op kunnen worden opgespeld
anslagstavla
noun
impuls
ansporrande
stimulerande
noun
1. materiaal bestaande uit een dubbele, in elkaar gedraaide metalen draad...
taggtråd
noun
- 1. benaming voor zoogdieren uit de orde Primates
- 2. kerkelijke titel
primat
adjective
- 1. alle kortste translatievectors in de richting van de hoofdassen van de rotatiesymmetrie hebbend.
- 2. de drie kortste niet in hetzelfde vlak liggende translatievectors als ribben van de eenheidscel hebbend.
primitiv
noun
- 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
- 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
prins
furste
adjective
1. als horend of passend bij een prins of prinses, bestaand uit prinsen of prinsessen
furstlig
noun
- 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
- 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
prinsessa
/
ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
skrivare
noun
utskriftsvänlig version
/
pri'vatrɛxt/
noun
1. vakgebied van het recht m.b.t. de onderlinge verhoudingen tussen private personen, maar ook hun privébelangen
privaträtt
verb
1. omvormen van staatsbedrijven, overheidsdiensten tot particuliere, private bedrijven
privatisera
noun
1. de tijd die besteed wordt aan persoonlijke bezigheden
privatliv
/
proˈberə(n)/
verb
försöka
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
knipa
dilemma
svårighet
problem
adjective
1. met problemen behept
problematik
/
prosəˈdyrə/, /proseˈdyrə/
noun
- 1.
- 4.
procedur
/
pro'sɛnt/
noun
1. een honderdste deel
procent
/
proˈsɛs/
noun
2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
process
/
proˈsɛˌsi/
noun
procession
noun
1. het resultaat van een bewerking
produkt
noun
1. voortbrenging
produktion
noun
1. konijn waarop er geëxperimenteerd wordt
försökskanin
noun
praktisk arbetslivsorientering
verb
1. onderzoeken hoe iets smaakt
smaka
noun
1. een persoon die boodschappen van een godheid aan de mensen doorgeeft
profet
/
proˈfɛsɔr/
noun
1. de aanspreektitel voor een hoogleraar
professor
noun
1. een applicatie voor de computer
program
verb
1. het schrijven van computerporgramma
programmera
adjective
- 1. vooruitstrevend
- 2-3
banbrytande
/
proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
projekt
noun
toestel om een afbeelding op een scherm te projecteren
projektor
noun
1. snelle vermenigvuldiging
förökning
noun
- 1. inleidende rede van een tekst
- 3. de inleiding tot een theaterstuk
- 2. een korte tijdrit die als openingsrit wordt verreden
prolog
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
prometium
/
proˈmotsi/
noun
- 1. een verhoging in rang
befordran
- 2. bevordering naar een hogere speelklasse
uppflyttning
noun
1. en 2. (peulvrucht van) Phaseolus coccineus
rosenböna
noun
1. dat wat door een dier wordt buitgemaakt
byte
/
prost/
interjection
1. heildronk
skål
לחיים
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
propaganda
/
propə'dœyzɛ/
noun
2. Voorbereidingsjaar
propedeutik
noun
1. CH₃CH₂COOH
propansyra
noun
1.een klier tussen de blaas en de penis van de man
prostata
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
prostitution
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
protaktinium
noun
1. een uiting van ontevredenheid met het gevolgde beleid
gensaga
noun
1. christen die is aangesloten bij het protestantisme, een van de kerkgenootschappen ontstaan door afsplitsing van de Rooms-Katholieke Kerk in de zestiende eeuw
protestant
verb
1. grote bezwaren uiten
protestera
noun
1. een kunstmatig lichaamsdeel
protes
pronoun
1. hypothetische, gereconstrueerde taal waar vele Europese talen, waaronder het Nederlands en het Frans, van afstammen
indoeuropeiska urspråket
noun
4. geheel van voorschriften en afspraken in de internationale diplomatieke omgang
protokoll
noun
1. oorspronkelijk model, eerste model van een product
prototyp
adjective
1. met betrekking tot de Provence
provensalsk
/
pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
provins
län
adjective
- 1. niet dichterlijk, in gewone taal
- 2. weinig opmerkelijk, saai
prosaisk
noun
1. een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordt
peruk
noun
2. vrucht van de pruimenboom
plommon
noun
1. kerftabak die geschikt is om gepruimd te worden (om op te kauwen)
snus
/
psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
psalm
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
Psaltaren
noun
onechte programmeertaal
pseudokod
/
psœydoˈnim/
noun
1. een aangenomen naam waaronder men iets publiceert
pseudonym
/
ˌpsɪxeˈdelɪs/
adjective
1. de werking van het bewustzijn verruimend
psykedelisk
adjective
1. met betrekking tot de behandeling van geestelijke stoornissen
psykiatrisk
adjective
1. geestelijk
psykisk
noun
1. stroming in de psychologie
psykoanalys
/
psixoloˈɣi/, /
psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
psykologi
adjective
1. met betrekking tot het gevoelsleven.
psykologisk
/
ˌpsi.χo.ˈloχ/, /
ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
psykolog
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
psykopat
/
psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
psykos
adjective
1. met betrekking tot het verband tussen geest en lichaam
psykosomatisk
noun
1. stroming in de psychologie
psykoterapi
noun
1. het proces van seksuele rijping van kind naar volwassene en het gedrag dat daar bij hoort
pubertet
/
pyˈblik/
adjective
2. wat het publiek aangaat
offentlig
/
pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
publik
noun
gangbare benaming voor de status van werken die geheel vrij zijn van auteursrechten en naburige rechten
allmän egendom
noun
1. nagerecht, vaak zoet, koud en op basis van melk
pudding
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Puerto Rico
/
pœʏ̯n/, /
pœːn/
noun
1. een massa vergruizelde steen
bråte
noun
1. een damesschoen zonder sluiting en met hoge hak
högklackade skor
pronoun
1. taal die in de Punjab, zowel in India als in Pakistan gesproken wordt
Punjabi
noun
- 1. een spits toelopend uiteinde
spets
- 1. een positie in de ruimte
punkt
poäng
noun
1. taps toelopende houder met een mesje dat bedoeld is voor het aanslijpen van een verse punt aan een potlood
pennvässare
noun
1. hoofddeksel
toppluva
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
hundvalp
valp
noun
1. chocolade van zuivere cacaopasta plus suiker
mörk choklad
noun
1. streven naar puurheid
rensning
/
pyri'tɛins/
adjective
1. (te) vroom, sober, ingetogen en streng
puritansk
/
pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
brunn
noun
1. een stevig aan dek of boord verankerd oog waaraan het want of een stag want wordt bevestigd
röstjärn
/
pyzəl/, /
pʏzɔl/
noun
1. een raadsel of moeilijke opgave die men als tijdverdrijf probeert op te lossen
pussel
noun
acroniem van polyvinylchloride
polyvinylklorid
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
pyjamas
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Pyrenéerna
noun
2. een vaste stof die het structuurtype heeft waarvan [1] het archetype is
pyrit
noun
1. onweerstaanbare drang om brand te stichten
pyromani
noun
1. een niet-giftige en grote wurgslang
pyton
pytonorm
/
kɑt/
noun
1. blad van een bedektzadige plant Catha edulis
kat
khat
/
ka'tar/, /
ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
Qatar
noun
1. een motorfiets of brommer op vier wielen
fyrhjuling
noun
1. volgeling van een religieuze beweging gekend onder de naam Genootschap der Vrienden
kväkare
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
karantän
pronoun
1. macrotaal die door indianen in Ecuador, Peru en Bolivia wordt gesproken
quechua
noun
1. spel waarbij de deelnemers vragen moeten proberen te beantwoorden
frågesport
noun
1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
kvot
interjection
1. horizontaal draaibare boom aan mast
rå
/
rat/, /
raːd/
noun
2. een orgaan dat bestaat uit leden die raadgevende of beslissende bevoegdheden bezitten
råd
pronoun
Europeiska unionens råd
verb
1. een bron van informatie of ervaring aanspeken
konsultera
rådfråga
noun
1. iets waarnaar men moet raden
gåta
/
raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
korp
noun
1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
fönster
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
rabarber
adjective
1. voortkomend uit de opvatting dat mensen door afstamming kunnen worden ingedeeld in grote groepen...
rasistisk
verb
1. een gissing maken naar iets
gissa
noun
- 1. een serie van in elkaar grijpende raderen
- 2.
ingripande i varandra
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
radian
noun
1. een toestel dat door straling warmte afgeeft, ofwel ter verwarming van een ruimte, ofwel ter koeling van bijvoorbeeld een motor
element
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
rädisa
/
ˈradijo/
noun
- 1. toestel
- 2. medium
radio
noun
1. het medisch specialisme...
radiologi
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
radium
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
radon
noun
- 1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
- 2. een baan waar een railvoertuig over rijdt
räls
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
raket
robot
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
Väduren
noun
1. mannelijk schaap
bagge
gumse
noun
1. een harige vrucht uit de zeepboomfamilie
rambutan
noun
1. gammel voertuig op wielen
bilskrälle
rishög
noun
1. een gammel voertuig
bilskrälle
rishög
noun
1. een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
katastrof
/
rɑnt/
noun
- 1. de bovenkant van een bak of vat
- 3. de buitenkant van een gebied of een ding
kant
noun
1. een telwoord dat een rangorde of volgorde aanduidt
ordningstal
noun
1. bepaald soort vogel, Asio otus
hornuggla
noun
1. iemand die ritmisch teksten voordraagt op muziek, meestal hiphop
rappare
verb
1. het uitbrengen van een verslag of rapport
rapportera
noun
1. een muziek of dichtwerk dat contrasterende delen bevat en toch een eenheid vormt
rapsodi
noun
1. een grofgetande vijl die wordt gebruikt om rondingen aan hout te maken
rivjärn
/
rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
råtta
noun
- 2. een mechaniek met kamrad en pal, dat een asdraaiing slechts in één richting toelaat
- 1. een eenvoudige muziek- en signaalinstrument dat geluid geeft doordat bij het rondslingeren een tandrad een latje repeterend weggedrukt en laat terugvallen
harskramla
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
asp
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
skallerorm
verb
1. bekrachtigen van een internationaal verdrag door het nationale parlement of regering
ratificera
adverb
1. ongekookt en vers
rå
noun
1. vierhoekig zeil dat met de bovenkant aan een ronde houten balk is vastgemaakt
råsegel
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
reaktion
/
'reʲaɣɛns/
noun
1. een chemische stof die deelneemt aan een reactie
reagens
verb
1. op een nieuwe situatie actie ondernemen
reagera
adjective
1. van iets dat het werkelijkheid kan worden
realiserbar
noun
het reanimeren
återupplivning
noun
1. soort raadsel
rebus
adjective
1. onwillig, tegendraads
ostyrig
verb
1. een beoordelend verslag schrijven, meestal van een culturele gebeurtenis
recensera
adjective
1. een korte tijd geleden gebeurd of begonnen
ny
adverb
1. nog niet lang geleden
härförleden
noun
- 1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
- 2. doktersvoorschrift voor (de bereiding van) een geneesmiddel
recept
noun
1. het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
rätt
noun
1. hoek van 90 graden
rät vinkel
/
ˈrɛxtə ˈklɪɯɪŋ/
noun
1. lengtegraad op de hemelbol
rektascension
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
mänskliga rättigheter
/
ˈrɛxtər/
adjective
1. aan de tegenovergestelde zijde van het lichaam waar gewoonlijk het hart zit
höger
/
ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
domare
/
'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
rektangel
adjective
1. tegenovergestelde van links
höger
noun
1. het voeren van een gerechtszaak
rättegång
noun
1. kennis of studie van recht
rättsvetenskap
noun
1. doelgerichte wilsuiting die rechtsgevolgen heeft
rättshandling
verb
1. rechterknop van een computermuis gebruiken
högerklicka
/
ɾɛχts.pɛɾ.soːn/
noun
1. groepering van goederen of natuurlijke personen die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
juridisk person
/
ˈrɛɣtspoːˌsitsi/
noun
1. het geheel van iemands rechten en plichten
rättsstatus
noun
1. het proces waarin door een rechter een oordeel wordt gevormd over een rechtszaak
jurisdiktion
noun
1. staat waarvan de macht gereguleerd en beperkt wordt door het geldende recht
rätsstat
/
rɛx(t)sak/
noun
1. het voeren van een rechtsgeding
rättegång
noun
1. de ruimte waar een rechtszitting gehouden wordt
rättssal
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
rättvis
verb
1. onderbouwen volgens bepaalde ethische beginselen
rättfärdiga
noun
- 1. (juridisch) herhaling van een misdrijf, het opnieuw vervallen in dezelfde zonde
- 2. (medisch) het zich opnieuw vertonen van een reeds doorstane en schijnbaar genezen ziekte
återfall
adjective
1. een dimensie bezittend die de omgekeerde is van een andere dimensie
reciprok
noun
1,2 informatie over, en aanprijzing van diensten, producten en ideeën
reklam
/
rəˈkɔrt/
noun
- 1. beste prestatie
- 3. bij elkaar behorende gegevens
rekord
adjective
1. met betrekking tot de endeldarm
rektal
noun
- 1. iemand die berichten verzamelt en bewerkt voor publicatie
redaktris
- 2. iemand die teksten corrigeert en klaarmaakt voor publicatie
redaktör
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
rädda
noun
1. een speciaal gebouwde en uitgeruste boot om het schip in geval van nood veilig te kunnen verlaten.
livbåt
noun
3. een ankerplaats buitengaats
redd
/
ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
grund
skäl
/
ˌredəˈnɪːrɪŋ/
noun
1. het proces waarmee men van een aantal argumenten, premissen of axioma's tot een standpunt of conclusie komt
tankegång
noun
1. eigenaar van een schip
redare
/
redypliˈkatsi/
noun
1. vorming van een nieuw woorden of zinsneden door geheel of gedeeltelijke herhalen van een deel daarvan
fördubbling
duplifix
noun
1. sierlijk slank hert, komt bijna in heel Europa voor
rådjur
adverb
1. al
redan
allaredan
noun
1. een opeenvolgende rij van gebeurtenissen
serie
noun
1. een glycoproteïne dat vooral een belangrijke rol speelt bij het sturen van de neuronale migratie...
reelin
noun
1. een stemming over een wetsvoorstel, waarbij gestemd wordt door het volk zelf...
folkomröstning
noun
1. verwijzing
referens
noun
1. een onwillekeurige reactie op bepaalde prikkels
reflex
/
ˈreɣəɫ/
noun
3. een voorschrift, richtlijn, norm
regel
verb
1. zorgen dat het gebeurt
reglera
adjective
1. aan een bepaalde regel gehoorzamend
regelbunden
/
reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
regn
regnväder
adjective
1. regelmatig regenend of neigend naar regen
regnig
/
ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
regnbåge
noun
1. het gekleurde vlies in het oog waarin de pupil zich bevindt
iris
noun
1. een tijdelijke periode van regen tengevolge van het overtrekken van een wolkenveld
regnskur
regnby
/
ˈreɣə(n)ˌdrʏpəɫ/
noun
1. een druppel die als regen uit de lucht naar beneden valt
regndroppe
/
ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
regna
noun
2. herstelgroei
regeneration
noun
1. een waterdichte overjas die geschikt is voor regenachtig weer
regnkappa
noun
1. toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag in een bepaalde periode op een bepaalde plaats meet
nederbördsmätare
noun
1. een verticale buis die aan een dakgoot is bevestigd en dient om het hemelwater dat op het dak valt, af te voeren
stuprör
noun
1. een paraplu
paraply
/
'reɣəʋɔrm/
noun
1. benaming voor dieren uit de familie Lumbricidae
daggmask
noun
1. een bos in een klimaat met het hele jaar door neerslag
regnskog
verb
1. het uitoefenen van de politieke macht...
regera
/
re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /
rə.'ɣeː.rɪŋ/, /
rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
regering
/
rəˈxerɪŋs.krisɪs/
noun
1. een politieke situatie met grotere problemen van de regering uit verschillende redenen
regeringskris
/
ˌreɣiˈsidə/
noun
1. een bewuste moord op een koning.
kungamord
noun
1. bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
regim
noun
1. geografisch gebied
region
verb
1. vastleggen in een register
registrera
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
häger
adjective
1. zonder vuil
ren
klar
/
rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
resa
/
ˈrɛɪzəɣər/
noun
- 1. persoon op reis
- 2. persoon die vaak reist
resande
noun
2. raamwerk
klädhängare
/
ˈre.kə.nə(n)/
verb
- 1. getallen manipuleren
räkna
- 2. in rekening brengen
ta betalt för
noun
1. de optelsom van te betalen bedragen
räkning
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
aritmetik
noun
1. apparaat dat rekenkundige berekeningen kan uitvoeren
räknare
noun
1. een verstoring van de openbare orde door een menigte, meestal gepaard gaand met geweld en politieoptreden
uppror
noun
1. een min of meer vast verband
relation
noun
1. een natuurkundige theorie die ervan uitgaat dat de tijd een relatief begrip is
relativitetsteori
/
rəlɛksə(n)/
verb
1. de tijd nemen zich te ontspannen
relaxa
adjective
1. van toepassing
relevant
/
rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
religion
/
relɪˈɣɪøs/, /
relɪˈʝɪøs/
adjective
1. te maken hebbend met godsdienst of geloof
religiös
noun
1. alles wat te maken heeft met godsdienst en geloof in een opperwezen
religiositet
/
relɪŋ/
noun
1. een leuning boven de verschansing die een scheepsdek omgeeft
räcke
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
broms
/
rəˈmedi/, /reˈmedi/
noun
- 2. iets dat iets anders corrigeert of iets schadelijks wegwerkt
botemedel
- 1. een medicijn of een op genezing gerichte behandeling
läkemedel
verb
1. snelheid doen verminderen
bromsa
noun
1. deel van een rem waar een bewegend en een stilstaand deel tegen elkaar drukken
bromssko
/
ˈrɛm.spor/
noun
- 1. spoor van een rubberband
- 2.
bromsspår
fartrand
adjective
1. met betrekking tot de nier
njure
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
ren
rendjur
noun
1. Chemisch element
rhenium
/
ˈrɛn.ku.kuk/
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Geococcyx
tuppgökar
noun
[A] 1. zeer snel lopen
springa
/
rənoˈverə(n)/
verb
1. opknappen, repareren, vernieuwen
renovera
noun
1. paard dat gefokt is met het doel om aan paardenrennen deel te nemen
tävlingshäst
noun
1. het reorganiseren
omorganisation
/
rɛp'til/
noun
1.
reptil
kräldjur
/
repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
republik
pronoun
Republiken Förenade Nederländerna
noun
1. de manier waarop iemand bekend is
rykte
noun
1. iemand die oproepbaar is voor militaire dienst in tijden van oorlog, oorlogsdreiging of andere situaties waarin inzet van het leger nodig is
reservare
/
resər'vʷar/
noun
1. plaats waar water of een andere vloeistof bewaard kan worden
reservoar
noun
2. pixeldichtheid
upplösning
/
rɛsˈpɛkt/
noun
eerbied uit hoogachting of angst
respekt
verb
- 1. iemand in aanzien houden
- 2. iets naleven
ha respekt för
/
rɛst/
noun
1. wat er overblijft
rest
noun
2. het minitieus herstellen van een voorwerp van kunstzinnig of historisch belang
restauration
noun
1. een opgelegde beperking
restriktion
/
rezɵl'tat/
noun
1. een uitkomst
resultat
noun
1. apensoort waarbij de resusfactor het eerst ontdekt werd
rhesusapan
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door 40.000 mensen in Zwitserland
rätoromanska
noun
1. een verouderd toestel voor het destilleren bestaande uit een vat met een neergebogen tuit
retort
/
rətu'ʃeːrə(n)/, /
rətu'ʃɪːrə(n)/
verb
retuschera
/
rəturˈnerən/
verb
1. iets of iemand naar het punt van vertrek terugbrengen of terugzenden
returnera
noun
3. vergoeding aan de grondeigenaar voor opstalrecht
tomträttsavgäld
noun
1. jachthond die het geschoten wild apporteert (naar de jager brengt)
retriever
/
ˈre.tro.ˌflɛks/
noun
1. een medeklinkerklank die gevormd wordt door de tong om te buigen zodat het met de onderkant naar het verhemelte staat
retroflex
noun
1. een mannelijke hond
hanhund
noun
1. een buitengewoon grote man
jätte
noun
1. verkregen door uitsmelting van varkensvet
ister
noun
1. Heracleum mantegazzianum, een meerjarige plant uit de schermbloemenfamilie
jätteloka
noun
1. bepaald soort zoogdier, Pteronura brasiliensis
jätteutter
noun
1. een beer die leeft in de hooggelegen hellingen van berggebieden in centraal China
jättepanda
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita maxima
jättepumpa
noun
1. kermisattractie
pariserhjul
noun
1. geheel van medische en sociale maatregelen, die ten doel hebben de validiteit van patiënten zover mogelijk te herstellen
rehabilitering
noun
1-3. streven naar herziening (van het marxisme, de geschiedenis)
revisionism
noun
1. een handvuurwapen met een roterende trommel met kogels
revolver
noun
- 1. theatershow
- 2. tijdschrift
revy
noun
- 1. (verouderd) hereniging
- 3. het weerzien van voormalige studenten, collega's, enz.
återförening
pronoun
1. een rivier van 812 km lengte die ontspringt in Zwitserland, door Frankrijk naar het zuiden stroomt en uitmondt in de Middellandse Zee
Rhône
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
revben
noun
1. een van de platte, dunne, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
revben
noun
1. het geraamte van de borst
bröstkorg
verb
- 1. op een bepaald doel afstemmen
- 2. zich ~ op: een bepaald doel nastreven
vända
/
ˈrɪxtɪŋ/, /
ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
riktning
håll
noun
1. een systeem om richting aan te geven in een voertuig
indikator
noun
1. aanwijzing voor een te volgen gedrag
riktlinje
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
riddare
knekt
adjective
1.zoals past bij een ridder
chevaleresk
/
rim/
noun
- 1. een band van leer of een ander materiaal
bälte
- 3. hoeveelheid papier voor het drukken van 20 boeken, eerst 480 later 500 vellen
ris
- 2. steel met een bladvormig uiteinde, bedoeld om een vaartuig voort te bewegen
åra
/
rit/
noun
1. plantensoort
vass
noun
suiker, verkregen uit het sap van suikerriet
rörsocker
noun
1. karperachtige zoetwatervis
sarv
noun
1. een ondiepte in water, koraalbank, klip
rev
/
rɛɪ̯/, /
rɛː/
noun
- 2. een opeenvolging van elementen
följd
- 1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
rad
noun
1. weggedeelte bestemd voor voertuigen
körbana
/
ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /
ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /
ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
körkort
/
ˈrɛɪ̯də(n)/, /
ˈrɛːdə(n)/
verb
1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
köra
åka
/
ˈrɛɪɣə(n)/
verb
1. met een naald een draad ergens doorvoeren
träda
/
rɛɪ̯k/, /
rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
rik
/
rɛɪ̯k/, /
rɛːk/
noun
1. een staat of natie onder een vorst of heerser
rike
/
ˈrɛik.dɔm/
noun
1. het bezitten van veel geld en goud
rikedom
noun
1. fraai uitgevoerde bol met bovenop een kruis die symbolisch de wereld voorstelt
riksäpple
noun
1. (verkeer) (onderwijs) een onderdeel van een rijopleiding voor het behalen van een rijbewijs
körlektion
noun
- 1. bevroren dauw
rimfrost
- 1. gelijkheid van klank in een vers
rim
/
rɛɪ̯n/, /
rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
Rhen
adjective
1. geschikt voor de oogst
mogen
noun
1. bevroren dauw
rimfrost
noun
1. voor rijden geschikt paard
ridhäst
pronoun
1. stad in Noord-Frankrijk nabij de Belgische grens
Lille
/
rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
ris
risgryn
noun
1. een alcoholische drank met als basis rijst
risvin
noun
1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
riskli
noun
1.Aziatisch twee- of driewielig karretje voor personen vervoer
rickshaw
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
rynka
noun
- 1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
- 2. cirkelvormig voorwerp
- 3. plaats waar gestreden wordt
- 5. ringweg
ring
noun
1. een zangvogel uit de familie van mussen en sneeuwvinken
pilfink
noun
1. Natrix natrix
snok
vattensnok
vanlig snok
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
ringfinger
/
'rɪŋwɛx/
noun
1. een weg die als een ring rond een bepaald gebied ligt
ringled
noun
2. huidziekte door een schimmel veroorzaakt
revorm
ringorm
noun
1. een vaak ondergronds kanaal voor de afvoer van drek
kloak
noun
1. bruine rat, rioolrat,
kloakråtta
noun
1. apparatuur die het mogelijk maakt water uit de riolen weer voor gebruik gereed te maken
reningsverk
noun
1. een mogelijk gevaar voor schade
risk
/
rɪt/
noun
1. een reis in een voertuig
ridtur
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
rytm
noun
2. ritssluiting
blixtlås
/
riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
flod
älv
å
noun
1. bepaald soort slanke eetbare Euraziatisch zoetwatervis, Gobio gobio
sandkrypare
noun
1. een soort kreeft die in riviertjes leeft
kräfta
/
ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
robot
noun
1. kwaadsprekerij, achterklap
skvaller
verb
1. op een vervelende manier over anderen praten
skvallra
noun
1. Trifolium pratense, een overblijvend kruid uit de vlinderbloemenfamilie
rödklöver
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx rufus
rödlo
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
rödvin
rött vin
noun
1. Canis rufus, een lid van de Canivora, leefde in het gehele oostelijk deel van de Verenigde Staten...
rödvarg
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
Röda havet
/
ˌro.də.ˈhɔnt/
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
röda hund
noun
1. en 2. donkerrood sluitkoolgewas
rödkål
noun
1. chemisch element met symbool Rh
rodium
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
ro
noun
1. iemand die roeit
roddare
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
råka
adjective
1. zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
obetänksam
/
ruˈmens/, /
ruˈmeːns/
adjective
1. betreffende Roemenië of het Roemeens
rumänsk
rumänska
/
ruˈmens/, /
ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
rumänska
rumänsk
/
ruˈmeni.jə/, /
ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
Rumänien
/
rup/
noun
1. een vrij harde klank geproduceerd met stemgeluid
rop
/
'ru.pə(n)/
verb
1. met verheffing van stem de aandacht van iemand trachten te verkrijgen
skrika
kalla
/
'rupɪŋ/
noun
1. een taak waarvoor een persoon zich verplicht voelt, vaak met religieuze invloed
kall
noun
1. vlak waarmee gestuurd wordt
roder
/
ˈrur.bɑ.kə(n)/
verb
1. een kooktechniek voor het bereiden van voedsel in een wok
sautera
/
rurɛi/
noun
1. een gerecht van gebakken eieren en losgeklopte melk
äggröra
verb
- 1. een vloeistof met een spaan in ronde beweging brengen
- 4. in opstand komen
röra
noun
1. geoxideerd ijzer
rost
verb
- 1. het langzaam oxideren van ijzerhoudende materialen
- 2. door roest vast gaan zitten
rosta
adjective
1. roestbestendig
rostskyddat
/
rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
sot
/
/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt door Roethenen
Rusinska
/
/
noun
1. een inwoner van Oekraïne
Rusiner
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
rocka
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
råg
/
ˈrɔɣəbrod/
noun
1. een van rogge gebakken brood
rågbröd
noun
1. gekiemde en gedroogde granen van rogge
rågmalt
noun
1. plat gewalste granen van rogge
rågflingor
noun
1. met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van roggekorrels
rågkli
noun
- 2. rokkostuum
frack
- 1. buis- of kegelvormig kledingstuk
kjol
noun
1. zet in een schaakspel
rockad
/
ˈroːkə(n)/
verb
- 3. conserveren door langdurige blootstelling aan rook
röka
- 1. rook afgeven
- 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
röka
ryka
verb
1.1. het doen van een zet waarbij de koning en een toren elkaar passeren
rockera
noun
1. een gordijn dat bij het sluiten van een ronde stok wordt afgerold
rullgardin
noun
1. looprek op wieltjes
rollator
verb
1. zich wentelend over een oppervlak bewegen
rulla
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
rullstol
noun
1. trap met bewegende treden
rulltrappa
noun
B 1. volk in Europa en Azië dat traditioneel een zwervend bestaan leidt
rom
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
roman
/
romaˈnɛs/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
romani
/
roˈmɑns(x)rɛɪvər/
noun
1. een mannelijke persoon die romans schrijft
romanförfattare
verb
1. iets mooier en rooskleuriger voorstellen dan het in werkelijkheid is
romantisera
/
ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Rom
adjective
1. met betrekking tot Rome
romersk
/
roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
Romerska riket
/
ˈrɔməlpɔt/
noun
friktionstrumma
noun
1. het lichaam van een mens of dier zonder ledematen, kop of staart
torso
adjective
1. cirkelvormig
rund
noun
2. een wedstrijd in de vorm van een rondrit
omgång
verb
1. op een plaats langdurig verblijven zonder iets te doen te hebben
driva omkring
/
rod/, /
rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
röd
rött
/
rod/, /
rot/
noun
1. een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm.
röd
rött
noun
1. bepaald soort struik, Daphne mezereum
tibast
noun
1. bepaald soort vis, Sebastes marinus
större kungsfisk
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
rödhake
noun
1. Turdus migratorius, een in Noord-Amerika veel voorkomende lijstersoort
vandringstrast
adjective
1. met rood gekleurde haren
rödhårig
pronoun
1. sprookjesfiguur
Rödluvan
noun
1. en 2. (bladeren van) Cichorium intybus var. foliosum
radicchiosallad
rosensallat
rosésallat
noun
1. Falco vespertinus
aftonfalk
noun
1. het openlijk en gewelddadig wegnemen van hetgeen een ander toebehoort
rån
noun
1. exotische roof- en zoetwatervis die voorkomt in de wateren van de Benelux, Leuciscus aspius
asp
/
ˈrovdir/
noun
1. dier dat zijn prooi bejaagt en doodt
rovdjur
noun
1. benaming voor gewervelde waterdieren met kieuwen die hun prooi bejagen en doden
rovfisk
/
ˈroˌfoχɔɫ/, /
ˈroːˌfoːɣəl/, /
ˈroːˌvoːɣəl/
noun
1. eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
rovfågel
/
roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
rök
noun
1. apparaat dat een zeer luid signaal afgeeft als er rook aanwezig is
brandvarnare
noun
1. een verbod om te roken
rökförbud
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
grädde
noun
1. (voeding) consumptie-ijs dat voor minimaal 5% bestaat uit melkvet
mjölkglass
/
roːs/
noun
- 3. aandoening
mjäll
- 1. bloem
ros
/
'rɔskɑm/
noun
1. een grof soort kam die voor het verzorgen van paarden of het schoonmaken van andere borstels gebruikt wordt
ryktskrapa
verb
1. een paard met borstel en kam reinigen
rykta
verb
1. vlas blootstellen aan fermentatie om het pectine te verwijderen dat de stengel samenhoudt
röta
noun
1. kleine wit-zwarte gans met een ver klinkende rott-rott roep, Branta bernicla
prutgås
noun
2. bepaald soort vuurwerk dat na het aansteken van de lont wordt weggegooid en dan een harde knal geeft
smällare
noun
- 2. een rond, pleinvormig kruispunt van wegen
- 1. een rond gebouw
rondell
noun
1. een grote ruwe steen
klippa
/
ˈrɔtstœʏn/, /
ˈrɔtstœːn/
noun
1. een tuin met rotspartijen en rotsplanten
stenparti
noun
1. Duits hondenras, stevig gebouwd, kortharig met brede kop, korte snuit en hangoren
rottweiler
/
rʌʊβ̞ə(n)/, /
rʌːβ̞ə(n)/
verb
1. de emotionele nasleep van het overlijden van een geliefd persoon
sörja
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
rövare
rånare
/
roːzə/, /
rɔːs/, /
rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
rosa
skär
noun
2. keukenkruid
rosmarin
noun
1. schijnvrucht van wilde rozen
nypon
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
radband
rosenkrans
noun
1. kleine gedroogde vruchtjes van Vitis vinifera
russin
noun
1. Chemisch element
rubidium
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
ruccolasallad
rukola
/
rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
rygg
noun
1. pijn in de rug
ryggont
noun
1. traliewerk waarachter hooi ligt
höhäck
/
rœʏkə(n)/, /
rœːkə(n)/
verb
- 1. een geur waarnemen
- 2. een geur verspreiden
lukta
noun
stuk gereedschap waarmee men een boorgat iets ruimer kan maken
brotsch
noun
- 1. beschikbare uitgestrektheid
rymd
- 3. heelal
rymd
rum
noun
1. vaartuig geschikt om zich buiten de aardse atmosfeer te begeven
rymdskepp
rymdfarkost
noun
1. het zich in de ruimte buiten de dampkring van de aarde begeven
rymdfärd
/
ˈrœʏ̯m.tə.ˌʋɑn.də.lɪŋ/, /
ˈrœːm.tə.ˌβ̞ɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het uitvoeren van een activiteit buiten een ruimteschip
rymdpromenad
/
rœʏn/
noun
1. gecastreerde hengst
valack
noun
1. structuurloos en voortdurend geluid dat een continuüm van toonhoogten bevat
brus
noun
1. bepaald soort zoetwatervis die zich graag tussen het riet ophoudt, Scardinius erythrophtalmus
sarv
noun
2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
romb
ruta
noun
1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
vindrutetorkare
noun
- 2. uitstekend stukje
ryttare
- 1. berijder van een rijdier
ryttare
ryttarinna
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
rom
/
rʏnd/, /
rʏnt/
noun
- 1. holhoornig herkauwend zoogdier
- 2. een dom en onhandig iemand
ko
/
ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
nötkött
/
ˈrynə/
noun
1. een schriftteken van het Oud-Germaanse alfabet
runa
noun
1. vlinderlarve
fjärilslarv
mallarv
noun
1. een inwoner van Rusland
ryss
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
Ryssland
/
ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
rysk
ryska
/
ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
ryska
rysk
/
rɵst/
noun
- 1. voortdurende toestand van kalmte
stillhet
- 2. tijdelijke toestand van ontspanning na arbeid, moeite of inspanning
vila
verb
1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
vila
adjective
1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
lugn
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
rutenium
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
rutherfordnium
rutherfordium
adjective
- 2. grof, onbesuisd
obearbetad
- 1. oneffen, niet glad
skrovlig
noun
1. toestand waarin men in ernstig conflict is met anderen
gräl
/
ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
ruin
/
ˌryiˈnerə(n)/
verb
1. helemaal kapotmaken
förstöra
förinta
/
ru.ˈwɑn.da/, /
ru.ˈʋɑn.da/, /
ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
Rwanda
noun
1. scheikundig element met symbool Rg en atoomnummer 111
röntgenium
/
saɪ̯/, /
saːɪ̯/
adjective
långtråkig
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
sabotage
noun
1. caloriearme kunstmatige zoetstof die geen directe invloed heeft het bloedsuikergehalte
sackarin
noun
1. een disacharide, bestaande uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid
sackaros
noun
1. plechtige gebeurtenis in de katholieke kerk
sakrament
noun
1. een ruimte in een rooms-katholieke kerk, waarin men alles bewaart dat nodig kan zijn om een kerkdienst te houden.
sakristia
noun
1. iemand die bevrediging zoekt in het pijnigen van een ander
sadist
/
sɑˈfarɪ/
noun
1. expeditie in de wildgebieden in Afrika
safari
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
safir
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
saffran
pronoun
1. zandwoestijn in Noord-Afrika
Sahara
pronoun
1. meer in Finland
Saimen
/
sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
Saint Vincent och Grenadinerna
pronoun
Saint Pierre och Miquelon
noun
1. Falco cherrug
tatarfalk
pronoun
1. Duitse deelstaat
Sachsen
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
salamander
/
ˈsalami/
noun
1. Italiaanse worst
salami
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
salvia
pronoun
1. koning van Israël
Salomo
/
ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /
ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
Salomonöarna
/
salɔn'fejɪχ/, /
salɔn'fɛ:ɦɪx/
adjective
1. van iets dat eerst omstreden was dat het nu algemeen geaccepteerd is in officiële kringen
salongsfähig
noun
1. een lage tafel die in een woonkamer staat
soffbord
/
sɑlpetər/
noun
1. een mineraal bestaande uit kaliumnitraat
salpeter
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
salpetersyra
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
samarium
noun
1. gezin met kinderen van één of beide partners uit een eerdere relatie met een ander
styvfamilj
verb
1. meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
kompilera
noun
2. verbinding van twee of meer zelfstandige woorden
sammansättning
/
ˈsaːməvɑtɪŋ/
noun
1. een beknopte beschrijving van een inhoud
sammanfattning
verb
1. met een of meer aan hetzelfde werken
samarbeta
noun
1. het samenwerken van meerdere personen
samarbete
/
ˈsamə(n)ˌzʋɪːrə(n)/
verb
1. geheimelijk met anderen samenwerken ten nadele van een derde partij
sammansvärja sig
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
samiska
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
samiska
/
sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Samoa
pronoun
1. een taal die gesproken wordt door 370.337 mensen in Samoa, Amerikaans-Samoa, Fiji, Nieuw-Zeeland, Tonga en de Verenigde Staten
samoansk
/
ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
samuraj
pronoun
1. Baltische taal gesproken door 500 duizend mensen in Litouwen
samogitiska
/
ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
San Marino
/
'sɑŋksi/
noun
1. strafmaatregel
sanktion
/
sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
sandal
noun
1. een bepaald houtsoort (Santalum album of verwante soorten)
sandelträ
/
ˈsɑntwɪtʃ/
noun
dubbelmacka
noun
1. een Spaanse licht-alcoholische drank
sangria
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
sanskrit
/
saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /
ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /
ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
São Tomé och Príncipe
/
sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /
zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Saudiarabien
noun
1. plantenvocht
saft
juice
noun
1. soldaat die loopgraven maakt
sappör
adjective
1. vol met sap
saftig
noun
1. plant die van organisch afval leeft
saprofyt
noun
1. een stenen doodskist
sarkofag
noun
1. klein zilverkleurig haringachtig visje, Sardina pilchardus
sardin
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
sardin
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Sardinien
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 1,3 miljoen mensen op Sardinië
sardiska
/
sɑr'donis/
adjective
1. op een bittere manier grijnzen of lachen
sardonisk
noun
1. aanbidding van Satan
satanism
noun
1. een weefsel vervaardigd met een weeftechniek, waarbij de kruispunten van de ketting-...
atlas
/
saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Saudiarabien
/
saˈul/
pronoun
2. jongensnaam
Saul
/
'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
bastu
verb
1. in een sauna gaan
bada bastu
/
sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
sås
/
ˈsa.va/
pronoun
1. een rivier in Zuidoost-Europa met een lengte van 940 km.
Sava
noun
1. een grasland met verspreid voorkomende bomengroei
savann
noun
1. en 2. (bladeren van) Brassica oleracea convar. capitata var. sabauda)
savoykål
noun
1. iemand die (beroepshalve) saxofoon speelt
saxofonist
/
sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
saxofon
/
skɑn.ˈdeː.rə(n)/, /
skɑn.ˈdɪː.rə(n)/
verb
2. ritmisch declameren met één sterke nadruk per versvoet.
skandera
pronoun
1. Denemarken, Noorwegen en Zweden.
Skandinavien
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
skandium
/
sə.ˈna.ri.jo/
noun
1. een kort uitgewerkt schema voor de handeling van een dramatisch werk
scenario
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
spira
/
ˈskɛptɪs/
adjective
1. geneigd tot twijfel
skeptisk
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
hyvel
noun
3. machine voor het bewerken van metaal
bordsfräs
noun
2. het schaakspel als zodanig
schack
/
ˈsxagbɔrt/, /
ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
schackbräde
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
schack
/
ˈsxakstʌk/
noun
1. een onderdeel van het schaken dat over het schaakbord bewogen wordt.
schackpjäs
noun
- 3. verhouding van de grootte tussen een model en een echt voorwerp
- 4. bepaalde ijking op een grafiek, as of eenheid
måttstock
/
sxaːldir/
noun
1. een dier met een schaal als uitwendig skelet
kräftdjur
noun
1. huidplooi bij de opening van de vulva, aan beide zijden van de vagina
blygdläpp
noun
1. kleine parasieten die voorkomen in het schaamhaar, maar ook op wimpers...
flatlus
/
'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
skamkänsla
skam
adjective
1. zonder schaamte
skamlös
noun
1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
får
noun
1. werktuig om te knippen
sax
adjective
1. weinig in aantal of hoeveelheid
knapp
noun
1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
skridsko
verb
1. zich voortbewegen op schaatsen
åka skridsko
åka skridskor
noun
2. bepaald soort insect, Gerris lacustris
skräddare
/
ˈsxɑxt/
noun
1. (holle) buis
hisschakt
noun
1. geheel van beschadigingen
skada
/
ˈsxadələk/
adjective
1. schade toebrengend
skadlig
/
ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
skugga
verb
1. iemand ongemerkt volgen
skugga
verb
1. een verbinding tot stand brengen
växla
noun
1. een sedimentair gesteente
lerskiffer
verb
1. blaasinstrument met een rechte conische boring en een los dubbel riet dat de toon vormt
skalmeja
/
ˈsxaː.mə(n)/, /
ˈsχa.mə(n)/
verb
1. schaamte voelen
skämmas
noun
1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
skandal
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
skam
noun
1. een paal op een plein, waaraan mensen bij wijze van straf werden vastgemaakt om vernederd...
skampåle
noun
- 1. (militair) in het veld opgeworpen versterkingswerk
- 4. (sport) springschans
skans
noun
1. een wintersport waarbij op skis van een helling (de schans) gesprongen wordt. Het doel daarbij is om zowel zo ver als zo mooi mogelijk te springen
backhoppning
noun
1. een plank om iets op te zetten
hylla
noun
1. bepaald soort platvis Limanda limanda
sandskädda
/
sxɑr'mɪŋkɛl/
noun
1. te mager iemand
benrangel
/
sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
gångjärn
noun
3. vogel uit de familie van de scharrelaars
blåkråka
noun
1. verzamelde rijkdom
skatt
/
'sxɑtə(n)/, /
'sχɑtə(n)/
verb
2. benaderen van een waarde door berekening
uppskatta
adjective
1. leuk, aardig, enig
söt
verb
- 1. gladmaken door middel van een schaaf.
- 3. door middel van een schaaf in plakjes snijden.
hyvla
noun
1. een stellage voorzien van een galg of een valbijl waar veroordeelden terechtgesteld worden
schavott
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
skida
slida
/
'sχedəl/
noun
skalle
kranium
/
sxeːf/
adjective
1. niet recht, schuin
skev
/
sxeːf/
noun
1. afvaldeeltje van de houtpijp
skävor
/
sxeːl/
adjective
1. het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
skelögd
vindögd
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
skenben
smalben
/
'sxenbəsxɛrmər/
noun
1. beschermer van scheenbeen
benskydd
noun
1. hard en droog baksel, geschikt voor lange (zee)reizen
hårdskorpa
skeppsskorpa
noun
1. (scheepvaart) een werkgebied
skeppsvarv
varv
noun
1. het verkeer op het water
sjöfart
/
ˈsxɪːrkʋɑst/
noun
1. een dikke kwast waarmee men scheerzeep aanbrengen
rakborste
/
sxeːrmɛs/, /
sχɪːrmɛs/
noun
1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
rakkniv
noun
1. het uiteenhalen van iets in zijn onderdelen
separation
/
'sxɛɪtsrɛxtər/
noun
1. iemand die tijdens een spel de spelregels toepast
domare
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
kemi
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
kemisk
/
ˈsχɛldə/
pronoun
1.een rivier die ontspringt in de gemeente Gouy in noordelijk Frankrijk
Schelde
/
'sxɛltwoːrt/
noun
1. een term die bedoeld is om iets of iemand te beledigen
skällsord
/
sxɛlp/
noun
1. een uit kalk gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier wordt aangemaakt
skal
noun
1. bepaald soort kabeljauwachtige consumptievis, Melanogrammus aeglefinus
kolja
/
ˈsxemərə(n)/
verb
1. donker of licht worden, tussen licht en donker zijn
skymma
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
skymning
/
sxɛndə(n)/
verb
1. iets niet in acht nemen
kränka
/
'sxɛŋ.kə(n)/
verb
1. geven
ge
noun
1. lepelvormig werktuig
skyffel
/
ˈsxɛpə(n)/
verb
1. doen ontstaan uit niets
göra
tillverka
noun
1. iets nieuws dat uit het niets gemaakt is
skapelse
/
sxeːrə(n)/, /
sχɪːrə(n)/
verb
- 1. baard afsnijden
- 2. zich de baard kort afsnijden
raka
/
sxɛrf/, /
sχɛrf/
noun
- 1. een onregelmatig gevormd stuk materie dat deel heeft uitgemaakt van een groter geheel
- 2. een fragment van een granaat
skärva
noun
1. verticale draden van het weefgetouw
kätting
/
sxɛr'mɵʦəlɪŋ/
noun
skärmytsling
adjective
1. goed snijdend
skarp
vass
verb
1. met een minimum van pennenstreken een voorlopige en gewoonlijk uitwisbare afbeelding van iets maken
skissera
/
sxøːr/, /
sχʏːr/
noun
1. een kloof in een vlies of weefsel
reva
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
skörbjugg
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
halvö
/
ˈsxi.tə(n)/, /
ˈsχi.tə(n)/
verb
- 1. een projectiel afvuren met een wapen
- 2. de bal een trap geven
skjuta
noun
1. gat om door te schieten
embrasyr
adjective
1.iemand die snel een vuurwapen wil gebruiken
skjutglad
noun
1. een draad met loden balletje om de loodrechte stand van iets te onderzoeken
lod
noun
1. een confrontatie waarbij partijen elkaar beschieten
skjutning
skottlossning
/
sxɛi̯f/
noun
1. plat en rond voorwerp
skiva
noun
1. een rem, waarbij op de as van het af te remmen toestel een schijf meedraait, die door middel van remblokken afgeremd kan worden.
skivbroms
/
sxɛi̯n/
adverb
- 1. bedriegelijk voorkomen
- 2. zweem
sken
verb
3. straling uitzenden
skina
/
'sxɛi̯n.ɦi.u̯ə.lək/
noun
1. huwelijk voor de schijn
skenäktenskap
/
sxɛɪt/
noun
1. vaste uitwerpselen
skit
/
sxɛɪtə(n)/, /
sxɛːtə(n)/, /
sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
skita
noun
1. buitenste bekleding van een vrucht
skal
/
sxɪlt/
noun
1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
sköld
noun
1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
konstnär
målare
verb
- 1. een kunstwerk vervaardigen door met verf een beeld op een oppervlak te maken
- 2. een bouwwerk of voorwerp van een beschermend laag verf voorzien
- 1-2.
måla
/
ˌsxɪldə'rɛː/, /
ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
målning
tavla
/
sxɪldərkʌnst/
noun
1. een beeldende kunst die zich bezighoudt met het met penseel en verf op een plat vlak aanbrengen van lijnen en kleuren
måleri
noun
1. Unio pictorum
äkta målarmussla
noun
1. een van beide figuren -menselijk of anderszins- die het wapen flankeren
sköldhållare
/
sxɪldkliːr/, /
sxɪɫtkliːr/, /
sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
sköldkörtel
noun
1. kwaadaardige groei in de schildklier
sköldkörtelcancer
thyroideacancer
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
sköldpadda
noun
1. een band langs de omtrek van een wapenschild
bräm
verb
1. de schil van een vrucht verwijderen
skala
noun
- 1. paardenras met een grotendeels witte vacht met fijne grijze of blauwige tekening
- 2. zwamsoort of substantie die op dode of levende organismen groeit.
mögel
noun
1. ziekte door schimmels
svampinfektion
noun
2. rijk binnen de eukaryoten, Fungi
svamp
noun
1. schaduwspel
skuggspel
noun
- 2. grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk
skepp
- 1. groot zeewaardig vaartuig
skepp
fartyg
/
sxɪbrøk/
noun
1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
skeppsbrott
noun
1. uit elkaar vallen van een kerkgenootschap in twee delen door sterk verschillende opvattingen
schism
noun
1. gesteente
skiffer
glimmerskiffer
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
schizofreni
noun
1. gepaneerd kalfsvlees
schnitzel
noun
1. alles wat men om de voeten heen kan dragen, zoals schoenen en laarzen
skodon
/
sxun/
noun
1. voetbekleedsel
sko
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
skonert
skonare
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
skosnöre
snöre
/
ˈsxɔfəl/, /
ˈsχɔfəɫ/
noun
1. een horizontaal liggend scherp geslepen mes van staal dat bevestigd is aan een houten steel
hacka
noun
- 1. schouder van paard of rund
manke
- 1.
skurk
noun
1. mechanisme om schokken te dempen
stötdämpare
noun
1. heftige uitwerking
inverkan
noun
1. bepaald soort platvis, Pleuronectus platessa
rödspätta
noun
1. zwart-witte waadvogel met luide roep, Haematopus ostralegus
strandskata
verb
1. aan een opleiding onderwerpen
lära
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
elev
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
gunga
verb
1. op een schommel heen en weer bewegen
gunga
/
ˈsxɔməlstul/
noun
1. een stoel, gewoonlijk op gebogen staanders, waarop men heen en weer kan schommelen
gungstol
noun
- 1. samengebonden bundel halmen
- 2. wiskundige structuur
kärve
/
sxoːl/, /
sxoːɫ/, /
sχoːɫ/
noun
- 1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
- 2. een zwemmende groep gelijksoortige vissen
skola
/
ˈsxoːl.tɑs/
noun
skolväska
/
ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
svåger
/
ˈsxonbrʏs/
noun
svärsyskon
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
svärdotter
/
ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
skönhet
/
ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
svärmor
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
svärfar
noun
1. de man van een dochter of zoon
svärson
måg
/
ˈsxonzʉs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
svägerska
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
skorsten
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
skorstensfejare
sotare
/
ˈsxoːrwɑl/, /
ˈsxoːrβ̞ɑl/, /
ˈsχɔːrʋɑl/
noun
1. een lange, smalle landtong die gevormd wordt door afzetting van zand in een bocht van de zeekust, en die de bocht op deze manier geheel of gedeeltelijk afsluit van de open zee
näs
/
sxot/, /
sχot/
noun
- 1. de bovenkant van de dijen van iemand die zit
knä
- 3. een lijn, aan de benedenhoek (de schoothoek) van een zeil bevestigd om het zeil mee in de wind te richten
skot
noun
- 1. graafwerktuig
skyffel
- 1. trappende aanraking met de voet
spark
/
'sxɔ.pə(n)/
noun
1. kaartkleur
spader
noun
1. aas van schoppen
spader ess
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 oktober tot 22 november
Skorpionen
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
skorpion
/
sxɔrs/
noun
1. buitenste laag van (boom)stam
bark
verb
1. voorlopig of tijdelijk verbieden een functie uit te voeren
spärra
noun
1. een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen ...
förkläde
verb
1. tekortkomen, ontbreken
brista
noun
1. een persoon afkomstig uit Schotland
skotte
noun
3. kop en schotel
tefat
/
ˈsxɔtlɑnt/, /
ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Skottland
/
ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lis/, /
ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lɪs/, /
ˌsχɔts.χa.ˈe.lis/
pronoun
1. Keltische taal die door ongeveer 60.000 personen wordt gesproken op de Schotse eilanden ...
skotsk gäliska
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
skuldra
axel
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
skulderblad
noun
1. het naar boven bewegen van de schouders als teken dat iemand het niet weet of niet interesseert is, soms is het een uitdrukking van machteloosheid
axelryckning
noun
1. tas die aan de schouder hangt
axelremsväska
noun
1. schouderopvulling
axelvadd
noun
1. een spel dat een publiek van toeschouwers beoogt te boeien
skådespel
/
sxreu̯/, /
sχrɪːu̯/
noun
1. een luide (uit)roep
skrik
/
ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
skrika
/
srɪft/, /
sxrɪf/, /
sxrɪft/
noun
3. de letter- en cijfertekens van een taal
skrift
/
ˈsrɛɪ̯də(n)/, /
ˈsxrɛɪ̯də(n)/, /
ˈsxrɛːdə(n)/
verb
1. bedachtzaam en statig lopen
skrida
noun
1. een mechanisch apparaat, voorzien van druktoetsen waarmee schrifttekens op papier gezet kunnen worden
skrivmaskin
/
ˈsrɛɪ̯fstər/, /
ˈsxrɛɪ̯fstər/, /
ˈsxrɛːfstər/
noun
1. een persoon van het vrouwelijk geslacht die op professionele manier boeken of verhalen schrijft
författare
/
'srɛɪ̯fʋɛɪ̯zə/, /
'sxrɛɪ̯fwɛɪ̯zə/, /
'sxrɛːfβ̞ɛːzə/
noun
1. spelling
stavning
/
sxrɛɪn/, /
sçrɛːn/
noun
kistje
helgedom
/
ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
skriva
författa
/
ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
författare
skribent
/
'sxrɪkbəwɪnt/
noun
1. heersen door schrik aan te jagen
skräckvälde
noun
1. een jaar met 366 dagen
skottår
noun
1. een extra seconde die aan de tijdrekening wordt toegevoegd om in rekening te brengen dat de draaiing van de aarde enigszins aan wisselingen onderhevig is
skottsekund
verb
1. met water en een harde borstel reinigen
skrubba
noun
- 2. werktuig met twee of meer gebogen bladen die door draaiing een schip of vliegtuig voortbewegen
propeller
- 3. sprong met een draai om de lengteas
skruv
- 1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
skruv
propeller
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
skruvmejsel
skruvdragare
/
sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
fjäll
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
skaka
/
sxʌʏm/
noun
1. iets dat veel luchtbellen bevat
skum
adjective
- 2. betrekking hebbend op seks
anstötlig
- 1. niet-loodrecht
skev
noun
- 2. een verantwoordelijkheid die iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
skuld
- 1. een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe niet betaald wordt
skuld
gäld
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
fordringsägare
/
sxyrə(n)/
verb
1. een oppervlak glad maken door wrijving met een ruw oppervlak van grotere hardheid
sandpappra
adjective
1. met veel wrijving; beetje vervelend
slipande
/
sxɵrft/
noun
1. een huidaandoening veroorzaakt door de schurftmijt
skabb
/
sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
skurk
bov
noun
1. onfatsoenlijke staat
skurkstat
noun
1. een vel papier dat het boekblok beschut
försätts
/
sxyːr/, /
sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
lada
ladugård
noun
1. ziekelijke verharding
skleros
noun
1. een zijdelingse verkromming van de rug (wervelkolom), waardoor één of twee bochten ontstaan
skolios
/
ˈskrɪp.si/
noun
1. een werkstuk over een (literatuur-) onderzoek dat gemaakt wordt om een opleiding te kunnen voltooien
dissertation
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
seaborgium
noun
- 5. een interval met een toonafstand
sekund
- 1. SI-grondeenheid van tijd
sekund
bågsekund
/
səkrəta'rɛsə/
noun
vrouw
sekreterare
/
səkre'tarəs/
noun
1. functie in organisatie
sekreterare
noun
1. hoge functionaris binnen grote organisaties, zoals de Verenigde Naties, NAVO, FIFA
generalsekreterare
noun
1. afscheiding
insöndring
/
'sɛktɔr/
noun
- 1. een deel van een cirkel in de vorm van een taartpunt
- 3. de kleinste eenheid van een harddisk die in één bewerking door een lees/schrijfkop kan verwerkt worden
sektor
/
sɛɪn/
noun
3. een verkeerslicht of verkeersbord voor treinen
semafor
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Seine
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
seismologi
/
sɛɪ̯.ˈzun/, /
sɛː.ˈzun/
noun
- 2. een jaarlijks terugkerende periode
säsong
- 1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
årstid
/
sɛks/
noun
2. geslachtsgemeenschap
sex
/
sɛksy'el/
adjective
1. op de geslachtsdrift betrekking hebbend
sex
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
könssjukdom
noun
1. ziekten die vooral worden overgedragen door seksueel contact.
könssjukdomar
/
ˌsɛksʏwolo'ɣi/
noun
sexologi
/
ˌsɛksʏwo'loɣ/
noun
sexolog
/
ˈsɛks.wɛr.kər/
noun
sexarbetare
/
ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
sekt
noun
1. bepaald soort plant, Apium graveolens
selleri
noun
1. Scheikundig element met symbool Se en atoomnummer 34
selen
/
sɛlfi/
noun
1. een foto die iemand van zichzelf heeft genomen
egobild
/
se'mɑntis/
adjective
1. de semantiek betreffend
betydelsemässig
/
ˈse.ne.ˌɣɑl/, /
ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Senegal
/
seˈnil/
adjective
1. aan de ouderdom eigen, door de ouderdom afgetakeld
senil
noun
1. geestelijke en lichamelijke ouderdomsverschijnselen
senilitet
noun
1. sterke beroering door een verrassend voorval of bericht
sensation
noun
1. ernstige onstekingsreactie
blodförgiftning
noun
1. negende maand van het jaar
september
adjective
1.vredig en kalm
fridfull
noun
1. het helder en kalm zijn
frid
noun
1. een rang onder de onderofficieren
sergeant
noun
1. een aantal elementen op volgorde
serie
adverb
1. ernstig
allvarlig
/
sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
syren
syrenbuske
noun
- 1. glazen veranda
uterum
- 2. gebouw(tje) met veel glas voor het kweken van planten
växthus
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
server
verb
1. iets op tafel opdienen
servera
/
sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
servett
noun
1. ring om een opgerold servet bijeen te houden
servettring
/
ˈsɛrvis/, /
ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
serbiska
serbisk
/
ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
Serbien
/
ˈsɛrvi.jər/
noun
1. een inwoner van Servië, of iemand afkomstig uit Servië
Serb
/
sɛrvoːkroːˈaːtis/
pronoun
serbokroatiska
serbo-kroatiska
noun
1. een uit Afrika afkomstige plant uit de familie Pedaliaceae
sesam
noun
1. hoekmeetinstrument
sextant
/
se.ˈʃɛ.lə(n)/, /
sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
Seychellerna
noun
1. het geheel van gedachten en gevoelens die de gemoederen in een bepaalde omgeving bezighouden
atmosfär
/
ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
schampo
noun
1. een vorm van software die zonder of met weinig restricties verspreid mag worden,...
spridprogram
noun
1. een Spaanse versterkte wijn
sherry
noun
1. graafmachine op banden met een beweegbare laadschop die zowel kan graven als grond verplaatsen
lastmaskin
/
ˈʃo.pro.sɛs/
noun
skenprocess
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
Internationella måttenhetssystemet
adjective
2. zeer onduidelijk
sibyllinsk
adverb
2. het staat zo letterlijk in de brontekst
sic
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 10 miljoen mensen op Sicilië, in Zuid-Calabrië en Salento
sicilianska
siciliansk
/
sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
Sicilien
noun
1. bepaald soort grote, palingachtige vis die zware stroomstoten kan afgeven, Electrophorus electricus
darrål
noun
1. naam voor soorten platvis die hun prooi kunnen verdoven met een elektrische stroomstoot
darrocka
/
ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /
ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /
ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
Sierra Leone
/
sɪɣɑˈrɛt/, /
sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
cigarett
/
sɪɲˈaːl/
noun
1,2,3,4,5,6. vorm van informatie
signal
verb
1. langzaam wegvloeien
sippra
/
ˈsɪkəl/
noun
1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
skära
/
siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
Schlesien
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
silhuett
siluett
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
kisel
noun
1. organische silicium verbinding
silikon
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
apelsin
noun
1. makkelijk baantje, taak
sinekur
/
sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /
sɪŋ.gɑ.poːr/, /
sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Singapore
/
ˈsɪŋk.sə(n)/
noun
1. christelijk feest waarbij herdacht wordt dat de Heilige Geest over de apostelen neergedaald is
pingst
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Sinsheim
/
ˌsɪntøˈsta(t)sijʏs/
pronoun
Sint Eustatius
/
sɪnt.'maːr.tən/
pronoun
1. eiland in het noordoostelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Saint Martin
noun
1. Pecten jakobeus
pilgrimsmussla
pronoun
1.
Saint Lawrencefloden
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
Sankt Petersburg
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
siren
pronoun
1. Sirius
Hundstjärnan
/
sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
situation
läge
noun
1. een langwerpige lap stof die om de hals gedragen wordt
halsduk
noun
1. een kleine uiensoort
schalottenlök
noun
1. aan een spit geroosterde stukjes vlees en paprika
saschlik
noun
1. een brede, gekleurde band die vaak gedragen wordt als een waardigheidsteken
skärp
verb
1. iets met touw stevig vastzetten, zodat deze niet kan overgaan bij transport
surra
verb
1. lopen met een zware lading
kånka
verb
1. zich voortbewegen op een skateboard
skateboarda
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
skelett
noun
1. bril die tijdens het skiën gedragen wordt
skidglasögon
verb
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
skida
åka skidor
/
ˈskɔp.jə/
pronoun
1. de hoofdstad van Noord-Macedonië
Skopje
noun
- 4. salade
sallad
sallat
- 2 en 3. (bladeren van) Lactuca sativa
sallat
- 1. plant van de soort Lactuca
sallatsläktet
/
slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
slav
träl
verb
- 1. een klap uitdelen; met de arm of een vastgehouden voorwerp een snelle, rakende beweging maken
- 2. het voorbrengen van geluid door ergens op te slaan
slå
/
slap/
noun
- 1. periode van inactiviteit
sömn
- 3. zijvlak van het hoofd
tinning
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
sovrum
sängkammare
noun
1. melodie met eenvoudige tekst die gezongen wordt om een kind in slaap te krijgen
vaggvisa
noun
1. meestal in een punt uitlopend hoofdbedekking van textiel, gedragen tijdens de nachtrust
nattmössa
noun
3. glaasje sterke drank dat men 's avonds voor het slapen gaan drinkt
sängfösare
noun
1. iemand die loopt in een toestand van verminderd bewustzijn
somnambul
/
slɑp/
noun
1. doekje om op te morsen
haklapp
/
slɑxtə(n)/
verb
1. een dier doden voor het vlees of als offer
slakta
noun
1. slachthuis
charkuteri
noun
2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
offer
noun
2. het opzettelijk doen belanden van een hand of een voorwerp op iemand
stöt
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
artär
/
ˈslɑxbom/, /
ˈslɑçbom/
noun
balk die dwars over een weg kan worden neergelaten als afsluiting
bom
noun
1. een verkoper van vlees
slaktare
noun
1. bedrijf van een slager
slakteri
noun
1. groot schip met zware bewapening
slagskepp
noun
1. buitengewoon lange tand van bepaalde soorten zoogdieren
bete
/
ˈslaxfɛlt/
noun
1. een gebied waarop een militair treffen tussen twee legers plaatsvindt of plaatsgevonden heeft
slagfält
noun
1. door schade sterk naar één kan overhellen van een schip
slagsida
noun
- 2. een onoplosbaar afvalproduct bij het smelten van metaal
slagg
- 1. een buikpotig weekdier (huisjesslak)
- 1. een buikpotig weekdier (wijngaardslak)
snigel
noun
1. met een ~: erg langzaam
snigelfart
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
orm
adjective
1. met de vorm of het gedrag van een langgerekt reptiel zonder poten
ormliknande
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
sova
/
ˈsla.pə.rəx/, /
ˈsla.pə.rəχ/, /
ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
sömnig
/
ˈsla.pə.rəx.ˌɦɛːt/, /
ˈsla.pə.rəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /
ˈsla.pə.rɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
2. de neiging te gaan slapen
sömnighet
/
ˈslaː.və(n)ˌsxɪp/
noun
slavskepp
/
slɛçt/
adjective
1. niet goed
dålig
illa
noun
1. iemand die kwaad doet of in de zin heeft
bov
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
pilgrimsfalk
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
släde
noun
1. bepaald soort plant met blauwe vruchten, Prunus spinosa
slån
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
bogserbåt
noun
1. vlechtwerk van touw dat over een waterbodem gesleept kan worden om zo waterdieren te vangen
not
pronoun
Schleswig-Holstein
verb
- 1. (langzaam) ergens heen lopen, futloos of lusteloos
- 2. (langzaam) ergens heen lopen zonder specifiek doel (zonder negatieve bijklank)
flanera
verb
1. trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
släpa
/
sløːtəl/, /
sløːtəɫ/, /
ˈslø.tɔɫ/
noun
- 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
- 3. een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
nyckel
- 1. werktuig om te (ont)sluiten
nyckel
klav
- 2. moer- of Engelse sleutel
skruvnyckel
skiftnyckel
noun
1. het bot dat het borstbeen met de schouder verbindt
nyckelben
/
ˈsløtəɫˌbɔs/
noun
1. aantal sleutels dat aan eenzelfde ring of band hangt
nyckelknippa
/
ˈsløtəɫχɑt/, /
ˈsløːtəlɣɑt/
noun
1. een gat in een slot waardoor een sleutel moet worden gestoken om hem te openen
nyckelhål
/
ˈsløtəɫˌɦɑŋər/
noun
1. ring om sleutels aan te hangen, vaak voorzien van een logo of label.
nyckelring
noun
1. Zweeds volksinstrument
nyckelharpa
/
slɛɪm/
noun
1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
slem
noun
1. slijm afscheidend membraan
slemhinna
mukosa
verb
- 1. de slokdarm in
- 2. verdragen
svälja
/
slɪpə(n)/
verb
1. door gladheid over de weg schuiven
slira
noun
1. een brandewijn gedestilleerd uit gefermenteerde pruimen
slivovits
noun
1. een klein scheepstype dat op het dek van een groter schip wordt meegevoerd
slup
/
slɔf/
noun
1n een comfortabel soort schoeisel bedoeld om in huis te gedragen te worden
toffel
/
sloːt/
noun
1. smal watergang om of tussen weilanden
dike
verb
1. een structuur ontmantelen, afbreken
riva
/
slopə'rɛi/
noun
1. sloopbedrijf
skrotupplag
adjective
1. zonder de nodige zorg uitgevoerd
likgiltig
noun
- 1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
lås
- 2. een middeleeuwse versterkte woning
slott
lås
/
sloˈvens/, /
sloˈveːns/, /
sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
slovenska
slovensk
/
sloˈveni.jə/, /
sloˈveːni.jə/, /
sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
Slovenien
/
slo.ˈwaks/, /
slo.ˈʋaks/, /
slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
slovakiska
slovakisk
/
ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /
ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /
ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Slovakien
noun
1. het in een lichte slaap verkeren
slummer
noun
1. Alternatieve route die meestal gebruikt wordt om files te mijden
genväg
verb
1. toedoen, dichtmaken
stänga
/
ˈslœʏ̯.tər/, /
ˈslœː.tər/
noun
1. een element van een fotocamera
slutare
noun
1. verlengde snuit
snabel
/
slyw/
adjective
1. op een doortrapte wijze slim
slug
noun
- 2. gewaarwording bij het proeven van eten en drank
- 3. bepaalde subjectieve voorkeur
smak
verb
1. ~ naar een bijzonder sterk verlangen hebben naar iets dat men ontbeert
tråna
/
ˈsmaː.kə.los/
adjective
- 1. (van voedsel) geen smaak hebbend
- 2. (figuurlijk) geen fatsoen of gevoel voor esthetiek of mode hebbend, vulgair
smaklös
verb
1. het bewerken van metalen door deze heet te maken en met een hamer te slaan om het materiaal de gewenste vorm te geven
smida
noun
1. atelier, werkplaats van een smid, smederij
smedja
noun
1. is ijzer dat wordt gemaakt door het te smeden
smidesjärn
noun
1. afscheiding die men onder de voorhuid van de penis kan aantreffen
flensost
/
smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
bönfalla
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
smälta
/
ˈsmɛltkrus/
noun
1. vuurvaste pot voor het mengen van gesmolten metaal
degel
/
smɛltpʌnt/
noun
1. de temperatuur waarbij iets gaat smelten
smältpunkt
noun
1. de hoeveelheid warmte die opgenomen wordt bij het smelten van een kristallijne vaste stof
smältvärme
noun
1. water dat afkomstig is van gesmolten sneeuw of ijs
isvatten
smältvatten
/
ˈsmø.lə(n)/
verb
- 1. zacht en langzaam branden zonder vlammen
- 2. verborgen aanwezig zijn
pyra
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
smed
/
smul/
noun
1. (vulgair of informeel) mond
mule
/
ˈsmɔ.kə.lə(n)/
verb
1. wederrechtelijk goederen over een grens brengen om heffingen te ontduiken
smuggla
verb
3. iets in enig vet aanbraden, vervolgens vocht toevoegen en afdekken om het zachtjes gaar te laten worden
bräsera
noun
1. strip- en tekenfilmfiguur in de vorm van een soort blauwe kabouter met een wit mutsje
smurf
noun
2. lang zeer dun rond en flexibel voorwerp
sträng
noun
1. muziekinstrument met snaren
stränginstrument
/
ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
näbb
/
sne/
noun
- 1. inkeping gemaakt door het snijden met een mes of ander scherp voorwerp
- 2. een afgeneden plak, meestal van brood
snitt
/
sneʊ̯/, /
sneːβ̞/, /
snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
snö
myrornas krig
/
ˈsneʊ̯bɑl/, /
ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
snöboll
adjective
1. verblind door de hevige schittering van de sneeuw
snöblind
noun
1. bril ter voorkoming van sneeuwblindheid
snöglasögon
noun
1. een laag sneeuw op de bodem, die wordt gevormd als gevolg van sneeuwval en sneeuwstormen en gedurende een bepaalde periode blijft liggen
snötäcke
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
snöa
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
fjällripa
/
'snewjɑxt/
noun
1. sneeuwval bij harde wind
snöoväder
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
snögubbe
snöman
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
snögubbe
snöman
/
ˈsneʊ̯.sxœː.vər/, /
ˈsneːβ̞.sxœː.vər/, /
ˈsnɪːβ̞.sχœʏ̯.vər/
noun
1. een apparaat met een steel en een blad waarmee scheeuw verschoven kan worden
snöskyffel
/
'snew.stɔrm/
noun
snöstorm
noun
1. bepaald soort vogel, Bubo scandiacus
fjälluggla
/
'snewvlɔk/
noun
1. een kleine massa aaneengehechte sneeuwkristallen
snöflinga
/
snɛɫ/
adjective
snabb
hastig
noun
1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
hastighet
noun
1. en 2. (peulvrucht van) ras van Phaseolus vulgaris
romanabönor
/
ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
skära
noun
1. iets dat of iemand die snijdt
skärare
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Scolopacidae
beckasin
/
ˈsnujə(n)/
verb
1. terugbrengen op gewenste lengte
ansa
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
gädda
noun
1. bepaald soort zoetwaterroofvis, Sander lucioperca
gös
noun
1. soepele elektriciteitskabel die binnenshuis gebruikt wordt
sladd
noun
- 1. beharing
mustasch
- 2. vogel
vassångare
noun
- 1. een holle gebogen buis van rubber of plastic, met een mondstuk, dat je in staat stelt adem te halen als je aan het wateroppervlak zwemt met je hoofd onder water.
- 2. een toestel voor luchtverversing in een onderzeeboot.
snorkel
noun
1. een slijmerige afscheiding uit de neusholte
snor
noun
1. soort skiplank
snowboard
snöbräda
verb
1. met een snowboard van een berghelling of piste afglijden
snowboarda
noun
1. reukorgaan van dieren
nos
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
snarka
/
soʃal/
adjective
- 1. betrekking hebbend op de menselijke samenleving
- 2. geneigd om in groepen te leven
- 3. gevoel hebbend voor de nood van de medeleden van de samenleving
social
noun
1.
fysisk distansering
pronoun
1. officiële naam van Joegoslavië van 1963 tot 1992
Socialistiska federativa republiken Jugoslavien
/
soʃo'ekonomis/
adjective
1.
socioekonomisk
noun
1. visuele voorstelling van de affectieve relaties in een sociale groep
sociogram
noun
1. wetenschap
sociologi
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
sociopat
/
su.ˈdɑn/, /
zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
Sudan
/
sundaˈnes/
pronoun
1. taal die vooral in het westen van Java gesproken wordt
sundanesiska
noun
1. vloeibaar gerecht
soppa
noun
1. diep bord
sopptallrik
noun
2. lepel waarmee soep gegeten wordt
matsked
noun
1. gebeurtenissen of bezigheden die meer aandacht vereisen dan wenselijk is
rabalder
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
mjukvara
programvara
noun
1. eiwitrijke boon van de sojaplant
sojaböna
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
socka
strumpa
noun
2. extra online identiteit
strumpdocka
noun
1. vergoeding aan de opstalgever voor opstalrecht
tomträttsavgäld
/
sɔlˈdaːt/
noun
1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
soldat
noun
2. orchideeënsoort
johannesnycklar
noun
1. een stuk gereedschap om mee te solderen
lödkolv
noun
1. brander waarmee men kan solderen
blåslampa
verb
1. een door verhitting vloeibare tussenstof aanbrengen tussen losse metaaldelen waardoor deze na afkoeling vast verbonden blijven
löda
/
sɔm/
noun
1. resultaat van een optelling
summa
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Somalië
somaliska
Somaliska
/
so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
Somalia
adjective
1. met betrekking tot het lichaam
somatisk
adjective
1. in neergeslagen stemming
dyster
noun
1. instrumentaal muziekstuk
sonat
noun
- 1. een peilstift om de ruimte binnen een lichaam te verkennen, of om er gegevens op te nemen
- 3. een onbemand ruimtevaartuig
- 2. een instrument om voeding in vloeibare vorm toe te dienen
sond
/
ˈsɔːrt/
noun
2. een groep levende wezens die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
art
noun
2. de naam van de groep waartoe iets behoort
appellativ
pronoun
1. een groep Slavische talen die wordt gesproken in het oosten van Saksen en het zuidoosten van Brandenburg
sorbiska
adjective
1.
sorbisktalande
verb
1. orde in een verzameling aanbrengen door soort bij soort te leggen
sortera
verb
1. zijn rol zachtjes voorzeggen
sufflera
noun
1. klein voorwerp dat helpt om aan een prettige ervaring met een plaats of persoon terug te denken
souvenir
noun
1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
eker
/
ˈspakbeɪn/
noun
bot in de onderarm
strålben
/
spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
spansk
spanska
/
spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
spanska
spansk
/
ˈspan.sə/
noun
1.
spanjorska
adjective
1.
spanskspråkig
spansktalande
noun
1. afgesloten voorwerp waarin contant geld opgespaard wordt
spargris
/
'spar.zam/
adjective
1. zorg dragend niet te verspillen
sparsam
noun
1. brede, zware schep, bedoeld voor het spitten van grond
spade
noun
1. plankje e.d. om arm of been rust te geven
skena
/
ˈspɑ.ɲard/, /
ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
spanjor
/
ˈspɑ.ɲə/, /
ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
Spanien
noun
- 1. mechanische spanning
- 2. emotionele spanning
spänning
noun
1. afstand tussen uiteinden
spännvidd
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
gran
/
ˈspa.rə(n)/
verb
1. geld niet uitgeven
spara
/
spɑr'tans/
adjective
1.zonder luxe
spartansk
noun
1. verhoogde spierspanning, continue kramp
spasticitet
noun
1. spaan, lepel, e.d. met plat, bot uiteinde om mee te smeren
spatel
noun
1. tussenruimte tussen twee woorden
mellanrum
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
hackspett
/
spe.si.ˈjal/, /
spe.ˈsjaːl/, /
spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
speciell
/
ˈspesɪɑlɪst/
noun
- 1. persoon die ergens veel verstand van heeft
- 2. arts die een bepaald onderdeel van de geneeskunde beoefent
specialist
noun
- 1. bijzondere kennis of vaardigheid van iemand
- 2. bijzonder product
specialare
noun
1. specificatie
specifikation
verb
1. in details beschrijven
specificera
adjective
1. kenmerkend
specifik
adverb
1. in het bijzonder
specifik
noun
1. kleurenband
spektrum
verb
1. inzetten op een bepaalde kans, meestal met hoog risico
spekulera
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
saliv
spott
noun
1. een klier die speeksel produceert en naar de mondholte afscheidt
spottkörtel
/
ˈspelɣud/, /
ˈspelɣut/, /
ˈspɪːɫχut/
noun
1. één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
leksak
noun
1. het vrolijk en ongedwongen bezig zijn zoals dat past bij jonge kinderen of jonge dieren
lekfullhet
noun
2. tepel van een zoogdier
dinapp
noun
1.1 bepaald soort plant met niervormige bladeren, botergele bloemen en wortelknolletjes, Ficaria verna
svalört
noun
1. een big dat nog gezoogd wordt
spädgris
/
spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
spjut
noun
1. onderhuidse vetlaag bij varkens
späck
noun
1. opzienbarend schouwspel
spektakel
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
lek
spel
/
ˈspeːlə(n)/
verb
agera
spela
noun
- 1. deelnemer aan een spel
- 2. een partij
spelare
noun
1. onjuiste schrijfwijze van een woord
felstavning
verb
1. letters in de juiste volgorde plaatsen
stava
/
ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
ortografi
noun
1. grove tarwesoort
spelt
speltvete
noun
1. een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat
spelteori
noun
1. vorming van zaadcellen
spermatogenes
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
sparvhök
noun
1. en 2. (peul van) cultivar van Phaseolus vulgaris
brytböna
gröna bönor
noun
1. beelden terugkaatsend voorwerp
spegel
noun
1. een orgaan
muskel
sena
/
ˈspiːrpɛɪ̯n/, /
ˈspiːrpɛːn/
noun
1. pijn in een spier
muskelvärk
noun
1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
spik
verb
göra det svårare än vad det är
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
spindel
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
spenat
noun
1. een klos waarop de katoen- of vlasdraad wordt gewonden
spindel
verb
1. een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
spinna
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
spindel
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
spindel
noun
1. een door een spin gemaakt net om insecten te vangen
spindelnät
noun
1. de handeling van het spioneren
spionage
spioneri
noun
1. een kromme lijn
spiral
noun
1. benaming voor de groep Spirochaetes
spiroketer
noun
1. draaiende staak waarop men vlees of een geslacht dier spietst en boven of naast een hittebron roostert
spett
noun
2. binnen een ploeg een aanvallende speler die een positie opzoekt waarin hij een doelpunt kan maken
anfallare
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
Svalbard
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
näbbmus
noun
1. miltvergroting
splenomegali
/
'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
sticka
noun
2. een element van zelfinductie
spole
noun
1. versvoet met twee beklemtoonde lettergrepen
spondé
noun
1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
spöke
vålnad
noun
1. een legendarisch schip dat zonder bemanning eeuwig blijft rondvaren
spökskepp
noun
- 3. afdruk
spår
- 1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
spår
räls
adjective
1. verdwenen zonder aanwijzing van waarnaartoe
spårlös
noun
1. bepaald soort loofboom, Frangula alnus
brakved
/
spɔrt/
noun
1. lichaamsbeweging
sport
idrott
verb
1. aan sport doen
sporta
noun
1. beoefenaar van een sport
idrottsman
noun
iemand die zich toelegt op het bedrijven van sport
idrottare
noun
1. (sport) grasveld met doelpalen, grenslijnen e.d. waarop diverse sporten worden bedreven
idrottsplats
noun
1. vrouw die sport op een hoog niveau beoefent
idrottskvinna
noun
1. toneellamp
spotlight
noun
1. een zangvogel die geluiden kan nabootsen
härmsångare
/
sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
språk
tal
/
'sprakhɛrkɛnɪŋ/
noun
1. het omzetten van geluiden in taal
röstigenkänning
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal
grammatik
språklära
noun
1. een kamer waar men een gesprek met iemand kan voeren
mottagning
/
ˈsprekyːr/
noun
1. de tijd waarin een hulpverlener patiënten te woord staat
arbetstid
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
stare
/
ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
prata
tala
/
ˈspɾøkə(n)/
noun
Ordspråksboken
verb
1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
hoppa
skutta
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
gräshoppa
noun
1. bepaald soort vrij kleine vogel met gestreepte bovenzijde en monotone zang, Locustella naevia
gräshoppsångare
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
fräkne
noun
1. verzonnen vertelling
saga
noun
Sprattus sprattus
skarpsill
noun
2. een uitloper van de spruitkool
brysselkål
noun
1. koolsoort waarvan de gekookte okselknoppen als spruitjes gegeten worden
brysselkål
noun
1. slijmvliesontsteking in mond of darmen
torsk
/
'spy.ɣə(n)/
verb
1. speeksel uit de mond doen uitschieten
spotta
/
sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
Sri Lanka
/
ˈstaf.kɛrk/
noun
1. een geheel uit hout opgetrokken kerkgebouw, met een typische bouwstijl die voornamelijk in Scandinavië wordt aangetroffen
stavkyrka
/
staːɫ/
noun
- 2. een monster van een stof, een kleine hoeveelheid van iets als proef
prov
- 1. een legering van ijzer en koolstof
stål
/
staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
stå
noun
- 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
stjärt
svans
- 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
svans
stjärt
noun
- 1. een land
- 1. toestand
stat
rike
noun
1. iemand die burgerrechten in een staat heeft
medborgare
noun
1. illegale afzetting van een regering
statskupp
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
statschef
statsöverhuvud
adjective
1. standvastig, duurzaam
stabil
/
'stakɛrəvɛn/
noun
1. caravan met vaste staplaats
husbil
/
stɑd/, /
stɑt/
noun
Woonplaats
stad
tätort
/
ˈstɑdhœːs/, /
ˈstɑthœʏs/, /
ˈstɑthœːs/
noun
1. een gebouw waar de stadsdiensten gehuisvest zijn
rådhus
/
ˈstɑt.stat/
noun
1. staatsvorm
stadsstat
noun
1. een vernieuwing van verpauperde stadswijken
stadsförnyelse
noun
1. een stok bedoeld voor ondersteuning of onderscheiding van een persoon
stav
noun
1. een touw of kabel waarmee een mast stabiel wordt gehouden
stag
verb
1. een werkonderbreking of (ludieke) actie houden voor betere arbeidsvoorwaarden of meer loon
strejka
/
'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
strejk
/
stɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
stall
noun
1. variant van het marxisme-leninisme gekenmerkt door een totalitair nationalistisch...
stalinism
noun
- 7.
ordstam
- 4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
- 2. deel van de boom tussen de wortels en de kruin
stam
- 1. dikke houtige stengel van een struik
stjälk
/
'stɑmbom/
noun
1-2
antavla
noun
2. vijzelstamper
mortelstöt
/
ˈstɑn.dard.ˌɑf.wɛɪ̯.kɪŋ/, /
ˈstɑn.dart.ˌɑf.ʋɛɪ̯.kɪŋ/, /
ˈstɑn.dart.ˌɑf.β̞ɛː.kɪŋ/
noun
1. spreidingsmaat
standardavvikelse
verb
1. alles onderwerpen aan een vooraf bepaalde standaard
standardisera
noun
1. officieel vastgelegde taalvorm die binnen een bepaald gebied als de voorgeschreven norm geldt.
riksspråk
standardspråk
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
staty
stod
/
stɑmplats/
noun
1. een vaste plaats waar iemand zich bevindt
kur
noun
1. een sterke, stinkende geur
stank
/
stɑp/
noun
1. het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan
steg
noun
1. een gestructureerde hoop spullen
hög
noun
1.Twee bedden op elkaar
våningssäng
noun
1. cumulus
cumulusmoln
noun
1. een begin ergens van
start
noun
1. stabiel onderstel voor camera
stativ
/
sta.ˈsʲɔn/
noun
1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
station
adjective
1. cijfermatig berekend
statistisk
noun
1. plaats in een vast geheel of een bepaald proces
status
noun
1. huidige stand van zaken
status quo
adverb
1. voortdurend
alltid
ständigt
noun
1. zeer smal straatje
gränd
/
steːk/
noun
- 1. een penetratie met een scherp puntig voorwerp
hugg
- 3. een eenmalige doorvoering van een draad door een weefsel, meestal met behulp van een naald
stygn
noun
1. een spel waarbij twee ridders elkaar met lansen trachtten uit het zadel te werpen
dust
/
sten/, /
steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
sten
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
kungsörn
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
Stenbocken
noun
1.1 bepaald soort zoogdier, Capra ibex
stenbock
noun
Stenbockens vändkrets
/
ste.nɛi̯k/, /
ste.nɛːk/, /
sten.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus ilex; een boom uit de napjesdragersfamilie
stenek
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
stenkol
/
ˈstentɛit/
noun
Stenåldern
/
ˈstenœʏ̯ɫ/, /
ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
minervauggla
noun
vlezige vrucht waarvan het binnenste deel steenhard is
stenfrukt
noun
1. hardloopwedstrijd met hindernissen
hinderlöpning
noun
1. de kennis van het op verborgen wijze overbrengen van informatie
steganografi
noun
2. werkvloerconstructie in de bouw
byggnadsställning
/
stɛil/, /
stɛːl/
adjective
1.
brant
noun
1. benaming voor kleine vissen met puntige doorns op de rug en de buik uit de familie Gasterosteidae
spigg
/
stekələx/
adjective
1. met stekels bezet
taggigt
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
piggsvin
verb
1. doorboren, prikken
sticka
noun
1. stekker
stickkontakt
stickpropp
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
stjäla
noun
1. een bewering die men als waarheid aangenomen wil zien worden
tes
noun
- 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
- 2. het geluid dat een mens bij het spreken voortbrengt
- 3. het geluid dat een mens bij het zingen voortbrengt
- 6. een keuze gemaakt door een stemmer (kiezer) bij een stemming (verkiezing)
röst
noun
1. geluidvoortbrengende plooien in het strottenhoofd
stämband
stämläpp
/
ˈstɛmbɪljɛt/
noun
1. formulier om te stemmen
röstsedel
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
stämskruv
/
stεmə(n)/
verb
- 1. deelnemen aan een verkiezing
rösta
välja
- 2. een instrument op de juiste toonhoogte brengen
stämma
/
ˈstɛmpəl/, /
ˈstɛmpəɫ/
noun
- A2. een afdruk van [1]
- A:1. voorwerp met een ingesneden oppervlak waarmee afdrukken gemaakt kunnen worden met inkt of in lak
prägel
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
stämskruv
noun
kiezers die zich in hun stemgedrag laten beïnvloeden
röstboskap
/
stɛmvɔrək/
noun
1. stemvork
stämgaffel
noun
1. langgerekt en stevig orgaan van een vaatplant dat water en voedingstoffen vervoert
stjälk
verb
1. met steenworpen doden
stena
noun
- 1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
- 2. een beroemdheid
stjärna
/
ˈstɛrvbɛt/
noun
1. het bed waarop men sterft
dödsbädd
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel sterfgevallen er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
mortalitet
adjective
1. zonder microbiële besmetting, heel schoon
steril
/
ˌsteriliˈzasi/, /
ˌsterəliˈzatsi/
noun
1. een handeling waarmee alle ziektekiemen worden gedood
sterilisering
verb
- 1. iets vrij maken van micro-organismen
- 2. onvruchtbaar maken
sterilisera
/
stɛrk/
adjective
1. krachtig
stark
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige vogels uit de familie Sternidae
tärna
noun
1. verzameling dicht bijeen staande sterren
stjärnhop
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomi
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
dö
avlida
/
steto'skop/
noun
1. een medisch instrument waarmee men geluiden in het lichaam kan beluisteren
stetoskop
/
'stønə(n)/
verb
1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
stötta
stödja
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
stör
adjective
4. voedzaam (zonder verfijning)
kraftig
verb
1. de grondslag voor iets leggen, iets instellen
grunda
noun
2. zelfstandig vermogen met rechtspersoonlijkheid opgericht op de verwezenlijking...
stiftelse
/
ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
styvmoder
styvmor
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
styvfar
bonuspappa
pronoun
- 2. astrologisch teken
- 1. sterrenbeeld van de dierenriem
Oxen
oxe
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Steiermark
/
stɛif/
adjective
styv
stel
/
ˈstɛi̯xˌbøː.ɣəl/
noun
1. voetsteun voor de ruiter
stigbygel
/
stɛi̯l/
noun
- 1. handelswijze
- 3. beschrijvende plantkunde: buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
stil
/
ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
kväve
nitrogen
/
[stɪɫ]/
adjective
- 1. geen of weinig geluid producerend
- 3. rustig, kalm
- 2. onbeweeglijk
stilla
noun
1. mes waarbij het lemmet uit het handvat kan klappen
stilett
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Stilla havet
pronoun
1. dag na Goede Vrijdag en voor Pasen
påskafton
adjective
1. zonder iets openlijk uitgesproken te hebben
stillatigande
verb
1. maatregelen nemen om iets te bevorderen
stimulera
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
skunk
verb
1. een onaangename geur hebben
stinka
adjective
- 1. precies op tijd komend
- nauwgezet
punktlig
adverb
1. met grote precisie
punktlig
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Stockholm
/
stul/, /
stuɫ/
noun
1. zitmeubel
stol
/
'stulɣɑŋ/
noun
- 1.
- 2.
avföring
noun
1. een kabelbaan waarin je zittend een hoogte overbrugt
stollift
noun
1. een boeddhistisch bouwwerk dat de relieken van een boeddhistische heilige bevat
stupa
noun
1. heel kleine deeltjes
damm
stoft
noun
1. meubelstoffeerder
dekoratör
/
'stɔfʋɪsəlɪɳ/
noun
1. het geheel van chemische processen dat gepaard gaat met het in leven zijn van een wezen
metabolism
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
dammsugare
noun
1.Suricata suricatta, roofdier behorend tot de mangoesten
surikat
noun
1. gedroogde kabeljauw of kabeljauwachtige vis, zoals heek, leng, lom, schelvis en koolvis
torrfisk
/
ˈstɔlɪŋsɣəˌstentə/
noun
1. gesteente bestaande uit gestolde lava of gestold magma.
magmatisk bergart
adjective
- 1. geluidloos
- 2. niet in staat te spreken
stum
verb
1. iets ter reiniging en desinfectie met stoom bewerken
ånga
noun
een bijzonder onverstandige daad
tabbe
adjective
1. zo verbaasd dat men er het zwijgen toe doet
paff
noun
1. warme ruimte
ångbad
ångbastu
noun
1. een schip dat met behulp van stoom wordt voortbewogen
ångbåt
noun
1. een locomotief die wordt aangedreven door een stoommachine
ånglok
noun
1. een machine die door middel van stoom drijfkracht ontwikkelt
ångmaskin
noun
1. een schip dat voortgedreven wordt middels een stoommachine
ångfartyg
/
'stɔbɔrt/
noun
1.
stoppmärke
/
ˈstɔplɪxt/
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
trafiksignal
noun
1. naald die men gebruikt bij het repareren van weefsels of breiwerk
stoppnål
/
ˈstorə(n)/
verb
1.het functioneren nadelig beïnvloeden
störa
noun
1. erg harde wind
storm
/
ˈstɔr.mə(n)/
verb
1. bijzonder sterk waaien
storma
noun
een toestel, balk, e.d. om een deur, poort te forceren
murbräcka
verb
2. geld in een rekening inbrengen
deponera
noun
1. het storten van geld op een bankrekening
insättning
inbetalning
verb
1. dezelfde lettergreep een aantal malen herhalend moeilijk uit zijn woorden komen
stamning
adjective
1. berustend, gevoelloos
stoisk
/
straɫ/, /
ˈstral/
noun
- 1. de lijn van middelpunt naar omtrek
radie
- 2. een bundel elektromagnetische straling
stråle
noun
1. jachtvliegtuig met straalmotor
jetjaktplan
/
strat/
noun
- 1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
gata
- 2. een smalle doorgang tussen twee zeeën
sund
pronoun
1. zeestraat tussen het Australisch vasteland en Papoea-Nieuw-Guinea
Torres sund
noun
1. muzikant die in de openbare ruimte optreedt
gatumusikant
noun
1. een bord in de openbare ruimte met daarop de naam van de straat waar men zich bevindt
gatuskylt
noun
1. hoofdstad van de Franse regio Grand Est
Strasbourg
noun
1. informele, soms ruwe taal met veel invloed uit talen van immigranten,...
slang
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
straff
/
ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
straffa
bestraffa
näpsa
/
'strɑfrɛxt/
noun
1. het geheel van rechtsregels waarmee bepaalde handelingen strafbaar worden gesteld
straffrätt
noun
1. directe vrije trap
straffspark
straff
noun
1. gedeelte van het voetbalveld
straffområde
adjective
1. nauwzittend
snäv
noun
1. Strook land langs de kust
strand
sandstrand
verb
1. aan de grond vastlopen
stranda
noun
1. Mya arenaria
sandmussla
noun
1. strandkrab
strandkrabba
/
straˈteɣ/
noun
1. een persoon die strategieën uitwerkt
strateg
noun
1. een plan om iets te bereiken
strategi
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
stratovulkan
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Straubing
noun
3. een veeg of streep met een werktuig
drag
noun
- 2. lijnvormig patroon
- 1. een min of meer rechte getrokken lijn of lijnstuk
- 3. (figuurlijk) begrenzing die niet overtreden dient te worden, schreef
linje
verb
1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken
klappa
noun
1. een uiting van tederheid
smek
verb
1. neerslaan van opgeloste eiwitten
skära
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
löpe
noun
1. spanning, geestelijke druk.
stress
verb
1. een doel willen bereiken
sträva
noun
- 1. een handgemeen
- 2. een militair treffen
kamp
noun
1. een slagwapen in de vorm van een metalen staf met een versterkte kop
klubba
verb
2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
stryka
/
ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /
ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /
ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
strykjärn
noun
1. gestreken snaarinstrument
stråkinstrument
noun
1. een plankvormig voorwerp, gewoonlijk op een inklapbaar onderstel, bedoeld als ondergrond waarop kleding gestreken kan worden
strykbräda
noun
1. een constructie waarmee de snaren van een strijkinstrument in trilling gebracht worden
stråke
noun
1. een boek met een verhaal in beeldvorm
serie
verb
1. het zich ontdoen van alle kleding of een groot deel van de kleding die het lichaam bedekt, vaak met een erotische bijbedoeling
strippa
/
stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
halm
noun
1. hoed
halmhatt
stråhatt
/
'stromən/
verb
1. voortbewegen van vloeistoffen
strömma
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
strontium
noun
1. zweertje op het ooglid
vagel
/
ˈstroklɑt/
noun
kurvlinjal
/
stroːm/
noun
- 1. rivier, beek
- 2. elektriciteit
ström
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
sirap
sockerlag
noun
1. lus van stevig touw
löpsnara
adjective
1. met betrekking tot de opbouw van een geheel
strukturell
/
strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
struktur
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
snava
snubbla
noun
1. bepaald soort in heel Europa voorkomende plant, Calluna vulgaris
ljung
gröne
moris
rossling
noun
1. iemand die vanuit een hinderlaag reizigers berooft
stråtrövare
/
ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /
ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /
ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
struts
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
student
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
studera
noun
- 1. werkplaats van een beeldend kunstenaar
- 2. plaats waar geluidsopnamen, films of televisie- of radioprogramma's gemaakt worden
- 3. een eenkamerappartement
etta
/
stɵx/
adverb
1 weerbarstig
bestämd
noun
1. onderste deel van de ruggengraat, de laatste vier vergroeide ruggenwervels
svanskota
pronoun
1. hoofdstad van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Stuttgart
/
styːr/
noun
1. een hulpmiddel waarmee een bestuurder richting kan geven aan een voertuig
styre
/
ˈstyrbəkrɑxtəxɪŋ/
noun
1. ondersteuning bij het sturen
servostyrning
noun
1. de rechterzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
styrbord
noun
1. een stuk software dat een verbinding legt tussen de hardware en het besturingssysteem
drivrutin
noun
1. vaste of regelbare waterkering
överfallsvärn
noun
1. kunstmatig meer
damm
noun
subdominant
subdominant
noun
1. door de overheid beschikbaar gestelde fondsen bedoeld om een prijs te verlagen...
subsidier
verb
1. van overheidswege financiële hulp voor een bepaalde activiteit, ver- of aankoop verlenen
subventionera
noun
1. stof (stoffen)
substans
noun
1. vervanging
ersättning
/
sʌp'til/
adjective
- 1. alleen bij nauwkeurig toezien of voor fijn gevoel waar te nemen of te begrijpen
- 2. fijn onderscheidend, scherpzinnig
subtil
noun
1. een luidspreker die speciaal is ontworpen voor het weergeven van lage tot zeer lage tonen
sub
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
framgång
/
suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Sudan
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
suffix
noun
1. bepaalde ondersoort van de biet waaruit bietsuiker gewonnen wordt
sockerbeta
noun
1. Coereba flaveola, een klein zangvogeltje uit de tropische delen van de Amerika's...
banansmyg
noun
1. blokvormig stukje kristalsuiker
sockerbit
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
sockerrör
/
ˈsœʏkərˌspɪn/, /
ˈsœːkərˌspɪn/
noun
1. lekkernij bestaande uit een hoeveelheid gesponnen suiker aan een stokje
sockervadd
spunnet socker
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het bloed een te hoog gehalte aan suiker bevat
sockersjuka
noun
1.gezoete schil van de vrucht van de sukadeboom
suckat
noun
1. zouten die het sulfiet-ion SO₃2- bevatten
sulfit
noun
1., 2. en 3. (gedroogde vrycht van) een variëteit van de druif Vitis vinifera
sultanrussin
noun
1. fictieve figuur uit een stripverhaal of een film die over bovenmenselijke krachten beschikt
superhjälte
noun
het verschijnsel waarbij een ster op spectaculaire wijze explodeert
supernova
/
ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Surinam
adjective
1. geneigd zijn om zelfmoord te plegen
självmordsbenägen
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
swahili
/
ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /
ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /
ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
Swaziland
/
'swɛtʃʏːrt/
noun
1.
collegetröja
pronoun
1. de grootste stad van Australië en de hoofdstad van de deelstaat Nieuw-Zuid-Wales
Sydney
noun
1. een logische redenering waaruit een conclusie afgeleid wordt
syllogism
adjective
1.samenlevend en samenwerkend
symbiotisk
verb
1. een betekenis hebben die verwijst naar
symbolisera
/
si'metris/
adjective
1. aan twee zijden, bijvoorbeeld spiegelbeeldig gelijk
symmetrisk
noun
1. een gevoel van toegenegenheid
sympati
/
sɪmˈpoziəm/
noun
1. een wetenschappelijke samenkomst waarop verschillende wetenschappers een lezing houden over een bepaald onderwerp
symposium
noun
1. ziekteverschijnsel
symptom
symtom
noun
1. gebedshuis van joden.
synagoga
noun
- 1. plotseling bewustzijnsverlies
- 3. wegval van middenklank
- 2. verlegging van de maataccenten
synkop
/
sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
syndrom
noun
1. situatie waarbij het samengaan van delen groter is dan de som der delen
synergi
noun
1. gelijkbetekenend woord
synonym
/
sɪnˈtɑksəs/
noun
- 1.
- 2.
syntax
adjective
1. op kunstmatige manier gefabriceerd
konst-
/
ˈsi.ri.jə/, /
ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
Syrien
/
siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
system
noun
- 1. een interdiscipline tussen informatie en bedrijfskunde, gericht op het analyseren van systemen, voorafgaande aan reorganisatie en of automatisering van bedrijfsprocessen
- 2. een werkwijze om verschijnselen te bestuderen voorafgaande aan de ontwikkeling van informatiesystemen
systemanalys
/
ˌsisteˈmatis/
adjective
1. stelselmatig, ordelijk volgens een systeem opgezet
systematisk
verb
1. het stelselmatig ordenen volgens een vooropgezet systeem
systematisera
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
T-shirt
adjective
- 1. moeizaam en plastisch vervormend onder mechanische belasting
- 2. moeilijk te snijden, kauwen (van vlees)
seg
noun
1. een erfelijke aandoening van de exocriene klieren, gekenmerkt door de afscheiding van taai (visceus) slijm (mucus)
cystisk fibros
/
taːk/
noun
1. een te verrichten werk
uppgift
/
taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
språk
mål
/
ˈtaːlbəˌɦeːrsɪŋ/
noun
1. het vermogen zich te kunnen uitdrukken in een of meer talen
språkfärdighet
noun
1. uitdrukkingen en zegswijzen uit een bepaalde taal
idiom
noun
1. talengroepen die een zelfde voorgeschiedenis hebben
språkfamilj
noun
1. wetenschap
språkvetenskap
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
lingvist
språkforskare
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
lingvist
språkforskare
/
taːrt/
noun
1. cirkelvormig zoet gebak
kaka
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
tobak
noun
1. een geordende lijst met gegevens
tabell
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
tabu
cardinalNumeral
1. het getal 80
åttio
noun
1. kleine, gevouwen tortilla, gevulde mexicaanse maïspannenkoek
taco
/
tɑkˈtik/
noun
1. een manier om onder gegeven omstandigheden een doel te bereiken
taktik
pronoun
1. de officiële taal van Tadzjikistan en een variant van het Perzisch
tadzjikiska
/
taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
Tadzjikistan
/
ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
bord
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Taffelberget
/
ˈtafəlˌklet/
noun
kleed dat als bescherming of versiering over een tafel ligt
bordsduk
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
bordtennis
pingis
noun
1. voetbal op een tafel met opstaande randen
bordsfotboll
noun
1.een meestal goedkope wijn zonder specifieke afkomst, die aangenaam bij een doordeweekse maaltijd wordt gedronken.
bordsvin
pronoun
1. taal die op de Filipijnen gesproken wordt
tagalog
filippinska
noun
1. naaldbossen in koude streken
taiga
/
ˌtɑjkoˈnaʊ̯t/, /
ˌtɑjkoˈnɔʊ̯t/, /
ˌtɑjkoˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Chinese ruimtevaarder.
taikonaut
/
tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
gren
noun
1. bijzondere aanleg
talang
/
tɑɫx/
noun
2. het harde vet van sommige herkauwers
talg
noun
1.een klier om de haarzakjes, die talg afgeeft
talgkörtel
noun
1. benaming voor kleine vogels uit het geslacht Anas of het geslacht Callonetta
kricka
noun
1. van personen dat ze niet erg meegaand zijn
talkpuder
/
'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
Tallinn
Reval
adjective
1. groot in aantal
talrik
noun
1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
tamarind
noun
1. muziekinstrument
tamburin
pronoun
1. taal die gesproken wordt in India, Sri Lanka, Singapore, en Maleisië
tamilska
tamil
noun
1. einde van een touw
tamp
noun
- 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
- 2. scherp uitsteeksel
tand
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
tandläkare
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
tandborste
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
tandpetare
tandsticka
noun
1. wetenschap voor de verzorging van de tanden
tandvård
odontologi
/
ˈtand.pɑs.taː/, /
ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
tandkräm
/
tɑntpɛin/
noun
1. pijn in één of meerdere tanden
tandvärk
/
ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
tandkött
/
'tɑntʋil/
noun
1. een wiel met een gekartelde rand bedoeld om in te grijpen in die van een ander ter overdracht van aandrijfkracht
kugghjul
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
tandtråd
/
tɑŋ/
noun
1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
tång
/
tɑŋk/, /
tɛŋk/
noun
- 2. een oorlogsvoertuig
stridsvagn
- 1. een groot vat
tank
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantal
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantal
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
tant
moster
faster
/
ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
Tanzania
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
tapioka
tapiokastärkelse
/
ˈtapɪr/
noun
1. hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf
tapir
verb
- 1. tappen van vloeistof
- 2. tappen van schroefdraad
tappa
noun
1. militair afsluitend signaal
tapto
noun
1. grote eetbare platvis
piggvar
/
tɑˈrif/
noun
1. een vastgesteld bedrag per eenheid
taxa
verb
1. het bepalen van het niet bruikbare gewicht
tarera
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tatariska
pronoun
1. stad in Estland
Dorpat
Tartu
Dörpt
/
ˈtɑrʋə/
noun
- 3. zaad van tarwe
- 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
vete
noun
1. en 2 grof gemalen meel van (gewone) tarwe (Triticum)
vetegryn
noun
1. (voorgekookte) geplette tarwegranen
veteflingor
noun
zemelen van tarwekorrels
vetekli
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
väska
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan, gelegen tussen Australië en Nieuw-Zeeland
Tasmanhavet
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tatariska
pronoun
1. de autonome republiek van Rusland met de hoofdstad Kazan
Tatarstan
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
tatuering
/
tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
tatuera
/
tɑuˈge/
noun
1. uitlopers van mungbonen
mungbonskott
/
tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
taxi
taxibil
/
'tɑksimetər/
noun
1.
taxameter
noun
1. een opstelplaats voor taxi's waar zij wachten op passagiers
taxihållplats
verb
1. over de grond op wielen voortbewegen van vliegtuigen
taxa
/
tiːm/
noun
- 1. een ploeg van bij elkaar horende spelers
- 2. een groep samenwerkende mensen
lag
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
teknetium
noun
1. De bewerkingen en verrichtingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen
teknik
adjective
1. op techniek betrekking hebbend
teknisk
/
tef/
noun
1. wijfjeshond
hynda
tik
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
fästing
noun
1. vingers van de voet
tå
/
ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
tjära
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
tärning
noun
1. een bouwvakker die wandtegels zet en vloertegels legt
plattsättare
/
ˈteɣəmut/, /
ˈteχəmut/
adverb
1. tegen (personen)
mot
/
teːɣən/, /
teːχən/
preposition
1. zijdelings aanleunend
mot
emot
verb
1. proberen iets te stoppen of te verhinderen
motverka
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
motgift
noun
1. handeling gericht op het bestrijden van de effecten van een andere handeling
motåtgärd
preposition
1. aan de overzijde van
mittemot
noun
1. hetgeen wat precies voorstelt wat iets helemaal niet is
motsats
noun
1. iemand die de pauselijke titel opeist zonder door het Vaticaan als paus erkent te zijn
motpåve
noun
1. ernstige pech, toestand met belangrijke tegenslag
motighet
verb
1. zich met woorden verzetten
säga emot
noun
1. vijand, rivaal
motståndare
adjective
1. niet overeenstemmend
motstridig
verb
1. minder gunstig verlopen dan verwacht
göra besviken
noun
1. voorbeeld dat aantoont dat iets niet juist is
motexempel
adjective
2. aanwezig
närvarande
noun
1. vorm die aangeeft dat het huidige moment bedoeld wordt
presens
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
tecken
märke
verb
een tekening maken
rita
/
ˈtekə(n)ˌfɪlm/, /
ˈtekə(n)ˌfɪɫm/
noun
1. een film waarin een getekende realiteit wordt verbeeld
tecknad film
noun
1. een door tekenen ontstane afbeelding of voorstelling
ritning
teckning
verb
1. onvoldoende of ontoereikend zijn
komma till korta
noun
1. verzameling letters en/of woorden
text
noun
1. een computerprogramma waarmee teksten kunnen worden geschreven en bewerkt
ordbehandlare
noun
1. natuurlijke processen
tektonik
adjective
1. betrekking hebbend op de aardplaten, de breuken in de aardplaten en hun verschuivingen
tektonisk
/
ˌtelefoˈneːrən/
verb
1. een telefoon gebruiken
ringa
telefonera
/
ˌtelə'fon/, /
ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
telefon
verb
1. per telegraaf berichten
telegrafera
verb
1. door nauwgezette verzorging doen groeien
odla
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
teleskop
adverb
1. een onaangenaam gevoel hebbend omdat een verwachting of hoop niet uitgekomen is
besviken
verb
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
svika
göra besviken
noun
1. een emotie opgeroepen door het niet uitkomen van een verwachting
besvikelse
noun
- 2. medium
- 1. elektrisch apparaat
television
TV
/
tɛlx/
noun
1. lid van een familie
efterkomma
/
ˈtɛɫkəns/
adverb
- 2. steeds
alltid
ständigt
- 1. elke keer
varje gång
verb
1. aantal bepalen
räkna
/
ˈtɛlər/
noun
1. het getal boven de streep van een breuk
täljare
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
tellur
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
tellur
pronoun
1. een Dravidische taal met ongeveer 70 miljoen sprekers
telugu
/
ˈtɛm.pəl/, /
ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
tempel
/
ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
temperatur
adverb
1. luidt het eerste lid van een opsomming van minstens twee argumenten in
för det första
noun
1. beweging in bepaalde richting, neiging
tendens
benägenhet
trend
adjective
1. gekleurd door bijbedoelingen
tendensiös
noun
1. wagen achter een locomotief
tender
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
Teneriffa
noun
1. een scheikundig element met het symbool Ts en het atoomnummer 117
tenness
noun
1.een frame met een open ring waarover een netwerk van snaren is gespannen en een handvat waarmee men tennis kan spelen
tennisracket
noun
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
tält
noun
1. het toetsen van kennis opgedaan bij één vak
tenta
tentamen
/
tɛnˈtonstɛlə(n)/
verb
1. voor een publiek toonbaar maken
ställa ut
/
tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
utställning
visning
/
ˈtɛn.zɛɪ/
conjunction
1. behalve wanneer
om inte
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
bröstvårta
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
terbium
verb
1. het beëindigen van een mensenleven op gerechtelijk bevel
avrätta
/
tɛrəm/
noun
1. een woord of uitdrukking
term
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
termit
/
tɛrˈmɛin/
noun
1. een vast tijdstip waarop iets gaat gebeuren of iets gebeurd moet zijn
andrum
/
tərˌnaʊərˈnot/
adverb
1. bijna niet, op het nippertje
med knapp nöd
adjective
1. ontmoedigd, somber vanwege tegenslag
nedslagen
noun
1. een vetoplossend oplosmiddel dat uit de sappen van bepaalde dennensoorten gewonnen kan worden
terpentin
noun
een met een horecaterras vergelijkbare plek in een tuin
terrass
/
tɛ'rɛin/
noun
1. een stuk grond van enige omvang
terräng
noun
1. grondgebied
territorium
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
terrorism
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
terrorist
/
tɛrsjɛːr/
adjective
tertiär
/
trʏχ/, /
təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
tillbaka
/
təˈrʏxbrɛŋə(n)/
verb
- 2. naar de eigenaar brengen
lämna igen
- 1. naar het punt van vertrek brengen
reklamera
/
təˈrʏχaːn/
verb
1. naar de punt van vertrek gaan
återvända
noun
1. ontstaan van een nieuw woord doordat een bestaand woord van een vermeend voorvoegsel, achtervoegsel of uitgang wordt ontdaan
omvänd ordbildning
/
tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /
tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
- 2. hoewel
fastän
medan
- 1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
medan
pronoun
1. naam van twee boeken uit het Nieuwe Testament
Thessaloniker
/
ˈtɛ.se.ˌrɑk/, /
ˈtɛ.se.ˌrɑkt/
noun
1. vierdimensionale hyperkubus
tesserakt
/
tɛst/
noun
- 3. toets
prov
test
- 1. probeersel
test
noun
- 1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
- 1. gedeelte van de bijbel
testamente
noun
1. teelbal, zaadbal
testikel
noun
1. een infectieziekte die door een gifstof leidt tot spierspasmen
stelkramp
/
ˈtøɣəl/, /
ˈtøʝəl/
noun
1. stuurriem van rijdier
tygel
töm
noun
1. datgene wat over is boven de gewenste hoeveelheid
överskott
/
təˈvredə(n)/
adjective
1. geen behoefte voelend om aanmerkingen te maken
nöjd
/
təvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel genoeg te hebben en voldaan te zijn
belåtenhet
verb
1. een arbeidsbetrekking verlenen aan iemand
sysselsätta
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
thailändska
/
ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /
ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
Thailand
noun
1. grijze stof van de tussenhersenen
talamus
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
tallium
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
teater
noun
1. blad van de theestruik
teblad
noun
1. een kleine lepel om thee mee te roeren
tesked
pronoun
1.de grootste rivier van Engeland
Themsen
noun
1. een gevoerde kap om de thee warm te houden
tehuv
noun
1. kan met deksel en schenktuit waarin een warme drank wordt bereid door bladeren in heet water te laten trekken
tekanna
/
tema/
noun
1. een onderwerp dat behandelt wordt
tema
noun
1. aanhanger van het politieke stelsel waarbij men God ziet als de uiteindelijke heerser
teokrat
noun
1. staatsvorm die gebaseerd is op goddelijke
teokrati
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
teologi
noun
1. een beoefenaar van de theologie
teolog
/
ˌteɔːˈretis/
adjective
1. wat niet perse in de werkelijkheid voorkomt, m.b.t. feiten en wetten berustende ...
teoretisk
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
teori
noun
iemand die een patiënt behandelt
terapeut
noun
1. een methode om aan de genezing van zieken te werken
terapi
noun
1. elektronisch muziekinstrument
theremin
noun
1. een poedermengsel van een onedel metaal, gewoonlijk aluminium, en een oxide van een edeler metaal, vaak ijzer of koper
termit
noun
1. de leer van warmte en arbeid
termodynamik
/
ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
termometer
noun
1. synoniemenwoordenboek
synonymordbok
/
ˈtiosɵlˌfat/
noun
1.
tiosulfat
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
torium
/
tœʏs/, /
tœːs/
noun
1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
hemma
noun
1. multimedia opstelling die van een huiskamer een bioscoopzaak maakt
hemmabio
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
tulium
pronoun
2. de rivier die stroomt door Rome
Tibern
pronoun
- 1. autonome regio
- 1. voormalig land
Tibet
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
tibetanska
tibetansk
pronoun
- 1. Zwitsers kanton
- 1. zijrivier van de Po
Ticino
cardinalNumeral
1. het getal 10
tio
noun
2. kerkbelasting
tionde
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
tionde
adjective
- 1. 10 jaren durend
tioårig
- 2. met de leeftijd van 10 jaar
tioårig
tioåring
noun
1. levend wezen dat 10 jaar oud is of iets dat 10 jaar bestaat
tioåring
noun
1. biljet van tien euro
tia
noun
1. vrouwelijke borst
bröstvårta
pronoun
1. taal gesproken door meer dan 5 miljoen mensen in Eritrea, Ethiopië, Duitsland en Israël
tigrinska
/
tɛit/, /
tɛɪ̯d/, /
tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
tid
adjective
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
temporär
adverb
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
för tillfället
preposition
1. gedurende de tijd dat
under
noun
1. iemand die in dezelfde historische periode leefde
samtida
/
ˈtɛːtmɑˌʃinə/, /
ˈtɛːɪtmɑˌʃinə/
noun
1. machine om mee door de tijd te reizen
tidsmaskin
adjective
1. een aanzienlijke hoeveelheid tijd vereisend
tidsödande
noun
1. het laten zien hoe laat het is; het laten zien wanneer iets gebeurd is
tidsangivelse
noun
1. blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
tidskrift
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
tiger
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
timjan
/
ˈtɪkə(n)/
verb
1. een of meer keren een niet harde slag of klap geven
peta
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
snickare
timmerman
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
snickare
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noordwest-Australië en Timor
Timorsjön
noun
scheikundig element
tenn
noun
1. Italiaans dessert
tiramisu
/
tirɑ'nik/
adjective
1.
tyrannisk
pronoun
- 1. regio
- 2. deelstaat van Oostenrijk
Tyrolen
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
titan
noun
- 1. opschrift van een document
- 2. aanduiding van een persoon
titel
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
gransångare
verb
1. brood roosteren
skåla
noun
1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
tillträde
adjective
1.te bereiken
tillgänglig
noun
1. benaming voor tropische vogels uit de familie Ramphastidae
tukan
adjective
1. van de tijd die komen gaat
framtida
verb
1. verduidelijken
förklara
/
tun/
adverb
1. op of na dat tijdstip
då
noun
1. het groter worden in aantal of maat
ökning
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
tundra
noun
1. de mate waarin iets praktisch te gebruiken is
tillämplighet
verb
1. in de praktijk brengen
tillämpa
noun
1. het reizen voor ontspanning
turism
noun
1. een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
turist
adjective
1. een plaats die veel toeristen aantrekt
turistisk
/
tusxɔuər/
noun
1. iemand die naar iets kijkt
vittne
verb
1. iets niet verbieden, iets mogelijk maken
tillåta
/
'tustɑnt/
noun
geheel van omstandigheden
tillstånd
noun
een toezegging dat iets geoorloofd is
samtycke
noun
1. gerecht waarmee een maaltijd kan worden afgesloten
efterrätt
noun
3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
knapp
/
ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
tangentbord
noun
1. steen voor het bepalen van het goudgehalte
probersten
/
ˈtuːvɑl/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
slump
tillfällighet
/
'tuvlut/
noun
1.
tillströmning
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
lägga till
noun
1. datgene wat met een groter geheel verenigd wordt
addition
noun
2. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
affix
noun
1. het in de gaten houden, het letten op
uppsikt
/
'to.ɣo/, /
ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Togo
/
tʋɑ'lɛt/
noun
1. een plaats waar men zich kan ontlasten
toalett
/
ˈtɔki ˈpoːnaː/
pronoun
1. bepaalde minimalistische kunsttaal
toki pona
pronoun
1. de hoofdstad van Japan
Tokyo
noun
1. snaarinstrument waarvan de snaren worden getokkeld
knäppinstrument
/
tɔl/
noun
2. kinderspeeltuig
snurra
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
tolk
noun
1. weg voor het gebruik waarvan betaald moet worden
betalväg
/
toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
tomat
noun
1. een vruchtensap dat uit tomaten is bereid
tomatjuice
noun
1. röntgenfoto waarbij slechts één vlak scherp wordt afgebeeld (doorsnede)
tomografi
noun
3. een gewichteenheid van 1000 kilogram
ton
noun
1. iemand die een toneelstukken schrijft
dramatiker
/
tonə(n)/
verb
2. laten zien
visa
noun
1. traditioneel Okinawaans wapen
tonfa
noun
- 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
- 2. wat gesproken wordt
tunga
noun
1. een gewelf in de vorm van een halve cilinder
volta de canó
tunnvalv
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
tonfisk
/
ton/
noun
een geluid met een bepaalde herkenbare hoogte
nyans
noun
1. het klankkarakter van een toonladder
tonart
noun
1. een stijgende of dalende opeenvolging van tonen
skala
noun
1. hoogste punt, (bovenste) uiteinde
bergstopp
adjective
1. de borsten bloot latend
topless
adjective
1. verband houdend met de nauwkeurige beschrijving van een gebied
topografisk
noun
1. een eigennaam die een geografisch begrip benoemt
toponym
/
tɔːrə(n)/
noun
- 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
- 1. een hoog bouwwerk
torn
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
tornfalk
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
tornado
tromb
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
hej då
ajö
hej så länge
vi ses
noun
1. alle onderdelen tezamen
summa
/
tɑu̯/
noun
1. een middel om zaken bij elkaar te binden
rep
noun
1. een mannelijk iemand die kan toveren
trollkarl
noun
1. magisch handboek
svartkonstbok
noun
1. giftigheid
toxicitet
/
ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /
ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
toxikologi
/
ˌtɔk.si.ko.ˈlo.ɣis/, /
ˌtɔk.si.ko.ˈlo.ɣɪs/, /
ˌtɔk.si.ko.ˈlo.χis/
adjective
1. met betrekking tot gifstoffen
toxikologisk
/
ˌtɔk.si.ko.ˈlox/, /
ˌtɔk.si.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
toxikolog
noun
1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
tår
noun
1. klier, gelegen boven de oogbollen, die traanvocht produceert
tårkörtel
/
ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
traktor
/
tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
traditionell
phraseologicalUnit
traditionell kinesiska
/
traˈxedi/
noun
- 1. een toneelspel dat handelt over een bedroevende gebeurtenis
- 2. gebeurtenis met een droevige of rampzalige afloop
tragedi
adjective
1.met een lach en een tran
sorglustig
verb
1. het doen van lichamelijke oefeningen
träna
noun
1. een oefening
träning
noun
1. de af te leggen of afgelegde weg van een voorwerp door de ruimte
bana
/
tram/, /
trɑm/, /
trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
spårvagn
/
ˈtra.nə(n).ˌdɑl/, /
ˈtra.nə(n).ˌdɑɫ/
noun
- 1. plek van enorm verdriet
- 2. alle verdriet en smart gevoeld in het leven
jämmerdal
/
trɑnsˈkrɪpsi/
noun
- 1. de conversie naar een geschreven tekst van een andere geschreven, getypte of gedrukte tekst.
- 2. het vastleggen van de uitspraak van een gesproken tekst op schrift.
- 3.
- 4. het omzetten van een muziekstuk naar een andere vorm of bezetting.
transkription
abbreviation
transformator
adjective
1. lichtdoorlatend
genomskinlig
noun
1. doorzichtbaarheid
genomskinlighet
verb
1. in een andere toonsoort overzetten
transponera
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
transportera
frakta
noun
- 1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
trappa
- 1. benaming voor vogels uit de familie Otididae
trapp
/
trɑˈpezə/
noun
1. een zweefrek voor acrobaten
trapets
/
trɑˈpezɪʏm/
noun
1. een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
trapets
noun
- 2. satelliet
drabant
satellit
- 1. handlanger
hejduk
noun
1. taps toelopende buis, gebruikt voor het vullen van vaten
tratt
/
tre/
noun
1. opstapje dat deel uitmaakt van een trap
steg
noun
1. een titelwoord van een stuk tekst in een catalogus, woordenboek of encyclopedie
uppslagsord
stickord
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
tåg
noun
1. een speciale werkruimte in een laboratorium voor het werken met chemicaliën
dragskåp
verb
- 2. een lijn aanbrengen
- 3. een lange tocht uitvoeren
dra
- 1. op een voorwerp een kracht uitoefenen in een richting die ervan wegvoert
dra
draga
- nog te sorteren
dra
draga
hala
noun
1. een vogel die 's winters een andere verblijfplaats kiest dan in de broedtijd
flyttfågel
/
trɛkzɑk/
noun
1. een instrument met een blaasbalg die een wisseltonig stelsel doorslaande tongen bedient in diatonische stemming
durspel
noun
1. diakritisch teken
trema
noun
1. bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, Salix babylonica
tårpil
noun
2. overlegprocedure, in het wetgevend proces, tussen Parlement, Commissie en Raad van de EU
trilog
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
triangel
noun
1. meetmethode die gebruikmaakt van het feit dat een driehoek volledig bepaald is als...
triangulering
noun
1. de plaatsen voor het publiek
tribun
cardinalNumeral
1. 1.000.000.000.000.000.000.000 (1021)
triljard
noun
1. een periode van drie maanden
termin
/
ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /
ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /
ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
Trinidad och Tobago
noun
1. een muziekstuk voor drie spelers
trio
noun
2. grootse overwinning of prestatie
triumf
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
trofé
noun
1. een driekantige platte schep met handvat voor het opbrengen van metselspecie
murslev
noun
- 1. een langgerekte voederbak.
- 2. een langgerekte, nauwe en diepe kloof in de zeebodem veroorzaakt door subductie van een tektonische plaat.
tråg
/
'trɔ.li.bɵs/
noun
trådbuss
/
ˌtrɔmboˌsitopeˈni/
noun
1. het symptoom dat men een te laag aantal bloedplaatjes of trombocyten heeft.
trombocytopeni
noun
1. een koperen blaasinstrument
basun
trombon
noun
1. de vorming van een bloedprop in een bloedvat of het hart
blodpropp
noun
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
trumma
noun
1. onderdeel van een wiel, waarin twee halfcirkelvormige lichamen van binnenuit tegen de wand van een cilinder rond de as worden gedrukt
trumbroms
noun
1. het strakgespannen vel van een trommel dat geluid maakt als erop wordt geslagen
trumskinn
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
trumpet
verb
1. het geluid van een olifant
trumpeta
/
troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
tron
noun
1. steun bij verdriet of pijn
tröst
verb
1. als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven
trösta
noun
1. hoofddeksel
tropikhjälm
noun
3. een scheepskabel
tross
adjective
1. erg blij met wat men (bereikt) heeft
stolt
noun
1. stroming binnen het leninisme, die Stalins politiek te weinig marxistisch vindt en een minder autoritaire en meer internationalistische benadering voorstaat
trotskism
/
trɔˈtʋar/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
trottoar
noun
1. rondreizend kunstenaar
trubadur
/
ˈtrɑuwəns/
adverb
1. overigens
förresten
/
tryk/
noun
1. een handeling om op een slimme manier een doel te bereiken
knep
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
tröja
/
tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
tsar
/
tʃad/, /
tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Tchad
/
ˈtʃɛxis/, /
ˈtʃɛxɪs/, /
ˈtʃɛχis/
adjective
1. op Tsjechië betrekking hebbend
tjeckisk
/
ˈtʃɛxis/, /
ˈtʃɛxɪs/, /
ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
tjeckiska
tjeckisk
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
Tjeckiska Republiken
/
ˈtʃɛxi.jə/, /
ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
Tjeckien
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
Tjeckoslovakien
/
tʃɛnobil/
pronoun
Tjernobyl
pronoun
1. een taal die in Tsjetsjenië gesproken wordt
tjetjenska
/
tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
tsunami
flodvåg
noun
1. een koperen blaasinstrument met lage toon
tuba
/
ˌtybɛrky'løs/
adjective
1. met betrekking tot tuberculose
tuberkulös
/
ˌtybɛrkyˈlozə/
noun
1. een ziekte veroorzaakt de de tuberculosebacterie Mycobacterium tuberculosis
tuberkulos
/
tœy̯x/
noun
4. harnas
seldon
noun
1. het geheel van masten, bomen, zeilen en touwwerk van moderne zeilschepen
rigg
noun
1. Tursiops truncatus, dolfijnsoort met robuust gestroomlijnd lichaam
öresvin
/
tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
trädgård
noun
1. vorm van gewassenkwekerij die zich specifiek toelegt op het intensief telen van groenten, bloemen, planten, bomen, bollen of zaden
hortikultur
/
'tœn.bruk/
noun
1. een mouwloze overal met gespen
snickarbyxor
noun
1. Sylvia borin, een zangvogel ...
trädgårdssångare
/
ˈtœʏnhœʏs/
noun
1. een gebouwtje in een tuin voor recreatief gebruik
kolonistuga
noun
1. en 2. cultuurplant en eetbaar kruid Lepidum sativum
smörgåskrasse
kryddkrasse
verb
schenkpijp aan een kan of ketel
pip
/
ty.ˈne.zi.jə/, /
tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
Tunisien
noun
1. lange bloes of korte jurk vaak gedragen over een lange broek door vrouwen
tunika
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
tunnel
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
turbin
/
ˌtyːrəˈlyːr/
noun
1. een weidevogel
rödbena
verb
1. veen als brandstof
torv
noun
1. het delven en gebruiksklaar maken van turf
torvutvinning
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
Turin
/
tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
turk
/
tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /
tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
Turkiet
pronoun
1. de taal die door de Turkmenen in Turkmenistan en Afghanistan gesproken wordt
turkmeniska
/
tʏrˈkojs/, /
tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
turkos
/
tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
turkiska
turkisk
noun
1. bepaald soort tuinplant, Lilium martagon
krollilja
pronoun
1. stad in Finland
Åbo
/
ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
mellan
/
ˌtʏsənˈdoːrtjə/
noun
1. een versnapering, iets te eten tussen de maaltijden door
mellanmål
/
ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
interjektion
verb
1. elkaar met jij en jou aanspreken
dua
/
ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
Tuvalu
pronoun
1. Austronesische taal, gesproken door 13.080 mensen in Tuvalu, Fiji, Kiribati, Nauru en Nieuw-Zeeland
tuvaluanska
/
twaːlf/, /
tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
tolv
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
tolfte
adjective
- 1. 12 jaren durend
tolvårig
- 2. met de leeftijd van 12 jaar
tolvårig
tolvåring
noun
1. levend wezen dat 12 jaar oud is of iets dat 12 jaar bestaat
tolvåring
/
tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
två
tu
/
tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
tvåa
två
/
ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
andra
noun
1. 26 december
Annandag jul
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
Andra världskriget
/
ˈtweːˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 200
tvåhundra
cardinalNumeral
1. het getal 250
tvåhundrafemtio
/
tweˈjarəx/
adjective
- 1. 2 jaren durend
tvåårig
- 2. met de leeftijd van 2 jaar
tvåårig
tvååring
noun
1. levend wezen dat 2 jaar oud is of iets dat 2 jaar bestaat
tvååring
noun
1. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
skymning
/
ˈtwelɪŋ/, /
ˈtʋelɪŋ/, /
ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
tvillingar
tvilling
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 21 mei tot 21 juni
Tvillingarna
noun
1. kamer waar twee personen kunnen slapen
dubbelrum
noun
2.iets met belangrijke, duidelijke voordelen maar met minstens even belangrijke, vaak minder duidelijke nadelen.
tveeggat svärd
noun
1. een voorgestelde manier om het Israëlisch-Palestijns conflict te beëindigen, door twee onafhankelijke staten op te richten op het grondgebied van het voormalige mandaatgebied Palestina (historisch Palestina)
tvåstatslösning
noun
1. wezen dat op twee voeten loopt
tvåfoting
cardinalNumeral
1. het getal 32
trettiotvå
cardinalNumeral
1. het getal 22
tjugotvå
cardinalNumeral
1. het getal 42
fyrtiotvå
cardinalNumeral
1. het getal 52
femtiotvå
/
ˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 72
sjuttiotvå
pronoun
1. taal die oorspronkelijk door de Ashanti's gesproken werd
twi
/
ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
tvivel
tvekan
/
twɛɪ̯x/, /
tʋɛɪ̯χ/, /
tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
kvist
/
ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
tjugo
adjective
- 1. 20 jaren durend
tjugoårig
- 2. met de leeftijd van 20 jaar
tjugoårig
tjugoåring
noun
1. levend wezen dat 20 jaar oud is of iets dat 20 jaar bestaat
tjugoåring
/
tɑjˈkuːn/
noun
1. een rijk persoon die een groot deel van een bepaalde bedrijfstak in handen heeft.
magnat
/
tiˈfon/, /
tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
tyfon
noun
1. door bepaalde karakteristieken herkenbare soort
typ
adjective
1. wat kenmerkend is voor iets of iemand
karakteristisk
adjective
2. kenmerkend
typisk
noun
2. grafische vorm van tekst
typografi
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
Tyrrenska havet
/
yː/
personalPronoun
u (pers.vnw.)
Ni
noun
1. bocht van 180°
U-kurva
/
ˈyfo/
noun
1. vliegend voorwerp waarvan de identiteit niet bekend is, meestal in verband met een (vermeende) buitenaardse oorsprong
UFO
/
œʏ̯/, /
œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
lök
/
œyjəsup/
noun
1. een uit uien bereide soep
löksoppa
noun
1. de melkklier van een herkauwer
juver
/
œʏ̯ɫ/, /
œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
uggla
uv
/
œʏ̯t/, /
œːt/
adverb
- 1. niet aan, stand van een apparaat
av
- 2. balsport term voor als de bal buiten de lijnen van het speelveld is geraakt
uppe
/
œʏ̯t/, /
œːt/
preposition
1. geeft aan van welke plaats iets komt
uppe
/
ˈœytˌadəmən/
verb
andas ut
noun
2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
eruption
verb
1. in beeld voorstellen
agera
verb
1. iets een groter oppervlak laten innemen
förlänga
/
ˈœʏdaχɪŋ/, /
ˈœːdaɣɪŋ/
noun
1. taak die moeilijk te verwezenlijken valt
utmaning
verb
1. een gevoel of gedachte in taal verwoorden
framföra
uttala
/
ˈœytrʏkɪŋ/, /
ˈœːdrʏkɪŋ(g)/, /
ˈœːtrʏkɪŋ/
noun
- 2. verbinding van woorden
- 3. geheel van sprekende gelaatstrekken
- 4. het uitdrukken, uiting
uttryck
/
œʏˈtɛɪndələk/
adverb
1. na een hele tijd
slutligen
till slut
/
ˈœʏ̯tə(n)/, /
ˈœːtə(n)/
verb
2. zeggen
fullständig
verb
1. langzaam stap voor stap stoppen van een dienst of levering van een product
utfasa
verb
- 4. naar buiten gaan
gå ut
- 1. ophouden met branden
- 3. naar de bar, disco of restaurant gaan
slockna
/
'œʏtχɑŋ/, /
'œːtɣaŋ/
noun
utgång
/
'œytxəmɛrxəlt/
adjective
1.
utmärglad
adverb
1. dodelijk vermoeid
utmattad
verb
- 1. financiële middelen aanspreken
- 2. een geschrift in drukvorm verspreiden
ge ut
noun
1. een persoon die of bedrijf dat boeken of andere publicaties in omloop brengt
ansvarig utgivare
/
œʏtˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens niet voorkomend
exotisk
noun
- 1. het dusdanig weinig voedsel laten nuttigen dat dit op den duur verhongering tot gevolg heeft, meestal doelbewust
- 2. het uitgehongerd/verhongerd zijn
svält
noun
het vermogen van iemand om zich voor een lange tijd in te spannen of pijn te verdragen
härdighet
noun
1. betaling van geld op basis van sociale wetgeving
betalning
verb
1. uit een aantal mogelijkheden één of meer selecteren
utvälja
verb
- 1. naar buiten komen
- 5. het bekend worden
- 6. iets als resultaat hebben
bli
- 7. rondkomen
klara sig
/
ˈœʏ̯tlat/, /
ˈœːtlaːt/
noun
1. een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden
utsläpp
verb
1. een gevangene in handen van een andere autoriteit overdragen
utlämna
/
'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
verb
1. iemand verzoeken iets bij te wonen
inbjuda
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
inbjudan
/
ˈœʏtpɑkə(n)/, /
ˈœːtpɑkə(n)/
verb
- 1. uit een verpakking halen
- 2. uit een omhulsel halen
öppna
noun
1. uitputtende oorlog, oorlogsvoering
utnötningskrig
noun
1. een plaats of opening waardoor of waarlangs men kan of moet uitrijden
utgång
verb
1. doden tot er niets meer te doden valt
utrota
/
ˈœtruːp/, /
ˈœytruːp/
noun
1. wat men uitroept, luid geuite woorden of klanken
interjektion
verb
- 1. officieel verklaren
proklamera
- 2. uit emotie luid roepen
utbrista
noun
1. !, een leesteken dat uitdrukt dat de zin een uitroep, bevel of uitdrukking van verbazing is
utropstecken
noun
1. benodigdheden voor een taak
utrustning
/
ˈœʏtslapə(n)/, /
ˈœːtslapə(n)/
verb
1. 's ochtends langer slapen dan normaal
ha sovmorgon
verb
1. niet langer tot de mogelijkheden rekenen
utesluta
/
œytspra:k/
noun
1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
uttal
noun
1. woordenboek dat ook aangeeft hoe de woorden uitgesproken moeten worden
uttalsordbok
noun
2. kort plezierreisje
utflykt
noun
2. biologisch materiaal van de baarmoedermond dat op een objectglaasje wordt uitgesmeerd
gynekologiskt cellprov
/
ˈœytrɛkə(n)/
verb
1. van je lichaam af halen
ta av
noun
1. persoon die uitvindingen doet
uppfinnare
noun
1. de daad van het uitvinden, het ontdekken van een nieuwe methode of een nieuw toestel
uppfinning
adjective
1. mogelijk om uitgevoerd te worden
exekverbar
verb
2. afhandelen, voltrekken, ten uitvoer brengen
utföra
noun
2. vaste uitgescheiden afvalstoffen van een mens of dier
avföring
noun
1. complete uitrusting van kleren, linnengoed, borden, etc. van een bruid of bruidspaar
brudkista
noun
- 1. wat men van de omgeving vanaf een bepaalde plek kan zien
- 2. verwachting, iets waar men naar kan uitzien
utsikt
/
œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
undantag
/
œʏtˈzɔndərlək/
adjective
1. niet alledaags, niet gewoon
exceptionell
noun
1. een lichtbewapende bereden soldaat in enkele Europese legers
ulan
/
ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
ultimatum
noun
1. blauwe verfstof, blauw pigment dat van nature wordt aangetroffen in het mineraal lazuriet
ultramarin
adjective
1. van elektromagnetische straling, net buiten het gebied van het spectrum dat met het menselijk oog zichtbaar is
ultraviolett
/
ˈumlʌʊt/
noun
- 1. trema dat een vocaalwijziging aangeeft
- 2. vocaalwijziging o.i.v. een klinker in de volgende lettergreep
omljud
/
ʏnɑˈnim/
adjective
1. met eenheid van stemmen
samstämmig
noun
2. eenmalige gebeurtenis of keer
unikum
/
y.ˈnik/
adjective
1. enige in zijn soort
unik
adjective
1. alom bekend, vertegenwoordigd of erkend
omfattande
/
ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
universitet
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
universum
/
ʌnstər/
noun
1. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op een balans met ongelijke armen
besman
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Untergruppenbach
noun
1. scheikundig element met symbool Uub en atoomnummer 112
ununbium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuh en het atoomnummer 116
ununhexium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuo en het atoomnummer 118
ununoctium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uup en het atoomnummer 115
ununpentium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuq en het atoomnummer 114
ununquadium
noun
1. een gemoderniseerde versie van een computerprogramma
uppdatering
verb
1. een bestand van een lokale computer of server naar een computer of server op afstand overbrengen
ladda upp
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
uran
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
uran
noun
1. een trek van de landelijke gebieden naar de stad
urbanisering
pronoun
1. de officiële taal van Pakistan en een van de officiële talen van India
urdu
noun
2. Ethylcarbmaat
uretan
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
urinrör
noun
1. de mate waarin iets dringend gewenst of nodig is
angelägenhet
nödvändighet
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
urin
noun
1.bij zoogdieren een orgaan dat de urine uit de nieren verzamelt en deze opslaat tot het moment van urineren
urinblåsa
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
urinrör
noun
1. de buis die loopt tussen het nierbekken en de blaas
urinledare
/
ˌyriˈnɪːrə(n)/
verb
1. het via de blaas lozen van lichamelijke afvalstoffen in de vorm van vloeistof
urinera
noun
1. eerste betekenisomschrijving
urna
/
ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /
ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /
ˈuruˌɡwe/, /
ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
Uruguay
/
yʔɛsˈbeʔstɪk/
noun
USB-minne
/
ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
utopi
/
ˈytrɛx/, /
ˈytrɛxt/, /
ˈytrɛχt/
pronoun
2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
Utrecht
/
yːr/
noun
1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
timme
noun
1. een mechaniek dat de tijd bijhoudt of aangeeft
ur
noun
druvhinneinflammation
/
yu̯/
possessivePronoun
bezittelijk voornaamwoord uw
er
/
vaːk/
adverb
1. vele malen
ofta
noun
± onderscheidende vlag van een schip en/of militaire eenheid
fana
noun
1. een aspirant-reserveofficier
fänrik
noun
- 1. opgebouwde snelheid
fart
- 2. kanaal, bevaarbaar gemaakte watergang
kanal
- 3. het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
sjöfart
spedition
/
ˈvaːrtœx/, /
ˈvaːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel op water
fartyg
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
vas
pronoun
1. stad in Finland
Vasa
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
diskmaskin
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
diskmaskin
/
vakˈsæː/, /
vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
vaccin
noun
1. materievrije ruimte
vakuum
tomrum
noun
1. een mannelijke ouder
fader
far
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
Fars dag
fars dag
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
fosterland
fädernesland
/
ˈva.ɣə.ˌvyːr/, /
ˈva.χə.ˌvyːr/
noun
1. een toestand waar de zielen van gestorven personen gereinigd worden.
skärseld
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
vagina
/
vɑˈkɑn(t)si/
noun
1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
frí
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
fackförening
noun
1. een man die zijn vak of professie verstaat
hantverkare
noun
1. (onderwijs) school waar men voor een bepaald vak wordt opgeleid
fackskola
/
vɑɫ/
noun
10. apparaat met een vallende deur of klem met als doel dieren te vangen
fälla
noun
1. 14 februari, de dag van de verliefden
Alla hjärtans dag
/
ˈvɑlhɛlm/
noun
1. beschermend hoofddeksel
störthjälm
/
vɑlk/
noun
1. roofvogel
falk
noun
1. bedrijver van valkerij
falkenerare
/
vɑlkə'rɛɪ/
noun
1. africhten van roofvogels
falkenering
noun
1. een laagte tussen bergen
dal
verb
1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
falla
noun
1. mythologisch ondood wezen
vampyr
preposition
- 1. geeft bezit aan
av
från
- 2. geeft herkomst aan
från
av
phraseologicalUnit
1. oprecht en onvoorwaardelijk
helhjärtat
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
vanadin
adverb
1.duidt een tijdstip aan waarna (en waarop) iets geldt
från och med
adverb
1. op deze dag
idag
i dag
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
skadegörelse
vandalism
verb
- 1. te pakken krijgen
- 2. onderscheppen
fånga
/
ˈvɑŋ.re(i)l/
noun
1. metalen stroken langs autowegen, die dient om te voorkomen dat auto's van de rijbaan raken
vägräcke
/
vɑŋs/, /
vɑŋst/
noun
fångst
/
vɑ'nijə/
noun
een smaak- en geurstof geëxtraheerd van de vanilleplant
vanilj
noun
1. vloeistof onttrokken aan vanillestokjes in een ethanol oplossing
vaniljextrakt
adverb
- 1. de komende nacht
- 2. de afgelopen nacht
i natt
/
va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
Vanuatu
noun
1. Varanidae, de grootste levende hagedis
varan
noun
1. een sporenplant
bräken
ormbunke
noun
- 2.
svin
- 1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
svin
gris
pronoun
1. baai op de Cubaanse kust
Grisbukten
noun
onder-/zijkant van de buik van een varken
sidfläsk
noun
2. lever van een varken
grislever
noun
1. vaatvernauwing
vasokonstriktion
/
vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
fastland
verb
1. zich onthouden van voedsel
fasta
verb
1. iets of iemand grijpen en vasthouden
gripa
noun
1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
fat
/
vatiˈkanstɑt/, /
vatiˈkaːnstɑd/, /
vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
Vatikanstaten
noun
1. middeleeuws, meestal vijfsnarig strijkinstrument
fiddla
/
veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
boskap
/
feɪɫ/, /
veːl/
indefiniteCardinalNumeral
1. groot in hoeveelheid
mycket
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
månghörning
polygon
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
järv
noun
1. het veel mogelijkheden of kwaliteiten hebben; het geschikt zijn voor veel taken
flexibilitet
/
veːr/, /
vɪːr/
noun
- 2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
- 1. lichaamsbedekking van een vogel
fjäder
noun
- 2. herstellingsvermogen van iemands gestel of gemoed
- 1. elasticiteit
elasticitet
noun
1. een persoon die een veer bedient
färjkarl
färjekarl
noun
1. een overzetvaartuig
färja
/
ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
fjorton
ordinalAdjective
fjortonde
adjective
- 1. 14 jaren durend
fjortonårig
- 2. met de leeftijd van 14 jaar
fjortonårig
fjortonåring
noun
1. levend wezen dat 14 jaar oud is of iets dat 14 jaar bestaat
fjortonåring
/
ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
fyrtio
fyrti
verb
1. zonder water schoonmaken met een borstel
sopa
adjective
1. als of voor vegetariërs
vegetarisk
/
ˈvɛilə(n)/
verb
1. verkopen op een openbare verkoping waar een prijs vastgesteld wordt
auktionera
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
säker
noun
1. een stevige band die iemand in een voer- of vliegtuig vasthoudt in zijn zetel ter bescherming tegen onverhoedse bewegingen
säkerhetsbälte
noun
1. een klep die een opening in een reservoir of een leiding afsluit en die geopend wordt als de inwendige spanning te hoog wordt
säkerhetsventil
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
FNs säkerhetsråd
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
säkerhetsnål
/
ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /
ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
auktion
noun
- 1. dunne laag
blad
- 2. afgestroopte huid
skinn
hud
/
vɛlt/
noun
- 1. open stuk land
- 2. stuk land voor het bedrijven van een sport
- nog na te kijken
fält
noun
1. een simpel bed op pootjes dat snel geplaatst kan worden
fältsäng
/
ˈvɛltflɛs /
noun
1. een afsluitbare en draagbare fles, meestal uit metaal of plastic vervaardigd, die gebruikt wordt om de drager buitenshuis van vocht te voorzien
vattenflaska
noun
1. en 2. (bladeren van) kruidachtige plant Valerianella locusta
vårklynne
fältsallat
vintersallat
noun
1. een treffen tussen twee of meer legers
batalj
fältslag
/
ˈvɛld.zyː.rɪŋ/, /
ˈvɛɫ.tsyː.rɪŋ/
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Rumex acetosa
ängssyra
/
vɛlx/, /
vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
fälg
verb
1. neer doen komen, doen vallen
fälla
adjective
1. met betrekking tot de geslachtsziekten
venerisk
pronoun
1. een taal die in de Veneto-regio gesproken wordt
venetiansk
/
/
pronoun
1. provincie in Italië
Venedig
/
ˌvenəzyˈweːla/, /
ˌvenəzyˈβ̞ela/, /
ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
Venezuela
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
idegran
noun
1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
fänkål
noun
1. gedroogde zaden van Foeniculum vulgare
fänkålsfrön
noun
1. onderneming of bedrijf met meerdere aandeelhouders
bolag
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
fönster
adverb
1. op grote afstand
fjärran
avlägsen
/
vərˈɑxtə(n)/, /
vərˈɑçtə(n)/
verb
1. in hoge mate minachten
förakta
/
vərˈadəmɪŋ/
noun
1.
andrum
verb
1. een overdreven bewondering koesteren
idolisera
/
vɛ.ˈrɑf.sxy.wə(n)/
verb
1. afschuw hebben voor
avsky
verb
1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
förändra
noun
1. iets dat anders is geworden
ändring
adjective
- 1. iets met extra verplichtingen of moeilijkheden om het goed te laten lopen
- 2. de verantwoordelijkheid hebbend
ansvarig
adverb
1. er op aangesproken kunnen worden als het niet goed gaat
ansvarig
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
ansvar
adjective
1. met woorden
verbal
adverb
1. als je iets vreemd vindt omdat je het niet verwacht had
förvånad
verb
1. iemand van regeringswege dwingen een bepaald gebied te verlaten
bannlysa
verb
1. door iets onverwachts gevoelsmatig treffen
förvåna
noun
1. grote verwondering
förvåning
/
vər.ˈbeːɫ.dɪŋ/, /
vər.ˈbɪːɫ.dɪŋ/, /
vɛr.ˈbeːl.dɪŋ(g)/
noun
2. iets visualiseren, ergens een beeld bij maken
fantasi
verb
1. iets ergens plaatsen waar het niet gemakkelijk door anderen gevonden wordt
dölja
/
vər.ˈbe.tə,rɪŋ/
noun
1. een verandering ten goede
förbättring
verb
1. van staatswege in beslag nemen
konfiskera
/
vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
förbjuda
/
vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /
vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
- 3. communicatie
- 1. verbinden of samenvoegen
förbindelse
- 2. scheikunde
förening
blandning
sammansatt ämne
noun
2. twee-personen-verhouding waarbij de ene tot een prestatie gerechtigd, de andere tot dezelfde verplicht is
skyldighet
verb
1. alle kleur verliezen
blekna
noun
1. een plaats waar men, al dan niet noodgedwongen, verblijft
vistelseort
verb
1. verstomd doen staan van verbazing
förbrylla
/
vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
förbud
verb
1. verteerd worden door vuur of hitte
bränna
verb
2. het stelselmatig veranderen van de uitgang van een naamwoord al naargelang de functie van het woord in de zin
böja
/
vər.ˈbœʏ̯.χɪŋ/, /
vər.ˈbœː.ɣɪŋ/
noun
1. naamwoordsflexie
deklination
noun
1. iemand die verdacht wordt
misstänkt
verb
1. overgaan van een gecondenseerde fase, vast of vloeibaar, naar de gasfase
avdunsta
verb
1. beschermen tegen een aanval
försvara
verb
1. in kleinere stukken uiteendoen
dela
verb
1. het vermoeden hebben van iets slechts
misstänka
/
vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
misstanke
/
vərˈdɪxtsəl/
noun
1. iets dat niet bestaat
dikt
påhitt
verb
- 1. het recht op een beloning of bestraffing verwerven
- 2. geld verkrijgen door arbeid of een andere prestatie
förtjäna
noun
2. goede, opbouwende daad
förtjänst
/
vər.ˈdi.pɪŋ/
noun
- 1. het dieper maken
fördjupning
- 3. alle ruimten op één hoogte in een gebouw
våning
plan
noun
1. bereidheid om te aanvaarden dat anderen zich gedragen op een manier die je niet goed vindt
tolerans
fördragsamhet
noun
1. een gevoel van droefheid
sorg
verb
1.uit het land verjagen
fördriva
verb
2. iets (m.n. geld) ontvreemden/stelen
förskingra
verb
2. door toevoeging van oplosmiddel de concentratie verlagen
späda ut
/
vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
1. wegraken
försvinna
noun
1. het verdwijnen
försvinnande
/
vərenˈvʌʊdəχtʃiˌnes/, /
vərenˈvʌːdəxtʃiˌnes/
phraseologicalUnit
1. het schrift waarmee het Chinees met name op het vasteland van China geschreven wordt
förenklad kinesiska
/
vɛrɛɪsə(n)/
verb
1. nodig hebben
erfordra
/
vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /
vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /
vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
Förenade kungariket
Storbritannien
/
vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
Förenade Arabemiraten
Förenade arabemiraten
pronoun
1. unie van Egypte en Syrië van 1958 tot 1961, en de officiële naam van Egypte van 1961 tot 1971
Förenade arabrepubliken
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Amerikas förenta stater
/
və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /
və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /
vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Amerikas förenta stater
verb
1. afzonderlijke delen tot één geheel maken
förena
/
və.ˈre.nə.ɣɪŋ/, /
və.ˈre.nə.χɪŋ/, /
vər.ˈe.ni.ɣɪŋ(g)/
noun
1. groepering van mensen die op een bepaald doel gericht is
förening
sammanslutning
verb
1. erger worden of maken
förvärra
/
vɛrf/
noun
1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
färg
verb
1. fijner of gevoeliger maken
förfina
noun
1. iets preciezer aangepast maken
förfining
verb
1. mooier maken
försköna
verb
1. Franstalig maken/worden
förfranska
adjective
1. grote gevolgen hebbend
långtgående
/
vər.ˈɣa.də.rə(n)/, /
vər.ˈχa.də.rə(n)/, /
vɛr.ˈɣa.də.rə(n)/
verb
1. in vergadering bijeenkomen, een vergadering bijwonen
sammanträda
adjective
1. niet goed kunnen onthouden
förglömmande
verb
1. geel worden door veroudering of invloed van de omgeving
gulna
adjective
1. goed te vergelijken
jämförbar
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
jämföra
/
vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
- 2. wiskundige uitdrukking
ekvation
- 1. relatie tussen twee zaken
jämförelse
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
glömma
förgäta
verb
1. vergiffenis schenken
förlåta
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
föregivande
/
vərˈxit/
noun
1. teiltje met gaten
durkslag
/
vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
gift
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
förgifta
noun
de toestand van vergiftigd worden
förgiftning
verb
1. eerste betekenisomschrijving
fela
/
vərˈxudɪŋ/
noun
1. compensatie voor gemaakte kosten of geleden schade
betalning
noun
1. bolle lens waardoor de voorwerpen die men bekijkt groter lijken
förstoringsglas
lupp
verb
1. groter doen worden
förstora
/
vərˈɣrotəndə trɑp/
noun
1. de vorm die het bijvoeglijk naamwoord aanneemt in vergelijkingen
komparativ
noun
1. een toename in grootte
förstoring
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje goud
förgylla
noun
1. een officiële (noodzakelijke) toestemming om een bepaalde activiteit uit te voeren
licens
/
vər'ɦal/
noun
1. verslag (mondeling of schriftelijk) van een waargebeurde of verzonnen gebeurtenis
berättelse
verb
3. iemand ~ vreugde bereiden
glädja
verb
1. heviger worden
intensifieras
verb
1. voorkomen, ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
förhindra
noun
1. een indringende ondervraging van een gevangene of verdachte
förhör
/
vərˈɦɔʊ̯.dɪŋ/, /
vərˈɦʌʊ̯.dɪŋ/, /
vɛrˈhaʊ̯.dɪŋ/
noun
- 1.
- 2. de betrekking van personen onderling
- 3. een intieme, duurzame relatie tussen twee personen
förhållande
verb
- 1. van woonplaats veranderen
- 2. de inboedel van een ander overbrengen
flytta
/
vərˈhœʏzɪŋ/, /
vərˈhœːzɪŋ/
noun
1. de verwisseling van één (semi-) permanente woonplaats voor een andere
flytt
flyttning
verb
1. iets niet openlijk zeggen of tonen
hölja
verb
1. nagaan, controleren
verifiera
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
födelsedag
verb
1. jonger maken
föryngra
/
vər'jɔŋɪŋ/
noun
2. vernieuwen van de (levens)krachten
föryngring
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
trafik
samfärdsel
noun
1. gestandaariseerd bord met aanwijzingen voor mensen in het verkeer
trafikskylt
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
trafiksignal
trafikljus
verb
2. waarnemingen in een vijandelijk of onbekend gebied uitvoeren om strategische informatie in te winnen
rekognescera
noun
- 2. militaire verkenning
rekognosering
upptäckning
verb
1. iemand door een stemming een ambt doen toekomen
välja
/
vər.ˈki.zɪŋ/, /
vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
val
valakt
/
vɛrˈklarə(n)/
verb
- 2. een officieel standpunt uitspreken
förklara
betyga
- 1. duidelijk maken
förklara
utlägga
/
vər.ˈkla.rɪŋ/, /
vɛr.ˈkla.rɪŋ(g)/
noun
1 het verklaren
förklaring
verb
2. zich vermommen door andere kleren aan te trekken
klä ut
/
vərˈklɛɪ̯nʋɔːrt/
noun
1. woord waardoor iets als klein of weinig wordt voorgesteld
diminutiv
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
försäljning
/
vərˈkopə(n)/
verb
1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
sälja
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
försäljare
noun
1. een virusinfectie aan keel of neus
förkylning
adjective
2. geschikt of in een positie om verkracht te worden
våldtagbar
verb
1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
våldta
noun
1. een seksuele daad onder dwang
våldtäkt
verb
1. in bezit krijgen, verwerven
erhålla
/
vər'lɑmə(n)/
verb
1. van het vermogen zich te bewegen beroven
förlama
noun
1. toestand waarin men niet is staat is zich te bewegen
förlamning
noun
1. de voorafgaande tijd
dåtid
/
vərlenə(n)/
verb
1. iemand begunstigen met iets, iemand iets toestaan
bevilja
/
vərˈlɛŋə(n)/
verb
- 1. langer maken
- 2. langer laten duren
förlänga
/
vər.ˈlɛ.ŋɪŋ/, /
vɛr.ˈlɛ.ŋɪŋ/
noun
- 3. extra speeltijd
- 2. het verlengen
- 1. dat waarmee iets verlengd is
förlängning
noun
elektrisch snoer voorzien van stekker en contrastekker
förlängningssladd
verb
- 1. van licht voorzien
belysa
- 2. minder zwaar maken
lätta
noun
amoureuze gerichtheid op een bepaalde persoon
förälskelse
noun
1. het teloorgaan, kwijtraken
förlust
verb
1. iets kwijt raken
förlora
mista
noun
1. iemand die in een spel, wedstrijd, onderhandeling of oorlog verliest
förlorare
noun
1. iets wat heel aantrekkelijk is, maar verkeerd en zondig is
frestelse
noun
1. iemand die toegezegd heeft met een partner in het huwelijk te willen treden
fästman
fästmö
/
vər.ˈlɔ.sɪŋ/, /
vɛr.ˈlɔ.sɪŋ/
noun
1. de bevrijding van de gevolgen van de zonden van de mens door het geloof in Jesus
frälsning
verb
1.aan lichaamsgewicht verliezen
gå ner i vikt
verb
1. een feit noemen in een verhaal of tekst
nämna
verb
1. het herhaald optellen van een getal; een rekenkundige bewerking waarvan de uitkomst het product wordt genoemd
multiplicera
/
vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /
vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /
vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
- 2.een voortplanting
förökning
- 1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
multiplikation
/
vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
kringgå
undfly
noun
- 1. bepaalde rode kleurstof op basis van kwik(I)sulfide, HgS
cinnober
- 2. naar oranje zwemende dieprode kleur
vermillion
verb
2. doen afnemen in aantal, kleiner maken
reducera
noun
1. verkleining
minskning
verb
1. iemands lichaam blijvend en misvormend letsel toebrengen
stympa
adverb
1. naar men denkt, maar niet zeker weet
antagligen
förmodligen
noun
1. een waarschijnlijke waarheid
förmodan
verb
1. een gedachte koesteren waarvan men niet zeker is maar die een zekere waarschijnlijkheid inhoudt
anta
förmoda
/
vərˈmoχə(n)/
noun
2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen
effekt
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
mörda
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
vermouth
adjective
1. van iets dat het je eer aantast
förnedrande
/
vər.ˈni.lɪŋ/
noun
1. het vernield worden
skadegörelse
verb
1. een einde maken aan, het bestaan uitwissen van, volledig tenietdoen
annihilera
noun
1. einde maken aan het bestaan van iets
förintelse
verb
1. een bepaalde aanname maken
anta
adverb
1. gevoelens koesterend dat men te na gekomen is
uppbragt
/
və.rɔn.ˈtʋar.də.χɪŋ/, /
və.rɔn.ˈtβ̞ar.də.ɣɪŋ/, /
vɛr.ɔnt.ˈwar.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1. boosheid
förtrytelse
verb
1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
döma
verb
1. de oorzaak zijn van
förorsaka
/
vərovərə(n)/
verb
1. een gebied door een militaire operatie in zijn macht nemen
erövra
noun
1. het materiaal waarin iets verpakt is
förpackningsmaterial
noun
- 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
- 2. een deskundige in de verpleegkunde
sjukskötare
adjective
1. door iets of iemand gedwongen
obligatorisk
verb
1. tot regel maken dat iets moet
förplikta
/
vər.ˈplɪx.tɪŋ/, /
vər.ˈplɪχ.tɪŋ/, /
vɛr.ˈplɪx.tɪŋ(g)/
noun
1. iets dat moet
förpliktelse
plikt
/
vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
förräderi
svek
verb
2. een geheim prijsgeven
förråda
noun
1. iemand die verraad pleegt
förrädare
verb
1. iemand onverwachts met iets confronteren
överraska
/
və.ˈra.sɪŋ/, /
və.ˈrɑ.sɪŋ/, /
vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
överraskning
/
ˈvɛrəˌkɛːkər/, /
ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
kikare
verb
1. rijker maken
berika
noun
- 2. dichtregel
- 3. couplet
vers
/
vər'sxɛɪnə(n)/
verb
- 1. aan het licht treden, zichtbaar worden
- 3. voor het gerecht verschijnen
dyka upp
/
vɛrsxɛɪnsəɫ/
noun
1. iets dat zich voordoet
fenomen
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
skillnad
verb
1. in bepaalde opzichten niet hetzelfde zijn
ha en avvikande uppfattning
verb
1. door uitdroging rimpelig en klein worden
krympa
adjective
1. verplicht om aan iemand te geven
skyldig
/
ˈfɛrsi/
noun
- 1. specifieke vorm of variant van een uitgave
- 2. bepaalde verklaring of interpretatie van een gebeurtenis
version
/
vɛrˈsi:rə(n)/
verb
1. iets meer aantrekkelijk of mooier maken
pryda
smycka
noun
1. iets aangebracht om het uiterlijk fraaier te maken
utsmyckning
noun
1.iemand die verslaafd is aan iets
missbrukare
noun
reporter
korrespondent
verb
1. te lang blijven slapen met als gevolg dat men een afspraak mist
försova
verb
1. slechter worden
försämras
verb
1. grote hoeveelheden geheel verorberen
sluka
verb
1. een grotere snelheid (doen) bereiken
accelerera
noun
- 1. toename van het tempo
- 2. tweede tijdsafgeleide van de positie
acceleration
noun
1. een schakelinrichting aan een motorvoertuig om van de ene naar de andere versnelling te gaan
växellåda
/
vər.ˈstaːn/
verb
1. begrijpen van een uiting
förstå
noun
- te controlerende vertalingen
förnuft
- 2. denkkracht, denkvermogen (met betrekking tot het brein)
förstånd
verb
2. het aantal vergroten
förstärka
armera
noun
1. signaalversterker
förstärkare
/
vər.ˈstɛr.kɪŋ/, /
vɛr.ˈstɛr.kɪŋ(g)/
noun
- 1. het versterken
- 2. extra hulp in probleemsituaties
förstärkning
/
vərˈstɔ.pər.tjə/
noun
kurragömma
verb
1. ter beschikking stellen
tillhandahålla
noun
- 1. amusement
- 2. verspreiding over een groter gebied dan oorspronkelijk het geval was
förströelse
noun
1. in de poëzie gebruikte term voor een combinatie van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen
fot
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
översätta
/
vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
översättning
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
representant
företrädare
verb
1. een al of niet ware gebeurtenis verhalen
berätta
noun
1. een verhaal dat bedoeld is om verteld te worden
berättelse
verb
1. voedsel afbreken
smälta
verb
1. langzamer doen worden
sakta
/
vər.ˈtra.ɣɪŋ/, /
vər.ˈtra.χɪŋ/, /
vɛr.ˈtra.ɣɪŋ(g)/
noun
1. het langzamer gaan
försening
noun
2. de actie van het vertrekken of weggaan
avgång
avfärd
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
förtroende
tillit
noun
- 1 verslechteren
förfall
- 3 verschil in waterstand
nedgång
verb
1. een bedrieglijke kopie maken van een waardevol voorwerp
förfalska
/
vər.ˈvɑɫ.sɪŋ/, /
vɛr.ˈvɑl.sɪŋ(g)/
noun
1. een artefact opzettelijk nagemaakt om mensen in de waan te brengen dat het echt is
förfalskning
/
vər'vɑŋə(n)/
verb
1. het ene de plaats doen innemen van het andere
ersätta
verb
1. met verf bestrijken
färga
måla
verb
1. iets viermaal zo groot maken
fyrdubbla
verb
A.1 omvormen van een werkwoord om wijze, tijd en persoon uit te drukken
böja
konjugera
/
vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /
vər.ˈvu.χɪŋ/, /
vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
konjugation
/
vərˈvuːr/
noun
1. overbrenging van zaken van één plaats naar de andere
transport
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
frakta
transportera
noun
1. voorwerp bestemd om personen of goederen naar een andere plaats te brengen
transportmedel
/
vər'vɔlɣən/
verb
2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
förfölja
noun
2. het vervolgen of vervolgd worden
förföljelse
verb
1. de vorm van iets doen veranderen, meestal ten nadele ervan
vanställa
verb
1. vrouwelijk maken
feminisera
/
vərˈvœy̯lɪŋ/
noun
förorening
verb
1. het (doen) uitkomen van een voorspelling of belofte
uppfylla
adjective
1. niet de moeite om zich met iets bezig te houden
försumbar
verb
1. iets niet de benodigde verzorging schenken
negligera
verb
1. ergens van uitgaan
förvänta
vänta sig
/
vər.ˈʋɑχ.tɪŋ/, /
vər.ˈβ̞ɑx.tɪŋ/, /
vɛr.ˈwɑx.tɪŋ(g)/
noun
datgene wat verwacht wordt
förväntan
adjective
1. geparenteerd, familie zijnd
besläktad
noun
1. familielid
släkting
noun
2. overeenkomst, affiniteit
förhållande
/
vər.ˈʋɑr.mɪŋ/, /
vər.ˈβ̞ɑr.mɪŋ/, /
vɛr.ˈwɑr.mɪŋ(g)/
noun
- 1. het proces van verwarmen
- 2. een installatie die voor het verwarmen zorgt
uppvärmning
/
vɛrˈʋɛ.χɪsˌtɑn/, /
vɛrˈβ̞ɛ.ɣɪsˌtɑn/
pronoun
1. uithoek, een hypothetisch en oneindig ver land
Långtbortistan
/
vərˈʋɛrkə(n)/
verb
1. een grondstof of halffabrikaat gebruiken om een eindproduct te vervaardigen
bearbeta
noun
1. het verkrijgen van iets
förvärv
/
vərˈwɛɪ̯dərə(n)/, /
vərˈʋɛɪ̯dərə(n)/, /
vərˈβ̞ɛːdərə(n)/
verb
- 2. zich verwijderen
avlägsna
- 1. weghalen
avlägsna
ta bort
- de ingewanden van een vis of pluimvee verwijderen
rensa
/
vər'wɛift/
adjective
1.
fjollig
/
vər'ʋɛɪzə(n)/
verb
1. naar iets of iemand anders wijzen of sturen
hänvisa
noun
1. een vermelding van een bron waar meer informatie te vinden is
referens
/
vər.ˈʋɪ.sə.lɪŋ/, /
vər.ˈβ̞ɪ.sə.lɪŋ/, /
vɛr.ˈwɪ.sə.lɪŋ(g)/
noun
1. het verwisselen van twee zaken
förväxling
verb
1. ~ van iemand ergens van op de hoogte brengen
informera
verb
1. totaal vernielen
ödelägga
adjective
- 1. (onvoltooid deelwoord) vernielend
- 2. (bijvoeglijk naamwoord) vernielend
förödande
noun
1. lichamelijk letsel
skada
verb
1. minder erg maken
mjukna
verb
- 1. bijeenbrengen
- 2. een verzameling hebben of aanleggen
- 3. bijeenkomen
samla
/
vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /
vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
- 2. wiskundige verzameling
mängd
- 1. meerdere voorwerpen...
samling
verb
- 1. verklaren dat iets ...
- 2. tegen betaling van een premie ...
försäkra
/
vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /
vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
försäkring
noun
1. handelingen gericht tegen de heersende macht of de aanvallende vijand
motståndsrörelse
noun
1. beweging van het verzet, de gezamenlijke mensen die zich verzetten tegen een overheerser
motståndsrörelse
verb
4. met een laag zink afdekken
galvanisera
verb
1. aan iemand vragen iets al dan niet te doen
begära
anmoda
uppmana
verb
1. vrede laten sluiten
försona
verb
1. zuur (doen) worden
försura
noun
1.zuur worden van het milieu
försurning
/
vɛrzʋɑkə(n)/
verb
1. zwakker maken
försvaga
noun
1. een mouwloos jasje, te dragen onder de jas van het kostuum
väst
adjective
1. dik, vet inhoudend
fet
tjock
noun
- 1. gladde, zeer vette vloeistoffen, smeermiddelen
- 2. gespecialiseerd dierlijk weefsel
fett
/
vɛtblɑt/
noun
1.1 bepaald soort vleesetende plant, Pinguicula vulgaris
tätört
noun
- 1. een voormalig militair die gevochten heeft, een uitgediend krijgsman
- 2. een ervaren en oud persoon in een bepaald onderwerpgebied, zoals een sporter, geleerde, etc.
veteran
verb
1. een dier/persoon overvloedig en calorierijk voedsel aanbieden zodat deze in gewicht aankomt
göda
/
ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
fettsyra
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
föl
noun
1. een vezel is een lang, dun filament waarvan de lengte ten minste drie keer groter is dan de doorsnede
fiber
noun
1. communie gegeven aan een stervende als deel van de laatste sacramenten
viaticum
noun
1. marimba met metalen toetsen en vibratosysteem
vibrafon
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Victoria
/
viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
fyra
/
ˈviːrdə/
ordinalAdjective
1. nummer vier in een rij
fjärde
verb
1. een feest vieren
fira
cardinalNumeral
1. het getal 34
trettiofyra
cardinalNumeral
1. het getal 84
åttiofyra
cardinalNumeral
1. het getal 24
tjugofyra
cardinalNumeral
1. het getal 44
fyrtiofyra
cardinalNumeral
1. het getal 64
sextiofyra
/
ˈvirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 74
sjuttiofyra
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
fyrhörning
fyrkant
/
ˈviːrˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 400
fyrahundra
/
ˈviː.rɪŋ(g)/, /
ˈviː.rɪŋ/
noun
1. het vieren
firande
adjective
- 1. 4 jaren durend
fyraårig
- 2. met de leeftijd van 4 jaar
fyraårig
fyraåring
noun
1. levend wezen dat 4 jaar oud is of iets dat 4 jaar bestaat
fyraåring
adjective
1. met de vorm van een vierkant
kvadrat
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
kvadrat
fyrkant
noun
1. dat getal dat met zichzelf vermenigvuldigd een gegeven getal oplevert
kvadratrot
adjective
1. van een dier of voorwerp dat het vier voeten heeft
fyrbent
pronoun
Vierwaldstättersjön
adjective
1. smerig
smutsig
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
vietnamesiska
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
fiende
ovän
adjective
1. van de vijand
fientlig
adjective
1. zich als een vijand gedragend
fientlig
noun
1. een toestand van op voet van oorlog zijn
fiendskap
/
vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
fem
/
ˈvɛɪ̯f.də/, /
ˈvɛɪ̯v.də/, /
ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
femte
5:e
cardinalNumeral
1. het getal 35
trettiofem
ordinalAdjective
1. nummer vijfendertig in een rij
trettiofemte
cardinalNumeral
1. het getal 25
tjugofem
cardinalNumeral
1. het getal 45
fyrtiofem
cardinalNumeral
1. het getal 55
femtiofem
/
ˈvɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 75
sjuttiofem
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
femhörning
pentagon
/
ˈvɛi̯fˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 500
femhundra
adjective
- 1. 5 jaren durend
femårig
- 2. met de leeftijd van 5 jaar
femårig
femåring
noun
1. levend wezen dat 5 jaar oud is of iets dat 5 jaar bestaat
femåring
noun
1. atletiekmeerkamp met vijf onderdelen
femkamp
/
ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
femton
adjective
- 1. 15 jaren durend
femtonårig
- 2. met de leeftijd van 15 jaar
femtonårig
femtonåring
noun
1. levend wezen dat 15 jaar oud is of iets dat 15 jaar bestaat
femtonåring
/
ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
femtio
noun
1. vrucht van de vijgenboom
fikon
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
fil
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
tjärn
/
ˈvikɪŋ/
noun
1. Scandinavische krijger, behorend tot de noordelijke tak van de Germanen
viking
noun
1. een groot en vrijstaand huis
villa
verb
1. van het vel ontdoen
flå
noun
door langdurig bewerken verdichte wol
filt
/
vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
fena
/
'vɪndə(n)/
verb
1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
finna
hitta
noun
1. de mate waarin iemand goed is in het vinden van nieuwe oplossingen
uppfinningsrikedom
noun
1. extremiteiten van de hand
finger
/
ˈvɪ.ŋər.ˌɑf.drʏk/, /
ˈvɪ.ŋər.ˌɑv.drʏk/
noun
1. een afdruk op een oppervlak van een vinger met meestal de unieke, persoonsgebonden figuur...
fingeravtryck
/
'vɪŋərə(n)/
verb
1. met de hand of vinger bevredigen
pulla
noun
1. bepaalde grassoort, Eleusine coracana
korakan
/
'vɪŋərˌɦut/
noun
1. hard dopje dat het eerste kootje van de vinger beschermt bij het naaien
fingerborg
noun
topje van een vinger
fingerspets
noun
1. het heel snel zaken met de vingers kunnen verrichten
fingerfärdighet
noun
1. knie- of beenviool
gamba
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
violett
noun
1. musicus die een viool bespeelt
violinist
noun
1. strijkinstrument
fiol
violin
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Viola
viol
noun
1. (beroep) deskundige op het gebied van virussen en virusziekten
virolog
noun
- 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
- 2. het vlees van een vis
fisk
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
fiskgjuse
noun
1. stroperigheid van een vloeistof of gas
viskositet
noun
1. de wijze waarop men zaken beoordeelt of beschouwt
åsikt
/
vizi'ɣotis/
adjective
1.
västgotisk
noun
1. een droombeeld
företeelse
noun
1. vlechtwerk van touw om zeedieren te vangen of in water te bewaren
fisknät
noun
1. vloeibare substantie gemaakt van vergiste vis
fisksås
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
Fiskarna
verb
1. proberen te vangen
fiska
noun
1. iemand die beroepsmatig vist
fiskare
verb
1. iets beeldend voorstellen (mentaal)
åskådliggöra
/
vizyʋel/
adjective
1. betreffende het zicht, betreffende het zienbare
visuell
noun
1. een stof die het lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft, maar niet of bijna niet door het lichaam zelf aangemaakt kan worden en derhalve in voldoende mate via voedsel of supplement ingenomen moet worden
vitamin
noun
- 1. een richttoestel op de loop van een vuurwapen
sikte
- 2. klep aan een hoofddeksel
visir
pronoun
1. Nederlands zoals dat in Vlaanderen gesproken wordt
flamländska
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
nötskrika
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
Flandern
/
vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
flagga
fana
standar
flagg
/
ˈvlɑɣəˌsxɪp/
noun
1. schip waarop zich de bevelvoerder over een vloot of eskader bevindt
flaggskepp
noun
1. bepaald soort vis, Thymallus thymallus
harr
/
vlɑk/
adjective
1. zonder bergen of dalen
jämn
noun
stuk rubber dat door wrijven potloodschrift van papier kan verwijderen
radergummi
noun
1. bepaald soort giftige vaste plant die sporen vormt, Diphasiastrum complanatum
plattlummer
noun
1. gebied met weinig of geen hoogteverschillen
slätt
noun
1. kleinste vorm van vuur
låga
flamma
/
'vlamɪŋ/
noun
1. een inwoner van Vlaanderen of iemand afkomstig uit Vlaanderen
flamländare
noun
1. een gebonden pluk haar
fläta
/
ˈvlɛx.tə(n)/, /
ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
fläta
noun
1. klein vliegend zoogdier
fladdermus
läderlapp
noun
- 1. spierweefsel van bepaalde organen
- 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
kött
noun
1. een vleesetend dier
köttätare
noun
köttersättningsprodukten
verb
1. (onoprechte) complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen
smickra
adjective
1. te vriendelijk
komplimenterande
noun
1. een vieze plek
fläck
noun
- 3. muziekinstrument
flygel
- 2. onderdeel van een vliegtuig
- 5. een deel van een leger
vinge
- 1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
vinge
flygel
/
'vløxəlspelər/
noun
1.
ytter
/
'vlidə(n)/
verb
- 1. formeel: (van tijd) voorbijgaan
- 2. formeel: snel weg trachten te komen, vluchten
undfly
/
vlix/, /
vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
fluga
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
hangarfartyg
/
ˈvli.ɣə(n)/, /
ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
flyga
noun
1. benaming voor zeevissen uit de familie Exocoetidae
flygfisk
noun
1. een apparaat om een vlieg mee dood te slaan
flugsmälla
noun
1. bepaald soort paddenstoel, Amanita muscaria
röd flugsvamp
noun
- 1. een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
drake
- 6. iemand die vliegt
- 7. een dier m.b.t. zijn vaardigheid in het vliegen
flygare
/
ˈvlixtœːx/, /
ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
flygplan
flygmaskin
/
ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
flygplats
noun
1. sneldraaiend wiel met grote massa
svänghjul
/
'vlirbɛs/
noun
1. bessen van de gewone vlier
fläderbär
noun
1. dunne laag op een oppervlak
film
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
fjäril
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
loppa
noun
1. verhoging van de waterstand
flod
högvatten
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
flytande
/
ˈvlujə(n)/
verb
1. zacht stromen
flyta
adjective
2. zonder haperingen een taal kunnen spreken
flytande
noun
- 2.
läskpapper
- 1. papier om een sigaret van te rollen
sigarett papper
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
vätska
noun
1. bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
förbannelse
verb
1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
svära
noun
1. een samenhangend hoopje van sneeuw of andere lichte stof
aggregat
/
vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
flotta
noun
1. een drijvende constructie
flotte
noun
1. het zich door luchtruim bewegen
flykt
/
'vlɵxtəlɪŋ/
noun
1.
flykting
/
vlɵxtə(n)/
verb
1. (onovergankelijk) trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
fly
noun
1. snel en oppervlakkig seksueel contact
snabbis
pronoun
1. wereldwijde organisatie waarin alle landen kunnen samenwerken
FN
noun
1. de vijfde naamval waarin een naamwoord staat dat aanduidt tot wie het woord wordt gericht
vokativ
noun
1. de mate van vocht
fuktighet
verb
1. van voedsel voorzien
föda
/
ˈvu.dɪŋ(g)/, /
ˈvu.dɪŋ/
noun
1. voedsel
matande
noun
1. toevoeging aan voeding
livsmedelstillsats
noun
1. voedingsmiddel dat bedoeld is als aanvulling op de normale voeding
kosttillskott
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
föda
/
ˈvuxʋoːrt/
noun
konjunktion
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
känna
/
ˈvuː.rɪŋ(g)/, /
ˈvuː.rɪŋ/
noun
1. de binnenbekleding van een voorwerp
beklädnad
foder
/
ˈvuːrtœx/, /
ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
fordon
noun
- 1. voortzetting van het been beneden de enkel
- 3. oude lengtemaat
fot
/
ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
fotboll
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
fotgängare
/
ˈvut.ɣɑ.ŋərs.ɣəˌbit/, /
ˈvut.χɑ.ŋərs.χəˌbit/
noun
1. een gebied waarin geen voertuigen zijn toegestaan en waar dus gelopen moet worden
gågata
bilfri zon
bilfritt område
/
'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
trottoar
gångväg
noun
1. de onderzijde van de voet
fotsula
/
ˈvoːɣəl/, /
ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
fågel
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
näbbdjur
/
ˈvoɣəlˌɛː/, /
ˈvoχəɫˌɛɪ/
noun
1. een ei van een vogel
fågelägg
noun
1. grote behaarde spin die leeft in de tropische streken
fågelspindlar
fågelspindel
noun
1. manshoge pop
fågelskrämma
noun
1. het geluid dat vogels maken
fågelsång
pronoun
1. gebergte
Vogeserna
/
vɔl/, /
vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
full
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
volapük
volapyk
verb
1. geheel uitvoeren
fullborda
verb
1. een eis vervullen
tillfredställa
indefinitePronoun
1. toereikend, genoeg
tillräcklig
/
'vɔlxə(n)/
verb
1. achterna gaan
följa
adjective
1. dat later komt
nästa
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
enligt
noun
1. vergoeding aan de kunstenaar bij doorverkoop van zijn kunstwerk
följerätt
/
vɔlk/
noun
- 1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
folk
- 2. de inwoners van een land
folk
folkslag
- 4. een aantal mensen
personer
pronoun
Nationernas förbund
noun
1. brood van meel met zemelen
fullkornsbröd
noun
1. tarwe met zemelen en kiem
fullkornsvete
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
nationalsång
/
'vɔlkstɛlɪŋ/
noun
1.
folkräkning
/
ˈvɔlks.tœʏn/
noun
2. moestuin beschikbaar gesteld aan stadsbewoners
koloniträdgård
noun
1. een vergadering van de gehele bevolking
allting
folkförsamling
noun
1. verhaal dat (ook) mondeling wordt overgedragen
folksaga
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
fullmåne
noun
1. de fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
fullmåne
noun
- 1. spel
- 2. bal
volleyboll
/
vɔlˈmaːkt/
adverb
1. zonder enig gebrek
perfekt
noun
1. rechtsbevoegdheid om namens een ander te handelen
fullmakt
verb
1. overvol maken door er nog iets bij te duwen
stoppa
noun
1. spanningmeter
voltmeter
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
perfektparticip
verb
1. ten einde brengen
fullborda
noun
- 1. ruimtelijke capaciteit
- 3. fysieke informatiedrager
volym
adjective
1. een leeftijd bereikt hebbend waarop men volgroeid en onafhankelijk kan zijn
vuxen
noun
1. iemand die volgroeid is
vuxen
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
gnista
noun
1. een beslissing van een rechter in dagvaardingsprocedures
dom
noun
1. Haïtiaanse religie
voodoo
/
voːxt/
noun
1. belangenbehartiger van minderjarige
förmyndare
noun
1. belangenbehartiging van minderjarige
förmyndarskap
/
vor/
noun
1. ploegsnede
fåra
/
vor/
preposition
- 7. ten behoeve van, ten gunste van
för
- 4. eerder in tijd
före
innan
noun
1. iets ter navolging
exempel
verb
1. handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
förbereda
/
ˈvor.bə.rɛɪ̯.dɪŋ(g)/, /
ˈvor.bə.rɛː.dɪŋ/, /
ˈvo̝r.bə.rɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het voorbereiden
förberedelse
adjective
1. wat al in het verleden ligt
förbi
/
vorˈbɛɪ̯ɣan/, /
vorˈbɛːɣan/, /
vo̝rˈbɛɪ̯χan/
verb
- 1. langs een bepaald punt gaan.
- 2. tot verleden gaan behoren
förflytta
/
ˈvorbodə/
noun
- 1. vooruitgestuurde bode (letterlijk)
- 2. iets dat het naderen van een feit in de toekomst bekend maakt (figuurlijk)
förebud
noun
- 3. (tennis)
- 1. profijt
- 2. aangename eigenschap
fördel
/
'voːrdøːr/
noun
1. de hoofddeur aan de voorzijde van een woning
ytterdörr
/
ˈvoːrˌdrɪ.ŋə(n)/
verb
smita före
noun
1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
föregångare
/
vɔːr.'ɦɑn.də(n)/
adjective
1. beschikbaar, voorradig
till hands
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
panna
noun
1. voorhuid van penis
förhud
/
vorɪ'nxənomə(n)/
adjective
1.
fördomsfull
noun
1. Calocybe gambosa, een wittige eetbare paddenstoel
vårmusseron
noun
1. het opruimen en poetsen van een woning in het voorjaar
vårstädning
/
ˈvoːrkør/
noun
1. de neiging tot kiezen van het één boven het ander
företräde
preferens
/
'vɔːr.ko.mə(n)/, /
vɔːr.'ko.mə(n)/
verb
- 1. met regelmaat ergens te vinden zijn
- 3. soms gebeuren
förekomma
- 1. ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
förebygga
verb
1. hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
föreläsa
/
vorˈlopəx/, /
vorˈlopəç/
adjective
1. tijdelijk in afwachting van iets definitiefs
provisorisk
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
förnamn
/
ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
pronomen
adverb
1. in hogere mate
huvudsakligen
verb
1. vooraf voor waar aannemen van een stelling om hiermee tot een conclusie te komen
förutsätta
verb
1. vooropstellen
förutsätta
noun
1. iemand van wie afgestammen wordt
förfader
noun
1. glazen vlak aan de voorkant van een voertuig dat zorgt voor zicht op de weg en bescherming tegen weer en wind
vindruta
/
'vɔːrsxrɛɪvə(n)/
verb
1. een schriftelijke opdracht geven
föreskriva
ordinera
noun
- 3. liefdesspel als opmaat voor seks
- 1. voorbereidende inleiding
förspel
adjective
1. van tevoren te verwachten
förutsägbar
noun
1. de mate waarin het mogelijk is betrouwbare voorspellingen te doen
förutsägbarhet
verb
1. een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
varsla
/
'vorsprɔŋ/
noun
1. de mate waarin men verder gevorderd is dan anderen
försprång
noun
1. iemand die voor iets is
förespråkare
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
förslag
verb
1. een plan voorleggen
föreslå
noun
- 3. symbolen aan het begin van een notenbalk
förtecken
- 2. plus- of minteken voor een getal
- 1. signaal dat aan een gebeurtenis voorafgaat
järtecken
noun
1. een gedeelte van een tent dat voor de rest van de tent staat waarin niet geslapen wordt
förtält
noun
1. het voortzetten van iets
fortsättning
noun
1. het proces van technologische en economische groei van een samenleving
framsteg
noun
1. iemand die ergens een voorstander van is en zich daarvoor actief inzet
förkämpe
/
ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
förstavelse
prefix
noun
1. omstandigheid die noodzakelijk is of gemaakt wordt wil iets anders plaats of...
förutsättning
noun
1. een object, iets dat fysiek bestaat
objekt
noun
1. een soort van aandrijfmechanisme, waarbij de motorkracht op de voorwielen wordt uitgeoefend
framhjulsdrift
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
preposition
/
vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
försiktig
varlig
/
vɔːr.'zin/
verb
- 2. beschikbaar maken, voorzorgen treffen voor
förse
- 1. herkennen als toekomstige ontwikkeling
förutse
noun
1. hoofd van een bestuur, leider van een vergadering
ordförande
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Vorarlberg
/
'vɔː.rə/
noun
1. ploegsnede
fåra
indefiniteOrdinalNumeral
1. degene die of datgene dat eerder een positie innam
föregående
förra
noun
- 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
- 1. aftakking van een boomtak of van een weg
- 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
- 3. bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork)
- 4. fietsonderdeel waarin het wiel wordt bevestigd: telescopische vork, voorvork en achtervork
gaffel
noun
1. ruimtelijke begrenzing van een voorwerp
form
/
vɔrst/
noun
2. weersomstandigheden
frost
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
räv
mickel
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Räven
noun
1. bepaald soort plant, Vaccinium vitis-idaea
lingon
/
vra:x/, /
vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
fråga
noun
1. een leesteken (?) dat men aan het eind van een zin plaatst om deze vragend te maken
frågetecken
/
ˡvrɑxtɑuto/
noun
1. een auto voor goederenvervoer
lastbil
noun
1. prijs die men betaalt om een bepaalde hoeveelheid vracht naar een andere locatie te vervoeren
fraktavgift
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
lastfartyg
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
lastbil
/
ˈvraɣə(n)/, /
ˈvraχə(n)/
verb
- 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
be om
fråga
- 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
fråga
spörja
noun
1. ontbreken van oorlog
fred
adjective
1. van buiten, niet van hier
främmande
noun
girigbuk
snåljåp
gnidare
adjective
1. bijzonder erg, schrikwekkend
avskyvärd
verb
1. het nuttigen van voedsel op een meestal onbeleefde wijze
frossa
noun
1. een blij gevoel
glädjen
glädje
/
ˈvrøx.də.ˌvyːr/, /
ˈvrøɣ.də.ˌvyːr/, /
ˈvrøχ.də.ˌvyːr/
noun
1. een groots door mensen opgebouwd en gecontroleerd vuur om iets te vieren
brasa
/
ˈvrezə(n)/
verb
1. bang zijn, angst hebben
frukta
noun
1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
vän
adjective
1. met het nodige respect
vänlig
noun
2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
väninna
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
vänskap
noun
1. schade aangebracht aan smaak zowel als structuur van bevroren voedsel
frysbränna
/
ˈvrisdroɣə(n)/
verb
1. industriële droogmethode voor onder andere het conserveren van voedingsmiddelen
frystorkna
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen in bevroren toestand gebracht, te bewaren
frysskåp
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
fri
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
fredag
verb
1. liefde bedrijven
älska
adjective
1. een ongehuwde man of vrouw
ungkarl
noun
1. een ongehuwde man of vrouw
ungkarl
/
ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
frihet
noun
1. krijger, rebel of activist die zich inzet voor de vrijheid van zijn of haar onderdrukte volk, en door de vijand vaak gezien als terrorist of militant
frihetskämpe
verb
1. toestaan om uit gevangenschap weg te gaan
frige
adjective
1. niet gedwongen
frivillig
/
ˈvrud.vrɑu/
noun
1. een vrouw die een bevalling begeleidt
barnmorska
/
ˈvruxər/, /
ˈvruɣər/
adverb
1. (zoals) in het verleden
fordom
adjective
1. in goede stemming
munter
noun
1. een aangename stemming waarin men veel lacht, zich goed voelt en het leven optimistisch bekijkt
glädje
noun
- 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
fru
hustru
kvinna
- 1. een volwassen vrouwelijke mens
kvinna
noun
2. grootste in Europa voorkomende orchideeënsoort, Cypripedium calceolus
guckusko
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
frukt
/
'vrɵɣbar/
adjective
1. in staat vrucht af te werpen
bördig
/
'vrʏxt.bar.ɦɛɪ̯t/, /
'vrʏxt.bar.ɦɛːt/, /
'vrʏɣ.ba.rɛɪ̯d/
noun
1. het vermogen vrucht te dragen
fruktsamhet
noun
1. boom die eetbare vruchten voortbrengt
fruktträd
/
ˈvrʏxtə(n)ˌsɑp/, /
ˈvrʏχtə(n)ˌsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
fruktsaft
noun
1. wijn van vergist sap van andere vruchten dan druiven
fruktvin
/
vœy̯l/
noun
viezigheid, onreine materie
smuts
/
'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
soptunna
/
ˈvœʏɫnɪsˌʋaxə(n)/, /
ˈvœːɫnɪsˌβaɣə(n)/
noun
1. een auto van de vuilophaaldienst
sopbil
noun
1. gebalde hand
knytnäve
noun
1. de vaak explosieve activiteit waarmee in een vulkaan opgebouwde spanningen zich ontladen
vulkanutbrott
adjective
1. betrekking hebbend op de processen die in een vulkaan plaatsvinden
vulkanisk
noun
1. natuurlijke processen
vulkanism
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
vulkanologi
/
ˈvʏl.pɛn/, /
ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
reservoarpenna
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
vulva
/
vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
eld
brand
brasa
noun
1.een strijd waarbij partijen elkaar beschieten met vuurwapens
skottlossning
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
Eldslandet
noun
1. soort godsoordeel
eldprov
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
fyr
fyrtorn
noun
1. Lycaena, geslacht van vlinders
juvelvingar
noun
1. een wapen dat een kogel schiet met behulp van een chemische ontploffing
eldvapen
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
fyrverkeri
noun
1. een Zuid-Afrikaans blaasinstrument
vuvuzela
pronoun
1. meer in Zweden
Vänern
pronoun
1. meer in Zweden
Vättern
noun
1. benaming voor vogels uit de onderorde Charadrii
vadare
noun
1. iemand die veel durft
våghals
/
'ʋajə(n)/
verb
1. plaatsvinden van een sterke luchtstroming
blåsa
noun
1. scherm in halve schijfvorm
solfjäder
verb
1. een waaier gebruiken
fläkta
/
ˈʋakɦɔnt/
noun
1. een hond die het huis of een erf bewaakt
vakthund
noun
1. een klein vlammetje dat continu brandt in een geiser, gaskachel, gasfornuis of cv-ketel, dat ervoor zorgt dat het gas vrijwel direct ontbrandt wanneer de gaskraan van een brander wordt geopend
sparlåga
/
wal/
pronoun
(eigennaam) 1. brede zijrivier van de Rijn in Nederland
Waal
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
vallonska
noun
1. het lijden aan een geestesstoornis
vansinne
vanvett
adjective
vansinnig
vanvettig
/
ʋar/
adverb
1. op welke plaats
var
noun
1. een geldbedrag of iets anders dat tijdelijk gegeven wordt als onderpand voor het geval men een verplichting niet na kan komen
garanti
/
ʋaːrt/
noun
A 1. baas van een herberg, taveerne of café
värd
/
ˈʋardəˌlos/
adjective
1. geen waarde hebbend
värdelös
/
'wardəordel/
noun
1.
värdeomdöme
noun
1. document met geldswaarde
värdepapper
noun
1. het hechten van een waarde aan iets of het tonen daarvan
värdering
/
'ʋardəˌvɔl/
adjective
1. een grote waarde hebbend
värdefull
noun
1. dat wat waar is
sanning
verb
1. iets via de zintuigen in zich opnemen
begripa
noun
- 1. iemand die iets waarneemt
- 3. een persoon die aanwezig is bij een gebeurtenis om de gang van zake in de gaten te houden
observatör
noun
1. iets via de zintuigen registreren
iakttagelse
/
ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
varför
adjective
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
troligtvis
sannolik
adverb
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
antagligen
troligen
förmodligen
sannolikt
/
ˈʋaːrsxyu̯ə(n)/
verb
1. iemand verwittigen dat er mogelijke gevaren, problemen of gevolgen zijn
varna
/
'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
varning
noun
1. een schot ter waarschuwing
varningsskott
/
ˈʋɑx.tə(n)/, /
ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
vänta
noun
1. ruimte of vertrek voor wachtenden, bijvoorbeeld bij een arts of op een station
väntrum
/
ˈʋɑxtlɛɪst/
noun
1. een lijst met wachtenden
kö
kölista
väntelista
-kö
noun
1. een aantal elementen die in een bepaalde volgorde op een gebeurtenis wachten
kö
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
lösenord
pronoun
1. een binnenzee die aan de ene kant grenst aan de Waddeneilanden en de Noordzee en aan de andere kant begrensd wordt door het vasteland van Nederland, Duitsland en Denemarken
Watthavet
verb
1. door ondiep water lopen
vada
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
voff
vov
noun
1. plat gebak dat vervaardigd wordt in een wafelijzer
våffla
noun
1. een toestel waarin wafels gebakken worden
våffeljärn
/
ˈʋaːɣə(n)/, /
ˈʋaːχə(n)/
noun
2. een auto
vagn
noun
1. het houten wiel van een wagen of kar
vagnshjul
/
ʋa'ɣɔn/
noun
1. een voertuig dat deel uitmaakt van een trein
godsvagn
/
waɣɔˈnɛtə/
noun
1. open rijtuig met vier geveerde wielen, waarin de passagiers achter koetsier op twee banken...
wagonette
adjective
1. niet in slaap
vaken
/
'ʋɑkflɑktə/
noun
1. groot ijsvrij gebied te midden van pakijs
polynja
noun
4. vetophoping onder de onderste oogleden
ringar runt ögonen
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
Wales
pronoun
1. een speciale hemel in de Noorse mythologie, voorbehouden voor de gesneuvelden in de strijd
Valhall
noun
1. een draagbare radio en/of CD-speler met koptelefoon
freestyle
pronoun
1. Germaanse strijdgodin
valkyria
/
ʋɑˈlonɪə/
pronoun
Vallonien
/
wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
valross
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
val
valfisk
/
ˈʋɑn.də.ˌlar/, /
ˈβ̞ɑn.də.ˌlar/
noun
1. iemand die buitenshuis een stuk loopt
fotgängare
/
ˈʋɑn.də.lə(n)/, /
ˈβ̞ɑn.də.lə(n)/
verb
1. een wandeling maken
promenera
/
ˈʋɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het lopend afleggen van een bepaalde afstand
vandring
/
ˈʋɑn.dəɫ.ˌsχun/, /
ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌsxun/
noun
1. een schoeisel dat speciaal geschikt is om grote wandelingen mee te maken
vandringskänga
/
ˈʋɑn.dəɫ.ˌstɔk/, /
ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌstɔk/
noun
1. stok die dient als steun bij het wandelen en beschermt tegen vallen
spatserkäpp
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
kind
noun
1. flexibel deel van de huid aan de zijkanten van de kop dat door bepaalde zoogdieren wordt gebruikt om voedsel op te slaan
kindpåse
/
ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
förtvivlan
verb
1. onvast op de voeten staan, dreigen te vallen
ragla
/
ˈʋɑŋkəɫˌmotɔr/
noun
1. een verbrandingsmotor die niet met heen en weer gaande zuigers werkt, maar met een roterende zuiger.
wankelmotor
/
ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
när
noun
1. het niet nakomen van een overeenkomst
avtalsbrott
/
ʋɑnt/
noun
2. scheepvaart
vant
verb
1. niet vertrouwen
misstro
/
ˈʋaːpən/
noun
- 1. een werktuig van geweld
- 2. een wapenschild
vapen
noun
1. een internationale sanctie waarbij een partij geen wapens kan aankopen
vapenembargo
noun
1. een korte tekst die de bedoeling van iets weergeeft
valspråk
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
vapenvila
noun
1. een grote winkel die een uitgebreid assortiment aan goederen verkoopt
varuhus
/
ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
varm
noun
- 1. de mate waarin het weer warm is.
- 2. de hoeveelheid thermische energie.
värme
noun
1. het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht
kraftvärmeverk
noun
1. een front waar een luchtmassa met relatief warme lucht over een gebied schuift waar koude lucht ligt
varmfront
noun
1. een verwarmingsinstallatie die via mechanische arbeid warmte onttrekt aan een koude omgeving en deze toevoert aan een warmere omgeving
värmepump
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Warszawa
/
ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
vax
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
tvättbjörn
sjubb
noun
1. Nyctereutes procyonoides, een zoogdier en roofdier uit de familie Canidae
mårdhund
noun
- geribbeld bord waarop men de was kan doen
- sterk gespierde buik
tvättbräda
tvättbräde
noun
1. een toestel om de kleding die uit de wasmachine komt te drogen
torktumlare
/
ˈwɑs.knɛɪ̯.pər/, /
ˈʋɑs.knɛɪ̯.pər/, /
ˈβ̞ɑs.knɛː.pər/
noun
1. een knijper die gemaakt is van hout of plastic om nat wasgoed aan een waslijn te klemmen
klädnypa
tvättklämma
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
tvättmaskin
noun
1. zeep in een vorm om kleding en ander textiel in water te reinigen
tvättmedel
/
'ʋɑsə(n)/
verb
- 1. iets schoonmaken
- 2. zichzelf schoonmaken
tvätta
noun
1. een plaats waar men kleding en textiel kan (laten) wassen (zonder personeel)
tvättomat
noun
1. een bak waarin men zich of iets wast
tvättställ
/
ʋɑt/
interrogativePronoun
vragend voornaamwoord
vad
noun
1. een ondergrondse waterstroom
vattenåder
noun
1. een bed waarvan het matras gevuld is met water
vattensäng
noun
1. wetenschap die zich richt op ontwerp en beheer van waterbouwkundige werken
hydroteknik
noun
1. Bubalus bubalis, een tot de runderen behorend trekdier...
Vattenbuffel
adjective
1. ondoordringbaar voor water
vattentät
/
ˈʋaːtərən/
verb
3. waterachtig vocht afscheiden
vatten
/
ˈwatərˌɣlɑtɦɛɪ̯t/, /
ˈʋatərˌχlɑtɦɛɪ̯t/, /
ˈβ̞atərˌɣlɑtɦɛːt/
noun
1. verschijnsel waarbij een dunne waterfilm ontstaat.
vattenplaning
noun
1. een drinkglas voor water
vattenglas
noun
1.1 bepaald soort watervogel, Gallinula chloropus
rörhöna
adjective
2. uitziend alsof men tranen in de ogen heeft
blöt
noun
1. apparaat dat een zeer sterke straal water kan produceren
vattenkanon
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Rorippa
vattenkrasse
noun
1. een leidingnetwerk om drinkwater vanuit een waterreservoir naar de verbruiker te vervoeren
vattenledning
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
Vattumannen
/
ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
vattenmelon
noun
2. een molen die door stromend water aangedreven wordt
vattenkvarn
vattenmölla
noun
bepaald soort eenjarige waterplant met eetbare knollen, Trapa natans
sjönöt
noun
1. een werktuig dat gebruikt wordt om zeker te stellen dat iets loodrecht op de richting van de zwaartekracht komt te staan
vattenpass
noun
1. Elodeo sp.
vattenpester
noun
1. pistool waaruit een straal water kan spuiten
vattenpistol
noun
1. een balsport waarbij twee ploegen van zeven spelers elkaar in het water bestrijden
vattenpolo
noun
1. platte grijptang met verstelbaar scharnier
polygrip
noun
1. put waaruit men water haalt
brunn
noun
1. een schoepenrad dat draait door de stroming van het water
vattenhjul
noun
1. bepaald soort watervogel, Rallus aquaticus
vattenrall
noun
1. grote halfaquatische woelmuis
vattensork
noun
1. ski voor het waterskiën
vattenskidor
noun
1. in Nederland en Vlaanderen voorkomende soort waterjuffer, Enallagma cyathigerum
sjöflickslända
noun
1. Argyroneta aquatica, middelgrote spin die in stilstaande wateren leeft
vattenspindel
noun
1. bepaald soort bruine, bolle vogel met witte borst, Cinclus cinclus
strömstare
/
ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
väte
noun
1. een atoom van het chemisch element waterstof.
väteatom
noun
1. een toren die zorgt voor een gelijkmatige waterdruk in het waterleidingnet
vattentorn
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
vatttenfall
vattenfall
noun
1. een vliegtuig dat kan opstijgen en landen op het water
sjöflygplan
noun
1. plukje watten bevestigd op een houten of plastic stokje, gebruikt voor bepaalde medische doeleinden...
bomullspinne
noun
1. iemand die een website ontwerpt en/of beheert
webbansvarig
noun
- 1. computerprogramma
- 2. server waarop de
webbserver
verb
1. geld wagen op een toekomstige gebeurtenis
slå vad
adjective
2. bekering tot het christelijke geloof
pånyttfödd
noun
1. een werkwoord waarbij de handelende persoon tevens het voorwerp van de handeling is
reflexivt verb
noun
1. periode waarin de oorlogsschade door de Tweede Wereldoorlog werd hersteld
återuppbyggande
/
wedərˈzɛits/
adjective
ömsesidig
/
'ʋedyʋnar/
noun
man
änkeman
änkling
/
ʋeː/
interjection
1. uitroep van groot verdriet
ve
/
ʋeː/
noun
1. pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt
sammandragning
krystvärk
värk
/
ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
vävstol
noun
- 2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
- 1. een dunne geweven stof of textiel
vävnad
pronoun
teken van de dierenriem van 23 september to 23 oktober
Vågen
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
våg
/
wek/, /
ʋek/, /
β̞ek/
adjective
1. slap
vek
mör
svag
/
wek/, /
ʋek/, /
β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
vecka
/
'ʋekblɑt/
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
veckotidning
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
helg
/
ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
veckoslut
helg
adjective
1. lichtdroevig gestemd
vemodig
/
weːr/, /
ʋɪːr/, /
β̞eːr/
noun
1. atmosferische gesteldheid
väder
väderlek
noun
1. waarschuwing van een meteorologisch instituut bij extreme
vädervarning
noun
1. kaart van een bepaald gebied waarop de weerssituatie is weergegeven
väderkarta
/
ʋerˈkɵndəx/, /
ʋerˈkʏndəç/
adjective
1. betrekking hebbend op de weerkunde
meteorologisk
verb
1. een eerdere bewering ontkrachten
motbevisa
verb
1. stand houden, weerstand bieden aan
motstå
noun
- 3. een elektronica-onderdeel
- 2. de tegenstand die een stroom in een geleider ondervindt
- 1. een reactie die poogt een bepaalde actie tegen te werken
motstånd
resistor
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
varulv
/
ʋes/
noun
föräldralöst barn
/
ˈʋeshœʏs/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
barnhem
/
ʋɛχ/, /
β̞ɛx/
noun
1. smalle strook grond voor het verkeer
väg
verb
1. geleidelijk afnemen, verdwijnen
ebba
/
ˈʋeχə(n)/, /
β̞eɣə(n)/
verb
- 1. het gewicht/de massa bepalen
- 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
väga
/
ˈwɛ.ɣaːn/, /
ˈʋɛ.χan/
verb
1. zich ergens vandaan begeven
gå bort
noun
1. de grond vlak naast een weg
vägkant
verb
1. te midden van andere informatie iets niet insluiten
utelämna
/
ʋɛɪ/
noun
- 2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
vassla
- 1. een stuk grasland voor begrazing door vee
äng
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
Wisła
noun
1.
blåbandad jungfruslända
noun
1. bepaalde soort hommel, Bombus pratorum
ängshumla
verb
1. niet voldoen aan een verzoek of opdracht
vägra
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
vägran
/
'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
äng
/
ˈwɛɪ̯nɪx/, /
ˈʋɛɪ̯nəχ/, /
ˈβ̞ɛːnəx/
noun
- 2. in een klein aantal
fåtal
- 1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
lite
/
ˈwe.kə(n)/, /
ˈʋe.kə(n)/, /
ˈβ̞e.kə(n)/
verb
1. door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
blötlägga
/
ˈʋɛkər/
noun
1. een apparaat dat gebruikt wordt om de tijd bij te houden en een functie heeft die veel geluid produceert op een ingestelde tijd
väckarklocka
adjective
1. financieel goed gesitueerd
förmögen
välbärgad
/
ˌʋɛləsˈʋar/
adverb
1. geeft een toegeving aan
visserligen
/
ʋɛlk/
relativePronoun
vilken
vilket
vilka
/
ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
välkommen
/
ʋɛˈlɪxt/
adverb
1. mogelijk, misschien
eventuell
pronoun
1. hoofdstad van Nieuw-Zeeland, gelegen op het Noordereiland
Wellington
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
kymriska
walesiska
noun
1. een vrouwelijke inwoner van Wales
kymriska
/
ˌʋɛltə'rʏstə(n)/
interjection
god natt
/
'wɛlzɛin/
noun
1. wanneer een individu of maatschappij zich in een goede toestand bevindt ...
välbefinnande
noun
1. het gemak waarin iets of iemand van richting kan veranderen
smidighet
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
Wien
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
ögonbryn
/
ʋεns/
noun
önskan
önskning
adjective
1. wat men zou wensen
önskvärd
/
ˈweː.ʁəlt/, /
ˈʋɪː.rɔɫt/, /
ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
värld
noun
1. een kaart van het oppervlak van de aarde in de vorm van een bol
glob
/
ˈweːrəlˌdeːl/, /
ˈʋɪːrəɫˌdeːɫ/, /
ˈβ̞eːrəlˌdel/
noun
1. een groot boven de zee uitstekend stuk droog land en de omringende eilanden die op hetzelfde continentale plat liggen
världsdel
noun
1. geheel van activiteiten die de mensheid onderneemt om schaarste op te heffen
världsekonomi
/
xxxx/
noun
1. uniek en als collectief bezit beschouwd cultureel of natuurlijk erfgoed
världsarv
pronoun
Världshälsoorganisationen
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
Världshandelsorganisationen
noun
1. persoon die of team dat tijdens een toernooi of competitie om de wereldtitel in een bepaalde tak van sport winnaar is
världsmästare
/
ˈweː.rəld.ˌkam.pi.ˌjun.sxɑp/, /
ˈʋɪː.rəɫt.ˌkɑm.pi.ˌjun.sχɑp/, /
ˈβ̞eː.rəlt.ˌkɑm.pi.ˌjun.sxɑp/
noun
1. een kampioenschap waarin de besten van de wereld het tegen elkaar opnemen
världsmästerskap
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
världskrig
noun
1. een tentoonstelling waaraan landen uit de wereld aan kunnen deelnemen
världsutställning
adjective
1. onbekend buiten de eigen leefruimte
aningslös
/
wɛr(ə)f/
noun
1. een scheepswerf
varv
/
ʋɛrk/
noun
- 1. dat wat gedaan moet worden
- 2. beroep
arbete
jobb
noun
1. werkbank
arbetsbänk
noun
1 een dag waarop gewerkt wordt
arbetsdag
adjective
1. niet verbeeld
minsann
/
'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
verklighet
/
ʋɛrkən/
verb
1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
verka
arbeta
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
arbetsgivare
noun
1. groep mensen die gezamenlijk een bepaald probleem aanpakt
arbetsgrupp
noun
1. een hond die men gebruikt bij de jacht, het hoeden van een kudde, het speuren naar mensen of drugs etc.
brukshund
noun
1. de manier waarop iets werkt
funkar
/
ˈʋɛrkrɑxt/
noun
1. een persoon die gewoonlijk tegen betaling werk verricht
arbetskapacitet
/
wɛrkˈloshɛit/
noun
- 1. het werkloos zijn
- 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
arbetslöshet
noun
1. uitkering voor iemand die buiten zijn of haar schuld om werkloos is
arbetslöshetsunderstöd
noun
arbetslöshetsförsäkring
/
ʋɛrkˈnemǝr/
noun
1. iemand die voor een ander werkt en daarvoor betaald wordt
anställd
noun
2. krachtige computer die men voornamelijk gebruikt voor applicaties die veel rekenkracht vereisen
arbetsstation
noun
- 1.dagen per week waarop er gewerkt wordt
- 2.het totaal aantal arbeidsuren per week
arbetsvecka
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
verb
verb
1. met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
kasta
noun
3. bij honkbal
kastare
noun
1. bot van de wervelkolom
ryggkota
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
geting
noun
1. een zeer smalle taille
getingmidja
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
Västbengalen
pronoun
1. het westelijk deel van Europa
Västeuropa
/
ʋɛs.tǝɾs/
adjective
1.
västlig
/
wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
lag
phraseologicalUnit
Murphys lag
/
ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
veta
/
'ʋetənsxɑp/
noun
- 2. georganiseerde activiteit
- 1. het weten van de mens
vetenskap
/
,ʋetən'sxapələk/
adjective
vetenskaplig
/
ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
vetenskapsman
/
ˈwɛtələk/
adjective
2. tot de wet behorend
lagenlig
/
ˈweː.və(n)/, /
ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
väva
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
vessla
/
ˈʋeː.zə(n)/
noun
1. individu
varelse
noun
1. het op één wiel rijden van een motor
cykling (bicycle) / körning (motorcycle) på bakhjulet
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
whisky
noun
1. een glad, wit gekleurd metalen bord waarop men met behulp van een viltstift met uitwisbare inkt kan schrijven of tekenen en waarop men met een magneet voorwerpen kan klemmen
skrivtavla
noun
1. het verkrijgen van informatie door middel van bovennatuurlijke of niet wetenschappelijk aangetoonde middelen
slagruta
/
wiː/, /
ʋiː/, /
β̞iː/
relativePronoun
- 1. vragend voornaamwoord
- 2. betrekkelijk voornaamwoord
vem
interjection
degene die aan het eind het beste uit de strijd komt is de daadwerkelijke winnaar
skrattar bäst som skrattar sist
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
vagga
/
ˈwiɣə(n)/
verb
1. zachtjes heen en weer bewegen, gewoonlijk om een zuigeling in slaap te brengen
vagga
noun
1. het plotseling zonder duidelijke oorzaak overlijden van een zuigeling
plötslig spädbarnsdöd
noun
1. ronddraaiende schijf
hjul
noun
1. de afstand tussen de twee middelpunten van de voor- en achteras
hjulbas
noun
1. de sport van het wielrennen
cykelsport
/
'wiː.lə.wal/
noun
1. zwart-gele zangvogel
(sommar)gylling
/
ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
rökelse
/
ʋit/
noun
1. een softdrug die bestaat uit gedroogde hennep
gräs
adjective
1. vorm van een wig hebbend
kilformad
noun
1. koepelvormig huis gebruikt door de Noord-Amerikaanse indianen
wigwam
/
wɛɪ̯/, /
ʋɛɪ̯/, /
β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
vi
/
ˈʋixə(n)/
pronoun
Wijchen
verb
1. geheel voor een bepaald doel bestemmen
viga
adjective
1. overal aanwezig, vindbaar
omfattande
/
ʋɛi̯f/
noun
1. vrouw
hustru
/
ʋɛi̯k/
noun
1. een bewoond deel van een stad of een gemeente
stadsdel
/
wɛɪ̯n/, /
ʋɛɪ̯n/, /
β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
vin
noun
1. Japanse wijnbes
vinhallon
noun
1. een druif die wordt gebruikt om wijn van te maken
vindruva
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om wijn uit te drinken
vinglas
noun
1. een lijst waarop men de wijnen die te verkrijgen zijn in een restaurant, wijnhuis, enz... vermeldt in soorten, jaartallen en prijzen
vinlista
/
ˈʋɛi̯n.stɔk/
noun
1. klimplant waaraan druiven groeien
vinranka
/
wɛɪ̯s/, /
ʋɛɪ̯s/, /
β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
vis
noun
1. gerijpt inzicht
visdom
vishet
noun
1. tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
pekfinger
/
ˈʋɛi.tɪŋ/
noun
1. bepaald soort straalvinnige vis, Merlangius merlangus
vitling
noun
1. gewijd water
vigvatten
/
ˈʋɛɪʋatərˌvɑt/
noun
1. een meestal aan de muur van een kerk bevestigd vat met water waarmee gelovigen zich besprenkelen
vigvattenskål
noun
1. de plaat van een klok waarop de wijzers de tijd aangeven
urtavla
noun
1. verandering in een regel, document, wikipagina enz
ändring
noun
1. een constructiesysteem voor internetpagina's waar, in het algemeen, iedereen alle pagina's kan wijzigen
wiki
/
ʋɪkifiˈsɪːrə(n)/
verb
1. een tekst aanpassen aan het wikisysteem
wikifiera
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Wikipedia
noun
1. een gebruiker op Wikipedia
wikipedian
/
ˈwɪkə/
noun
1. (plantkunde) naam voor planten uit het geslacht Vicia
vickersläktet
/
ˈwikʃoˌnɛri/, /
ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
Wiktionary
/
ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
vilja
adjective
3. onbeschaafd, bruusk
vild
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
vildsvin
noun
1. (onevenhoevigen) Equus africanus
vildåsna
noun
1. Lycaon pictus, een zoogdier en roofdier uit de orde Carnivora dat veel op een hond lijkt ...
Afrikansk vildhund
noun
3. graan van Zizania palustris, die worden gegeten als rijst
vildris
noun
1. een bosachtig gebied dat weinig door de mens geregeld is
vildmark
/
ˈwɪləm/, /
ˈʋɪləm/, /
ˈβ̞ɪləm/
pronoun
1. een jongensnaam
Vilhelm
/
ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
vilja
noun
1. onvermogen om te handelen, ook al weet je wat je moet doen
viljelöshet
noun
1. eenzijdige wilsuiting die gericht is op het tot stand brengen van rechtsgevolgen
viljedeklaration
/
ʋɪnt/
noun
1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
vind
blåst
noun
- 3. bepaald soort karperachtige zoetwatervis, Leuciscus idus
id
- 2. benaming voor slingerende planten met kegelvormige bloemen uit het geslacht Convolvus
vindeväxter
/
ˈʋɪndə(n)/
verb
1. een draad of kabel draaiend op een as of klos aanbrengen
vinda
adjective
1. weerstoestand waarbij er veel wind aanwezig is
blåsig
noun
1. molen die door de wind gedreven wordt
väderkvarn
noun
1. een gebied waar windenergie gewonnen wordt met behulp van een aantal molens
vindkraftspark
noun
1. periode met geen of weinig wind
bleke
stiltje
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
butik
affär
noun
1. gebied of overdekte galerij waar meerdere winkels en horecazaken zijn gevestigd
köpcentrum
noun
1. iemand die iets steelt in een winkel
snattare
noun
1. de daad van het stelen van goederen uit een winkel
snatteri
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Vinkelhaken
/
ˈwɪŋkəl.jʏˈfrɑu/
noun
1. een vrouw die beroepsmatig in een winkel, een supermarkt, een warenhuis of buiten werkt, met name klanten bedient, waren verkoopt of achter de kassa zit
butiksbiträde
försäljare
säljare
noun
1. een wagentje dat in winkels wordt gebruikt om tijdens het winkelen producten in te verzamelen
kundvagn
carrito
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
segrare
/
ˈwɪnə(n)/, /
ˈʋɪnə(n)/, /
ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
- 3. een grondstof uit de natuur halen
extrahera
urvinna
- 1. als beste partij uit een wedstrijd komen
- 2. iets verkrijgen voor een goede prestatie bij een wedstrijd
vinna
/
ʋɪnst/
noun
1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde
vinst
/
ʋɪntər/
noun
1. seizoen
vinter
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus petrae
bergek
noun
1. klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,
gärdsmyg
adjective
1. typerend voor de winter
vintrig
noun
1. een toestand van hypothermie en inactiviteit bij sommige warmbloedige dieren in de winter
vinterdvala
vintersömn
dvala
/
ʋɪp/
noun
1. een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rust
gungbräde
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
visent
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
matematik
/
ʋɪsˈkʏndəx/
adjective
1. op wiskunde betrekking hebbend of er gebruik van makend
matematisk
/
ʋɪsəl/
noun
- 2. handelspapier voor de overdracht van geld
- 1. speciale constructie in een spoorweg om een voertuig naar een ander spoor te leiden
växel
noun
1. wisselstroom
växelström
/
ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
vit
vitt
/
wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /
ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /
β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
Vitryssland
/
ˌwɪtˈrʏsɪs/, /
ˌʋɪtˈrʏsis/, /
ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
vitryska
vitrysk
noun
1. een document dat beschrijft hoe overheidsbeleid, een technologie, en/of product een specifiek probleem oplost
vitbok
adjective
1. van een metaal dat het zo heet is dat het een wit licht uitstraalt
bländande
noun
1. een legering van goud en palladium
vitguld
noun
1. loof van met dat doel in het donker geteelde varianten van cichorei, Cichorium intybus var. foliosum
cikoriasallad
noun
witte wijnazijn met toegevoegde druivenmost
vit balsamvinäger
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
skärtorsdag
noun
1. Carcharodon carcharias, de bekendste en de meest gevreesde haai
vithaj
noun
1. zangvogel (Motacilla alba)
sädesärla
noun
1. halfvleugelige uit de familie
mjöllus
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
vitvin
vitt vin
noun
1. en 2. (bladeren van) sluitkoolgewas dat lichtgroen tot wit van kleur is
vitkål
/
we.ˈka/, /
ʋe.ˈka/, /
β̞e.ˈka/
noun
1. een kampioenschap waarin de besten van de wereld het tegen elkaar opnemen
VM
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
vodka
/
ˈʋudə/
noun
1. een gevoel van erge kwaadheid
ilska
vrede
raseri
/
'ʋudənt/
adjective
1. bijzonder boos
rasande
ursinnig
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
voff
vov
noun
1. iemand die woeker drijft
ockrare
penningutlånare
noun
1. grote halfaquatische woelmuis
vattensork
/
ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
onsdag
noun
1. een onherbergzaam gebied dat door niemand verzorgd wordt
öken
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
öken
noun
1. titel voor bestuurder of legeraanvoerder in Slavische gebieden
vojvod
/
ˈvɔɪ̯vɔtsxɑp/
noun
1. naam voor bepaalde bestuurlijke gebieden in Oost-Europa
vojvodskap
noun
1. ronde pan die wordt gebruikt in de oosterse keuken, vooral om te roerbakken
wok
/
ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
ull
ylle
/
wɔlf/, /
ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
varg
ulv
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
volfram
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
ullhårig noshörning
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
moln
sky
/
ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /
ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /
ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
skyskrapa
/
wɔlˈvɪn/, /
ʋɔlˈvɪn/
noun
vrouwelijke wolf
varginna
/
wɔnd/, /
ʋɔnt/, /
β̞ɔnt/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
sår
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
under
mirakel
/
ˈwo.nə(n)/, /
ˈʋo.nə(n)/, /
ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
bo
noun
1. een kamer ingericht om in te wonen en gasten te ontvangen
vardagsrum
/
ʋoːrt/, /
ˈʋʊːrt/, /
ˈβoːrd/, /
ˈβoːrt/
noun
- 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
- 2. belofte
- 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
- 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
ord
/
ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
ordbok
lexikon
/
ˈʋɔːrdə(n)ˌlɛɪst/
noun
1. een lijst bestaande uit woorden
ordlista
noun
1. groep woorden die eenzelfde stam hebben
ordfamilj
noun
1. categorie waarin bepaalde woorden naar gelang het grammaticale gebruik in onderverdeeld worden
ordklass
noun
1. lexicaal veld
lexikal fält
noun
1. volgorde van woorden in een zin
ordföljd
/
ˈwɔrdə(n)/, /
ˈʋɔrdə(n)/, /
ˈβ̞ɔrdə(n)/
verb
-s
- 1. vormt de lijdende vorm
- 2. gaan zijn, zich ontwikkelen tot
bli
/
ʋɔrm/
noun
1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
mask
adjective
1. door wormen aangevreten
maskäten
/
ʋɔrp/
noun
- 1. de handeling van het werpen van iets
kast
- 2. het aantal jonge dieren dat een moederdier bij één dracht op de wereld zet
kull
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
korv
noun
1. aftreksel van mout
vört
/
ˈʋɔrtəl/
noun
- 1. Groente peen
morot
- 2. Ondergronds gedeelte van een plant
- 3. Getal
- 4. Woord
rot
pronoun
1. Finoegrische taal die door de Woten in Ingrië gesproken werd
votiska
/
ʋʌːt/, /
ʋʌːut/
noun
1. groot bos
skog
noun
1. kleinste reigersoort die in Nederland voorkomt
dvärgrördrom
/
ʋʌʊ̯/, /
β̞ʌːβ̞/
noun
- A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
glada
- B 1. bepaald soort plant, Reseda luteola
färgreseda
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
hämnd
noun
1. een giftige, reukloze, overblijvende plant, die behoort tot de ranonkelfamilie
grön julros
noun
1. bovenkant van de voet tussen tenen en enkel
fotrygg
noun
1. oorspronkelijk een rol van twee ineengedraaide repen stof, gevuld met haar of wol, aangebracht bovenop de helm om vijandelijke slagen te breken
bindel
/
wœyvə/
verb
- 1. een groet brengen door met de handen te zwaaien
- 2. heen en weer buigen, zwenken
vinka
noun
1. Buccinum undatum
vanlig valthornssnäcka
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
storspov
verb
1. iets of iemand vermoorden door het dichtknijpen van de keel
strypa
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Wüstenrot
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar binnen gericht zijn.
X-benthet
/
ksɑnˈtinə/
noun
1. een organische stof die in vlees, urine en andere dierlijke stoffen voorkomt
xantin
/
ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
främlingsfientlighet
noun
1. iemand die een sterke afkeer van vreemdelingen heeft
främlingshatare
/
ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
xenon
/
ˈkoːsa/
pronoun
1. een taal die in Zuid-Afrika gesproken wordt
xhosa
/
ˈɛkstəsiˌpɪl/
noun
1. een pil van xtc
XTC-piller
/
ˌksiliˈtɔl/
noun
1. een zoetstof die bereid is door hydrogenatie van xylose
xylitol
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
xylofon
/
ˌksiloɣraˈfi/
noun
- 1. houtsnijkunst
- 2. houtsnede of houtgravure
xylografi
noun
1. actieve, mannelijke beginsel in de kosmos (volgens de Chinese filosofie), een van beide principes die samen de tao vormen
yang
noun
- 1. een Angelsaksische lengtemaat (3 voet is 0,9144 m)
- 2. een Engelse vlaktemaat (12,14 ha)
yard
noun
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
yawl
noun
1. de munteenheid van Japan
yen
/
ˈjeti/
noun
1. een legendarisch monster met de bijnaam 'de verschrikkelijke sneeuwman' die voor zou komen in de Himalaya
jeti
snöman
/
ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
yoga
/
ˈjɔxərt/, /
ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
yoghurt
pronoun
1. taal die door de Yoruba in Nigeria, Benin, Togo en Sierra Leone gesproken wordt
yoruba
noun
1. scheikundig element met symbool Yb en atoomnummer 70
ytterbium
noun
1. jong, kindloos persoon die snel carrière gemaakt heeft en een exclusieve, trendgevoelige levensstijl heeft
yuppie
noun
1. een ronde nomadentent
jurta
/
ˌzɛtoˈzɛt/
interjection
1. kijk op de achterkant van deze pagina
V.G.V.
/
zaːt/
noun
1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
frö
/
ˈzatsɛl/
noun
1. de mannelijke geslachtscel
spermie
noun
1. een klein knopje in het vruchtbeginsel waaruit na bevruchting een zaadje groeit
fröanlag
/
'zadlɛɪdər/
noun
sädesledare
/
zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
såg
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
spån
sågspån
/
'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
sågspån
spån
/
'zaxtɑnt/
noun
1. scherpe tandvormige karteling aangebracht op de rand van een zaagblad
sågtand
noun
1. benaming voor haaiachtige vissen met aan de kop een zaagvormig uitsteeksel uit de familie Pristidae
sågfisk
noun
1. uit zaad opgekweekte plant, het stadium volgend op de kiemplant
planta
pronoun
2. boek in de Bijbel
Sakarja
Sakarias
adverb
1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
mjuk
noun
zitplaats op dier of fiets
sadel
noun
1. een dak met twee tegen elkaar geplaatste gelijkhellende dakschilden
sadeltak
verb
1. een zadel plaatsen op
sadla
noun
1. een persoon die zadels maakt
sadelmakare
noun
1. de pijnlijke gevolgen van het langdurig in het zadel zitten wanneer men daaraan niet gewend is
ridsår
/
'zadəlpɵnt/
noun
1. een punt op een gekromd vlak dat in de ene richting een maximum en in de andere een minimum is
sadelpunkt
/
ˈza.ɣə(n)/, /
ˈza.χə(n)/
verb
1. in stukken delen door middel van een zaag
såga
/
[ˈzɑː.greb]/
pronoun
1. hoofdstad van Kroatië
Zagreb
noun
- 2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
ficka
- 1. slappe, vormeloze tas
säck
/
ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
näsduk
/
zaːkən/
noun
2. commerciële activiteiten
affär
/
'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
affärsman
noun
1. iemand die ongemerkt waardevolle zaken steelt
ficktjuv
noun
1. lamp op zakformaat
ficklampa
/
ˈzɑkmɛs/
noun
1. een klein invouwbaar mes, vaak met extra gereedschappen
fickkniv
noun
1. een woordenboek in klein formaat
fickordbok
noun
smeerbare massa om op de huid aan te brengen
salva
adjective
- 1. gerechtvaardigd tegenover God, doordat men van zonde bevrijd is
- 2. bijzonder aangenaam, hemels
salig
phraseologicalUnit
1. een uitdrukking om iemand een gelukkige paasviering te wensen
Glad Påsk
/
zɑlm/, /
zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
lax
/
zɑlvə(n)/
verb
2. het aanbrengen van een welriekende olie, meestal als inhuldiging in een politieke of religieuze hoedanigheid
smörja
/
'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
Zambia
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
sand
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
sandlåda
noun
1. een ophoping van zand op de bodem van een zee of meer
sandbank
noun
1. benaming voor de zoetwatervis Sander lucioperca
gös
noun
1. bepaalde vaste plant die van nature in Noord-Europa en aan de West-Europese kusten voorkomt, Leymus arenarius
strandråg
noun
1. een van zand gebouwd miniatuurkasteel
sandslott
noun
1. een korreltje zand
sandkorn
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
timglas
noun
een harde, droge wind die boven een woestijngebied een grote hoeveelheid zand en stof doet opwaaien
sandstorm
noun
1. een vlakke kuststrook die vrijwel geheel uit zand bestaat
sandstrand
noun
1. zandweg. Weg met onverhard wegdek
sandväg
/
ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
sångare
noun
1. een vrouwelijk iemand die zingt
sångerska
noun
1. Turdus philomelos, een lijstersoort die algemeen is in Nederland en Vlaanderen
taltrast
adjective
1. verzadigd, vol, met name van alcoholische drank
drucken
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
lördag
personalPronoun
2. clitische vorm van zij (derde persoon meervoud)
de
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
sebra
zebra
noun
1. een patroon van witte strepen aangebracht op het wegdek ter aanduiding van een beschermde voetgangersoversteekplaats
övergångsställe
adjective
1. zoals het volgens normen en waarden behoort
moralisk
/
ze/, /
zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
hav
sjö
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
sjöborre
noun
1. smalle doorgang tussen twee zeeën
sund
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Actiniaria
havsanemon
anemon
/
ˈzeʲʔɑˌkʋarijəm/
noun
1. zoutwateraquarium voor zeevissen
saltvattenakvarium
noun
1. bepaald soort roofvogel die in kustgebieden leeft, Haliaeetus albicilla
havsörn
noun
1. baarsachtige zeevis, Dicentrarchus labrax
havsabborre
noun
1. gevarieerde vismaaltijd
havrätten
noun
1. aardbeving waarvan het epicentrum op de bodem van de zee ligt
sjöskalv
noun
1. het grondvlak van een zee
havsbotten
noun
1. bepaald soort grote zeevis, Lophius piscatorius
marulkartad fisk
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
sil
noun
1. de deining van de zee
sjögång
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
knubbsäl
noun
1. plantenetend zoogdier uit de orde Sirenia
siren
/
ˈzekut/
noun
1. zwart-witte zeevogel, Uria aalge
sillgrissla
noun
1. benaming voor op de op komkommers lijkende zeedieren uit de klasse Holothuroidea
sjögurka
noun
1. in zee levende kreeft
hummer
/
ˈzelɑnt/, /
ˈzeːlɑnd/, /
ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
Zeeland
noun
1. grote oorrob
sjölejon
/
ˈze.le.li/
noun
1. benaming voor de sessiele zeedieren uit de klasse Crinoidea
sjölilja
noun
1. bepaald soort karperachtiɡe zoetwatervis, Tinca tinca
sutare
/
ˈzelœʏpart/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Hydrurga leptonyx
sjöleopard
/
zem/
noun
- 1. een stuk zeemleer waarmee men een glazen ruit droog kan wrijven
- 2. zeemleer, leer gemaakt van gemzenhuid
sämskskinn
noun
1. vaardigheid in het bedienen, onderhouden en het besturen van een schip
sjömanskap
noun
1. mythisch zeewezen
sjöjungfru
havsfru
noun
1. afstandsmaat, in gebruik op zee, 1852m
nautisk mil
sjömil
noun
1. rob uit het geslacht Mirounga
sjöelefant
/
ˈzeʔɔtər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Enhydra lutris
havsutter
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
tvål
såpa
noun
1. bolvormig vlies van water en zeep dat een hoeveelheid gas (meestal lucht) omringt
såpbubbla
noun
1. benaming voor zeedieren uit de familie Cheloniidae
havssköldpadda
noun
- 1. militair treffen op zee
sjöslag
- 2. bordspel
sänka skepp
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
sjöstjärna
pronoun
1. een streektaal bestaande uit een verzameling Nederfrankische dialecten ,gesproken in de provincie Zeeland
zeeländska
noun
1. iemand die voor zijn beroep de zee bevaart
sjöfarare
noun
1. scheepvaart over de zee
sjöfart
/
ˈzeˌvoχɔɫ/, /
ˈzeːˌvoːɣəl/
noun
1. een vogel die vooral in de directe omgeving van de zee leeft
sjöfågel
noun
2. allerlei eetbare schaal- en schelpdieren
havets frukter
noun
1. de mate waarin een schip of bemanning zeewaardig is
sjövärdighet
/
ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
havsvatten
noun
1. in zee levend wier
tång
noun
1. misselijkheid als gevolg van de onregelmatige beweging van een schip
sjösjuka
noun
1. zout, uit zeewater gewonnen
havssalt
/
ˈzexəl/
noun
1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
sigill
/
ˈzeɣəɫˌrɪŋ/
noun
1. een ring die aan de rugzijde voorzien is van een gravure, waarmee een zegel kan worden gestempeld
sigillring
/
ˈzeːɣə(n)/, /
ˈzeːχə(n)/
noun
- 1. verlening van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand
välsignelse
- 4. breed en naar verhouding niet erg hoog sleepnet
not
verb
1. de zegen geven
välsigna
noun
1. een geslacht van zowel bladverliezende als groenblijvende kruidachtige planten
starr
noun
1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
segel
noun
1. een boot waarmee gezeild kan worden
segelbåt
kutter
/
ˈzɛɪlə(n)/
verb
1. voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
segla
/
ˈzɛilklar/
adjective
1. gereed om te gaan zeilen
seglingsklar
noun
1. iemand die zeilen vervaardigt
segelmakare
noun
1. een schip waarmee gezeild kan worden
segelfartyg
seglare
/
ˈzɛilvardəx/
adjective
1. gereed om te gaan zeilen
seglingsklar
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
lie
/
ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
säker
/
ˈze.kə.rə(n)/
verb
1. het touw waarmee iemand klimt op een veilige manier vasthouden
säkra
/
'zekərɦɛɪt/
noun
säkerhet
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
säkring
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
sällan
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
sällsynt
/
zɛlf/, /
zɛɫf/
demonstrativePronoun
- 1. in eigen persoon
- 2. in tegenstelling met iets anders
själv
noun
- 2. de mogelijkheid voor een volk om te bepalen onder welke soevereiniteit het wil vallen
- 1. wilsvrijheid van het individu
självbestämmande
demonstrativePronoun
samma
noun
1. elk van de meestal versterkt geweven zijkanten van een weefsel in de lengterichting van het doek
stad
noun
1. beoordeling van het zelf, meestal gericht op dat wat verbeterd zou moeten worden
självkritik
adjective
1. zichzelf beoordelend, meestal gericht op dat wat verbeterd zou moeten worden
självkritisk
/
ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
självmord
noun
1. brief die als verklaring of afscheid achtergelaten wordt door iemand die zelfmoord pleegt
självmordsbrev
noun
1. iemand die bereid is terreur te zaaien ook als dat tot de eigen dood leidt
självmordsbombare
/
'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
självporträtt
noun
1. jezelf belachelijk maken met humoristische intentie
självironi
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
substantiv
nomen
noun
1. verbranding van zichzelf
självförbränning
noun
1. verdediging van zichzelf
självförsvar
noun
1. het zichzelf in een oneervolle, schaamte veroorzakende positie brengen
självförnedring
/
ˌzɛlᵊfɛrˈnitəxənt/
adjective
1. zo ontworpen dat er na afloop praktisch niets van overblijft
självförintande
/
zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
zenit
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
nerv
/
ˈzenʏˌʋɑxtəx/
adjective
1. onrustig, bezorgd en gespannen over iets wat gaat gebeuren
nervös
noun
1. het gehele zenuwsysteem
nervsystem
noun
1. klasse silicaat-mineralen met een kristalstructuur die kanalen en holtes bevat in de grootteorde van nanometers
zeolit
/
ˈzɛs.də/, /
ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
sjätte
cardinalNumeral
1. het getal 36
trettiosex
cardinalNumeral
1. het getal 26
tjugosex
cardinalNumeral
1. het getal 46
fyrtiosex
/
zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
sexhörning
hexagon
adjective
- 1. 6 jaren durend
sexårig
- 2. met de leeftijd van 6 jaar
sexårig
sexåring
noun
1. levend wezen dat 6 jaar oud is of iets dat 6 jaar bestaat
sexåring
cardinalNumeral
1. het getal 16
sexton
adjective
- 1. 16 jaren durend
sextonårig
- 2. met de leeftijd van 16 jaar
sextonårig
sextonåring
noun
1. levend wezen dat 16 jaar oud is of iets dat 16 jaar bestaat
sextonåring
noun
1. gedeelte van het voetbalveld
straffområde
cardinalNumeral
1. het getal 60
sextio
ordinalAdjective
sextionde
/
zɛt/
noun
- handeling gedurende een spelbeurt
drag
- beweging waarbij iets verplaatst wordt
knuff
noun
- 1. constructie bestemd om prettig op te zitten
- 2. lidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
- 3. plaats waar een organisatie gevestigd is
säte
noun
1. een medicament in de vorm van een pil die via de anus toegediend wordt
stolpiller
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
sugga
so
/
zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
Zeus
/
ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
sju
sjua
noun
1. soort struik, Juniperus sabina
sävenbom
/
ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
sjunde
/
ˈzøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 37
trettiosju
/
ˈzøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 97
nittiosju
/
ˈzøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 27
tjugosju
/
ˈzøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 47
fyrtiosju
/
ˈzøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 57
femtiosju
noun
plant en kruid
blåväppling
/
ˈzeːvə(n)ˌɦɔndərt/, /
ˈzøvənˌhɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 700
sjuhundra
/
ˈzøvənˌjarəx/
adjective
- 1. 7 jaren durend
sjuårig
- 2. met de leeftijd van 7 jaar
sjuårig
sjuåring
/
ˈzøvənˌjarəɣə/
noun
1. levend wezen dat 7 jaar oud is of iets dat 7 jaar bestaat
sjuåring
/
ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
sjutton
ordinalAdjective
sjuttonde
/
ˈzøvəntinˌjarəx/
adjective
- 1. 17 jaren durend
sjuttonårig
- 2. met de leeftijd van 17 jaar
sjuttonårig
sjuttonåring
/
ˈzøvəntinˌjarəɣə/
noun
1. levend wezen dat 17 jaar oud is of iets dat 17 jaar bestaat
sjuttonåring
/
ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
sjuttio
adjective
1. voor de zevende keer
sjufaldig
noun
1. wat gezien kan worden
sikt
reflexivePersonalPronoun
sig själva
adjective
1. lichamelijke toestand
sjuk
adjective
1. geneigd om vaak ziek te zijn
sjuklig
noun
1. compensatie voor loon gederfd door ziekte
sjukpenning
/
ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
sjukhus
lasarett
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
Parkinsons sjukdom
/
zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
själ
verb
1. waarnemen met het oog
se
/
ˈzɪftə(n)/
verb
1. de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
sikta
/
sɛɪ̯/, /
zɛɪ̯/, /
zɛː/
personalPronoun
- 2. 3e persoon meervoud
de
- 1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
hon
noun
- 1. kant
sida
- 2. vezel van de cocon van de zijdevlinder
siden
/
zɛɪkɑnt/
noun
1. datgene dat de zijde vormt
sida
possessivePronoun
1. derde persoon enkelvoud m/o
hans
verb
- 3. zich bevinden.
- 5. gelijk zijn aan.
- 6. tot de groep behoren van
- 1. bestaan
- 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
- 7. de eigenschap hebben.
- 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
vara
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
biflod
/
'zɛɪspɑn/
noun
1. karretje dat naast een motorfiets bevestigd is voor het vervoer van een passagier
sidovagn
phraseologicalUnit
silvermedalj
noun
1. grote meeuwensoort
gråtrut
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Abies
ädelgran
/
'zɪlvərvlisrɛist/
noun
rijst waarvan de zemelen en de kiem niet verwijderd zijn
råris
/
zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /
zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
Zimbabwe
noun
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
mening
fras
adjective
1.2 van huisdieren: alleen buitenshuis of binnenshuis op een daarvoor bestemde plaats poepend en plassend
rumsren
noun
1. een jong kind leren om de natuurlijke behoeften te beheersen en alleen uit te oefenen op een aangewezen plek
toaletträning
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
sjunga
noun
1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
zink
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
sjunka
adjective
1. iets dat geen zin (nut) heeft
meningslös
/
ˈzɪntœx/, /
ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
känsla
sinne
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
zirkonium
/
zɪr'koːn/
noun
1. een mineraal
zirkon
noun
1. verlaagd gedeelte waar gezeten kan worden
sittgrop
noun
1. een plaats waar men kan zitten
plats
/
ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
sitta
noun
1. zitmeubel
saccosäck
conjunction
- 1. in die mate als
- 2. bijvoorbeeld
som
conjunction
1. geeft aan welke gebeurtenis eerst moe(s)t plaatsvinden
så snart
adjective
1. niet terug te vinden
borta
verb
1. proberen te vinden
söka
leta
noun
2. een richtmiddel op een camera of vuurwapen
sökare
noun
1. een instrument waarmee men informatie kan zoeken in een bepaalde collectie...
sökmotor
noun
1. deel van een computerscherm waar je een zoekopdracht kunt invullen
sökruta
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
zulu
verb
1. een vrij zacht continu geluid voortbrengen dat op de z-klank lijkt
surra
/
ˈzut/
adjective
1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
söt
noun
1. een zetmeel houdende knol behorend tot dezelfde orde van planten als de aardappel
sötpotatis
/
ˈzu.tə(n)/
verb
1. zoet maken
mildra
/
ˈzuthʌʊt/
noun
1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
lakrits
lakritsrot
noun
2. zoetstof zonder suiker
sötningsmedel
/
ˈzoːɣ.ə(n)/
verb
1. moedermelk geven
amma
dia
dägga
/
zo.ɣə.'namt/
adverb
1. naar (betwijfelde) bewering
så kallad
/
ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
vind
loft
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
zombie
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus robur
ek
/
ˈzo.mər.ˌhœʏ̯s/, /
ˈzo.mər.ˌhœːs/
noun
1. huis om de zomer en de vakanties door te brengen
sommarhus
noun
1. noorderlijk keerpunt van de zon
sommarsolstånd
adjective
1. typerend voor de zomer
sommarlik
noun
1. Anas querquedula
årta
noun
1. regeling waarbij de klok gedurende de lente- en zomermaanden een uur vooruit wordt gezet
sommartid
/
ˈzo.mər.va.ˌkɑn.si/, /
ˈzo.mər.va.ˌkɑn.tsi/
noun
1. een lange vakantie in de zomer
sommarlov
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
sol
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
söndag
noun
1. een krant die op zondag verschijnt
söndagstidning
noun
1. krant die op zondag verschijnt
söndagstidning
noun
1. een krant die op zondag verschijnt
söndagstidning
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
synd
preposition
1. In afwezigheid van
utan
/
zɔndəɣə(n)/
verb
1. het overtreden van een religieuze wet
synda
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
syndafloden
/
ˈzoːnə/
noun
1. bepaald gebied dat is afgebakend van aangrenzend gebied
zon
noun
1. de zichtbare elektromagnetische straling van de ster waarrond onze aarde draait
solljus
/
'zɔnəʔenɛr'ɣi/
noun
1. energie die gewonnen wordt uit de straling van de zon
solenergi
/
zɔnəbɑt/
noun
het doelbewust de huid aan de stralen van de zon blootstellen om bruin te worden
solbad
verb
1. een of meerdere zonnebaden nemen
solbada
/
ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
solros
noun
1. de pit van een zonnebloem
solrosfrö
noun
1. de vaak pijnlijke gevolgen van een blootstelling van de huid aan een te grote dosis ultraviolet licht
solbränna
noun
1. substantie tegen verbranding van de huid
solkräm
solskyddsmedel
solskyddskräm
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
solglasögon
noun
3. de tijd tussen het weer even hoog aan de hemel staan van de zon
soldygn
noun
2. hoed voor op het strand
solhatt
/
ˈzɔnəpɑˌnel/, /
ˈzɔnəpɑˌnɪːɫ/
noun
1. een paneel dat stralingsenergie van de zon omzet in elektriciteit
solpanel
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
solsken
noun
1. bepaald soort eetbare vis, Zeus faber
Sankt Pers fisk
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
solfläckar
solfläck
/
ˈzɔnəˌwɛndə/, /
ˈzɔnəˌʋɛndə/, /
ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
sommarsolstånd
vintersolstånd
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
solvind
adjective
1. zonovergoten, met zonneschijn
solig
/
zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
solnedgång
noun
1. het opkomen van de zon
soluppgång
/
ˈzɔnsvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /
ˈzɔnsvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
solförmörkelse
/
zuː/
noun
1. verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
djurpark
zoo
/
ˈzox.diːr/, /
ˈzoːɣ.diːr/, /
ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
däggdjur
noun
- 1. onderkant van de voet
- 3. onderkant van een schaaf
sula
/
zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
son
noun
1. behoedzame overweging
bekymmer
noun
1. hoofddeksel van een nar
narrmössa
/
zɑu̯t/
adjective
1. zout bevattend of zout smakend
salt
/
zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
salt
verb
1. met zout conserveren
salta
/
ˈzɑutˌvacə/
noun
2. tafelgereedschap dat het zout bevat en strooit
saltkar
noun
1. een oplossing
saltsyra
/
zoʔo'lox/
noun
1. een wetenschapper die zich bezig houdt met de studie van dieren.
zoolog
noun
1. hoorbare uitademing
suck
verb
1. hoorbaar diep uitademen, meestal als uiting van frustratie
sucka
/
zœʏ̯t/, /
zœːd/, /
zœːt/
adverb
söder
/
zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /
zœː'.dɑ.fri.ka/, /
zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
Sydafrika
noun
Merluccius capensis
kapkummel
/
ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /
ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
Sydamerika
pronoun
1. Australische deelstaat in het zuiden
South Australia
pronoun
1. is een randzee van de Grote Oceaan en ligt ten zuiden van China
Sydkinesiska havet
pronoun
het zuidelijk deel van Europa
Sydeuropa
/
zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /
zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /
ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
Zuid-Holland
pronoun
1. regio van Finland
Södra Karelen
/
ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /
ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
Sydkorea
/
ˌzœʏ̯t koreˈjans/, /
ˌzœːt koreˈjaːns/
adjective
1.
sydkoreansk
pronoun
1. Oeralische taal gesproken door 600 mensen in Noorwegen en Zweden
sydsamisk
/
ˈzœy̯.də(n)/
noun
söder
syd
pronoun
1. grootste eiland van Nieuw-Zeeland
Sydön
pronoun
1. Noordpool
sydpolen
noun
1,2,3. zuidpool
sydpol
pronoun
1. regio van Finland
Egentliga Finland
noun
1. hoofddeksel
sydväst
/
ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
1. (met de mond) naar zich toe trekken
suga
noun
1. voedingsmiddel op basis van melk
mejeriprodukt
verb
1. van verontreinigingen ontdoen
rena
/
zɵlk/
exclamativePronoun
sådan
/
ˈzʏ.lə(n)/
verb
komma att
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
ängssyra
skräppor
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
syster
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
syster
noun
2. de gemeenschap van vrouwen in algemene of meer beperkte zin
systerskap
/
zyːr/
adjective
1. een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
sur
/
zyːr/
noun
1. zure vloeistof
syra
/
'zyrkɑst/
noun
1.
dragskåp
noun
1. fijngesneden en licht gezouten kool die enige tijd gefermenteerd is
surkål
/
ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
syre
oxygen
adjective
1. een laag gehalte aan zuurstof bevattend
syrefattig
noun
1. snoep in de vorm van een gekleurde staaf met een zoetzure smaak
polkagris
noun
- 2. vrucht
- 1. plant
taggannona
verb
1. begroeten door met de hand heen en weer te bewegen
dallra
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Svanen
/
zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
svan
adjective
van groot gewicht
tung
noun
1. water waarin de waterstofatomen vervangen zijn door de waterstofisotoop deuterium
tungt vatten
noun
1. een lang, scherp wapen
svärd
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
svärdfisk
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
späckhuggare
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
gravitation
/
ˈzwɑbər/
noun
mopp
golvmopp
pronoun
1. bepaalde Opperduitse streektaal
schwabisk
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
svala
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
gravid
havande
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
graviditet
havandeskap
noun
graviditetsillamående
noun
2. produkt dat via de urine tekenen van een zwangerschap onthult
graviditetstest
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
svart
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
svart hål
noun
1. betaalmiddelen die afkomstig zijn uit belastingontduiking of onwettige handel
svarta pengar
noun
1. vruchtje van Ribes nigrum
svarta vinbär
noun
- 1. systeem, apparaat of voorwerp waarvan bekend is wat het doet maar niet hoe het werkt
- 2. crashbestendig apparaat met vluchtgegevens
svart låda
noun
1. Plegadis falcinellus
bronsibis
noun
1./2. plant, zaden en zaaddoos Amomum subulatum
svart kardemumma
phraseologicalUnit
svart börs
pronoun
1. gebergte in het zuidwesten van Duitsland
Schwarzwald
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
Svarta havet
noun
1. bepaald soort zee-eend, Melanitta nigra
sjöorre
noun
1. Capaea nemoralis
parksnäcka
noun
1. bepaald soort vogel, Sylvia atricapilla
svarthätta
/
ˈzwɑrt.rɛɪ̯.də(n)/, /
ˈzʋɑrt.rɛɪ̯.də(n)/, /
ˈzβ̞ɑrt.rɛː.də(n)/
verb
1. van het openbaar vervoer gebruik maken zonder te betalen
tjuvåka
noun
1. iemand die van het openbaar vervoer gebruikmaakt zonder te betalen
tjuvåkare
noun
1. iemand die zwartwerkt
svartjobbare
/
zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
svavel
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
svavelsyra
vitriololja
/
ˈzweːdə(n)/, /
ˈzʋedə(n)/, /
ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
Sverige
/
zwed/, /
zʋet/, /
zβ̞et/
noun
1. een inwoner van Zweden, of iemand afkomstig uit Zweden
svensk
/
zweds/, /
zʋets/, /
zβ̞ets/
adjective
1. betreffende Zweden of het Zweeds
svensk
svenska
/
zweds/, /
zʋets/, /
zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
svenska
svensk
verb
1. vlieg uit de familie
blomfluga
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
segelflygplan
glidflygplan
noun
1. een handwapen in de vorm van een lang ineengedraaid stuk leer dat met een zwiepende beweging pijnlijke slagen uit kan delen
piska
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
svett
noun
1.een klier in het lichaam dat zweet produceert
svettkörtel
/
zʋɛlɣə(n)/
verb
- 2. zich onmatig verlustigen in, te buiten gaan aan
- 1. gulzig opeten of -drinken
frossa
verb
1. in volume toenemen
svälla
/
ˈzwɛmbɑd/, /
ˈzʋɛmbɑt/, /
ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
simbassäng
simhall
noun
1. kledingstuk voor mannen dat gebruikt wordt om in te zwemmen
badbyxa
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
badkläder
noun
1. iemand die zwemles geeft
siminstruktör
simlärare
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
simma
simtur
/
'zʋɛmvlis/
noun
- 2. schoeisel
simfot
simfena
- 1. huidplooi
simhud
/
zʋɛrm/
noun
1. een grote groep gezamenlijk op- en rondtrekkende personen, dieren of zaken, gewoonlijk vogels of insecten
svärm
/
'zʋevɪŋ/
noun
1. een geluidsverschijnsel dat veroorzaakt wordt door de interferentie van twee tonen met een gering verschil in toonhoogte
slag
noun
1. klierachtig, hormoonvormend orgaan
bräss
verb
1. ervan afzien te spreken
tiga
adjective
1. weinig sprekend
fåordig
noun
fåordighet
tystlåtenhet
noun
1. een varken
gris
svin
/
ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
svinstia
/
zʋɪk/
noun
2. hoekstuk tussen een cirkel en de rechthoekige omlijsting hiervan
spandrill
svickel
/
'zʋɪŋəl/
noun
1. houten werktuig om vlas- en hennepvezels van de scheven te bevrijden
skäkta
/
zʋɪŋələ(n)/
verb
1. van vlas- of hennepvezels de aanhangende houtdeeltjes met een zwingel verwijderen
skäkta
/
ˈzwɪtsər/, /
ˈzʋɪtsər/, /
ˈzβ̞ɪtsər/
noun
1. een inwoner van Zwitserland, of iemand afkomstig uit Zwitserland
schweizare
/
ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /
ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /
ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
Schweiz
pronoun
1. een groep eilanden in de Oostzee die tot Finland behoren, maar geheel Zweedstalig zijn
Åland
interjection
1. inleiding op een opmerking die met het voorgaande verbonden is
apropå
/
ˈɔŋstrøm/
noun
1. lengtemaat met een waarde van 10-10 m
ångström
/
eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
en
ett
/
eːn/
noun
1. het getal 1
etta