/ˌsxraːvə(n)ˈɦaːɣə/, /ˌsχravə(n)ˈɦaχə/
pronoun
1. een stad en gemeente in de Nederlandse provincie [[Zuid-Holland]]
Хага
noun
1. streling, liefkozing
  1. милувка
  2. погалване
verb
1. zachtjes strelen
  1. галя
  2. погалвам
noun
1. lang vaartuig met een platte bodem en een brede boeg
плоскодънна речна лодка
noun
3. paling
змиорка
noun
1. bepaald soort struik met eetbare rode bessen Ribes rubrum
френско грозде
noun
1. bepaald soort vis die voorkomt in het noordwesten en het noordoosten van de Atlantische Oceaan Glyptocephalus cynoglossus
  1. калкан
  2. морски език
noun
подаяние
noun
1. geestelijke voor militairen, gevangenen en leden van jeugdbewegingen
  1. военен свещеник
  2. свещеник-изповедник на затворници
noun
1.bepaald soort plant, Artemisia absinthium
Обикновен пелин
noun
1. aalt
торова течност
noun
наковалня
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
хемороид
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
хемороѝди
preposition
1. verbonden met, tegen, tegenaan
  1. в
  2. до
  3. за
  4. на
  5. при
verb
1. door het bakken aankoeken, vasthechten
  1. загарям
  2. препичам
noun
1.
загоряло нещо
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
наковалня
verb
1. ergens terechtkomen
попадам някъде
verb
1. bij iemand (aan de deur) bellen
  1. звъня
  2. позвънявам
verb
възлагам
noun
1. een kans om uitgekozen te worden voor een werk of levering
възлагане
noun
1. een eerste betaling bij het kopen van iets op afbetaling of in termijnen
първа вноска
verb
1. over iets of iemand bij iemand (positief) vertellen en adviseren om datgene/diegene te gebruiken/in te schakelen
препоръчвам
adjective
достоен за препоръка
adjective
1. een aanbeveling verdienend
достоен за препоръка
noun
  1. препоръка
  2. рекомендация
adjective
1. waard om aanbeden te worden
  1. божествен
  2. възхитителен
  3. достоен за обожаване
verb
  1. 1. vereren van een god of heilige door daar een gebed aan te richten
    боготворя
  2. 2. een persoon op hogere waarde inschatten
    обожавам
noun
  1. 2. verliefd persoon, die een ander het hof maakt
    1. обожател
    2. почитател
  2. 1. vereerder van een goddelijk wezen
    поклонник
noun
1. een verering, een eerbiedvolle bewondering
  1. поклонение
  2. почитане
noun
  1. 2. een vrouwelijk verliefd persoon, die een ander het hof maakt
    1. обожателка
    2. почитателка
  2. 1. vereerster van een goddelijk wezen
    поклонница
verb
1. aanreiken, bieden, offreren, presenteren
предлагам
noun
1. iemand die beroepshalve een advies, dienst of een product ter beschikking stelt
  1. предложител
  2. предявител
  3. преносител
noun
1. iets voordelig te koop aanbieden
  1. изгодна оферта
  2. износна
  3. предложение
/ˈambɪndə(n)/
verb
  1. 2. de strijd beginnen
    започвам
  2. 1. met een koord, riem of touw bevestigen
    1. привързвам
    2. пристягам
noun
  1. 2. het zien van iets
    зрелище
  2. 1. de blik van iemand
    1. изглед
    2. поглед
noun
1. een aanbieding
  1. оферта
  2. предлагане
  3. предложение
noun
  1. надстройка
  2. строеж
/ˈambʌʊə(n)/
verb
1. ergens iets tegenaan bouwen
  1. достроявам
  2. надстроявам
/ˈambradə(n)/
verb
1. even laten braden
обгарям
verb
  1. загаря
  2. прегаря
verb
2. beginnen van tijd
  1. започвам
  2. начевам
verb
  1. 2. toevoegen, invoegen
    1. добавям
    2. нанасям
  2. 1. brengen naar
    доставям
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
внимание
adverb
1. met belangstelling, met aandacht, met interesse
  1. внимателен
  2. отзивчив
noun
тире
noun
1. waardepapier
  1. акция
  2. дял
  3. пай
  4. част
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
акционер
noun
1. de handel in aandelen in het algemeen
фо́ндов паза́р
noun
  1. 1. een herinnering
    възпоменание
  2. 2. een object ter herinnering ergens aan
    спомен
verb
  1. докладвам
  2. представям
  3. съобщавам
verb
  1. 3. overdrijven
    преувеличавам
  2. 2. dikker maken
    сгъстявам
verb
  1. 2. (iemand iets) berokkenen
    надявам
  2. 1. (kleren) aantrekken
    обличам
  3. 3. (iets) aantasten
    причинявам
noun
1. ziekte
  1. заболяване
  2. вълнение
  3. тревога
adjective
  1. вълнуващ
  2. трогателен
  3. умилителен
verb
  1. 2. iets in werking stellen
    1. включвам
    2. пускам
  2. 1. vaster draaien
    завинтвам
verb
  1. 2. ter sprake brengen
    поднасям
  2. 1. ergens naartoe dragen
    пренасям
noun
3. met klem, nadruk
  1. напор
  2. напън
  3. натиск
noun
  1. подбуда
  2. порив
verb
2. doen bewegen
  1. напирам
  2. подкарвам
verb
  1. 2. iets proberen te verkrijgen
    изисквам
  2. 1. doorgaan met verzoeken
    1. настоявам
    2. напирам
verb
1. vaster drukken
  1. притискам
  2. натискам
verb
1. aanwijzen
  1. намеквам
  2. обозначавам
  3. отбелязвам
noun
1. aanwijzing
  1. указание
  2. намек
  3. обозначение
/'ʔan.dɵr.və(n)/
verb
1. Moed hebben
  1. осмелявам се
  2. решавам се
  3. рискувам
verb
  1. 1. vaster duwen
    подтиквам
  2. 2. verplaatsen door te duwen
    придвижвам
verb
een beetje dweilen
  1. забърсвам
  2. мия
adverb
  1. заедно
  2. неразделно
  3. подред
verb
1. bond aaneen
връзвам заедно
verb
1. verbonden
  1. обвързан
  2. обединен
  3. приплетен
verb
1. door geringe afstand één geheel vormend
  1. сплотен
  2. съединен
verb
1. aan elkaar vastgroeien
сраствам се
verb
1.
  1. имам връзка
  2. свързан съм
verb
1. aan elkaar vast hechten
  1. скрепявам
  2. съединявам
verb
1. aan elkaar vastknopen
  1. обединявам
  2. привързвам
  3. свързвам
verb
1.
  1. своднича
  2. свързвам
  3. съединявам
/an.ˈen.sxa.kə.lə(n)/, /an.ˈen.sχa.kə.lə(n)/
verb
1. met schakels verbinden
  1. присъединявам
  2. сцеплявам
  3. съединявам
verb
1. dicht tegen elkaar aankomen
  1. обединявам
  2. съединявам
noun
1. iets dat belachelijk of schandelijk is
насмешка
verb
  1. 1. betreffen
    1. засяга
    2. отнася се до
  2. verplichtingen aangaan
    1. поемам
    2. сключвам
/anˈɣandə/, /ˈanɣandə/
preposition
  1. засягащ
  2. касаещ се до
  3. отнасящ се до
verb
  1. взирам се
  2. вторачвам се
adjective
1. bij de geboorte verkregen eigenschappen
  1. вроден
  2. естествен
adjective
  1. загорял
  2. прегорял
adjective
1. een staat waarin je verkeert als iets je emotioneel geraakt heeft
  1. разтревожен
  2. трогнат
noun
1. iemand tegen wie een aanklacht is ingediend
  1. обвиняем
  2. ответник
  3. подсъдим
adjective
1. met kleren aan
  1. облечен
  2. подреден
adjective
1. zich door leren eigen maken
  1. изкуствен
  2. научен
  3. неестествен
adjective
1. een positief gevoel oproepend
вкусен
verb
2. aanduiden
давам мигач
adjective
1. voor een bepaald doel gebruikt
приложен
noun
лик
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
тъй като
noun
hотификация
adjective
1. rechtstreeks grenzend aan iets anders
съседен
verb
2. eigen of andermans woorden ontlenen
цити́рам
noun
1. een letterlijke passage die door iemand anders aangehaald wordt uit een bron
цитат
noun
1. leesteken om geciteerde woorden van die van de auteur te onderscheiden
кавичка
noun
2. rijdend object dat achter de auto gehangen kan worden voor het vervoeren van goederen.
привърженик
noun
ремарке
verb
1.
но́ся
verb
  1. 2. arresteren
    арестувам
  2. 1. staande houden
    спи́рам
noun
аре́ст
verb
1. iemands handelingen bij een hof aanhangig maken met een officiële beschuldiging
предявявам обвинение
noun
1. iemand die een proces aanspant
обвини́тел
verb
2. aanspreken
акостирам
verb
2. iemand kleren aandoen
облека́
verb
1. een bestemming bereiken
стигам
noun
1. de bestemming bereiken, het aankomen
присти́гане
noun
1. iemand die zegt wat er gaat gebeuren
вестител
noun
ано́нс
noun
3. talent
дарба
verb
3. café
акостирам
noun
1. datgene wat iets tot gevolg heeft
повод
adjective
дързък
noun
1.
арога́нтност
verb
акостирам
verb
1. moed inspreken
насърча́вам
noun
1. het inspreken van moed
поощрение
noun
допускане
verb
1. overnemen
осиновя́
/ˈaːneːmər/
noun
1. iemand die een (bouw)werk uitvoert tegen een bepaalde prijs
предприемач
noun
1. manier van aanpakken
подхо́д
verb
3. een probleem oplossen
справям се
adjective
1. in staat om zich aan te passen
приспособим
/ˈaːmpɑsə(n)/
verb
1. aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken
приспособя́вам
noun
2. het zich aanpassen
приспособяване
/ˈanrakˌsxɛrm/, /ˈanrakˌsχɛrm/
noun
1. een beeldscherm dat ook als invoerapparaat voor een computer kan worden gebruikt door het scherm aan te raken.
сензорен екран
verb
1. raad geven om iets te doen
препоръ́чам
verb
1. fysiek contact maken met iets
докосвам
noun
1. het aanraken
до́пир
verb
  1. 1. fysiek aanvallen
  2. 3. aantasten
атакувам
noun
  1. 1. aanvaller
  2. 2. een persoon, in de regel van het mannelijke geslacht die iemand anders aanvalt om seksuele redenen
нападател
noun
3. een fysieke aanval op iemand met als doel seksuele handelingen af te dwingen
сексуален тормоз
noun
1. vaste tafel met kastjes langs keukenwand
работен плот
verb
1.
призовавам
noun
4. terroristische aanval
атентат
noun
1. aanmoediging tot actie
подбу́да
adjective
1. verantwoordelijk, om vergoeding of betaling aangesproken kunnen worden
отгово́рен
noun
oтговорност
noun
1. apparaatje om vuur te maken
запалка
noun
1. iemand die zich aanstelt
позьор
noun
1. benoeming in een functie, dienst etc.
назначе́ние
verb
1. veroorzaken
подстрекавам
noun
подстрека́тел
noun
1. een telbare hoeveelheid
брой
verb
1. (langzaam) beschadigen, aangrijpen
поразявам
noun
беле́жка
noun
1. de werkwoordsmodus die de gewone werkelijkheid aangeeft
изявително наклонение
adjective
1. bekoorlijk
привлека́телен
verb
1. dankzij een kracht objecten naar zich toe doen bewegen
привличам
verb
2. accepteren, in bezit ontvangen
понасям
noun
съгласие
noun
1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven
ата́ка
verb
атаку́вам
noun
изто́чник
verb
1. beginnen, starten
запо́чвам
adjective
1. in het begin
първоначален
adverb
1. in het begin
отначало
noun
1. werkwoordswijs van mogelijkheid
подчинително наклонение
verb
3. bijbrengen als bewijs
изтъквам
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
формуляр
/ˈanvʏlə(n)/
verb
1. het ontbrekende bijvoegen
попълвам
adjective
1. die of dat aanvult
допълнителен
/'a:nwɑsən/
verb
1. toenemen, aangroeien
нарастване
verb
1. gebruik maken van
изпо́лзвам
adjective
присъ́стващ
noun
1. het aanwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
присъствие
noun
1. een voornaamwoord met een nadrukkelijke verwijzende waarde
показателно местоимение
noun
3. inlichting of voorschrift over hoe men moet handelen
директива
noun
1. hoe men door anderen gezien wordt
поглед
adjective
1. voornáám, groot
голям
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
маймуна
noun
  1. 1. bloeiwijze van granen
  2. 2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
клас
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
картоф
/ˈardɑˌpəɫpyˈre/
noun
1. een puree van zeer fijn gemaakte, met melk aangemengde aardappels
картофено пюре
noun
1. een salade die gemaakt wordt uit aardappelen
карто́фена сала́та
/\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
ягода
noun
1. bepaald soort plant, Arbutus unedo
кумарка
noun
1. jam van aardbeien
  1. конфитюр от ягоди
  2. мармалад от ягоди
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
  1. Земетресение
  2. земетресение
/ˈardə/
pronoun
Земя
/ˈardə/
noun
  1. 1. planeet
    земя
  2. 2. grond
    пръст
adjective
1. van aarde gemaakt
пръстен
noun
kерамика
/artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
природен газ
noun
1. het ontginnen van aardgas
Извличане на природен газ
/ˈart.kɔrst/
noun
1. het buitenste gedeelte van de planeet Aarde
Земна кора
noun
геоло́гия
noun
петрол
/ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
география
adjective
1. betrekking hebbende op de aarde, tot de aarde behorend
зе́мен
noun
1. een plotselinge aardbeving
земетресе́ние
/ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
мравояд
noun
1. bepaald soort altijd groene heester die zich met wortelvezels aan de omringende omgeving vasthecht, Glechoma hederacea
самобайка
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
свлачище
noun
дъждовен червей
pronoun
1. een Waalse provinciehoofdstad
Арлон
noun
1. en 2. (blaadjes van) de plant Mentha spicata
джоджен
noun
а́нус
prefix
архи-
/ˈaːrz.bɪz.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪs.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪz.dɔm/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
архиепископия
/ˈaːrzbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
  1. архиепископ
  2. архиепи́скоп
noun
1. een hemelgeest in een rang boven een engel
архангел
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
ерцхерцог
noun
ерцхерцогство
noun
1. adellijke titel, vrouw van een aartshertog
ерцхерцогиня
noun
баща́
adverb
патриархален
/ˈarzələ(n)/
verb
1. onzeker zijn, twijfelen
двоумя се
noun
1. onzekerheid, twijfel, weifel
колебание
noun
  1. 1. speelkaart
    ас
  2. 1. lokmiddel
    изкуше́ние
/'as.xir/
noun
1. bepaald soort roofvogel, Neophron percnopterus
eгипетски лешояд
/ˈɑbɑkʏs/
noun
  1. 1. raam met staven
  2. 2. dekplaat van een kapiteel
аба́к
/a.bɑ.ˈtwaːr/, /ɑ.bɑ.ˈtβ̞ar/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
кла́ница
pronoun
1. West-Kaukasische taal gesproken in Rusland en Turkije
абазински език
adjective
1. betrekking hebbend op een abt of een abdij
игуменски
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
абревиатура
noun
1. een ophoping van pus in het lichaam, daarbij een onnatuurlijke holte vormend
абсцес
/ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
  1. абхазки език
  2. абхазки
noun
абдикация
verb
1. afstand doen van de troon, aftreden als vorst
абдикирам
/ɑbˈdɛɪ̯/, /ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
абатство
/ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
  1. игуменка
  2. абатиса
noun
вътрешности
/ˌɑbdoʊmiˈnaːɫ/
adjective
1. de onderbuik betreffend
абдомина́лен
noun
wegvoering
абду́кция
adjective
1. afwijkend van de norm
отклоняващ се
noun
абера́ция
pronoun
Абиси́ния
/ˌɑb.la.ˈtif/, /ˌɑb.la.ˈtiːf/
noun
1. de zesde naamval die onder meer de instantie aangeeft waarvan iets uitgaat of vertrekt
обстоятелствен
/ˈɑb.laut/, /ˈɑp.lɔut/, /ˈɑp.lʌut/
noun
1. regelmatige, grammaticaal bepaalde klinkerwisseling
аблаут
adverb
1. ongewoon
ненормален
/ɑbɔ'ne/
noun
1. iemand die op iets geabonneerd is
абонат
noun
абонаме́нт
/ɑbɔ'nerə(n)/
verb
1. een abonnement aangaan
абони́рам
noun
1. oorspronkelijke bewoner van Australië
абориге́н
/ɑ'bɔrtəs/
noun
аборт
noun
  1. кайсия
  2. кайси́я
pronoun
Абру́цо
noun
1. de afstand tot de opstaande as van een coördinatenstelsel
абсци́са
verb
1. met behulp van een touw van een steile wand afdalen
рапел
/ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
абсент
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
  1. обикновен пелин
  2. пелин
/ɑpso'lysi/
noun
1. het vergeven van de zonden
опрощение
/ɑpso'lyt/
adjective
  1. 1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
  2. 2. volledig, volkomen
  3. 3. beslist, zeker
  4. 4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
безусловен
/ɑpsɔr'berə(n)/
verb
гълтам
noun
абсорбция
noun
абстиненция
/ɑp'strɑksi/
noun
1. een begrip dat los staat van de dagelijkse werkelijkheid
абстра́кция
/ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
абсурд
/ɑb/, /ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
  1. абат
  2. игумен
adjective
абисален
noun
академия
/ɑkɑ'demis/
adjective
академичен
noun
1. toename van de snelheid
акселера́ция
noun
  1. 1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
    1. акцент
    2. произношение
  2. 2. een teken dat op een klinker kan worden geplaatst
    ударение
verb
акцентирам
/ɑk.sep.ˈtaː.tʃi/
noun
1.
акцептиране
/ɑksɛp'terə/
verb
  1. 1. aanvaarden
  2. 2. aannemen, graag ontvangen
прие́ма
noun
1. belasting die direct geheven wordt bij de aan- en verkoop van verbruiksgoederen
  1. акциз
  2. косвен данък
noun
1.
аплодисменти
verb
1. aan een andere omgeving wennen
аклиматизи́рам
noun
  1. 1. voorzieningen ten behoeve van ...
  2. 2. aanpassing
акомодацията
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
акордеон
noun
1. iemand die zijn beroep maakt van het inrichten en controleren van boekhoudingen en administraties
счетоводи́тел
verb
1. een officieel stempel van goedkeuring aan iets of iemand verlenen
акредитирам
noun
1.
акреция
noun
1. een toestel om elektriciteit op te slaan
aкумулатор
verb
натрупвам
noun
1. een ester of zout afgeleid van azijnzuur
ацетат
noun
1. kleurloze, vluchtige, sterk riekende vloeistof die als oplosmiddel wordt gebruikt met als chemische formule: C₃H₆O
ацето́н
/ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
ацетилхолин
/ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
ацетилен
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
Ахил
noun
1. kwetsbare plaats
Ахилесова пета
noun
ахилесово сухожилие
cardinalNumeral
1. het getal 8
  1. осем
  2. о́сем
/ˈɑxtbaːn/
noun
1. een attractie met een karretje dat over een baan met bochten, stijgingen en dalingen rijdt
влакче
noun
1. gebrek aan aandacht voor mogelijke problemen
немарливост
cardinalNumeral
1. het getal 88
осемдесет и осем
preposition
зад
adverb
1. in de laatste of een van de laatste posities in een rangschikking, op een verder weg liggende plaats
наза́д
adverb
1. na afloop
впоследствие
noun
1.
глуха улица
adjective
недоверчив
noun
1. het achterste deel van een voorwerp dat een voorkant en achtereinde heeft
бут
noun
1. de indirecte oorzaak van actualiteiten
за́ден план
/ˈɑxtərkɑnt/
noun
задна част
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
изоставям
noun
1. lamp(en) aan de achterkant van een voertuig
задни светлини
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
презиме
adjective
1. niet op tijd
закъснял
noun
за́ден
noun
1. de achterzijde van een schip
кърма́
adverb
1. in achterwaartse richting
обратно
noun
1. een spiegel aan een auto of motorfiets waarmee men de situatie op de weg achter zich kan zien
огледало за задно виждане
/'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
суфикс
verb
1. iemand inhalen
пресле́двам
noun
гонитба
noun
1. een vorm met acht hoeken
осмоъгълник
/ɑxt'ɦukəx/
adjective
1.
осмоъгълен
/ˈɑxtˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 800
осемстотин
noun
1. aanzien
уважение
noun
осми
noun
1.
осмина нота
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
осемнадесет
ordinalAdjective
десетия осмия
/ˌasidiˈtɛɪt/
noun
1. de zuurgraad, geeft aan hoeveel H+ er in een oplossing voorkomt
киселинност
noun
ацидоза
noun
акне
pronoun
1. braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noord van het land. Hoofdstad is Rio Branco
Акре
noun
1. gymnast
акробат
noun
1. blauwkleuring van handen, voeten
акроцианоза
noun
акроним
noun
aкрилонитрил-бутадиен-стирен
/ɑkˈtør/
noun
1. persoon
актьор
noun
бой
adjective
1. met iets bezig zijnde
акти́вен
noun
Група за действие
noun
активист
noun
1. Scheikundig element
актиний
noun
1. in geld uitgedrukte waarde van de bezittingen van een onderneming
актив
verb
1. werkzaam maken
активизирам
noun
активи́ст
noun
1. iets waarmee men actief is
акти́вност
noun
1. vrouw
актриса
verb
актуализирам
noun
актуалност
noun
актюер
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
акупункту́ра
/aˈkyt/
adjective
1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend
акутен
pronoun
А́дам
/ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
Ада́мова я́бълка
noun
1. aanpassingsvermogen
адаптация
noun
ада́птер
noun
1. bijlage
допълне́ние
noun
  1. 1. gifslang
    змия
  2. 2. persoon
    пепеля́нка
noun
1. chemisch product
  1. Добавка
  2. модификатор
noun
1. bevoorrechte groep personen
аристокра́ция
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
  1. oрел
  2. орел
/adəm/
noun
дъх
/ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
ди́шам
/ˈa.də.ˌma.lə(n)/
verb
1. door levende wezens inblazen en uitblazen van lucht om zuurstof te krijgen
дишам
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
дишане
noun
затруднено дишане
/a.de.'kʋat/
adverb
1. correct en passend bij het beoogde doel
адекватен
noun
1. bloedvat met zuurstofarm bloed
вена
/ɑtˈhezi/
noun
  1. 1. een vergroeiing van organen
  2. 2. onderlinge aantrekkingskracht tussen ongelijke moleculen zonder dat er sprake is van een chemische binding
сра́стване
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
прилагателно име
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
прилагателно име
/ˌɑtminɪsˈtrasi/, /ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
1. de plaats waar gegevens zorgvuldig worden vastgelegd zodat ze later terug te vinden of te controleren zijn
администрация
adjective
административен
noun
администра́тор
noun
администраторка
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
адмирал
noun
1. veel voorkomende vlinder met rode strepen
адмирал
noun
адмиралте́йство
noun
1. de reciproke complexe impedantie
адмитанс
noun
1. jeugdig persoon, puber
юношески
verb
1. een kind aannemen
адоптирам
noun
осиновяване
verb
1. aanbidden, verafgoden, vereren
боготворя́
/aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
адрес
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
Адриатическо море
/ɑd.zɔr.ˈbeː.rə(n)/, /ɑt.sɔr.ˈbɪː.rə(n)/
verb
1. aantrekken, aan de oppervlakte binden
адсорбирам
noun
1. een fenomeen dat optreedt aan het grensvlak van twee fasen, waarbij moleculen of atomen zich aan dit grensvlak hechten
Адсорбция
/ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis    2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
Адвент
noun
1. een aankondiging in een krant, reclameblad, tijdschrift ...
[[рекламен|рекла́мна]] [[обя́ва]]
noun
1. een gegeven raad
съвет
/ɑtfiˈzerə(n)/
verb
1. raad geven aan
съветвам
noun
1. raadgever, raadsman
съветник
noun
1. pleiter, verdediger in rechtszaken
адвокат
noun
1. vrouwelijke advocaat
адвокатка
noun
1. vliegveld
аеродру́м
noun
аеродинамика
/ˌæːroˈzol/, /ˌɛːroˈzɔɫ/
noun
2. scheikunde
аерозо́л
adverb
1. op onregelmatige tijden
сегиз-тогиз
noun
1. het onvermogen te spreken
афазия
noun
1. een grafisch beeld
изображение
noun
1. een geleidelijke betaling in termijnen
вноска
/'ɑfbrak/
noun
1. afbreken, slopen
срутване
noun
слизане
/ˈɑfdelɪŋ/
noun
1. groep van werknemers die aan soortgelijke taken werken
отде́л
verb
1. door onderhandelen een prijs omlaag zien te krijgen
пазаря
noun
1. resultaat van het afdrukken
отпечатък
verb
1. het juiste pad kwijt raken
разсейвам се
verb
  1. 1. onder dwang iets verkrijgen
  2. 2. via de wet of regels iets bewerkstelligen
налагам
verb
1. verbranden van overtollig gas via een hoge fakkel
Ярко запалване
noun
1. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
афикс
noun
конда́к
noun
отказ
noun
произво́дно
adjective
1. saai, alledaags, overbekend
банален
noun
1. iemand die als officiële vertegenwoordiger naar een andere partij gestuurd wordt
емиса́р
/ɑf.ˈxans/, /ɑf.ˈχans/, /ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
афганистански
/ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
  1. Афганистан
  2. Афганиста́н
noun
отливка
noun
1. een stuk land waarvan de grond verwijderd is, of waar men nog steeds aan het graven is
изкопа́ване
/ˈɑfxrɔnt/, /ˈɑfχrɔnt/, /ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
бездна
/ˈɑfxɵnst/, /ˈɑfxʏnst/
noun
1. gevoel
за́вист
verb
1. ~ van: naargelang iets verandert mee veranderen
вярвам
adjective
зави́сим
noun
зави́симост
verb
1. niet geschikt verklaren
не одобрявам
noun
1. het uitspreken van een negatief oordeel over iets
неодобрение
verb
1. soort van ritueel waarbij men door op iets te kloppen, het lot probeert te sturen
чукам на дърво
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
абревиату́ра
/ˈɑflat/
noun
1. een kwijtschelding van tijdelijke straffen die men zou moeten ondergaan na het sterven..
индулгенция
verb
1. vrachtgoed van een dek of van open wagen lossen
разтоварвам
verb
1. de aandacht opvragen
отвличам
noun
  1. 2. een woord dat middels toevoeging van een voor-, in- of achtervoegsel gevormd wordt uit een ander
    дерива́т
  2. 3. een serie logisch uit elkaar volgende uitdrukkingen die laten zien hoe een bepaalde formule volgt uit definities en axioma's
    диференциране
  3. 1. een gebeurtenis of activiteit die de gedachten op iets anders richt
    развлечение
verb
1. brengen naar en achterlaten op de plek van bestemming
доставям
noun
1. elk onderdeel van een tv-serie dat op regelmatige tijden wordt uitgebracht of uitgezonden
епизо́д
verb
  1. 2. geheel of gedeeltelijk voldoen
    погасявам
  2. 1. de plaats innemen van
    сменям
verb
1. ongemerkt luisteren naar de communicatie van anderen
подслу́швам
noun
1. korte spreuk met een kernachtige boodschap
афоризъм
/ˈɑf.pɛr.sɪŋ/
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
шантаж
verb
1. een pak slaag geven
напердашвам
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
  1. Африка
  2. А́фрика
noun
1. bewoner van Afrika of iemand die uit Afrika afkomstig is
африка́нец
/afriˈkaːns/
adjective
1. komende van of betreffende het continent Afrika
африкански
/afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
  1. африканс
  2. африкански
noun
1. een verkeersweg waarlangs men naar beneden van een autoweg of autosnelweg af kan rijden
изход
verb
1. tot een einde brengen
према́хвам
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
сбогуване
verb
1. door een scheurbeweging van een groter geheel losraken
късам се
verb
1. het schuin afwerken van de rand van een materiaal.
правя фаска
noun
1. een uitrit die van een snelweg afvoert
изход
noun
1. een overeenkomst
сре́ща
noun
2. belofte van twee verliefde mensen om elkaar op een bepaalde tijd en plaats te ontmoeten
сре́ща
/ˈɑfstɑnt/
noun
1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
разстояние
noun
1. het ergens niet emotioneel bij betrokken zijn
отчужде́ност
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
дистанцио́нно управле́ние
/'ɑfstɛmə(n)/
verb
1. op de juiste toonhoogte brengen
настройвам
verb
1. ontdoen van stof
бърша прах
verb
отблъскам
verb
1.
дипломирам се
noun
1. het naar beneden tellen om aan te geven hoelang het nog duurt voordat iets gaat gebeuren
отброя́ване
noun
1.
оста́вка
verb
  1. 1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
    извадя
    1. 7.
    2. 8. (een man) seksueel bevredigen, aftrekken
    мастурбирам
/ˈɑftrɛkɪŋ/
noun
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal van een ander getal afgetrokken wordt
изваждане
noun
1. onbruikbare resten die weggegooid worden
детрит
/ ˈɑfɑlə(n) /
verb
  1. 4. vallen vanaf een hoger gelegen plek
  2. 2. de koers van een schip in de richting van de lijzijde wijzigen
  3. 3. ontrouw worden aan zijn geloof
окапвам
noun
вероотстъ́пник
noun
1. het ontrouw worden aan zijn geloof
вероотстъ́пничество
noun
1. water dat gebruikt is in de industrie of in het huishouden en dat na gebruik geloosd wordt
помия
noun
очакване
noun
миене на съдове
noun
1. zeepproduct voor de afwas
препарат за чистене
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
[[мия́ч]] на [[съ́дове]]
noun
1. het sop waarin met het eetgerei schoonmaakt of -gemaakt heeft
помия
noun
1. de paden waarlangs water uit een stuk land afgevoerd kan worden
дренаж
adjective
1. niet op een bepaald tijdstip en plaats zijn
отсъстващ
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
отсъ́ствие
verb
1. niet de gangbare norm volgen
отклонявам се
verb
1. een negatieve beslissing ergens over nemen
отхвърлям
/'ɑfʋɛɪzɪŋ/
noun
1. een bericht dat op een voorstel of aanzoek niet ingegaan wordt
о́тказ
noun
1. een termijn mondeling afbestellen
отказ
noun
1. iemand die iets naar een adres verzendt
изпраща́ч
verb
  1. 1. amputeren
    ампути́рам
  2. 9. tot afstand dwingen
    детронирам
  3. 6. bezinken
    отлагам се
noun
1. gesteente dat ontstaan is uit verweringsmateriaal dat later weer ergens anders is neergeslagen
седиментни скали
verb
1. besluiten iets niet te doen
отказвам се
/ˈɑfˌsɔnd(ə)rən/
verb
2. afscheiden
изолирам
/ˈɑfzwɪːrə(n)/
verb
отрека се
noun
  1. 1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
  2. 2. een stenen voorwerp bestaande of vervaardigd uit agaat
ахат
/a.ˈɣɛn.da/, /a.ˈχɛn.da/
noun
2. een lijst van te bespreken punten op een vergadering
дне́вен ред
noun
1. persoon belast met de handhaving van de openbare orde
агент
/aɤ'ɛntsxɑp/
noun
1. lokale vertegenwoording van een grotere organisatie
агенция
noun
аге́нция
noun
агломерат
noun
ажио
noun
1. opwinding
агитация
noun
агностицизъм
noun
1. iemand die ten aanzien van het bovennatuurlijke stelt dat dit niet te kennen valt
агности́к
adjective
агностик
noun
агорафобия
noun
агре́сия
adjective
1. aanvallend
  1. агресивен
  2. агресивна
  3. агресивно
noun
  1. 1. de neiging tot agressie
  2. 2. het agressief zijn
агресивност
noun
агрикулту́ра
/aɣriˈmoni/
noun
1. benaming voor overblijvende, kruidachtige planten uit het geslacht Agrimonia
камши́к
noun
1. de landbouwkunde
агроно́мия
/a.ˈhɔrn/
noun
1. een boom of heester van het geslacht Acer.
явор
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
СПИН
noun
1. beschermingssysteem in voertuigen
въздушна възглавница
noun
1. een apparaat dat voor airconditioning zorgt
климати́к
noun
1. de regeling van de temperatuur en de vochtigheidsgraad van de lucht in een ruimte
климати́к
noun
1. met een vliegtuig verzonden post
възду́шна по́ща
pronoun
1. hoofdstad van de Franse regio Corsica
Аячо
adjective
мра́чен
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
Аахен
noun
Полски хвощ
noun
2. samenklank van drie of meer, verschillende tonen
ако́рд
/ˌakusˈtik/
noun
1. de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting ...
акустика
adjective
акустичен
noun
1. platte en rechthoekige tas
ку́фарче
adverb
1. reeds
вече
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Алагоас
/alɑrṃ/
noun
ала́рма
/ɑlɑr'merən/
verb
1. door alarm oproepen of bijeenroepen
алармирам
/ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
  1. албански
  2. Албански
/ɑlˈbaːni.jə/, /ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
  1. Албания
  2. Алба́ния
noun
алабастър
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
албатрос
noun
а́лба
noun
het ontbreken van pigmentkleurstof in de huid
албинизъм
noun
албу́м
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
алхимия
noun
алхимик
noun
алхимик
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
алкохол
noun
алкохолизъм
adjective
1. met een verwaarloosbaar alcoholgehalte
безалкохолен
adverb
1. in de eerder genoemde plaats
ната́м
adverb
  1. 2. volgens
    според
  2. 1. zo, op deze manier
    тъй
/aˈlɛrt/, /əˈlʏːrt/
adjective
1. oplettend
бдителен
/ˈɑlfa/
noun
1. een aanduiding of markering van "de eerste" van een reeks
а́лфа
noun
de lettertekens van een taal
азбука
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
а́збучен
/ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
алгебра
noun
всео́бщ
/ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
  1. Алжир
  2. Алжи́р
adjective
1. Uit/afkomstig van Algerije
алжирски
/ɑɫˈxiːrs/, /ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
Алжир
noun
алгоритъм
/ˈaː.liˌbi/
noun
1. het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad,...
алиби
noun
издръжка
/aˈlinija/
noun
парагра́ф
/ɑlk/
noun
1. bepaald soort zeevogel die veel op de zeekoet lijkt, maar een dikkere snavel heeft
голяма гагарка
noun
основа
noun
1. een stikstof bevattende plantenbase
алкалоид
noun
1. een kleine raamloze zijkamer, vaak gebruikt als slaapkamer
кът
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
Аллах
adjective
ежедневен
/ɑl.ˈen/
adjective
1. zonder gezelschap
  1. сам
  2. единствен
/ɑl.ˈen/
adverb
1. slechts
  1. само
  2. единствено
noun
1.
моноло́г
noun
1. een bonte verzameling
миш-маш
noun
алегория
adjective
1. betrekking hebbend op het uitbeelden van een abstract begrip
алегоричен
/ɑ.ˈlɛl/, /ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
алел
/ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
алергия
noun
wetenschap die allergieën bestudeert
алергология
pronoun
1. een rooms-katholieke feestdag op 1 november ter gezamenlijke verering van alle heiligen van de Kerk
Вси Светии
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
вси́чко
noun
всеядно животно
noun
1. een bondgenootschap
алиа́нс
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
алигатор
adjective
1. uit een ander land of plaats afkomstig
чужд
noun
1.
алофон
adjective
нано́сен
/ɑˈlʏvijʏm/
noun
1. los materiaal (regoliet) dat als sediment door een rivier is afgezet
нано́с
/ɑɫmɑxt/
noun
1. absolute macht, macht over alles
всемогъщие
adjective
всемогъщ
noun
алмана́х
noun
вездесъщие
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
Алое
noun
1. bepaald soort succulent, Aloe vera
aлое вера
noun
2. zilverkleurige metaallegering
алпака
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
Алпи
verb
1. sport waarbij men op ski's een heuvel of berg afdaalt.
ски алпи́йски дисципли́ни
/ɑls/, /ɑs/
conjunction
2. indien
ако и но
conjunction
1. luidt een vergelijking in
все едно
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
моля
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
олтар
/ɑltərnaˈtif/
noun
1. een andere mogelijkheid of methode
алтернативен
verb
1. (elkaar) min of meer regelmatig afwisselen
редувам се
adverb
1. op elk moment, blijvend
винаги
noun
алтруизъм
/ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
виола
/alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
  1. алуминий
  2. алуми́ний
noun
  1. yкляя
  2. уклейка
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
задстомашна жлеза
/amɑl'ɣaːm/
noun
1. kwiklegering
Амалгама
noun
  1. 1. kleine bladverliezende loofboom, Amygdalus dulcis
    бадемово дърво
  2. 1. eetbare pit van de amandelvrucht
    бадем
noun
бадем
noun
шми́ргел
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
аматьо́р
pronoun
Амазонка
noun
2. een vrouwelijke ruiter
амазонка
noun
1. een handwerkvak dat vaak aanzienlijke vaardigheden vereist
заная́т
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
  1. посольство
  2. посолство
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
посланик
noun
2.
кехлиба́р
/ɑmˈbi(t)si/
noun
амби́ция
adjective
1. vol van de wens en het vertrouwen om iets te bereiken
амбициозен
adjective
1. op hetzelfde moment twee verschillende, meestal positieve en negatieve, waardes hebbend
двойствен
noun
амбро́зия
adjective
официа́лен
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
линейка
adjective
1. in staat om te lopen
амбулато́рен
noun
америций
/aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
Америка
noun
  1. 1. een persoon die in Amerika woont
    американец
  2. 2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
    1. американец
    2. американка
adjective
1. betreffende of komende van Amerika
американски
noun
1. vrouwelijke inwoner van Noord- of Zuid-Amerika
америка́нец
noun
1. bepaald soort snelgroeiende boom, Quercus rubra
червен дъб
noun
1. een vaak prachtig violet gekleurde vorm van kristallijn kwarts, die kleine hoeveelheden titaan en ijzer bevat
аметист
noun
stimulerend middel, uit de groep van de wekaminen
амфетамин
noun
1. in water en op land levend dier
земново́дно
noun
амфитеа́тър
noun
1. een door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
амфора
adjective
1.
амфотерен
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
амха́рски
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
амха́рски
noun
аминокиселина
noun
1. een chemische verbinding van stikstof en waterstof
амоняк
noun
1. NH₄NO₃, het ammoniumzout van salpeterzuur
амониев нитрат
noun
боеприпас
noun
1. geheugenverlies
амнезия
noun
1. een verklaring dat afgezien zal worden van strafvervolging voor een bepaalde groep
амнистия
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
  1. aмеба
  2. амеба
/a.'mɔrf/
adjective
1. niet geordened
аморфен
/aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
Амо́с
adverb
1. nauwelijks
едва
noun
амплитуда
noun
амплитудна модулация
noun
  1. 1. dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
    а́мпула
  2. 4. schenkkannetje voor wijn of water, gebruikt bij de mis
    ампула
noun
ампута́ция
verb
1. een lichaamsdeel chirurgisch verwijderen
ампутирам
noun
  1. ампер
  2. а̀мпер
noun
1. stroommeter
амперме́тър
noun
Сарепска горчица
/ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
  1. Амстердам
  2. Амстерда́м
noun
1. iets waarmee men zich vermaakt
забавление
verb
1. op aangename wijze een indruk op iemand maken, iemand doen (glim)lachen
забавля́вам
adjective
1. met betrekking tot de darmuitgang van de mens
ана́лен
noun
анахронизъм
/anaˈkɔnda/
noun
1. zeer grote en zware wurgslang uit het geslacht Eunectes
анако́нда
noun
анаграма
noun
1. seks waarbij de anus en het rectum een rol spelen
ана́лен секс
noun
1. iemand die niet kan lezen of schrijven
неграмотен
noun
1. het voorkomen van mensen die niet kunnen lezen of schrijven
неграмотност
noun
1. een pijnstiller
аналгетик
noun
аналити́к
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
аналогия
/ˌɑnəˈloːx/
adjective
  1. 1. overeenkomend met
  2. 2. tegenovergestelde van digitaal (geluidsopname, uurwerk)
аналогов
/ɑnɐ'liːzə/
noun
анализ
verb
1. gedetailleerd en nauwkeurig bekijken
анализирам
noun
1. een vraaggesprek naar de ziektegeschiedenis
анамнеза
noun
1. een vrucht van de ananasplant
ананас
noun
анархия
noun
анархизъм
noun
анархи́ст
noun
анатомия
adjective
1. met betrekking tot de anatomie
анатомичен
noun
1. de periode dat iemand verbonden is aan een bepaalde organisatie
трудов стаж
pronoun
Андалусия
pronoun
Андалусия
adjective
1. niet deze
друг
noun
1. diegene die je niet zelf bent
друг
cardinalNumeral
един и половина
/'ɑndərmɑns/
indefinitePronoun
1. genitief van een andere man, wordt gebruikt in bezittelijke zin
чужд
adverb
1. op andere wijze
друг
adverb
и́наче
adverb
1. (maar) aan de andere kant
от дру́га страна́
pronoun
Анди
noun
андезит
noun
1. Cichorium endiva, een eetbaar eenjarig gewas dat nauw verwant is aan witlof
градинска жлъчка
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
Андора
adjective
1. van/uit Andorra
андо́рски
noun
1. iemand die afkomstig is uit Andorra
андо́рски
noun
1. kruis van twee even lange, schuingeplaatste balken
Андреевския кръст
pronoun
  1. 1. mythologische figuur
  2. 2. sterrenbeeld
Андроме́да
noun
андрои́д
/a.nɛg.ˈdo.tə/
noun
1. een amusant, kort verhaal
анекдо́т
noun
1.
анемия
adjective
1. aan bloedarmoede lijdend
анемичен
noun
1. zelfregistrerende windsnelheidsmeter
анемограф
noun
анестезия
/ɑŋəl'sɑksis/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die tussen ca. tussen 400 en 1100 werd gesproken en die geldt als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels
англосаксо́нски
noun
1. hartkramp, pijn op de borst
ангина пекторис
noun
ангиотензин
noun
англиканство
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Engels of gevormd naar Engels voorbeeld
англицизъм
/ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
  1. Ангола
  2. Анго́ла
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
страх
pronoun
Ангила
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
анасон
noun
1. vijandigheid
вражда́
noun
анион
noun
карамфил
noun
каранфил
/ˈɑ.nʲər.re.voˌly.si/, /ˈɑ.ɲər.re.voˌly.tsi/
pronoun
1. geweldloze militaire staatsgreep
Революция на карамфилите
noun
1. onderdeel van een vaartuig
ко́тва
verb
1. het anker uitgooien met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen
зако́твям
noun
котвостоянка
pronoun
1. meisjesnaam
А́на
/ˌɑnɛkˈsatsi/
noun
1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
ане́ксия
/ˌɑnɛkˈsɪːrə(n)/
verb
1. het toeëigenen van een grondgebied
анексирам
verb
1. van kanttekeningen voorzien
анотирам
/ɑny'lerə/
verb
1. iets afgelasten
анулирам
noun
1. afwijking van organen
аномалия
adjective
1. naamloos
анони́мен
noun
1. naamloosheid
анонимност
noun
1. verlies van eetlust
анорексия
adjective
1. niet tot de koolstofverbindingen behorend
неорганичен
noun
1. een postkaart met een afbeelding
илюстрована картичка
noun
аншоа́
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
  1. Антарктида
  2. Антарктика
noun
1. de naam voor het woord waarnaar een ander woord, meestal een betrekkelijk voornaamwoord, verwijst
предшественик
noun
  1. 1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
  2. 2. een voelspriet bij dieren
  3. 3. een staafje aan een dobber
антена
noun
антология
noun
антибиотик
noun
антихрист
noun
1. een weinig spannende, soms teleurstellende ontknoping van het verhaal
антиклимакс
/ˌɑntideprɛˈsivʏm/
noun
1. een middel tegen ziekelijke neerslachtigheid
антидепреса́нт
noun
1. een tegengif
противоотрова
adjective
1. oud, maar waardevol
анти́чен
noun
1. oude kunst-, sier- en gebruiksvoorwerpen, die verzameld en verhandeld worden
анти́чен
noun
1.
антифонарий
noun
1. lichaamsvreemde afweeropwekkende stof
антиген
/ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
  1. Антигуа и Барбуда
  2. Анти́гуа и Барбу́да
noun
1. een hoofdpersonage in een verhaal met niet de typerende positieve eigenschappen van een held
антигеро́й
noun
антитяло
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
Антилски острови
/ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
антилопа
noun
антимон
noun
1. stof die reacties tegengaat waarbij elektronen worden uitgewisseld
антиокисли́тел
noun
iemand met antisemitische denkbeelden
антисеми́т
noun
1. een stof die veelal aan koelwater wordt toegevoegd om het vriespunt ervan te verlagen om bevriezen ervan te voorkomen
антифри́з
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
антоним
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
adjective
антраци́т
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
noun
1. een vorm aan steenkopl die hoge temperatuur heeft gehad
антрацит
noun
1. een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
антракс
noun
антропология
noun
антрополо́г
noun
антропоморфизъм
/ˈantˌwɛrpə(n)/, /ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Антверпен
/ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
отговор
noun
телефо́нен секрета́р
/ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
отговарям
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
анус
noun
1. een werkwoordstijd die een perfectief aspect aanduidt
  1. аорист
  2. минало свършено време
/aˈɔrta/
noun
1. de slagader die van het hart naar het lichaam, behalve de longen, loopt
аорта
adjective
1. op zichzelf, afzonderlijk van het andere
отделен
noun
1. lusteloosheid
апа́тия
adjective
апатичен
pronoun
1. gebergte
Апени́ни
noun
2. internetsymbool @
кльомба
noun
1. een eetlust opwekkende alcoholische drank die voor de maaltijd genuttigd wordt
аперитив
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
апокалипсис
noun
1. wegval van slotklank
апоко́п
noun
апогей
noun
1. een mondelinge of schriftelijke verdediging van een persoon, zaak of leer tegen onrechtvaardige aanvallen
оправда́ние
noun
1. geprogrammeerde celdood
апоптоза
/ɑˈpɔstəl/
noun
1. leerling van Jezus
апостол
noun
1. afkappings- of weglatingsteken
апостроф
/apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
аптека
noun
аптекар
noun
1. toepassing
приложение
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
апара́т
noun
1. een afzonderlijke woning in een groter gebouw
апартамент
/ɑ.ˈpɛl/, /ɑ.ˈpɛɫ/, /ˈɑ.pəl/, /ˈɑ.pəɫ/, /ˈɑpəɫ/
noun
1. vrucht
  1. ябълка
  2. я́бълка
noun
ябълков оцет
noun
1. boom waaraan appels groeien
ябълка
noun
резачка за ябълки
/ˈɑpəɫflɑp/
noun
1. lekkernij gemaakt van bladerdeeg, driehoekig van vorm en gevuld met een mengsel van in blokjes gesneden appel en kaneel
ябълков пай
noun
1. een moes van gekookte appels
ябълково пюре
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
ябълков сок
/ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
портокал
noun
1. een moes van gekookte appels
ябълково пюре
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
я́бълков пай
noun
апендици́т
/ɑˈpɛndɪks/
noun
2. wormvormig aanhangsel
приложе́ние
/ɑplɔudi'serə/
verb
1. in de handen klappen om goedkeuring of bewondering te tonen
аплодирам
/ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
аплодисме́нти
/ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
април
pronoun
Пу́лия
noun
nog uit te zoeken
акварел
/ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
аква́риум
noun
шейна́
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
ара
noun
арабеска
/ˌɑ.ra.ˈbiːr/
noun
1. een persoon met het Arabisch als moedertaal
арабин
/ɑ'rabis/
adjective
1. verwijzend naar de Arabische taal,cultuur,het alfabet of Arabië
арабски
/ɑ'rabis/
pronoun
  1. 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
  2. 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
арабски
pronoun
Ара́бия
noun
арахнофобия
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noord-Australië en de oostelijke eilanden van Indonesië
Арафурско море
pronoun
Арагон
noun
1. Een inwoner van Aragon
арагонски
pronoun
1. taal gesproken in Aragon
арагонски
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
ра́бота
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
общ работник
noun
1. inkomsten die men ontvangt door het uitvoeren van werk
надница
adjective
1.zonder arbeid
безрабо́тен
noun
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
трудово право
noun
арби́тър
noun
resultaat van het handelen van een arbiter
решение
adjective
деспотичен
noun
1.
щриховка
adjective
1. behorend tot of betrekking hebbend op een zeer oud tijdperk
стар
noun
архаи́зъм
/ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
археология
noun
археолог
noun
архетип
noun
архив
noun
1. een eilandengroep
архипелаг
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
архитект
noun
1. de bouwstijl van een gebouw
архитектура
noun
архитра́в
/ɑrxivaːrɨs/
noun
1. een persoon die een archief beheert
архивар
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
архивирам
pronoun
1. naam voor het noordpoolgebied
А́рктика
adjective
аркти́чен
adjective
1. extreem koud, behorend bij heel lage temperaturen
аркти́чен
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
Се́верен ледови́т океа́н
noun
1. roofvogel
орел
/ˌɑrɣɛnˈtɛɪ̯n/, /ˌɑrɣɛnˈtɛːn/, /ˌɑrχɛnˈtɛɪ̯n/
noun
1. iemand van Argentijnse komaf
аржентинец
/ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
  1. Аржентина
  2. Арженти́на
noun
аргинин
/ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
  1. аргон
  2. арго́н
/ˌɑrɣyˈmɛnt/
noun
1. een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
аргумент
verb
1. met argumenten tot een conclusie trachten te komen
аргументирам
noun
ария
/arijaˈnɪsmə/
noun
1.
арианство
noun
1. een persoon die lid is van de aristocratie
аристокра́т
noun
1. een regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten
аристокрация
adjective
1. volgens de principes van een aristocratie
аристократически
noun
1. onregelmatige hartslag
аритмия
/ɑrṃ/
noun
1. lichaamsdeel
ръка
noun
1. sieraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
гри́вна
/ɑrˈmen/, /ɑrˈmeːn/
noun
1. een inwoner van Armenië, of iemand afkomstig uit Armenië
арменец
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Armenië
арменски
pronoun
арменски геноцид
noun
1.
приют
/ɑrˈmeni.jə/, /ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
  1. Армения
  2. Арме́ния
/ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
бедност
noun
1. een hoeveelheid die men in één keer in zijn armen kan dragen
наръч
pronoun
Арнем
noun
1. (aangename) geur van spijzen, dranken, genotmiddelen enz
арома́т
adjective
  1. 1. met geurstof
  2. 2. voldoende aan de regel van Hückel
ароматен
noun
2. muziekbewerking
аранжиме́нт
noun
1. een aanhouding door de sterke arm der wet
аре́ст
noun
1. document
заповед за арестуване
verb
1. van overheidswege in hechtenis nemen
арестувам
/ɑriveːrən/
verb
1. de bestemming bereiken
пристигам
adjective
арога́нтен
noun
арога́нтност
noun
арсен
noun
1. stijlbeweging
А́ртдеко́
verb
1. de uitspraakklanken zorgvuldig vormen
свързвам
noun
ма́йстор
adjective
1. kunstmatig
изку́ствен
phraseologicalUnit
ИИ
/ɑrˈtiːkəl/
noun
4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
парагра́ф
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
артилерия
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
артишок
adjective
1. aanleg hebbend voor het maken van kunst
художествен
noun
1. gewrichtsontsteking
артри́т
noun
1. een aandoening van het gewrichtskraakbeen
остеоартрит
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
лекар
/a.ˈru.ba/, /a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Аруба
noun
2. lijn
ос
/ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
пепелни́к
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
азбест
noun
аскети́зъм
noun
асексуа́лност
noun
асфалт
noun
убе́жище
pronoun
1. hoofdstad van Turkmenistan
Ашхаба́д
noun
аспартам
noun
1. een kant of zijde
вид
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
аспержи
noun
1. een middel tegen allerlei kwalen met als werkzame stof acetylsalicylzuur
аспирин
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land. Hoofdstad is Dispur
Аса́м
/ˈɑsəˌpustər/
pronoun
1. het meisje dat hoofdpersoon is het het gelijknamige sprookje
Пепе́ляшка
/ɑsɛrˈtif/
adjective
напорист
verb
1. doen opgaan van een minderheidsgroep in een gevestigde gemeenschap
асимилирам
noun
1. een persoon die ondersteunt
асистент
/ɑsɪsˈtɛntə/
noun
1. vrouwelijk persoon die ondersteunt
асисте́нт
/ˌɑsɪsˈteːrə(n)/
verb
1. een helpende hand bieden
помагам
verb
1. tot compagnon maken of nemen
асоциирам
noun
съзвучие
noun
1. aanbod van producten
асортимент
noun
застрахо́вка
pronoun
Асирия
noun
астат
noun
1. scheikundig element met symbool At en atoomnummer 85
астат
/ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
звезди́чка
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
астероид
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
астма
/ɑstrolo'gi/
noun
1. de leer die gebeurtenissen aan het hemelgewelf in verband brengt met gebeurtenissen op aarde
астрология
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
астролог
/ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
астронавт
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
астрономия
adjective
астрономи́чески
noun
астроном
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Астурия
noun
1. eerste dag van de vastentijd
Пепеляна сряда
adverb
несиметричен
adjective
1. zonder ziekteverschijnselen
асимптомично
/a.sɪmp.ˈtot/
noun
1. een lijn die door een kromme of functie willekeurig dicht benaderd wordt, maar deze nooit raakt
асимптота
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
адмирал
noun
1. de werkruimte van een kunstenaar
ателие́
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
Атина
/ˌa.te.ˈjɪsmə/, /ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
атеи́зъм
/ˌa.te.ˈjɪst/, /ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
атеист
pronoun
1. mythologisch eiland
Атлантида
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
Атлантически океан
pronoun
  1. 1. figuur uit de Griekse mythologie
  2. 2. gebergte in Noord-Afrika
Атлас
noun
  1. 1. een boek dat geografische kaarten bevat
  2. 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
  3. 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
а́тлас
/ɑtlet/
noun
1. iemand die grote prestaties op sportief gebied verricht
атле́т
noun
sporttak waarin vooral lopen, springen en werpen aan bod komen
атлѐтика
adjective
атлетичен
noun
  1. 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
  2. 2. een stemming.
атмосфера
adjective
атмосфе́рен
noun
атол
noun
атом
noun
а́томен но́мер
noun
атомно ядро
noun
атомен часовник
noun
1. de kernlading van een atoom
атомен номер
noun
2. centraal vertrek
атрий
noun
1. verschrompeling van organen
атрофия
noun
вя́рност
noun
аташе́
noun
1. schriftelijk bewijs
докуме́нт
noun
1. houding
нагласа
noun
атракцио́н
/ɑtrɪbʏˈtif/
adjective
1. wanneer het voor een zelfstandig naamwoord geplaatst wordt
епитет
noun
4. tot het wezen (de entiteit) behorende eigenschap
свойство
interjection
1. uitroep van pijn
ох
noun
алборада
/obɛrˈʒinə/
noun
2. purperachtige, vlezige vrucht
  1. пaтладжан
  2. патладжан
pronoun
1. grootste stad van Nieuw-Zeeland, gelegen op het Noordereiland
Оукланд
noun
1. een examen waarbij iemand zijn muzikale vaardigheden in klank bewijst.
прослушване
adjective
1. met betrekking tot het gehoor
слухов
noun
аудие́нция
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Аугсбург
/ʌuˈɣɵrk/, /ʌˈʝʏrk/
noun
1. kleine, in het zuur ingemaakte komkommer
корнишон
/aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
август
/ˈʌurɑ/
noun
  1. 1. energieveld
  2. 2. beginverschijnselen van een aanval
аура
noun
1. luisteren naar lichaamsgeruis van bijv. hart of longen
аускултация
verb
1. luister naar de geluiden in het lichaam
преслушвам
noun
1. ondersteuning, goedkeuring, toezicht
протекция
/aʊ̯ˈstraːlɪs/, /ɔʊ̯ˈstraːlis/, /ʌʊ̯ˈstralis/
adjective
1. van Australië
австрали́йски
/aʊ̯ˈstraːli.jə/, /ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
Австралия
/aʊ̯ˈstraːli.jər/, /ɔʊ̯ˈstraːli.jər/, /ʌʊ̯ˈstrali.jər/
noun
1. een inwoner van Australië
австралиец
noun
автаркия
/oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
автор
noun
а́вторско пра́во
noun
1. (telecommunicatie) (informatica) het proces waarbij iemand nagaat of een gebruiker,...
автентичност
noun
автенти́чност
adverb
  1. автентичен
  2. истински
noun
1. het proces waarbij iemand nagaat of een gebruiker, een andere computer...
автентика́ция
/ʌuˈtɪsmə/, /ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
аутизъм
/ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
кола
adjective
1. met betrekking tot afweerstoffen gericht tegen de eigen lichaamsweefsels
автоиму́нен
noun
автобиография
adjective
автобиографи́чен
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
автобус
adjective
1. oorspronkelijk in een bepaald gebied thuishorend
автохто́нен
noun
автокрация
noun
1.
самоук
noun
автограф
noun
1. handtekening van een beroemd persoon
автограф
noun
1. een toestel dat, eenmaal in werking gezet, zonder verdere tussenkomst een aantal handelingen verricht
автомат
adjective
  1. 1. niet bestuurd door de hand van de mens
    автоматичен
    1. 2. vanzelfgaand
    2. 3. gedachteloos
    автоматично
verb
1. automatisch doen werken
автоматизи́рам
noun
автоматиза́ция
noun
1. een bestuurder van een auto
автомобилист
/aʊ̯.to.no.ˈmi/, /ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
автономия
/ˌʌʊtoˈnom/
adjective
1. op zichzelf staand
автоно́мен
noun
1. een lijkschouwing
ауто́псия
adjective
авторита́рен
noun
1. de overheid
авторитетен
noun
1. weg voor snelverkeer (dat sneller kan en mag rijden dan 60 km per uur), met gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen
автомагистрала
noun
1. autowas installatie waarbij auto's automatisch via een lopende band schoongemaakt worden
автомивка
/ɑu̯ˈtri.sə/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
авторка
pronoun
1. voormalige regio in Centraal-Frankrijk
Ове́рн
/'avatɑr/
noun
2. (informatica) een kleine afbeelding die een bepaalde gebruiker symboliseert
аватар
adjective
2. breien met de draad aan de voorkant van het breiwerk
опако
/avə'rɛi/
noun
авария
noun
антипа́тия
noun
авиатор
pronoun
1. een stad in Frankrijk
Авиньон
/ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
  1. авокадо
  2. авока́до
/ˌavoˈkadobom/
noun
1. immergroene boom uit Midden-Amerika die de avocadoperen voortbrengt
авока́до
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
вечер
noun
1. een maaltijd die 's avonds genuttigd wordt
вечеря
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
вече́рна камба́на
adjective
1. gedurende de avond
вечерен
noun
1. rode kleur van het hemelgewelf
зарево
noun
1. iemand die graag het avontuur opzoekt
авантюри́ст
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
авантюра
noun
1. een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden
аксио́ма
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
аятолах
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
аймара
noun
1. sierstruik van het geslacht rhododendron
аза́лия
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
  1. Азербайджан
  2. Азербайджа́н
/aˈzeːri/, /aˈzɪːri/
pronoun
1. Turkse taal die door 22 miljoen mensen vooral in Azerbeidzjan, maar ook in Iran, Georgië en Turkije wordt gesproken
азербайджански
noun
азиа́тец
adjective
1. afkomstig uit of betreffend Azië
азиатски
/aˈzɛɪn/, /aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
  1. оцет
  2. оце́т
noun
1. CH₃COOH
оцетна киселина
/azimɵt/
noun
1. horizontale hoek
а́зимут
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
  1. Азия
  2. А́зия
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
за́лив
noun
1. een stapel bijeengebonden plantaardig materiaal zoals hooi of tabak
бала
/baːn/
noun
  1. 1. het werk
    зада́ча
  2. 3. traject van een projectiel/hemellichaam
    о́рбита
/baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
  1. брада
  2. брада́
noun
1. gier met een spanwijdte van tot wel 2,90 meter
брадат лешояд
noun
3. bepaald soort vogel, Panurus biarmicas
мустакат синигер
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
ма́тка
noun
1. smal en buisvormig gedeelte van de baarmoeder dat aan een kant in de vagina eindigt ...
маточна шийка
noun
1. stekelvinnige riviervis
ко́стур
/baːs/
noun
1. overste, leider, chef
шеф
noun
1. iets met een gunstig effect
авантаж
verb
1. gezellig praten over zaken van weinig belang
бъ́бря
noun
бабит
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
бебе
noun
бе́бешка бути́лка
noun
бактерия
adjective
бактериологичен
noun
1. een wetenschapper die zich bezighoudt met de bacteriologie
бактериоло́г
/bɑt/
noun
1. voorwerp waarin men zich wast met water
баня
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Бад Берлебург
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Бад Дюркхайм
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Бад Гандерсхайм
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Бад Кройцнах
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Бад Лангензалца
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Бад Райхенхал
verb
  1. 1. een bad nemen
  2. 3. in bad doen
къпя
pronoun
1.
Баден-Вюртемберг
noun
1. grote handdoek gemaakt van badstof om (delen van) het lichaam af te drogen na het wassen
пешки́р
noun
халат
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
баня
/ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
вана
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
бански костюм
noun
1.
Бафинов залив
/ba.ˈɣaːʃ/, /ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
багаж
/'begəɫ/
noun
1.
гевре́к
noun
1. stokbrood
франзела
/ba.ˈha.mas/, /ba.ˈɦa.mas/, /bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
Бахамски острови
/ba.ˈrɛɪ̯n/, /bɑx.ˈrɛːn/, /bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
  1. Бахрейн
  2. Бахре́йн
/ˈbajəs/
noun
1. een gevangenis
затвор
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
щик
noun
1. de linkerzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
ба́кборд
noun
бакелит
noun
1. een markering, meer in het bijzonder gebruikt in de lucht- en scheepvaart...
сигнален огън
noun
1. deel van het baardhaar dat groeit vanaf de kaaklijnen tot aan de haargrens boven de oren.
бакенбард
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
пека
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
пекар
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
пека́рна
noun
1. Term voor het aantal dertien
дяволска дузина
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
Баку
noun
1.
тиган
noun
1. speciaal geprepareerd papier dat in de oven gebruikt wordt om te bakken etenswaar niet aan de bakplaat of de bakvorm te laten kleven
пергаментова хартия
noun
1. rijsmiddel op basis van natriumbicarbonaat
ба́кпулвер
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
  1. тухла
  2. цэгла
noun
1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
топка
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
балалайка
verb
1. evenwicht behouden om er niet vanaf te vallen
балансирам
/balaˈnitɪs/
noun
1. ontsteking van de eikel bij de man.
баланит
noun
1. evenwicht
баланс
pronoun
1.
Балатон
noun
1. stoffen overdekking als ornament, meestal boven een troon, altaar of hemelbed
балдахин
pronoun
Балеарски острови
noun
  1. 1. hoornachtige stof uit de walvisbek
  2. 1. versterkingsstaafje voor corset of paraplu
бале́на
/bɑlk/, /bɑɫk/
noun
1. deel van een constructie met een lengte die veel groter is dan de breedte en de hoogte in doorsnede
греда
pronoun
1. gebied...
Балкани
verb
1. een land staatkundig in kleine, onderling vijandige, onderdelen versnipperen
балканизи́рам
/ˈbɑlkə(n)/, /ˈbɑɫkə(n)/
verb
1. het geluid van een ezel maken
рева като магаре
noun
1. een bouwkundig onderdeel
балкон
noun
бала́да
noun
1. vervanging van de nuttige lading door iets dat voldoende weegt om een schip te stabiliseren
баласт
/ˈbɑ.lə/
noun
branie, moed
дупе
noun
1. een artistieke dansvorm
балет
noun
1. gedwongen verblijf elders dan waar men thuis is
изгнание
noun
1. leer die de banen van projectielen bestudeert
балистика
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
бало́н
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
химикалка
noun
балсамов оцет
noun
балса́м
verb
1. het prepareren van een stoffelijk overschot om het tegen ontbinding te beschermen
балсамирам
noun
топката игра
noun
1.huidplooi waarin de testikels liggen
скротум
pronoun
1. de nationale taal van Mali
Бамбара
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
бамбук
adjective
1. gewoontjes, saai en voorspelbaar, weinig verheven of de zintuigen prikkelend
бана́лен
noun
1. een vrucht van de bananenboom
банан
noun
бананов хляб
noun
  1. 1. een van de Midden-Amerikaanse staten zoals Honduras, Nicaragua, El Salvador of Guatemala, eens zo genoemd vanwege de bananenindustrie die daar alles overheerste
  2. 2. een in politiek en economisch opzicht corrupt en instabiel land, dat bovendien vaak rijk is aan grondstoffen
вананова република
noun
1. de schil van een banaaan
бананова обелка
noun
  1. 4. relatie
    връзка
  2. 3. groep muzikanten die een bepaald muzikaal repertoire ten gehore brengt
    1. група
    2. банда
    1. 1. ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
    2. 2. breed koord
    гума
noun
1. een schurk of misdadiger
банди́т
noun
1. apparaat waarmee men geluid kan vastleggen op magnetische tape
магнетофо́н
noun
1. een toestel dat geluid opnam op een band magnetiseerbaar materiaal
магнетофо́н
adjective
1. angst hebbend
изпла́шен
/ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
Бангладеш
noun
    1. 3. een financiële instelling
    2. 5. gebouw waarin een financiële instelling gevestigd is
    3. 6. een opslagsysteem voor gegevens of voorwerpen b.v. beeldbank, bloedbank, boekenbank, kennisbank, spermabank
    банка
  1. 1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon
    диван
noun
1. een betaalmiddel van papier
банкнота
noun
1. een bakker die voornamelijk taarten, klein gebak en chocolade maakt
сладкар
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
банке́р
noun
1. een rekening-courant bij een bank
банкова сметка
/ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
зато́ченик
noun
1. een kerkelijke straf
анатема
noun
benaming voor dikstammige bomen uit droge, warme gebieden uit het geslacht Adansonia
баобаб
noun
ва́рварин
adjective
  1. 1. zonder beperkingen opgelegd door beschaafd gedrag
  2. 2. strijdig met zeden en gewoonten van de beschaafde, gecultiveerde samenleving
ва́рварски
/ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
Барбадос
/ˈbɑrbəkju/
noun
  1. 1. apparaat
  2. 2. bijeenkomst
барбекю́
noun
1. Een slaapmiddel in de vorm van een barbituurzuur verbinding
барбитурат
pronoun
  1. Барселона
  2. Барсело́на
noun
1. (informatica) een op artikelen, verpakkingen afgedrukte reeks smalle en brede streepjes waarmee in gecodeerde vorm productinformatie is vastgelegd die met een scanner kan worden gelezen
ба́ркод
/bɑrt/
noun
1. middeleeuws dichter en zanger bij de Kelten
бард
verb
1. op de wereld brengen
ра́ждам
noun
Ба́ренцово море
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
барета
/bɑrx/
noun
1. gecastreerd mannetjesvarken
шопар
noun
барит
noun
1. een mannenstem tussen bas en tenor
баритон
noun
барий
noun
кехлиба́р
noun
1. een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
барок
/ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
барометър
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
барон
noun
1. benaming voor baarsachtige zeeroofvissen uit het geslacht Sphyraena
бараку́да
noun
3. beslissingsronde
бараж
noun
1. straatversperring die de doorgang door een straat onmogelijk maakt
барикада
noun
1. begrenzing, bescherming
барие́ра
verb
1. heftig breken of uiteenspatten
пръсвам се
noun
барион
noun
барелеф
adjective
  1. 2. aan de basis liggend
  2. 1. fundamenteel
основен
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
  1. базалт
  2. база́лт
noun
  1. 1. stof die een of meer hydroxylgroepen bevat en in een waterige oplossing OH-ionen afsplitst
  2. 2. ion of molecuul dat de neiging heeft een proton op te nemen
осно́ва
verb
основавам се
/baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
  1. Босилек
  2. босилек
noun
базилика
noun
1. grondslag
ба́за
/ˈbazɪsxoɫ/
noun
1. een school voor lager onderwijs
начално
/'bɑskən,lɑnd/
pronoun
  1. 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
  2. 3. Spaanse autonome regio
Страна на баските
noun
1. sport
баскетбол
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
  1. баски
  2. баскски
noun
1. een teken geplaatst op de vierde lijn van een balk dat aangeeft dat deze lijn een d weergeeft
басов ключ
noun
1. stokslagen op de voeten of op de rug als bestraffing
бой
noun
бата́т
noun
батальо́н
verb
1. helpen
от полза съм
noun
1. een fijn, doorschijnend weefsel dat gemaakt kan zijn van linnen, wol, katoen, zijde of zelfs kunstzijde
батиста
noun
1. stokje dat een dirigent bij het dirigeren hanteert
диригентска палка
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
батерия
noun
1. eenheid van snelheid van informatieoverdracht van een datatransmissiekanaal (modem, telefoonlijn etc.)
бод
noun
1. een mineraal dat een belangrijk erts van aluminium vormt. Bauxiet bestaat voor een groot deel uit aluminiumoxide...
боксит
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
павиа́н
pronoun
1. stad in Zwitserland
Базел
noun
1. kleine hond van een bepaald ras
зайчар
/'biːmən/, /bə'amən/
verb
1. bevestigen dat men het eens is met iets
потвърдя́
/bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
отвръщам
noun
Бийтпоколение
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
брада́т
adjective
кърва́в
verb
1. een boete uitdelen aan een persoon
глобявам
verb
1. met bomen bedekken
залесявам
adjective
1. brildragend
очила́т
verb
1. van commentaar voorzien
коментирам
noun
бекерел
/bɛd/, /bɛt/
noun
1. een meubel gemaakt om in te slapen
  1. легло
  2. легло́
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
благодаря
/bə'darə(n)/
verb
1. tot rust komen
  1. стихвам
  2. успокоявам се
noun
спално бельо
noun
1. de uitholling in het landschap waarin een stroom of beek zich voortbeweegt
дъ́но
verb
1. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
покривам
noun
1. een persoon die vraagt om geld zonder daar iets voor te doen
просяк
verb
1. om een aalmoes vragen
изпро́свам
verb
2. door nadenken vinden
измислям
adjective
1. dat iets kan verrotten of vergaan en daardoor niet meer bruikbaar of eetbaar is
нетраен
verb
  1. 2. verpesten, verknoeien
  2. 3. te veel verwennen
  3. 4. verrotten, oneetbaar worden
развалям се
noun
покло́нничество
noun
1. iemand die eten en of drinken brengt in een horecagelegenheid
чино́вник
noun
1. iemand die een apparaat op een goede manier laat functioneren
опера́тор
noun
1. de groep van personen die eten en of drinken brengen in een horecagelegenheid
слу́жба
verb
1. door onderhandeling een toezegging verkrijgen
поставям като условие
/bɛdleɣərəɣ/
adjective
1. niet in staat uit bed te komen
прикова́н на легло́
noun
1. het doel van een actie, dat wat men wil gaan doen of wil bereiken
цел
adjective
2. mogelijk op het punt staand van uitsterving
застрашен
verb
1. iemand met een mogelijk gevaar confronteren
запла́швам
adjective
вещ
verb
1. iemand met kwade opzet in de waan brengen
изигравам
noun
1.
измама
adjective
измамен
noun
1. het geheel aan bedrijven in een bepaalde samenleving
бизнес общност
verb
1. triest stemmen
наскърбявам
verb
1. druppelsgewijs vochtig houden
намажа
noun
време за лягане
noun
1.1 Cimex lectularius, een parasitair insect
креватна дървеница
/bek/
noun
1. stromend watertje
поток
noun
  1. 1. driedimensionaal kunstwerk
  2. 2. visualisatie
и́мидж
noun
1. een deelnemer aan de Beeldenstorm
иконоборец
verb
1. uit steen een beeld vervaardigen
скулпту́ра
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
скулптор
/'beltɦɑʊʋɛrk/
noun
1. een kunstwerk vervaardigd door het houwen van steen
скулпту́ра
noun
екра́н
/beːn/
noun
  1. 3. stof waaruit benen/botten bestaan
    кост
  2. 1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
    1. крак
    2. нога
noun
1. een verkoper van vlees
касапин
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
костен мозък
/beːr/, /bɪːr/
noun
1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
  1. мечка
  2. мечок
noun
1. een put waarin fecaliën verzameld worden
помийна яма
/beːst/
noun
1. dier
животно
/ˈbeːtʃjə/
noun
1. kleine hoeveelheid
късче
noun
1. bepaald soort lijster, Turdus torquatus
белогуш дрозд
adjective
1. met veel talent
даровит
/bəˈxanə xrɔnt/
abbreviation
1. een bouwlaag van een gebouw die ter hoogte van het maaiveld ligt
приземен етаж
noun
1. verlangen
жадуване
/bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
1. vergezellen
съпровождам
noun
1. personen die iemand vergezellen of bewaken
съпровод
verb
1. sterk verlangen om iets te bezitten
жаду́вам
verb
1. een gift geven
дарявам
/bəˈχɪn/
noun
1. het eerste deel
нача́ло
verb
  1. 1. aanvangen
    запо́чвам
  2. 2. initiëren
    подхвана
noun
1. regel waar je je in ieder geval aan wilt houden
при́нцип
noun
1. (plantk.) Begonia, een geslacht bloeiende planten uit de begoniafamilie
бегония
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
гробище
noun
1. een ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd
погребе́ние
/bəˈɣrafənɪsɔndərˌnemər/
noun
1. Een persoon die de begrafenis van overledenen verzorgt
погребален агент
verb
  1. 1. iets onder de grond stoppen
  2. 2. een overledene begraven
  3. 3. iets wegstoppen
зара́вям
adjective
ограниче́н
verb
1. beperken, limiteren
ограничавам
adjective
разбира́ем
/bə.χrɛɪ.pə(n)/
verb
  1. 1. bevatten, inhouden
    1. включва
    2. обхваща
    3. съдържа
  2. 1. met het verstand vatten
    1. разбирам
    2. схващам
noun
  1. 1. het verstaan of begrijpen van iets
    1. понятие
    2. представа
  2. 3. inlevingsvermogen
    разбиране
verb
1. bij de ontmoeting een teken van erkenning en welwillendheid geven aan iemand
поздравявам
noun
1. het erkennen van elkaars aanwezigheid wanneer men elkaar ontmoet
по́здрав
/bəˈɣrotɪŋ/
noun
1. raming van de te maken uitgaven voor de komende tijd
бюджет
/beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
сутиен
adjective
1. bedekt met haren
космат
/bə.ˈhaː.ɣə(n)/
noun
1. aan iemand welgevallig zijn
доставям удоволствие
preposition
1. met uitzondering van
освен ако
verb
  1. 1. verwerken
    засегна
  2. 3. medisch verzorgen
    леку́вам
noun
2. een handeling gericht op herstel
лече́ние
verb
1. het bedekken van wanden met een laag papier
слагам тапети
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
ръководи́тел
verb
3. verstaan
овладея
adjective
2.
ловък
adjective
1. op zijn of haar hoede om gevaar te voorkomen
внимателен
/ˈbə'huftə/
noun
1. iets wat benodigd is
необходи́мост
noun
бедност
/bəˈhuvə(n)/
verb
2. nodig hebben
нуждая се
verb
2. onderdeel uitmaken van wat gebruikelijk is of tot de fatsoensnormen gerekend wordt
принадлежа́
adjective
1. iets niet verliezen
оставам в
adjective
отзивчив
noun
1. muziekinstrument met klokken
глокеншпил
pronoun
Бавария
pronoun
1.
Баварска гора
adjective
бежов
/bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Бейрут
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
длето
verb
1. iets met een beitel (be)werken, met een scherp voorwerp steen bewerken
дълбая
noun
5. deel van een bankschroef
челюст
verb
1. van kabels voorzien
окабелявам
adjective
1. vertrouwd
изве́стен
noun
1. een persoon waarvan je weet wie het is
позна́йник
noun
позна́нство
/bəˈkɛntmakɪŋ/
noun
ано́нс
verb
1. toegeven
признавам
noun
1. een verklaring waarin men toegeeft een bepaalde daad gepleegd te hebben
призна́ние
verb
1. tot een bepaald geloof overhalen
обръщам се
noun
лабораторна чаша
noun
1. het (doen) overgaan van iemand tot een bepaald geloof.
обръщане
noun
2. gebeente tussen beide heupen
таз
verb
2. iemands goede naam schaden
петня
verb
1. de nadruk leggen op iets
слагам ударение
verb
1. naar de top van iets, zoals een berg, klimmen
катеря се
adjective
1. tot het belangrijkste en noodzakelijkste teruggebracht
кра́тък
noun
1. het kleiner maken van iets
скъсяване
verb
1. kritiek uiten op iets of iemand
критикувам
noun
  1. 1. klok, schel, zoemer
  2. 6. een rond, schaalvormig metalen voorwerp in de vorm van een klok of halve bol al dan niet met klepel...
камбана
/bəˈlɑɣələk/, /bəˈlɑχələk/
adjective
1. lachwekkend, om uit te lachen
абсурд
verb
1. iemand agressief/intimiderend benaderen
правя засада
noun
1. iets wat belangrijk is voor een persoon
интере́с
/bəˈlɑŋəlos/
adjective
2. uit liefdadigheid
безкористен
noun
1. het zich inzetten voor iets dat belangrijk is voor iemand
застъ́пничество
adjective
1. van grote betekenis
  1. важен
  2. ва́жен
noun
1. het van grote betekenis zijn
ва́жност
noun
1. bereidheid en verlangen aandacht aan iets te schenken
интере́с
verb
1. iemands goede naam geweld aandoen met onware aantijgingen
отклеветявам
noun
1. de daad van het belasteren.
клевета
noun
  1. 1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
    данък
  2. 2. de mate waarin een machine belast wordt ofwel het vermogen dat van de machine
    товар
noun
1. iemand die belasting betaalt
данъкоплатец
noun
1. bewuste misleiding om minder belasting te hoeven betalen
  1. дължими данъци
  2. неплатени данъци
  3. укривани данъци
noun
данъчно убежище
adjective
1. wettelijk verplicht belasting te betalen
облагаем с данък
noun
1. iemand die wettelijk verplicht is om belastingen te betalen
данъкоплатец
verb
1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
обиждам
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
оскърбле́ние
adjective
1. van goede omgangsvormen getuigend
ве́жлив
noun
1. een sociale vaardigheid, die de omgang in de maatschappij vergemakkelijkt.
куртоазия
/bəˈlɛx/
noun
1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
обса́да
verb
1. met een leger omsingeld houden
обкръжавам
verb
1. geld steken in een naar verwacht winstgevende onderneming
инвестирам
noun
1. iemand die geld belegt
вложи́тел
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
  1. ръководство
  2. управление
noun
1. wat hinder en oponthoud veroorzaakt
блокиране
adjective
начетен
noun
1. een stedelijke wachttoren met een stormklok
наблюдателна кула
/bɛlx/, /bɛɫx/, /bɛɫχ/
noun
1. een staatsburger van België
белгиец
/ˈbɛl.ɣɪs/, /ˈbɛɫ.ɣis/, /ˈbɛɫ.χis/
adjective
1. met betrekking tot België
белгийски
pronoun
Белгийско Конго
/ˈbɛlɣijə/, /ˈbɛɫɣijə/, /ˈbɛɫχijə/
pronoun
  1. Белгия
  2. Бе́лгия
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
Белград
verb
1. een denkbeeld of gevoel vormgeven in iets tastbaars
въплъщавам
noun
1. zichtbaar gemaakte vorm van een idee of begrip
въплъще́ние
/bə.ˈlɪx.tə(n)/, /bə.ˈlɪχ.tə(n)/
verb
1. licht schijnen op iets
осветля́
/be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
Белиз
adjective
1. oorlogvoerend, oorlogszuchtig, strijdlustig
вою́ващ
noun
1. tandwalvis die doorgaans bij volwassenheid melkwit van kleur is, Delphinapterus leucas
белу́га
pronoun
1.
Белуджистан
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
обещание
verb
1. een prestatie of goede daad met geld of anderszins erkennen
възнагражда́вам
noun
награда
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
обеща́вам
noun
рингтон
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
екипаж
verb
1. het toevoegen van meststoffen aan de aarde
наторявам
/bəˈmɪndə/
noun
любим
verb
1. amoureuze gevoelens voor iemand koesteren
любя
verb
1.iemand een positievere kijk op de kansen geven
насърча́вам
noun
поощрение
noun
1. iemand die zich bemoeit met zaken van anderen
любопитко
verb
1. zich inlaten met zaken waar men niets mee te maken heeft
  1. бъркам се
  2. намесвам се
verb
1. iemand of iets nadeel toebrengen, iemand of iets schade toebrengen
ощетявам
adjective
1. te benaderen, makkelijk mee te praten
достижи́м
verb
1. naartoe gaan en aanspreken
[[контакту́вам]] (с)
noun
  1. 2. gezichtspunt, de richting van waaruit men naar iets beschouwd .
    до́стъп
  2. 1. getalswaarde die voor een bepaald praktisch doel voldoende dicht in de buurt ligt van de exacte waarde van die grootheid.
    приближение
/bəˈnadrʏkə(n)/
verb
изтъквам
/ˈbɛn.də/
noun
1. een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
ба́нда
preposition
отдолу
pronoun
1. een taal die in Bangladesh en West-Bengalen gesproken wordt
бенгалски език
noun
ези́к
adjective
костен
verb
1. wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft
завиждам
adjective
1. dat iets de moeite waard is om benijd te worden
завиден
/be.ˈnin/, /ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Бенин
noun
бензо́л
/bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
бензин
noun
1. een installatie voor het tanken van benzine
бензиностанция
noun
бензен
verb
1. tot een oordeel komen over iets
оценявам
verb
  1. 2. vaststellen, voorschrijven, regelen
  2. 3. beslissend beïnvloeden
опреде́лям
verb
1. een verminderde reikwijdte geven
огранича́
/bə.ˈpɛr.kɪŋ/
noun
1. iets dat ervoor zorgt dat de mogelijkheden beperkt worden
огранича́ване
adjective
1. verminderd, met specifieke grenzen
ограниче́н
verb
1. argumenten aandragen om een te nemen beslissing in bepaalde zin te beïnvloeden
пледирам
noun
1. overweging, overleg
обмисляне
adjective
1. akkoord gaand, instemmend: bereid tot actie
склонен
noun
1. de afstand die afgelegd kan worden
диапазон
/bə'rɛɪkən/
verb
  1. 3. een bepaald doel verwezenlijken
    добирам се до
    1. 1. fysiek bij de andere kant aankomen
    2. 2. het informeren van personen
    дости́гам
/bə.ˈre.kə.nɪŋ/
noun
1. een numerieke uitwerking ergens van
изчисление
/bɛrx/
noun
1. hoge terreinverheffing
планина
adjective
1. met bergen
плани́нски
noun
1. iemand die zich toelegt op het alpinisme
алпини́ст
noun
1. Tadorna tadorna, een forse bijna gansachtige eend
бял ангъч
pronoun
  1. 1. stad in Noorwegen
    Бе́рген
  2. 2. stad in België
    Монс
/ˈbɛrxrʏx/, /ˈbɛrχrʏχ/
noun
1. een langgerekte bergachtige hoogte
планинска верига
noun
1. ziekte veroorzaakt door een tekort aan vitamine B1 (thiamine)
бери-бери
noun
1. overgebrachte korte communicatie, meestal over een recente gebeurtenis
  1. вест
  2. известие
  3. съобщение
verb
1. van nieuws voorzien over iets
  1. съобщавам
  2. известявам
verb
1. het voortbewegen op een rijdier, zoals een paard of een voertuig zoals een fiets
възкачвам
noun
берил
noun
1. vrouwelijk dier van de berenfamilie, Ursidae
мечка
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
Берингов проток
pronoun
1. is de zee in het noordelijk deel van de Grote Oceaan
Бе́рингово мо́ре
verb
1. streng zeggen dat het gedrag wordt afgekeurd
укоря́вам
/bə.ˈrɪs.pɪŋ/
noun
1. een strenge afkeuring van gedrag
порицание
/bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
  1. бреза
  2. бреза́
noun
берклий
pronoun
  1. 1. de hoofdstad van Duitsland
  2. 2. een duitse deelstaat
  1. Берлин
  2. Берли́н
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
Бермуда
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Берн
noun
1. Borago officinalis, een kruid dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
Агурочнік
/bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
изве́стен
noun
2. iemand die bekend is bij een groot publiek
звезда́
noun
  1. 2. dringend verzoek om bijstand
    обжалване
  2. 1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
    професия
noun
1. een acute beschadiging van de hersenen die veroorzaakt wordt door een bloeduitstorting in de hersenen
припадък
noun
1. het betreuren van een eerdere kwalijke daad
разка́яние
/bəˈrɑuwə(n)/
verb
разкайвам се
verb
1. iemand met geweld zijn bezit ontnemen
грабя
noun
1. het beroofd worden
грабе́ж
/bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
  1. берилий
  2. бери́лий
/bɛs/
noun
1. kleine vrucht
зръ́нце
adjective
1. net en goed opgevoed
възпи́тан
adverb
1. vol met de neiging zich te verbergen voor anderen
засрамен
verb
1. het toebrengen van schade
повреждам
/bəˈsxaːvə(n)/
verb
2. civiliseren
цивилизовам
/bə.ˈsxa.vɪŋ/, /bə.ˈsχa.vɪŋ/
noun
1. de complexe maatschappij waarin veel van de mensen in steden leven en hun voedsel door middel van landbouw verkrijgen
цивилизация
/bə'sxɛi(d)ə/
adjective
    1. 1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
    2. 2. niet de indruk makend te hoge verwachtingen van zichzelf te hebben
    3. 3. niet groots of talrijk
    скро́мен
  1. 4. niet opdringerig
    скромен
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
пазя
noun
1. een heilige onder wiens bescherming een bepaalde persoon of groep staat
светец-покровител
/bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
защи́та
/bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
годен
noun
1.e mogelijkheid om, indien nodig te kunnen beschikken over mensen, diensten of hulpmiddelen
наличност
adjective
1. onderhevig aan schimmelgroei
плесенясал
adjective
1. onder invloed van alcohol
пиян
verb
  1. 1. bekijken als
  2. 2. denken over
разглеждам
verb
1. in woorden uitdrukken
опи́свам
/bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
описа́ние
/bə'sxœyt/
noun
1. een licht, tweemaal gebakken baksel van tarwe
трошлив сухар
/bəˈsxʌldəgə/
verb
1. iemand de schuld geven van iets
обвиня́вам
adjective
1.
обвинителен
/bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
обвине́ние
noun
1. een reëel bewustzijn
иде́я
verb
2. een paard van een hoefijzer voorzien
подковавам
noun
  1. 1. confiscatie
    конфискация
  2. 2. vloeibaar deeg
    тесто
verb
1. vaststellen wat er gaat gebeuren
разреша́вам
/bə.ˈslɪ.sɪŋ/
noun
реше́ние
verb
прокрадвам се
/bəˈslœɪt/
noun
1. een vastgestelde keuze
реше́ние
adjective
1. niet in staat een besluit te nemen.
колеблив
verb
1. vaststellen hoe het moet
разреша́вам
adjective
1. vaardig in het maken van besluiten
решителен
/bə'smɛtələk/
adjective
1. het vermogen hebbend gemakkelijk van persoon op persoon overgedragen te worden
заразен
verb
1. blootstellen aan een ziektekiem, gif of radioactief materiaal
заразявам
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
обрязвам
/bəˈsnɛidənɪs/
noun
обря́зване
verb
  1. 1. minder van iets gebruiken of verbruiken
  2. 2. minder geld uitgeven, bezuinigen
спестявам
verb
1. muziek maken op een muziekinstrument
свиря на
/bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
разискване
pronoun
Бесарабия
verb
1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
съществувам
noun
  1. 3. een wapenstilstand
    примирие
  2. 1. een verzameling van gegevens die een eenheid vormen
    файл
noun
1.
прибори
verb
1. iemand iets wederrechtelijk ontnemen
грабя
verb
1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
поръ́чам
/bə.ˈstɛ.lɪŋ/
noun
1. een verzoek of opdracht om diensten of goederen te leveren
поръ́чка
/bə.ˈstɛ.mɪŋ/
noun
1. het eindpunt van een route
местоназначе́ние
/bəstɔrmə(n)/
verb
1. met een strijdmacht snel te voet een positie van de vijand trachten te overweldigen
щурмува́м
verb
1. het wegdek verharden met klinkers of andere middelen om er een straat van de maken
настилам
noun
опрашване
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
  1. операционната система
  2. операцио́нна систе́ма
/bəˈstyrdər/
noun
1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
водач
adjective
административен
/bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
плащам
noun
1. iemand die betaalt
плате́ц
/bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
плащане
verb
1. met de handen iemands lichaam op verschillende plaatsen aanraken
опипвам
verb
1. ergens voor staan
знача
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
значение
/ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Бетелгейзе
/'beːtər/
adverb
по-добре
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
Витлеем
verb
2. een politieke demonstratie houden
демонстрирам
/bə.ˈto.ɣɪŋ/, /bə.ˈto.χɪŋ/
noun
1. een samenkomst van velen, meestal op straat, met als doel een protest te laten horen
демонстра́ция
verb
1. getuige worden van het feit dat iemand iets (verbodens) doet
залавям
noun
1. een voornaamwoord dat een betrekkelijke bijzin inleidt
относително местоимение
/bə.ˈtrɛ.kɪŋ/
noun
1. band of relatie tussen personen of groepen
взаимоотношение
verb
1. leedwezen tonen over iets
оплаквам
/bətrørən'swardəx/
adjective
1. waard betreurd te worden
достоен за съжаление
noun
заме́сеност
adjective
наде́жден
noun
наде́ждност
/bɛtwetər/
noun
1. iemand die meent alles beter te weten dan anderen
всезнайко
noun
1. boomsoort
бук
verb
1. ergens fors op slaan
блъскам
noun
2. vrucht van de beuk, Fagus sylvatica
буков жълъд
/bøːl/
noun
1. uitvoerder van lijfstraffen
палач
noun
    1. 1. het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
    2. 2. een houder voor munten en biljetten
    борса
  1. 4. bijeenkomst waar producenten van een bepaald vakgebied meest nieuwe producten tentoonspreiden
    панаи́р
noun
1. koersgemiddelde van de beursnoteringen op een bepaald tijdstip
борсов индекс
/bøːrt/
noun
1. gelegenheid of opdracht die bewust telkens aan een andere persoon uit en groep gegeven wordt
ред
noun
1. eigendoms- en ontvangstbewijs waarin zeevrachtbrief en vervoersovereenkomst worden gecombineerd
коносаме́нт
adjective
1. breed, diep en stromingsarm genoeg om bevaren te worden
плавателен
verb
  1. 1. iets als aangenaam ervaren
    доставям удоволствие
  2. 2. het leven schenken aan een kind
    ра́ждам
adjective
1. -gewoonlijk vrouwelijke- schoonheid bezittend die bij anderen -gewoonlijk mannen- in de smaak valt
миловиден
verb
  1. 1. omvatten, in zich sluiten
    включвам
  2. 2. begrijpen
    разбирам
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt
защитавам
/bə.ˈvɛɪ̯.lə.χɪŋ/, /bə.ˈvɛɪ̯.lɪ.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛː.lə.ɣɪŋ/
noun
1. de genomen maatregelen die er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt
защита
verb
1. een dwingende opdracht geven.
заповядвам
verb
1. hard en heftig trillen
треперя
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
  1. бобър
  2. бо́бър
noun
1. Myocastor coypus, een schadelijk knaagdier, leeft vooral in moerassige omgeving
нутрия
verb
  1. 1. zeggen dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
    потвърдя́
  2. 2. vastmaken
    прикрепвам
/bə.ˈvɛs.ti.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈvɛs.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛs.tə.χɪŋ/
noun
1. het bevestigen, het mededelen aan iemand dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
потвържде́ние
noun
1. aardbeving
треперене
verb
2. iemands goede naam aantasten
позоря
noun
1. de akkers voorzien van extra water
напояване
adjective
компетентен
/bə'vuxtɛit/
noun
авторите́т
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
население
verb
1. voorzien van benodigdheden
набавям
verb
1. beantwoorden aan een sterk verlangen
задоволявам
noun
1. de beantwoording aan een sterk verlangen
задово́лство
/bə'vrizə(n)/
verb
1. door afkoeling in vaste toestand komen
замръзвам
verb
1. iemand of een bevolking van gevangenschap of onderdrukking verlossen
освободя́
/bə.ˈvrɛɪ̯.dɪŋ/, /bə.ˈvrɛː.dɪŋ/
noun
1. het vrij maken van mensen die gevangen gehouden of onderdrukt worden
освобожде́ние
adjective
1. door afkoeling in vaste toestand gekomen; volledig met ijs bedekt
замразен
verb
1. vuil maken; verontreinigen
оцапвам
noun
1. handeling waarbij men een goed van een ander ter bewaring aanneemt onder teruggaveverplichting
депо́зит
verb
1. toezicht houden op de veiligheid van iets of iemand
защитавам
/bə.ˈwa.kɪŋ/, /bə.ˈʋa.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞a.kɪŋ/
noun
наблюде́ние
/bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
1. iemand van wapens voorzien
въоръжа́
/bə.ˈwa.pə.nɪŋ/, /bə.ˈʋa.pə.nɪŋ/, /bə.ˈβ̞a.pə.nɪŋ/
noun
въоръжение
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet verloren raakt
запа́звам
/bə.ˈweː.ɣə(n)/, /bə.ˈʋe.χə(n)/, /bə.ˈβ̞e.ɣə(n)/
verb
1. van plaats veranderen
движа
/bə.ˈwe.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈʋe.χɪŋ/, /bə.ˈβ̞e.ɣɪŋ/
noun
  1. 1. in de staat verkeren waarin de locatie steeds verandert
  2. 2. van plaats/positie veranderen
  3. 3. een organisatie
движение
/bə'wɛrkə(n)/
verb
  1. 1. veranderen om iets voor een of ander doel geschikt te maken
  2. 4. iets met een mes anders maken
обрабо́твам
verb
1. wierookdampen over iets of iemand aanbrengen
кадя
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
доказателство
adjective
доказуем
noun
1. alles wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vastlegt
доказа́телство
verb
1. aantonen; staven
доказвам
/bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
зао́блачен
noun
1. een persoon die iemand bewondert
обожател
verb
1. bekijken met respect
адмирирам
adjective
1. wat het verdient bewonderd te worden
възхитителен
/bə.ˈwɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈʋɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔn.də.rɪŋ/
noun
1. het bekijken met enig ontzag
адмира́ция
/bə.ˈwo.nɪŋ/, /bə.ˈʋo.nɪŋ/, /bə.ˈβ̞o.nɪŋ/
noun
1. de permanente aanwezigheid van een bepaalde plaats
обитаване
/[bəˈʋɵst]/
adjective
1. iets waarvan kennis is genomen
осъзнат
/bəw'ɤstəlos/
adverb
1. in een toestand waarin men het bewustzijn voor de omgeving is verloren
в безсъзнание
noun
1. de staat van het bewusteloos zijn
безсъзнание
/bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
съзна́ние
abbreviation
1. de achterste mast van een zeilschip
бизан
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
метла
adjective
1. gedomineerd door de aanwezigheid van...
зае́то
adjective
1. onder de invloed van een boze geest zijn
обладан
verb
1. in gebruik nemen
окупи́рам
noun
1. iemand die bezet, meer in het bijzonder de bezetter van een overwonnen natie in oorlogstijd
окупа́тор
/bə.ˈzɛ.tɪŋ/
noun
1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
окупа́ция
noun
1. een plaats die of een voorwerp dat door velen bezocht en bekeken wordt
забележителност
/bezəx/
adjective
1. aan het werken
зает
noun
  1. 1. al iemands bezittingen
  2. 2. het houden van een goed voor zichzelf
притежание
noun
1. een voornaamwoord dat de relatie aanduidt tussen de persoon en een zelfstandig naamwoord
притежателно местоимение
/bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
владе́я
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
притежател
noun
1. dat wat iemand in eigendom heeft, dat wat van iemand is
иму́щество
verb
1. te schande maken
позоря
noun
  1. 1. het bezoeken
  2. 2. de personen die op visite zijn of komen
посещение
/bəˈzukə(n)/
verb
1. bij iemand langsgaan of langskomen
посещавам
noun
1. een persoon die iemand of iets bezoekt
летовник
adjective
1. bijzonder dronken
пиян
adjective
1. met zorgen beladen
загрижен
noun
1. moeilijkheid, bedenking
възражение
adjective
1. met zweet op de huid
по́тен
noun
кле́тва
verb
1. zwichten
отстъпвам
verb
1. het bewustzijn verliezen
припадам
verb
1. tot een afsluiting brengen
завъ́рша
/bəˈɪnvludə(n)/
verb
1. iemand of iets proberen te veranderen, invloed nemen op
влия́я
/bu.ˈtan/, /bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
  1. Бутан
  2. Бута́н
pronoun
Биафра
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
биатлон
/ˌbiblijotekaˈrɛsə/
noun
1. beheerster van een bibliotheek
библиотекар
/ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
библиотекар
/bib(l)ijo'tek/
noun
  1. 1. een plaats waar boeken verzameld staan
  2. 2. een instelling die boeken en andere media aan het publiek uitleent of ter inzage biedt
библиотека
verb
1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
моля се
noun
1. soort van aan de muur bevestigde kom of bak voor het met behulp van water reinigen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet, of om de voeten te wassen
биде́
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Mantodea
богомо́лка
noun
1. de erkenning van zonden aan een geestelijke
и́зповед
noun
1. een meubelstuk dat bedoeld is voor het aanhoren en afleggen van de biecht
изповеда́лня
noun
1. een priester die biechten afneemt
изповедник
noun
1. dunne lap vlees van de bovenbil van een rund
  1. бифтек
  2. пържола
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
  1. бира
  2. пиво
noun
Дрожди
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
  1. сибирски лук
  2. див лук
noun
захарно цвекло
verb
задигам
/bɪx/, /bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
прасе
noun
бигамия
/bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
пчела
noun
1. (de heilige tekst van) het heilige boek der christenen
библия
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
  1. Библия
  2. библия
verb
1. zorgen dat men niet achterblijft bij de voortgang van iets
не изоставам
verb
2. zorgen dat iemand iets leert
да науча
/ˈbɛːdraʝə/, /ˈbɛːɪdraɣə/
noun
1. iemands aandeel
контрибуция
verb
1. een aandeel leveren
доприна́сям
noun
1. de handeling van het bijeenroepen
свикване
/ˈbɛɪ̯.jə(n).ˌɦaʊ̯.dər/, /ˈbɛɪ̯.jə(n).ˌɦʌʊ̯.dər/, /ˈbɛː.jə(n).ˌɦɔʊ̯.dər/
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
пчелар
noun
1. moeder van alle bijen in een bijenkorf
майка на кошер
noun
1. kunstmatige behuizing waarbinnen een bijenvolk zijn raten kan bouwen, oorspronkelijk in de vorm van een gevlochten korf
кошер
/ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
суеве́рие
adjective
1. iemand die gelooft in bijgeloof
суеверен
noun
klein, licht gerecht dat als begeleiding bij een andere maaltijdgang
гарнитура
/bɛɪˈkɑns/
adverb
почти
/bɛɪ̯l/, /bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
  1. брадва
  2. секира
  3. топор
noun
2. een bestand dat bij een e-mail is meegezonden
вя́рност
/'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
почти
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
прякор
noun
надбъбречна жлеза
verb
2. een helpende hand bieden
помагам
noun
1. hulp
по́мощ
/ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
  1. хапя
  2. отха́пвам
verb
1. als extra ergens aan toevoegen
прилагам
/bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
прилагателно име
noun
1. Artemisia vulgaris, een plant uit de composietenfamilie Asteraceae
див пелин
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
например
/'bɛɪʋɛrkə(n)/
verb
1.
актуализирам
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
  1. наречие
  2. наре́чие
noun
1. tweedelige zwemkleding voor de vrouw
бики́ни
noun
1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
бут
adjective
1. aan twee kanten, in twee richtingen (buitenkanten)
двустранен
noun
1. spel
биля́рд
noun
  1. 1. een stuk van staatswege uitgegeven papier waaraan geldswaarde is toegekend
    банкнота
  2. биле́т
cardinalNumeral
1. 1.000.000.000.000
трилио́н
noun
Билонни монети
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
попадийка
adjective
двои́чен
verb
1. vastmaken (evt. figuurlijk)
връзвам
noun
1. en 2. (bladeren van) sla met een stevige rechte krop
маруля
noun
1. een slijmvlies dat de sclera en de binnenste zijde van de oogleden bedekt
конюнктива
/ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
съединителна тъкан
interjection
1. een uitroep gebruikt door spelers van bingo om aanspraak te maken op een overwinning
би́нго
noun
1. kansspel
би́нго
preposition
вътре
verb
1. ergens in gaan
вли́зам
/'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
  1. биохимия
  2. биохи́мия
/ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
биоразнообразие
noun
1. levensbeschrijver
биограф
noun
биогра́фия
adjective
биографически
noun
1.
биоло́г
/ˌbiʲoloˈɣi/, /ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
биология
/ˌbijo'loːɣis/
adjective
  1. 1. te maken hebbend met de biologie
  2. 2. van gelijke afstamming
биологичен
/ˌbioˈlox/, /ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
биолог
noun
биомаса
noun
бионика
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
кино
noun
1. een gebied met een uniform landschapstype waarin bepaalde organismen kunnen gedijen
местообитание
adjective
бирма́нски
pronoun
1. een taal die in Myanmar gesproken wordt, een minderheidstaal in Bangladesh, Maleisië en Thailand is...
бирма́нски
/ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
епархия
noun
бисексуа́лност
/bisɛksye:l/
adjective
1. seksueel gericht op beide geslachten
би́сексуа́лен
noun
бисмут
/bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
  1. епископ
  2. владика
/bɪt/
abbreviation
1. in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
бит
/bɪt/
noun
1. een metalen staaf die een paard in de bek gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken.
бит
noun
битко́йн
noun
1.
битова карта
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
горчив
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in schoon stilstaand of langzaam stromend water Rhodeus amarus
gorchivka
noun
1. een viskeuze vloeistof die van nature voorkomt als de minst vluchtige fractie van ruwe aardolie
битум
noun
1. muts die tot onder de kin doorloopt met openingen om door te kijken en te ademen
балакла́ва
adjective
особен
noun
1. Noord-Amerikaans zoogdier, Bison bison
бизон
noun
1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
меху́р
noun
1. een luchtzak die samengedrukt kan worden om een sterke luchtstroom te veroorzaken
духа́ло
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
ду́хов инструме́нт
noun
  1. 1. plat, groen onderdeel van planten
  2. 2. vel papier
лист
/blɑt'xrun/
noun
хлорофи́л
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
листна въшка
noun
1. muziek die in notenschrift op papier is gezet
но́ти
noun
дръжка на листо
/ˈblɑtsɛidɚ/
noun
1. elk van de beide zijden van een blad papier in boek, krant of tijdschrift
cтраница
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
изрева
noun
1. een afgang veroorzaakt door eigen falen
позор
verb
1. het gedurende zeer korte tijd in kokend water gaar laten worden van voedingsmiddelen, zodat geur, smaak en uiterlijk optimaal behouden blijven
бланширам
/blɑŋk/
adjective
  1. 1. met lichte huidskleur
    белоко́ж
  2. 2. onbeschreven
    бяло
  3. 4. overspoeld
    залят
noun
1. iemand met een van nature bleke (pigmentarme) huid
бя́ла
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Rutilus rutilus
  1. babushka
  2. tarran
noun
1. een uiting die als belastering van de godheid gezien wordt
богоху́лство
/ˈblatə(n)/
verb
het geluid van een schaap maken
блея
/blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
  1. син
  2. сини
  3. синьо
  4. синя
/blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
син
pronoun
Синята Брада
noun
1. bepaald soort lijsterachtige, Luscinia svecica
синьогушка
noun
1. Vaccinium corymbosum, een plant uit de heifamilie Ericaceae
боровинка
noun
1. bepaalde soort roofvogel uit de familie van de arendachtigen, Circus cyaneus
полски блатар
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
сива чапла
noun
1. Balaenoptera musculus, een baleinwalvis, de grootste van alle walvisachtige
син кит
noun
1. bepaald soort vaste plant, Eryngium maritimum
приморски ветрогон
/ˈblʌʊəχ/, /ˈblʌːβ̞əx/
adjective
2. op blauw lijkend
синкав
noun
1. bepaald soort karperachtige riviervis Vimba vimba
  1. morrunash
  2. morunaj
/'bla.zə(n)/, /'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
пъхтя
adjective
1. gering van kleur
блед
noun
1.
бледност
verb
1. witter of lichter doen worden
избелвам
/blɛi̯/
adjective
весел
noun
1. een toneelstuk, film of boek dat het doel heeft het publiek te vermaken en aan het lachen te maken
комедия
/blɛ.və(n)/
verb
  1. 1. niet veranderen
  2. 3. ergens vertoeven
задъ́ржам
noun
2.1 cilindervormig luchtdicht afgesloten vaatje van dun metaal
калай
/blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
мълния
noun
1. een metalen stang of constructie die de bliksem aantrekt en naar de grond afvoert.
гръмоотвод
adjective
1. niet in staat te zien
сляп
noun
1. over de ogen gebonden reep ondoorzichtige stof om het zien te verhinderen
превръзка за очите
noun
апендици́т
/'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
слепота
verb
1. in opvallende mate licht weerkaatsen of uitzenden
блестя́
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
кръв
noun
анемия
noun
1. het gesloten systeem van hart en vaten waardoor bloed stroomt
кръвообращение
/'bludbrudər/
noun
1.
побра́тим
noun
кръ́вно телце́
noun
  1. 1. daad
  2. 2. afgestaan bloed
кръводаря́ване
noun
кръводарител
adjective
1. vooral van de ogen dat er bloedvaatjes op het oogwit te zien zijn (door huilen, ouderdom of ontsteking)
зачервен (за очи)
noun
кръвно налягане
verb
1. het vloeien van bloed
кървя
noun
кръвна група
adjective
1. bijzonder warm, met name van weersgesteldheid.
зноен
noun
1. Brits hondenras met grote kop, lange hangende oren en een lange staart
ловджийско куче
adjective
  1. 1. met bloed (bedekt)
  2. 2. waarbij veel bloed vloeit, met veel slachtoffers
кърва́в
noun
кръвои́злив
noun
кръвен тест
noun
1. de vloeistof van het bloed waar geen bloedlichaampjes meer in zitten maar nog wel stollingseiwitten
кръвна плазма
adjective
1. rood als de kleur van bloed
кървавочервен
noun
кръвосмеше́ние
noun
кръвообращение
noun
кръвна захар
noun
кръвопреливане
noun
1. bloeduitstorting in de huid
хематом
noun
1. een bloedader
кръвоносен съд
noun
1. het vallen van doden en gewonden tijdens een conflict
кръвопроли́ване
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
пиявица
verb
  1. 2. het bijzonder goed maken
    вирея
  2. 1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen
    цъ́фвам
noun
  1. 2. fijngemalen poeder, meestal van granen
    брашно
  2. 1. een deel van plant met zaden
    1. цвете
    2. цвят
noun
1. bolvormig stengeldeel van een plant, onder de grond
луковица на цвете
/bluməkɔrso/
noun
1. optocht van met bloemen versierde voertuigen
  1. парад с цветя
  2. шествие
noun
1. ringvormig vlechtwerk van bloemen
цветен венец
noun
  1. магазин за цветя
  2. цветарница
pronoun
1.
Блу́мфонтейн
noun
  1. 1. bloemenverkoper
  2. 2. bloemenkweker
цветар
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
  1. карфиол
  2. цветно зеле
noun
антология
noun
1. een begrensd stukje grond dat men bloemen beplant is
цветна леха
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
саксия
noun
1. aantal sierlijk geschikte bloemen
букет
noun
пудра захар
noun
1. kledingstuk
блуза
noun
1.
бло́гър
noun
1. een vaak hoekig massief stuk materiaal
блок
noun
блока́да
/ˈblɔkə(n)/
verb
1. heel hard studeren
зубря
verb
1.de toe- of doorgang versperren
препречвам
/blɔnd/, /blɔnt/
adjective
1.
рус
adverb
гол
verb
1.in aanraking doen komen met
експонирам
noun
1. het ongewapend, onbeschermd in contact komen met een gevaar
излага́не
noun
een rode kleur op de konen
червенина
noun
1. kledingstuk
блу́за
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
зачервя́ се
/blʏf/
noun
1. poging tot intimidatie
блъф
noun
1. een onverwacht domme, vaak erg publieke, daad die meestal iemands geloofwaardigheid aantast
грешка от невнимание
/blɵt/
adjective
1. geen geld meer hebbend
разорен
verb
  1. 1. heel hard huilen
  2. 2. blaten
блея
verb
1. een sport waarbij een bochtig ijsparcours wordt afgelegd in een bestuurbare slee
бобслей
noun
1. een onnatuurlijk vergroeiing van de wervelkolom die tot een vervormde rug leidt
гърбица
noun
  1. 2. een brede baai aan de kustlijn
    бухта
  2. 1. gebogen weg of pad
    завой
pronoun
1.
Бохум
noun
оферта
noun
1. iemand die gezonden wordt om een bericht, dienst, voorwerp enz. af te leveren
ве́стник
noun
1. een onderkant
дъно́
/ˈbodəmˌkʏndə/
noun
почвознание
adjective
бездънен
pronoun
1.
Боденско езеро
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Будапеща
pronoun
Бу́да
noun
1. volger van de leer van Boeddha
будист
noun
1. de voorkant van een schip
нос
noun
1. een beeld dat ter versiering aangebracht werd op de voorsteven van een schip
носова фигура
noun
1. uitstekend rondhout aan de voorsteven van een zeilschip
  1. Бушприт
  2. бушприт
noun
1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
буй
/bujə(n)/
verb
  1. 1. kluisteren
  2. 2. fascineren
оковавам
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
книга
noun
Буканиер
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Букурещ
noun
книговезец
/ˈbuɡdel/
noun
1. drukwerk dat zoveel bladzijden heeft dat het in aparte band kan worden gebonden, maar waarvan de inhoud onderdeel is van een groter werk
том
noun
1. de in de 15de eeuw ontwikkelde kunst om teksten door middel van een drukpers te vermenigvuldigen
печа́тарство
/ˈbukən/
verb
1. reserveren van bijvoorbeeld een hotelkamer
запазвам
/ˈbu.kə.ˌkɑs/, /ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
библиотека
noun
библиоте́ка
noun
1. een bos snijbloemen, vaak sierlijk gerangschikt
букет
noun
1. iemand die de inkomsten en uitgaven van een organisatie bijhoudt
счетоводи́тел
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van boek
брошу́ра
noun
кни́жка
noun
1. bepaald soort vogel, Fringilla coelebs
обикновена чинка
noun
1. en 2. (gepelde zaden van) plant Fagopyrum esculentum
елда
/ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
книжарница
noun
1. een gebogen werpstok die de neiging heeft terug te keren naar de werper
бумеранг
/buːr/
noun
  1. 4. speelkaart
    вале
  2. 1. landbouwer
    земеде́лец
noun
  1. 1. een woning met bedrijfsruimte van een boer
  2. 2. een onderneming van een boer
фе́рма
/buːrən/
verb
3. een boer laten
оригвам се
/burə'kol/
noun
1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
къ́драво зе́ле
noun
1. de klasse van de boeren
селячество
noun
1. bepaald soort samengesteldbloemige plant Tanacetum vulgare
Вратига
/ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
селска лястовица
noun
1. het gehele lichaam, inclusief gezicht en ogen, verhullend gewaad gedragen door (streng) islamitische vrouwen
Фередже
noun
1.
бурнус
noun
покая́ние
noun
бути́к
noun
1.
гърди
/bɔf/
noun
2. ziekte
заушка
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
Бохемия
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
борий
noun
болярин
noun
1. gerookte en gezouten haring
пушена херинга
noun
1. een gevechtswapen bestaande uit een stuk ijzer dat men gebruikt om mee te slaan
бокс
noun
1. een tactische vechtsport
бокс
noun
1. handschoen gedragen tijdens het boksen
бо́ксова ръкави́ца
noun
straalvinnige vis (Boops boops) uit de familie van zeebrasems
гопа
noun
1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
сфера
noun
1. een helder oplichtend bolvormig object met een diameter van maximaal 40 centimeter, dat soms waargenomen wordt in de buurt van een blikseminslag en dan gedurende meerdere seconden zichtbaar is
кълбовидна мълния
noun
1. Agrostemma githago
къклица
noun
1. een vierwielige ongemotoriseerde bak die wordt voortgetrokken aan een hendel vooraan
де́тска коли́чка
/boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
Боливия
pronoun
1. een stad in Italië
Болоня
noun
1. lid van een factie van de marxistische Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (RSDAP) die zich ...
болшеви́к
noun
болшеви́зъм
/bɔm/
noun
1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
  1. бомба
  2. бо́мба
noun
1. beschieting met bommen, het werpen van bommen
бомбарди́ране
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
бомбарди́рам
noun
1. een militair vliegtuig dat is ontworpen voor het werpen van bommen op gronddoelen
бомбардирова́ч
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Бонер
noun
1.
пралина
noun
1. een andere macht waarmee een afspraak gemaakt is aan dezelfde zijde te zullen strijden
съю́зник
adjective
кра́тък
noun
  1. Чубрица
  2. чубрица
pronoun
1.
Бон
/bɔnt/
adjective
1. met veel verschillende felle kleuren
пъстър
/bɔnt/
noun
кожа
noun
шу́ба
noun
1. overgebracht bericht
съобщение
/ˈbotsxɑpər/
noun
1. berichtenoverbrenger
ве́стник
noun
  1. 3. deel van bouwwerk
    1. арка
    2. дъга
  2. 1. wapen
    1. лък
    2. дъга
noun
1. bij het boogschieten de stevige draad die wordt uitgerekt om bij het loslaten de pijl vaart te geven
тетива́
noun
1. een sport waarbij pijlen worden weggeschoten naar een doel met behulp van een boog
стрелба́ с лък
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
Стреле́ц
noun
1. iemand die schiet met een boog
стрелец с лък
noun
1. meerjarige plant met houten stam
  1. дърво
  2. дърво́
noun
1. een stuk grond met vruchtbomen
[[ово́щна]] [[гради́на]]
noun
1. bepaald soort vogeltje, Sitta europaea
горска зидарка
/ˈbom.pi.pər/
noun
1. een vogelsoort die inheems is vrijwel geheel europa
горска бъбрица
/'bomslɑŋ/
noun
2. bepaald landdier zonder poten Dispholidus typus
бумсланг
noun
1. een rechtop gaande houten schacht van een boom
ствол
noun
1. kleine sierlijke valk, familie van de torenvalk, Falco subbuteo
сокол орко
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
  1. боб
  2. фасул
noun
B. chemisch element en een zwart metalloïde
бор
/bɔːrt/
noun
  1. 4. rand
  2. 3. oever
бряг
noun
бурги́я
/ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
  1. бормашина
  2. дрелка
/boʊs/, /boːs/
adjective
1. kwaad, woedend
разгне́вен
noun
  1. 1. de hoedanigheid van het boos zijn
    гняв
  2. 2. de hoedanigheid van het kwaadaardig zijn
    злина
/boʊt/, /boːt/
noun
1. klein vaartuig
лодка
noun
1. een rang gelijk aan sergeant bij de marine en de hoogste onderofficier bij de koopvaardij
бо́цман
/bɔRd/, /bɔrt/
noun
[1] Schijfvormig voorwerp
чиния
noun
бордова́ игра́
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
бродирам
noun
1. iets wat men geborduurd heeft op aan het borduren is
бродерия
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
  1. пробивам
  2. сондирам
noun
1. iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag
поръчител
noun
2.
гаранция
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
бор
pronoun
Борнео
noun
1. drankje
ракия
noun
  1. 1. bovenste deel van de voorkant van de romp van mens of dier
    1. бюст
    2. гръден кош
  2. 2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
    1. гърда
    2. гръд
noun
1. beeldhouwwerk dat enkel het hoofd, de borst en de schouders toont
бюст
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
гръдна кост
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
четка
verb
1. schoonmaken met behulp van een borstel
сресвам с четка
noun
1. geraamte van de borst
гръден кош
noun
къ́рмене
noun
1. een groep bomen
гора
noun
горска ягода
noun
1. Calopteryx virgo, een bepaald soort van de beekjuffers.
синьо ромолниче
noun
  1. 2. plant Vaccinium myrtillus
    Черната боровинка
  2. 1. en 3. plant, en bessen, uit geslacht Vaccinium
    боровинка
/ˈbɔsbɑuw/
noun
1. het systematisch bosbeheer (teelt en verzorging van bossen) voor de productie van hout
горско стопанство
/ˈbɔsnis/, /ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
босненски
/ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
Босна и Херцеговина
/ˈbɔsni.jər/
noun
1. een inwoner van Bosnië en Herzegovina
бо́сненец
pronoun
1. zeestraat tussen de Zee van Marmara en de Zwarte Zee
Босфор
noun
мочурно шаварче
noun
бо́са но́ва
noun
1. jonge, onvolgroeide geboste ui met blad
пресният лук
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
горска улулица
noun
1. een beheerder van een boswachterij
лесничей
noun
3. onderdeel van het skelet
кост
/ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
  1. масло
  2. краве масло
noun
1. een aantal planten uit het geslacht Ranunculus behorende tot de familie Ranunculaceae
лютиче
noun
2. een belegde snee brood
сандвич
noun
een koek, traditioneel bereid met roomboter, die gevuld wordt met amandelspijs
масленка
noun
1. CH₃(CH₂)₂COOH
бутирова киселина
noun
1. dom, grof en onbeschaafd
грубост
pronoun
1.
Ботнически залив
/ˈbɔt.sə(n)/
verb
1. met een flinke snelheid tegen elkaar aankomen
блъскам се
/ˈbɔt.sɪŋ/
noun
1. het botsen
сблъ́скване
/bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /bɔts.ˈʋa.na/, /bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
  1. Ботсвана
  2. Ботсуана
/ˈbʌʊdəˌʋɛɪn/, /ˈbʌːdəˌβ̞ɛːn/
pronoun
1. een jongensnaam
Балдуи́н
adverb
1. zelfverzekerd, gedurfd
дръзко
noun
1. het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
запалителна свещ
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
бульо́н
noun
psychologische toestand waarin een persoon terugkerende eetbuien heeft
булимия
noun
буке́т
noun
буржоазия
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Бургу́ндия
/bɑu̯/
noun
1. het doen verrijzen van een gebouw
стро́ителство
/ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
построявам
noun
1. een persoon die dingen bouwt
строи́тел
noun
1. een plaats waar mensen iets bouwen
строителна площадка
/ˈbɔʊ̯β̞.tɛ.ˌrɛːn/, /ˈbʌʊ̯.tɛ.ˌrɛɪ̯n/
noun
1. een terrein waarop gebouwd wordt of kan worden
строителна площадка
noun
строи́тел
/ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
горе
noun
1. het bovenste gedeelte van de arm tussen de schouder en de elleboog
ми́шница
noun
1.bovenbeen
бедро́
/bovənˈdin/
adverb
1. op de koop toe, daarenboven
нещо повече
adjective
1. behorende tot een orde van dingen die buiten het menselijke ligt
свръхестествен
adjective
1.
най-горен
verb
1. iemand uitsluiten, niet meer willen werken voor, leveren aan of kopen bij
бойкоти́рам
noun
2. werktuig om vlas of hennep te braken of te kneden.
мъначка
noun
1. dat wat is uitgekotst
бълвоч
noun
1. struik & 2. vrucht
къпина
noun
1.
къпина
verb
1. slecht en onduidelijk praten met name van baby's
бръщолевя
pronoun
1.
Бракенхайм
verb
1. vlees bereiden door het in vet te verhitten
  1. пържа
  2. пека на скара
verb
2. vlas of hennep breken
повръщам
/ˈbrɑnd/, /ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
пожар
adjective
леснозапалим
noun
1. een draagbaar toestel dat dient om een kleine of een beginnende brand te bestrijden
пожарогасител
verb
1. verteerd worden door vuur
записвам
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
Бранденбург
noun
1. een soort sterke drank
бре́нди
noun
1. hout dat gebruikt wordt om te verbranden
[[дърва́]] за [[горе́не]]
verb
1. (vee) merken door het inbranden van een teken
белязвам
noun
2-3. een harige plant die bij aanraking een brandend gevoel en zwelling veroorzaakt
коприва
noun
фокус
noun
противопожа́рен марку́ч
noun
денатурат
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
подпалвач
noun
пале́ж
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
  1. Гориво
  2. гориво
noun
пожарна команда
noun
пожа́рна кола́
noun
пожарна
noun
1. lid van de brandweer
пожарникар
noun
пожа́рна кола́
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
платика
/braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
  1. Бразилия
  2. Брази́лия
adjective
широк
noun
1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
широчина
noun
1. cirkel van gelijke geografische breedten
географска ширина
/ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
плета́
/brɛi̯n/
noun
1. orgaan
мо́зък
/ˈbrɛɪ̯nald/, /ˈbrɛɪ̯naɫt/, /ˈbrɛːnalt/
noun
1. een naald die gebruikt kan worden bij het breien
ку́ка
verb
  1. 1. in stukken uiteenvallen
  2. 5. in stukken uiteen doen vallen
чупя
noun
Показател на пречупване
pronoun
Бремен
/ˈbrɛŋ.ə(n)/
verb
1. ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
дове́ждам
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
Брета́н
noun
1. broekophouder
тиранти
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
Бретонски
noun
  1. 1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
    дроб
  2. 2. een gebroken gedeelte van een object
    лом
noun
молитвеник
noun
  1. 1. een spel gespeeld door vier spelers, verdeeld in twee paren en gespeeld in dertien slagen
  2. 2. de kam van een elektrische gitaar
бридж
noun
1. zachte Franse schimmelkaas
бри
noun
1. verzonden geschreven boodschap
писмо
/bris/
noun
1. zachte frisse wind
бриз
noun
пощенска кутия
noun
каша
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
очила
/ˈbrɪl.beːr/, /ˈbrɪɫ.beːr/, /ˈbrɪɫ.bɪːr/
noun
1. een beer met grote cirkels rond de ogen, als een bril
Очилата мечка
noun
1. Bucephala clangula, een vogel uit de familie Anatidae
звънарка
adjective
1. buitengewoon slim
брилянт
noun
1. slijpvorm voor onder andere diamant
брилянт
noun
1. reptiel, gevaarlijke gifslang
индийска кобра
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat Queensland
Бри́збейн
noun
брита́нец
/brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
британски
pronoun
Вирджиски острови
pronoun
Брита́ния
/ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
броколи
noun
брошу́ра
/'bru.də(n)/
verb
1. een gelegd ei met lichaamswarmte warm houden
мътя
/brudər/
noun
  1. 1. een broer
  2. 3. een kloosterling
брат
adjective
бра́тски
noun
1. moord van de ene broer op een andere broer, ook figuurlijk gebruikt
братоуби́йство
noun
  1. 1. kerkelijk goedgekeurde vereniging
  2. 2. vereniging van beroepsgenoten
  3. 1. vriendschappelijke betrekking als tussen broers
бра́тство
noun
парников ефект
noun
парников газ
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
панталон
noun
крачол
/bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
брат
noun
1. zijdeweefsel met ingeweven, meestal grote figuren, vaak met goud- of zilverdraad doorweven
брокат
noun
1.
боклук
noun
мотопе́д
noun
мотопе́д
noun
  1. 1. daar waar men informatie vandaan haalt
  2. 2. begin van een waterloop
и́звор
noun
1. ontsteking van de luchtpijptak
бронхи́т
noun
  1. Бронз
  2. бронз
noun
paartijd
разгоненост
adjective
1.van brons gemaakt
бронзов
verb
1.
бронзов
/broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
хляб
noun
2. klein brood, vaak versierd, belegd of in een speciale vorm, voor één persoon
хлебче
noun
то́стер
noun
бром
adjective
1. niet stevig
трошлив
adjective
1.
крехък
verb
1. (bier) brouwen
варя
/brɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
пивова́рна
/brʏx/, /brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
мост
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
Брюж
noun
плацда́рм
/brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
булка
noun
1. man die in het huwelijk treedt
младоженец
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
зестра
noun
1.
сва́тбена то́рта
noun
1. kosteloze lening voor tijdelijk gebruik onder voorwaarde van teruggave
заемни активи
noun
1.
сва́тбена то́рта
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
кафяв
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
кафяв
/ˌbrœʏnəˈbeːr/
noun
1. Ursus arctos, een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt.
кафява мечка
noun
1. bepaald soort roofvogel, Circus aeruginosus
тръстиков блатар
verb
  1. 1. bruin worden
  2. 1. iets bruin maken
бронзирам
noun
кафяви въглища
adjective
1. brood van tarwemeel dat nog zemelen bevat
  1. типов хляб
  2. черен хляб
/ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
тъпонос делфин
verb
1. het overvloedig vormen van gasbelletjes in een vloeistof
пеня се
noun
1.
газирана вода
/bry.ˈnɛɪ̯/, /bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
  1. Бруней
  2. Бруне́й
noun
1. een vrouw met (donker)bruin (of zwart) haar en soms ook met een donkere gelaatstint
брюне́т
pronoun
Брауншвайг
/brʏs/
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders (zonder de connotatie met zorg)
брат
pronoun
1. de hoofdstad van België
  1. Брюксел
  2. Брю́ксел
adjective
  1. 2.
    арога́нтен
  2. 3. vrijpostig
    дързък
adjective
безцеремонен
adjective
1. nietsontziend en gewelddadig
жесто́к
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
ДДС
/ˈbʏdʒɛt/
noun
бюдже́т
adjective
1. met betrekking tot een budget, begroting
бюджетен
/'bɵfəl/
noun
1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
бивол
noun
3. tijdelijk geheugen in rekenmachines...
бу́фер
noun
1. een gebied dat op een of andere manier als buffer dient
бу́ферна зо́на
/bœʏ̯χə(n)/, /bœːɣə(n)/
verb
    1. 3. een buiging maken, zich buigen
    2. 4. aandacht besteden aan iets
    изви́вам
    1. 1. krom maken
    2. 2. krom worden
    извивам
noun
1. nijging als beleefde groet
покло́н
noun
1.
огъвач
adjective
гъвкав
/bœʏ̯k/, /bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
корем
noun
бели денс
noun
диария
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
тръба
noun
2. buisklokken
оркестрови камбани
/bœʏ̯t/, /bœːt/
noun
goederen gewonnen door diefstaf of verovering
пля́чка
/ˈbœʏ̯tə(n)/, /ˈbœːtə(n)/
adverb
навън
adjective
1. niet binnen het raamwerk van het huwelijk
извънбра́чен
adjective
екстравага́нтен
noun
въ́ншност
noun
1. ieder land buiten het eigene
чужбина
/ˈbœytə(n)lɑndər/
noun
1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
чужденец
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
чужд
noun
1.
ава́нпо́ст
verb
изключвам
noun
1.
засада
noun
въ́ншност
pronoun
Бо̀гор
verb
  1. 1. een buis in de school geven
  2. 2. een buis in de school krijgen
пропадам
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
  1. обикновен мишелов
  2. мишелов
/ˈbɵkən/
verb
  1. 2. het lichaam geheel voorover buigen
    наве́ждам се
  2. 1. het lichaam geheel vooroverbuigen om bij iets lagers te komen
    наведа се
/bʏl/
noun
  1. 1. mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
  2. 2. pauselijke oorkonde
бик
noun
1. een stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken...
булдог
noun
бъ́лгарин
/bɵɫˈγ̊aːrs/
adjective
1. met betrekking tot Bulgarije of de Bulgaarse taal
български
/bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
  1. български език
  2. български
noun
българин
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
България
noun
1. gestoomde, daarna gedroogde en vervolgens grof gemalen of gebroken tarwekorrels, meestal durumtarwe
булгур
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
булдозер
noun
гърбица
/ˈbʏltrʏx/
noun
1. benaming voor een van de grotere baardwalvissen met lange borstvinnen
гърбат кит
noun
1. stootstang
бро́ня
noun
1. zijdelings bijeengehouden verzameling langwerpige voorwerpen
вързо́п
noun
1. woning of vakantiehuis zonder bovenverdieping
бунгало
noun
1. zwaar versterkte verdedigingsstelling
бу́нкер
noun
1. gasbrander met regelbare luchttoevoer die men gebruikt in een laboratorium
бунзенова горелка
noun
  1. 1. een werkmeubel voor administratief- en studiewerk
    бюро
  2. 2. een (politie)kantoor
    бюро́
noun
бюрокрация
noun
1.
бюре́та
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
кмет
noun
градонача́лница
noun
  1. 2. lid van de burgerbevolking, in tegenstelling tot een strijdende partij of ordedienst
    [[цивилен|циви́лно]] [[лице́]]
  2. 1. inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
    гражданин
/ˈbʏrɣərlək/
adjective
1. tot de burgers behorend, tot de middenstand behorend
буржоа́зен
noun
1.
гражданско общество
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
гражданска война
noun
гра́жданство
noun
1. edelman
вико́нт
/bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
Буркина Фасо
/bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
  1. Бурунди
  2. Буру́нди
/bɵs/
noun
1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
рейс
/ˈbʏshɑltə/, /ˈbʏshɑɫtə/
noun
1. een plek waar een bus stopt
автобу́сна спи́рка
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
бару́т
noun
  1. 1. boezem
  2. 2. borstbeeld
бюст
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
сутиен
noun
1. C₄H10
бутан
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
мускатна тиква
/byr/
noun
1. een persoon die in andermans omgeving woont
съсед
noun
1. een man naast wie men woont
съсед
noun
1. een (deel van een) wijk
квартал
noun
1. vrouw woonachtig in het belendende huis
съседка
noun
чемшир
/bɑjt/
noun
1. het kleinste adresseerbare gedeelte van een computergeheugen
байт
noun
бе́та
pronoun
1. en 2.
Бьоблинген
symbol
1. akkoordsymbool
C
/ˌkɑbɑˈrɛ(t)/
noun
1. een kleinkunst, vermaak met toneel, zang, dans, en voordracht
  1. кабаре
  2. кабаре́
/kakaˈoː/, /kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
какао
noun
1. een poederachtige substantie die wordt verkregen door het uitpersen van de cacaomassa van cacaobonen
кака́о
noun
1. een vetplant met stekels
кактус
noun
1. een stekelige vrucht van de Opuntia
кактусова смокиня
/kaˈdoː/
noun
1. iets dat men aan iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
подарък
noun
1. als geschenk gegeven bon, die recht geeft op aankoop tot het bedrag dat op de bon vermeld wordt
карта за подарък
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
кадмий
noun
1. een eenvoudige eetgelegenheid, waar men een snelle hap kan nuttigen
столо́ва
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
кофеи́н
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar men dranken kan nuttigen
кафе́
noun
1. luchtig gebak
кекс
pronoun
Кала́брия
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
  1. калций
  2. ка́лций
noun
1. calciumcarbid
калциев карбид
/kɑlkʏˈlatɔr/
noun
  1. 1. machine
  2. 2. persoon
смета́чна маши́на
noun
1. fijn katoenen weefsel
басма
noun
1. bepaald soort zoogdier, Zalophus californianus
Калифорнийският морски лъв
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
калифорний
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten. De staat grenst aan de Pacifische Oceaan en aan de Mexicaanse deelstaat Baja California, alsmede aan de Amerikaanse deelstaten Nevada, Oregon en Arizona.
Калифорния
pronoun
  1. 1. nimf uit de Griekse mythologie
  2. 2. een van de vier grote manen van Jupiter
Калисто
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
калория
verb
1. op doorschijnend papier of linnen overtrekken
прекопирвам
/kɑm.ˈbɔ.dja/, /kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
Камбоджа
pronoun
Кеймбридж
/ˈkaməˌra/
noun
1. een apparaat om beelden mee te registreren
фотоапарат
noun
камуфлаж
/kɑmuflerən/
verb
1. een voorwerp onopvallend maken
замаскирвам
/kɑmˈpɑɲə/
noun
кампа́ния
pronoun
Кампа́ния
/ˈkɑmpʏs/
noun
1. universiteitsterrein
ка́мпус
/ˈka.na.da/, /ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
  1. Канада
  2. Кана́да
pronoun
Канарски острови
pronoun
1. de federale hoofdstad van Australië, gelegen in het Australisch Hoofdstedelijk Territorium
Ка́нбера
noun
кандела
noun
1. schimmelziekte van huid en slijmvliezen
кандидоза
/'ka.nɔn/
noun
1. de strengste vorm van een meerstemmige compositie, waarin de stemmen elkaar in de tijd verschoven imiteren
канон
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Кантабрия
/ˌkɑntaˈrɛɫ/
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak, Cantharellus cibarius
пачи крак
noun
брезе́нт
noun
1. mogelijkheid om iets te bevatten
спосо́бност
/ˌkapiˈbaːra/
noun
1. Hydrochoerus hydrochaeris, een groot knaagdier...
капибара
noun
1. een haarvat, het kleinste vat van de bloedsomloop
капиля́р
/ˌka.pɪ.la.ri.ˈtɛɪ̯t/
noun
капилярност
noun
1. internationaalrechtelijke verklaring dat een partij de strijd tijdens een oorlog opgeeft
капитулация
verb
1. het verzet staken, zich overgeven
капитули́рам
noun
1. kopje koffie dat uit gelijke delen espresso, melk en melkschuim bestaat
капучи́но
pronoun
Капри
/ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
качулка
noun
1. bepaald soort zoogdier, Profelis caracal
каракал
/karákas/
pronoun
1. de hoofdstad van de Zuid-Amerikaanse staat Venezuela
Кара́кас
noun
1. kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonst
каравана
noun
1. carbidgas/acetyleen
ацетилен
noun
инди́го
noun
1. een organische verbinding die de functionele groep -COOH bezit
карбоксилна киселина
noun
карбура́тор
noun
1. toestel dat vloeibare brandstof (bv. benzine) in fijn verdeelde toestand vermengt met lucht
карбура́тор
/ˈkɑrdɪɡən/
noun
1. vest met V-hals dat met knoopjes aan de voorkant wordt gesloten
плетена жилетка
/kɑrdijo'lox/
noun
кардиолог
noun
1. muziekinstrument met klokken
камбанки
noun
кариес
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
  1. Карнавал
  2. карнавал
/kɑrniˈvor/
noun
1. een vleesetend dier
месояден
noun
кароти́н
noun
1. loopbaan, werkgerelateerde maatschappelijke positie
карие́ра
noun
1. koetswerk van een voertuig
автомобилна каросерия
noun
въртелѐжка
pronoun
Картаген
noun
1. iemand die land-, zee- en/of luchtkaarten maakt
картограф
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
kартография
noun
1. een gelegenheid waar in een luxe omgeving gegokt wordt
казино́
noun
1. Manihot esculenta, een eetbare wortelknol
маниока
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
касе́та
noun
specerij
касия
pronoun
1. landstreek in Spanje
Кастилия
pronoun
Кастилия и Леон
pronoun
Кастилия - Ла Манча
noun
1. ontmanning, het volledig verwijderen van de teelballen bij de man
кастра́ция
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
кастрирам
noun
1. een naamval
падеж
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
каталонски
verb
1. in een register onderbrengen
каталогизирам
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
  1. Каталония
  2. Каталуния
noun
1.
катало́г
noun
1. grijze staar, een troebeling van de ooglens die het zien verstoort
катарáкт
noun
1. aandoening van het slijmvlies waarbij het veel vocht verliest
катар
noun
1. een algemene ramp
катастрофа
noun
1. achtervanger bij o.a. honkbal
кетчър
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
категория
adjective
1. oorzakelijk
причи́нен
noun
1
кавалкада
noun
1. strijdmacht te paard
кавале́рия
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
морско свинче
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
Кайро
pronoun
1. een taal die op de Filipijnen en met name op het eiland Cebu gesproken wordt
себуански
/ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
ке́дър
noun
  1. 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
  2. 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
клетка
noun
1. slagwerkinstrument met een klavier
челеста
adjective
неженен
/sɛlkɛrən/
noun
1.
клетъчно ядро
noun
1. musicus die een violoncello of kortweg een cello bespeelt
виолончели́ст
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
виолонче́ло
/sɛ.ly.ˈlɛːr/
adjective
кле́тъчен
noun
1.
целулои́д
/ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
целулоза
noun
1. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
кле́тъчна мембра́на
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
  1. цимент
  2. циме́нт
noun
1. hoge ambtenaar in de Romeinse republiek
цензор
verb
1. bewust informatie uit de media weghalen
цензурирам
/sɛnˈsyr/
noun
1. de controle van de kant van de overheid op alles wat de media uitbrengen
цѐнзура
noun
цент
noun
1.
кентавър
/'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
сантиметър
adjective
1. in het midden gelegen
центра́лен
/sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
Централноафриканска република
pronoun
Централна Америка
pronoun
Сре́дна А́зия
pronoun
Центра́лна Евро́па
pronoun
1. Iraanse taal gesproken door 6 miljoen mensen in Irak en Iran
кюрдски
noun
1. een verwarmingssysteem, waarbij de warmte centraal wordt opgewekt
централно отопление
adjective
1.
центробежен
noun
1. centrifugaalmachine
центрофуга
noun
1. middelpunt
център
noun
керамика
adjective
1. met betrekking tot de grote hersenen
церебра́лен
noun
1. een plechtige aangelegenheid
церемония
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Церера
noun
церий
/ˌsɛrtifiˈkat/
noun
1. een schriftelijk bewijs
докуме́нт
noun
цезий
noun
1. overdracht van schuldvordering
преотстъпване
pronoun
Сеута
pronoun
Цейло́н
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Шампан
/ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
шампанско
noun
1. bepaald soort eetbare en speciaal gekweekte witte paddenstoel, Agaricus bisporus
гъба
noun
Шансон
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
изну́дване
verb
1. het ritmisch spreken of het zingen van woorden of geluiden
напявам
verb
1. onder bedreiging een schandaal te veroorzaken iemand geld afhandig maken
изну́двам
noun
1. grote wanorde
хаос
noun
1. deelgebied van de wiskunde en natuurwetenschappen dat zich bezighoudt met het gedrag van dynamische systemen zoals dat sterk door hun begintoestand wordt bepaald.
теория на хаоса
adjective
хаотичен
/ˈʃar.la.tan/
noun
шарлата́нин
adjective
1. aangenaam in omgang
очарователен
/sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
чар
noun
2. handvest, beperkte grondwet
грамота́
/ˈtʃɑtə(n)/, /ˈtʃɛtə(n)/
verb
1. op synchrone wijze met elkaar korte tekstberichten uitwisselen
ча́тя
/ʃaʊ̯.ˈføːr/, /ʃo.ˈføːr/, /ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
шофьор
noun
шовини́зъм
/ˈtʃɛkən/
verb
1. controleren, nakijken
проверявам
noun
1. Acinonyx jubatus, een zeer snel Afrikaans katachtig roofdier
гепа́рд
noun
химика́л
noun
хими́к
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
химия
adjective
1. dat wat tot de chemie behoort, volgens de chemie
хими́чен
noun
химичен елемент
pronoun
1.
Кемниц
noun
1. behandeling van kanker met medicijnen
химиотерапия
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat Tamil Nadu. De voormalige naam van de stad was Madras
Чена́й
/ʃɛk/
noun
чек
/tʃɛ.ˈrɔ.ki/, /ˈtʃeː.ro.keː/
pronoun
1. inheemse taal gesproken door enkele duizenden mensen in Noord-Amerika
черо́ки
/ˈxerʏp/
noun
1.
херуви́м
/sʲik/
noun
1. modieus verfijnd
  1. елегантен
  2. моден
pronoun
Чика́го
adjective
чилийски
/ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
  1. Чили
  2. Чи́ли
/'ʃílipepər/
noun
1.
лю́та чу́шка
/ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
шимпанзе
noun
химе́ра
/ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
  1. Китай
  2. Кита́й
noun
чинчила
/ʃi.ˈnes/
adjective
1. betreffende China
китайски
/ʃi.ˈnes/
pronoun
  1. 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
    1. Китайски
    2. китайски
  2. 2. persoon
    китайски
noun
2. een klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
микрочип
/tʃɪps/, /ʃips/, /ʃɪps/
noun
1. dunne aardappelschijfjes, gebakken in vet of olie
чипс
/ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
хирург
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
хирургия
noun
хлор
noun
хлори́д
noun
хлороформ
/ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
шоколад
/ˌʃo.ko.ˈla.də/, /ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
шоколад
noun
1. drank gemaakt van cacao, suiker en melk
  1. какао
  2. шоколадово мляко
noun
1. een veelal ronde, bruingekleurde taart, waarin chocolade of cacao verwerkt is
шокола́дова то́рта
noun
смукач
/χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
холера
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
  1. xолестерол
  2. холестерол
noun
хореограф
noun
хореогра́фия
noun
христоматия
adjective
1. te maken hebbend met het christendom
християнски
/ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
християнин
/ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
християнство
/ˈxrɪstʏs/
pronoun
Христос
/ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
хромозома
/ˈkronis/
adjective
1. voortdurend, aanhoudend
хроничен
/xrono.lo'ɣiː/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
хроноло́гия
adjective
1. naar tijdstip gerangschikt
хронологически
noun
1. een uurwerk waarop zeer kleine tijdsdelen kunnen worden afgelezen
хронометър
noun
хром
noun
1.
хризанте́ма
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
цикада
/ˌsikoˈrɛɪ/
noun
цикория
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
сайдер
noun
1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
цифра
noun
цилиндър
adjective
1. zoals een cilinder, cilindervormig, buisvormig
цилиндричен
noun
1.
кино
noun
1.
цинобър
noun
1. bepaald soort naaldboom, Cupressus sempervirens
кипари́с
noun
  1. 1. omloop voor snelheidswedstrijden
  2. 2. elektronisch netwerk
вери́га
noun
  1. 1. attractie
  2. 2. chaotische toestand
цирк
/ˈsɪrkəɫ/
noun
кръг
verb
1. in cirkels ronddraaien of rondvliegen
обикалям
/ˈsɪrkəlzax/
noun
1. motorzaag met een rond zaagblad
циркуляр
noun
1.
цироза
adjective
1.
цизалпи́йски
noun
1. aanhaling, ontleende passage
цитат
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
цитра
verb
1. eigen of andermans woorden ontlenen
цитирам
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
лимон
noun
1. Viverra, een geslacht van kleine slank gebouwde roofdieren dat ---
цибет
noun
строително инженерство
verb
  1. 1. iets opeisen, aanspraak maken op iets
  2. 2. beweren
изисквам
noun
1. artistieke techniek
све́тлося́нка
noun
класифика́ция
verb
класифицирам
/klʌʊˈsylə/
noun
1. een extra bepaling in een ambtelijke brief.
клауза
noun
1.
кла́ксон
noun
1. klimplant uit de ranonkel familie met veel bloemen
клематис
noun
1. de leiders van een kerkgenootschap
духовенство
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
клитор
noun
1. huidplooi waaronder de clitoris zich verschuilt tussen de schaamlippen
кли́торна качу́лка
noun
1. de gecombineerde darm- en urineuitgang bij bepaalde diersoorten
клоа́ка
/kloːn/, /klʌːun/
noun
  1. 1. komische artiest
  2. 2. bespottelijk iemand
кло́ун
/klɵp/
noun
  1. 1. besloten gemeenschap
  2. 3. golfstok
клуб
noun
кофермент
verb
1. instructies en leiding geven aan een sportteam of sporter
тренирам
/kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
  1. Коалиция
  2. коалиция
noun
1. vrachtschip kleiner dan 1800 Brut Register Ton (1 BRT = 2,83 m³)
кабота́жен кораб
noun
коаксиален кабел
noun
1. gevaarlijke gifslang
кобра
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
кокаин
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
коктейл
noun
шейкър за коктейли
noun
какавида
/'kodə/
noun
код
verb
1. in een code brengen
кодирам
noun
коняк
/kɔxniˈtif/
adjective
1. met betrekking tot het leerproces
познавателен
noun
1. eigendoms- en ontvangstbewijs waarin zeevrachtbrief en vervoersovereenkomst worden gecombineerd
коносаме́нт
adjective
последователен
noun
2. een onderlinge aantrekking van moleculen van een zelfde stof
сцепление
noun
1. ontgaste steenkool
  1. Кокс
  2. кокс
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
Кока-кола
noun
2
колаборациони́ст
verb
1. met de vijand samenwerken
колаборирам
noun
кола́ж
/ˌkɔlɑˈɣen/
noun
1.
колаген
noun
коле́кция
noun
1. meerdere groepen die onder één noemer worden aangesproken
колекти́в
/kɔˈleɣa/, /kɔˈleχa/
noun
  1. 1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt
  2. 2. een vak- of ambtgenoot
коле́га
noun
1. de tijd waarin een docent een bepaald onderwerp uitlegt aan studenten
лекция
noun
колоид
/ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Колумбия
/ko'lɔnə/
noun
1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
коло́на
noun
1. dikke darmonderzoek waarbij men met een endoscoop het darmslijmvlies onderzoekt en zonodig een biopsie kan nemen
колоноскопия
/ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
глава
noun
комбина́ция
noun
1. werktuig waarmee je zowel op verschillende manieren kan vastknijpen als afknippen
комбини́рани кле́щи
verb
комбинирам
/kɔnˈfɔrt/
noun
1. een toestand waarin men zonder onrust, vrees of verlegenheid is
удо́бство
adjective
1. gerieflijk
комфортен
noun
комитет
noun
1. iemand die het commando heeft over een leger of vloot
команди́р
verb
2. bevelen
  1. заповядвам
  2. командвам
/kɔ.ˈmɑn.do/
noun
  1. 2. speciaal getrainde groep militairen voor speciale missies
  2. 1. iemand uit een eenheid die extra getraind wordt voor speciale missies
команда
/kɔmən'tar/
noun
1. toelichting of verklaring
  1. бележка
  2. коментар
noun
комента́тор
noun
търго́вия
/kɔmərˈʃel/, /kɔmɛrˈsjel/
adjective
1. zakelijk
  1. търговски
  2. комерсиален
noun
2. een hoge rang bij de politie
комисар
noun
1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
коми́сия
adjective
1. betrekking hebbend op de gemeenschap
  1. колективен
  2. комунален
/ˌkɔ.my.nɪ.ˈkaː.si/, /ˌkɔmyniˈkasi/, /ˌkɔmyniˈkaʦi/
noun
1. het uitwisselen van informatie
общуване
noun
науки за комуникацията
verb
2. met elkaar in contact komen
общувам
/kɔ.ˈmy.ni/, /kɔ.ˈmyː.nɪə̯/
noun
1. de gemeenschap met lichaam en bloed van Jezus Christus in de vorm van brood en wijn
единение
noun
комюнике́
/kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
комунизъм
noun
комуни́ст
/ko.ˈmoː.rə(n)/, /ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
  1. Комори
  2. Коморски острови
adjective
1. ruimte beperkende uitvoering, gedrongen
компактен
noun
2. vennootschap
ро́та
noun
1. verschijning in rechte
явя́ване
//
noun
1. verenigbaarbeid van elektronische apparaten, softwareprogramma's, enz
съвмести́мост
noun
1. iets wat minder is uitvallen, weer goed (proberen te) maken (met een extra toegift)
обезщетение
verb
1. iets goed (proberen te) maken, terug in balans brengen
компенсирам
noun
1. wedijver, concurrentie
  1. конкуренция
  2. съперничество
adjective
1. gewend aan en in staat om strijd te leveren
конкурентноспособен
verb
компилирам
adjective
1. volledig, voltallig
пълен
noun
допълнение
adjective
1. aanvullend
допълнителен
/kɔmplɛks/
adjective
1. ingewikkeld
компле́кс
noun
1. de mate waarin iets complex is
обърканост
noun
1. bijkomende ziekte (verergering)
усложнение
verb
1.(nodeloos) ingewikkeld maken
усложня́вам
noun
1. een lovende of vleiende opmerking
комплиме́нт
noun
1. geheime samenwerking van meerdere personen om een bepaald (verboden of slecht) doel te bereiken
за́говор
noun
1. een deel van een geheel
компоне́нт
verb
съчинявам
noun
1. iemand die muziekstukken schrijft
композитор
noun
  1. 1. een muziekstuk, werkstuk van een componist
  2. 2. samenstelling
композиция
noun
1. is het residu dat ontstaat na ontbinding van organisch materiaal (d.w.z. van plantaardige of dierlijke oorsprong)
градински тор
verb
1. tot compost verwerken
компостирам
noun
1. met suiker gestoofde vruchten
  1. компот
  2. ошав
noun
1. samendrukking
компреси́ране
verb
1. samenpersen, compact maken
компримирам
/kɔmproˈmi/
noun
1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen...
компро́мис
/kɔm.ˈpju.tər/, /kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
компютър
noun
1. een programma dat geïnstalleerd en gebruikt kan worden op een computer
компю́търна програ́ма
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
компю́търна игра́
noun
1. de taal waarin computerprogramma's worden geschreven, de programmeertaal.
компю́търен ези́к
noun
1.
компю́търен ви́рус
noun
информатика
noun
концентрация
noun
1. afgesloten terrein met barakken waar machthebbers bepaalde groepen mensen zonder rechtsgang onder dwang van de samenleving afgezonderd houden
концентрационен лагер
verb
  1. 1. op één plek samenbrengen
  2. 2. zich ~ op één zaak toespitsen
концентрирам
adjective
1. van cirkels of bollen dat ze het zelfde middelpunt hebben (maar niet dezelfde straal)
концентричен
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
  1. хармония
  2. концерт
/kɔn.si.ˈjɛr.ʒə/, /kɔn.ˈʒɛr.ʒə/
noun
1. een huisbewaarder, een toezichter in een gebouw
вратар
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
конклав
/ˌkɔŋklyˈderən/
verb
2. (overgankelijk) tot een besluit komen
заключавам
/kɔŋˈklyzi/
noun
заключе́ние
/kɔnˈkret/
adjective
2. in realiteit bestaand
действителен
noun
1. mededinger, wedijveraar
конкуре́нт
noun
1.
конкуре́нция
noun
1. (vloei)stof die ontstaat bij het afkoelen en verhogen van de druk van een gas
кондензат
/kɔndɛn'zasi/
noun
втечняване
noun
1. elektrische component
кондензатор
verb
1. overgaan van gasvormige naar vloeibare toestand
втечнявам
noun
  1. 1. gezondheidstoestand
  2. 2. voorwaarde
състоя́ние
noun
презерватив
noun
електрическа проводимост
noun
1. een medewerker van de spoorwegen die reizigers op vervoersbewijzen controleert en de orde in de trein of tram dient te bewaren
конду́ктор
noun
конфедера́ция
noun
конгре́с
/kɔnfixy'rerə(n)/
verb
1. opbouwen en aanpassen aan eigen behoefte
конфигури́рам
noun
1.
конфирма́ция
noun
1.
конфиска́ция
verb
1. van staatswege in beslag nemen
конфискувам
noun
1. jam
  1. конфитюр
  2. мармалад
noun
конфликт
verb
  1. 1. (onovergankelijk) gelijkvormig maken, naar iets inrichten
  2. 2. (wederkerend) zich aanpassen aan
съответствувам
noun
съответствие
noun
би́тка
verb
1.iemand laten zien wat diegene heeft gedaan
конфронтирам
adjective
1. aangeboren
вроден
noun
1. samenklontering van verschillende bedrijven
конгломера́т
/kɔŋˈɣrɛs/, /kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
конгре́с
adjective
1. de vorm hebbend van een (afgeknotte) kegel
коничен
noun
1. binding
съедине́ние
noun
съю́з
/ˈkɔn.jʏŋk.tif/
noun
1. aanvoegende wijs
условно наклонение
noun
свъ́рзване
noun
клема
adjective
1. grondig, zorgvuldig, nauwgezet
съзнателен
noun
1. een noodzakelijk gevolg
после́дица
/kɔnsɛrvaˈtif/
adjective
1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde
консерватор
noun
консерватизъм
noun
1. een school in het hoger onderwijs waar men zich kan laten opleiden tot professioneel musicus, acteur/actrice of danser(es)
консервато́рия
/kɔnso'nɑnt/
adjective
съгла́сна
noun
консорциум
adjective
1. Altijd onveranderlijk
неизменен
noun
Константан
pronoun
Константино́пол
/kɔnsta'terə(n)/
verb
1. vaststellen
установявам
noun
2,3 sterrenbeeld, configuratie, onderlinge stand van hemellichamen
съзвездие
noun
1. een situatie waarin men zich geen raad meer weet
  1. смайване
  2. ужас
noun
1. verstopping, harde of uitblijvende ontlasting
запек
adjective
конституционен
/ˌkɔnstrʏkˈtif/
adjective
1. opbouwend
конструкти́вен
noun
  1. 1. Romeins overheidspersoon
  2. 1. vertegenwoordiger
ко́нсул
noun
1.
консулство
noun
1. een deskundige raadgever
консулта́нт
noun
консулта́ция
verb
1. raadplegen, advies vragen
консултирам
/kɔnzyˈmɛnt/, /kɔnsyˈmɛnt/
noun
1. algemene term voor personen, huishoudens die goederen en diensten verbruiken ...
потреби́тел
verb
  1. 1. verorberen
  2. 2. verbruik van goederen en diensten in de economie
изпивам
verb
1.
консумирам
/kɔn.ˈtɑk/, /kɔn.ˈtɑkt/
noun
  1. 1. een toestand waarbij twee voorwerpen elkaar raken
  2. 2. onderlinge communicatie
  3. 3. een contactpersoon
  4. 4. een verbinding van twee elektrische geleidingen
  5. 5. een elektrische schakelaar
  6. 6. de grens tussen stollings- en nevengesteente
конта́кт
noun
контакт
verb
1. contact opnemen met
свързвам се
noun
1. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
контактна леща
noun
контейнер
noun
контейнеровоз
noun
1. verontreiniging of besmetting met chemische stof of bacterie
контаминация
/ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
конте́кст
noun
1. een werelddeel
континент
adverb
непрекъснат
noun
непрекъснатост
noun
1. een aanval tegen een aanval
контраатака
noun
1. het laagstklinkende muziekinstrument van de strijkinstrumenten
контрабас
/kɔnˈtrɑkt/
noun
1. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
договор
noun
1. (muziekinstrument) fagot waarvan de noten een octaaf lager klinken dan de gewone fagot
контрафагот
noun
1. opvallende tegenstelling
контраст
noun
контрол
noun
контролна зала
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
проверявам
noun
1.
контро́лер
noun
1. kneuzing
натъртване
noun
конвекция
/kɔn.vɛr.ˈsa.tsi/
noun
бесе́да
verb
1. een gesprek voeren
бесе́двам
adjective
1.
го́тин
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
коперниций
noun
а́вторско пра́во
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
Корнуол
adjective
1. lichamelijk
телесен
adjective
1.
ве́рен
noun
1. verbetering
коре́кция
noun
1. samenhang
корелация
verb
1. in onderling verband staan van twee of meer variabelen
корелирам
noun
кореспонде́нция
verb
кореспонди́рам
adjective
1. van iets dat het gelijk is of past bij iets anders
подходящ
/ˌkɔriˈʒeːrə(n)/, /ˌkɔriˈʒɪːrə(n)/
verb
1. iets van fouten ontdoen
поправям
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
корозия
adjective
1. met behulp van geschenken, geld e.d. over te halen om zijn plicht, partij, of overtuiging te verzaken
корумпи́ран
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
корупция
/'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Корсика
noun
ко́синус
/ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
Коста Рика
noun
кулон
noun
строфа
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
тиквичка
noun
кускус
noun
1. veedrijver/veehoeder
каубой
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
койот
noun
1. een constante factor van een onbekende of van een veranderlijke grootheid
  1. коефициент
  2. фактор
verb
1. samenvallen in ruimte of tijd
съвпадам
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
съвокупление
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
Кооперация
adjective
op samenwerking gebaseerd
  1. кооперативен
  2. съвместен
noun
1. iemand die zorgt dat de dingen in hun samenhang geregeld worden
координатор
verb
1. zo organiseren dat alles en iedereen goed kan samenwerken
координирам
noun
1. bepaald soort struik en 2. vrucht daarvan, Vaccinium macrocarpon
червени боровинки
noun
  1. 1. ernstig verkeersongeluk
  2. 2. ineenstorting van de aandelenmarkt
крах
noun
1. een schepping, iets totaal nieuw
създава́не
/krejaˈtif/
adjective
1. scheppend vermogen bezittend, met een scheppende geest
съзидателен
noun
1.
креати́н
noun
креациони́зъм
noun
1. schepsel; iets dat gemaakt is
твар
noun
кре́дитна ка́рта
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
кредито́р
noun
  1. 1. religie
  2. 2. geloof of overtuiging
ве́рую
noun
1. de lijkverbranding, de verassing
кремация
verb
кремирам
noun
1. een uit Engeland afkomstig slagbalspel in de open lucht
кри́кет
noun
1. de misdadigheid, het begaan van misdaden
престъпност
adjective
1. met betrekking tot misdaad
криминален
noun
1. iemand door zich onderhoudt door de wet te breken
кримина́лен
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
криминология
noun
1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
  1. криза
  2. кри́за
/kriˈterijʏm/
noun
1. toets, een doorslag gevende reden
крите́рий
/krʋɑˈsɑ̃/
noun
1. halvemaanvormig broodje
кроасан
noun
1. vakantie op een varend schip met uitgebreide voorzieningen voor de passagiers
круи́з
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
круи́зен ко́раб
noun
1.
крепирана хартия
/ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
  1. Куба
  2. Ку́ба
noun
1. film die populair is bij een kleine maar betrokken groep fans
култов филм
/kʏltyˈrel/
adjective
1.met betrekking tot cultuur
култу́рен
noun
култ
/kɵl'tyːr/
noun
1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
култура
/kymylaˈtif/
adjective
1. opstapelend, gesommeerd over alle bijdragen tot heden
кумулативен
noun
купесто-дъждовен облак
noun
1. belangenbehartiging van meerderjarige
попечителство
adjective
1. heilzaam, genezend
лечебен
/ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
Кюрасао
noun
2. gele voedselkleurstof
kуркумин
noun
1.iets merkwaardigs
  1. куриоз
  2. рядкост
noun
кюрий
noun
1. een precisiesport die lijkt op bowls, jeu de boules en bocce, die op ijs gespeeld wordt gespeeld met zware stenen in plaats van metalen (of plastic) ballen
кърлинг
adjective
1.
курсивен
noun
ку́рсор
/ˈkʏrsʏs/
noun
курс
noun
крива
adjective
1. met betrekking tot de huid
ко́жен
noun
1. een blauwgroene kleur
синьо-зелен цвят
noun
цианкалий
noun
1. blauw verkleurde huid meestal als gevolg van een zuurstoftekort
цианоза
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
кибернетика
noun
1. oorlogvoering waarbij hackers staten aanvallen om te trachten systemen te saboteren of te spioneren
кибервойна́
/ˈsiklis/
adjective
1. regelmatig terugkerend
цикличен
noun
2.
цикло́н
noun
циклоп
noun
1. terugkerende, regelmatige reeks
оборо́т
/ˈsinis/
adjective
цини́чен
/ˈki.prʏs/, /ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
  1. Кипър
  2. Ки́пър
/sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
[[ки́рилски|ки́рилска]] [[а́збука]]
noun
1. een alfabet dat geschreven wordt in het cyrillisch schrift
кирилица
/ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
киста
/ˌsitɔˈplɑsma/
noun
цитоплазма
/ˈsitɔzɔl/
noun
1
цитозо́л
/daːt/
noun
1. bewust gepleegde handeling
акт
/daːr/
adverb
1. op die plaats
там
/daːr/
conjunction
1. omdat
  1. защото
  2. понеже
  3. тъй като
adverb
нещо повече
/dar.ˈχɪn(t)s/, /ˈdar.ɣɪn(t)s/
adverb
1. op een plaats in de verte
там
adverbialPronoun
1. met die reden
затова́
adverb
около
noun
дадаизъм
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
фурма
noun
1. palm waaraan dadels groeien
финикова палма
noun
1. iemand die iets (slechts) gedaan heeft
обвиняем
/dɑx/, /dɑχ/
noun
  1. 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
  2. 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
ден
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
ежедне́вник
noun
дне́вник
adjective
ежедневник
adverb
1. iedere dag
всекидне́вен
/ˈdaɣə(n)/, /ˈdaχə(n)/
verb
1. dag worden
развиделява се
noun
1. het aanbreken van de nieuwe dag, de tijd net voor zonopkomst
зазоряване
noun
1. bepaalde soort dagvlinder, Aglais io
дневно пауново око
noun
1. een oproep om voor een rechtbank te verschijnen
повиква́телна
noun
1.
гергина
pronoun
Дахомей
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
  1. покрив
  2. по́крив
noun
1. een langgerekte bakvormige of halfronde constructie voor het afvoeren van (regen)water dat van het dak komt
водосто́к
noun
1. iemand die op de straat leeft, zonder vaste verblijfplaats
бездомник
noun
1. raam dat in een dak zit
капандура
/dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
долина
verb
1. naar beneden gaan
слизам
noun
1. het dalen, het lager worden
намаление
noun
далматин
noun
1. weeftechniek, waarbij tekeningen aangebracht worden op een achtergrond van dezelfde kleur
дамаска
noun
1. bepaald soort vlinder, Melanargia galathea
шахматна пеперуда
/daːmə/
noun
  1. 1. beschaafde vrouw
    госпожа́
  2. 3. koningin in het schaakspel
    да́ма
noun
1.
дами и господа
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
елен лопатар
/dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
пара
adverb
1. toekomstig tijdstip
след това
conjunction
1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord.
не́гли
conjunction
или
pronoun
3. jongensnaam
Дание́л
noun
1. een goede gezindheid jegens iemand voor bewezen diensten
благода́рност
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
благодаря
adjective
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
благода́рен
noun
1. het dankbaar zijn
благодарност
verb
благодаря́
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
танц
verb
1. ritmisch bewegen
танцувам
noun
1. mannelijk persoon die danst
балети́ст
/dɑnsə'rɛs/
noun
1. een vrouwelijk persoon die danst
танцьо́рка
noun
да́нсинг
/ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
храбър
noun
1. mannelijke bij
търтей
/dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
черво
noun
дармщатий
noun
1. evolutieleer die het ontstaan van de soorten verklaart door natuurlijke selectie uit varianten die bij reproductie optreden
дарвинизъм
/dɑs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
  1. язовец
  2. я́зовец
noun
1. paneel met instrumenten waarmee een voertuig of installatie kan worden bestuurd of bediend
армату́рно табло́
noun
да́кел
/ˈdɑs.lok/
noun
1. sterk riekende, eetbare plant uit de lookfamilie
левурда
conjunction
1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
  1. че
  2. да
noun
1. een plaats waar informatie over bepaalde onderwerpen in digitale vorm verzameld,...
ба́за да́нни
noun
1.
център за данни
verb
1. de datum van ontstaan bepalen
дати́рам
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
дателен
noun
1. Russisch buitenverblijf
да́ча
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
дата
noun
дофин
noun
роса́
pronoun
Дави́д
article
1. (de) wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en altijd voor het meervoud, waarbij het een specifieke persoon of ding aanduidt in plaats van het algemene geval
-та
interjection
1. er is een onomkeerbare stap gezet
зарът е хвърлен
noun
  1. 1. Verkoper
  2. 2. Drugshandelaar
търговец
noun
деба́ти
/deˈbil/
noun
  1. 1. iemand die min of meer zwakzinnig is
  2. 2. bespottelijk iemand, halve gare, idioot
дебил
/de.blɔ.ˈkeː.rə(n)/
verb
деблокирам
noun
дебъ́гер
verb
1. voor de eerste keer doen
дебютирам
noun
  1. 1. C10H22
  2. 2. hoofd van een faculteit
декан
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
декември
noun
1. een lengtemaat met een waarde van één tiende meter
дециметър
verb
1. letterkundige werken mondeling voordragen
декламирам
/dekliˈna(t)si/
noun
1, 2
деклинация
verb
1. uit code overbrengen in gewone taal
дешифрирам
noun
1. laag uitgesneden halslijn bij vrouwenkleding
це́пка
noun
орден
noun
посвещение
verb
заключавам
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
тесто́
noun
1. rol om deeg uit te rollen
точилка
/ˈdeːl/
noun
  1. 1. een afsplitsing van een geheel
  2. 2. één uit een reeks
част
noun
1. iemand die meedoet aan een wedstrijd of ander evenement
уча́стник
adverb
1. voor een bepaald deel
отчасти
noun
дели́мо
noun
1. symbool om deling aan te duiden
знак за деление
noun
2. onderdeel van een atoom
части́ца
noun
физика на елементарните частици
noun
ускорител на частици
noun
причастие
noun
поко́рност
adjective
скро́мен
/den/, /deːn/
noun
1. een inwoner van Denemarken
датчанин
/dens/, /deːns/
adjective
1. betreffende Denemarken of het Deens
датски
/dens/, /deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
датски
/ˈdensə/, /ˈdeːnsə/
noun
датча́нин
noun
1. ongeloof in het eigen succes.
дефетизъм
noun
1. stoelgang, het produceren van ontlasting
дефекация
noun
1. begripsbepaling
дефиниция
verb
дефинирам
noun
1. het vallen van het prijspeil waardoor het geld in waarde toeneemt
дефлация
adjective
  1. 1. goed tegen een stootje kunnend
  2. 2. (van personen) eerlijk, oprecht, net in zijn manieren
надежден
noun
6. verwijzing naar een lagere speelklasse
изпадане
verb
1. in rang verlagen
понижавам в ранг
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. kleinste van de twee manen van Mars
Деймос
noun
1. een verdieping op een schip
па́луба
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
юрган
/dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
одеяло
verb
  1. 1.
  2. 5. paren
покривам
noun
укри́тие
noun
1. een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken
капа́к
noun
  1. 1. afvaardiging
  2. 3. schuldoverneming
делега́ция
verb
1. taken en verantwoordelijkheden doorgeven
делегирам
verb
  1. 1. samen met een ander gebruiken
    деля
  2. 2. in meer dan één stuk snijden of hakken
    деля́
noun
дели́тел
noun
минера́л
pronoun
1. het nationaal hoofdstedelijk territorium van India waarin de nationale hoofdstad New Delhi gelegen is. Het territorium is gesitueerd in het noorden van het land
Де́лхи
noun
1. een wiskundige bewerking op twee getallen
деле́ние
noun
1. waanzinnigheid, acuut psychische stoornis ten gevolge van lichamelijke aandoening, vergiftiging...
бълну́ване
noun
де́лта
verb
1. gravend iets winnen
копая
noun
1. een aandoening van de hersenen waardoor de verstandelijke en cognitieve vermogens verminderen
деме́нция
noun
демокра́т
noun
2. aanhangster van de democratische partij
демокра́т
noun
  1. демокрация
  2. демокра́ция
adjective
1. in overeenstemming met de principes van een democratie
демократи́чески
verb
демократизирам
noun
1.
демо́граф
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
демография
noun
демон
adjective
демоничен
noun
  1. 1. het tonen en uitleggen van iets
  2. 3. een protestmars
демонстра́ция
verb
демонстрирам
/dɛmpən/
verb
1. zwakker maken, de kracht verminderen van
амортизирам
noun
1. Pinus soort naaldboom
бор
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
Хага
noun
дендри́т
/ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
Дания
verb
1. op spottende en laatdunkende wijze bekritiseren
омаловажавам
adjective
1. op een kwetsende, kleinerende, vernederende manier
неодобрителен
adjective
1. zeer sterke katoenen stof die vaak blauw is geverfd
дени́м
verb
  1. 1. een oplossing zoeken
  2. 3. een bepaalde mening toegedaan zijn
мисля
noun
шиша́рка
/ˈdejo/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
дезодора́нт
/ˌdejodɔːˈrɑnt/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
дезодорант
noun
деонтология
noun
депорти́ране
verb
1. onder dwang wegvoeren uit een gebied
депорти́рам
noun
амортизация
noun
    1. 2. gebied met lage luchtdruk
    2. 3. langdurige inzinking in de economische ontwikkeling
    депре́сия
  1. 1. ziekelijke neerslachtigheid
    депресия
verb
гнетя
adjective
1. somber makend; depressie veroorzakend
тягостен
/ˈdɛrdə/
noun
1. door drie gedeeld iets
тре́ти
/ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
тре́ти
noun
дателен падеж
noun
тре́то лице́
pronoun
Третият райх
pronoun
Трета световна война
noun
  1. 1. een afgeleide stof met een overeenkomstige structuur
  2. 4. een afgeleide stof met een overeenkomstige structuur
произво́дно
noun
1. Huidspecialist
дерматолог
cardinalNumeral
1. het getal 13
  1. тринадесет
  2. трина́десет
ordinalAdjective
  1. тринадесети
  2. тринайсети
cardinalNumeral
1. het getal 30
  1. тридесет
  2. три́десет
ordinalAdjective
тридесети
noun
1. ruimtelijke figuur met dertig vlakken
тридесетистен
noun
описа́ние
verb
дезерти́рам
noun
1.
дезертьо́р
noun
1. het permanent verlaten van een krijgsmacht zonder toestemming
дезертьо́рство
noun
диза́йнер
noun
1. onjuiste of misleidende informatie, die bewust verstrekt wordt met het oogmerk...
дезинформация
verb
разлагам се
noun
1. een specialist
експерт
noun
1. proces waarin een specifieke soort atomen of moleculen wordt losgemaakt uit een vaste stof en daaruit verdwijnt
десорбция
noun
  1. ДНК
  2. дезоксирибонуклеиновата киселина
adjective
1.
деспоти́чен
noun
деспоти́зъм
noun
десерт
noun
1. onderdeel, kleinigheid
детайл
adjective
1. mogelijk instrumenteel waar te nemen
откриваем
verb
2. ergens een signaal van door middel van apparatuur opvangen
намирам
/detɛkˈtivə/
noun
  1. 2. speurder die tracht misdaden op te lossen of bewijsmateriaal te verzamelen
  2. 3. boek of programma over mensen die trachten misdaden op te lossen
разузнава́ч
verb
1. iemand van staatswege gevangen houden
задъ́ржам
noun
детона́тор
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
добродетел
adjective
1. bereid zich te gedragen in overeenstemming met algemeen aanvaarde waarden
доброде́телен
verb
1. een deuk of deuken maken in iets
нащърбвам
noun
1.
настройвам
/døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
врата
noun
1. een instrument waarmee bezoekers aangeven dat ze aan de deur staan
вхо́ден звъне́ц
noun
1. een kleine mat, waarop men bij de deur de schoenen kan afvegen
изтривалка
/dœyˈterijʏm/
noun
1. een isotoop van waterstof
деуте́рий
/dewteɾoˈnomjum/
pronoun
Второзаконие
demonstrativePronoun
1. aanduiding voor dichtbijzijnde dingen, dieren of mensen
е́то
demonstrativePronoun
една́къв
/deʲɪsmə/
noun
деизъм
noun
1. een fotografische film die een positief beeld geeft dat direct goed zichtbaar geprojecteerd kan worden
диапозитив
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam geen of te weinig insuline produceert
диабет
noun
1. band (met edelstenen versierd) voor om het hoofd
диадема
noun
1. de opening in een lichtdichte laag in of bij een lens om de hoeveelheid door te laten licht te regelen
апертура
noun
1. vaststelling van een ziekte
диагно́за
/'dɪɑɣnɔstɪ'seːrə(n)/
verb
1. aan de hand van verschijnselen de ziekte bepalen
диагностици́рам
adjective
диагности́чен
adjective
диагонал
noun
1. een symbolische en grafische voorstelling van een aantal zaken en hun onderling verband
диагра́ма
noun
дя́кон
/diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
  1. диалект
  2. диале́кт
/ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
диалектология
noun
диалог
noun
1. bloedzuivering met een kunstnier
диализа
noun
  1. 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
  2. 2. een edelsteen gesneden uit [1]
диамант
noun
1. middellijn
диаметър
/diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
диария
/diˈjaspora/
noun
диаспо́ра
adjective
1. compact
гъст
preposition
1. op een korte afstand van
близо до
/dɪxtˈbɛː/, /dɪɣ.ˈbɛɪ̯/, /dɪχˈbɛɪ/
adjective
1. op heel korte afstand
бли́жен
verb
1. sluiten van een gat, opening
затва́рям
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
поет
/ˈdixterlɪk/
adjective
поетичен
noun
1. compactheid
плътност
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
дикта́тор
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
диктатура
/dɪk'te/
noun
1. een tekst die wordt gedicteerd en door andere personen wordt opgeschreven als toets in het correct spellen
дикто́вка
adjective
дидактика
demonstrativePronoun
1. wijst iets aan dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de spreker bevindt
онези
relativePronoun
1. in een bijzin die het nog niet geheel bekende antecedent nader bepaalt
когато
noun
2. een aanpassing in het eet- en voedingspatroon
дие́та
/dif/
noun
1. iem. die steelt
крадец
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
кражба
pronoun
1.
Дикирх
noun
по́днос
/ˈdinən/
verb
1. werken voor; in dienst zijn van
слу́жа
noun
  1. 1.
  2. 4. kerkdienst
слу́жба
/ˈdinst.plɪxt/
noun
1. verplichting om ergens te werken
вое́нна пови́нност
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
дълбок
noun
1.
лот
/'diptə/
noun
1. de mate waarin iets diep is
дълбочина́
/diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
животно
adjective
1. waaraan men grote waarde hecht
скъп
noun
1. arts voor dieren, met name kleine huisdieren
ветеринар
/'dirənrim/
noun
зодиак
/ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
зоопарк
noun
1. wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van dierziektes
ветеринарна медицина
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
зоология
adjective
животински
noun
1. dieselmotor
ди́зел
noun
дизелов двигател
noun
клевета
noun
vergelijking voor een functie waarin een of meer van de afgeleiden van die functie voorkomen
диференциално уравнение
noun
диференциал
noun
1. de vermenging van twee ongelijksoortige stoffen
дифузия
/ˈdɪftɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
дифтонг
adjective
1. met betrekking tot de spijsvertering
храносмилателен
noun
1. middel dat
храносмилателен
/dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
бедро
noun
1. een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
дига
/dɪk/
adjective
  1. 1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
  2. 2. de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
  3. 4. ruim
  4. 5. hecht
  5. 6. nauw aaneengesloten
  6. 7. weinig vloeibaar
гъсто
adverb
често
noun
ди́лдо
/dɪ'lɛmɑ/
noun
moeilijke keuze
диле́ма
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
  1. копър
  2. ко́пър
noun
  1. 1. afmeting in een bepaalde richting
  2. 2. parameter van een wiskundige ruimte
  3. 3. categorie waarin een fysische grootheid valt
измере́ние
noun
диморфизъм
noun
1. warme maaltijd
банке́т
verb
1. het diner gebruiken
вечерям
noun
1. voorwerp
вещ
noun
1. Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
динго
/ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
динозавър
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
  1. вторник
  2. вто́рник
noun
1. bestuurlijk gebied in de rooms-katholieke Kerk of andere Kerken
епархия
noun
диод
noun
диплодок
noun
1. een bewijs van bevoegdheid
дипло́ма
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
диплома́т
noun
1. de kunst en de kunde van het voeren van overleg
диплома́ция
adjective
1. betrekking hebbende op de diplomatie
дипломати́чески
adjective
1. zonder te wachten, zonder iets daartussen
непосре́дствен
adverb
1. zonder te wachten, zonder omweg
дире́ктно
noun
1. de hoogste persoon bij een bedrijf
дире́ктор
noun
1. staafje dat een dirigent bij het dirigeren hanteert
диригентска палка
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
диригент
verb
1.
дисциплинирам
noun
дискоте́ка
adjective
1. zonder aandacht te trekken, onopvallend
дискретен
noun
1. onverwachte onderlinge afwijking
несъгла́сие
noun
  1. 1. bescheidenheid of kiesheid
  2. 2. geheimhouding
дискретност
noun
дискримина́ция
/ˈdɪskʏs/
noun
1. een zware werpschijf die gebruikt wordt bij de atletische sport discuswerpen.
диск
noun
1. een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld
дискусия
noun
1. een atletiekdiscipline waarbij men een discus zo ver mogelijk probeert te werpen
диск хвърляне
noun
дизюнкция
noun
дисквалификация
/dɪsəl/
noun
3. houtbewerkingsbijl
тесла́
adjective
дисиде́нт
noun
1. uiteenval
дисоциация
adjective
1. naar het einde van de ledematen toe
периферен
noun
магарешки бодил
noun
1. Vanessa cardui
дяволска пеперуда
noun
1.
дестилация
noun
разли́чие
noun
1. verdeling, verspreiding
разпределе́ние
noun
1. het gebied van een lokale overheid
о́кръг
demonstrativePronoun
това
adjective
  1. 3. twee of meer
    няколко
    1. 1. onderling duidelijk verschillend
    2. 2. gekenmerkt door de aanwezigheid van mensen met een verschillend achtergrond
    различен
noun
разнообразие
/(d)ʒi.ˈbu.ti/, /dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
Джибути
noun
1. de afkorting van desoxyribonucleic acid (desoxyribonucleïnezuur)
ДНК
pronoun
1.
Днепър
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
зар
noun
1. een vrouwelijk kind
  1. дъщеря
  2. щерка
/ˈdɔktɔr/
abbreviation
1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
доктор
noun
1. een verzameling leerstellingen of dogmas die niet ter discussie staan
доктрина
noun
1. een verzameling gegevens
документ
adjective
документа́лен
noun
1. een op waarheid beruste film
документа́лен филм
/dokymɛn'taʦi/
noun
1. geschreven materiaal dat een bepaald onderwerp om- en beschrijft
документа́ция
verb
1. onderbouwen, staven
документирам
/'do:dələk/
adjective
1. de dood veroorzakend
смъртоно́сен
/ˈdo.də(n)/
verb
1. iemand van het leven beroven.
убивам
/ˈdodə(n)ˌmɪs/
noun
1. een mis opgedragen voor een overledene
панихи́да
/ˈdudɔɫˌzɑk/, /ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
гайда
noun
1. bepaald soort in het water levend zoogdier, Dugong dugon
дюгон
noun
  1. 4. gordijn
    заве́са
  2. 3. doek/schilderij
    ленено платно
  3. 2. weefsel
    материал
  4. 1. een lap
    платно́
noun
  1. 1. een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld
    врата
  2. 1. het punt waarop men zich richt
    цел
noun
1. de balk aan de bovenkant van een (voetbal)doel
напречна греда
adjective
1.
безцелен
noun
вратар
noun
гол
verb
1. een actie ondernemen
  1. правя
  2. върша
noun
1. een boom met zeer smakelijke maar stinkende vruchten
дуриа́н
noun
дож
/'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
догма
adjective
догматичен
noun
1. kamer zonder daglicht waarin foto's kunnen worden ontwikkeld en afgedrukt
фотолаборатория
noun
доктор
/dɔl/
noun
2. U-vormig steunpunt waarin een roeispaan rust
ключ
noun
1. bovenste rand van een (roei)boot
планшир
/dɔlˈfɛɪ̯n/, /dɔlˈfɛːn/, /dɔɫˈfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛːn/, /ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
  1. делфин
  2. делфи́н
noun
кама
/ ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
долар
adjective
1. van weinig verstand getuigend
глупав
noun
владе́ние
noun
1. temming tot huisdier of cultuurgewas
опитомяване
verb
1. tot huisdier of cultuurgewas temmen
опитомявам
noun
2. vijfde trede van toonladder
господстващ
noun
1. overheersing
господство
/domiˈnɪːrə(n)/
verb
1. het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden
доминирам
/ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
Доминиканска република
/ˈdɔm.kɔp/
noun
1. iemand die niet erg slim is
глупак
verb
1. half in slaap zijn
дремя
noun
1. een schenking
подаряване
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Дунав
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
  1. гръм
  2. гръмотевица
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
четвъртък
/ˈdɔndərə(n)/
verb
  1. 1. het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading.
  2. 2. op luide en barse toon een bevel geven of zijn ongenoegen uiten.
гърмя
noun
1. een metalen stang die de bliksem aantrekt en naar de grond afvoert.
гръмоотвод
adjective
1. zonder licht
мрачен
noun
1. toestand dat er geen licht is
мрак
noun
1. gever, bijv. orgaandonor: degene die zijn orgaan afstaat
дари́тел
noun
1. fijne veren die onder de taaiere buitenveren zitten, vaak gebruikt als vulstof voor kussens, dekbedden en slaapzakken
пух
noun
до́нът
/doːt/
noun
1. de toestand na het leven
смърт
/ˈdotxan/
verb
1. het leven verlaten
почивам
adjective
1. bij de geboorte al overleden
мъртвороден
noun
1. (beroep) persoon
бръмбар-гробар
/ˈdotsxitə(n)/
verb
1. doden met een schiettuig
застрелвам
/ˈdoːts.ɛsˌka.dər/
noun
1. bende die gevormd is om een of meerdere personen te doden
ескадрон на смъртта
noun
ковчег
/dotslɑx/
noun
1. het iemand anders opzettelijk, maar zonder voorbedachten rade van het leven beroven
уби́йство
noun
1.
причи́на за смъртта́
noun
1. als straf gedood worden
  1. Смъртно наказание
  2. смъртно наказание
noun
  1. 1. juridisch
  2. 2. figuurlijk
смъртна присъда
/doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
глух
noun
глухота́
noun
1. smelten
разтопяване
/'dojə(n)/
verb
1. het stijgen van de buitentemperatuur boven het vriespunt waardoor alle ijs en sneeuw begint te smelten
размразя се
noun
жълтък
noun
1. stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
лабиринт
noun
1. plechtige besprenkeling of onderdompeling waarmee iemand tot een kerk gaat behoren
кръще́ние
noun
1. de doop
кръщение
/ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
купел
/ˈdoːr/, /[doːr]/, /[dʊːr]/
preposition
  1. 3. in
  2. 6. als achterzetsel: doorheen
през
noun
2. een cruciale ontdekking
про́бив
verb
  1. напирам
  2. настоявам
noun
проход
/'doːrɣevə(n)/, /'do̝ːrχevə(n)/
verb
1. iets wat men ontvangen heeft aan de volgende persoon geven
предавам
adverb
1. geheel door
през
preposition
1. doorheen
през
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
  1. трън
  2. бодил
noun
1. Datura stramonium, een zeer giftige plant die hallucinogene alkaloïden bevat
Татул
/ˈdornəkron/
noun
1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
трънен венец
noun
1. bepaalde soort vis, Squalus acanthias
черноморска бодлива акула
noun
2. diameter
сечение
/dɔːrˈstan/
verb
1. ondanks moeilijkheden er nog goed voorstaan
изтърпявам
noun
1. het door een plaats, rivier of gebied trekken zonder dat deze plaats, rivier of dat gebied de reisbestemming is
пре́ход
verb
3. toilet doorspoelen
изчервявам се
/ˈdorvərˌkopə(n)/, /ˈdo̝rvərˌkopə(n)/
verb
1. iets verkopen dat onlangs is gekocht
препродавам
verb
1. volhouden
постоянствам
/doːrˈzɪxtəx/, /doːrˈzɪxtɪx/, /do̝ːrˈzɪχtəχ/
adjective
[1] waar licht zo ongehinderd door kan treden dat het zicht erdoor niet belemmerd wordt
прозрачен
/doʊs/, /doːs/
noun
  1. 1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
    1. кутия
    2. кашон
  2. 5. informele naam voor toilet
    тоалетна
/dɔp/
noun
2. kapje ter afsluiting van iets
капак
noun
1.
допамин
verb
2. iemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
кръщавам
noun
1. stimulerende (genees)middelen
допинг
noun
1. schijnbare frequentieverschuiving als de zender en ontvanger bewegen ten opzichte van elkaar
Доплеров ефект
/dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
село
verb
вършея
noun
1. toestel dat de graankorrels uit de korenaren slaat
върша́чка
noun
жажда
noun
бухалка
noun
1. vloer waarop gedorst wordt
гу́мно
noun
1. (medisch) verstrekte hoeveelheid
доза
noun
1. hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen
до́за
/doˈsir/, /dɔˈʃe/, /ˈdɔs·jeː/
noun
1. verzameling documenten en andere vastgelegde informatie,...
досие
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
митница
/duʃ/
noun
1. stortbad
душ
noun
1. een lipbloemige plant met bladeren die op die van de brandnetel lijken maar die niet branden.
мъртва коприва
noun
1. een set van twaalf
дузи́на
/draːt/
noun
  1. 1. in elkaar gesponnen vezels
  2. 3. elektrisch verbindingsmateriaal
жи́ца
/drat.los/, /ˈdraːd.loːs/
adjective
1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
безжичен
/ˈdraxbar/, /ˈdraχbar/
adjective
1. te dragen, met de mogelijkheid gedragen te worden
преносим
noun
1. stok waaraan men iets draagt
кобилица
/draːi̯/
noun
1. omwenteling
заво́й
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
струг
noun
1. constructie van drie of vier deurbladen die rondom een gezamenlijke verticale as kunnen draaien, ter vervanging van een gewone deur m.n. gebruikt in winkels, ziekenhuizen enz.
въртяща се врата
/ˈdraːi̯ən/
verb
  1. 1. om een middelpunt bewegen
  2. Vertalingen: na te kijken
въртя
noun
1. iemand die met een draaibank werkt
струга́р
noun
оборо́т
noun
въртележка
noun
1. een mechanisch bediend of automatisch spelend orgel, meestal op straat spelend
лате́рна
/draːk/
noun
1. fabeldier
дракон
/drɑf/
noun
1. draf bij viervoeters
тръс
verb
  1. 1. al van de vloer houdend vervoeren
  2. 2. als kledingstuk of sieraad aanhebben
нося
adjective
1. van iets of iemand dat hij een belangrijke steun is
носещ
noun
5. voorwerp dat iets ondersteund
  1. подплънка
  2. пълнеж
/ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
tapoc
noun
1.
драгун
noun
1. vochtafvoering
дренаж
noun
  1. 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
  2. 2. een bepaald soort film of toneelstuk
драма
noun
1. innerlijke neiging om iets te doen
импулс
/drɑŋk/
noun
  1. 1. alcoholhoudende vloeistof
  2. 2. vloeistof om de dorst te lessen
напитка
/ˈdrɑs.tis/, /ˈdrɑs.tɪs/
adjective
1. doelgericht zeer ingrijpend
драстичен
verb
1. van paarden
движа се в тръс
noun
1. grassoort
овсига
noun
1.
раста́ приче́ска
verb
1. een bestraffende handeling in het vooruitzicht stellen
заканвам се
noun
1. onderdorpel van een kozijn
праг
/ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Дренте
pronoun
1.
Дрезден
verb
дресирам
cardinalNumeral
1. telwoord
три
noun
1. het cijfer 3
три
noun
Тро́ица
noun
триеди́нство
adjective
1. met drie afmetingen, hoogte, breedte en diepte
тримерен
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
триъгълник
adjective
триъгълен
noun
1. landmeetkundige methode
триангулация
noun
1. kleine tweekleppige zoetwaterschelp, oorspronkelijk uit het bekken van de Kaspische ...
зеброва мида
noun
1. (romantische) verhouding waarbij drie mensen zijn betrokken
любо́вен триъ́гълник
/ˈdriˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 300
триста
/ˈdriklɑŋk/
noun
1. een foneem dat uit drie klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
трифто́нг
noun
трибагреник
adverb
1. in drie gevallen
трикратно
adjective
1. wilde woeste uitingen van onnadenkende, ongefundeerde moed
дързък
noun
тризъбец
adjective
трикра́тен
noun
трико́лка
cardinalNumeral
1. het getal 33
тридесет и три
cardinalNumeral
1. het getal 23
двадесет и три
/ˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 73
седемдесет и три
noun
1. gas dat in spuitbussen gebruikt wordt om de inhoud onder druk te zetten
Аерозолен газ
noun
1. bodem bestaand uit heel kleine korreltjes vergruisd gesteente, verzadigd met zoveel water dat alles wat zwaar is er in wegzakt
плаващи пясъци
verb
  1. o1. iets of iemand voor zich uit doen bewegen
    го́ня
  2. e1. op het oppervlak van een vloeistof rusten
    държа се на повърхността
adjective
неотложен
/'drɪŋkə(n)/
noun
пия
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
пите́йна вода́
noun
1. trieste, verdrietige stemming
печа́л
verb
1. vocht laten of doen verdampen
изсушавам
noun
1. een toestel dat natte voorwerpen, bijvoorbeeld wasgoed droogmaakt
суши́лня
noun
1. uitwerpsel, ontlasting
лайно
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
едногърба камила
verb
  1. 1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
  2. je een voorstelling maken van wat je graag wil
сънувам
noun
мечта́тел
/drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
пия́н
noun
het zwaar onder invloed van alcohol zijn
опиянение
/droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
сух
adverb
1.
безчувствено
noun
хими́ческо чи́стене
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
суша
noun
  1. 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
  2. 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
сън
noun
1. het duiden van de betekenis van de dromen die iemand heeft
тълкуване на сънища
noun
дро́га
/'drɵksfər'slaːfdə/
noun
1. Verslaafd persoon
зависим
noun
2. vrucht van de wijnstok
грозде
verb
капя
noun
1. geslachtziekte veroorzaakt door de bacterie Neisseria gonorrhea
гоноре́я
noun
1. pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
налягане
verb
1. kracht uitoefenen op
налягам
noun
1. een persoon die afdrukken maakt
печата́р
/drɵ.pəl/
noun
капка
noun
1. mythologisch, vrouwelijk wezen dat in een bos of boom leeft
дриада
/ˈdʏbəl/
adjective
1. tweemaal voorhanden
двоен
/ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
двойна звезда
/ˈdɵbəlcə/
noun
3. benaming voor muntstuk met de waarde van een tiende van een munteenheid
монета от 10 цента
adjective
съмнителен
noun
1. een scheikundig element met het symbool Db
дубний
noun
1. een gevecht tussen twee personen, gewoonlijk onder bepaalde regels
двубо́й
noun
1. een muziekstuk voor twee uitvoerders (instrumenten of stemmen)
дуе́т
/ˈdœy̯dələk/
adverb
  1. 1. niet mis te verstaan
    несъмне́н
  2. 2. goed te herkennen
    явен
/dœʏ̯f/, /dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
гълъб
noun
гмуркане
noun
подводница
/ˈdœy̯kə(n)/
verb
    1. 1. het zich onder water voortbewegen (van bijvoorbeeld duikboten) of zwemmen (van mensen)
    2. 2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
    3. 3. snel naar beneden gaan
    гмуркам се
  1. 4. snel verbergen of ontwijken
    наве́ждам се
noun
1. iemand die voor beroep of plezier zich onder de waterspiegel begeeft
водолаз
/dœy̯m/
noun
  1. 2. lengtemaat
    1. инч
    2. дюйм
  2. 1. eerste, kortste en dikste vinger
    палец
noun
1. het hoornen gedeelte van de eerste vinger van de hand
нокът на палеца
/dœʏ̯n/, /dœːn/
noun
дюна
pronoun
1.
Ду́йсбург
adjective
1. in weinig of geen licht badend
мрачен
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
тъмнина
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
  1. немски
  2. германски
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
  1. Немски
  2. немски
/ˈdœʏ̯tsə/, /ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
немец
pronoun
Германска демократична република
noun
1. hond uit een oorspronkelijk in Duitsland gefokt ras
немска овчарка
/ˈdœʏ̯tsər/, /ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
  1. германец
  2. немец
/ˈdœʏ̯tslɑnt/, /ˈdœːtslɑnd/, /ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
  1. Германия
  2. Герма́ния
noun
дявол
noun
1. dertiental
дяволска дузина
noun
1.
гълъбарник
noun
1. een duivenhok op een paal of boven een gebouw uitstekend
гълъбарник
adjective
1. een gevoel waarbij alles lijkt rond te draaien en het gevoel voor evenwicht verstoord is
замаян
noun
1. het gevoel zijn evenwicht te verliezen
замайване
/ˈdœy̆zənt/
noun
1000
хиляда
noun
бял равнец
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
стоно́жка
ordinalAdjective
хиляден
noun
хиляда
noun
1. oude munt
дукат
/dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
тънък
noun
1. tweetal bij elkaar horende personen
дует
/dywoˈdenʏm/
noun
1. twaalfvingerige darm
дванадесетопръстник
/'dyːrə(n)/
verb
1. een bepaalde tijd in beslag nemen
продължа́
adverb
1. tot op dit moment
досега
verb
niet goedkoop
скъп
/ˈdyːr.zam/
adjective
1. lang meegaand
траен
/dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
бутам
noun
1. de afkorting voor digital versatile disc,...
DVD
noun
1. een leer die afwijkt van de officiële of orthodoxe leer
е́рес
noun
1.
блуждаещият пламък
/dʋɑŋ/
noun
принуда
noun
1. een kledingstuk dat de drager bewegingsvrijheid van de armen en handen ontneemt
усмирителна риза
adjective
принудителен
/dʋɑrs/
adverb
1.
през
/ˈdwɑrzbomə(n)/
verb
1. tegenwerken, moeilijkheden geven
осуетявам
adjective
в траверс
/dʋɛi̯l/
noun
1. een stuk weefsel in natte vorm gebruikt om een gladde vloer te reinigen
подочистачка
noun
1. een buitengewoon klein mens
джудже
noun
1. Anser erythropus
малка белочела гъска
noun
1.
плане́та джудже́
noun
1. zeer kleine staat
микродържава
noun
1. kleinste soort van de vinvissen, Balaenoptera acutorostrata
малък ивичест кит
verb
1. iemand tegen zijn wil iets opleggen
заста́вя
noun
springstof waarin nitroglycerine door een poreuze stof wordt vastgehouden
динами́т
noun
1. rode loop, bloeddiarree
дизентерия
noun
1. slikstoornis
разстройство в дъвченето
noun
1.
дисфемизм
/dɪslɛkˈsi/
noun
1. het onvermogen om woorden, waarvan men wel de letters ziet, in hun betekenis te vatten
дислексия
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
диспросий
pronoun
1.
Дю́селдорф
/ˌodəkoˈlɔɲə/
noun
1. keulswater, reukwater
одеколон
noun
1. een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
отлив
noun
1, edele houtsoort
абано́с
noun
1, edele houtsoort
абано́с
/ˈɛ.xo/, /ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
е́хо
noun
1. het dwangmatig herhalen van woorden of zinnen, zonder de betekenis ervan daadwerkelijk te doorgronden
ехолалия
noun
Ехолокация
adjective
2. waarachtig, juist, niet vervalst
истински
conjunction
1. een beperkende tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) beperkt
обаче
pronoun
1. en 2.
Ехтернах
/ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
съпруг
/ˈɛxtxəˌnotə/, /ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
съпруга
noun
1. twee mensen die met elkaar getrouwd zijn
семейна двойка
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
развод
noun
1.
еклер
adjective
еклекти́чен
/eˈklɪps/
noun
1. het verschijnsel waarbij een ster en twee of meer andere hemellichamen in één lijn komen te staan, waardoor de schaduw van het ene hemellichaam het andere verduistert
затъмнение
/ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
екология
adjective
екологи́чен
noun
2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
  1. икономика
  2. иконо́мика
adjective
1. betreffende economie
икономи́чески
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
  1. екосистема
  2. екосисте́ма
noun
ектоплазма
noun
1. Cervus elaphus, hertensoort
благороден елен
noun
1. iemand die tot de adel behoort
благоро́дник
noun
1. een metaal dat niet licht aan corrosie of oxidatie ten prooi valt
благороден метал
noun
1. een stuk edelgesteente
скъпоце́нен ка́мък
noun
изда́ние
noun
реда́ктор
/et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
кле́тва
/ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
  1. ка́терица
  2. катерица
noun
1. Bolletus edulis, een eetbare paddenstoel
обикновена манатарка
noun
1. verdikking van de huid
мазо́л
adjective
един
verb
на харизан кон зъбите не се гледат
noun
сключени вежди
/eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
патица
noun
1. insect uit de orde Ephemeroptera
еднодневка
noun
патешки черен дроб
noun
1.
патешка мазнина
cardinalNumeral
1. het getal 31
тридесет и един
/ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
двадесет и едно
/ˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 71
седемдесет и едно
noun
  1. 1. bij elkaar horend geheel met kenmerkende eigenschappen
    еди́нство
  2. 2. maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt
    едини́ца
noun
еднорог
adjective
1.
едносри́чен
adjective
1. in het bezit van (slechts) één oog
едноо́к
noun
1. kamer voor het verblijf van één persoon (bijvoorbeeld in een hotel of ziekenhuis)
единична стая
adverb
веднъж
adjective
1. dezelfde mening hebbend
единоду́шен
noun
моном
/enˈtonəx/
adjective
1. saai doordat het telkens hetzelfde is
еднообразен
adjective
мунди́р
/eːnˈvɑudəx/, /eːnˈvɑudəχ/
adjective
  1. 1. niet ingewikkeld
    ле́сен
  2. 2. zonder overdaad of vertoon
    обикновен
noun
1.
[[едноколе́сен]] [[велосипе́д]]
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
самота
adjective
1. met of aan één kant, belang, partij etc.
едностранен
/er/
noun
1. aanzien, roem
чест
noun
1. het waard zijn om respect te ontvangen
порядъчност
/ˈeːrɣɪstər/, /ˈɪːrχɪstər/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
за́вчера
/ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
вчера
/ˈeːrlək/
adverb
1. vrij van leugen en bedrog
и́скрен
noun
1. het vertellen van de waarheid
правди́вост
noun
1. nummer één in een volgorde
пръв
noun
Именителен падеж
phraseologicalUnit
1. grammaticale term die de spreker of sprekers aanduidt.
пъ́рво лице́
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
Първа световна война
noun
1. de medische zorg die direct toegankelijk is voor patiënten
първи́чна медици́нска по́мощ
noun
първене́ц
/ˈer.wrak/
noun
убийство на честта
noun
1. verlangen naar eer of roem
амби́ция
/ˈeːitbaːr/, /ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
годен за ядене
/ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
столова
/etlepəl/
noun
1.
супена лъжица
noun
1. de behoefte om voedsel tot zich te nemen.
апетит
noun
[[кле́чка]] за [[хра́нене]]
noun
хранителните разстройства
/eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
  1. век
  2. столетие
noun
1. een feestelijke herdenking naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van iets
стогодишнина
/eːwɪx/, /eːʋəχ/, /eːβ̞əx/
adjective
1. voortdurend, zonder einde
вечен
/ɪːβ̞əχɛɪ̯t/
noun
1. alle tijd die nog zal komen
ве́чност
/e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Ефес
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
Ефесяни
noun
1. uitwerking
ефе́кт
adverb
1. doeltreffend
действи́телен
adjective
1. nuttig effect hebbend
ефекти́вен
noun
1. de mate waarin nuttig gebruik gemaakt wordt van het beschikbare bij een bepaald proces
ефективност
/ɛx/, /ɛχ/
noun
1. een landbouw- of tuinbouwwerktuig dat gebruikt wordt voor het zaaiklaar maken van de grond
брана
/ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
  1. таралеж
  2. еж
pronoun
Бяло море
/xxxx/
noun
1. het uitsluitend op eigen belangen en gewin uit zijn
егоизъм
noun
1. een zelfzuchtig persoon
себелюбец
/e.ˈɣɪp.tə/, /e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
  1. Египет
  2. Еги́пет
/ɛɪ/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
яйце
noun
1. bepaald soort zeevogel, Somateria mollissima
га́га
adjective
1. betrekking hebbend op de visuele vermogens
кристално ясен
noun
1. het geslachtsorgaan van de vrouw waarin eicellen gevormd worden
яйчник
/ˈɛi̯ɣə(n)/
adjective
свой
/'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
1. eigendomsrecht
владе́ние
noun
1. het geheel naar eigen oordeel en op eigen gezag te werk gaand
самодоволство
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
со́бствено и́ме
noun
1. een gegeven karakteristiek die eigen is aan een bepaalde persoon of zaak
  1. качество
  2. характерност
adjective
капризен
/ɛi̯k/, /ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
дъб
/ˈɛɪkəɫ/
noun
1. vrucht van de eik
  1. жълъд
  2. жъ́лъд
/ɛɪ̯kə(n)/, /ɛːkə(n)/
adjective
1. vervaardigd van het hout van de eik
дъбов
adjective
1. gemaakt van het hout van een eik
дъбов
/ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
  1. Остров
  2. остров
noun
архипела́г
noun
1. soeverein gebied dat geheel door zee wordt omringd
островна държава
noun
1. deel van de geslachtsorganen van de vrouw
маточната тръба
/ˈɛɪ̯ndə/, /ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
край
adjective
1. een einde hebbende
кра́ен
noun
1.
фи́ниш ли́ния
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
айнщайний
/ɛɪ̯s/
noun
1. een dwingende vraag
потре́бност
/ˈɛi̯sə(n)/
verb
1. zeer dringend vragen, vaak met een sanctie op het niet beantwoorden ervan
и́скам
noun
ище́ц
noun
1. het tijdstip dat de eicel door de eierstok wordt afgestoten
овулация
/ɛiwɪt/
noun
2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
протеин
noun
еякула́ция
verb
sperma uitwerpen
еякулирам
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
сврака
noun
1. een vaak pijnlijke, naar binnen groeiende eeltplek (verdikking van de huid)
мазол
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
лакът
/ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
Салвадор
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
лос
noun
еластичност
adjective
1. van elastiek gemaakt
ластичен
adjective
1. rekbaar
еластичен
adverb
1.
дру́гаде
/eləˈɣɑnt/
adverb
1. een prettige uitstraling hebbend door de subtiele afwerking
елегантен
noun
1. vakman op gebied van elektriciteit
електрича́р
/eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
електричество
noun
1. een krachtcentale waar elektriciteit wordt opgewekt
Електроцентрала
adjective
1. door middel van elektriciteit
електри́чески
noun
1. een voertuig dat wordt aangedreven door een elektromotor
електри́чески автомоби́л
noun
електрохимия
noun
електро́д
noun
1. een magneet waarvan het veld door een elektrische stroom veroorzaakt wordt
електромагнит
adjective
електромагни́тен
noun
електромагнетизъм
noun
електри́чески двига́тел
noun
1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
електрон
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
  1. електроника
  2. електро́ника
adjective
електро́нен
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
Електротехника
noun
елемент
adjective
елемента́рен
noun
елементарна частица
cardinalNumeral
1. het getal 11
единадесет
/ˈɛlf.də/, /ˈɛlv.də/
ordinalAdjective
1. nummer elf in een rij
едина́десети
noun
1. haringachtige, die paait in de bovenloop van rivieren en beken en ooit inheems was in de Benelux, Alosa alosa
карагьоз
verb
  1. 1. verwijderen uit de vergelijking
  2. 2. verwijderen uit de bevolking, doden
елиминирам
/ɛlk/
indefinitePronoun
  1. 1. ieder afzonderlijk
  2. 2. iedereen
все́ки
noun
1. Gewricht
лакът
noun
1. armoedige, beklagenswaardige omstandigheden
неща́стие
adjective
1. erg onaangenaam
злочест
/ˈɛləpɛɪp/, /ˈɛləpɛːp/
noun
bot in de onderarm
лакътна кост
noun
1. twee-dimensionale figuur die wordt gevormd door alle punten waarvoor de som ...
елипса
noun
1. boomsoort
елша
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
Eлза́с
noun
  1. 1. streven naar gelijkgerechtigdheid
  2. 2. vrijlating van slaven
  3. 3. ontvoogding, gelijkstelling voor de wet
еманципа́ция
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
ембле́ма
noun
емболия
noun
1. een organisme in het eerste ontwikkelingsstadium na de bevruchting
ембрио́н
adjective
1. met (te grote) nadruk
емфати́чен
noun
Емиграция
/ˌemiˈχrɪːrə(n)/
verb
1. naar het buitenland verhuizen
емигрирам
/emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
еми́рство
noun
2. uitzending van kleine deeltjes of van licht of andere elektromagnetische straling
еми́сия
/ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
  1. кофа
  2. ведро
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
ему
noun
1. ideogrammen die worden gebruikt in Japanse elektronische berichten en webpagina's
емо́джи
noun
1. hevig gevoel, sterke gemoedsbeweging
емо́ция
adjective
1. zonder gevoelens
студе́н
adjective
1. zeer vatbaar voor gevoelens
емоционален
noun
емпа́тия
adjective
1. wat op ervaring of proefneming berust
емпиричен
noun
емулсия
conjunction
и
noun
1. hersenontsteking
енцефалит
/ɛn.'kla.və/
noun
1. omsloten gebied
анклав
/ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
енциклопедия
noun
1. laatste deel van het spijsverteringskanaal vlak voor de anus
право черво
adjective
1. van nature alleen in een specifiek gebied voorkomend
ендемитен
noun
ендокринолог
noun
ендоскоп
verb
джиросам
/enər'ʒi/, /enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
енергия
adverb
1. aan de ene kant
от една́ страна́
adjective
  1. 1. angst veroorzakend
    стра́шен
  2. 2. met weinig tussenruimte
    тесен
noun
1. hemels wezen
ангел
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Англия
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
английски
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
английски
/ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /ɛ.ŋəls.man/, /ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
англичанин
adjective
2. uniek
единствен
indefinitePronoun
1. een kleine mate
няколко
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
глезен
indefinitePronoun
1. een onbepaald, meestal klein aantal
някои
noun
индиви́д
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
еди́нствено число́
/eˈnɔrm/
adjective
1. buitensporig groot
грама́ден
/ɑŋ.ˈkɛː.tə/, /ɑ̃.ˈkɛt/
noun
1. een vragenlijst die aan meerdere personen wordt voorgelegd
анкета
verb
1.
инсценирам
noun
1. ontsteking van de ingewanden
ентери́т
verb
ентусиазирам
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
adjective
1. hartstochelijk, met geestdrift
възторжен
noun
същество
noun
ентомология
noun
1. een getal evenredig met de logaritme van het aantal realiseringmogelijkheden, ook wel gedefinieerd als de reversibele warmte gedeeld door de temperatuur
ентро́пия
/'ɛntstɔf/
noun
1. een middel dat bij een persoon (of dier) een immuunrespons opwekt
вакси́на
noun
1. papieren omslag voor brieven
плик
/ɛnˈzim/
noun
1. een organische molecuul dat biologische reacties mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf...
ензим
/ˈepɛnˌtezɪs/
noun
1. invoeging van middenlank
епентеза
noun
1. het punt op het aardoppervlak loodrecht boven de haard van de aardbeving
епицентър
/epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
епидемия
noun
епидемиология
adjective
епидемичен
/ˌepiˈfizə/
noun
1. een klier die onderdeel is van de epithalamus en melatonine uitscheidt
епифизна жлеза
noun
епифит
noun
1. vallende ziekte, toevallen
епилепсия
noun
1. een naschrift toegevoegd aan een boek of film
епило́г
adjective
епичен
noun
епизо́д
noun
1. dekweefsel, bovenste laag van de huid en slijmvliezen
епителна тъкан
/eˈpitetɔn/
noun
прякор
noun
1. woord dat gevormd is op basis van een eigennaam van een persoon
епоним
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Епинген
noun
1. vijfde letter uit het Griekse alfabet ε
е́псилон
noun
1.
еквилайзер
noun
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
екватор
/ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
  1. Екваториална Гвинея
  2. Екваториа́лна Гвине́я
adjective
1. betrekking hebbend op de evenaar
равноденствен
noun
1. passage van de zon door het vlak van de evenaar
равноденствие
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
ербий
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
ерекция
noun
1. onderscheiding in de vorm van een munt
меда́л
noun
1. een groot geslacht van planten waarvan er 23 wilde soorten bekend zijn in Nederland
великденче
noun
1. grond behorend bij boerderijhuis
двор
noun
1. stuk van de erfenis zoals dat aan een bepaalde erfgenaam toekomt
наследство
adjective
  1. 1. wat op genetische wijze door nazaten verkregen kan worden
  2. 2. overdraagbaar op de oudste zoon, of meestal bij het ontbreken daarvan op de oudste dochter
насле́дствен
noun
1. wat door de erflater bij zijn overlijden wordt nagelaten
наследство
noun
1. degene die andermans nalatenschap erft
населник
noun
1. een veelal kostbaar goed van van generatie op generatie door vererving overgegeven wordt
реликва
pronoun
1.
Ерфурт
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
първороден грях
adverb
1. in hoge mate
много
adverb
не́йде
verb
1. gevoelens van onvrede veroorzaken
безпоко́я
noun
een zaak die gevoelens van onvrede oproept
доса́да
noun
ергономия
/ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
  1. Еритрея
  2. Еритре́я
verb
  1. 1. inzien, toegeven
  2. 2. als wettig, echt, juist aanvaarden
зачета́
noun
1. een bevestiging van de juistheid of geldigheid van iets
одобре́ние
/ˌɛrˈkɛn.tə.lək/
adjective
благодарен
/ˈɛrkər/
noun
1. uitbouw aan een gevel
еркер
pronoun
1. + 2. stad en stadsdistrict
Ерланген
noun
1. stemming waarin men de dingen in hun wezenlijke waarde wil zien
важност
adjective
1. zonder grappen en serieus
сериозен
noun
1-2. beschadiging en afslijting
  1. Ерозия на почвата
  2. ерозия
noun
1. kunst die nadrukkelijk seksuele activiteiten laat zien
еро́тика
adjective
ероти́чен
noun
1. steen
руда
noun
1. uitgebreide, brede kennis
еруди́ция
adjective
1. bekwaam door ervaring
о́питен
noun
1. een vorm van kennis
опит
/ˈʔɛr.və(n)/
verb
1. de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
наследявам
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
грах
noun
1. speelgoedpistool, bestaande uit een buis waardoor erwten of kleine voorwerpen worden geblazen
плюкало
noun
1. de vorming van rode bloedlichaampjes
еритропоеза
noun
1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
ясен
noun
ескала́ция
verb
1. stapsgewijs toenemen in omvang, intensiteit
ескалирам
noun
1. dwaze (jongens) streek
лудория
/ɛsˌxatolo'gi/
noun
есхатология
/ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
явор
noun
1. een kleine tactische eenheid bij de cavalerie (tegenwoordig gemechaniseerd of gemotoriseerd) of ...
ескадро́н
adjective
вътрешен
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
трепетлика
noun
есперантист
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
есперанто
noun
1. geconcentreerde koffie
еспре́со
noun
2
екстра́кт
noun
1. het meeste belangrijke
съ́щност
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
естер
/ɛsˈtetiˌka/
noun
1. het filosofisch discours over het wezen van kunst of het wezen van schoonheid
есте́тика
adjective
естетичен
/ˈɛstis/, /ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
естонски
/ˈɛslɑnd/, /ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
Естония
noun
1. een vrouwelijk hormoon
естроген
noun
естуар
noun
кат
noun
1. dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden
ям
verb
1. het nuttigen van voedsel
  1. ям
  2. храня се
noun
време за хранене
noun
1. C₂H₆
ета́н
/etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
етанол
noun
1. een organische verbinding met de functionele groep R-O-R'
етер
noun
1. een praktische wijsbegeerte die zich bezighoudt met wat goed en kwaad is
е́тика
/ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
Етиопия
adjective
ети́чен
noun
1. stuk papier met informatie dat ergens opgeplakt zit
етикет
noun
1. onderdeel van de pathologie dat zich bezighoudt met de oorzaken van ziekten
етиология
adjective
етни́чески
/ɛtnoːloːɣi/, /ɛtnoːloːʝi/
noun
етнология
/ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
гной
verb
1.
нагноявам
noun
  1. 1. woordherkomst
  2. 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
етимология
adjective
1.
етимологичен
noun
1-2.
евфемизъм
/ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
еуфо́рия
noun
евгеника
noun
евнух
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
Евразия
/'øː.ro/, /'ɵː.ro/
abbreviation
1. munt en munteenheid
евро
/øːˈroːpa/, /ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
  1. Европа
  2. Евро́па
/ˌøːropeˈjaːn/, /ˌʏːropeˈjan/
noun
1. bewoner van het Europese continent of iemand die daarvan afkomstig is
европеец
/øːroˈpeːs/, /ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
европейски
pronoun
Европейски съд по правата на човека
pronoun
Европейски парламент
pronoun
Европейска централна банка
pronoun
Европейска комисия
pronoun
Европейски съд по правата на човека
pronoun
Европейска инвестиционна банка
pronoun
Европейски омбудсман
pronoun
Европейски съвет
pronoun
Европейска сметна палата
/ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
  1. Европейски съюз
  2. Европе́йски съю́з
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
европий
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
евтана́зия
noun
еутрофикация
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Е́ва
noun
евакуа́ция
/evɑky'erə(n)/
verb
евакуи́рам
noun
1. bespreking en beoordeling van de gang van zaken
оценка
noun
евангелие
adjective
1. Deelbaar door twee
че́тен
adverb
моментно
/evəˈnar/, /ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
екватор
noun
1. belangrijke gebeurtenis
съби́тие
noun
1.
равновесие
noun
1. een turntoestel dat bij het damesturnen wordt gebruikt
греда
adjective
1. in alle punten even ver in loodrechte zin verwijderd zijnde
успореден
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
дива свиня
noun
1. wild varken
дива свиня
adjective
1. zeer duidelijk, klaarblijkelijk, in 't oog springend
очевиден
/ˌevoˈlysi/, /ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
еволю́ция
noun
1. theorie over de stapsgewijze ontwikkeling van het leven
теория на еволюцията
adjective
1. zonder benadering, precies vastgesteld
акура́тен
verb
1.aan een examen onderwerpen
изпи́твам
noun
1.
ексце́нтрик
noun
изключване
adjective
1. wat andere mogelijkheden uitsluit
отли́чен
noun
отлъ́чване
noun
1. uitscheiding
отделяне
noun
екску́рзия
verb
извиня́
noun
1. de verontschuldiging
извинение
verb
екзекути́рам
noun
1. uitvoering van een vonnis
възбрана
noun
Екзегетика
noun
екзистенциализъм
pronoun
Изходъ
noun
1. uittocht van een grote groep mensen met als doel niet meer terug te komen
и́зход
noun
екзогамия
noun
екзоним
noun
екзоплане́та
noun
екзорсизъм
adjective
1. geschikt voor iedereen, ook voor oningewijden
общодостъпен
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
екзотичен
noun
разширение
noun
експеди́ция
noun
експеримент
verb
1.
експериментирам
/ɛkˈspɛːr/
noun
1. iemand die bijzonder goed bekend is met een bepaald onderwerp
експерт
verb
1. draaiende houden met winst
експлоатирам
noun
изсле́дване
verb
изследвам
noun
експлозия
adjective
1. ontplofbaar
взри́вен
noun
1. ontplofbare stof of voorwerp
взри́вен
noun
1. de verkoop van goederen aan het buitenland
експо́рт
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
експортирам
noun
износи́тел
noun
експресиони́зъм
/ɛk'stazə/
noun
1. een toestand van buiten zichzelf zijn door verrukking
екста́з
/ɛkˈstɛnsi/
noun
1. het strekken van ledematen
протягане
noun
1. ingedikt aftreksel
екстракт
noun
1. uittrekking
вадене
adjective
екстравага́нтен
adjective
1. uiterst, uitzonderlijk
крайност
noun
крайнодясна политика
pronoun
Естремадура
noun
екстреми́зъм
noun
1. iemand met radicale, extremistische standpunten, een aanhanger van een ideologie die ver van het politieke of maatschappelijke centrum ligt
екстреми́ст
noun
1. vloeibaar make-up-product om lijnen rondom, boven of onder de ogen aan te brengen
очна линия
pronoun
  1. Езекил
  2. Йезекил
/ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
магаре
noun
1. vrouwelijke ezel
магари́ца
pronoun
Ездра
/fam/
noun
2. roem
слава
/ˈfabəl/
noun
1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
ба́сня
noun
производство
verb
1. een product door middel van werktuigen bewerken of vervaardigen
изфабрикувам
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
  1. фабрика
  2. фа́брика
noun
производи́тел
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
Фе́йсбук
noun
кли́ка
noun
фактор
verb
фактурирам
noun
1. document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
фактура
noun
3. product van een reeks factoren
факториел
/ˈfæːrøːə̯r/, /ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
Фарьорски острови
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
фагот
noun
1. staaf of stok die aan de bovenkant in een brandbare stof gedrenkt is, brandend zorgt het voor verlichting
фа́кел
/ˈfaːlən/
verb
1. niet bereiken van doelen
не [[сполу́чвам]]
noun
1. (hulp)wetenschap die de vorm en de geschiedenis van de ridderorden én andere onderscheidingen bestudeert
фалеристика
pronoun
Малви́нски о́строви
adjective
1. met betrekking tot het mannelijk lid
фалически
adjective
фамилиа́рен
/fa.ˈmi.li/, /fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
  1. Семейство
  2. семейство
noun
1. naam die van generatie op generatie en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
фами́лия
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de familiale verhoudingen tussen personen
семейно право
noun
фанати́зъм
/foɱ.ˈfaːr/, /fɑn.ˈfa.rə/
noun
фанфа́р
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
въображе́ние
adjective
чу́ден
noun
фарад
/ˈfarao/
noun
1.
фараон
noun
1.
фарисей
noun
фармаце́вт
adjective
1. uit de farmacie, met betrekking tot de productie van geneesmiddelen
фармацевти́чен
noun
фарма́ция
noun
фармакология
noun
очарованост
verb
1. iemands aandacht vasthouden
очаровам
/fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
фашизъм
noun
1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
фа́за
adjective
1. noodlottig
смъртоносен
noun
1. iemand die gelooft dat de mens machteloos is t.o.v. het noodlot
фаталист
/fɑt'sun/
noun
1. goede manieren
благоприличие
/ˈfʌʊna/, /ˈfʌːna/
noun
1. het geheel aan dieren in een gebied
фа́уна
/fo.tœj/
noun
1. Soort stoel
кресло́
adjective
люби́мец
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
фазан
/fa.ˈsa.də/
noun
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
фасада
/febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
  1. февруари
  2. февруа́ри
pronoun
  1. 1. Russische revolutie
    Февруарска революция (1917)
  2. 2. Franse revolutie
    Френска революция (1848)
adjective
съю́зен
noun
Федерализъм
noun
1. een verbond van samenwerkende staten of lichamen die hun zelfstandigheid behouden
федера́ция
/fe:/
noun
1.
фе́я
noun
1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid
празник
noun
пра́зник
adjective
1.
празничен
noun
1. een extra lekkere, uitgebreide maaltijd die men met meerdere mensen gebruikt als een feestelijke gebeurtenis
пи́ршество
/fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
факт
noun
поздравле́ние
verb
1. iemand geluk toewensen
поздравя́вам
noun
1. het stimuleren van de penis met de mond, tong of keel
фелацио
noun
1. een zeilschip
фелука
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
  1. Феминизъм
  2. феминизъм
noun
1. vrouw die streeft naar gelijke rechten voor vrouwen
фемини́ст
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
сминдух
adjective
финики́йски
noun
финики́ец
noun
фе́никс
noun
фенол
noun
фенология
/fenoˈmen/
noun
1. een verschijnsel
феномен
noun
феноменология
/fenilɑlɑninə/
noun
1. aminozuur
фенилаланин
adjective
феодален
noun
1. gisting
ферментация
noun
1.
фермиони
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
фермий
/ˈfɛstiˌvɑɫ/
noun
  1. 1. een reeks optredens
  2. 2. een groot evenement met zang en dans en muzikale optredens
пра́зненство
noun
1. vervolgverhaal in een krant of tijdschrift, dan wel op de radio of televisie
фейлетон
/fɛs/
noun
1. bepaald soort hoed van Turkse oorsprong
фес
noun
1. samentrekking van afzonderlijke spiervezels en een vorm van hartritmestoornis
фибрилация
noun
белетри́стика
adjective
доверен
adjective
1. trots
горд
/fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
  1. колело
  2. велосипед
verb
1. op een fiets rijden
[[ка́рам]] [[колело́]]
/fitslɔt/
noun
1. slot van een fiets
  1. верига за колело
  2. закопчалка за колело
/fi.ˈɣyːr/, /fi.ˈχyːr/
noun
снага́
/fiˈɣyːrlək/
adjective
метафоричен
/ˈfi.(d)ʒi/, /ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
Фиджи
adjective
  1. 1. van geringe dikte
  2. 3. leuk
си́тен
noun
1. ontsteking aan vinger
заби́ране
noun
филателия
/faɪl/
noun
  1. 1. lange rij met stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen of personen
    задръстване
  2. 1. bestand op de computer
    файл
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
Филимон
/filiˈjal/
noun
1. een pand in een reeks van panden
клон
/ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Филипини
noun
  1. 1. een dunne laag
    1. слой
    2. филм
    1. 3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
    2. 2. een dun en oprolbaar medium om beelden op te nemen in een camera
    3. 4. de filmindustrie
    филм
verb
1. beelden van iets vastleggen op film
заснемам филм
/'fɪlmkɵnst/
noun
1. kunstvorm die gebruikt maak van het verfilmen als medium
кинематогра́фия
noun
Филология
/ˌfiloːˈloːɣ/
noun
1. iemand die zich specialiseert in de studie van de taal en de cultuur van een mensengemeenschap
филоло́г
/filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
философия
adjective
1.
философски
noun
философ
/fɪltər/
noun
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
филтър
noun
1.
филтрат
noun
1. filtrering
филтра́ция
noun
  1. 2. het slotstuk van een meerdelig toneel- of muziekstuk
  2. 1. de beslissende wedstrijd in een toernooi tussen de laatste twee deelnemers
финал
adjective
1. met betrekking tot geld, geldelijk
пари́чен
verb
1. voorzien van de benodigde geldmiddelen
финанси́рам
verb
симулирам
/ˈfɪnlɑnd/, /ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Финландия
/fɪns/
adjective
1. betreffende Finland of het Fins
фински
/fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
  1. фински
  2. фински език
pronoun
1.
Фински залив
noun
1. een medicijnflesje
флако́н
noun
(informatica) hardware of software die een computer of netwerk beschermt tegen misbruik van buitenaf
защитна стена
noun
  1. 1. een handelsvennootschap waarbij de vennoten hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk zijn
  2. 2. een zaak of bedrijf
фирма
adjective
фина́нсов
noun
1. een kanaalvormige zweer
фистула
/ 'fɪt /
adjective
in goede lichamelijke conditie
в добра́ фо́рма
/fjɔrd/, /fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
фиорд
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
фламинго
noun
1. een textielsoort van los gesponnen garen, gewoonlijk van geruwde wollen of katoenen stof, ...
флане́ла
adjective
фланелен
verb
миткам
adjective
  1. 1. zonder smaak, meestal door een gebrek aan zout
    безвку́сен
  2. 2. in overdrachtelijke zin smakeloos
    безинтересен
verb
1. door hitte of gebrek aan frisse licht het bewustzijn verliezen
припадам
noun
1. een platte, vlakke metalen plaat of ring, bevestigd aan het uiteinde van een buis ...
борд
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
флеровий
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
  1. бутилка
  2. шише
/ˈflevoˌlɑnt/, /ˈfleːvoˌlɑnd/, /ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Флеволанд
/flɛkˈsibəl/
adjective
1. het vermogen hebbend gebogen te worden
податлив
/ˈflɛk.si/
noun
2. vormverandering van een woord
склоне́ние
noun
1. #
диске́та
/floˈrɑ/
noun
1. plantenrijk in een bepaalde streek of periode
растителност
/ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
Флоренция
pronoun
1.
Фло́рида
/floˈem/
noun
1. het levende gedeelte van de vaatbundels in planten
лико
verb
1. spreken met gedempte stem
шепна
noun
  1. 1. buisvormig blaasinstrument
  2. 4. een slank drinkglas
флейта
verb
  1. 2. geluid van een fluit voortbrengen
    сви́ркам
  2. 1. een fluit bespelen
    свиркам
noun
1. Anthriscus sylvestris, plant uit de schermbloemen familie
азмацук
noun
1.
безопашат заек
noun
чайник
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
  1. флуор
  2. флуо́р
noun
1. een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde...
кадифе́
/flʏks/
noun
  1. 1. stroom
  2. 2.aantal krachtlijnen dat loodrecht door een oppervlakte-eenheid gaat
флюс
noun
1. een vidaduct ter voorkoming van een gelijkvloerse kruising
надлез
noun
1. een ziekelijke vrees
фо́бия
/ˈfokʏs/
noun
2. een punt of verzameling van punten waar alle stralengangen samenkomen
фокус
/ˈfu.li/
noun
1. Myristica fragrans
мацис
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
плод
noun
A 1. driehoekig zeil bevestigd aan de voorstag
кливер
verb
1. dieren houden om ze te laten voortplanten
развъждам
noun
1. voorste mast van een driemastschip
фок мачта
noun
1.
станио́л
noun
1. alles wat een volk creëert of heeft gecreëerd
фолкло́р
noun
1.
фолклористка
/ˈfɔltərə(n)/
verb
1. een gevangene onderwerpen aan lichamelijke en/of geestelijke pijniging, voornamelijk teneinde informatie los te krijgen
измъ́ча
noun
3. effect (waardepapier)
Договорен фонд
noun
фондю
noun
1.
фонема
/ˌfoneˈtik/
noun
1.
фонетика
/ˌfonoloˈɣi/
noun
1.
фонология
noun
1. lettertype, karakterset
шрифт
noun
  1. 1. nog niet verbeende plek in de schedel van een baby
  2. 2. beschermkoker bij sommige oude muziekinstrumenten
фонтане́ла
/fɔnˈtɛɪn/, /fɔnˈtɛːn/
noun
  1. 1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
  2. 2. omhoogspuitende waterstraal
водоско́к
noun
биберо́н
verb
1. een beslissing afdwingen
насилвам
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
пъстърва
adjective
1. (juridisch) betrekking hebbend op justitie
съдебен
noun
2. vorm van een bestand
формат
verb
2. de harde schijf of een verwisselbare schijf volledig leeghalen
форматирам
/fɔrˈmel/
adjective
1. met inachtneming van strikte omgangsvormen
официа́лен
noun
фо́рмула
verb
1. in woorden omzetten
изразявам
/fɔrmyˈlir/
noun
1. een stuk papier waarop voorgedrukte vragen kunnen worden beantwoord
бла́нка
/fɔrs/
adjective
2. groot in zijn soort
здрав
adjective
щастлив
noun
1. een zout van een van de vormen van fosforzuur
фосфат
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
фосфор
verb
1.langdurig licht afgeven na belichting door het bestaan van een langlevende aangeslagen toestand
фосфоресцирам
noun
1 en 2
снимка
noun
фо́тоалбу́м
noun
1. lichtschuwheid
страх от светлина
adjective
1.op foto's een voordelige indruk makend
фотогеничен
noun
1. iemand die fotos maakt
фотограф
verb
1. een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag
фотографирам
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
фотография
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
фотон
noun
1.
фотосинтеза
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
фотоапарат
verb
1. iemand aftasten of er iets op het lijf gedragen wordt
претърсвам
/fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
грешка
/fwɑ.ˈjeː(r)/, /fʋa.ˈje/
noun
1. verzamelplaats, zaal voor de verpozing (bijvoorbeeld in een hotel of schouwburg)
фоайе́
/ˈfrɑksi/
noun
  1. 2. gezamenlijke vertegenwoordigers van een politieke partij in een volksvertegenwoordiging
    парламентарна група
  2. 1. een klein deel
    част
noun
1. een botbreuk
счу́пване
adjective
1. kwetsbaar, breekbaar
трошлив
noun
къс
noun
раздробяване
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
  1. малина
  2. мали́на
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
франций
noun
1. reeks afhangende draden die ter versiering aan de rand van een kleed of kledingstuk gehangen worden
бордюр
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalaropus
листокрак
/frɑŋk/
noun
munteenheid
франк
pronoun
Франкфурт на Майн
/ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
  1. Франция
  2. Фра́нция
/frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
френски
/frɑns/
pronoun
1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
  1. френски
  2. фре́нски
pronoun
Френска Гвиана
pronoun
Фре́нска Полине́зия
/ˈfrɑns.man/, /ˈfrɑns.mɑn/
noun
1. iemand uit Frankrijk
французин
adjective
1. de Franse taal sprekend
франкофо́нски
noun
1. een aantal woorden die een begrip uitdrukken, vaak een zinsdeel, soms een hele zin
фраза
/fratər/
noun
1. bepaald soort vogel, Linaria flavirostris
жълтоклюно конопарче
noun
1. bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
Измама
noun
  1. 2. Driemaster
    фрега́та
  2. 1. Oorlogsschip
    фрегата
noun
фрегат
/freˈkwɛnt/
adjective
1. vaak voorkomend
чест
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
честота
noun
1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
пор
pronoun
  1. 2. benaming voor een Germaanse taal
    Фризийски
  2. 1. Westerlauwers Fries
    западнофризийски
/ˈfrislɑnd/, /ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Фризия
noun
1. de benaming voor een gerecht van gefrituurde aardappelreepjes ('patat frites')
картофки
noun
фритю́рник
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in het noordoosten van Italië en in Slovenië
фриулиа́нски
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in het noordoosten van Italië en in Slovenië
фриулиа́нски
noun
лекомислена постъпка
noun
2. rimpel op het voorhoofd
мръщя
verb
1. van verbazing of afkeuring de wenkbrauwen ophalen
мръщя
noun
  1. 1. voorkant
  2. 2. gevechtslinie
фронт
adjective
1. met betrekking tot de voorkant van iets
че́лен
noun
1.
фронт
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
фруктоза
/frœʏ̯t/, /frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
  1. плод
  2. овошка
noun
1.
овошка
/ˈfrœʏtsɑp/, /ˈfrœːtsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
плодов сок
noun
1. een gevoel van ongenoegen omdat verwachte voortgang uitblijft
разочарование
verb
възпрепятствам
noun
фуга
/fœyf/
noun
купон
noun
  1. 1. taak
  2. 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
  3. 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
  4. 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
функция
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
фундаментализъм
adjective
1. aan de basis staande
осно́вен
noun
сливане
/fɵst/
noun
1. vat waarin alcoholische drank bewaard wordt
бъчонка
/fʏt/
noun
1. de benodigde energie en zin ergens voor
енергия
noun
1. bepaald soort watervogel, Podiceps cristatus
гмурец
/ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
физика
noun
физик
noun
физиология
noun
физиотерапия
noun
фитопатология
/føn/
noun
1. een toestel dat een warme luchtstroom voortbrengt voor het drogen en opmaken van het kapsel
сешоа́р
/ɣaːf/, /χaːf/
adjective
1. zonder beschadiging
изцяло
/ɣaːj/
noun
1. middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, Garrulus glandarius
сойка
/ɣaːn/, /χaːn/
verb
1. zich in een bepaalde richting bewegen
  1. отивам
  2. оти́вам
noun
1. instelling die gratis voedsel beschikbaar stelt
безплатна кухня
/ɣas/
noun
1. een uit dunne gevlochten metalen draadjes gemaakte mat
мрежа
/'ɣa.bɔn/, /ɣa.'bɔn/, /χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
  1. Габон
  2. Габо́н
adjective
1. op Gabon betrekking hebbend
габонски
noun
1. echtgenoot, echtgenote
съпруг
/ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
гадолиний
/ˈɣɑ.fəl/, /ˈɣɑ.fəɫ/, /ˈχɑ.fəɫ/
noun
1. rondhout
гафел
noun
1.
осветител
noun
[A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
жлъчка
adjective
галактичен
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
жлъчен мехур
noun
гале́рия
/χɑlx/
noun
1. houten constructie bestaande uit één of meer staande balken met een horizontale balk haaks daarop en één of meer diagonale balken ter ondersteuning, in het verleden veel gebruikt om mensen door ophanging ter dood te brengen
беси́лка
noun
2. slecht persoon die gestraft zou moeten worden
обесник
/ɣɑˈlisɪə/, /ʝɑˈlisɪə/
pronoun
1. Spaanse regio
Галисия
pronoun
Галиле́я
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Frans of gevormd naar Frans voorbeeld
галицизъм
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
галий
pronoun
Га́лия
noun
1. Angelsaksische inhoudsmaat
галон
noun
1. de snelste gang van een paard
галоп
verb
1.
галопирам
adjective
1. door een elektrochemisch proces aangebracht
галваничен
/ˌɣɑɫvaniˈzeːrə(n)/
verb
1. een laag zink opbrengen
галванизирам
/'ɣɑm.bi.ja/, /'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Гамбия
adjective
гамби́йска
noun
3. onderdeel van een maaltijd
последователност
noun
1. zenuwknoop
ганглий
/gɑŋ'gren/
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
Гангрена
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
  1. гъска
  2. гъ́ска
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ганимед
/ˈɣa.pə(n)/, /ˈɣaː.pə(n)/, /ˈχa.pə(n)/
verb
    1. 3. wijd openstaan
    2. 1. heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
    зея
  1. 2. met open mond vol verwondering ergens naar kijken
    зяпам
/ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
  1. 2. een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
    гара́ж
  2. 1. een overdekte autostalling
    гараж
/ɣa'rɑn(t)si/, /ɣa'rɑnsi/
noun
1. verklaring waarin men verklaart voor bepaalde gevolgen in te staan
гара́нция
noun
bewaarplaats voor kleren
гардероб
noun
скарида
pronoun
1.
Гарона
/ɣɑs/, /χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
газ
noun
1. een buis waardoor verschillende materialen in gasvorm vervoerd kunnen worden
газопровод
noun
het rechter pedaal van een auto waarmee de brandstoftoevoer naar de motor geregeld wordt
педа́л за газта́
/ɣɑst/, /χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
гост
noun
1. iemand die tijdeljk naar een ander land komt om daar arbeid te verrichten
гаста́рбайтер
noun
1.
къ́ща за го́сти
noun
  1. 1. een man
  2. 2. (biologie) een organisme
домаки́н
noun
1. maagwandontsteking
гастрит
noun
гастроентерит
noun
гастрономия
/ɣɑstˈfrɛɪ/, /ʝɑstˈfrɛː/
adjective
1. gul in het onthalen of herbergen van gasten
гостоприемен
noun
гостоприе́мство
noun
домаки́ня
/ɣɑt/, /χɑt/
noun
    1. 1. opening
    2. 2. een tekort of ontbrekend deel
    дупка
  1. 4. een geval van tandwolf
    кариес
noun
1. een curve
гаусова крива
noun
1.
джебчия
noun
  1. 1. een bijzondere aanleg
  2. 2. een geschenk
да́рба
noun
гавиал
pronoun
1. exclave van Palestina tussen Egypte, Israël en de Middellandse Zee
Га́за
noun
1. benaming voor slanke hoefdieren
газела
noun
1. onderhouden, kort gemaaid grasveld bij een huis
поля́на
noun
получа́тел
/xəˈbar/
noun
  1. 1. een beweging waarmee men iets wil zeggen
  2. 2. een handeling waarmee men iets wil uitdrukken
жест
noun
1. meestal zoet, gebakken voedsel specifiek gemaakt om van te genieten
сладки
/ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
молитва
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
планина
/ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
  1. случвам се
  2. ставам
noun
1. iets dat zich voordoet
събитие
/ɣəˈbit/, /χəˈbit/
noun
1. een deel van het aardoppervlak
област
noun
1. de vorm waarin een werkwoord gebruikt wordt als iets zeker gedaan moet worden
повелително наклонение
/xəˈblat/
noun
1. het blaten van een schaap
блеене
/ɣəˈbladərtə/, /χəˈbladərtə/
noun
1. een verzameling van bladeren van één of meer bomen
листа́к
noun
декре́т
/ɣəˈboːrtə/, /χəˈbo̝ːrtə/
noun
1. actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint
  1. раждане
  2. рождение
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel geboorten er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
раждаемост
adjective
  1. 1. ter wereld gebracht, gebaard
  2. 2. begonnen, ontstaan
  3. 3. door herkomst of natuurlijke aanleg
роде́н
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
  1. здание
  2. дом
noun
  1. 2. een defect
    дефе́кт
  2. 1. een tekort
    ли́пса
/ɣəˈbroːkən/, /χəˈbroːkən/
adjective
разкъсан
noun
  1. 2. toepassen van iets
    изпо́лзване
  2. 1. een standaard manier van doen
    оби́чай
/ɣəˈbrœʏkən/, /χəˈbrœʏkən/
verb
1. zich bedienen van, toepassen
употребявам
/ɣə'brœːkər/, /χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
потребител
noun
1.
потребителско име
adjective
възпи́тан
adjective
1. ingewikkeld
объ́ркан
/ɣə'dɑɣdə/, /ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
мисъл
noun
1. een reeks op elkaar volgende denkstappen
ред на мисли
/ɣəˈdeltələk/, /ʝəˈdeltələk/
adjective
частично
noun
1.
делега́т
/ˌɣədɛŋkˈʋaːrdʏɣ/
adjective
1. een herinnering waard zijn
незабравим
/ɣədɛŋkʋaːrdʏɣɦɛit/
noun
1. de mate waarin iets gedenkwaardig is
незабравимост
noun
дестилирана вода
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
стихотворение
/ɣə'dɛɪə(n)/
verb
1. voorspoedig groeien
преуспявам
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
държание
verb
1. zich ~: de manieren die iemand meest in de omgang met anderen aan de dag legt
[[държа|държа́ се]] [[добре́]]
/xə'drɑxswɛizə/
noun
1.
държание
/ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
търпе́ние
/gə'dʌldəx/
adjective
1. bereid te wachten en tegenslagen te verdragen
търпели́в
preposition
tijdens
в продълже́ние на
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
  1. жълт
  2. жълта
  3. жълто
  4. жълти
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
noun
1. kleur tussen oranje en groen
жълт
indefinitePronoun
1. ontkennend onbepaald lidwoord: tegenovergestelde van één, niet een
няма
phraseologicalUnit
1.
няма проблем
/ɣeːst/, /χeːst/
noun
  1. 1. dat wat zich afspeelt in iemands gedachten
  2. 2. een onsubstantieel wezen
дух
/ɣesdrɪft/
noun
възто́рг
noun
1.
духове́нство
adjective
1. met humor, gevat
духовяит
/ɣ̟eːβ̞/, /χeːu/
noun
1. het zich uitrekken, meestal met open mond, bij slaperigheid, ontspanning of verveling
прозявка
/ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
прозявам се
noun
ше́пот
noun
1.
кикот
noun
1.
кискане
noun
1. fijngehakt of gemalen vlees
кайма
noun
1. bal gehakt
кюфте
noun
мъжество
noun
1. iemand met een beperking van lichamelijke, verstandelijke, psychische en/of sociale aard
инвали́д
noun
1.
пре́даност
/ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
секре́тен
/ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
секре́тен
/ɣə.ˈɦɛɪ̯m.ˌzɪ.nəx/
adjective
таи́нствен
noun
1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
памет
noun
амнезия
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
слух
noun
слу́хов апара́т
adjective
1. voorzien van horens
рога́т
/ɣə'hoːrzam/, /ɣə'ɦoːrzam/, /χə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. bereid gehoor te geven aan regels of bevelen
поко́рен
verb
1. gevolg geven aan een opdracht of bevel
подчинявам
/ɣɛi̯l/, /χɛi̯l/
adjective
възбуден
/ˈɣɛɪ̯t/, /ˈɣɛːt/, /ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
коза
noun
козе сирене
/ɣɛk/, /χɛk/
adjective
  1. 2. bezittende een zeer lage intelligentie, krankzinnig
  2. 4. knettergek
луд
noun
1. gekko
гекон
noun
1.
дрънчене
noun
  1. 1. een gecrosslinkt polymeer van voldoende verdunning om vervormbaar te zijn zonder spontaan te vloeien
  2. 2. een product om haar mee in model te houden
гел
/ɣəˈlɑx/
noun
1. het lachen
смях
/ˈɣɛlt/, /ˈχɛlt/
noun
1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
пари
/ˈɣɛldərˌlɑnd/, /ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Гелдерланд
adjective
1. waarvan de waarde of wettigheid erkend wordt
вали́ден
/ɣəˈledə(n)/, /χəˈledə(n)/
adverb
1. een woord om aan te duiden dat iets zich in het verleden af heeft gespeeld
преди́
/ɣə.let.ˈpo.tə.ɣə/, /ɣə.ˈleːd.ˌpoː.ti.ɣə/, /χə.let.ˈpo.tə.χə/
noun
1. een dier met een uitwendig skelet van chitine
членестоно̀го
adjective
1. zich veel aan studie gewijd hebbend
учен
noun
1. iemand die onderricht en bekwaam is in een bepaalde tak van de wetenschap
специалист
/ɣǝ.'le.ɣǝn.ɦɛjt/
noun
1. mogelijkheid tot
[[удо́бен]] [[слу́чай]]
/ɣəˈlɛɪdələk/
adjective
1. in geordende, kalme opeenvolging van het een op het ander overgaand
постепенен
verb
провеждам
noun
  1. 1. elektrische stroomgeleider
  2. 2. warmtegeleider
проводни́к
/ɣə.ˈlɪx/, /ˈɣe.ləx/, /ˈɣe.lɪx/, /ˈχe.ləχ/, /χə.ˈlɪχ/
adjective
2. op geel lijkend
жълтеникав
/ɣəlɛɪgˈbenəx/
adjective
1 & 2.
равнобедрен
verb
приличам
noun
1. de mate waarin iets of iemand aan een ander doet denken
подо́бие
/xəlɛikxə'zɪnt/
adjective
1. een gelijke(religieuze) mening hebbend
бли́зък
noun
еднаквост
adjective
ра́вен
noun
токоизправител
noun
постоянен ток
adjective
едновременен
noun
1. het op hetzelfde moment plaatsvinden van meerdere gebeurtenissen
едновременност
adjective
1. alle zijden gelijk in lengte
равностра́нен
/ɣə'lɔftə/
noun
1. een plechtige verklaring iets voortaan te zullen doen of na te zullen laten
кле́тва
/ɣəˈlof/, /χəˈlof/
noun
2. de overtuiging dat iets zo is
вяра
noun
1. de mate waarin iets of iemand verdient geloofd te worden
достоверност
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
вя́рвам
/ɣə.ˈlo.vi.ɣə/, /ɣə.ˈlo.və.ɣə/, /χə.ˈlo.və.χə/
noun
1. iemand die een bepaald geloof aanhangt
вя́рващ
/ɣəˈlœʏt/, /χəˈlœʏt/
noun
1. dat wat hoorbaar is
звук
adjective
1. zodanig geïsoleerd dat geluiden niet binnen kunnen dringen of de ruimte verlaten
звукоизолиращ
/ɣəˈlɵk/, /χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
късмет
adjective
  1. 2. door gunstig toeval, met mazzel
    късметли́йка
  2. 1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
    удачен
adverb
1. op een gelukkige manier
за щастие
noun
поздравле́ние
adjective
уме́рен
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
джинджифил
noun
  1. 1. het met één of meer andere deel hebben aan iets
  2. 2. samenleving
  3. 3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
коло́ния
/ɣəmenˈsxɑpələk/, /χəmenˈsχɑpələk/
adjective
3. gerelateerd aan meer dan een entiteit
барабар
/ɣəˈmentə/, /ɣəˈmeɪntə/, /ʝəˈmentə/
noun
1. bestuurlijke eenheid
община
adjective
мрачен
noun
1. gemeenschap van onafhankelijke landen
общност
/ɣəˈmɪdəld/, /ɣəˈmɪdəlt/, /χəˈmɪdəɫt/
adjective
1. tot de middenmoot behorend
сре́ден
/ɣəˈmɪdəld/, /ɣəˈmɪdəlt/, /χəˈmɪdəɫt/
adverb
1. in de meeste gevallen
средно
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
среден
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Геминген
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
дива коза
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
ген
noun
благоволение
adjective
безмилостен
noun
жанда́рм
/ˈdʒɛndər/
noun
1. sekse
Пол
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
генеалогия
noun
лекар
/γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
медицина
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
лека́рство
adjective
генера́л
noun
1. iemand die het bevel heeft over een leger
генера́л
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
  1. Поколение
  2. поколе́ние
/ˌɣenəˈratɔr/, /ˌχenəˈratɔr/
noun
1. een apparaat of persoon die iets genereert (doet ontstaan)
генера́тор
adjective
богат
adjective
2. algemeen
неспецифичен
noun
1. titels
субтитри
pronoun
Битие
noun
1.de wetenschap van alles wat de werking van genen betreft, in het bijzonder erfelijke overdracht
генетика
/ɣəˈnetis/
adjective
1. gerelateerd aan de erfelijkheid
генетичен
noun
1.
безсмислици
verb
1. ergatief: gezond worden, herstellen van ziekte of verwonding
излеку́вам
noun
1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
ге́ний
/ɣəˈnipəx/, /ɣəˈnipɪx/, /χəˈnipəχ/
adjective
1. op een achterbakse manier en gemeen
подъл
verb
1. voordeel hebben van iets
наслаждавам се
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
родителен падеж
noun
1. stelselmatige uitroeiing van een volk
геноцид
indefinitePronoun
доста́тъчно
noun
1. het geheel van genetische kenmerken dat een soort onderscheidt
генотип
noun
1. categorie in een kunstvorm
вид
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
Гент
noun
тинтява
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Генуа
noun
1. Grammaticaal geslacht
род
pronoun
2. stad in Zwitserland
Женева
noun
геоде́зия
noun
геофизика
noun
1. aardrijkskunde
география
adjective
1. aardrijkskundig, met betrekking tot de aardrijkskunde
географски
noun
1. aardkunde
геология
noun
геолог
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
геометрия
noun
геоморфология
/ɣeˈjɔrɣis/, /ɣeˈjɔrɣɪs/, /χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
  1. Грузински
  2. грузински
/ɣeˈjɔrɣi.jə/, /χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
  1. Грузия
  2. Гру́зия
noun
пенсионе́р
noun
ске́лет
/ˈɣeː.rɑrd/, /ˈɣeː.rɑrt/, /ˈχɪː.rɑrt/
pronoun
1. jongensnaam
Ге́рхард
noun
2. rechtbank, de rechter
съд
noun
безпристрастие
adjective
готов
noun
1. een mechanisch instrument dat gebruikt wordt om werk te kunnen doen
  1. инструмент
  2. сечиво
noun
1.
презрителност
/ɣɛrˈmaːns/, /χɛrˈmans/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de taal der Germanen of de talen die er van afstammen
  2. 1. op de Germanen betrekking hebbend
герма́нски
/ɣɛrˈmaːns/, /χɛrˈmans/
pronoun
1. taal zoals die eertijds door de Germanen gesproken werd
герма́нски
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
германий
noun
1. tak van wetenschap die het "ouder worden" bestudeert
геронтология
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
  1. eчемик
  2. ечемик
/ɣə'rɵxt/
noun
  1. 2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
  2. 1. lawaai; een klein geluid
слух
noun
1. zelfstandig gebruikte verbogen infinitief
герундий
verb
1. iemands angst of zorgen ontzenuwen of minder aannemelijk maken
убеждавам
/ɣɛrʋ/
noun
1. Achillea millefolium, een kruidachtige plant met een dubbel veerdelig blad, waardoor het lijkt of het uit zeer veel kleine blaadjes bestaat
бял равнец
/ɣəˈsxɛŋk/, /ʝəˈsçɛŋk/
noun
1. iets dat men geeft
  1. подарък
  2. дар
/ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
  1. История
  2. история
noun
историография
noun
1.
стрелба
adjective
смахнат
adjective
1. met de juiste eigenschappen
подходящ
noun
1. geweldloos conflict
диспу́т
/ɣə'sxɵpt/
adjective
1. bedekt met schubben
люспест
noun
артиле́рия
noun
1. een koepel met meestal een vast machinegeweer of kanon, die het geschut en de schutter beschermt tegen de omgeving (vooral bij vliegtuigen) en/of projectielen (gepantserde schepen, voertuigen) en er tegelijkertijd voor zorgt dat het wapen gericht kan worden
оръдейна кула
/ˈɣeː.zəl/, /ˈχe.səɫ/
noun
1. werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaat
бич
/ɣesələ(n)/
verb
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
бичувам
noun
1. het aanhoudend een sissend geluid maken
съскане
/χəˈslɑχt/
noun
  1. 4. grammaticaal geslacht
    pод
  2. 3. (biologisch) genus
    род
/ɣəˈslɑxtsɔrɣaːn/, /ʝəˈslɑxtsɔrʝaːn/
noun
1. lichaamsdeel
полов орган
adjective
1.technisch hoogstaand
рафиниран
/ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
тока
adjective
  1. 3. ongemakkelijk, blijk gevend van stress, het punt van (uit-)barsten naderend
  2. 1. strak uitgerekt
напрегнат
adjective
1. met sterk ontwikkelde stevige spieren
мускули́ст
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
разговор
noun
1. een persoon die deelneemt aan een gesprek
събесе́дник
adjective
1. geleidelijk maar persistent
издръжлив
adverb
1. op gestage wijze
издръжлив
noun
1.
заекване
noun
жест
/ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
скала
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis, Alburnoides bipunctatus
блескавец
adjective
неоспорим
noun
число
adjective
1. talent hebbend
тала́нтлив
noun
1. een elektrische centrale die functioneert op het verschil tussen eb en vloed
Приливна електростанция
noun
1. de periodieke verandering van de waterstand ten gevolge van de stand van de maan
прили́в
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) elektrische centrale die werkt door middel van getijdenstromen ontstaan door het hoogteverschil tussen eb en vloed
Приливна електростанция
noun
1.
тиктакане
noun
1.
теглене на въже
noun
1.
барабанене
adjective
ве́рен
adjective
1. voltooid deelwoord van trouwen
же́нен
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
свидетел
verb
1. een veelal beëdigde verklaring afleggen ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
засвидетелствам
noun
показа́ние
/ɣøːr/, /χøːr/
noun
1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
миризма
/ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
опасност
/ɣəˈvarlək/, /ɣəˈvaːrlɪk/, /χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
опасен
noun
1.
де́ло
noun
1. iemand die gevangen genomen is
затво́рник
/ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
затвор
/ɣəˈvɛxt/, /χəˈvɛxt/
noun
1. een handgemeen
би́тка
/ˈxeː.vəl/, /ˈɣeː.vəl/
noun
1. buitenmuur van een gebouw
фасада
/ˈɣevə(n)/, /ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
давам
adjective
1. met vleugels
крила́т
noun
1. gewaarwording
  1. усещане
  2. чувство
noun
  1. 1. een aandoenlijkheid
  2. 2. de nauwkeurigheid van instrumenten
  3. 3. de spanning van een film
възприемчивост
/ɣəˈvɔlx/, /ɣəˈvɔɫx/, /χəˈvɔɫχ/
noun
  1. 1. iets dat voortkomt uit iets anders
    извод
  2. 2. een groep die volgt, die er achteraan of later komt
    свита
adjective
опасен
noun
1. dat wat aanwast op het veld, maar nog niet geoogst is.
  1. култура
  2. посев
noun
пушка
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
рог
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
насилие
noun
свод
noun
1. een proces waarbij een eerder ongewone prikkel steeds meer als normaal ervaren gaat worden
приучване
noun
о́бласт
/ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
съвест
noun
1. met het gevoel dat men zaken verkeerd heeft gedaan, dat men niet had moeten doen wat men gedaan heeft
разка́яние
adjective
1. vroegere
бивш
/ɣəˈʋɪxt/, /χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
тежест
/xə'wɪxthɛfər/
noun
1.
щанги́ст
noun
1. het minder worden van de massa van een persoon of voorwerp
отслабване
noun
1. bepaald soort loofboom, Acer pseudoplatanus
голям клен
noun
1. Balaenoptera physalus, een groot zeezoogdier, lang en gestroomlijnd met puntige kop
финвал
noun
de vrucht van de gewone walnoten- of okkernotenboom
орех
/ɣəˈwoːn/, /ɣəˈβ̞oːn/, /χəˈʋon/
adjective
обикновен
noun
1. Galanthus nivalis, een vroegbloeiend bolgewas met witte bloempjes
Обикновено кокиче
adverb
1. zoals de ervaring leert dat het meestal is
обикновено
/ɣəˈwoːntə/, /ɣəˈβ̞oːntə/, /χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
на́вик
noun
1. verbinding
става
noun
1. bevoegdheid om ergens beslissingen over te nemen
авторите́т
noun
посла́ник
noun
2. alle zinsdelen behalve het onderwerp
сказуемо
/χəˈzɛləx/
adjective
  1. 2. sociaal aangenaam
    весел
    1. 3. knus
    2. 4. leuk, onderhoudend
    уютен
/ɣə'zɛlsxɑp/
noun
  1. 1. een groep mensen die iets gemeen hebben
    компа́ния
  2. 3. een vereniging met een bepaald doel
    обще́ственост
noun
1. de voorkant van een menselijk hoofd
лице́
noun
1. de ruimtelijke hoek waaronder beeldschermen en displays van apparaten zijn af te lezen
[[визуа́лен]] [[ъ́гъл]]
noun
1. huishouden bestaande uit een of meer ouders en hun kinderen
семе́йство
/xə.ˈzɔnt/, /ɣə.ˈzɔnt/
adjective
  1. 1. vrij van ziektes en zeertes
  2. 2. bevorderlijk voor een goede conditie
здрав
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
здраве
noun
1. een onnatuurlijke verdikking in het weefsel
тумор
noun
1.
тежка работа
noun
интегрална схема
verb
заинтересован
/'ɣa.na/, /'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
  1. Гана
  2. Га́на
pronoun
Гибралтар
/ɣɪts/, /χɪts/
noun
persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
вода́ч
/ˈɣixələ(n)/
verb
1. een snelle, wat ingehouden vorm van lachen
кикот
noun
1. rondhout bevestigd aan het onderlijk van een zeil
гик
/ɣiːr/, /χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
лешояд
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
скъпернически
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
просо
/ˈɣirˌzʋalyw/
noun
1. bepaald soort vogel, Apus apus
бързолет
noun
1. een soort emmer met sproeibuis om de planten te begieten
ле́йка
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het gieten van metalen voorwerpen
леярна
noun
1. Een (meestal ronde) holte in een gegoten product, waarin zich tijdens het gietproces onbedoeld lucht heeft opeengehoopt
шупла
noun
чугун
/ɣɪf/, /χɪf/
noun
1. substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
отрова
/'ɣɪftɑnt/
noun
1. tand waarmee bij een beet gif in het slachtoffer ingespoten wordt
зъб
/ˈɣɪftəx/, /ˈχɪftəx/
adjective
1. gif bevattend
отровен
noun
ги́габайт
adjective
гига́нтски
/ɣɛɪ̯/, /ɣɛː/, /χɛɪ̯/
personalPronoun
ти
/ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /ˈɣɛːzəlaːr/, /ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
зало́жник
noun
1.
рансъмуер
/ˈɣɪldə/, /ˈχɪɫdə/
noun
гилдия
noun
джин
noun
1.
женшен
noun
1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
гипс
/ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
  1. жира́ф
  2. жираф
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
жираф
verb
1. een vermoeden uitspreken over iets
гада́я
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
дро́жда
verb
кипя
/ˈɣɪstər/, /ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
вчера
/ˈɣɪstərə(n)/, /ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
  1. вчера
  2. вче́ра
/ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
  1. китара
  2. кита́ра
noun
глациология
adjective
гла́дък
noun
гладиа́тор
noun
1. betoverend uiterlijk, schone schijn
магия
noun
блясък
noun
1. Poecile palustris, een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae)
лъскавоглав синигер
verb
1. in zekere mate licht weerspiegelen of voortbrengen
блестя́
/ɣlɑs/, /χlɑs/
noun
    1. 2. op basis van SiO₂
    2. 3. om uit te drinken
    стъкло
  1. 1. niet-kristallijne vaste stof
    1. чаша
    2. стъкло
noun
1. glasharmonica
гласхармоника
noun
гла́сност
noun
isolatiemateriaal gemaakt van glas
[[стъ́клена]] [[ва́та]]
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
глаукома
adjective
1. als glas, op glas lijkend
бези́зразен
verb
  1. 1. met een laag glazuur bedekken
  2. 2. met een laag glanzende suiker bedekken
глазирам
noun
1-2
глазура
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
ле́дник
noun
1. een langgerekte opening of inkeping in iets
цепка
adjective
1. glad, moeilijk houvast op te krijgen
плъ́згав
noun
пърза́лка
/ˈxlɛɪdə(n)/, /ˈɣlɛːdə(n)/
verb
1. met geringe wrijving gericht voortschuiven
нося се леко
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
усмивка
/'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
усмихвам
noun
слюда
noun
1. een nachtelijk lichtgevend kevertje uit de familie Lampyridae
светулка
noun
гло́бус
/ɣlut/
noun
жар
/ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
  1. ел. крушка
  2. крушка
/ɣloːriˈjøːs/
adjective
1. roemrijk
просла́вен
noun
речник
/ˈɣlɔtɪˌslɑx/
noun
1. een klank die met de stembanden in de keel geproduceerd wordt en tot de plosieven gerekend wordt
глотална пауза
/ˈɣlyː.rə(n)/
verb
1. in het geheim aandachtig naar iemand kijken
надничам
/'ɣly.tə(n)/
noun
глутен
noun
глицерин
noun
глицерин
noun
1. een metamorf gesteente met verschillend gekleurde banden of aders
гнайс
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
гну
noun
1. mythologisch wezen dat lelijk, klein van stuk is en meestal een baard heeft
гном
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Го́а
noun
2. doelpunt
врата
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
  1. Бог
  2. Господ
/ɣɔd/, /ɣɔt/, /χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
бог
adjective
бо́жи
noun
1.
боже́ственост
noun
богосло́вие
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
божество́
noun
1. een vrouwelijke godheid
боги́ня
noun
1. een geloof en alle daar bij horende rituelen en doctrines
религия
adjective
2. op de godsdienst betrekking hebbend
вя́рващ
noun
1.
свобода на вероизповеданието
noun
1. belediging of bespotting van God/een godheid
богохулство
adjective
1. kwaliteit bezittend
добър
/ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
Разпе́ти пе́тък
/ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
добро утро
interjection
avondwens
лека нощ
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
  1. добър вечер
  2. добъ́р ве́чер
interjection
1. groet waarmee men iemand een prettig verloop van het etmaal wenst
добъ́р ден
noun
1. trein die uitsluitend is bestemd om goederen te vervoeren
това́рен влак
noun
1. de hoedanigheid van het goed zijn
доброта
verb
1. toestemming verlenen
дока́жа
adjective
1. laag in prijs
евтин
noun
зона
noun
гуру
/ɣɔk/, /χɔk/
noun
2. een keuze zonder het juiste antwoord te weten
риск
/ˈɣɔkən/, /ˈχɔkən/
verb
1. iets van waarde, veelal geld, inzetten op de mogelijke uitkomst van iets onzekers
рискувам
/gɔlf/, /χɔl(ə)f/
noun
  1. 1, 2 en 3
    вълна
  2. 4. grote baai
    за́лив
  3. 1. balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
    голф
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
Мексикански залив
pronoun
1.
Рижки залив
noun
[[игри́ще]] за голф
noun
топка за голф
noun
вълновод
noun
verpakkingsmateriaal, bestaande uit één of meer lagen dun, gegolfd karton
вълнообразен картон
noun
дължина́ на вълна́та
/ɣɔm/
noun
1. een gum
гу́ма
/ˈɣɔndəl/
noun
1. een pleziervaartuig in Venetië
гондо́ла
noun
1. een hangend slagwerk
гонг
noun
1. een geslachtziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Neisseria gonorrhea
гоноре́я
/ˈgu:gələ(n)/, /ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
гугълвам
noun
гугол
/ˈɣoːi̯ən/, /ˈχoːi̯ən/
verb
1. het door de lucht verplaatsen van een voorwerp, al dan niet naar een doelwit
мятам
noun
канавка
/ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
ми́вка
noun
1. een band die om het middel gedragen wordt
зо́на
noun
1. zoogdier met pantser van beweegbare schubben uit de familie Dasipodidae
броненосец
/ɣɔrˈdɛːn/, /χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
заве́са
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
горила
/ɣɔrs/, /χɔrs/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Emberizidae
жълта овесарка
noun
Госпъл
pronoun
1. de uit de oostelijke tak van de Germaanse talen stammende en uitgestorven taal der Goten uit de eerste...
готически
/ˈɣɔtlɑnt/, /ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
Готланд
/χɔtspə/
noun
безсрамие
/ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
  1. злато
  2. зла́то
phraseologicalUnit
златен медал
noun
неве́н
noun
1. een smid die met goud werkt
златар
noun
1. bepaald soort vogel, Pyrrhul pyrrhula
червенушка
/ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
зла́тна ри́бка
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
гулаш
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
губернатор
noun
1. eenheid om hoeken te meten
градус
noun
1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
граф
noun
гра́фство
/ɣrax/, /χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
охо́тно
noun
  1. зърно
  2. зърнени храни
noun
рибна кост
noun
1. een instrument waarmee een hoek van een gekende grote uitgezet of gemeten kan worden
транспортир
/ɣrɑf/, /χrɑf/
noun
  1. 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
  2. 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
гроб
noun
1. kunstmatige heuvel die is opgeworpen om als graf te dienen
гробна могила
noun
in plaatjes gekristalliseerde koolstof
графит
adjective
графичен
noun
1. op een grafsteen gegraveerde korte tekst, gewijd aan de overledene
епита́фия
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
грам
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
граматика
adjective
грамати́чески
noun
5. groep kubische mineralen
гранат
noun
  1. 2. vrucht
  2. 1. boom
нар
noun
1. wapen, of deel van een wapen, bestemd voor het lanceren van stuwloze ontploffende projectielen
гранатомет
/ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
гранит
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
грейпфрут
noun
1. sap van de vrucht van de boom Citrus paradisi
сок от грейпфут
noun
1.een Italiaanse alcoholische drank
гра́па
noun
1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
трева
noun
кон от глина и трева
noun
1.
поля́на
noun
чим
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
безплатно
adjective
1. zonder reden, onderbouwing, motivatie en/of bewijs
безпричинен
adjective
1. donkergrijs, kleurloos
сив
noun
1. bepaalde soort grijsbruine vogel met oranje snavel, Anser anser
сива гъска
noun
гравьор
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
  1. копая
  2. разкопавам
verb
1. met een scherp gereedschap iets krassen in glas of metaal
грави́рам
noun
гравьор
noun
1. vrouwelijke graaf
графиня
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
гравитация
noun
2. decoratie in metaal, glas of edelsteen gesneden
гравю́ра
pronoun
1.
Грац
/'χrazə(n)/
verb
1. het eten van gras en andere bodemvegetatie zoals bijvoorbeeld runderen dit doen
паса́
noun
гран
/ɣre.ˈna.da/, /ɣrɛ.ˈna.da/, /χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Гренада
adjective
op Grenada betrekking hebbend
гренадец
noun
2. de raaklijn tussen twee landen
  1. Граница
  2. граница
/ɣrik/, /χrik/
noun
1. inwoner van Griekenland
грък
/ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
Гърция
/ɣriks/, /χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
  1. гръцки
  2. гръ́цки
/ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
грип
noun
1. grof gemalen meel
грис
/ɣrit/, /χrit/
noun
A. jonge vrouw, meisje
момиче
adjective
предизвикващ тръпки
noun
1. iemand die de taak heeft alle communicatie rond een zaak schriftelijk vast te leggen en te ordenen
архивар
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
грифон
noun
крива усмивка
noun
1. een pijnlijke, hatelijke, satirische vertrekking van het gelaat
престорена усмивка
verb
1. plotseling iets of iemand beetpakken
улавям
adjective
1. de kleur grijs hebbend
сив
noun
1. oude man
старик
/ɣrɛɪsˈɦarəx/
adjective
1. met grijs haar
посивял
noun
1. stevige zwarte walvis, met bolvormig voorhoofd en een heel kleine snuit
сив кит
noun
onredelijk en willekeurig gedrag
каприз
noun
барбекю́
adjective
капризен
verb
гримирам
adjective
неприветлив
noun
бала́стра
/ˈgrɪzliˌbeːr/, /ˈɣrɪzliˌbeːr/
noun
1. Ursus arctos horribilis, een Amerikaanse ondersoort van de bruine beer.
гри́зли
/ɣruj/, /χruj/
noun
1. het groter worden
нара́стване
/ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
раста
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
  1. зелен
  2. зелена
  3. зелени
  4. зелено
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
  1. зелен
  2. зеле́н
noun
  1. 1. groen verkeerslicht
  2. 2. toestemming
зеле́на светлина́
noun
1. Picus viridis
зелен кълвач
/ˈɣrun.lɑnd/, /ˈɣrun.lɑnt/, /ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
  1. Гренландия
  2. Гренла́ндия
adjective
[[гренла́ндски]] [[ези́к]]
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
зеленчук
noun
1.
зарзаватчи́я
noun
1.
зеленчукова градина
/ɣrup/, /ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
гру́па
verb
1. in groepen stellen
групи́рам
noun
обществен имунитет
noun
1.
групов секс
noun
rechtszaak met groep als partij
колективен иск
/ˈɣrut/, /ˈχrut/
noun
1. een uiting waarbij men elkaars aanwezigheid erkent wanneer men elkaar ontmoet
по́здрав
/ɣrɔk/, /ɣrɔx/
noun
1. alcoholisch mengsel van rum, suiker en heet water
грог
verb
1. een dreigend geluid voortbrengen
ръмжа
noun
  1. 1. stuk terrein
  2. 2. de stof van het aardoppervlak waarop planten en bomen groeien
  3. 3. het aardoppervlak in algemene zin
  4. 4. basis
земя́
noun
1.
земевладе́лец
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Gobiidae
лихмус
noun
1. het gebied waarover een instantie of overheid het beheer heeft
терито́рия
noun
основател
noun
суровина
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
подпочвена вода
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
конституция
/ˈɣroːˌnɪŋə(n)/, /ˈχroˌnɪŋə(n)/
pronoun
  1. 1. hoofdstad van de provincie Groningen
  2. 2. gemeente in de provincie Groningen waarin de stad Groningen ligt
  3. 3. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Drenthe en het Duitse Oost-Friesland wordt begrensd
Гро́нинген
/ɣroːt/
adjective
  1. 2. bewonderenswaardig, goed
    велик
  2. 3. machtig, belangrijk
    1. велик
    2. голям
    1. 1. meer dan normaal in formaat
    2. 4. volwassen
    1. голям
    2. едър
/ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
Великобритания
noun
1. bedrijf dat in het groot handelt, dat aan de detailhandel levert
търгови́я на е́дро
noun
1. een moeder van een ouder
баба
noun
1. op een krachtige manier heel gul zijn
изобилие
noun
Дългоуха лисица
adjective
1. verheven, groot van opzet
величествен
noun
големина́
/ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
  1. прадядо
  2. дядо
noun
  1. 1. in de klassieke zeilvaart de onderste, grootste zeil aan de grote mast
  2. 2. in de moderne zeilvaart het zeil bevestigd met het voorlijk aan de achterkant van de (grootste) mast
грот
/ɣrɔt/
noun
1. een onderaardse holte
пещера́
pronoun
1. hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk zichtbaar sterrenbeeld
Голя́ма ме́чка
noun
1. soort zeevogel van ongeveer 70 centimeter groot, Larus hyperboreus
полярна чайка
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
Големите езера
noun
1. bepaalde soort zeevogel, te herkennen aan zijn zwarte kuif en snavel met een klein geel puntje, Sterna sandvicensis
гривеста рибарка
noun
1. Melanitta fusca, een vrijwel geheel zwarte eendensoort die voornamelijk op zee voorkomt
кадифена потапница
adjective
1. op afschrikwekkende wijze buitenissig
странен
pronoun
1.
Гро́зни
/ˈxrʏto/, /ˈɣrʏto/
noun
1. bepaald soort weidevogel en een van de grootste steltlopers
черноопашат крайбрежен бекас
/ˈxrywəl/
noun
1.
мерзавщина
noun
жесто́кост
/'ɣryzələ'mɛntə(n)/
noun
1. stukken die ontstaan wanneer een voorwerp breekt
отломки
pronoun
Гваделупа
noun
гуано
/ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
  1. Гватемала
  2. Гватема́ла
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
гуава
pronoun
Гернзи
/ɣi.ˈne/, /χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
Гвинея
/ˌɣi.ne.bɪ.ˈsaʊ̯/, /ˌɣi.ne.ˈbɪ.sɔʊ̯/, /ˌχi.ne.ˈbɪ.sʌʊ̯/
pronoun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
Гвине́я-Биса́у
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk in Gujerat gesproken wordt. De taal wordt nu ook in Uganda, Tanzania, Kenia en Pakistan gesproken
гуджарати
adjective
1. vrijgevig
богат
noun
енчец
/ɣɵlp/
noun
1. een door een strook stof afgesloten opening aan de voorzijde van een broek van de man,...
дюкян
/ɣi.ˈja.na/, /ɣβ̞i.ˈja.na/, /χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
Гвиана
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
гимна́стика
noun
гинекология
/ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
Гьотинген
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
жив плет
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
габър
/haːɪ̯/, /ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
акула
/haːk/
noun
кука
noun
2. elk van de tekens, rond of met hoeken, gebruikt in paren om woorden of getallen af te zonderen
  1. ско́ба
  2. ско́бка
/ɦaːl/
noun
загребване
/ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
петел
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
  1. коса
  2. косъм
possessivePronoun
1. bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
неин
noun
1. plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
огнище
noun
1. een doorgaans dunne speld waarmee het haar kan worden opgestoken.
фиба
noun
капиля́р
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
  1. заек
  2. за́ек
/hast/
adverb
1. bijna
почти
adjective
1. zich niet de tijd nemend
бърз
/ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
омраза
pronoun
2. boek in de Bijbel
Авакумъ
/ˈhabiˌtɑt/
noun
1. het natuurlijke leefgebied van een organisme
ареал
noun
1. verzamelde mondelinge overleveringen van de uitspraken en instructies van Mohammed
хади́с
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
адрон
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
хафний
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
гущер
/haɣəɫ/
noun
1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
  1. градушка
  2. граду́шка
verb
1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
вали град
noun
1.
хайку
noun
  1. 3. werktuig om de grond mee open te hakken
    мотика
  2. 1. hiel van de voet
    ток
verb
3. bevestigen d.m.v. een haak
закачам с кука
/ˈhaː.kə(n)ˌkrœys/
noun
свастика
noun
1. houtgewas dat ieder 6-10 jaar gekapt wordt meestal om te gebruiken als brandhout
гъсталак
/ˈɦɑkə(n)/
verb
накълцвам
noun
1. zeer breed mes
сатъ́р
/ɦɑl/
noun
  1. 1. ruimte achter de voordeur
  2. 3. een grote overdekte ruimte gericht op het uitvoeren van activiteiten
вестибю́л
/ˈɦalə(n)/
verb
1. ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
донасям
/ɦɑlf/
adjective
1. de helft zijnde
наполовина
noun
полубрат
noun
1-2
полупроводник
noun
полубо́г
noun
1. het oppervlak van een halve bol, met name van de aarde
полукълбо́
noun
1. de tijd waarin een exponentieel vervalled proces tot de helft van zijn oorspronkelijke waarde vermindert
период на полуразпад
adverb
1.
на половината път
noun
полусестра
noun
1.
полусестра
interjection
1. groet
здравей
noun
халюцина́ция
verb
1. zinsbegoochelingen hebben
халюцинирам
noun
халоген
noun
шия
noun
1.
голяма шийна вена
noun
1. een om de hals en nek gesnoerde band
нашийник
noun
огърлица
noun
1. het te vasthoudend zijn
ина́т
noun
оглавник
/ˈhɑɫtə/
noun
1. een plaats waar gestopt wordt
спи́рка
noun
ги́ра
noun
1.
полуфина́л
noun
1.
половина нота
/ɦɑm/
noun
1. vlees van de achterkant van een varken
шунка
noun
Хамбург
/ˈham.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.χər/
noun
1. schijf gebraden gehakt
хамбургер
noun
1. gecastreerde ram
скопен овен
noun
  1. 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
  2. 2. een van de gehoorsbeentjes in het oor
чук
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
  1. хамстер
  2. хомяк
  3. хомя́к
/ɦɑnt/
noun
1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
  1. ръка
  2. ръка́
noun
хандбал
/ˈɦɑnt.buj/
noun
1. een paar aan elkaar verbonden afsluitbare ringen
белезни́ци
noun
1. een doek waarmee men zich afdroogt
  1. Хавлия
  2. къ́рпа
noun
ръкости́скане
/ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
търговия
verb
  1. 1. iets doen, al of niet met de handen, optreden
    въ́рша
  2. 2. handel drijven
    търгувам
noun
1. datgene dat gedaan is
действие
pronoun
Деяния на светите апостоли
noun
търго́вска ма́рка
noun
2. deel van het privaatrecht m.b.t. handelszaken
търговско право
noun
1. teken van waardering
аплодисме́нти
verb
  1. 2. krachtdadig in standhouden, naleving afdwingen
    налагам
  2. 1. iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
    поддържам
noun
поддръ́жка
/ˈɦɑndɪɣ/, /ˈɦɑndɪχ/
adjective
1. goed met de handen om kunnen gaan
ловък
noun
1. een 2 wielige kar die met menskracht wordt bewogen
ръчна количка
noun
1. binnenzijde van de hand
длан
/hɑnd.sxun/, /ɦɑnt.sxun/, /ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
ръкавица
noun
подпис
noun
грамота́
noun
2. klein aantal
шепа
/ˈhanə(n)kɑm/
noun
  1. 2.
    гребен
  2. 1. Cantharellus cibarius, een eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak
    пачи крак
noun
1. brug die is opgebouwd uit twee (soms één) hoge pijlers of pylonen waartussen een dikke kabel gespannen is...
висящ мост
/ˈɦɑŋə(n)/
verb
бе́ся
/ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
  1. хамак
  2. хама́к
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
катина́р
pronoun
1. stad in Duitsland
Хановер
noun
1. voedsel of iets anders dat je door het openen en sluiten van je lippen in je mond krijgt
хапка
adjective
1. betrekking hebbend op de tastzin
осезателен
noun
1. en 2 grof gemalen meel van harde tarwe (Triticum durum)
грис от твърда пшеница
adjective
1. door koken stijf geworden (met name van eieren)
твърдо сварен
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
компютърен хардуер
adjective
космат
/ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
  1. херинга
  2. селда
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
гребло
noun
2. een grappig, koddig persoon in het algemeen
арлекин
noun
1.
арфа
noun
3. feeks
ха́рпия
/hɑrˈpun/, /ɦɑrˈpun/
noun
  1. 1. een grote pijl met weerhaken aan een touw
    харпу́н
  2. 2. een speer met weerhaken
    харпун
verb
1. het vangen van vissen door middel van een harpoen
харпуни́рам
/ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
смола
/ɦɑrt/
noun
  1. сърце
  2. сърце́
noun
1. het afsterven van hartspierweefsel door afsluiting van een kransslagader of een tak hiervan
инфаркт на миокарда
adjective
пикантен
/ˈhɑrt.ka.mər/, /ˈɦɑrt.ka.mər/
noun
1. elk van twee holten van het hart
камера
noun
пулс
noun
страст
noun
аборда́жна са́бя
adjective
1. vorm van een hart hebbend
сърцевиден
noun
1. emotionele pijn die ontstaat door het verlies van een geliefd persoon
силна мъка
noun
1. softdrug, bereid uit ingedikt sap van gedroogde en fijngestampte vrouwelijke hennepbloemen
хаши́ш
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
хасий
/'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
мра́зя
interjection
апчиху
/ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
  1. порт
  2. приста́нище
noun
  1. 1. éénjarig graangewas Avena sativa
    обикновен овес
  2. 1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
    1. овес
    2. ове́с
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
овесени влакнини
noun
havervlokken
овесени ядки
/ˈɦavɪk/
noun
1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
голям ястреб
noun
миши уши
pronoun
1. Polynesische taal gesproken in de Amerikaanse staat Hawaï
хавайски
noun
1. een heester waaraan hazelnoten groeien
леска
/ˈɦa.zəlˌmœːs/, /ˈɦa.zəɫˌmœʏ̯s/
noun
1. knaagdier in de familie van slaapmuizen, Muscardinus avellanarius
лешников сънливец
/ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
ле́шник
/ˈhaː.zə(n)ˌlɪp/
noun
заешка устна
/ha.ˈhi.ti/, /ɦa.ˈi.ti/, /ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Хаити
/ˈɦɛbə(n)/
verb
1. bezitten
  1. имам
  2. притежавам
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
  1. еврейски
  2. иврит
adjective
1. blijk gevend van hebzucht, hebberig
а́лчен
noun
шев
adjective
1. zeer druk en chaotisch
възбуден
noun
1. 100 liter
хектолитър
/ˈɦeː.də/
noun
1. werk, afval van vlas of hennep
кълчища
noun
настоя́ще
noun
1. leer dat genot het hoogste goed is
хедонизъм
/heːl/
adjective
1. niet stuk
ця́л
/he.ˈlal/, /ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
вселена
noun
1. de tak van de geneeskunde die met operatie probeert te genezen
хиру́ргия
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
Господ
/ɦɪːr/
noun
    1. 1.
    2. 4. welgemanierd persoon
    благоро́дник
  1. 5. heerser
    лорд
noun
полски хвощ
/hersxɑˈpɛi/
noun
1. geheel der dingen waarover iemands macht zich uitstrekt, waarover hij heerst (bewind uitoefent) en het daarbij horende gezag geniet
възможност
/hersə(n)/
verb
1. de macht uitoefenen
госпо́дствам
noun
1. iemand die de macht uitoefent
владе́тел
noun
храст
/ɦeːt/
adjective
1.
горещ
noun
1.
лост
verb
вдигам
noun
1. oplegging van belastingen: tolheffing
налог
noun
виличен повдигач
noun
1. een zangvogel ter grootte van een huismus met opvallend grijs op de kop
Сивогуша завирушка
noun
изтравниче
/ˈhɛɪ̯də/, /ˈhɛːdə/
noun
1. een met heidekruid begroeide vlakte
Пустош
noun
1. mensen die geen jood of christen zijn
езичник
noun
1. een verzamelnaam voor de polytheïstische religies waarmee het zich verspreidende christendom in aanraking kwam
ези́чество
adjective
1. van de heidenen
ези́чески
noun
1. bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis, Hippoglossus hippoglossus
камбала
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
Хайлброн
/ɦɛj.ləɣ/
adjective
1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
свят
noun
1. plaats of gebouw gewijd aan een god of godin
олтар
noun
светец
noun
1.
Свети Дух
noun
1.
свещен ибис
noun
1. de pauselijke regering
Свети престол
noun
vergrijp aan iets heiligs
кощу́нство
/'hɛɪmʋe/
noun
1. sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
носта́лгия
/ɦɛk/
noun
1. omheining, afscheiding
огра́да
noun
  1. 2. sterke afkeer
    гнус
  2. 1. werktuig gebruikt bij het verwerken van hennep of vlas
    чесалка
/ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
вещица
/ˈhɛksə(n)ˌjɑxt/
noun
1. het jagen op vermeende heksen
лов на вещици
noun
вълшебство́
/'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
  1. ад
  2. пъкъл
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
уви́
interjection
1. een uitroep van spijt, ontgoocheling, verdriet
уви́
/ɦɛlt/
noun
герой
noun
1. de durf en de kracht van mensen, die zich, met gevaar voor eigen leven, voor de goede zaak inzetten
геро́йство
/'hɛl·dərˌhɛɪt/
noun
  1. 1. lichtscherpte
  2. 2. de intensiteit van uitgezonden licht
блясък
noun
1. het heel moedig en dapper zijn
до́блест
/'ɦelə(n)/
verb
1. gezond worden
лекувам
/ɦɛlft/
noun
  1. половина
  2. полови́на
/ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
  1. хеликоптер
  2. вертолет
/ˈhe.lɪŋ/
noun
1. het gezond worden of maken van iemand
лечение
adjective
хелиоцентри́чен
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
хелий
noun
1.
спира́ла
noun
1. lang middeleeuws wapen
алебарда
noun
1. inwoner van het oude Griekenland of persoon die de oud-Griekse nationaliteit bezit
е́лин
adjective
1. met betrekking tot de Hellenen of de Helleense talen
древногръцки
/ɦɛlə(n)/
verb
1. schuin staan
накренявам
noun
1. een glooiing in het landschap
Hаклон
/ɦɛlm/
noun
1. beschermend hoofddeksel
  1. шлем
  2. ка́ска
/ˈɦɛlm.knɔp/
noun
прашник
noun
корми́ло
/ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
пома́гам
noun
помага́ч
adjective
а́дски
pronoun
1. de hoofdstad van Finland
Хелзинки
/ɦɛm/
personalPronoun
  1. 1.
    го
  2. 2.
    на него
noun
1. roodkleurig mineraal dat ferri-oxidekristallen bevat
хематит
noun
1. kledingstuk voor het bovenlijf
риза
/ˈɦeːməl/
noun
  1. 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
  2. 2. het hiernamaals, leven na de dood
небе
noun
небесно тяло
adjective
небе́сен
pronoun
1. de herdenking dat Jezus Christus na zijn verrijzenis opgevaren is naar God Zijn Vader in de hemel
Възнесение
noun
възход
noun
1. christelijke feestdag waarin gevierd wordt dat Jezus na de opstanding naar de Hemel ging
Възнесение
noun
полукълбо́
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
хемороид
/ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
кокошка
/ˈhɛndrɪk/
pronoun
1. mannelijke voornaam
Хе́нри
pronoun
1. Belgische provincie
Ено
noun
1. visserswerktuig
въ́дица
/ɦɛŋst/
noun
1. mannelijk paard
  1. жребе́ц
  2. жребец
/ˈɦɛ.nəp/
noun
коно́п
noun
1. leverontsteking
хепатит
noun
1. C₇H16
хептан
/herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
хералдика
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
гостилница
/hɛrbɛr'gir/
noun
ханджи́йка
noun
1. dier dat zich met plantaardig voedsel voedt
тревопасно животно
pronoun
  1. 1. Romeinse halfgod
  2. 2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Херкулес
verb
1. plechtig aandacht schenken aan een gebeurtenis uit het verleden
отбелязвам годишнина
noun
напомняне
/'ɦɛrdər/
noun
1. begeleider en bewaker van een kudde
пасти́р
noun
1. een kreeftachtige (Eupagurus bernhardus) uit de orde van tienpotigen, die in de schelp van een zeeslak woont
рак пустинник
verb
1. opnieuw tot een eenheid maken
събираме се отново
/heˌresiˈjɑrx/
noun
1. iemand die een leidende rol speelt in een ketterse beweging
ересиарх
noun
ерес
verb
1. iets op een nieuwe wijze in woorden uitdrukken
перифразирам
noun
1. derde jaargetijde
есен
noun
1. een zeer dunne draad spinrag
есенна паяжина
noun
1. bepaald soort plant, Colchicum autumnale
обикновен мразовец
adjective
bijvoeglijk naamwoord
няколкократен
verb
1. iets opnieuw zeggen
повтарям
noun
  1. 1. het nogmaals plaatsvinden
  2. 1. een aflevering van een televisieprogramma of -serie die nogmaals wordt uitgezonden
повторе́ние
noun
1. lastige en hinderlijke veldmosterd die meestal op en rond akkers groeit
полски сина́п
/ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
1. opnieuw in gedachte brengen
напо́мня
noun
спо́мен
noun
1. een herbivoor die zijn voedsel herkauwt
преживно животно
verb
1. waarnemen en beseffen wie het is
разпознавам
noun
разпозна́ване
noun
произход
verb
1. opnieuw verwerven
възвръщам си
verb
1. een wapen opnieuw vullen met ammunitie
натоварвам отново
verb
1. opnieuw lezen
препрочета́
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
хермелин
adjective
1. de uitleg van een (religieuze) tekst betreffend
обяснителен
pronoun
Хермес
adjective
1. luchtdicht
въздухонепроница́ем
/ɦɛr'nemə(n)/
verb
  1. 1. opnieuw krijgen, opnieuw verkrijgen
  2. 4. opnieuw innemen
вземам отново
noun
1. uitstulping van een orgaan of weefsel uit de lichaamsholte waar het normaliter in ligt
херния
/hɛrˈniwə(n)/
verb
  1. 1. door nieuwe kracht weer nieuw maken, nieuw leven inblazen
  2. 3. opnieuw doen, vernieuwen, weer nieuw maken
обновя́
verb
1. opnieuw op details bezien
преразглеждам
noun
een verdovend middel
хероин
pronoun
1.
Херенберг
verb
1. zeggen dat iets, dat je eerder gezegd hebt, niet klopt
анулирам
noun
мозъчна смърт
noun
1. brein
  1. главен мозък
  2. мозък
noun
1. de buitenste laag van de grote hersenen
мозъчна кора
noun
1. schade aan de hersenen door uitwendig geweld
сътресение
noun
indoctrinatietechniek
проми́ване на мо́зъци
noun
обезщете́ние
verb
1. terug werkend krijgen, repareren
попра́вя
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
  1. елен
  2. еле́н
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
дук
noun
1. het gebied dat onder leiding staat of stond van een hertog
херцогство
noun
1. adellijke titel, vrouw van een hertog
дуке́са
verb
1. opnieuw in het huwelijk treden
женя се повторно
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
херц
verb
1.
влошавам се
verb
1. een activiteit opnieuw beginnen na deze eerder gestaakt te hebben
възобновя
noun
1.
продължение
noun
1. de verkiezing van een persoon in een functie die hij al eerder heeft bekleed
преизбиране
/ɦɛrˈvɔr.mər/
noun
1. een persoon die hervormingen nastreeft
реформа́тор
verb
1. opnieuw, en vaak positiever, beoordelen
преоценявам
pronoun
Хесен
/(ɦ)ət/, /hɛt/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
  1. то
  2. той
  3. тя
phraseologicalUnit
1. het kan me niets schelen
боли ме гъза
/'he.tə(n)/, /'ɦe.tə(n)/
verb
1. de naam dragen
казвам
adjective
нееднороден
noun
разнородност
noun
пра́ва резба́
adjective
1. gericht op het andere geslacht of betrekking hebbend op liefde voor mensen met een ander geslacht
хе́теросексуа́лен
noun
1. man met seksuele voorkeur voor vrouwen of een vrouw met seksuele voorkeur voor mannen
хе́теросексуа́лен
relativePronoun
1. wat
какво́
pronoun
1. een dode taal die in het huidige Turkije werd gesproken
хетски език
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
бедро́
noun
een kleine platte fles
плоско шише
adjective
1. betrekking op het vinden van iets
евристичен
/ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
хълм
/'ɦøvəlɑxtəx/
adjective
1. met aanzienlijke hellingen en hoogteverschillen
хъ́лмест
/'ɦevəl/
noun
2. een geheel met vloeistof gevulde pijp of slang waarvan het ene einde lager gehouden wordt dan de andere, waardoor vloeistof van de laatste mond naar de eerste stroomt
сифон
noun
1. C₆H14
хексан
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een zestallige as bezittend
хексагонален
noun
1.
празнина
noun
1.
зи́мен сън
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
пета
/ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
тук
adverbialPronoun
горе
adverbialPronoun
1. in deze richting
тук
adverbialPronoun
2. in deze buurt, in deze contreien
наблизо
/hɑj/
adjective
1. in een euforische toestand van veranderd bewustzijn verkerend
надрусан
/hɛɪ̯/, /ɦɛɪ̯/, /ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
той
verb
1. zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
ахвам
verb
1. iets met een touw of kabel in opwaartse richting trekken, al dan niet middels een katrol
вдигам
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
хълцане
/ˈɦɪkə(n)/
verb
1
хъ́лцам
pronoun
1. + 2. stad en district
Хилдесхайм
/ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
  1. сърна
  2. кошута
/'ɦɪndərə(n)/
verb
затруднявам
noun
1. iets dat de voortgang verstoort
препятствие
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
  1. хинди
  2. хи́нди
noun
индуи́зъм
noun
2. kinderspel, waarbij men zich deels op één been verplaatst
дама
verb
куцам
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
цвиля
noun
xипи
adjective
1. betrekking hebbend op de paardensport
конен
noun
1. ovale paardenrenbaan
хиподрума
noun
хирагана
pronoun
Еспаньола
noun
хистогра́ма
noun
историк
noun
  1. 2. geschiedenis van een volk, een land enz
    исто́рия
  2. 1. verhaal
    разказ
adjective
исторически
noun
1. lied dat in korte tijd zeer populair wordt
хит
/ˈhɪtə/
noun
  1. горещина
  2. жега
noun
гореща вълна
noun
1. menselijk immuundeficiëntievirus
ХИВ
noun
1. rangorde
йера́рхия
adjective
1. van of volgens de opeenvolging van rangen
йерархичен
noun
1.
хо́бит
/hɔbi/
noun
1. een liefhebberij of bezigheid ter ontspanning voor in de vrije tijd
увлече́ние
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
обой
noun
1. iemand die hobo speelt
обои́ст
noun
1. balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
хо́кей
/ɦu/
adverb
1. op welke wijze
  1. как
  2. ко́лко
/hud/, /ɦut/
noun
  1. 1. een hoofddeksel
  2. 2. deel van een zwam
шапка
noun
een functie die men vervult
компете́нтност
noun
1. iemand die hoofddeksels voor mensen maakt
шапкар
/ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
  1. копито
  2. копи́то
noun
1. plant met grote bladeren die aan de rand van wateren groeit
чоба́нка
noun
1. hoefdragend zoogdier
копитно
noun
подкова
noun
налбантин
/ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
ъгъл
adjective
ръбат
/ˈhuk.steːn/
noun
  1. 1. een steen die gebruikt wordt om de hoekpunten van bouwwerken te verstevigen
  2. 2.
крайъгълен камък
/ɦur/
noun
1. vrouw die tegen betaling seksuele diensten verricht
курва
noun
1.
ура́
noun
1.
мада́м
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
ка́шлица
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
кашлям
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
колко
/huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
количество
conjunction
1. drukt een tegenstelling uit
въпреки че
pronoun
Съд на Европейския съюз
noun
ве́жливост
noun
polymerisatieproduct van etheen
полиетилен с висока плътност
noun
1. een gebied waar relatief een hogere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
антициклон
noun
1. een bepaald dierenverblijf
обор
noun
1. grot, spelonk
пещера
noun
1. bepaald soort vogel, Columba oenas
гълъб хралупар
noun
1. een dier dat tot de Bovidae gerekend wordt
кухоро́го
noun
1. theorie
холизъм
/ˈɦɔlɑnt/
pronoun
  1. 1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
  2. 2. heel Nederland
Хола́ндия
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
холмий
/ˈholokaust/
pronoun
Холокост
noun
1. techniek waarmee een afbeelding in een plat vlak diepte of verschillende beelden lijkt weer te geven als je er onder uiteenlopende hoeken naar kijkt
холография
noun
1. een term die het geheel van iets weergeeft, terwijl in werkelijkheid slechts een deel wordt bedoeld
холоним
noun
хомеоморфизъм
noun
хомеопатия
adjective
1.volgens de homeopathie
хомеопати́чен
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
хомеоста́за
/ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
  1. земна пчела
  2. земна пчела́
adjective
обратен
noun
хомофобия
noun
1. gelijkklinkend woord
омофо́н
adjective
еднороден
noun
1.
еднородност
noun
1. op dezelfde manier gespeld woord
омогра́ф
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
омоним
noun
мъжеложство
adjective
1. betrekking hebbend op de liefde voor geslachtsgenoten
хомосексуален
noun
1. man met seksuele voorkeur voor mannen of vrouw met seksuele voorkeur voor vrouwen
гей
/ˈhɔnd/, /ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
  1. куче
  2. пес
  3. псе
/ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
сто
cardinalNumeral
1. het getal 100.000, een tiende deel van een miljoen
сто хиляди
pronoun
1.
Стогодишна война
adjective
1. besmet met rabiës
болен от бяс
noun
бяс
noun
1. bepaald soort kruipende, geurende plant met paarsblauwe bloemen, Glechoma hederacea
самобайка
noun
шипка
/hɔn.ˈdyː.rɑs/, /ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
  1. Хондурас
  2. Хондура́с
adjective
1. inwoner van Honduras
хондураски
/hɔŋ(g).ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
унгарец
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
унгарски
/hɔŋ(g).ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈχar.sə/
noun
унгарка
/ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
  1. Унгария
  2. Унга́рия
/ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
глад
adjective
1. grote behoefte aan voedsel hebbend
гла́ден
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
глад
/hɔŋˈkɔŋ/
pronoun
1. een speciale administratieve regio van de Volksrepubliek China
Сянга́н
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
мед
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mellivora capensis
меден язовец
noun
1. balsport waarbij de bal met een knuppel geslagen wordt en de spelers langs een drietal honken trachten rond te lopen tot zij weer de thuisplaat bereiken
бейзбол
/ɦoːft/
noun
1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
глава
/'ɦovduk/
noun
1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
забрадка
noun
1.
основно блюдо
noun
1. een letter die een groter formaat en meestal ook een andere vorm heeft dan een kleine letter
гла́вна бу́ква
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
въшка
noun
1. pijn in het hoofd
главоболие
noun
1.
главница
/'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
столица
noun
1. het tuig dat een paard om het hoofd gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken
юзда́
noun
bepaalde opdeling van tekst of beeld in een boek
глава
noun
1. een telwoord dat een hoeveelheid of aantal aanduidt
числено бройно
/ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
висок
noun
1. een verheffing van de aardkorst
Височина
/ˈɦoxtəvres/, /ˈɦoçtəvres/
noun
1. angst voor hoogten
акрофобия
noun
2. hoge waterstand in 't algemeen
наводнение
noun
1. gedroogd gras
сено
/ˈɦojbɛrx/
noun
1. een ter bewaring opgestapelde hoeveelheid gedroogd gras
[[ку́па]] [[се́но]]
noun
сенна треска
noun
1. vorkvormig landbouwwerktuig waarmee bijvoorbeeld hooi wordt opgestoken
вила
/ɦoːp/
noun
3. verwachting van iets wenselijks
надежда
adjective
1.
доловим
/horn/
noun
1. hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
[[рогов|ро́гово]] [[вещество́]]
pronoun
Африканския рог
/hoːrnar/, /ho̝ːrnar/
noun
1. Vespa crabro, een soort grote wesp
стъ́ршел
noun
1.
рогоно́сец
noun
1. apparaat dat slechthorenden helpt bij het waarnemen van geluid
слу́хов апара́т
noun
  1. 1. bepaald soort vogel, Upupa epops
    папуняк
  2. 1. bepaalde plant die onder andere wordt gebruikt bij de bereiding van bier
    хмел
/ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
надя́вам се
/hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
чувам
noun
1. onderdanige en onvrije gehoorzaamheid
крепостничество
noun
хоризонт
noun
хоризонт
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
водора́вен
noun
1. een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
часовник
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
хормон
noun
у́жаси
noun
1.
заку́ска
noun
1.
хортензия
pronoun
Хошэя
noun
1.
хоспис
/ˈhɔs.pi.ˌta/, /ˈɦɔs.pi.ˌta/
noun
1. een vrouw die een of meer kamers in haar eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal
хаза́йка
noun
1. opneming in een ziekenhuis
хоспитализа́ция
noun
1. offerbrood
нафора
/hoˈtɛl/, /ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
  1. хотел
  2. хоте́л
noun
1. een kamer die voor gasten per nacht te huur is in een hotel
хотелска стая
/ˈɦɑʊdə(n)/
verb
1. niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen
държа
verb
1. smakelijk, prettig of aantrekkelijk vinden
жела́я
noun
приносител
noun
  1. 1. een pose
    оса́нка
  2. 2. gedragslijn, opstelling
    отноше́ние
/ɦɑʊ̯t/, /[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
  1. дървесина
  2. дърво
/ɦɑʊ̯tbɛi̯/
noun
1. enige bij onder de geslachtengroep Xylocopini
дърводе́лска пчела́
noun
1. bepaalde soort wilde duif, Columba palumbus
гривяк
/ˈhɑutə(n)/
adjective
дъ́рвен
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
дърва́р
adjective
1.
дървен
noun
1. verkoold hout
въ́глен
noun
1. een vogel uit de familie van snipachtigen, Scolopacidae
горски бекас
noun
1. benaming voor verschillende in hout levende insectenlarven
дървояд
noun
1.
дъскоре́зница
verb
1. iets met een scherp werktuig trachten af te hakken
отсичам
noun
1.
га́убица
/hovəlɪŋ/
noun
1. een onderdaan die tot het dagelijkse gezelschap van een vorst behoort
придворен
noun
градинар
pronoun
1. binnenzee in Noordoost-Canada
Хъдсънов залив
noun
лицемер
noun
1. het huichelen
лицемерие
/hœːd/, /ɦœʏ̯t/, /ɦœːt/
noun
1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
  1. кожата
  2. кожа
adjective
1. bij het heden behorend
настоя́щ
/hœːx/, /ɦœʏ̯χ/, /ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
мъже́ц
noun
1.
ре́вльо
/ɦœy̯lə(n)/
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
пла́ча
/hœːs/, /ɦœʏ̯s/, /ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
  1. къща
  2. дом
noun
1. strafbepaling
домашен арест
noun
стопа́нин
/ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
домашно животно
noun
1. vrouw die andermans huishouden verzorgt
домакиня
noun
1. bepaald soort knaagdier dat vaak in en rond gebouwen voorkomt, Mus domesticus
домашна мишка
noun
  1. 1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
    врабче
  2. 2. iemand die het liefst thuis blijft
    домоша́р
noun
но́мер
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
домаки́ня
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
дома́шна ра́бота
/ɦʏlp/
noun
1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
  1. помощ
  2. по́мощ
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
спомагателен глагол
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
бодлива зеленика
adjective
хума́нен
adjective
хуманен
noun
1. puree van o.m. gekookte kikkererwten
хумус
noun
ху́мор
adjective
хумористичен
/ˈɦynəbɛt/
noun
1. neolithische begraafplaats
долмен
verb
подска́чам
verb
1. opspringen
подскачам
/ɦyrə(n)/
verb
1. tegen betaling gebruiken
нае́мам
verb
1. op de onderbenen gaan zitten
клеча
noun
обитател
adjective
1. geschikt om in het huwelijk te treden
за женене
/ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
брак
noun
1.
ухажор
noun
3. bolgewas
хиацинт
/hi'drat/
noun
1.
хидра́т
noun
1. een speciale uitgeruste waterkraan geplaatst ten behoeve van de brandweer
пожа́рен кран
verb
хидратирам
adjective
хидравли́чен
noun
хидрография
noun
хидрология
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
хие́на
noun
  1. хигиена
  2. хигие́на
adjective
1. schoon, gezond
хигиеничен
noun
1.een instrument om vochtigheid van de lucht te meten
хигрометър
noun
1. een verheven loflied op een bepaald onderwerp (zoals een land, God ...)
химн
adjective
1. overactief
свръхактивен
noun
хипе́рбола
noun
хиперкорекция
noun
1. een gekleurd en/of onderstreept tekstgedeelte dat een onderliggende verwijzing bevat
връзка
noun
1. een woord dat een verzameling van verwante specifiekere woorden samenvoegt, een overkoepelende term
хипероним
adjective
хиперзву́ков
noun
1. verhoogde bloeddruk
високо кръвно налягане
noun
1.
хипноза
verb
1. het onder hypnose brengen van mensen
хипнотизирам
noun
1. overdreven bezorgdheid om de eigen gezondheid
хипохо́ндрия
/ɦipoˈkrit/
adjective
1. huichelachtig
двуличен
/ɦipoˈkrit/
noun
1. iemand die voordoet bepaalde waarden te huldigen, maar zich er zelf niet aan houdt
лицемер
noun
1. huichelarij
лицемерие
adjective
1. onder de huid toegediend
подкожен
/ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
хипофиза
noun
1. term die een subcategorie van een algemenere klasse aanduidt
хипоним
noun
1. lage bloeddruk
ниско кръвно налягане
noun
1. de schuine zijde van een rechthoekige driehoek
хипотенуза
noun
1. deel van de hersenen dat een directe verbinding heeft met het hormonale systeem
хипоталамус
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
ипоте́ка
noun
1. onderkoeling
Хипотермия
noun
предположе́ние
noun
1. zuurstoftekort in de weefsels
недостиг на кислород
adjective
истеричен
/ɦe/
interjection
  1. 1. uitroep om aandacht
  2. 2. uitroep van verbazing
  3. 3. uitroep van verrassing
  4. 4. versterking van een vraag
  5. 5. informele groet
хей
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
Пиренейски полуостров
noun
1. een vogel met een lange gebogen snavel behorend tot de familie Threskiornithidae
ибис
noun
1.
ибупрофе́н
noun
иконография
noun
1. een iconenwand die het altaar van het schip scheidt in de Russisch-orthodoxe kerk
иконоста́с
noun
    1. 1. heiligenafbeelding, zoals vereerd in de kerken van het oosten
    2. 2.
    и́дол
  1. 3.
    икона
/idiˈjal/
adjective
1. zo gunstig mogelijk
идеа́лен
/idiˈjal/
noun
1. iets wat men zich voorstelt als het hoogste en dat men wil verwezenlijken
идеа́лен
verb
1. iets gunstiger of zelfs als ideaal beoordelen
идеализирам
/iˈde/
noun
1. gedachte, plan
  1. идея
  2. представа
adjective
1. volledig hetzelfde, van dezelfde oorsprong
еднакъв
noun
разпозна́ване
verb
идентифици́рам
noun
1. geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
една́квост
/idɛnti'tɛitskart/
noun
1. een identiteitsbewijs dat op een kaart gedrukt is
ли́чна ка́рта
/ˌideo'ɣrɑm/
noun
1. een grafisch teken dat een voorwerp symboliseert
идеогра́ма
/ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
  1. Идеология
  2. идеоло́гия
noun
1. iemand die een ideologie opstelt
идеолог
adjective
абстра́ктен
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
идио́м
/idi'ot/
adjective
1. zwakzinnig in de hoogste graad
абдал
/idi'ot/
noun
1. iemand die een grote maat van zwakzinnigheid heeft
абдал
noun
  1. 1. aangeboren overgevoeligheid voor bepaalde voedings- en geneesmiddelen
  2. 2. kenmerkende eigenaardigheid
идиосинкра́зия
pronoun
идо
adjective
1. bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid
идиличен
personalPronoun
1. clitische vorm van de 3e persoon enkelvoud mannelijk nominatief
той
indefinitePronoun
1.
все́ки
/i.də.ˈreːn/
indefinitePronoun
1. elke persoon
  1. всеки
  2. всеки един
indefinitePronoun
някой
noun
1. een loofboomsoort uit het geslacht Ulmus ...
бряст
/iːr/
noun
1. inwoner van Ierland, of iemand afkomstig uit Ierland
ирла́ндец
/ˈiːrlɑnd/, /ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
  1. Ирландия
  2. Ейре
/iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
ирландски
/ˈiːrsə/
noun
ирландка
pronoun
1.
Ирла́ндско мо́ре
suffix
  1. 1. anion in submaximale oxidatietoestand
  2. 2. mineraal
ит
indefinitePronoun
1. een of ander ding
нещо
noun
1. iemand die neigt tot mopperen
темерут
/ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
иглу
adjective
негра́мотен
adjective
1. vol van zelfbewondering, een te hoge dunk hebbend van het eigen voorkomen en/of de eigen bekwaamheden
суетен
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
суета́
/ɛɪ̯s/, /ɛːs/
noun
  1. 1. de vaste vorm van water, bevroren water
    лед
  2. 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
    1. сладолед
    2. лед
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
бяла мечка
noun
1. een zeer groot brok ijs dat in de zee drijft
а́йсберг
noun
1. en 2 (bladeren van) Lactuca sativa var. capitata
а́йсберг
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
ледоразбивач
noun
1. bepaald soort vogel Gavia immer
полярен гмуркач
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
хокей на лед
/ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
сладолед
/ˈɛɪ̯slɑnd/, /ˈɛɪ̯slɑnt/, /ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
Исландия
/ˈɛɪ̯sˌlɑndər/, /ˈɛːsˌlɑndər/
noun
1. inwoner van IJsland
исла́ндец
/ˈɛɪ̯slɑnds/, /ˈɛɪ̯slɑnts/, /ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
  1. Исландски
  2. исландски
noun
1. ijspriem
шило за лед
/ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
земеродно рибарче
noun
стара́ние
/ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
  1. желязо
  2. желя́зо
noun
желязна руда
noun
върбинка
noun
1. eenvoudige handelswaren gemaakt van metaal
железари́я
adjective
ле́ден
personalPronoun
1.
аз
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
оби́чам те
noun
1. een buitenlander die zonder werk- en verblijfsvergunning in een land verblijft
незако́нен имигра́нт
noun
илюзия
adjective
1. beroemd, zeer bekend van reputatie
знаменит
noun
илюстрация
verb
илюстрирам
adjective
имагине́рен
/ˌimiˈtasi/, /ˌimiˈtatsi/
noun
1. nabootsing
копие
/ˌimiˈterən/
verb
1. doen wat iemand anders doet
имити́рам
adjective
1.
грамаден
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
Имиграция
verb
1. een land binnenkomen om zich er te vestigen
емигрирам
adjective
1. van iets dat het op korte termijn kan gebeuren
немину́ем
noun
1. onvatbaarheid voor een ziekte
имунитет
noun
импала
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
импеданс
noun
1. de vorm waarin een werkwoord gebruikt wordt als iets zeker gedaan moet worden
повелително наклонение
noun
1. iets dat niet helemaal goed is
несъвършенство
noun
англи́йски
noun
империали́зъм
noun
империали́ст
/ɪmˈperijʏm/
noun
импе́рия
adjective
1. te intiem en niet ter zake doende
нагъл
noun
1. een stof, voorwerp, toestel etc. dat in een lichaam wordt aangebracht
имплантат
noun
1. verwikkeling
подтекст
verb
1.stilzwijgend ten gevolge hebben
загатвам
verb
1. ontzag inboezemen
впечатлявам
verb
внасям
adjective
импотентен
noun
1. onvermogen tot geslachtsgemeenschap
импотентност
noun
впечатле́ние
noun
импресионизъм
noun
импресионист
noun
1. ter plekke verbeterde versie van een muziekstuk, voorlezing enz.
импровизация
verb
1. iets bedenken zonder vooropgesteld plan
импровизирам
/ɪmˈpʏls/
noun
2. product van massa en snelheid
Импулс
preposition
  1. 1.-12. in (ruimtelijk)
  2. 2. in (tijdelijk)
в
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
вме́сто
verb
1. lucht uit de omgeving opnemen
вди́шам
noun
1.
вди́шване
/ˈɪmblɪkə(n)/
verb
1. voedsel conserveren door het in een blikken vat luchtdicht te verpakken
консервирам
noun
1. het inbreken
кражба чрез взлом
noun
1. iemand die inbreekt
крадец с взлом
noun
1. iets schenden
нарушение
noun
кръвосмешение
/ˈɪntʃɛˌkə(n)/
verb
1. zich aanmelden aan een balie om een instapkaart te krijgen en eventueel bagage af te geven.
регистрирам се
preposition
1. met inbegrip van
включително
/ˌiŋkɔmpəˈtɛn(t)si/
noun
некомпетентност
noun
инкубатор
/ˌɪndərˈdad/, /ˌɪndərˈdat/
adverb
1. een bevestiging dat iets het geval is
наистина
/ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
Индия
noun
1. de vorm van het werkwoord die de werkelijkheid aangeeft
изявително наклонение
noun
показател
adjective
косвен
/ˈɪndis/
adjective
2. op India betrekking hebbend of daarvan afkomstig
инди́йски
/ˌɪndisəˌosiˈan/, /ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
Индийски океан
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
  1. индий
  2. и́ндий
/ˌɪndiviˈdy/
noun
  1. 1. een enkele persoon in het bijzonder
  2. 2. met negatieve bijbetekenis persoon
индиви́д
adjective
1. afzonderlijk, op zichzelf
индивидуален
noun
инди́ец
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Индокитай
/ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
Индонезийски
/ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Индонезия
/ˈɪndrʌk/
verb
впечатление
adjective
1. een grote indruk achterlatend
впечатляващ
noun
индуктивност
noun
  1. 1. gevolgtrekking
  2. 2. het opgang komen van een ontwikkeling door beïnvloeding door een ander deel
  3. 3. de beïnvloedende werking op andere mensen
  4. 4. het redeneren uitgaande van de afwijking
  5. 7. spanningsopwekking in geleider
въвеждане
noun
1. Nijverheid
промишленост
verb
свивам се
noun
1.
безрезултатност
noun
1. traagheid
инерция
noun
1.
инесив
noun
1.
пехоти́нец
/ɪnfɛk'terən/
verb
заразявам
noun
1. een besmetting van lichaamsweefsel met ziekteverwekkers als bacteriën, virussen, schimmels of...
инфе́кция
adjective
  1. 1. minderwaardig
  2. 2. (militair) lager in rang, ondergeschikt
нискокачествен
adjective
а́дски
noun
просмукване
verb
инфилтри́рам
/ɪɱfinitif/
noun
1. het hele werkwoord
инфинитив
noun
1. stijging van het prijspeil waardoor het geld in waarde daalt
инфла́ция
noun
1.
инфлуе́нсър
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
информатика
noun
1. beoefenaar van de informatica
информатик
noun
1.
информация
noun
информационна сигурност
noun
1. samenleving, waarin informatie als de belangrijkste productiefactor gezien wordt.
информацио́нно общество́
noun
1.
информационна система
adjective
инфрачервен
/ˈɪɱfrastrʏktyr/
noun
1. het totaal van onroerende voorzieningen zoals (spoor)wegen, vliegvelden,...
инфраструкту́ра
noun
2. een opening waar iets doorheen kan
вход
/ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
инженер
noun
1.keurige en bescheiden manier van doen
въздържаност
adjective
1. niet eenvoudig en zeer samengesteld
объ́ркан
noun
1. de mate waarin iets complex is
обърканост
noun
компонент
/ˈɪŋɣrep/
verb
интерве́нция
noun
инхалатор
/'ɪnɦɑm/
noun
Вдлъбнатина в скала
/ɪnˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens voorkomend
местен
noun
1. iemand die ergens al woont sinds zijn/haar geboorte
коренен
adjective
1. onlosmakelijk verbonden
вроден
/ˈɪnhɑut/
noun
  1. 2. ruimtelijke capaciteit
    обе́м
  2. 1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
    съ́щност
  3. 3. alles wat in een geschrift of ander medium staat
    съдържа́ние
noun
1. overzicht van de onderwerpen of hoofdstukken in een boek
съдържание
noun
1. feestelijke gelegenheid waarbij iemand wordt gehuldigd, zoals een koning/vorst door diens onderdanen, bij aanvaarding van diens ambt
въве́ждане в длъ́жност
/ini(t)ʃali'zerə(n)/
verb
1.
инициализирам
verb
1. het inbrengen van een vloeistof in een gesloten vat of lichaam middels een holle naald
впръсквам
noun
инжекция
noun
спринцо́вка
noun
1.
жлеб
noun
1. regelmatig verkregen som geld
до́ход
verb
съкращавам
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
мастило
/ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
масти́лница
/ˈɪŋktfɪs/
noun
1. een koppotig weekdier met vangarmen dat een inktachtig vocht afscheidt ter verdediging
главоног
/ˈɪnlɛɪdɪŋ/, /ˈɪnlɛːdɪŋ/
noun
1. een tekst waarmee men een indruk probeert te geven van de inhoud van een langere tekst
внасяне
/'ɪnlevɪŋsvərmoxə(n)/
noun
1. de kunde of vaardigheid om zich in te leven in de situatie en gevoelens van anderen
емпа́тия
/ˈɪnlɛɪvə(n)/
verb
  1. 2. het toe-eigenen van een grondgebied
    анекси́рам
  2. 1. iemand in een groep opnemen
    включвам
verb
мариновам
verb
1. verschuldigd geld in ontvangst nemen
осребрявам
verb
1. iets nieuws bedenken of maken
нововъве́ждам
noun
1. enten
ваксина́ция
/ˈɪmpɑkə(n)/
verb
2. in een omhulsel doen
опако́вам
/ɪ'mplɛnə(n)/
verb
1.
планирам
noun
1. een rechtbank van de Rooms-Katholieke Kerk, die was belast met de opsporing, het onderzoek en het opleggen van straffen van ketters
инквизиция
verb
1. een lidmaatschap of deelnemerschap schriftelijk vastleggen
впи́свам
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
насекомо
adverb
подобно
adjective
незначителен
verb
намеквам
noun
1. horizontale draden die tijdens het weven tussen de opgespannen draden van de schering worden ingebracht
вътък
verb
1. iets door de keel de slokdarm in doen bewegen
гълтам
/ˈɪn.slœʏ̯.tə(n)/, /ˈɪn.slœː.tə(n)/
verb
3. iets bijvoegen
прилагам
verb
2. zich ~: moeite doen
напря́гам
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
  1. усилие
  2. напрягане
verb
1. grondig en nauwkeurig bekijken
прегле́ждам
noun
инспе́ктор
noun
1. een grondige en nauwkeurige controle
инспе́кция
/ɪnspi'rasi/
noun
1. een gevoel over hoe men een klus kan aanpakken
вдъхновение
verb
1. de geest gaande maken
внушавам
noun
1. onbestendigheid
нестабилност
noun
  1. 3. een min of meer plechtige en officiële inwijding in een bepaald ambt
  2. 8. een kunstvorm
инсталация
verb
  1. 1. de formele aanvang van een officiële functie
  2. 2. het invoeren en gebruiksklaar maker van een computerprogramma
  3. 3. het aanleggen van een installatie
намествам
noun
2. organisatie, die vaak subsidie van de overheid krijgt en geen geld wil verdienen
институ́ция
noun
подстрека́телство
noun
1. gedrag dat geheel genetisch bepaald is
инсти́нкт
adjective
инстинктивен
adjective
1.
инстинктивен
verb
1. zwichten voor de zwaartekracht
срутвам се
noun
1. een order, een aanwijzing
инструкция
verb
инструктирам
noun
1. werktuig
  1. оръдие
  2. сечиво
adjective
инструментал
/ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
инсулин
adjective
1. in goede staat, onaangetast
непокътнат
/ɪnˈtexə(n)del/
adverb
напро́тив
adjective
интегра́л
noun
интегра́л
/ɪntəˈɣra(t)si/
noun
интегра́ция
/ɪntɛli'xɛnt/
adjective
1. met een goed verstand of daarvan blijk gevend
интелигентен
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
интелигентност
noun
коефициент на интелигентност
noun
1.
интелиге́нция
adjective
1. zeer krachtig, hevig
напрегнат
verb
засилвам
noun
1. onderlinge beïnvloeding
обще́ние
adjective
1. tussen de ribben
междуребрен
adjective
1. wekt interesse
интересен
noun
  1. 1. belang
  2. 2. belangstelling
  3. 3. iets waar belangstelling voor is
интерес
verb
1. nieuwsgierig maken
заинтересувам
noun
ли́хва
noun
и́нтерфейс
noun
3. gezamelijke werking van golven
интерфере́нция
adjective
1. inwendig, binnen
вътрешен
/ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
международен
pronoun
Международен валутен фонд
pronoun
Международно бюро за мерки и теглилки
verb
1. een verplichte verblijfplaats aanwijzen
интерни́рам
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
интернет
noun
1.
интерне́т кафене́
noun
1. uitlegging, vertaling
обяснение
verb
1. uitleggen of opvatten
обяснявам
/'ɪntɛrpɵŋktsi/
noun
пунктуа́ция
noun
  1. 1. tussenperiode
  2. 3. de afstand tussen twee verschillende tonen
интерва́л
noun
1. vraaggesprek met iemand over diens opvattingen en ervaringen
интервю̀
verb
1.een vraaggesprek met iemand houden
интервюирам
adjective
bijvoeglijk gebruikt
удобен
/ɪntimi'dɪːrə(n)/
verb
1. iemands gedrag beïnvloeden door hem angst aan te jagen
изпла́ша
noun
1. onverdraagzaamheid
алергия
noun
1. vergiftiging
отравяне
adjective
1. zonder de mogelijkheid van een lijdend of meewerkend voorwerp
непрехо́ден
noun
1. onovergankelijk werkwoord
непрехо́ден
adjective
1. in de ader gelegen of plaatvindend
вено́зен
noun
  1. 2.
  2. 3.
интри́га
verb
  1. 1. interesse wekken, fascineren
  2. 2. met slinkse streken te werk gaan
интриганствам
adjective
присъщ
verb
  1. 1. iets nieuws inbrengen of invoeren
  2. 2. een nieuw persoon toegang verschaffen
  3. 3. iemand voor het eerst voorstellen
внедрявам
/ɪntroˈdʏksi/
noun
de presentatie van iets nieuws, of de inleiding van een nieuwkomer
внасяне
adjective
натрапчив
/ɪn'tʌsə/
adverb
1. gedurende de tijd die het genoemde vereist
междувре́менно
pronoun
инуктитут
noun
1. invasie
агре́сия
noun
агре́сия
noun
о́пис
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
вложе́ние
verb
1.
смазвам
/ˈɪnvluːt/
noun
  1. 1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
  2. 2. het vermogen om op anderen in te werken
влия́ние
adjective
влия́телен
noun
1. een kring of gebied waarbinnen iemand of een staat invloed heeft
сфе́ра на влия́ние
/ˈɪnvurə(n)/
verb
  1. 2. gegevens in een electronisch apparaat stoppen
    1. вкарвам
    2. въвеждам
  2. 1. iets nieuws introduceren
    въвеждам
/ɪɱ.'wɛn.dɪx/, /ɪɱ.'ʋɛn.dəχ/, /ɪɱ.'β̞ɛn.dəx/
adjective
вътрешен
noun
1. immigratie
имигра́ция
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Йо
/jɔn/
noun
йон
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Zuid-Italië en West-Griekenland
Йонийско море
noun
йоносфе́ра
pronoun
1.
ира́нски
/i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
  1. Ирак
  2. Ира́к
/i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
  1. Иран
  2. Ира́н
noun
иранец
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
иридий
noun
  1. 1. orgaan in het oog van vele organismen
  2. 2. benaming voor planten uit het geslacht Iris
ирис
noun
1. regenboogvliesontsteking
ири́т
/ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
иро́ния
adjective
1.
ирони́чен
adjective
1. van geen belang voor de huidige zaak
ирелевантен
/ˌɪ.ri.ˈɣa.si/, /ˌɪ.ri.ˈχa.tsi/
noun
1. het op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien
напояване
verb
1. op onaangename wijze prikkelen
дразня
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
ислям
pronoun
Исламабад
noun
1. ruimtelijke afzondering
изола́ция
verb
  1. 1. persoonlijk
  2. 2. chemisch
  3. 3. elektrisch
  4. 4. warmte
изолирам
noun
изоморфизъм
noun
изотоп
/ˈɪs.ra.hɛl/, /ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
  1. Израел
  2. Израе́л
noun
1. een smalle strook land die twee grotere landmassa's verbindt
про́влак
/italiˈjaːn/
noun
1. een persoon die uit Italië komt
италианец
/italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
италиански
/italiˈjaːnsə/
noun
1. vrouwelijke persoon die uit Italië komt
италиа́нец
/iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
  1. Италия
  2. Ита́лия
noun
1. herhaling
итера́ция
adjective
повтарящ се
suffix
  1. 1.
  2. 2.
и́т
noun
слонова кост
/i.ˈvoːr.kʏs/, /i.ˈvoːr.kʏst/, /i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
Кот д'Ивоар
adjective
от слонова кост
pronoun
. spelwoord voor de letter i
Исаа́к
/jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
да
/jaː/
interjection
1. kreet van opwinding
да
/ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
  1. година
  2. годи́на
/ˈjar.ɣə.ˌtɛɪ̯.də/, /ˈjar.ɣə.ˌtɛː.də/, /ˈjar.χə.ˌtɛɪ̯.də/
noun
1. een deel van een jaar met unieke eigenschappen
да се изсуши
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
годи́шно
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adverb
годи́шно
/jɑxt/
noun
  1. 1. het achtervolgen van wild
    лов
  2. 3. een snel vaartuig
    я́хта
noun
1. hond die speciaal gefokt wordt voor de jacht
хрътка
noun
1. zeer snel, betrekkelijk groot Afrikaans katachtig roofdier, Acinonyx jubatus
гепа́рд
/ˈjaːɣə(n)/
verb
1. bewegende wezens proberen te vangen
ловя́
noun
1. iemand die op jacht gaat
ловец
noun
ловец-събирач
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
ягуар
noun
як
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
чакал
pronoun
Я́ков
noun
1. benaming voor bepaald soort mosselachtig schelpdier
кръгла мида
/jaˈkobʏs/
pronoun
Яков
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
ревни́в
/ʃɛm/
noun
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
  1. мармалад
  2. конфитюр
/(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Ямайка
noun
ямб
interjection
1. uitroep van teleurstelling
жа́лко
/jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
януари
pronoun
  1. 2. Romeinse god
  2. 3. maan
Янус
/jaˈpɑn/, /jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
  1. Япония
  2. Япо́ния
noun
японец
/jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
японски
/jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
  1. японски
  2. япо́нски
pronoun
1. taalfamilie van Japans en een tiental verwante talen die in Japan worden gesproken
Японски езици
noun
1. lang kledingstuk voor vrouwen
рокля
noun
1.
жаке́т
noun
яспис
noun
1.
ятага́н
/jeˈhova/
pronoun
Йехо́ва
/ˈjemən/, /ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
  1. Йемен
  2. Йе́мен
pronoun
1. en 2.
Йена
/jə'nevər/
noun
1. gedestilleerde alcoholische drank vervaardigd op basis van graan (mout)
йене́вер
noun
1. Juniperus communis
хвойна
noun
1.
туба
/dʒɛt/
noun
1. een straalvliegtuig
реактивен
/ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
младини
adjective
1. jong, fris, onbevangen
млад
noun
1. kriebel
сърбеж
verb
сърби ме
/ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Исус
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Иисус Христос
/je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
йезуи́т
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
Джаркха́нд
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
подагра
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
идиш
adjective
1. taal van Asjkenazische joden
и́диш
noun
джихад
/jEi/, /jɛɪ̯/, /jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
ти
noun
1.
джингоизъм
/'jɔb/
pronoun
Йов
/joˈdin/
noun
1.
евре́йка
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
йод
pronoun
Югославия
pronoun
2.1 een van de vier Evangeliën
Йоан
noun
pожков
verb
джо́кер
/ˈjɔ.kə(n)/
verb
2. een relatief onschuldige leugen vertellen
послъгвам
adjective
1. van geringe leeftijd
млад
noun
1. onvolwassen man
момче
/jɔŋˈle.rə(n)/
verb
жонглирам
/jɔŋˈlør/
noun
  1. 2. rondreizend artiest
  2. 3. de artiest die zo veel mogelijk objecten weet op te gooien...
жонгльо́р
noun
1. schip
джонка
/jot/
noun
евреин
noun
  1. 1. aanhanger van het joodse geloof
    евреин
  2. 1. element jodium
    йод
adjective
1. te maken hebbend met het joodse geloof, het jodendom
еврейски
phraseologicalUnit
1.
Бог зна́е
/jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
  1. Йордания
  2. Йорда́ния
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
журналист
noun
журнали́ст
/jɑu̯/
possessivePronoun
1.
твой
adjective
1. opgewekt en tegelijk aardig en vriendschappelijk in de omgang
сърдечен
/jybələ/
verb
1. juichen
лику́вам
noun
1. feestelijke herdenking van de dag waarop iets gebeurde of begon
пра́зненство
pronoun
2. boek in de Bijbel
Ю́да
noun
1. vriendelijk gebaar van een iemand die veinst een vriend te zijn, kort voordat zijn ware bedoelingen duidelijk worden
целувката на Юда
/'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
джудо
/jʏˈfrɑu/
noun
госпо́жица
/jœyɣən/
verb
1.
аплодирам
adjective
1. zoals het moet, waar
ве́рен
noun
1. houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten verbindt
и́го
noun
1. een van de beenderen van de schedel
скула
/jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
  1. юли
  2. ю́ли
pronoun
Юлска революция
/ˈjʏli/
personalPronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
вие
noun
джу́нгла
noun
1. de zesde maand van het jaar
  1. юни
  2. ю́ни
noun
1. een verzamelnaam voor snel bereid en geserveerd voedsel dat vaak ongezond is
джънк фуд
noun
1. groep hoge militairen die samen de baas zijn over het bestuur van een land
ху́нта
/ˈjypiˌtɛr/
pronoun
Юпитер
adjective
1. betrekking hebbend op het recht en de rechtsleer
юридически
noun
1. een deskundige op het gebied van rechtsleer
юрист
/jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
рокля
noun
1. een groep mensen die oordeelkundig geacht wordt en gevraagd een oordeel ergens over uit te spreken
жу́ри
noun
1. saus voor spijzen, bereid uit vleesnat
зали́вка
noun
1.
сосиера
adjective
de bastvezels
юта
noun
1. sieraad van grote schoonheid en hoge waarde
скъпоце́нен ка́мък
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
бижуте́р
noun
1. het naast elkaar zetten van meerdere zaken om zo een verband te suggereren (dat er soms helemaal niet is)
контра́ст
noun
кей
noun
1. krokodilachtige uit de onderfamilie Caimaninae van de familie alligators
кайма́н
pronoun
Кайманови острови
noun
1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
че́люст
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
тетанус
noun
1. klap in het gelaat
шамар
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
плеши́в
noun
1. het kaal zijn
плеши́вост
noun
1. een in zee vooruitstekende landpunt
нос
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
нос До́бра Наде́жда
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
Кейптаун
/kab.ˈvɛr.di.jə/, /kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
  1. Кабо Верде
  2. Зеле́ни нос
verb
1. het behandelen van ruwe katoen of wol met behulp van een kaard
кардирам
/kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
свещ
noun
  1. 1. schematische afbeelding van een ruimtelijk gebied op een plat vlak in een verkleinde schaal
    карта
  2. nog in te delen vertalingen
    1. меню
    2. карта
  3. 2. bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
    пощенска картичка
noun
2. papier(tje) of digitaal document als bewijs dat je ergens recht op hebt, zoals toegang of deelname
биле́т
/kartspɛl/
noun
  1. 1. een spel met speelkaarten
    [[игра́]] на [[ка́рти]]
  2. 2. een spel kaarten
    трупа
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
  1. сирене
  2. кашкавал
noun
1.
тензу́х
noun
слез
/ˈkasxaf/, /ˈkasχaf/
noun
1. een gebruiksvoorwerp waarmee een dun plakje van een stuk kaas kan worden gesneden
нож за сирене
/'kɑbələ(n)/
verb
1. zacht stromen en geluid maken
ромоля
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
кабел
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
  1. треска
  2. тре́ска
noun
кабине́т
/'kabul/
pronoun
1. Afghaanse stad/provincie
Кабул
noun
1. sprookjesfiguur
гном
/ˈkɑ.xəl/, /ˈkɑ.xəɫ/, /ˈkɑ.χɔɫ/
noun
1. een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
пе́чка
/ˈkɑxtəl/, /ˈkɑxtəɫ/, /ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
конче
noun
1. dood lichaam van een dier
мърша
noun
1. beschoeide of gemetselde oeverstrook waaraan de schepen kunnen aanleggen
кей
noun
1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
ра́мка
/kɑf/
noun
1. de vliezen rondom de graankorrels
пля́ва
noun
1.
кафта́н
noun
1. een gesloten kano om in wild water of op zee te varen
каяк
noun
1. overdekte gemeenschappelijke verblijfplaats op schepen
каюта
verb
1. geluiden voortbrengen zoals kippen dat doen
кудкудякам
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
хлебарка
noun
1. rommelig geheel van vele klanken door elkaar
какофония
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
  1. календар
  2. календа́р
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
теле
noun
те́лешко месо́
noun
халиф
noun
халифа́т
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
калий
/ˈkɑl(ə)k/
noun
aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium
вар
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
пуйка
noun
варо́вик
noun
1.
калиграфия
/kɑlm/
adjective
1. weinig in beroering, zonder opwinding
мирен
verb
1. kalm worden
стихвам
/ˈkɑlmus/, /ˈkɑɫmus/
noun
аи́р
noun
споко́йствие
verb
1. een jong baren bij runderen
отелвам се
/kɑm/
noun
1. getand object om haren mee te verzorgen
гре́бен
/kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
  1. камила
  2. ками́ла
noun
камиловъдство
/ka'melejɔn/
noun
  1. 1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
  2. 2. veranderlijk persoon
хамелеон
noun
1. deel van een huis
камера
noun
друга́р
noun
1. een lange huisjas
конфуз
noun
камерна музика
/ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
  1. Камерун
  2. Камеру́н
noun
стайна температура
noun
ка́мфора
/kɑmikazə/
noun
2. aanval op een sterkere vijand waarbij het onvermijdelijk is dat men zelf sterft
камика́дзе
/kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
реша
noun
  1. 1. een plaats waar een aantal troepen geruime tijd of permanent gehuisvest zijn
  2. 2. een kampeerplaats met een groep van bij elkaar horende tenten
ла́гер
noun
1. iemand die, gewoonlijk tijdens de vakantie, in een tent bivakkeert
лагерник
verb
1. een vorm van openluchtrecreatie
лагерувам
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
орлови нокти
/kɑmpiun/
noun
1. de winnaar van een kampioenschap
победител
noun
1. wedstrijd waar bepaald wordt wie de kampioenstitel mag dragen
първенство́
noun
1. serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
тенекиена кутия
pronoun
Ла Ма́нш
/ka'naːl/
noun
  1. канал
  2. кана́л
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
канарче
pronoun
1. een stad gelegen in Zuid-Afghanistan en de hoofdstad van de gelijknamige provincie
Кандахар
noun
кандела́бър
/kɑndiˈdat/
noun
  1. 1. iemand die zich verkiesbaar gesteld heeft voor een politiek ambt
  2. 2. iemand die zich beschikbaar gesteld heeft voor een baan of functie
кандидат
noun
1.
кандида́т
/kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
  1. канела
  2. дарчин
noun
1. tot poeder vermalen kaneel
канела прах
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
кенгуру
noun
1.
канджи
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
рак
noun
1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
каниба́л
noun
кану
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
топ
noun
1.
канонерка
noun
  1. 1. mogelijkheid dat er iets gaat gebeuren
    1. вероятност
    2. шанс
  2. 2. een mooie gelegenheid
    1. възможност
    2. вероятност
noun
1. een kerkelijk, meestal verhoogd, meubelstuk waarvanaf de voorganger in de dienst zijn preek uitspreekt
амвон
noun
  1. 1. eerste minister
  2. 2. hoofd van een kanselarij
ка́нцлер
/kɑnt/
noun
  1. 1. een vorm van vlechtwerk
    данте́ла
  2. 3. zijde
    страна
/kɑnˈtel/
noun
1. elk van de opstaande delen van de getande bovenkant van (oude) verdedigingsmuren
зъ́бер
noun
1. eetgelegenheid in bedrijven, scholen, verenigingen
ла́вка
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
бюро
noun
каолин
/kɑp/
noun
2. een bedekking van het hoofd
капа́к
noun
1. klein kerkgebouw
параклис
noun
1. een priester van de katholieke kerk, werkzaam in een parochie
капела́н
verb
отвличам
noun
1. vroegere zeerover...
капер
noun
1. onverwerkt hout, gevelde bomen
[[дъ́рвен]] [[материа́л]]
noun
1.
капите́л
noun
  1. 1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
  2. 2. (beroep) (militair) een rang in de hiërarchie net boven die van luitenant
капита́н
noun
1.
глава́
/'kɑpmɛs/
noun
1. stevig mes
маче́тe
noun
кастриран петел
adjective
    1. 1. gebroken
    2. 2. niet meer goed functionerend
    повреден
  1. 4. erg moe
    уморен
verb
развалям
noun
фризьор
/kɑpsɛɪ̯zə(n)/, /kɑpsɛːzə(n)/
verb
1. ondersteboven komen liggen
прекатурвам се
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
подстригване
noun
коафьо́р
noun
1. een tafel met een spiegel erboven en met laatjes voor toiletbenodigdheden
тоале́тка
noun
1. voertuig
кару́ца
noun
1. tafelfles met wijde buik en smalle hals
Гарафа
noun
  1. 2. letter
    хара́ктер
  2. 1. aard
    характер
verb
характеризирам
noun
1. gebrande suiker
карамел
verb
1. door verhitting, suiker omzetten tot karamel
карамелизирам
noun
1. vorm van vermaak, waarbij muziek wordt afgespeeld van een lied, en de amateur zanger in een microfoon de tekst (die op een televisiescherm te lezen is) live zingt
карао́ке
noun
1. japanse gevechtsport
карате
noun
1.
керва́н
/kɑrboˈnadə/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
котлет
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bubalis bubalis
индийски бивол
noun
plant en zaad
кардамон
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
кардинал
/kɑˈrelɪə/
pronoun
1. deel van Rusland
Карелия
noun
1. een zoogdier uit de familie der hertachtigen
кари́бу
pronoun
1.
Каринтия
noun
1. een rode kleurstof die wordt gewonnen uit een soort schildluis, de Cochenilleluis, Dactylopius coccus Costa
кармин
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het zuiden van het land
Карна́така
noun
1. gefermenteerde melk
мътеница
pronoun
Карпати
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
шаран
noun
1. de verzameling verschijnselen die samenhangen met de oplosbaarheid van kalksteen onder invloed van koolzuur in de atmosfeer
карст
noun
колон
/kɑrˈtɔn/
noun
  1. 1. bordpapier
    карто́н
  2. 2. verpakking
    кашо́н
noun
каравела
noun
plant, zaad en specerij
ким
/'kɑs/
noun
3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...
парник
pronoun
Кашмир
pronoun
1. een Westslavische taal die gesproken wordt in het oosten van Pommeren
кашубски
noun
1.
блокбъ́стър
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
Каспийско море
noun
3. machine om ontvangen geld te registreren en te bewaren
ка́сов апара́т
noun
1. iemand die het beheer heeft over de kas en de mutaties ervan bijhoudt
касие́р
/kɑs/, /kɑst/
noun
1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
  1. гардероб
  2. шкаф
noun
  1. 1. de boom
  2. 1. de vrucht
кестен
adjective
кестеняв
noun
1. streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
каста
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
замък
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
  1. коткa
  2. котка
noun
2. afzonderlijk karakter uit het Japans lettergreepschrift voor leenwoorden
катакана
noun
катализа́тор
noun
  1. 1. belegeringswapen
  2. 2. speeltuig
  3. 3. lanceerinrichting voor vliegtuigen
катапу́лт
noun
2. gevolgen van alcoholgebruik
махмурлук
/kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
катедрала
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
катетър
noun
1-2 scheikunde + elektronica
като́д
/ˌka.to.ˈlik/
adjective
  1. 1. overeenkomstig de geloofsleer van de Katholieke Kerk
  2. 2. te maken hebbend met de Katholieke Kerk
католически
noun
катион
/kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
памук
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
макара́
noun
ба́бица
noun
1. bepaald soort loofboom Salix viminalis
ракита
pronoun
1. gebergte
Кавка́з
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
чавка
verb
дъ́вча
noun
1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
дъвка
noun
дъвка
noun
хайве́р
noun
1. inwoner van Kazachstan
казах
pronoun
1. een taal die van oorsprong door de Kazachen in Kazachstan gesproken werd
каза́хски
/ˈka.zɑx.stɑn/, /ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
Казахстан
noun
1. inwoner van Kazachstan
каза́х
noun
1. een tegen vijandelijk vuur gedekte en van schietgaten voorziene ruimte voor de opstelling...
каземат
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
ка́зула
pronoun
1. oudste zoon van Adam en Eva
Ка́ин
/keːl/
noun
  1. 1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
    гърло
  2. heraldiek
    червен
noun
1. pijnlijke irritatie van het slijmvlies in de keelholte, meestal door een ontsteking ervan
възпалено гърло
/keːp/
noun
2. kleurrijke vinkensoort
планинска чинка
/ˈkipər/
noun
вратар
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
път
noun
тропик
noun
повратна точка
noun
1.
тура
/ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
конус
noun
1. een kromme gevormd door het snijden van een kegel met een plat vlak
конично сечение
noun
1. brok gesteente
балван
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
  1. император
  2. цар
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
императри́ца
adjective
имперски
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
  1. империя
  2. импе́рия
noun
1. operatieve verlossing
цезарово сечение
noun
1. een ondergrondse bergruimte
зи́мник
noun
ку́бок
noun
  1. келнер
  2. сервитьор
/ˈkɛl.tis/, /ˈkɛɫ.tis/
adjective
1. met betrekking tot Kelten
ке́лтски
noun
1. bepaald soort vogel, Calidris pugnax
бойник
/ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
Кения
/ˈkɛ.nəl/
noun
кучешка колиба
verb
  1. 1. bekend, vertrouwd zijn met
  2. 2. door studie of oefening geleerd hebben
зна́я
noun
познава́ч
/ˈkɛnɪs/
noun
  1. 1. wat je weet of hebt geleerd
    знание
  2. 1. iemand met wie men bekend is
    позна́йник
/ˈkɛpəl/
noun
1. hoofddeksel in de vorm van een ondiep bolsegment
ермо́лка
noun
kерамика
noun
1. oogbindvliesontsteking
възпаление на роговицата
noun
1. een ingesneden groef
жлеб
/kɛrk/
noun
  1. 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
    църква
    1. 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
    2. 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
    1. църква
    2. черква
/ˈkɛrk.bɑŋk/
noun
1. harde langwerpige constructie waar in een kerkgebouw waarop gelovigen tijdens een dienst kunnen zitten
църковна пейка
noun
1. bijeenkomst van een christelijke gemeente waarin God vereerd wordt
богослуже́ние
/kɛrkər/
noun
1. een ondergrondse ruimte die bestemd is voor het opsluiten van gevangenen
тъмница
noun
1. terrein waar overledenen begraven worden
гробище
pronoun
1. liturgische taal van de Slavische oosters-orthodoxe en oosters-katholieke Kerken
църковнославянски език
/ˈkɛrgœːl/, /ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
забулена сова
noun
1.
прелат
noun
1. energie geproduceerd door kernfusie of kernsplijting, waarmee in een kerncentrale elektriciteit wordt opgewekt
ядерна енергия
noun
1. een oorlog waarin beide strijdende partijen kernwapens gebruiken
а́томна война́
noun
1. natuurkundige reactie waarbij de samenstelling van een atoomkern veranderd wordt
я́дрена реа́кция
noun
ядрен реактор
noun
1. een rampzalige gebeurtenis waarbij de brandstof van een kernreactor smelt door het wegvallen van de koeling
разтопя́ване
noun
а́томно оръ́жие
noun
1. een vrij zware fractie alkanen die met name als vliegtuigbrandstof gebruikt wordt
кероси́н
noun
specerij
  1. Къри
  2. къри
noun
1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
череша
/kɛr.ˈsta.vɔnt/, /kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
Бъ́дни ве́чер
/ˈkɛrsd.bom/, /ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
коледна елха
noun
подарък за Коледа
/ˈkɛrs(t)məs/, /ˈkɛrsmɪs/, /ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
Коледа
noun
1.
черен кукуряк
/ˈkɛrstɛr/
noun
коледна звезда
noun
  1. 1. plant
    див керевиз
  2. 2. keukenkruid
    кервел
verb
1. met een scherp voorwerp een insnijding trachten te maken in een hard oppervlak
врязвам
noun
1. een saus op basis van tomaten
кeтчуп
noun
  1. 1. meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
    парен котел
  2. 2. waterketel
    ча́йник
/ˈke.təl.dɑl/, /ˈke.təɫ.dɑɫ/, /ˈkeː.təl.dɑl/
noun
1. een half cirkelvormige vallei gevormd door de erosie die een gletsjer veroorzaakt
циркус
noun
1. uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
вери́га
noun
1. een Indonesische sojasaus gemaakt van een mengsel van sojabonenmeel, grof gemalen tarwe, kruiden en zout
соев сос
verb
2. kaatsen
отскачам
noun
1. iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
ерети́к
/ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
ерес
noun
  1. 1. een aaneengesloten reeks van gelijksoortige elementen, gebeurtenissen etc.
  2. 2. een stevige, maar buigzame verbinding van in elkaar grijpende ringen of achtvormige schakels
  3. 5. schering, de rechte draden waartussen de inslag ingeweven wordt
верига
noun
1. motorzaag die een ketting met getande schakels heeft
верижен трион
/ˈkøːkə(n)/
noun
  1. 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
    кухня
  2. 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
    1. кухня
    2. ку́хня
noun
1. alle gebruiksvoorwerpen in de keuken
съдове за готвене
noun
1. een machine die veel verchillende werkzaamheden in de keuken kan vergemakkelijken
кухненски робот
noun
1. een met papier/gerecycled papier omwikkelde kartonnen rol die vaak in de keuken word opgehangen in een houder om vervolgens gebruikt te worden als je bijvoorbeeld een glas drinken omgooit
кухненска хартия
noun
1.
подвижна стълба
noun
1. uit natriumchloride bestaand voedingszout
готва́рска сол
pronoun
Кьолн
verb
1.zich een oordeel vormen over de waarde of deugdelijkheid van iets
изпитвам
noun
1. proces van het keuren
инспе́кция
noun
курфю́рст
/'kø:s/
noun
gelegenheid
избор
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
и́збор
/ˈkevər/, /ˈkɛvər/
noun
  1. 1. bepaald insect
    Бръмбара
  2. 2. bepaald type Volkswagen
    бръ́мбар
/ˈkiːbɔː(r)d/, /ˈkiːbɔː(r)t/
noun
  1. 1. een elektronisch muziekinstrument met een toetsenbord
  2. 2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
клавиату́ра
pronoun
1. taal die in Cambodja gesproken wordt
кхмерски
/kɪbələ(n)/
verb
1. woordenstrijd hebben
заяда се
/ˈkɪbuts/
noun
кибуц
/kɪk/
noun
удово́лствие
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
отвличам
noun
1.1 benaming voor roofvogels uit het geslacht Circus
ястреб блатар
noun
1. verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip
кил
noun
1. spoor van waterstroom (achter een schip)
килватер
noun
ембрио́н
noun
1. het proces, waarbij het in een zaad aanwezige embryo of kiem door de zaadhuid heenbreekt en vervolgens tot een kiemplant uitgroeit
покълване
adjective
1. een vrij grote tand die achter in de mond staat
кътник
adjective
1.
взискателен
noun
1. pijn in één of meerdere kiezen
зъбобо́л
noun
избирателно право
noun
1. de wijze waarop de volksvertegenwoordiging bij verkiezingen wordt gekozen.
избира́телна систе́ма
verb
1. het prikkelen van gevoelige stukken huid bij anderen door middel van licht aanraken
гъдели́чкам
noun
1. ademhalingsorgaan van vele in water levende dieren
хри́ле
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Киев
noun
обикновена калугерица
verb
1. uit meerdere mogelijkheden één nemen
избирам
noun
1. iemand die stemt bij een politieke verkiezing
избирател
verb
  1. гледам
  2. гле́дам
noun
1. iemand die kijkt
зри́тел
noun
1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
жаба
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
  1. нахут
  2. леблебия
/kɪl/
adjective
мразовит
abbreviation
1. kilogram
  1. килограм
  2. килогра́м
noun
1. duizend meter
километър
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
брадичка
noun
  1. 1. mens tussen 0 en 18 jaar
  2. 2. persoon voortkomend uit
дете
adjective
1. zich niet als volwassene gedragend alsof men nog een kind is
детински
noun
педиатрия
noun
1. een voertuig waarin zuigelingen of kleuters met de hand verreden kunnen worden
де́тска коли́чка
noun
хинин
/kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
  1. магарешка кашлица
  2. ко́клюш
/kɪp/
noun
  1. 1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
    кокошка
  2. 2. kippenvlees
    пилешко месо
noun
1. stukje wit kippenvlees zonder bot of vel
пилешко филе
noun
hok voor kippen
кокошарник
noun
1. orgaan dat een grote rol speelt in de stofwisseling van een hoen, na het slachten vaak gegeten als delicatesse
пилешки черен дроб
/ˈkɪpəvɛɫ/
noun
1. het verschijnsel waarbij als gevolg van kou de huid gaat kleine bubbeltjes vertoont
гъша кожа
noun
пилешка мазнина
pronoun
1. de taal die in Kirgizië gesproken wordt
кирги́зки
/kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
Киргизстан
/ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Кирибати
/kɪst/
noun
кути́я
noun
1. schijnkunst die niet aanslaat met veel versieringen en/of de verkeerde materialen waarvan de meeste mensen denken dat het wansmaak is
кич
noun
  1. 1. benaming voor vogels uit het geslacht Apteryx
  2. 2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
киви
noun
елегия
pronoun
Плачът на Йеремия
/klaːr/
adjective
  1. 1. in staat van gereedheid gebracht, gereed
    готов
  2. 2. helder, duidelijk
    све́тъл
adjective
1. kennelijk
очевиден
noun
1. helderheid, transparantie
чистота
noun
1. een aanklacht
бо́лест
verb
1. ongenoegen uiten
оплаквам се
noun
  1. 1. een plank of lat die haaks of schuin over andere is aangebracht
  2. 2. een klem of haak waaraan een touw kan worden bevestigd
кнехт
noun
1. in het algemeen wordt hiermee het totaal aan eigenschappen van een geluid aangeduid
звук
noun
фонетика
/ˈklɑŋknabotsɪŋ/
noun
  1. 1. het (proberen) een zelfde geluid te produceren
  2. 2. een woord dat is ontstaan uit het proberen een geluid na te doen
ономатопея
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
клие́нт
noun
1. plotselinge, luidruchtige slag
тря́сък
verb
1. applaudisseren
пляскам
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
мак
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
  1. кларинет
  2. кларнет
noun
1. het helder maken van een vloeistof
избистряне
/klɑs/
noun
1. een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
клас
noun
1. een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
кла́сна ста́я
noun
клас
/ˈklʌʊtərə(n)/
verb
1. klimmen, zich verticaal verplaatsen met behulp van alle vier de ledematen
катеря се с мъка
/klʌu/
noun
  1. 1. poot van een roofdier
  2. 2. hand
но́кът
noun
1. klauwplaat
цанга
noun
1. toetsinstrument
клавеси́н
noun
детелина
noun
1. kaartkleur
спати́я
verb
1. kleren aandoen
обличам
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
дрехи
noun
1.
дре́ха
noun
гримьорна
noun
шива́ч
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
шива́ч
/klɛɪ̯/, /klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
глина
adjective
1. van geringe grootte
малък
pronoun
Малечко Палечко
pronoun
Мала Азия
/ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
вну́чка
pronoun
1. een hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk sterrenbeeld
Ма́лка ме́чка
noun
1.
малка черногърба чайка
/ˈklɛːnɣɛlt/
noun
1. geld in kleine coupures, vooral in munten
дре́бни
/ˈklɛːŋkɪnt/, /ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
  1. внук
  2. внучка
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
внук
noun
1. verstelbare afsluiting
кла́пан
/ˈklepəl/
noun
peervormige staaf in een klok
ези́к
noun
1. de onweerstaanbare drang om te stelen
клептомания
/ˈkleː.rən/
noun
1. kleding of kledingstukken
дре́хи
verb
2. praten, babbelen
бърборя
noun
бъбри́ца
/kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
  1. цвят
  2. багра
adjective
1. zonder kleur
безцве́тен
noun
цветен молив
adjective
1. vol opvallende kleuren
колоритен
noun
1. stof waarmee men iets kleurt
багри́ло
verb
лепя́
/ˈkleːvərɪx/
adjective
1. vasthechtend bij aanraking
леплив
noun
кли́ка
noun
2. orgaan
  1. жлеза
  2. жлеза́
/ˈklivə(n)/
verb
1. langs een scherp breukvlak in tweeën hakken
разцепвам
noun
1. steile hoge rots
kанара
verb
1. een klikkend geluid maken
кликване
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
  1. климат
  2. кли́мат
noun
1.
измене́ние на кли́мата
noun
1. de verandering van het klimaat in een bepaald gebied over een bepaalde periode, m.n. de wereldwijde opwarming sinds de 19e eeuw
изменение на климата
noun
kлиматична зона
/klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
климатоло́гия
verb
1. het bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
изкачвам се
/'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
бръшлян
noun
1. sport- of speeltoestel waarop men klimt
катерушка
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
клингонски
noun
1. een inrichting waar patiënten worden verpleegd
кли́ника
adjective
1. direct voor de arts (hulpverlener) zichtbaar
клиничен
/klɪŋk/
noun
  1. 1. handvat om de deur te openen of te sluiten
    дръжка
  2. 2. constructie om een deur gesloten te houden
    мандало
verb
1. een bepaalde klank voortbrengen
звуча
/ˈklɪŋkər/
noun
1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
гла́сна
noun
1. een metalen verbinding tussen twee platen bestaande uit twee cilidrische delen die van weerszijden,...
нит
noun
1. plant met kleverige bloemknoppen
лопуш
noun
1., 2. plant met kleverige bloemknoppen
репей
noun
  1. 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
    камбана
  2. 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
    1. часовник
    2. часо́вник
noun
камбанка
noun
1. muziekinstrument met klokken
глокеншпил
noun
1. smal hoog bouwwerk met bovenin een of meer lui- of slagklokken of een carillon
камбанария
/klɔmp/
noun
1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
дървени обувки
verb
1. een identieke kopie van een levend wezen maken
клонирам
verb
1. klonten vormen
коагулирам
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
kаньон
/klon/
noun
1. een levend wezen dat een exacte genetische kopie is van een ander wezen
клон
/klostər/
noun
  1. 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
  2. 2. een kloostergemeenschap als zodanig
манастир
noun
гъз
noun
1.
полтъргайст
verb
    1. 2. hoorbaar bewegen
    2. 5. verslaan
    3. 4. in toestand brengen
    бия
  1. 1. tegen iets slaan
    чу́кам
/klœʏs/, /klœːs/
noun
1. een tegen inbraak en brand beveiligde kist of kast
сейф
noun
1. iemand die alleen en in afzondering leeft
отше́лник
/klyt/
noun
1. bepaald soort watervogel, Recurvirostra avosetta
саблеклюн
noun
1. tot een bol opgewonden draad
кълбо
noun
1.
кли́зма
/ˈknaxdiːr/, /ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
гризач
noun
1. jongen, jongeman
прислу́жник
verb
гриза
verb
1. met de tanden aanvreten
гриза
verb
1. een hard geluid of knal geven
гърмя
adjective
  1. 2. aantrekkelijk
    го́тин
  2. 1. verstandig
    умен
verb
1. de kaken op elkaar geklemd over elkaar bewegen, gewoonlijk uit ergernis of frustratie
скърцам
verb
1. een massa soepel maken door er steeds in te knijpen
меся
noun
1. bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
  1. обикновено конопарче
  2. конопарче
/ˈknøzɪŋ/
noun
1. een onderhuidse beschadiging van het zachte weefsel, veelal veroorzaakt door een bot voorwerp of een val
натъртване
noun
1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
коляно
noun
1.1. buiging als eerbetoon
колени́чене
verb
1. op de knieën gaan
коленича
noun
1. het schijfvormige bot in de knie
капачка на коляното
noun
1. een ouderwetse bril die op de neus geknepen werd gedragen
пенсне́
verb
1. tussen twee punten druk uitoefenen
щипя
noun
1.
кле́щи
/'knɪkə(n)/
verb
1. een verticale beweging met het hoofd maken
кимам
noun
1. balletje van glas, marmer, steen, hout of klei
топка
verb
  1. 1. met een schaar uitsnijden
  2. 3. (informatica) overnemen van informatie
разсичам
verb
1.
мигам
noun
1.
чеп
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
  1. чесън
  2. чеснов лук
noun
1. vingergewricht
става на пръст
verb
1. vechten
боря се
noun
  1. 1. verdikte plantenwortel.
    грудка
  2. 2. koolraap, een eetbare wortel van een plant uit het geslacht Brassica.
    цвекло
noun
ря́па
noun
ряпа
noun
    1. 1. in een draad
    2. 2. snelheidsmaat
    възел
  1. 3. aan een jas e.d.
    копче
noun
1. spleet die in een stuk stof is gemaakt zodat een ander stuk stof daaraan kan worden vastgemaakt
или́к
verb
1. een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
връзвам
noun
1. omhelzing
прегръдка
verb
1. omhelzen
прегръщам
/knʏl/
noun
1.
пич
noun
1. korte dikke stok, bedoeld om lijfstraf mee uit te delen
къса сопа
noun
1. een Australisch buideldier
коала
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
кобалт
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
паяк
noun
1. Ursus arctos middendorffi, de grootste beer en het grootste bekende landroofdier
кодиакска кафява мечка
noun
1. vrouwelijk rund
  1. крава
  2. скот
noun
  1. курабия
  2. сух сладкиш
verb
1. tot een klont, een koek worden
  1. курабий
  2. сухи сладкиши
noun
1. een platte pan met een lang handvat
тига́н
/[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
  1. бисквита
  2. курабия
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
  1. oбикновена кукувица
  2. кукувица
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
хладилник
noun
1. koelvloeistof
охлажда́щ аге́нт
noun
кумис
noun
  1. 1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
  2. 2. een ruimtelijke figuur, veelvlak
купол
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
  1. кюрдски
  2. Кюрдски
noun
1. kleine witte reigersoort
биволска чапла
noun
курс
noun
1. overdekte ruimte waarin koeien kunnen verblijven
обор
verb
1. iets geliefds nauw aan het hart houden
грижа се нежно
/ˌku.tər.ˈʋaːls/
noun
1. aanduiding voor een onverstaanbare taal
неразбираем език
noun
1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
каре́та
/ˈkuwɛɪ̯t/, /ˈkuʋɛɪ̯t/, /ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
  1. Кувейт
  2. Куве́йт
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
куфар
noun
1. het gedeelte van een auto waar de bagage in geplaatst wordt
багажник
noun
1. drank uit koffiebonen
  1. кафѐ
  2. кафе
noun
кафено зърно
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
Кафене
noun
лъжичка за кафѐ
noun
1. een huishoudelijk apparaat waarin koffiebonen kunnen worden gemalen
Кафемелачка
noun
  1. 3. metalen bal gebruikt bij kogelstaten
    гюле́
  2. 1-2. munitie
    куршу́м
noun
готвач
verb
  1. 1. vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
    варя
  2. 2. met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
    готвя
noun
1. bepaald soort zeevogel met een gekleurde kop en een lachende roep, Chroicocephalus ridibundus
речна чайка
/'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
кокосов орех
/ˈko.kɔsˌo.li/
noun
1. een soort olie gewonnen uit kokosnoten
кокосово масло
/ˈko.kɔsˌpɑlm/, /ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
коко́сова па́лма
noun
1. ganzensoort
голяма белочела гъска
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
колибри
noun
графа́
noun
1. een hoge militaire rang
полковник
adjective
1. betrekking hebbend op koloniën en het hebben van koloniën
колониа́лен
/'kolonijaˌlismə/
noun
1.
колониали́зъм
/koˈloni/
noun
1. een vestiging van een deel van een bevolking, buiten het eigenlijke territorium van dat volk
коло́ния
noun
колонизация
verb
1. koloniën vormen
колонизи́рам
noun
1. iemand die zich in een kolonie heeft gevestigd
колонист
noun
гига́нт
adjective
колоса́лен
noun
1. eetgerei zoals een bord, maar dan dieper
паница
/koˈmedi/
noun
1. een blijspel
коме́дия
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
комета
verb
1. bewegen van verder weg naar dichterbij
дохождам
noun
plant, zaden en specerij
кимион
adjective
комедиен
/kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
  1. краставица
  2. кра́ставица
/ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
запетая
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
компас
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
миньо́р
noun
присти́гане
pronoun
Свободна държава Конго
/kɔˈnɛɪn/, /kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
заек
/ˈkonɪŋ/, /ˈkoːnɪŋ/
noun
  1. 2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
    крал
  2. 1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
    1. крал
    2. цар
/konɪˈŋɣɪn/, /konɪˈŋɪn/, /koʊnɪˈŋɪn/
noun
  1. кралица
  2. царица
pronoun
1. een stad in het voormalige Oost-Pruisen
Калининград
noun
царски сан
noun
1. een bewuste moord op een koning.
цареубийство
/ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
кра́лски
/ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
  1. кралство
  2. кра́лство
noun
1. de billen, het achterwerk
гъз
noun
1. anus
гъз
noun
1.
конво́й
/koːɪ/
noun
1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
клетка
noun
boek waaruit men leert koken
готварска книга
noun
  1. 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
    въглен
  2. 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
    зеле
noun
1. reukloos gas dat ontstaat bij volledige verbranding van koolstof
въглеро́ден двуо́кис
noun
1. een bepaald type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
въглехидра́т
noun
голям синигер
noun
  1. бручка
  2. брюква
noun
алабаш
/ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
  1. въглерод
  2. въглеро́д
/kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
въглеводород
noun
рапица
/'kolzyr/
noun
1. H₂CO₃
въглеродна киселина
noun
1. iets wat men voordelig aanschaft
спазарявам се
noun
1. de hoeveelheid goederen of diensten die gekocht kan worden met een bepaald geldbedrag
покупателна способност
noun
търго́вец
noun
1. een groep mensen die samen zingen
хор
noun
1. streng van in elkaar gedraaide vezels
въже
noun
1. rechte tussen twee cirkelpunten
хо́рда
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
температу́ра
adjective
кашер
noun
1. hielbeentje van het paard
надкопитна става
noun
1. beentje van vinger of teen
фала́нга
noun
    1. 1. hoofd van een dier
    2. 2. hoofd van een mens
    3. 9. zijde van een geldstuk met een afgebeeld hoofd
    глава
  1. 1. porseleinen recipiënt met oor, om uit te drinken
    чаша
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
купувам
pronoun
1.
Копенхаген
noun
2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
  1. мед
  2. бакър
noun
1. een afschrift of andere reproductie van een document of ander voorwerp
ко́пие
noun
ръкопис
/kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
1. een duplicaat maken van
копирам
noun
1. kopje
чаша
/ˈkɔplɑmp/
noun
1. een witte of gele lamp aan de voorzijde van een voertuig
фар
noun
1. iemand die probeert mensen van verschillende groepen met elkaar in contact te brengen (met name voor een huwelijk)
свато́вник
verb
свързвам
noun
  1. 1. een constructie die in een motor of voertuig mechanische krachten op een te onderbreken wijze overbrengt
  2. 3. een verbindingsstuk
амбреа̀ж
noun
1. een werkwoord dat een eigenschap koppelt aan het onderwerp
връ́зка
/ˈkɔpəx/, /ˈkɔpəç/
adjective
1. vasthoudend aan eigen wil of inzicht
инат
noun
benaming voor dieren uit de klasse Cephalopoda
главоно́г
noun
1. stel van twee kleine luidsprekers die men tegen of in de oren plaatst
слу́шалки
noun
1. skelet van de koraalpoliep
кора́л
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan
Коралово море
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
Коран
adjective
1. vastbesloten, vastberaden
решителен
/koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Корея
/koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
корейски
noun
1.
крина
noun
1. een mand van vlechtwerk
ко́шница
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
Кориандър
noun
  1. op een bugel gelijkend koperen blaasinstrument
  2. 1. rang van vaandrig bij de cavalerie en de artillerie bij de Koninklijke Landmacht
корнет
noun
дрян
noun
1. een enkele zaad van graan
гранула
/ˈkɔrəlˌhaɣəl/
noun
суграшица
noun
корсет
/kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
кора́
noun
ли́шей
adverb
  1. 1. van geringe duur
  2. 2. van geringe lengte
  1. къс
  2. кра́тък
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
отстъпка
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie West-Vlaanderen
Кортрейк
/ˈkɔrt.slœy.tɪŋ/
noun
1. het plaatsvinden van een gewenste of ongewenste weerstandloze verbinding in een stroomkring
късо съединение
noun
корунд
noun
космология
noun
космонавт
noun
1. wereldburger die zich overal (en dus eigenlijk ook nergens) thuis voelt
космополит
noun
1. het gehele tijd-ruimte continuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
космос
adjective
1. op Kosovo betrekking hebbend
ко́совски
/ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
  1. Косово
  2. Ко́сово
noun
2. voedsel, als onderdeel van het dagelijks bestaan
храна
adjective
скъп
verb
1. als te betalen prijs hebben
струвам
noun
1. kerkelijke bediende, die met de zorg van het kerkgebouw, en het vlot verloop van de kerkdiensten belast is
клиса́р
noun
1. iemand die (tegen betaling) bij iemand anders voeding en onderdak ontvangt
пансионер
noun
1. een school waar de leerlingen vijf dagen per week niet alleen les volgen, maar ook maar ook kost en inwoning krijgen
интернат
noun
костю́м
noun
надничар
/kotəˈlɛt/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
котлет
verb
1. de maaginhoud via de mond weer naar buiten werken
повръщам
noun
катер
/kɑu̯/
noun
1. lage temperatuur
студ
/kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
студе́н
/kʌʊtˈbludəx/
adjective
  1. 1. niet de eigen lichaamstemperatuur regulerend
  2. 2. zonder emotie
безчу́вствен
/ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
Студ
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
гангре́на
/kaʊ̯s/, /kɔʊ̯s/, /kʌʊ̯s/
noun
1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
[[дъ́лъг]] [[чора́п]]
noun
1. lid van een hoofdzakelijk Slavisch ruitervolk
каза́к
/kraɪ̯/, /kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
  1. врана
  2. вра́на
/ˈkraɪ̯.jə/, /ˈkraː.jə/
verb
1. het voor de haan kenmerkende geluid voortbrengen
кукури́гам
/ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
хрущял
noun
мънисто
noun
щанд
noun
  1. 4. werktuig om voorwerpen in de hoogte te verplaatsen
  2. 3. mechanisme waarmee de stroming van vloeistof of gas geregeld kan worden
кран
noun
1.
чешмя́на вода́
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
жерав
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
  1. морски рак
  2. рак
verb
1. met de nagels bewerken
дра́скам
noun
1. vermogen om iets te verrichten
сила
adjective
1. beschikkend over veel kracht
мо́щен
noun
1. training die vooral is gericht op het ontwikkelen van meer spierkracht, ...
силова тренировка
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Краков
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
схващане
noun
безу́мие
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
вестник
/'krɑntəpaˌpir/
noun
1. een soort papier zoals waarop de kranten gedrukt worden
вестникарска хартия
noun
1. een lot waarbij men direct weet of men wel of niet gewonnen heeft als men een beschermfolie wegkrast
скре́ч карта
noun
1. houten of plastic doos met openingen in de zijkanten in een standaardformaat, vaak gebruikt voor opslag en het vervoer van flessen, fruit of andere waren
ща́йга
noun
кратер
/kreˈdit/
noun
1. een lening
кре́дит
noun
кре́дитна ка́рта
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
Рак
/kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
омар
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
Тропик на Рака
noun
1. Gryllidae
щуре́ц
pronoun
Кре́мъл
noun
1. druif
стафида
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
Крит
verb
2. gekreukt raken
смачквам
/krønə(n)/
verb
1. ongearticuleerde geluiden maken, vaak van pijn of ander leed
стена
/krøpəɫə(n)/
verb
1. kreupel slaan, een persoon of dier dusdanig letsel toebrengen dat het zich voortbewegen blijvend bemoeilijkt of onmogelijk wordt
осакатявам
noun
1.laag stuikgewas waarbij de takken van de boompjes door elkaar heen groeien
издънка
/krɪp/
noun
3,4,5. golfbrekertjes
буна
noun
1. voederbak
храни́лка
adjective
1. zich onvriendelijk gedragend
нацупен
verb
гъдели́чкам
noun
вишна
noun
война́
/ˈkrɛɪ.ɣə(n)/
verb
1. verwerven, ontvangen
полу́ча
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
бое́ц
noun
военачалник
noun
1. een handeling die erop gericht is om door list en bedrog de vijand te misleiden, zoals het verspreiden van valse geruchten
уловка
noun
1. een olifant die vroeger tijdens op het land uitgevochten oorlogen werd ingezet als strijddier
боен слон
verb
1. luidkeels schreeuwend een hoog geluid voortbrengen
крещя
noun
1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
креда
noun
2. een textielpatroon bestaande uit dunne, parallel lopende lijnen
тънко райе
/krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Крим
pronoun
1. een van de Turkse talen, gesproken door ongeveer een half miljoen mensen, oorspronkelijk van de Krim afkomstig, maar door een deportatie in 1944, nu vooral in Oezbekistan en Kirgizië, maar ook in Moldavië, Roemenië en Turkije gesproken
  1. krimskotatarski
  2. кримскотатарски
noun
  1. 1. een ronde figuur zoals een cirkel
    кръг
  2. 2. een gemeenschap van mensen
    окръжност
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
криста́л
/krɪsta'lɛɪn/
adjective
1. een inwendige structuur bezittend die zichzelf eindeloos herhaalt
кристален
noun
1. kristalvorming
кристализация
verb
1. ordeningsproces
кристализирам
noun
Детекторен радиоприемник
adjective
1. op het scherp van de snede, met onzekere uitkomst, zeer ernstig
критика
noun
  1. 1. uitingen waarmee bepaald gedrag, een bepaalde zienswijze e.d. van anderen worden veroordeeld of in twijfel getrokken
  2. 2. een document dat kunstzinnig commentaar levert op een optreden, tentoonstelling, boek , film of andere kunstuiting
кри́тика
adjective
  1. 1. ernaar geneigd vraagtekens te plaatsen achter iets
  2. 2. onder zulke omstandigheden dat er meer neutronen geproduceerd dan geabsorbeerd worden, waardoor een nucleaire kettingreactie op gang kan komen
критичен
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
  1. Хърватски
  2. хърватски
/kroˈwatsi.jə/, /kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
  1. Хърватска
  2. Хърватия
/krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
пъб
noun
1. een rol ragout die gepaneerd en gefrituurd wordt
крокeт
/krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
  1. крокоди́л
  2. крокодил
noun
1. irisachtige lentebloem
  1. минзухар
  2. шафран
adjective
1. niet recht
извит
noun
1. een gebogen lijn
крива
noun
1. een zwaard met een gekromde kling waarvan de oorsprong van het ontwerp in West-Azië ligt
ятаган
verb
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
коронясвам
noun
летопи́с
/ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
коронация
noun
1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
  1. корона
  2. венец
noun
корни́з
noun
  1. 1. opstapeling van bladeren
    глава́
    1. 2. keelzak
    2. 3. aandoening van de schildklier
    гуша
/krœʏ̯t/, /krœːd/, /krœːt/
noun
трева
verb
1. specerij bij een gerecht doen
подправки
noun
  1. 2. winkel met levensmiddelen
    бака́лница
  2. 1. winkelier in levensmiddelen
    бакалин
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
карамфил
/krœyjər/
noun
1. iemand die bagage vervoert op o.a. stations en vliegvelden
носач
noun
стомна
/ˈkrœy.məl/
noun
троха́
noun
1. een soort braam
дива къпина
/'krʌʏ.pə(n)/
verb
ла́зя
noun
  1. 1. geometrisch figuur
  2. 4. symbool
кръст
noun
1. kleine vinkachtige zangvogel
кръсточовка
noun
1. Ribes uva-crispa
цариградското грозде
adjective
1.twee lijnen die elkaar kruisen in de vorm van een kruis
кръстосано
/ˈkrœʏsər/
noun
  1. 1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
  2. 2. een type jacht
кра́йцер
noun
1.
покри́та арка́да
verb
1. een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt
разпъвам на кръст
noun
разпя́тие
noun
1. een punt
пресе́чка
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
кръстопът
noun
1. ondernemingen van de westerse christenen tussen 1095 en 1271 in Palestina
кръстоно́сен по́ход
noun
1.
кръстоносец
/krœʏ̯sˈvɔr.məχ/, /krœːsˈvɔr.məx/
adjective
1. de vorm van een kruis hebbend
кръстовиден
noun
кръстословица
noun
1. kruiswoordpuzzel
кръстословица
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
багажна количка
noun
2. hulpmiddel bij het lopen
патерица
noun
2. lok haar die de vorm van [1] aanneemt
бу́кла
adjective
1. met veel kronkels en krullen
вълни́ст
/ˈkrʏl.spɛlt/
noun
1. hulpmiddel waarom je een haarlok kunt wikkelen om krullen te maken in stijlhaar
ролка
noun
маша
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
  1. криптон
  2. крипто́н
adjective
1. als hoofdassen vier gelijkwaardige drietallige assen bezittend in de richting van de lichaamsdiagonaal van een kubus samen met drie gelijkwaardige assen in de richting van de ribben van de kubus die ten minste twee- en ten hoogste viertallig zijn
правоъгълен
noun
1. 20-eeuwse stroming binnen de beeldende kunst waarin de werkelijkheid op een sterk vereenvoudigde manier wordt weergegeven
куби́зъм
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
куб
verb
1. kort en zacht hoesten
ка́шлям
/'kɵdə/
noun
  1. 1. een groep samenlevende (zoog)dieren
  2. een kudde schapen
ста́до
/ˈkœʏ̯kə(n)/, /ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
пи́ле
noun
1. uitholling, holte, diepte
я́ма
adjective
целомъ́дрен
noun
непоро́чност
noun
1. deel van het been
прасец
noun
1. het achterste van beide botten in het onderbeen van de mens
малка пищялна кост
/kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
кукуригу
noun
1. en 2. (citrusvrucht van) plant Citrus japonica
кумкуат
verb
1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
мо́га
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
  1. изкуство
  2. изку́ство
noun
1. iemand die zijn creatieve talenten gebruikt om kunst te maken
художник
noun
художничка
noun
галерия
adjective
1. door menselijk, moedwillig ingrijpen tot stand gekomen
изкуствен
noun
1. een combinatie van chemische stoffen die aan de aarde wordt toegevoegd ter bemesting daarvan
изку́ствен тор
noun
1. sport waarbij individuelen, paren en groepen schaatsers rotaties, sprongen en andere bewegingen op het ijs maken, die vaak met muziek wordt uitgevoerd
фигурно пързаляне
noun
1. een schilder van kunstwerken
рисува́ч
/ˈkʏns.tal/, /ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
изкуствен език
/kʏrk/
noun
1. licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
корк
/kʏr.kɛi̯k/, /kʏr.kɛːk/, /kʏrk.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus suber; een boom uit de napjesdragersfamilie
ко́рков дъб
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
Тирбушон
noun
plant en specerij
куркума
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
целувка
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
възглавница
verb
1. een kus geven
целувам
/'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
  1. kрайбрежие
  2. бряг
/kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
пи́чка
noun
1. een oord met geneeskrachtige baden
курорт
adjective
1. schade aanrichtend
зловреден
noun
1. het innerlijk slecht zijn
злонамереност
noun
1. langwerpige, op de bodem levende zoetwatervis, Lota lota
михалица
verb
1.
повди́гам на квадра́т
/kʋɑk/
noun
  1. 1. een hoeveelheid kleverig of gelei-achtig materiaal
    буца
  2. 2. bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax
    нощна чапла
verb
1. witter
ква́кам
/ˈkʋɑkˌsɑlvər/
noun
1. iemand die bedrieglijk minderwaardige geneeskunde uitoefent
знахар
/kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
  1. медуза
  2. меду́за
/kvalitɑ'tif/
adjective
1. naar de hoedanigheid, betreffende de kwaliteit
ка́чествен
noun
  1. 1. een peil van uitmuntendheid
  2. 2. eigenschap
ка́чество
adjective
1. met betrekking tot de hoeveelheid
коли́чествен
noun
коли́чество
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
квант
noun
квантов компютър
noun
getal dat in de kwantummechanica wordt gebruikt voor het beschrijven van de eigenschappen van bepaalde deeltjes
квантово число
noun
1. studie en beschrijving van het gedrag van de kleinste deeltjes
ква́нтова меха́ника
noun
een theoretisch kader voor de constructie van kwantummechanische modellen van veld-achtige systemen of, equivalent, veeldeeltjessystemen
квантова теория на полето
noun
квантово заплитане
noun
een kwart van een kalenderjaar
тримесечие
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
пъдпъдък
noun
1. bepaald soort vogel, Crex crex
ливаден дърдавец
noun
1. een groep van vier muzikanten
квартет
noun
1. (in een toernooi) een van de vier wedstrijden waarin gestreden wordt voor een plaats in de halve finale(s)
четвъртфинал
noun
1.
четвъртина нота
noun
een vorm van siliciumdioxide
кварц
/kʋɑst/
noun
  1. 5. Limonade
    лимона́да
  2. 1. Versiering
    пискюл
  3. 3. Vreemd persoon
    чешит
noun
1.
четиристишие
/ˈkwe.peːr/, /ˈkʋe.pɪːr/, /ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
  1. обикновена дюля
  2. дю́ля
/kwɛl/, /kʋɛɫ/, /kβ̞ɛl/
noun
2 Uittredend water
утечка
noun
1. zaak, geschil, probleem
въпрос
adjective
  1. 1. weinig beschermd tegen beschadiging
  2. 3. na een spel gewonnen te hebben onderworpen aan een andere puntentelling, die verlies zwaarder bestraft en winst sterker beloont
уязви́м
noun
уязви́мост
verb
  1. 1. beschadigen, schaden
  2. 2. beledigen, schofferen
наранявам
verb
1. een vloed van speeksel onwillekeurig uit de mond laten lopen
лигавя се
/kʋɛi̯t/
adjective
kwijt zijn
изгу́бен
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
живак
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Motacilla en Dendronanthus
стърчиопашка
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
живак
noun
1.
квинта
noun
1. een pot bestemd voor het opvangen van sputum
плюва́лник
verb
1. druk met de staart zwaaien.
клатя
/ˈkʋɪstəx/, /ˈkβ̞istəç/
adjective
1. op lichtzinnige wijze verbruikend
прахоснически
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Киев
pronoun
1.
Кьонигсвинтер
pronoun
Ла Манча
pronoun
Ла Риоха
noun
1. stang waarmee men een geweer of pistool via de loop kan laden
шо́мпол
/lax/
adjective
  1. 1. niet ver boven iets anders zijn
  2. 2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
  3. 3. geluid met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
  4. 4. met een beperkt aanzien
нисък
/lax/
noun
1. iets dat zich in twee richtingen uitstrekt maar in de derde een beperkte dikte heeft
слой
noun
долина
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
авеню
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
ботуш
adjective
  1. 1. na het voorziene ogenblik
    къ́сен
  2. 2. 's avonds, 's nachts
    късен
adjective
1. overtreffende trap van laat
последен
adjective
лабиален
noun
1. met de lippen gevormde medeklinker, lipklank
лабиален
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
лаборатория
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
лабиринт
/lɑx/, /lɑχ/
noun
1. een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak...
смях
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
сме́я се
noun
is een suiker die o.a. in melk voorkomt
лактоза
noun
1. iets dat ontbreekt
пропуск
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
стълба
noun
1. uitschuifbare bergplaats
чекмедже
noun
1. bergmeubel met een of meer platte bakken
комо́д
/ˈlaːdə(n)/
verb
1. van een lading voorzien
зареждам
noun
  1. 3. opeengehoopte elektriciteit
    заря́д
    1. 1. goederen die vervoerd worden
    2. 2. een grote hoeveelheid
    това́р
noun
1. beschadiging van het weefsel in een organisme
поражение
/lɑf/
adjective
1. een gebrek aan moed tonend
страхлив
/ˈlɑfɦɛit/
noun
1. de neiging keuzes te maken die van weinig moed getuigen
малоду́шие
noun
Камара на общините
noun
1. ondiep meer
Лагуна
pronoun
1. stad in Pakistan
Лахор
noun
1. stof die een dunne beschermlaag vormt nadat ze opgelost in een vluchtig oplosmiddel...
лак
noun
лакмус
noun
1. jong van het schaap
агне
noun
1. soort Zuid-Amerikaans eeltpotig zoogdier Lama glama
лама
noun
1. in het water levende zoogdieren uit het geslacht Trichechus
морска крава
noun
1.
ламинат
/lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
лампа
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
  1. абажур
  2. абажу́р
noun
1. een kan met waswater, vaak samen met een ondiepe teil, de waskom, bedoeld om zich in de morgen...
кана
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Petromyzontidae
миноги
noun
1. vlees van een lam
агнешко месо
verb
започвам
noun
1. een dubbelsnedig operatiemes
ланцет
noun
3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
  1. страна
  2. държава
/ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
земеделие
adjective
2. met betrekking tot minder bevolkte, niet-stedelijke gebieden
се́лски
verb
1. vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
приземя
noun
1. een smalle strook land die twee grotere landmassa's verbindt
про́влак
noun
1. iemand uit hetzelfde land
земля́к
noun
2. vlucht van vliegtuigen...
приземя́ване
noun
1. een abstracte weergave van (een stuk van) de aarde
карта
noun
ла́ндшафт
noun
1. schildpad uit de familie Testudinidae
сухоземна костенурка
noun
1. smalle strook land die zich in zee of meer uitstrekt
cинур
adjective
1. van grote duur
дълъг
adjective
1.een lange tijd durend
продължителен
noun
бишкота
noun
1. een manier van voortbewegen op latten door de sneeuw
ски бягане
noun
1.
лангуста
noun
1. benaming voor muggen met opvallend lange broze poten, die de familie Tipulidae vormen
дългоножка
preposition
1. terzijde van, evenwijdig aan
край
/ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
бавен
noun
1. een lang steekwapen met een metalen punt
копие
noun
1. constructie van glas en metaal of hout, zodat wind en regen geen vat op een brandende lichtbron hebben
фене́р
noun
1. Chemisch element
лантан
noun
лантанид
noun
1. Chemisch element
лантан
/ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
Лаос
pronoun
1. een taal die in Laos gesproken wordt
лаосец
noun
1. een stuk van iets
кръпка
noun
1. met een kijkbuis in de buikholte kijken en opereren
лапароскопи́я
noun
1.
лапис лазули
pronoun
Лапландия
noun
1. een tijdelijke oplossing die geen definitieve oplossing is
временна мярка
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Larix
ли́ственица
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
ларва
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
лазер
verb
1. door plaatselijke sterke verhitting van de voeg twee metalen voorwerpen met elkaar verbinden
заварявам
noun
1. iemand die stukken metaal op een naad door sterke plaatselijke verhitting verbindt
зава́рчик
noun
1. onterechte beweringen die iemand in een kwaad daglicht stellen
клевета
verb
1. ten onrechte kwaadspreken over iemand
позоря
noun
1. latei
трегер
verb
    1. 3. niet doen
    2. 4. niets veranderen
    3. 5. vertrekken
    завеща́вам
    1. 2. toestaan
    2. 6. aansporing
    позволявам
adjective
1. sluimerend
латентен
/ˈlaː.tər/
adjective
довиждане
/'la.tɛks/
noun
латекс
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
латински
pronoun
Лати́нска Аме́рика
noun
1. de reeks lettertekens oorspronkelijk gebruikt om teksten in het Latijn te schrijven en tegenwoordig met aanpassingen voor veel talen gebruikt
лати́ница
noun
1.
решетка
noun
boom en kruid
лавър
noun
2. (gedroogde) bladeren van Laurus nobilis
дафинов лист
pronoun
1.
Лозана
/laʊ̯/, /lʌʊ̯/, /lʌː/
adjective
1. een temperatuuraanduiding die tussen warm en koud ligt
хладък
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
ла́ва
noun
1. bepaald kruid, Levisticum officinale, dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
Девесил
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
лавандула
/la'ʋaj/
noun
1. luid en storend geluid
гюрултия
/la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
лавина
noun
1. Chemisch element
  1. лавренций
  2. лоуренсий
noun
1. de vierde maag van een herkauwer, zoals een rund
сирищник
noun
ле́ктор
/ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
крайник
noun
ко́жа
noun
1. het niets doen, het niets te doen hebben
бездействие
noun
1. het genoegen scheppen in het leed van een ander
злора́дство
noun
1. een langwerpig fijnmazig net met als doel de gevangen vis een poosje te bewaren, rond of vierkant van vorm met een gesloten bodem en een vernauwing aan de bovenzijde
винтер
noun
  1. 1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
  2. 2. een bepaald tijdstip in iemands leven
възраст
noun
1.
връстни́к
/lex/
adjective
1. zonder inhoud
  1. пра́зен
  2. празен
/lek/
noun
  1. 1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
  2. 2. iemand die niet tot de geestelijke stand behoort, gewone gelovige
лаик
/lem/, /leɪm/
noun
1. kleihoudende grondsoort
глина
/len/
noun
1. leengoed; vastgoed dat door de heer aan zijn vazal ten gebruike werd afgestaan
феодално владение
/ˈlenvərˌtalɪŋ/
noun
1. woord dat aan een vreemde taal is ontleend in letterlijke vertaling en analoge constructie
ка́лка
/ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
[[чужд|чу́жда]] [[ду́ма]]
noun
  1. 2. theorie, doctrine
    доктри́на
  2. 1. stof vervaardigd door het looien van een dierenhuid
    кожа
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
учебник
adjective
1.
занимаващ се с наука
noun
1.
чирак
noun
1. iemand die onderwijs volgt
учени́к
noun
1. stoornis bij het leren
обучи́телни тру́дности
adjective
четлив
noun
1. een bril die op leesafstand een scherp beeld geeft
очила за четене
/lest/
noun
1. schoenvorm
калъп
noun
1. conventioneel symbool in interpunctie
препина́телен знак
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
Лъв
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
  1. лъв
  2. аслан
noun
1. plant van het geslacht Antirrhinum waarvan de bloem lijkt op de muil van een leeuw
кученце
noun
лъ́вски пай
noun
чучулига
noun
1. vrouwtje van de leeuw
лъвица
noun
1.
воднянка
noun
  1. 1-2. Romeinse officier of pauselijk gezant
    легат
  2. 1. testamentaire beschikking
    наследство
noun
1. de uitleg over de gebruikte symbolen
леге́нда
/ˈleːɣər/, /ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
армия
noun
1. Metaalverbinding van twee of meer elementen
сплав
noun
легио́н
verb
узаконя́
/ˌleɣyˈwan/
noun
1. hagedis
игуана
noun
2. schrijflei
покривна плоча
pronoun
Лайден
verb
1. een leidinggevende functie hebben
водя
noun
1. het geheel aan leiding geven aan medewerkers en volgelingen
ли́дерство
noun
чешмя́на вода́
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Лайпциг
noun
1. blauwgrijs gesteente
покривна плоча
noun
1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
ду́пка
noun
теч
verb
1. vloeistof laten ontsnappen
пропускам
adjective
1. aangenaam van smaak
вкусен
/ˌlɛ.kər.ˈnɛi/
noun
деликатес
noun
лилия
/le.li.tʲə.vɑn.da.ləⁿ/
noun
1. bepaald soort kleine tot 30 centimeter hoge vaste plant, Convallaria majalis
момина сълза
/ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
гро́зен
noun
3. een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen
ле́ма
noun
1. een knaagdier dat vooral in het hoge noorden op de toendra's voorkomt
леминг
noun
1. laagste deel van de rug voor het kruis
слабини
verb
  1. 1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
    вземам назаем
  2. 2. iets aan iemand anders te leen geven
    зае́ма
noun
1. ontlener, leningnemer
заемополуча́тел
noun
1. kabeljauwachtige zoutwatervis, Molva molva
морска щука
/ˈlɛŋktə/
noun
    1. 1. afmeting van een voorwerp
    2. 1. op welke meridiaan een plaats ligt
    дължина
  1. 2. tijdsduur
    дължина́
noun
географска дължина
noun
за́ем
noun
ленинизъм
noun
  1. 1. een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
  2. 2. een stelsel van lenzen of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
  3. 3. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
леща
noun
1. seizoen
пролет
pronoun
. spelwoord voor de letter l
Лъв
/ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
  1. лъжица
  2. лъжи́ца
noun
1. een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
Лопатарка
noun
1. bepaald soort vis met lepelvormig verbrede bek die 2 meter lang kan worden en meer dan 80 kilogram kan wegen, Polyodon spathula
Веслонос
noun
лепра
/ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
учител
/ˈleːrə/, /ˈlɪːrə/
verb
  1. 2. kennis of vaardigheid doen verwerven
    преподавам
  2. 1. kennis of vaardigheid verwerven
    уча се
/lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
урок
verb
1. de taak van een leraar op zich nemen
преподавам
/le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
  1. Лесото
  2. Лесо́то
/ˈlɛsə(n)/
verb
1. met vocht de dorst beëindigen
утолявам
/lɛt/
noun
1. een inwoner van Letland, of iemand afkomstig uit Letland
латви́ец
/le.ˈtal/, /le.ˈtaɫ/
adjective
1. de dood veroorzakend
лета́лен
noun
  1. 1. een toestand van geestelijke ongevoeligheid
  2. 2.
летаргия
/ˈlɛtlɑnd/, /ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
Латвия
/lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
латвийски
/ˈlɛtsə/
noun
1. inwoonster van Letland
латви́ец
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
буква
/ˈlɛtərˌxrep/, /ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
сричка
noun
1. de studie van de literatuur
литература
noun
1. een stylistisch samenhangende set tekens die meestal letters, cijfers en leestekens uitbeelden
шрифт
/'lɛtərzɛtər/
noun
1. tekstopmaker
словослагател
/ˈløːɣən/, /ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
лъжа́
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
лъжльо
noun
1. vrouw die bewust onwaarheden vertelt
лъ́жльо
noun
1. het veel en makkelijk kunnen liegen en bedriegen
лъжливост
noun
1. bloedkanker
левкемия
verb
1. steunen, het evenwicht bewaren door het eigen gewicht deels door iets anders te laten steunen
опирам се
noun
1. een stoel met leuningen om lekker in te zitten
кресло́
verb
1. bij de huizen aanbellen om rotzooi te verkopen
продавам амбулантно
/ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
Льовен
/'levən/
noun
  1. 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
    1. живо́т
    2. живот
  2. 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
    1. живот
    2. живо́т
/'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
  1. живея
  2. живе́я
adjective
жив
noun
1.
живороден гущер
adjective
1. vol opgewekte drukte
жив
adjective
1. tot de dood durend
доживотен
noun
1. een van de goederen die het leven in stand houden, zoals etenswaren
хранителни продукти
noun
начин на живот
noun
1. het kunnen gaan leven
жизнеспосо́бност
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
  1. черен дроб
  2. дроб
noun
доста́вчик
/ˈlevərə(n)/
verb
1. voor de aanvoer van iets zorg dragen
доставя
noun
лебервурст
/leˈvijatɑn/
noun
1. reusachtige waterslang
левиата́н
pronoun
Леви́т
noun
лексе́ма
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
  1. чета
  2. прочета
noun
1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
чете́ц
noun
показание
noun
1. verzamelbegrip voor mensen met een seksuele voorkeur die minder vaak voorkomt dan heteroseksualiteit
ЛГБТ
/ˈli.ba.nɔn/, /ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
  1. Ливан
  2. Лива́н
/li.ˈbɛl/, /li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
во́дно ко́нче
noun
либерализъм
/li.'beː.ri.ja/, /li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
Либерия
/'libido/
noun
1. geslachtsdrift
либидо
/ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
  1. Либия
  2. Ли́бия
noun
1.de gangbare benaming voor het tekstboekje van een opera, operette, ballet of musical
либре́то
noun
лице́нз
noun
  1. 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
    тяло
  2. 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
    1. тяло
    2. тя́ло
/ˈlɪxamsbəˌweɣɪŋ/
noun
1. bezigheden die bijdragen aan de lichamelijke fitheid
трениро́вка
noun
1. de specifieke anatomie van iemands lichaam
телосложение
noun
ао́рта
noun
език на тялото
adjective
  1. 2. van een gewicht
    лек
  2. 1. helder van kleur
    светъл
noun
  1. 1. Elektromagnetische golven
    1. електрическа крушка
    2. светлина
  2. 2. lichtbron
    1. светлина
    2. осветление
noun
1. de mate waarin iemand emotioneel geprikkeld kan worden
чувствителност
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
светлинна година
noun
1. de snelheid waarmee het licht zich voortplant in het luchtledige (ongeveer 299792 km/s)
скорост на светлината
noun
1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
член
noun
1. de status van iemand als lid van een organisatie
членство
noun
1. een staat die toegetreden is tot een inter- of supranationale organisatie
държа́ва-чле́нка
noun
член
/ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
Лихтенщайн
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
песен
noun
1. een boek met een verzameling (kerkelijke) liederen
песнопойка
noun
1.het geven van hulp
благотвори́телност
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
любов
noun
1. brief waarin men zijn liefde betuigt
любо́вно писмо́
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
обичам
verb
галя
noun
1. aai, streling
  1. ласка
  2. галене
  3. милувка
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
лъжа
/lir/
noun
  1. 2. een werktuig om te hijsen, trekken of slepen
    лебе́дка
  2. 1. een Grieks snaarinstrument
    лира
noun
1. anatomie
слабина
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
кали́нка
/ˌlivə'vraʊ̯wəˌbɛtstro/, /ˌlivəˌvrɔʊ̯β̞ə'bɛtstro/, /ˌlivəˌvrʌʊ̯β̞ə'bɛtstro/
noun
1.
лазаркиня
noun
1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
  1. асансьор
  2. лифт
verb
1. liften (meerijden)
пътувам на автостоп
noun
ли́га
noun
1. bindweefselband
лигаме́нт
verb
1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
лежа́
/'lɪxplats/
noun
2. een plaats waar een boot kan liggen
корабно място
pronoun
Лигу́рия
noun
1. olijfachtige heester veel gebruikt voor het maken van heggen
птиче грозде
verb
1. smart en ellende ondergaan
боли ме
noun
1. het stelsel vormen van een werkwoord dat aangeeft dat het onderwerp...
паси́вен зало́г
noun
1. iemand die aan iets lijdt
страда́лец
/lɛi̯f/
noun
1. lichaam
плът
pronoun
1. een Finoegrische taal die in Estland en Letland gesproken wordt
ливонски
noun
1. een straf waarbij iemand lijfelijk pijn gedaan wordt
теле́сно наказа́ние
noun
1. hybride kruising tussen een mannetjesleeuw en een vrouwtjestijger
лигър
noun
1. dood lichaam
труп
/ˈlɛi.kə(n)/
verb
2. naar aanschijn zijn
изглеждам
/ˈlɛɪ̯.kɪs/, /ˈlɛɪ̯k.kɪst/, /ˈlɛːk.kɪst/
noun
1. de kist waarin een overledene ter aarde besteld wordt
ковчег
noun
1. doek waarin men een overledene wikkelt; kleed dat men over een lijkkist legt tijdens de begrafenis
плащеница
noun
1. ± arts die het lichaam van een overledene onderzoekt om de doodsoorzaak vast te stellen
[[съде́бен]] [[сле́довател]]
noun
1. textiel waarin een overledene begraven wordt
плащеница
noun
1. een voortuig ingericht om een stoffelijk overschot te vervoeren
катафа́лка
noun
1. plakmiddel
лепило
/lɛi̯n/
noun
  1. 11. een band, riem om een huisdier in te tomen
    каи́шка
    1. 1. een streep
    2. 2.
    курс
noun
1. (passagiers)vliegtuig waarmee men regelmatig volgens een dienstregeling vluchten uitvoert
пътнически самолет
/ˈlɛɪnzat/
noun
1.
ленено семе
/lɛist/
noun
1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
спи́сък
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
дрозд
noun
1. een drank bereid met gestookte alcohol, aangevuld met smaakstoffen en veelal ook suiker
ликьо́р
verb
1. met de tong aanraken
ли́жа
noun
1. lichte tint van paars
лила́в
/ˈlɪm.bʏrx/, /ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
  1. 1. provincie in het zuidoosten van Nederland
  2. 2. een provincie in België
Лимбург
noun
een dichtvorm van 5 regels met een vrij strak metrum
ли́мерик
noun
лимнология
noun
1. Een citrusvrucht
зелен лимон
noun
1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
лимонада
noun
1. verlengde luxueuze auto waarin meestal meer dan vier personen vervoerd kunnen worden.
лимузи́на
/ˈlɪndə/
noun
loofboom
липа
noun
1. een geslacht van bomen uit de kaasjeskruidfamilie
липа́
noun
1. beoefenaar van de taalkunde
езикове́д
noun
1. wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
лингвистика
/ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
лини́йка
adjective
1. aan die zijde van het lichaam waar gewoonlijk het hart zit
ляв
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
ляв
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
левичар
noun
1. product afkomstig uit vlas
ленено платно
noun
1. lange, smalle strook stof
ле́нта
noun
1. een platte worm die parasiteert in de darm bij mens en dier
тения
noun
банциг
noun
леща
noun
1. anatomie
устна
/liˈpidə/
noun
1. vetten en vetachtige stoffen die in de biochemie een belangrijke rol spelen
липид
noun
  1. 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
  2. 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
червило
noun
1. soort baars, vis behorend tot de familie van lipvissen
зеленушка
noun
1. Typha
папур
/ˈlɪspələ(n)/
verb
фъфлене
pronoun
1.
Лисабон
noun
1.
литания
/litər/
noun
1. een inhoudsmaat voor voornamelijk vloeistoffen en gassen
ли́тър
adjective
литерату́рен
noun
  1. 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
  2. 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
литература
/ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
  1. литий
  2. ли́тий
/liˈtaʊ̯.wə(n)/, /liˈtɑuwə(n)/, /liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
Литва
/liˈtaʊ̯.wər/, /ˈlitɔʊ̯.β̞ər/, /ˈlitʌʊ̯.β̞ər/
noun
1. inwoner van Litouwen
литовец
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
  1. Литовски
  2. литовски
/liˈtaʊ̯sə/, /ˈlitɔʊ̯β̞sə/, /ˈlitʌʊ̯sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Litouwen
литовка
noun
1. zichtbaar overblijfsel van een oude verwonding
бе́лег
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
литургия
adjective
дире́ктен
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
ливерморий
verb
1. poging de besluitvorming te beïnvloeden
лоби́рам
noun
лоботоми́я
noun
1. een bepaald punt in de ruimte
местоположе́ние
noun
1.
локомоти́в
verb
1. van lood vervaardigd
оло́вен
/ˈlu.jə(n)/
verb
1. een langgerekt klagend geluid voortbrengen
муча
verb
1. scheel kijken
гледам изкосо
noun
лупа
noun
Азиатска палмова цивета
noun
1. prijzen
похвала
noun
1.
панегирик
noun
1+2. iedere uiting van bewondering
химн
noun
1. de exponent van de macht waartoe een gegeven getal verheven moet worden om een ander getal te krijgen
логаритъм
noun
  1. 2. een chronologisch dagboek
    дне́вник
  2. 1. boek met gegevens over de navigatie
    корабен дневник
noun
1. een vissersschip, tegenwoordig met een motor aangedreven, dat vroeger een loggergetuigd zeilschip was
люгер
noun
ло́гика
adjective
логи́стика
noun
1. beeldmerk, logogram, naambeeld
ло́го
noun
логопед
/lɔk/
noun
1. haarlok, pluk haar
кичур
/loˈkal/
adjective
1. plaatselijk, van beperkte omvang
лока́лен
/loˈkal/
noun
стая
noun
1. stuk vlees of vis bedoeld om een dier mee te kunnen vangen.
изкуше́ние
noun
1. plaatsbepaling
локация
verb
  1. 2. als eerste deel van samenstellingen
  2. 1. mens of dier verleiden ergens heen te komen
примамвам
/ˈlɔlɪ/
noun
snoepje
близа́лка
pronoun
Ломбардия
/ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
Лондон
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
бял дроб
noun
медуница
/'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
пневмония
noun
1. bloedvat dat vanuit de rechter hartkamer naar de longen gaat
белодробна артерия
noun
1. vis met kieuwen én longen
двойнодишаща риба
noun
1. koord voor ontsteking
запа́лка
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
  1. олово
  2. оло́во
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
водопрово́дчик
/loːts/
noun
  1. 1. gebouw voor opslag van goederen
    бара́ка
  2. 2. iemand die schepen als stuurman begeleidt bij het varen van en naar een haven
    ло́цман
adjective
безоловен
noun
1. een witte verfstof met bestanddelen van lood
оловно белило
/lo:f/
noun
листа́к
/loːx/
noun
een alkalische substantie
лу́га
/loːn/
noun
1. financiële vergoeding voor geleverde arbeid
заплата
noun
платежна ведомост
/loːp/
noun
voorste deel van een wapen
цев
/ˈlopχraf/
noun
1. een uitgegraven geul, diep en breed genoeg dat men er in kan lopen...
око́п
/-los/
suffix
1. een achtervoegsel dat het ontbreken van het eerste aangeeft
ез
verb
  1. 2. rennen
    бя́гам
  2. 1. stappen, gaan
    отивам
noun
  1. 4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
    офицер
  2. 2. sleutel waarmee een hele serie verschillende sloten geopend kan worden
    шперц
noun
  1. 2. de oranje vrucht van de Eriobotrya japonica
  2. 1. een fruitboom van de rozenfamilie
японска мушмула
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Larix
ли́ственица
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
откуп
verb
1. ervoor zorgen dat iets of iemand los wordt
отвъ́ржа
/ˈlɔsə(n)/
verb
3. ontladen, afladen
разтоварвам
noun
2. noodlot, wat het toeval iemand toebedenkt
съдба
pronoun
Лотарингия
pronoun
1.
Луизиа́на
/loˈjal/
adjective
ве́рен
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Лука
/lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
  1. въздух
  2. въ́здух
adjective
въздухонепроница́ем
noun
въздушния филтър
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
летище
adjective
2. zorgeloos
безгрижен
/ˈlʏxmɑxt/, /ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
ВВС
noun
трахея
noun
1. de luchtlagen boven een bepaald grondgebied
възду́шно простра́нство
noun
1. verkeer in de lucht
  1. авиационен
  2. въздухоплаване
noun
1. een bedrijf dat vervoer door de lucht aanbiedt
авиокомпа́ния
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
кибрит
/lœʏ/, /lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
ленив
noun
  1. 1. werkschuw persoon
    безделник
  2. 2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
    лени́вец
/ˈlœʏ̯dən/, /ˈlœːdən/
verb
  1. 1. doen klinken, gewoonlijk van een bel
  2. 2. het weerklinken van het geluid van een klok
звуча
noun
високоговори́тел
noun
пелена
noun
1. het ontbreken van de wil iets te doen
безделие
/lœʏ̯k/, /lœːk/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Лие́ж
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
  1. леопард
  2. леопа́рд
/lœʏ̯s/, /lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
въшка
noun
1. iemand die luistert
слуша́тел
/'lœstərə(n)/
verb
  1. 2. een bevel opvolgen
    слу́шам
  2. 1. gericht waarnemen met het oor
    слушам
noun
1. luit
лютня
noun
1. rang in het leger
лейтена́нт
noun
1. geslachtsdeel van de man
кур
noun
1.
луминесценция
adjective
лу́нен
/lɵnsʲ/
noun
1. een maaltijd rond of iets na het middaguur
лънч
verb
1. de lunch gebruiken
обя́двам
noun
1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
лупина
/lʏst/
noun
1. seksueel verlangen
по́хот
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
лутеций
/'lywtə/
noun
1. een windloze plek
завет
/lyks/
noun
1. niet alledaagse dingen die gebruikt worden voor het persoonlijk genot
лукс
/ˈlyksəmˌbʏrx/, /ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
Люксембург
adjective
разкошен
pronoun
Лвов
noun
1.
личи
adjective
1.
лимфатичен
noun
лимфа
verb
1. iemand executeren zonder rechtsgeldig proces, met name door opknoping
линчувам
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
рис
pronoun
1.
Лион
noun
1.
льос
/maːx/
noun
1. Orgaan
  1. стомах
  2. стома́х
pronoun
  1. 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
  2. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
Дева
/maːxt/, /maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
де́вственик
adjective
недокоснат
noun
1. eigenschap dat je niet eerder geslachtsverkeer hebt gehad
де́вственост
pronoun
Магдебург
/ˈmaɣdəˌvlis/, /ˈmaʝdəˌvlis/
noun
vlies
девствена ципа
noun
стомашен сок
/ˈmaɪ̯ə(n)/
verb
1. met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
кося́
/ma:l/
verb
1 1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
път
noun
1.
кътник
/ˈmaɫtekə(n)/
noun
1. het symbool × of · of * om een vermenigvuldiging aan te duiden
знак за умножение
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
ястие
/maːn/
noun
луна
/maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
  1. месец
  2. ме́сец
/ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
  1. понеделник
  2. понеде́лник
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
ме́сечно списа́ние
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adjective
1. iedere maand een keer
ежеме́сечен
noun
прилуняване
noun
1. het zonlicht dat van de maan naar de aarde reflecteert
лу́нна светлина́
noun
полумесец
/ˈmansvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈmansvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan verduisterd raakt doordat ze in de schaduw...
лунно затъмнение
noun
1. bepaald soort grote schijfvormige zeevis, Mola mola
риба-луна
noun
мак
/maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
  1. но
  2. а
noun
фелдмаршал
/maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
март
pronoun
Германска революция 1848/49
/mas/
pronoun
1. een rivier die onspringt in Frankrijk en door België en Nederland stroomt
Маас
/maːt/
noun
  1. 5. grootte van kledingstuk/schoen
    големина́
  2. 3. eenheid van lengte enz.
    мярка
  3. 1. makker
    помощник-капитан
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
кроеж
/matsxɑpələk/
adjective
1. op de maatschappij betrekking hebbend
обществен
noun
  1. 1. vereniging tot het drijven van handel
    компа́ния
  2. 2. de wereld, omgang en verkeer der mensen
    общество́
noun
2. gerecht op basis van gebogen pijpjes van deeg
макарони
pronoun
1. een stad op een eiland aan de zuidkust van China, ten westen van Hong Kong
Макао
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
македонски
/ˌmasəˈdoni.jə/, /ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
  1. 3. land
  2. 1. historisch Grieks koninkrijk
  3. 2. regio in Griekenland
Македония
/ˌmasəˈdoni.jər/, /ˌmasəˈdoːni.jər/
noun
1. inwoner van Macedonië
македо́нка
/mɑˈʃinə/
noun
  1. Машината
  2. маши́на
noun
1. geweer waarmee kort na elkaar meerdere schoten kunnen worden afgevuurd, ...
картечница
noun
1. een ruimte voor machines
машинно отделение
/mɑˈʃinəˈri/
noun
1. geheel van machines
машинария
noun
машини́ст
noun
1. het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
власт
/ˈmɑxtəx/, /ˈmɑxtɪx/, /ˈmɑχtəχ/
adjective
1. meer invloed hebben dan anderen
мощен
verb
1. aan iemand anders het recht overdragen in je naam te handelen
одобрявам
noun
1. gevecht om de macht
[[борба́]] за власт
noun
1. een handwerktechniek om decoraties of weefsel te maken, door het met de hand knopen van draden
макраме
/ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Мадагаскар
noun
1. Pootloze larve
личинка
noun
1. Bellis perennis
маргаритка
pronoun
  1. Мадрид
  2. Мадри́д
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
мафия
/ˈmɛ.ɡə.zin/
noun
журна́л
noun
1. kleur tussen rood en blauw
[[пу́рпурен]] цвят
/ˈma.ɣər/, /ˈma.χər/
adjective
1.
мършав
adjective
1.met een bijzondere, bovennatuurlijke betekenis
вълше́бен
noun
1. een persoon die rechtspreekt
магистрат
noun
  1. 1. gemagnetiseerd metaal
  2. 2. persoon, zaak of plaats
магнит
noun
магнитно поле
noun
1. Chemisch element
  1. магнезий
  2. магне́зий
noun
1. magnetisch, ijzer bevattend mineraal; magnetisch erts
магнетит
adjective
1. verschijnselen vertonend die toegeschreven kunnen worden aan een kringstroom...
магнетичен
verb
магнетизирам
noun
магнетизъм
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Махара́щра
/mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
царевица
noun
1. een etagewoning met eigen toegang waarbij woon- en slaapverdieping boven elkaar liggen
мезонет
noun
1. en 2. verbinding van glucose en koolhydraten of bindmiddel dat uit maiskorrels wordt gewonnen
царевично нишесте
noun
1.
величие
adjective
1. met de pracht en praal die hoort bij een vorst
величествен
noun
майо́р
/ma'kak/
noun
1. een aap behorende tot een geslacht (Macaca) van apen van de Oude Wereld
макак
noun
1. schoonheidsproducten
грим
noun
1. de tussenpersoon in de handel
бро́кер
/ˈmaːkən/
verb
  1. 2. ervoor zorgen dat iets weer werkt
    поправям
  2. 1. in elkaar zetten
    1. правя
    2. върша
    3. карам
    4. накарвам
    5. произвеждам
noun
1. iemand die iets maakt of gemaakt heeft
производител
adjective
1. niet moeilijk, waar weinig moeite en inspanning voor vereist is
ле́сен
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
скумрия
noun
1. infectieziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten van het geslacht Plasmodium
малария
/ma.'la.wi/, /ma.'la.ʋi/, /ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
Малави
/mɑl.ˈdi.və(n)/, /mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Малдиви
pronoun
Малакия
/mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
малайски
/maˈlɛ:zi.jə/, /maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
Малайзия
/malə(n)/
verb
1. tussen twee harde voorwerpen fijnwrijven
меля
/'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
Мали
noun
3. vetereinde
накрайник
adjective
1. zacht en sappig
мек
/ˈmɑlta/, /ˈmɑɫta/
pronoun
  1. 1. eiland in de Middellandse Zee
  2. 2. land in de Middellandse Zee
Малта
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
Малтийски
/mɑlˈteːsə/, /mɑɫˈtesə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Malta
малти́ец
noun
ма́лцова за́хар
noun
1. schadelijke software
злонамерен софтуер
/ˈmɑmaː/
noun
1.
ма́ма
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Mammuthus
маму́т
noun
  1. 1. persoon van het mannelijk geslacht
  2. 3. een mens
мъж
noun
1. de leiding van een organisatie, de verzameling managers
ръково́дство
noun
1. een persoon die de leiding heeft over een afdeling binnen een organisatie
дире́ктор
pronoun
Манаус
noun
1. een dubbele of stevige stof aan rond de opening van de mouw of hals
манше́т
noun
1. een sierknoop die de manchet aan de mouw van een overhemd sluit
копче за ръкавели
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
кош
noun
за́повед
pronoun
1. Mandarijns Chinees
мандари́н
noun
1. Een citrusvrucht
  1. мандарина
  2. мандари́на
noun
1. schil van Citrus reticulata, Citrus reticulata var. 'mandarine' of Citrus × tangerina
кора от мандарина
noun
1. een klein, luitvormig tokkelinstrument met vier paar snaren waarop met een plectrum getokkeld wordt
мандолина
noun
1. bepaald soort zoogdier, Otaria flavescens, zeeroofdier dat leeft aan de kusten van het zuidelijk deel...
патагонски морски лъв
/manəsxɛɪn/
noun
1. Het door de maan weerkaatste licht dat op de aarde schijnt, maanlicht
лу́нна светлина́
/ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
Манга
noun
1. Chemisch element
манган
/'mɑnɣɑt/
noun
1.
шахта
/ˈmɑŋələ(n)/
verb
3. door de mangel halen, met een mangel glad maken
обезобразя́
noun
1. soort oranje-groene sappige tropische vrucht
манго
noun
мангрово дърво
noun
1. ziekelijke neiging (opgewonden psychische toestand)
мания
/ mɑˈniːr/
noun
  1. начин
  2. маниер
adjective
1. duidelijk, onmiddellijk herkenbaar
манифе́ст
noun
1. openlijke bekendmaking van een staatshoofd, regering, leider of politieke partij
изявле́ние
noun
  1. 1.
  2. 2. openbare gebeurtenis
проява
verb
  1. 3. waarneembaar worden
  2. algemeen bekend maken, aan iedereen laten blijken
манифе́ст
noun
абака
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
маниока
noun
манипулация
verb
манипулирам
noun
дефе́кт
adjective
  1. 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
  2. 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
мъжки
noun
1. iemand die nieuwe kledingontwerpen dragend deze aan een publiek vertoont
манеке́н
noun
мане́вра
verb
маневри́рам
noun
манометър
noun
1. omhullend kledingstuk
аба́
pronoun
1. taal die door de Mantsjoes gesproken werd.
манджур
/ˌmanɵsʲəvɑnˈɑləs/
noun
1. iemand die bekwaam is in het doen van allerlei verschillende klusjes
момче за всичко
pronoun
1. taal die door de Maori's wordt gesproken
маори
noun
1. variant van het communisme zoals uitgedragen en toegepast in China gedurende het derde kwart van de 20e eeuw
маои́зъм
/mɑp/
noun
3. deel van het bestandssysteem
директо́рия
noun
марато́н
verb
марширувам
noun
маргарин
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus wiedii
Тигрова котка
noun
1.
марж
pronoun
Мари́я
noun
1. het hoogfeest ter gedachtenis van de aankondiging (annunciatie) van de geboorte van Jezus aan Maria
Благовещение
/mɑˈrɪmba/
noun
1. een zeer grote houten xylofoon uit Guatemala met onder elke toets een resonator van houtsnijwerk
маримба
noun
марината
/maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
маринизъм
noun
1. lid van een goed getrainde, gespecialiseerde militaire eenheid
[[мо́рски]] [[пехоти́нец]]
noun
2. kruid
майорана
/mɑr.kɪː.rə(n)/
verb
1. het afbakenen van een grens
бележа
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
маркиз
noun
  1. geheel van omstandigheden waaronder hoeveelheden van producten of diensten verhandeld worden
    базар
  2. warenverkoop op pleinen en straten
    паза́р
noun
1. broodbeleg van fijngekookt fruit
мармалад
/mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
мрамор
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
мармот
/ˌmɑrɔˈkan/
noun
1. inwoner van Marokko, iemand uit Marokko, persoon met de Marokkaanse nationaliteit
марока́нец
adjective
1.
марока́нски
/ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
Мароко
pronoun
  1. Mapc
  2. Марс
noun
  1. 1. regelmatige manier van lopen met afgemeten passen, vooral gebruikt door soldaten...
  2. 2. een wandeltocht
  3. 3. een mand of bak die op de rug gedragen wordt
манифеста́ция
noun
1. een Italiaanse versterkte wijn die gemaakt wordt in de omgeving van Marsala op het westelijk deel van Sicilië
Марсала
noun
1.
марципан
/mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
Маршалови острови
noun
1. iemand die voor een zaak lijdt of sterft en daarmee tot symbool wordt gezien van de strijd voor die zaak
мъчени́к
verb
1. een gevangene onderwerpen aan lichamelijke en/of geestelijke pijniging, voornamelijk teneinde informatie los te krijgen
измъ́ча
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Martes
бя́лка
pronoun
Мартиника
noun
1. de socialistische ideologie van de volgelingen van Karl Marx
маркси́зъм
noun
1. schoonheidsmiddel
грим за мигли
pronoun
1. eilandengroep in de Indische Oceaan
Маскаренски острови
noun
1.
  1. маска
  2. ма́ска
/ˈmɑsaː/
noun
  1. 3. menigte
    куп
  2. 1. totale hoeveelheid materie in een object
    ма́са
  3. 2. grote hoeveelheid
    маса
noun
маса́ж
noun
1. moord op een groot aantal personen
ма́сово уби́йство
noun
1. een wapen dat zeer velen doodt
оръ́жие за ма́сово поразя́ване
verb
1. het toepassen van uitwendige druk op de zachte weefsels
масажирам
adjective
масивен
noun
    1. 1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
    2. 4. hoge antenne
    3. 5. varkensvoer
    ма́чта
  1. 3. lange paal voor vlaggen
    мачта
  2. 2. palen waartussen (elektriciteits- of telefoon-)draden gespannen kunnen worden
    стълб
noun
мастэктомия
noun
1. grote hond met een heel los rimpelig vel bij het hoofd
английски дог
noun
1. het stimuleren van de eigen geslachtsdelen
чикия
verb
мастурби́рам
noun
мач
noun
степен
noun
1. een tastbare stof
материа́л
verb
материализирам
noun
материя
noun
математи́к
adjective
1. in geringere mate dan mogelijk of gewenst
уме́рен
/mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
матрак
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
матри́ца
noun
1.
матрона
noun
1. een zeeman van de laagste rang
матрос
/ˈmɑtsə/
noun
1.
маца́
pronoun
  1. Матей
  2. Мате́й
/'matyritɛit/
noun
1.
зрялост
/ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
Мавритания
/maʊ̯.'ri.si.jəs/, /mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
Мавриций
noun
1. groot en rijk versierd graf
мавзоле́й
abbreviation
1. grootst mogelijke hoeveelheid
максимум
/ˌmajoˈnɛːzə/
noun
1. een saus op basis van eieren
  1. майонeза
  2. майонеза
pronoun
Майот
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
дребна шарка
/ˈmaʲɪs/, /ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
царевица
noun
меха́ник
noun
1. iemand die kunstenaars en wetenschappers financieel ondersteunt
мецена́т
noun
механика
adjective
1. met betrekking op de mechanica, machinaal, automatisch zonder na te denken
механи́чен
noun
1. machinerie
механи́зъм
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
медал
noun
1. informatie die bekend wordt gemaakt
общуване
/ˈme.dəˌklɪŋ.kər/
noun
  1. 1. een klank waarbij de lucht niet ongehinderd door de mond naar buiten kan
  2. 2. een letter die zo'n klank in schrift weergeeft
съгла́сна
noun
1. verdriet over het leed van anderen
съчувствие
adjective
1. bewust bijgedragen hebbend tot een wandaad
съучастнически
noun
1. behulpzaam persoon bij een misdrijf
съуча́стник
noun
1. het mede schuld hebben aan een misdrijf
съучастничество
noun
1. iemand die met anderen in hetzelfde bedrijf, organisatie of vestiging werkt
сътру́дник
noun
2.
медиа́на
noun
Медиация
noun
1. het voorschrijven van geneesmiddelen
лека́рство
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
лекарство
adjective
1. op de geneeskunde betrekking hebbend
медици́нски
noun
1. spirituele bezigheid
Медитация
verb
медитирам
/ˈmeɣevə(n)/, /ˈmeχevə(n)/
verb
подда́вам
noun
1. Rubia tinctorum
брош
/mel/, /meɫ/, /mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
брашно
/meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
езеро
pronoun
1.
Женевско езеро
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
мнозинство
adjective
1. de leeftijd bereikt hebbend dat men alle rechten en plichten van een volwassene heeft
пълнолетен
noun
1. één van een aantal Afrikaanse apensoorten uit de Cercopithecus-familie
гвенон
adjective
  1. 1. gerelateerd aan meerdere talen
  2. 2. (persoon) meerdere talen sprekend
многоези́чен
/ˈmeːrvɑɫ/
noun
1. benaming voor grote roofvissen uit het geslacht Siluris
сом
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
множествено число
noun
1. benaming voor kleine weinig schuwe vogels uit de familie Paridae
синигер
adverb
1. in het merendeel van de gevallen
в повечето случаи
indefiniteCardinalNumeral
1. de grootste hoeveelheid, het hoogste aantal
голяма част от
noun
1. baas, heer, patroon
ма́йстор
noun
госпо́дарка
noun
1. een grensstreep, een eindstreep
цел
adjective
1.
измерим
/'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
геометрия
/ˈmetlɑt/
noun
1. een langwerpig voorwerp waarmee maten opgenomen worden
лини́йка
/meːβ̞/, /mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
чайка
noun
1. de vijfde maand van het jaar
май
/mɛi̯t/
noun
деви́ца
/ˈmɛɪ̯.dorn/
noun
1.
глог
noun
1. Melolontha melolontha, schildvleugelig insect dat in mei te voorschijn komt
майски бръмбар
noun
1. Convallaria majalis
момина сълза
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
клетвопрестъпничество
/mɛɪˈozə/
noun
1.
мейоза
/ˈmɛɪ̯ʃə/, /ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
момиче
/ˈmɛɪ̯ʃəsˌnam/, /ˈmɛːsjəsˌnam/
noun
2. eigen achternaam van een vrouw die de naam van haar echtgenoot of geregistreerd partner voert
мо́минско и́ме
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
  1. мейтнерий
  2. майтнерий
pronoun
1. geboorteplaats van Mohammed en bedevaartplaats voor islamieten
Мека
adjective
прокажен
/me'latshɛɪt/
noun
1. besmettelijke ziekte veroorzaakt door een bacteriële infectie van de huid
прока́за
noun
меланхолия
pronoun
Мелане́зия
noun
меланома
noun
1. een restproduct bij de suikerproductie
меласа
pronoun
1. tweede grootste stad van Australië en hoofdstad van de deelstaat Victoria
Ме́лбърн
noun
1. Atriplex sp, een geslacht van meer dan tweehonderd soorten plantjes...
ло́бода
verb
1. iets rapporteren, bekendmaken
докладвам
pronoun
Мелиля
/mɛlk/
noun
  1. мляко
  2. мля́ко
noun
млека́р
noun
1. chocolade die bereid is met room of melk
млечен шоколад
/mɛlkə(n)/
verb
1.
  1. доя
  2. доя́
noun
1.het orgaan dat bij het zoogdier de melk produceert
мле́чна жлеза́
/mɛlkku/
noun
1. een soort koe die gekweekt wordt voor haar melkproductie
дойна крава
noun
een suiker die o.a. in melk voorkomt
лактоза
noun
1. een tand uit de eerste set tijdelijke tanden van de mens en sommige andere dieren (zoals de hond of de koe), die na verloop van tijd worden vervangen door de permanente tanden
мле́чен зъб
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
Мле́чен път
noun
1. organisch zuur
млечна киселина
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
мелодия
adjective
aangenaam klinkend
мелодичен
noun
  1. пъпеш
  2. пъ́пеш
/mɛmbran/
noun
2. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
мембра́на
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door een trillend vel
мембранофон
/ˈme:mə/
noun
мем
adjective
1. iets waarvan het de moeite waard is om het te herinneren
незабравим
verb
1. uit het hoofd leren
запаметя́вам
/ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
менделеевий
/məˈneːr/, /məˈnɪːr/
noun
  1. 2. een nette man
  2. 1. een formele manier om een man aan te spreken
господи́н
/menə(n)/
verb
1. de bedoeling hebben
имам предвид
verb
1. het homogeniseren van twee of meer zaken
бъ́ркам
noun
смес
noun
1.
менхир
/ˈmeːnɪŋ/
noun
1. oordeel, opinie
мнение
noun
1. levensfase waarin vrouwen niet langer menstrueren
менопауза
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
  1. човек
  2. человек
adjective
  1. 1. zoals de mens
  2. 2. goed voor de medemens
човешки
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
човешки права
noun
1. het schenden van mensenrechten
нарушаване на правата на човека
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
човечество
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
менструация
adjective
1. verband houdend met het brein
мисло́вен
/ˌmɛn.taː.liˈtɛit/
noun
манталитет
noun
меню
noun
1.
менует
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Мерано
pronoun
  1. Меркурий
  2. Мерку́рий
/meːrəl/, /ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
кос
verb
закотвям
noun
1. het grootste deel
болшинство
noun
  1. 1. zacht weefsel in de kern van een bot
    ко́стен мо́зък
  2. 2.
    сърцевина
noun
1. halve cirkel die de beide polen met elkaar verbindt
меридиа́н
noun
2. een herkenbaar product door een bepaalde producent vervaardigd
бе́лег
noun
1. een term die een deel van iets anders weergeeft
мероним
noun
1. vrouwelijk paard
кобила
noun
1. snijwerktuig
нож
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
Месопотамия
noun
1.
ножар
/mɛˈsijɑs/
pronoun
1. de in de joodse Tenach voorspelde Redder die door God gezonden zal worden en die door de christenen met Jezus gelijkgesteld wordt
Меси́я
adjective
ме́синг
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
тор
noun
1. iemand van gemengd Europese en indiaanse afkomst
метис
/mɛd/, /mɛt/
preposition
с
verb
1. situaties die eigenlijk hetzelfde zijn toch heel anders beoordelen
меря с двоен аршин
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
  1. метал
  2. мета́л
noun
1. stofwisselprodukt
метаболит
noun
1. het geheel van de biochemische processen op celniveau
обмяна на веществата
noun
метада́нни
/me.ta.ˈfɔːr/, /mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
метафора
noun
1. de wijsgerige leer die niet de werkelijkheid onderzoekt zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke ervaring, maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert
метафизика
/ˌmetaˈfizis/
adjective
1. bovennatuurlijk; (nog) niet met de gangbare wetenschap te verklaren
метафизичен
noun
металургия
noun
метаморфоза
noun
1. taal met behulp waarvan dezelfde of een andere taal wordt beschreven
метаезик
/mɛ.ˈden/, /mɛ.ˈten/
adverb
1. onmiddellijk
веднага
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
измервам
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
метеор
/meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
метеорология
noun
1. de SI-eenheid van lengte
метър
noun
компаньо́н
noun
1. CH₄
метан
/meˈtodə/
noun
ме́тод
noun
1. Een stroming in het protestantisme
методизъм
noun
метил
noun
изме́рване
adjective
метричен
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
метро
/ˌmetroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
метрология
noun
метроном
noun
ри́тъм
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
зидар
noun
1. stuk huisraad
мебел
noun
1. groep (jacht)honden, e.d.
глу́тница
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
госпожа
adjective
мексика́нски
/ˈmɛg.zi.ˌko/, /ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
Мексико
interjection
1. het geluid van een kat
мяу
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
мяукам
/miˈxa/, /ˈmiʃa/
pronoun
Михей
/ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
микроорганизъм
noun
1. een levend micro-organisme
микро́б
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
микробиология
/ˈmik.ro.χɔl(ə)f/, /ˈmɪk.ro.ɣɔlf/
noun
2. elektromagnetische golf van 0,1 mm tot 1 cm lengte
микровълна́
noun
geïntegreerde schakeling die de hele CVE van een computer bevat op één enkele chip
микропроцесор
/mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
  1. микроскоп
  2. микроско́п
adjective
1. zeer klein, voor het blote oog onzichtbaar
микроскопичен
noun
  1. 2. het gedeelte van de dag tussen 12.00 en 18.00 uur
    икиндия
  2. 1. het midden van de dag, 12.00
    о́бед
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
обяд
/ˈmɪdəɫ/
noun
    1. 2. iets met behulp waarvan een doel bereikt kan worden
    2. 4. geld, bezit
    спо́соб
  1. 1. middendeel van het lichaam
    та́лия
/ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
сре́дни векове́
/ˈmɪdəɫɪ:ws/
adjective
1. gerelateerd aan de middeleeuwen
средновековен
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
Средиземно море
noun
1. middellijn
диаметър
noun
1. van een cirkel of bol is het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft
сре́дище
/mɪdəlpɵntflidənt/
adjective
1. neigend van het middelpunt weg te bewegen
центробежен
noun
1. vinger
среден пръст
noun
1. het centrale deel
сре́ден
pronoun
1. het gebied tussen Noord-Amerika en Zuid-Amerika
Централна Америка
pronoun
Централна Европа
noun
1. regio die bestaat uit Zuidwest-Azië en het noordoosten van Afrika
Бли́зък И́зток
noun
1. maatschappelijke, economische klasse
сре́дна кла́са
noun
1.
търговец на дребно
/ˌmɪdərˈnɑxt/, /ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
полуно́щ
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
мравка
noun
1. benaming voor tandloze zoogdieren uit de onderorde Vermilingua
мравояд
noun
1. HCOOH
мравчена киселина
noun
2. wortel
Хрян
noun
1. slapjanus, kleinzerig persoon
мамино детенце
noun
1. schele hoofdpijn
мигре́на
noun
мигра́ция
verb
  1. 1. trekken, verhuizen, zich verplaatsen
  2. 2. gegevens zoals een bestand of code overzetten naar een ander computersysteem en/of netwerk
мигри́рам
abbreviation
ме
verb
1. ontwijken, trachten niet in aanraking te komen met iets of iemand
отбягвам
/mɛi̯l/
abbreviation
ми́ля
noun
1. een paal die op elke mijl staat
важно събитие
/mɛi̯n/
noun
1. onderaardse plaats waar delfstoffen gewonnen worden
мина
/mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
мой
noun
1. het bedrijven van winning van delfstoffen
минно дело
noun
1. brandbaar, giftig, reukloos gas dat in steenkoolmijnen voor kan komen vooral bestaande uit methaan (CH₄)
газ-гризу́
noun
  1. 1. een aanspreektitel voor een man
    господи́н
  2. 2. de heer des huizes
    господин
noun
1. een verticale, meestal cilindervormige toegangsweg tussen het aardoppervlak en plaatsen...
ша́хта
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
миньор
noun
1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
ака́р
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
митра
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Милано
/mi.li.ˈjøː/, /mɪɫˈjø/
noun
2. de wereldwijde natuurlijke omgeving
обстано́вка
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
adjective
1. met het leger te maken hebbend
вое́нен
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
noun
1. lid van een leger
аскер
noun
военолю́бие
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
милиард
noun
1. 1.000.000
  1. милион
  2. милио́н
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
милионе́р
noun
1. dikke koude drank
мле́чен ше́йк
noun
1. een periode van 1000 jaar
хилядоле́тие
noun
1. een lengtemaat ter grootte van een duizendste meter
милиме́тър
noun
милисекунда
/mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
  1. далак
  2. слезка
/ˈmɪltfyr/
noun
1. een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
антракс
noun
1.
мимоза
adverb
1. minus, verminderd met (-)
минус
/mɪnɑxtə(n)/
verb
1.
презирам
/ˈmɪnɑxtɪŋ/
noun
1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
презрение
noun
минаре́
/ˈmɪndər/
indefiniteCardinalNumeral
1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
по-ма́лко
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal minder dan de helft uitmaakt
малцинство
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
Майнкрафт
/minəˈral/
noun
минерал
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
  1. минерална вода
  2. минера́лна вода́
noun
минерало́гия
noun
1. groentesoep
минестро́не
/ˈminimal/
adjective
1. het kleinst mogelijk
минимален
abbreviation
1. kleinst mogelijke hoeveelheid
минимум
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
  1. министър
  2. мини́стър
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
премиер
/ˌminɪsˈtɪːri/
noun
1. een afdeling van een overheid waar het beleid van de regering wordt uitgevoerd
министерство
adjective
министерски
/mɪnst/
indefiniteCardinalNumeral
грам
noun
1. rondreizend kunstenaar
менестре́л
noun
ми́нус
noun
  1. 2. hoek
    минута
  2. 1. tijdeenheid
    1. минута
    2. мину́та
noun
1. neerbuigende vriendelijkheid als karakter eigenschap
благост
noun
1. een godsdienstoefening in de katholieke kerk, een eucharistieviering
ме́са
noun
1.
мизантро́п
noun
1. een levenshouding die zich kenmerkt door een pessimistische visie op de samenleving en het wantrouwen van mensen
мизантропия
/'mɪsbrʌʏk/
noun
злоупотре́ба
/mɪzˈbrœykən/, /mɪzˈbrœːkən/
verb
op een slechte wijze gebruik maken van iets of iemand
злоупотребя́вам
noun
1. een handeling die een ernstig vergrijp tegen het wetboek van strafrecht is
престъпле́ние
/mɪs'dadəx/
adjective
кримина́лен
noun
1. een misdaad of delict
престъпление
verb
1.
свиди ми се
verb
1. iemand slecht behandelen en pijn doen of verwonden
държа се лошо с
verb
1. iemand in de waan van iets brengen
изма́мвам
adjective
1.
заблуждаващ
/mɪsˈlʏkə(n)/
verb
verkeerd aflopen, zonder het gewenste resultaat
не [[сполу́чвам]]
noun
1. iets dat niet goed is gegaan
повре́да
noun
  1. 1. bepaald soort loofboom Mespilus germanica
  2. 2. vrucht van de mispelboom
мушмула
/məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
може би
noun
гадене
/ˈmɪsə(n)/
verb
  1. 1. niet raken, niet treffen
  2. 6. de afwezigheid voelen van
не улучвам
noun
1. een doeleind dat verwezenlijkt dient te worden
зада́ча
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
мъгла
adjective
1. met mist
замъглен
verb
1. verzachten, matigen
облекчавам
/ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
митохондрия
/miˈtozə/
noun
1.
митоза
/ˈmɪksə(n)/
verb
1. door elkaar mengen
микси́рам
adjective
1. gemakkelijk verplaatsbaar of bewegend
подвижен
/moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
мобилен телефон
noun
мобилиза́ция
adjective
модален
/ˈmodə/
noun
мо́да
noun
маке́т
/mo.dɛr.ni.ˈzɪː.rə(n)/, /mo.dɛr.nɪ.ˈzeː.rə(n)/
verb
1. modern maken
модернизирам
noun
моде́рност
adjective
1. volgens de mode
модерен
noun
изменение
verb
изменям
adjective
модулен
noun
модулация
noun
мо́дул
/muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
уморе́н
/mud/, /mut/
noun
1. dapperheid, lef, branie
мъ́жество
noun
1. een vrouwelijke ouder
майка
noun
1. onderste laag van het aardoppervlak
основна скала
adjective
1.met de liefde en zorg van een moeder
ма́йчин
noun
1. het fungeren als moeder
майчинство
noun
майчин език
/ˈmuːdəx/, /ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
  1. смел
  2. хра́бър
noun
1. de diersoort waartoe het tamme schaap behoort, Ovis gmelini
муфлон
/mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
труден
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
трудност
/ˈmuitə/
noun
1. een grote inspanning
  1. старание
  2. усилие
adjective
1. geen moeite kostend
без усилия
noun
  1. [A]
    1. гайка
    2. га́йка
  2. [C] 1. drassig land, vooral gebruikt voor natte veengebieden
    блато
noun
Блато
noun
черница
noun
дуд
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
мусон
/ˈmus.tœʏ̯n/, /ˈmus.tœːn/
noun
1. een tuin waarin op kleine schaal verschillende groenten en evt kruiden en/of fruit worden verbouwd
зеленчукова градина
verb
1. gedwongen zijn
тря́бва
pronoun
1. een rivier die ontspringt in de Vogezen en na 544 kilometer bij Koblenz in de Rijn uitmondt
Мозел
noun
1. met bont gevoerde koker om de handen warm te houden
маншон
adjective
1. een keuze om iets te doen
възмо́жен
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
възможност
/'mo.χə(n)/
verb
1. toegestaan zijn
  1. мога
  2. харесвам
noun
1. drinkbeker
голяма чаша с дръжка
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Mordovië gesproken wordt
мъкшански
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
    1. кърти́ца
    2. къртица
  2. 3. hoeveelheid van een stof die net zo veel deeltjes bevat als er atomen...
    мол
/mɔlˈdaːvi.jə/, /mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
Молдова
/moləˈkyle/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
молекула
/moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
  1. молекула
  2. моле́кула
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
мелница
/ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
  1. мелничар
  2. воденичар
noun
1. een ronde steen die onder andere in windmolens en watermolens wordt gebruikt voor het malen van granen en andere producten, zoals boekweit, erwten en bonen, lijnkoeken en eikenschors
водени́чен ка́мък
adjective
1. een beetje dik, volslank
закръглен
noun
1. met brandbare stof gevulde glazen fles die via een lont of lap stof wordt ontstoken
кокте́йл Мо́лотов
noun
1.
кърти́чина
noun
1. Chemisch element
  1. молибден
  2. моли́бден
noun
1. zeer korte tijd
миг
verb
1. geluiden maken die moeilijk te verstaan zijn
мърмо́ря
/moˈnako/, /ˈmo.na.ko/
pronoun
  1. 2. de hoofdstad van Monaco
    Монако
  2. 1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
    1. Монако
    2. Мона́ко
noun
монарх
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
  1. монархия
  2. мона́рхия
/[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
уста
abbreviation
1. een zeer besmettelijke virusziekte (Aphtae epizooticae) die evenhoevige dieren, vooral runderen treft
шап
adjective
1. via het gesproken woord
слове́сен
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
устна хармоника
noun
1. een klein tokkelinstrument en lamellofoon waarbij de klank gevormd wordt door een dunne lamel aan te tokkelen waarbij het frame tussen de tanden of tegen de lippen wordt gehouden
дръмбой
noun
1.
глобализа́ция
/ˈmɔndɪŋ/
noun
1. plaats waar een rivier uitkomt in zee of meer
устие
noun
1. dat deel van een blaasinstrument dat in de mond genomen wordt of aan de lippen gezet
мундщук
noun
1. een hap of een slok die zo groot is dat ze de mond vult
хапка
/ˈmɔntwatər/
noun
1. vloeistof waarmee de mondholte kan worden gespoeld
вода за уста
/mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Монголия
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
монголски
/ˈmoniˌtɔr/
noun
beeldscherm
екра́н
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
монах
noun
3. plant
самакитка
noun
сключени вежди
noun
1. een bril voor één oog
монокъл
/ˈmonɔfˌtɔŋ/
noun
1. de benaming voor één enkele klinker die de nucleus vormt van een lettergreep
монофто́нг
noun
1. het samenleven of getrouwd zijn met één persoon
моногамия
noun
1. een wetenschappelijk boek of verhandeling over één onderwerp of een beperkte groep van samenhangende onderwerpen, in het algemeen geschreven door één auteur
монография
noun
1. figuur met initialen
моногра́ма
noun
монолит
adjective
2. van iets dat het kolossaal groot is en uit één massief brok bestaat
монолитен
/ˌmonoˈlox/
noun
1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
моноло́г
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
монопо́л
noun
монотеизъм
adjective
еднообразен
noun
  1. 2. een willekeurige hoeveelheid ontnomen aan een grotere massa
    образец
  2. 1. schrikwekkend wezen
    чудо́вище
/ˌmɔntəneˈgrɛɪ̯ns/, /ˌmɔntəneˈgrɛːns/, /ˌmɔntəneˈɣrɛɪ̯ns/
pronoun
1. vorm van het Servo-Kroatisch, gesproken in Montenegro
черного́рски
/ˌmɔntəˈnegro/, /ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Черна гора
/mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
Монсерат
noun
1. een groot gedenkteken
монуме́нт
/moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
  1. красив
  2. хубав
/ˈmoːrd/, /ˈmoːrt/, /ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
уби́йство
verb
1. rondgaan om moorden te plegen
убивам
/mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
  1. убиец
  2. убийца
noun
1. anekdote met een verrassend en komisch slot
виц
noun
1. hond uit een bepaald ras met een stompe snuit
мопс
/moˈral/
noun
мора́л
noun
1.
моралист
noun
1. een uitstel van betaling
морато́риум
pronoun
Моравия
/mɔrˌbidiˈtɛit/
noun
1. het ziektecijfer
заболеваемост
/moˈrel/
adjective
мора́лен
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
морфема
noun
1.een alkaloïde dat het werkzame bestanddeel van opium is
морфин
/ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
морфология
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
утре
adverb
1.
утре вечер
noun
1. benaming voor de planeet Venus
зорни́ца
noun
1. pejoratieve benaming voor een hond, bastaardhond
пес
noun
1. bijnaam van een lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
мормон
adjective
1. behorend tot, passend bij de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
мормо́нски
/'mɔrsə(n)/
verb
1.
разливам
adjective
1. onzindelijk, slonzig
мръсен
noun
1. het sterftecijfer
смъртоносност
noun
1. mengsel waarmee wordt gewerkt...
хороса́н
noun
  1. 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
  2. 2,3 korte kanontypen
минохвърга́чка
noun
мъх
noun
1. een scheikundig element met het symbool Mc en het atoomnummer 115
московий
noun
1. een boom uit de napjesdragersfamilie
цер
noun
1. gebedshuis
  1. джамия
  2. джами́я
pronoun
1.
Москва
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
мюсюлма́нин
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
мида
adjective
1. met mos bedekt
мъхест
noun
1. gistend vruchtensap, meestal van druiven
шира
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
горчи́ца
noun
иприт
noun
1.
синалено семе оцет
noun
1. een vlinderachtig insect
молец
noun
  1. 2.3.
  2. 1. de reden om iets te doen
моти́в
noun
  1. Мотивация
  2. мотива́ция
/'mo.tɔr/
noun
  1. 1. krachtbron
  2. 2. voertuig
мотор
noun
велосипед
noun
1. het vermogen om het lichaam(sdeel) te bewegen
моторика
noun
spoorvoertuig
автодрези́на
noun
топче нафталин
noun
[[плани́нски]] [[велосипе́д]]
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky,...
малц
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
ръкав
adjective
1. zonder mouw
без ръкави
/ˌmo.zɑm.ˈbik/, /ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
Мозамбик
noun
мозайка
/ˈmysli/, /ˈmyə̯zli/
noun
1. eten gemaakt van graanvlokken, zuivel, fruit en noten
мюсли
noun
1. de persoon die vanuit een minaret van de moskee oproept tot de dagelijkse gebeden
мюези́н
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
комар
noun
1.
намо́рдник
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
муле
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
катър
noun
1.een leren of metalen korf die voor de bek van een dier gespannen wordt om bijten onmogelijk te maken
намо́рдник
verb
2. beletten te spreken
запуша устата на
/mœʏ̯s/, /mœːs/
noun
  1. 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
  2. 3. computermuis
  1. мишка
  2. ми́шка
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Coliiformes
Птици мишки
verb
1. in opstand komen tegen wettige autoriteit
бунтувам се
noun
1.
бунтовник
noun
бунт
noun
1.
капан за мишки
adjective
1. droog, los, stoffig, zandachtig, pulverig
рохкав
pronoun
1.
Мюлуз
adjective
1. met, of aan veel kanten, belangen, partijen etc.
многостра́нен
noun
транснационална корпорация
noun
1. composietplaat die bestaat uit meer dan 3 gelijmde laagjes hout
шпе́рплат
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
му́мия
noun
мумуфициране
verb
1.van een overledene een mummie maken
мумифицирам
noun
1. en 2. (boon van) eenjarige plant Vigna radiata
  1. папуда
  2. птичи боб
/mʏˈnitsi/, /mʏˈnisi/
noun
schietbenodigdheden
муниции
noun
1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
  1. мента
  2. ме́нта
noun
нумизматика
pronoun
Мурсия
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
врабче
adjective
1. met betrekking tot de spieren
му́скулен
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
музей
noun
мю́зикъл
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
музикант
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
мускатна тиква
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
мускатна тиква
/'mɵskɵs/
noun
1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
мускус
noun
1. plomp hoefdier met grote kop en brede snuit
мускусен бик
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
мускатна тиква
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
  1. мускус
  2. ондатра
noun
1. stof
мутаген
noun
1. een sprongsgewijze verandering
  1. Мутация
  2. мутация
noun
1. onvermogen om te spreken
немота
/myːr/
noun
1. verticale vlakke constructie van metselwerk
  1. стена
  2. зид
noun
1.
боя́нка
noun
стенопис
noun
му́за
/my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
музика
/myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
музикален инструмент
noun
1.een school waar men muziek leert maken
музика́лно учи́лище
noun
ключ
noun
1. de leer van systematiek in muziek
теория на музиката
noun
1.het bestuderen van de muziek in al haar vormen
музикология
adjective
музика́лен
noun
1. iemand die muziek maakt
музикант
/ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
микология
/miˈkozə/
noun
1. een door een schimmel veroorzaakte ziekte
микоза
noun
1. afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
късогледство
noun
1. een grote groep mensen, een ontelbare menigte
мириа́да
/miˈstɪːri/
noun
мисте́рия
adjective
таи́нствен
noun
мистик
/ˈmitə/
noun
мит
adjective
мити́чески
/mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
митология
preposition
1. in tijd volgend op
след
noun
1.
шев
/'natlos/
adjective
1. zonder naad aan elkaar bevestigd
безшевен
/naf/
noun
1. centrale as of middenstuk van een wiel of rad
глави́на
/ˈnaːi̯ə(n)/
verb
    1. 2. geslachtsgemeenschap hebben
    2. 3. iemand een veraderlijke streek leveren
    мамя
  1. 1. naaldwerk verrichten
    ши́я
noun
  1. шевна машина
  2. ше́вна маши́на
noun
1. een vrouw die naaiwerk verricht
шива́ч
/naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
гол
noun
1. het naakt zijn
голота́
noun
гол о́хлюв
/nald/, /naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
игла
noun
иглолистно дърво
noun
  1. 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
    име
  2. 2. bekendheid, reputatie
    1. име
    2. имена
noun
1. een dag waarop een heilige wordt herdacht
и́мен ден
noun
1. iets of iemand met dezelfde naam
ада́ш
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
падеж
/namwort/
noun
1. een woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt
име
/naːr/
adverb
1. in de richting van
за
/naːr/
preposition
1. in de richting van
по
preposition
1. aan de zijkant van
до
noun
1. liefde jegens de medemens
милосъ́рдие
adjective
1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
близък
noun
бли́зост
/'na.bo.tsə(n)/
verb
1. nadoen, imiteren
имити́рам
/ˈnabotsɪŋ/
noun
1. imitatie, het nadoen
подражание
/nɑx/, /nɑxt/, /nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
нощ
noun
1. een uitgaansgelegenheid voor volwassenen
но́щен клуб
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
  1. Южен славей
  2. славей
adjective
но́щен
noun
1. kleding die men in bed aanheeft tijdens het slapen
нощно бельо
noun
нощница
/ˈnɑxtjɑˌpɔn/
noun
1. kledij die vrouwen 's nachts dragen
нощница
noun
нощно шкафче
noun
  1. 1. een zeer angstige droom
  2. 2. een schrikbeeld
кошмар
noun
1.
кучешко грозде
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
нощна́ пеперу́да
/na'dɑt/
conjunction
след като
noun
1. ongunstige eigenschap
вреда
adjective
1. kwalijk, schadelijk
вреден
noun
1. denkbeeldig punt aan de sterrenhemel loodrecht onder de waarnemer
надир
/'nadrɵk/
noun
1. een bijzondere aandacht die besteed wordt
акце́нт
adjective
емфати́чен
noun
1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
нокът
verb
заковавам
noun
1. schoonheidsmiddel
лак за нокти
adverb
1. voor het overgrote deel
почти
noun
десерт
noun
пото́мство
noun
1. herfst
есен
noun
наяда
adjective
1. van iets dat in de nabije toekomst gaat gebeuren
предстоящ
noun
потомство
verb
2. in een testament toebedelen
завещавам
noun
1. een fout doordat er iets nagelaten wordt
немарливост
noun
податли́вост
/ˈnamələk/
abbreviation
и́менно
pronoun
1. provincie in het oosten van België
Намюр
preposition
1.
от и́мето на
/na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
  1. Намибия
  2. Нами́бия
noun
1. tijd aan het einde van de middag
следо́бед
noun
наносекунда
noun
нанотехноло́гия
pronoun
1. stad in Italië
Неапол
noun
нарцис
noun
нарциси́зъм
noun
1. een kunstmatige algehele verdoving
наркоза
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Monodon monoceros
нарвал
/ˈna.slɑx.ˌwɛrk/, /ˈna.slɑx.ˌβ̞ɛrk/, /ˈna.slɑχ.ˌʋɛrk/
noun
1. een boek dat dient om iets in op te zoeken
словник
noun
после́дица
noun
1. een veranderde smaak van iets dat men al heeft doorgeslikt heeft en in het begin anders smaakte
послевку́с
noun
1. onderzoek om de ware aard van iets te ontdekken; onderzoek naar wat anderen mogelijk verborgen willen houden
разсле́дване
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
мокър
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
  1. Нация
  2. народ
noun
национална държава
adjective
1. op een volk met een eigen land betrekking hebbend
народен
noun
националсоциали́зъм
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
национали́зъм
noun
национали́ст
noun
гра́жданство
verb
1.
мокря
noun
  1. натрий
  2. на́трий
noun
натриев бикарбонат
adjective
1.
вла́жен
noun
влага
noun
überhaupt
природа
noun
1.
приро́дно бе́дствие
/naˈtyrkʏndə/, /naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
физика
noun
физик
adjective
1. uit de natuur afkomstig
есте́ствен
adverb
1. vanzelfsprekend
естествен
noun
1. mens van vlees en bloed die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
физи́ческо лице́
noun
1. een ongelukkige gebeurtenis die door de natuur veroorzaakt wordt
природно бедствие
noun
2. in de natuurlijke orde van de dingen gefundeerd
приро́ден зако́н
noun
1. mooie en waardevolle natuur
пейза́ж
/na.ˈu.ru/, /naˈuru/, /ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
  1. Науру
  2. Нау́ру
/nɑuruˈwans/
pronoun
1. taal die door 6 000 mensen wordt gesproken in Nauru
науруански
noun
1. intvisachtige met een schelp
наутилус
adjective
1. een geringe breedte hebbend
те́сен
noun
затрудне́ние
adverb
1. slechts in geringe mate
едва́м
noun
1. de mate waarin men zaken tot in de puntjes behandelt
акура́тност
pronoun
Навара
/'navəl/
noun
пъп
/ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
пъпна връв
noun
навигация
verb
навигирам
noun
1. NAVO
НА́ТО
noun
имитация
noun
1. tekst na het eigenlijke einde van een boek of verhaal
епило́г
adjective
наи́вен
pronoun
1.
Некарзулм
noun
некрофилия
noun
1. een biografie van een overleden persoon en/of een bespreking van diens werk
некролог
noun
1. de afsterving van weefsel
некроза
noun
1. suikerrijke vloeistof die door veel planten wordt geproduceerd
некта́р
noun
2. een perzikachtige vrucht van boom Prunus persica var. nucipersica
нектарина
noun
1. het aannemen van een houding waarbij geen aanspraak gemaakt wordt op macht of eer
поко́рност
noun
1. het verlies van een strijd
пораже́ние
/ˈnedərˌlɑnt/, /ˈneːdərˌlɑnd/, /ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
  1. Холандия
  2. Нидерландия
/ˈne.dər.ˌlɑn.dər/
noun
1. inwoner van Nederland of persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit
хола́ндец
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
  1. холандски
  2. нидерландски
/ˈne.dər.ˌlɑn.tsə/, /ˈne.dər.ˌlɑnd.sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Nederland, vrouw uit Nederland
хола́ндка
/ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
Холандски Антили
pronoun
Долна Саксония
noun
1. een vestiging, een bewoonde plaats
посе́лище
/neː/
interjection
1. ontkenning
не
noun
  1. 2. kozijn
    братовчед
  2. 1. mannelijke oomzegger
    племенник
/nen/
interjection
nee
не
/ner/
adverb
1. in benedenwaartse richting
надо́лу
verb
1. in een neerwaartse richting gaag totdat men landt
слизам
verb
1. laten zakken
свалям
verb
1.
легна
noun
1. hemelwater
валеж
verb
1. het vliegvermogen verliezen en onzacht op de aarde terugvallen
катастрофирам
noun
1. nierontsteking
възпаление на бъбреците
adjective
1. ontkennend, afwijzend
Негатив
/ˈne.ɣə(n)/, /ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
девет
/ˈne.ɣən.də/, /ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
девети
cardinalNumeral
1. het getal 69
шейсет и девет
noun
деветоъгълник
/ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
деветстотин
cardinalNumeral
1. het getal 19
деветнадесет
ordinalAdjective
деветнадесети
/ˈne.ɣə(n).təx/, /ˈne.ɣə(n).tɪx/, /ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
  1. деветдесет
  2. деветдесе́т
ordinalAdjective
деветдесетия
noun
1. iemand met voorouders uit Afrika bezuiden de Sahara met lichamelijke kenmerken daarvan
не́гър
verb
1. doen alsof iemand of iets niet bestaat
игнори́рам
noun
1. vrouw met een donkere huidskleur en vaak zwart kroeshaar wier voorouders afkomstig zijn uit Afrika bezuiden de Sahara
не́гърка
pronoun
Неемия
/nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
тил
noun
1.
нематод
/ˈne.mə(n)/
verb
1. iets vastpakken met de handen
  1. взе́мам
  2. вземам
noun
неодим
noun
неолиберализъм
/nejoˈlitikʏm/
noun
новокаменна епоха
/ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
неологизъм
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
  1. неон
  2. нео́н
noun
неонаци́зъм
noun
1. bepaalde kleurrijke kleine vissoort uit Zuid-Amerika, Paracheirodon innesi
неонова тетра
adjective
1. onecht, vals
подпра́вен
/ˈnepɑɫ/, /ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
  1. Непал
  2. Непа́л
/nepo'tɨzmə/
noun
1.
шуробаджанащина
noun
1. Chemisch element
нептуний
pronoun
Нептун
noun
жи́лка
adverb
никъде́
noun
  1. 1. benaming voor bepaalde pelsdieren uit de familie der marterachtigen
  2. 1. pels van een nerts
визо́н
adverb
1. lijdend aan gespannen zenuwen
нервен
/nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
гнездо
/ˈnɛstələ(n)/
verb
1. het bouwen van een nest en het grootbrengen van jongen erin, gewoonlijk van vogels
заселвам се
noun
  1. 1. een geheel van fijne draden
  2. 2-6. netwerk enz.
мре́жа
noun
1. plant
коприва
/ˈnɛcəs/
adjective
1. net, schoon
изискан
noun
1. tweede maag van herkauwers
мрежа
adverb
нетен
noun
1. een vlies aan de binnenkant van het oog waarop een beeld wordt gevormd
ретина
noun
мре́жа
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
чукам
adjective
1. met betrekking tot de zenuwen
на нервите
pronoun
Нюрнберг
noun
1. zenuwontsteking
възпаление на нерв
noun
1. een discipline binnen de biologie en geneeskunde die zich bezighoudt met alles wat aandoeningen van het centrale zenuwstelsel betreft
неврология
noun
невроло́г
noun
1. zenuwziekte
нервно заболяване
noun
невропсихология
adjective
1. met betrekking tot een ziekelijke houding
невротичен
/ˈnøːrotransˌmɪtər/, /ˈnøːrotrɑnsˌmɪtər/, /ˈnʏːrotrɑnsˌmɪtər/
noun
1. een chemische stof die fungeert als overbrenger van de zenuwprikkel
невротрансмитер
/nøʏs/, /nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
нос
noun
но́здра
noun
1. het eerste stuk van het luchtwegstelsel waar de ingeademde lucht doorheen gaat
но́сна кухина́
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
  1. носорог
  2. носоро́г
noun
1.
пти́ца-носоро́г
/nøˈtral/
adjective
  1. 1. geen partij kiezend in een conflict
  2. 2. natuurkunde: noch een positieve noch een negatieve lading dragend
  3. 4. scheikunde: noch zuur noch alkaline
неутра́лен
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
неутра́лност
noun
неутри́но
noun
неутрон
noun
неутро́нна звезда́
noun
2. wolken in de nabijheid van de grond, ontstaan door plaatselijke oorzaken zoals door afkoeling of door menging van koude met warme vochtige lucht
мъгла
noun
1. bepaald soort zoogdier, Neofelis nebulosa
Опушен леопард
noun
страни́чна щета́
pronoun
1. nationale hoofdstad van India
Ню Де́лхи
/nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
Ню Йорк
noun
Песен за Нибелунгите
/ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
Никарагуа
noun
3. dochter van iemands oom of tante
братовчедка
noun
никоти́н
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
ни́кой
/nimən'dɑl/
indefinitePronoun
нищожество
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
бъбрек
noun
1. een samengroeisel in het nierbekken dat meestal uit urinezuur en urinezure zouten bestaat
бъбречен камък
noun
1. glibberige stof, gewonnen uit het weefsel rond de beide organen die bij zoogdieren het bloed zuiveren
лой
noun
1.
ки́хане
noun
1. giftige plant die vroeg in het voorjaar bloeit
кукуряк
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
не
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
нит
noun
1.
непушач
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
нит
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
нищо
adjective
1. zonder argwaan, argeloos
неподозиращ
postposition
все пак
adverb
въпреки това
/niβ̞/, /nyʊ̯/
adjective
  1. 1. recentelijk gemaakt
  2. woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
  3. 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
  4. 2. recentelijk ontdekt
  5. 3. huidige
  6. 5. in originele staat
  7. 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
  8. 6. vreemd, onbekend
нов
pronoun
Нова Каледония
pronoun
1.
Но́ва Гвине́я
pronoun
1.
Ню Ме́ксико
/niβ̞.ˈze.lɑnt/, /nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
Нова Зеландия
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Нов Ю́жен Уе́лс
noun
1. nieuwe maan
новолуние
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
Нов заве́т
noun
1. iets dat nieuw is
новост
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
Нова година
/niu̯s/
noun
  1. 1. actuele ontwikkelingen
  2. 2. een uitzending in de media waarin berichten over actuele ontwikkelingen worden verspreid aan het publiek
ве́сти
noun
1.een regelmatige publicatie
бюлетин
/ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
любопитен
/niu'sxirəxɛit/
noun
1. het verlangen naar kennis
любозна́телност
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
  1. кихам
  2. ки́хам
/'ni.ɣər/, /'ni.χər/
pronoun
  1. 1. land in West-Afrika
  2. 2. een rivier in West-Afrika
Нигер
/ni.'ɣeː.ri.ja/, /ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Нигерия
/ˌni.ɣeː.ri.ˈjan/, /ˌni.χɪː.ri.ˈjan/
noun
нигериец
noun
1. binnen de filosofie een begrip dat wordt gebruikt om de ontkenning van het bestaan van betekenis...
нихилизъм
/nɛɪt/
noun
1. grondige afkeer
за́вист
pronoun
1.
Нил
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
  1. xипопотам
  2. хипопотам
pronoun
Неймеген
noun
инду́стрия
noun
Никаб
noun
1. Chemisch element
  1. никел
  2. ни́кел
noun
  1. 1. stralenkrans
  2. 3. wolk
дъждовен облак
noun
  1. 1. wezen dat rivieren, bossen enz. bewoont
  2. 2. bekoorlijk meisje
  3. 4. insect in de tweede toestand van gedaanteverwisseling
нимфа
adverb
1. op geen enkel moment
ни́вга
/niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
ниобий
noun
  1. 1. een tepel
  2. 2. een hol koppelstukje
ни́пел
/nɪs/
noun
1. een inham in een muur
ниша
noun
  1. 1. een zout van salpeterzuur dat het ion NO₃− bevat
  2. 2, een ester van salpeterzuur
нитрат
noun
1. een verbinding van stikstof waarin dit element in de oxidatietoestand -3 optreedt
нитрид
pronoun
Ниуе
noun
1. de rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, enzovoort
ниво́
verb
1. gelijk maken, op gelijk niveau brengen
заравнявам
pronoun
Ной
noun
1. scheikundig element
  1. нобелий
  2. нобе́лий
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
Нобелова награда
/'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
необходим
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
знаменател
noun
нуга
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Saarland
Нофелден
noun
1. as met nokken
разпределителен вал
noun
нома́д
adjective
1.
нома́дски
noun
номенклату́ра
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
Именителен падеж
/nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
калу́герка
adjective
1. achteloos, onbekommerd
безгрижен
/ˈnɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
вуйчо
noun
2. soort eend, Mergellus albellus
малък нирец
noun
2.
бе́дност
noun
1. datgene wat het toeval iemand doet overkomen
съдба
adjective
съдбовен
noun
извънредно положение
/ˈnotzak/
noun
1. iets moeten hebben voor vaak praktische of medische redenen
потреба
adjective
1. erg nodig
необходим
/ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
никога
/noːr/, /no̝ːr/
noun
1. een inwoner van Noorwegen
норвежец
/nɔːrt ˈafrɪkɑ/, /nɔːrt ˈɑfrɪkɑ/
pronoun
gedeelte van het Afrikaanse continent ten noorden van de Sahara
Се́верна А́фрика
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
  1. Се́верна Аме́рика
  2. Северна Америка
/noːrd.ˈbra.bɑnt/, /no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
Северен Брабант
pronoun
1.
Се́верна Кароли́на
pronoun
1.
Се́верна Дако́та
pronoun
het noordelijk deel van Europa
Се́верна Евро́па
/noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
Северна Холандия
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1.
Се́верна Ирла́ндия
/ˌnoːrt koˈre.ja/, /ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
Северна Корея
pronoun
1.
Северна Македония
pronoun
Килски канал
pronoun
Северен Рейн-Вестфалия
pronoun
1. Australisch territorium gelegen in het noorden van het land
Северна територия
noun
1. windrichting
север
pronoun
Северен остров
adverb
североизток
pronoun
1. Noordpool
Северен полюс
/ˈnoːrdzeː/, /ˈnoːrtseː/, /ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
Северно море
/noːrs/, /no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
норвежки
/noːrs/, /no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
норвежки
/ˈnoːrˌweɣə(n)/, /ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
  1. Норвегия
  2. Норве́гия
/noːt/
noun
  1. 3. (muziek) een geluid van zekere tijdsduur
    беле́жка
    1. 1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
    2. 2. (plantkunde) boomvrucht met verhoute vruchtwand
    ле́шник
noun
1. en 2. (gepeld) zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
индийско орехче
noun
но́рма
/nɔrˈmaɫ/
adjective
2. als norm dienend
нормален
noun
1. in overeenstemming brengen met een norm
нормализация
noun
норма́лност
/nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Нормандия
adjective
1. onvriendelijk en zwijgzaam, kortaf
мрачен
noun
носта́лгия
noun
2.
беле́жка
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
нотариус
noun
1. set van vijf lijnen
петоли́ние
noun
орехотрошачка
verb
1. aantekeningen maken
нотирам
noun
беле́жка
noun
1. een verslag van een bijeenkomst
протоко́л
interjection
1. drukt verbazing of verontwaardiging uit
ами
noun
1.
нуга
noun
1. de elfde maand van het jaar
  1. ноември
  2. ное́мври
pronoun
Ноемврийска революция
adverb
1. op het huidige tijdstip
сега
adverb
1. op onregelmatige tijden
от вре́ме на вре́ме
noun
нуби́ец
/nɵxtər/
adjective
1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
въздържан
adjective
я́дрен
/nykleʏs/
noun
1.
клетъчно ядро
noun
1.
нуди́зъм
/nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
нула
/ˈnumeɾi/
pronoun
Чи́сла
adjective
1.
ци́фров
/ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
номер
noun
1.
нунций
/nʏt/
noun
1. baat, voordeel
полза
adjective
1. zonder voordeel
безполе́зен
adjective
поле́зен
pronoun
1.
Нуук
adjective
на́йлон
noun
1. onvoltooid tegenwoordige tijd
сегашно време
/otete'te/
noun
1. onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd
просто бъдеще време
noun
1. onvoltooid verleden tijd
  1. имперфект
  2. минало несвършено време
noun
1. onvoltooid verleden toekomende tijd
бъдеще време в миналото
/o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
оазис
noun
1. een bediende in een restaurant of café
  1. келнер
  2. сервитьор
noun
1. vetzucht
затлъстяване
/ˈɔpjɛkt/
noun
  1. 1. voorwerp
  2. 2. grammaticaal voorwerp
  3. 3. filosofische entiteit en 4. informaticacomponent
вещ
noun
1. lens
  1. Обектив
  2. обектив
adjective
покварен
adjective
1. op een dwangmatige wijze ergens door geboeid zijn
натрапчив
noun
1. (beroep) iemand die observeert (waarnemingen doet)
наблюдател
verb
1.gericht via de zintuigen van iets kennis nemen
наблюда́вам
noun
1. dwangvoorstelling
натрапчива идея
noun
1. donkergrijs of zwart glas dat afkomstig is uit vulkanen
обсидиан
noun
1. verstopping
блокиране
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
окситански
adjective
окултен
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
океан
adjective
1.
океа́нски
/oseˈjani.jə/, /oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
Океания
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
oцелот
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
су́трин
noun
1,2,3. toontrap, interval en toonhoogtereeks
октава
noun
1. C₈H18
октан
noun
1. hoekmeetinstrument
октант
/ɔkta'ʔedər/
noun
1. een regelmatig achtvlak, een ruimtelijke figuur begrensd door acht gelijkzijdige driehoeken
октаедър
noun
1. machtiging om een bepaalde tijd als enige, met uitsluiting van anderen, van een uitvinding te kunnen profiteren
патент
noun
1. lens waar men inkijkt
окуляр
noun
Ода
pronoun
  1. Одеса
  2. Оде́са
/ˌø.kyˈme.nis/
adjective
1. tussen kerken, van meerdere kerkgenootschappen
вселенски
noun
1. (medisch) waterzucht
оток
verb
1. proberen zonder fouten uit te voeren
[[упражня́]] (се)
noun
1. test om de kennis te peilen
упражне́ние
/u.'ɣɑn.da/, /u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Уганда
noun
1.
бухал
/ukraˈɦins/, /ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
  1. украински
  2. украи́нски
/ukraˈɦinsə/, /ukraˈʔinsə/
noun
1. een inwoonster van Oekraïne
украи́нец
/ukraˈɦinə/, /ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
Украйна
/ukraˈɦinər/, /ukraˈʔinər/
noun
1. een inwoner van Oekraïne
украи́нец
/ˌenoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap van de wijnbereiding
еноло́гия
/ˈuː.rɔs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius
тур
pronoun
1. de Slavische taal die rond de zesde eeuw gesproken werd
праславянски език
noun
джу́нгла
/uˈsʲɑŋka/
noun
1. muts
ушанка
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
  1. стрида
  2. стри́да
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel die meestal groeit op de stam van een loofboom, Pleurotus ostreatus
кладница
noun
1. een vrouwelijk hormoon
естроген
noun
1. waterkant
бряг
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Turks en die door de Oezbeken gesproken wordt
[[узбе́кски]] [[ези́к]]
/us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
Узбекистан
conjunction
1. keuze
или
adjective
1. aanvallend
нападателен
noun
1.
нападателен
noun
1. een gave aan een godheid
же́ртва
verb
  1. 1. wijden aan
  2. 2. doden van een dier
жертвам
/ɔ'fɛrtə/
noun
1. een aanbieding van goederen of diensten tegen een vaste prijs
котиро́вка
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
официа́лен
noun
1. iemand die een rang in het leger bekleedt die hem of haar het bevel over...
офице́р
verb
1. aanbieden, specifiek het aanbieden van een dienst of product door een bedrijf
предлагам
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
офталмология
noun
1. een scheikundig element met het symbool Og en het atoomnummer 118
оганесон
adjective
наглед
noun
2. plant die men gebruikt bij oogziekten
очанка
noun
огър
noun
1. ohm
ом
noun
1. groot zoogdier dat nauw verwant is aan de giraffe
окапи
noun
1. een mineraal dat als gele of oranje kleurstof gebruikt wordt
охра
noun
1. walnoot
орех
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten van Amerika.
Оклахома
noun
бамя
noun
1. holte tussen de arm en de romp
подмишница
noun
1. de tiende maand van het jaar
  1. октомври
  2. окто́мври
pronoun
Октомврийска революция
adjective
1. betrekking hebbend op het reukzintuig
обонятелен
noun
1. vettige vloeistof
олио
noun
1. fabriek waar ruwe aardolie wordt verwerkt tot aardolieproducten
не́фтена рафине́рия
noun
1. een sedimentair fijnkorrelig gesteente dat organische en chemische stoffen bevat en waar synthetisch olie en gas uit gewonnen kan worden
битумино́зни ши́сти
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
слон
noun
олигарх
noun
олигархия
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
олигоме́р
noun
олигопол
/oˈlɛɪf/, /oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
  1. маслина
  2. масли́на
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
маслина
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
  1. зехтин
  2. зехти́н
verb
1. met olie bewerken
смазвам
noun
1. boom uit de iepenfamilie
бряст
noun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
Олимпиада
adjective
1. verband houdend met de Olympische Spelen
олимпийски
/o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
Олимпийски игри
pronoun
1. evenement dat eens in de vier jaar wordt gehouden waarbij allerlei wintersporten competitief beoefend worden
Зимни олимпийски игри
pronoun
Оли́мп
noun
1. moeder van een ouder
баба
/o.ˈman/, /ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
  1. Оман
  2. Ома́н
verb
1. de armen om iemand heen slaan
прегръщам
/ˈɔmbʏdsˌmɑn/, /ˈɔmbʏtsˌmɑn/
noun
1. een ambtenaar die de taak heeft om als onpartijdige instantie klachten van individuele burgers tegen de overheid, instellingen en bedrijven te onderzoeken
омбудсман
/ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
понеже
noun
оме́га
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
омлет
noun
1. de nabijheid
око́лности
verb
1. aan alle kanten omsluiten
заграждам
verb
1. de armen om iemand slaan
прегръщам
adverb
1. omhoog
наго́ре
verb
1.
захвана
/ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
подку́пвам
noun
подкупване
adverb
1. in neerwaartse richting
долу
noun
обикаляне
verb
2. de hele kring om een middelpunt doorlopen
орбити́рам
noun
1. alleseter, zowel plantaardig als dierlijk voedsel
всеядно животно
verb
1. aan alle kanten omsluiten
ограждам
verb
1. in enige woorden een definitie ergens van geven
опи́свам
noun
hoe de zaken er voorliggen
обстоя́телство
noun
1. de lengte van een gesloten kromme
обико́лка
verb
2. een einde maken aan een bewind
събарям
noun
1. het afzetten van een regering, overheid of regime
подривна дейност
noun
1.
преобразу́ване
noun
  1. 1. politieke revolutie
  2. 2. algemene grootscheepse verandering
  3. 3. volledige draaiing
върте́не
preposition
в името на
noun
оборо́т
/ˈɔmzɛtɪŋ/
noun
превръщане
prefix
1. toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord drukt dit voorvoegsel het tegendeel uit.
не-
adjective
1. geen verbinding hebbend met
независим
adjective
1. niet mogelijk om te kunnen veranderen of vermijden
неизбежен
noun
азиатско диво магаре
noun
1. uit het evenwicht
неустойчивост
adverb
1. niet of zeer moeilijk te begrijpen, rationeel niet te volgen, onlogisch
непонятен
adjective
1. van delen van het lichaam dat er geen haar op zit, dat het niet met haar bedekt is
без коса
noun
1. het onhandig en ongeoefend zijn
непохватност
adjective
1. slecht gemanierd
неучтив
noun
2. een kleinigheid
дреболия
noun
1. een voornaamwoord dat gebruikt wordt om iets inconcreets aan te duiden
неопределено местоимение
noun
1. de onverbogen werkwoordsvorm die naar persoon en getal onvervoegd is
инфинитив
noun
1. gedrag dat schaamte op zou moeten roepen maar het bij die persoon niet doet
безо́чие
adjective
неопису́емо
adjective
неприли́чен
adjective
1. niet te vertrouwen
ненадежден
adjective
1. gebaseerd op waarnemingen en niet op veronderstellingen die men al van tevoren had toen men eigenlijk nog onvoldoende kennis van de zaak had
безпристрастен
/'ɔmbə'wexələk/
adjective
1. zonder enige beweging
неподвижен
adjective
незаселен
noun
1. de mate waarin iemand onvoorzichtig en lichtvaardig handelt
безразсъдна смелост
noun
1. het niet langer gebruiken van iets
излизане от употреба
adjective
1. van een voorwerp dat het te hard en te stijf is om te kunnen buigen
безкомпромисен
preposition
  1. 1. ook al is het zo dat
    въ́преки
  2. ondanks dat
    въпреки
/ˈɔn.dər/
preposition
1. niet gesorteerd
под
noun
1. de natuurlijke of rechtspersoon, wie werk doet voor de hoofdaannemer tegen een vooraf vastgestelde prijs
подизпълнител
/ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
предми́шница
verb
1. te weinig betalen
плащам недостатъчно
noun
1. het geheel van processen dat zich in iemands geest afspeelt en waar deze zich niet van bewust is
подсъзна́ние
verb
1. actie ondernemen om een in gang zijnd proces tot staan te brengen
прекъсвам
/ɔn.dər.ˈbre.kɪŋ/, /ɔn.dər.ˈbreː.kɪŋ(g)/
noun
1. een tijdelijk staken van activiteit door een onverwachte gebeurtenis
прекъсване
noun
1. het gedeelte van de buik dat het dichtste bij de benen is
коре́м
noun
по́даник
/ˌɔndərˈdanəx/
adjective
1. gehoorzaam aan een leider
покорен
/ˈɔndərde:l/
noun
1. deel van een groter geheel
компоне́нт
verb
1. onder een vloeistofoppervlak laten zakken
въвличам
noun
1.
потапяне
verb
1. onderhevig gemaakt worden
изпитвам
noun
1.
подрод
noun
1. die het bericht ondertekend heeft
долуподписан
/ˈɔn.dər.ˌɣud/, /ˈɔn.dər.ˌɣut/, /ˈɔn.dər.ˌχut/
noun
1. kleding die direct op het lichaam gedragen wordt, doorgaans nog onder andere kleding
бельо́
verb
de basis waarop iets rust eronder vandaan halen
подривам
adjective
под земята
verb
1. overleggen om tot een afspraak te komen
уговарям
/ɔndər'ɦɑndəlɪŋ/
noun
1. een proces van overleg waarbij partijen trachten tot een voor beiden aanvaardbare afspraak te komen
преговор
noun
1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden.
поддръ́жка
noun
1. de onderste kaak
мандибула
verb
1. bewust worden van iets
осъзна́вам
noun
1. gouverneur van een land of een provincie die als vervanger van de monarch optreedt
вицекрал
noun
долна устна
adjective
1. onder de gebruikelijke of vereiste grootte
маломерен
verb
1. een bedrijf of actie in werking stellen
предприемам
noun
1.
предприема́ч
noun
1. een organisatie
предприемчи́вост
verb
1. iets kleiner of van kleiner belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
подценя́
noun
разли́чие
verb
1. een verschil in aanmerking nemen
различавам
/ɔndər'sxɛpə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iets dat onderweg is zijn bestemming niet haalt
запречвам
noun
1. handtekening
подпис
verb
1. helpen, bijstaan
подпирам
noun
подпо́ра
verb
1. een streep onder een woord of passage zetten
подчертавам
noun
подпи́сващ
verb
подпи́свам
noun
1. een geschreven vertaling die bij een film(pje) in beeld wordt gebracht
субтитри
adverb
1. in de tussentijd
междувре́менно
verb
1. iets dat al gehuurd is, verhuren aan iemand anders
пренаемам
/ɔndərˈwatər/, /ˈɔndərwatər/
adverb
подводен
noun
  1. 2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
    предмет
  2. 1. waar iets over gaat, een thema
    1. сюжет
    2. тема
verb
  1. 1. gezag opleggen
    подчиня́
  2. 2. zich overgeven
    подчинявам се
noun
1. de voorziening van opleidingen
  1. Образование
  2. образова́ние
noun
1. iemand die lesgeeft
Учител
noun
подводница
/ɔndərˈzes/
adjective
подво́ден
noun
1. een vaartuig dat onder het wateroppervlak kan varen
подводница
/ɔndər'zuːk/
noun
1. het onderzoeken van iets
изсле́дване
verb
изсле́двам
noun
1. iemand die een onderzoek uitvoert
изсле́довател
/ˌɔn.dər.ˈzuk.stər/
noun
1. een vrouwelijk persoon die vraagstukken onderzoekt
изследователка
adjective
1. stout, ongehoorzaam
невъзпитан
adjective
1. niet diep
плитък
adjective
1. niet mis de verstaan, met slechts één betekenis
недвусмислен
adjective
изкуствен
adjective
1. zonder einde
безкраен
noun
несъгласие
noun
1. het nog niet veel ondervinding hebben
нео́питност
adjective
1. Niet deelbaar door twee
нече́тен
preposition
1. los van
небрежен
adjective
1. niet conform datgene wat gebruikelijk is
необикновен
noun
1. ongewenste dieren, die de mens op een of andere manier last bezorgen
гадина
noun
нетърпеливост
adjective
неоснователен
/ɔnɣə'hoːrzam/, /ɔnɣə'ɦoːrzam/, /ɔnχə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. niet bereid gehoor te geven aan gestelde regels
непоко́рен
adjective
1. niet getrouwd
неженен
adjective
2. niet onderricht in lezen en schrijven
негра́мотен
/ˌɔnɣəˈlɛi̯k/, /ˌɔnχəˈlɛi̯k/
adjective
1. niet met elkaar overeenstemmend
razlichen
adjective
  1. 1. onmogelijk om geloof aan te schenken
  2. 2. bijzonder, uitzonderlijk
невероя́тен
noun
1.het niet geloven
неве́рие
/ˈɔnɣəˌlɵk/, /ˈɔnɣəˌlʏk/
noun
1. een onvoorziene gebeurtenis met negatieve en soms zelfs fatale gevolgen
ава́рия
noun
1. onaangename verstoring
неудо́бство
adverb
неудо́бен
adjective
1. niet gepast, niet geschikt
неподходящ
noun
  1. 1. menstruatie
    менструа́ция
  2. 2. lichte ziekte
    неразположение
/ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
ава́рия
adjective
1. zonder verandering
непроменен
adjective
2. niet vaak voorkomend
необикновен
adjective
невидим
adjective
1. niet goed met de handen om kunnen gaan
несръчен
adjective
1. zonder mogelijkheid om ongedaan gemaakt te worden
безвъзвратен
adjective
1. niet met de oren waarneembaar
недоловим
adjective
1. niet vatbaar voor omkoping en corruptie
неподкупен
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
плевел
/ɔnlaŋs/
adverb
1. recentelijk, niet lang geleden
напоследък
adjective
нечетлив
adjective
1.
немъжествен
adjective
  1. 1. zonder uitstel
  2. 2. zonder omwegen
незаба́вен
adjective
1. niet te verwezenlijken
невъзмо́жен
noun
1. iets dat niet kan gebeuren
невъзможност
/ˌonomatoˈpe/
noun
1. door klanknabootsing gevormd woord
ономатопе́я
adjective
1.
необходим
adjective
1.
неразтворим
noun
1. een werkwoord dat niet vergezeld kan worden door een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in een zin
[[непрехо́ден]] [[глаго́л]]
adjective
1.van iets of iemand dat er nog nooit een betere is geweest
ненадминат
adjective
непобеди́м
adjective
1. chaotisch, onduidelijk
непрегледен
adjective
niet partijdig , niet bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
безпристрастен
noun
беззако́ние
noun
1. een behandeling die iemand onrecht aandoet of een toestand die onrecht inhoudt
беззако́ние
noun
неправилност
adjective
  1. onzuiver, onkuis
  2. vuil
мръсен
noun
1. het niet schoon zijn
замърсяване
noun
1. niet-verplaatsbare zaak, bijv. grond, delfstoffen, beplantingen en opstallen
недвижима собственост
noun
1. de grond, of een zaak, die duurzaam verenigd is met de grond.
недвижима собственост
noun
1. het verstoord zijn van de maatschappelijke of sociale orde, rust
неспокойствие
possessivePronoun
1. van de 1e persoon meervoud
наш
adjective
1. Onbetaalbaar
безценен
/ɔnˈsxʏɫdəx/
adjective
1. niet schuldig
неви́нен
adjective
безсмъ́ртен
noun
1. de eigenschap niet te zullen sterven
безсмъ́ртие
noun
1. de mate waarin men op een wilde manier enthousiast is
импулсивност
verb
1. overgaan in iets verkeerds
израждам се
verb
1.
викам
noun
1. eerste maaltijd van de dag
закуска
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
закусвам
verb
  1. 2. het uiteen (laten) vallen van een chemische stof in een aantal andere
    разглобявам
  2. 1. een organisatie opheffen
    разпуска́м
/ɔntˈsɛɪ̯fərə(n)/, /ɔntˈsɛːfərə(n)/
verb
1. qua betekenis duiden
дешифрирам
verb
1. het verwijderen van enkele of alle organen van het darmkanaalstelsel
изкормям
/ɔnˈdɛ.kə(n)/
verb
1. ergens achter komen
откри́вам
noun
1. het vinden van iets nieuws
откри́тие
noun
1. een leider of verantwoordelijke van een groep mensen die vaak in opdracht op zoek ging naar...
изсле́довател
verb
1. ophouden bevroren te zijn
размразя се
/ɔnteɣə(n)'zɛxlək/
adjective
1. niet tegen te spreken
безспорен
noun
отчуждаване
adjective
безбро́ен
verb
1.
лишавам от наследство
/ɔntəˈvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel niet genoeg te hebben en onvoldaan te zijn
недово́лство
verb
избягвам
noun
1. schending van wat heilig is of heilig gevonden wordt
оскверня́ване
verb
1. iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
обезглавя́вам
noun
1. iemand die bepaalde genotmiddelen niet gebruikt
въздържател
/ɔnt'ɦɑʊdɪŋ/
noun
1. het bewust niet een gewoonte of behoefte volgen
въздържание
/ɔntˈɦɵlə(n)/, /ɔntˈɦʏlə(n)/
verb
  1. 1. van het hulsel ontdoen
  2. 2. openbaren van onbekende feiten
разкривам
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
отри́чам
verb
разреждам
verb
1. anatomiseren, analyseren
анатомизирам
noun
4.
ана́лиз
noun
анатомия
verb
1. een geheel dusdanig in delen uiteennemen dat het niet meer als geheel fuctioneert
разглобявам
verb
1. de ware aard laten zien van iets of iemand
разобличавам
verb
2. beroven van het menselijke
дехуманизи́рам
verb
1. de moed ontnemen
обезкура́жавам
verb
1. met iemand kennismaken en een gesprek voeren
срещам
verb
1. zorgen dat iemand ergens niet meer over beschikt
лишавам
noun
взрив
verb
1. ontwarren
разнищвам
adjective
1. aandoenlijk, aangrijpend
трогателен
verb
1. van de schoonheid beroven
загрозявам
verb
  1. 1. arbeidsovereenkomst beëindigen
    уволня́вам
  2. 3. beëindigen van een ziekenhuisopname
    уволнявам
/ɔnt'slɑx/
noun
  1. 2. beëindiging van een ziekenhuisopname
    освобождаване
  2. 1. het verbreken van het dienstverband met een werknemer
    уволне́ние
verb
1. aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
бя́гство
adjective
1. van iets dat het vermoeidheid en spanning doet verminderen
релакси́ращ
/ɔnt.ˈstan/
verb
1. de verandering ondergaan van niet bestaan naar wel bestaan
възниквам
noun
1. (medisch) ontsteking
възпаление
/ɔndˈvaŋ(g)ə(n)/, /ɔntfɑŋə(n)/
verb
  1. 1. het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
  2. 2. het op bezoek krijgen van gasten
получа́вам
noun
1. iemand aan wie...
получа́тел
adjective
запалим
noun
похити́тел
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
отвличам
noun
1.
еманципа́ция
verb
обезоръжавам
verb
1. draineren
пресушавам
noun
десе́н
/ɔntˈʋɛrpə(n)/
verb
1. bedenken en uitwerken op papier
замислям
/ɔntʋɪkələ(n)/
verb
  1. 1. iets ~ een aanwezige aanleg tot bloei brengen
  2. 2. zich ~ tot geleidelijk iets worden
  3. 3. een film ~ het latente beeld van een belicht fotografisch materiaal chemisch zichtbaar maken
  4. 4. ontwerpen en uitvoeren op basis van onderzoek
проявявам
noun
1. geleidelijke verandering in een zekere richting
напре́дък
noun
развива́ща се страна́
verb
изкълчвам
adjective
1.
непроменен
adjective
безотгово́рен
adjective
1. niet geneigd om zich door smeekbeden tot andere handelwijze te laten bewegen
неумолим
/ɔnvərˈbœxbaːr/, /ɔnvərˈbœyxbaːr/
adjective
1. onmogelijk te verbuigen
несклоня́ем
adjective
1. niet te vergelijken
безподо́бен
adjective
1.
незабрави́м
/ˈɔnvərmoxə(n)/
noun
1.
неспособност
/ɔnvɛrˈsxɪləɣˌɦɛit/
noun
1. houding waarbij men zich niets aantrekt van omstandigheden en de opvattingen van anderen
безразли́чие
adjective
1. zijn verstand niet gebruikend en daardoor ook grote risico's lopend
глу́пав
adjective
1. duidt de onmogelijkheid aan de plaats van iets door iets anders in te laten nemen
незаменим
adjective
1. niet van tevoren zien aankomen
неоча́кван
adverb
неочаквано
adjective
1.
без колебание
/ˌɔn.vərˈʋust.bar/, /ˌɔn.vərˈβ̞ust.bar/
adjective
1. niet stuk te krijgen, buitengewoon robuust
неразбиваем
adjective
незавършен
noun
деепричастие
noun
сегашно време
noun
1.
просто бъдеще време
noun
  1. имперфект
  2. минало несвършено време
noun
1. het zo jong zijn dat men nog niet meerderjarig is
незрялост
adjective
1. waarvan de uitkomst niet bij voorbaat te kennen is
непредсказу́ем
adjective
1. bij verrassing optredend
непредви́ден
adjective
безплоден
adjective
неверен
adjective
1. een geringe kans bezittend om waar te worden of te blijken
невероя́тен
/ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
буря
adjective
неотразим
adjective
1. zich niet gezond voelend
болнав
adjective
1. verbeeld
въобража́ем
adjective
негра́мотен
adjective
1. niet voldoend aan de eisen van de wetenschap
ненау́чен
/ˈɔnwɪl/
noun
1. het de keuze maken om niet mee te werken
неохо́та
noun
een variëteit van kwarts
оникс
possessivePronoun
  1. 1. attributief
  2. 2. substantief
наш
pronoun
1. christelijk gebed
Отче наш
adjective
невидим
noun
1.
невидимост
noun
глупости
adjective
1.zonder enige betekenis of nut
абсурд
noun
1. de mate waarin iets vervuild is
замърсяване
/ox/, /oːx/, /oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
  1. око
  2. око́
/ˌox.ɔm.ˌox, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/, /ˌoɣ.ɔm.ˌox, ˌtɑnd.ɔm.ˈtɑnd/, /ˌoχ.ɔm.ˌoχ, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/
interjection
1. benadrukt volledige vergelding
о́ко за о́ко
noun
2. een oogbol
очна ябълка
noun
офталмолог
noun
1. ooggetuige
очевидец
noun
1.
о́чна кухина́
noun
орбита
/ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
клепач
verb
1. het van het land halen van het rijpe gewas
жъ́тва
verb
1. het volgroeide gewas van het veld halen
жъна
noun
1. vrouwelijk schaap
овца
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
щъркел
/oːɪt/
adverb
  1. 2. een mogelijk tijdstip in de toekomst
    когато и да е
  2. 1. op een zeker tijdstip in het verleden
    някога
/oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
съ̀що
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
вуйчо
/oːr/
noun
1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
  1. ухо
  2. ухо́
noun
1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
обеца́
noun
отсъждане
noun
1. klein voorwerp om de gehoorgang te blokkeren zodat je niet door lawaai gehinderd wordt
тапа за уши
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
война
noun
1. een daad in tijd van oorlog die het oorlogsrecht of -gebruik schendt
военно престъпление
/ 'orlɔxsmɪsdadəxər/
noun
1. iemand die een oorlogsmisdaad pleegt of heeft gepleegd en daarvoor individueel aansprakelijk gesteld...
[[вое́нен]] [[престъ́пник]]
noun
военния паметник
adjective
1. als land verwikkeld zijnd in een gewapend conflict
вою́ващ
/ˈorɔntˌstekɪŋ/
noun
1. een ontsteking van het oor
отит
/orsxɛlp/, /o̝rsχɛɫp/
noun
1. het uit het hoofd stekende deel van een oor
ушна́ ми́да
noun
stroperige vloeistof in de gehoorgangen
ушна кал
noun
и́звор
adjective
1. zoals het in begin was
начален
noun
1.
пищене в ушите
noun
1.1 gewone oorworm (Forficula auricularia)
щипалка
adverb
изток
pronoun
И́зточна А́зия
pronoun
1.
источен Берлин
pronoun
И́зточна Герма́ния
pronoun
И́зточна Евро́па
/os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
Източен Тимор
/ostˈflandərə(n)/
pronoun
1. Belgische provincie
Ѝзточна Фла́ндрия
adjective
и́зточен
/ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
и́зток
pronoun
1. een gemeente in de Belgische provincie West-Vlaanderen
Остенд
/ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
  1. Австрия
  2. А́встрия
/ˈo.stə.ˌrɛɪ̯.kər/, /ˈo.stə.ˌrɛː.kər/, /ˈos.tə(n).ˌrɛɪ̯.kər/
noun
1. een inwoner van Oostenrijk of persoon die de Oostenrijkse nationaliteit bezit
австриец
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
Балтийско море
preposition
1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op
на
noun
1. de vader van een ouder
прадядо
/o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
опал
/ˈɔˌbɛlə(n)/
verb
1. iemand telefonisch proberen te bereiken
звъня
/'ɔp.bla.zə(n)/
verb
2. een gas in een uitzetbare ruimte pompen
надувам
/'ɔbrɛŋs/, /'ɔbrɛŋst/
noun
1. dat wat opgebracht wordt, de baat die men heeft van zijn activiteiten
добив
noun
1. een te verrichten werk
зада́ча
verb
  1. 1. iemand iets te doen geven
    възла́гам
  2. 2. als eerbewijs iets wijden aan iemand
    надпи́свам
/ˈɔpɛːsə(n)/
verb
eisen dat iets of iemand waarop men recht heeft, wordt overgegeven
изисквам
/ˈoː.pə(n)/
adverb
1. niet gesloten
  1. отворен
  2. открит
  3. разтворен
adjective
1. vrij toegankelijk
общодостъ́пен
noun
1. openbaar toegankelijk personenvervoer
обще́ствен тра́нспорт
noun
1. laatste boek van de Bijbel
Апокалипсис
verb
  1. 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
  2. 3. openstellen, toegankelijk maken
  3. 4. (informatica) een bestand inladen
отварям
/ˈoː.pə(n).ɣaːn/
verb
1. zich openen
отварям се
noun
  1. 1. een plaats die toegang biedt tot iets dat is afgesloten
  2. 2. het openstellen van iets wat nog niet toegankelijk of in functie was
дебют
/ˈopə(n)lək/
adjective
1. zonder te verbergen, in het openbaar
открит
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
опера
noun
1. een gebouw waarin opera's worden opgevoerd
опера
noun
  1. 1. aantal gecoördineerde acties
  2. 2. een chirurgische ingreep
  3. 3. een bewerking op een object
де́йствие
noun
1. ruimte waar heelkundige bewerkingen uitgevoerd worden
операционна (зала)
verb
  1. 1. aan een chirurgische ingreep onderwerpen
  2. 2. acties uitvoeren, optreden
въздействам
noun
1.
опере́та
noun
1. het seksueel of emotioneel (te) gespannen zijn
възбуда
verb
1. een voorwerp uit de bodem naar boven halen
изкопавам
noun
1.
разко́пки
/'ɔpɦɑŋə(n)/
verb
  1. 1. iets in een hangende positie bevestigen
  2. 3. aan de galg opknopen
ока́чвам
/'ɔpɦɛfə(n)/
verb
2. een instelling of regel ongedaan maken
анулирам
verb
1. duidelijkheid scheppen in iets
избистрям
noun
1. verduidelijking
изясняване
verb
1. kwaad en opgewonden maken
подбуждам
noun
1. opiumbevattend geneesmiddel
опиат
noun
1. een mening of oordeel
мнение
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
опиум
/'ɔpkɛɪkə(n)/, /'ɔpkɛːkə(n)/
verb
1. de blik omhoog richten
гледам нагоре
verb
1. zorgen dat iemands stemming verbeterd
ободрявам
/'ɔpklarə(n)/
verb
1. het ontstaan van open plekken in wat een gesloten wolkendek was
освобождавам се
verb
5. tot ontwikkeling komen
изгрявам
noun
1. totaal aantal afdrukken van een drukwerk dat in één keer wordt vervaardigd
обращение
verb
1. iets een liggende plaats geven op iets anders
налагам
noun
обуче́ние
verb
1. bij voortduring aandachtig zijn
[[насо́чвам]] [[внима́ние]]
verb
1. van de bodem opheffen
повдигам
verb
    1. 1. een homogeen mengsel gaan vormen
    2. 2. een homogeen mengsel doen vormen
    разтварям
  1. 3. een probleem ophelderen
    реша́
noun
  1. 1. een mengsel
  2. 2. een manier om van een probleem af te komen
  3. 4. het antwoord
разтво́р
/ɔ'plʏxtə(n)/
verb
1.
успокоявам
noun
1.het gevoel bevrijd te zijn van iets dat dreigde
облекчение
verb
1. bemerken, waarnemen
забелязване
noun
1. een uiting van een gedachte
забележка
/'ɔpnam(ə)/
noun
2. geluid
за́пис
verb
7. (beeld, geluid) registreren, vastleggen
записвам
noun
2. onverwachte vertraging in gemaakte plannen
заба́вяне
noun
опо́сум
pronoun
Го́рна Во́лта
noun
1. bot in de bovenarm
раменна кост
/ˈɔpərvlɑk/
noun
1. vlak dat iets naar boven begrenst
повъ́рхност
noun
  1. 1. vlak dat iets naar boven begrenst
  2. 2. uitgebreidheid
площ
verb
2. een instelling in het leven roepen
основавам
verb
3. iets in orde brengen, netjes maken
разтребвам
verb
2. aangedikte beweringen doen
перча се
noun
1. iemand die vaak opschept tot ergernis van anderen
баровец
/ˈɔpslan/
verb
5. informatica: vastleggen of bewaren van gegevens
запа́звам
verb
1. in de hoogte springen
подска́чам
verb
  1. 1. gaan staan
    възкръсвам
  2. 2. het bed verlaten
    издигам се
/ˈɔpstɑnt/
noun
1. een massale, vaak gewelddadige, poging het heersende gezag af te schudden
въста́ние
noun
1. iemand die zich gewapenderhand verzet tegen het heersende gezag
бунта́р
adjective
бунтовнически
noun
1. verrijzenis
възкресение
noun
2. vuistslag naar boven gericht
у́дар изотдо́лу
verb
1. nauwkeurig omschrijven en schriftelijk vastleggen zodat men het later nog kan raadplegen
записвам
verb
1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
прибавям
noun
1. het samenvoegen van een of meer termen tot een totaal, de som
събираемо
noun
оптика
noun
  1. 1. een van de keuzes die gemaakt kan worden
  2. 2. financieel product
алтернати́ва
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
вдигам
verb
оптимизирам
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen gunstig gaan uitvallen
оптими́зъм
adjective
1. van het positieve uitgaand
оптимисти́чен
adjective
незадължителен
noun
шествие
verb
възпи́там
noun
  1. 1. het proces waarin iemand wordt gevormd naar de normen van diens opvoeders, en daarmee meestal de samenleving waarin hij leeft
  2. 2. iemands algemene vorming en ontwikkeling
възпита́ние
verb
2. iemands functie overnemen
приемник съм на
noun
1. iemand die een ambt bekleedt na iemand anders
прие́мник
noun
1. innerlijke drang
импулс
verb
  1. 3. in staat van agitatie brengen
    възбуждам
  2. 2. draaiend onder spanning zetten
    навивам
noun
2. het onderdeel zijn van een zo gewenst plan
намерение
adverb
1. bewust op deze manier
преднаме́рен
verb
5. taxidermie bedrijven
препарирам
verb
  1. 1. in hoog aanzien hebben, van hogere status achten
  2. 2. iets met angst en vrees bekijken
страхувам се
/'ɔpsʋɛlə(n)/
verb
1. in volume toenemen
издувам
adjective
1. met betrekking tot de mond
на [[уста|уста́та]]
noun
1. seks waarbij geslachtsdelen met de mond gestimuleerd worden
ора́лен секс
noun
1. mensaap met lange armen en roodbruinachtig haar
орангутан
adjective
1. de kleur oranje hebbend
  1. оранжев
  2. портокалов
adjective
на очната кухина
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
орхидея
noun
  1. 1. gewenste regelmaat
  2. 2. een hiërarchische organisatie
  3. 3. (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families
о́рден
adjective
акуратен
noun
  1. 1. een verzoek om diensten of goederen te leveren
    поръ́чка
  2. 2. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak
    превод
noun
  1. 1. Origanum vulgare
    Мацярдушка
  2. 2. keukenkruid
    риган
noun
  1. 1. Onderdeel van het organisme
  2. 2. Communicatiemiddel
орган
/ˌɔrɣɑniˈzasi/, /ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
  1. 3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
  2. 1. het organiseren
  3. 2. de manier waarop iets georganiseerd is
организация
pronoun
Организация за икономическо сътрудничество и развитие
pronoun
Организация за сигурност и сътрудничество в Европа
noun
1. iemand die organiseert of die organisatietalent heeft
организа́тор
/ɔr.ˈɣa.nɪs/, /ɔr.ˈχa.nɪs/
adjective
  1. 1. met betrekking tot een orgaan of de organen
  2. 2. koolstof bevattend
  3. 3. niet werkend met of vervaardigd kunstmatige stoffen
органи́чен
/ˌɔrɣɑniˈzeːrə(n)/, /ˌɔrχɑniˈzɪːrə(n)/
verb
  1. 1. een bepaalde structuur aanbrengen
  2. 2. iets, vaak een evenement, tot stand brengen
организирам
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
организъм
noun
1. lustgevoelens bij seksuele opwinding (klaarkomen)
орга́зъм
/ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
орган
/ˈɔrxi/
noun
о́ргия
adjective
  1. 1. enige of zeer zeldzaam in zijn soort
  2. 2. gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker
оригина́л
noun
1. voorwerp, gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker, waarvan een of kopieën zijn gemaakt
оригина́л
verb
ориентирам се
/ɔrk/
noun
1. fictieve wezentjes die in groepsverband leven en gewoonlijk de vijand van de mensen zijn
орк
/ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
косатка
noun
1. een bijzonder hevige storm
  1. ураган
  2. урага́н
/ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
оркестър
adjective
декоративен
noun
орнитология
noun
1. de tandheelkunde die gericht is op de vorming van een regelmatig gebit
ортодонтия
/ɔrtoˈdɔks/
adjective
  1. 1. star vasthoudend aan een bepaald geloof
  2. 2. star vasthoudend aan bepaalde opvattingen of gewoontes die algemeen zijn aanvaard
православен
noun
1. gecastreerde stier
вол
noun
осцилоско́п
noun
1. Chemisch element
  1. осмий
  2. о́смий
noun
1.
волска кожа
noun
1. beenvorming
осификация
/oˈtitəs/
noun
1.
отит
pronoun
1. de hoofdstad van Canada
Отава
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
видра
/aʊ̯d/, /ɔʊ̯t/, /ʌʊ̯t/
adjective
  1. 2. oud ding, concept
    стар
  2. 1. oud mens, dier
    1. стар
    2. въ́зрастен
pronoun
1. het Engels zoals dat tussen ca. 400 en 1100 werd gesproken en dat wordt gezien als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels en nog later het moderne Engels
Староанглийски език
/ˈaʊ̯.dər/, /ˈɔʊ̯.dər/, /ˈʌʊ̯.dər/
noun
1. de moeder of vader van een kind
насто́йник
adjective
роди́телски
adjective
1. niet langer gebruikt of in de mode
консервативен
pronoun
1. een nu dode taal die werd gesproken in Griekenland
старогръ́цки
/ɑʊ̭tɦɛɪ̭t/
noun
1. het tijdperk van de geschiedenis vóór de middeleeuwen
античност
noun
археология
noun
археолог
pronoun
1. de Slavische taal die rond de negende eeuw rond Thessaloniki gesproken werd
староцърковнославянски език
noun
1. bekende Griekse alcoholische drank
узо
/o'val/
adjective
1. in vorm gelijkend op een ei
овал
/o'val/
noun
1. een figuur in de vorm van een ei
овал
noun
ова́ция
/ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
пещ
adverb
  1. 1. voorbij, gedaan
    1. завършено
    2. свършено
  2. 2. nog resterend
    останало
preposition
  1. 2. op of langs de oppervlakte van
    1. върху
    2. по
  2. 1. wat betreft
    отнася се
  3. 5. naar de andere kant van
    отсреща
  4. 6. meer dan
    след
  5. 3. na verloop van
    1. след
    2. подир
adverb
1.
навсякъде
verb
1.
надплащам
verb
1. een hoger bod uitbrengen dan een ander
наддавам
adjective
излишен
/ˈovərbrɛŋə(n)/
verb
  1. 1. van de ene locatie naar de andere brengen
  2. 2. meedelen, melden
нося
/ˌovərˈdɑx/
adverb
1. tijdens de uren van de dag
през деня
noun
свръхдо́за
adjective
1. buiten proportie weergegeven
преувеличен
verb
1. de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn
преувеличава
noun
1.
преувеличе́ние
noun
  1. 2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
    договор
  2. 1. een eigenschap die hetzelfde is
    съответствие
verb
2. in overeenstemming brengen
съответствам
adjective
1. twee of meer zaken die gelijk aan elkaar zijn
съответен
/ˌovərˈʔetə(n)/
verb
1. uit gulzigheid te veel eten
преяждам
noun
2. het van een toestand in een andere geraken
пре́ход
noun
1. een werkwoord dat vergezeld wordt door een lijdend voorwerp in een zin, dat gewoonlijk in de lijdende vorm het onderwerp kan worden
[[пре́ходен]] [[глаго́л]]
/'ovərɣavə/
noun
1. het opgeven van de strijd en zich aan de wijand onderwerpen
капитула́ция
verb
1. braken
повръ́щам
noun
1.
престилка
noun
1. moeder van de grootvader of van de grootmoeder
праба́ба
/ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
прадядо
noun
1.
непредвидливост
adverb
отвъд
verb
1. de macht uitoefenen over een ander volk
господствам
noun
1. het overheersen
господство
/ˈovərɦɛit/
noun
1. het geheel aan gezagvoerende lichamen
прави́телство
/ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Оверейсел
noun
1. een jas die hoofdzakelijk als bescherming van de kleding eronder wordt gedragen
балтон
adjective
1. gestorven, doodgegaan
мъ́ртъв
noun
мъ́ртъв
noun
1. organisatie waarbij verschillende partijen op een regelmatige basis met elkaar overleggen, onderhandelen en informatie uitwisselen
консултативен орган
/ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
надживявам
noun
1. iemand die een levensbedreigende situatie overleefd heeft
оцеля́л
verb
2. in de strijd van zijde wisselen
дезерти́рам
verb
1.met grote kracht de baas worden of blijven
разбивам
adjective
1. buitensporig
прекален
adverb
вдругиден
verb
1. met de wielen van een voertuig over iets of iemand heen rijden
прегазвам
adjective
1.
презрял
verb
1. iets domineren, naar de achtergrond drukken
засенчвам
verb
1. iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
надценявам
/ˈo.vər.sxɔt/
noun
1. wat er overblijft, de rest
изли́шък
verb
1. vanaf een hoogte alles kunnen zien
преглеждам
verb
1. de overzijde van een grens betreden
надвиша́вам
noun
паричен превод
verb
1. een beurt doen missen
пропускам
noun
1. seks hebben met een ander dan de echtgenoot of vaste partner
прелюбодея́ние
noun
2. verandering van vervoermiddel
връ́зка
verb
1. doorkruisen om de overzijde te bereiken
пресека́
verb
1. het onder water komen staan van een laaggelegen gebied
заливам
/ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
наводнение
verb
1.een voorheen behaald niveau te boven gaan
бастисвам
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
убедя́
noun
1. sterke mening of geloof
убеждение
noun
голямо количество
/ovər'ʋeɣən/, /ˈovərʋeɣən/
verb
de voor- en nadelen bezien alvorens een beslissing te nemen
замислям
noun
1. beoordeling van argumenten
съображение
verb
1. een tegenstander of zwakte onder de knie krijgen
победя́
noun
победа
verb
3. zie vertalen
преве́ждам
noun
1. toestand dat je het geheel kunt duidelijk overzien
резюме
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
овулация
pronoun
Оксфорд
noun
окисление
noun
оксид
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
озо́н
/pajə(n)/
verb
1. het leggen en bevruchten van eieren door vissen
размножавам се
noun
  1. 4. (heraldiek) een loodrechte band midden over een wapenschild
    кол
    1. 1. een langwerpig stuk materiaal dat in de grond staat
    2. 3. een doelpaal
    стълб
noun
1. in zee levend weekdier dat zich in hout boort, Teredo navalis
дървопробивач
noun
2. bepaald soort Europese kleine zangvogel, Saxicola rubetra
ръждивогушо ливадарче
/paːr/
indefinitePronoun
1. meerdere, maar niet heel veel
ма́лко
/paːr/
noun
  1. 1. twee van een soort die bij elkaar horen
  2. 2. twee geliefden die een relatie hebben
чифт
/paːrt/
noun
  1. 1. tam hoefdier met manen
  2. 3. schaakstuk
  3. 2. turntoestel
кон
noun
1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
глухарче
noun
Бакла
/'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
  1. ко́нска си́ла
  2. конска сила
noun
  1. 2. haardracht
    конска опашка
    1. 1. sporenplant
    2. 3. staart van een paard
    хвощ
/ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
коню́шня
noun
конско месо
/ˈpaːrt.rɛidə(n)/
noun
  1. het rijden op een paard, ter ontspanning of als sportbeoefening
    езда
  2. zich, zittend op de rug van een paard, verplaatsen
    яздя
adjective
1. met een kleur tussen rood en blauw
  1. лилав
  2. лилава
  3. лилави
  4. лилаво
noun
1. diverse kleurschakeringen tussen blauw en rood.
лилав
noun
  1. 2. ter gelegenheid van Pasen gekleurd en versierd kippenei
    Великденски яйца
  2. 1. ei van chocolade of suiker dat op of omstreeks Pasen gegeten wordt
    великденско яйце́
pronoun
Великде́нски о́стров
noun
1. de dag die volgt op paaszondag
Светъл понеделник
noun
аренда
noun
наемател
/pɑsiˈfɪsmə/
noun
1. een wereldbeschouwing die duurzame vrede nastreeft en tegen oorlog en geweld is
пацифи́зъм
/pɛːt/
noun
1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
  1. крастава жа́ба
  2. крастава жаба
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
гъба
/paˈeʎa/
noun
1. gerecht
паеля
noun
1. persoonlijke dienaar van iemand
паж
noun
страница
verb
1. de bladzijden van een drukwerk voorzien van een doorlopende paginanummering
номерирам
/pɑk/
noun
  1. 2. lading
    1. багаж
    2. товар
  2. 3. een stel bovenkleren
    костюм
  3. 1. pakket
    пакет
noun
магази́я
noun
1. de meest voorkomende vorm van zee-ijs en bestaat uit op elkaar geschoven ijsschollen; opeengepakt drijfijs
паков лед
/ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
  1. Пакистан
  2. Пакиста́н
verb
1. in de handen nemen
взе́ма
/pa.ˈlaʊ̯/, /pa.ˈlɔʊ̯/, /pa.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Палау
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
дворец
/ˈpalejoˌlitikʏm/
noun
1. eerste periode van de steentijd
палеолит
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
палеонтология
noun
1. iemand die fossielen bestudeert
палеонтолог
/ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
Палеозой
pronoun
Палермо
adjective
1.
палести́нски
pronoun
Палести́на
noun
палитра
noun
1. een spatelvormig stuk gereedschap dat de kunstschilder gebruikt om op het palet een gebruikshoeveelheid verf van de juiste kleur te mengen
мастихин
noun
палимпсест
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
палиндром
noun
1. bepaald soort langwerpige consumptievis, Anguilla anguilla
змиорка
noun
1. chemisch element
паладий
noun
  1. 2. binnenzijde van de hand
    длан
  2. 1. (sub-)tropisch gewas
    палма
noun
палма
noun
палмитинова киселина
noun
палмово масло
pronoun
1. de zondag voor Pasen
цве́тница
/pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
тиган
noun
1. geneesmiddel dat alle kwalen zou verhelpen
панаце́я
/ˈpa.na.ma/, /ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
Панама
pronoun
Панамски канал
noun
1. iemand afkomstig uit Panama
пана́мец
noun
2. een gebouw
здание
noun
1. (zoogdieren) een beerachtig dier uit het Himalayagebied
па́нда
noun
1.
па́нда
/ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
панде́мия
noun
1. bank van lening waar men geld kan krijgen als men een pand in bewaring geeft, dit pand kan men...
заложна къща
verb
1.met geklopt ei bestrijken en daarna bestrooien met paneermeel
панирам
noun
па́ника
noun
1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
палачинка
noun
пансексуа́лност
noun
панталони
noun
1. benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
пантера
/pɑn.teʲ'ɪsmə/
noun
пантеи́зъм
noun
пантоф
/pɑnˈtɔfəldirtʲə/
noun
1. eencellig diertje
чехълче
noun
1. toneelspel alleen maar met gebaren en lichaamsuitdrukkingen dus zonder woorden
пантомима
noun
1. een beschermende laag om dieren of voorwerpen
броня
noun
1. gerecht dat meestal bestaat uit melk die is gebonden met een zetmeelproduct zoals meel
каша
noun
1.
папабил
/paˈpa.ja/
noun
1. en 2. (vrucht van) de boom Carica papaya
папая
noun
1. een plantengeslacht waarin ook de opiumpapaver thuis hoort
мак
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
папагал
noun
1.1 bepaald soort opvallende zeevogel die zelfs onder water kan vliegen, Fratercula arctica
кайра
noun
кла́мер
/pɑ'pir/
noun
  1. 2. document
    документ
  2. 1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
    хартия
noun
1. bouwmateriaal dat gemaakt wordt door papier te vermengen met natte lijm
папиемаше́
/ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
  1. Папу́а Но́ва Гвине́я
  2. Папуа Нова Гвинея
/ˈpaprika/, /ˈpɑprika/
noun
2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
  1. пипер
  2. чушка
noun
притча
/ˌparaˈboɫ/
noun
1. kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt.
пара́бола
noun
парашут
noun
1. iemand die parachutespringt
парашути́ст
noun
рай
noun
парадо́кс
noun
парафи́н
/ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /ˈparaˌɡwe/
pronoun
  1. Парагвай
  2. Парагва́й
adjective
1. evenwijdig
аналогия
noun
паралелепипед
/paralɛloˈɣrɑm/, /pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
успоредник
noun
1. achtervolgingswaanzin
парано́я
/ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
чадър
noun
1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
парази́т
adjective
1. door parasieten veroorzaakt
паразитен
noun
1. leer en studie van de parasieten en het parasitisme
паразитология
noun
парасо́л
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx pardinus
Иберийски рис
noun
1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
  1. бисер
  2. перла
noun
1. rond gepolijste gepelde gerst
перлен ечемик
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Numididae
токачка
/parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
седеф
noun
вмъ́кната ду́ма
noun
парфю́м
verb
парфюми́рам
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
  1. Париж
  2. Пари́ж
/pɑrᵊk/
noun
1. een groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
парк
noun
1. lang warm jack met een met bont gevoerde capuchon oorspronkelijk kledingstuk van de Inuits
парка
noun
1. een installatie met klok die na de muntinworp de toegestane parkeertijd aangeeft
паркометър
noun
1. plek waar auto's of andere voertuigen geparkeerd kunnen worden
паркинг
verb
1. (een voertuig) tijdelijk ergens laten staan
паркирам
noun
парламент
adjective
парламента́рен
/parɔxiˈjal/
adjective
1.
енорийски
noun
1.
енориаш
noun
1. gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
енория
/pa.ˈrɔ.xiˌkɛrk/, /pa.ˈrɔ.χiˌkɛrk/
noun
1. een lokaal kerkgebouw dat het religieuze centrum van een parochie vormt
енорийска църква
verb
пародирам
noun
1. woord dat een of meerdere morfemen met een ander woord deelt en daardoor soms met dat andere woord verward kan worden
парони́м
noun
1. bof, ontsteking van de parotis (speekselklier in mond)
пароти́т
noun
парсе́к
noun
1. iemand die deelneemt aan een activiteit
уча́стник
/pɑrˈsʲeːl/
adjective
части́чен
/pɑrˈsʲeːl/
adverb
частично
noun
  1. 1. persoon of groep die een overeenkomst of strijd aangaat met een andere persoon of groep
  2. 2. vereniging van gelijkgezinden die binnen een bepaald gebied hun politieke doelstellingen...
  3. 6. feestje, party
па́ртия
adjective
bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
предубеде́н
noun
1. klein deeltje
части́ца
noun
  1. 1. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
  2. 2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
  3. 3. iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
партньо́р
/pɑr.və.'ny/
noun
новобогаташ
noun
  1. 3. identiteitsbewijs
    паспорт
    1. 4. doorgang tussen bergtoppen
    2. 5. schot naar een medespeler
    проход
noun
1. eenheid voor druk (symbool: Pa)
паска́л
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
Великден
adjective
1. kort geleden geboren
новороде́н
pronoun
1. taal die vooral in Afghanistan en Pakistan door 50 tot 60 miljoen Pathanen wordt gesproken
пущу́нски
noun
  1. паспорт
  2. паспо́рт
noun
5. ontlasting, doorgang
коридор
noun
1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
пасаже́р
noun
пътнически самолет
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Пасау
verb
1. precies de goede maat zijn, erin kunnen
подхо́дя
adjective
подходящ
noun
1
мъ́ка
adjective
1. niet zelfstandig werkzaam
страдателен залог
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
маракуя
noun
1. de benaming voor een aantal Italiaanse deegproducten
паста
noun
пай
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
  1. пастарнак
  2. пащърнак
noun
свещеник
adjective
1. in een toestand waarin een speler geen enkele zet meer kan doen
безизхо́дица
noun
1. remise doordat een speler geen zet meer kan doen
пат
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
Патагония
noun
1. schotel voor de hostie
дискос
noun
патент
verb
1.
патентовам
noun
свещеник
adjective
1. & 2. vaderlijk
ба́щин
noun
1. een organisme dat een ziekte verwekt
болестотворен организъм
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
патология
adjective
1. ziekte betreffend
патологичен
noun
1. een al dan niet omheinde binnenplaats bij een huis of ander pand
вътрешен двор
/pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
пацие́нт
noun
1.
патриа́рх
adjective
1.
патриархален
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
яребица
noun
1. klein rond raam in een scheepswand dat waterdicht kan worden afgesloten
илюминатор
noun
1. zowel baas als beschermheer zijn
опека
noun
патру́л
verb
патрулирам
noun
1. stevig, maar smeerbaar mengsel van fijngemalen vlees
пасте́т
noun
1. een grote verstembare keteltrommel zoals gebruikt in een orkest
тимпан
/'pɑupər/
noun
1. iemand die heel arm is
бедня́к
/pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
  1. папа
  2. па́па
adjective
1. betrekking hebbend op de paus, het hoofd van de rooms-katholieke kerk
папски
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Паун
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
  1. паун
  2. пау́н
noun
1. bepaald soort tropische struik met prachtige bloemen, Caesalpinia pulcherrima
пауново цвете
verb
2. even stoppen
прекъ́свам
noun
бу́дка
/pɛx/, /pɛχ/
noun
1. de conditie waarin er tegenslag te verwerken is die niet door eigen schuld veroorzaakt is
лош късмет
adjective
валу́тен
noun
  1. 1. met de voet te bedienen hefboom
  2. 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
педа́л
noun
педиатрия
adjective
1. behorende tot het verlangen van een volwassene naar seksueel contact met kinderen
педофи́л
noun
1. een volwassene die verlangt naar seksueel contact met kinderen
педофи́л
noun
1.
педофилия
noun
1. studie van de bovenste aardlaag
почвознание
noun
1. vrucht
  1. круша
  2. кру́ша
adjective
1. de vorm hebbend van een peer, dus rond met één enkele uitloper
крушовиден
/pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
  1. сухожилие
  2. сухожи́лие
noun
1. een aandoening van een pees en de aanhechting ervan aan het bot
възпаление на сухожилие
noun
катра́н
verb
1. overgankelijk blootstellen aan een sterke oplossing van zout
осолявам
/pɛlgrɪm/
noun
пилигри́м
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
пеликан
noun
1. de dichtbehaarde huid van verschillende dieren
кожа
noun
1. zoogdier waarvan de behaarde huid als bont gebruikt wordt
животно с козина
noun
  1. 3. lange, stevige veer van vogels
    перо
  2. 1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
    писалка
noun
1. een directe vrije trap voor de aanvallende partij na een zware overtreding van de verdedigende partij binnen het strafschopgebied
наказателен удар
noun
пеницили́н
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
пенис
noun
1.
кути́я за мо́ли́ви
noun
1. kleinste Britse munt, Engelse stuiver
пени
noun
2. een gerecht bereid van (1)
шкембе
noun
че́тка
noun
1. loon uitgesteld tot de tijd dat iemand niet langer actief is op de arbeidsmarkt
пе́нсия
noun
Пенсионен фонд
noun
1. een gelegenheid waar men kan overnachten
пансио́н
/pɛnʃo'nerɪŋ/
noun
1.
пенсиони́ране
pronoun
1.
Пентаго́н
noun
пентаграм
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
  1. пипeр
  2. пипер
noun
1. vaatje met al dan niet gemalen peperkorrels dat op tafel gezet wordt
пиперник
noun
1. een zoete koek die gekruid is met peper
меденка
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Mentha × piperita
мента
/pɛrsɛnˈtaʒə/
noun
1. een percentsgewijze berekend bedrag of hoeveelheid
проце́нт
adjective
1. door de huid heen
подкожен
/perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
кру́ша
noun
1. compote van peren
компот от круши
noun
1. hervormingen zoals deze door Gorbatsjov werden voorgesteld in de Sovjet-Unie
перестро́йка
/pɛrˈfɛkt/
adjective
1. zonder enig gebrek
безупречен
noun
съвършенство
verb
1. meer perfect of volmaakt maken
усъвърше́нствувам
/ˌpɛrfoˈratɔr/
noun
1. een apparaat om gaten te maken in papier, karton, kunststof folie of metaalplaat.
перфоратор
noun
1.
асма́
adjective
1. aan de buitenzijde
периферен
noun
периферия
noun
перихелий
noun
перинеум
/pɪri'jodɘ/
noun
1. tijdperk
период
adjective
1. periodisch, regelmatig terugkerend
периодичен
noun
периодична система на елементите
noun
1. buikvliesontsteking
перитонит
noun
1. een dun schrijfmateriaal, gemaakt van huid van kalveren, koeien, geiten, schapen, konijnen of ezels
пергаме́нт
adjective
1. voortdurend
трайно къдрене
noun
1. doordringbaarheid
проницаемост
noun
1. populistische en nationalistische politieke stroming in Argentinië
перонизъм
noun
пероксид
/pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
перо́н
noun
  1. 1. instrument waarmee druk uitgeoefend kan worden
  2. 2. journalistieke media
печа́т
noun
1. schriftelijke verklaring om iets via de media bekend te maken
комюнике́
verb
промушва се
noun
известна личност
adjective
ли́чен съста́в
noun
  1. 1. menselijk individu
  2. 2. grammaticaal begrip
  1. човек
  2. лице
adjective
1. betrekking hebbend of uitgevoerd door de persoon zelf
ли́чен
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
лично местоимение
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
индивидуа́лност
/pɛrspɛkˈtif/
noun
перспекти́ва
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat West-Australië
Пърт
/peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Перу
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
  1. праскова
  2. пра́скова
noun
1.
пра́скова
noun
1.
пра́скова
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
  1. персийски
  2. фарси
pronoun
1.
Перси́йски зали́в
pronoun
Пешавар
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen ongunstig gaan uitvallen
песими́зъм
noun
(medisch) Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis
чума
verb
1. jennen, treiteren
досаждам
noun
1. gebied waar de perst heerst
огнище на зараза
noun
1. plaats waar de pest heerst
огнище на зараза
noun
пестицид
noun
1. bepaald soort vogel, Bombycilla garrulus
kопринарка
noun
1. tamelijk plat hoofddeksel met een klep
капа́к
noun
1. spel waarbij men metalen ballen zo dicht mogelijk naar een klein houten balletje moet gooien
петанк
/petəkɪnt/
noun
кръщелник
noun
кръ́стник
noun
2. kruid
магданоз
noun
1. gesteentekunde
петрология
pronoun
1. discipel van Jezus
Петър
noun
1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
  1. угарка
  2. фас
noun
1. een jong kind in de leeftijd van een tot vier jaar
прохождащо дете
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. grotere van de twee manen van Mars
Фобос
noun
1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
  1. пиано
  2. пиа́но
/pɪˈkɑrdɪʲə/
pronoun
regio in Noord-Frankrijk
Пикарди
noun
1. piccolofluit
пиколо
noun
2. een kleine open vrachtauto
пика́п
noun
1. een carrosserie-uitvoering van een bestelwagen, waarbij de wagen bestaat uit een passagiers- en bestuurdersgedeelte, met daarachter een open laadbak
пика́п
noun
1. een maaltijd in de vrije natuur
пи́кник
noun
1.
пикометър
noun
ико́на
noun
1. geslachtsdeel van de man, penis gebruikt voor onvolgroeide jongens
пи́шка
verb
  1. 3. stiekem, snel of oppervlakkig naar iets kijken
    надничам
  2. 1.1 het geluid van een muisje
    пискам
  3. 1.4 het fijn schril geluid van een krakende scharnier
    скърцам
noun
  1. 1. benaming voor vogels uit het geslacht Anthus
    бъбрица
  2. 3. aardappel
    картоф
adjective
1. bijzonder klein
мъничък
/piːr/
noun
  1. 2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
  2. 3. overdekte loopbrug op luchthaven
кей
pronoun
1. jongensnaam
Петър
noun
1. een organische of minerale stof met een vaste kleur
пигмент
noun
1. projectiel
  1. стрела
  2. стрела́
noun
1. houder voor pijlen
колча́н
/pɛɪ̯n/, /pɛːn/
noun
1. lichamelijk leed
бо́лка
/ˈpɛɪ̯nɑpəɫˌkliːr/, /ˈpɛːnɑpəlˌkliːr/
noun
1. klier in de hersenen, die melatonine uitscheidt
епифизна жлеза
verb
1. het opzettelijk veroorzaken van pijn bij iemand
измъчвам
/ˈpɛːinlək/, /ˈpɛːnlək/
adjective
1. pijn gevend
болезнен
/'pɛːinstɪlər/
noun
1. middel
болкоуспокоя́ващо
/pɛi̯p/
noun
1. buis
цев
/'pɛiplɛin/
noun
1. lange buis die dient voor het transport poeders, vloeistoffen of gassen
тръбопрово́д
verb
4. (met de snavel) prikken
кълва́
adjective
1. heel zwart
тъмен като в рог
noun
  1. 1
  2. 2
табле́тка
noun
1. een bestuurder van een vliegtuig, luchtschip of race-auto
пилот
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
син синигер
noun
1. een dun metalen staafje waarmee iets bevestigd kan worden
значка
noun
1. een ouderwetse bril die op de neus geknepen werd gedragen
пенсне́
/pɪn.ˈsɛt/
noun
1. een gevorkt werktuig bestaande uit twee armen waarvan de punt bijeengeknepen kan worden
пинсе́та
noun
  1. 1. een tot de vlinderbloemenfamilie behorende plant
  2. 2. een vrucht van deze plant
фъстък
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
фъстъчено масло
/ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
пингвин
noun
1. de vijfde, kleinste en buitenste vinger
ку́тре
/ˈpɪmpɑs/
noun
1. betaalkaart waarmee bedragen rechtstreeks worden afgeschreven van de bankrekening van de betaler.
банкова карта
noun
1.
божу́р
/piˈɔn/
noun
  1. 1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
    пе́шка
  2. 2. subatomair deeltje dat bestaat uit twee quarks en dus een boson is
    пешка
noun
пионе́р
noun
1.
пират
noun
1.
  1. Пирамида
  2. пирамида
noun
  1. 1. het beroven of plunderen van een schip op open zee
  2. 2. opzettelijke schending van het auteursrecht door het ongeoorloofd namaken van goederen of ...
плагиатство
noun
гърне́
verb
1. plassen
пикая
noun
ша́мфъстъ́к
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
пистоле́т
noun
1. een beeldpunt
пиксел
/ˈpidza/, /ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
пица
noun
1. restaurant
пицари́я
pronoun
Пиемо́нт
noun
wijdverspreid onheil, ongemak
бедствие
noun
1. vlak, plat en vrij dun stuk materiaal
гравю́ра
noun
2.
сни́мка
/plaːts/
noun
  1. 1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
    място
  2. 2. een plein
    площад
noun
1. precieze plek waar een misdaad is gebeurd
местопрестъпление
adjective
1. betrekking hebbend op een bepaalde plaats
лока́лен
verb
1. op een bepaalde plaats zetten
поставям
/platsˈvɪndə(n)/
verb
1. gebeuren, geschieden, plaatshebben
състоя се
noun
1. geneesmiddel zonder werkzame stof
плацебо
noun
1. moederkoek, orgaan dat verbinding vormt tussen moeder en de zich ontwikkelende vrucht in de buik van de moeder.
плаце́нта
/plɑˈfɔnt/
noun
  1. 2. hoogste niveau
    тава́н
  2. 1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
    таван
verb
1. iemand (goedmoedig) pesten
задявам
noun
плагиатстбо
noun
2.
афи́ш
verb
lijmen , kleven
лепя се
verb
1. steenachtige, houten of andere ondergronden met plamuur egaliseren of repareren
китвам
noun
1. een voorgenomen handelswijze
план
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
планета
adjective
планетарен
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
планета́риум
noun
1.
планетоложка
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
малка планета
/plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
дъска́
noun
  1. 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
    1. растение
    2. цвете
  2. 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
    1. цвете
    2. растение
/plɑntˈaːr.dəx/
adjective
1. tot de planten behorend, uit planten bestaand of daarvan afkomstig
растителен
noun
расти́телно ма́сло
noun
1. een uitgestrekt stuk grond waarop ...
планта́ция
noun
2. taxonomisch rijk
посаждам
verb
1. (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
посаждам
noun
1. dier dat uitsluitend plantaardig voedsel eet
тревопасно животно
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
бота́ника
noun
  1. 1. een verzameling van vocht
    ло́ква
  2. 2. een door veenafgraving ontstaan meer
    локва
noun
1.
пла́зма
/plɑs.ˈmi.də/
noun
1. een ringvormig DNA-molecuul dat voornamelijk voorkomt voor bij bacteriën
плазми́д
verb
1. via de urinebuis vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen
уринирам
/'plɑstik/, /'plɛstɪk/
noun
plastisch vervormbare polymere kunststof
пластмаса
adjective
3. kneedbaar
пласти́чен
noun
1. een chirurgisch specialisme waarin men zich richt op het uit esthetisch en/of functioneel oogpunt aanpassen van het uiterlijk
пластична хирургия
adverb
1. vlak van vorm met verwaarloosbare hoogteverschillen
плосък
noun
1. benaming voor loofbomen uit het geslacht Platanus
платан
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
платина
noun
1. platte of afgezaagde zinsnede
баналност
noun
1. het landelijke gebied buiten de steden
[[се́лски]] [[пейза́ж]]
/ˈplɑtvɪs/
noun
1. een orde van vissoorten die op hun zijde op de bodem leven, en geheel plat zijn
калкан
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Плауен
adjective
met ceremonieel
официален
noun
een sociale gebeurtenis die met ernst en ceremonieel gepaard gaat
обре́д
noun
1. het plaatje waarmee snaren worden aangeslagen
перце
noun
площад
/ˈplɛinˌvreːs/
noun
агорафобия
noun
  1. 2. zelfklevend verband
    лейкопласт
  2. 1. (gipshoudend) kalkmengsel
    пластир
verb
пледирам
pronoun
1. Plejaden
Плея́ди
/plɛk/
noun
1. plaats, positie
петно
adjective
1. in aanwezigheid van allen
плена́рен
verb
1. plat maken
смачквам
noun
1. machine die wegen effent
валяк
noun
1.
дъждосвирец
noun
сплетение
noun
1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen
дълг
noun
1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
плуг
verb
2. land met de ploeg bewerken
ора
noun
1.
орач
noun
1. snijdend deel van ploeg
лемеж
noun
1. geluid van iets dat in een vloeistof valt
плясък
verb
1. iets in losse vouwen opstapelen
сгъвам
noun
1.
пукот
/ploˈsif/
noun
1. medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie...
Преградна съгласна
adjective
1. snel en onverwacht
внезапен
noun
трупче
noun
1. vlok droge, lichte stof met een open structuur
мъх
/'plʌʏ.zəx/
adjective
1. vol met pluizen
мъхнат
/plɵk/
noun
1. uitgetrokken bundeltje
кичур
/'plɵkə(n)/
verb
    1. 1. (bloemen) afbreken of oogsten
    2. 4. (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
    бера
  1. 2. ontdoen van de veren
    оскубвам
verb
1. met geweld zich roerende goederen toeëigenen uit de woning van iemand anders
грабя
noun
1.
ограбване
conjunction
плюс
noun
плюс
pronoun
1.
Плутон
noun
1. Chemisch element
плутоний
/po/
pronoun
1. stroom in Italië
По
noun
1. een pot, meestal uit kunststof of eertijds geëmailleerd ijzer, waar men zijn behoefte in kan doen
гърне́
verb
1. bereiden in warm maar niet kokend water
варя
noun
1. digitale radio-uitzending waarbij een audiobestand op internet wordt gezet...
по́дкаст
pronoun
1.
Подолие
noun
1. Frans krulharig hondenras
пудел
noun
прах
noun
1. zeer fijn gemalen suiker
пудра захар
noun
1. een vrij klein stilstaand water
локва
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis concolor
пума
noun
1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
лайно
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
котка
noun
1. sociaal-economische en politieke praktijk in Rusland in het begin van de 21 eeuw
путини́зъм
/ˈputsə(n)/
verb
1. door middel van wrijven zaken schoner maken
почиствам
verb
1. in eigen vocht gaar laten worden
пека
/ˈpoɣə(n)/, /ˈpoχə(n)/
verb
1. iets met succes trachten te volbrengen, waarvan men niet weet of het gaat lukken
опитвам
noun
атента́т
noun
  1. 1. razzia tegen joden
  2. 2. gewelddadige aanvallen...
погром
noun
  1. 1. staande jachthond
  2. 2. een variabele waar een geheugenadres in staat
по́йнтер
noun
1.kaartspel
по́кер
noun
2. epidemische huidziekte
вариола
noun
полярност
/ˈpɔldəʀ/
noun
1. een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
полдер
/ˈpolə(n)/, /ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
  1. Полша
  2. По́лша
noun
полип
/poˈlɛɪstə(n)/
verb
1. een stenen of glazen oppervlak bijzonder glad slijpen met steeds fijnere slijpmiddelen
полирам
/ˈpo.lɪs/
noun
1. schriftelijke vastlegging van een overeenkomst
полица
noun
1. een discipline
политоло́гия
noun
1.
политоло́г
noun
1. iemand die zich beroepsmatig met politiek bezighoudt
полити́к
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
  1. полиция
  2. поли́ция
noun
1. een persoon die belast is met hulpverlening en met de handhaving van de openbare orde en veiligheid
полицай
noun
1. een speciale auto voor politieagenten
полице́йска кола́
noun
полице́йски уча́стък
/poliˈtik/
adjective
1. betreffende de politiek
политически
/poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
политика
noun
1. iemand wiens taak het is de wet te handhaven en overtreders in de kraag te grijpen
полицай
noun
1. een speciale auto voor politieagenten
полице́йска кола́
noun
1. stuifmeel
полен
noun
1.(Nederland) een vrij vlakke, houten of kunststoffen lepel gebruikt voor het roeren van voedsel dat toebereid wordt
дървена лъжица
noun
1. Chemisch element
полоний
noun
anatomie: 1. gewricht
ки́тка
noun
1. een uurwerk dat om de pols gedragen wordt
ръчен часовник
noun
полиамория
noun
полиандрия
noun
2. thermoplastisch polymeer
поликарбонат
noun
многогла́сие
noun
полигамия
noun
полиглот
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
многоъгълник
noun
1.
полимер
noun
полиметилметакрилат
pronoun
1. eilanden in de Grote Oceaan of Stille Oceaan die samen Oceanië vormen
Полине́зия
adjective
многочлен
noun
thermoplastische kunststof, bereid door polymerisatie van propeen
полипропилен
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
полисемия
noun
1. godsdienst met meer dan één god
многобожие
noun
1. en 2. (vrucht van de) boom Citrus maxima × Citrus ×paradisi
помело
pronoun
1. historische regio in het zuiden van de Oostzee
Померания
noun
помпа
/ˈpɔmpəlˌmus/, /ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
2. een vrucht van deze boom
помело
verb
1. vloeistof of gas met behulp van een pomp verplaatsen
помпам
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
тиква
noun
1.
тиквена супа
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
фунт
noun
брита́нска ли́ра
noun
kaart die tot de jaren 80 werd gebruikt voor het vastleggen van gegevens d.m.v. erin geponste gaatjes
перфокарта
adjective
1. heel uitdrukkelijk, heel erg op de voorgrond staand
папски
noun
1.
понтифика́т
noun
1. werkschuit met een vlak dek
понтон
noun
1. een brug die bestaat uit op het water drijvende elementen
понто́нен мост
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
по́ни
/'poːjər/
noun
1. een man die prostituees tegen betaling beschermt en helpt.
сводник
/pok/
noun
1. stang om het vuur op te porren
ръже́н
/pol/, /poɫ/, /po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
поляк
noun
  1. A 1. uiteinde van een draaiingsas
  2. A 2. een van beide einden van een magneet
  3. A 3. een uitzonderlijk punt waar een functie naar oneindig neigt
по́люс
noun
1. de begrenzing van het gebied waar 's zomer de middernachtszon gezien kan worden en 's winters de nacht een heel etmaal kan duren
полярен кръг
noun
1.
полярно сияние
/poɫs/, /poːls/, /po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
полски
/pol.sə/, /poɫ.sə/, /po̝ɫ.sə/
noun
1. een vrouw van Poolse komaf
по́ляк
noun
полярна звезда
noun
1. bepaald soort zoogdier, Alopex lagopus
Полярна лисица
noun
1. benaming voor zeevissen uit familie Triglidae
морска лястовица
/poːrt/
noun
  1. 1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
    врата
  2. 2.
    врата́
noun
ла́па
noun
1. speeltuig
кукла
noun
  1. 1. een in het klein uitgevoerde versie
  2. 2. popperig huisje
куклена къща
noun
1. kunstenaar achter poppenspel
куклово́д
noun
1. het populair zijn van iemand of iets
популярност
noun
  1. 1.
  2. 3. een groep organismen
населе́ние
noun
1.
топола
noun
1. politieke stroming die vindt dat een maatschappelijke elite de belangen van het volk verwaarloost...
попули́зъм
noun
порногра́фия
/pɔrsəlɛːn/, /pɔrsəˈlɛɪn/
noun
1. fijn, geglazuurd aardewerk
порцелан
noun
1,2 portaal (entree)
порта́л
noun
1. geldbuidel
кесия
noun
1. een deel van een voorraad toebedeeld aan een bepaald persoon
дял
noun
  1. 1. woningingang bestaande uit een open portaal binnen de voorgevellijn
    вера́нда
  2. 2. zuilengalerij
    портик
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
портрет
/'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
Португалия
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
adjective
1. verwijzend naar Portugal of naar de Portugese taal
португалски
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
noun
1. inwoner van Portugal
  1. португалец
  2. португалка
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
  1. португалски
  2. португа́лски
/pɔr.ty.ˈɣe.sə/, /ˌpɔr.ty.ˈχe.sə/
noun
1. vrouw
португалка
noun
1. bepaald soort vis, Gymnocephalus cernuus
бопан
verb
позирам
/po'zisi/
noun
7. de ligging van de hand
положение
adjective
положителен
noun
позитро́н
/pɔs/, /pɔst/
noun
1. toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
поща
noun
1. postbeambte
пощальон
noun
пощенски код
noun
1. een afgerichte duif die berichten kan overbrengen
пощенски гълъб
noun
1. bepaalde soort eenjarige groene plant, Portulaca oleracea
тученица
noun
2. (aanplak)biljet
афи́ш
/pɔs'terə(n)/
verb
1. ergens neerzetten
настанявам
noun
2. het postkantoor
по́ща
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
по́ща
noun
1.
постмодерни́зъм
noun
1. postcode in België
по́щенски код
adjective
1. na een letsel
посттравматичен
adjective
1.
посмъртен
/ˈpɔseɣəl/, /ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
  1. пощенска марка
  2. ма́рка
noun
1.hobbyïst die postzegels koopt, ruilt en verzamelt
филателист
noun
гърне
adjective
1.
напълно глух
verb
1. ondiep in de aarde stoppen, met name van bollen, wortels, zaden e.d. om deze te laten groeien
посаждам
adjective
1. mogelijkheid
възможен
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
молив
noun
1. iets wat bestaat uit een samenraapsel van fragmenten uit andere werken
потпури
noun
1. deel van een gebroken pot van aardewerk
чиреп
pronoun
1.
Поступим
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
кашалот
noun
пути́н
/po.ˈwe.tɪs/, /po.ˈβ̞e.tis/
adjective
1. uit de poëzie, gelijkend op poëzie
поетичен
noun
1. in ritme, maat en klank verwoorden
поезия
/prax/, /praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Прага
noun
1. een radio- of televisieprogramma dat vooral uit praten bestaat
то́кшоу
adjective
1.
бъбрив
/prɑkˈtɛɪ̯k/, /prɑkˈtɛːk/
noun
  1. 1. ruimte waarin een arts zijn beroep uitoefent
  2. 2. hoe dingen werkelijk gaan...
  3. 4. gewoonte(n), manier van doen
обича́й
adjective
1. op een manier die ook echt uitgevoerd kan worden
практичен
noun
1.
пралина
/ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
празеодим
/ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
  1. говоря
  2. казвам
/presəˈdɛnt/
noun
  1. 1. eerder plaatsgevonden hebbend geval
  2. 2. bestaande jurisprudentie die dient ter beslechting van een vergelijkbaar geschil
прецеде́нт
noun
прецесия
adjective
преци́зен
verb
1. neerslaan, bezinken
утаявам
/pre'kɵrsɔr/
noun
1. een voorloper
изходно вещество
noun
1. het vangen, doden en opeten door een organisme, meestal een dier, van een ander dier, het prooidier
хищничество
noun
предопределение
noun
3. (grammaticaal) gezegde
предика́т
pronoun
Еклисиаст
noun
про́повед
noun
1.
и́збор
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
представка
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
праз
noun
1. een muzikale introductie tot een muziekstuk
прелюдия
noun
1. een fantasiestuk of een muzikale introductie tot een muziekstuk
прелюдия
noun
1. de betaling aan een verzekeringsmaatschappij voor een verzekering
премия
noun
1. de eerste vaak feestelijke vertoning van een film, toneelstuk of een andere vorm van entertainment
премиера
noun
1. bereiding van chemische stof, geneesmiddel e.d
препара́т
noun
водещ
verb
1. op een goed voorbereide wijze aanbieden aan anderen
представям
noun
1. het staatshoofd van een republiek
президент
adjective
1.
президе́нтски
noun
1. het bestuur van een vereniging (vooral van studentenverenigingen en politieke organisaties)
прези́диум
noun
1. vaak fraai gevormd, zwaar voorwerp dat men boven op een stapel losse papieren kan leggen zodat de papieren niet kunnen wegwaaien
преспапие
noun
завършване
noun
1.
авторите́т
adjective
1.verwaand, met veel pretenties
претенциозен
/prøts/
adjective
1. zeer ingetogen, overdreven kuis
превзет
/prəˈvɛn(t)si/
noun
1. voorkoming (van ziekte, brand, etc)
попречване
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
приапизъм
noun
1. priem
ши́ло
noun
1. priemgetal
просто число
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
свещеник
noun
1. een vrouw die de taak heeft religieuze rituelen te verzorgen
жрица
noun
глу́пости
noun
1. de gevraagde geldsom bij verkoop
цена́
noun
  1. етикетче с цена
  2. картичка с цена
noun
1. een bord (vaak van vilt) waar met behulp van punaises foto's en andere papierwerken op kunnen worden opgespeld
табло́ за обя́ви
noun
реакция
noun
1. materiaal bestaande uit een dubbele, in elkaar gedraaide metalen draad...
бодли́ва тел
/ˈprɪkələn/
verb
    1. 4. (medisch) irriteren
    2. 2. aanzetten, aansporen
    възбуждам
  1. 5. (seksueel) opwinden
    вълнувам
noun
  1. 1. benaming voor zoogdieren uit de orde Primates
  2. 2. kerkelijke titel
архиепи́скоп
adjective
  1. 1. alle kortste translatievectors in de richting van de hoofdassen van de rotatiesymmetrie hebbend.
  2. 2. de drie kortste niet in hetzelfde vlak liggende translatievectors als ribben van de eenheidscel hebbend.
примитивен
/prɪnˈsipə/
noun
начало
noun
  1. 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
  2. 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
княз
adjective
1. als horend of passend bij een prins of prinses, bestaand uit prinsen of prinsessen
княжески
noun
  1. 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
  2. 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
принцеса
/ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
  1. принтер
  2. при́нтер
noun
приорат
noun
приорите́т
noun
при́зма
verb
1. omvormen van staatsbedrijven, overheidsdiensten tot particuliere, private bedrijven
приватизи́рам
noun
1. een bepaald recht, voordeel niet genoten door anderen
привиле́гия
adjective
1. voor persoonlijk gebruik gereserveerd
частен
/proˈberə(n)/
verb
  1. 1. testen
  2. 2. onderzoeken
  3. 3. iets met succes trachten te beëindigen waarvan men niet weet of het gaat lukken
експериментирам
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
  1. проблем
  2. проблема
noun
1.
авариен монтьор
adjective
1. met problemen behept
проблематика
adjective
1. een probleem vormend
проблематичен
verb
съдя се
/prosəˈdyrə/, /proseˈdyrə/
noun
  1. 1.
  2. 4.
[[на́чин]] на [[ра́бота]]
/pro'sɛnt/
noun
1. een honderdste deel
проце́нт
/proˈsɛs/
noun
2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
проце́с
abbreviation
1. de akte waarmee een overheidsambtenaar verslag uitbrengt over wat hij in de uitoefening van zijn functies heeft verricht
протокол
noun
процесуално право
/proˈsɛˌsi/
noun
процесия
noun
възвание
noun
1. voortplanting
размножение
noun
продуце́нт
verb
1. bij voortduring vervaardigen
израбо́твам
noun
1. het resultaat van een bewerking
проду́кт
noun
1. voortbrenging
произво́дство
adjective
1. vruchten afwerpend
производителен
noun
2. experiment
експериме́нт
noun
2. proefpersoon
опитно зайче
noun
стаж
verb
  1. 1. onderzoeken hoe iets smaakt
  2. 2. smaak waarnemen
вку́свам
/pro'fɛsi/
noun
1. het beroep dat iemand uitoefent om geld mee te verdienen, met kennis van zaken en met betrokkenheid
вероизповеда́ние
noun
1. een persoon, die beroepsmatig werkzaam is
професионалист
/proˈfɛsɔr/
noun
1. de aanspreektitel voor een hoogleraar
професор
noun
1. het -met name financiële- voordeel dat men heeft bij een bepaalde zaak
изго́да
noun
1. voorbehoeding, behandeling om een ziekte te voorkomen
профилактика
noun
прогестерон
noun
1. een applicatie voor de computer
преда́ване
noun
език за програмиране
adjective
  1. 1. vooruitstrevend
  2. 2-3
прогресивен
/proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
план
noun
проекция
noun
toestel om een afbeelding op een scherm te projecteren
прое́ктор
noun
пролетариа́т
noun
пролета́рий
noun
1. snelle vermenigvuldiging
размножение
noun
пролонгация
noun
  1. 1. inleidende rede van een tekst
  2. 3. de inleiding tot een theaterstuk
пролог
noun
място за разходка
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
прометий
/proˈmotə(n)/
verb
1. reclame maken voor
насърчавам
/proˈmotsi/
noun
  1. 1. een verhoging in rang
  2. 2. bevordering naar een hogere speelklasse
насърча́ване
noun
1. dat wat door een dier wordt buitgemaakt
пля́чка
/prost/
interjection
1. heildronk
наздраве
noun
1. samengepakte massa weefsel of papier, vaak gebruikt om iets af te stoppen
запушалка
noun
1. C₃H₈
пропан
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
пропаганда
noun
пе́рка
adjective
1. goed schoongemaakt, netjes verzorgd
изцяло
noun
1.een klier tussen de blaas en de penis van de man
Простатата
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
проституция
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
протактиний
noun
1.
[[гла́вен]] геро́й
noun
2.
протекциони́зъм
noun
1. een uiting van ontevredenheid met het gevolgde beleid
демонстра́ция
verb
1. grote bezwaren uiten
протести́рам
noun
1.
белтък
noun
1. een kunstmatig lichaamsdeel
проте́за
pronoun
1. hypothetische, gereconstrueerde taal waar vele Europese talen, waaronder het Nederlands en het Frans, van afstammen
индоевропе́йски пра́език
/'protɔn/
noun
протон
noun
1.
протопла́зма
noun
1. oorspronkelijk model, eerste model van een product
  1. прототип
  2. първообраз
adjective
1. met betrekking tot de Provence
провансалски
/pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
провинция
noun
провока́ция
noun
про́за
adjective
  1. 1. niet dichterlijk, in gewone taal
  2. 2. weinig opmerkelijk, saai
безинтересен
noun
1. een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordt
перу́ка
verb
2. droevig zijn zonder geluid te maken
муся се
noun
2. vrucht van de pruimenboom
слива
noun
1. compote van pruimen
компот от сливи
pronoun
Прусия
/psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
псалм
/psœydoˈnim/
noun
1. een aangenomen naam waaronder men iets publiceert
псевдоним
noun
  1. лъженаука
  2. псевдонаука
/ˌpsɪxeˈdelɪs/
adjective
1. de werking van het bewustzijn verruimend
психедели́чен
noun
психиа́тър
noun
психиа́трия
adjective
1. met betrekking tot de behandeling van geestelijke stoornissen
психиатричен
adjective
1. geestelijk
психичен
/psixoloˈɣi/, /psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
психология
/ˌpsi.χo.ˈloχ/, /ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
психолог
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
психопа́т
/psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
психоза
noun
1. stroming in de psychologie
психотерапия
noun
1. het proces van seksuele rijping van kind naar volwassene en het gedrag dat daar bij hoort
пуберте́т
verb
1. bekend maken aan een doorgaans groot publiek via een bepaald medium
изда́вам
noun
реклама
/pyˈblik/
adjective
  1. 1. vrij toegangelijk , openbaar
  2. 2. wat het publiek aangaat
обще́ственост
/pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
аудито́рия
noun
gangbare benaming voor de status van werken die geheel vrij zijn van auteursrechten en naburige rechten
обществено достояние
noun
1. nagerecht, vaak zoet, koud en op basis van melk
пудинг
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Пуерто Рико
noun
пе́мза
/pœʏ̯n/, /pœːn/
noun
1. een massa vergruizelde steen
отло́мки
/pœyn(h)op/
noun
2. een bende
безпоря́дък
/pœʏ̯st/, /pœːst/
noun
1. ontsteking van de huid die tot een bobbeltje leidt
пъ́пка
noun
пъ́пка
noun
1. het plaatsen van leestekens in een tekst
пунктуация
pronoun
1. taal die in de Punjab, zowel in India als in Pakistan gesproken wordt
Пенджабски
noun
  1. 1. een spits toelopend uiteinde
    връх
  2. 1. een positie in de ruimte
    то́чка
noun
1. taps toelopende houder met een mesje dat bedoeld is voor het aanslijpen van een verse punt aan een potlood
острилка
noun
1. een leesteken dat twee nauw aan elkaar gerelateerde zinnen tot een geheel verbindt (;)
то́чка и запета́я
noun
  1. 2. leerling
    зени́ца
    1. 1. onder voogdij staand kind
    2. 1. oogappel
    зеница
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
ку́ченце
noun
gerecht van fijngestampte of gezeefde aardappelen, tomaten, vruchten, groenten enz
пюре
noun
1. laxeemiddel
разслабително
noun
1. streven naar puurheid
пуризъм
/pyri'tɛins/
adjective
1. (te) vroom, sober, ingetogen en streng
пуритански
adjective
пурпурен
adjective
виоле́тов
/pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
кладенец
noun
2. distelvink
щиглец
noun
acroniem van polyvinylchloride
поливинил хлорид
noun
1.
джудже
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Пиренеи
noun
  1. 1. een kubisch mineraal met de samenstelling FeS₂
  2. 2. een vaste stof die het structuurtype heeft waarvan [1] het archetype is
пири́т
noun
1. een niet-giftige en grote wurgslang
питон
/ka'tar/, /ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
Катар
noun
1. volgeling van een religieuze beweging gekend onder de naam Genootschap der Vrienden
Квакери
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
карантина
/kwɑrk/
noun
кварк
noun
квазар
noun
кватернион
pronoun
1. macrotaal die door indianen in Ecuador, Peru en Bolivia wordt gesproken
ке́чуа
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het noordoosten van het land
Куиинсланд
pronoun
1. een door de schrijver J.R.R. Tolkien bedachte kunsttaal die toegeschreven is aan de Elven
куеня
/kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
киноа
noun
1. spel waarbij de deelnemers vragen moeten proberen te beantwoorden
викторина
noun
1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
деление
interjection
1. horizontaal draaibare boom aan mast
рея
/rat/, /raːd/
noun
  1. 2. een orgaan dat bestaat uit leden die raadgevende of beslissende bevoegdheden bezitten
    съве́т
  2. 1. aanbeveling hoe om te gaan met een probleem
    съвет
pronoun
Съвет на Европейския съюз
pronoun
Съвет на Европа
adjective
1.
консултативен
noun
кметство
verb
1. een bron van informatie of ervaring aanspeken
допитвам се
noun
1. iets waarnaar men moet raden
загадка
/ratsəlɑxtəx/
adjective
1. onbegrijpelijk door dubbelzinnige of verborgen informatie
мистерио́зен
noun
1.
адвокат
adjective
желателен
/raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
гарван
noun
1.
допира́телна
noun
1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
прозорец
noun
1. gewas met een groot aantal variëteiten, waarvan keukenraap en meiraap...
ряпа
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
ревен
/rɑˈbɛin/
noun
равин
noun
1. wedstrijd waarbij het erom gaat een bepaald traject of parcours zo snel mogelijk af te leggen
надбя́гване
noun
расизъм
adjective
1. voortkomend uit de opvatting dat mensen door afstamming kunnen worden ingedeeld in grote groepen...
раси́стки
noun
ракета
noun
1. wielvormig voorwerp dat kracht overbrengt binnen een machine of op het water
колело́
noun
1. techniek
ра́дар
verb
1. een gissing maken naar iets
досе́щам се
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
радиан
noun
1. een toestel dat door straling warmte afgeeft, ofwel ter verwarming van een ruimte, ofwel ter koeling van bijvoorbeeld een motor
радиатор
adverb
радикал
noun
3.
радикал
noun
радикали́зъм
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
репичка
/ˈradijo/
noun
  1. 1. toestel
  2. 2. medium
  1. Радиото
  2. радио
adjective
радиоактивен
noun
1.
радиоактивност
noun
1. het medisch specialisme...
радиоло́гия
noun
радиолог
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
радий
noun
лъчева кост
noun
1. wortel uit een getal
ко́рен
noun
ра́джа
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
  1. радон
  2. радо́н
noun
рафине́рия
noun
рагу́
noun
1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
релса
verb
1. een klap, schot of stoot toebrengen
поразя́вам
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
раке́та
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
Ове́н
noun
1. mannelijk schaap
овен
verb
  1. 2. met een zwaar voorwerp een poort of deur inslaan
    бия
  2. 1. een botsing op een vijandelijk schip veroorzaken
    набивам
noun
1. een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
бе́дствие
noun
недоволство
/rɑnt/
noun
  1. 1. de bovenkant van een bak of vat
  2. 3. de buitenkant van een gebied of een ding
ръб
noun
  1. ранг
  2. чин
verb
1. een bepaalde volgorde in iets aanbrengen
класифицирам
noun
1. een telwoord dat een rangorde of volgorde aanduidt
числително редно
noun
1.
рансъмуер
noun
1. bepaald soort vogel, Asio otus
го́рска уша́та со́ва
/rɑnt'sun/
noun
1. beperkte dagelijks verstrekte hoeveelheid voedsel en andere primaire levensbenodigdheden
да́жба
verb
1. verdelen van een schaars goed door iedereen een kleinere, afgepaste hoeveelheid te geven
разпределям
noun
1.
рапира
verb
1. ritmisch uitspreken van een tekst begeleid door een beat
рапирам
noun
1. iemand die ritmisch teksten voordraagt op muziek, meestal hiphop
ра́пър
noun
1. schriftelijk bericht over een gebeurtenis of toestand
докла́д
noun
1. een muziek of dichtwerk dat contrasterende delen bevat en toch een eenheid vormt
рапсо́дия
noun
поро́да
noun
1. een grofgetande vijl die wordt gebruikt om rondingen aan hout te maken
ренде
verb
1. met een rasp afvijlen en fijnmaken
настъргвам
/rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
плъх
noun
2. een mechaniek met kamrad en pal, dat een asdraaiing slechts in één richting toelaat
кречетало
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
трепетлика
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
гърмяща змия
verb
1. bekrachtigen van een internationaal verdrag door het nationale parlement of regering
ратифицирам
noun
рационализация
noun
1.
рационалност
noun
1.
мишеморка
adverb
1. ongekookt en vers
суро́в
adjective
1.
гарванов
noun
1. een diepe, steile insnijding in een terrein
дефиле́
verb
  1. 2. voortbewegen of overtrekken van een natuurverschijnsel ...
    вилнея
  2. 1. heel snel rijden
    движа се бързо
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
реа́кция
adjective
реакционен
noun
епруветка
/'reʲaɣɛns/
noun
1. een chemische stof die deelneemt aan een reactie
реактив
verb
1. op een nieuwe situatie actie ondernemen
взаимодействам
adjective
1. van iets dat het werkelijkheid kan worden
осъществим
noun
реали́зъм
noun
действи́телност
noun
1. een televisieserie met echte mensen en echt drama, soms worden waargebeurde zaken nagespeeld, minder zakelijke weergave dan bij een documentaire
риа́лити телеви́зия
noun
het reanimeren
оживление
/reani'merən/
verb
1. het kunstmatig overnemen van de ademhaling en de bloedsomloop, indien er sprake is van een circulatiestilstand
съживявам
/rəˈbɛl/
noun
1.
бунта́р
verb
въставам
noun
1. soort raadsel
ре́бус
verb
1. een beoordelend verslag schrijven, meestal van een culturele gebeurtenis
рецензирам
adjective
1. een korte tijd geleden gebeurd of begonnen
неотдавнашен
noun
  1. 1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
    реце́пта
  2. 2. doktersvoorschrift voor (de bereiding van) een geneesmiddel
    рецепта
noun
реце́сия
noun
1. het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
десница
noun
  1. 1. een instelling waar rechtgesproken wordt
  2. 2. Gerechtsgebouw
съд
noun
1. hoek van 90 graden
прав ъ́гъл
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
човешки права
/ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
съдия
pronoun
Книга на Съдиите
/'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
правоъгълник
adjective
1. volgens het recht, de wet
законен
adjective
1. tegenovergestelde van links
десен
noun
1. kennis of studie van recht
право
/ɾɛχts.pɛɾ.soːn/
noun
1. groepering van goederen of natuurlijke personen die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
правна особа
noun
1. staat waarvan de macht gereguleerd en beperkt wordt door het geldende recht
правова държава
noun
право
/rɛx(t)sak/
noun
1. het voeren van een rechtsgeding
иск
noun
1. de ruimte waar een rechtszitting gehouden wordt
съде́бна за́ла
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
справедлив
verb
1. onderbouwen volgens bepaalde ethische beginselen
извиня́
noun
1. de overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
справедливост
verb
1.
повтарям се
noun
рецидиви́ст
noun
речитатив
verb
деклами́рам
noun
1,2 informatie over, en aanprijzing van diensten, producten en ideeën
реклама
verb
1. weder opbouwen
преустройвам
/rəˈkɔrt/
noun
  1. 1. beste prestatie
  2. 3. bij elkaar behorende gegevens
реко́рд
adjective
1. met betrekking tot de endeldarm
на правото черво
noun
1. iemand die berichten verzamelt en bewerkt voor publicatie
реда́ктор
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
спася́
noun
спасе́ние
noun
1. een speciaal gebouwde en uitgeruste boot om het schip in geval van nood veilig te kunnen verlaten.
спасителна лодка
noun
3. een ankerplaats buitengaats
рейд
adverb
1. op een beredeneerde wijze
логично
/ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
причина
/ˌredəˈnɪːrɪŋ/
noun
1. het proces waarmee men van een aantal argumenten, premissen of axioma's tot een standpunt of conclusie komt
разсъждение
verb
спо́ря
verb
  1. 1. terugbrengen tot kleinere proporties
  2. 2. het verlagen van het oxidatiegetal door het toevoegen van elektronen aan een molecuul of ion
  3. 3. het verkleinen van de hoeveelheid vloeistof door het laten verdampen van vocht onder zachte verwarming
отслабвам
noun
излишък
/redypliˈkatsi/
noun
1. vorming van een nieuw woorden of zinsneden door geheel of gedeeltelijke herhalen van een deel daarvan
редупликация
noun
1. sierlijk slank hert, komt bijna in heel Europa voor
сърна
adverb
1. al
  1. вече
  2. досега
  3. преди
noun
1. het jong van een ree
еленче
noun
1. een opeenvolgende rij van gebeurtenissen
  1. ред
  2. серия
noun
2. kont, billen
дупе
noun
1. een stemming over een wetsvoorstel, waarbij gestemd wordt door het volk zelf...
рефере́ндум
noun
1. verwijzing
еталон
verb
1. verwijzen naar
приписвам
noun
отражение
noun
1. een onwillekeurige reactie op bepaalde prikkels
рефле́кс
noun
пречупване
noun
припев
/ˈreɣəɫ/
noun
  1. 3. een voorschrift, richtlijn, norm
    пра́вило
    1. 1. een zin in een tekst
    2. 2. een vers in een gedicht
    роле́тка
adjective
1. iets wat hoger of lager kan worden ingesteld al nagelang wat nodig is, van iets dat je het kunt regelen
нагласяем
verb
1. zorgen dat het gebeurt
регулирам
noun
1. een combinatie van afspraken voor een bepaalde groep
догово́реност
noun
2. ordelijke schikking in de ruimte
правилност
adjective
1. aan een bepaalde regel gehoorzamend
официа́лен
noun
1.Het volgen van vaste regels
правилност
/reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
дъжд
adjective
1. regelmatig regenend of neigend naar regen
дъждо́вен
/ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
дъга
noun
1. het gekleurde vlies in het oog waarin de pupil zich bevindt
ирис
/ˈreɣə(n)ˌdrʏpəɫ/
noun
1. een druppel die als regen uit de lucht naar beneden valt
[[дъждовен|дъждо́вна]] [[ка́пка]]
/ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
вали
noun
2. herstelgroei
pегенерация
noun
1. een waterdichte overjas die geschikt is voor regenachtig weer
дъждобра́н
noun
1. toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag in een bepaalde periode op een bepaalde plaats meet
дъждомер
noun
1. een verticale buis die aan een dakgoot is bevestigd en dient om het hemelwater dat op het dak valt, af te voeren
олук
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Регенсбург
noun
1. een paraplu
дъждобран
noun
дъждо́вен сезо́н
noun
1. tijd van het jaar dat het veel regent in de tropen...
дъждо́вен сезо́н
noun
регентство
noun
вале́ж
noun
дъждовна вода
/'reɣəʋɔrm/
noun
1. benaming voor dieren uit de familie Lumbricidae
дъждовен червей
noun
1. een bos in een klimaat met het hele jaar door neerslag
тропическа гора
noun
малък свирец
verb
1. het uitoefenen van de politieke macht...
вла́ствувам
/re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /rə.'ɣeː.rɪŋ/, /rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
  1. управление
  2. режим
  3. ръководство
  4. управа
/ˌreɣiˈsidə/
noun
1. een bewuste moord op een koning.
цареубийство
noun
1. bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
режи́м
noun
полк
noun
1. geografisch gebied
регион
adjective
1. op de streek betrekking hebbend
местен
noun
кинорежисьор
verb
1. vastleggen in een register
впи́свам
noun
рехабилита́ция
noun
1. reidans
хоро
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
чапла
adjective
1. zonder vuil
ясен
/ˈrɛɪnəχɪŋ/, /ˈrɛːnəɣɪŋ/
noun
1. het schoonmaken van iets
пречистване
noun
1. vaste stof of vloeistof gebruikt bij het schoonmaken
препара́т за почи́стване
/rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
пътешествие
noun
туристи́ческа аге́нция
verb
1. onderweg zijn
пътеше́ствам
/ˈrɛɪzəɣər/
noun
  1. 2. persoon die vaak reist
    пъ́тник
  2. 1. persoon op reis
    пътешественик
noun
  1. 2. raamwerk
    закачалка
  2. 1. uitrekking
    разтегливост
noun
електро́нна та́блица
/ˈre.kə.nə(n)/
verb
1. getallen manipuleren
смятам
noun
  1. 2. mogelijkheid om bij een bank onder een eigen nummer betalingen te doen en te ontvangen en geld te sparen of te lenen
  2. 1. de optelsom van te betalen bedragen
сме́тка
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
аритметика
noun
1. apparaat dat rekenkundige berekeningen kan uitvoeren
смета́чна маши́на
noun
1. een verstoring van de openbare orde door een menigte, meestal gepaard gaand met geweld en politieoptreden
бунт
noun
  1. 1. een min of meer vast verband
  2. 2. een persoonlijke, vaak amoureuze verhouding
  3. 3. iemand waarmee men zakelijke contacten onderhoudt
взаимоотношение
/rəlaˈtif/
adverb
1. betrekkelijk
относи́телен
noun
1. een natuurkundige theorie die ervan uitgaat dat de tijd een relatief begrip is
тео́рия на относителността́
/rəlɛksə(n)/
verb
1. de tijd nemen zich te ontspannen
релаксирам
adjective
1. van toepassing
уместен
noun
уместност
noun
вдовица
/rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
религия
/relɪˈɣɪøs/, /relɪˈʝɪøs/
adjective
1. te maken hebbend met godsdienst of geloof
верски
noun
1. een overblijfsel van het lichaam van een heilige of een voorwerp dat...
мо́щи
noun
реле́ф
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
спирачка
/rəˈmedi/, /reˈmedi/
noun
  1. 1. een medicijn of een op genezing gerichte behandeling
  2. 2. iets dat iets anders corrigeert of iets schadelijks wegwerkt
лекарство
verb
1. snelheid doen verminderen
спирам
noun
2. geremdheid, belemmering
задържане
adjective
1. met betrekking tot de nier
бъ́бречен
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
  1. северен елен
  2. кари́бу
noun
1. Chemisch element
рений
/ˈrɛn.ku.kuk/
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Geococcyx
бя́гаща ку́кувица
noun
  1. [A] 1. zeer snel lopen
  2. [B] 1. een snelheidsproef op de weg of in het terrein
бя́гам
noun
възстановя́ване
/rənoˈverə(n)/
verb
1. opknappen, repareren, vernieuwen
възстановявам
noun
1. paard dat gefokt is met het doel om aan paardenrennen deel te nemen
състезателен кон
noun
1. op geregelde tijden te betalen geldbedrag voor het vruchtgebruik van een geleende som geld
ли́хва
noun
1. een toestel dat de stroomsterkte regelt
реоста́т
noun
попра́вка
verb
1. iets weer in werkende staat brengen
попра́вя
verb
1.
репатрирам
noun
1. vlaskam
гребен
/re.pe.ˈteː.rə(n)/
verb
1. een toneel- of muziekstuk bij wijze van proef op- of uitvoeren
репетирам
noun
остроумен отговор
noun
репре́сия
noun
1.
реприз
noun
2. kopie (van een kunstwerk)
възпроизвеждане
/rɛp'til/
noun
1.
влечуги
/repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
република
pronoun
Съединени провинции
noun
републиканец
adjective
републикански
noun
1. de manier waarop iemand bekend is
вик
noun
1. mis opgedragen voor een overledene
панихи́да
verb
1. vrijhouden
запазвам
noun
1. iemand die oproepbaar is voor militaire dienst in tijden van oorlog, oorlogsdreiging of andere situaties waarin inzet van het leger nodig is
запасня́к
/resər'vʷar/
noun
1. plaats waar water of een andere vloeistof bewaard kan worden
резервоа́р
noun
жи́лище
adjective
1. residueel, overblijvend restant
остатъчен
noun
2. pixeldichtheid
резолю́ция
noun
резонанс
/rɛsˈpɛkt/
noun
eerbied uit hoogachting of angst
респект
verb
  1. 1. iemand in aanzien houden
  2. 2. iets naleven
уважа́
noun
  1. 1. antwoord
  2. 2. reactie
  3. 3. in een onderzoek: deel van de steekproef dat meewerkt en data produceert
о́тговор
/rɛst/
noun
1. wat er overblijft
остатък
noun
het restant — 1. wat is overgebleven
оста́тък
noun
  1. ресторант
  2. рестора́нт
noun
2. het minitieus herstellen van een voorwerp van kunstzinnig of historisch belang
възстановя́ване
/rezɵl'tat/
noun
1. een uitkomst
и́зход
noun
1. ophouding, het vertraagd afgeven of vasthouden van iets
задържане
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door 40.000 mensen in Zwitserland
ретрома́нски
noun
1. een verouderd toestel voor het destilleren bestaande uit een vat met een neergebogen tuit
реторта
/rətu'ʃeːrə(n)/, /rətu'ʃɪːrə(n)/
verb
ретуширам
/rəturˈnerən/
verb
1. iets of iemand naar het punt van vertrek terugbrengen of terugzenden
връщам
noun
1. overzicht van iemands oeuvre (waarin dus wordt teruggekeken)
ретроспектива
noun
1. geur
миризма
noun
1. een buitengewoon grote man
велика́н
noun
1. verkregen door uitsmelting van varkensvet
мас
noun
1. bepaald soort plant, Impatiens glandulifera
жлезиста слабонога
noun
1. een beer die leeft in de hooggelegen hellingen van berggebieden in centraal China
Голяма панда
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita maxima
гигантска тиква
noun
1. kermisattractie
виенско колело
noun
1. ontdekking
разкри́ване
noun
1-3. streven naar herziening (van het marxisme, de geschiedenis)
ревизиони́зъм
noun
1.
  1. Революция
  2. революция
adjective
революционе́р
noun
1. een handvuurwapen met een roterende trommel met kogels
револвер
noun
  1. 2. tijdschrift
    пре́глед
  2. 1. theatershow
    ревю́
adjective
действителен
noun
превъплъщение
noun
  1. 1. (verouderd) hereniging
  2. 3. het weerzien van voormalige studenten, collega's, enz.
среща
pronoun
1. een rivier van 812 km lengte die ontspringt in Zwitserland, door Frankrijk naar het zuiden stroomt en uitmondt in de Middellandse Zee
Рона
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
ребро
noun
1. een van de platte, dunne, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
ребро
noun
РНК
/ˈrɪxtɪŋ/, /ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
посока
noun
1. een systeem om richting aan te geven in een voertuig
показалец
noun
  1. 2. (juridisch) bindend voorschrift
    директи́ва
  2. 1. aanwijzing voor een te volgen gedrag
    директива
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
ри́цар
noun
ра́лица
/rim/
noun
  1. 2. steel met een bladvormig uiteinde, bedoeld om een vaartuig voort te bewegen
    весло
  2. 1. een band van leer of een ander materiaal
    колан
  3. 3. hoeveelheid papier voor het drukken van 20 boeken, eerst 480 later 500 vellen
    топ
/rit/
noun
1. plantensoort
тръстика
noun
2. drinkbuisje
cламка
noun
1. karperachtige zoetwatervis
червеноперка
noun
крайбрежно шаварче
noun
1. een ondiepte in water, koraalbank, klip
  1. pиф
  2. риф
pronoun
1.
Рига
/rɛɪ̯/, /rɛː/
noun
  1. 1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
  2. 2. een opeenvolging van elementen
ред
noun
1. weggedeelte bestemd voor voertuigen
платно́
/ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
разрешително за шофиране
/ˈrɛɪ̯də(n)/, /ˈrɛːdə(n)/
verb
  1. 1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
    во́зя
  2. 3. zich voortbewegen op een rijdier (bijv. een paard)
    пътувам
pronoun
1.
Риека
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
богат
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
noun
1. een staat of natie onder een vorst of heerser
царство
/ˈrɛik.dɔm/
noun
1. het bezitten van veel geld en goud
бога́тство
noun
1. voormalige, landelijke, op militaire leest gestoelde, politiedienst van het Koninkrijk België
жандарме́рия
noun
  1. 1. bevroren dauw
    скреж
  2. 1. gelijkheid van klank in een vers
    рима
/rɛɪ̯n/, /rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
Рейн
pronoun
Рейнланд
adjective
1. geschikt voor de oogst
зрял
noun
1. voor rijden geschikt paard
кон за езда
verb
rijp worden
узрявам
pronoun
1. stad in Noord-Frankrijk nabij de Belgische grens
Лил
noun
пръчка
/rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
  1. ориз
  2. ори́з
noun
1. zoet gerecht van rijst met melk gekookt
мля́ко с ори́з
noun
коридо́р
noun
1. een alcoholische drank met als basis rijst
оризово вино
verb
1. met een scheurende beweging uit elkaar trekken
късам се
verb
  1. 1. opstijgen
  2. 2. uitzetten en luchtig worden
втасвам
noun
1.Aziatisch twee- of driewielig karretje voor personen vervoer
ри́кша
verb
вибрирам
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
бръчка
noun
  1. 1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
  2. 2. cirkelvormig voorwerp
  3. 3. plaats waar gestreden wordt
  4. 5. ringweg
аре́на
noun
1. Natrix natrix
водна змия
/'rɪŋton/
noun
1.
рингтон
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
безименен пръст
/'rɪŋwɛx/
noun
1. een weg die als een ring rond een bepaald gebied ligt
околовръстен път
noun
1. een vaak ondergronds kanaal voor de afvoer van drek
кана́л
/rɪt/
noun
1. een reis in een voertuig
езда
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
ритъм
adjective
ритмичен
noun
2. ritssluiting
цип
verb
1. een zacht ruisend geluid doen horen
шумолене
adjective
о́бред
noun
о́бред
/riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
река
/ri'virbɛt/
noun
1. de uitholling in het landschap waardoor bij voldoende aanwezigheid van water een rivier stroomt
кори́то
noun
1. bepaald soort slanke eetbare Euraziatisch zoetwatervis, Gobio gobio
обикновена кротушка
noun
1. een soort kreeft die in riviertjes leeft
рак
noun
1. afkorting van ribo nucleic acid (ribonucleïnezuur), een hoogmoleculaire verbinding...
РНК
/rɔp/
noun
тюле́н
noun
  1. рубин
  2. руби́н
/ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
робот
/roˈbyst/
adjective
издръжлив
noun
1. muziek- en dansstijl
рокендро́л
noun
1.
рок гру́па
verb
1. op een vervelende manier over anderen praten
клюкаря
noun
цвекло
pronoun
Червен кръст
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx rufus
американски рис
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
червено вино
noun
1. Canis rufus, een lid van de Canivora, leefde in het gehele oostelijk deel van de Verenigde Staten...
Червен вълк
noun
1.
червена каня
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
Червено море
/ˌro.də.ˈhɔnt/
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
рубеола
noun
1. en 2. donkerrood sluitkoolgewas
червено зеле
noun
1. chemisch element met symbool Rh
родий
noun
рододендрон
/ˈrubəl/
noun
ру́бла
noun
2. staaf
жезъл
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
греба
noun
1. iemand die roeit
гребец
noun
1.
весло́
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
по́лска вра́на
adjective
1. zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
безразсъ́ден
noun
1. eer en glorie
слава
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
adjective
1. betreffende Roemenië of het Roemeens
румънски
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
румънски
/ruˈmeni.jə/, /ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
Румъния
noun
рьонтгений
/rup/
noun
1. een vrij harde klank geproduceerd met stemgeluid
вик
/'ru.pə(n)/
verb
1. met verheffing van stem de aandacht van iemand trachten te verkrijgen
викам
/'rupi/
noun
1.
ру́пия
/'rupɪŋ/
noun
1. een taak waarvoor een persoon zich verplicht voelt, vaak met religieuze invloed
влечение
noun
1. vlak waarmee gestuurd wordt
  1. кормило
  2. рул
verb
  1. 1. een vloeistof met een spaan in ronde beweging brengen
  2. 4. in opstand komen
бъ́ркам
noun
1. degene die aan het roer staat
кормчи́я
/rus/
noun
опиянение
noun
1. geoxideerd ijzer
ръжда
verb
  1. 1. het langzaam oxideren van ijzerhoudende materialen
  2. 2. door roest vast gaan zitten
ръждясвам
adjective
занемарен
adjective
1. roestbestendig
неръждаем
/rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
са́жди
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
скат
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
ръж
/ˈrɔɣəbrod/
noun
1. een van rogge gebakken brood
ръжен хляб
noun
1. buis- of kegelvormig kledingstuk
пола
noun
1. zet in een schaakspel
рокада
/ˈroːkə(n)/
verb
2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
пуша
verb
1.1. het doen van een zet waarbij de koning en een toren elkaar passeren
правя рокада
verb
1. zich wentelend over een oppervlak bewegen
търкалям
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
инвалидна количка
noun
1. trap met bewegende treden
ескалатор
noun
B 1. volk in Europa en Azië dat traditioneel een zwervend bestaan leidt
ром
adjective
1.
рома́нски
adjective
1.
романски
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
роман
/romaˈnɛs/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
Цигански език
/roˈmɑns(x)rɛɪvər/
noun
1. een mannelijke persoon die romans schrijft
белетри́ст
noun
1.
романтизъм
adjective
романти́чен
/ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Рим
adjective
1. met betrekking tot Rome
римски
/roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
Ри́мска импе́рия
noun
би́тпаза́р
noun
2. het gedeelte van een vliegtuig zonder vleugels en stabilo
фюзела́ж
adjective
1. cirkelvormig
кръ́гъл
/rɔntˈdrajə(n)/
verb
1. een cirkelvormige beweging maken
въртя се
noun
2. een wedstrijd in de vorm van een rondrit
етап
noun
  1. 1. het afleggen van een rondgaande weg
  2. 3. het afleggen van bezoeken in een kring
тур
verb
1. op een plaats langdurig verblijven zonder iets te doen te hebben
мотая се
adverb
и́скрено
/ˈrɔnd.ʋɔrm/
noun
1. benaming voor dieren uit de stam Nematoda
нематод
/rod/, /rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
  1. червен
  2. червена
  3. червени
  4. червено
/rod/, /rot/
noun
1. een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm.
червен
noun
1. bepaald soort struik, Daphne mezereum
бясно дърво
adjective
червеникав
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
червеногръдка
adjective
1. zo heet dat het rood licht uitstraalt
нажежен до червено
adjective
1. met rood gekleurde haren
червенокос
noun
1.
червенина
pronoun
1. sprookjesfiguur
Червената шапчица
noun
1. het openlijk en gewelddadig wegnemen van hetgeen een ander toebehoort
грабеж
noun
1. exotische roof- en zoetwatervis die voorkomt in de wateren van de Benelux, Leuciscus aspius
распер
/ˈrovdir/
noun
1. dier dat zijn prooi bejaagt en doodt
хи́щник
noun
1. benaming voor gewervelde waterdieren met kieuwen die hun prooi bejagen en doden
хищна риба
/ˈroˌfoχɔɫ/, /ˈroːˌfoːɣəl/, /ˈroːˌvoːɣəl/
noun
1. eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
граблива птица
/roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
  1. дим
  2. пушек
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
  1. сметана
  2. крем
/roːs/
noun
  1. 2. midden van een schietschijf
    окото на бика
  2. 3. aandoening
    пърхот
  3. 1. bloem
    1. роза
    2. гюл
noun
A3. een structuur met translatiesymmetrie, gewoonlijk in drie dimensies
решетка
/'rɔskɑm/
noun
1. een grof soort kam die voor het verzorgen van paarden of het schoonmaken van andere borstels gebruikt wordt
чесало
verb
1. een paard met borstel en kam reinigen
тимаря
pronoun
1.
Росток
noun
1. wijn met een lichtrode kleur
розе
noun
върте́не
verb
1. vlas blootstellen aan fermentatie om het pectine te verwijderen dat de stengel samenhoudt
кисна
verb
  1. 1. een draaiing toepassen op iets
  2. 2. draaien om een as
въртя се
noun
2. bepaald soort vuurwerk dat na het aansteken van de lont wordt weggegooid en dan een harde knal geeft
пира́тка
noun
1. een grote ruwe steen
скала́
noun
балван
/ˈrɔtstœʏn/, /ˈrɔtstœːn/
noun
1. een tuin met rotspartijen en rotsplanten
алпинеум
verb
1. een proces van fermentatie ondergaan
гни́я
noun
1. Duits hondenras, stevig gebouwd, kortharig met brede kop, korte snuit en hangoren
ротвайлер
noun
курс
/ra<sup>ʊ</sup>/, /rʌʊβ̞/, /rʌːβ̞/
noun
1. grote smart of droefenis na een verlies
траур
/rʌʊβ̞ə(n)/, /rʌːβ̞ə(n)/
verb
1. de emotionele nasleep van het overlijden van een geliefd persoon
тъгувам
verb
грабя
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
разбойник
/roːzə/, /rɔːs/, /rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
  1. розав
  2. розов
noun
2. keukenkruid
  1. розмарин
  2. розмари́н
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
броеница
noun
1. kleine gedroogde vruchtjes van Vitis vinifera
стафида
/ˈrɵ.bər/
noun
гума
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
рубеола
noun
1. Chemisch element
  1. рубидий
  2. руби́дий
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
  1. рукола
  2. ерука
  3. посевна ерука
/rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
гръб
noun
ръ́гби
noun
гръбнак
noun
  1. Гръбначният стълб
  2. гръбначен мозък
noun
облегалка
noun
1. pijn in de rug
[[бо́лки]] в [[гъ́рба]]
noun
раница
adjective
грапав
/rœʏkə(n)/, /rœːkə(n)/
verb
  1. 2. een geur verspreiden
    ду́ша
  2. 1. een geur waarnemen
    душа
noun
1. een boeket
букет
/rœʏl/, /rœːl/
noun
смяна
noun
смяна
/rœy̯m/
noun
1. de laadruimte van een schip
трюм
noun
stuk gereedschap waarmee men een boorgat iets ruimer kan maken
райбер
noun
3. heelal
ко́смос
noun
скафа́ндър
noun
1. vaartuig geschikt om zich buiten de aardse atmosfeer te begeven
косми́чески ко́раб
noun
косми́ческа ста́нция
noun
косми́ческа сова́лка
noun
1. structuurloos en voortdurend geluid dat een continuüm van toonhoogten bevat
смуще́ния
noun
1. bepaald soort zoetwatervis die zich graag tussen het riet ophoudt, Scardinius erythrophtalmus
червеноперка
noun
2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
ромб
noun
1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
чиста́чка
noun
  1. 1. berijder van een rijdier
    езда́ч
  2. 2. uitstekend stukje
    ездач
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
ром
/rʏnd/, /rʏnt/
noun
1. holhoornig herkauwend zoogdier
говедо
/ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
телешко месо
/ˈrynə/
noun
1. een schriftteken van het Oud-Germaanse alfabet
руна
noun
1. vlinderlarve
гъсеница
noun
1. een inwoner van Rusland
руснак
/'rʏs/
noun
plant
камъш
noun
1. autoritaire nationalistische ideologie in Rusland
рашизъм
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
  1. Русия
  2. Ру́сия
/ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
  1. руски
  2. ру́ски
/ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
  1. руски
  2. ру́ски
/rɵst/
noun
2. tijdelijke toestand van ontspanning na arbeid, moeite of inspanning
спокойствие
verb
1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
почивам
adjective
1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
мирен
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
рутений
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
ръдърфордий
adjective
  1. 1. oneffen, niet glad
    грапав
  2. 2. grof, onbesuisd
    суро́в
noun
1. toestand waarin men in ernstig conflict is met anderen
караница
/ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
развалина
/ˌryiˈnerə(n)/
verb
  1. 1. helemaal kapotmaken
  2. 2. iemand financieel te gronde richten
разоря́
/ru.ˈwɑn.da/, /ru.ˈʋɑn.da/, /ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
Руанда
noun
1.
[[ре́нтгенов]] лъч
/saɪ̯/, /saːɪ̯/
adjective
доса́ден
pronoun
1. zijrivier van de Moezel
Саар
pronoun
Саба
noun
1. bepaald soort zoogdier, Marter zibellina
самур
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
саботаж
noun
диверса́нт
noun
1. caloriearme kunstmatige zoetstof die geen directe invloed heeft het bloedsuikergehalte
захарин
noun
1. een disacharide, bestaande uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid
захароза
noun
1. plechtige gebeurtenis in de katholieke kerk
тайнство
noun
1. een ruimte in een rooms-katholieke kerk, waarin men alles bewaart dat nodig kan zijn om een kerkdienst te houden.
ри́зница
noun
садизъм
adjective
садистичен
/sɑˈfarɪ/
noun
1. expeditie in de wildgebieden in Afrika
сафа́ри
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
сапфир
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
шафран
pronoun
1. zandwoestijn in Noord-Afrika
Саха́ра
/sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
Сейнт Винсент и Гренадини
pronoun
1. Duitse deelstaat
Саксония
noun
салата
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
  1. дъждовник
  2. салама́ндър
/ˈsalami/
noun
1. Italiaanse worst
салам
noun
1. regelmatige, meestal maandelijkse beloning voor werk verricht in een werkverband
запла́та
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
градински чай
pronoun
1. koning van Israël
Соломон
/ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
Соломонови острови
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
азотна киселина
pronoun
Сама́рия
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
самарий
noun
саа́м
adverb
заедно
noun
1. een bevolking die een sociaal geheel vormt
общество́
verb
1. meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
съста́вям
noun
1. het samenstellen
композит
verb
1. met een of meer aan hetzelfde werken
сътруднича
noun
1. het samenwerken van meerdere personen
сътрудничество
/ˈsamə(n)ˌzʋɪːrə(n)/
verb
1. geheimelijk met anderen samenwerken ten nadele van een derde partij
заговорнича
/sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Самоа
/ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
самурай
pronoun
Самуил
/ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
Сан Марино
/'sɑŋksi/
noun
1. strafmaatregel
наказа́ние
/sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
сандал
noun
1. een bepaald houtsoort (Santalum album of verwante soorten)
сандалово дърво
/ˈsɑntwɪtʃ/
noun
сандвич
noun
1. een Spaanse licht-alcoholische drank
сангри́я
noun
1. een persoon die zonder identiteitspapieren in een land verblijft
незако́нен имигра́нт
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
санскри́т
/saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
Сао Томе и Принсипи
/sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Саудитска Арабия
noun
1. plantenvocht
сок
noun
1. soldaat die loopgraven maakt
сапьо́р
adjective
1. vol met sap
сочен
noun
1. plant die van organisch afval leeft
сапрофит
noun
1.
сарказъм
adjective
1.
саркастичен
noun
1. een stenen doodskist
саркофаг
noun
сарко́ма
noun
1. klein zilverkleurig haringachtig visje, Sardina pilchardus
сарди́на
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
сардина
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Сардиния
/sɑr'donis/
adjective
1. op een bittere manier grijnzen of lachen
язвителен
/ˈsatɑn/
pronoun
Сатана
noun
1. aanbidding van Satan
сатанизъм
/sɑtɛ'lit/
noun
сатели́т
noun
сатира
pronoun
1.
  1. Catyph
  2. Сатурн
noun
1.
сате
/saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Саудитка Арабия
/'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
са́уна
/sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
сос
noun
1.
сосиера
/ˈsa.va/
pronoun
1. een rivier in Zuidoost-Europa met een lengte van 940 km.
Сава
noun
1. een grasland met verspreid voorkomende bomengroei
савана
noun
1.
флигорна
/sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
саксофон
noun
1. een bijzonder scherp, na gebruik weg te gooien mesje dat o.a. gebruikt wordt bij medische operaties
скалпел
pronoun
1. Denemarken, Noorwegen en Zweden.
Скандина́вия
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
скандий
noun
ске́нер
/sə.ˈna.ri.jo/
noun
1. een kort uitgewerkt schema voor de handeling van een dramatisch werk
сцена́рий
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
скиптър
/ˈskɛptɪs/
adjective
1. geneigd tot twijfel
скептичен
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
ренде
noun
ожулване
interjection
шах
noun
2. het schaakspel als zodanig
шах
/ˈsxagbɔrt/, /ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
шахма́тна дъска́
adverb
мат
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
  1. шах
  2. шахмат
/ˈsxakstʌk/
noun
1. een onderdeel van het schaken dat over het schaakbord bewogen wordt.
ша́хматна фигу́ра
noun
    1. 3. verhouding van de grootte tussen een model en een echt voorwerp
    2. 4. bepaalde ijking op een grafiek, as of eenheid
    маща́б
  1. 2. buitenkant van een ei of vrucht
    черу́пка
/sxaːldir/
noun
1. een dier met een schaal als uitwendig skelet
ракообра́зно
noun
1.
срамна кост
noun
1. huidplooi bij de opening van de vulva, aan beide zijden van de vagina
у́стни
/'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
срам
adjective
1. zonder schaamte
безсра́мен
noun
1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
  1. овца
  2. овца́
noun
пасти́р
noun
1.
овчар
noun
1. werktuig om te knippen
  1. ножица
  2. ножици
adjective
1. weinig in aantal of hoeveelheid
недостатъчен
/'sxarstə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
липса
noun
1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
къ́нка
verb
1. zich voortbewegen op schaatsen
пърза́ляне
/ˈsxɑxt/
noun
1. (holle) buis
дръжка на копие
noun
1. geheel van beschadigingen
вреда́
/sxadə/
verb
1. iets of iemand schade toebrengen
увреждам
/ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
  1. сянка
  2. ся́нка
verb
1. een verbinding tot stand brengen
превключвам
/sxa'kerɪŋ/
noun
1. kleurnuance, verschillende tinten van één kleur
нюанс
noun
1. een sedimentair gesteente
шиста
noun
1. gas uit schalie
ши́стов газ
verb
1. blaasinstrument met een rechte conische boring en een los dubbel riet dat de toon vormt
зурна
/ˈsxaː.mə(n)/, /ˈsχa.mə(n)/
verb
1. schaamte voelen
срамувам
verb
1.
зака́чам
noun
1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
скандал
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
засрамвам
noun
1. een paal op een plein, waaraan mensen bij wijze van straf werden vastgemaakt om vernederd...
позо́рен стъ́лб
noun
1. een wintersport waarbij op skis van een helling (de schans) gesprongen wordt. Het doel daarbij is om zowel zo ver als zo mooi mogelijk te springen
ски скокове
noun
1. een plank om iets op te zetten
полица
noun
1. het vlees van een schaap
агнешко месо
/sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
панта
noun
1. verzamelde rijkdom
съкровище
/'sxɑtə(n)/, /'sχɑtə(n)/
verb
2. benaderen van een waarde door berekening
оценявам
adjective
1. leuk, aardig, enig
красив
verb
  1. 1. gladmaken door middel van een schaaf.
  2. 3. door middel van een schaaf in plakjes snijden.
рендосвам
noun
1. een stellage voorzien van een galg of een valbijl waar veroordeelden terechtgesteld worden
ешафо́д
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
ножница
/'sχedəl/
noun
череп
/sxeːl/
adjective
1. het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
кривоглед
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
пищя́л
/ˈsxenben/
noun
голям пищял
noun
1. iemand die de maaltijden op een schip verzorgt
корабен готвач
noun
1. de kale romp van een schip zonder tuig, machines en andere opbouw
ко́рпус
noun
1. een ruimte voor het opslaan van goederen in een schip
трюм
noun
1. (scheepvaart) een werkgebied
корабострои́телница
noun
1. het verkeer op het water
корабоплаване
/sxeːrmɛs/, /sχɪːrmɛs/
noun
1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
бръснач
noun
  1. 1. het uiteenhalen van iets in zijn onderdelen
  2. 2. de lijn aan weerszijden waarvan haar naar de ene of de andere kant valt
отделяне
/'sxɛɪtsrɛxtər/
noun
1. iemand die tijdens een spel de spelregels toepast
ре́фер
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
химия
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
химически
noun
химик
adjective
писклив
/ˈsχɛldə/
pronoun
1.een rivier die ontspringt in de gemeente Gouy in noordelijk Frankrijk
Шелда
/sxɛlp/
noun
1. een uit kalk gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier wordt aangemaakt
ра́ковина
noun
интрига
/ˈsxemərə(n)/
verb
1. donker of licht worden, tussen licht en donker zijn
развиделява се
/sxɛndə(n)/
verb
1. iets niet in acht nemen
изнасилвам
noun
1. het schenden van iets
наруше́ние
/'sxɛŋ.kə(n)/
verb
1. geven
дарявам
noun
1. lepelvormig werktuig
лопата
noun
1. ambt
о́лдърме́н
/ˈsxɛpə(n)/
verb
1. doen ontstaan uit niets
създавам
noun
1. iets nieuws dat uit het niets gemaakt is
сътворе́ние
noun
1. creatuur; iets dat gemaakt is
твар
/sxeːrə(n)/, /sχɪːrə(n)/
verb
  1. 1. baard afsnijden
  2. 2. zich de baard kort afsnijden
бръ́сна
/sxɛrf/, /sχɛrf/
noun
1. een onregelmatig gevormd stuk materie dat deel heeft uitgemaakt van een groter geheel
чиреп
noun
1. verticale draden van het weefgetouw
осно́ва
noun
1.
фехто́вчик
/sxɛr'mɵʦəlɪŋ/
noun
караница
adjective
1. goed snijdend
остър
noun
сна́йпер
noun
острота
adjective
проницателен
noun
1.
нищожество
noun
беле́жки
noun
1. tekenboek
ски́цник
verb
  1. 1. met een minimum van pennenstreken een voorlopige en gewoonlijk uitwisbare afbeelding van iets maken
  2. 2. in overdrachtelijke zin: een korte maar rake beschrijving van iets geven
скицирам
/sxøːr/, /sχʏːr/
noun
1. een kloof in een vlies of weefsel
прорез
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
скорбут
/sxʏːrə(n)/
verb
1. in twee of meer delen trekken
разкъсвам
noun
1.
издънка
adverb
почти
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
полуостров
/ˈsxi.tə(n)/, /ˈsχi.tə(n)/
verb
1. een projectiel afvuren met een wapen
застре́лвам
noun
1. gat om door te schieten
амбразу́ра
noun
1. een draad met loden balletje om de loodrechte stand van iets te onderzoeken
отвес
noun
1. een confrontatie waarbij partijen elkaar beschieten
стрелба́
/sxɛi̯n/
adverb
2. zweem
светлина
verb
3. straling uitzenden
светя
/sxɛɪ̯nˈhɛɪ̯lɪx/, /sxɛːnˈhɛːləx/, /sχɛɪ̯nˈhɛɪ̯ləχ/
adjective
1. tegen beter weten in de schijn van goedheid of onschuld ophoudend
двуличен
/sxɛɪt/
noun
1. vaste uitwerpselen
говно
/sxɛɪtə(n)/, /sxɛːtə(n)/, /sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
сера́
noun
1. buitenste bekleding van een vrucht
ко́жица
/sxɪlt/
noun
1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
щит
noun
  1. 2. een handwerksman die huizen schildert
    бояджи́йка
  2. 1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
    художник
adjective
живописен
verb
  1. 1. een kunstwerk vervaardigen door met verf een beeld op een oppervlak te maken
  2. 2. een bouwwerk of voorwerp van een beschermend laag verf voorzien
изобразявам
/ˌsxɪldə'rɛː/, /ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
картина
/sxɪldkliːr/, /sxɪɫtkliːr/, /sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
щитовидна жлеза
noun
оръжено́сец
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
  1. костену́рка
  2. костенурка
noun
1. een vliesdun loskomend stukje materiaal
люспа
verb
1. de schil van een vrucht verwijderen
беля
noun
1. Oostenrijkse munt
шилинг
noun
  1. 1. paardenras met een grotendeels witte vacht met fijne grijze of blauwige tekening
  2. 2. zwamsoort of substantie die op dode of levende organismen groeit.
мухъл
noun
2. rijk binnen de eukaryoten, Fungi
гъби
noun
  1. 1. groot zeewaardig vaartuig
  2. 2. grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk
кораб
/sxɪbrøk/
noun
1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
корабокруше́ние
noun
1. uit elkaar vallen van een kerkgenootschap in twee delen door sterk verschillende opvattingen
схизма
noun
1. gesteente
шиста
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
шизофрения
noun
1. Duitse sentimentele muziek
шла́гер
verb
гримирам
noun
1. gepaneerd kalfsvlees
шни́цел
noun
1. alles wat men om de voeten heen kan dragen, zoals schoenen en laarzen
обу́вка
/sxun/
noun
1. voetbekleedsel
  1. обувка
  2. чепик
noun
1.
китоглава чапла
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
шхуна
noun
обущар
noun
1. smeersel om schoenen blinkend te wrijven
  1. боя за обувки
  2. вакса
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
връзка за обувки
/'sxunzol/
noun
1. zool van een schoen
подме́тка
/ˈsxɔfəl/, /ˈsχɔfəɫ/
noun
1. een horizontaal liggend scherp geslepen mes van staal dat bevestigd is aan een houten steel
мотика
noun
1. apparaat dat schokken kan opvangen
амортиза́тор
noun
1. mechanisme om schokken te dempen
амортиза́тор
noun
1. heftige uitwerking
въздействие
noun
1. bepaald soort platvis, Pleuronectus platessa
писия
noun
1. zwart-witte waadvogel met luide roep, Haematopus ostralegus
стридояд
verb
1. aan een opleiding onderwerpen
обучавам
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
ученик
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
люлка
verb
1. op een schommel heen en weer bewegen
изменя се
noun
  1. 1. samengebonden bundel halmen
  2. 2. wiskundige structuur
сноп
/sxoːl/, /sxoːɫ/, /sχoːɫ/
noun
1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
  1. училище
  2. школа
noun
директор
/sxoːn/
adjective
  1. 1. mooi
    краси́в
  2. 2. proper
    чист
/ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
шурей
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
снаха
/ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
  1. красота
  2. хубост
  3. прелест
noun
1. klein foutje
дефект
noun
1. iemand die het uiterlijk van iemand verzorgd
козмети́к
noun
конкурс за красота
verb
1. reinigen
изчиствам
/ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
  1. свекърва
  2. тъща
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
тъст
noun
1. de man van een dochter of zoon
зет
/ˈsxonzʉs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
балдъза
noun
1. de echtgenote van broer of zus, of de zus van de echtgenoot of echtgenote
балдъза
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
комин
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
коминочистач
/sxorˈvutənt/
adjective
1. aarzelend
неохо́тен
/sxot/, /sχot/
noun
  1. 1. de bovenkant van de dijen van iemand die zit
    скут
  2. 3. een lijn, aan de benedenhoek (de schoothoek) van een zeil bevestigd om het zeil mee in de wind te richten
    шкот
noun
1. graafwerktuig
лопа́та
/'sxɔ.pə(n)/
noun
1. kaartkleur
пи́ка
/'sxɔ.pə(n)/
verb
1. een trap geven
ритам
noun
1. aas van schoppen
асо пика
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 oktober tot 22 november
Скорпио́н
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
  1. скорпион
  2. скорпио́н
/sxɔrs/
noun
1. buitenste laag van (boom)stam
кора
noun
1. een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen ...
прести́лка
noun
1. een persoon afkomstig uit Schotland
шотла́ндец
noun
  1. 1. afvuren
    и́зстрел
  2. 2. tussenwand
    отразителна преграда
noun
3. kop en schotel
чинийка
/ˈsxɔtlɑnt/, /ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Шотландия
pronoun
1. een Engels dialect dat gesproken wordt in Schotland
шотландски
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
рамо
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
лопатка
noun
1. het naar boven bewegen van de schouders als teken dat iemand het niet weet of niet interesseert is, soms is het een uitdrukking van machteloosheid
вди́гане на ра́мене
noun
1. oppervlakkige beschadiging van de huid door een ongeval
драскотина
verb
остъ́ргвам
/'srɑpə(n)/, /'sxrɑpə(n)/
verb
2. doorhalen, verwijderen van een lijst
изхвърлям
/sxreu̯/, /sχrɪːu̯/
noun
1. een luide (uit)roep
вик
/ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
викам
/srɪft/, /sxrɪf/, /sxrɪft/
noun
  1. 3. de letter- en cijfertekens van een taal
    пи́сменост
  2. 4. de lettersoort gebruikt in boeken, teksten en inscripties
    писане
  3. 1. een dun boekje met lege bladzijden om in te schrijven
    тетрадка
/ˈsrɛɪ̯fbəˌnodəχtˌhedə(n)/, /ˈsxrɛɪ̯fbəˌnodɪxtˌhedə(n)/, /ˈsxrɛːfbəˌnodəxtˌhedə(n)/
noun
1. pen, papier en andere zaken die men nodig heeft om te kunnen schrijven
канцеларски материали
noun
1. een mechanisch apparaat, voorzien van druktoetsen waarmee schrifttekens op papier gezet kunnen worden
пишеща машина
/ˈsrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛːfstər/
noun
1. een persoon van het vrouwelijk geslacht die op professionele manier boeken of verhalen schrijft
авторка
/'srɛɪ̯fʋɛɪ̯zə/, /'sxrɛɪ̯fwɛɪ̯zə/, /'sxrɛːfβ̞ɛːzə/
noun
1. spelling
ортогра́фия
adjective
1. wijdbeens
с разкрачени крака
/sxrɛɪn/, /sçrɛːn/
noun
kistje
свети́ня
/ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
пиша
/ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
писател
noun
1. een jaar met 366 dagen
високосна година
noun
  1. 1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
    1. винт
    2. болт
    3. бурма
  2. 2. werktuig met twee of meer gebogen bladen die door draaiing een schip of vliegtuig voortbewegen
    1. гребен винт
    2. винт
  3. 3. sprong met een draai om de lengteas
    1. завинтвам
    2. завъртвам
noun
1. schroefdraad
резба́
adjective
1. vorm van een schroef hebbend
  1. винтообразен
  2. спираловиден
verb
1. de oppervlakte een beetje verbranden
  1. запържвам
  2. обгарям
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
  1. отверка
  2. отве́ртка
/sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
лю́спа
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
клатя
noun
шу́блер с но́ниус
/sxʌʏm/
noun
1. iets dat veel luchtbellen bevat
пяна
verb
пеня се
adjective
1. met veel schuim
пенест
adjective
1. niet-loodrecht
кос
noun
наклоне́на черта́
verb
1. over de grond verplaatsen
блъскам
noun
  1. 2. een verantwoordelijkheid die iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
    вина
  2. 1. een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe niet betaald wordt
    сума
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
кредито́р
/'sxɵldəx/
adverb
вино́вен
noun
1.
сквернословие
/sxyrə(n)/
verb
1. een oppervlak glad maken door wrijving met een ruw oppervlak van grotere hardheid
търкам
adjective
1. met veel wrijving; beetje vervelend
абразивен
/sxɵrft/
noun
1. een huidaandoening veroorzaakt door de schurftmijt
кра́ста
/sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
злоде́й
noun
2. een blad dat in de oksel van een bloem of bloeiwijze onmiddellijk daaronder staat
прицветник
/sxyːr/, /sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
обо́р
noun
1. elektrisch gereedschap om mee te schuren
шлайф машина
pronoun
1.
Зверин
noun
1. ziekelijke verharding
склероза
noun
1.
инвали́дна коли́чка
verb
записвам точка
/ˈskrɪp.si/
noun
1. een werkstuk over een (literatuur-) onderzoek dat gemaakt wordt om een opleiding te kunnen voltooien
дисертация
noun
1.
скротум
noun
1. beeldhouwwerk
скулпту́ра
noun
сце́на
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
сиборгий
noun
отцепничество
noun
1. SI-grondeenheid van tijd
  1. секунда
  2. секу́нда
/səkrəta'rɛsə/
noun
vrouw
секрета́р
/səkre'tarəs/
noun
1. functie in organisatie
секрета́р
noun
1. hoge functionaris binnen grote organisaties, zoals de Verenigde Naties, NAVO, FIFA
генера́лен секрета́р
noun
1. afscheiding
отделяне
noun
  1. 1. een afgezonderd deel van iets
  2. 2. een onderzoek waarbij een lichaam...
се́кция
/'sɛktɔr/
noun
  1. 1. een deel van een cirkel in de vorm van een taartpunt
  2. 3. de kleinste eenheid van een harddisk die in één bewerking door een lees/schrijfkop kan verwerkt worden
се́ктор
adjective
1. niet aan de religie gebonden
ми́рски
/səkʏnˈdɛːr/
adjective
вторичен
adjective
непрелетен
adjective
утаечен
noun
1. onderdeel
отрязък
/sɛɪn/
noun
  1. 1. een betekenisvolle beweging
  2. aanduiding, aanwijzing
знак
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Сена
noun
1. een toestel dat beweging en of trillingen van de aardkorst waarneemt en registreert
сеизмограф
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
сеизмология
noun
1. een toestel dat beweging en of trillingen van de aardkorst waarneemt en registreert
сеизмометър
/sɛɪ̯.ˈzun/, /sɛː.ˈzun/
noun
  1. 2. een jaarlijks terugkerende periode
    сезо́н
  2. 1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
    сезон
adjective
  1. 1.
  2. 2.
сезонен
/sɛks/
noun
2. geslachtsgemeenschap
секс
noun
1. sekse
Пол
noun
секси́зъм
noun
  1. cексуалност
  2. сексуалност
/sɛksy'el/
adjective
1. op de geslachtsdrift betrekking hebbend
по́лов
noun
1.
сексуален тормоз
/ˌsɛksʏwolo'ɣi/
noun
сексология
adjective
1. betrekking hebbend op een sekte
сектантски
/ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
се́кта
noun
1. tuinkruid, vergelijkbaar met peterselie, maar dan met een veel sterkere smaak
целина
noun
1. bepaald soort plant, Apium graveolens
целина
adjective
1. behorend tot een kleine groep met speciale rechten of eigenschappen
избран
noun
1. Scheikundig element met symbool Se en atoomnummer 34
селен
noun
селен
/sɛlfi/
noun
1. een foto die iemand van zichzelf heeft genomen
се́лфи
noun
1. taalkunde
семантика
noun
een half jaar
семестър
noun
1. halve cirkel
полукръг
noun
семиотика
adjective
1.
семи́тски
noun
сена́т
noun
сена́тор
/ˈse.ne.ˌɣɑl/, /ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Сенегал
/seˈnil/
adjective
1. aan de ouderdom eigen, door de ouderdom afgetakeld
изкуфял
noun
1. geestelijke en lichamelijke ouderdomsverschijnselen
изкуфялост
noun
трудов стаж
noun
1. sterke beroering door een verrassend voorval of bericht
сенза́ция
/ˈsɛnsɔr/
noun
1.
датчик
noun
сепарати́зъм
noun
1. negende maand van het jaar
  1. септември
  2. септе́мври
/ˌse.kwɛn.si.ˈjeːl/
adjective
последователен
/seˈkoja/, /seˈkɔja/
noun
1.1 benaming voor bomen uit het geslacht Sequoia
секвоя
/ˈserɑf/
noun
1.
серафим
/seraˈfɛin/
noun
1.
серафим
adjective
1.vredig en kalm
спокоен
noun
1. muzikaal eerbetoon
серенада
noun
1. het helder en kalm zijn
безоблачност
noun
1. een rang onder de onderofficieren
сержа́нт
noun
1. een aantal elementen op volgorde
поредица
noun
сери́ен уби́ец
adverb
1. ernstig
сериозен
/sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
люляк
noun
1. een slang
змия
noun
  1. 1. glazen veranda
    зимна градина
  2. 2. gebouw(tje) met veel glas voor het kweken van planten
    парник
noun
1. de vloeibare stof die overblijft als bloed is gestold
се́рум
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leptailurus serval
Сервал
noun
1. vrouwelijke kelner
сервитьорка
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
сървър
verb
1. iets op tafel opdienen
обслужвам
/sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
салфе́тка
/ˈsʏːrvɪs/
noun
1. bediening, diensten ten behoeve van de klanten.
се́рвис
/ˈsɛrvis/, /ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
сръбски
/ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
Сърбия
/ˈsɛrvi.jər/
noun
1. een inwoner van Servië, of iemand afkomstig uit Servië
Сърбин
/sɛrvoːkroːˈaːtis/
pronoun
сърбохърватски
noun
1. een uit Afrika afkomstige plant uit de familie Pedaliaceae
сусам
noun
сусамово масло
noun
1. verzameling
сет
/se.ˈʃɛ.lə(n)/, /sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
  1. Сейшелски острови
  2. Сейшели
noun
  1. 1. het geheel van gedachten en gevoelens die de gemoederen in een bepaalde omgeving bezighouden
    атмосфе́ра
  2. 3. bolvormig vlak rond een centraal punt
    сфера
noun
1.
сфероид
noun
1.
сфинкс
/ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
шампоа́н
noun
1. een Spaanse versterkte wijn
шери
noun
шилинг
noun
шинтоизъм
/ʃɔk/
noun
1. een toestand die ontstaat door acute te geringe bloedtoevoer naar weefsels door ondervulling van het slagaderlijk systeem
шок
noun
1. een schaatsdiscipline waarbij op een baan van 111,12 meter op diverse afstanden geschaatst wordt door meerdere rijders tegelijk
шорттрек
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
Международна система единици
pronoun
Сиби́р
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 10 miljoen mensen op Sicilië, in Zuid-Calabrië en Salento
сицилиа́нски
/sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
  1. Сицилия
  2. Сицѝлия
noun
1. bepaald soort grote, palingachtige vis die zware stroomstoten kan afgeven, Electrophorus electricus
електрическа змиорка
verb
окичвам
/ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
Сиера Леоне
noun
1.
цветарство
noun
пура
/sɪɣɑˈrɛt/, /sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
цигара
/sɪɲˈaːl/
noun
1,2,3,4,5,6. vorm van informatie
сигна́л
verb
1. langzaam wegvloeien
капя
/ˈsɪkəl/
noun
1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
сърп
/siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
Силе́зия
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
силуе́т
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
  1. силиций
  2. сили́ций
noun
1. organische silicium verbinding
силикон
/sɪmpəł/
adjective
1. zonder veel complicaties
ле́сен
/sɪm'plɪstis/
adjective
1.
опростенчески
adjective
1. gelijktijdig
едновременен
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
портокал
noun
1. boom van de Citrus sinensis
портокал
noun
1. een vruchtensap die uit sinaasappels bereid is
портокалов сок
pronoun
1. een taal die ontworpen is door J. R. R. Tolkien en gebaseerd is op het Welsh
си́ндарин
pronoun
1.
Зинделфинген
preposition
1. sedert, vanaf het moment dat
от
noun
1. makkelijk baantje, taak
синекурна длъжност
/sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /sɪŋ.gɑ.poːr/, /sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Сингапур
noun
1. kort onderhemd zonder mouwen
по́тник
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Зинсхайм
noun
1. Pecten jakobeus
кръгла мида
noun
Жълт кантарион
pronoun
1.
Река Сейнт Лорънс
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
  1. Санкт Петербург
  2. Санкт Петербу́рг
noun
Синус
noun
1. een ontsteking van een bijholte van de neusholte
синузит
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
прелъстителка
pronoun
1. Sirius
Сириус
/siro:p/
noun
сиро́п
/sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
положение
noun
1. een langwerpige lap stof die om de hals gedragen wordt
шал
/ʃɑ'blo:n/
noun
шабло́н
verb
1. op minder fatsoenlijke manier handel drijven
пазаря се
noun
1.
шах
noun
1. aan een spit geroosterde stukjes vlees en paprika
шишче
/'ʃɛkɛl/
noun
1.
ше́кел
noun
1. een brede, gekleurde band die vaak gedragen wordt als een waardigheidsteken
пояс
noun
Шиитски ислям
/ʃʋɑ/
noun
1. toonloze klinker
шва
adjective
1. kunstleer
изкуствена кожа
noun
скейтборд
noun
1. iemand die skatet
кънкьо́р
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
скелет
noun
ска
noun
1.
скиф
noun
1.
сцинк
verb
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
карам ски
/skiər/
noun
1. een mannelijk iemand die aan skiën doet
скио́р
/ˈskɔp.jə/
pronoun
1. de hoofdstad van Noord-Macedonië
Скопие
noun
  1. 1. plant van de soort Lactuca
    mарулята
  2. 2. plant Lactuca sativa
    Обикновената маруля
/slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
роб
/slap/
noun
  1. 3. zijvlak van het hoofd
    слепоочие
  2. 1. periode van inactiviteit
    сън
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
спалня
adjective
приспива́телен
noun
спа́лен чува́л
/slɑxtə(n)/
verb
1. een dier doden voor het vlees of als offer
коля
noun
каса́пин
/ˈslɑx.hœːs/, /ˈslɑxt.ɦœːs/, /ˈslɑχ.tœʏ̯s/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
кла́ница
noun
  1. 1. een dier dat gedood wordt als offer voor een godheid
  2. 2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
  3. 3. in het bijzonder iemand die sterft (of gewond raakt) ten gevolge van een gebeurtenis (ramp of gewelddaad)
же́ртва
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
артерия
noun
1. een verkoper van vlees
касапин
/'slɑxhɑut/
noun
1.
буха́лка
noun
1. slagpen
ударник
noun
бита сметана
noun
1. buitengewoon lange tand van bepaalde soorten zoogdieren
би́вен
/ˈslaxfɛlt/
noun
1. een gebied waarop een militair treffen tussen twee legers plaatsvindt of plaatsgevonden heeft
[[боен|бо́йно]] [[поле́]]
noun
  1. 1. een buikpotig weekdier (huisjesslak)
    охлюв
  2. 2. een onoplosbaar afvalproduct bij het smelten van metaal
    шлака
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
змия
adjective
стро́ен
noun
безсъ́ние
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
спя
noun
спящ човек
/ˈsla.pə.rəx/, /ˈsla.pə.rəχ/, /ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
съ́нен
/ˈsla.pə.rəx.ˌɦɛːt/, /ˈsla.pə.rəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /ˈsla.pə.rɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
2. de neiging te gaan slapen
сънли́вост
noun
1.
ро́бство
adjective
славянски
pronoun
Славян
pronoun
1.
Славо́ния
/slɛçt/
adjective
1. niet goed
лош
adjective
по-лош
noun
1. de hoedanigheid van het slecht zijn
злина
adverb
1. alleen maar, vervoeging van slecht
само
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
  1. Сокол скитник
  2. сокол скитник
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
шейна́
noun
1. bepaald soort plant met blauwe vruchten, Prunus spinosa
тръ́нка
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
влекач
/ˈsle.prœʏ̯m/, /ˈsle.prœːm/
noun
1. de vrucht van de sleedoorn (Prunus spinosa)
трънка
pronoun
Шлезвиг-Холщайн
noun
1. het met een bijl in houtblokken hakken van boomstammen
износване
verb
  1. 2. (langzaam) ergens heen lopen zonder specifiek doel (zonder negatieve bijklank)
    разхо́дя се
  2. 1. (langzaam) ergens heen lopen, futloos of lusteloos
    разходка
verb
1. trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
вла́ча
noun
1. sleepboot
влекач
noun
курва
/sløːtəl/, /sløːtəɫ/, /ˈslø.tɔɫ/
noun
  1. 1. werktuig om te (ont)sluiten
  2. 2. moer- of Engelse sleutel
  3. 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
  4. 3. een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
ключ
/ˈsløtəɫχɑt/, /ˈsløːtəlɣɑt/
noun
1. een gat in een slot waardoor een sleutel moet worden gestoken om hem te openen
ключалка
/ˈsløtəɫˌɦɑŋər/
noun
1. ring om sleutels aan te hangen, vaak voorzien van een logo of label.
ключодържа́тел
noun
1.
клю́чова ду́ма
/slɛɪm/
noun
1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
слуз
noun
1. slijm afscheidend membraan
лигавица
noun
брус
/slɛɪ̯.ˈta.zʲə/, /ˈslɛɪ̯.taːʃ/
noun
1. schade die door langdurig gebruik geleidelijk aangericht wordt
износване
verb
  1. 1. de slokdarm in
  2. 2. verdragen
гъ́лтам
noun
гирлянда
/slɪpə(n)/
verb
1. door gladheid over de weg schuiven
занасям се
verb
1. foutieve uitspraak van de letter s
фъфля
noun
1. een brandewijn gedestilleerd uit gefermenteerde pruimen
сли́вова
noun
1. een klein scheepstype dat op het dek van een groter schip wordt meegevoerd
платноходка
/slɔf/
noun
1n een comfortabel soort schoeisel bedoeld om in huis te gedragen te worden
панто́фи
noun
хранопровод
/slop/
noun
2. de daad van het slopen, afbreken
срутване
/sloːt/
noun
1. smal watergang om of tussen weilanden
kанавка
verb
1. een structuur ontmantelen, afbreken
разрушавам
/slɔrpə(n)/
verb
1.luidruchtig opzuigen
сърбам
noun
  1. 3. einde
    1. заключение
    2. край
  2. 2. een middeleeuwse versterkte woning
    1. замък
    2. затвор
  3. 1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
    1. ключалка
    2. брава
noun
ключа́р
noun
1.
ров
/sloˈvens/, /sloˈveːns/, /sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
словенски
/sloˈveni.jə/, /sloˈveːni.jə/, /sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
Словения
/slo.ˈwaks/, /slo.ˈʋaks/, /slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
словашки
/ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Словакия
noun
було
verb
дремя
noun
1. het in een lichte slaap verkeren
дрямка
adjective
1.
коварен
noun
1.verraderlijke moord
атента́т
noun
1. Alternatieve route die meestal gebruikt wordt om files te mijden
пряк път
noun
1.
снайперист
noun
шлюз
verb
  1. 1. toedoen, dichtmaken
  2. [een overeenkomst] sluiten
затва́рям
/ˈslœʏ̯.tər/, /ˈslœː.tər/
noun
1. een element van een fotocamera
затво́р
adjective
слаб
noun
1. verlengde snuit
хо́бот
verb
1.
сърбам
/slyw/
adjective
1. op een doortrapte wijze slim
кова́рен
noun
  1. 2. gewaarwording bij het proeven van eten en drank
  2. 3. bepaalde subjectieve voorkeur
вкус
verb
1. ~ naar een bijzonder sterk verlangen hebben naar iets dat men ontbeert
жадувам
adjective
1. goed van smaak zijnd of van een goede smaak genietend
изискан
/ˈsmaː.kə.los/
adjective
  1. 1. (van voedsel) geen smaak hebbend
  2. 2. (figuurlijk) geen fatsoen of gevoel voor esthetiek of mode hebbend, vulgair
безвкусен
adjective
1. met een geringe breedte
те́сен
noun
изумруд
/smɑrt/
noun
скръб
noun
1. harde slag
смаш
verb
1. het bewerken van metalen door deze heet te maken en met een hamer te slaan om het materiaal de gewenste vorm te geven
изковавам
noun
1. atelier, werkplaats van een smid, smederij
ковачница
noun
1. is ijzer dat wordt gemaakt door het te smeden
кова́но желя́зо
noun
1. een dringend maar onderdanig gesteld verzoek
апел
noun
по́дкуп
noun
1. een zacht soort kaas dat uitgesmeerd kan worden op bijvoorbeeld brood
топено сирене
noun
мази́ло
noun
зара́сличе
noun
1. afscheiding die men onder de voorhuid van de penis kan aantreffen
смегма
/smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
мо́ля
noun
малък сокол
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
стопявам
/ˈsmɛltkrus/
noun
1. vuurvaste pot voor het mengen van gesmolten metaal
тигел
/smɛltpʌnt/
noun
1. de temperatuur waarbij iets gaat smelten
температура на топене
verb
мажа
adjective
1. Bijzonder vuil
мръсен
/ˈsmø.lə(n)/
verb
  1. 1. zacht en langzaam branden zonder vlammen
  2. 2. verborgen aanwezig zijn
тлея
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
ковач
noun
1. smient
фиш
/smɛitə(n)/
verb
1. hard gooien of werpen
запращам
noun
смокинг
noun
контрабанди́ст
verb
3. iets in enig vet aanbraden, vervolgens vocht toevoegen en afdekken om het zachtjes gaar te laten worden
задушавам
noun
2. schoondochter
снаха
noun
1. muziekinstrument met snaren
струнен инструмент
/snɛk/
noun
1. hartig hapje
  1. хапване
  2. хапка
/ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
човка
/sne/
noun
  1. 1. inkeping gemaakt door het snijden met een mes of ander scherp voorwerp
  2. 2. een afgeneden plak, meestal van brood
разрез
noun
1. bepaald soort vis die in de middenloop van een rivier leeft, Chondrostoma nasus
скобар
/sneʊ̯/, /sneːβ̞/, /snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
сняг
/ˈsneʊ̯bɑl/, /ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
сне́жна то́пка
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
вали сняг
noun
снежна гъска
noun
1.
снежна овесарка
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
бяла яребица
/'snewjɑxt/
noun
1. sneeuwval bij harde wind
вие́лица
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
сне́жен чове́к
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera uncia
Барс
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
сне́жен чове́к
/'snew.stɔrm/
noun
виелица
noun
1. bepaald soort vogel, Bubo scandiacus
полярна сова
/'snewvlɔk/
noun
1. een kleine massa aaneengehechte sneeuwkristallen
снежинка
pronoun
Снежанка
/snɛɫ/
adjective
бърз
noun
1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
скорост
noun
манголд
/ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
режа
noun
1. iets dat of iemand die snijdt
реза́ч
noun
2. met een mes gemaakte snee
ра́зрез
noun
пресечна точка
verb
говоря през сълзи
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Scolopacidae
бекас
noun
1. verwaandheid
снобизъм
/ˈsnujə(n)/
verb
1. terugbrengen op gewenste lengte
кастря
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
щука
noun
1. bepaald soort zoetwaterroofvis, Sander lucioperca
бяла риба
noun
1. een meestal grotendeels van suiker vervaardigde lekkernij
бонбон
noun
1. beharing
муста́к
noun
  1. 1. een holle gebogen buis van rubber of plastic, met een mondstuk, dat je in staat stelt adem te halen als je aan het wateroppervlak zwemt met je hoofd onder water.
  2. 2. een toestel voor luchtverversing in een onderzeeboot.
шнорхел
noun
1. een slijmerige afscheiding uit de neusholte
со́пол
noun
1. soort skiplank
сно́уборд
noun
1. reukorgaan van dieren
муцуна
verb
2.
смъркам
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
хъркам
adjective
1.
пестелив
/soʃal/
adjective
    1. 1. betrekking hebbend op de menselijke samenleving
    2. 2. geneigd om in groepen te leven
    обще́ствен
  1. 3. gevoel hebbend voor de nood van de medeleden van de samenleving
    обществен
noun
1. verzamelnaam voor internetsites waar groepen mensen online onderling...
социа́лна ме́дия
noun
1. verzamelnaam voor internetsites waar groepen mensen online onderling kunnen communiceren
социа́лна ме́дия
noun
1.
обществена дистанция
noun
1. aanzien dat of voorname positie die iemand heeft in een groep of samenleving
социален статус
noun
социализъм
noun
социалист
noun
1. wetenschap
социология
noun
социолог
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
социопа́т
/su.ˈdɑn/, /zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
Судан
noun
суфизъм
noun
Сунити
noun
1. vloeibaar gerecht
супа
/'supəł/
adjective
1. Yodio buigend en zich aanpassend
гъвкав
noun
2. lepel waarmee soep gegeten wordt
супена лъжица
noun
суверените́т
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
софтуер
noun
соево масло
noun
соев сос
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
чорап
noun
1. een voetstuk, voornamelijk voor beelden
постамент
/sɔlˈdaːt/
noun
1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
войник
noun
1. een stuk gereedschap om mee te solderen
поя́лник
noun
1. metaalmengsel waarmee men
припой
verb
1. een door verhitting vloeibare tussenstof aanbrengen tussen losse metaaldelen waardoor deze na afkoeling vast verbonden blijven
запоя́вам
noun
солфеж
noun
солида́рност
noun
солипсизъм
verb
кандидатствам
/ˈsolo/
noun
соло
/sɔm/
noun
1. resultaat van een optelling
сума
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Somalië
сомалийски
/so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
Сомалия
adjective
1. met betrekking tot het lichaam
телесен
adjective
  1. 1. in neergeslagen stemming
  2. 2. een neergeslagen stemming veroorzakend
унил
indefinitePronoun
1. een onbepaald, meestal klein aantal
някои
noun
  1. 1. een peilstift om de ruimte binnen een lichaam te verkennen, of om er gegevens op te nemen
  2. 3. een onbemand ruimtevaartuig
сонда
noun
текст
noun
1.
автор на песен
/ˈsɔːrt/
noun
2. een groep levende wezens die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
вид
noun
2. de naam van de groep waartoe iets behoort
нарица́телно и́ме
/ˌsɔporaˈtif/
adjective
  1. приспивателен
  2. сънотворен
pronoun
1. een groep Slavische talen die wordt gesproken in het oosten van Saksen en het zuidoosten van Brandenburg
лу́жишки
verb
1. orde in een verzameling aanbrengen door soort bij soort te leggen
подреждане
verb
1. zijn rol zachtjes voorzeggen
суфлирам
noun
суфльор
noun
1. klein voorwerp dat helpt om aan een prettige ervaring met een plaats of persoon terug te denken
сувенир
pronoun
Съветски съюз
noun
1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
Спица
/ˈspakbeɪn/
noun
bot in de onderarm
лъчева кост
/ˈspandər/
noun
1. langwerpig stukje hout dat bij het hakken afvalt.
стърготина
/spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
испански
/spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
испански
/ˈspan.sə/
noun
1.
испанка
noun
1. afgesloten voorwerp waarin contant geld opgespaard wordt
касичка
noun
1.
пестели́вост
noun
спагети
noun
1. plankje e.d. om arm of been rust te geven
ши́на
verb
1. fixeren van een gewricht
шинирам
noun
1. hondenras
шпаньол
/ˈspɑ.ɲard/, /ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
испанец
/ˈspɑ.ɲə/, /ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
  1. Испания
  2. Испа́ния
noun
  1. 1. mechanische spanning
  2. 2. emotionele spanning
безпоко́йство
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
смърч
noun
1.
шишарка
/ˈspa.rə(n)/
verb
  1. 1. geld niet uitgeven
  2. 3. ontzien
икономи́свам
noun
1.
калник
noun
1. spaan, lepel, e.d. met plat, bot uiteinde om mee te smeren
шпатула
noun
1. tussenruimte tussen twee woorden
интерва́л
noun
1. een gedroogd plantendeel, anders dan een groen blad of stengel, dat als geur-, kleur- of smaakstof aan voedsel wordt toegevoegd
подпра́вка
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
кълвач
/spe.si.ˈjal/, /spe.ˈsjaːl/, /spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
любим
/ˈspesɪɑlɪst/
noun
  1. 1. persoon die ergens veel verstand van heeft
  2. 2. arts die een bepaald onderdeel van de geneeskunde beoefent
специали́ст
noun
1. mengsel waarmee wordt gewerkt
хороса́н
noun
1. soort, diersoort, plantensoort
вид
noun
1. specificatie
специфика́ция
verb
1. in details beschrijven
определям
adjective
1. kenmerkend
определе́н
adverb
1. in het bijzonder
определе́н
adjective
зрелищен
noun
1. kleurenband
спектър
noun
предположе́ние
adjective
рискован
verb
1. inzetten op een bepaalde kans, meestal met hoog risico
спекулирам
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
  1. слю́нка
  2. слюнка
noun
1. een klier die speeksel produceert en naar de mondholte afscheidt
слю́нчена жлеза́
/ˈspelɣud/, /ˈspelɣut/, /ˈspɪːɫχut/
noun
1. één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
играчка
noun
[[ка́рта]] за [[игра́]]
noun
  1. 1. rondreizend kunstenaar
  2. 2. rondreizend artiest
менестре́л
noun
двор
noun
1. een omheinde plek grond met speelobjecten voor kinderen
детска площадка
noun
2. tepel van een zoogdier
биберо́н
/spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
копие
noun
1. onderhuidse vetlaag bij varkens
сланина
noun
1. opzienbarend schouwspel
зре́лище
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
игра
noun
карфи́ца
/ˈspeːlə(n)/
verb
свиря
/spelejo'lox/
noun
1. holen en grotten onderzoeker
пещерняк
noun
  1. 1. deelnemer aan een spel
  2. 2. een partij
играч
/ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
правопис
noun
1. grove tarwesoort
спелта
noun
1. een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat
тео́рия на игри́те
noun
спе́рма
noun
1.
сперматозоид
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
малък ястреб
pronoun
1.
Шпайер
noun
1. spie
клин
noun
1. beelden terugkaatsend voorwerp
огледало
noun
1. een orgaan
  1. мускул
  2. му́скул
verb
2. ter dood brengen door doorboring met een spies
набивам на кол
noun
1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
пирон
verb
търся под вола теле
noun
храносми́лане
/spɛi̯t/
noun
съжаление
noun
  1. 2. de as waar iets rond draait
    вал
  2. 3. iets wat of iemand die een centrale plaats inneemt
    дух
adjective
прахоснически
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
паяк
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
спанак
verb
  1. 2. snorren, een brommend geluid maken
    мъркам
  2. 1. een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
    преда
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
паяк
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
паяк
noun
1. een door een spin gemaakt net om insecten te vangen
па́яжина
noun
шпионин
noun
1. de handeling van het spioneren
шпиона́ж
verb
1. voor concurrentie of vijand geheime informatie trachten te verwerven
шпионирам
noun
  1. 1. een kromme lijn
  2. 5. bepaald voorbehoedmiddel
спира́ла
adjective
духо́вен
noun
1. draaiende staak waarop men vlees of een geslacht dier spietst en boven of naast een hittebron roostert
шиш
noun
  1. 4. scherp, puntig uiteinde
  2. 1. grote drukte in het verkeer op terugkerende tijdstippen
връх
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
земеро́вка
noun
1.
[[гъвкав|гъ́вкава]] [[пръ́чка]]
/splet/
noun
пукнатина
/'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
отло́мък
verb
разцепвам се
adverb
1. binnen een kort tijdsbestek
скоро
noun
  1. 2. een element van zelfinductie
  2. 1. een cilindrische vorm
  3. 3. fotografische
боби́на
verb
плакна
noun
1.
спу́тник
noun
сю́нгер
noun
попечител
adjective
самопроизво́лен
noun
1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
дух
noun
1. een legendarisch schip dat zonder bemanning eeuwig blijft rondvaren
кораб-призрак
noun
    1. 1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
    2. 3. afdruk
    диря
  1. 2. spore
    спо́ра
    1. 8. hol uitsteeksel aan de voet van een kelkblad, kroonblad of vergroeide kroon
    2. 9. metalen punt of getand wieltje aan de hiel van de rijlaars
    шпо́ра
adjective
1. verdwenen zonder aanwijzing van waarnaartoe
безследен
noun
железница
adjective
единичен
/spɔrt/
noun
1. lichaamsbeweging
спорт
noun
1. beoefenaar van een sport
спортист
noun
iemand die zich toelegt op het bedrijven van sport
атле́т
noun
1. vrouw die sport op een hoog niveau beoefent
атле́тка
noun
1. toneellamp
проже́ктор
verb
1. zich met belachelijk makende of oneerbiedige scherts uiten
подигравам се
noun
1. een zangvogel die geluiden kan nabootsen
градински присмехулник
/sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
език
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal
граматика
noun
пословица
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
  1. обикновен скорец
  2. скоре́ц
/ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
  1. говоря
  2. гово́ря
verb
1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
скачам
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
  1. скакалец
  2. скакале́ц
noun
1. bepaald soort vrij kleine vogel met gestreepte bovenzijde en monotone zang, Locustella naevia
полски цвъркач
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
луничка
noun
подскачане
noun
1. verzonnen vertelling
при́казка
noun
Sprattus sprattus
цацата
noun
2. een uitloper van de spruitkool
брюкселско зеле
noun
1. slijmvliesontsteking in mond of darmen
млечница
/'spy.ɣə(n)/
verb
1. speeksel uit de mond doen uitschieten
плю́я
noun
1. spuigat
шпигат
/spœy̯t/
noun
3. injectiespuit
спринцо́вка
verb
2. ergatief: snel stromen
бликам
noun
пожарникар
noun
1.
газирана вода
noun
нещо
/'spyʋə(n)/
verb
плю́я
noun
скуош
/sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
Шри Ланка
noun
кол
/staːɫ/
noun
1. een legering van ijzer en koolstof
стомана
/staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
стоя
noun
  1. 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
  2. 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
опашка
noun
Опашната кост
noun
дългоопашат синигер
noun
комета
noun
  1. 1. een land
  2. 1. toestand
  1. държава
  2. държа́ва
noun
1. iemand die burgerrechten in een staat heeft
гра́жданин
noun
1. illegale afzetting van een regering
държавен преврат
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
държа́вен глава́
adjective
1. standvastig, duurzaam
стаби́лен
noun
стабилизатор
noun
стабилност
/stɑd/, /stɑt/
noun
Woonplaats
град
/ˈstɑdhœːs/, /ˈstɑthœʏs/, /ˈstɑthœːs/
noun
1. een gebouw waar de stadsdiensten gehuisvest zijn
кметство
noun
стадион
noun
1.
град порта
/ˈstɑt.stat/
noun
1. staatsvorm
град-държава
noun
1. een stok bedoeld voor ondersteuning of onderscheiding van een persoon
тоя́га
noun
1. een touw of kabel waarmee een mast stabiel wordt gehouden
щаг
noun
1.
стагфлация
verb
1. een werkonderbreking of (ludieke) actie houden voor betere arbeidsvoorwaarden of meer loon
стачкувам
/'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
стачка
/stɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
коню́шня
noun
1. variant van het marxisme-leninisme gekenmerkt door een totalitair nationalistisch...
сталини́зъм
noun
1.
коняр
noun
  1. 4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
    1. племе
    2. пле́ме
  2. 2. deel van de boom tussen de wortels en de kruin
    ствол
/'stɑmbom/
noun
1-2
родосло́вие
noun
стволова клетка
noun
2. vijzelstamper
бия́ло
noun
  1. A 1. hoe of waar iets staat
  2. B. plaats op een tentoonstelling
щанд
/ˈstɑn.dard.ˌɑf.wɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.ʋɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.β̞ɛː.kɪŋ/
noun
1. spreidingsmaat
стандартно отклонение
/ˈstɑn.dar.de.vi.ˈja.si/, /ˈstɑn.dar.de.vi.ˈja.tsi/, /ˈstɑn.dar.te.vi.ˈja.si/
noun
1. spreidingsmaat
стандартно отклонение
noun
1. officieel vastgelegde taalvorm die binnen een bepaald gebied als de voorgeschreven norm geldt.
  1. книжовен език
  2. литературен език
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
статуя
/stɑmplats/
noun
1. een vaste plaats waar iemand zich bevindt
стоянка
noun
1. een sterke, stinkende geur
смрад
/stɑp/
noun
1. het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan
кра́чка
noun
1. een gestructureerde hoop spullen
камара
noun
1. cumulus
кълбест облак
/ˈstɑ.pə(n)/
verb
1. het lichaam vooruit bewegen door een of meer keer een voet naar voren te zetten
крача
verb
гледам втренчено
/ˈstazə/
noun
1. stilstand
засто́й
noun
1. stabiel onderstel voor camera
статив
adjective
величествен
/sta.ˈsʲɔn/
noun
1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
ста́нция
noun
1.
комби
noun
стати́стика
adjective
1. cijfermatig berekend
статисти́чески
noun
1. plaats in een vast geheel of een bepaald proces
положе́ние
noun
1. huidige stand van zaken
стату́кво
adjective
законен
noun
1.
  1. бифтек
  2. пържола
adverb
1. voortdurend
все
noun
1. zeer smal straatje
уличка
/steːk/
noun
  1. 1. een penetratie met een scherp puntig voorwerp
    1. бодване
    2. убождане
    3. ужилване
  2. 2. een langdurige scherpe pijn
    бодеж
noun
1. een spel waarbij twee ridders elkaar met lansen trachtten uit het zadel te werpen
рицарски двубой
noun
касеро́ла
/sten/, /steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
камък
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
скален орел
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
Козирог
noun
1.1 bepaald soort zoogdier, Capra ibex
алпийски козирог
noun
Тропик на Козирога
noun
обичниче
noun
1.
каменоло́мна
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
каменни въглища
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes foina
бе́лка
/ˈstentɛit/
noun
Каменна ера
/ˈstenœʏ̯ɫ/, /ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
обикновена кукумявка
noun
каменна сол
noun
1. de kennis van het op verborgen wijze overbrengen van informatie
стеганография
/stɛil/, /stɛːl/
adjective
1.
стръмен
/ˈste.kəl/
noun
1. een langwerpig, scherp stukje van bijvoorbeeld een plant of dier
  1. бодил
  2. трън
  3. шип
noun
1. benaming voor kleine vissen met puntige doorns op de rug en de buik uit de familie Gasterosteidae
бодливка
/stekələx/
adjective
1. met stekels bezet
бодлив
noun
1. puntig uitgroeisel
бодилче
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
бодливо прасе
verb
1. doorboren, prikken
пробождам
adjective
1.
остър
noun
1. stekker
електрически контакт
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
крада
adjective
зве́зден
noun
1. een bewering die men als waarheid aangenomen wil zien worden
теоре́ма
/stɛlsəl/
noun
  1. 1. een geordend geheel, samenstel van delen
  2. 2. een systeem
систе́ма
/stɛlt/
noun
коки́ли
noun
  1. 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
  2. 6. een keuze gemaakt door een stemmer (kiezer) bij een stemming (verkiezing)
  3. 2. het geluid dat een mens bij het spreken voortbrengt
  4. 3. het geluid dat een mens bij het zingen voortbrengt
глас
/ˈstɛmbɪljɛt/
noun
1. formulier om te stemmen
бюлети́на
/stεmə(n)/
verb
  1. 2. een instrument op de juiste toonhoogte brengen
    акордирам
  2. 1. deelnemen aan een verkiezing
    гласу́вам
/ˈstɛmpəl/, /ˈstɛmpəɫ/
noun
  1. A2. een afdruk van [1]
  2. A:1. voorwerp met een ingesneden oppervlak waarmee afdrukken gemaakt kunnen worden met inkt of in lak
клеймо́
noun
избирателно право
/stɛmvɔrək/
noun
1. stemvork
камерто́н
noun
стенга
noun
1. langgerekt en stevig orgaan van een vaatplant dat water en voedingstoffen vervoert
стрък
verb
1. met steenworpen doden
пребивам с камъни
noun
Убийство с камъни
noun
1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
  1. звезда
  2. звезда́
noun
стерадиан
noun
стереотип
/ˈstɛrvbɛt/
noun
1. het bed waarop men sterft
смъртно легло
adjective
смъртен
adjective
  1. 1. zonder microbiële besmetting, heel schoon
  2. 2. onvruchtbaar
безплоден
/ˌsteriliˈzasi/, /ˌsterəliˈzatsi/
noun
1. een handeling waarmee alle ziektekiemen worden gedood
кастриране
noun
1. onvruchtbaarheid
безплодие
/stɛrk/
adjective
  1. 1. krachtig
  2. 2. geconcentreerd
силен
noun
1. drank met meer dan 20% alcohol
твърд алкохол
/'stɛrktə/
noun
1. de mate waarin iets sterk is
мощ
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige vogels uit de familie Sternidae
морска лястовица
noun
1. verzameling dicht bijeen staande sterren
звезден куп
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
астрономия
/stɛrən'kʏndəɣə/
noun
астроном
noun
гала́ктика
noun
1. een sterfelijk wezen
простосмъртен
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
умѝрам
noun
карамбола
/steto'skop/
noun
1. een medisch instrument waarmee men geluiden in het lichaam kan beluisteren
стетоско́п
/støn/
noun
  1. 1. iets om op te steunen
    подкрепа
  2. 2. morele of materiële hulp
    1. подкрепа
    2. подпомагане
  3. 3. sociale uitkering
    социална помощ
noun
подпора
/'stønə(n)/
verb
  1. 1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
    подкрепям
  2. 3. van vermoeidheid of pijn een kreunend geluid maken
    стена
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
есетра
adjective
  1. 4. voedzaam (zonder verfijning)
    енергичен
    1. 1. van aanzienlijk sterkte
    2. 2. van grote omvang, fors
    здрав
noun
стюарде́са
verb
1. de grondslag voor iets leggen, iets instellen
създавам
noun
2. zelfstandig vermogen met rechtspersoonlijkheid opgericht op de verwezenlijking...
основа́ване
noun
етике́т
/ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
ма́щеха
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
вто́ри баща́
pronoun
  1. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  2. 2. astrologisch teken
Бик
/stiːr/
noun
бик
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Щирия
/stɛif/
adjective
вдървен
noun
кола
/ˈstɛi̯xˌbøː.ɣəl/
noun
1. voetsteun voor de ruiter
стреме
/ˈstɛi̯ɣə(n)/
verb
1. naar boven gaan, toenemen
увеличавам се
/stɛi̯l/
noun
  1. 1. handelswijze
  2. 3. beschrijvende plantkunde: buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
стил
noun
реторична фигура
verb
колосам
/ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
  1. азот
  2. азо́т
/[stɪɫ]/
adjective
  1. 1. geen of weinig geluid producerend
  2. 2. onbeweeglijk
  3. 3. rustig, kalm
неподвижен
noun
натюрмо́рт
/'stɪl.tə/
noun
тишина
verb
1. maatregelen nemen om iets te bevorderen
стимулирам
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
скункс
verb
1. een onaangename geur hebben
воня
adjective
  1. 1. precies op tijd komend
  2. nauwgezet
точен
adverb
1. met grote precisie
точен
verb
поставям като условие
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Стокхолм
/stul/, /stuɫ/
noun
1. zitmeubel
стол
noun
1. een kabelbaan waarin je zittend een hoogte overbrugt
лифт
noun
1. heel kleine deeltjes
прах
/'stɔfʋɪsəlɪɳ/
noun
1. het geheel van chemische processen dat gepaard gaat met het in leven zijn van een wezen
обмяна на веществата
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
прахосмукачка
noun
стехиометрия
/stɔk/
noun
калъ́п
noun
франзела
verb
мушкам
noun
1.Suricata suricatta, roofdier behorend tot de mangoesten
сурикат
noun
1. gedroogde kabeljauw of kabeljauwachtige vis, zoals heek, leng, lom, schelvis en koolvis
чироз
/ˈstɔlɪŋsɣəˌstentə/
noun
1. gesteente bestaande uit gestolde lava of gestold magma.
магмени скали
adjective
  1. 1. geluidloos
  2. 2. niet in staat te spreken
ням
noun
1.
ням
adjective
1. iets dat zijn scherpte verloren heeft
притъпен
verb
удрям с юмрук
noun
па́ра
noun
1. warme ruimte
парна баня
noun
1. een schip dat met behulp van stoom wordt voortbewogen
парахо́д
noun
1. een locomotief die wordt aangedreven door een stoommachine
па́рен локомоти́в
noun
1. een machine die door middel van stoom drijfkracht ontwikkelt
парна машина
noun
1. een schip dat voortgedreven wordt middels een stoommachine
параход
noun
парна турбина
noun
1. grote slagtand
би́вен
noun
  1. 3. voorwerp dat een opening kan afsluiten
    запушалка
    1. 2. halte
    2. 4. besluit om groei of toename te stoppen
    спирка
/ˈstɔplɪxt/
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
светофар
noun
1
четина
verb
  1. 3. doen halthouden
  2. 4. ophouden, ermee kappen
спи́рам
noun
маджун
/ˈstorə(n)/
verb
1.het functioneren nadelig beïnvloeden
безпокоя
noun
1. een hinderlijke onderbreking, een bepaald proces wordt onderbroken of bemoeilijkt
смут
noun
1. erg harde wind
буря
/ˈstɔr.mə(n)/
verb
1. bijzonder sterk waaien
фуча
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Procellariidae
буревестник
verb
2. geld in een rekening inbrengen
депонирам
noun
1. het storten van geld op een bankrekening
влог
verb
1. dezelfde lettergreep een aantal malen herhalend moeilijk uit zijn woorden komen
заекване
/stɑu̯t/
adjective
  1. 1. in overtreding van een gestelde regel, met onvoldoende respect
  2. 4. seksueel prikkelend
злонамерен
/straɫ/, /ˈstral/
noun
  1. 3. spuitend gas of vloeistof
    бликам
  2. 2. een bundel elektromagnetische straling
    лъч
  3. 1. de lijn van middelpunt naar omtrek
    ра́диус
/strat/
noun
1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
  1. улица
  2. у́лица
pronoun
1. zeestraat tussen het Australisch vasteland en Papoea-Nieuw-Guinea
Торесов проток
pronoun
1.
Гибралта́рски про́лив
noun
1. hoofdstad van de Franse regio Grand Est
Страсбург
noun
  1. 1. soep
  2. 2. zuivelproduct
страчатела
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
наказание
adjective
1.
наказуем
noun
1.
безнаказа́ност
/ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
нака́звам
noun
1. directe vrije trap
наказателен удар
adjective
  1. 1. nauwzittend
  2. 3. streng
стегнат
/ˈstralə(n)/
verb
  1. 2. licht weerkaatsen
  2. 3. een heel blije uitdrukking op het gezicht hebben
блестя
noun
излъ́чване
pronoun
1.
Щралзунд
noun
1. Strook land langs de kust
  1. Полегат морски бряг
  2. плаж
verb
1. aan de grond vastlopen
засядам
/straˈteɣ/
noun
1. een persoon die strategieën uitwerkt
страте́г
noun
1. een plan om iets te bereiken
страте́гия
noun
стратосфера
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
стратовулкан
noun
  1. 1. een gebied met een eigen karakter
    зона
  2. 3. een veeg of streep met een werktuig
    мазка
/ˈstrek.tal/, /ˈstrek.taɫ/
noun
2. één of meer taalvariëteiten van de overheid dit label hebben gekregen
регионален език
noun
2. lijnvormig patroon
ивица
noun
1.
ба́ркод
verb
разтеглям
verb
1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken
милувка
noun
1. een uiting van tederheid
  1. ласка
  2. милувка
  3. прегръдка
verb
1. neerslaan van opgeloste eiwitten
пресичам се
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
сирище
noun
1. spanning, geestelijke druk.
стрес
verb
1. een doel willen bereiken
старая се
noun
  1. 1. een handgemeen
    бой
  2. 2. een militair treffen
    борба́
noun
1. een slagwapen in de vorm van een metalen staf met een versterkte kop
боздуга́н
noun
колесни́ца
verb
2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
гла́дя
/ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
ютия
noun
1. gestreken snaarinstrument
струнен инструмент
noun
1. een plankvormig voorwerp, gewoonlijk op een inklapbaar onderstel, bedoeld als ondergrond waarop kleding gestreken kan worden
дъска за гладене
noun
1. een constructie waarmee de snaren van een strijkinstrument in trilling gebracht worden
лък
/strɪŋ'xɛnt/
adjective
1. op een hele strenge, dwingende manier
неоспорим
noun
1. een boek met een verhaal in beeldvorm
комикс
verb
1. het zich ontdoen van alle kleding of een groot deel van de kleding die het lichaam bedekt, vaak met een erotische bijbedoeling
обелвам
noun
1. getekend verhaal met korte teksten
комикс
/stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
слама
noun
1. hoed
сламена шапка
/'stromən/
verb
1. voortbewegen van vloeistoffen
лея се
/'stromɪŋ/
noun
1. voortbewegen van een vloeistof
тече́ние
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
стронций
noun
1. zweertje op het ooglid
ечеми́к
/stroːm/
noun
2. elektriciteit
ток
noun
Водохващащ район
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
сиро́п
noun
1. lus van stevig touw
клуп
noun
вратовръзка
noun
гърло
noun
  1. ларинкс
  2. гръклян
adjective
1. met betrekking tot de opbouw van een geheel
структурен
/strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
структура
noun
1. heester
храст
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
запъване
noun
1. begroeiing die bestaat uit bij elkaar staande planten met houtige stengels die zich al direct boven de grond vertakken
храсталак
/ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
щраус
noun
1. zeer vergiftig alkaloïde
стрихнин
noun
1. een ruimte om te studeren
кабине́т
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
студент
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
обучавам се
noun
1.
изсле́дване
noun
  1. 1. werkplaats van een beeldend kunstenaar
  2. 2. plaats waar geluidsopnamen, films of televisie- of radioprogramma's gemaakt worden
  3. 3. een eenkamerappartement
сту́дио
/stɵx/
adverb
1 weerbarstig
твърд
noun
1.
полен
noun
1. onderste deel van de ruggengraat, de laatste vier vergroeide ruggenwervels
опашна кост
/stɵk/
noun
1. deel
фи́гура
noun
1. Soort bouwvakker
мазач
verb
1. ophouden te functioneren al of niet door te breken
развалям
noun
1. de rechterzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
щи́рборд
noun
ру́бка
noun
1. een stuk software dat een verbinding legt tussen de hardware en het besturingssysteem
дра́йвер
noun
1. kunstmatig meer
водохрани́лище
adjective
1. onderhuids
подко́жен
adjective
субекти́вен
noun
субсидиа́рност
verb
1. van overheidswege financiële hulp voor een bepaalde activiteit, ver- of aankoop verlenen
субсидирам
noun
1. stof (stoffen)
вещество
noun
1. zelfstandig naamwoord
съществително име
noun
1. ondergrond
подложка
/sʌp'til/
adjective
  1. 1. alleen bij nauwkeurig toezien of voor fijn gevoel waar te nemen of te begrijpen
  2. 2. fijn onderscheidend, scherpzinnig
неуловим
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
успех
adjective
сукуле́нт
/suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Судан
adjective
2. dom
тъ́пак
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
наставка
/sʏˈxɛsti/
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
внушение
noun
1. zoetstof
  1. захар
  2. за́хар
noun
1. bepaalde ondersoort van de biet waaruit bietsuiker gewonnen wordt
захарно цвекло
noun
1. uit suiker, kaneel, eieren en bloem samengesteld brood
захарен хляб
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
захарна тръстика
/ˈsœʏkərˌspɪn/, /ˈsœːkərˌspɪn/
noun
1. lekkernij bestaande uit een hoeveelheid gesponnen suiker aan een stokje
захарен памук
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het bloed een te hoog gehalte aan suiker bevat
диабе́т
noun
1. iets tussen snel lopen en langzaam rennen in
бавен тръс
noun
сулфат
noun
1., 2. en 3. (gedroogde vrycht van) een variëteit van de druif Vitis vinifera
султанина
pronoun
Сума́тра
noun
су́пер
noun
1. afwezigheid van elektrische weerstand
свръ̀хпроводи́мост
noun
1. fictieve figuur uit een stripverhaal of een film die over bovenmenselijke krachten beschikt
супергеро́й
adjective
висш
noun
1. een staat die zoveel macht heeft dat ze de wereldpolitiek beslissend kan beïnvloeden
свръхдържа́ва
noun
супермаркет
noun
het verschijnsel waarbij een ster op spectaculaire wijze explodeert
свръхно́ва
adjective
свръхзву́ков
noun
1. iemand die heel erg beroemd is omdat hij of zij iets heel goed kan
суперзвезда́
noun
1. iets dat als aanvulling toegevoegd wordt
допълнителен ъгъл
/ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Суринам
noun
1. overschot
изли́шък
noun
cюрреализмът
adjective
1.
сюрреалистичен
noun
суспензия
adjective
1. geneigd zijn om zelfmoord te plegen
самоуби́йствен
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
суахили
noun
свастика
/ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
Свазиленд
/'swɛtʃʏːrt/
noun
1.
суи́тър
pronoun
1. de grootste stad van Australië en de hoofdstad van de deelstaat Nieuw-Zuid-Wales
Си́дни
noun
сифилис
adjective
сри́чков
noun
1. een logische redenering waaruit een conclusie afgeleid wordt
силогизъм
verb
1. een betekenis hebben die verwijst naar
символизи́рам
noun
1. Teken
си́мвол
noun
симфо́ния
adjective
1.
симфоничен
noun
симе́трия
/si'metris/
adjective
1. aan twee zijden, bijvoorbeeld spiegelbeeldig gelijk
симетри́чен
noun
1. een gevoel van toegenegenheid
състрадание
adjective
състрадателен
/sɪmˈpoziəm/
noun
1. een wetenschappelijke samenkomst waarop verschillende wetenschappers een lezing houden over een bepaald onderwerp
симпозиум
adjective
1. met betrekking tot ziekteverschijnselen
показателен
noun
1. ziekteverschijnsel
симптом
noun
1. gebedshuis van joden.
синагога
noun
едновременност
adjective
едновременен
noun
  1. 1. plotseling bewustzijnsverlies
  2. 3. wegval van middenklank
припадък
/sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
синдром
noun
1. gelijkbetekenend woord
синоним
noun
een beknopte weergave, een overzicht
обзо́р
/sɪnˈtɑksəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
синтаксис
adjective
1. op kunstmatige manier gefabriceerd
изкуствен
verb
синтезирам
/ˈsi.ri.jə/, /ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
  1. Сирия
  2. Си́рия
/siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
  1. cистема
  2. система
/ˌsisteˈmatis/
adjective
1. stelselmatig, ordelijk volgens een systeem opgezet
системен
verb
1. het stelselmatig ordenen volgens een vooropgezet systeem
систематизирам
noun
1. een aangebrachte ordening
систематизация
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
по́тник
pronoun
1.
Тахо
adjective
  1. 1. moeizaam en plastisch vervormend onder mechanische belasting
  2. 2. moeilijk te snijden, kauwen (van vlees)
жилав
/taːk/
noun
1. een te verrichten werk
зада́ча
/taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
език
noun
1. uitdrukkingen en zegswijzen uit een bepaalde taal
идио́м
noun
1. talengroepen die een zelfde voorgeschiedenis hebben
езиково семейство
/ˈtalklɑŋk/
noun
1.
фонема
noun
1. wetenschap
езикознание
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
езикове́д
/taːrt/
noun
1. cirkelvormig zoet gebak
торта
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
тютюн
noun
Лула
noun
1. een geordende lijst met gegevens
таблица
noun
дарохранителница
noun
1. pastille
таблетка
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
табу
cardinalNumeral
1. het getal 80
  1. осемдесет
  2. осемдесе́т
pronoun
Осемдесетгодишна война
ordinalAdjective
осемдесети
noun
тахикардия
noun
тактичност
/tɑkˈtik/
noun
1. een manier om onder gegeven omstandigheden een doel te bereiken
та́ктика
/ˈtɑkt.fɔɫ/
adjective
тактичен
pronoun
1. de officiële taal van Tadzjikistan en een variant van het Perzisch
таджи́кски
/taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
  1. Таджикистан
  2. Таджикиста́н
noun
1. taf
тафта
/ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
  1. маса
  2. ма́са
/ˈtafəlˌklet/
noun
kleed dat als bescherming of versiering over een tafel ligt
покри́вка
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
те́нис на ма́са
noun
1. voetbal op een tafel met opstaande randen
джага
noun
1. fijn zout
готва́рска сол
pronoun
1. taal die op de Filipijnen gesproken wordt
тагалог
pronoun
Таити
/tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
тайфу́н
noun
1. naaldbossen in koude streken
тайга́
/tɑj'ʋɑn/
pronoun
Тайван
noun
тайва́нски
/tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
клон
noun
1. bijzondere aanleg
тала́нт
/tɑɫx/
noun
2. het harde vet van sommige herkauwers
лой
noun
1. benaming voor kleine vogels uit het geslacht Anas of het geslacht Callonetta
примкар
/tɑlk/
noun
талк
noun
1. van personen dat ze niet erg meegaand zijn
талк пудра
/'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
Талин
/ˈtɑlmut/
noun
1.
Талмуд
adjective
1. groot in aantal
бая
noun
1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
тамаринд
noun
1. muziekinstrument
дайре
noun
  1. 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
  2. 2. scherp uitsteeksel
зъб
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
зъболекар
noun
1. fiets
тандем
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
четка за зъби
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
клечка за зъби
noun
1. wetenschap voor de verzorging van de tanden
стоматология
/ˈtand.pɑs.taː/, /ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
  1. паста за зъби
  2. па́ста за зъ́би
/tɑntpɛin/
noun
1. pijn in één of meerdere tanden
зъбобол
/ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
венец
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
коне́ц за зъ́би
/tɑŋ/
noun
1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
  1. клещи
  2. щипци
pronoun
Танжер
/tɑŋk/, /tɛŋk/
noun
  1. 1. een groot vat
    резервоа́р
  2. 2. een oorlogsvoertuig
    танк
/ˈtɑŋkstaʃɔː/, /ˈtɛŋkstɑʃɔn/
noun
бензиностанция
noun
танин
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
тантал
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
танта́л
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
леля
/ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
Танзания
noun
1. een Chinese filosofische en religieuze stroming
даои́зъм
noun
килим
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
тапиока
/ˈtapɪr/
noun
1. hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf
тапир
verb
  1. 1. tappen van vloeistof
  2. 2. tappen van schroefdraad
точа
noun
1. militair afsluitend signaal
(военен) парад
noun
1. grote eetbare platvis
калкан
/tɑˈrif/
noun
1. een vastgesteld bedrag per eenheid
тари́фа
noun
1.
таро
noun
тара
verb
1. het bepalen van het niet bruikbare gewicht
тарирам
pronoun
1. stad in Estland
Тарту
/ˈtɑrʋə/
noun
  1. 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
    1. Пшеница
    2. жито
  2. 3. zaad van tarwe
    1. пшеница
    2. жито
noun
1. (voorgekookte) geplette tarwegranen
пшеница люспи
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
чанта
pronoun
Тасма́ния
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan, gelegen tussen Australië en Nieuw-Zeeland
Тасманово море
verb
опипвам
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
тата́рски
pronoun
1. de autonome republiek van Rusland met de hoofdstad Kazan
Татарстан
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
татуировка
/tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
татуирам
/tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
такси
noun
1. het prepareren of opzetten van dieren
препариране
noun
1. een opstelplaats voor taxi's waar zij wachten op passagiers
стоя́нка за такси́
verb
1. over de grond op wielen voortbewegen van vliegtuigen
рулирам
noun
Таксономия
preposition
1. in het midden van
между
/tiːm/
noun
  1. 1. een ploeg van bij elkaar horende spelers
  2. 2. een groep samenwerkende mensen
брига́да
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
технеций
noun
1. iemand die techniek toepast
техни́к
noun
1. De bewerkingen en verrichtingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen
те́хника
adjective
1. op techniek betrekking hebbend
техни́чески
noun
технокра́ция
noun
технология
noun
1. het teder zijn
нежност
/tef/
noun
1. wijfjeshond
кучка
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
къ́рлеж
noun
1. vingers van de voet
  1. пръст
  2. пръст на крак
noun
нокът на крака
/ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
катра́н
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
зар
/teːɣən/, /teːχən/
preposition
1. zijdelings aanleunend
против
noun
1. een aanval tegen een aanval
контраатака
verb
1. proberen iets te stoppen of te verhinderen
противодействам
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
противоотро́ва
preposition
1. aan de overzijde van
насреща
noun
1. hetgeen wat precies voorstelt wat iets helemaal niet is
противоположност
noun
1. ernstige pech, toestand met belangrijke tegenslag
беда
verb
1. zich met woorden verzetten
опровергавам
noun
1. vijand, rivaal
противник
adjective
1. niet overeenstemmend
противоре́чащ
noun
1. voorbeeld dat aantoont dat iets niet juist is
контраприме́р
noun
възражение
adjective
2. aanwezig
настоя́щ
noun
1. vorm die aangeeft dat het huidige moment bedoeld wordt
сега́шно вре́ме
noun
1. aanwezigheid
присъ́ствие
noun
1. het geen zin hebben in iets
нежелание
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
знак
verb
een tekening maken
рисувам
/ˈtekə(n)ˌfɪlm/, /ˈtekə(n)ˌfɪɫm/
noun
1. een film waarin een getekende realiteit wordt verbeeld
анимационен филм
noun
1. een door tekenen ontstane afbeelding of voorstelling
рису́нка
noun
1. een ontbrekende hoeveelheid
дефици́т
noun
1. verzameling letters en/of woorden
текст
adjective
текстов
noun
1. natuurlijke processen
тектоника
adjective
1. betrekking hebbend op de aardplaten, de breuken in de aardplaten en hun verschuivingen
тектоничен
/ˌtelefoˈneːrən/
verb
1. een telefoon gebruiken
обадя
/ˌtelə'fon/, /ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
телефон
noun
1. magneetkaart voor gebruik in een publieke telefoon
фонокарта
noun
1. een uniek nummer toegewezen aan een telefoonaansluiting
телефо́нен но́мер
noun
телегра́ф
verb
1. per telegraaf berichten
телеграфирам
noun
телегра́ма
verb
1. door nauwgezette verzorging doen groeien
отглеждам
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
телескоп
adverb
1. een onaangenaam gevoel hebbend omdat een verwachting of hoop niet uitgekomen is
разочаро́ван
verb
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
разочаровам
noun
1. een emotie opgeroepen door het niet uitkomen van een verwachting
разочарование
noun
  1. 2. medium
    1. телевизия
    2. телевизор
  2. 1. elektrisch apparaat
    1. телевизор
    2. телевизия
noun
1. een toestel dat een elektrisch of elektromagnetisch signaal omzet in beeld en geluid
телевизор
/tɛlx/
noun
1. lid van een familie
пото́мък
verb
1. aantal bepalen
броя
/ˈtɛlər/
noun
1. het getal boven de streep van een breuk
брояч
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
телу́р
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
телур
noun
1.
сметало
noun
числително име
verb
1. tam maken
опитомявам
/ˈtɛm.pəl/, /ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
храм
noun
темпера
noun
нрав
/ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
  1. температура
  2. температу́ра
noun
1. de tijd waarin de persoonsvorm staat
вре́ме
/ˈtɛm.sə/
pronoun
1. een gemeente in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen, gelegen aan de Schelde
Темза
adverb
1. luidt het eerste lid van een opsomming van minstens twee argumenten in
пъ́рво
adjective
1. gekleurd door bijbedoelingen
пристрастен
noun
1. wagen achter een locomotief
те́ндер
noun
1. een peesontsteking
възпаление на сухожилие
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
Тенерифе
noun
1. een scheikundig element met het symbool Ts en het atoomnummer 117
тенесин
noun
1. balsport
тенис
noun
те́нис корт
noun
1.een frame met een open ring waarover een netwerk van snaren is gespannen en een handvat waarmee men tennis kan spelen
те́нис раке́та
noun
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
палатка
noun
пипа́ло
/ˈtɛntəˌkɑmp/
noun
1. een kamp met tenten als behuizing
лагер
/tɛnˈtonstɛlə(n)/
verb
1. voor een publiek toonbaar maken
излагам
/tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
изло́жба
/ˈtɛn.zɛɪ/
conjunction
1. behalve wanneer
освен ако
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
зъ́рно
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
тербий
verb
1. het beëindigen van een mensenleven op gerechtelijk bevel
екзекутирам
verb
1.
мъмря
/tɛrəm/
noun
1. een woord of uitdrukking
член
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
термит
/tɛrˈmɛin/
noun
1. een vast tijdstip waarop iets gaat gebeuren of iets gebeurd moet zijn
срок
noun
1. licht-donkergrens
терминатор
noun
терминология
adjective
1. ontmoedigd, somber vanwege tegenslag
обезсърчен
noun
терпен
noun
1. een vetoplossend oplosmiddel dat uit de sappen van bepaalde dennensoorten gewonnen kan worden
терпенти́н
noun
een met een horecaterras vergelijkbare plek in een tuin
тераса
/tɛ'rɛin/
noun
1. een stuk grond van enige omvang
ме́стност
noun
теро́р
adjective
териториа́лен
noun
1. grondgebied
терито́рия
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
  1. терори́зъм
  2. тероризъм
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
терорист
adverb
1. onmiddellijk, meteen
без колебание
/tɛrsjɛːr/
adjective
трети по важност
noun
1.
те́рца
/trʏχ/, /təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
наза́д
/təˈrʏxbrɛŋə(n)/
verb
  1. 1. naar het punt van vertrek brengen
  2. 2. naar de eigenaar brengen
връщам
/təˈrʏχaːn/
verb
1. naar de punt van vertrek gaan
обръщам се
noun
1.
връщане назад
verb
връ́щам
verb
1. gaan naar een plaats waar men eerder vandaan kwam
връщам
/tə'rʌxkomə/
verb
1. opnieuw naar een plaats komen waar men eerder geweest is
връщам
noun
обра́тна връ́зка
/tə'rɵxnemə(n)/
verb
1. een voorwerp opnieuw in bezit terugontvangen
вземам обратно
verb
отразявам се
/tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
  1. 1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
  2. 2. hoewel
докато
/tɛst/
noun
1. probeersel
тест
noun
  1. 1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
    заве́т
  2. 1. gedeelte van de bijbel
    завет
adjective
завещан
noun
1. teelbal, zaadbal
тестикул
noun
1. een infectieziekte die door een gifstof leidt tot spierspasmen
тетанус
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een viertallige as bezittend
тетрагонален
noun
1. een door vier gelijkzijdige driehoeken ingesloten lichaam
тетраедър
/ˈtøɣəl/, /ˈtøʝəl/
noun
1. stuurriem van rijdier
по́вод
/təvərˈɣefs/
adverb
всу́е
/təˈvredə(n)/
adjective
1. geen behoefte voelend om aanmerkingen te maken
доволен
/təvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel genoeg te hebben en voldaan te zijn
задоволство
noun
плат
noun
1. de manier waarop iets is samengesteld, hoe het materiaal aanvoelt en hoe de structuur eruit ziet
текстура
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
тайландски
/ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
Тайланд
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
талий
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
театър
/teː/
noun
чай
noun
1. blad van de theestruik
ча́ен лист
noun
1. een kleine lepel om thee mee te roeren
чаена лъжичка
pronoun
1.de grootste rivier van Engeland
Те́мза
noun
1. kan met deksel en schenktuit waarin een warme drank wordt bereid door bladeren in heet water te laten trekken
чайник
/tema/
noun
1. een onderwerp dat behandelt wordt
те́ма
noun
1. staatsvorm die gebaseerd is op goddelijke
теокра́ция
noun
Теодицея
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
богословие
adjective
1.
богословски
noun
1. een beoefenaar van de theologie
богослов
noun
теоре́ма
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
тео́рия
noun
iemand die een patiënt behandelt
терапе́вт
adjective
1. genezend; op de geneeswijze betrekking hebbend
лечебен
noun
1. een methode om aan de genezing van zieken te werken
лече́ние
noun
1. elektronisch muziekinstrument
теремин
noun
1. een poedermengsel van een onedel metaal, gewoonlijk aluminium, en een oxide van een edeler metaal, vaak ijzer of koper
термит
noun
1. de leer van warmte en arbeid
термодинамика
/ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
термометър
noun
термосфе́ра
noun
термостат
noun
1. synoniemenwoordenboek
тезаурус
noun
1.
те́за
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
торий
/tœʏs/, /tœːs/
noun
1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
вкъ́щи
noun
1. multimedia opstelling die van een huiskamer een bioscoopzaak maakt
домашно кино
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
тулий
noun
тиристор
noun
тироксин
pronoun
2. de rivier die stroomt door Rome
Тибър
pronoun
  1. 1. autonome regio
  2. 1. voormalig land
Тибет
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
тибетски
noun
1. zenuwtrek
тик
pronoun
  1. 1. Zwitsers kanton
  2. 1. zijrivier van de Po
Тичино
suffix
1.
ция
cardinalNumeral
1. het getal 10
десет
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
десети
noun
1. jongere tussen 10 en 20 jaar oud
девойка
noun
десетоъгъ́лник
noun
1. biljet van tien euro
десятка
noun
1. vrouwelijke borst
ци́ца
/tɛit/, /tɛɪ̯d/, /tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
време
adjective
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
вре́менен
preposition
1. gedurende de tijd dat
по вре́ме на
adjective
1.
неостаряващ
/ˈtɛːtmɑˌʃinə/, /ˈtɛːɪtmɑˌʃinə/
noun
1. machine om mee door de tijd te reizen
маши́на на вре́ме
noun
епо́ха
noun
1. blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
списание
/tɛɪdsdyr/
noun
1. de tijd dat iets duurt
времетра́ене
noun
1.
глаголно време
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
  1. тигър
  2. ти́гър
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus tigrinus
Магот
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
chubrica
/ˈtɪkə(n)/
verb
  1. 3. typen
    пиша на машина
  2. 1. een of meer keren een niet harde slag of klap geven
    потупвам
pronoun
Тилбург
noun
дървен материа́л
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
дърводелец
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noordwest-Australië en Timor
Тиморско море
pronoun
Тимотей
noun
scheikundig element
  1. калай
  2. кала́й
noun
1.
тинкту́ра
noun
1. elk van de stukjes onderbroken muur bovenaan een wand van een gebouw of vestingwerk
зъ́бер
adjective
1.van tin vervaardigd
калае́н
noun
тинитус
/ˈtɪ.pə.lar.stər/
noun
2. prostituée op straat
уличница
noun
1. Italiaans dessert
тирамису́
noun
тира́н
/ti'tan/
noun
титан
pronoun
1.
Тита́н
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
титан
noun
  1. 1. opschrift van een document
  2. 2. aanduiding van een persoon
загла́вие
verb
титрувам
adjective
титулуван
/ˈtitʏs/
pronoun
Тит
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
елов певец
/ˈtjɪlpə(n)/
verb
1. geluid maken zoals kleine vogeltjes doen
чуруликам
verb
1. brood roosteren
вдигам тост
noun
2. activiteit waarbij men naar een of meer bestemmingen gaat
екску́рзия
verb
1. het doen opnemen van bijvoorbeeld een medicijn door iemand
предписвам
noun
1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
до́стъп
noun
1. entreebewijs op een stevig stukje papier
  1. входен билет
  2. входна карта
adjective
1.te bereiken
достижи́м
verb
  1. 1. toestaan
  2. 2. erkennen
признавам
noun
слуша́тел
verb
1. met gejuich begroeten
аплодирам
noun
1. benaming voor tropische vogels uit de familie Ramphastidae
тукан
noun
1.
бъдеще време
noun
бъдеще
adjective
1. van de tijd die komen gaat
бъ́дещ
verb
  1. 1. niet onmogelijk maken of verbieden
    дава́м
  2. 2. toegang verschaffen
    допуска́м
/tun/
adverb
1. op of na dat tijdstip
тога́ва
/tun/
conjunction
1. op het tijdstip dat
кога́
noun
2. bijnaam
епитет
noun
1. het groter worden in aantal of maat
нарастване
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
тундра
verb
1. in de praktijk brengen
прилагам
noun
1. het reizen voor ontspanning
туризъм
noun
1. een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
турист
noun
1. een vrouwelijk persoon die voor haar plezier reist
туристка
noun
турни́р
/tusxɔuər/
noun
1. iemand die naar iets kijkt
зри́тел
verb
1. het auteurschap of de eigenaar van iets associëren met iemand
отдава́м
verb
1. iets niet verbieden, iets mogelijk maken
позволявам
/'tustɑnt/
noun
  1. geheel van omstandigheden
    състоя́ние
  2. een ongelukkige situatie
    състояние
noun
1. een werktuig dat uit meer dan één onderdeel bestaat
апара́т
verb
[[съгла́сен]] съм
noun
een toezegging dat iets geoorloofd is
разреше́ние
verb
1. iemand zo mishandelen dat hij of zij zichtbaar lichamelijk letsel heeft
мачкам
noun
1. gerecht waarmee een maaltijd kan worden afgesloten
десерт
noun
  1. 3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
    клави́ш
  2. 1. onderdeel van een klavier
    клавиш
verb
изпитвам
/ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
клавиатура
noun
1. steen voor het bepalen van het goudgehalte
пробен камък
/ˈtuːvɑl/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
случайност
adjective
случайно
verb
доверя
/'tuvlut/
noun
1.
вливане
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
добавям
noun
1. datgene wat met een groter geheel verenigd wordt
доба́вка
noun
тога
/'to.ɣo/, /ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Того
/tʋɑ'lɛt/
noun
  1. 1. een plaats waar men zich kan ontlasten
  2. 3. persoonlijke verzorging
тоале́т
noun
1. papier om zich af te vegen na gebruik van het toilet
тоалетна хартия
pronoun
Токела́у
pronoun
1. de hoofdstad van Japan
Токио
noun
1. snaarinstrument waarvan de snaren worden getokkeld
струнен инструмент
/tɔl/
noun
  1. 3. plaats waar men slechts tegen betaling mag passeren
  2. 4. geld dat men bij een tol geheven wordt
[[пътен|пъ́тна]] [[та́кса]]
noun
1. de bereidheid ander gedrag dan het eigen te dulden
толерантност
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
превода́ч
verb
превеждам (устно)
noun
1. inner van tol of belastingen
бирник
noun
1. weg voor het gebruik waarvan betaald moet worden
платена магистрала
/toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
  1. домат
  2. дома́т
noun
1. strijdbijl van de Noord-Amerikaanse indianen
томахавка
noun
кетчуп
noun
1. een vruchtensap dat uit tomaten is bereid
дома́тен сок
noun
1. röntgenfoto waarbij slechts één vlak scherp wordt afgebeeld (doorsnede)
томография
noun
  1. 1. een vat in de vorm van...
    бу́ре
  2. 3. een gewichteenheid van 1000 kilogram
    тон
/toˈnel/
noun
естрада
noun
1. iemand die een toneelstukken schrijft
драмату́рг
/tonə(n)/
verb
2. laten zien
показвам
noun
1. traditioneel Okinawaans wapen
тонфа
noun
  1. 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
  2. 2. wat gesproken wordt
език
pronoun
Тонга
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
риба тон
noun
анги́на
/ton/
noun
een geluid met een bepaalde herkenbare hoogte
оттенък
noun
композитор
noun
1. toonhoogte
височина
noun
1. een stijgende of dalende opeenvolging van tonen
гама
noun
1. woede, gram
враждебност
noun
фа́кел
noun
1. hoogste punt, (bovenste) uiteinde
връх
noun
топаз
/tɔːrə(n)/
noun
  1. 1. een hoog bouwwerk
    1. ку́ла
    2. кула
  2. 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
    1. топ
    2. кула
noun
1. hoogste punt van een toren
шпил
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
керкенез
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
смерч
noun
турни́р
noun
торпе́до
verb
1.
но́ся
noun
тор
pronoun
Тоска́на
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
довиждане
noun
1. alle onderdelen tezamen
сума
adjective
1.
тоталита́рен
noun
тоталитари́зъм
conjunction
докато
noun
2.een knelverband
турникет
/tɑu̯/
noun
1. een middel om zaken bij elkaar te binden
въже́
noun
1. een mannelijk iemand die kan toveren
ве́щер
noun
1. een vrouwelijk iemand die kan toveren
магьосница
noun
1. magisch handboek
гримоа́р
/ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
токсикология
adjective
1. giftig
токсичен
/traːx/
adjective
1. met geringe snelheid
бавен
noun
2. ook inertie genoemd
инерция
noun
1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
сълза
noun
1.
сълзотво́рен газ
noun
трахеит
/ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
трактор
/tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
традицио́нен
/traˈxedi/
noun
  1. 1. een toneelspel dat handelt over een bedroevende gebeurtenis
  2. 2. gebeurtenis met een droevige of rampzalige afloop
траге́дия
adjective
траги́чен
verb
1. het doen van lichamelijke oefeningen
тренирам
noun
треньо́р
noun
1. een oefening
тренировка
/trenstər/
noun
1.
треньо́р
verb
гостя́
/tram/, /trɑm/, /trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
трамвай
noun
батут
/ˈtra.nə(n).ˌdɑl/, /ˈtra.nə(n).ˌdɑɫ/
noun
  1. 1. plek van enorm verdriet
  2. 2. alle verdriet en smart gevoeld in het leven
юдо́л плаче́вна
noun
транза́кция
noun
трансцеденталност
/trɑnsˈkrɪpsi/
noun
  1. 1. de conversie naar een geschreven tekst van een andere geschreven, getypte of gedrukte tekst.
  2. 2. het vastleggen van de uitspraak van een gesproken tekst op schrift.
  3. 3.
  4. 4. het omzetten van een muziekstuk naar een andere vorm of bezetting.
транскри́пция
noun
преобразу́ване
abbreviation
трансформатор
noun
  1. Транзистор
  2. транзистор
/'trɑnzitif/
adjective
прехо́ден
noun
трансла́ция
noun
1.
транслитерация
noun
1. constructie waarmee de beweging van een aandrijvend onderdeel wordt overgebracht naar een aangedreven onderdeel
предаване
noun
Трансмутация
pronoun
1.
Приднестро́вие
adjective
1. lichtdoorlatend
прозрачен
noun
1. doorzichtbaarheid
прозрачност
verb
изпотя
noun
1.
транспондер
noun
превоз
pronoun
Трансилвания
pronoun
Трансваал
noun
  1. 1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
    стълбище
  2. 1. benaming voor vogels uit de familie Otididae
    дропла
noun
во́дно колело́
/trɑˈpezɪʏm/
noun
1. een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
трапец
phraseologicalUnit
1.
степенуване
noun
psychische stoornis, ontstaan door een schokkende ervaring
ра́на
adjective
1. door een letsel ontstaan
травматичен
verb
1.
наранявам
noun
пародия
noun
травестит
noun
1. taps toelopende buis, gebruikt voor het vullen van vaten
фуни́я
/tre/
noun
1. opstapje dat deel uitmaakt van een trap
стъпало
verb
1. raak schieten
поразя́вам
noun
1. een titelwoord van een stuk tekst in een catalogus, woordenboek of encyclopedie
ключова дума
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
  1. влак
  2. трен
noun
1. kaartje dat dient als betalingsbewijs voor een reis per trein
билетче за влак
verb
  1. 1. op een voorwerp een kracht uitoefenen in een richting die ervan wegvoert
    дърпам
  2. 2. een lijn aanbrengen
    1. дърпам
    2. тегля
noun
1. pop
палячо
noun
1. een vogel die 's winters een andere verblijfplaats kiest dan in de broedtijd
прелетна птица
noun
1. diakritisch teken
диареза
noun
  1. nieuwe mode
  2. ontwikkeling in een bepaalde richting
[[моден|мо́дна]] [[тенде́нция]]
verb
1. verdrietige gevoelens koesteren, vaak na het verlies van iemand of iets
тъгувам
noun
тъга
noun
1. bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, Salix babylonica
плачеща върба
noun
2. overlegprocedure, in het wetgevend proces, tussen Parlement, Commissie en Raad van de EU
триалог
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
триа́нгел
noun
1. meetmethode die gebruikmaakt van het feit dat een driehoek volledig bepaald is als...
триангулация
noun
съд
adjective
1. somber stemmend
печа́лен
/ˈtrɪf.tɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit drie klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
трифто́нг
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie ten hoogste een drietallige as bezittend, in welke richting ook een van de primitieve translaties zich bevindt indien er sprake is een van een ruimtegroep
тригонален
/'trɪlə(n)/
verb
1. snel heen een weer bewegen
вибрирам
noun
вибрация
noun
1.
трило́гия
noun
1. gesprek tussen drie personen of groepen
триалог
noun
1. een periode van drie maanden
тримесечие
/ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
Тринидад и Тобаго
noun
3. seksuele activiteit met drie personen
три́о
noun
триод
noun
  1. 1. feestelijke intocht
  2. 2. grootse overwinning of prestatie
победа
verb
побеждавам
noun
трискайдекафо́бия
noun
тритиев йон
noun
1. politiek leiderschap dat uit drie gelijkwaardige personen bestaat
триумвира́т
pronoun
Триест
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
трофе́й
noun
1. een driekantige platte schep met handvat voor het opbrengen van metselspecie
мистрия
noun
  1. 1. een langgerekte voederbak.
  2. 3. een langgerekte uitstulping van een lagedrukgebied.
корито
pronoun
Троя
/'trɔ.li.bɵs/
noun
тролейбус
noun
1. een koperen blaasinstrument
тромбон
noun
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
барабан
noun
тъпанче
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
тромпет
verb
1. het geluid van een olifant
рева
noun
1. musicus die een trompet bespeelt
тромпетист
/troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
  1. трон
  2. престо́л
noun
1. het aftreden als vorst
абдикация
noun
1. steun bij verdriet of pijn
утеха
verb
1. als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven
успокоявам
noun
    1. 1.
    2. 2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
    грозд
  1. 3. een scheepskabel
    кабел
adjective
1. erg blij met wat men (bereikt) heeft
горд
noun
2. het gevoel dat men wil pronken met wat men heeft of doet
гордост
noun
1. stroming binnen het leninisme, die Stalins politiek te weinig marxistisch vindt en een minder autoritaire en meer internationalistische benadering voorstaat
троцки́зъм
/trɔˈtʋar/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
тротоар
noun
  1. 1. rondreizend kunstenaar
  2. 2. rondreizend artiest
трубаду́р
/trʌʊ/
adjective
1. op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen
верен
/trʌʊ/
noun
1. het zich houden aan...
вя́рност
verb
1. het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
оженвам
noun
брачна халка
/tryk/
noun
1. een handeling om op een slimme manier een doel te bereiken
трик
noun
трю́фел
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
пуло́вер
/tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
цар
noun
1.
цари́ца
/tʃad/, /tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Чад
/tʃɛx/, /tʃɛχ/
noun
1. een inwoner van Tsjechië, of iemand afkomstig uit Tsjechië.
чех
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
  1. чешки
  2. Чешки
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
Чешка република
/ˈtʃɛxi.jə/, /ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
  1. Чехия
  2. Че́хия
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
Чехословакия
/tʃɛnobil/
pronoun
Чернобил
pronoun
1. een taal die in Tsjetsjenië gesproken wordt
чече́нски
pronoun
1.
Чече́ния
/tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
цунами
noun
1. een koperen blaasinstrument met lage toon
туба
/ˌtybɛrky'løs/
adjective
1. met betrekking tot tuberculose
туберкулозен
/ˌtybɛrkyˈlozə/
noun
1. een ziekte veroorzaakt de de tuberculosebacterie Mycobacterium tuberculosis
туберкулоза
noun
1.
туф
/tœy̯x/
noun
4. harnas
сбру́я
/tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
  1. градина
  2. гради́на
noun
1. vorm van gewassenkwekerij die zich specifiek toelegt op het intensief telen van groenten, bloemen, planten, bomen, bollen of zaden
градина́рство
noun
1. en 2. cultuurplant en eetbaar kruid Lepidum sativum
кресон
noun
градинар
verb
schenkpijp aan een kan of ketel
чучур
noun
1. hoofddeksel
тюрбан
noun
1. plant
  1. лале
  2. лале́
noun
1. een gezwel
тумор
/tyˈmʏlt/
noun
1.
врява
/ty.ˈne.zi.jə/, /tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
  1. Тунис
  2. Туни́с
noun
1. lange bloes of korte jurk vaak gedragen over een lange broek door vrouwen
туни́ка
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
тунел
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
Турбина
verb
1. veen als brandstof
  1. Торф
  2. торф
noun
1. het delven en gebruiksklaar maken van turf
Извличане на торф
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
  1. Торино
  2. Тори́но
/tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
Турчин
/tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
  1. Турция
  2. Ту́рция
pronoun
1. de taal die door de Turkmenen in Turkmenistan en Afghanistan gesproken wordt
туркменски
pronoun
Туркменистан
/tʏrˈkojs/, /tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
тюркоа́з
/tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
  1. турски
  2. ту́рски
noun
1. bepaald soort tuinplant, Lilium martagon
петров кръст
noun
1.
гугутка
/ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
между
/ˌtʏsənˈdoːrtjə/
noun
1. een versnapering, iets te eten tussen de maaltijden door
заку́ска
noun
вмеша́телство
noun
1.
междина
/ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
междуметие
/ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
Тувалу
/twaːlf/, /tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
  1. дванадесет
  2. дванайсет
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
дванадесети
/tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
  1. две
  2. два
/tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
  1. две
  2. два
noun
1. geribbeld wollen weefsel
туид
/ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
втори
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
роди́телен паде́ж
noun
вто́ро лице́
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
Втора световна война
noun
1. eduel
двубо́й
/ˈtweːˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 200
двеста
cardinalNumeral
1. het getal 220
двеста двадесет
/ˈtʋeklɑŋk/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
дифто́нг
/ˈtwelɪŋ/, /ˈtʋelɪŋ/, /ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
близна́к
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 21 mei tot 21 juni
Близна́ци
adverb
1. in twee gevallen
два пъти
noun
1.
легло́ персо́н и полови́на
noun
1. kamer waar twee personen kunnen slapen
двойна стая
noun
2.iets met belangrijke, duidelijke voordelen maar met minstens even belangrijke, vaak minder duidelijke nadelen.
нож с две остриета
adjective
двуезичен
noun
1. een uitdrukking, bestaande uit twee eentermen, die gescheiden worden door het optelteken (+) of aftrekteken (-)
двучленен
adjective
1. met, of aan twee kanten, belangen, partijen etc.
двустранен
noun
1. voertuig geschikt voor twee personen
двувратка
cardinalNumeral
1. het getal 42
четиредесет и две
/ˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 72
седемдесет и две
/ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
съмнение
verb
na te gaan
съмнявам се
/twɛɪ̯x/, /tʋɛɪ̯χ/, /tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
ве́йка
/ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
двадесет
ordinalAdjective
двадесети
noun
1. een langdurig geschil
диспу́т
noun
1.
я́бълка на раздо́ра
/tiˈfon/, /tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
тайфу́н
noun
1. door bepaalde karakteristieken herkenbare soort
вид
/ˈtɛɪ̯.pə(n)/
verb
1. gegevens invoeren
пиша на машина
adjective
1. wat kenmerkend is voor iets of iemand
типичен
adjective
  1. 1. vreemd, eigenaardig
    причудлив
  2. 2. kenmerkend
    типи́чен
noun
2. grafische vorm van tekst
типография
noun
тирозин
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
Тиренско море
/yː/
personalPronoun
u (pers.vnw.)
Вие
/ˈyfo/
noun
1. vliegend voorwerp waarvan de identiteit niet bekend is, meestal in verband met een (vermeende) buitenaardse oorsprong
НЛО
/œʏ̯/, /œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
лук
/œyjəsup/
noun
1. een uit uien bereide soep
лучена супа
noun
1. de melkklier van een herkauwer
виме
/œʏ̯ɫ/, /œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
  1. кукумявка
  2. сова
/œʏ̯t/, /œːt/
preposition
1. geeft aan van welke plaats iets komt
от
adverb
1. op uitputtende wijze
обсто́йно
/ˈœytˌadəmən/
verb
изди́шам
noun
1. het uitademen
издишване
noun
2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
изблик
/ˈœʏtbenə(n)/, /ˈœːdbeːnə(n)/, /ˈœːtbenə(n)/
verb
1. het been uit (het vlees) halen
обезкостявам
verb
1. iets een groter oppervlak laten innemen
протягам
verb
изобретя́вам
verb
1. een gevoel of gedachte in taal verwoorden
изразя
/ˈœytrʏkɪŋ/, /ˈœːdrʏkɪŋ(g)/, /ˈœːtrʏkɪŋ/
noun
  1. 2. verbinding van woorden
  2. 3. geheel van sprekende gelaatstrekken
  3. 4. het uitdrukken, uiting
и́зраз
/ˈœʏ.tεɪn.ˌdә/, /ˈœː.tεːn.ˌdə/
noun
край
/œʏˈtɛɪndələk/
adverb
1. na een hele tijd
накра́я
/ˈœʏ̯tə(n)/, /ˈœːtə(n)/
verb
2. zeggen
абсолютен
noun
вид
verb
1. plotseling en ongewenst iets doms zeggen
издръ́нквам
noun
1.
вече́рен час
/'œʏtχɑŋ/, /'œːtɣaŋ/
noun
и́зход
/'œytxəmɛrxəlt/
adjective
1.
изпит
adverb
1. dodelijk vermoeid
изтощен
verb
  1. 2. een geschrift in drukvorm verspreiden
    изда́вам
  2. 1. financiële middelen aanspreken
    харча
noun
1. een persoon die of bedrijf dat boeken of andere publicaties in omloop brengt
изда́тел
verb
2. door graven grond geheel verwijderen tot de gewenste ruimte ontstaat
разкопавам
noun
  1. 1. het dusdanig weinig voedsel laten nuttigen dat dit op den duur verhongering tot gevolg heeft, meestal doelbewust
  2. 2. het uitgehongerd/verhongerd zijn
глад
verb
1. honend toeroepen
дюдюкам
verb
претърсвам
noun
1. betaling van geld op basis van sociale wetgeving
[[социа́лна]] [[по́мощ]]
verb
1. uit een aantal mogelijkheden één of meer selecteren
избирам
/ˈœʏ̯tlat/, /ˈœːtlaːt/
noun
1. een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden
ауспух
verb
1. vrachtgoed uit een scheepsruim of uit overdekte wagen lossen
разтоварвам
noun
1. een verhaal bedoeld om iets begrijpelijk te maken
обясне́ние
verb
1. iets doen begrijpen
обяснявам
verb
1. een gevangene in handen van een andere autoriteit overdragen
екстради́рам
noun
1. plantkunde
ластар
verb
1. verzwakken en vermageren
изтощавам
/'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
verb
1. iemand verzoeken iets bij te wonen
каня
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
покана
verb
1. in praktijk brengen
упражня́вам
noun
пра́ктика
/ˈœʏtpɑkə(n)/, /ˈœːtpɑkə(n)/
verb
1. uit een verpakking halen
развивам
noun
1. de toestand waarin iets of iemand aan het eind van zijn of haar krachten is
изче́рпване
noun
1. uitputtende oorlog, oorlogsvoering
[[война́]] на [[изтоще́ние]]
/ˈœtruːp/, /ˈœytruːp/
noun
1. wat men uitroept, luid geuite woorden of klanken
възклица́ние
verb
  1. 2. uit emotie luid roepen
    възкли́квам
  2. 1. officieel verklaren
    провъзглася́вам
noun
1. !, een leesteken dat uitdrukt dat de zin een uitroep, bevel of uitdrukking van verbazing is
удиви́телен знак
verb
1. uitrusten
обзавеждам
noun
1. benodigdheden voor een taak
екипи́ране
verb
1. niet langer tot de mogelijkheden rekenen
отхвърлям
/œytspra:k/
noun
1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
  1. произношение
  2. произноше́ние
verb
2. uitvouwen
развивам
noun
2. kort plezierreisje
излет
verb
1. naar een later tijdstip verschuiven
заба́вя
verb
простирам се
verb
1.
изброя́вам
/ˈœytrɛkə(n)/
verb
1. van je lichaam af halen
събличам
verb
публикувам
verb
изобретя́вам
noun
1. persoon die uitvindingen doet
изобрета́тел
noun
1. de daad van het uitvinden, het ontdekken van een nieuwe methode of een nieuw toestel
изобрете́ние
adjective
1. mogelijk om uitgevoerd te worden
изпълним
verb
  1. 2. afhandelen, voltrekken, ten uitvoer brengen
    извъ́рша
  2. 3. software runnen
    изпъ́лня
noun
1. uitgroeisel
израстък
noun
1.
отклонение
adjective
1. zich aan de buitenkant bevindend
въ́ншен
noun
2. vaste uitgescheiden afvalstoffen van een mens of dier
екскреме́нти
noun
размя́на
verb
изличавам
noun
метастаза
verb
  1. 2. een programma uitzenden
    [[преда́вам]] по [[радио|ра́диото]]
  2. 1. straling uitzenden
    излъчвам
noun
1. complete uitrusting van kleren, linnengoed, borden, etc. van een bruid of bruidspaar
чеиз
verb
2. iemand dwingen een gebied of gebouw te verlaten
екстради́рам
noun
1. wat men van de omgeving vanaf een bepaalde plek kan zien
зрение
/'œy̆t.sin/
verb
1. een zekere aanblik hebben
гледам
/œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
изключение
noun
1. een lichtbewapende bereden soldaat in enkele Europese legers
улан
/ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
ултима́тум
noun
1. blauwe verfstof, blauw pigment dat van nature wordt aangetroffen in het mineraal lazuriet
ултрамаринен
pronoun
У́мбрия
/ˈumlʌʊt/
noun
  1. 1. trema dat een vocaalwijziging aangeeft
  2. 2. vocaalwijziging o.i.v. een klinker in de volgende lettergreep
преглас
/ʏnɑˈnim/
adjective
1. met eenheid van stemmen
единоду́шен
/y.ˈnik/
adjective
1. enige in zijn soort
еди́нствен
adjective
1. éénvormig, gelijkvormig
мунди́р
noun
мунди́р
adjective
1. alom bekend, vertegenwoordigd of erkend
универсален
adjective
академик
/ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
университет
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
вселена
/ʌnstər/
noun
1. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op een balans met ongelijke armen
канта́р
noun
1. scheikundig element met symbool Uub en atoomnummer 112
унунбий
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuo en het atoomnummer 118
унуноктий
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uup en het atoomnummer 115
унунпентий
verb
1.
актуализирам
verb
1. een bestand van een lokale computer of server naar een computer of server op afstand overbrengen
ка́чвам
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
уран
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
уран
pronoun
  1. Ypah
  2. Уран
pronoun
1. de officiële taal van Pakistan en een van de officiële talen van India
у́рду
noun
карбамид
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
урина
noun
1.bij zoogdieren een orgaan dat de urine uit de nieren verzamelt en deze opslaat tot het moment van urineren
пикочен мехур
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
пикочен канал
/ˌyriˈnɪːrə(n)/
verb
1. het via de blaas lozen van lichamelijke afvalstoffen in de vorm van vloeistof
пика́я
noun
писоар
noun
урология
/ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /ˈuruˌɡwe/, /ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
  1. Уругвай
  2. Уругва́й
verb
1. toe-eigenen, onrechtmatig in bezit nemen, zich aanmatigen
загра́бвам
noun
1.
утилитарист
adjective
1.
утилитарист
/ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
утопия
adjective
утопи́чен
/ˈytrɛx/, /ˈytrɛxt/, /ˈytrɛχt/
pronoun
2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
Утрехт
/yːr/
noun
1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
час
noun
1. een mechaniek dat de tijd bijhoudt of aangeeft
часовник
noun
1. voltooid tegenwoordige tijd
  1. аорист
  2. минало свършено време
noun
1. voltooid verleden toekomende tijd
бъдеще предварително време в миналото
adjective
неопределен
/vaːk/
adverb
1. vele malen
често
noun
± onderscheidende vlag van een schip en/of militaire eenheid
знаме
noun
1. desertie
дезертьо́рство
/ˈvaːrdəxɦɛːt/, /ˈvaːrdəxɦɛːɪt/
noun
1. het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem juist op te lossen
вещина
/ˈvarɣøːl/, /ˈvarχʏːɫ/
noun
  1. 1. een relatief smalle strook in een groter water die geschikt is om te bevaren
  2. 2. een strook bevaarbaar water tussen twee zandbanken
кана́л
noun
юни́ца
noun
  1. 3. het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
    движение
  2. 1. opgebouwde snelheid
    движеща сила
/ˈvaːrtœx/, /ˈvaːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel op water
плавателен съд
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
ваза
noun
1. doek om aanrecht, gootsteen enz. af te vegen
парцал
adjective
незает
noun
свобо́дно мя́сто
/vakˈsæː/, /vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
ваксина
noun
1. een inenting
ваксина́ция
verb
1. een injectie met een vaccin geven
ваксинирам
noun
1. behaarde huid van een dier, vel van woldragende dieren, met de wol erop
кожа
noun
1. materievrije ruimte
вакуум
noun
1.
клафтер
noun
1.
наръчник
noun
1. een mannelijke ouder
  1. баща
  2. отец
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
Ден на баща́та
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
та́тковина
noun
бездо́мник
/ˈva.ɣə.ˌvyːr/, /ˈva.χə.ˌvyːr/
noun
1. een toestand waar de zielen van gestorven personen gereinigd worden.
чистилище
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
влагалище
adjective
вагинален
noun
3. schoolvak
предме́т
/vɑˈkɑn(t)si/
noun
  1. 1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
  2. 2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
ваканция
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
професиона́лен съю́з
noun
1. een man die zijn vak of professie verstaat
занаятчи́я
/vɑɫ/
noun
    1. 1. omlaag gaan
    2. 2. ten gevolge van de zwaartekracht naar beneden gaan
    3. 3. onvrijwillig ergens op terecht komen
    4. 4. hoogte van waarvandaan iets naar beneden valt
    падане
  1. 10. apparaat met een vallende deur of klem met als doel dieren te vangen
    капа́н
  2. 11. lijn waarmee een vlag, zeil of rondhout gehesen kan worden
    фал
pronoun
Валенсия
noun
валентност
noun
1. 14 februari, de dag van de verliefden
Свети Валентин
noun
1. CH₃(CH₂)₃COOH
валерианова киселина
verb
валидирам
/vɑlk/
noun
1. roofvogel
  1. сокол
  2. соко́л
/vɑlkə'rɛɪ/
noun
1. africhten van roofvogels
соколарство
noun
1. een laagte tussen bergen
долина
verb
1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
падам
adjective
1. niet echt
изкуствен
noun
1.
фалшифика́тор
noun
валу́та
noun
1. mythologisch ondood wezen
вампир
preposition
1. geeft bezit aan
  1. на
  2. от
phraseologicalUnit
1. oprecht en onvoorwaardelijk
безрезервно
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
ванадий
adverb
1. op deze dag
  1. днес
  2. днеска
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
  1. Вандализъм
  2. вандализъм
verb
  1. 1. te pakken krijgen
  2. 2. onderscheppen
хващам
/ˈvɑŋ.re(i)l/
noun
1. metalen stroken langs autowegen, die dient om te voorkomen dat auto's van de rijbaan raken
парапет
/vɑŋs/, /vɑŋst/
noun
улов
/vɑ'nijə/
noun
een smaak- en geurstof geëxtraheerd van de vanilleplant
ванилия
noun
1. vloeistof onttrokken aan vanillestokjes in een ethanol oplossing
ванилов екстракт
adverb
1. de komende nacht
тази вечер
/va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
Вануату
preposition
1. door een bepaalde reden
заради
adverb
1. iets dat geen verdere uitleg nodig heeft
очеви́дно
noun
1. iets dat zo logisch te verwachten is dat men het niet expliciet hoeft te vertellen of te bewijzen
очеви́дност
verb
1.
вейпвам
noun
1. Varanidae, de grootste levende hagedis
вара́н
noun
1. een sporenplant
папрат
noun
вариа́нт
noun
вариа́ция
verb
варирам
noun
разновидност
noun
1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
свиня
pronoun
1. baai op de Cubaanse kust
Залив на прасетата
noun
  1. 1. overdekt verblijf voor varkens
  2. 2. een zeer smerig huis
кочина
noun
свинска мас
noun
свинско месо
noun
1. vaatverwijding
вазодилация
/vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
континент
verb
1. zich onthouden van voedsel
по́стя
verb
1. vastplakken van iets dat eigenlijk niet de bedoeling is
втвърдявам се
verb
1. bevestigen dat iets zo is.
опреде́лям
noun
3. ader
съд
noun
1. het gevoelig zijn voor iets; het kunnen overnemen van een eigenschap
податливост
/vatiˈkanstɑt/, /vatiˈkaːnstɑd/, /vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
Ватикан
noun
васа́л
noun
1.
боен петел
adjective
1.
во́йнствен
noun
бой
noun
вектор
noun
1. iemand die op de vedel speelt
цигулар
/veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
доби́тък
noun
1. iemand die zich specialiseert in de geneeskunst van dieren
ветеринар
noun
1. iemand die vee steelt
[[краде́ц]] на [[доби́тък]]
/feɪɫ/, /veːl/
indefiniteCardinalNumeral
1. groot in hoeveelheid
много
adjective
(много)обещаващ
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
многоъгълник
adjective
1.
многоъгълен
noun
кратно
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
  1. росомаха
  2. лакомец
adjective
1. vaak
чест
noun
1. het veel mogelijkheden of kwaliteiten hebben; het geschikt zijn voor veel taken
многостранност
/ven/
noun
1. grondsoort
торф
/'venbɛs/
noun
1.
клю́ква
/veːr/, /vɪːr/
noun
2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
пружина
noun
2. herstellingsvermogen van iemands gestel of gemoed
гъвкавост
adjective
1. veerkrachtig
гъвкав
noun
1. een overzetvaartuig
ферибот
/ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
четиринадесет
ordinalAdjective
четиринадесети
/ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
  1. четиридесет
  2. четири́десет
ordinalAdjective
четиридесети
noun
добитък
verb
1. zonder water schoonmaken met een borstel
бъ́рша
adjective
1. als of voor vegetariërs
вегетариа́нски
noun
вегетариа́нец
noun
расти́телност
/ˈvɛilə(n)/
verb
1. verkopen op een openbare verkoping waar een prijs vastgesteld wordt
продавам на търг
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
безопасен
noun
1. een situatie waarin een bepaald gevaar niets kan aanrichten
безопасност
noun
1. een stevige band die iemand in een voer- of vliegtuig vasthoudt in zijn zetel ter bescherming tegen onverhoedse bewegingen
предпазен колан
noun
1. een klep die een opening in een reservoir of een leiding afsluit en die geopend wordt als de inwendige spanning te hoog wordt
предпазен вентил
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
Съвет за сигурност на ООН
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
безопасна игла
/ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
търг
noun
  1. 2. afgestroopte huid
    ко́жица
  2. 1. dunne laag
    лист
/vɛlt/
noun
    1. 1. open stuk land
    2. 2. stuk land voor het bedrijven van een sport
    ни́ва
  1. nog na te kijken
    поле
/ ˈvɛltflɛs /
noun
1. een afsluitbare en draagbare fles, meestal uit metaal of plastic vervaardigd, die gebruikt wordt om de drager buitenshuis van vocht te voorzien
мане́рка
noun
лазарет
noun
  1. полска чучулига
  2. чучулига
noun
фелдшпат
/vɛltɔxt/
noun
1. een trektocht van een leger met het doel de vijand te verslaan
кампа́ния
/ˈvɛld.zyː.rɪŋ/, /ˈvɛɫ.tsyː.rɪŋ/
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Rumex acetosa
киселец
/vɛlx/, /vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
джанта
verb
1. neer doen komen, doen vallen
повалям
pronoun
1. een taal die in de Veneto-regio gesproken wordt
венециа́нски
//
pronoun
1. provincie in Italië
  1. Венеция
  2. Вене́ция
pronoun
Венето
/ˌvenəzoˈlan/, /ˌvenəzoˈlaːn/
noun
1. een inwoner van Venezuela
венецуелец
/ˌvenəzyˈweːla/, /ˌvenəzyˈβ̞ela/, /ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
Венецуела
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
тис
noun
1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
  1. див копър
  2. Резенѐ
noun
1. onderneming of bedrijf met meerdere aandeelhouders
  1. дружество
  2. сдружение
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
прозо́рец
noun
венти́л
noun
  1. вентилатор
  2. вентила́тор
/vɛn.ˈtri.kɔɫ/, /vɛn.ˈtri.kəl/, /vɛn.ˈtri.kəɫ/
noun
1. elk van twee kamers van het hart
камера
pronoun
1. planeet
  1. Венера
  2. Вене́ра
adverb
1. op grote afstand
  1. далече
  2. дале́чен
/vərˈɑxtə(n)/, /vərˈɑçtə(n)/
verb
  1. 1. in hoge mate minachten
    прези́рам
  2. 2. trotseren
    презирам
noun
презре́ние
/vərˈadəmɪŋ/
noun
1.
отдих
adjective
1. op grote afstand
отдалечен
verb
1. een overdreven bewondering koesteren
боготворя
/vɛ.ˈrɑf.sxy.wə(n)/
verb
1. afschuw hebben voor
мразя
verb
  1. 2. zodanig aan zichzelf werken of zichzelf behandelen dat men anders wordt
    променям
  2. 1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
    променям се
adjective
  1. 1. iets met extra verplichtingen of moeilijkheden om het goed te laten lopen
  2. 2. de verantwoordelijkheid hebbend
отгово́рен
adverb
1. er op aangesproken kunnen worden als het niet goed gaat
отгово́рен
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
задълже́ние
verb
1. armer worden
обеднея
adjective
1. met woorden
верба́лен
adverb
1. als je iets vreemd vindt omdat je het niet verwacht had
учуден
verb
1. iemand van regeringswege dwingen een bepaald gebied te verlaten
заточавам
/vər.ˈbɑ.nɪŋ/
noun
1. het verbod opgelegd krijgen naar een bepaalde plaats terug te keren
прогонване
verb
1. door iets onverwachts gevoelsmatig treffen
удивлявам
verb
1. onvoltooid deelwoord van verbazen
изненадващ
/vər.ˈbeːɫ.dɪŋ/, /vər.ˈbɪːɫ.dɪŋ/, /vɛr.ˈbeːl.dɪŋ(g)/
noun
2. iets visualiseren, ergens een beeld bij maken
въображе́ние
/vərˈbetərə/
verb
2. van fouten ontdoen
кориги́рам
/vər.ˈbe.tə,rɪŋ/
noun
1. een verandering ten goede
напре́дък
/vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
забранявам
verb
  1. 3. behandelen door het aanbrengen van verband
    свързвам
    1. 1. twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken
    2. 2. met iets of iemand contact maken via de telefoonlijn
    съединя́вам
/vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
    1. 1. verbinden of samenvoegen
    2. 3. communicatie
    3. 4. vervoer
    връ́зка
  1. 2. scheikunde
    съедине́ние
verb
1. alle kleur verliezen
избелявам
noun
пребива́ване
noun
1. een plaats waar men, al dan niet noodgedwongen, verblijft
местонахожде́ние
verb
заслепявам
verb
1. verstomd doen staan van verbazing
обърквам
adjective
1.
смайващ
/vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
забрана
adjective
1.onzichtbaar gemaakt
скрит
verb
2.planten telen
отглеждам
verb
1. verteerd worden door vuur of hitte
горя́
noun
изгаряне
verb
1. breder maken
разширявам
noun
1. het iets verspreiden
разпространение
verb
1.
развалям
noun
2. de totale verbruikte hoeveelheid
консумация
verb
изразходвам
noun
потреби́тел
verb
2. het stelselmatig veranderen van de uitgang van een naamwoord al naargelang de functie van het woord in de zin
извивам навътре
/vər.ˈbœʏ̯.χɪŋ/, /vər.ˈbœː.ɣɪŋ/
noun
1. naamwoordsflexie
склонение
adverb
подозри́телен
noun
1. iemand die verdacht wordt
заподозря́н
verb
1. overgaan van een gecondenseerde fase, vast of vloeibaar, naar de gasfase
изпарявам
noun
1.
изпаряване
verb
1. beschermen tegen een aanval
браня́
noun
отбрана
verb
1. in kleinere stukken uiteendoen
разде́лям
/vərˈdɛlxə(n)/
verb
1.
изтребвам
noun
разпределе́ние
verb
1. het vermoeden hebben van iets slechts
подози́рам
/vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
подозре́ние
adverb
по-нататък
verb
извратявам
verb
  1. 2. geld verkrijgen door arbeid of een andere prestatie
    зарабо́твам
  2. 1. het recht op een beloning of bestraffing verwerven
    заслу́жа
noun
2. goede, opbouwende daad
заслуга
/vɛr.ˈdi.pə(n)/
verb
1. dieper maken
задълбочавам
/vər.ˈdi.pɪŋ/
noun
3. alle ruimten op één hoogte in een gebouw
кат
verb
  1. 1. dikker worden
  2. 2. dikker doen worden
сгъстявам се
interjection
по дяволите
verb
1. iets donkerder maken
затъмнявам
adjective
корумпи́ран
verb
1. de pijnprikkel onderdrukken, bijvoorbeeld door het toedienen van een medicijn
обезболявам
noun
1. bereidheid om te aanvaarden dat anderen zich gedragen op een manier die je niet goed vindt
толерантност
verb
1. bestand zijn tegen
издържам
noun
1. een gevoel van droefheid
траур
adjective
1. in sombere stemming
скръ́бен
verb
  1. 1. driemaal zo groot maken
  2. 2. driemaal zo groot worden
утроявам
verb
1.uit het land verjagen
изхвърлям
verb
  1. 1. in het water omkomen
  2. 2. in het water doen omkomen
  3. 3. door drinken van alcohol doen verdwijnen
да́вя
verb
  1. 1. donkerder maken
    затъмнявам
  2. 2. iets (m.n. geld) ontvreemden/stelen
    злоупотребявам
/vər.ˈdœʏ̯.stə.rɪŋ/, /vər.ˈdœː.stə.rɪŋ/, /vɛr.ˈdœːs.tə.rɪŋ(g)/
noun
затъмнение
verb
2. door toevoeging van oplosmiddel de concentratie verlagen
разводнявам
verb
загубвам
/vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
1. wegraken
изчезвам
noun
1. het verdwijnen
изче́зване
verb
опростя́
verb
увековечавам
noun
1.
ликвидация
/vɛrɛɪsə(n)/
verb
1. nodig hebben
нуждая се
noun
и́скане
/vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
  1. Обединено кралство Великобритания и Северна Ирландия
  2. Обединено кралство
  3. Обединеното кралство
/vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
  1. Обединени Арабски Емирства
  2. Обединени арабски емирства
pronoun
1. unie van Egypte en Syrië van 1958 tot 1961, en de officiële naam van Egypte van 1961 tot 1971
Обединена арабска република
noun
Организация на обединените нации
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Съединени американски щати
/və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Съединени американски щати
verb
1. afzonderlijke delen tot één geheel maken
обедини́
/və.ˈre.nə.ɣɪŋ/, /və.ˈre.nə.χɪŋ/, /vər.ˈe.ni.ɣɪŋ(g)/
noun
1. groepering van mensen die op een bepaald doel gericht is
асоциа́ция
verb
1. tot onderwerp van aanbidding hebben, eer bewijzen
благоговея
verb
1. erger worden of maken
влошавам
/vɛrf/
noun
1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
боя
verb
1. mooier maken
разкрасявам
verb
ободрявам
adjective
1. grote gevolgen hebbend
до голяма степен
/vərˈɣadəˌrɪŋ/, /vərˈχadəˌrɪŋ/
noun
1. een georganiseerde bijeenkomst voor bespreking en overleg
заседание
noun
незабравка
noun
възме́здие
verb
1. geel worden door veroudering of invloed van de omgeving
жълтея
adjective
1. goed te vergelijken
сравним
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
сравня́
/vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
  1. 1. relatie tussen twee zaken
    сравне́ние
  2. 2. wiskundige uitdrukking
    уравне́ние
verb
1. iets eenvoudiger of makkelijker maken
благоприятствам
/'vɛrɣə(n)/
verb
1. als noodzakelijke voorwaarde hebben
нуждая се
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
забравям
verb
1. vergiffenis schenken
опростя́
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
извине́ние
/'vɛrxəvɔrdərt/
adjective
1.
напреднал
verb
1. met iemand meegaan
придружавам
/vərˈxit/
noun
1. teiltje met gaten
гевгир
verb
изливам
/vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
отрова
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
извине́ние
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
отравям
noun
de toestand van vergiftigd worden
отра́вяне
/vər.ˈɣɪ.sɪŋ/, /vər.ˈχɪ.sɪŋ/, /vɛr.ˈɣɪ.sɪŋ(g)/
noun
1. iets doen dat niet juist is, of een verkeerde conclusie trekken
грешка
verb
1.iemands iets onoorbaars of onzedigs aandoen
атакувам
noun
1. bolle lens waardoor de voorwerpen die men bekijkt groter lijken
лу́па
verb
1. groter doen worden
увелича́вам
noun
1. een toename in grootte
увеличаване
/vər'xœyzə(n)/
verb
1.
клеветя
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje goud
позлатявам
noun
1. een officiële (noodzakelijke) toestemming om een bepaalde activiteit uit te voeren
лице́нз
/vər'ɦal/
noun
1. verslag (mondeling of schriftelijk) van een waargebeurde of verzonnen gebeurtenis
история
noun
трактат
noun
наклон
verb
  1. (vrijmetselarij)
  2. naar fysiek of geestelijk niveau brengen
възвишавам
noun
1.
небце
verb
  1. 1. zich ~: blijdschap ervaren
    веселя
  2. 2. zich ~ op: reikhalzend uitzien naar iets
    очаквам
  3. 3. iemand ~ vreugde bereiden
    радвам
verb
1. heviger worden
засилвам се
verb
1. voorkomen, ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
предотвратявам
/vər.ˈɦo.ɣɪŋ/, /vər.ˈɦo.χɪŋ/, /vɛr.ˈho.ɣɪŋ/
noun
3. een verhoogde lichaamstemperatuur
температура
noun
1. een indringende ondervraging van een gevangene of verdachte
ра́зпит
verb
  1. 1. van woonplaats veranderen
  2. 2. de inboedel van een ander overbrengen
местя
/vərˈhœʏzɪŋ/, /vərˈhœːzɪŋ/
noun
1. de verwisseling van één (semi-) permanente woonplaats voor een andere
преместване
/ˈveː.rɪŋ/, /ˈvɪː.rɪŋ/
noun
1. mechanisme dat dient om schokken op te vangen
окачване
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
рожден ден
verb
1. jonger maken
подмладявам
/vər'jɔŋɪŋ/
noun
2. vernieuwen van de (levens)krachten
подмладяване
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
движе́ние
noun
1. gestandaariseerd bord met aanwijzingen voor mensen in het verkeer
пъ́тен знак
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
светофар
verb
1.
изследвам
noun
  1. изсле́дване
  2. 2. militaire verkenning
    разузна́ване
/vər'kislək/
adjective
1.
предпочи́тан
verb
1. iemand door een stemming een ambt doen toekomen
избирам
/vər.ˈki.zɪŋ/, /vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
  1. избори
  2. избор
/vər'kizɪŋskɑmpɑŋə/
noun
1.
преди́зборна кампа́ния
/vɛrˈklarə(n)/
verb
  1. 1. duidelijk maken
    давам обяснения
  2. 2. een officieel standpunt uitspreken
    декларирам
/vər.ˈkla.rɪŋ/, /vɛr.ˈkla.rɪŋ(g)/
noun
  1. 4. schriftelijk stuk
    деклара́ция
    1. 1 het verklaren
    2. 2. plechtige bekendmaking
    3. 3. opheldering
    декларация
/vərˈklɛɪ̯nʋɔːrt/
noun
1. woord waardoor iets als klein of weinig wordt voorgesteld
умалително
noun
доно́сник
verb
обърквам
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
прода́жба
/vərˈkopə(n)/
verb
1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
прода́вам
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
продава́ч
verb
съкращавам
/vər.ˈkɔr.tɪŋ/, /vɛr.ˈkɔr.tɪŋ/
noun
скъсяване
noun
1. een virusinfectie aan keel of neus
настинка
verb
1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
изнаси́лвам
noun
1. een seksuele daad onder dwang
изнасилване
adjective
достижим
verb
1. in bezit krijgen, verwerven
доби́вам
noun
загуба
/vərˈlaxə(n)/
verb
1. op een lager peil brengen
спускам
/vər'lɑmə(n)/
verb
1. van het vermogen zich te bewegen beroven
парализи́рам
noun
1. toestand waarin men niet is staat is zich te bewegen
пара́лиза
noun
1. iets willen hebben
желание
verb
1. iets erg graag willen hebben
жаду́вам
verb
    1. 2. in de steek laten
    2. 1. weggaan
    изоставям
  1. 3. onverzorgd achterlaten
    напущам
noun
1. de voorafgaande tijd
минало
noun
минало време
adjective
стесни́телен
verb
1. tot kwaad brengen
изкушавам
/vər.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/, /vər.ˈlɛː.dɪŋ/, /vɛr.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het verleiden van iets of iemand
прелъстяване
/vərlenə(n)/
verb
1. iemand begunstigen met iets, iemand iets toestaan
предоставям
/vərˈlɛŋə(n)/
verb
2. langer laten duren
продължавам
/vər.ˈlɛ.ŋɪŋ/, /vɛr.ˈlɛ.ŋɪŋ/
noun
  1. 1. dat waarmee iets verlengd is
    екстензия
  2. 2. het verlengen
    пролонгация
verb
2. minder zwaar maken
облекчавам
noun
1. het teloorgaan, kwijtraken
за́губа
verb
1. iemand liefhebben; houden van iemand
влюбвам
verb
  1. 1. iets kwijt raken
    гу́бя
  2. 2. niet winnen
    губя
/vərˈludərə(n)/
verb
1. te gronde gaan
развалям се
noun
отпуск
adjective
1.
привлекателен
verb
1. tot kwaad brengen
съблазнявам
noun
1. iets wat heel aantrekkelijk is, maar verkeerd en zondig is
изкушение
adjective
сгоден
noun
1. iemand die toegezegd heeft met een partner in het huwelijk te willen treden
годени́к
verb
2. een vrouw geneeskundig bijstaan bij de bevalling
ра́ждам
/vər.ˈlɔ.sɪŋ/, /vɛr.ˈlɔ.sɪŋ/
noun
1. de bevrijding van de gevolgen van de zonden van de mens door het geloof in Jesus
спасе́ние
verb
1.aan lichaamsgewicht verliezen
отслабвам
verb
1. iemand prettig en leuk bezighouden
забавля́вам
verb
1. een feit noemen in een verhaal of tekst
спомена́вам
noun
спомена́ване
verb
комбини́рам
verb
1. het herhaald optellen van een getal; een rekenkundige bewerking waarvan de uitkomst het product wordt genoemd
умножа́вам
/vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
  1. 1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
  2. 2.een voortplanting
умноже́ние
/vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
отбягвам
adjective
2. in een tint rood met RAL-nummer 2002
ален
noun
  1. 2. naar oranje zwemende dieprode kleur
  2. 3. tint rood met RAL-nummer 2002
ален
verb
  1. 1. afnemen in aantal, kleiner worden
  2. 2. doen afnemen in aantal, kleiner maken
намаля́вам
verb
1. iemands lichaam blijvend en misvormend letsel toebrengen
осакатявам
adjective
сакат
adverb
1. naar men denkt, maar niet zeker weet
възможно
noun
1. een waarschijnlijke waarheid
предположение
verb
1. een gedachte koesteren waarvan men niet zeker is maar die een zekere waarschijnlijkheid inhoudt
подози́рам
noun
изтоще́ние
/vərˈmoχə(n)/
noun
2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen
мо́щност
adjective
обилен
verb
  1. 1. zich op onherkenbare wijze uitdossen
  2. 2. iemand op herkenbare wijze uitdossen
маскирам
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
убивам
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
вермут
verb
1. iemand zo behandelen dat hij zich minderwaardig voelt
понижа́вам
noun
1. einde maken aan het bestaan van iets
изтре́бване
/vərˈniwə(n)/
verb
  1. 1. opnieuw maken, opknappen
  2. 2. bij de tijd brengen
обновя́
verb
1. een bepaalde aanname maken
допу́сна
noun
предположе́ние
/vər.ɔnt.ˈrɛɪ̯.nə.χə(n)/, /vər.ɔnt.ˈrɛː.nə.ɣə(n)/, /vɛr.ɔnt.ˈrɛɪ̯.nɪ.ɣə(n)/
verb
1. ergens schadelijke en stoffen en vuiligheden inbrengen
  1. замърсяване
  2. оскверняване
noun
замърся́ване
adverb
1. gevoelens koesterend dat men te na gekomen is
възмутен
verb
1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
осъжда́м
verb
1. de oorzaak zijn van
предизвиквам
noun
регла́мент
verb
1. dwingend voorschrijven
заповя́дам
adjective
остарял
/vərˈʌʊdərə(n)/
verb
  1. 1. ouder worden
  2. 2. uit de mode raken
остарявам
/vərovərə(n)/
verb
1. een gebied door een militaire operatie in zijn macht nemen
завою́вам
noun
завоева́ние
verb
опаковане
noun
1. het materiaal waarin iets verpakt is
опаковка
/vər'pɑndə(n)/
verb
залагам
noun
1. een abstract begrip voorstellen als een mens
олицетворение
/vər'plaːʦə(n)/
verb
1. van de ene plek naar de andere brengen
дви́жа
noun
  1. 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
  2. 2. een deskundige in de verpleegkunde
медици́нска сестра́
verb
1. een zieke verzorgen
гледам
verb
разбивам
adjective
1. vernietigend
съкруши́телен
adjective
1. door iets of iemand gedwongen
задължителен
verb
1. tot regel maken dat iets moet
задължавам
/vər.ˈplɪx.tɪŋ/, /vər.ˈplɪχ.tɪŋ/, /vɛr.ˈplɪx.tɪŋ(g)/
noun
1. iets dat moet
задълже́ние
/vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
предателство
verb
2. een geheim prijsgeven
издавам
noun
1. iemand die verraad pleegt
изме́нник
adjective
вероломен
verb
  1. 1. iemand onverwachts met iets confronteren
  2. 2. iemand onverwachts verblijden
изненадвам
/və.ˈra.sɪŋ/, /və.ˈrɑ.sɪŋ/, /vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
изненада
/ˈvɛrəˌkɛːkər/, /ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
далекоглед
verb
1. rijker maken
обогатявам
verb
1. in beweging komen
движа
noun
  1. 2. dichtregel
  2. 3. couplet
стих
noun
  1. 1. militaire versterking
  2. 2. reling van een schip
фалшбо́рд
verb
1. aan stukken rijten
накъсвам
/vər'sxɛɪnə(n)/
verb
  1. 1. aan het licht treden, zichtbaar worden
  2. 3. voor het gerecht verschijnen
покажа
noun
появя́ване
/vɛrsxɛɪnsəɫ/
noun
1. iets dat zich voordoet
явление
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
разлика
verb
1. in bepaalde opzichten niet hetzelfde zijn
не съм съгласен
adverb
1. zo erg dat men er van schrikt
стра́шен
verb
1. het verbranden van materiaal zonder aanwezigheid van vuur
изгарям
verb
1. door uitdroging rimpelig en klein worden
изсъхвам
verb
  1. 1. het proces van in contact met de grond zich voortbewegen
  2. 2. iets in contact met de grond doen voortbewegen
  3. 3. naar een andere datum of tijdstip verplaatsen
премествам
adjective
1. verplicht om aan iemand te geven
задлъжнял
/ˈfɛrsi/
noun
  1. 1. specifieke vorm of variant van een uitgave
  2. 2. bepaalde verklaring of interpretatie van een gebeurtenis
вариа́нт
verb
1. makkelijker maken; eenvoudiger maken
опростя́
noun
1. het eenvoudiger maken van iets
опростяване
noun
1.iemand die verslaafd is aan iets
наркома́н
noun
1. het niet kunnen zonder bepaalde zaken die negatief gewaardeerd worden
зави́симост
verb
1. een definitieve overwinning boeken op een tegenstander
победя́
/vərˈslɑx/
noun
1. bericht over een gebeurtenis of toestand
докла́д
noun
репорте́р
verb
1. te lang blijven slapen met als gevolg dat men een afspraak mist
проспивам
/vər.ˈsla.vɪŋ/, /vɛr.ˈsla.vɪŋ(g)/
noun
1. een toestand waarin een persoon fysiek en/of mentaal van een gewoonte of stof afhankelijk is
зави́симост
verb
1. slechter worden
влошавам се
verb
1. grote hoeveelheden geheel verorberen
поглъщам
verb
1. een grotere snelheid (doen) bereiken
ускоря́вам
noun
  1. 2. tweede tijdsafgeleide van de positie
    ускорение
  2. 1. toename van het tempo
    ускоряване
noun
1. een schakelinrichting aan een motorvoertuig om van de ene naar de andere versnelling te gaan
скоростна кутия
noun
1. apparaat dat versnippert
дарак
verb
1. iets tot kleine repen scheuren, knippen of snijden
накъсвам
/vər.ˈspɪ.lɪŋ/
noun
1. het teloor laten gaan van iets waardevols door nalatigheid
загуба
verb
1. tot splinters maken
разцепвам
verb
  1. 1. in omloop brengen, over een groter oppervlak uitbreiden
  2. 2. zich ~: een proces van uitbreiding ondergaan
разпръсквам се
noun
2. denkkracht, denkvermogen (met betrekking tot het brein)
акъл
noun
1. elk der vier achterste kiezen van boven- en onderkaak die pas later opkomen (als mensen tot de jaren des verstands zijn gekomen)
мъдре́ц
verb
2. anders stellen
нагласявам
verb
1.
вкаменявам
verb
    1. 3. beter bestand maken tegen aanvallen
    2. 2. het aantal vergroten
    подсилвам
  1. 1. sterker maken
    уси́лвам
noun
1. signaalversterker
усилвател
/vər.ˈstɛr.kɪŋ/, /vɛr.ˈstɛr.kɪŋ(g)/
noun
    1. 1. het versterken
    2. 2. extra hulp in probleemsituaties
    подкрепа
  1. 3,4. signaalversterking
    усилване
verb
1. doen stikken
задуша́
noun
1.
задушаване
/vər'stɔpə(n)/
verb
1. iets stoppen waar het niet gemakkelijk gevonden zal worden
крия
/vərˈstɔ.pər.tjə/
noun
криеница
/vərˈstorə(n)/
verb
1. uit de concentratie brengen, onderbreken wat men aan het doen is
безпокоя
noun
1. onderbreking van het gewone of gewenste beloop
смут
verb
1. niet langer in de omgeving dulden
отказвам се
verb
1. de moed opbrengen
насърчавам
verb
1. ter beschikking stellen
давам
noun
1.
разсеяност
noun
2. verspreiding over een groter gebied dan oorspronkelijk het geval was
разсейване
noun
1.
изкъ́лчване
noun
1. in de poëzie gebruikte term voor een combinatie van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen
стъпка
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
превеждам
noun
преводач
/vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
  1. превод
  2. пре́вод
/ˈvɛrtə/
noun
1. het gebied dat nog net binnen zichtsafstand is
отдалеченост
verb
1.
представям
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
предста́вител
verb
1. een al of niet ware gebeurtenis verhalen
описвам
noun
1. een persoon die vertelt
говори́тел
verb
1. voedsel afbreken
сме́ля
adverb
отвесен
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje tin
калайди́свам
/vər.ˈtra.ɣɪŋ/, /vər.ˈtra.χɪŋ/, /vɛr.ˈtra.ɣɪŋ(g)/
noun
1. het langzamer gaan
заба́вяне
noun
  1. 2. de actie van het vertrekken of weggaan
    замина́ване
  2. 1.
    стая
verb
1. weggaan
напускам
verb
1. iemand hoop, vertrouwen en troost geven bij moeilijkheden
утешавам
noun
утеха
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
  1. доверие
  2. дове́рие
verb
разма́жа
noun
1 verslechteren
разлагане
/vər.ˈvɑɫ.sɪŋ/, /vɛr.ˈvɑl.sɪŋ(g)/
noun
1. een artefact opzettelijk nagemaakt om mensen in de waan te brengen dat het echt is
фалшификация
/vər'vɑŋə(n)/
verb
1. het ene de plaats doen innemen van het andere
заме́ням
verb
1. met verf bestrijken
бояди́сам
verb
1. iets viermaal zo groot maken
учетворявам
noun
вечни мъки
verb
A.1 omvormen van een werkwoord om wijze, tijd en persoon uit te drukken
спряга́м
/vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /vər.ˈvu.χɪŋ/, /vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
спрежение
/vərˈvuːr/
noun
  1. 1. overbrenging van zaken van één plaats naar de andere
  2. 2. middel waarmee overbrenging van zaken plaatsvindt
прево́зване
noun
1. voorwerp bestemd om personen of goederen naar een andere plaats te brengen
транспортно средство
/vər'vɔlɣən/
verb
2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
поти́скам
/vər'vɔlɣəns/
adverb
впоследствие
noun
2. het vervolgen of vervolgd worden
гонение
noun
1. een ongeplande verandering van de oorspronkelijke vorm
деформация
verb
1. vreemd maken, van eigenaar doen wisselen
отчуждавам
verb
1. het (doen) uitkomen van een voorspelling of belofte
извършвам
adjective
1. zich boven anderen verheven voelend
надут
verb
1.
благоволявам
verb
1. iets niet de benodigde verzorging schenken
занемарявам
verb
1. ergens van uitgaan
оча́ква се
/vər.ˈʋɑχ.tɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑx.tɪŋ/, /vɛr.ˈwɑx.tɪŋ(g)/
noun
datgene wat verwacht wordt
вероятност
adjective
  1. 1. geparenteerd, familie zijnd
  2. 2. op een of andere wijze gerelateerd
родствен
noun
2. overeenkomst, affiniteit
връ́зка
verb
1. iets warm maken
нагрявам
/vər.ˈʋɑr.mɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑr.mɪŋ/, /vɛr.ˈwɑr.mɪŋ(g)/
noun
  1. 1. het proces van verwarmen
  2. 2. een installatie die voor het verwarmen zorgt
отопле́ние
/vɛrˈʋɑrən/
verb
  1. 1. in de war brengen
  2. 2. door elkaar halen
обърквам
/vər.ˈʋɑ.rɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑ.rɪŋ/, /vɛr.ˈwɑ.rɪŋ(g)/
noun
1. een verwarde toestand
бъркоти́я
/vər'wɛdə(n)/
verb
1.
залагам
noun
[[отбранителен|отбрани́телни]] [[съоръжение|съоръже́ния]]
noun
обвиня́ем
/və(r).ˈʋɛ.kə(n)/
verb
doen ontstaan (ook in biologische zin)
зачевам
noun
1.iemand die de biologische vader van iemand is
родител
/vər'ʋɛlkomə(n)/
verb
1. iemand begroeten en welkom heten
приве́тствам
verb
1. iemand een te goede behandeling geven
разглезвам
noun
1. vloek of belediging
прокля́тие
/vərˈʋɛrkə(n)/
verb
1. een grondstof of halffabrikaat gebruiken om een eindproduct te vervaardigen
осмислям
verb
1. afwijzen
отхвърлям
noun
1. het verkrijgen van iets
придоби́ване
/vərˈwɛɪ̯dərə(n)/, /vərˈʋɛɪ̯dərə(n)/, /vərˈβ̞ɛːdərə(n)/
verb
1. weghalen
отстранявам
noun
1. het verwijderen
отстраняване
/vər'wɛift/
adjective
1.
женствен
/vər'ʋɛɪzə(n)/
verb
1. naar iets of iemand anders wijzen of sturen
позовавам се
verb
1. twee zaken elkaars plaats in doen nemen
бъркам
verb
1. totaal vernielen
опустошавам
verb
1. lichamelijk letsel veroorzaken
раня́
noun
1. lichamelijk letsel
повреда
verb
1. minder erg maken
размеквам
noun
насищане
noun
акумула́тор
verb
    1. 1. bijeenbrengen
    2. 3. bijeenkomen
    бера
  1. 2. een verzameling hebben of aanleggen
    инкасирам
/vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
  1. 1. meerdere voorwerpen...
  2. 2. wiskundige verzameling
коле́кция
/vərzekərar/
noun
1. een bedrijf dat tegen betaling van een premie een bepaald risico voor een klant dekt
застраховател
verb
  1. 2. tegen betaling van een premie ...
    застраховам
  2. 1. verklaren dat iets ...
    убеждавам
/vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
застраховка
noun
1. handelingen gericht tegen de heersende macht of de aanvallende vijand
съпроти́ва
noun
1. beweging van het verzet, de gezamenlijke mensen die zich verzetten tegen een overheerser
Съпротива (политика)
verb
4. met een laag zink afdekken
поцинковам
verb
1. vrede laten sluiten
помирявам
noun
1.
умиротворе́ние
verb
1. zuur (doen) worden
подкислявам
noun
1.zuur worden van het milieu
подкисляване
/vɛrzʋɑkə(n)/
verb
  1. 1. zwakker maken
  2. 1. zwakker worden
ослабям
verb
изче́звам
/ˈvɛsəˌmə(n)/
verb
1. (een draad) door het oog van een naald steken.
вдя́вам
verb
3. er gaan wonen
заселвам се
noun
учрежде́ние
noun
крепост
adjective
  1. 1. dik, vet inhoudend
  2. 6. lijkend op iets vets
дебел
noun
  1. 2. gespecialiseerd dierlijk weefsel
    дохо́ден
  2. 1. gladde, zeer vette vloeistoffen, smeermiddelen
    мазнина́
noun
  1. 1. een voormalig militair die gevochten heeft, een uitgediend krijgsman
  2. 2. een ervaren en oud persoon in een bepaald onderwerpgebied, zoals een sporter, geleerde, etc.
ветеран
adjective
ветерина́рен
noun
1. veto
ве́то
noun
мастна тъкан
/ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
мастна киселина
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
конче
noun
1.
вексилология
noun
1. een vezel is een lang, dun filament waarvan de lengte ten minste drie keer groter is dan de doorsnede
нишка
noun
1. communie gegeven aan een stervende als deel van de laatste sacramenten
последно причастие
noun
1. marimba met metalen toetsen en vibratosysteem
вибрафон
noun
вибрация
noun
ви́цепрезиде́нт
pronoun
2. spelwoord voor de letter V
Ви́ктор
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Викто́рия
noun
1. elektronisch spel, met beelden op een monitor of tv
bидеоигра
/viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
  1. четири
  2. че́тири
/ˈviːrdə/
ordinalAdjective
1. nummer vier in een rij
четвъ́рти
verb
1. een feest vieren
празнувам
noun
1. ruimtelijke figuur met vierentwintig vlakken
двадесетичетиристен
/ˈvirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 74
седемдесет и четири
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
четириъгълник
adjective
1. met vier hoeken; met vier kanten
четиристранен
/ˈviːrˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 400
четиристотин
/ˈviː.rɪŋ(g)/, /ˈviː.rɪŋ/
noun
1. het vieren
че́стване
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
квадрат
noun
1.
квадратен метър
noun
1. dat getal dat met zichzelf vermenigvuldigd een gegeven getal oplevert
квадра́тен ко́рен
pronoun
Фирвалдщетско езеро
adjective
1. smerig
мръсен
pronoun
  1. Виетнам
  2. Виетна́м
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
виетнамски
adjective
1. in een getalstelsel dat werkt met veelvouden van twintig
двайсетичен
noun
1. nachtwake
навечерие
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
враг
adjective
1. van de vijand
вра́жески
adjective
1. zich als een vijand gedragend
вра́жески
noun
1. een toestand van op voet van oorlog zijn
вражда́
/vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
пет
/ˈvɛɪ̯f.də/, /ˈvɛɪ̯v.də/, /ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
пети
cardinalNumeral
1. het getal 95
деветдесе́т и пет
cardinalNumeral
1. het getal 25
двадесет и пет
cardinalNumeral
1. het getal 55
петдесет и пет
/ˈvɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 75
седемдесет и пет
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
петоъгъ́лник
/ˈvɛi̯fˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 500
петстотин
noun
1. atletiekmeerkamp met vijf onderdelen
модерен петобой
/ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
  1. петнадесет
  2. петнайсет
ordinalAdjective
петнадесети
noun
петнадесетоъгълник
/ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
  1. петдесет
  2. петдесе́т
ordinalAdjective
петдесет
noun
1. vrucht van de vijgenboom
смокиня
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
пила
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
езерце
noun
A 1. een vat waarin met een stamper stoffen fijngestampt kunnen worden
хава́н
verb
1. in- of uitdraaien van een schroef
завинтвам
/ˈvikɪŋ/
noun
1. Scandinavische krijger, behorend tot de noordelijke tak van de Germanen
викинг
noun
1. een groot en vrijstaand huis
вила
noun
door langdurig bewerken verdichte wol
филц
noun
1. een pen met een poreuze kern
флума́стер
/vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
  1. перка
  2. плавник
/'vɪndə(n)/
verb
1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
  1. намирам
  2. нами́рам
noun
1. extremiteiten van de hand
пръст
/ˈvɪ.ŋər.ˌɑf.drʏk/, /ˈvɪ.ŋər.ˌɑv.drʏk/
noun
1. een afdruk op een oppervlak van een vinger met meestal de unieke, persoonsgebonden figuur...
отпечатък от пръсти
/'vɪŋərˌɦut/
noun
1. hard dopje dat het eerste kootje van de vinger beschermt bij het naaien
напръстник
noun
напръстник
noun
1. dun, doorzichtig plaatje van harde keratine op de bovenkant van elk van de vijf uitsteeksels van de hand
но́кът
noun
обикновена чинка
noun
1. knie- of beenviool
виола да гамба
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
виолетов
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de violoncellist of cellist tussen de knieën wordt gehouden
виолончело
noun
1. strijkinstrument
цигулка
noun
1. vioolsleutel
виолинов ключ
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Viola
виолетка
adjective
1.
мъжествен
noun
1.
вирусология
noun
1. (beroep) deskundige op het gebied van virussen en virusziekten
вирусолог
/ˈvʏːrcuwəlriˌjɛləti/
noun
виртуална реалност
adjective
1.
виртуален
/virəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
вирус
noun
  1. 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
    риба
  2. 2. het vlees van een vis
    1. рибешко месо
    2. риба
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
орел рибар
noun
1.
вискоза
noun
1. stroperigheid van een vloeistof of gas
вискозитет
noun
1. de wijze waarop men zaken beoordeelt of beschouwt
мнение
/vizi'ɣotis/
adjective
1.
вестготски
noun
1. een droombeeld
виде́ние
adjective
визионер
noun
визи́та
noun
1. naamkaartje
визитна картичка
noun
1. vlechtwerk van touw om zeedieren te vangen of in water te bewaren
риба́рска мре́жа
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
Ри́би
noun
1. iemand die beroepsmatig vist
риба́р
/vizyʋel/
adjective
1. betreffende het zicht, betreffende het zienbare
визуален
noun
ви́за
noun
1. een stof die het lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft, maar niet of bijna niet door het lichaam zelf aangemaakt kan worden en derhalve in voldoende mate via voedsel of supplement ingenomen moet worden
витами́н
noun
  1. 2. klep aan een hoofddeksel
    забра́ло
  2. 1. een richttoestel op de loop van een vuurwapen
    ме́рник
  3. 1. minister of hoog staatsdienaar
    вези́р
pronoun
1. Nederlands zoals dat in Vlaanderen gesproken wordt
фламандски
pronoun
1. Belgische provincie
Фламандски Брабант
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
сойка
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
  1. Фламандия
  2. Фландрия
/vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
  1. флаг
  2. знаме
noun
1. een slinger van vlaggen
фал
noun
флагщо́к
/ˈvlɑɣəˌsxɪp/
noun
1. schip waarop zich de bevelvoerder over een vloot of eskader bevindt
[[фла́гмански]] [[ко́раб]]
noun
1. bepaald soort vis, Thymallus thymallus
липан
/vlɑk/
adjective
1. zonder bergen of dalen
равен
noun
1. gebied met weinig of geen hoogteverschillen
равнина́
noun
1. kleinste vorm van vuur
пламък
/'vlamɪŋ/
noun
1. een inwoner van Vlaanderen of iemand afkomstig uit Vlaanderen
фламандец
verb
1. met heldere vlammen branden
пламвам
noun
лен
noun
1. een gebonden pluk haar
плитка
/ˈvlɛx.tə(n)/, /ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
плета́
noun
1.
кошничарски изделия
noun
1. klein vliegend zoogdier
  1. прилеп
  2. прилепи
noun
  1. 1. spierweefsel van bepaalde organen
  2. 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
месо
noun
1. een vleesetend dier
месояден
noun
1. dorswerktuig
бухалка
verb
1. (onoprechte) complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen
лаская
adjective
1. te vriendelijk
ласкателен
noun
1. een vieze plek
петно
noun
1. een hoeveelheid gasvormige substantie die men ruikend waarneemt
лъх
noun
1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
крило
/'vlidə(n)/
verb
2. formeel: snel weg trachten te komen, vluchten
изчезвам бързо
/vlix/, /vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
  1. муха
  2. муха́
noun
1. een militair vliegveld
възду́шна ба́за
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
самолетоносач
/ˈvli.ɣə(n)/, /ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
ле́тна
noun
1. Lucanus cervus, een kever uit de familie vliegende herten
бръ́мбар рога́ч
noun
1. benaming voor zeevissen uit de familie Exocoetidae
летяща риба
noun
1. bepaald soort paddenstoel, Amanita muscaria
червена мухоморка
noun
6. iemand die vliegt
летец
/ˈvlixtœːx/, /ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
  1. самолет
  2. авион
noun
самоле́тен режи́м
/ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
аеродру́м
noun
1. sneldraaiend wiel met grote massa
махови́к
noun
бъз
/'vlirbɛs/
noun
1. bessen van de gewone vlier
бъз
noun
мансарда
noun
бъз
noun
1. dunne laag op een oppervlak
филм
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
пеперуда
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
бълха
noun
1.
при́ливна вълна́
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
те́чен
/ˈvlujə(n)/
verb
1. zacht stromen
тека
adjective
2. zonder haperingen een taal kunnen spreken
свободен
noun
2.
попива́телна
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
течност
noun
1. bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
кле́тва
verb
1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
псу́вам
/vlur/
noun
под
noun
1. een samenhangend hoopje van sneeuw of andere lichte stof
люспа
adjective
1.
люспест
noun
би́тпаза́р
/vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
парк
noun
1. een drijvende constructie
сал
noun
1. het zich door luchtruim bewegen
летене
/'vlɵxtəlɪŋ/
noun
1.
бежане́ц
/vlɵxtə(n)/
verb
1. (onovergankelijk) trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
бягам
adjective
1. gemakkelijk in damp overgaand
летлив
noun
1.
номер на полета
pronoun
1. wereldwijde organisatie waarin alle landen kunnen samenwerken
ОО́Н
noun
ле́ксика
noun
1. de vijfde naamval waarin een naamwoord staat dat aanduidt tot wie het woord wordt gericht
зва́телен
/vɔxt/
noun
1. water dat iets doordrenkt of als damp aanwezig is.
влажност
adjective
вла́жен
noun
1. de mate van vocht
вла́га
verb
1. van voedsel voorzien
ям
noun
храна
/vudərə(n)/
verb
1. voedsel verschaffen aan dieren
храня
noun
1. toevoeging aan voeding
хранителни добавки
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
храна
/ˈvuxʋoːrt/
noun
съюз
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
опи́пвам
verb
  1. 2. kleding aan de binnenkant van een isolerende laag voorzien
    облицовам
  2. 4. een kind eten in de mond stoppen
    храня
  3. 3. dieren te eten geven
    храня́
/ˈvuː.rɪŋ(g)/, /ˈvuː.rɪŋ/
noun
1. de binnenbekleding van een voorwerp
облицовка
/ˈvuːrtœx/, /ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
превозно средство
noun
  1. 1. voortzetting van het been beneden de enkel
    1. стъпало
    2. стъпа́ло
  2. 3. oude lengtemaat
    1. стъпало
    2. фут
/ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
  1. футбол
  2. футбо́л
noun
футболно игрище
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
пешеходец
/'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
пъте́ка
noun
стъ́пка
noun
шум от стъпки
noun
1. een onderstel voor o.a. beelden en vazen
пиедестал
noun
1. de onderzijde van de voet
ходило
/ˈvoːɣəl/, /ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
  1. птица
  2. пти́ца
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
птицечовка
noun
врабчови чревца
noun
1. manshoge pop
плашило
pronoun
1.
Войводина
/vɔl/, /vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
пъ́лен
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
волапюк
verb
1. geheel uitvoeren
извършвам
adjective
1. niet langer geplaagd door gevoelens van behoefte of verlangen
дово́лен
verb
1. een eis vervullen
задоволявам
indefinitePronoun
1. toereikend, genoeg
доста́тъчен
/vɔl.ˈdu.nɪŋ(g)/, /vɔɫ.ˈdu.nɪŋ/
noun
1. tevredenheid
задово́лство
/'vɔlɣəlɪŋ/
noun
1. iemand die een -vaak godsdienstig- leider volgt
после́довател
/'vɔlxə(n)/
verb
1. achterna gaan
сле́двам
adjective
1. dat later komt
другият
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
според
adjective
1.
податлив
/vɔlk/
noun
1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
народ
pronoun
Общество на народите
noun
1. internationaal privaat- en publiekrecht
междунаро́дно пра́во
noun
геноцид
noun
1. brood van meel met zemelen
пълнозърнест хляб
noun
1. tarwe met zemelen en kiem
пълнозърнест пшеничен
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
национален химн
noun
1.
рефере́ндум
noun
народна република
/'vɔlkstɛlɪŋ/
noun
1.
преброяване на населението
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
пълнолу́ние
adverb
1. zonder iets ongedaan te laten
пълен
noun
1. spel
волейбол
/vɔlˈmaːkt/
adverb
1. zonder enig gebrek
безупречен
verb
1. overvol maken door er nog iets bij te duwen
наблъсквам
verb
натъпквам
verb
  1. 1. helemaal vullen
  2. 2. heel veel eten
натъпквам
noun
волт
noun
1. spanningmeter
во́лтме́тър
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
минало причастие
noun
  1. аорист
  2. минало свършено време
noun
1.
бъдеще предварително време
noun
  1. минало предварително време
  2. плусквамперфект
verb
1. ten einde brengen
довършвам
noun
постиже́ние
noun
  1. 3. fysieke informatiedrager
    [[си́ла]] на звук
  2. 1. ruimtelijke capaciteit
    обем
/volymi'nøs/
adjective
1.
обемист
adjective
1. een leeftijd bereikt hebbend waarop men volgroeid en onafhankelijk kan zijn
въ́зрастен
noun
1. iemand die volgroeid is
въ́зрастен
noun
1. een tot een volledige zin geordende taaluiting van redelijk grote omvang
изрече́ние
noun
подхвърлено дете
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
искра
noun
1. Haïtiaanse religie
вуду
/voːxt/
noun
1. belangenbehartiger van minderjarige
насто́йник
noun
1. belangenbehartiging van minderjarige
опека
/vor/
preposition
  1. 7. ten behoeve van, ten gunste van
    за
  2. 4. eerder in tijd
    1. преди
    2. пред
adverb
отпред
adjective
1. gezaghebbend
виден
/vo:ɾ.ɑl/
adverb
  1. 1. voornamelijk
  2. 2. als het voornaamste of als zeer gewichtig
осо́бено
noun
1. iets ter navolging
пример
adjective
1. van iets dat het zorgt dat iets vervelends of iets dat ongewenst is niet gebeurd
профилактичен
/ˈvor.bə.rɛɪ̯.dɪŋ(g)/, /ˈvor.bə.rɛː.dɪŋ/, /ˈvo̝r.bə.rɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het voorbereiden
подгото́вка
adjective
1. wat al in het verleden ligt
покрай
/ˈvorbodə/
noun
1. vooruitgestuurde bode (letterlijk)
предвестник
noun
1. doorwaadbare plaats
брод
noun
  1. 1. profijt
  2. 2. aangename eigenschap
  3. 3. (tennis)
преди́мство
noun
1.
предна палуба
/ˈvoːrˌdrɪ.ŋə(n)/
verb
пререждам
noun
1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
предше́ственик
noun
1. eerste, meestal lichte gang van een maaltijd
предястие
verb
1. voorwenden
[[да́вам]] вид
noun
интуиция
adverb
завинаги
noun
[[кова́шки]] чук
/vɔːr.'ɦɑn.də(n)/
adjective
1. beschikbaar, voorradig
наличен
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
  1. чело
  2. чело́
noun
1. voorhuid van penis
препуциум
/vorɪ'nxənomə(n)/
adjective
1.
предубеден
noun
1. de lente
про́лет
/vorkɑnt/
noun
1. een van de zijden van een voorwerp, namelijk dewelke naar voren gericht is
фаса́да
noun
предвиждане
/ˈvoːrkør/
noun
1. de neiging tot kiezen van het één boven het ander
и́збор
/'vɔːr.ko.mə(n)/, /vɔːr.'ko.mə(n)/
verb
  1. 1. met regelmaat ergens te vinden zijn
    срещам се
  2. 1. ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
    попречвам
verb
1. hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
прочета́
noun
1. iets wat of iemand die eerder was
предвестник
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
име
/ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
местоимение
adverb
1. in hogere mate
главно
verb
1. vooraf voor waar aannemen van een stelling om hiermee tot een conclusie te komen
приемам за дадено
noun
предразсъ́дък
noun
1. iemand van wie afgestammen wordt
праоте́ц
/ˈvɔːrˌraːt/
noun
1. wat voor later gebruik wordt opgeslagen
запас
noun
предимство
noun
привиле́гия
noun
1. glazen vlak aan de voorkant van een voertuig dat zorgt voor zicht op de weg en bescherming tegen weer en wind
пре́дно стъкло́
noun
1. een vervroegde betaling op het loon
аванс
noun
реце́пта
/'vɔːrsxrɛɪvə(n)/
verb
1. een schriftelijke opdracht geven
давам предписание
noun
  1. 3. liefdesspel als opmaat voor seks
    любовна игра
  2. 1. voorbereidende inleiding
    прелюдия
adjective
1. van tevoren te verwachten
предсказуем
noun
1. de mate waarin het mogelijk is betrouwbare voorspellingen te doen
предвиди́мост
verb
1. een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
предричам
noun
благоденствие
/'vorsprɔŋ/
noun
1. de mate waarin men verder gevorderd is dan anderen
фалстарт
noun
1. iemand die voor iets is
привърженик
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
предложе́ние
verb
  1. 1. een plan voorleggen
    предла́гам
  2. 2. een beeld geven
    представям
noun
  1. 1. signaal dat aan een gebeurtenis voorafgaat
    поличба
    1. 2. plus- of minteken voor een getal
    2. 3. symbolen aan het begin van een notenbalk
    предзнаменование
verb
1. geleidelijk verder verlopen
напредвам
noun
1. het voortzetten van iets
продължение
noun
  1. 1. het proces van technologische en economische groei van een samenleving
  2. 2. een proces van verbeteringen
напре́дък
noun
1.
предци
noun
1. iemand die ergens een voorstander van is en zich daarvoor actief inzet
защи́тник
/ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
представка
noun
1. omstandigheid die noodzakelijk is of gemaakt wordt wil iets anders plaats of...
усло́вие
/vorˈʋardələkə ˌʋɛːs/, /vorˈʋardələkə ˌʋɛːɪs/
noun
1. de modus waarin een werkwoord gebruikt wordt als gedaan zou worden
условно наклонение
noun
1. een object, iets dat fysiek bestaat
предмет
noun
пре́дговор
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
предлог
/vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
внима́телен
/vɔːr.'zin/
verb
  1. 1. herkennen als toekomstige ontwikkeling
    предвиждам
  2. 2. beschikbaar maken, voorzorgen treffen voor
    снабдявам
noun
лице
verb
1. leiding geven aan een vergadering
председателствам
noun
1. hoofd van een bestuur, leider van een vergadering
председа́тел
noun
предпазна мярка
/'vɔː.rə/
noun
1. ploegsnede
бразда́
indefiniteOrdinalNumeral
1. degene die of datgene dat eerder een positie innam
предишен
noun
  1. 3. bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork)
    вила
    1. 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
    2. 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
    вилица
  2. 1. aftakking van een boomtak of van een weg
    1. вилица
    2. ви́лица
noun
1. ruimtelijke begrenzing van een voorwerp
вид
verb
  1. 1. in de juiste vorm brengen
  2. 2. deel uitmaken van, fungeren als bouwsteen van
оформям
noun
1. een sacrament waardoor een gedoopte de kracht van de Heilige Geest ontvangt om zijn geloof standvastig te kunnen belijden
конфирма́ция
/vɔrst/
noun
2. weersomstandigheden
мраз
noun
1.
княжество
adjective
1. van het weer dat het koud en vriezend is
мразовит
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
  1. лисица
  2. лиси́ца
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Малка лисица
noun
1. bepaald soort plant, Vaccinium vitis-idaea
Червена боровинка
/vra:x/, /vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
  1. въпрос
  2. пи́тане
noun
1. een gesprek waarin iemand een aantal vragen beantwoordt
интервю́
noun
1. een leesteken (?) dat men aan het eind van een zin plaatst om deze vragend te maken
въпросителен
noun
лакоми́я
/vrɑxt/, /vrɑχt/
noun
1. de lading van een vervoermiddel
[[ко́рабен]] [[това́р]]
/ˡvrɑxtɑuto/
noun
1. een auto voor goederenvervoer
камион
noun
1.
товарителница
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
това́рен ко́раб
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
камион
/ˈvraɣə(n)/, /ˈvraχə(n)/
verb
  1. 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
    1. моля
    2. мо́ля
  2. 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
    1. питам
    2. пи́там
noun
1. en voornaamwoord gebruikt voor het inleiden van een vraagzin en soms een inhoudsbijzin
въпросителнo местоимениe
noun
1. ontbreken van oorlog
мир
noun
1.
ми́рно вре́ме
/ˈvre.dəx/, /ˈvre.dəχ/
adjective
1. onverstoord door geschil of onrust
ми́рен
adjective
ми́рен
adjective
1. van buiten, niet van hier
чужд
noun
1.
ксенофо́бия
noun
1. het gevoel dat iets gevaarlijk is of kan zijn
страх
verb
1. het nuttigen van voedsel op een meestal onbeleefde wijze
тъпча се
noun
1. een blij gevoel
радост
/ˈvrezə(n)/
verb
1. bang zijn, angst hebben
боя́ се
noun
1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
приятел
adjective
1. met het nodige respect
любезен
noun
  1. 2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
    прия́телка
  2. 1. een vrouwelijk persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
    приятелка
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
  1. приятелство
  2. дружба
/vrispʌnt/
noun
температура на замръзване
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
свободен
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
  1. петък
  2. пе́тък
noun
1.
свободомислещ
noun
2. vrijheid
во́лност
verb
1. liefde bedrijven
[[пра́вя]] [[любо́в]]
noun
1. een ongehuwde man of vrouw
бекя́р
/ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
свобода
verb
1. toestaan om uit gevangenschap weg te gaan
освободя́
noun
оправда́ване
noun
свободна държава
adverb
1. zo goed als, verwaarloosbaar weinig schelend ten opzichte van iets anders
  1. горе-долу
  2. почти
  3. приблизително
adjective
1. niet gedwongen
доброволен
/ˈvrud.vrɑu/
noun
1. een vrouw die een bevalling begeleidt
акушерка
adjective
  1. 1. aan het begin
  2. 2. eerder dan verwacht
преждевременен
adjective
1.
преждевременно развит
adjective
1. in goede stemming
весел
noun
1. een aangename stemming waarin men veel lacht, zich goed voelt en het leven optimistisch bekijkt
веселие
noun
1.
набожност
noun
  1. 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
    жена
  2. 1. een volwassen vrouwelijke mens
    1. жена
    2. жена́
adjective
  1. женски
  2. женски род
noun
женомра́зец
noun
1. een man die veel vrouwen verleidt
донжуан
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
плод
/'vrɵɣbar/
adjective
  1. 2. tot resultaat leidend
    плодовит
  2. 1. in staat vrucht af te werpen
    плодороден
/ˈvrʏxtə(n)ˌsɑp/, /ˈvrʏχtə(n)ˌsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
плодов сок
noun
1. wijn van vergist sap van andere vruchten dan druiven
плодово вино
noun
1.
право на ползване
/vœy̯l/
adjective
1. niet schoon
мръсен
/vœy̯l/
noun
viezigheid, onreine materie
мръсоти́я
noun
1. voorwerp waarop men vuil kan vegen
лопа́тка
noun
1. materiaal dat weggeworpen wordt
боклу́к
/'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
[[ко́фа]] за [[боклу́к]]
noun
1. grote plastic zak voor huisvuil
торбичка за боклук
noun
1. gebalde hand
  1. юмрук
  2. пестник
adjective
вулгарен
noun
  1. bулкан
  2. вулкан
noun
1. de vaak explosieve activiteit waarmee in een vulkaan opgebouwde spanningen zich ontladen
вулкански избув
verb
вулканизирам
noun
1. natuurlijke processen
вулканизъм
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
вулканология
verb
1. vol maken
запълвам
noun
het materiaal waarmee iets opgevuld is
пълнеж
/ˈvʏl.pɛn/, /ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
автомати́чна писа́лка
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
ву́лва
/vy.rə(n)/
verb
1. schoten lossen
стрелям
adjective
горещ
/vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
  1. огън
  2. о́гън
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
Огнена земя
noun
1.
кремък
/ˈvyːrtɛmˌpəɫ/
noun
1. heiligdom waarin een eeuwigbrandend vuur onderhouden wordt.
храм на огъня
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
  1. фар
  2. морски фар
noun
1. een wapen dat een kogel schiet met behulp van een chemische ontploffing
огнестре́лно оръ́жие
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
фойерверк
noun
1. iemand die veel durft
гидия
/'ʋajə(n)/
verb
1. plaatsvinden van een sterke luchtstroming
ве́я
noun
1. scherm in halve schijfvorm
ветрило
verb
1. een waaier gebruiken
махам
/ˈʋakɦɔnt/
noun
1. een hond die het huis of een erf bewaakt
пазител
adverb
1. oplettend
бдителен
noun
1. oplettendheid
бдителност
/wal/
noun
(demoniem) 1. bewoner of iemand die afkomstig is uit Wallonië
Валонски
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
валонски
pronoun
1. Belgische provincie
Вало́нски Браба́нт
noun
1. het lijden aan een geestesstoornis
безу́мие
adjective
душевнобо́лен
/ʋar/
adjective
1. correct
  1. истински
  2. верен
  3. достоверен
  4. правилен
  5. точен
/ʋar/
adverb
1. op welke plaats
  1. къде
  2. где
  3. където
  4. закъде
/ʋar/
noun
1. koopwaar, te verhandelen goederen
стока
verb
гара́нт
/ʋaːrt/
adjective
1. in geld uitdrukbaar
равностоен
/ʋaːrt/
noun
A 1. baas van een herberg, taveerne of café
достоен
noun
стойност
/ˈʋardəˌlos/
adjective
1. geen waarde hebbend
без стойност
/'wardəordel/
noun
1.
съждение
noun
1. het hechten van een waarde aan iets of het tonen daarvan
благодарност
/'ʋardəˌvɔl/
adjective
1. een grote waarde hebbend
це́нен
noun
1. dat wat waar is
истина
adverb
1. echt, volgens de waarheid
искрено
verb
1. iets via de zintuigen in zich opnemen
възприе́ма
noun
  1. 1. iemand die iets waarneemt
  2. 3. een persoon die aanwezig is bij een gebeurtenis om de gang van zake in de gaten te houden
наблюдател
noun
1. iets via de zintuigen registreren
наблюде́ние
/ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
  1. защо
  2. защо́
adverb
къде
adjective
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
вероятен
adverb
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
вероя́тно
/ˈʋaːrsxyu̯ə(n)/
verb
1. iemand verwittigen dat er mogelijke gevaren, problemen of gevolgen zijn
предупреждавам
adjective
1. wijzend op een gevaar of nadeel
предупредителен
/'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
предупреждение
noun
1. een schot ter waarschuwing
предупредителен изстрел
noun
  1. 1. nevelsluier
    мътност
  2. 2. mat, witachtig laagje op sommige fruitsoorten
    пух
/ˈʋɑx.tə(n)/, /ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
чакам
noun
1. ruimte of vertrek voor wachtenden, bijvoorbeeld bij een arts of op een station
чака́лня
/ˈʋɑxtlɛɪst/
noun
1. een lijst met wachtenden
списък с чакащи
noun
1. een aantal elementen die in een bepaalde volgorde op een gebeurtenis wachten
опашка
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
паро́ла
pronoun
1. een binnenzee die aan de ene kant grenst aan de Waddeneilanden en de Noordzee en aan de andere kant begrensd wordt door het vasteland van Nederland, Duitsland en Denemarken
Ваденово море
verb
1. door ondiep water lopen
газя
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
дрезгав лай
noun
1. plat gebak dat vervaardigd wordt in een wafelijzer
вафла
noun
1. een toestel waarin wafels gebakken worden
гофретник
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
noun
2. een auto
автомобил
/ʋa'ɣɔn/
noun
1. een voertuig dat deel uitmaakt van een trein
вагон
adjective
1. niet in slaap
буден
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
  1. Уелс
  2. Уе́лс
pronoun
1. een speciale hemel in de Noorse mythologie, voorbehouden voor de gesneuvelden in de strijd
Валха́ла
noun
вид дребно кенгуру
/ʋɑˈlonɪə/
pronoun
Валония
/wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
  1. морж
  2. моржови
noun
4. dans
валс
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
кит
/ʋɑnt/
noun
стена
noun
1. een misdaad, een slechte of gruwelijke handeling
безчинство
/ˈʋɑn.də.ˌlar/, /ˈβ̞ɑn.də.ˌlar/
noun
1. iemand die buitenshuis een stuk loopt
пешеходец
/ˈʋɑn.də.lə(n)/, /ˈβ̞ɑn.də.lə(n)/
verb
1. een wandeling maken
разхо́дя се
/ˈʋɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het lopend afleggen van een bepaalde afstand
разхо́дка
noun
1.
креватна дървеница
noun
1.
гоблен
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
буза
noun
1. een slecht en lelijk mens of dier
чудовище
/ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
безнаде́ждност
verb
губя надежда
verb
1. onvast op de voeten staan, dreigen te vallen
залитам
/ˈʋɑŋkəɫˌmotɔr/
noun
1. een verbrandingsmotor die niet met heen en weer gaande zuigers werkt, maar met een roterende zuiger.
Ванкелов двигател
/ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
кога
verb
1. graan zuiveren van kaf door het in de wind op te werpen of te laten vallen
ве́я
noun
1. het niet nakomen van een overeenkomst
нарушение на договор
adjective
1.
крещящ
/ʋɑnt/
conjunction
1. geeft nevenschikkend een reden aan
защо́то
/ʋɑnt/
noun
2. scheepvaart
ванта
verb
1. niet vertrouwen
недоверие
/ˈʋaːpən/
noun
  1. 2. een wapenschild
    герб
  2. 1. een werktuig van geweld
    1. оръжие
    2. герб
noun
1.
брат по оръжие
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
примирие
noun
надпрева́ра във въоръжа́ването
noun
канадски елен
/'wɑrbul/
noun
1.
бъркотия
noun
1. een grote winkel die een uitgebreid assortiment aan goederen verkoopt
универса́лен магази́н
/ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
топъл
noun
  1. 1. de mate waarin het weer warm is.
  2. 2. de hoeveelheid thermische energie.
топлина
noun
1. het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht
когенерация
noun
1. een verwarmingsinstallatie die via mechanische arbeid warmte onttrekt aan een koude omgeving en deze toevoert aan een warmere omgeving
Топлинна помпа
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Варшава
/ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
  1. восък
  2. во́сък
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
  1. енот
  2. миеща мечка
noun
1. Nyctereutes procyonoides, een zoogdier en roofdier uit de familie Canidae
Енотовидно куче
noun
  1. geribbeld bord waarop men de was kan doen
  2. muziekinstrument
  3. onverharde weg met veel overdwarse ribbels
дъска за пране
noun
1. een toestel om de kleding die uit de wasmachine komt te drogen
сушилня
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
перална машина
noun
1. zeep in een vorm om kleding en ander textiel in water te reinigen
  1. детергент
  2. перилен препарат
/'ʋɑsə(n)/
verb
    1. 3. groeien
    2. 4. in de was zetten
    восъчен
  1. 1. iets schoonmaken
    измивам
noun
1. een plaats waar men kleding en textiel kan (laten) wassen (zonder personeel)
пералня на самообслужване
/'wɑspɛlt/
noun
1.
щи́пка
noun
1. een bak waarin men zich of iets wast
умивалник
/ʋɑt/
interrogativePronoun
vragend voornaamwoord
какво́
phraseologicalUnit
1.
  1. Как се казвате?
  2. Как се казваш?
adjective
1. & 2.
воден
noun
1. een bed waarvan het matras gevuld is met water
водно легло
noun
1. Bubalus bubalis, een tot de runderen behorend trekdier...
индийски бивол
noun
водна пара
adjective
1. ondoordringbaar voor water
водонепроницаем
noun
горчивче
/ˈʋaːtərən/
verb
  1. 3. waterachtig vocht afscheiden
    пикая
  2. 1. urine uitscheiden
    уринирам
noun
1. een vaartuig met een aandrijving zoals op fietsen waarmee men zich over het water kan voortbewegen door middel van het trappen op pedalen
во́дно колело́
noun
1.1 bepaald soort watervogel, Gallinula chloropus
зеленоножка
adjective
2. uitziend alsof men tranen in de ogen heeft
воднист
noun
1. een dier dat behoort tot een van honderden soorten van de Coenagrionidae
водно конче
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Rorippa
кресон
noun
кран на чешма
noun
1. een leidingnetwerk om drinkwater vanuit een waterreservoir naar de verbruiker te vervoeren
водоснабдяване
/ˈwatərˌlɛin/
noun
2. de grens tussen onderwaterschip en bovenwaterschip
ватерлиния
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
Водоле́й
/ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
  1. диня
  2. карпуз
  3. любеница
noun
воден знак
noun
водомер
noun
2. een molen die door stromend water aangedreven wordt
водени́ца
noun
1. een werktuig dat gebruikt wordt om zeker te stellen dat iets loodrecht op de richting van de zwaartekracht komt te staan
  1. либела
  2. нивелир
  3. терезия
noun
водно пипериче
noun
наргиле́
noun
водно растение
noun
2. goedaardige infectieziekte die gepaard gaat met het verschijnen van rode vlekjes op de huid die daarna overgaan in jeukende blaasjes
варицела
noun
1. een balsport waarbij twee ploegen van zeven spelers elkaar in het water bestrijden
водна топка
noun
1. een schoepenrad dat draait door de stroming van het water
водно колело
noun
1. bepaald soort watervogel, Rallus aquaticus
креща́лец
noun
водно шаварче
noun
1. in Nederland en Vlaanderen voorkomende soort waterjuffer, Enallagma cyathigerum
синьогръдо пъстриче
noun
1. Argyroneta aquatica, middelgrote spin die in stilstaande wateren leeft
воден паяк
noun
1. bepaald soort bruine, bolle vogel met witte borst, Cinclus cinclus
во́ден кос
/ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
  1. водород
  2. водоро́д
noun
1. een atoom van het chemisch element waterstof.
водороден атом
noun
водородна връзка
noun
1. middel dat gebruikt kan worden om te bleken, als desinfectiemiddel of als verbrandingshulp (in raketten)
кислоро́дна вода́
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
водопад
noun
1. een vliegtuig dat kan opstijgen en landen op het water
хидроплан
noun
водоснабдяване
noun
бяс
noun
1. plukje watten bevestigd op een houten of plastic stokje, gebruikt voor bepaalde medische doeleinden...
клечка за уши
/ʋese/
noun
1. toilet
WC
verb
1. geld wagen op een toekomstige gebeurtenis
обзалагам се
noun
бас
noun
1.
възраждане
noun
възвратно местоимение
noun
1. een werkwoord waarbij de handelende persoon tevens het voorwerp van de handeling is
възвратен глагол
adjective
реципрочен
/ˈwedərˈvɛrkop/
noun
1. de inkoop van waren in 't groot en de verkoop van deze waren in 't klein
препрода́жба
verb
състезавам се
noun
1. wedstrijd waarbij het erom gaat een bepaald traject of parcours zo snel mogelijk af te leggen
надбя́гване
noun
1. een strijd van twee of meer personen om uit te maken wie op een bepaald gebied de beste is
ко́нкурс
/ˈʋeːdyʋə/
noun
vrouw
вдовица
/'ʋedyʋnar/
noun
man
вдове́ц
/ʋeː/
noun
1. pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt
контракция
/ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
тъка́чен стан
noun
  1. 1. een dunne geweven stof of textiel
  2. 2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
тъкан
noun
1. vrouw die lappen textiel maakt door te weven
тъка́ч
noun
живо́вляк
pronoun
teken van de dierenriem van 23 september to 23 oktober
Везни́
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
Везни
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
седмица
/'ʋekblɑt/
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
седмичник
noun
мекотело
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
събота и неделя
/ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
уикенд
/'ʋeldə/
noun
1. omstandigheden van overvloed waar men in leeft
изоби́лие
noun
1. gevoel van treurnis, verdriet, nostalgie
меланхолия
/weːr/, /ʋɪːr/, /β̞eːr/
noun
1. atmosferische gesteldheid
  1. време
  2. вре́ме
noun
1. bericht of mededeling over de toestand van het weer
прогноза за времето
noun
ехтене
noun
зъбец
/'ʋɪːrɦan/
noun
ветропоказател
verb
1. door elastische botsing van richting veranderen
отразявам
noun
  1. 1. het weerkaatsen
  2. 2. datgene wat weerkaatst wordt (licht, beeld, warmte of geluid)
отражение
verb
ехтя
noun
метеорология
verb
1. een eerdere bewering ontkrachten
опровергавам
noun
1. een betoog waarmee men iets weerlegt
опровергаване
noun
синоптик
noun
синоптичка
verb
1. stand houden, weerstand bieden aan
издържам
noun
  1. 3. een elektronica-onderdeel
    резистор
    1. 1. een reactie die poogt een bepaalde actie tegen te werken
    2. 2. de tegenstand die een stroom in een geleider ondervindt
    резисторът
noun
прогно́за за вре́мето
noun
прогно́за за вре́мето
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
върколак
adjective
1. waar je een weerzin tegen hebt
отвратителен
/ʋes/
noun
сирак
/ˈʋeshœʏs/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
сиропита́лище
/ʋɛχ/, /β̞ɛx/
noun
1. smalle strook grond voor het verkeer
път
verb
1. geleidelijk afnemen, verdwijnen
спадам
/ˈʋeχə(n)/, /β̞eɣə(n)/
verb
  1. 1. het gewicht/de massa bepalen
  2. 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
претегля
/ˈʋeːɣəns/, /ˈʋeːχəns/
preposition
1. een reden inleidend
заради
/ˈwɛ.ɣaːn/, /ˈʋɛ.χan/
verb
  1. 3. uit een relatie stappen
    зами́на
  2. 1. zich ergens vandaan begeven
    тръгвам
verb
1. afstand nemen van iets door het aan iemand te geven
подарявам
verb
1. van zijn plaats halen
отстранявам
verb
1. te midden van andere informatie iets niet insluiten
не включвам
verb
2. iemand of iets verlaten (al dan niet lopend)
офейквам
noun
1. kind dat het ouderlijk huis tegen de wil van de ouders verlaar
беглец
/ʋɛɪ/
noun
  1. 1. een stuk grasland voor begrazing door vee
    ливада
    1. 2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
    2. 3. bloedplasma
    суроватка
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
Висла
noun
лива́да
noun
1.
поясно ромолниче
/'ʋɛɪfələ(n)/
verb
1. in besluiteloosheid niet tot handelen overgaan
двоумя се
verb
1. niet voldoen aan een verzoek of opdracht
отказва
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
о́тказ
/'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
па́сбище
pronoun
Ваймарска република
/ˈwɛɪ̯nɪx/, /ˈʋɛɪ̯nəχ/, /ˈβ̞ɛːnəx/
noun
  1. 1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
  2. 2. in een klein aantal
ма́лко
/ˈwe.kə.lɪks/, /ˈʋe.kə.ləks/, /ˈβ̞e.kə.ləks/
adverb
1. elke week
ежесе́дмично
/ˈwe.kə(n)/, /ˈʋe.kə(n)/, /ˈβ̞e.kə(n)/
verb
1. door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
кисна
verb
1. wakker maken
събуждам
/ˈʋɛkər/
noun
1. een apparaat dat gebruikt wordt om de tijd bij te houden en een functie heeft die veel geluid produceert op een ingestelde tijd
буди́лник
noun
1. de kunst om iets goed te kunnen verwoorden
красноречие
noun
благоде́тел
adjective
1. financieel goed gesitueerd
бога́т
/ʋɛlk/
relativePronoun
кой
/ˈʋɛɫkɔm/
adjective
1. gewenst zijn te blijven
прием
/ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
  1. добре дошъл
  2. добре дошли
/ʋɛˈlɪxt/
adverb
1. mogelijk, misschien
белки
pronoun
1. hoofdstad van Nieuw-Zeeland, gelegen op het Noordereiland
Уе́лингтън
noun
1.
по́хот
/wɛlp/
noun
1. jong van hond, wolf, leeuw e.d.
кутре
adjective
1.
ароматен
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
уелски
verb
преуспе́я
adjective
1.
благоразполо́жен
noun
1. het welwillend zijn
благосклонност
/'wɛlzɛin/
noun
1. wanneer een individu of maatschappij zich in een goede toestand bevindt ...
благо
noun
1. het gemak waarin iets of iemand van richting kan veranderen
подвижност
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
Виена
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
вежда
verb
сви́кам
/ʋεns/
noun
жела́ние
adjective
1. wat men zou wensen
желан
/'ʋɛnsən/
verb
жела́я
/ˈweː.ʁəlt/, /ˈʋɪː.rɔɫt/, /ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
свят
noun
1. een kaart van het oppervlak van de aarde in de vorm van een bol
зе́мно кълбо́
noun
1. geheel van activiteiten die de mensheid onderneemt om schaarste op te heffen
световна икономика
/xxxx/
noun
1. uniek en als collectief bezit beschouwd cultureel of natuurlijk erfgoed
световно наследство
pronoun
Световна здравна организация
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
Световна търговска организация
adjective
1. betrekking hebbend op deze wereld, in tegenstelling tot met name het hiernamaals of de kerk
ми́рски
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
световна война
noun
1. een tentoonstelling waaraan landen uit de wereld aan kunnen deelnemen
Световно изложение
adjective
1. onbekend buiten de eigen leefruimte
наивен
adjective
по целия свят
noun
1. elk van de grootste zeeën van de aarde
океа́н
/wɛr(ə)f/
noun
1. een scheepswerf
корабостроителница
/ʋɛrk/
noun
  1. 1. dat wat gedaan moet worden
  2. 2. beroep
работа
noun
1. werkbank
ра́ботна ма́са
noun
1. niet vruchtbare vrouwelijke bij
пчела-работничка
noun
1 een dag waarop gewerkt wordt
делник
adjective
1. niet verbeeld
истински
/'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
действи́телност
/ʋɛrkən/
verb
1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
работя
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
работодател
/ˈʋɛrkrɑxt/
noun
1. een persoon die gewoonlijk tegen betaling werk verricht
работоспособност
adjective
безработен
/wɛrkˈloshɛit/
noun
  1. 1. het werkloos zijn
  2. 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
безрабо́тица
noun
1. uitkering voor iemand die buiten zijn of haar schuld om werkloos is
помощ за безработица
noun
рабо́тник
noun
2. krachtige computer die men voornamelijk gebruikt voor applicaties die veel rekenkracht vereisen
рабо́тна ста́нция
noun
1. een stuk gereedschap om een taak eenvoudiger en/of lichter te maken
инструмент
noun
меха́ник
noun
1.
струг
noun
1. het resultaat van in stukken knippen van een taak of proces en het distribueren van die taken over...
разделение на труда
/ʋɛrkʋɛɩ̭zə/
noun
1. de manier waarop men te werk gaat
метод
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
глагол
adjective
1.
отглаголен
noun
3. bij honkbal
питчър
noun
верста
noun
1. bot van de wervelkolom
прешлен
noun
гръбначен стълб
noun
ви́хър
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
  1. оса
  2. оса́
noun
1.
осояд
/ʋɛst/
adverb
запад
pronoun
1. grootste van de Australische deelstaten, gelegen in het westen van het land
За́падна Австра́лия
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
За́падна Бенга́лия
pronoun
1.
За́паден Берли́н
pronoun
За́падна Герма́ния
pronoun
1. het westelijk deel van Europa
За́падна Евро́па
pronoun
1. een verzameling Vlaamse dialecten met typische kenmerken gesproken in West-Vlaanderen en een klein deel van Nederland en Frankrijk
Западнофламандски език
pronoun
1. Belgische provincie
За́падна Фла́ндрия
adjective
западен
pronoun
Западна Сахара
/ˈʋɛs.tə(n)/
noun
запад
/wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
закон
phraseologicalUnit
закон на Мърфи
/ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
зная
/'ʋetənsxɑp/
noun
  1. 2. georganiseerde activiteit
  2. 1. het weten van de mens
наука
/,ʋetən'sxapələk/
adjective
научен
/ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
у́чен
noun
1. het geheel aan wetten die in een land gelden
законода́телство
/wɛtɔu(d)ər/
noun
1. een lid van het dagelijkse uitvoerende bestuur van een Nederlandse gemeente
о́лдърме́н
noun
1. door de regering uitgaand voorstel tot wet
законопрое́кт
/ˈwɛtələk/
adjective
2. tot de wet behorend
законен
/'ʋɛtən/
verb
1. het aanscherpen van een mes op een wetsteen
възбуждам
/'ʋɛtəxhɛɪt/
noun
1. het in overeenkomst met de wet zijn
законност
/ˈweː.və(n)/, /ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
тъка
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
  1. невестулка
  2. невесту́лка
/ˈʋeː.zə(n)/
noun
  1. 2. aard
    съ́щина
  2. 1. individu
    създа́ние
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
уиски
noun
1. een glad, wit gekleurd metalen bord waarop men met behulp van een viltstift met uitwisbare inkt kan schrijven of tekenen en waarop men met een magneet voorwerpen kan klemmen
бя́ла дъска́
/wiː/, /ʋiː/, /β̞iː/
relativePronoun
  1. 1. vragend voornaamwoord
  2. 2. betrekkelijk voornaamwoord
кой
interjection
degene die aan het eind het beste uit de strijd komt is de daadwerkelijke winnaar
който се смее последен, се смее най-добре
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
лю́лка
/ˈwiɣə(n)/
verb
1. zachtjes heen en weer bewegen, gewoonlijk om een zuigeling in slaap te brengen
люлея
noun
1. ronddraaiende schijf
колело
/'wiː.lə.wal/
noun
1. zwart-gele zangvogel
авлига
noun
1. in water voorkomende vaatloze, plantachtige organismen
водорасло
/ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
тамян
/ʋit/
noun
1. een softdrug die bestaat uit gedroogde hennep
трева
noun
1. een metalen of houten voorwerp in de vorm van een driehoekig blok met een scherpe hoek van 5 to 20 graden
клин
noun
1. koepelvormig huis gebruikt door de Noord-Amerikaanse indianen
вигвам
/wɛɪ̯/, /ʋɛɪ̯/, /β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
ние
/wɛɪ̯d/, /ʋɛɪ̯t/, /β̞ɛːt/
adjective
широ́к
adverb
1.
с разкрачени крака
verb
1. geheel voor een bepaald doel bestemmen
посвещавам
adjective
1. overal aanwezig, vindbaar
обширен
/wɛɪ̯n/, /ʋɛɪ̯n/, /β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
  1. вино
  2. ви́но
noun
het verbouwen van druiven voor de productie van wijn
винарство
noun
1. een druif die wordt gebruikt om wijn van te maken
грозде
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om wijn uit te drinken
чаша за вино
noun
1.
марково вино
noun
1. een lijst waarop men de wijnen die te verkrijgen zijn in een restaurant, wijnhuis, enz... vermeldt in soorten, jaartallen en prijzen
меню с вина
noun
1.
еноте́ка
noun
  1. 1.
  2. 2.
бенка
/wɛɪ̯s/, /ʋɛɪ̯s/, /β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
мъ́дър
/wɛɪ̯s/, /ʋɛɪ̯s/, /β̞ɛːs/
noun
1. een melodie
настройвам
noun
1. de oudste wetenschap
философия
noun
1. gerijpt inzicht
мъдрост
noun
1. achterste kies van iedere kaakhelft van het volwassen gebit van een mens
мъдре́ц
noun
1. tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
показалец
/ˈʋɛi.tɪŋ/
noun
1. bepaald soort straalvinnige vis, Merlangius merlangus
меджит
noun
1. gewijd water
светена вода
noun
1. manier
начин
verb
показвам
noun
1. de plaat van een klok waarop de wijzers de tijd aangeven
цифербла́т
noun
1. een constructiesysteem voor internetpagina's waar, in het algemeen, iedereen alle pagina's kan wijzigen
уи́ки
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Уикипедия
verb
1. draaiend iets buigzaams rond een voorwerp aanbrengen
навивам
/ˈwikʃoˌnɛri/, /ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
Уикиречник
/ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
во́ля
adjective
3. onbeschaafd, bruusk
див
noun
  1. 1. dieren die niet onder menselijke beheersing zijn opgegroeid
  2. 3. vlees van een wild dier
ди́веч
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
дива свиня
noun
1. (onevenhoevigen) Equus africanus
диво магаре
noun
1. Lycaon pictus, een zoogdier en roofdier uit de orde Carnivora dat veel op een hond lijkt ...
Хиеново куче
noun
1.
мъжкарана
noun
1. een bosachtig gebied dat weinig door de mens geregeld is
пустош
noun
1. Salix sp.
върба
adjective
произволен
/ˈwɪləm/, /ˈʋɪləm/, /ˈβ̞ɪləm/
pronoun
  1. 1. een jongensnaam
    Вилхелм
  2. 2. spelwoord voor de letter w
    Уи́лям
/ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
  1. искам
  2. и́скам
noun
1. onvermogen om te handelen, ook al weet je wat je moet doen
безволевост
noun
мигла
/ʋɪnt/
noun
1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
  1. вятър
  2. вя́тър
noun
1. windas
лебе́дка
noun
  1. 3. bepaald soort karperachtige zoetwatervis, Leuciscus idus
    мъздруга
  2. 2. benaming voor slingerende planten met kegelvormige bloemen uit het geslacht Convolvus
    пове́тица
/ˈʋɪndə(n)/
verb
1. een draad of kabel draaiend op een as of klos aanbrengen
навивам
noun
вятърна енергия
adjective
1. weerstoestand waarbij er veel wind aanwezig is
ветрови́т
noun
ветропоказател
noun
1.
ви́хър
noun
1.
анорак
noun
1. molen die door de wind gedreven wordt
вятърна мелница
noun
1. een gebied waar windenergie gewonnen wordt met behulp van een aantal molens
вятърна ферма
noun
1. een groep bij elkaar geplaatste windturbines
вятърна ферма
noun
роза на компаса
noun
1.
заслон
noun
1. periode met geen of weinig wind
безветрие
noun
1.
ветропоказател
noun
1.
ветропоказател
noun
1. ronde open zak, meestal is de zak in het rood en wit, die de richting en de sterkte van de wind aangeeft
ветропоказа́телен ръка́в
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
магазин
noun
1. gebied of overdekte galerij waar meerdere winkels en horecazaken zijn gevestigd
търго́вски це́нтър
noun
магазинер
noun
1. een wagentje dat in winkels wordt gebruikt om tijdens het winkelen producten in te verzamelen
количка за покупки
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
победител
/ˈwɪnə(n)/, /ˈʋɪnə(n)/, /ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
1. als beste partij uit een wedstrijd komen
победя́
/ʋɪnst/
noun
1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde
печалба
/ʋɪntər/
noun
1. seizoen
  1. зима
  2. зи́ма
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus petrae
скален/зимен дъб
noun
1. klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,
oрехче
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
зимно слънцестоене
noun
1. een toestand van hypothermie en inactiviteit bij sommige warmbloedige dieren in de winter
хибернация
noun
зимно бърне
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
зимно слънцестоене
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
зимно слънцестоене
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
зимно слънцестоене
/ʋɪp/
noun
1. een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rust
карбалка
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
бизо́н
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
математика
/ʋɪsˈkʏndəx/
adjective
1. op wiskunde betrekking hebbend of er gebruik van makend
математически
noun
математи́к
adjective
капризен
noun
1. het op een onvoorspelbare manier steeds weer veranderen
непостоянство
/ʋɪsəl/
noun
1. speciale constructie in een spoorweg om een voertuig naar een ander spoor te leiden
стре́лка
noun
ре́сто
noun
wisselkoers
валутен курс
/'wɪsəlslɑx/
noun
1.
съчетано плуване
noun
1. wisselstroom
проме́нлив ток
verb
1. het niet meer laten bestaan van
изтривам
/ʋɪt/
adverb
1. kleur
  1. бял
  2. бяло
  3. бели
  4. бяла
/ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
  1. бял
  2. бяло
/wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
Беларус
/ˌwɪtˈrʏsɪs/, /ˌʋɪtˈrʏsis/, /ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
  1. белоруски
  2. беларуски
adjective
белезникав
noun
1. fijn tarwebrood
бял хляб
noun
1. een legering van goud en palladium
бяло злато
noun
1.
белота
noun
1.
ба́дана
noun
1. loof van met dat doel in het donker geteelde varianten van cichorei, Cichorium intybus var. foliosum
цикория
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
Велики Четвъртък
noun
1.
бяло джудже
pronoun
Бе́лият дом
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
бяло вино
pronoun
Бя́ло мо́ре
noun
1. (een) fijn tarwebrood
бял хляб
noun
1. en 2. (bladeren van) sluitkoolgewas dat lichtgroen tot wit van kleur is
бяло зеле
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
водка
/ˈʋudə/
noun
1. een gevoel van erge kwaadheid
гняв
verb
1. met veel geweld gaande zijn van een natuurverschijnsel
беснея
/'ʋudənt/
adjective
1. bijzonder boos
яростен
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
дрезгав лай
noun
1. iemand die woeker drijft
лихвар
noun
ли́хва
noun
1. klein, gravend, muisachtig knaagdier met stompe snuit
полевка
/ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
сряда
noun
1.mannetjeseend
паток
noun
1. een onherbergzaam gebied dat door niemand verzorgd wordt
пу́стош
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
  1. Пустиня
  2. пустиня
noun
1. titel voor bestuurder of legeraanvoerder in Slavische gebieden
войво́да
/ˈvɔɪ̯vɔtsxɑp/
noun
1. naam voor bepaalde bestuurlijke gebieden in Oost-Europa
войво́дство
noun
1. ronde pan die wordt gebruikt in de oosterse keuken, vooral om te roerbakken
уок
/ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
  1. вълна
  2. въ̀лна
/wɔlf/, /ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
вълк
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
волфрам
noun
беладона
noun
млечка
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
вълнест носорог
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
облак
/ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
небостъргач
/wɔlə(n)/
adjective
1. gemaakt van wol
вълнен
/wɔlˈvɪn/, /ʋɔlˈvɪn/
noun
vrouwelijke wolf
вълчица
pronoun
1.
Волиния
noun
во́мбат
/wɔnd/, /ʋɔnt/, /β̞ɔnt/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
рана
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
чу́до
noun
вундеркинд
/ˈwo.nə(n)/, /ˈʋo.nə(n)/, /ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
живея
noun
1. een doorgaans afgesloten constructie waarin men kan leven
жи́лище
noun
местожи́телство
noun
1.
жи́лище
/ʋoːrt/, /ˈʋʊːrt/, /ˈβoːrd/, /ˈβoːrt/
noun
    1. 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
    2. 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
    дума
    1. 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
    2. 2. belofte
    1. дума
    2. слово
/ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
  1. речник
  2. словар
/ˈʋɔːrdə(n)ˌlɛɪst/
noun
1. een lijst bestaande uit woorden
ре́чник
noun
ле́ксика
noun
1. categorie waarin bepaalde woorden naar gelang het grammaticale gebruik in onderverdeeld worden
част на речта́
noun
1. een vrouwelijk persoon die namens anderen spreekt
говори́телка
noun
1. volgorde van woorden in een zin
словоред
/ˈwɔrdə(n)/, /ˈʋɔrdə(n)/, /ˈβ̞ɔrdə(n)/
verb
2. gaan zijn, zich ontwikkelen tot
  1. случва се
  2. ставам
verb
1. doden door het dichtknijpen van de hals
удушавам
noun
1. het dichtknijpen van de hals
задушаване
noun
1.
работохоли́к
/ʋɔrm/
noun
1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
червей
adjective
1. door wormen aangevreten
червив
/ʋɔrp/
noun
  1. 2. het aantal jonge dieren dat een moederdier bij één dracht op de wereld zet
    коти́ло
  2. 1. de handeling van het werpen van iets
    хвърляне
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
  1. наденица
  2. колбас
  3. салам
verb
боря се
/ˈʋɔrtəl/
noun
    1. 2. Ondergronds gedeelte van een plant
    2. 3. Getal
    3. 4. Woord
    корен
  1. 1. Groente peen
    морков
/'wɔrtəlstɔk/
noun
1.
коренище
/ʋʌːt/, /ʋʌːut/
noun
1. groot bos
лес
/ʋʌʊ̯/, /β̞ʌːβ̞/
noun
  1. A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
    ка́ня
  2. B 1. bepaald soort plant, Reseda luteola
    жълтеникава резеда
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
  1. отмъщение
  2. мъст
noun
развалина
verb
juridisch
възразя́вам
noun
1. knobbeltje
брадавица
verb
1.
мъстя́
noun
отмъстител
verb
1. handeling
три́я
noun
триене
noun
1.apparaat om het water uit het wasgoed te persen en bestaat uit twee dicht bij elkaar staande, rubberen rollen
преса
noun
възмущение
/wœyvə/
verb
  1. 1. een groet brengen door met de handen te zwaaien
  2. 2. heen en weer buigen, zwenken
ма́хам
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
голям свирец
verb
1. iets of iemand vermoorden door het dichtknijpen van de keel
удушавам
noun
1.
задушаване
/ˈɪksɑs/
noun
1.
абсцисна ос
/ksɑnˈtinə/
noun
1. een organische stof die in vlees, urine en andere dierlijke stoffen voorkomt
ксантин
/ksenofɪˈli/
noun
1. het welgezind zijn jegens vreemdelingen of buitenlanders
ксенофилия
/ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
ксенофобия
adjective
1. een sterke afkeer van vreemdelingen hebbend
ксенофо́бски
noun
1. iemand die een sterke afkeer van vreemdelingen heeft
ксенофоб
/ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
ксенон
/ˈkoːsa/
pronoun
1. een taal die in Zuid-Afrika gesproken wordt
Кхоса
/ksiˈlem/
noun
1.
дървесна тъкан
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
ксилофон
/ˌksiloɣraˈfi/
noun
  1. 1. houtsnijkunst
  2. 2. houtsnede of houtgravure
ксилография
noun
1.
ординатна ос
noun
1. actieve, mannelijke beginsel in de kosmos (volgens de Chinese filosofie), een van beide principes die samen de tao vormen
ян
noun
  1. 1. een Angelsaksische lengtemaat (3 voet is 0,9144 m)
  2. 2. een Engelse vlaktemaat (12,14 ha)
ярд
noun
1. de munteenheid van Japan
йе́на
/ˈjeti/
noun
1. een legendarisch monster met de bijnaam 'de verschrikkelijke sneeuwman' die voor zou komen in de Himalaya
йети
noun
1. het passieve vrouwelijke beginsel in de kosmos volgens de Chinese filosofie, een van beide principes die samen de tao vormen
ин
/ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
йо́га
/ˈjɔxərt/, /ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
  1. кисело мляко
  2. йогурт
noun
1. scheikundig element met symbool Yb en atoomnummer 70
итербий
noun
1.
итрий
noun
1. een ronde nomadentent
юрта
/zaːt/
noun
  1. 1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
  2. 2. zaadcellen uit de mannelijke geslachtsorganen van een mens of een dier
се́ме
/ˈzatsɛl/
noun
1. de mannelijke geslachtscel
сперматозои́д
noun
1. een klein knopje in het vruchtbeginsel waaruit na bevruchting een zaadje groeit
неоплодена пъпка
/'zadlɛɪdər/
noun
семенно каналче
/zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
  1. трион
  2. бичкия
/'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
[[дъ́рвени]] [[стърготи́ни]]
verb
1. zaad strooien
се́я
/zal/
noun
за́ла
noun
1. room
  1. сметана
  2. крем
pronoun
2. boek in de Bijbel
Захария
adverb
  1. 4. aangenaam voor de zinnen
    благ
  2. 1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
    мек
noun
zitplaats op dier of fiets
  1. седло
  2. седло́
verb
1. een zadel plaatsen op
оседлавам
noun
1. een persoon die zadels maakt
сарач
/ˈza.ɣə(n)/, /ˈza.χə(n)/
verb
1. in stukken delen door middel van een zaag
режа с трион
/[ˈzɑː.greb]/
pronoun
1. hoofdstad van Kroatië
Загреб
noun
  1. 2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
    джоб
  2. 1. slappe, vormeloze tas
    чувал
/ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
носна кърпа
/'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
би́знесмен
noun
командиро́вка
noun
джобни пари
verb
2. niet slagen voor een examen
пропадам
noun
1. iemand die ongemerkt waardevolle zaken steelt
джебчия
noun
1. lamp op zakformaat
джо́бно фене́рче
noun
1. een draagbare bron van licht, gewoonlijk van energie voorzien middels batterijen
джобно фенерче
/ˈzɑkmɛs/
noun
1. een klein invouwbaar mes, vaak met extra gereedschappen
джобен нож
noun
smeerbare massa om op de huid aan te brengen
мехлем
/zɑlm/, /zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
  1. сьомга
  2. сьо́мга
/zɑlvə(n)/
verb
2. het aanbrengen van een welriekende olie, meestal als inhuldiging in een politieke of religieuze hoedanigheid
намазвам
/'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
  1. Замбия
  2. За́мбия
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
пясък
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
пя́съчник
noun
1. een ophoping van zand op de bodem van een zee of meer
пясъчна плитчина
noun
1. benaming voor de zoetwatervis Sander lucioperca
бяла риба
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
пя́съчен часо́вник
noun
пясъчник
noun
een harde, droge wind die boven een woestijngebied een grote hoeveelheid zand en stof doet opwaaien
пясъчна буря
noun
пе́ене
/ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
певе́ц
noun
1. een vrouwelijk iemand die zingt
певи́ца
noun
1. Turdus philomelos, een lijstersoort die algemeen is in Nederland en Vlaanderen
поен дрозд
/zanəkə(n)/
verb
1. hinderlijk ergens over blijven klagen
заяждам се
pronoun
1.
Сарагоса
adjective
1. verzadigd, vol, met name van alcoholische drank
пиян
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
  1. събота
  2. съ́бота
/za.ˈiː.rə/
pronoun
Заи́р
personalPronoun
  1. 2. clitische vorm van zij (derde persoon meervoud)
    те
  2. 1. clitische vorm van zij (derde persoon vrouwelijk enkelvoud)
    тя
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
  1. зебра
  2. зе́бра
noun
1. een patroon van witte strepen aangebracht op het wegdek ter aanduiding van een beschermde voetgangersoversteekplaats
пешеходна пътека
adjective
1. zoals het volgens normen en waarden behoort
доброде́телен
noun
е́тика
/ze/, /zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
море
noun
1. grote zwarte zwemvogel, onderfamilie van de eend, gans, zwaan, die leeft aan de kusten en op zee
кадифена потапница
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
морски таралежи
noun
1. smalle doorgang tussen twee zeeën
проток
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Actiniaria
актиния
noun
1. bepaald soort roofvogel die in kustgebieden leeft, Haliaeetus albicilla
Белоопашат морски орел
noun
1. gevarieerde vismaaltijd
морски дарове
noun
1. aardbeving waarvan het epicentrum op de bodem van de zee ligt
подводно земетресение
noun
1. het grondvlak van een zee
морско дъно
noun
1. bepaald soort grote zeevis, Lophius piscatorius
риба-въдичар
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
сито
noun
2. schilderij met de zee als onderwerp
морски пейзаж
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
тюлен
noun
1. plantenetend zoogdier uit de orde Sirenia
сирена
/ˈzekut/
noun
1. zwart-witte zeevogel, Uria aalge
тънкоклюна кайра
noun
1. benaming voor op de op komkommers lijkende zeedieren uit de klasse Holothuroidea
морска краставица
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Salicornia
солянка
noun
1. in zee levende kreeft
омар
/ˈzelɑnt/, /ˈzeːlɑnd/, /ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
Зеландия
noun
1. bepaald soort karperachtiɡe zoetwatervis, Tinca tinca
лин
/ˈzelœʏpart/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Hydrurga leptonyx
леопардов тюлен
noun
моряк
noun
1. mythisch zeewezen
русалка
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
чайка
noun
1. afstandsmaat, in gebruik op zee, 1852m
морска миля
noun
1. rob uit het geslacht Mirounga
морски слон
/ˈzeʔɔtər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Enhydra lutris
морска видра
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
сапун
noun
сапунено дърво
adverb
  1. 2. pijnlijk
    болезнен
  2. 3. pijn
    болка
  3. 1. in hoge mate
    много
noun
1. luchtige massa die bij heftige beweging van golven in zeewater ontstaat
пяна
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
мо́рска звезда́
noun
1. bepaald soort platvis, Solea solea
морски език
noun
1. iemand die voor zijn beroep de zee bevaart
мореплава́тел
noun
2. allerlei eetbare schaal- en schelpdieren
морски дарове
/ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
мо́рска вода́
noun
1. in zee levend wier
водора́сли
adjective
страдащ от морска болест
noun
1. zout, uit zeewater gewonnen
морска сол
noun
1.
победа
/ˈzexəl/
noun
1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
печа́т
noun
1. een mengsel van schellak en terpentine dat gebruikt wordt om er zegels van te maken
червен восък
/ˈzeɣəɫˌrɪŋ/
noun
1. een ring die aan de rugzijde voorzien is van een gravure, waarmee een zegel kan worden gestempeld
пръстен с печат
noun
1. een gemakkelijk smeltbaar materiaal gebuikt om er zegelafdrukken mee te maken
червен восък
/ˈzeːɣə(n)/, /ˈzeːχə(n)/
noun
  1. 1. verlening van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand
    благодат
  2. 4. breed en naar verhouding niet erg hoog sleepnet
    гриб
verb
1. de zegen geven
благославям
noun
1. een geslacht van zowel bladverliezende als groenblijvende kruidachtige planten
острица
verb
1. mededelen
кажа
/ˈzεɣə(n)ˌsxɑp/, /ˈzεχə(n)ˌsχɑp/
noun
1. het recht om over iets te beslissen
ду́ма
noun
1. persoon die in naam van een organisatie of een persoon het woord voert
говори́тел
noun
1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
платно
noun
1. een boot waarmee gezeild kan worden
платноход
/ˈzɛɪlə(n)/
noun
1. wedstrijdsport met zeilvaartuigen
нося се
/ˈzɛɪlə(n)/
verb
1. voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
нося се
noun
1. surfplank
уиндсърф
noun
1. een schip waarmee gezeild kan worden
платноход
noun
магнети́т
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
коса
/ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
си́гурен
/ˈze.kə.rə(n)/
verb
1. het touw waarmee iemand klimt op een veilige manier vasthouden
осигурявам
/'zekərɦɛɪt/
noun
си́гурност
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
бушо́н
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
ря́дко
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
необикновен
/zɛlf/, /zɛɫf/
demonstrativePronoun
  1. 1. in eigen persoon
  2. 2. in tegenstelling met iets anders
самият
noun
2. de mogelijkheid voor een volk om te bepalen onder welke soevereiniteit het wil vallen
самоопределе́ние
demonstrativePronoun
една́къв
noun
1. Het zich benemen van het leven
самоубийство
noun
1.
самооценка
noun
1. elk van de meestal versterkt geweven zijkanten van een weefsel in de lengterichting van het doek
ива
/ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
самоубийство
/'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
автопортрет
adverb
даже
adjective
1. op zichzelf staand
незави́сим
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
съществително име
noun
незави́симост
noun
1. verbranding van zichzelf
самозапа́лване
noun
1. verdediging van zichzelf
самозащита
noun
1. de opoffering van de eigenbelangen ten gunste van een ander
самопоже́ртвование
noun
1. geloof in eigen vermogen, kunde of kracht
самоувереност
noun
1. de mate waarin iemand zelfverzekerd is
самоувереност
/'zɛndəlɪŋ/
noun
1. persoon die uitgezonden wordt om mensen tot het geloof in het protestantse christendom te bekeren
мисионер
noun
ми́сия
/zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
зенит
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
нерв
noun
1. het gehele zenuwsysteem
Нервна система
noun
2. psychische aandoening
невро́за
verb
сапунисвам
noun
1. het getal 6
шест
/ˈzɛs.də/, /ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
шести
/ˈzɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 76
седемдесе́т и шест
/zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
шестоъгълник
adjective
1. vorm met zes hoeken
шестоъгълен
cardinalNumeral
1. het getal 16
шестнадесет
ordinalAdjective
шестнадесети
cardinalNumeral
1. het getal 60
шестдесет
ordinalAdjective
шейсетият
noun
  1. 1. constructie bestemd om prettig op te zitten
  2. 2. lidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
  3. 3. plaats waar een organisatie gevestigd is
седалище
noun
нишесте
noun
1.
набор
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
свиня майка
/ˈsʏː.rə(n)/, /ˈzøː.rə(n)/
verb
1. veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
хленча
/zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
Зевс
/ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
  1. седем
  2. се́дем
noun
1. soort struik, Juniperus sabina
смрадлива хвойна
/ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
седми
/ˈzøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 37
три́дeсет и се́дем
noun
plant en kruid
син сминдух
noun
седмоъгълник
/ˈzeːvə(n)ˌɦɔndərt/, /ˈzøvənˌhɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 700
седемстотин
/ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
седемнадесет
ordinalAdjective
седемнадесети
/ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
  1. седемдесет
  2. седемдесе́т
ordinalAdjective
седемдесетата
adjective
1. voor de zevende keer
седемкратен
noun
1. wat gezien kan worden
кръгозо́р
adjective
ви́дим
adjective
1. lichamelijke toestand
болен
adjective
1. geneigd om vaak ziek te zijn
болнав
/ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
болница
noun
бо́лест
noun
бо́лест на Крон
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
бо̀лест на Па̀ркинсон
noun
1. getallen waarmee men het voorkomen van een ziekte kan beschrijven
заболеваемост
/zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
  1. душа
  2. дух
noun
психоло́гия
verb
1. op sterven liggen
агонизирам
verb
1. waarnemen met het oog
виждам
/ˈzɪftə(n)/
verb
1. de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
отсявам
/siˈɣønər/
noun
Циганин
/sɛɪ̯/, /zɛɪ̯/, /zɛː/
personalPronoun
  1. 2. 3e persoon meervoud
    те
  2. 1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
    тя
noun
  1. 2. vezel van de cocon van de zijdevlinder
    коприна
  2. 1. kant
    страна́
/ˈzɛɪdə(n)/, /ˈzɛːdə(n)/
adjective
  1. 1. van zijde, van zijdegaren vervaardigd
  2. 2. op zijde gelijkend
копринен
noun
1. de larve van de zijdevlinder
копринена пеперуда
possessivePronoun
1. derde persoon enkelvoud m/o
негов
verb
  1. 1. bestaan
  2. 5. gelijk zijn aan.
  3. 6. tot de groep behoren van
  4. 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
  5. 3. zich bevinden.
  6. 7. de eigenschap hebben.
  7. 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
съм
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
приток
noun
сребро
adjective
сре́бърен
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Abies
ела́
noun
1.1 bepaald soort insect Lepisma saccharina
люспеница
/'zɪlvərvlisrɛist/
noun
rijst waarvan de zemelen en de kiem niet verwijderd zijn
кафяв пълнозърнест ориз
/zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
Зимбабве
noun
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
изречение
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
  1. пея
  2. пе́я
noun
1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
цинк
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
потъвам
noun
1. ZnO
ци́нков окси́д
adjective
2. waar een logisch verband in te ontdekken is
благоразумен
noun
1.syntactische eenheid binnen een zin
фраза
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de opbouw van zinnen
синтаксис
/ˈzɪntœx/, /ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
сетиво́
/zijoˈnɪsmə/
noun
циони́зъм
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
цирконий
/zɪr'koːn/
noun
1. een mineraal
циркон
/'zɪtbɑŋk/
noun
1.
пе́йка
noun
1. meubel dat gemaakt is om op te gaan zitten
седалка
noun
1. een plaats waar men kan zitten
мя́сто
/ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
седя
/zɪtɪŋ/
noun
2. de tijd dat een raad of ander lichaam werkzaam bijeen is
заседа́ние
noun
1. ruimte waarin een rechtszitting wordt gehouden
съде́бна за́ла
noun
1. achterste, achterwerk
седалка
adverb
1. net, even tevoren
току-що
conjunction
  1. 2. bijvoorbeeld
    като
  2. 1. in die mate als
    като́
/'zodiɑk/
noun
1.
зодия
conjunction
1. geeft aan welke gebeurtenis eerst moe(s)t plaatsvinden
щом
verb
1. proberen te vinden
  1. претърсвам
  2. търся
noun
2. een richtmiddel op een camera of vuurwapen
визьор
noun
прожектор
noun
1. een reis die men onderneemt op zoek naar iets
тъ́рсене
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
зулуски
verb
1. een vrij zacht continu geluid voortbrengen dat op de z-klank lijkt
бръмча
noun
1. het met de lippen aanraken van een persoon of een voorwerp
целу́вка
verb
1. met de mond liefkozen
целувам
/ˈzut/
adjective
1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
сладък
noun
1.
пря́сна во́да
noun
1. een zetmeel houdende knol behorend tot dezelfde orde van planten als de aardappel
батат
noun
ласкавост
/ˈzuthʌʊt/
noun
1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
женско биле
noun
2. zoetstof zonder suiker
подсластители
/ˈzoːɣ.ə(n)/
verb
1. moedermelk geven
кърмя
/zo.ɣə.'namt/
adjective
1. door anderen zo genoemd (waarmee de gebruiker afstand nemend van de naam of het begrip zelf), niet echt
така́ наре́чен
/zo.ɣə.'namt/
adverb
1. naar (betwijfelde) bewering
така́ наре́чен
/ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
манса́рда
noun
1. bovenkant van een ruimte in een gebouw
тава́н
/zolə(n)/
verb
1.
слагам подметка
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
зомби
verb
1. van zomen voorzien
подгъвам
noun
  1. лято
  2. ля́то
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus robur
обикновен дъб
adjective
1. typerend voor de zomer
летен
noun
1. Anas querquedula
лятно бърне
noun
1. regeling waarbij de klok gedurende de lente- en zomermaanden een uur vooruit wordt gezet
ля́тно вре́ме
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
слънце
noun
1.
грешник
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
  1. неделя
  2. неде́ля
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
грях
noun
  1. 1.
  2. 2.
же́ртвен козе́л
preposition
1. In afwezigheid van
без
adjective
греховен
/zɔndəɣə(n)/
verb
1. het overtreden van een religieuze wet
греша́
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
потоп
/ˈzoːnə/
noun
1. bepaald gebied dat is afgebakend van aangrenzend gebied
зона
/ˈzɔneˌklɪps/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
слънчево затъмнение
noun
1. de zichtbare elektromagnetische straling van de ster waarrond onze aarde draait
слъ́нчева светлина́
/'zɔnəʔenɛr'ɣi/
noun
1. energie die gewonnen wordt uit de straling van de zon
слънчева енергия
/ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
слънчоглед
noun
1.
слънчогле́дово о́лио
noun
1. substantie tegen verbranding van de huid
крем за слъ́нце
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
слъ́нчеви очила́
noun
1. dat dat zonlicht doorlaat
тавански прозорец
/ˈzɔnəpɑˌnel/, /ˈzɔnəpɑˌnɪːɫ/
noun
1. een paneel dat stralingsenergie van de zon omzet in elektriciteit
слънчева батерия
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
[[слънчев|слъ́нчева]] [[светлина́]]
noun
1.
Слънчева система
noun
слънчево изригване
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
слънчево петно
/ˈzɔnəˌwɛndə/, /ˈzɔnəˌʋɛndə/, /ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
слънцестоене
noun
слънчев часовник
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
слънчев вятър
adjective
1. zonovergoten, met zonneschijn
слънчев
/zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
залез
noun
1. het opkomen van de zon
зора́
/ˈzɔnsvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈzɔnsvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
слънчево затъмнение
/zuː/
noun
1. verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
зоологическа градина
/ˈzox.diːr/, /ˈzoːɣ.diːr/, /ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
бозайник
noun
  1. 3. onderkant van een schaaf
    подметка
  2. 1. onderkant van de voet
    1. стъпало
    2. ходило
/zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
син
noun
1. behoedzame overweging
тревога
noun
1. (economie) een stelsel en systematiek voor de regulering van de zorgvoorziening
здравеопазване
adjective
1. met de nodige zorg
внимателен
/zɑu̯t/
adjective
1. zout bevattend of zout smakend
солен
/zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
сол
verb
1. met zout conserveren
соля
/ˈzɑutˌvacə/
noun
2. tafelgereedschap dat het zout bevat en strooit
солница
noun
солена вода
noun
1. een oplossing
солна киселина
/ˈzo.zo/
adjective
бива
noun
зоофи́лия
noun
зоогеография
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
зоология
/zoʔo'lox/
noun
1. een wetenschapper die zich bezig houdt met de studie van dieren.
зоолог
noun
1. hoorbare uitademing
възди́шка
verb
1. hoorbaar diep uitademen, meestal als uiting van frustratie
възди́шам
/zœʏ̯t/, /zœːd/, /zœːt/
adverb
юг
/zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /zœː'.dɑ.fri.ka/, /zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
  1. Южна Африка
  2. Ю́жна А́фрика
adjective
1.
южноафрика́нски
noun
Merluccius capensis
плитководни бели мерлузи
/ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
  1. Южна Америка
  2. Ю́жна Аме́рика
pronoun
1. Australische deelstaat in het zuiden
Ю́жна Австра́лия
pronoun
1. is een randzee van de Grote Oceaan en ligt ten zuiden van China
Южнокита́йско море́
pronoun
1.
Ю́жна Дако́та
pronoun
het zuidelijk deel van Europa
Ю́жна Евро́па
/zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
Южна Холандия
/ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
Южна Корея
/ˌzœʏ̯t koreˈjans/, /ˌzœːt koreˈjaːns/
adjective
1.
южнокоре́йски
adjective
1.
южен
/ˈzœy̯.də(n)/
noun
юг
pronoun
1. grootste eiland van Nieuw-Zeeland
Южен остров
adverb
югоизток
pronoun
1. Noordpool
Ю́жен по́люс
adverb
югозапад
adjective
1. op het zuidwesten betrekking hebbend
югоза́паден
/ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
1. (met de mond) naar zich toe trekken
смуча
noun
бутало
noun
1. platworm met zuignappen waarmee hij zich aan zijn gastheer kan vastzuigen
мети́л
noun
стълб
adjective
1. voorzichtig met het uitgeven van geld of andere kostbare zaken
икономичен
verb
1. van verontreinigingen ontdoen
пречиствам
/zɵlk/
exclamativePronoun
такъ́в
/ˈzʏ.lə(n)/
verb
  1. ще
  2. трябва
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
лапад
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
сестра́
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
сестра
noun
2. de gemeenschap van vrouwen in algemene of meer beperkte zin
се́стринство
/zyːr/
adjective
1. een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
кисел
/ˈzyrɣrat/
noun
1. de mate waarin iets zuur is, gewoonlijk gemeten als de negatieve logaritme (-log) van de concentratie waterstofionen
киселинност
noun
1. fijngesneden en licht gezouten kool die enige tijd gefermenteerd is
ки́село зе́ле
/ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
  1. кислород
  2. кислоро́д
verb
  1. 1. begroeten door met de hand heen en weer te bewegen
  2. 2. aandacht vragen door met de armen heen en weer te bewegen
ма́хам
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Лебед
/zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
лебед
adjective
van groot gewicht
те́жък
noun
1. water waarin de waterstofatomen vervangen zijn door de waterstofisotoop deuterium
тежка вода
noun
1. een lang, scherp wapen
меч
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Gadiolus
гладиола
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
риба меч
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
косатка
noun
1. het zwaar zijn
тежест
adjective
1. van groot lichaamsgewicht
тлъст
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
гравитация
noun
гравитационно поле
/ˈzwɑxtəl/
noun
бинт
noun
1. een regel gemaaid gras
о́ткос
/ˈzʋa.ɣər/
noun
шурей
/zʋɑk/
adjective
слаб
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
  1. лястовица
  2. ля́стовица
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
бременна
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
бременност
noun
1. een voortijdige en kunstmatige beëindiging van een zwangerschap
аборт
noun
1. een voortijdige en kunstmatige beëindiging van een zwangerschap
аборт
noun
2. produkt dat via de urine tekenen van een zwangerschap onthult
тест за бременност
noun
1. bepaald verlof voor werkende vrouwen
отпуск по майчинство
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
черен
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
че́рна ду́пка
noun
1. betaalmiddelen die afkomstig zijn uit belastingontduiking of onwettige handel
мръ́сни пари́
noun
1. een publicatie van gegevens over een misstand
черна книга
noun
1. vruchtje van Ribes nigrum
касис
noun
  1. 1. systeem, apparaat of voorwerp waarvan bekend is wat het doet maar niet hoe het werkt
  2. 2. crashbestendig apparaat met vluchtgegevens
че́рна кути́я
noun
1./2. plant, zaden en zaaddoos Amomum subulatum
черен кардамон
phraseologicalUnit
че́рен паза́р
noun
1.
черен синигер
noun
черен носорог
noun
1.
черен щъркел
noun
1.
черен кълвач
noun
1.
черна рибарка
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
Черно море
noun
1. bepaald soort zee-eend, Melanitta nigra
tраурна потапница
/zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
сяра
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
сярна киселина
/ˈzweːdə(n)/, /ˈzʋedə(n)/, /ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
  1. Швеция
  2. Шве́ция
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
adjective
1. betreffende Zweden of het Zweeds
  1. шведски
  2. шведска
  3. шведско
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
шведски
verb
1. vlieg uit de familie
цветарка
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
планер
noun
1. een handwapen in de vorm van een lang ineengedraaid stuk leer dat met een zwiepende beweging pijnlijke slagen uit kan delen
бич
noun
1.
я́зва
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
пот
noun
1. iemand die veel kan eten en drinken
гуляйджия
verb
1. in volume toenemen
подувам се
/ˈzwɛmbɑd/, /ˈzʋɛmbɑt/, /ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
басейн
noun
1. kledingstuk voor mannen dat gebruikt wordt om in te zwemmen
ба́нски гаще́та
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
  1. плувам
  2. плу́вам
/'zʋɛmvlis/
noun
2. schoeisel
перка
/zʋɛrm/
noun
1. een grote groep gezamenlijk op- en rondtrekkende personen, dieren of zaken, gewoonlijk vogels of insecten
рой
noun
бездо́мник
/'zʋetə(n)/
verb
1. transpireren
изпотя
verb
нося се
noun
1. klierachtig, hormoonvormend orgaan
тимус
verb
1. ervan afzien te spreken
мълча
adjective
1. weinig sprekend
мълчали́в
noun
1. een varken
свиня
/ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
бардак
/'zʋɪŋəl/
noun
1. houten werktuig om vlas- en hennepvezels van de scheven te bevrijden
мъналка
/zʋɪŋələ(n)/
verb
1. van vlas- of hennepvezels de aanhangende houtdeeltjes met een zwingel verwijderen
мъна
/ˈzwɪtsər/, /ˈzʋɪtsər/, /ˈzβ̞ɪtsər/
noun
1. een inwoner van Zwitserland, of iemand afkomstig uit Zwitserland
швейцарец
/ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
Швейцария
adjective
  1. 1. vochtig warm, drukkend, benauwd
  2. 2. zinnelijk, erotisch sensueel
душен
pronoun
Зво́ле
pronoun
Цюрих
/ˈɔŋstrøm/
noun
1. lengtemaat met een waarde van 10-10 m
а́нгстрьом
/eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
  1. един
  2. едно
adverb
ongeacht de omstandigheden
въобще