adverb
1. des te eerder, des te meer
amb més raó
adverb
a priori
noun
1. streling, liefkozing
carícia
verb
1. zachtjes strelen
acariciar
noun
1. lang vaartuig met een platte bodem en een brede boeg
barcassa
noun
  1. 3. paling
  2. 4. kleine en jonge paling
ಹಾವುಮೀನು
noun
1. bepaald soort struik met eetbare rode bessen Ribes rubrum
  1. grosella
  2. riber
noun
1.bepaald soort plant, Artemisia absinthium
donzell
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalacrocorax
  1. corb marí
  2. cormorà
noun
enclusa
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
morenes
adjective
1. (predicatief) actief, in bedrijf
a
verb
1. de grond rondom ophogen
calçar
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
enclusa
noun
1. een eerste betaling bij het kopen van iets op afbetaling of in termijnen
bestreta
verb
1. over iets of iemand bij iemand (positief) vertellen en adviseren om datgene/diegene te gebruiken/in te schakelen
saludar
adjective
1. een aanbeveling verdienend
recomanable
noun
recomanació
noun
admirador
noun
1. een verering, een eerbiedvolle bewondering
adoració
verb
  1. exposar
    1. 1. aanreiken, bieden, offreren, presenteren
    2. 2. iets tegen bepaalde voorwaarden of prijs verhandelbaar stellen
    oferir
noun
1. een aanbieding
oferta
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
atenció
adverb
1. met belangstelling, met aandacht, met interesse
devot
noun
1. waardepapier
acció
noun
1. eigenaar van aandelen, actionaris
accionista
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
accionista
noun
1. de handel in aandelen in het algemeen
mercat de valors
noun
  1. 2. een object ter herinnering ergens aan
  2. 1. een herinnering
record
noun
impuls
verb
2. doen bewegen
accionar
verb
1. vaster drukken
premsar
/'ʔan.dɵr.və(n)/
verb
1. Moed hebben
gosar
verb
1. vaster duwen
premsar
adjective
1. bij de geboorte verkregen eigenschappen
ingènit
verb
2. aanduiden
indicar
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
atès que
adjective
1. rechtstreeks grenzend aan iets anders
contigu
noun
1. leesteken om geciteerde woorden van die van de auteur te onderscheiden
cometes
noun
2. rijdend object dat achter de auto gehangen kan worden voor het vervoeren van goederen.
adepte
noun
remolc
verb
2. arresteren
arrestar
noun
detenció
verb
1. iemands handelingen bij een hof aanhangig maken met een officiële beschuldiging
acusar
noun
1. iemand die een proces aanspant
acusador
verb
  1. 2. aanspreken
  2. 1. enteren
abordar
verb
1. een bestemming bereiken
arribar
noun
1. de bestemming bereiken, het aankomen
arribada
verb
1. bekendmaken
anunciar
noun
anunci
noun
1. datgene wat men aankoopt
adquisició
noun
3. talent
aptitud
noun
3. een loop of tred voorafgaand aan een sprong, duik, enzovoort
embranzida
verb
1. een bepaalde substantie produceren
fabricar
adjective
presumptuós
verb
  1. 1. zich opgeven
  2. 2. zich bekend maken met gebruikersnaam en wachtwoord
inscriure's
verb
amarrar
verb
1. moed inspreken
alenar
noun
suposició
/ˈaːneːmər/
noun
1. iemand die een (bouw)werk uitvoert tegen een bepaalde prijs
constructor
noun
1. manier van aanpakken
apropament
adjective
1. in staat om zich aan te passen
adaptable
/ˈaːmpɑsə(n)/
verb
1. aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken
adaptar
/ˈanrakˌsxɛrm/, /ˈanrakˌsχɛrm/
noun
1. een beeldscherm dat ook als invoerapparaat voor een computer kan worden gebruikt door het scherm aan te raken.
pantalla tàctil
verb
1. fysiek contact maken met iets
tocar
noun
1. het aanraken
contacte
noun
  1. 1. aanvaller
  2. 2. een persoon, in de regel van het mannelijke geslacht die iemand anders aanvalt om seksuele redenen
assaltador
noun
3. een fysieke aanval op iemand met als doel seksuele handelingen af te dwingen
agressió sexual
noun
1. vaste tafel met kastjes langs keukenwand
marbre
verb
1.
invocar
verb
3. passend maken
lligar
verb
2. agressief verkopen
encolomar
noun
1. het recht om het bezit of genot van iets te vorderen
dret
adjective
1. verantwoordelijk, om vergoeding of betaling aangesproken kunnen worden
responsable
noun
responsabilitat
verb
1. bevallen
agradar
verb
1. doen ontbranden
encendre
noun
1. apparaatje om vuur te maken
encenedor
noun
1. benoeming in een functie, dienst etc.
nomenament
verb
fregar
noun
1. een telbare hoeveelheid
nombre
noun
llibreta
noun
1. de werkwoordsmodus die de gewone werkelijkheid aangeeft
mode indicatiu
adjective
1. mogelijk om aan te tonen
demostrable
adjective
1. bekoorlijk
atractiu
verb
1. dankzij een kracht objecten naar zich toe doen bewegen
atreure
noun
2. het vermogen van een persoon of zaak om iemand tot zich te trekken
atraïment
adjective
1. te aanvaarden
acceptable
verb
2. accepteren, in bezit ontvangen
acceptar
noun
1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven
atac
verb
atacar
noun
  1. 1. iemand die aanvalt
    atacant
  2. 2. een persoon in de voorste linie
    davanter
noun
començament
verb
1. beginnen, starten
començar
adjective
1. in het begin
inicial
noun
1. werkwoordswijs van mogelijkheid
mode subjuntiu
/ˈanvʏlə(n)/
verb
1. het ontbrekende bijvoegen
reomplir
adjective
1. die of dat aanvult
suplementari
adjective
present
noun
3. inlichting of voorschrift over hoe men moet handelen
encàrrec
adjective
1. voornáám, groot
considerable
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
mico
noun
  1. 1. bloeiwijze van granen
  2. 2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
espiga
noun
1. bepaald soort plant, Lathyrus tuberosus
guixó tuberós
noun
xufa
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
patata
/ˈardɑˌpəɫpyˈre/
noun
1. een puree van zeer fijn gemaakte, met melk aangemengde aardappels
puré de patates
noun
1. een salade die gemaakt wordt uit aardappelen
amanida de patata
noun
eix de la Terra
/\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
maduixa
noun
1. bepaald soort plant, Arbutus unedo
  1. arbocer
  2. arboç
noun
1. bepaald soort plant, Trifolium fragiferum
trèvol maduixer
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
  1. terratrèmol
  2. sisme
/ˈardə/
pronoun
Terra
/ˈardə/
noun
  1. 1. planeet
  2. 2. grond
terra
noun
pisa
/artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
gas natural
/ˈart.kɔrst/
noun
1. het buitenste gedeelte van de planeet Aarde
escorça terrestre
noun
geologia
noun
1. Microtus agrestus, een zoogdier uit de orde van knaagdieren
talpó muntanyenc
noun
petroli
/ˈartpɪːr/
noun
bepaald soort zonnebloem, Helianthus tuberosus
nyàmera
/ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
geografia
adjective
1. betrekking hebbende op de aarde, tot de aarde behorend
terrestre
/ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
porc formiguer
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
esllavissada
noun
ciències de la terra
noun
cuc de terra
noun
1. en 2. (blaadjes van) de plant Mentha spicata
menta verda
noun
1. bepaald soort parasitaire, maar onschadelijke rondworm van ca. 5–10 mm lengte, Enterobius vermicularis
oxiür
/ˈaːrz.bɪz.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪs.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪz.dɔm/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
  1. arxidiòcesi
  2. arquebisbat
/ˈaːrzbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
arquebisbe
/ˈaːrz.di.jo.ˌses/, /ˈaːrʦ.di.ʲo.ˌses/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
arxidiòcesi
noun
1. een hemelgeest in een rang boven een engel
arcàngel
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
arxiduc
noun
arxiducat
noun
1. adellijke titel, vrouw van een aartshertog
arxiduquessa
noun
arxipreste
/ˈarzələ(n)/
verb
1. onzeker zijn, twijfelen
dubtar
adjective
1. aarzelend
vacil·lant
noun
1. onzekerheid, twijfel, weifel
hesitació
noun
1. speelkaart
as
noun
carronyaire
/'as.xir/
noun
1. bepaald soort roofvogel, Neophron percnopterus
voltor
noun
fons voltor
noun
  1. Bepaald soort bananenplant, Musa textilis
  2. Vezels van Musa textilis
abacà
/ˈɑbɑkʏs/
noun
  1. 1. raam met staven
  2. 2. dekplaat van een kapiteel
àbac
/a.bɑ.ˈtwaːr/, /ɑ.bɑ.ˈtβ̞ar/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
escorxador
pronoun
1. West-Kaukasische taal gesproken in Rusland en Turkije
abazí
adjective
1. betrekking hebbend op een abt of een abdij
abacial
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
abreviatura
noun
1. een ophoping van pus in het lichaam, daarbij een onnatuurlijke holte vormend
abscés
/ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
abkhaz
noun
abdicació
/ɑbˈdɛɪ̯/, /ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
abadia
/ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
abadessa
noun
ventre
/ˌɑbdoʊmiˈnaːɫ/
adjective
1. de onderbuik betreffend
abdominal
verb
1. van de middellijn af bewegen
abduir
noun
wegvoering
abducció
noun
aberració
pronoun
Abissínia
noun
ablació
/ˌɑb.la.ˈtif/, /ˌɑb.la.ˈtiːf/
noun
1. de zesde naamval die onder meer de instantie aangeeft waarvan iets uitgaat of vertrekt
ablatiu
/ˈɑb.laut/, /ˈɑp.lɔut/, /ˈɑp.lʌut/
noun
1. regelmatige, grammaticaal bepaalde klinkerwisseling
apofonia
adverb
1. ongewoon
anormal
noun
1. onregelmatigheid
anormalitat
noun
abolicionista
/ɑbomɪˈnabəl/
adjective
bijzonder slecht
abominable
/ɑbɔ'ne/
noun
1. iemand die op iets geabonneerd is
abonat
noun
abonament
/ɑbɔ'nerə(n)/
verb
1. een abonnement aangaan
  1. abonar-se
  2. subsriure
/ɑ'bɔrtəs/
noun
avortament
noun
clínica d’avortament
noun
  1. albercoc
  2. albercoquer
noun
1. bepaald soort boom waaraan abrikozen groeien, Prunus armeniaca
albercoquer
pronoun
Abruços
noun
1. de afstand tot de opstaande as van een coördinatenstelsel
abscissa
/ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
absenta
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
donzell
noun
1. grootte van een reëel getal of lengte van een andere grootheid
valor absolut
/ɑpso'lysi/
noun
1. het vergeven van de zonden
absolució
/ɑpso'lyt/
adjective
  1. 1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
  2. 2. volledig, volkomen
  3. 3. beslist, zeker
  4. 4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
absolut
/ɑpsɔr'berə(n)/
verb
absorbir
noun
absorció
/ɑp'strɑksi/
noun
1. een begrip dat los staat van de dagelijkse werkelijkheid
abstracció
verb
1. concretiseren
abstraure
/ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
absurd
/ɑb/, /ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
abat
noun
acadèmia
/ɑkɑ'demis/
adjective
acadèmic
noun
acant
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van mijten en teken
acarologia
noun
1. toename van de snelheid
acceleració
noun
1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
accent
/ɑk.sep.ˈtaː.tʃi/
noun
1.
acceptació
/ɑksɛp'terə/
verb
  1. 1. aanvaarden
  2. 2. aannemen, graag ontvangen
acceptar
verb
1. aan een andere omgeving wennen
aclimatar
noun
clau
noun
  1. 1. voorzieningen ten behoeve van ...
  2. 2. aanpassing
acomodació
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
acordió
noun
1.
acreció
noun
1. ophoping van stoffen
acumulació
verb
acumular
/ˌɑkusaˈtif/, /ˌɑkyzaˈtiːf/
noun
1. naamval voor het lijdend voorwerp
acusatiu
noun
1. bepaald soort plant, Malpighia emarginata
acerola
noun
1. een ester of zout afgeleid van azijnzuur
acetat
noun
1. kleurloze, vluchtige, sterk riekende vloeistof die als oplosmiddel wordt gebruikt met als chemische formule: C₃H₆O
acetona
/ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
acetilcolina
/ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
acetilè
/xxxx/
noun
1.
àcid acetilsalicílic
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
Aquil·les
noun
1. kwetsbare plaats
taló d'Aquil·les
noun
tendó d’Aquil·les
cardinalNumeral
1. het getal 8
  1. vuit
  2. huit
/ˈɑxtbaːn/
noun
1. een attractie met een karretje dat over een baan met bochten, stijgingen en dalingen rijdt
muntanya russa
cardinalNumeral
1. het getal 38
trenta-huit
ordinalAdjective
1. nummer achtendertig in een rij
trenta-vuitè
cardinalNumeral
1. het getal 88
vuitanta-vuit
cardinalNumeral
1. het getal 28
vint-i-vuit
cardinalNumeral
1. het getal 48
quaranta-huit
cardinalNumeral
1. het getal 58
cinquanta-vuit
cardinalNumeral
1. het getal 68
seixanta-huit
preposition
darrere
adverb
1. in de laatste of een van de laatste posities in een rangschikking, op een verder weg liggende plaats
endarrere
adverb
1. na afloop
després
noun
cuer
noun
1. de indirecte oorzaak van actualiteiten
fons
/ˈɑxtərklɛɪŋkɪnt/
noun
1. het kind van iemands kleinkind
besnet
/ˈɑxtərklɛɪ̯nzon/
noun
1. de zoon van iemands kleinkind
besnét
noun
1. streek die geografisch verder weg ligt, maar economisch verbonden is met een voorliggende streek of stad
rerepaís
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
  1. abandonar
  2. deixar
noun
1. lamp(en) aan de achterkant van een voertuig
llum posterior
/ɑxtər'na/
adverb
1. iemand of iets volgend
darrere
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
cognom
noun
posterior
noun
1. de achterzijde van een schip
popa
adverb
1. in achterwaartse richting
retrògrad
noun
1. een spiegel aan een auto of motorfiets waarmee men de situatie op de weg achter zich kan zien
  1. retrovisor
  2. mirall del mig
/'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
sufix
verb
1. iemand inhalen
perseguir
noun
perseguiment
noun
1. een vorm met acht hoeken
octàgon
/ɑxt'ɦukəx/
adjective
1.
octagonal
/ˈɑxtˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 800
vuit-cents
noun
1. aanzien
estima
noun
vuitè
noun
1.
corxera
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
  1. divuit
  2. díhuit
ordinalAdjective
desè octava
noun
acidosi
noun
acne
noun
  1. 1. in de Rooms-katholieke Kerk een misdienaar die ouder is dan 16 jaar
  2. 2. aanhanger
acòlit
pronoun
1. begripomschrijving
Aconcagua
pronoun
1. braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noord van het land. Hoofdstad is Rio Branco
Acre
noun
1. gymnast
acròbata
adjective
1. heel erg lenig, sterk en handig zodat je circuskunsten kunt doen
acrobàtic
noun
acrònim
noun
acrilonitril butadiè estirè
/ɑkˈtør/
noun
1. persoon
actor
noun
acció
adjective
1. met iets bezig zijnde
actiu
noun
pel·lícula d'acció
noun
activista
noun
1. Scheikundig element
actini
verb
1. werkzaam maken
activar
noun
1. iets waarmee men actief is
activitat
noun
1. vrouw
actriu
noun
actualitat
/ɑktyˈwel/
adjective
actual
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
acupuntura
/aˈkyt/
adjective
1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend
agut
/aˈdaɣijʏm/
noun
1.
adagi
pronoun
Adam
/ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
garganxó
noun
1. aanpassingsvermogen
adaptació
noun
adaptador
noun
1. bijlage
addenda
noun
  1. 1. gifslang
  2. 2. persoon
escurçó
noun
1. bevoorrechte groep personen
noblesa
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
  1. àguila
  2. àliga
noun
falguera (aquilina)
/adəm/
noun
alè
/ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
respirar
/ˈa.də.ˌma.lə(n)/
verb
1. door levende wezens inblazen en uitblazen van lucht om zuurstof te krijgen
respirar
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
respiració
noun
1. het systeem van luchtopname via de neus of mondholte, door de luchtpijp (trachea) met zijn vertakkingen naar de longen waardoor een organisme van zuurstof wordt voorzien
aparell respiratori
noun
1. (lymfe)klierontsteking
adenitis
noun
1. goedaardig klierweefselgezwel
adenoma
noun
1. bloedvat met zuurstofarm bloed
vena
/ˈa.dər.la.tɪŋ/, /ˈaː.dər.laː.tɪŋ(g)/
noun
  1. 1. (medisch) de handeling van het aderlaten
  2. 2. (figuurlijk) een groot verlies
sagnia
noun
1. de afkorting voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder,...
TDAH
/ɑtˈhezi/
noun
  1. 2. onderlinge aantrekkingskracht tussen ongelijke moleculen zonder dat er sprake is van een chemische binding
  2. 1. een vergroeiing van organen
adhesió
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
adjectiu
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
adjectiu
/ɑtmənɪstra'tør/
noun
1. iemand die de administratie
administrador
/ˌɑtminɪsˈtrasi/, /ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
  1. 3. bestuur
  2. 1. de plaats waar gegevens zorgvuldig worden vastgelegd zodat ze later terug te vinden of te controleren zijn
administració
noun
administrairitz
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
almirall
noun
almirallat
noun
1. de reciproke complexe impedantie
admitància
noun
1. jeugdig persoon, puber
adolescent
verb
1. een kind aannemen
adoptar
noun
adopció
verb
1. aanbidden, verafgoden, vereren
adorar
/aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
adreça
noun
1. een boek met alfabetisch en/of systematisch geordende adressen
llibreta d'adreces
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
mar Adriàtica
/ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis    2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
advent
noun
1. de kalender bestaat vaak uit een platte kartonnen doos waarin 24 genummerde vakjes zijn aangebracht
calendari d'advent
noun
anunciant
noun
1. een aankondiging in een krant, reclameblad, tijdschrift ...
anunci
noun
1. een gegeven raad
consell
/ɑtfiˈzerə(n)/
verb
1. raad geven aan
aconsellar
noun
1. raadgever, raadsman
assessor
noun
1. pleiter, verdediger in rechtszaken
advocat
noun
1. vrouwelijke advocaat
advocada
noun
aerodinàmica
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die een toon voortbrengen door een trillende luchtkolom
aeròfon
adjective
1.
aeròbic
/ˌæːroˈzol/, /ˌɛːroˈzɔɫ/
noun
2. scheikunde
aerosol
adverb
1. op onregelmatige tijden
  1. a vegades
  2. de vegades
noun
1. het onvermogen te spreken
afàsia
verb
copiar
noun
1. een grafisch beeld
imatge
noun
1. chemisch product voor het zeer drastisch schoonmaken bijv
decapant
noun
1. het kunnen breken van een molecuul in kleinere atomen of moleculen
degradabilitat
noun
baixada
noun
1.
deixalla
verb
1. door onderhandelen een prijs omlaag zien te krijgen
regatejar
noun
1. resultaat van het afdrukken
empremta
verb
  1. 1. onder dwang iets verkrijgen
  2. 2. via de wet of regels iets bewerkstelligen
forçar
noun
  1. 1. een schijnbare gemoedsgesteldheid die niet met de werkelijkheid overeenstemt
  2. 3. het toewijzen van een baan
afectació
/ɑfiniˈtɛit/
noun
  1. 1. een geestelijk verwantschap
  2. 2.
  3. 3.
afinitat
noun
1. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
afix
/ˌɑfriˈkat/
noun
1. een combinatie van twee medeklinkers, waarvan de eerste een plosief...
africada
noun
encavallament
noun
derivada
/ɑf.ˈxans/, /ɑf.ˈχans/, /ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
afganès
/ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
Afganistan
/'ɑfxɔt/
noun
ídol
noun
1. een stuk land waarvan de grond verwijderd is, of waar men nog steeds aan het graven is
excavació
/ˈɑfxrɔnt/, /ˈɑfχrɔnt/, /ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
abisme
/ˈɑfxɵnst/, /ˈɑfxʏnst/
noun
1. gevoel
enveja
verb
1. ~ van: naargelang iets verandert mee veranderen
dependre
adjective
dependent
noun
dependència
verb
1. niet geschikt verklaren
desaprovar
/ˌɑfkørənsˈʋardəx/
adjective
1. afkeuring verdienend
culpable
noun
1. het uitspreken van een negatief oordeel over iets
desaprovació
/'ʔɑfkulən/
verb
  1. 1. kouder worden
  2. 2. kouder doen worden
  3. 3. minder boos worden
refredar
adjective
1. komende van
originari
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
abreviatura
/ˈɑflat/
noun
1. een kwijtschelding van tijdelijke straffen die men zou moeten ondergaan na het sterven..
indulgència
verb
1. vrachtgoed van een dek of van open wagen lossen
descarregar
verb
1. de aandacht opvragen
distreure
noun
    1. 2. een woord dat middels toevoeging van een voor-, in- of achtervoegsel gevormd wordt uit een ander
    2. 3. een serie logisch uit elkaar volgende uitdrukkingen die laten zien hoe een bepaalde formule volgt uit definities en axioma's
    derivació
  1. 1. een gebeurtenis of activiteit die de gedachten op iets anders richt
    distracció
verb
1. brengen naar en achterlaten op de plek van bestemming
lliurar
noun
1. elk onderdeel van een tv-serie dat op regelmatige tijden wordt uitgebracht of uitgezonden
capítol
verb
  1. 2. geheel of gedeeltelijk voldoen
    amortitzar
  2. 1. de plaats innemen van
    rellevar
noun
2. een bedrag waarmee een schuld wordt afgelost in termijnen
pagament a termes
verb
1. de sessie binnen een programma beëindigen
sortir
noun
1. korte spreuk met een kernachtige boodschap
aforisme
/ˈɑf.pɛr.sɪŋ/
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
xantatge
verb
1. een pak slaag geven
batre
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
Àfrica
/afriˈkaːns/
adjective
1. komende van of betreffende het continent Afrika
africà
/afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
  1. afrikaans
  2. Afrikaans
noun
1. een verkeersweg waarlangs men naar beneden van een autoweg of autosnelweg af kan rijden
sortida
noun
1.
afrodisíac
verb
  1. 1. het vervangen van een getal met te veel decimalen door het meest dichtbije getal met het gewenste aantal decimalen
  2. 3. scherpe hoeken rond maken
arrodonir
verb
1. tot een einde brengen
  1. abolir
  2. suprimir
  3. abrogar
  4. renunciar a
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
adéu
noun
1. een uitrit die van een snelweg afvoert
sortida
verb
  1. 1. afdraaien
  2. 2. tot het einde toe spelen
  3. 3. iets door veelvuldig bespelen bederven en onbruikbaar maken
tocar
noun
1. een overeenkomst
acord
noun
descendent
/ˈɑfstɑnt/
noun
1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
distància
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
comandament a distància
verb
1. ontdoen van stof
desempolsar
/ɑf/, /ɑft/
noun
1. een kleine zweer in de mond ten gevolge van een virus
afta
noun
1.
dimissió
verb
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
restar
/ˈɑftrɛkɪŋ/
noun
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal van een ander getal afgetrokken wordt
subtracció
/ˈɑˌfaːrdəɣə(n)/
verb
1. iemand machtigen om iets te vertegenwoordigen, meestal een vereniging of een staat
delegar
noun
apòstata
noun
1. het ontrouw worden aan zijn geloof
apostasia
noun
expectació
noun
1. het sop waarin met het eetgerei schoonmaakt of -gemaakt heeft
aigua de fregar
adjective
1. niet op een bepaald tijdstip en plaats zijn
absent
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
absència
verb
1. een negatieve beslissing ergens over nemen
rebutjar
/'ɑfʋɛɪzɪŋ/
noun
1. een bericht dat op een voorstel of aanzoek niet ingegaan wordt
rebuig
noun
1. iemand die iets naar een adres verzendt
expedidor
verb
1. amputeren
amputar
/ˈɑfˌsɔnd(ə)rən/
verb
2. afscheiden
aillar
/ˈɑfzœʏχkɑp/, /ˈɑfzœːxkɑp/
noun
1. een huishoudelijk apparaat in de keuken dat de kookluchtjes moet afvoeren
campana d'aspiració
/ˈɑfzwɪːrə(n)/
verb
abjurar
noun
  1. 2. een stenen voorwerp bestaande of vervaardigd uit agaat
    àgata
  2. 1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
    1. àgata
    2. ágata
noun
1.
agapornis
/a.ˈɣɛn.da/, /a.ˈχɛn.da/
noun
  1. 1. een notitieboek waarin afspraken genoteerd worden
    agenda
  2. 2. een lijst van te bespreken punten op een vergadering
    ordre del dia
noun
agència
noun
1. elk van de toestanden, afhankelijk van druk en temperatuur, waarin een stof kan voorkomen
estat de la matèria
noun
àgio
noun
agnosticisme
noun
1. iemand die ten aanzien van het bovennatuurlijke stelt dat dit niet te kennen valt
agnòstic
adjective
agnòstic
noun
1. benaming voor Zuid-Amerikaans knaagdieren uit het geslacht Dasyprocta
agutí
noun
agorafòbia
noun
agressió
adjective
1. aanvallend
  1. agressiu
  2. agressiva
noun
  1. 1. de neiging tot agressie
  2. 2. het agressief zijn
agressivitat
/aɣriˈmoni/
noun
1. benaming voor overblijvende, kruidachtige planten uit het geslacht Agrimonia
agrimònia
noun
1. de landbouwkunde
agronomia
/a.ˈhɔrn/
noun
1. een boom of heester van het geslacht Acer.
acer
noun
xarop d'auró
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
  1. sida
  2. SIDA
pronoun
1. hoofdstad van de Franse regio Corsica
Aiacciu
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
Aquisgrà
/'akər/
noun
2. vrucht van de eik
gla
noun
1. bepaald soort plant, Lapsana communis
herba de les mamelles
noun
cua de cavall petita
noun
corretjola
noun
2. samenklank van drie of meer, verschillende tonen
acord
/ˌakusˈtik/
noun
1. de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting ...
acústica
noun
1. platte en rechthoekige tas
cartera
adverb
1. reeds
ja
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Alagoas
/ɑlɑr'merən/
verb
1. door alarm oproepen of bijeenroepen
alarmar
/ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
albanès
/ɑlˈbaːni.jə/, /ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
Albània
noun
alabastre
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
albatros
noun
alba
noun
het ontbreken van pigmentkleurstof in de huid
albinisme
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
alquímia
noun
alquimista
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
alcohol
noun
alcoholisme
noun
1. de overmatige consumptie van alcoholhoudende drank
abús de l'alcohol
noun
aldehid
pronoun
1. verzamelnaam voor een groep Duitse dialecten die gesproken worden door ongeveer zes miljoen mensen in Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Liechtenstein en Oost-Frankrijk
alamànic
pronoun
1. keten van vulkanische eilanden in Alaska ,die zich boogvormig uitstrekt en een scheiding vormt tussen de Grote Oceaan en de Beringzee
illes Aleutianes
noun
alexandrí
/ˈɑlfa/
noun
1. een aanduiding of markering van "de eerste" van een reeks
alfa
noun
de lettertekens van een taal
  1. alfabet
  2. abecedari
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
alfabètic
/ɑl.fa.bæː.tɪ.ˈzeː.rə(n)/, /ɑɫ.fa.be.ti.ˈzɪː.rə(n)/
verb
1. lezen en schrijven aanleren
alfabetitzar
noun
1. ontkiemde zaden van luzerne
alfals
/ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
àlgebra
noun
general
/ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
Algèria
adjective
1. Uit/afkomstig van Algerije
algerià
/ɑɫˈxiːrs/, /ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
Alger
noun
  1. algorisme
  2. algoritme
adverb
1. in deze plaats
aquí
/ˈaː.liˌbi/
noun
1. het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad,...
  1. coartada
  2. àlibi
/aˈlinija/
noun
alinea
/ɑlk/
noun
1. bepaald soort zeevogel die veel op de zeekoet lijkt, maar een dikkere snavel heeft
cauet
noun
alcà
noun
àlcali
noun
1. een stikstof bevattende plantenbase
alcaloide
noun
alquè
noun
1. een kleine raamloze zijkamer, vaak gebruikt als slaapkamer
alcova
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
Al·là
adjective
quotidià
/ɑl.ˈen/
adjective
1. zonder gezelschap
sol
/ɑl.ˈen/
adverb
1. slechts
només
adjective
1. betrekking hebbend op het uitbeelden van een abstract begrip
al·legòric
/ɑ.ˈlɛl/, /ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
al·lel
noun
  1. alemanda
  2. alemanya
noun
1. stof die overgevoeligheid veroorzaakt
al·lergen
/ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
al·lèrgia
adjective
1. overgevoelig
al·lèrgic
noun
wetenschap die allergieën bestudeert
al·lergologia
pronoun
1. een rooms-katholieke feestdag op 1 november ter gezamenlijke verering van alle heiligen van de Kerk
Tots Sants
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
tot
noun
omnívor
noun
1. een bondgenootschap
aliança
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
  1. alligàtor
  2. al·ligàtor
noun
al·literació
adjective
  1. 1. uit een ander land of plaats afkomstig
  2. 2. (van gesteenten) zich bevindend op een andere tectonische plaat na een overschuiving
al·lòcton
noun
1.
al·lòfon
adjective
al·luvial
/ɑˈlʏvijʏm/
noun
1. los materiaal (regoliet) dat als sediment door een rivier is afgezet
al·luvió
/ɑɫmɑxt/
noun
1. absolute macht, macht over alles
omnipotència
adjective
omnipotent
noun
almanac
noun
alnico
noun
omnipresència
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
àloe
noun
1. bepaald soort succulent, Aloe vera
àloe vera
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier Vicugna pacos
    alpaca
  2. 2. zilverkleurige metaallegering
    plata alemanya
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
Alps
noun
1. bepaald soort overblijvende plant die te vinden is in de meeste Europese gebergtes, Pulsatilla alpina
anemone alpina
adjective
alpí
verb
1. sport waarbij men op ski's een heuvel of berg afdaalt.
esquí alpí
noun
1. bepaald soort Zuid-Europese verdovende en bedwelmende overblijvende plant
mandràgora
/ɑls/, /ɑs/
conjunction
2. indien
si
phraseologicalUnit
1. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
quan el gat no hi és, les rates ballen
conjunction
1. en ook
així com
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
per favor
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Altar
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
altar
/ɑltərnaˈtif/
noun
1. een andere mogelijkheid of methode
alternatiu
noun
alternador
verb
1. (elkaar) min of meer regelmatig afwisselen
alternar
conjunction
1. geeft in het tweede gedeelte meer specifiek aan wat er bedoeld wordt
almenys
adverb
  1. 1. op elk moment, blijvend
  2. 2. telkens opnieuw
  3. 3. in elk geval
sempre
noun
altruisme
adjective
1.
altruista
noun
1. altsaxofoon
saxòfon alt
/ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
viola
/alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
alumini
noun
bronze d'alumini
noun
alburn
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
pàncrees
/amɑl'ɣaːm/
noun
1. kwiklegering
amalgama
noun
  1. 1. kleine bladverliezende loofboom, Amygdalus dulcis
    ametlla
  2. 1. eetbare pit van de amandelvrucht
    1. ametller
    2. ametlla
noun
ametller
noun
1. een mengsel van amandelen en suiker dat wordt gebruikt in o.a. gevulde speculaas en boterletters
massapà
noun
lleteresa de bosc
noun
1. of 2. (zaden van) geslacht Amaranthus
amarant
noun
esmeril
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
aficionat
noun
1. vrouw die iets als hobby doet en dus niet beroepsmatig
aficionada
pronoun
  1. Riu Amazones
  2. Amazones
noun
2. een vrouwelijke ruiter
amazona
noun
1. een handwerkvak dat vaak aanzienlijke vaardigheden vereist
artesania
adjective
1. volgens de methoden van het oude ambacht
artesanal
noun
spondias dulcis
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
  1. ambaixada
  2. embaixada
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
ambaixador
/ɑmˈbi(t)si/
noun
ambició
adjective
1. vol van de wens en het vertrouwen om iets te bereiken
ambiciós
adjective
1. op hetzelfde moment twee verschillende, meestal positieve en negatieve, waardes hebbend
ambivalent
noun
1.
ambivalència
noun
ambrosia
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
ambulància
adjective
1. in staat om te lopen
ambulatori
pronoun
Ameland
noun
americi
/aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
Amèrica
noun
2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
americà
adjective
1. betreffende of komende van Amerika
  1. americà
  2. estatunidenc
noun
1. bepaald soort snelgroeiende boom, Quercus rubra
roure americà
noun
1. bepaald soort struik, Hamamelis virginiana
hamamelis
noun
1. een vaak prachtig violet gekleurde vorm van kristallijn kwarts, die kleine hoeveelheden titaan en ijzer bevat
ametista
noun
stimulerend middel, uit de groep van de wekaminen
amfetamina
noun
1. in water en op land levend dier
amfibi
adjective
1. geschikt zowel voor in het water als op het land
amfibi
noun
amfiteatre
noun
1. een door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
àmfora
adjective
1.
amfòter
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
amhàric
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
amhàric
noun
1. een organische verbinding die kan worden beschouwd afgeleid te zijn van ammoniak...
amina
noun
aminoàcid
noun
1. een chemische verbinding van stikstof en waterstof
amoníac
noun
amoni
noun
1. NH₄NO₃, het ammoniumzout van salpeterzuur
nitrat d'amoni
noun
munició
noun
1. geheugenverlies
amnèsia
noun
1. een verklaring dat afgezien zal worden van strafvervolging voor een bepaalde groep
amnistia
noun
1. lamsvlies, het binnenste der eivliezen van het embryo in het moederlichaam
amni
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
ameba
/a.'mɔrf/
adjective
1. niet geordened
amorf
/aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
Amós
noun
amplitud
noun
amplitud modulada
noun
amputació
verb
1. een lichaamsdeel chirurgisch verwijderen
amputar
noun
ampere
noun
1. stroommeter
amperímetre
/ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
Amsterdam
verb
1. op aangename wijze een indruk op iemand maken, iemand doen (glim)lachen
divertir
noun
amilasa
adjective
1. met betrekking tot de darmuitgang van de mens
anal
noun
1. opbouw bij de stofwisseling waarbij simpele stoffen omgezet worden tot chemisch ingewikkeldere stoffen
anabolisme
noun
anacoreta
noun
anacronisme
/ɑnakroˈnɪstis/
adjective
1. niet passend in de tijdsvolgorde of in de periode waarin het wordt gepresenteerd
anacrònic
/anaˈkɔnda/
noun
1. zeer grote en zware wurgslang uit het geslacht Eunectes
anaconda
/ˌa.na.fi.lɑkˈsi/
noun
1. een medische term voor een snelle systemische allergische reactie
anafilaxi
noun
anagrama
noun
1. seks waarbij de anus en het rectum een rol spelen
sexe anal
noun
1. iemand die niet kan lezen of schrijven
analfabet
noun
1. het voorkomen van mensen die niet kunnen lezen of schrijven
analfabetisme
noun
1. een pijnstiller
analgèsic
noun
analista
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
analogia
/ɑnɐ'liːzə/
noun
anàlisi
verb
1. gedetailleerd en nauwkeurig bekijken
analitzar
noun
1. een vraaggesprek naar de ziektegeschiedenis
anamnesi
noun
anamorfosi
noun
1. een vrucht van de ananasplant
  1. pinya
  2. ananàs
noun
anarquia
noun
anarquisme
noun
anarquista
adjective
1. betrekking hebbend op anarchisme
anàrquic
noun
anatomia
adjective
1. met betrekking tot de anatomie
anatòmic
noun
1. een persoon die kennis draagt van de (menselijke) anatomie
anatomista
adjective
andalús
pronoun
Andalusia
pronoun
Andalusia
adjective
1. niet deze
altre
noun
1. diegene die je niet zelf bent
altre
pronoun
Andes
noun
andesita
noun
1. Cichorium endiva, een eetbaar eenjarig gewas dat nauw verwant is aan witlof
endívia
noun
betònica
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
Andorra
adjective
1. van/uit Andorra
andorrà
noun
1. kruis van twee even lange, schuingeplaatste balken
creu de Sant Andreu
noun
1. mannelijk geslachtshormoon
androgen
noun
androgínia
noun
andròleg
pronoun
  1. 1. mythologische figuur
  2. 2. sterrenbeeld
Andròmeda
noun
androide
/a.nɛg.ˈdo.tə/
noun
1. een amusant, kort verhaal
anècdota
adjective
anecdòtic
noun
1.
anèmia
adjective
1. aan bloedarmoede lijdend
anèmic
/ɑnəmon/
noun
1. een plant van het geslacht Anemone
anemone
noun
anestèsia
noun
1. leer van de Engelen
angelologia
/ɑŋəl'sɑksis/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die tussen ca. tussen 400 en 1100 werd gesproken en die geldt als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels
anglosaxó
noun
1. hartkramp, pijn op de borst
angina de pit
noun
angiotensina
noun
anglicanisme
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Engels of gevormd naar Engels voorbeeld
anglicisme
/ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
Angola
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
por
pronoun
Anguilla
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
anís
noun
1. het zaad van de anijsplant
anís
noun
anió
noun
clavell
/ˈɑ.nʲər.re.voˌly.si/, /ˈɑ.ɲər.re.voˌly.tsi/
pronoun
1. geweldloze militaire staatsgreep
revolució dels Clavells
noun
  1. 1. onderdeel van een vaartuig
  2. 2. muuranker
  3. 3. onderdeel van een uurwerk
àncora
verb
  1. 1. het anker uitgooien met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen
  2. 4. iets vastmaken/vastzetten met ankers
ancorar
pronoun
1. meisjesnaam
Anna
/ˌɑnɛkˈsatsi/
noun
1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
annexió
/ˌɑnɛkˈsɪːrə(n)/
verb
1. het toeëigenen van een grondgebied
annexar
noun
2. aankondiging
anunci
/ɑny'lerə/
verb
1. iets afgelasten
anul·lar
adjective
1. naamloos
anònim
noun
1. verwijderen van gegevens die zouden kunnen leiden de tot identificatie van de persoon
anonimització
adjective
1. (medisch) lijdend aan of betrekking hebbend op anorexia nervosa
anorèctic
noun
1. magerzucht, eetstoornis
anorèxia
noun
1. verlies van eetlust
anorèxia
adjective
1. niet tot de koolstofverbindingen behorend
inorgànic
/a.nɔsˈmi/
noun
anòsmia
noun
anòxia
noun
1. een postkaart met een afbeelding
postal
noun
anxova
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
Antàrtida
noun
1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
antena
noun
antibiòtic
noun
antichrist
noun
1. een weinig spannende, soms teleurstellende ontknoping van het verhaal
anticlímax
noun
1. een deeltje waarvan een aantal fysische eigenschappen dezelfde zijn, maar andere eigenschappen (waaronder de lading) precies tegengesteld
antipartícula
/ˌɑntideprɛˈsivʏm/
noun
1. een middel tegen ziekelijke neerslachtigheid
antidepressiu
noun
1. geneesmiddel ter behandeling van suikerziekte
antidiabètic
noun
1. een tegengif
antídot
adjective
  1. 1. oud, maar waardevol
  2. 2. met betrekking tot de klassiek Grieks-Romeinse oudheid
antic
noun
1. oude kunst-, sier- en gebruiksvoorwerpen, die verzameld en verhandeld worden
antic
noun
1.
antifonari
noun
1. vers dat gezongen wordt als inleiding of afsluiting van een psalm
antífona
noun
antífrasi
noun
1. lichaamsvreemde afweeropwekkende stof
antigen
/ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
Antigua i Barbuda
noun
1. een hoofdpersonage in een verhaal met niet de typerende positieve eigenschappen van een held
antiheroi
adjective
1.
anticlerical
noun
  1. anticós
  2. anticòs
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
Antilles
/ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
antílop
noun
1.
antimatèria
noun
antimoni
pronoun
1. een provinciehoofdstad in Turkije
Antioquia
noun
1. stof die reacties tegengaat waarbij elektronen worden uitgewisseld
antioxidant
noun
1.
antipirètic
noun
antiquari
noun
1. winkel of bedrijf dat oude en tweedehands boeken verhandelt en verkoopt
llibreria d'ocasió
noun
iemand met antisemitische denkbeelden
antisemita
noun
antisèptic
noun
1.een middel dat gebruikt worden om de natuurlijke stollingsneiging van het bloed te onderdrukken
anticoagulant
noun
1. het tegenovergestelde
antítesi
noun
antitoxina
noun
1. een stof die veelal aan koelwater wordt toegevoegd om het vriespunt ervan te verlagen om bevriezen ervan te voorkomen
anticongelant
adjective
1. tegengesteld van betekenis
antònim
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
antònim
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
adjective
antracita
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
noun
1. een vorm aan steenkopl die hoge temperatuur heeft gehad
antracita
noun
antropologia
noun
antropòleg
noun
antropomorfisme
noun
1. de studie naar de oorsprong van de voor- en familienamen van mensen.
antroponímia
/ˈantˌwɛrpə(n)/, /ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Anvers
/ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
resposta
noun
contestador
/ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
  1. contestar
  2. respondre
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
anus
noun
ansiolític
/aˈɔrta/
noun
1. de slagader die van het hart naar het lichaam, behalve de longen, loopt
aorta
adjective
  1. 1. op zichzelf, afzonderlijk van het andere
  2. 2. bijzonder, opmerkelijk
particular
noun
apartheid
noun
1. lusteloosheid
apatia
pronoun
1. gebergte
Apenins
noun
2. internetsymbool @
arrova
noun
1. een eetlust opwekkende alcoholische drank die voor de maaltijd genuttigd wordt
aperitiu
adjective
1. de punt, de kop, de kruin betreffende
apical
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
apocalipsi
adjective
apocalíptic
noun
1. wegval van slotklank
apòcope
adjective
1. niet als gezaghebbend erkend
apòcrif
adjective
apodíctic
noun
apogeu
adjective
1.
apolític
noun
1. een mondelinge of schriftelijke verdediging van een persoon, zaak of leer tegen onrechtvaardige aanvallen
apologia
noun
apòleg
noun
1. geprogrammeerde celdood
apoptosi
noun
aporofòbia
/ɑˈpɔstəl/
noun
1. leerling van Jezus
apòstol
adjective
apostòlic
noun
2. aanspreking van afwezige personen of zaken
apòstrofe
/apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
farmàcia
noun
farmacèutic
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
aparell
noun
1. een afzonderlijke woning in een groter gebouw
pis
/ɑ.ˈpɛl/, /ɑ.ˈpɛɫ/, /ˈɑ.pəl/, /ˈɑ.pəɫ/, /ˈɑpəɫ/
noun
1. vrucht
poma
noun
1. boom waaraan appels groeien
pomera
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
suc de poma
/ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
taronja
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
pastís de poma
/ɑˈpɛndɪks/
noun
2. wormvormig aanhangsel
apèndix
/ɑplɔudi'serə/
verb
1. in de handen klappen om goedkeuring of bewondering te tonen
aplaudir
/ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
aplaudiment
/ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
abril
pronoun
Pulla
noun
nog uit te zoeken
aquarel·la
/ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
  1. aquari
  2. aquàrium
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
  1. ara
  2. guacamai
noun
arabesc
/ˌɑ.ra.ˈbiːr/
noun
1. een persoon met het Arabisch als moedertaal
àrab
/ɑ'rabis/
adjective
1. verwijzend naar de Arabische taal,cultuur,het alfabet of Arabië
àrab
/ɑ'rabis/
pronoun
  1. 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
    àrab
  2. 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
    1. àrab
    2. Àrab
pronoun
Aràbia
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van de spinachtigen
aracnologia
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noord-Australië en de oostelijke eilanden van Indonesië
mar d'Arafura
pronoun
Aragó
noun
1. Een inwoner van Aragon
  1. aragonès
  2. aragonesa
pronoun
1. taal gesproken in Aragon
aragonès
/araˈmes/
adjective
arameu
pronoun
1.
aranés
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
treball
verb
1. werk verrichten
treballar
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
obrer
noun
moviment obrer
noun
1. inkomsten die men ontvangt door het uitvoeren van werk
salari
noun
1. ongeval dat tijdens het werk (of onderweg van en naar het werk) optreedt, bedrijfsongeval
accident de treball
noun
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
dret laboral
noun
àrbitre
noun
  1. systeem van gelijktijdige prijsbepaling
    arbitratge
  2. resultaat van het handelen van een arbiter
    decisió
adjective
arbitrari
pronoun
Arcàdia
adjective
1. behorend tot of betrekking hebbend op een zeer oud tijdperk
arcaic
noun
arcaisme
/ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
arqueologia
adjective
1.
arqueològic
noun
arqueòleg
noun
arquetip
noun
arxiu
noun
1. een eilandengroep
arxipèlag
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
arquitecte
noun
1. de bouwstijl van een gebouw
arquitectura
noun
arquitrau
/ɑrxivaːrɨs/
noun
1. een persoon die een archief beheert
arxiver
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
arxivar
pronoun
1. naam voor het noordpoolgebied
Àrtida
adjective
àrtic
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
Oceà Àrtic
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Ardecha
noun
àrea
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Àguila
noun
1. roofvogel
  1. àliga
  2. àguila
adjective
1. zonder zich van mogelijk gevaar bewust te zijn
càndid
/ˌɑrɣɛnˈtɛɪ̯n/, /ˌɑrɣɛnˈtɛːn/, /ˌɑrχɛnˈtɛɪ̯n/
noun
1. iemand van Argentijnse komaf
argentí
/ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
Argentina
noun
arginina
/ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
argó
/ˌɑrɣyˈmɛnt/
noun
1. een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
argument
noun
ària
/arijaˈnɪsmə/
noun
1.
arrianisme
noun
1. een persoon die lid is van de aristocratie
aristòcrata
noun
1. een regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten
aristocràcia
adjective
1. volgens de principes van een aristocratie
aristocràtic
noun
1. onregelmatige hartslag
arítmia
noun
arca
/ɑrṃ/
noun
1. lichaamsdeel
braç
noun
1. sieraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
braçalet
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
adjective
1. betreffende Armenië of het Armeens
armeni
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Armenië
armeni
pronoun
genocidi armeni
/ɑrˈmeni.jə/, /ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
Armènia
noun
reposabraços
/ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
pobresa
noun
1. een hoeveelheid die men in één keer in zijn armen kan dragen
braçada
pronoun
Arnhem
noun
1. (aangename) geur van spijzen, dranken, genotmiddelen enz
aroma
/aroˈmans/
pronoun
1. een Romaanse taal die in de Balkan gesproken wordt
aromanès
adjective
  1. 1. met geurstof
  2. 2. voldoende aan de regel van Hückel
aromàtic
noun
arpegi
/ɑrpiˈtaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Frankrijk, Italië en Zwitserland
Arpità
noun
2. muziekbewerking
arrangement
noun
1. een aanhouding door de sterke arm der wet
detenció
verb
1. van overheidswege in hechtenis nemen
arrestar
adjective
arrogant
noun
arrogància
noun
arsènic
noun
1. stijlbeweging
art déco
noun
  1. 1. kunstvoorwerp of -product
  2. 4. een bewerkt voorwerp uit prehistorische tijd
  3. 5. een kunstmatig veroorzaakte misvorming; zelf toegebracht letsel
artefacte
adjective
1. met betrekking tot de arteriën
arterial
noun
arteriosclerosi
noun
artista
adjective
1. kunstmatig
artificial
/ɑrˈtiːkəl/
noun
4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
article
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
artilleria
adjective
1. (economie) op de originele of traditionele manier gemaakt
artesanal
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
  1. carxofera
  2. carxofa
noun
1. gewrichtsontsteking
artritis
noun
1. een aandoening van het gewrichtskraakbeen
artrosi
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
metge
/a.ˈru.ba/, /a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Aruba
noun
  1. 2. lijn
    eix
  2. 1. verbrandingsrest
    cendra
/ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
cendrer
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
  1. asbest
  2. amiant
noun
ascetisme
noun
àcid ascòrbic
noun
asexualitat
noun
asfalt
noun
asil
pronoun
1. hoofdstad van Turkmenistan
Aşgabat
noun
aspartam
noun
1. een kant of zijde
aspecte
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
espàrrec
noun
1. een middel tegen allerlei kwalen met als werkzame stof acetylsalicylzuur
aspirina
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land. Hoofdstad is Dispur
Assam
pronoun
1. een taal die in Assam, een staat in India, gesproken wordt
assamès
/ˈɑsəˌpustər/
pronoun
1. het meisje dat hoofdpersoon is het het gelijknamige sprookje
Ventafocs
/ɑsɛrˈtif/
adjective
assertiu
noun
1. het opkomen voor jezelf zonder agressief over te komen
assertivitat
verb
1. doen opgaan van een minderheidsgroep in een gevestigde gemeenschap
assimilar
noun
associació
verb
1. tot compagnon maken of nemen
associar
noun
assonància
noun
1. aanbod van producten
assortiment
noun
àstat
noun
1. scheikundig element met symbool At en atoomnummer 85
àstat
noun
2. een bloem van de aster
àster
/ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
asterisc
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
asteroide
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
asma
noun
1. iemand die lijdt aan de longziekte astma
asmàtic
/ɑstrolo'gi/
noun
1. de leer die gebeurtenissen aan het hemelgewelf in verband brengt met gebeurtenissen op aarde
astrologia
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
astròleg
noun
astrometria
/ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
astronauta
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomia
adjective
astronòmic
noun
astrònom/astrònoma
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Asturië
asturià
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Astúries
noun
1. eerste dag van de vastentijd
Dimecres de cendra
adverb
asimètric
adjective
1. zonder ziekteverschijnselen
asimptomàtic
/a.sɪmp.ˈtot/
noun
1. een lijn die door een kromme of functie willekeurig dicht benaderd wordt, maar deze nooit raakt
asímptota
adjective
asíncron
/atɑkˈsi/
noun
1. een onzekere gang bij het lopen
atàxia
noun
1. de werkruimte van een kunstenaar
taller
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
Atenes
/ˌa.te.ˈjɪsmə/, /ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
ateisme
/ˌa.te.ˈjɪst/, /ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
ateu
pronoun
1. mythologisch eiland
Atlàntida
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
  1. Oceà Atlàntic
  2. Atlàntic
pronoun
  1. 1. figuur uit de Griekse mythologie
  2. 2. gebergte in Noord-Afrika
Atles
noun
  1. 1. een boek dat geografische kaarten bevat
  2. 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
  3. 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
atles
/ɑtlet/
noun
1. iemand die grote prestaties op sportief gebied verricht
atleta
noun
sporttak waarin vooral lopen, springen en werpen aan bod komen
atletisme
adjective
atlètic
noun
  1. 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
  2. 2. een stemming.
  3. 2. eenheid.
atmosfera
adjective
atmosfèric
noun
atol
adjective
atonal
noun
atonalitat
noun
àtom
noun
nucli atòmic
noun
rellotge atòmic
noun
1. de massa van een atoom, uitgedrukt in de atomaire massa-eenheid u
massa atòmica
noun
1. de kernlading van een atoom
nombre atòmic
noun
  1. 2. centraal vertrek
  2. 1. deel van het hart
atri
noun
1. verschrompeling van organen
atròfia
noun
agregat
noun
1. schriftelijk bewijs
certificat
noun
  1. 2. bewijsplaats voor het bestaan van een woord in het verleden
  2. 1. formele getuigenverklaring
atestació
noun
1. het afleggen van een formele verklaring; het afleggen van een formele getuigenis
certificació
noun
1. houding
actitud
noun
1.
attòmetre
noun
atribució
/ɑtrɪbʏˈtif/
adjective
1. wanneer het voor een zelfstandig naamwoord geplaatst wordt
atributiu
noun
4. tot het wezen (de entiteit) behorende eigenschap
atribut
adjective
1. afwijkend van het gemiddelde
atípic
/obɛrˈʒinə/
noun
2. purperachtige, vlezige vrucht
albergínia
adjective
1. zichtbaar en hoorbaar
audiovisual
adjective
1. met betrekking tot het gehoor
auditiu
noun
ferroceri
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Augsburg
/ʌuˈɣɵrk/, /ʌˈʝʏrk/
noun
1. kleine, in het zuur ingemaakte komkommer
cogombret
/aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
agost
/ˈʌurɑ/
noun
  1. 1. energieveld
  2. 2. beginverschijnselen van een aanval
aura
noun
1. luisteren naar lichaamsgeruis van bijv. hart of longen
auscultació
verb
1. luister naar de geluiden in het lichaam
auscultar
/aʊ̯ˈstraːlɪs/, /ɔʊ̯ˈstraːlis/, /ʌʊ̯ˈstralis/
adjective
1. van Australië
australià
pronoun
1. Australisch territorium waarin de federale hoofdstad Canberra gelegen is
Territori de la Capital Australiana
/aʊ̯ˈstraːli.jə/, /ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
Austràlia
/ɑustro'nezis/
adjective
behorend tot groep van talen
austronèsic
noun
autarquia
/oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
autor
noun
1. (telecommunicatie) (informatica) het proces waarbij iemand nagaat of een gebruiker,...
autenticació
noun
autenticitat
adverb
autèntic
/ʌuˈtɪsmə/, /ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
autisme
/ʌuˈtɪstɪs/, /ʌˈtɪstɪs/
adjective
1. lijdend aan autisme
autista
/ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
  1. cotxe
  2. automòbil
adjective
1. met betrekking tot afweerstoffen gericht tegen de eigen lichaamsweefsels
autoimmune
noun
autobiografia
adjective
autobiogràfic
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
autobús
adjective
1. oorspronkelijk in een bepaald gebied thuishorend
autòcton
noun
autocràcia
adjective
autocràtic
noun
autoginefília
noun
autòlisi
adjective
  1. 1. niet bestuurd door de hand van de mens
  2. 2. vanzelfgaand
  3. 3. gedachteloos
automàtic
verb
1. automatisch doen werken
automatitzar
noun
automatització
noun
automatisme
noun
1. een bestuurder van een auto
automobilista
/aʊ̯.to.no.ˈmi/, /ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
autonomia
/ˌʌʊtoˈnom/
adjective
1. op zichzelf staand
autònom
noun
patinet
noun
1. een lijkschouwing
autòpsia
/ˈɑʊ̯.to.ˌrɛɪ.sxol/
noun
autoescola
adjective
autoritari
noun
1. weg voor snelverkeer (dat sneller kan en mag rijden dan 60 km per uur), met gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen
autopista
noun
1. een chromosoom dat geen geslachtschromosoom (heterosoom) is; homoloog chromosoom
autosoma
/ɑu̯ˈtri.sə/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
autora
pronoun
1. voormalige regio in Centraal-Frankrijk
Alvèrnia
/'avatɑr/
noun
2. (informatica) een kleine afbeelding die een bepaalde gebruiker symboliseert
avatar
/avə'rɛi/
noun
avaria
adjective
aviari
pronoun
1. een stad in Frankrijk
Avinyó
/ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
  1. alvocat
  2. alvocater
/ˌavoˈkadobom/
noun
1. immergroene boom uit Midden-Amerika die de avocadoperen voortbrengt
alvocater
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
  1. vespre
  2. capvespre
  3. poqueta nit
noun
1. een maaltijd die 's avonds genuttigd wordt
sopar
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
toc de queda
adjective
1. gedurende de avond
de la tarda
noun
1. iemand die graag het avontuur opzoekt
aventurer
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
aventura
noun
2. neiging om ongewone dingen te willen beleven
afany d'aventures
noun
1. een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden
axioma
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
aiatol·là
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
aimara
noun
1. sierstruik van het geslacht rhododendron
azalea
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
Azerbaidjan
adjective
1. afkomstig uit of betreffend Azië
asiàtic
/aˈzɛɪn/, /aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
vinagre
noun
1. CH₃COOH
àcid acètic
noun
anhídrid acètic
/azimɵt/
noun
1. horizontale hoek
azimut
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
Àsia
pronoun
Açores
pronoun
1.
Costa Blava
noun
atzur
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
badia
noun
1. een stapel bijeengebonden plantaardig materiaal zoals hooi of tabak
bala
/baːn/
noun
    1. 2. verkeersweg
    2. 6. bovenblad van aambeeld
    via
  1. 3. traject van een projectiel/hemellichaam
    òrbita
/baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
barba
noun
3. bepaald soort vogel, Panurus biarmicas
mallerenga de bigotis
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
  1. matriu
  2. úter
noun
1. smal en buisvormig gedeelte van de baarmoeder dat aan een kant in de vagina eindigt ...
coll uterí
noun
1. stekelvinnige riviervis
perca
verb
1. gezellig praten over zaken van weinig belang
xerrar
noun
metall de Babbitt
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
bebè
noun
biberó
adjective
1.
bàquic
noun
1. benaming voor soorten uit de klasse Bacilli
bacil
noun
1. een reservekopie van bestanden en andere gegevens die wordt gemaakt voor het geval het origineel verloren gaat
còpia de seguretat
noun
bacteri
noun
plantenziekte veroorzaakt door de bacterie
foc bacterià
/bɑkteriɔfaɣ/
noun
1.
bacteriòfag
noun
1. een wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van bacteriën
bacteriologia
adjective
bacteriològic
noun
1. een wetenschapper die zich bezighoudt met de bacteriologie
bacteriòleg
noun
1. de aanwezigheid van bacteriën in het bloed
bacterièmia
/bɑt/
noun
1. voorwerp waarin men zich wast met water
bany
verb
  1. 1. een bad nemen
  2. 3. in bad doen
banyar
pronoun
1.
Baden-Württemberg
noun
1. grote handdoek gemaakt van badstof om (delen van) het lichaam af te drogen na het wassen
tovallola de bany
noun
barnús
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
  1. bany
  2. cambra de bany
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
  1. banyador
  2. vestit de bany
/ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
banyera
noun
socorrista
noun
1. een sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
bàdminton
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
  1. banyador
  2. vestit de bany
noun
1.
Badia de Baffin
/ba.ˈɣaːʃ/, /ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
equipatge
noun
1. een aanhangwagen voor het vervoer van bagage
carro de maletes
verb
1. iets ernstigs onbelangrijk doen voorkomen
minimitzar
/ba.ˈha.mas/, /ba.ˈɦa.mas/, /bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
Bahames
/ba.ˈrɛɪ̯n/, /bɑx.ˈrɛːn/, /bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
Bahrain
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
baioneta
noun
1. de linkerzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
babord
noun
baquelita
noun
1. een markering, meer in het bijzonder gebruikt in de lucht- en scheepvaart...
balisa
noun
bressol
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
fornejar
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
forner
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
  1. fleca
  2. forn
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
Bakú
noun
1. speciaal geprepareerd papier dat in de oven gebruikt wordt om te bakken etenswaar niet aan de bakplaat of de bakvorm te laten kleven
paper vegetal
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
maó
noun
1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
pilota
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
balalaica
verb
1. evenwicht behouden om er niet vanaf te vallen
equilibrar
/balaˈnitɪs/
noun
1. ontsteking van de eikel bij de man.
balanitis
noun
  1. 3. (economie) een volledige opsomming van de waarde van alle bezit en alle tegoeden en ...
    balanç
  2. 1. evenwicht
    equilibri
noun
1. stoffen overdekking als ornament, meestal boven een troon, altaar of hemelbed
dosser
pronoun
Illes Balears
/bɑlk/, /bɑɫk/
noun
2. veelvlak met 6 rechthoekige zijvlakken, 8 hoekpunten en 12 ribben
ortoedre
pronoun
1. gebied...
Balcans
verb
1. een land staatkundig in kleine, onderling vijandige, onderdelen versnipperen
balcanitzar
/ˈbɑlkə(n)/, /ˈbɑɫkə(n)/
verb
1. het geluid van een ezel maken
bramar
noun
1. een bouwkundig onderdeel
balcó
noun
balada
noun
1. vervanging van de nuttige lading door iets dat voldoende weegt om een schip te stabiliseren
llast
noun
1.
aplegapilotes
noun
1.
aplegapilotes
noun
1. een artistieke dansvorm
ballet
noun
1. gedwongen verblijf elders dan waar men thuis is
exili
noun
1. leer die de banen van projectielen bestudeert
balística
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
  1. globus
  2. baló
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
  1. bolígraf
  2. boli
noun
vinagre balsàmic
noun
bàlsam
noun
esport de pilota
noun
1.huidplooi waarin de testikels liggen
escrot
pronoun
1. de nationale taal van Mali
  1. bambara
  2. bamana
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
bambú
noun
brot de bambú
noun
1. een vrucht van de bananenboom
  1. banana
  2. plàtan
noun
  1. 1. een van de Midden-Amerikaanse staten zoals Honduras, Nicaragua, El Salvador of Guatemala, eens zo genoemd vanwege de bananenindustrie die daar alles overheerste
  2. 2. een in politiek en economisch opzicht corrupt en instabiel land, dat bovendien vaak rijk is aan grondstoffen
república bananera
noun
1. de schil van een banaaan
pela de plàtan
noun
1. ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
pneumàtic
noun
1. een schurk of misdadiger
bandit
/ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
  1. Bangla Desh
  2. Bangladesh
noun
    1. 3. een financiële instelling
    2. 4. een ondiepte in het water
    banc
  1. 1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon
    sofà
noun
1. een betaalmiddel van papier
bitllet
/bɑŋ'kɛt/
noun
1. een feestelijke, officiële maaltijd
banquet
noun
1. een bakker die voornamelijk taarten, klein gebak en chocolade maakt
pastisser
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het vervaardigen van gebak, taart en andere lekkernijen
pastisseria
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
banquer
noun
1. een rekening-courant bij een bank
compte bancari
noun
1. toestand van iemand die niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen
bancarrota
noun
1. een handig hulpmiddel om werkstukken in vast te houden
mordassa
/ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
exiliat
noun
banshee
/ˈbɑntu/
noun
1. lid van een volk
bantu
noun
bàrbar
adjective
2. strijdig met zeden en gewoonten van de beschaafde, gecultiveerde samenleving
bàrbar
/ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
Barbados
/bɑrbɑˈrɪzmə/
noun
1. woord of uitdrukking uit een andere taal
barbarisme
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in de middenlopen van rivieren, Barbus barbus
barb
noun
1. Een slaapmiddel in de vorm van een barbituurzuur verbinding
barbitúric
pronoun
Barcelona
noun
1. (informatica) een op artikelen, verpakkingen afgedrukte reeks smalle en brede streepjes waarmee in gecodeerde vorm productinformatie is vastgelegd die met een scanner kan worden gelezen
codi de barres
/bɑrt/
noun
1. middeleeuws dichter en zanger bij de Kelten
bard
verb
1. op de wereld brengen
donar a llum
noun
Mar de Barentsz
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
boina
noun
baritina
noun
1. een mannenstem tussen bas en tenor
baríton
noun
bari
noun
ambre
noun
1. een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
barroc
/ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
baròmetre
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
baró
noun
1. vrouwelijke baron
baronessa
noun
baronia
noun
3. beslissingsronde
presa
noun
1. straatversperring die de doorgang door een straat onmogelijk maakt
barricada
verb
1. heftig breken of uiteenspatten
esclatar
noun
barió
noun
baix relleu
adjective
  1. 2. aan de basis liggend
  2. 1. fundamenteel
basal
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
basalt
noun
  1. 1. stof die een of meer hydroxylgroepen bevat en in een waterige oplossing OH-ionen afsplitst
  2. 2. ion of molecuul dat de neiging heeft een proton op te nemen
base
/baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
  1. alfàbega
  2. alfàbrega
noun
basílica
noun
1. fabeldier
basilisc
noun
1. grondslag
base
noun
1.
noció
noun
1. scholing voor kinderen van 4 tot 12 jaar
educació primària
/'bɑskən,lɑnd/
pronoun
  1. 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
  2. 3. Spaanse autonome regio
País Basc
noun
  1. 1. sport
  2. 2. bal
  1. basquetbol
  2. bàsquet
adjective
  1. 1. met betrekking tot de Basken
  2. 2. met betrekking tot de Baskische taal
basc
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
  1. basc
  2. èuscar
noun
1. geurige rijstzaden
arròs Basmati
noun
1. bassaxofoon
saxòfon baix
noun
1. contrabasspeler
baixista
noun
1. een kind dat niet geboren is uit een wettig huwelijk
bastard
noun
batalló
noun
1. een fijn, doorschijnend weefsel dat gemaakt kan zijn van linnen, wol, katoen, zijde of zelfs kunstzijde
batista
noun
1. stokje dat een dirigent bij het dirigeren hanteert
batuta
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
bateria
noun
1. een mineraal dat een belangrijk erts van aluminium vormt. Bauxiet bestaat voor een groot deel uit aluminiumoxide...
bauxita
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
  1. babuí
  2. papió
pronoun
1. stad in Zwitserland
Basilea
noun
respirador mèdic
/bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
respondre
noun
Generació beat
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
barbut
verb
1. met bomen bedekken
aforestar
verb
1. van commentaar voorzien
comentar
noun
becquerel
/bɛd/, /bɛt/
noun
1. een meubel gemaakt om in te slapen
llit
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
gràcies
/bə'darə(n)/
verb
1. tot rust komen
asserenar-se
verb
1. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
cobrir
verb
1. om een aalmoes vragen
pidolar
adjective
1. dat iets kan verrotten of vergaan en daardoor niet meer bruikbaar of eetbaar is
perible
verb
  1. 2. verpesten, verknoeien
  2. 3. te veel verwennen
  3. 4. verrotten, oneetbaar worden
fer-se malbé
noun
pelegrinatge
noun
1. de groep van personen die eten en of drinken brengen in een horecagelegenheid
servei
/bɛdleɣərəɣ/
adjective
1. niet in staat uit bed te komen
allitat
adjective
2. mogelijk op het punt staand van uitsterving
en perill
verb
1. iemand met een mogelijk gevaar confronteren
amenaçar
noun
1. een mogelijk gevaar
amenaça
adjective
destre
noun
1.
engany
/bəˈdrɛɪ̯f/, /bəˈdrɛːf/
noun
1. organisatie, samenspel van mensen en middelen om producten en of diensten te leveren
empresa
verb
1. triest stemmen
adolorar
/bek/
noun
1. stromend watertje
rierol
noun
1. driedimensionaal kunstwerk
imatge
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
escultor
/'beltɦɑʊʋɛrk/
noun
1. een kunstwerk vervaardigd door het houwen van steen
escultura
noun
pantalla
/beːn/
noun
  1. 1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
    1. cama
    2. pota
  2. 3. stof waaruit benen/botten bestaan
    os
noun
1. een verkoper van vlees
carnisser
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
medul·la òssia
/beːr/, /bɪːr/
noun
1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
ós
noun
1. een put waarin fecaliën verzameld worden
pou negre
/beːst/
noun
1. dier
bèstia
/beɪt/, /beːt/
noun
1. samenklemming tussen de kaken
mossegada
/ˈbeːtʃjə/
noun
1. kleine hoeveelheid
un xic
noun
1. bepaald soort lijster, Turdus torquatus
merla de pit blanc
verb
1. iets doen dat onjuist of verboden is
cometre
/bəˈxanə xrɔnt/
abbreviation
1. een bouwlaag van een gebouw die ter hoogte van het maaiveld ligt
planta baixa
noun
1. verlangen
desig
/bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
1. vergezellen
acompanyar
noun
1. personen die iemand vergezellen of bewaken
acompanyament
verb
1. sterk verlangen om iets te bezitten
desitjar
noun
1. een hofje waar vrouwen als geestelijke zusters tezamen leefden, zonder een kloostergelofte af te leggen
beguinatge
/bəˈχɪn/
noun
1. het eerste deel
  1. principi
  2. començament
verb
1. aanvangen
començar
noun
punt de partida
noun
1. regel waar je je in ieder geval aan wilt houden
principi
noun
1. (plantk.) Begonia, een geslacht bloeiende planten uit de begoniafamilie
begònia
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
cementiri
noun
1. een ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd
enterrament
/bəˈɣrafənɪsɔndərˌnemər/
noun
1. Een persoon die de begrafenis van overledenen verzorgt
director de pompes fúnebres
verb
  1. 1. iets onder de grond stoppen
  2. 2. een overledene begraven
  3. 3. iets wegstoppen
enterrar
verb
1. beperken, limiteren
limitar
adjective
comprensible
/bə.χrɛɪ.pə(n)/
verb
1. met het verstand vatten
comprendre
noun
1. het verstaan of begrijpen van iets
comprensió
verb
1. bij de ontmoeting een teken van erkenning en welwillendheid geven aan iemand
saludar
/bəˈɣrotɪŋ/
noun
1. raming van de te maken uitgaven voor de komende tijd
pressupost
verb
1. iemand al dan niet financieel voordeel schenken
afavorir
/beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
sostenidor
/bə'haxsik/
adjective
coqueta
/bə.ˈhaː.ɣə(n)/
noun
1. aan iemand welgevallig zijn
agradar
preposition
1. met uitzondering van
excepte
verb
3. medisch verzorgen
tractar
noun
2. een handeling gericht op herstel
tractament
verb
1. het bedekken van wanden met een laag papier
empaperar
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
administrador
/ˈbə'huftə/
noun
1. iets wat benodigd is
necessitat
/bəˈhuvə(n)/
verb
2. nodig hebben
necessitar
verb
2. onderdeel uitmaken van wat gebruikelijk is of tot de fatsoensnormen gerekend wordt
pertànyer
adjective
útil
noun
1. muziekinstrument met klokken
carilló
pronoun
Baviera
pronoun
1. taal gesproken door ten minste 12 miljoen mensen in Oostenrijk...
bavarès
adjective
beix
noun
1. gebak gemaakt van gefrituurd beslag dat ook wel gevuld kan worden met een vrucht, groente, vlees of vis zit
bunyol
/bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Beirut
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
cisell
noun
  1. 1. snavel van vogels
    bec
    1. 2. mond van dieren
    2. 3. mond van een mens
    morro
adjective
1. vertrouwd
familiar
verb
1. toegeven
confessar
noun
1. een verklaring waarin men toegeeft een bepaalde daad gepleegd te hebben
confessió
noun
vas de precipitats
noun
1. een boete die wordt opgelegd voor het overtreden van een wet
multa
noun
2. gebeente tussen beide heupen
pelvis
verb
2. iemands goede naam schaden
difamar
verb
1. ontevredenheid uiten, klachten indienen
queixar-se
verb
1. naar de top van iets, zoals een berg, klimmen
escalar
adjective
1. tot het belangrijkste en noodzakelijkste teruggebracht
breu
verb
1. kritiek uiten op iets of iemand
criticar
/bəˈlɑɣələk/, /bəˈlɑχələk/
adjective
1. lachwekkend, om uit te lachen
ridícul
noun
1. iets wat belangrijk is voor een persoon
interès
/bəˈlɑŋəlos/
adjective
2. uit liefdadigheid
desinteressat
adjective
1. van grote betekenis
  1. important
  2. greu
noun
1. bereidheid en verlangen aandacht aan iets te schenken
interès
noun
1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
impost
noun
1. iemand die belasting betaalt
contribuent
noun
paradís fiscal
verb
1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
insultar
adjective
1.
insultant
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
  1. insult
  2. ultratge
adjective
1. van goede omgangsvormen getuigend
educat
noun
1. een sociale vaardigheid, die de omgang in de maatschappij vergemakkelijkt.
cortesia
/bəˈlɛx/
noun
1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
setge
verb
1. met een leger omsingeld houden
assetjar
verb
1. geld steken in een naar verwacht winstgevende onderneming
invertir
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
política
/bəˈlɛmərə(n)/
verb
1. een factor vormen die een gebeurtenis of handeling (bijna) onmogelijk maakt
impedir
noun
1. wat hinder en oponthoud veroorzaakt
obstacle
noun
1. leesteken bestaand uit drie puntjes (…)
punts suspensius
adjective
lletrat
noun
1. een stedelijke wachttoren met een stormklok
campanar
/bɛlx/, /bɛɫx/, /bɛɫχ/
noun
1. een staatsburger van België
belga
/ˈbɛl.ɣɪs/, /ˈbɛɫ.ɣis/, /ˈbɛɫ.χis/
adjective
1. met betrekking tot België
belga
/ˈbɛlɣijə/, /ˈbɛɫɣijə/, /ˈbɛɫχijə/
pronoun
Bèlgica
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
Belgrad
/bɛlhaməl/
noun
1. een gecastreerd mannelijk schaap dat met een bel om zijn nek vaak de kudde leidt
esqueller
verb
1. een denkbeeld of gevoel vormgeven in iets tastbaars
encarnar
/bə.ˈlɪx.tə(n)/, /bə.ˈlɪχ.tə(n)/
verb
1. licht schijnen op iets
il·luminar
/be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
Belize
verb
  1. 1. de deurbel over laten gaan
  2. 2. door middel van een bel een signaal geven
dringar
noun
1. tandwalvis die doorgaans bij volwassenheid melkwit van kleur is, Delphinapterus leucas
balena blanca
pronoun
1.
Balutxistan
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
promesa
verb
1. een prestatie of goede daad met geld of anderszins erkennen
premiar
noun
guardó
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
  1. promesa
  2. prometre
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
tripulació
verb
1. het toevoegen van meststoffen aan de aarde
adobar
noun
1. iemand die zich bemoeit met zaken van anderen
fresseta
noun
  1. 2. gezichtspunt, de richting van waaruit men naar iets beschouwd .
    apropament
  2. 1. getalswaarde die voor een bepaald praktisch doel voldoende dicht in de buurt ligt van de exacte waarde van die grootheid.
    aproximació
/bəˈnadrʏkə(n)/
verb
emfatitzar
preposition
sota
pronoun
1. een taal die in Bangladesh en West-Bengalen gesproken wordt
bengalí
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris tigris
tigre de Bengala
adjective
ossi
verb
1. wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft
envejar
adjective
1. dat iets de moeite waard is om benijd te worden
envejable
/be.ˈnin/, /ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Benín
/bə.ˈnu.mɪŋ/
noun
1. het toewijzen van een ambt aan iemand
nomenament
noun
benzè
/bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
benzina
noun
minà
verb
1. tot een oordeel komen over iets
jutjar
noun
1. een lidwoord voorafgaand aan een bepaald zelfstandig naamwoord
article definit
verb
  1. 2. vaststellen, voorschrijven, regelen
  2. 3. beslissend beïnvloeden
determinar
/bə.ˈpɛr.kɪŋ/
noun
1. iets dat ervoor zorgt dat de mogelijkheden beperkt worden
restricció
verb
1. onderzoeken of het de juiste is
provar
pronoun
amazic
adjective
1. akkoord gaand, instemmend: bereid tot actie
disposat
noun
1. de afstand die afgelegd kan worden
interval
/bə'rɛɪkən/
verb
1. fysiek bij de andere kant aankomen
atènyer
/bə.ˈre.kə.nɪŋ/
noun
1. een numerieke uitwerking ergens van
còmput
/bɛrx/
noun
  1. 2. een grote hoeveelheid
    muntanya
  2. 1. hoge terreinverheffing
    1. muntanya
    2. munt
adjective
1. met bergen
muntanyós
noun
1. iemand die zich toelegt op het alpinisme
alpinista
noun
1. Tadorna tadorna, een forse bijna gansachtige eend
ànec blanc
noun
1. een soort geit die leeft op rotsachtige ondergrond in de bergen.
isard
noun
1. ziekte veroorzaakt door een tekort aan vitamine B1 (thiamine)
beri-beri
noun
1. overgebrachte korte communicatie, meestal over een recente gebeurtenis
missatge
verb
1. van nieuws voorzien over iets
informar
noun
beril
noun
1. vrouwelijk dier van de berenfamilie, Ursidae
óssa
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
estret de Bering
pronoun
1. is de zee in het noordelijk deel van de Grote Oceaan
mar de Bering
verb
1. streng zeggen dat het gedrag wordt afgekeurd
retreure
/bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
  1. bedoll
  2. beç
noun
berkeli
pronoun
  1. 1. de hoofdstad van Duitsland
  2. 2. een duitse deelstaat
Berlín
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
Bermudes
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Berna
noun
1. Borago officinalis, een kruid dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
borratja
/bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
famós
noun
2. iemand die bekend is bij een groot publiek
celebritat
noun
1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
professió
noun
1. een acute beschadiging van de hersenen die veroorzaakt wordt door een bloeduitstorting in de hersenen
ictus
noun
1. het betreuren van een eerdere kwalijke daad
penediment
verb
1. iemand met geweld zijn bezit ontnemen
robar
noun
1. het beroofd worden
robatori
/bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
  1. beril·li
  2. berilli
/bɛs/
noun
1. kleine vrucht
baia
adverb
1. vol met de neiging zich te verbergen voor anderen
avergonyit
verb
1. het toebrengen van schade
danyar
/bə.ˈsxa.vɪŋ/, /bə.ˈsχa.vɪŋ/
noun
1. de complexe maatschappij waarin veel van de mensen in steden leven en hun voedsel door middel van landbouw verkrijgen
civilització
/bə'sxɛi(d)ə/
adjective
  1. 1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
  2. 2. niet de indruk makend te hoge verwachtingen van zichzelf te hebben
  3. 3. niet groots of talrijk
modest
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
protegir
noun
1. een heilige onder wiens bescherming een bepaalde persoon of groep staat
sant patró
/bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
protecció
/bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
disponible
noun
1.e mogelijkheid om, indien nodig te kunnen beschikken over mensen, diensten of hulpmiddelen
disponibilitat
/bəˈsxɪmələ(n)/
verb
1. aangevreten worden door schimmels
florir-se
verb
  1. 1. bekijken als
  2. 2. denken over
considerar
verb
1. in woorden uitdrukken
descriure
/bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
descripció
/bəˈsxʌldəgə/
verb
1. iemand de schuld geven van iets
acusar
adjective
1.
acusatiu
/bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
acusació
noun
1. een reëel bewustzijn
noció
verb
1. het reëel bewust worden van iets
adonar-se
verb
2. een paard van een hoefijzer voorzien
ferrar
noun
2. vloeibaar deeg
barreja
verb
1. vaststellen wat er gaat gebeuren
decidir
/bə.ˈslɪ.sɪŋ/
noun
decisió
adjective
1. niet in staat een besluit te nemen.
indecís
verb
1. vaststellen hoe het moet
decidir
/bə'smɛtələk/
adjective
1. het vermogen hebbend gemakkelijk van persoon op persoon overgedragen te worden
contagiós
verb
1. blootstellen aan een ziektekiem, gif of radioactief materiaal
infectar
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
circumcidar
/bəˈsnɛidənɪs/
noun
circumcisió
adjective
1. een snor dragend; in het bezit zijn van een snor
bigotut
/bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
discussió
verb
1. druppels van een vloeistof ergens over strooien
aspergir
pronoun
Bessaràbia
verb
1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
existir
noun
1. een verzameling van gegevens die een eenheid vormen
fitxer
noun
1.
coberts
verb
1. iemand iets wederrechtelijk ontnemen
furtar
verb
1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
encomanar
/bə.ˈstɛ.mɪŋ/
noun
1. het eindpunt van een route
destinació
noun
bestialitat
noun
pol·linització
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
sistema operatiu
/bəˈstyrdər/
noun
1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
conductor
noun
dret administratiu
adjective
1. niet te duur om te betalen
assequible
noun
1. (financieel) bankrekening waarmee alle betalingen gedaan worden, dit is meestal ook de rekening waarop het loon wordt ontvangen
compte corrent
/bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
pagar
/bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
pagament
verb
  1. 1. ergens voor staan
  2. 1. ergens toe doen
significar
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
significat
/ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Betelgeuse
/'beːtər/
adverb
millor
adjective
2. teleurgesteld
avergonyit
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
Betlem
verb
1. een serie argumenten als een verhaal presenteren, bijvoorbeeld in een rechtszaak
argumentar
/bə.ˈto.ɣɪŋ/, /bə.ˈto.χɪŋ/
noun
1. een samenkomst van velen, meestal op straat, met als doel een protest te laten horen
manifestació
noun
1. vader van een overgrootouder
rebesavi
noun
relativitat
/bə.ˈtrɛ.kɪŋ/
noun
1. band of relatie tussen personen of groepen
relació
verb
1. leedwezen tonen over iets
lamentar
/bətrørən'swardəx/
adjective
1. waard betreurd te worden
lamentable
noun
fiabilitat
/bə.ˈtraʊ̯.bar.hɛɪ̯ds.ˌɪn.tər.ˌvɑl/, /bə.ˈtrɔʊ̯β̞.bar.ɦɛːts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/, /bə.ˈtrʌʊ̯.bar.ɦɛɪ̯ts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/
noun
1. een statistische intervalschatting voor een parameter
interval de confiança
/bɛtwetər/
noun
1. iemand die meent alles beter te weten dan anderen
setciències
noun
1. boomsoort
faig
noun
2. vrucht van de beuk, Fagus sylvatica
faja
/bøːl/
noun
1. uitvoerder van lijfstraffen
botxí
noun
  1. 3. toelage voor iemand die studeren wil
    beca
  2. 1. het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
    borsa
  3. 4. bijeenkomst waar producenten van een bepaald vakgebied meest nieuwe producten tentoonspreiden
    fira
/bøːrt/
noun
1. gelegenheid of opdracht die bewust telkens aan een andere persoon uit en groep gegeven wordt
torn
adjective
1. breed, diep en stromingsarm genoeg om bevaren te worden
navegable
verb
1. iets als aangenaam ervaren
plaure
verb
1. omvatten, in zich sluiten
contenir
adjective
1. voorzien van vogelveren
empenat
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt
protegir
/bə.ˈvɛɪ̯.lə.χɪŋ/, /bə.ˈvɛɪ̯.lɪ.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛː.lə.ɣɪŋ/
noun
1. de genomen maatregelen die er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt
protecció
noun
1. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak.
ordre
verb
1. hard en heftig trillen
tremolar
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
castor
verb
2. vastmaken
fixar
/bə.ˈvɛs.ti.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈvɛs.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛs.tə.χɪŋ/
noun
1. het bevestigen, het mededelen aan iemand dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
confirmació
noun
1. aardbeving
tremolor
verb
1. (iets) een beetje nat maken
humectar
adjective
competent
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
població
noun
1. de toename van de hoeveelheid bevolking
creixement de la població
verb
1. iemand ~: aan iemand bijzondere gunsten verlenen
afavorir
verb
  1. 1. een hogere rang verlenen aan iemand
    ascendir
  2. 2. aanmoedigen, promoten
    fomentar
adjective
1. de eigenschap bezittend iets te bevorderen
favorable
verb
1. beantwoorden aan een sterk verlangen
satisfer
noun
1. de beantwoording aan een sterk verlangen
satisfacció
/bə'vrizə(n)/
verb
1. door afkoeling in vaste toestand komen
congelar
verb
1. iemand of een bevolking van gevangenschap of onderdrukking verlossen
alliberar
noun
1. persoon die andere bevrijdt
alliberador
/bə.ˈvrɛɪ̯.dɪŋ/, /bə.ˈvrɛː.dɪŋ/
noun
1. het vrij maken van mensen die gevangen gehouden of onderdrukt worden
alliberament
adjective
1. door afkoeling in vaste toestand gekomen; volledig met ijs bedekt
gelat
noun
1. handeling waarbij men een goed van een ander ter bewaring aanneemt onder teruggaveverplichting
dipòsit
verb
1. toezicht houden op de veiligheid van iets of iemand
vigilar
/bə.ˈwa.kɪŋ/, /bə.ˈʋa.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞a.kɪŋ/
noun
vigilància
/bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
1. iemand van wapens voorzien
armar
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet verloren raakt
conservar
/bə.ˈweː.ɣə(n)/, /bə.ˈʋe.χə(n)/, /bə.ˈβ̞e.ɣə(n)/
verb
1. van plaats veranderen
moure
/bə.ˈwe.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈʋe.χɪŋ/, /bə.ˈβ̞e.ɣɪŋ/
noun
  1. 1. in de staat verkeren waarin de locatie steeds verandert
  2. 2. van plaats/positie veranderen
  3. 3. een organisatie
moviment
verb
1. iets met stelligheid verklaren waarvan het voor anderen niet duidelijk is of het waar is
sostenir
/bə'wɛrkə(n)/
verb
  1. 1. veranderen om iets voor een of ander doel geschikt te maken
    adaptar
  2. 4. iets met een mes anders maken
    afaiçonar
  3. 2. een bestand of map wijzigen om voor een ander doel geschikt te maken
    editar
/bə.ˈwɛr.kɪŋ/, /bə.ˈʋɛr.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɛr.kɪŋ/
noun
1. een verandering om iets voor een bepaald doel geschikt te maken
edició
verb
  1. 1. wierookdampen over iets of iemand aanbrengen
  2. 2. iemand lof toezwaaien
afalagar
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
prova
adjective
provable
/bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
  1. ennuvolat
  2. nuvolós
noun
1. een persoon die iemand bewondert
admirador
verb
1. bekijken met respect
admirar
adjective
1. positief, enthousiast
admiratiu
adjective
1. wat het verdient bewonderd te worden
admirable
/bə.ˈwɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈʋɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔn.də.rɪŋ/
noun
1. het bekijken met enig ontzag
admiració
noun
1. iemand die in of op iets woont
habitant
/[bəˈʋɵst]/
adjective
1. iets waarvan kennis is genomen
conscient
/bəw'ɤstəlos/
adverb
1. in een toestand waarin men het bewustzijn voor de omgeving is verloren
inconscient
noun
1. de staat van het bewusteloos zijn
desmai
/bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
consciència
abbreviation
1. de achterste mast van een zeilschip
arbre de mitjana
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
  1. escombra
  2. granera
adjective
1. onder de invloed van een boze geest zijn
endiablat
verb
1. in gebruik nemen
ocupar
/bə.ˈzɛ.tɪŋ/
noun
  1. 1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
  2. 2. het aantal van elk type instrument dat in een orkest meespeelt
  3. 3. exclusief gebruik
ocupació
noun
1. een plaats die of een voorwerp dat door velen bezocht en bekeken wordt
curiositat
/bezəx/
adjective
1. aan het werken
ocupat
noun
1. iets waarmee men bezig is
activitat
noun
  1. 2. het houden van een goed voor zichzelf
  2. 1. al iemands bezittingen
possessió
/bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
posseir
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
posseïdor
noun
1. dat wat iemand in eigendom heeft, dat wat van iemand is
possessió
verb
2. vuil maken
embrutar
noun
  1. 1. het bezoeken
  2. 2. de personen die op visite zijn of komen
visita
/bəˈzukə(n)/
verb
1. bij iemand langsgaan of langskomen
visitar
noun
1. een persoon die iemand of iets bezoekt
visitant
adjective
1. bijzonder dronken
begut
adjective
1. met zorgen beladen
ansiós
noun
1. moeilijkheid, bedenking
objecció
verb
1. iemand installeren in een ambt door de ambtseed af te nemen
prestar jurament
verb
1. tot een afsluiting brengen
acabar
/bəˈɪnvludə(n)/
verb
1. iemand of iets proberen te veranderen, invloed nemen op
influir
/bu.ˈtan/, /bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
  1. Bhuton
  2. Bhutan
pronoun
Biafra
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
biatló
/ˌbiblijotekaˈrɛsə/
noun
1. beheerster van een bibliotheek
bibliotecari
/ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
bibliotecari
/bib(l)ijo'tek/
noun
1. een plaats waar boeken verzameld staan
biblioteca
noun
bicarbonat
noun
1. tweehoofdige spier
bíceps
verb
1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
  1. pregar
  2. resar
noun
1. soort van aan de muur bevestigde kom of bak voor het met behulp van water reinigen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet, of om de voeten te wassen
bidet
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Mantodea
mantodeu
/ˈbɪt.stul/, /ˈbɪt.stuɫ/
noun
reclinatori
noun
1. de erkenning van zonden aan een geestelijke
confessió
noun
1. de verplichting om datgene wat de priester tijdens de biecht verneemt geheim te houden
secret de confessió
noun
1. een meubelstuk dat bedoeld is voor het aanhoren en afleggen van de biecht
confessionari
noun
1. een priester die biechten afneemt
confessor
noun
1. dunne lap vlees van de bovenbil van een rund
bistec
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
  1. cervesa
  2. birra
/bis/
noun
4. een smalle en rechte versieringslijn
viu
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
  1. cibulet
  2. cebollí
noun
remolatxa
noun
bifòbia
/bɪx/, /bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
porcell
/bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
abella
noun
1.
epidídim
noun
1. (de heilige tekst van) het heilige boek der christenen
Bíblia
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
bíblia
/ˈbɛːdraʝə/, /ˈbɛːɪdraɣə/
noun
1. iemands aandeel
contribució
verb
1. een aandeel leveren
contribuir
noun
1. benaming voor veelkleurige en insectenetende vogels die...
abellerol
noun
1. kunstmatige behuizing waarbinnen een bijenvolk zijn raten kan bouwen, oorspronkelijk in de vorm van een gevlochten korf
rusc
/ˈbɛː.jə(n)ˌteɫt/
noun
1. het houden van bijen
apicultura
/ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
superstició
adjective
1. iemand die gelooft in bijgeloof
supersticiós
/bɛɪ̯l/, /bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
  1. destral
  2. atxa
noun
  1. 2. een bestand dat bij een e-mail is meegezonden
  2. 1. geschrift ter aanvulling
adjunt
/'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
  1. quasi
  2. gairebé
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
sobrenom
noun
glàndula adrenal
/ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
mossegar
/bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
adjectiu
noun
1. Artemisia vulgaris, een plant uit de composietenfamilie Asteraceae
altimira
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
per exemple
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
adverbi
adjective
1. alleen van dichtbij scherp kunnen zien
miop
/bɛizɪn/
noun
1. een deel van een uiting dat een ondergeschikte rol speelt ten opzichte van de hoofdzin
oració subordinada
noun
1.vrouw met wie een man in ongehuwde staat...
concubina
noun
1. tweedelige zwemkleding voor de vrouw
biquini
verb
2. het nuttigen van voedsel
manducar
noun
1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
natja
adjective
1. aan twee kanten, in twee richtingen (buitenkanten)
bilateral
noun
1. spel
billar
cardinalNumeral
1. 1.000.000.000.000
bilió
noun
billó
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
jusquiam
verb
1. vastmaken (evt. figuurlijk)
lligar
noun
1. boekbinder
enquadernador
noun
1. en 2. (bladeren van) sla met een stevige rechte krop
  1. enciam llarg
  2. enciam romà
noun
1. een slijmvlies dat de sclera en de binnenste zijde van de oogleden bedekt
conjuntiva
noun
1.een ontsteking van het bindvlies dat de buitenkant van het oogwit en de binnenkant van de oogleden bekleedt
conjuntivitis
/ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
teixit conjuntiu
interjection
1. een uitroep gebruikt door spelers van bingo om aanspraak te maken op een overwinning
bingo
noun
1. kansspel
bingo
preposition
dins
/ˈbɪnənˌbɑnt/
noun
1. binnenste band, de band waarin de lucht aanwezig is
cambra
verb
1. ergens in gaan
entrar
noun
binnenoor
orella interna
noun
1. (langwerpig) schip dat hoofdzakelijk dient voor goederenvervoer op de binnenwateren.
barcassa
/ˈbɪnə(n)ˌstɑt/
noun
1. een, meestal oud, stadscentrum
centre de la ciutat
noun
1. een minder belangrijke en meestal kortere weg
drecera
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
bioètica
noun
1. een wetenschapper die de biochemie beoefent
bioquímic
/'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
bioquímica
adjective
1. met betrekking tot de chemische omzetting van stoffen in levende wezens
bioquímic
/bio:sidə/
noun
biocida
/ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
biodiversitat
noun
1. levensbeschrijver
biògraf
noun
biografia
adjective
biogràfic
/ˌbiʲoloˈɣi/, /ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
biologia
/ˌbijo'loːɣis/
adjective
  1. 1. te maken hebbend met de biologie
  2. 2. van gelijke afstamming
  3. 3. van dier en plantvriendelijke landbouw en veeteeld
biològic
/ˌbioˈlox/, /ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
biòleg
noun
agromassa
noun
biònica
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
cinema
noun
biosfera
noun
1. een gebied met een uniform landschapstype waarin bepaalde organismen kunnen gedijen
biòtop
/ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
diòcesi
noun
bisexualitat
/bisɛksye:l/
adjective
1. seksueel gericht op beide geslachten
bisexual
pronoun
1. streek en provincie van Spanje rond de stad Bilbao
Biscaia
noun
bismut
/bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
bisbe
/bɪt/
abbreviation
1. in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
mos
/bɪt/
noun
1. een metalen staaf die een paard in de bek gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken.
mos
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
amarg
/bivɑ'kerən/
verb
in de open lucht een kamp hebben
bivaquejar
noun
1. muts die tot onder de kin doorloopt met openingen om door te kijken en te ademen
passamuntanyes
adjective
estrafolari
noun
1. Noord-Amerikaans zoogdier, Bison bison
bisó
/blaːr/
noun
1. onderhuidse vochtophoping
butllofa
noun
1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
bombolla
noun
1. een luchtzak die samengedrukt kan worden om een sterke luchtstroom te veroorzaken
manxa
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
  1. instrument aeròfon
  2. instrument de vent
noun
  1. 2. vel papier
    fulla
  2. 1. plat, groen onderdeel van planten
    1. fulla
    2. full
noun
1. een deegsoort die in rechthoekige plakken wordt gebruikt
pasta fullada
noun
1. een dun folie van goud dat wordt gebruikt voor decoratieve doeleinden
pa d'or
/blɑt'xrun/
noun
clorofil·la
/ˈblɑdɣrunˌkɔrəl/
noun
1
cloroplast
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
pugó
noun
pecíol
noun
  1. 1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
  2. 2. bewaarde hyperlink
punt de llibre
/ˈblɑtsɛidɚ/
noun
1. elk van de beide zijden van een blad papier in boek, krant of tijdschrift
pàgina
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
  1. bordar
  2. lladrar
noun
palmatòria
noun
1. een afgang veroorzaakt door eigen falen
humiliació
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Rutilus rutilus
madrilleta vera
/ˈblatə(n)/
verb
het geluid van een schaap maken
belar
/blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
  1. blau
  2. blava
/blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
blau
noun
1. bepaald soort lijsterachtige, Luscinia svecica
cotxa blava
noun
1. Vaccinium corymbosum, een plant uit de heifamilie Ericaceae
nabiu blau
noun
1. bepaald soort vaste plant, Vaccinium myrtillus
nabiu
noun
1.
polaines blau
noun
1. witte kraaiachtige met lavendelblauw verenkleed op de rug en kop Cyanocitta cristata
gaig nord-americà
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
bernat pescaire
noun
1. Balaenoptera musculus, een baleinwalvis, de grootste van alle walvisachtige
balena blava
noun
1. bepaald soort vaste plant, Eryngium maritimum
  1. card marí
  2. panical marí
/ˈblʌʊəχ/, /ˈblʌːβ̞əx/
adjective
2. op blauw lijkend
blavenc
adjective
1. met blauwe ogen
ullblau
noun
1.
abella de la fusta
/'bla.zə(n)/, /'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
bufar
adjective
1. gering van kleur
pàl·lid
noun
1.
pal·lidesa
noun
1. ontsteking van een ooglid
blefaritis
verb
1. witter of lichter doen worden
blanquejar
noun
1.1 vertind dun plaatstaal
llauna
noun
obrellaunes
/blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
llamp
adjective
1. niet in staat te zien
  1. cec
  2. orb
noun
1.
cita a cegues
noun
1. over de ogen gebonden reep ondoorzichtige stof om het zien te verhinderen
bena
noun
1. iemand die niet kan zien
cec
noun
apendicitis
/'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
  1. ceguesa
  2. ceguetat
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
sang
noun
anèmia
noun
banc de sang
noun
1. holte in of onder de opperhuid, waarin bloed zit
sangtraït
noun
cèl·lula sanguínia
noun
pressió arterial
verb
1. het vloeien van bloed
sagnar
noun
grup sanguini
adjective
1. bijzonder warm, met name van weersgesteldheid.
xafogós
noun
1. Brits hondenras met grote kop, lange hangende oren en een lange staart
gos coniller
noun
hemorràgia
noun
anàlisi de sang
noun
1. de vloeistof van het bloed waar geen bloedlichaampjes meer in zitten maar nog wel stollingseiwitten
plasma sanguini
noun
1. onderzoek van bloed met name naar de aanwezigheid van alcohol of drugs
mostra de sang
noun
sèrum sanguini
noun
circulació de la sang
noun
transfusió de sang
noun
1. bloeduitstorting in de huid
hematoma
noun
1. een bloedader
vas sanguini
noun
1. het genetisch aan elkaar verwant zijn
consanguinitat
/'blutʋɔrst/
noun
1. vleeswaar vervaardigd van het bloed en het vet van een varken
botifarra negra
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
sangonera
verb
  1. 1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen
  2. 2. het bijzonder goed maken
florir
noun
1. een deel van plant met zaden
flor
noun
1. ringvormig vlechtwerk van bloemen
corona de flors
noun
  1. 1. bloemenverkoper
  2. 2. bloemenkweker
florista
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
  1. coliflor
  2. bròquil blanc
noun
antologia
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
  1. pot
  2. test
noun
1. kledingstuk
brusa
noun
1.
bloguer
noun
bloguera
noun
1. een vaak hoekig massief stuk materiaal
bloc
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
flauta dolça
noun
bloqueig
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
  1. plana
  2. ribot
/blɔnd/, /blɔnt/
adjective
1.
  1. roget
  2. ros
noun
1. cocktail van wodka en tomatensap
bloody-mary
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
tornar-se vermell
/blɵt/
adjective
1. geen geld meer hebbend
pelat
noun
1. zeer grote wurgslang
boà
noun
  1. 2. een brede baai aan de kustlijn
    badia
  2. 1. gebogen weg of pad
    revolt
noun
1. iemand die gezonden wordt om een bericht, dienst, voorwerp enz. af te leveren
missatger
noun
1. een onderkant
fons
/ˈbodəmˌkʏndə/
noun
edafologia
pronoun
1.
llac de Constança
interjection
bu
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Budapest
pronoun
Buda
noun
1. volger van de leer van Boeddha
budista
noun
1. de voorkant van een schip
proa
noun
1. een beeld dat ter versiering aangebracht werd op de voorsteven van een schip
mascaró de proa
noun
1. uitstekend rondhout aan de voorsteven van een zeilschip
bauprès
noun
1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
boia
/bujə(n)/
verb
  1. 2. fascineren
  2. 1. kluisteren
captivar
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
llibre
noun
bucaner
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Bucarest
noun
enquadernador
/ˈbuɡdel/
noun
1. drukwerk dat zoveel bladzijden heeft dat het in aparte band kan worden gebonden, maar waarvan de inhoud onderdeel is van een groter werk
volum
noun
1. de in de 15de eeuw ontwikkelde kunst om teksten door middel van een drukpers te vermenigvuldigen
impremta
/ˈbukən/
verb
1. reserveren van bijvoorbeeld een hotelkamer
reservar
/ˈbu.kə.ˌkɑs/, /ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
prestatgeria
noun
1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
assenyalador
noun
1. hulpmiddel dat ervoor zorgt dat boeken rechtop blijven staan op een niet geheel gevulde boekenplank
aguantallibres
noun
biblioteca
noun
1. boekwinkel
llibreria
/ˈbu.klɔŋ(g)/, /ˈbu.klɔŋ/
noun
1. een long die gestapeld en gevouwen is in weefsel, zo dat de gevouwen...
fil·lotràquea
noun
omàsum
noun
1. en 2. (gepelde zaden van) plant Fagopyrum esculentum
fajol
/ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
llibreria
noun
1. een gebogen werpstok die de neiging heeft terug te keren naar de werper
bumerang
/buːr/
noun
  1. 1. landbouwer
    granger
  2. 4. speelkaart
    sota
noun
  1. 1. een woning met bedrijfsruimte van een boer
    casa de camp
  2. 2. een onderneming van een boer
    granja
/buːrən/
verb
3. een boer laten
eructar
/burə'kol/
noun
1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
col verda
noun
1. de klasse van de boeren
pagesia
noun
1. bepaald soort samengesteldbloemige plant Tanacetum vulgare
tanarida
/ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
  1. oreneta
  2. oreneta comuna
noun
1. het gehele lichaam, inclusief gezicht en ogen, verhullend gewaad gedragen door (streng) islamitische vrouwen
burca
noun
burkini
noun
1. een bedrag dat je moet betalen als je een overtreding hebt begaan
multa
noun
penitència
verb
1. straf ondergaan
expiar
noun
boutique
noun
1.
pit
/bɔf/
noun
2. ziekte
galteres
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
Bohèmia
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
bohri
noun
1. mannelijke geit
boc
pronoun
1. meest gebruikte schrijfwijze van het Noors
bokmål
noun
1. een gevechtswapen bestaande uit een stuk ijzer dat men gebruikt om mee te slaan
puny americà
noun
1. een tactische vechtsport
boxa
noun
1. een persoon die het boksen beoefent
boxejador
noun
1. handschoen gedragen tijdens het boksen
guant de boxa
noun
straalvinnige vis (Boops boops) uit de familie van zeebrasems
  1. boga
  2. bogarró
noun
1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
  1. globus
  2. esfera
noun
1. een helder oplichtend bolvormig object met een diameter van maximaal 40 centimeter, dat soms waargenomen wordt in de buurt van een blikseminslag en dan gedurende meerdere seconden zichtbaar is
llamp en bola
noun
1. bolder
bol·lard
noun
1. Agrostemma githago
niella
noun
1. een vierwielige ongemotoriseerde bak die wordt voortgetrokken aan een hendel vooraan
cotxet
/boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
Bolívia
pronoun
1. een stad in Italië
Bolonya
noun
1. lid van een factie van de marxistische Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (RSDAP) die zich ...
bolxevic
noun
bolxevisme
/bɔm/
noun
1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
  1. bomba
  2. explosiu
noun
1. auto geladen met explosieven gebruikt als wapen bij terroristische aanslagen
cotxe bomba
noun
1. beschieting met bommen, het werpen van bommen
bombardeig
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
bombardejar
noun
1. een militair vliegtuig dat is ontworpen voor het werpen van bommen op gronddoelen
bombarder
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Bonaire
noun
1.
bombó
noun
sajolida
noun
1. Pan paniscus, een mensaap, staat samen met de chimpansee van alle diersoorten...
bonobo
/bɔnt/
noun
pell
noun
1. overgebracht bericht
missatge
noun
1. een tas waarin men de boodschappen kan doen bij het winkelen
bossa de la compra
/ˈbotsxɑpər/
noun
1. berichtenoverbrenger
missatger
noun
    1. 2. cirkelboog
    2. 3. deel van bouwwerk
    arc
  1. 1. wapen
    1. arc
    2. corba
noun
1. een sport waarbij pijlen worden weggeschoten naar een doel met behulp van een boog
tir amb arc
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
  1. Sagitari
  2. sagitari
noun
1. iemand die schiet met een boog
arquer
noun
1. meerjarige plant met houten stam
arbre
noun
1. een stuk grond met vruchtbomen
horta
noun
bruc boal
/ˈbom.kɑn.ɣə.ru/, /ˈbom.kɑn.χə.ru/
noun
1. een dier uit het geslacht der boomkangoeroes
cangur arborícola
noun
1. Hyla arborea, klein kikkertje dat zich in bomen en heesters kan begeven
granota arborícola
noun
1. bepaald soort vogeltje, Sitta europaea
pica-soques
/ˈbom.kɵn.də/, /ˈbom.kʏn.də/
noun
dendrologia
/ˈbom.leː.β̞əˌrɪk/, /ˈbom.lɪː.β̞əˌrɪk/
noun
1. een vogelsoort die inheems is in Nederland en België
cotoliu
noun
1. een rechtop gaande houten schacht van een boom
tronc
noun
1. kleine sierlijke valk, familie van de torenvalk, Falco subbuteo
  1. albanell
  2. falcó mostatxut
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
fesol
noun
B. chemisch element en een zwart metalloïde
bor
/ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
trepant
/boʊs/, /boːs/
adjective
1. kwaad, woedend
emprenyat
/boʊt/, /boːt/
noun
1. klein vaartuig
barca
noun
1. een rang gelijk aan sergeant bij de marine en de hoogste onderofficier bij de koopvaardij
  1. contramestre
  2. nostramo
noun
1. zout van boorzuur met de chemische formule BO₃3−
borat
noun
borax
/bɔRd/, /bɔrt/
noun
  1. 2. Vlak voorwerp aan een muur
    pissarra
  2. [1] Schijfvormig voorwerp
    plat
noun
1. een huis waarin tegen betaling seksuele diensten worden aangeboden
bordell
noun
joc de taula
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
brodar
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
  1. foradar
  2. perforar
noun
2.
caució
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
bor
pronoun
Borneo
noun
  1. 1. drankje
    aiguardent
  2. 2. gezellige samenkomst met een drankje en een hapje
    aperitiu
noun
2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
pit
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
estern
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
raspall
noun
1. geraamte van de borst
tòrax
noun
1.
aleta pectoral
noun
  1. alletament
  2. lactància
noun
1. een groep bomen
bosc
noun
maduixa de bosc
noun
buixol
noun
1. Calopteryx virgo, een bepaald soort van de beekjuffers.
damisel·la blava
noun
  1. 1. en 3. plant, en bessen, uit geslacht Vaccinium
    blueberry
  2. 2. plant Vaccinium myrtillus
    nabiu
/ˈbɔsbɑuw/
noun
1. het systematisch bosbeheer (teelt en verzorging van bossen) voor de productie van hout
silvicultura
noun
1. brand van of in een bos
incendi forestal
/ˈbɔsnis/, /ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
bosnià
/ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
Bòsnia i Hercegovina
/ˈbɔsni.jər/
noun
1. een inwoner van Bosnië en Herzegovina
bosnià
pronoun
1. zeestraat tussen de Zee van Marmara en de Zwarte Zee
Bòsfor
noun
boscatge
noun
1. jonge, onvolgroeide geboste ui met blad
  1. ceba tendra
  2. ceballot
  3. cebeta
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
gamarús
noun
1. bepaald soort loofboom Salix caprea
gatsaule
adjective
1. stomp
rom
noun
  1. 3. onderdeel van het skelet
    os
  2. 1. platvis
    plana
noun
botànic
/ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
mantega
noun
1. een aantal planten uit het geslacht Ranunculus behorende tot de familie Ranunculaceae
ranuncle
noun
  1. 2. een belegde snee brood
    entrepà
  2. 1. een snee brood
    llesca
noun
1. een bakje om boter in te bewaren
manteguera
pronoun
1.
golf de Bòtnia
/ˈbɔt.sə(n)/
verb
  1. 1. met een flinke snelheid tegen elkaar aankomen
  2. 2. in een conflict of ruzie geraken
col·lidir
/ˈbɔt.sɪŋ/
noun
1. het botsen
col·lisió
/bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /bɔts.ˈʋa.na/, /bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
Botswana
/ˈbʌʊdəˌʋɛɪn/, /ˈbʌːdəˌβ̞ɛːn/
pronoun
1. een jongensnaam
Baldoví
noun
1. het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
bugia
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
brou
noun
psychologische toestand waarin een persoon terugkerende eetbuien heeft
bulímia
noun
aroma
noun
burgesia
adjective
1. op Bourgondië betrekking hebbend
borgonyó
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Borgonya
/bɑu̯/
noun
1. het doen verrijzen van een gebouw
construcció
/ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
  1. construir
  2. edificar
noun
1. (wetenschap)
enginyeria de la construcció
/ˈboː.vən/
adverb
1. bovenaan, erboven, niet beneden, niet eronder
dalt
/ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
dalt
noun
1.bovenbeen
cuixa
/bovənˈdin/
adverb
1. op de koop toe, daarenboven
a més
noun
1. een hooggeplaatst raam, boven een deur of in het dak
tarja
adjective
1. behorende tot een orde van dingen die buiten het menselijke ligt
sobrenatural
noun
1. een sport waarbij de speler door middel van een bowlingbal moet proberen om alle tien de pins omver te gooien
bitlles
noun
boicot
verb
1. iemand uitsluiten, niet meer willen werken voor, leveren aan of kopen bij
boicotejar
noun
egagròpila
noun
1.
erm
noun
1.
emètic
noun
1. struik & 2. vrucht
  1. mora
  2. esbarzer
verb
1. vlees bereiden door het in vet te verhitten
fregir
noun
braille
verb
  1. 2. vlas of hennep breken
    bregar
  2. 1. genuttigd voedselwaar ongewild door de mond naar buiten brengen
    vomitar
noun
1.
escopinya glauca
/ˈbrɑnd/, /ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
incendi
verb
1. verteerd worden door vuur
cremar
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
Brandenburg
noun
1. een soort sterke drank
brandi
noun
1. hout dat gebruikt wordt om te verbranden
llenya
noun
2-3. een harige plant die bij aanraking een brandend gevoel en zwelling veroorzaakt
ortiga
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
incendiari
noun
incendi criminal
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
  1. combustible
  2. carburant
noun
een elektrochemisch toestel
pila de combustible
noun
caserna de bombers
noun
1. lid van de brandweer
bomber
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
brema
/braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
Brasil
/ˈbred.bɑnd/, /ˈbred.bɑnt/
noun
1. een internetverbinding met een hoog debiet
banda ampla
adjective
1. breed van borst en schouders, breedgebouwd
espatllut
noun
1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
amplada
noun
1. cirkel van gelijke geografische breedten
latitud
noun
1. stevige metalen stang, meestal voorzien van een gespleten einde, de koevoet, gebruikt om zaken open te breken.
palanqueta
verb
1.
calafatar
/ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
  1. fer mitja
  2. tricotar
/brɛi̯n/
noun
1. orgaan
cervell
verb
  1. 1. in stukken uiteenvallen
  2. 5. in stukken uiteen doen vallen
trencar
noun
índex de refracció
pronoun
Bremen
/ˈbrɛŋ.ə(n)/
verb
1. ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
aportar
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
Bretanya
noun
1. broekophouder
elàstics
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
bretó
noun
1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
fracció
noun
3. noot die twee- of driemaal de lengte van een hele noot had
breu
noun
  1. 1. een spel gespeeld door vier spelers, verdeeld in twee paren en gespeeld in dertien slagen
  2. 2. de kam van een elektrische gitaar
bridge
noun
1. verzonden geschreven boodschap
carta
noun
1. een korte brief in de vorm van een kaart
postal
noun
1. een doorgaans sierlijk mesje dat men gebruikt om briefomslagen met te openen
  1. obrecartes
  2. tallapapers
/bris/
noun
1. zachte frisse wind
brisa
noun
bústia
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
ulleres
/ˈbrɪl.beːr/, /ˈbrɪɫ.beːr/, /ˈbrɪɫ.bɪːr/
noun
1. een beer met grote cirkels rond de ogen, als een bril
ós d'antifaç
noun
1. Bucephala clangula, een vogel uit de familie Anatidae
morell d'ulls grocs
noun
1. slijpvorm voor onder andere diamant
brillant
/brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
britànic
pronoun
  1. Bretanya
  2. Gran Bretanya
/ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
  1. bròcoli
  2. bròquil
noun
fullet
/'bru.də(n)/
verb
1. een gelegd ei met lichaamswarmte warm houden
incubar
/brudər/
noun
1. een broer
germà
adjective
fratern
noun
1. moord van de ene broer op een andere broer, ook figuurlijk gebruikt
fratricidi
noun
  1. 1. kerkelijk goedgekeurde vereniging
  2. 2. vereniging van beroepsgenoten
  3. 1. vriendschappelijke betrekking als tussen broers
fraternitat
noun
1. bouwsel met glazen wanden voor het opkweken van gewassen
hivernacle
noun
efecte hivernacle
noun
gas hivernacle
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
pantalons
noun
camal
/bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
germà
noun
1. zijdeweefsel met ingeweven, meestal grote figuren, vaak met goud- of zilverdraad doorweven
brocat
noun
ciclomotor
noun
bromur
noun
ciclomotor
noun
  1. 1. daar waar men informatie vandaan haalt
  2. 2. begin van een waterloop
  1. font
  2. origen
noun
1. ontsteking van de luchtpijptak
bronquitis
noun
1. bepaalde vissoort, Salvelinus fontinalis
truita de rierol
noun
bronze
noun
paartijd
zel
/broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
pa
noun
1. boom Artocarpus altilis
arbre del pa
noun
2. klein brood, vaak versierd, belegd of in een speciale vorm, voor één persoon
entrepan
noun
torradora
noun
1. vrucht van de broodboom Artocarpus altilis
fruit del pa
noun
brom
adjective
1. niet stevig
fràgil
verb
1. (bier) brouwen
destilar
noun
1. iemand die bier maakt om te verhandelen
cerveser
/brɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
cerveseria
/brʏx/, /brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
pont
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
Bruges
/brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
núvia
noun
1. man die in het huwelijk treedt
nuvi
noun
1. De twee mensen die met elkaar in het huwelijk treden
nuvis
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
dot
noun
1. kosteloze lening voor tijdelijk gebruik onder voorwaarde van teruggave
comodato
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
marró
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
marró
noun
1. hemellichaam met een massa tussen die van een gasreus en een ster, onvoldoende voor kernfusie tussen protonen
nana marró
noun
1. bepaald soort roofvogel, Circus aeruginosus
arpellot de marjal
noun
1.
libèl·lula d'ulls grisos
noun
1. lid van de SA in Nazi-Duitsland
camisa negra
noun
lignit
/ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
marsopa
noun
Amerikaanse apen die een brullend lawaai kunnen produceren
aluata
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Bruneck
/bry.ˈnɛɪ̯/, /bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
Brunei
pronoun
Braunschweig
/brʏs/
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders (zonder de connotatie met zorg)
germanes
pronoun
1. de hoofdstad van België
Brussel·les
noun
1. inwoner van Brussel
brussel·lès
adjective
  1. 3. vrijpostig
    descarat
  2. 2.
    insolent
adjective
1. nietsontziend en gewelddadig
brutal
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
IVA
/'bɵfəl/
noun
1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
búfal
noun
3. tijdelijk geheugen in rekenmachines...
topall
/ˈby.χəɫ/, /ˈbyː.ɣəl/
noun
1. een koperen blaaasinstrument.
fiscorn
noun
1. zoogdier dat het jong in een buidel draagt
marsupial
/bœʏ̯χə(n)/, /bœːɣə(n)/
verb
    1. 3. een buiging maken, zich buigen
    2. 4. aandacht besteden aan iets
    blincar
  1. 2. krom worden
    corbar
noun
1. nijging als beleefde groet
reverència
adjective
flexible
/bœʏ̯k/, /bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
  1. panxa
  2. ventre
noun
dansa del ventre
noun
diarrea
noun
ventríloc
noun
1. grote zeef voor het zeven van meel
tamís de farina
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
tub
noun
2. buisklokken
campana tubular
/bœʏ̯t/, /bœːt/
noun
goederen gewonnen door diefstaf of verovering
botí
/ˈbœʏ̯tə(n)/, /ˈbœːtə(n)/
adverb
fora
adjective
1. niet binnen het raamwerk van het huwelijk
extraconjugal
adjective
extravagant
noun
1. ieder land buiten het eigene
estranger
/ˈbœytə(n)lɑndər/
noun
1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
estranger
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
estranger
noun
1.
fora de joc
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
  1. aligot comú
  2. aligot
/ˈbɵkən/
verb
2. het lichaam geheel voorover buigen
acotar
/bʏl/
noun
1. mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
toro
noun
1. een stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken...
buldog
/bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
búlgar
noun
búlgara
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
Bulgària
noun
1. gestoomde, daarna gedroogde en vervolgens grof gemalen of gebroken tarwekorrels, meestal durumtarwe
bulgur
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
buldòzer
noun
banya
/ˈbʏltrʏx/
noun
1. benaming voor een van de grotere baardwalvissen met lange borstvinnen
balena amb gep
noun
1. stootstang
para-xocs
noun
1. zijdelings bijeengehouden verzameling langwerpige voorwerpen
farcell
noun
1. woning of vakantiehuis zonder bovenverdieping
bungalou
noun
1. zwaar versterkte verdedigingsstelling
búnquer
noun
1. gasbrander met regelbare luchttoevoer die men gebruikt in een laboratorium
cremador Bunsen
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela putorius
turó
noun
2. een (politie)kantoor
oficina
noun
burocràcia
noun
1.
bureta
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
alcalde
noun
alcaldessa
noun
  1. 1. inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
    ciutadà
  2. 2. lid van de burgerbevolking, in tegenstelling tot een strijdende partij of ordedienst
    paisà
/ˈbʏrɣərlək/
adjective
1. tot de burgers behorend, tot de middenstand behorend
burgès
noun
1.
societat civil
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
guerra civil
noun
1. een recht dat men geniet als staatsburger van een land
drets civils
noun
ciutadania
noun
1. edelman
vescomte
noun
vescomtessa
/bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
Burkina Faso
/bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
Burundi
/bɵs/
noun
1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
bus
/ˈbʏshɑltə/, /ˈbʏshɑɫtə/
noun
1. een plek waar een bus stopt
estació del bus
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
pólvora
noun
  1. 1. boezem
  2. 2. borstbeeld
bust
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
sostenidor
noun
1. C₄H10
butà
/byr/
noun
1. een persoon die in andermans omgeving woont
veí
noun
1. een man naast wie men woont
veí
noun
1. een (deel van een) wijk
barri
noun
1. vrouw woonachtig in het belendende huis
veïna
noun
bizantina
adjective
bizantí
noun
beta
/ˌkɑbɑˈrɛ(t)/
noun
1. een kleinkunst, vermaak met toneel, zang, dans, en voordracht
cabaret
noun
cabotatge
/kakaˈoː/, /kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
cacau
/kɑˈkʌʊbom/
noun
1. een boom waarvan uit de vruchten de cacao wordt gewonnen
cacau
noun
1. een vetplant met stekels
cactus
noun
1. een stekelige vrucht van de Opuntia
figa de moro
/kaˈdoː/
noun
1. iets dat men aan iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
regal
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
cadmi
noun
1. een eenvoudige eetgelegenheid, waar men een snelle hap kan nuttigen
cafeteria
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
cafeïna
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar men dranken kan nuttigen
cafeteria
/ˈka.la/, /ˈkaː.la/
noun
1. een kleine ronde baai langs een steile kust met een nauwe doorgang naar de open zee
cala
pronoun
Calàbria
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
calci
noun
1. calciumcarbid
carbur de calci
noun
carbonat de calci
verb
1. rekenen
calcular
pronoun
Caledònia
noun
1. fijn katoenen weefsel
calicó
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
californi
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten. De staat grenst aan de Pacifische Oceaan en aan de Mexicaanse deelstaat Baja California, alsmede aan de Amerikaanse deelstaten Nevada, Oregon en Arizona.
Califòrnia
pronoun
  1. 1. nimf uit de Griekse mythologie
  2. 2. een van de vier grote manen van Jupiter
Cal·listo
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
caloria
noun
paper de calc
noun
1. gereformeerde substroming binnen het Christendom waarin o.a. het voorbestemd zijn centraal staat
calvinisme
/kɑm.ˈbɔ.dja/, /kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
Cambodja
pronoun
Cambridge
/ˈkaməˌra/
noun
1. een apparaat om beelden mee te registreren
camera
noun
1.
cameràman
noun
1. net dat zorgt dat iets minder goed zichtbaar is
malla de camuflatge
/kɑmuflerən/
verb
1. een voorwerp onopvallend maken
camuflar
pronoun
Campània
/ˈkɑmpɪŋ/, /ˈkɛmpɪŋ/
noun
1. een terrein met voorzieningen om te kamperen
càmping
/ˈkɑmpʏs/
noun
1. universiteitsterrein
campus
/ˈka.na.da/, /ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
Canadà
pronoun
Illes Canàries
pronoun
1. de federale hoofdstad van Australië, gelegen in het Australisch Hoofdstedelijk Territorium
Canberra
noun
candela
noun
1. schimmelziekte van huid en slijmvliezen
candidosi
/'ka.nɔn/
noun
1. de strengste vorm van een meerstemmige compositie, waarin de stemmen elkaar in de tijd verschoven imiteren
cànon
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Cantàbria
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. cantalupensis
cantaloup
noun
cantata
/ˌkɑntaˈrɛɫ/
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak, Cantharellus cibarius
rossinyol
noun
canemàs
adjective
1. rubber
cautxú
noun
1. mogelijkheid om iets te bevatten
capacitat
/ˌkapiˈbaːra/
noun
1. Hydrochoerus hydrochaeris, een groot knaagdier...
capibara
/ˌka.pɪ.la.ri.ˈtɛɪ̯t/
noun
capil•laritat
noun
1. internationaalrechtelijke verklaring dat een partij de strijd tijdens een oorlog opgeeft
capitulació
verb
1. het verzet staken, zich overgeven
capitular
pronoun
Capri
noun
2.een omhulsel, veelal van gelatine met een medicijn erin
càpsula
/ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
caputxa
noun
1. bepaald soort zoogdier, Profelis caracal
caracal
/karákas/
pronoun
1. de hoofdstad van de Zuid-Amerikaanse staat Venezuela
Caracas
noun
carbonat
noun
1. kankergezwel
carcinoma
/ˈkɑrdɪɡən/
noun
1. vest met V-hals dat met knoopjes aan de voorkant wordt gesloten
càrdigan
/kɑrdijolo'xi/
noun
1. een medisch specialisme dat zich bezighoudt met het opsporen, diagnosticeren en behandelen van hartziekten
cardiologia
adjective
1. met betrekking tot hartziekten
cardiològic
/kɑrdijo'lox/
noun
cardiòleg
/ˌkɑr­.di­.jo­ˌmi­.jo­.pa­ˈti/
noun
1. hartspierziekte
cardiomiopatia
pronoun
1. de zee ten westen van de Atlantische Oceaan, begrensd door de Kleine en de Grote Antillen, de noordkust van Zuid-Amerika en de oostkust van Midden-Amerika
mar Carib
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
  1. carnaval
  2. carnestoltes
/kɑrniˈvor/
noun
1. een vleesetend dier
carnívor
noun
carotè
noun
1. loopbaan, werkgerelateerde maatschappelijke positie
carrera
noun
1. koetswerk van een voertuig
carrosseria
pronoun
Cartago
noun
1. iemand die land-, zee- en/of luchtkaarten maakt
cartògraf
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
  1. cartogrfia
  2. cartografia
noun
anacard
noun
1. een gelegenheid waar in een luxe omgeving gegokt wordt
casino
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
casset
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Cassiopea
pronoun
1. landstreek in Spanje
Castella
pronoun
Castella i Lleó
pronoun
Castella - la Manxa
noun
1. ontmanning, het volledig verwijderen van de teelballen bij de man
castració
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
castrar
noun
1. onderaardse ruimte, onderaards gangenstelsel in het algemeen
catacumba
noun
1.
català
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
català
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
Catalunya
noun
1.
catàleg
noun
1. vaartuig met twee drijvende delen (de rompen), die boven de waterlijn parallel aan elkaar gemonteerd zijn
catamarà
/ˌkatɑstroˈfal/
adjective
1. rampzalig
catastròfic
noun
1. een algemene ramp
catàstrofe
noun
1. de leer van een godsdienst in de vorm van vragen en antwoorden gebruikt in het godsdienstonderwijs...
catecisme
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
categoria
adjective
1. oorzakelijk
causal
noun
1
cavalcada
noun
1. strijdmacht te paard
cavalleria
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
  1. conillet d'índia
  2. cobaia
noun
1. en 2. een peper, een scherp specerij
pebre de caiena
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
El Caire
pronoun
1. een taal die op de Filipijnen en met name op het eiland Cebu gesproken wordt
cebuà
/ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
cedre
noun
  1. 1. een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
    1. calabós
    2. cel·la
  2. 2. een kleine ruimte (in een klooster)
    1. cel·la
    2. cèl·lula
  3. 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
    1. cèllula
    2. cèl·lula
  4. 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
    1. cèl·lula
    2. cel·la
noun
1. slagwerkinstrument met een klavier
celesta
noun
1. de wetenschap van functies en processen binnen organische cellen
fisiologia cellular
/sɛlkɛrən/
noun
1.
nucli
noun
1. musicus die een violoncello of kortweg een cello bespeelt
violoncel·lista
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
violoncel
noun
1.
cel·luloide
/ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
cel·lulosa
/sɛlʋɑnd/
noun
1.
paret cel·lular
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
ciment
noun
1. een fabriek waar cement geproduceerd wordt
fàbrica de ciment
noun
1. hoge ambtenaar in de Romeinse republiek
censor
verb
1. bewust informatie uit de media weghalen
censurar
noun
centau
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Centaure
noun
1.
centaure
noun
centigram
/'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
centímetre
adjective
1. in het midden gelegen
central
/sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
República Centreafricana
pronoun
Àsia Central
pronoun
Europa Central
pronoun
1. Iraanse taal gesproken door 6 miljoen mensen in Irak en Iran
kurd
noun
1. een verwarmingssysteem, waarbij de warmte centraal wordt opgewekt
calefacció central
verb
1. op één punt samenbrengen
centralitzar
noun
1. pomp die een vloeistof verpompt door het met een draaiend rad naar buiten te slingeren
bomba centrífuga
noun
1. centrifugaalmachine
assecadora centrifuga
noun
1. middelpunt
centre
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Cefeu
adjective
1. met betrekking tot de grote hersenen
cerebral
noun
1. een plechtige aangelegenheid
cerimònia
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ceres
noun
ceri
/ˌsɛrtifiˈkat/
noun
1. een schriftelijk bewijs
certificat
adjective
1. met betrekking tot de hals en de nek
cervical
noun
cesi
noun
1. overdracht van schuldvordering
cessió
noun
1. persoon die een vordering verkrijgt
causahavent
pronoun
Ceuta
pronoun
Ceilan
noun
1.
txakra
pronoun
Caldea
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Xampanya
/ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
  1. xampany
  2. cava
noun
1. bepaald soort eetbare en speciaal gekweekte witte paddenstoel, Agaricus bisporus
xampinyó
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
xantatge
noun
1. grote wanorde
caos
noun
1. deelgebied van de wiskunde en natuurwetenschappen dat zich bezighoudt met het gedrag van dynamische systemen zoals dat sterk door hun begintoestand wordt bepaald.
teoria del caos
adjective
caòtic
noun
1. uitstraling
carisma
noun
1. volksgericht waarbij een of enkele personen die de sociale normen hadden overtreden publiekelijk werden gestraft
xivarri
/ˈʃar.la.tan/
noun
xarlatà
pronoun
1. grootste stad van Henegouwen
Charleroi
adjective
1. aangenaam in omgang
encantador
/sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
encant
/ˈtʃɑtə(n)/, /ˈtʃɛtə(n)/
verb
1. op synchrone wijze met elkaar korte tekstberichten uitwisselen
xatejar
/ʃaʊ̯.ˈføːr/, /ʃo.ˈføːr/, /ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
xofer
noun
xovinisme
noun
xovinista
/χaˈzɑn/
noun
1.
hazan
noun
1. Acinonyx jubatus, een zeer snel Afrikaans katachtig roofdier
guepard
noun
1. een chemisch bindingsproces
quelació
noun
químic
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
química
adjective
1. dat wat tot de chemie behoort, volgens de chemie
químic
noun
element químic
noun
1. behandeling van kanker met medicijnen
quimioteràpia
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat Tamil Nadu. De voormalige naam van de stad was Madras
Chennai
/ʃɛk/
noun
xec
noun
2. eetbare hartvormige vrucht van Annona cherimola
xirimoier
/ˈxerʏp/
noun
1.
querubí
noun
khi
noun
quiasme
adjective
xilè
/ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
Xile
/'ʃílipepər/
noun
1.
bitxo
noun
quimera
/ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
ximpanzé
noun
quimera
/ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
Xina
noun
xinxilla
/ʃi.ˈnes/
adjective
1. betreffende China
xinès
/ʃi.ˈnes/
pronoun
  1. 2. persoon
    xinès
  2. 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
    1. xinès
    2. xinesa
noun
(bladeren van) Brassica rapa subsp. pekinensis
col xinesa
noun
2. een klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
xip
/ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
cirurgià
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
cirurgia
noun
clor
noun
clorur
noun
clorita
noun
cloroform
/ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
xocolata
/ˌʃo.ko.ˈla.də/, /ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
xocolata
/χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
còlera
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
colesterol
noun
1. muziekinstrumenten waarbij de toon wordt geproduceerd door een trillende snaar
cordòfon
noun
coreògraf
noun
coreografia
adjective
1. te maken hebbend met het christendom
cristià
/ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
cristià
/ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
cristianisme
/ˈxrɪstʏs/
pronoun
Crist
/ˌxromatisiˈtɛɪt/, /ˌɣromatisiˈtɛɪt/, /ˌχromatisiˈtɛɪt/
noun
1. de kwaliteit van een kleur zoals gedefinieerd door zijn kleurvolheid en helderheid
cromaticitat
/ˌɣro.mo.zo.ˈmal/, /ˌɣro.mo.zo.ˈmaɫ/, /ˌχro.mo.zo.ˈmaɫ/
adjective
1. met betrekking tot de chromosomen, de eiwitten die erfelijke informatie bevatten
cromosòmic
/ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
cromosoma
/ˈkronis/
adjective
1. voortdurend, aanhoudend
crònic
/xrono.lo'ɣiː/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
cronologia
adjective
1. naar tijdstip gerangschikt
cronològic
noun
1. een uurwerk waarop zeer kleine tijdsdelen kunnen worden afgelezen
cronòmetre
noun
crom
noun
1.
crisantem
/ˌxi.lo.mi.ˈkrɔn/, /ˌχi.lo.mi.ˈkrɔn/
noun
1. een grote door darmwandcellen geproduceerde lipoproteïne, waarin lipiden uit het voedsel van de darmwandcellen naar andere weefsels worden getransporteerd
quilomicró
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
cigala
adjective
ciceronià
/ˌsikoˈrɛɪ/
noun
xicoira
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
sidra
noun
1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
xifra
noun
cilindre
adjective
1. zoals een cilinder, cilindervormig, buisvormig
cilíndric
noun
1.
cinèfil
noun
1.
cinema
noun
1. voorloper van de filmprojector
cinematògraf
noun
1. iemand die gevangenen bewaakt en verzorgt
escarceller
noun
1. bepaald soort naaldboom, Cupressus sempervirens
xiprer
noun
  1. 1. omloop voor snelheidswedstrijden
  2. 2. elektronisch netwerk
circuit
noun
1. een woorddeel dat rondom een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
circumfix
noun
  1. 1. attractie
  2. 2. chaotische toestand
circ
/ˈsɪrkəɫ/
noun
cercle
/ˈsɪrkəlzax/
noun
1. motorzaag met een rond zaagblad
serra circular
noun
1.
gratapalles
noun
1.
cirrosi
/'sɪrɵs/
noun
1. een zeer hoog drijvende wolk die eruitziet als katoenvlokken, pluimen of veren, in regelmatige strepen aan de hemel verdeeld
cirrus
adjective
1.
cisalpí
noun
1. aanhaling, ontleende passage
citació
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
cítara
verb
1. eigen of andermans woorden ontlenen
citar
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
  1. llimona
  2. llimó
noun
1. uit China afkomstige boomsoort waarvan de citroen de vrucht is, Citrus limon
llimoner
noun
1. en 2. schil van een citroen
pell de llimona
noun
1. dagvlinder van de Pieridaefamilie
llimonera
noun
àcid cítric
noun
1. Viverra, een geslacht van kleine slank gebouwde roofdieren dat ---
civeta
noun
enginyeria civil
noun
1. artistieke techniek
clarobscur
noun
clandestinitat
noun
classificació
/klʌstrofoˈbiː/, /klʌustrofoˈbiː/
noun
1. vrees voor afgesloten ruimten
claustrofòbia
/klʌʊˈsylə/
noun
1. een extra bepaling in een ambtelijke brief.
clàusula
noun
1.
botzina
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
clítoris
noun
1. de gecombineerde darm- en urineuitgang bij bepaalde diersoorten
cloaca
noun
een verwijzing naar het internet
núvol
/kloːn/, /klʌːun/
noun
  1. 1. komische artiest
  2. 2. bespottelijk iemand
pallasso
/klɵp/
noun
  1. 1. besloten gemeenschap
  2. 3. golfstok
club
noun
coenzim
/kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
coalició
noun
1. gevaarlijke gifslang
cobra
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
cocaïna
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
còctel
noun
coctelera
noun
capoll
/'kodə/
noun
codi
noun
codicil
noun
1. (geneeskunde) een ongeneeslijke stofwisselingsziekte die veroorzaakt wordt door een glutenintolerantie
celiaquia
noun
conyac
/kɔxniˈtif/
adjective
1. met betrekking tot het leerproces
cognitiu
noun
2. een onderlinge aantrekking van moleculen van een zelfde stof
cohesió
noun
1. ontgaste steenkool
coc
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
cola
noun
1. ontsteking van de dikke darm
colitis
noun
collage
/ˌkɔlɑˈɣen/
noun
1.
col·lagen
noun
col·lecció
noun
1. meerdere groepen die onder één noemer worden aangesproken
col·lectiu
noun
1. stellen van het belang van de gemeenschap boven dat van het individu
col·lectivisme
/kɔˈleɣa/, /kɔˈleχa/
noun
  1. 1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt
  2. 2. een vak- of ambtgenoot
col·lega
noun
1. een ruimte waarin les wordt gegeven aan studenten
auditori
noun
1. cellulosenitraat met een lage nitreringsgraad, opgelost in een mengsel van ethanol en di-ethylether
col·lodió
noun
col·loide
/ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Colòmbia
noun
1. een inwoner van Colombia of persoon die de Colombiaanse nationaliteit bezit
colombià
/ko'lɔnə/
noun
1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
columna
noun
1. dikke darmonderzoek waarbij men met een endoscoop het darmslijmvlies onderzoekt en zonodig een biopsie kan nemen
colonoscòpia
adjective
1. met betrekking tot de karteldarm en de endeldarm
colorectal
noun
coltan
/ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
coma
adjective
1. in volkomen bewusteloosheid
comatós
noun
1. werktuig waarmee je zowel op verschillende manieren kan vastknijpen als afknippen
  1. alicantes universals
  2. alicates universals
/kɔnˈfɔrt/
noun
1. een toestand waarin men zonder onrust, vrees of verlegenheid is
comoditat
adjective
1. gerieflijk
còmode
noun
comitè
/kɔ.ˈmɑn.do/
noun
  1. 2. speciaal getrainde groep militairen voor speciale missies
  2. 3. opdracht om een bepaald proces uit te voeren
  3. 1. iemand uit een eenheid die extra getraind wordt voor speciale missies
comando
/kɔmən'tar/
noun
  1. 1. toelichting of verklaring
  2. 2. kritiek
comentari
noun
comentarista
/kɔmərˈʃel/, /kɔmɛrˈsjel/
adjective
1. zakelijk
comercial
noun
2. een hoge rang bij de politie
comissari
noun
1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
  1. commissió
  2. comissió
/ˌkɔ.my.nɪ.ˈkaː.si/, /ˌkɔmyniˈkasi/, /ˌkɔmyniˈkaʦi/
noun
1. het uitwisselen van informatie
comunicació
noun
ciències de la comunicació
noun
comunicat
/kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
comunisme
noun
comunista
noun
comunitarisme
pronoun
1. Bantoetaal gesproken op de Comoren, Madagaskar, Mayotte en Réunion
comorià
/ko.ˈmoː.rə(n)/, /ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
Comores
adjective
1. ruimte beperkende uitvoering, gedrongen
compacte
noun
2. vennootschap
companyia
noun
1. iemand die voor een notaris verschijnt om een akte op te maken
compareixent
noun
1. verschijning in rechte
compareixença
//
noun
1. verenigbaarbeid van elektronische apparaten, softwareprogramma's, enz
compatibilitat
noun
1. iets wat minder is uitvallen, weer goed (proberen te) maken (met een extra toegift)
compensació
verb
1. iets goed (proberen te) maken, terug in balans brengen
compensar
noun
1. wedijver, concurrentie
competència
adjective
1. gewend aan en in staat om strijd te leveren
competitiu
noun
complementarietat
/kɔmplɛks/
adjective
1. ingewikkeld
complex
noun
1. de mate waarin iets complex is
complexitat
noun
1. bijkomende ziekte (verergering)
complicació
verb
1.(nodeloos) ingewikkeld maken
complicar
noun
1. iemand die muziekstukken schrijft
compositor
noun
een samengesteld materiaal dat is opgebouwd uit verschillende componenten
material compost
noun
  1. 1. een muziekstuk, werkstuk van een componist
  2. 2. samenstelling
composició
noun
1. is het residu dat ontstaat na ontbinding van organisch materiaal (d.w.z. van plantaardige of dierlijke oorsprong)
compost
noun
1. samendrukking
compressió
verb
1. samenpersen, compact maken
comprimir
/kɔmproˈmi/
noun
1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen...
compromís
/kɔm.ˈpju.tər/, /kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
ordinador
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
  1. joc d'ordinador
  2. videojoc
noun
ciències de la computació
noun
concentració
noun
1. afgesloten terrein met barakken waar machthebbers bepaalde groepen mensen zonder rechtsgang onder dwang van de samenleving afgezonderd houden
camp de concentració
verb
  1. 1. op één plek samenbrengen
  2. 2. zich ~ op één zaak toespitsen
concentrar
adjective
1. van cirkels of bollen dat ze het zelfde middelpunt hebben (maar niet dezelfde straal)
concèntric
noun
1. een ontwerp, een project
concepte
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
concert
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
conclave
/ˌkɔŋklyˈderən/
verb
2. (overgankelijk) tot een besluit komen
concloure
/kɔŋˈklyzi/
noun
conclusió
/kɔnˈkret/
adjective
2. in realiteit bestaand
concret
noun
1.vrouw met wie een man in ongehuwde staat...
concubina
noun
1.
competició
/kɔndɛn'zasi/
noun
condensació
noun
1. elektrische component
condensador
verb
1. overgaan van gasvormige naar vloeibare toestand
condensar
noun
  1. 2. voorwaarde
  2. 1. gezondheidstoestand
condició
noun
1. leerproces waarbij een organisme zich aanpast aan de omgeving
condicionament
noun
condó
noun
1. benaming voor sommige roofvogels uit de Amerikaanse tak (Cathartidae) van de gierenfamilie
còndor
noun
conductància
noun
confederació
noun
conferència
noun
1. felgekleurde papiersnippers
confeti
verb
1. van staatswege in beslag nemen
confiscar
noun
conflicte
noun
conformitat
noun
enfrontament
verb
1.iemand laten zien wat diegene heeft gedaan
confrontar
noun
confucianisme
noun
1. samenklontering van verschillende bedrijven
conglomerat
/kɔŋˈɣrɛs/, /kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
congrés
adjective
1. de vorm hebbend van een (afgeknotte) kegel
cònic
noun
conjunció
/ˈkɔn.jʏŋk.tif/
noun
1. aanvoegende wijs
subjuntiu
noun
1. bindvliesontsteking van het oog
conjuntivitis
noun
connexió
verb
1. consecratie verrichten
consagrar
noun
1. een noodzakelijk gevolg
seqüela
noun
conservadorisme
noun
1. een school in het hoger onderwijs waar men zich kan laten opleiden tot professioneel musicus, acteur/actrice of danser(es)
conservatori
noun
conservadora
noun
llauna
noun
consorci
adjective
1. Altijd onveranderlijk
constant
noun
constantà
pronoun
Constantinoble
noun
1. een situatie waarin men zich geen raad meer weet
consternació
noun
1. verstopping, harde of uitblijvende ontlasting
restrenyiment
adjective
constitucional
/ˌkɔnstrʏkˈtif/
adjective
1. opbouwend
constructiu
noun
  1. 1. Romeins overheidspersoon
  2. 1. vertegenwoordiger
cònsol
noun
1.
consolat
verb
  1. 1. verorberen
  2. 2. verbruik van goederen en diensten in de economie
consumir
/kɔn.ˈtɑk/, /kɔn.ˈtɑkt/
noun
  1. 1. een toestand waarbij twee voorwerpen elkaar raken
  2. 2. onderlinge communicatie
  3. 3. een contactpersoon
  4. 4. een verbinding van twee elektrische geleidingen
  5. 5. een elektrische schakelaar
  6. 6. de grens tussen stollings- en nevengesteente
contacte
verb
1. contact opnemen met
contactar
noun
1. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
  1. lent de contacte
  2. lentilla
noun
contenidor
noun
portacontenidors
noun
1. verontreiniging of besmetting met chemische stof of bacterie
contaminació
adjective
1.
a comptant
/ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
context
noun
1. een werelddeel
continent
adverb
continu
/ˌkɔntinyˈweːrə(n)/
verb
1. voortzetten
  1. continuar
  2. fer durar
noun
continuïtat
noun
1.
isolínia
noun
1. het laagstklinkende muziekinstrument van de strijkinstrumenten
contrabaix
/kɔnˈtrɑkt/
noun
1. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
contracte
verb
1. een contract sluiten
contractar
noun
1. (muziekinstrument) fagot waarvan de noten een octaaf lager klinken dan de gewone fagot
contrafagot
adjective
contraproduent
noun
control
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
  1. comprovar
  2. verificar
noun
convecció
/ˌkɔnvɛrˈɣɛnt/
adjective
1. in één punt samenkomend
convergent
/kɔn.vɛr.ˈsa.tsi/
noun
conversa
adjective
1. bolrond, met een gebogen oppervlak
convex
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
copernici
noun
1. het eten van ontlasting
coprofàgia
/ˈkɔrnis/, /ˈkɔrnɪs/
pronoun
1. een Keltische taal die gesproken wordt in Cornwall
Còrnic
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
Cornualla
adjective
1. met betrekking tot de krans-slagaders van het hart
coronari
noun
corporació
adjective
corpuscular
adjective
1.
correcte
noun
1. verbetering
correcció
noun
1. samenhang
correlació
noun
carteig
verb
correspondre
/ˌkɔriˈʒeːrə(n)/, /ˌkɔriˈʒɪːrə(n)/
verb
1. iets van fouten ontdoen
corregir
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
corrosió
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
concussió
/'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Còrsega
pronoun
1. een taal die op Corsica gesproken wordt
cors
noun
1.
llebre corsa
noun
cosinus
/ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
Costa Rica
noun
cotangent
noun
coulomb
noun
1. massamedium
diari
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
  1. carabassó
  2. carbassó
noun
cuscús
noun
1. iemand die tijdens de coronapandemie de maatregelen tegen de verspreiding...
covidiot
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
coiot
noun
1. een constante factor van een onbekende of van een veranderlijke grootheid
coeficient
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
coit
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
cooperativa
verb
1. zo organiseren dat alles en iedereen goed kan samenwerken
coordinar
noun
1. bepaald soort struik en 2. vrucht daarvan, Vaccinium macrocarpon
nabiu de grua
noun
1. een schepping, iets totaal nieuw
creació
/krejaˈtif/
adjective
1. scheppend vermogen bezittend, met een scheppende geest
creatiu
noun
1.
creatina
noun
1. gedrevenheid of vaardigheid om iets oorspronkelijks te maken
creativitat
noun
1. schepsel; iets dat gemaakt is
creatura
noun
targeta de crèdit
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
creditor
verb
incinerar
noun
1. een taal die is ontstaan doordat bevolkingsgroepen die twee verschillende talen spraken met elkaar in contact kwamen en een nieuwe taal ontwikkelden
lengua criolla
/kreˈjeːrə(n)/
verb
1. iets nieuws maken, iets scheppen
crear
noun
1. een uit Engeland afkomstig slagbalspel in de open lucht
criquet
noun
1. de misdadigheid, het begaan van misdaden
criminalitat
adjective
1. met betrekking tot misdaad
criminal
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
criminologia
noun
1. beoefenaar van de criminologie
criminòleg
noun
1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
crisi
/kriˈterijʏm/
noun
1. toets, een doorslag gevende reden
criteri
/krʋɑˈsɑ̃/
noun
1. halvemaanvormig broodje
croissant
noun
1. vakantie op een varend schip met uitgebreide voorzieningen voor de passagiers
creuer
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
creuer
/ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
Cuba
adjective
cubà
adjective
1. met betrekking tot de kookkunst
culinari
/kʏltyˈrel/
adjective
1.met betrekking tot cultuur
cultural
noun
culte
/kɵl'tyːr/
noun
1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
cultura
noun
cumulonimbe
noun
1.
magdalena
adjective
1. heilzaam, genezend
curatiu
/ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
Curaçao
noun
2. gele voedselkleurstof
curcumina
noun
1. uitkrabbing
raspat
noun
1. scherpe lepel, gebruikt om de binnenwand van de baarmoeder af te schrapen
cureta
noun
1.iets merkwaardigs
curiositat
noun
curi
noun
1. een precisiesport die lijkt op bowls, jeu de boules en bocce, die op ijs gespeeld wordt gespeeld met zware stenen in plaats van metalen (of plastic) ballen
cúrling
adjective
1.
cursiva
/ˈkʏrsʏs/
noun
curs
noun
corba
adjective
1. met betrekking tot de huid
cutani
noun
1. een blauwgroene kleur
cian
noun
ciberatac
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
cibernètica
/ˈsiklis/
adjective
1. regelmatig terugkerend
cíclic
noun
ciclop
noun
1. terugkerende, regelmatige reeks
cicle
/ˈsinis/
adjective
cínic
noun
1. inwoner van Cyprus
xipriota
/ˈki.prʏs/, /ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
Xipre
/sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
ciríllic
noun
1. een alfabet dat geschreven wordt in het cyrillisch schrift
alfabet ciríl•lic
/ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
quist
noun
1. kijkonderzoek van de blaas
cistoscòpia
/ˌsitɔˈplɑsma/
noun
citoplasma
/ˈsitoskəˌlɛt/
noun
1.
citosquelet
/ˈsitɔzɔl/
noun
1
citosol
/daːt/
noun
1. bewust gepleegde handeling
acte
/daːr/
adverb
1. op die plaats
allà
/dar.ˈχɪn(t)s/, /ˈdar.ɣɪn(t)s/
adverb
1. op een plaats in de verte
allà
/daˈsit/
noun
1. vulkanisch stollingsgesteente.
dacita
noun
1. een inwoner van het voormalige rijk Dacië
daci
noun
dadaisme
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
dàtil
noun
1. palm waaraan dadels groeien
palmera datilera
/dɑx/, /dɑχ/
noun
  1. 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
  2. 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
  1. dia
  2. jorn
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
diari
noun
diari
adverb
1. iedere dag
  1. diari
  2. quotidià
noun
1. het aanbreken van de nieuwe dag, de tijd net voor zonopkomst
alba
/'dɑxlɪxt/
noun
1. licht van de zon
llum del dia
noun
1. een oproep om voor een rechtbank te verschijnen
citació
noun
1.
dàlia
pronoun
Dahomey
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
  1. teulada
  2. teulat
noun
1. een langgerekte bakvormige of halfronde constructie voor het afvoeren van (regen)water dat van het dak komt
canaló
noun
1. iemand die op de straat leeft, zonder vaste verblijfplaats
rodamón
noun
1. raam dat in een dak zit
claraboia
/dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
vall
/dɑl'matis/
adjective
dàlmata
pronoun
1.
Dalmàcia
noun
dàlmata
noun
1. weeftechniek, waarbij tekeningen aangebracht worden op een achtergrond van dezelfde kleur
domàs
noun
1. bepaald soort vlinder, Melanargia galathea
escac aranès
/daːmə/
noun
1. beschaafde vrouw
senyora
noun
1.
senyores i senyors
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
daina
verb
1. het damspel spelen
dames
/dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
vapor
adverb
1. toekomstig tijdstip
després
conjunction
1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord.
que
pronoun
3. jongensnaam
Daniel
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
gràcies
adjective
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
agraït
noun
1. het dankbaar zijn
gratitud
verb
agrair
noun
1. een dankbetuiging
agraïment
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
  1. ball
  2. dansa
verb
1. ritmisch bewegen
  1. ballar
  2. dansar
noun
1. mannelijk persoon die danst
ballador
/ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
valent
noun
1. mannelijke bij
abellot
/dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
budell
noun
darmstadti
noun
1. evolutieleer die het ontstaan van de soorten verklaart door natuurlijke selectie uit varianten die bij reproductie optreden
darwinisme
/dɑs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
  1. teixó
  2. toixó
/ˈdɑs.lok/
noun
1. sterk riekende, eetbare plant uit de lookfamilie
all de bruixa
conjunction
1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
que
noun
1. een plaats waar informatie over bepaalde onderwerpen in digitale vorm verzameld,...
base de dades
verb
1. meerdere dates, afspraakjes maken met iemand.
quedar
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
datiu
noun
1. Russisch buitenverblijf
datxa
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
data
noun
rosada
noun
punt de rosada
pronoun
David
article
1. (de) wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en altijd voor het meervoud, waarbij het een specifieke persoon of ding aanduidt in plaats van het algemene geval
el
phraseologicalUnit
1. het opgeven
llançar la tovallola
verb
1. iets heel treffend verwoorden
justa la fusta
interjection
1. er is een onomkeerbare stap gezet
s'ha tirat el dau
noun
1. Verkoper
concessionari
noun
debat
/deˈbil/
noun
  1. 1. iemand die min of meer zwakzinnig is
  2. 2. bespottelijk iemand, halve gare, idioot
imbècil
noun
deutor
/de.blɔ.ˈkeː.rə(n)/
verb
desbloquejar
noun
1. een mannelijk persoon die voor de eerste maal in het openbaar optreedt, speelt of publiceert
debutant
verb
1. voor de eerste keer doen
debutar
noun
  1. 2. hoofd van een faculteit
  2. 1. C10H22
degà
noun
1. verwildering van zeden
decadència
noun
1.
decàmetre
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
desembre
noun
decigram
verb
1.sterk in aantal terugbrengen, gewoonlijk door afslachting
delmar
/dekliˈna(t)si/
noun
1, 2
declinació
noun
1.
descodificador
verb
1. uit code overbrengen in gewone taal
descodificar
noun
1. laag uitgesneden halslijn bij vrouwenkleding
escot
noun
decoració
verb
1. methoden en technieken gebruikt om bouwwerken, meubels of andere objecten te verfraaien
decorar
verb
deduir
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
  1. massa
  2. pasta
noun
1. rol om deeg uit te rollen
corró
/ˈdeːl/
noun
  1. 1. een afsplitsing van een geheel
  2. 2. één uit een reeks
part
verb
1. meedoen, meevoelen
participar
noun
dividend
noun
2. onderdeel van een atoom
partícula
noun
física de partícules
noun
accelerador de partícules
noun
participi
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
crepuscle
/den/, /deːn/
noun
1. een inwoner van Denemarken
danès
/dens/, /deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
danès
/ˈdensə/, /ˈdeːnsə/
noun
danesa
adjective
1. van iets dat het gebreken vertoont
defectiu
verb
1. uit het raam gooien
defenestrar
noun
1. begripsbepaling
definició
verb
definir
noun
1. het vallen van het prijspeil waardoor het geld in waarde toeneemt
deflació
adjective
1. afnemen of vermindering van orgaan of functie
degeneratiu
verb
1. in rang verlagen
degradar
noun
decreixement
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. kleinste van de twee manen van Mars
Deimos
noun
1. een verdieping op een schip
coberta
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
edredó
/dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
manta
verb
1. koloniën vormen
descolonitzar
noun
1. een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken
tapa
noun
  1. 1. afvaardiging
  2. 3. schuldoverneming
delegació
verb
1. taken en verantwoordelijkheden doorgeven
delegar
verb
  1. 1. samen met een ander gebruiken
    compartir
  2. 2. in meer dan één stuk snijden of hakken
    dividir
noun
divisor
pronoun
1. het nationaal hoofdstedelijk territorium van India waarin de nationale hoofdstad New Delhi gelegen is. Het territorium is gesitueerd in het noorden van het land
Delhi
noun
1. een wiskundige bewerking op twee getallen
divisió
noun
delta
noun
demagògia
noun
1. een aandoening van de hersenen waardoor de verstandelijke en cognitieve vermogens verminderen
demència
noun
democràcia
adjective
1. in overeenstemming met de principes van een democratie
democràtic
verb
democratitzar
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
demografia
noun
dimoni
/ˌde.mo.ˈnim/
noun
1. naamwoord dat betrekking heeft op een bepaald land of volk
gentilici
adjective
demoníac
noun
  1. 3. een protestmars
  2. 1. het tonen en uitleggen van iets
manifestació
verb
demostrar
verb
desmoralitzar
/dɛmpən/
verb
1. zwakker maken, de kracht verminderen van
amortir
verb
1. minder geheimzinnig maken
desmitificar
noun
1. Pinus soort naaldboom
pi
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
La Haia
noun
dendrita
/ˌdɛn.dro.loˈɣi/, /ˌdɛn.dro.loˈχi/
noun
1. de studie van bomen, heesters en andere houtachtige planten
dendrologia
/ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
Dinamarca
verb
  1. 1. een oplossing zoeken
  2. 3. een bepaalde mening toegedaan zijn
pensar
noun
licopodi selago
/ˈdejo/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
desodorant
/ˌdejodɔːˈrɑnt/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
desodorant
noun
deontologia
noun
deportació
verb
1. onder dwang wegvoeren uit een gebied
deportar
noun
  1. 1. bewaarplaats
  2. 1. bezinksel
dipòsit
noun
depreciació
noun
    1. 2. gebied met lage luchtdruk
    2. 3. langdurige inzinking in de economische ontwikkeling
    depressió
  1. 1. ziekelijke neerslachtigheid
    1. depressió clínica
    2. depressió
verb
deprimir
adjective
1. somber makend; depressie veroorzakend
depriment
/ˈdɛrdə/
noun
1. door drie gedeeld iets
tercer
/ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
tercer
noun
tercera persona
pronoun
Tercera Guerra Mundial
noun
1. huidontsteking
dermatitis
noun
1. een specialisme binnen de geneeskunde dat zich bezighoudt met aandoeningen van de huid, de nagels en het haar, samen huidziekten genoemd
dermatologia
noun
1. Huidspecialist
dermatòleg
cardinalNumeral
1. het getal 13
tretze
ordinalAdjective
tretzè
cardinalNumeral
1. het getal 30
trenta
ordinalAdjective
trigèsim
verb
desertar
noun
1.
desertor
noun
1. onjuiste of misleidende informatie, die bewust verstrekt wordt met het oogmerk...
desinformació
noun
1. een specialist
expert
noun
1.
almesquera
noun
  1. Àcid desoxiribonucleic
  2. àcid desoxiribonucleic
adjective
1.
despòtic
noun
despotisme
noun
  1. postres
  2. darreries
noun
1. onderdeel, kleinigheid
detall
verb
1.
detallar
verb
2. ergens een signaal van door middel van apparatuur opvangen
detectar
/detɛkˈtivə/
noun
  1. 2. speurder die tracht misdaden op te lossen of bewijsmateriaal te verzamelen
  2. 3. boek of programma over mensen die trachten misdaden op te lossen
detectiu
verb
1. iemand van staatswege gevangen houden
detenir
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
virtut
adjective
1. bereid zich te gedragen in overeenstemming met algemeen aanvaarde waarden
virtuós
verb
1. een deuk of deuken maken in iets
abonyegar
/døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
porta
noun
1. een instrument waarmee bezoekers aangeven dat ze aan de deur staan
maneta
noun
1. een handvat waarmee een deur wordt geopend of gesloten
pom
noun
1. een kleine mat, waarop men bij de deur de schoenen kan afvegen
estoreta
/dœyˈterijʏm/
noun
1. een isotoop van waterstof
deuteri
/dewteɾoˈnomjum/
pronoun
Deuteronomi
/'devəntər/
adjective
1. gemeente en oudste stad in de provincie Overijssel
Deventer
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
perquè
demonstrativePronoun
mateix
/deʲɪsmə/
noun
deisme
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam geen of te weinig insuline produceert
diabetis
noun
diàbolo
noun
1. band (met edelstenen versierd) voor om het hoofd
diadema
noun
1.
cercopitec blau
noun
diagènesi
noun
1. vaststelling van een ziekte
diagnosi
/'dɪɑɣnɔstɪ'seːrə(n)/
verb
1. aan de hand van verschijnselen de ziekte bepalen
diagnosticar
adjective
diagnòstic
adjective
diagonal
noun
1. een symbolische en grafische voorstelling van een aantal zaken en hun onderling verband
diagrama
noun
diaca
/dijaˈkritis/
adjective
diacrític
/diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
dialecte
/ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
dialectologia
noun
diàleg
noun
1. bloedzuivering met een kunstnier
diàlisi
noun
  1. 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
  2. 2. een edelsteen gesneden uit [1]
diamant
noun
1. middellijn
diàmetre
noun
diapausa
/diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
diarrea
/diˈjaspora/
noun
diàspora
adjective
1. compact
dens
preposition
1. op een korte afstand van
prop
/dɪxtˈbɛː/, /dɪɣ.ˈbɛɪ̯/, /dɪχˈbɛɪ/
adjective
1. op heel korte afstand
pròxim
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
poeta
/ˈdixterlɪk/
adjective
poètic
noun
1. compactheid
densitat
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
dictador
adjective
1.
dictatorial
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
dictadura
verb
dictar
noun
1. Australisch, houten blaasinstrument afkomstig van de Aboriginals
didjeridú
/diˈdimijʏm/
noun
1. scheikundige stof
didimi
/di'jen/
noun
1.
diè
noun
2. een aanpassing in het eet- en voedingspatroon
dieta
/dif/
noun
1. iem. die steelt
lladre
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
  1. robatori
  2. furt
noun
safata
/ˈdinən/
verb
1. werken voor; in dienst zijn van
servir
noun
  1. 1.
  2. 4. kerkdienst
servei
/ˈdinst.plɪxt/
noun
1. verplichting om ergens te werken
conscripció
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
profund
noun
1.
carregador baix
noun
1.
escandall
/'diptə/
noun
1. de mate waarin iets diep is
profunditat
/diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
animal
adjective
1. waaraan men grote waarde hecht
car
/ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
zoològic
noun
1. wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van dierziektes
veterinària
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologia
noun
1. dieselmotor
dièsel
noun
motor dièsel
verb
difamar
noun
vergelijking voor een functie waarin een of meer van de afgeleiden van die functie voorkomen
equació diferencial
noun
diferencial
/dɪfərɛn'(t)ʃerə(n)/
verb
1. vanuit een homogeen geheel tot verschillende vormen komen
diferenciar
noun
1. de vermenging van twee ongelijksoortige stoffen
difusió
noun
1. infectieziekte
diftèria
/ˈdɪftɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
diftong
noun
digitalització
noun
1. het digitaliseren
digitalització
noun
dígraf
/dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
cuixa
noun
fèmur
noun
1. een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
dic
/dɪk/
adjective
    1. 1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
    2. 6. nauw aaneengesloten
    3. 7. weinig vloeibaar
    4. 4. ruim
    espès
    1. 2. de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
    2. 5. hecht
    3. 3. een naar verhouding grote lichaamsomvang hebbend
    gros
adverb
sovint
/dɪ'lɛmɑ/
noun
moeilijke keuze
dilema
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
anet
noun
  1. 1. afmeting in een bepaalde richting
  2. 2. parameter van een wiskundige ruimte
  3. 3. categorie waarin een fysische grootheid valt
dimensió
verb
dimensionar
noun
dimorfisme
noun
1. warme maaltijd
banquet
verb
1. het diner gebruiken
sopar
noun
1. voorwerp
cosa
/ˈdɪ.ŋəs/
noun
daixonses
noun
1. Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
dingo
/ˌdinoˈsʌʊriər/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
dinosaure
/ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
dinosaure
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
dimarts
noun
1. bestuurlijk gebied in de rooms-katholieke Kerk of andere Kerken
diòcesi
noun
díode
noun
diòxid
noun
diplodoc
noun
1. een bewijs van bevoegdheid
diploma
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
diplomàtic
noun
1. de kunst en de kunde van het voeren van overleg
diplomàcia
adjective
1. betrekking hebbende op de diplomatie
diplomàtic
/diploˈit/
adjective
1. met twee exemplaren van ieder chromosoom in de celkern
diploide
adjective
1. zonder te wachten, zonder iets daartussen
directe
noun
1. de leiding van een bedrijf, de directeur en of de topmanagers
gestió
noun
1. staafje dat een dirigent bij het dirigeren hanteert
batuta
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
director
adjective
disciplinari
noun
1. beschrijvend overzicht van de elpee's of cd's van een artiest of muziekgroep
discografia
adjective
1. zonder aandacht te trekken, onopvallend
discret
noun
1. onverwachte onderlinge afwijking
discrepància
noun
  1. 1. bescheidenheid of kiesheid
  2. 2. geheimhouding
discreció
noun
discriminació
/ˈdɪskʏs/
noun
1. een zware werpschijf die gebruikt wordt bij de atletische sport discuswerpen.
disc
noun
1. een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld
discussió
verb
discutir
noun
1. een atletiekdiscipline waarbij men een discus zo ver mogelijk probeert te werpen
llançament de disc
noun
desqualificació
/dɪsəl/
noun
3. houtbewerkingsbijl
aixa
noun
dissertació
adjective
dissident
noun
dissonància
adjective
1. naar het einde van de ledematen toe
distal
noun
card
noun
distinció
noun
1. verstuiking
distorsió
noun
1. verdeling, verspreiding
distribució
noun
1. het gebied van een lokale overheid
districte
demonstrativePronoun
això
adjective
  1. 1. onderling duidelijk verschillend
  2. 2. gekenmerkt door de aanwezigheid van mensen met een verschillend achtergrond
divers
noun
diversitat
noun
1. leer over gezonde voeding en de toepassing van die leer in de gezondheidszorg
dietètica
/'dʒɛmbe/, /ˈdjɛmbe/
noun
1. soort trommel die oorspronkelijk vooral bespeeld werd in West-Afrika
djembé
/(d)ʒi.ˈbu.ti/, /dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
Djibouti
noun
1. de afkorting van desoxyribonucleic acid (desoxyribonucleïnezuur)
ADN
pronoun
1.
Dnièper
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
dau
noun
1. een vrouwelijk kind
filla
noun
1. een verzameling leerstellingen of dogmas die niet ter discussie staan
doctrina
noun
1. een verzameling gegevens
document
adjective
documental
noun
1. een op waarheid beruste film
documental
/dokymɛn'taʦi/
noun
1. geschreven materiaal dat een bepaald onderwerp om- en beschrijft
documentació
verb
1. onderbouwen, staven
documentar
noun
1. iemand die dood is, een gestorvene, overledene
mort
/'do:dələk/
adjective
1. de dood veroorzakend
  1. fatal
  2. mortal
/ˈdo.də(n)/
verb
1. iemand van het leven beroven.
  1. matar
  2. assassinar
noun
1. dans van De Dood
dansa de la mort
noun
1. een afgietsel van het gelaat van een dood persoon, gewoonlijk gemaakt van was of gips
màscara mortuòria
/ˈdodə(n)ˌmɪs/
noun
1. een mis opgedragen voor een overledene
rèquiem
/ˈdudɔɫˌzɑk/, /ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
  1. gaita
  2. cornamusa
noun
4. gordijn
teló
noun
  1. 1. een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld
  2. 1. het punt waarop men zich richt
porteria
noun
públic destinatari
noun
1. de balk aan de bovenkant van een (voetbal)doel
travesser
noun
1. de lijn die het doel scheidt van de rest van het veld
línia de gol
noun
porter
noun
gol
verb
1. een actie ondernemen
fer
noun
1. een boom met zeer smakelijke maar stinkende vruchten
durian
noun
dux
/'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
dogma
adjective
dogmàtic
noun
3 laad- en loshaven
dàrsena
noun
metge
noun
1. witte jas die een arts ter bescherming over zijn kleding draagt
abric de metge
/dɔl/
noun
  1. 2. U-vormig steunpunt waarin een roeispaan rust
    escalamera
  2. 1. roeipen
    escàlem
noun
1. bovenste rand van een (roei)boot
borda
/dɔlˈfɛɪ̯n/, /dɔlˈfɛːn/, /dɔɫˈfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛːn/, /ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
dofí
noun
  1. daga
  2. punyal
/ ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
dòlar
adjective
1. van weinig verstand getuigend
estúpid
noun
domini
noun
1. temming tot huisdier of cultuurgewas
domesticació
verb
1. tot huisdier of cultuurgewas temmen
domesticar
noun
2. automatische overschrijving van geldbedragen door de bank laten verrichten
Ordre permanent
noun
2. vijfde trede van toonladder
dominant
/domiˈnɪːrə(n)/
verb
1. het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden
dominar
/ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
República Dominicana
noun
1.
efecte dòmino
verb
1. half in slaap zijn
abaltir-se
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Danubi
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
tro
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
dijous
/ˈdɔndərə(n)/
verb
  1. 1. het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading.
  2. 2. op luide en barse toon een bevel geven of zijn ongenoegen uiten.
tronar
adjective
1. zonder licht
fosc
noun
1. gever, bijv. orgaandonor: degene die zijn orgaan afstaat
donador
noun
1. fijne veren die onder de taaiere buitenveren zitten, vaak gebruikt als vulstof voor kussens, dekbedden en slaapzakken
borrissol
/doːt/
adjective
1. niet meer levend
mort
/doːt/
noun
  1. 1. de toestand na het leven
  2. 2. skeletvormige figuur, vaak met zeis, die bovengenoemde toestand personifieert
mort
/ˈdotxan/
verb
  1. 1. het leven verlaten
  2. 2. theaterterm
morir
adjective
1. bij de geboorte al overleden
nascut mort
noun
1. (beroep) persoon
enterramorts
/ˈdoːts.ɛsˌka.dər/
noun
1. bende die gevormd is om een of meerdere personen te doden
esquadró de la mort
noun
taüt
/dotslɑx/
noun
1. het iemand anders opzettelijk, maar zonder voorbedachten rade van het leven beroven
homicidi
noun
1. als straf gedood worden
  1. pena de mort
  2. pena capital
noun
1.de periode van het getij waarin het verschil tussen hoog- en laagwater minimaal is
marea de quadratura
/doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
sord
noun
sordesa
noun
1. smelten
desgel
noun
rovell
noun
  1. 1. stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
    1. laberint
    2. dèdal
  2. 2. ingewikkelde zaak
    1. laberint
    2. embolic
noun
1. plechtige besprenkeling of onderdompeling waarmee iemand tot een kerk gaat behoren
baptisme
/ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
pila baptismal
/ˈdoːr/, /[doːr]/, /[dʊːr]/
preposition
    1. 3. in
    2. 6. als achterzetsel: doorheen
    mitjançant
    1. 1. bij lijdende vorm
    2. 2. oorzaak
    per
noun
2. een cruciale ontdekking
avenç
/ˈdoːrɣan/, /ˈdɔːrχan/
verb
1. tot het einde meemaken
continuar
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
  1. espina
  2. punxa
noun
1. Datura stramonium, een zeer giftige plant die hallucinogene alkaloïden bevat
estramoni
/ˈdornəkron/
noun
1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
corona d’espines
noun
1. bepaalde soort vis, Squalus acanthias
agullat
verb
passar
adjective
decisiu
noun
2. diameter
diàmetre
noun
1. het door een plaats, rivier of gebied trekken zonder dat deze plaats, rivier of dat gebied de reisbestemming is
trànsit
/ˈdorvərˌkopə(n)/, /ˈdo̝rvərˌkopə(n)/
verb
1. iets verkopen dat onlangs is gekocht
revendre
verb
1. volhouden
perseverar
/doːrˈzɪxtəx/, /doːrˈzɪxtɪx/, /do̝ːrˈzɪχtəχ/
adjective
[1] waar licht zo ongehinderd door kan treden dat het zicht erdoor niet belemmerd wordt
transparent
/doʊs/, /doːs/
noun
1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
  1. caixa
  2. capsa
noun
1.
dopamina
verb
2. iemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
batejar
noun
1. stimulerende (genees)middelen
dopatge
/dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
poble
verb
batre
noun
1. toestel dat de graankorrels uit de korenaren slaat
ventadora
noun
set
noun
flagell
noun
1. vloer waarop gedorst wordt
era
noun
1. (medisch) verstrekte hoeveelheid
dosificació
noun
1. hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen
dosi
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
duana
/duʃ/
noun
1. stortbad
dutxa
noun
1.
gel de dutxa
noun
1.
carxofa
verb
1. een douche nemen
dutxar-se
noun
1. een lipbloemige plant met bladeren die op die van de brandnetel lijken maar die niet branden.
ortiga morta
verb
1. een bestand van een computer of server op afstand naar een lokale computer of server overbrengen
baixar
noun
1. een set van twaalf
dotzena
/draːt/
noun
3. elektrisch verbindingsmateriaal
filferro
/drat.los/, /ˈdraːd.loːs/
adjective
1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
sense fil
/ˈdraxbar/, /ˈdraχbar/
adjective
1. te dragen, met de mogelijkheid gedragen te worden
portable
noun
1. ongemoduleerde elektromagnetische radiogolf
ona portadora
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
torn
noun
guió
noun
1. constructie van drie of vier deurbladen die rondom een gezamenlijke verticale as kunnen draaien, ter vervanging van een gewone deur m.n. gebruikt in winkels, ziekenhuizen enz.
porta giratòria
/ˈdraːi̯ən/
verb
Vertalingen: na te kijken
girar
noun
1. strijkinstrument met strijkwiel
samfoina
noun
1. een mechanisch bediend of automatisch spelend orgel, meestal op straat spelend
piano de maneta
noun
1. zitmeubel voor één persoon waarvan de zitting kan draaien vooral in gebruik in kantoren
cadira giratòria
pronoun
sterrenbeeld nabij de noordelijke hemelpool
Dragó
/draːk/
noun
1. fabeldier
drac
/drɑf/
noun
  1. 3. bezinksel
    brisa
  2. 1. draf bij viervoeters
    trot
verb
  1. 1. al van de vloer houdend vervoeren
  2. 2. als kledingstuk of sieraad aanhebben
  1. portar
  2. dur
noun
1. een persoon die (letterlijk) draagt
portador
/ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
estragó
noun
1.
dragó
noun
  1. 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
  2. 2. een bepaald soort film of toneelstuk
drama
noun
1. innerlijke neiging om iets te doen
impuls
/drɑŋk/
noun
  1. 2. vloeistof om de dorst te lessen
  2. 1. alcoholhoudende vloeistof
beguda
/ˈdrɑs.tis/, /ˈdrɑs.tɪs/
adjective
1. doelgericht zeer ingrijpend
dràstic
verb
1. van paarden
trotar
noun
1.
rasta
verb
1. een bestraffende handeling in het vooruitzicht stellen
amenaçar
noun
1. een bestraffende handeling die in het vooruitzicht is gesteld
amenaça
noun
1. onderdorpel van een kozijn
llindar
/ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Drenthe
cardinalNumeral
1. telwoord
tres
noun
1. het cijfer 3
tres
noun
trinitat
adjective
1. met drie afmetingen, hoogte, breedte en diepte
tridimensional
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
triangle
noun
1. kleine tweekleppige zoetwaterschelp, oorspronkelijk uit het bekken van de Kaspische ...
musclo zebrat
noun
1. (romantische) verhouding waarbij drie mensen zijn betrokken
triangle amorós
adverb
1. in drie gevallen
tres vegades
noun
trident
noun
1.
gavina cuaforcada
noun
tricicle
cardinalNumeral
1. het getal 33
trenta-tres
cardinalNumeral
1. het getal 93
noranta-tres
cardinalNumeral
1. het getal 83
huitanta-tres
cardinalNumeral
1. het getal 23
vint-i-tres
cardinalNumeral
1. het getal 43
quaranta-tres
cardinalNumeral
1. het getal 53
cinquanta-tres
cardinalNumeral
1. het getal 63
seixanta-tres
/ˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 73
setanta-tres
noun
biela
noun
1. bodem bestaand uit heel kleine korreltjes vergruisd gesteente, verzadigd met zoveel water dat alles wat zwaar is er in wegzakt
sorramoll
verb
e1. op het oppervlak van een vloeistof rusten
flotar
adjective
urgent
/'drɪŋkə(n)/
noun
beure
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
aigua potable
noun
3. paardenziekte
galteres equines
verb
1. vocht laten of doen verdampen
assecar
noun
1. een toestel dat natte voorwerpen, bijvoorbeeld wasgoed droogmaakt
assecadora
noun
winkel van een drogist
adrogueria
noun
1. uitwerpsel, ontlasting
cagarro
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
dromedari
verb
  1. je een voorstelling maken van wat je graag wil
    somiar
  2. 1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
    1. somiar
    2. somniar
/drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
embriac
noun
het zwaar onder invloed van alcohol zijn
turca
/droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
sec
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
  1. sequera
  2. secada
noun
  1. 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
  2. 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
somni
noun
1. het duiden van de betekenis van de dromen die iemand heeft
oniromància
noun
droga
noun
narcotràfic
/'drɵksfər'slaːfdə/
noun
1. Verslaafd persoon
drogoaddicte
noun
2. vrucht van de wijnstok
raïm
verb
degotar
noun
1. pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
pressió
verb
1. kracht uitoefenen op
pitjar
noun
1. een persoon die afdrukken maakt
impressor
noun
bateria
/drɵ.pəl/
noun
gota
/drʌpələ/
verb
gotejar
noun
druida
noun
1. mythologisch, vrouwelijk wezen dat in een bos of boom leeft
dríada
noun
1. dubbele toonverlaging
doble bemoll
/ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
estrella binària
/dʏbəl'zɪnəxhɛit/
noun
1. iets dat op meerdere manieren te interpreteren is
ambigüitat
adjective
dubtós
noun
1. een scheikundig element met het symbool Db
dubni
/dʏf/
adjective
1. saai, doods
avorrit
/ˈdœy̯dələk/
adverb
  1. 1. niet mis te verstaan
  2. 2. goed te herkennen
clar
/dœʏ̯f/, /dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
colom
noun
1. wandplank van een vat
doga
noun
submarí
noun
1. speeltuigje
saltamartí
/ˈdœy̯kə(n)/
verb
  1. 4. snel verbergen of ontwijken
    ajupir-se
    1. 1. het zich onder water voortbewegen (van bijvoorbeeld duikboten) of zwemmen (van mensen)
    2. 2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
    3. 3. snel naar beneden gaan
    capbussar-se
/dœy̯m/
noun
  1. 2. lengtemaat
    polzada
  2. 1. eerste, kortste en dikste vinger
    1. polze
    2. dit gros
/dœʏ̯n/, /dœːn/
noun
duna
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
foscor
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
  1. alemany
  2. alemanya
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
  1. alemany
  2. alt alemany
/ˈdœʏ̯tsə/, /ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
alemanya
pronoun
República Democràtica Alemanya
noun
1. hond uit een oorspronkelijk in Duitsland gefokt ras
pastor alemany
/ˈdœʏ̯tsər/, /ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
alemany
/ˈdœʏ̯tslɑnt/, /ˈdœːtslɑnd/, /ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
  1. Alemanya
  2. Alemània
noun
diable
noun
1.
colomar
noun
1. het gevoel zijn evenwicht te verliezen
mareig
/ˈdœy̆zənt/
noun
1000
mil
noun
milfulles
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
centpeus
ordinalAdjective
  1. milè
  2. mil·lèsim
noun
1. oude munt
ducat
noun
1. karamelpasta van langdurig en langzaam gekookte melk met suiker en bakpoeder
almívar de llet
verb
1. bereid zijn iets ongestraft te laten
tolerar
/dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
fi
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon ramada
cap-pla
noun
1. deel van het spijsverteringskanaal tussen de maag en de dikke darm
intestí prim
noun
1. gebruiksvoorwerp
pelador
/dywoˈdenʏm/
noun
1. twaalfvingerige darm
duodè
/'dyːrə(n)/
verb
1. een bepaalde tijd in beslag nemen
durar
noun
1. enige tetraploïde tarwesoort die nog veel wordt verbouwd
blat dur
conjunction
1.om die reden, daarom
per tant
/dʏt/
noun
migdiada
verb
niet goedkoop
car
/ˈdyːr.zam/
adjective
1. lang meegaand
  1. durable
  2. durador
noun
2.
sostenibilitat
/dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
empènyer
noun
1.
foc follet
noun
1. iemand die onverstandig denkt en/of handelt
boig
/dʋɑŋ/
noun
coerció
noun
1. werk dat onder dwang gedaan moet worden
treball forçat
noun
1. een kledingstuk dat de drager bewegingsvrijheid van de armen en handen ontneemt
camisa de força
adjective
compulsiu
/dʋɑrs/
adverb
1.
a través de
/ˈdwɑrzbomə(n)/
verb
1. tegenwerken, moeilijkheden geven
desbaratar
/ˈdʋɑrsflœʏt/
noun
1. een blaasinstrument dat dwars op de lippen geblazen wordt
flauta travessera
/dʋɛi̯l/
noun
1. een stuk weefsel in natte vorm gebruikt om een gladde vloer te reinigen
baieta
noun
1. een buitengewoon klein mens
nan
noun
1. Anser erythropus
oca riallera petita
noun
1.
planeta nan
noun
1.
bacoreta
noun
1. kleinste soort van de vinvissen, Balaenoptera acutorostrata
rorqual d'aleta blanca
noun
springstof waarin nitroglycerine door een poreuze stof wordt vastgehouden
dinamita
adjective
1. betrekking hebbend op een erfelijke heerser
dinàstic
noun
1. uitspraakgebrek
disàrtria
noun
1. rode loop, bloeddiarree
disenteria
noun
1. slikstoornis
disfàgia
noun
1.
disfemisme
noun
1. sombere stemming, somber gevoel
disfòria
/dɪslɛkˈsi/
noun
1. het onvermogen om woorden, waarvan men wel de letters ziet, in hun betekenis te vatten
dislèxia
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
disprosi
noun
distímia
/ˈiːmeːɫ/, /ˈiːmɪːɫ/
noun
  1. 1. systeem voor het verzenden van berichten via een computernetwerk
  2. 2. bericht dat verstuurd is via e-mail
correu electrònic
noun
1. adres voor het ontvangen en verzenden van e-mail
adreça electrònica
noun
1. een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
reflux
noun
1, edele houtsoort
banús
/ˈɛ.xo/, /ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
eco
noun
1. het dwangmatig herhalen van woorden of zinnen, zonder de betekenis ervan daadwerkelijk te doorgronden
ecolàlia
noun
ecolocalització
adjective
2. waarachtig, juist, niet vervalst
real
conjunction
1. een beperkende tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) beperkt
tanmateix
/ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
marit
/ˈɛxtxəˌnotə/, /ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
dona
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
divorci
adjective
eclèctic
/eˈklɪps/
noun
1. het verschijnsel waarbij een ster en twee of meer andere hemellichamen in één lijn komen te staan, waardoor de schaduw van het ene hemellichaam het andere verduistert
eclipsi
/ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
ecologia
adjective
ecològic
noun
econometria
noun
  1. 2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
  2. 1. de leer die zich bezighoudt met de voortbrenging en verdeling van schaarse goederen en diensten
economia
adjective
1. betreffende economie
econòmic
noun
1. deskundige op het gebied van de economie
economista
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
ecosistema
noun
ecoturisme
noun
ectoplasma
noun
1. de naam voor elk element uit de achtste chemische reeks van het periodiek systeem
gas noble
noun
1. Cervus elaphus, hertensoort
cérvol comú
noun
1. een metaal dat niet licht aan corrosie of oxidatie ten prooi valt
metall preciós
noun
1. een stuk edelgesteente
  1. gemma
  2. pedra preciosa
noun
edició
/et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
jurament
/ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
esquirol
noun
1. Bolletus edulis, een eetbare paddenstoel
cep (bolet)
noun
1. verdikking van de huid
  1. call
  2. durícia
adjective
  1. un
  2. una
  3. unu
verb
a cavall regalat, no li miris el dentat
phraseologicalUnit
1. iets kopen zonder te weten wat de koopwaar is
comprar sense mirar
/eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
ànec
noun
1. insect uit de orde Ephemeroptera
efèmera
noun
fetge d'ànec
/enˈdœydəx/
adjective
1. zonder twijfel
unívoc
cardinalNumeral
1. het getal 31
trenta-un
cardinalNumeral
1. het getal 91
noranta-un
cardinalNumeral
1. het getal 81
huitanta-un
/ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
vint-i-un
cardinalNumeral
1. het getal 41
quaranta-un
cardinalNumeral
1. het getal 51
cinquanta-un
cardinalNumeral
1. het getal 61
seixanta-un
/ˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 71
setanta-un
noun
  1. 2. maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt
  2. 1. bij elkaar horend geheel met kenmerkende eigenschappen
unitat
noun
1. een matrix waarvan alle diagonale elementen 1 zijn en alle andere 0
matriu identitat
noun
  1. unicorn
  2. alicorn
adjective
1.
monosil·làbic
adjective
1. in het bezit van (slechts) één oog
borni
adjective
1. dezelfde mening hebbend
unànime
adjective
monolingüe
noun
monolingüisme
noun
monomi
/eːnˈvɑudəx/, /eːnˈvɑudəχ/
adjective
  1. 2. zonder overdaad of vertoon
    senzill
  2. 1. niet ingewikkeld
    simple
noun
1.
monocicle
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
  1. solitud
  2. soledat
adjective
1. met of aan één kant, belang, partij etc.
unilateral
/er/
noun
1. aanzien, roem
honor
/ˈeːrɣɪstər/, /ˈɪːrχɪstər/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
abans d'ahir
/ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
abans d'ahir
/ˈeːrlək/
adverb
1. vrij van leugen en bedrog
honest
noun
1. het vertellen van de waarheid
honestedat
noun
1. nummer één in een volgorde
primer
noun
nominatiu
phraseologicalUnit
1. grammaticale term die de spreker of sprekers aanduidt.
primera persona
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
Primera Guerra Mundial
noun
1. de medische zorg die direct toegankelijk is voor patiënten
atenció primària
noun
1. verlangen naar eer of roem
ambició
/ˈeːitbaːr/, /ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
comestible
/ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
menjador
/etlepəl/
noun
1.
cullerada
noun
bastonet
noun
trastorn de comportament alimentari
/eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
  1. segle
  2. centúria
noun
1. een feestelijke herdenking naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van iets
centenari
/eːwɪx/, /eːʋəχ/, /eːβ̞əx/
adjective
1. voortdurend, zonder einde
etern
/ɪːβ̞əχɛɪ̯t/
noun
1. alle tijd die nog zal komen
eternitat
/e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Efes
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
Efesis
noun
1. uitwerking
efecte
adverb
1. doeltreffend
efectiu
adjective
1. nuttig effect hebbend
eficient
noun
1. de mate waarin nuttig gebruik gemaakt wordt van het beschikbare bij een bepaald proces
eficiència
/ɛx/, /ɛχ/
noun
1. een landbouw- of tuinbouwwerktuig dat gebruikt wordt voor het zaaiklaar maken van de grond
esterrossadora
adjective
igualitari
/ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
eriçó
noun
1. wilde roos met gestekelde takken, geurige blaadjes, felroze bloemen en scharlaken bottels
englantina roja
pronoun
Mar Egea
adjective
2. zichzelf als het middelpunt van alles zien
egocèntric
/xxxx/
noun
1. het uitsluitend op eigen belangen en gewin uit zijn
egoisme
/e.ˈɣɪp.tə/, /e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
Egipte
noun
egiptologia
/ɛɪ/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
ou
noun
1. bepaald soort zeevogel, Somateria mollissima
èider
noun
tallador d´ous
noun
1. het geslachtsorgaan van de vrouw waarin eicellen gevormd worden
ovari
/ˈɛi̯ɣə(n)/
adjective
propi
noun
1. iemand die iets in eigendom heeft
propietari
/'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
1. eigendomsrecht
propietat
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
nom propi
noun
1. een gegeven karakteristiek die eigen is aan een bepaalde persoon of zaak
qualitat
/ɛi̯k/, /ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
  1. roure
  2. alzina
/ˈɛɪkəɫ/
noun
  1. 1. vrucht van de eik
  2. 2. top van een penis
gla
noun
1.
rata cellarda
/ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
illa
/ˌɛilɑnt ˈmɛn/
pronoun
Illa de Man
noun
1. deel van de geslachtsorganen van de vrouw
trompa de Fal·lopi
phraseologicalUnit
1.
tot va bé si acaba bé
/ˈɛɪ̯ndə/, /ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
final
adjective
1. een einde hebbende
finit
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
einsteini
/ˈɛi̯sə(n)/
verb
1. zeer dringend vragen, vaak met een sanctie op het niet beantwoorden ervan
exigir
noun
sol·licitant
noun
1. het tijdstip dat de eicel door de eierstok wordt afgestoten
ovulació
/ɛiwɪt/
noun
2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
proteïna
noun
ejaculació
verb
sperma uitwerpen
  1. ejacular
  2. escórrer-se
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
garsa
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
cúbit
/ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
El Salvador
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
ant
noun
elasticitat
adverb
1.
enjondre
noun
1. vakman op gebied van elektriciteit
electricista
/eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
electricitat
adjective
1. door middel van elektriciteit
elèctric
abbreviation
1. hersenfilm
electroencefalograma
verb
1. doden of ter dood brengen door elektrische stroom
electrocutar
noun
electrocució
noun
elèctrode
noun
  1. 1. chemische verbinding die in waterige oplossing in ionen wordt gesplitst
  2. 2. een stof of mengsel van stoffen gekenmerkt door het bezit van uitsluitend ionische geleidbaarheid
electròlit
noun
1. een magneet waarvan het veld door een elektrische stroom veroorzaakt wordt
electroimant
adjective
electromagnètic
noun
electromagnetisme
noun
1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
electró
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
electrònica
adjective
electrònic
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
electrotécnia
noun
1. legering van goud en zilver
electre
noun
element
noun
partícula elemental
cardinalNumeral
1. het getal 11
onze
/ˈɛlf.də/, /ˈɛlv.də/
ordinalAdjective
1. nummer elf in een rij
onzè
noun
1. haringachtige, die paait in de bovenloop van rivieren en beken en ooit inheems was in de Benelux, Alosa alosa
alosa
verb
  1. 1. verwijderen uit de vergelijking
  2. 2. verwijderen uit de bevolking, doden
eliminar
adjective
elitista
/ɛlk/
indefinitePronoun
1. ieder afzonderlijk
cada
noun
1. Gewricht
colze
noun
1. armoedige, beklagenswaardige omstandigheden
misèria
/ˈɛləpɛɪp/, /ˈɛləpɛːp/
noun
bot in de onderarm
cúbit
noun
1. twee-dimensionale figuur die wordt gevormd door alle punten waarvoor de som ...
el·lipse
noun
1. boomsoort
vern
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
Alsàcia
/ɛlˈzɑsis/
noun
1. Een verzameling Alemannische dialecten die in de Elzas (Frankrijk) gesproken worden
alsacià
noun
  1. 3. ontvoogding, gelijkstelling voor de wet
  2. 1. streven naar gelijkgerechtigdheid
  3. 2. vrijlating van slaven
emancipació
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
emblema
noun
embòlia
noun
1. een organisme in het eerste ontwikkelingsstadium na de bevruchting
embrió
noun
1. de wetenschap die zich met het ongeboren leven bezighoudt
embriologia
adjective
2. betrekking hebbend op de ongeboren vrucht van een organisme
embrionari
noun
1. longaandoening
emfisema
noun
emigració
/ˌemiˈχrɪːrə(n)/
verb
1. naar het buitenland verhuizen
emigrar
pronoun
Emília-Romanya
/emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
emirat
noun
2. uitzending van kleine deeltjes of van licht of andere elektromagnetische straling
emissió
/ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
  1. galleda
  2. cubell
  3. poal
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
emú
noun
1.weergave van emoties door middel van een afbeelding, een teken of een combinatie van lees- en lettertekens
emoticona
noun
1. hevig gevoel, sterke gemoedsbeweging
emoció
adjective
1. zeer vatbaar voor gevoelens
emocional
adjective
1. wat op ervaring of proefneming berust
empíric
noun
empiema
noun
stof die helpt bij het mengen van twee stoffen die normaal gesproken niet of moeilijk mengbaar zijn
emulsor
verb
1. een melkachtige oplossing vormen
emulsionar
noun
emulsió
conjunction
i
noun
encefalopatia
/ɛn.'kla.və/
noun
1. omsloten gebied
enclavament
/ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
enciclopèdia
noun
1. laatste deel van het spijsverteringskanaal vlak voor de anus
recte
adjective
1. van nature alleen in een specifiek gebied voorkomend
endèmic
noun
1. ontsteking van de hartwand
endocarditis
adjective
1. met inwendige afscheiding in de bloedstroom, hormonaal
endocrí
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de afscheidingen van klieren in het lichaam
endocrinologia
noun
endocrinòleg
noun
1. baarmoederslijmvlies buiten baarmoeder
endometriosi
noun
endoscopi
noun
1. (kijk)onderzoek van lichaamsholten of inwendige kanalen
endoscòpia
/enər'ʒi/, /enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
energia
adverb
1. aan de ene kant
d'una banda
adjective
  1. 1. angst veroorzakend
    espantós
  2. 2. met weinig tussenruimte
    estret
noun
1. hemels wezen
àngel
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Anglaterra
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
  1. anglès
  2. anglesa
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
  1. anglès
  2. anglesa
noun
1. een grotere en lagere uitvoering van de hobo
corn anglès
/ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /ɛ.ŋəls.man/, /ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
anglès
adjective
2. uniek
únic
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
turmell
noun
2. een band die om de enkel wordt gedragen
turmellera
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
singular
/ɑŋ.ˈkɛː.tə/, /ɑ̃.ˈkɛt/
noun
1. een vragenlijst die aan meerdere personen wordt voorgelegd
enquesta
verb
2.
inserir
noun
1. ontsteking van de ingewanden
enteritis
noun
1. ontsteking van zowel de dikke als de dunne darm
enterocolitis
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
adjective
1. hartstochelijk, met geestdrift
entusiasta
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
noun
1. iemand die over iets of iemand geestdriftig is (vaak gebruikt als tweede deel van een samengesteld begrip
entusiasta
noun
entitat
noun
entomologia
noun
entrecot
noun
1. een getal evenredig met de logaritme van het aantal realiseringmogelijkheden, ook wel gedefinieerd als de reversibele warmte gedeeld door de temperatuur
entropia
noun
1. papieren omslag voor brieven
sobre de carta
/ɛnˈzim/
noun
1. een organische molecuul dat biologische reacties mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf...
enzim
adjective
Eocè
/ˈepɛnˌtezɪs/
noun
1. invoeging van middenlank
epèntesi
noun
1. het punt op het aardoppervlak loodrecht boven de haard van de aardbeving
epicentre
/epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
epidèmia
noun
epidemiologia
adjective
1. met betrekking tot verspreiding van ziekten onder (delen) van de bevolking
epidemiològic
adjective
epidèmic
/epidyraɫ/
adjective
1. buiten het harde hersenvlies en de ruimte aan de buitenzijde van het harde ruggenmergvlies
epidural
/ˌepiˈfizə/
noun
1. een klier die onderdeel is van de epithalamus en melatonine uitscheidt
epífisi
noun
epífit
noun
epígon
noun
epígraf
noun
epigrafia
adjective
1. van de aard van een epigram
epigramàtic
noun
1. vallende ziekte, toevallen
epilèpsia
noun
1. een naschrift toegevoegd aan een boek of film
epíleg
adjective
èpic
noun
episodi
noun
epístasi
noun
1. neusbloeding
epistaxi
noun
1. dekweefsel, bovenste laag van de huid en slijmvliezen
epiteli
/eˈpitetɔn/
noun
epítet
noun
1. woord dat gevormd is op basis van een eigennaam van een persoon
epònim
noun
1. vijfde letter uit het Griekse alfabet ε
èpsilon
noun
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
equador
/ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
Guinea Equatorial
noun
1. passage van de zon door het vlak van de evenaar
equinocci
adverb
2. als locatief deel van een voornaamwoordelijk bijwoord vervangt het een persoonlijk voornaamwoord: het, ze
hi
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
erbi
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
erecció
noun
1. een groot geslacht van planten waarvan er 23 wilde soorten bekend zijn in Nederland
verònica
adjective
  1. 1. wat op genetische wijze door nazaten verkregen kan worden
  2. 2. overdraagbaar op de oudste zoon, of meestal bij het ontbreken daarvan op de oudste dochter
hereditari
noun
1. wat door de erflater bij zijn overlijden wordt nagelaten
herència
noun
1. degene die andermans nalatenschap erft
hereu
noun
1. overerfbare, langdurige of eeuwige pacht
emfiteusi
noun
1. een veelal kostbaar goed van van generatie op generatie door vererving overgegeven wordt
patrimoni
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
pecat original
verb
1. gevoelens van onvrede veroorzaken
molestar
noun
een zaak die gevoelens van onvrede oproept
molèstia
noun
ergonomia
/ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
Eritrea
/eriˈtres/
adjective
1. met betrekking tot of afkomstig van Eritrea
eritreu
verb
  1. 1. inzien, toegeven
  2. 2. als wettig, echt, juist aanvaarden
reconèixer
noun
1. een bevestiging van de juistheid of geldigheid van iets
reconeixement
/ˌɛrˈkɛn.tə.lək/
adjective
agraït
/ˈɛrkər/
noun
1. uitbouw aan een gevel
finestral
pronoun
1. + 2. stad en stadsdistrict
Erlangen
noun
1. stemming waarin men de dingen in hun wezenlijke waarde wil zien
serietat
noun
1-2. beschadiging en afslijting
erosió
adjective
eròtic
noun
1. steen
  1. mena
  2. mineral
pronoun
1.
monts metàl·lics
noun
2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
erupció vulcaniana
noun
1. een vorm van kennis
experiència
/ˈʔɛr.və(n)/
verb
1. de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
heretar
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
  1. pèsol
  2. pesolera
noun
1. een groenige, lobbige soep vervaardigd van erwten
sopa de pèsols
noun
1. de vorming van rode bloedlichaampjes
eritropoesi
noun
1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
freixe
/ɛsˌxatolo'gi/
noun
escatologia
/ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
auró
noun
1. een kleine tactische eenheid bij de cavalerie (tegenwoordig gemechaniseerd of gemotoriseerd) of ...
esquadró
adjective
esotèric
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
trèmol
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
esperanto
noun
1. een taalkundige die de esperantologie beoefent
esperantòleg
noun
1. geconcentreerde koffie
exprés
noun
1. het meeste belangrijke
bessó
/ɛsˈter/
pronoun
3. meisjesnaam
Ester
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
èster
/ɛsˈtetiˌka/
noun
1. het filosofisch discours over het wezen van kunst of het wezen van schoonheid
estètica
adjective
estètic
/ˈɛstis/, /ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
estonià
/ˈɛslɑnd/, /ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
Estònia
noun
estuari
noun
pis
noun
1. dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden
menjar
verb
1. het nuttigen van voedsel
menjar
noun
1. C₂H₆
età
/etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
etanol
noun
etilè
noun
1. een praktische wijsbegeerte die zich bezighoudt met wat goed en kwaad is
ètica
adjective
1.
etiòpic
/ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
Etiòpia
adjective
ètic
noun
1. stuk papier met informatie dat ergens opgeplakt zit
etiqueta
noun
1. onderdeel van de pathologie dat zich bezighoudt met de oorzaken van ziekten
etiologia
adjective
ètnic
noun
etnografia
adjective
1. betrekking hebbend op de beschrijving van volkeren
etnogràfic
/ɛtnoːloːɣi/, /ɛtnoːloːʝi/
noun
etnologia
/ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
pus
noun
  1. 1. woordherkomst
  2. 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
  1. Etimologia
  2. etimologia
adjective
1.
etimològic
noun
1-2.
eufemisme
noun
  1. 1. eufonium
  2. 2. een instrument van gestemde glazen
bombardí
/ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
eufòria
noun
eugenèsia
/œykɑriotən/
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Eukaryota
eucariota
noun
eunuc
adjective
1.
eurasiàtic
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
Euràsia
interjection
1.
eureka
/'øː.ro/, /'ɵː.ro/
abbreviation
1. munt en munteenheid
euro
/øːˈroːpa/, /ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
Europa
noun
1.
eurodiputat
/ˌøːropeˈjaːn/, /ˌʏːropeˈjan/
noun
1. bewoner van het Europese continent of iemand die daarvan afkomstig is
europeu
/øːroˈpeːs/, /ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
europeu
pronoun
Tribunal Europeu de Drets Humans
pronoun
Parlament Europeu
pronoun
Banc Central Europeu
pronoun
Comissió Europea
pronoun
Tribunal Europeu de Drets Humans
pronoun
Banc Europeu d'Inversions
pronoun
Defensor del Poble Europeu
pronoun
Consell Europeu
pronoun
Tribunal de Comptes Europeu
/ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
Unió Europea
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
europi
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
eutanàsia
noun
eutrofització
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Eva
noun
evacuació
/evɑky'erə(n)/
verb
evacuar
noun
evangeli
adjective
1. Deelbaar door twee
parell
/evəˈnar/, /ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
equador
/ˈevəmɪn/
adverb
1. ook niet
tampoc
adjective
1. evenredig
proporcional
noun
1.
equilibri
noun
1. een turntoestel dat bij het damesturnen wordt gebruikt
barra d'equilibri
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
senglar
noun
1. wild varken
senglar
verb
1. aan een proces van geleidelijke veranderingen onderhevig zijn
evolucionar
/ˌevoˈlysi/, /ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
evolució
noun
1. theorie over de stapsgewijze ontwikkeling van het leven
teoria de l'evolució
adjective
evolutiu
prefix
ex-
noun
1.
ex-marit
noun
1. onderzoek naar de kennis of vaardigheden van iemand door middel van ondervraging of opgedragen verrichtingen
examen
noun
1.
excèntric
adjective
1. wat andere mogelijkheden uitsluit
exclusiu
verb
excomunicar
noun
1. de verontschuldiging
disculpa
verb
executar
noun
exegesi
noun
exhibicionista
noun
existencialisme
noun
existència
adjective
1. afscheidend door middel van een afvoerbuis
exocrí
pronoun
Èxode
noun
exogàmia
adjective
1. door oorzaken van buitenaf
exogen
noun
1. een deel van het pre-mRNA dat de kern verlaat en dus getranscribeerd wordt
exó
noun
exònim
noun
exosfera
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
exòtic
noun
experiment
verb
1.
experimentar
/ɛkˈspɛːr/
noun
1. iemand die bijzonder goed bekend is met een bepaald onderwerp
expert
verb
1. draaiende houden met winst
explotar
noun
exploració
adjective
1. ontplofbaar
explosiu
noun
1. ontplofbare stof of voorwerp
explosiu
noun
exponent
noun
1. de verkoop van goederen aan het buitenland
exportació
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
exportar
noun
exportador
noun
expressió
noun
expressionisme
/ɛk'stazə/
noun
1. een toestand van buiten zichzelf zijn door verrukking
èxtasi
noun
1. uittrekking
extracció
noun
extrapolació
adjective
extravagant
adjective
1. uiterst, uitzonderlijk
extrem
noun
ultradreta
pronoun
Extremadura
noun
extremisme
noun
1. iemand met radicale, extremistische standpunten, een aanhanger van een ideologie die ver van het politieke of maatschappelijke centrum ligt
extremista
noun
1. een van de ledematen
extremitat
noun
1. vloeibaar make-up-product om lijnen rondom, boven of onder de ogen aan te brengen
perfilador d'ulls
pronoun
Ezequiel
/ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
  1. burro
  2. ase
  3. ruc
noun
1. vrouwelijke ezel
  1. burra
  2. somera
pronoun
Esdres
/fam/
noun
  1. 2. roem
  2. 1. reputatie
fama
noun
1. een der herautstukken; een horizontale band die het middelste derde deel van het veld van het wapen beslaat
faixa
/ˈfabəl/
noun
  1. 1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
  2. 2. een verzinsel
faula
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
fàbrica
noun
fabricant
noun
factor
noun
1. document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
factura
/fɑkəltɑ'tif/
adjective
1. onverplicht of vrijwillig
facultatiu
noun
3. product van een reeks factoren
factorial
/ˈfæːrøːə̯r/, /ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
  1. illes Fèroe
  2. Illes Fèroe
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op de Faeröer
  1. feroès
  2. feroés
noun
1. vernietiging door een cel van schadelijke bestanddelen
fagocitosi
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
fagot
noun
pisa
noun
1. staaf of stok die aan de bovenkant in een brandbare stof gedrenkt is, brandend zorgt het voor verlichting
torxa
/ˈfaːlən/
verb
1. niet bereiken van doelen
fracassar
pronoun
  1. Illes Malvines
  2. Illes Falkland
adjective
1. met betrekking tot het mannelijk lid
fàl·lic
/fa.ˈmi.li/, /fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
família
noun
parent
noun
1. naam die van generatie op generatie en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
cognom
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de familiale verhoudingen tussen personen
dret de família
noun
fanatisme
noun
fandango
/foɱ.ˈfaːr/, /fɑn.ˈfa.rə/
noun
fanfara
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
fantasia
adjective
fantàstic
noun
farad
/ˈfarao/
noun
1.
faraó
noun
1.
Fariseus
adjective
1. uit de farmacie, met betrekking tot de productie van geneesmiddelen
farmacèutic
noun
farmàcia
noun
farmacologia
adjective
1. leer van de geneesmiddelen en de interactie tussen deze en een levend biologisch systeem betreffende
farmacològic
noun
fascinació
verb
1. iemands aandacht vasthouden
fascinar
/fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
feixisme
noun
1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
fase
noun
espai de fases
adjective
1. noodlottig
fatal
noun
1. iemand die gelooft dat de mens machteloos is t.o.v. het noodlot
fatalista
/fɑt'sun/
noun
1. goede manieren
decència
/ˈfʌʊna/, /ˈfʌːna/
noun
1. het geheel aan dieren in een gebied
fauna
/fo.tœj/
noun
1. Soort stoel
cadiral
adjective
favorit
noun
favorit
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
faisà
/fa.ˈsa.də/
noun
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
façana
/febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
febrer
pronoun
1. Russische revolutie
revolució de Febrer
adjective
1. met betrekking tot de ontlasting
fecal
noun
federació
noun
1. een verbond van samenwerkende staten of lichamen die hun zelfstandigheid behouden
federació
/fe:/
noun
1.
fada
noun
  1. dia de festa
  2. dia festiu
noun
1. een extra lekkere, uitgebreide maaltijd die men met meerdere mensen gebruikt als een feestelijke gebeurtenis
banquet
/fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
fet
noun
felicitació
verb
1. iemand geluk toewensen
felicitar
noun
1. het stimuleren van de penis met de mond, tong of keel
fel·lació
noun
1. een zeilschip
faluca
/ˈfɛlsis/
adjective
1. rijk aan silica of silicahoudende mineralen
fèlsic
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
feminisme
noun
1. vrouw die streeft naar gelijke rechten voor vrouwen
feminista
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
fenigrec
noun
plant, en zaad van, Trigonella foenum-graecum
llavor de fenigrec
adjective
fenici
noun
fènix
noun
1. Fennecus zerda, leeft in de woestijn en is de kleinste van alle vossen
fennec
noun
fenologia
/fenoˈmen/
noun
1. een verschijnsel
fenomen
noun
fenomenologia
noun
1.
fermió
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
fermi
/ˈfɛstiˌvɑɫ/
noun
  1. 1. een reeks optredens
  2. 2. een groot evenement met zang en dans en muzikale optredens
festival
/fɛs/
noun
1. bepaald soort hoed van Turkse oorsprong
fes
noun
1. samentrekking van afzonderlijke spiervezels en een vorm van hartritmestoornis
fibril·lació
noun
1.
fibrinogen
noun
ficció
adjective
fictici
adjective
fiducial
/fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
  1. bicicleta
  2. bici
/ˈfits.bɑnt/
noun
1. een binnen- of buitenband voor een fiets
pneumàtic de bicicleta
/ˈfiːtsər/
noun
1. iemand die met een fiets rijdt
ciclista
/ˈfitspɑt/
noun
1. een weggedeelte of vrijliggend pad dat is gereserveerd voor het gebruik door fietsers en snorfietsers.
carril bici
noun
manxa de bicicleta
noun
1. een tocht gemaakt op de fiets
gira en bicicleta
/fitsadəl/, /fitsadəɫ/
noun
selló
/fi.ˈɣyːr/, /fi.ˈχyːr/
noun
figura
noun
1. een heel fijn zaagje in de vorm van een dun zaagblad dat verticaal wordt gespannen in een lange horizontale beugel
serra de vogir d'arc
/ˈfi.(d)ʒi/, /ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
Fiji
phraseologicalUnit
1. kerstwens
bones festes
adjective
1.
filantròpic
noun
filatèlia
/faɪl/
noun
1. lange rij met stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen of personen
embotellament
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
Filemó
/filiˈjal/
noun
1. een pand in een reeks van panden
sucursal
/ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Filipines
/fili'pɛɪns/
pronoun
1. de officiële taal van de Filipijnen
filipí
pronoun
Filipencs
noun
  1. 1. een dunne laag
    1. film
    2. pel·lícula
  2. 2. een dun en oprolbaar medium om beelden op te nemen in een camera
    pel·lícula
  3. 3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
    1. pel·lícula
    2. film
verb
1. beelden van iets vastleggen op film
enregistrar
/'fɪlmkɵnst/
noun
1. kunstvorm die gebruikt maak van het verfilmen als medium
cinematografia
noun
filologia
/ˌfiloːˈloːɣ/
noun
1. iemand die zich specialiseert in de studie van de taal en de cultuur van een mensengemeenschap
filòleg
/filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
filosofia
adjective
1.
filosòfic
noun
filòsof
/fɪltər/
noun
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
filtre
noun
1.
filtrat
noun
  1. 2. het slotstuk van een meerdelig toneel- of muziekstuk
  2. 1. de beslissende wedstrijd in een toernooi tussen de laatste twee deelnemers
final
noun
finalitat
verb
1. voorzien van de benodigde geldmiddelen
finançar
verb
fingir
/ˈfɪnlɑnd/, /ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Finlàndia
/fɪns/
adjective
1. betreffende Finland of het Fins
  1. finlandès
  2. finès
  3. finesa
  4. finlandesa
/fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
  1. finès
  2. finlandès
pronoun
1.
golf de Finlàndia
noun
  1. 2. een zaak of bedrijf
  2. 1. een handelsvennootschap waarbij de vennoten hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk zijn
empresa
adjective
fiscal
noun
1. een kanaalvormige zweer
fístula
/fjɔrd/, /fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
fiord
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
flamenc
noun
1. een textielsoort van los gesponnen garen, gewoonlijk van geruwde wollen of katoenen stof, ...
franel·la
adjective
escaient
adjective
2. in overdrachtelijke zin smakeloos
sonso
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
flerovi
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
  1. botella
  2. ampolla
/ˈflevoˌlɑnt/, /ˈfleːvoˌlɑnd/, /ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Flevoland
/flɛkˈsibəl/
adjective
1. het vermogen hebbend gebogen te worden
flexible
/ˈflɛk.si/
noun
  1. 2. vormverandering van een woord
  2. 1. een buiging, een buigbeweging in een gewricht door de buigspieren
flexió
/ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
Florència
pronoun
1.
Florida
noun
1. betaalmiddel uit Florence dat later in heel Europa is gebruikt
florí
noun
flotilla
/floˈem/
noun
1. het levende gedeelte van de vaatbundels in planten
floema
verb
1. spreken met gedempte stem
xiuxiuejar
noun
  1. 1. buisvormig blaasinstrument
  2. 3. een scheepstype
  3. 4. een slank drinkglas
flauta
verb
1. een fluit bespelen
xiular
noun
1.
pica
noun
1.
xiulada
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
fluor
noun
fluorur
noun
1. een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde...
vellut
adjective
1.
envellutat
noun
1. een ziekelijke vrees
fòbia
/ˈfokʏs/
noun
2. een punt of verzameling van punten waar alle stralengangen samenkomen
focus
noun
beina
/ˈfu.li/
noun
1. Myristica fragrans
macís
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
fetus
noun
A 1. driehoekig zeil bevestigd aan de voorstag
floc
verb
1. dieren houden om ze te laten voortplanten
criar
noun
1. voorste mast van een driemastschip
trinquet
noun
1.
full
noun
1. alles wat een volk creëert of heeft gecreëerd
folklore
noun
1.
folklorista
noun
1. een ontsteking van de haarzakjes
fol·liculitis
noun
3. effect (waardepapier)
fons d'inversió
noun
fondue
noun
1.
fonema
/ˌfoneˈtik/
noun
1.
fonètica
adjective
fonètic
/ˌfonoloˈɣi/
noun
  1. 1.
  2. 2.
fonologia
/ˌfonɔˈloɣ/
noun
1. een persoon die fonologie gestudeerd heeft
fonòleg
noun
  1. 1. nog niet verbeende plek in de schedel van een baby
  2. 2. beschermkoker bij sommige oude muziekinstrumenten
fontanel·la
/fɔnˈtɛɪn/, /fɔnˈtɛːn/
noun
  1. 1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
  2. 2. omhoogspuitende waterstraal
font
noun
xumet
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
truita
noun
2. vorm van een bestand
format
noun
1.
formaldehid
noun
1. iemand die zich angstvallig houdt aan regels en voorschriften
formalista
adjective
formatiu
verb
2. de harde schijf of een verwisselbare schijf volledig leeghalen
formatar
/fɔrˈmel/
adjective
1. met inachtneming van strikte omgangsvormen
formal
noun
fórmula
pronoun
1. categorie in de autosport
Fórmula 1
verb
1. in woorden omzetten
formular
/fɔrmyˈlir/
noun
1. een stuk papier waarop voorgedrukte vragen kunnen worden beantwoord
full
noun
1. een zout van een van de vormen van fosforzuur
fosfat
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
fòsfor
noun
bronze de fòsfor
noun
1 en 2
  1. foto
  2. fotografia
noun
àlbum de fotos
noun
1. lichtschuwheid
fotofòbia
adjective
1.op foto's een voordelige indruk makend
fotogènic
noun
1. iemand die fotos maakt
fotògraf
verb
1. een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag
fotografiar
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
fotografia
noun
1. een fotografisch gemaakte kopie
fotocòpia
verb
1. een fotokopie maken van iets
fotocopiar
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
fotó
noun
1.
fotosíntesi
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
aparell fotogràfic
/fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
error
noun
1. mate van onzekerheid bij de uitslag van een steekproef, statistische meting enz.
marge d'error
/ˈfrɑksi/
noun
1. een klein deel
fracció
adjective
1. kwetsbaar, breekbaar
fràgil
noun
fragment
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
  1. gerdó
  2. gerd
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
franci
noun
1. reeks afhangende draden die ter versiering aan de rand van een kleed of kledingstuk gehangen worden
franja
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalaropus
escuraflascons
/frɑŋk/
noun
munteenheid
franc
pronoun
Frankfurt del Main
adjective
franc
/ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
França
/frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
francès
/frɑns/
pronoun
1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
francès
pronoun
Guaiana Francesa
pronoun
Polinèsia Francesa
/ˈfrɑns.man/, /ˈfrɑns.mɑn/
noun
1. iemand uit Frankrijk
francès
adjective
1. de Franse taal sprekend
francòfon
noun
1. een aantal woorden die een begrip uitdrukken, vaak een zinsdeel, soms een hele zin
locució
/fratər/
noun
1. bepaald soort vogel, Linaria flavirostris
passerell becgroc
verb
1. gelden wederrechtelijk ontvreemden
estafar
noun
fresadora
noun
  1. 1. Oorlogsschip
  2. 2. Driemaster
fragata
noun
fregata
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
freqüència
noun
1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
  1. fura
  2. furó
/frɔɪdɪˈaːns/
adjective
1. volgens de leer van Sigmund Freud of zoals men vindt in diens geschriften en leerstellingen
freudià
verb
1. frezen
fresar
pronoun
1.
Friedrichshafen
noun
1. en 2.
frisó
pronoun
  1. 2. benaming voor een Germaanse taal
    frisó
  2. 1. Westerlauwers Fries
    frisó occidental
/ˈfrislɑnd/, /ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Frísia
adjective
1. zojuist schoongemaakt, prettig ruikend
fresc
noun
frivolitat
noun
  1. 1. voorkant
  2. 2. gevechtslinie
front
adjective
1. met betrekking tot de voorkant van iets
frontal
noun
  1. 1. decoratie rond de belangrijkste ingang van een gebouw
  2. 2. een grote illustratie op de bladzijde tegenover de titelpagina van een boek
frontis
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
fructosa
/frœʏ̯t/, /frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
  1. fruita
  2. fruit
noun
1.
  1. arbre fruiter
  2. fruiter
noun
1. koude schotel met verschillende soorten fruit
macedònia
noun
1. Drosophila melanogaster; een tweevleugelig insect uit de orde tweevleugeligen
  1. mosca comuna de la fruita
  2. mosca del vinagre
noun
1. een gevoel van ongenoegen omdat verwachte voortgang uitblijft
frustració
verb
frustrar
adjective
1. van iets waarvan de verwachtingen in het geheel niet zijn uitgekomen
frustrador
noun
fuga
noun
  1. 1. taak
  2. 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
  3. 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
  4. 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
funció
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
fonamentalisme
adjective
1. aan de basis staande
fonamental
noun
fusió
noun
1. bepaald soort watervogel, Podiceps cristatus
cabussó
/ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
física
noun
fisiologia
adjective
1. door de natuur bepaald, de natuurlijke verrichtingen van levende wezens of hun organen betreffend
fisiològic
noun
fisioteràpia
noun
fitopatologia
noun
1. plantaardig plankton
fitoplàncton
/føn/
noun
1. een toestel dat een warme luchtstroom voortbrengt voor het drogen en opmaken van het kapsel
eixugacabells
/ɣaːj/
noun
1. middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, Garrulus glandarius
gaig
/ɣaːn/, /χaːn/
verb
1. zich in een bepaalde richting bewegen
anar
noun
1. instelling die gratis voedsel beschikbaar stelt
menjador social
/'ɣa.bɔn/, /ɣa.'bɔn/, /χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
Gabon
adjective
1. op Gabon betrekking hebbend
gabonès
noun
1. echtgenoot, echtgenote
  1. cònjuge
  2. esposa
  3. espòs
/ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
gadolini
noun
1.
gaffer
noun
[A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
  1. bilis
  2. fel
adjective
galàctic
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
Gàlates
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
vesícula biliar
noun
1. een loodsulfide met de chemische formule PbS
galena
noun
galeria
/χɑlx/
noun
1. houten constructie bestaande uit één of meer staande balken met een horizontale balk haaks daarop en één of meer diagonale balken ter ondersteuning, in het verleden veel gebruikt om mensen door ophanging ter dood te brengen
forca
noun
1. de laatste maaltijd die een ter dood veroordeelde mag nuttigen
últim àpat
/'ɣɑlɣə(n)strɔp/
noun
1. een tot strop geknoopt touw zoals dat aan een galg gehangen wordt ter verhanging van een veroordeelde
llaç
adjective
  1. 1. een Spaanse regio in het noordwesten van het Iberisch schiereiland
  2. 2. betreffende het Galicisch
  1. gallec
  2. gallega
pronoun
1. Romaanse taal gesproken in Galicië
gallec
/ɣɑˈlisɪə/, /ʝɑˈlisɪə/
pronoun
  1. 1. Spaanse regio
    Galícia
  2. 2. historische landstreek
    Galítzia
pronoun
Galilea
noun
1. historisch zeilschip
galió
pronoun
1. uitgestorven taal
gal
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
gal·li
pronoun
Gàl·lia
noun
1. Angelsaksische inhoudsmaat
galó
noun
1. de snelste gang van een paard
galop
verb
1.
galopar
noun
1. een vaste structuur in de galwegen of de galblaas bestaande uit neergeslagen cholesterol, bilirubine of kalkzouten
càlcul biliar
adjective
1. door een elektrochemisch proces aangebracht
galvànic
/ˌɣɑɫvaniˈzeːrə(n)/
verb
1. een laag zink opbrengen
galvanitzar
/'ɣɑm.bi.ja/, /'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Gàmbia
adjective
gambià
noun
1-2
gamma
noun
3. onderdeel van een maaltijd
plat
/'ɣɑŋbar/
adjective
1. wat gebruikelijk is
corrent
/ˈɣɑŋ(g).pɑd/, /ˈɣɑŋ.pɑt/, /ˈχɑŋ.pɑt/
noun
1. een pad voor wandelaars, voetpad
corredor
/gɑŋ'gren/
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
gangrena
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
oca
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ganimedes
/ˈɣa.pə(n)/, /ˈɣaː.pə(n)/, /ˈχa.pə(n)/
verb
1. heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
badallar
/ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
  1. 1. een overdekte autostalling
    cotxera
  2. 2. een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
    estació de servei
/ɣa'rɑn(t)si/, /ɣa'rɑnsi/
noun
1. verklaring waarin men verklaart voor bepaalde gevolgen in te staan
garantia
noun
1. een keukengerei bestaande uit een stel gebogen draden waarmee geklopt en geklutst kan worden.
batedor
noun
gamba
pronoun
1.
Garona
/ɣɑs/, /χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
gas
noun
1. een buis waardoor verschillende materialen in gasvorm vervoerd kunnen worden
gasoducte
/ɣɑst/, /χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
  1. convidat
  2. hoste
noun
  1. 1. een man
  2. 2. (biologie) een organisme
amfitrió
noun
1. maagwandontsteking
gastritis
adjective
1. met betrekking tot maag en darm
gastrointestinal
noun
gastronomia
noun
hospitalitat
noun
amfitriona
/ɣɑt/, /χɑt/
noun
1. opening
forat
noun
1. politieke beweging in Frankrijk ontstaan na de Tweede Wereldoorlog gekenmerkt door een sterke nationale republiek, eenheid en een sterk presidentschap
gaullisme
noun
  1. 1. een bijzondere aanleg
  2. 2. een geschenk
do
noun
gavial
pronoun
1. exclave van Palestina tussen Egypte, Israël en de Middellandse Zee
Franja de Gaza
noun
1. benaming voor slanke hoefdieren
gasela
noun
1. onderhouden, kort gemaaid grasveld bij een huis
gespa
/xəˈbar/
noun
  1. 1. een beweging waarmee men iets wil zeggen
  2. 2. een handeling waarmee men iets wil uitdrukken
gest
noun
1. meestal zoet, gebakken voedsel specifiek gemaakt om van te genieten
pastissos
noun
llengua de signes
/ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
  1. oració
  2. pregària
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
serralada
/ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
  1. ocórrer
  2. passar
noun
1. iets dat zich voordoet
esdeveniment
/ɣəˈbit/, /χəˈbit/
noun
1. een deel van het aardoppervlak
àrea
noun
1. de vorm waarin een werkwoord gebruikt wordt als iets zeker gedaan moet worden
mode imperatiu
noun
1. alle tanden en kiezen van een dier of mens
dentadura
adjective
1. bedekt met bladeren
fullat
noun
manament
/ɣəˈboːrtə/, /χəˈbo̝ːrtə/
noun
1. actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint
naixement
adjective
  1. 1. ter wereld gebracht, gebaard
  2. 2. begonnen, ontstaan
  3. 3. door herkomst of natuurlijke aanleg
nascut
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
edifici
noun
1. een tekort
falta
/ɣəˈbroːkən/, /χəˈbroːkən/
adjective
embarbussat
noun
2. toepassen van iets
ús
adjective
1. naar gewoonte, zoals men regelmatig doet
habitual
/ɣəˈbrœʏkən/, /χəˈbrœʏkən/
verb
1. zich bedienen van, toepassen
  1. utilitzar
  2. usar
  3. emprar
  4. gastar per l’us
/ɣə'brœːkər/, /χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
usuari
noun
1.
nom d'usuari
noun
1. meestal schriftelijke instructie die bij een product wordt gegeven
indicacions per a l'ús
/ɣə'dɑɣdə/, /ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
pensament
noun
1. een reeks op elkaar volgende denkstappen
curs dels pensaments
adjective
1. degelijk, grondig
minuciós
noun
aigua destil·lada
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
poema
/ɣə'dɛɪə(n)/
verb
1. voorspoedig groeien
prosperar
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
comportament
verb
1. zich ~: de manieren die iemand meest in de omgang met anderen aan de dag legt
captenir-se
noun
1.
codi de conducta
/xə'drɑxswɛizə/
noun
1.
comportament
/ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
paciència
/gə'dʌldəx/
adjective
1. bereid te wachten en tegenslagen te verdragen
pacient
preposition
tijdens
durant
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
  1. groc
  2. groga
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
noun
1. kleur tussen oranje en groen
groc
noun
icterícia
indefinitePronoun
1. ontkennend onbepaald lidwoord: tegenovergestelde van één, niet een
cap
/ɣer/
noun
1. heraldisch element
giró
/ɣeːst/, /χeːst/
noun
  1. 1. dat wat zich afspeelt in iemands gedachten
  2. 2. een onsubstantieel wezen
esperit
/ɣesdrɪft/
noun
entusiasme
/ɣ̟eːβ̞/, /χeːu/
noun
1. het zich uitrekken, meestal met open mond, bij slaperigheid, ontspanning of verveling
badall
/ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
badallar
noun
xiuxiueig
adjective
1. met geren bezet
gironat
noun
1. bepaalde soort dagvlinder, Polygonia c-album
papallona de la c blanca
/ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
secret
/ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
secret
noun
  1. 1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
  2. 2. snel toegankelijke plaats om data op te slaan
memòria
noun
amnèsia
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
oïda
noun
audiòfon
adjective
1. voorzien van horens
banyut
/ɣə'hoːrzam/, /ɣə'ɦoːrzam/, /χə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. bereid gehoor te geven aan regels of bevelen
obedient
verb
1. gevolg geven aan een opdracht of bevel
obeir
noun
1. instrument voor het meten van radioactieve straling
comptador de Geiger
/ˈɣɛɪ̯t/, /ˈɣɛːt/, /ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
  1. cabra
  2. boc
noun
voedzaam vocht dat tepels van een geit afscheiden
llet de cabra
noun
1. gekko
dragó
noun
2. een product om haar mee in model te houden
gel
noun
cara
/ɣəˈlɑx/
noun
1. het lachen
riure
/ˈɣɛlt/, /ˈχɛlt/
noun
1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
  1. diner
  2. diners
/ˈɣɛldərˌlɑnd/, /ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Gelderland
adjective
1. waarvan de waarde of wettigheid erkend wordt
vàlid
noun
1. straf die bestaat uit het betalen van een geldbedrag
multa
noun
moneda
/ɣəˈledə(n)/, /χəˈledə(n)/
adverb
1. een woord om aan te duiden dat iets zich in het verleden af heeft gespeeld
fa
/ɣə.let.ˈpo.tə.ɣə/, /ɣə.ˈleːd.ˌpoː.ti.ɣə/, /χə.let.ˈpo.tə.χə/
noun
1. een dier met een uitwendig skelet van chitine
artròpode
noun
1. iemand die onderricht en bekwaam is in een bepaalde tak van de wetenschap
erudit
/ɣǝ.'le.ɣǝn.ɦɛjt/
noun
1. mogelijkheid tot
  1. oportunitat
  2. ocasió
/ɣəˈlɛɪdələk/
adjective
1. in geordende, kalme opeenvolging van het een op het ander overgaand
gradual
/ɣəlɛɪgˈbenəx/
adjective
1 & 2.
isòsceles
noun
1. de mate waarin iets of iemand aan een ander doet denken
semblança
noun
igualtat
adjective
1.
homòfon
verb
1. zeggen dat iets gelijk is zonder dat het dat ook echt is
assimilar
noun
corrent continu
noun
1. het op hetzelfde moment plaatsvinden van meerdere gebeurtenissen
simultaneïtat
adjective
1. alle zijden gelijk in lengte
equilàter
/ɣə'lɔftə/
noun
1. een plechtige verklaring iets voortaan te zullen doen of na te zullen laten
vot
/ɣəˈlof/, /χəˈlof/
noun
1. godsdienst
religió
noun
1. de mate waarin iets of iemand verdient geloofd te worden
credibilitat
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
creure
/ɣə.ˈlo.vi.ɣə/, /ɣə.ˈlo.və.ɣə/, /χə.ˈlo.və.χə/
noun
1. iemand die een bepaald geloof aanhangt
creient
/ɣəˈlœʏt/, /χəˈlœʏt/
noun
1. dat wat hoorbaar is
so
adjective
1. zodanig geïsoleerd dat geluiden niet binnen kunnen dringen of de ruimte verlaten
insonoritzat
noun
1. (filmkunst) film met geluid dat hoort bij de beelden die men ziet
cinema sonor
/ɣəˈlɵk/, /χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
sort
adjective
  1. 1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
  2. 2. door gunstig toeval, met mazzel
feliç
noun
felicitació
adjective
moderat
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
gingebre
noun
2. een vervelende, gemene of achterbakse handeling
dolenteria
noun
  1. 1. het met één of meer andere deel hebben aan iets
  2. 3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
  3. 2. samenleving
comunitat
/ɣəˈmentə/, /ɣəˈmeɪntə/, /ʝəˈmentə/
noun
1. bestuurlijke eenheid
municipi
noun
1. gemeenschap van onafhankelijke landen
mancomunitat
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
mitjana
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
isard
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
gen
noun
gràcia
adjective
despietat
noun
1. de laatste slag toegebracht aan een zwaargewonde vijand om hem uit zijn lijden te helpen
cop de gràcia
noun
gendarme
/ˈdʒɛndər/
noun
1. sekse
gènere
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
genealogia
adjective
genealògic
/γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
medicina
noun
1. iemand die het bevel heeft over een leger
general
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
generació
/ˌɣenəˈratɔr/, /ˌχenəˈratɔr/
noun
1. een apparaat of persoon die iets genereert (doet ontstaan)
generador
adjective
2. algemeen
genèric
pronoun
Gènesi
noun
1.de wetenschap van alles wat de werking van genen betreft, in het bijzonder erfelijke overdracht
genètica
/ɣəˈnetis/
adjective
1. gerelateerd aan de erfelijkheid
genètic
noun
1.
ximpleries
verb
  1. 1. ergatief: gezond worden, herstellen van ziekte of verwonding
  2. 3. overgankelijk: iemand gezond maken
curar
/ xəˈneziŋ /
noun
1. het proces van het weer gezond worden
restabliment
noun
1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
geni
verb
1. voordeel hebben van iets
gaudir
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
genitiu
noun
1. stelselmatige uitroeiing van een volk
genocidi
indefinitePronoun
prou
/xəˈnom/
noun
1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme
genoma
noun
1. het geheel van genetische kenmerken dat een soort onderscheidt
genotip
noun
1. categorie in een kunstvorm
gènere
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
Gant
noun
genciana
noun
gentrificació
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Gènova
noun
1. Grammaticaal geslacht
gènere
pronoun
2. stad in Zwitserland
  1. Ginebra
  2. Geneva
adjective
geocèntric
noun
1. iemand die de geodesie beoefent
geodesista
noun
1. een meetinstrument in de vorm van een driehoek met een maatverdeling en een gradenboog
escaire
noun
geofísica
adjective
geofísic
noun
1. aardrijkskunde
geografia
noun
1. aardkunde
geologia
adjective
1. op de geologie betrekking hebbend
geològic
noun
geòleg
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
geometria
noun
geomorfologia
/ɣeˈjɔrɣis/, /ɣeˈjɔrɣɪs/, /χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
georgià
/ɣeˈjɔrɣi.jə/, /χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
Geòrgia
adjective
1.
geostacionari
noun
esquelet
/ˈɣeː.rɑrd/, /ˈɣeː.rɑrt/, /ˈχɪː.rɑrt/
pronoun
1. jongensnaam
Gerard
noun
1. een bepaald soort voedsel op een bepaalde wijze bereid
plat
noun
tribunal
noun
1. afsluitbare bak waarin gereedschap opgeborgen en bijeengehouden wordt
caixa d'eines
noun
geriatria
/ɣɛrˈmaːns/, /χɛrˈmans/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de taal der Germanen of de talen die er van afstammen
  2. 1. op de Germanen betrekking hebbend
alemany
/ɣɛrˈmaːns/, /χɛrˈmans/
pronoun
1. taal zoals die eertijds door de Germanen gesproken werd
alemany
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Duits of gevormd naar het Duits
germanisme
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
germani
noun
1. tak van wetenschap die het "ouder worden" bestudeert
gerontologia
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
ordi
/ɣə'rɵxt/
noun
  1. 2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
  2. 1. lawaai; een klein geluid
rumor
noun
1. zelfstandig gebruikte verbogen infinitief
gerundi
verb
1. iemands angst of zorgen ontzenuwen of minder aannemelijk maken
tranquil·litzar
/ɣəˈsxɛŋk/, /ʝəˈsçɛŋk/
noun
1. iets dat men geeft
regal
/ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
història
noun
historiografia
adjective
1. met de juiste eigenschappen
apropiat
/ɣə'sxɵpt/
adjective
1. bedekt met schubben
escamós
/ɣesələ(n)/
verb
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
  1. fuetejar
  2. assotar
/χəˈslɑχt/
noun
  1. 4. grammaticaal geslacht
  2. 3. (biologisch) genus
gènere
noun
trastorn d'identitat de gènere
/ɣəˈslɑxtsɔrɣaːn/, /ʝəˈslɑxtsɔrʝaːn/
noun
1. lichaamsdeel
genitals
/ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
sivella
adjective
1. met sterk ontwikkelde stevige spieren
musculós
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
conversa
noun
1. een persoon die deelneemt aan een gesprek
interlocutor
noun
gest
/ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
  1. roca
  2. carraig
/ɣəˈdan/
adjective
2. van meubels dat ze een stoffen bekleding hebben
embolicat
noun
  1. número
  2. nombre
adjective
1. talent hebbend
talentós
noun
1. de periodieke verandering van de waterstand ten gevolge van de stand van de maan
marea
adjective
fidel
adjective
1. voltooid deelwoord van trouwen
casat
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
testimoni
verb
1. een veelal beëdigde verklaring afleggen ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
testimoniar
noun
testimoni
/ɣøːr/, /χøːr/
noun
1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
olor
/ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
perill
/ɣəˈvarlək/, /ɣəˈvaːrlɪk/, /χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
perillós
noun
1.
cas
noun
1. iemand die gevangen genomen is
presoner
/ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
  1. presó
  2. càrcer
noun
1een driehoekige rode reflector
triangle d'advertiment
/ɣəˈvɛxt/, /χəˈvɛxt/
noun
1. een handgemeen
lluita
/ˈɣevə(n)/, /ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
donar
adjective
1. met vleugels
alat
noun
1. gewaarwording
sensació
noun
  1. 1. een aandoenlijkheid
  2. 2. de nauwkeurigheid van instrumenten
  3. 3. de spanning van een film
sensibilitat
noun
1. verschijnsel
temperatura de sensació
noun
1. een verzamelnaam voor vogels die gekweekt worden als voedsel
aviram
/ɣəˈvɔlx/, /ɣəˈvɔɫx/, /χəˈvɔɫχ/
noun
1. iets dat voortkomt uit iets anders
conseqüència
noun
fusell
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
cornamenta
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
violència
noun
volta
noun
regió
/ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
consciència
/ɣəˈʋɪxt/, /χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
pes
noun
1. een sport waarbij de beoefenaars proberen om zware gewichten op te heffen die aan stalen staven zijn bevestigd
halterofília
/xə'wɪxthɛfər/
noun
1.
halterofilista
noun
1. het minder worden van de massa van een persoon of voorwerp
pèrdua de pes
noun
1. Balaenoptera physalus, een groot zeezoogdier, lang en gestroomlijnd met puntige kop
rorqual comú
/ɣəˈwoːn/, /ɣəˈβ̞oːn/, /χəˈʋon/
adjective
ordinari
/ɣəˈwoːntə/, /ɣəˈβ̞oːntə/, /χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
costum
noun
1. verbinding
articulació
noun
1. bevoegdheid om ergens beslissingen over te nemen
autoritat
noun
2. alle zinsdelen behalve het onderwerp
predicat
/ɣə'zɛlsxɑp/
noun
  1. 1. een groep mensen die iets gemeen hebben
  2. 3. een vereniging met een bepaald doel
companyia
noun
1. de voorkant van een menselijk hoofd
cara
noun
1. huishouden bestaande uit een of meer ouders en hun kinderen
família
/xə.ˈzɔnt/, /ɣə.ˈzɔnt/
adjective
  1. 1. vrij van ziektes en zeertes
  2. 2. bevorderlijk voor een goede conditie
sa
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
salut
noun
1. het volledige fysieke, spirituele en sociale welzijn
estat de salut
noun
1.
treball
noun
circuit integrat
/'ɣa.na/, /'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
Ghana
adjective
1. op Ghana betrekking hebbend
ghanès
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Hylobatidae
gibó
pronoun
Gibraltar
/ɣɪts/, /χɪts/
noun
persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
guia
/ɣiːr/, /χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
voltor
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
garrepa
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
mill
/ˈɣirˌzʋalyw/
noun
1. bepaald soort vogel, Apus apus
falciot negre
noun
1. een soort emmer met sproeibuis om de planten te begieten
regadora
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het gieten van metalen voorwerpen
foneria
noun
fosa
/ɣɪf/, /χɪf/
noun
1. substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
metzina
/'ɣɪftɑnt/
noun
1. tand waarmee bij een beet gif in het slachtoffer ingespoten wordt
ullal
/ˈɣɪftəx/, /ˈχɪftəx/
adjective
1. gif bevattend
  1. verinós
  2. tòxic
noun
gigabyte
adjective
gegantesc
/ɣɛɪ̯/, /ɣɛː/, /χɛɪ̯/
personalPronoun
tu
/ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /ˈɣɛːzəlaːr/, /ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
ostatge
/ˈɣɪldə/, /ˈχɪɫdə/
noun
confraria
noun
ginebra
adverb
allà
noun
1.
ginseng
noun
1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
  1. guix
  2. parrell
/ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
girafa
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Girafa
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
girafa
verb
1. een vermoeden uitspreken over iets
endevinar
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
  1. llevat
  2. rent
verb
fermentar
/ˈɣɪstər/, /ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
ahir
/ˈɣɪstərə(n)/, /ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
ahir
noun
1.
conjectures
/ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
guitarra
noun
glaciologia
adjective
llis
noun
gladiador
verb
1. door strijken glad of effen maken
allisar
noun
1. betoverend uiterlijk, schone schijn
glamur
noun
1. Poecile palustris, een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae)
mallerenga d'aigua
/ɣlɑs/, /χlɑs/
noun
  1. 3. om uit te drinken
    1. got
    2. vidre
    1. 2. op basis van SiO₂
    2. 1. niet-kristallijne vaste stof
    1. vidre
    2. got
noun
humor vitri
noun
isolatiemateriaal gemaakt van glas
llana de vidre
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
glaucoma
noun
1-2
esmalt
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
glacera
adjective
1. glad, moeilijk houvast op te krijgen
lliscant
noun
tobogan
/ˈxlɛɪdə(n)/, /ˈɣlɛːdə(n)/
verb
1. met geringe wrijving gericht voortschuiven
lliscar
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
somriure
/'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
somriure
noun
1. een nachtelijk lichtgevend kevertje uit de familie Lampyridae
lluerna
/ɣlut/
noun
brasa
adjective
ardent
/ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
bombeta
noun
glossari
/ˈɣlɔtɪˌslɑx/
noun
1. een klank die met de stembanden in de keel geproduceerd wordt en tot de plosieven gerekend wordt
oclusiva glotal
noun
1. druivensuiker
glucosa
/'ɣly.tə(n)/
noun
gluten
/ˌɣlikɔˈɣen/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
glicogen
noun
1. een metamorf gesteente met verschillend gekleurde banden of aders
gneis
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
  1. nyu
  2. gnu
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Goa
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
Déu
/ɣɔd/, /ɣɔt/, /χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
déu
adjective
diví
noun
1.
divinitat
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
deïtat
pronoun
1. benaming voor het vrouwelijk opperwezen
Dea
noun
1. een vrouwelijke godheid
deessa
noun
1. een geloof en alle daar bij horende rituelen en doctrines
religió
noun
1.
llibertat de culte
adjective
1. lasterlijk ten opzichte van God
blasfem
adjective
1. kwaliteit bezittend
bo
adverb
1. op goede wijze
bé
/ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
Divendres Sant
interjection
bon dia
/ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
bon dia
interjection
avondwens
bona nit
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
bon vespre
noun
1. de hoedanigheid van het goed zijn
bondat
verb
1. toestemming verlenen
aprovar
adjective
1. laag in prijs
barat
/gɔlf/, /χɔl(ə)f/
noun
  1. 4. grote baai
    golf
  2. 1, 2 en 3
    ona
  3. 1. balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
    golf
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
golf de Mèxic
pronoun
1.
golf de Riga
noun
verpakkingsmateriaal, bestaande uit één of meer lagen dun, gegolfd karton
cartró ondulat
noun
longitud d'ona
/ɣɔm/
noun
  1. 1. een gum
  2. 2. een kleverige vloeistof die wordt gemaakt van het sap van bomen
goma
noun
gònada
/ˈɣɔndəl/
noun
1. een pleziervaartuig in Venetië
góndola
noun
1. een hangend slagwerk
gong
/ˈgu:gələ(n)/, /ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
googlejar
noun
googol
noun
googolplex
/ˈɣoːi̯ən/, /ˈχoːi̯ən/
verb
1. het door de lucht verplaatsen van een voorwerp, al dan niet naar een doelwit
llançar
/χot/
noun
1. lid van een Oost-Germaans volk
goda
noun
cuneta
/ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
pica
noun
1. een band die om het middel gedragen wordt
cinturó
noun
1. zoogdier met pantser van beweegbare schubben uit de familie Dasipodidae
armadillo
/ɣɔrˈdɛːn/, /χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
cortina
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
  1. gorilla
  2. goril·la
noun
gospel
pronoun
1. de uit de oostelijke tak van de Germaanse talen stammende en uitgestorven taal der Goten uit de eerste...
gòtic
/ˈɣɔtlɑnt/, /ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
Gotland
/ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
or
noun
1. bepaald soort klein vogeltje met een goudkleurig kruintje Regulus regulus
reietó
noun
1. soort plevier, Pluvialis apricaria
daurada
noun
calèndula
noun
1.
gouda
noun
1. een smid die met goud werkt
orfebre
noun
1. bepaald soort vogel, Pyrrhul pyrrhula
pinsà borroner
/ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
carpí
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
gulaix
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
governador
noun
1. eenheid om hoeken te meten
grau
noun
1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
comte
noun
comarca
/ɣrax/, /χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
gustosament
interjection
1. beleefd antwoord nadat je bedankt bent
de res
noun
cereal
noun
espina
noun
1. een instrument waarmee een hoek van een gekende grote uitgezet of gemeten kan worden
semicercle
/ɣrɑf/, /χrɑf/
noun
  1. 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
  2. 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
  1. sepulcre
  2. tomba
noun
in plaatjes gekristalliseerde koolstof
grafit
adjective
gràfic
noun
1. op een grafsteen gegraveerde korte tekst, gewijd aan de overledene
epitafi
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
làpida
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
gram
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
gramàtica
adjective
gramatical
/ɣṛɑm.ˌpo.zi.ˈtiː.və.bɑk.ˈteːri.jə(n)/, /χrɑm.ˌpo.zi.ˈti.və.bɑk.ˈtɪː.ri.jə(n)/
noun
1. verzamelnaam voor soorten met een dikke laag peptidoglycaan in hun celwand
bacteris grampositius
noun
  1. 2. met springlading gevuld projectiel
    granada
  2. 5. groep kubische mineralen
    granat
noun
2. vrucht
  1. magrana
  2. magraner
noun
1. wapen, of deel van een wapen, bestemd voor het lanceren van stuwloze ontploffende projectielen
llançagranades
/ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
granit
/ɣrɑp/, /χrɑp/
noun
1. verhaal dat of handeling die erop gericht is om de lachlust op te wekken
acudit
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
  1. aranger
  2. aranja
noun
1. sap van de vrucht van de boom Citrus paradisi
suc d'aranja
noun
1.een Italiaanse alcoholische drank
grappa
/ˈɣrɑpəχ/
adjective
1. de lust tot (glim-) lachen opwekkend
còmic
noun
  1. 1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
  2. 1.1 benaming voor planten uit de familie Poaceae die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien
herba
noun
1. Sylvia communis, een zangvogel uit de familie zangers Syviidae
tallareta vulgar
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
gratis
adjective
1. donkergrijs, kleurloos
gris
noun
1. bepaalde soort grijsbruine vogel met oranje snavel, Anser anser
oca comuna
noun
1. bepaalde soort roofvogel, Circus pygargus
arpella cendrosa
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
cavar
verb
1. met een scherp gereedschap iets krassen in glas of metaal
gravar
noun
gravadora
noun
1. vrouwelijke graaf
comtessa
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
gravitació
/'χrazə(n)/
verb
1. het eten van gras en andere bodemvegetatie zoals bijvoorbeeld runderen dit doen
pasturar
adjective
gregorià
noun
gra
/ɣre.ˈna.da/, /ɣrɛ.ˈna.da/, /χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Grenada
noun
  1. 2. de raaklijn tussen twee landen
  2. 1. een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
frontera
/ɣrik/, /χrik/
noun
1. inwoner van Griekenland
grec
/ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
Grècia
/ɣriks/, /χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
grec
verb
1. grienen
ploriquejar
/ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
grip
noun
1. grof gemalen meel
sèmola
/ɣrit/, /χrit/
noun
C. vissoort
  1. rom
  2. rèmol
adjective
aborronador
noun
1. iemand die de taak heeft alle communicatie rond een zaak schriftelijk vast te leggen en te ordenen
secretari judicial
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
  1. grif
  2. griu
verb
1. plotseling iets of iemand beetpakken
agafar
adjective
1. de kleur grijs hebbend
gris
adjective
1. gelijkend op, of eigenschappen hebbend van grijs
grisenc
noun
1.
ratpenat orellut meridional
noun
1. stevige zwarte walvis, met bolvormig voorhoofd en een heel kleine snuit
balena grisa
noun
1. bepaald soort zoogdier, Halichoerus grypus
foca grisa
verb
1. grijs worden, grijze haren krijgen
agrisar
noun
onredelijk en willekeurig gedrag
antull
noun
graella
adjective
obac
noun
grava
noun
grisalla
/ɣruj/, /χruj/
noun
1. het groter worden
creixement
/ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
créixer
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
verd
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
verd
/'ɣrun lɑxə(n)/
phraseologicalUnit
1. geforceerd glimlachen
riure de dents enfora
noun
  1. 1. groen verkeerslicht
  2. 2. toestemming
llum verd
noun
1. Picus viridis
picot verd
/ˈɣrun.lɑnd/, /ˈɣrun.lɑnt/, /ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
Grenlàndia
adjective
grenlandès
noun
1.
verdet
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
verdura
noun
1.
verdulaire
/ɣrup/, /ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
grup
verb
1. in groepen stellen
agrupar
noun
immunitat de grup
noun
1. verkrachting door een groep personen
violació col·lectiva
/ˈɣrutə(n)/
noun
1. iemand goedendag of gedag zeggen
saludar
noun
1. mijnbouw) een mijn waar delfstoffen gewonnen worden, onderaards of dagbouw
fossa
noun
1.
terratinent
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Gobiidae
cabot
noun
1. het gebied waarover een instantie of overheid het beheer heeft
territori
noun
matèria prima
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
aigua subterrània
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
constitució
/ˈɣroːˌnɪŋə(n)/, /ˈχroˌnɪŋə(n)/
pronoun
  1. 1. hoofdstad van de provincie Groningen
  2. 2. gemeente in de provincie Groningen waarin de stad Groningen ligt
  3. 3. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Drenthe en het Duitse Oost-Friesland wordt begrensd
Groningen
/ɣroːt/
adjective
  1. 1. meer dan normaal in formaat
  2. 2. bewonderenswaardig, goed
  3. 3. machtig, belangrijk
gran
/ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
Gran Bretanya
noun
1. bedrijf dat in het groot handelt, dat aan de detailhandel levert
a l'engròs
noun
1. adellijke titel die hoger is dan die van hertog maar lager dan die van koning
gran duc
noun
1.
gran ducat
noun
gran angular
noun
1. een moeder van een ouder
àvia
noun
1. op een krachtige manier heel gul zijn
magnanimitat
/ˈɣrotˌʌʊdər/
noun
1. de ouder van een ouder
avo
noun
talla
/ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
avi
noun
  1. 1. in de klassieke zeilvaart de onderste, grootste zeil aan de grote mast
  2. 2. in de moderne zeilvaart het zeil bevestigd met het voorlijk aan de achterkant van de (grootste) mast
vela major
/ɣrɔt/
noun
1. een onderaardse holte
cova
noun
1. soort zeevogel van ongeveer 70 centimeter groot, Larus hyperboreus
gavinot hiperbori
noun
1. de eindhersenen en de tussenhersenen vormen samen de grote hersenen
telencèfal
noun
  1. rosella
  2. ababolera
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
  1. Grans Llacs d'Amèrica del Nord
  2. Grans Llacs
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
  1. Oceà Pacífic
  2. Pacífic
noun
1. bepaalde soort zeevogel, te herkennen aan zijn zwarte kuif en snavel met een klein geel puntje, Sterna sandvicensis
llambritja de bec llarg
noun
bec de serra gros
noun
grava
/ˈxrʏto/, /ˈɣrʏto/
noun
1. bepaald soort weidevogel en een van de grootste steltlopers
tètol cuanegre
/ˈxrywəl/
noun
1.
abominació
noun
atrocitat
noun
een dipsaus uit Midden-Amerika
guacamole
pronoun
Guadalupe
/ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
Guatemala
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
guaiaba
pronoun
Guernsey
/ɣi.ˈne/, /χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
  1. Guinea
  2. República de Guinea
/ˌɣi.ne.bɪ.ˈsaʊ̯/, /ˌɣi.ne.ˈbɪ.sɔʊ̯/, /ˌχi.ne.ˈbɪ.sʌʊ̯/
pronoun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
Guinea Bissau
adjective
1. op Guinee betrekking hebbend
guineà
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk in Gujerat gesproken wordt. De taal wordt nu ook in Uganda, Tanzania, Kenia en Pakistan gesproken
gujarati
noun
vara d'or
/ɣɵlp/
noun
1. een door een strook stof afgesloten opening aan de voorzijde van een broek van de man,...
bragueta
/ɣɵnst/, /χɵnst/
noun
1. het vrijwillig verlenen van een dienst of goed aan iemand om iemand ter wille te zijn
favor
noun
1. een levendbarend tandkarpertje en aquariumvisje uit Zuid-Amerika
guppy
noun
1. een gootvormige steekbeitel voor houtbewerking
gúbia
/ɣi.ˈja.na/, /ɣβ̞i.ˈja.na/, /χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
Guyana
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
gimnàstica
/ˌɣiroˈskop/
noun
giroscopi
/ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
Göttingen
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
bardissa
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
carpí
/haːɪ̯/, /ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
tauró
/haːk/
noun
ganxo
noun
arcabús
noun
1. een naald die wordt gebruikt bij haakwerk
ganxet
/ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
gall
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
  1. pèl
  2. cabell
noun
1. plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
llar
noun
1. alle haren die boven op de schedel van een mens zitten
cabellera
noun
2. verticaal rooster om vonken en kooltjes die van een brandend haardvuur kunnen komen tegen te houden
guardafoc
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
llebre
/hast/
adverb
1. bijna
gairebé
/hast/
noun
1. de drang hebben om iets snel te doen
pressa
adjective
1. zich niet de tijd nemend
precipitat
/ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
odi
pronoun
2. boek in de Bijbel
Habacuc
/ˈhabiˌtɑt/
noun
1. het natuurlijke leefgebied van een organisme
hàbitat
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
hadró
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
hafni
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
  1. sargantana
  2. llangardaix
/haɣəɫ/
noun
1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
  1. calamarsa
  2. calabruix
verb
1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
pedregar
pronoun
2. boek in de Bijbel
Ageu
noun
hagiografia
noun
1. hiel van de voet
taló
verb
3. bevestigen d.m.v. een haak
enganxar
/ˈhaː.kə(n)ˌkrœys/
noun
creu gammada
verb
2. moeilijk en onzeker spreken met herhaling van klanken
quequejar
/ɦɑl/
noun
  1. 1. ruimte achter de voordeur
  2. 3. een grote overdekte ruimte gericht op het uitvoeren van activiteiten
corredor
/ˈɦalə(n)/
verb
1. ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
anar a buscar
/ɦɑlf/
adjective
1. de helft zijnde
mig
adjective
1. gedeeltelijk automatisch
semiautomàtic
noun
1-2
semiconductor
noun
semideessa
noun
1. het oppervlak van een halve bol, met name van de aarde
hemisferi
adverb
1. halverwege de vlaggenstok
mig pal
noun
germanastra
noun
1.
germana d'un sol pare
interjection
1. groet
  1. ola
  2. hola
noun
al·lucinació
verb
1. zinsbegoochelingen hebben
al·lucinar
adjective
al·lucinogen
noun
al·lucinogen
noun
halogen
noun
halur
noun
coll
noun
1. een om de hals en nek gesnoerde band
collar
noun
1.
cotorra de Kramer
noun
1. slagader in de hals
caròtide
noun
1. het te vasthoudend zijn
entercament
noun
cabestre
/ˈhɑɫtə/
noun
1. een plaats waar gestopt wordt
parada
noun
manuella
/ɦɑm/
noun
1. vlees van de achterkant van een varken
pernil
noun
Hamburg
/ˈham.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.χər/
noun
1. schijf gebraden gehakt
hamburguesa
noun
1. gecastreerde ram
moltó
noun
  1. 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
  2. 2. een van de gehoorsbeentjes in het oor
martell
noun
1.
tauró martell
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
hàmster
/ɦɑnt/
noun
1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
mà
noun
equipatge de mà
noun
handbol
/ˈɦɑnt.buj/
noun
1. een paar aan elkaar verbonden afsluitbare ringen
manilla
/ˈɦɑnt.buk/
noun
1. een boek waarin getracht wordt alle informatie nuttig voor een bepaalde bezigheid bijeen te brengen
manual
noun
1. een doek waarmee men zich afdroogt
tovallola
noun
encaixada
/ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
comerç
verb
1. iets doen, al of niet met de handen, optreden
actuar
pronoun
Fets dels Apòstols
noun
2. deel van het privaatrecht m.b.t. handelszaken
dret comercial
adjective
1.
manuscrit
verb
1. iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
mantenir
/ˈɦɑndɪɣ/, /ˈɦɑndɪχ/
adjective
1. goed met de handen om kunnen gaan
destre
noun
1. binnenzijde van de hand
palmell
noun
1. met de hand bediende rem
fre de mà
/hɑnd.sxun/, /ɦɑnt.sxun/, /ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
guant
noun
signatura
noun
1. door mensen georganiseerd gevecht tussen kamphanen waarbij de toeschouwers kunnen wedden op de uitkomst van het gevecht
baralla de galls
/ˈhanə(n)kɑm/
noun
1. Cantharellus cibarius, een eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak
  1. rossinyol
  2. vaqueta
noun
1. brug die is opgebouwd uit twee (soms één) hoge pijlers of pylonen waartussen een dikke kabel gespannen is...
pont penjant
/ˈɦɑŋə(n)/
verb
penjar
/ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
hamaca
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
cadenat
pronoun
1. stad in Duitsland
Hannover
phraseologicalUnit
1. (informatica) Vooralsnog het meest gebruikte externe geheugen in een computer
disc dur
noun
1. en 2 grof gemalen meel van harde tarwe (Triticum durum)
sèmola de blat dur
/'ɦɑrdər/
noun
1. Mugil curema, een straalvinnige vissoort
llíssera
adjective
1. door koken stijf geworden (met name van eieren)
dur
noun
1. een vrouwelijke beoefenaar van de hardloopsport
corredora
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
maquinari
noun
  1. 1. het voor vrouwen bestemde deel van een woning van een mohammedaan
  2. 2. groep vrouwen die een relatie hebben met één man
harem
/ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
areng
noun
1. bepaalde middelgrote haai en consumptievis, Lamna nasus
marraix
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
rampí
noun
2. een grappig, koddig persoon in het algemeen
arlequí
noun
harmonia
noun
1. (muziekinstrument) een toetsinstrument dat gerekend wordt tot de aerofonen
harmònium
noun
1.
arpa
noun
3. feeks
harpia
/hɑrˈpun/, /ɦɑrˈpun/
noun
  1. 2. een speer met weerhaken
  2. 1. een grote pijl met weerhaken aan een touw
arpó
verb
1. het vangen van vissen door middel van een harpoen
arponar
/ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
resina
/ɦɑrt/
noun
cor
noun
1. het afsterven van hartspierweefsel door afsluiting van een kransslagader of een tak hiervan
atac de cor
noun
1.
fallida cardíaca
adjective
saborós
noun
1. verstopping van een kransslagader of een tak hiervan, leidend tot het afsterven van hartspierweefsel
infart
noun
1. hartweefsel in de vorm van een vlies dat samengetrokken door een spiertje terugstromen van het verder gepompte bloed tegengaat
vàlvula cardíaca
noun
batec
/ˈhɑrtstɪlstand/, /ˈhɑrtstɪlstɑnt/, /ˈhɑrtstɪɫstɑnt/
noun
1. het stoppen van het kloppen van een hart
aturada cardíaca
noun
passió
noun
alfange
adjective
1. vorm van een hart hebbend
amb forma de cor
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
hassi
/'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
odiar
interjection
atxim
pronoun
1. taal die wordt gesproken door meer dan 85 miljoen mensen, vooral in Niger en Nigeria
haussa
/ˌotkuˈtyr/
noun
alta costura
noun
1. een droge doosvrucht, die minstens driemaal zo lang als breed is, zoals bij koolzaad en pinksterbloem.
síliqua
/ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
port
noun
1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
  1. civada
  2. avena
noun
plantaardige melk op basis van hele haverkorrels
llet de civada
noun
farinetes de civada
noun
havervlokken
flocs de civada
/ˈɦavɪk/
noun
1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
astor
noun
hieraci
pronoun
1. Polynesische taal gesproken in de Amerikaanse staat Hawaï
hawaià
noun
1. een heester waaraan hazelnoten groeien
avellaner
/ˈɦa.zəlˌmœːs/, /ˈɦa.zəɫˌmœʏ̯s/
noun
1. knaagdier in de familie van slaapmuizen, Muscardinus avellanarius
rata dormidora rogenca
/ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
avellana
noun
1. pootloze hagedis (Anguis fragilis)
serp de vidre
/ˈhaː.zə(n)ˌlɪp/
noun
llavi leporí
/ha.ˈhi.ti/, /ɦa.ˈi.ti/, /ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Haití
adjective
haitià
/haʔitiˈjanskreˌjols/
pronoun
1. taal gesproken door 6 000 000 mensen
crioll haitià
noun
1. hoofdtelefoon met ingebouwde microfoon
cascos
/ˈɦɛbə(n)/
verb
  1. 1. bezitten
  2. 1. voor voltooide tijd
  1. haver
  2. tenir
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
hebreu
adjective
1. blijk gevend van hebzucht, hebberig
avar
adjective
1. zeer druk en chaotisch
agitat
noun
1. 100 liter
hectolitre
noun
1.
hectòmetre
noun
1. leer dat genot het hoogste goed is
hedonisme
noun
lluç europeu
/heːl/
adjective
1. niet stuk
sencer
/heːl/
adverb
1. in hoge mate
molt
/he.ˈlal/, /ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
univers
noun
1. de tak van de geneeskunde die met operatie probeert te genezen
cirurgia
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
Senyor
/ɦɪːr/
noun
1.
senyor
adjective
1.
deliciós
noun
cua de cavall petita
noun
1. iemand die de macht uitoefent
governant
noun
mata
/ɦeːt/
adjective
1.
calent
noun
1.
alçaprem
noun
1. een (meestal lijnvormige) aanplanting van struiken en/of bomen die dient om ruimten te scheiden
bardissa
noun
hegemonia
noun
1. een zangvogel ter grootte van een huismus met opvallend grijs op de kop
pardal de bardissa
/ˈhɛɪ̯də/, /ˈhɛːdə/
noun
1. een met heidekruid begroeide vlakte
landa
noun
1. mensen die geen jood of christen zijn
pagà
noun
1. een verzamelnaam voor de polytheïstische religies waarmee het zich verspreidende christendom in aanraking kwam
paganisme
adjective
1. van de heidenen
pagà
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
Heilbronn
/ɦɛj.ləɣ/
adjective
1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
  1. sagrat
  2. sant
noun
1. plaats of gebouw gewijd aan een god of godin
presbiteri
noun
sant
noun
1.
Esperit Sant
noun
1.
ibis sagrat africà
noun
1. de pauselijke regering
Santa Seu
noun
vergrijp aan iets heiligs
sacrilegi
/'hɛɪmʋe/
noun
1. sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
enyorança
noun
2. sterke afkeer
fàstic
/ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
bruixa
/ˈhɛksə(n)ˌjɑxt/
noun
1. het jagen op vermeende heksen
caça de bruixes
noun
aquelarre
noun
bruixeria
/'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
infern
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
malauradament
interjection
1. een uitroep van spijt, ontgoocheling, verdriet
ai las
/ɦɛlt/
noun
heroi
noun
1. de durf en de kracht van mensen, die zich, met gevaar voor eigen leven, voor de goede zaak inzetten
heroisme
/'ɦelə(n)/
verb
1. gezond worden
curar
/ɦɛlft/
noun
meitat
/ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
  1. helicòpter
  2. autogir
noun
1. overbezorgde vader of moeder die te veel wil nagaan en regelen wat een kind doet
mare helicòpter
/ˈhe.lɪŋ/
noun
2. het verkopen van gestolen goederen zonder dat de verkoper ze zelf gestolen heeft
encobriment
adjective
heliocèntric
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
heli
noun
1. lang middeleeuws wapen
alabarda
noun
1. een glooiing in het landschap
costa
/ɦɛlm/
noun
1. beschermend hoofddeksel
  1. casc
  2. elm
/ˈɦɛlm.knɔp/
noun
antera
noun
arjau
/ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
ajudar
pronoun
1. de hoofdstad van Finland
Hèlsinki
noun
1. roodkleurig mineraal dat ferri-oxidekristallen bevat
hematites
noun
1. kledingstuk voor het bovenlijf
camisa
/ˈɦeːməl/
noun
  1. 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
  2. 2. het hiernamaals, leven na de dood
cel
noun
llit amb baldaquí
noun
cos celeste
adjective
celeste
pronoun
1. de herdenking dat Jezus Christus na zijn verrijzenis opgevaren is naar God Zijn Vader in de hemel
Ascensió
noun
ascensió
noun
1. christelijke feestdag waarin gevierd wordt dat Jezus na de opstanding naar de Hemel ging
Ascensió
noun
1. halfzijdige verlamming
hemiplegia
noun
hemisferi
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam teveel ijzer uit het voedsel opneemt
hemocromatosi
noun
1. bloederziekte
hemofília
/ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
gallina
noun
hendíadis
/ˈhɛndrɪk/
pronoun
  1. 1. mannelijke voornaam
  2. 2. spelwoord voor de letter h
Enric
noun
1. visserswerktuig
canya de pescar
/ɦɛŋst/
noun
1. mannelijk paard
ca
/ˈɦɛ.nəp/
noun
cànem
noun
frare blau
noun
1. leverontsteking
hepatitis
/herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
heràldica
noun
1. verzameling van, album met gedroogde planten
herbar
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
hostal
verb
  1. 1. huisvesten
    albergar
  2. 2. tot verblijf dienen
    allotjar
noun
1. dier dat zich met plantaardig voedsel voedt
herbívor
pronoun
  1. 1. Romeinse halfgod
  2. 2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Hèrcules
verb
1. plechtig aandacht schenken aan een gebeurtenis uit het verleden
commemorar
/'ɦɛrdər/
noun
1. begeleider en bewaker van een kudde
pastor
noun
1. een geestelijke die in afzondering leeft
ermità
noun
1. een kreeftachtige (Eupagurus bernhardus) uit de orde van tienpotigen, die in de schelp van een zeeslak woont
bernat ermità
verb
1. opnieuw tot een eenheid maken
reunir
/heˌresiˈjɑrx/
noun
1. iemand die een leidende rol speelt in een ketterse beweging
heresiarca
noun
heretgia
noun
1. derde jaargetijde
tardor
noun
1. bepaald soort plant, Colchicum autumnale
còlquic
adjective
bijvoeglijk naamwoord
repetit
verb
  1. 1. iets opnieuw zeggen
  2. 1. iets opnieuw doen
repetir
noun
1. het nogmaals plaatsvinden
repetició
noun
1. lastige en hinderlijke veldmosterd die meestal op en rond akkers groeit
mostassa borda
/ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
  1. 2. uit het geheugen opdiepen
  2. 1. opnieuw in gedachte brengen
recordar
noun
record
verb
2. tot vervelens toe herhalen
repetir sense parar
noun
1. een herbivoor die zijn voedsel herkauwt
  1. ruminant
  2. remugant
noun
reconeixement
noun
1. een muziekje dat kenmerkend is voor een bepaald tv- of radioprogramma
sinòdia de signatura
noun
procedència
verb
1. opnieuw verwerven
reconquerir
verb
1. opnieuw lezen
rellegir
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
ermini
adjective
1. de uitleg van een (religieuze) tekst betreffend
hermenèutic
pronoun
Hermes
/ɦɛr'nemə(n)/
verb
  1. 1. opnieuw krijgen, opnieuw verkrijgen
  2. 4. opnieuw innemen
reprendre
noun
1. uitstulping van een orgaan of weefsel uit de lichaamsholte waar het normaliter in ligt
hèrnia
/hɛrˈniwə(n)/
verb
  1. 1. door nieuwe kracht weer nieuw maken, nieuw leven inblazen
  2. 3. opnieuw doen, vernieuwen, weer nieuw maken
renovar
verb
1. opnieuw ontdekken
redescobrir
verb
reobrir
verb
1. opnieuw op details bezien
reconsiderar
noun
een verdovend middel
heroïna
noun
herpetologia
verb
1. opnieuw oprijzen, opnieuw gaan leven of functioneren
ressuscitar
noun
mort cerebral
noun
1. brein
cervell
noun
1. de buitenste laag van de grote hersenen
escorça cerebral
noun
1. schade aan de hersenen door uitwendig geweld
commoció cerebral
noun
indoctrinatietechniek
rentat de cervell
noun
reparació
verb
1. terug werkend krijgen, repareren
reparar
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
cérvol
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
duc
noun
1. het gebied dat onder leiding staat of stond van een hertog
  1. ducat
  2. ducado
noun
1. adellijke titel, vrouw van een hertog
duquessa
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
hertz
verb
1.
recaure
noun
1. de verkiezing van een persoon in een functie die hij al eerder heeft bekleed
reelecció
pronoun
Hessen
/(ɦ)ət/, /hɛt/
article
1. bepaald lidwoord
el
/(ɦ)ət/, /hɛt/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
el
/'he.tə(n)/, /'ɦe.tə(n)/
verb
1. de naam dragen
  1. dir-se
  2. anomenar-se
adjective
heterogeni
noun
heterogeneïtat
noun
heterosexualitat
adjective
1. gericht op het andere geslacht of betrekking hebbend op liefde voor mensen met een ander geslacht
heterosexual
noun
1. man met seksuele voorkeur voor vrouwen of een vrouw met seksuele voorkeur voor mannen
heterosexual
pronoun
1. een dode taal die in het huidige Turkije werd gesproken
hitita
demonstrativePronoun
1. de gelijke identiteit bezittend; onzijdig enkelvoud, zowel zelfstandig als bijvoeglijk gebruikt
mateix
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
maluc
noun
een kleine platte fles
petaca
noun
1. tasje dat je om je heupen als een riem kan dragen
ronyonera
adjective
1. betrekking op het vinden van iets
heurístic
/ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
  1. turó
  2. puig
/'ɦøvəlɑxtəx/
adjective
1. met aanzienlijke hellingen en hoogteverschillen
muntanyós
/'ɦevəl/
noun
2. een geheel met vloeistof gevulde pijp of slang waarvan het ene einde lager gehouden wordt dan de andere, waardoor vloeistof van de laatste mond naar de eerste stroomt
sifó
noun
1. C₆H14
hexà
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een zestallige as bezittend
hexagonal
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
taló
/ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
  1. aquí
  2. ací
noun
1. leven na de dood
més enllà
/hɑj/
adjective
1. in een euforische toestand van veranderd bewustzijn verkerend
drogat
/hɛɪ̯/, /ɦɛɪ̯/, /ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
ell
verb
1. zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
panteixar
verb
1. iets met een touw of kabel in opwaartse richting trekken, al dan niet middels een katrol
hissar
noun
1. een constructie om zware lasten op te tillen
grua
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
singlot
/ˈɦɪkə(n)/
verb
1
singlotar
pronoun
1. + 2. stad en district
Hildesheim
/ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
cérvola
/'ɦɪndərə(n)/
verb
destrobar
noun
emboscada
noun
1. iets dat de voortgang verstoort
obstacle
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
hindi
noun
hinduisme
noun
2. kinderspel, waarbij men zich deels op één been verplaatst
xarranca
verb
arrossegar una cama
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
  1. renillar
  2. aïnar
noun
moviment hippie
adjective
1. betrekking hebbend op de paardensport
eqüestre
noun
1. ovale paardenrenbaan
hipòdrom
noun
hipopotomonstrosesquipedaliofòbia
pronoun
Hispaniola
noun
histograma
noun
historicitat
noun
historiador
noun
  1. 2. geschiedenis van een volk, een land enz
  2. 1. verhaal
història
adjective
històric
noun
salutació hitleriana
adjective
1.
hitlerià
/ˈhɪtə/
noun
calda
noun
1. voorziening die een ruimtevaartuig tijdens de afdaling in een atmosfeer beschermt tegen thermische beschadiging
escut tèrmic
noun
1. menselijk immuundeficiëntievirus
VIH
noun
1. rangorde
jerarquia
adjective
1. van of volgens de opeenvolging van rangen
jeràrquic
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat Tasmanië
Hobart
noun
1.
hòbbit
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
oboè
noun
1. iemand die hobo speelt
oboista
noun
1. balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
hoquei
noun
estic
/ɦu/
adverb
1. op welke wijze
com
/hud/, /ɦut/
noun
  1. 2. deel van een zwam
    barret
  2. 1. een hoofddeksel
    1. barret
    2. capell
noun
1. iemand die hoofddeksels voor mensen maakt
barreter
/ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
  1. peülla
  2. casc
noun
1. hoefdragend zoogdier
ungulat
noun
ferradura
noun
ferrador
/ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
  1. angle
  2. cantonada
adjective
angular
/ˈhuk.steːn/
noun
  1. 1. een steen die gebruikt wordt om de hoekpunten van bouwwerken te verstevigen
  2. 2.
pedra cantonera
/ɦur/
noun
1. vrouw die tegen betaling seksuele diensten verricht
puta
noun
fill de puta
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
tos
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
tossir
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
quant
/huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
quantitat
conjunction
1. drukt een tegenstelling uit
encara que
/ɦɔf/
noun
  1. 1. de uitgebreide huishouding van een vorstelijke, bijvoorbeeld koninklijke familie
  2. 3. een stuk bebouwd land of tuin
  3. 2. een instelling waar recht gesproken wordt
cort
pronoun
Tribunal de Justícia de la Unió Europea
noun
cortesia
noun
polymerisatieproduct van etheen
polietilè d'alta densitat
noun
1. een gebied waar relatief een hogere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
anticicló
noun
olla de pressió
noun
1. bepaald soort vis, Macruronus novaezelandiae
lluç de cua afuada neozelandès
noun
1. grot, spelonk
cova
noun
1. bepaald soort vogel, Columba oenas
xixella
noun
1. een dier dat tot de Bovidae gerekend wordt
bòvid
noun
1. theorie
holisme
/ˈɦɔlɑnt/
pronoun
  1. 1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
  2. 2. heel Nederland
Holanda
verb
córrer
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
holmi
/ˈholokaust/
pronoun
Holocaust
noun
Holocè
noun
1. techniek waarmee een afbeelding in een plat vlak diepte of verschillende beelden lijkt weer te geven als je er onder uiteenlopende hoeken naar kijkt
holografia
noun
1. een term die het geheel van iets weergeeft, terwijl in werkelijkheid slechts een deel wordt bedoeld
holònim
noun
aanhanger of beoefenaar van de homeopathische geneeswijze
homeòpata
noun
homeopatia
adjective
1.volgens de homeopathie
homeopàtic
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
homeòstasi
/ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
  1. borinot
  2. abellot
noun
1.
homoerotisme
noun
homofòbia
noun
1. gelijkklinkend woord
homòfon
adjective
homogeni
noun
1.
homogeneïtat
noun
1. op dezelfde manier gespeld woord
homògraf
noun
1. een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht
matrimoni homosexual
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
homònim
noun
homonímia
noun
homosexualitat
adjective
1. betrekking hebbend op de liefde voor geslachtsgenoten
homosexual
noun
1. man met seksuele voorkeur voor mannen of vrouw met seksuele voorkeur voor vrouwen
homosexual
/ˈhɔnd/, /ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
  1. gos
  2. ca
  3. gossa
/ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
cent
cardinalNumeral
1. het getal 100.000, een tiende deel van een miljoen
cent mil
pronoun
1.
guerra dels Cent Anys
noun
ràbia
noun
roser silvestre
/hɔn.ˈdyː.rɑs/, /ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
Hondures
adjective
1. inwoner van Honduras
hondureny
/hɔŋ(g).ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
hongarès
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
adjective
1. betreffende Hongarije of het Hongaars
hongarès
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
hongarès
/hɔŋ(g).ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈχar.sə/
noun
hongaresa
/ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
Hongria
/ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
fam
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
fam
noun
1. het weigeren van voedsel uit protest
vaga de fam
/hɔŋˈkɔŋ/
pronoun
1. een speciale administratieve regio van de Volksrepubliek China
Hong Kong
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
mel
noun
1. een bij van de soort Apis mellifera die honing maakt uit nectar en bloemen bestuift
abella de mel
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mellivora capensis
ratel
noun
bresca
noun
1. balsport waarbij de bal met een knuppel geslagen wordt en de spelers langs een drietal honken trachten rond te lopen tot zij weer de thuisplaat bereiken
beisbol
/ɦoːft/
noun
1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
cap
noun
1. een kledingstuk dat (een deel van) het hoofd bedekt
barret
/'ɦovduk/
noun
1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
mocador de cap
noun
1. erläuterung
edifici principal
noun
1. een letter die een groter formaat en meestal ook een andere vorm heeft dan een kleine letter
majúscula
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
poll
noun
1. de voorste pagina van een website
portada
noun
1. pijn in het hoofd
mal de cap
/'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
capital
noun
1. het tuig dat een paard om het hoofd gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken
brida
noun
bepaalde opdeling van tekst of beeld in een boek
capítol
adverb
1. in belangrijke mate, in overwegende mate
essencial
/ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
alt
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
Càntic dels Càntics
noun
alta tensió
noun
1. atletiekdiscipline waarbij het de bedoeling is over een tussen twee staanders bevestigde lat of touw te springen
salt d'alçada
noun
2. niveau
altura
/ˈɦoxtəvres/, /ˈɦoçtəvres/
noun
1. angst voor hoogten
acrofòbia
noun
alta traïció
noun
altiplà
noun
1. gedroogd gras
fenc
noun
2.1. bepaald soort kleine standvlinder, Coenonympha pamphilus
lleonada comuna
/ˈɦojbɛrx/
noun
1. een ter bewaring opgestapelde hoeveelheid gedroogd gras
paller
noun
1. vorkvormig landbouwwerktuig waarmee bijvoorbeeld hooi wordt opgestoken
forca
/ɦoːp/
noun
3. verwachting van iets wenselijks
esperança
adjective
1.
audible
/horn/
noun
1. hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
banya
pronoun
Banya d'Àfrica
/hoːrnar/, /ho̝ːrnar/
noun
1. Vespa crabro, een soort grote wesp
vespa grossa
noun
1.
cornut
noun
  1. 1. bepaald soort vogel, Upupa epops
    1. puput
    2. palput
  2. 1. bepaalde plant die onder andere wordt gebruikt bij de bereiding van bier
    1. llúpol
    2. esparga
adjective
1. waaraan hoop op succes ontbreekt
desesperat
/ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
esperar
/hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
  1. oir
  2. sentir
noun
horitzó
noun
horitzó
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
horitzontal
adjective
1. met betrekking tot hormonen
hormonal
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
hormona
noun
horòscop
noun
terror
noun
1.
hortènsia
/ˈɦɔrzəɫ/
noun
1. parasitaire vliegsoort
estre
pronoun
  1. Osees
  2. Oixea
noun
1.
casa de beneficència
/ˈhɔs.pi.ˌta/, /ˈɦɔs.pi.ˌta/
noun
1. een vrouw die een of meer kamers in haar eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal
mestressa
noun
1. opneming in een ziekenhuis
hospitalització
verb
hospitalitzar
noun
1. offerbrood
hòstia
noun
1. het vijandig zijn
hostilitat
/hoˈtɛl/, /ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
hotel
/ˈɦɑʊdə(n)/
verb
1. niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen
desar
noun
detentor
noun
1. een pose
postura
/ɦɑʊ̯t/, /[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
  1. fusta
  2. llenya
/ɦɑʊ̯tbɛi̯/
noun
1. enige bij onder de geslachtengroep Xylocopini
abella de la fusta
noun
1. houtblaasinstrument
instrument de fusta
noun
1. bepaalde soort wilde duif, Columba palumbus
tudó
/ˈhɑutə(n)/
adjective
de fusta
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
llenyataire
adjective
1.
llenyós
noun
1. verkoold hout
carbó vegetal
noun
1.
serradora
verb
1. iets met een scherp werktuig trachten af te hakken
tallar
noun
1.
canó obús
/hovəlɪŋ/
noun
1. een onderdaan die tot het dagelijkse gezelschap van een vorst behoort
cortesà
pronoun
1. bepaalde telescoop die als een kunstmaan rond de aarde draait
telescopi espacial Hubble
pronoun
1. binnenzee in Noordoost-Canada
Badia de Hudson
noun
hipòcrita
noun
1. het huichelen
hipocresia
/hœːd/, /ɦœʏ̯t/, /ɦœːt/
noun
1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
pell
adjective
1. bij het heden behorend
actual
/hœːx/, /ɦœʏ̯χ/, /ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
garganxó
/ɦœy̯lə(n)/
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
plorar
/hœːs/, /ɦœʏ̯s/, /ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
casa
noun
1. strafbepaling
arrest domiciliari
noun
1. een arts die de eerste lijn van opvang vormt voor een aantal vaste patiënten in de buurt
metge de capçalera
noun
amo
/ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
animal domèstic
noun
1. vrouw die andermans huishouden verzorgt
casera
noun
1. bepaald soort knaagdier dat vaak in en rond gebouwen voorkomt, Mus domesticus
rat furet
noun
1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
pardal comú
noun
1. iemand die beroepsmatig schilderwerken aan en in gebouwen uitvoerd
pintor de parets
/ˈhœysfredəbrøk/
noun
1. zonder toestemming binnendringen of aanwezig zijn in iemands woning
violació de domicili
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
mestressa de casa
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
deures
noun
1. Delichon urbica, een zwaluw die zijn nest tegen de huizen aanbouwt
oreneta cuablanca
/ɦʏlp/
noun
1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
ajuda
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
verb auxiliar
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
grèvol
noun
1.
garric
adjective
humà
noun
1.aanhanger van het humanisme
humanista
adjective
humanístic
noun
1. puree van o.m. gekookte kikkererwten
hummus
noun
humor
adjective
divertit
/ˈɦynəbɛt/
noun
1. neolithische begraafplaats
dolmen
verb
1. opspringen
saltar
/ɦyrə(n)/
verb
1. tegen betaling gebruiken
llogar
verb
1. op de onderbenen gaan zitten
ajupir-se
/ɦyr/
noun
1. tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
lloguer
noun
arrendatari
noun
assassí a sou
adjective
1. geschikt om in het huwelijk te treden
núbil
/ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
matrimoni
noun
1.
pretendent
/hʊ.ˈzaːʁ/
noun
1. een ruiterijsoldaat.
hússar
noun
3. bolgewas
jacint
/hi'drat/
noun
1.
hidrat
noun
1. chemisch proces waarbij water aan een scheikundige verbinding wordt toegevoegd
hidratació
verb
hidratar
adjective
hidràulic
adjective
1.
hidroelèctric
noun
hidrografia
noun
hidrologia
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
hiena
noun
higiene
adjective
1. schoon, gezond
higiènic
noun
1.een instrument om vochtigheid van de lucht te meten
higròmetre
noun
1. een verheven loflied op een bepaald onderwerp (zoals een land, God ...)
himne
adjective
1. overactief
hiperactiu
adjective
  1. 1. als in een hyperbool d.w.z. zwaar overdreven
  2. 1. de vorm van een hyperbool hebbend of daarop lijkend
hiperbòlic
noun
hipèrbola
noun
hipercorrecció
noun
1. een woord dat een verzameling van verwante specifiekere woorden samenvoegt, een overkoepelende term
hiperònim
noun
1. bovenmatige vermeerdering van weefsel
hiperplàsia
adjective
hipersònic
noun
1. verhoogde bloeddruk
hipertensió
noun
hipertèrmia
noun
1. bovenmatige groei
hipertròfia
noun
hiperuricèmia
noun
1.
hipnosi
verb
1. het onder hypnose brengen van mensen
hipnotitzar
adjective
hipocondríac
/ɦipoˈkrit/
noun
1. iemand die voordoet bepaalde waarden te huldigen, maar zich er zelf niet aan houdt
hipòcrita
noun
1. huichelarij
hipocresia
adjective
1. onder de huid toegediend
hipodèrmic
/ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
hipòfisi
noun
1. term die een subcategorie van een algemenere klasse aanduidt
hipònim
noun
1. lage bloeddruk
hipotensió
noun
1. deel van de hersenen dat een directe verbinding heeft met het hormonale systeem
hipotàlem
adjective
hipotecari
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
hipoteca
/ˌhipoteˈkeːrə(n)/, /ˌhipoteˈkɪːrə(n)/
verb
  1. 1.
  2. 2.
hipotecar
noun
1. onderkoeling
hipotèrmia
noun
hipòtesi
noun
1. zuurstoftekort in de weefsels
hipòxia
noun
1. Hyssopus officinalis, een gewas met geneeskundige kracht
hisop
adjective
histèric
adjective
1. door medisch ingrijpen veroorzaakt
iatrogènic
/iˈbeːris/, /iˈbɪːris/, /ɪˈbeːrɪs/
pronoun
1. Uitgestorven taal van Spanje
ibèric
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
Península Ibèrica
noun
1. een vogel met een lange gebogen snavel behorend tot de familie Threskiornithidae
ibis
noun
1.
ibuprofèn
noun
iconografia
noun
1. een iconenwand die het altaar van het schip scheidt in de Russisch-orthodoxe kerk
iconòstasi
noun
  1. 1. heiligenafbeelding, zoals vereerd in de kerken van het oosten
  2. 2.
icona
verb
1. iets gunstiger of zelfs als ideaal beoordelen
idealitzar
/ideja'lɪst/
noun
  1. 1. iemand die idealen nastreeft
  2. 2. (filosofie) aanhanger van het idealisme
idealista
/iˈde/
noun
1. gedachte, plan
idea
adjective
1. volledig hetzelfde, van dezelfde oorsprong
idèntic
verb
identificar
noun
1. geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
identitat
/idɛnti'tɛitskart/
noun
1. een identiteitsbewijs dat op een kaart gedrukt is
carnet d'identitat
/ˌideo'ɣrɑm/
noun
1. een grafisch teken dat een voorwerp symboliseert
ideograma
/ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
ideologia
adjective
1. van, betreffend of volgens een ideologie
ideològic
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door trillend materiaal
idiòfon
adjective
1. het idioom betreffend
idiomàtic
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
modisme
/idi'ot/
adjective
1. zwakzinnig in de hoogste graad
idiota
/idi'ot/
noun
1. iemand die een grote maat van zwakzinnigheid heeft
idiota
noun
  1. 1. aangeboren overgevoeligheid voor bepaalde voedings- en geneesmiddelen
  2. 2. kenmerkende eigenaardigheid
idiosincràsia
pronoun
Ido
adjective
1. bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid
idíl·lic
/i.də.ˈreːn/
indefinitePronoun
1. elke persoon
  1. tothom
  2. tots
indefinitePronoun
algú
noun
1. een loofboomsoort uit het geslacht Ulmus ...
om
/iːr/
noun
1. inwoner van Ierland, of iemand afkomstig uit Ierland
irlandès
/ˈiːrlɑnd/, /ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
Irlanda
/iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
  1. gaèlic irlandès
  2. irlandès
/ˈiːrsə/
noun
irlandès
pronoun
1.
mar d'Irlanda
suffix
  1. 1. anion in submaximale oxidatietoestand
  2. 2. mineraal
ita
indefinitePronoun
1. een of ander ding
  1. alguna cosa
  2. quelcom
/ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
iglú
adjective
1. vol van zelfbewondering, een te hoge dunk hebbend van het eigen voorkomen en/of de eigen bekwaamheden
vanitós
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
vanitat
/ɛɪ̯s/, /ɛːs/
noun
  1. 1. de vaste vorm van water, bevroren water
  2. 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
  1. gel
  2. glaç
noun
3. kunstijsbaan
pista de gel
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
ós blanc
noun
1. een zeer groot brok ijs dat in de zee drijft
iceberg
noun
1. en 2 (bladeren van) Lactuca sativa var. capitata
enciam iceberg
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
trencaglaç
noun
1. bepaald soort vogel Gavia immer
calàbria grossa
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
hoquei sobre gel
/ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
gelat
/ˈɛɪ̯slɑnd/, /ˈɛɪ̯slɑnt/, /ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
Islàndia
/ˈɛɪ̯sˌlɑndər/, /ˈɛːsˌlɑndər/
noun
1. inwoner van IJsland
islandès
/ˈɛɪ̯slɑnds/, /ˈɛɪ̯slɑnts/, /ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
islandès
/ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
  1. alció
  2. blauet
noun
1. een zoete geurige wijn die vaak als dessertwijn wordt gedronken en gemaakt is van bevroren druiven
vi de gel
/'ɛɪ̯zəl/, /'ɛɪ̯zəɫ/, /'ɛːzəɫ/
noun
1. onderkoelde regen die in ijs overgaat eenmaal in aanraking met de grond
glaç
/ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
ferro
noun
berbena
adjective
1. het element ijzer bevattend
ferrífer
noun
1. een verbinding van ijzer en zuurstof, waarin zuurstof de oxidatietoestand -2 bezit
òxid de ferro
noun
edat del ferro
noun
1. eenvoudige handelswaren gemaakt van metaal
ferramenta
personalPronoun
1.
jo
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
t'estimo
noun
1. ontsteking van het laatste deel van de dunne darm
ileïtis
noun
il·lusió
noun
lustrador
adjective
imbècil
/ˌimiˈtasi/, /ˌimiˈtatsi/
noun
1. nabootsing
imitació
noun
iemand die een ander persoon nadoet
imitador
/ˌimiˈterən/
verb
1. doen wat iemand anders doet
imitar
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
apicultor
/ˈɪmatəriˌjel/
adjective
immaterial
adjective
1.
immens
/ˈɪmiɣrɑnt/
noun
immigrant
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
immigració
verb
1. een land binnenkomen om zich er te vestigen
immigrar
verb
1. beschermen tegen een infectieziekte door het geven van een ongevaarlijke vorm van een micro-organisme dat wel het immuunsysteem stimuleert maar geen ziekte veroorzaakt
immunitzar
noun
1. onvatbaarheid voor een ziekte
immunitat
noun
1. de leer van het afweersysteem dat verantwoordelijk is voor: afweer tegen besmettelijke ziekten...
immunologia
adjective
1. met betrekking tot onvatbaarheid voor schadelijke invloeden
immunològic
noun
impala
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
impedància
noun
imperialisme
/ɪmˈperijʏm/
noun
imperi
adjective
1. te intiem en niet ter zake doende
impertinent
noun
1. etterige huidontsteking
impetigen
noun
1. een stof, voorwerp, toestel etc. dat in een lichaam wordt aangebracht
implant
verb
1.stilzwijgend ten gevolge hebben
insinuar
noun
1. het niet geliefd zijn bij veel mensen
impopularitat
verb
importar
adjective
impotent
noun
1. onvermogen tot geslachtsgemeenschap
impotència
noun
impressionisme
noun
impressionista
noun
1. ter plekke verbeterde versie van een muziekstuk, voorlezing enz.
improvisació
noun
improvisador
verb
1. iets bedenken zonder vooropgesteld plan
improvisar
/ɪmˈpʏls/
noun
2. product van massa en snelheid
quantitat de moviment
preposition
1.-12. in (ruimtelijk)
  1. a
  2. en
adverb
2. op het laatste moment
in extremis
phraseologicalUnit
1. in een omgeving waar weinig gepresteerd wordt...
al pais del cecs, el tort és el rei
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
en comptes de
verb
1. lucht uit de omgeving opnemen
inhalar
noun
1.
inhalació
/ˌɪnʌʊɣyˈratsi/
noun
1. de feestelijke of plechtige inwijding in een ambt
inauguració
noun
1. het inbreken
violació de domicili
noun
clau Allen
noun
incest
preposition
1. met inbegrip van
inclusiu
/ˌiŋkɔmpəˈtɛn(t)si/
noun
incompetència
noun
1. het onvermogen om urine of ontlasting op te houden
incontinència
noun
incubadora
noun
  1. 1. inhoudsopgave
  2. 2. index librorum prohibitorum
  3. 6. indexbestand
índex
/ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
Índia
noun
1. inwoner van Amerika voor de komst van de Europeanen
  1. indi
  2. índia
noun
1. aanwijzing
indicació
noun
1. de vorm van het werkwoord die de werkelijkheid aangeeft
indicatiu
conjunction
1. onder de voorwaarde dat
si
noun
2.
dispèpsia
/ɪn.ˈdi.ɣo/, /ɪn.ˈdi.χo/
noun
1. een kleur die in het het lichtspectrum voorkomt met een golflengte van 440 tot 420 nanometer
anyil
adjective
indirecte
/ˌɪndisəˌosiˈan/, /ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
  1. Oceà Índic
  2. oceà Índic
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
indi
adjective
1. afzonderlijk, op zichzelf
individual
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Indoxina
noun
adoctrinament
verb
1. dwingen om bepaalde opvattingen te aanvaarden
adoctrinar
/ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
indonesi
/ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Indonèsia
noun
inductància
verb
1. het veranderen van de economie door het vergroten van de nijverheid
industrialitzar
noun
1. Nijverheid
indústria
noun
1. document dat bevestigt dat iemand een bepaalde vaccinatie ondergaan heeft
certificat de vacunació
noun
1. traagheid
inèrcia
noun
1.
inessiu
/ɪnfɛk'terən/
verb
infectar
noun
1. een besmetting van lichaamsweefsel met ziekteverwekkers als bacteriën, virussen, schimmels of...
infecció
verb
infiltrar
/ɪɱfinitif/
noun
1. het hele werkwoord
infinitiu
adjective
inflamatori
noun
1. stijging van het prijspeil waardoor het geld in waarde daalt
inflació
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
informàtica
noun
1. beoefenaar van de informatica
informàtic
noun
1.
informació
noun
seguretat de la informació
noun
1. samenleving, waarin informatie als de belangrijkste productiefactor gezien wordt.
societat de la informació
noun
1.
sistema d'informació
verb
1. inlichten
informar
adjective
infraroig
/ˈɪɱfrastrʏktyr/
noun
1. het totaal van onroerende voorzieningen zoals (spoor)wegen, vliegvelden,...
infraestructura
noun
2. een opening waar iets doorheen kan
entrada
/ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
enginyer
adjective
1. bescheiden, rustig, stemmig
apasssionat
noun
2. verzamelnaam voor de inwendige organen van het darmkanaal
intestí
noun
1.
servei
noun
ingredient
/'ɪnɦɑm/
noun
cala
/ɪnˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens voorkomend
natiu
/ˈɪnhɑut/
noun
    1. 1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
    2. 3. alles wat in een geschrift of ander medium staat
    contingut
  1. 2. ruimtelijke capaciteit
    volum
noun
1. overzicht van de onderwerpen of hoofdstukken in een boek
taula de matèries
noun
1. feestelijke gelegenheid waarbij iemand wordt gehuldigd, zoals een koning/vorst door diens onderdanen, bij aanvaarding van diens ambt
inauguració
/ˌiniˈtʃalwort/
noun
1. en 2.
sigla
/ini(t)ʃali'zerə(n)/
verb
1.
inicialitzar
noun
iniciació
verb
1. het inbrengen van een vloeistof in een gesloten vat of lichaam middels een holle naald
injectar
noun
injecció
/ˈɪŋkɑpsələ(n)/
verb
1. door weefsels omsluiten
encistar-se
noun
1.
galze
noun
1. regelmatig verkregen som geld
renda
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
tinta
/ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
tinter
/ˈɪŋktfɪs/
noun
1. een koppotig weekdier met vangarmen dat een inktachtig vocht afscheidt ter verdediging
calamar
/ˈɪnlɛɪdɪŋ/, /ˈɪnlɛːdɪŋ/
noun
1. een tekst waarmee men een indruk probeert te geven van de inhoud van een langere tekst
introducció
verb
1. opheldering geven
informar
/ˈɪnlɛɪvə(n)/
verb
2. het toe-eigenen van een grondgebied
annexar
verb
conservar
/ˈɪmpɑkə(n)/
verb
2. in een omhulsel doen
envelar
verb
1. een woning ~: een ruimte geschikt maken voor bewoning met vloerbedekking, behang, huisraad, enzovoort
equipar
verb
1. vragen of iemand tussenbeide of te hulp komt
invocar
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
insecte
adverb
igualment
verb
insinuar
verb
insistir
noun
1. horizontale draden die tijdens het weven tussen de opgespannen draden van de schering worden ingebracht
trama
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
esforç
verb
1. grondig en nauwkeurig bekijken
inspeccionar
noun
inspector
/ɪnspi'rasi/
noun
1. een gevoel over hoe men een klus kan aanpakken
inspiració
verb
1. de geest gaande maken
inspirar
noun
1. onbestendigheid
inestabilitat
noun
8. een kunstvorm
instal·lació
verb
  1. 1. de formele aanvang van een officiële functie
  2. 2. het invoeren en gebruiksklaar maker van een computerprogramma
  3. 3. het aanleggen van een installatie
instal·lar
verb
1. het op juiste wijze afregelen van een toestel
ajustar
noun
2. organisatie, die vaak subsidie van de overheid krijgt en geen geld wil verdienen
institució
noun
1. gedrag dat geheel genetisch bepaald is
instint
noun
institució
verb
1. zwichten voor de zwaartekracht
col·lapsar
noun
1. het kapot gaan van een constructie door naar beneden vallen
col·lapse
noun
1. een order, een aanwijzing
instrucció
verb
instruir
noun
  1. 1. werktuig
  2. 2. verkort voor muziekinstrument
instrument
adjective
instrumental
noun
insubordinació
/ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
insulina
adjective
1. in goede staat, onaangetast
il·lès
/ɪnˈtexə(n)del/
adverb
al contrari
adjective
integració
noun
integració
/ɪntəˈɣra(t)si/
noun
integració
/ɪntɛli'xɛnt/
adjective
1. met een goed verstand of daarvan blijk gevend
intelligent
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
intel·ligència
noun
quocient intel·lectual
noun
1.
intel·liguèntsia
adjective
1. zeer krachtig, hevig
intens
noun
1. onderlinge beïnvloeding
interacció
noun
1.
intercepció
adjective
interdisciplinari
adjective
1. wekt interesse
interessant
noun
  1. 1. belang
  2. 2. belangstelling
  3. 3. iets waar belangstelling voor is
interès
verb
1. nieuwsgierig maken
interessar
noun
interès
noun
interfície
adjective
1. inwendig, binnen
intern
/ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
internacional
pronoun
Fons Monetari Internacional
pronoun
Oficina Internacional de Pesos i Mesures
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
Internet
noun
1.
cibercafè
adjective
1. voor interpretatie vatbaar
interpretable
noun
1. uitlegging, vertaling
interpretació
verb
1. uitleggen of opvatten
interpretar
/'ɪntɛrpɵŋktsi/
noun
puntuació
noun
  1. 1. tussenperiode
  2. 3. de afstand tussen twee verschillende tonen
interval
noun
1. vraaggesprek met iemand over diens opvattingen en ervaringen
entrevista
verb
1.een vraaggesprek met iemand houden
entrevistar
adjective
bijvoeglijk gebruikt
íntimo
/ɪntimi'dɪːrə(n)/
verb
1. iemands gedrag beïnvloeden door hem angst aan te jagen
intimidar
noun
1. onverdraagzaamheid
intolerància
adjective
1. in de spier
intramuscular
adjective
1. zonder de mogelijkheid van een lijdend of meewerkend voorwerp
intransitiu
noun
1. onovergankelijk werkwoord
intransitiu
adjective
1. in de ader gelegen of plaatvindend
intravenós
noun
  1. 2.
  2. 3.
intriga
verb
  1. 2. met slinkse streken te werk gaan
  2. 1. interesse wekken, fascineren
intrigar
adjective
intrínsec
verb
  1. 1. iets nieuws inbrengen of invoeren
  2. 2. een nieuw persoon toegang verschaffen
  3. 3. iemand voor het eerst voorstellen
introduir
/ɪntroˈdʏksi/
noun
de presentatie van iets nieuws, of de inleiding van een nieuwkomer
introducció
/ˈɪntrɔn/
noun
1. stukje DNA dat zich bevindt in een gen maar dat niet wordt gebruikt om het eiwit te coderen
intró
adjective
intrús
/ɪn'tʌsə/
adverb
1. gedurende de tijd die het genoemde vereist
mentrestant
noun
1. invasie
invasió
verb
2 iemands plaats tijdelijk innemen
substituir
noun
invasió
noun
inventari
verb
invertir
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
inversió
/ˈɪnvluːt/
noun
  1. 1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
  2. 2. het vermogen om op anderen in te werken
influència
/ˈɪnvurə(n)/
verb
2. gegevens in een electronisch apparaat stoppen
entrar
noun
1. krans of spiraal van schutbladen rond een bloeiwijze
involucre
/ɪɱ.'wɛn.dɪx/, /ɪɱ.'ʋɛn.dəχ/, /ɪɱ.'β̞ɛn.dəx/
adjective
intern
verb
2. toegang verschaffen tot een zekere (esoterische…) kennis
iniciar
noun
posta
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Io
/jɔn/
noun
ió
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Zuid-Italië en West-Griekenland
mar Jònica
verb
ionitzar
noun
ionosfera
/i'peʔadrɛs/
noun
1. een combinatie van getallen waarmee een computer in een IP-netwerk kan worden herkend
adreça IP
pronoun
1.
iranià
/i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
Iraq
/i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
Iran
noun
iranià
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
iridi
noun
  1. 1. orgaan in het oog van vele organismen
    arc de Sant Martí
  2. 2. benaming voor planten uit het geslacht Iris
    iris
/ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
ironia
adjective
1.
irònic
adjective
1. van geen belang voor de huidige zaak
irrellevant
/ˌɪ.ri.ˈɣeː.rə(n)/, /ˌɪ.ri.ˈχɪː.rə(n)/
verb
1. op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien
irrigar
adjective
1. in hoge mate vervelend
irritant
noun
1. plaatselijk tekort aan bloedtoevoer
isquèmia
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
islam
pronoun
Islamabad
noun
1. een verzameling punten onder constant houden van de druk gemeten
isòbar
noun
1. ruimtelijke afzondering
aïllament
verb
  1. 1. persoonlijk
  2. 2. chemisch
  3. 3. elektrisch
  4. 4. warmte
  1. isolar
  2. aïllar
noun
isolínia
noun
isòtop
adjective
1.
isotopic
/ˈɪs.ra.hɛl/, /ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
Israel
noun
1. een smalle strook land die twee grotere landmassa's verbindt
istme
/italiˈjaːn/
noun
1. een persoon die uit Italië komt
italià
/italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
italià
/iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
Itàlia
adjective
iteratiu
suffix
  1. 1.
  2. 2.
itis
noun
  1. ivori
  2. marfil
/i.ˈvoːr.kʏs/, /i.ˈvoːr.kʏst/, /i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
Costa d'Ivori
adjective
eburni
/jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
sí
/jaː/
interjection
1. kreet van opwinding
sí
/'jaxpɑt/
noun
1. een pad langs de kant van een kanaal of vaart waarover eertijds de trekdieren van de trekschuit werden voortgedreven
camí de sirga
/ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
any
/ˈjar.ɣə.ˌtɛɪ̯.də/, /ˈjar.ɣə.ˌtɛː.də/, /ˈjar.χə.ˌtɛɪ̯.də/
noun
1. een deel van een jaar met unieke eigenschappen
estació
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
  1. anual
  2. annu
noun
1.
primal
/jɑxt/
noun
  1. 1. het achtervolgen van wild
    1. cacera
    2. caça
  2. 3. een snel vaartuig
    iot
noun
1. jachthobo
oboè de cacera
noun
1. hond die speciaal gefokt wordt voor de jacht
gos de caça
noun
1. een hoorn als signaalinstrument op de jacht
corn de caça
noun
1. landhuis oorspronkelijk bestemt voor jagers
pavelló de caça
noun
1. zeer snel, betrekkelijk groot Afrikaans katachtig roofdier, Acinonyx jubatus
guepard
noun
1. persoon die toeziet op naleving van jachtwet
guarda de caça
/ˈjaːɣə(n)/
verb
1. bewegende wezens proberen te vangen
caçar
noun
1. iemand die op jacht gaat
caçador
noun
caçador-recol·lector
noun
1. een vrouw die jaagt
caçadora
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
jaguar
/ˈjɑːwe/
pronoun
Jahvè
/ˈjɑːwɛ/
pronoun
Jahvè
noun
  1. yak
  2. iac
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
xacal
noun
1. benaming voor bepaald soort mosselachtig schelpdier
petxina
/jaˈkobʏs/
pronoun
Jaume
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
gelós
/ʃɛm/
noun
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
melmelada
/(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Jamaica
noun
iambe
adjective
1. met het ritme van een jambe
iàmbic
interjection
1. uitroep van teleurstelling
llàstima
noun
1. bepaalde zeevogel, Morus bassanus
mascarell
/jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
gener
pronoun
  1. 2. Romeinse god
  2. 3. maan
Janus
/jaˈpɑn/, /jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
Japó
noun
  1. japonès
  2. japonesa
/jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
  1. japonès
  2. japonesa
/jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
japonès
pronoun
1. taalfamilie van Japans en een tiental verwante talen die in Japan worden gesproken
llengües japòniques
noun
1.
  1. jaqueta
  2. abric
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Jasminum
gessamí
noun
jaspi
pronoun
1. een taal die door meer dan 75 miljoen mensen op Java en Bali gesproken wordt
javanès
/jeˈhova/
pronoun
Jehovà
/ˈjemən/, /ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
Iemen
pronoun
1. en 2.
Jena
noun
1. Juniperus communis
ginebre
pronoun
Jeremies
pronoun
Isaïes
noun
1.
jet-set
/ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
joventut
noun
alberg de joventut
verb
picar
/ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Jesús
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Jesucrist
/je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
jesuïta
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
gota
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
jiddisch
noun
gihad
/jEi/, /jɛɪ̯/, /jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
tu
/'jɔb/
pronoun
Job
/ˈjodələ(n)/
verb
1. zingen met een snelle wisseling van borst- naar keelstem
cantar iòdel
/joˈdɪn/
noun
jueva
/joˈdin/
noun
1.
jueva
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
iode
pronoun
Iugoslàvia
pronoun
2.1 een van de vier Evangeliën
Joan
noun
garrofer
noun
porro
noun
1. speelgoed
io-io
verb
  1. comodí
  2. jòquer
adjective
1. van geringe leeftijd
jove
noun
1. onvolwassen man
  1. noi
  2. al·lot
/jɔŋˈle.rə(n)/
verb
fer jocs malabars
/jɔŋˈlør/
noun
1. rondreizend kunstenaar
malabarista
noun
1. schip
jonc
/jot/
noun
  1. jueva
  2. jueu
noun
1. element jodium
iode
adjective
1. te maken hebbend met het joodse geloof, het jodendom
jueu
/jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
Jordània
noun
3. een kleinigheid, helemaal niets
iota
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
periodista
noun
periodista
adjective
1. opgewekt en tegelijk aardig en vriendschappelijk in de omgang
jovial
/joˈʔel/
pronoun
Joel
/jybələ/
verb
1. juichen
exultar
noun
1. feestelijke herdenking van de dag waarop iets gebeurde of begon
jubileu
pronoun
2. boek in de Bijbel
Judes
noun
1. vriendelijk gebaar van een iemand die veinst een vriend te zijn, kort voordat zijn ware bedoelingen duidelijk worden
bes de Judes
/'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
judo
noun
1. bepaald soort eenjarige plant met sterk greduceerde veerdelige bladeren, Nigella damascena
flor d'aranya
noun
1. houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten verbindt
jou
noun
1. een van de beenderen van de schedel
pòmul
/jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
juliol
pronoun
Revolució francesa de Juliol
/ˈjʏli/
personalPronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
vosaltres
noun
1. de zesde maand van het jaar
juny
noun
1. een verzamelnaam voor snel bereid en geserveerd voedsel dat vaak ongezond is
menjar escombraria
/ˈjypiˌtɛr/
pronoun
Júpiter
adjective
1. betrekking hebbend op het recht en de rechtsleer
jurídic
noun
1. een deskundige op het gebied van rechtsleer
jurista
/jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
vestit
noun
1. een groep mensen die oordeelkundig geacht wordt en gevraagd een oordeel ergens over uit te spreken
jurat
adjective
de bastvezels
jute
noun
1. sieraad van grote schoonheid en hoge waarde
gemma
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
joier
noun
1. krokodilachtige uit de onderfamilie Caimaninae van de familie alligators
caiman
noun
1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
mandíbula
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
tètanus
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
calb
noun
1. het kaal zijn
calbesa
noun
1. (landbouw) het vellen van alle bomen op een stuk grond
desforestació
noun
1. een in zee vooruitstekende landpunt
cap
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Cap de Bona Esperança
pronoun
Cap d'Hornos
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
Ciutat del Cap
/ˈkaːp.stɑn.dər/
noun
1. kaapstander
cabrestant
/kab.ˈvɛr.di.jə/, /kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Cap Verd
verb
1. het behandelen van ruwe katoen of wol met behulp van een kaard
cardar
/kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
  1. espelma
  2. candela
noun
  1. nog in te delen vertalingen
    plànol
    1. 2. bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
    2. 3. kartonnen of plastic vel uit een kaartspel, om mee te spelen
    1. targeta
    2. carta
/kartspɛl/
noun
1. een spel met speelkaarten
joc de cartes
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
formatge
noun
malva
/'kɑbələ(n)/
verb
1. zacht stromen en geluid maken
onejar
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
cable
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
bacallà
noun
gabinet
noun
1. sprookjesfiguur
follet
adjective
cabilenc
/ˈkɑ.xəl/, /ˈkɑ.xəɫ/, /ˈkɑ.χɔɫ/
noun
1. een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
estufa
pronoun
1. Tibeto-Birmaanse taal gesproken door 900 duizend mensen in Myanmar
Kachin
/ˈkɑxtəl/, /ˈkɑxtəɫ/, /ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
  1. poltre
  2. pollí
noun
1. beschoeide of gemetselde oeverstrook waaraan de schepen kunnen aanleggen
moll
noun
  1. 1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
  2. 2. situationele context, raamwerk, verband
marc
adjective
1. iets is zo beschadigd dat het zijn functie niet meer kan uitoefenen
malforjat
/kɑf/
noun
1. de vliezen rondom de graankorrels
pallús
noun
1.
caftà
noun
1. een gesloten kano om in wild water of op zee te varen
caiac
noun
1. overdekte gemeenschappelijke verblijfplaats op schepen
cabina
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
  1. escarabat
  2. escarabat de cuina
noun
1. rommelig geheel van vele klanken door elkaar
cacofonia
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
calendari
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
vedell
noun
vedella
verb
calibrar
noun
califa
noun
califat
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
potassi
noun
clorur de potassi
/ˈkɑl(ə)k/
noun
aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium
calç
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
  1. gall dindi
  2. polla d’índia
noun
forn de calç
noun
pedra calcària
noun
1.
cal·ligrafia
verb
1. kalm worden
calmar
/ˈkɑlmus/, /ˈkɑɫmus/
noun
càlam
verb
1. een jong baren bij runderen
vedellar
/kɑm/
noun
1. getand object om haren mee te verzorgen
pinta
/kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
camell
/ka'melejɔn/
noun
  1. 1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
  2. 2. veranderlijk persoon
camaleó
noun
1. deel van een huis
cambra
noun
camarada
noun
1. een lange huisjas
bata
noun
música de cambra
/ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
Camerun
noun
planta d'interior
noun
temperatura ambient
noun
càmfora
noun
1. elk van de planten van het geslacht Matricaria
camamilla
/kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
pentinar
noun
  1. 1. een plaats waar een aantal troepen geruime tijd of permanent gehuisvest zijn
  2. 2. een kampeerplaats met een groep van bij elkaar horende tenten
campament
verb
1. een vorm van openluchtrecreatie
acampar
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
lligabosc
/kɑmpiun/
noun
1. de winnaar van een kampioenschap
campió
noun
1. wedstrijd waar bepaald wordt wie de kampioenstitel mag dragen
campionat
noun
vuur in een kamp waaromheen mensen zich (ter gezelligheid) verzamelen
foc
noun
1. serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
gerra
pronoun
Mànega
/ka'naːl/
noun
canal
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
canari
noun
candeler
/kɑndiˈdat/
noun
  1. 1. iemand die zich verkiesbaar gesteld heeft voor een politiek ambt
  2. 2. iemand die zich beschikbaar gesteld heeft voor een baan of functie
candidat
/kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
  1. cantella
  2. canyella
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
cangur
noun
1.
kanji
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
càncer
pronoun
1. taal die in de Indische staat Karnataka gesproken wordt
kanarès
noun
1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
caníbal
noun
1.
antropofàgia
noun
canoa
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
canó
noun
1.
canonera
noun
  1. 1. mogelijkheid dat er iets gaat gebeuren
  2. 2. een mooie gelegenheid
probabilitat
noun
  1. 1. eerste minister
  2. 2. hoofd van een kanselarij
canceller
noun
joc d'atzar
/kɑnt/
noun
1. een vorm van vlechtwerk
punta
/kɑnˈtel/
noun
1. elk van de opstaande delen van de getande bovenkant van (oude) verdedigingsmuren
cresteria
pronoun
een Chinese taal gesproken door ongeveer 54 miljoen mensen in het zuiden van China en ook buiten het land
cantonès
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
despatx
noun
1. een titel die aan bepaalde geestelijken wordt verleend binnen enkele christelijke kerkgemeenschappen.
canonge
noun
caolí
/kɑp/
noun
2. een bedekking van het hoofd
caputxa
noun
1. klein kerkgebouw
capella
noun
1. een priester van de katholieke kerk, werkzaam in een parochie
capellà
verb
segrestar
noun
1. vroegere zeerover...
corsari
/ˈka.pər.ˌbrif/
noun
1. een brief door de overheid of koning werd geschreven, waarmee een schip dat die brieven aan boord had het recht werd gegeven om schepen van vijandelijke mogendheden aan te vallen en leeg te roven
patent de cors
noun
1.
capitell
noun
1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
capità
/'kɑpmɛs/
noun
1. stevig mes
matxet
noun
capó
adjective
  1. 4. erg moe
    destrossat
  2. 1. gebroken
    espatllat
/ka'pɔtʲə/
noun
2.
preservatiu
noun
kappa
noun
perruquer
/'kɑ.pər.tʲə/
noun
2. klein groen bloemknopje van de kappertjesplant, Capparis spinosa, dat meestal op zuur bewaard wordt en dat als kruiderij gebruikt wordt
tàpera
/kɑpsɛɪ̯zə(n)/, /kɑpsɛːzə(n)/
verb
1. ondersteboven komen liggen
sotsobrar
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
tallada de cabells
noun
1. een geweer met ingekorte loop en soms ook ingekorte schoudersteun
carabina
noun
1. tafelfles met wijde buik en smalle hals
decantador
noun
1. aard
caràcter
verb
caracteritzar
noun
1. gebrande suiker
caramel
verb
1. door verhitting, suiker omzetten tot karamel
acaramel·lar
noun
1. vorm van vermaak, waarbij muziek wordt afgespeeld van een lied, en de amateur zanger in een microfoon de tekst (die op een televisiescherm te lezen is) live zingt
karaoke
noun
1. japanse gevechtsport
karate
noun
1.
caravana
/kɑrboˈnadə/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
costella
noun
plant en zaad
cardamom
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
cardenal
noun
1. en 2. bladeren van Cynara cardunculus
card
pronoun
1. een aan het Fins verwante taal die wordt gesproken in Karelië, Rusland en Finland
carelià
/kɑˈrelɪə/
pronoun
1. deel van Rusland
Carèlia
noun
1. een zoogdier uit de familie der hertachtigen
caribú
noun
1.
caricatura
pronoun
1.
Caríntia
noun
1. een rode kleurstof die wordt gewonnen uit een soort schildluis, de Cochenilleluis, Dactylopius coccus Costa
carmí
adjective
carmí
noun
1. de rode kleur van karmijn
carmesí
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het zuiden van het land
Karnataka
noun
1. gefermenteerde melk
sèrum de mantega
adjective
1. van, betreffende de Karolingers
carolingi
pronoun
Carpats
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
  1. carpa
  2. carp
noun
1. de verzameling verschijnselen die samenhangen met de oplosbaarheid van kalksteen onder invloed van koolzuur in de atmosfeer
carst
noun
còlon
/kɑrˈtɔn/
noun
1. bordpapier
cartró
noun
caravel·la
noun
plant, zaad en specerij
  1. alcaravia
  2. comí de prat
/'kɑs/
noun
3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...
hivernacle
pronoun
Caixmir
pronoun
1. een Westslavische taal die gesproken wordt in het oosten van Pommeren
caixubi
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
mar Càspia
noun
3. machine om ontvangen geld te registreren en te bewaren
caixa registradora
noun
1. iemand die het beheer heeft over de kas en de mutaties ervan bijhoudt
caixer
/kɑs/, /kɑst/
noun
1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
armari
noun
  1. 1. de vrucht
  2. 1. de boom
castanya
noun
1. streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
casta
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
castell
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Casuarius
casuari
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
  1. gat
  2. moix
noun
1. geheel van de afbraakprocessen in een lichaam
catabolisme
noun
cadafal
noun
catalitzador
noun
    1. 1. belegeringswapen
    2. 3. lanceerinrichting voor vliegtuigen
    catapulta
  1. 2. speeltuig
    1. catapulta
    2. tirador
noun
2. gevolgen van alcoholgebruik
ressaca
/kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
catedral
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
catèter
noun
1-2 scheikunde + elektronica
càtode
/ˌka.to.ˈlik/
adjective
  1. 1. overeenkomstig de geloofsleer van de Katholieke Kerk
  2. 2. te maken hebbend met de Katholieke Kerk
catòlic
noun
catió
/kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
cotó
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
corriola
pronoun
Kattegat
noun
1. bepaald soort loofboom Salix viminalis
vimetera
pronoun
1. gebergte
Caucas
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
gralla
verb
mastegar
noun
1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
xiclet
noun
caviar
pronoun
1. een taal die van oorsprong door de Kazachen in Kazachstan gesproken werd
kazakh
/ˈka.zɑx.stɑn/, /ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
Kazakhstan
noun
1. inwoner van Kazachstan
kazakh
noun
1. een tegen vijandelijk vuur gedekte en van schietgaten voorziene ruimte voor de opstelling...
casamata
noun
1. gebouw waar soldaten gelegerd zijn
caserna
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
casulla
pronoun
1. oudste zoon van Adam en Eva
Caín
/keːl/
noun
1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
gola
noun
1. pijnlijke irritatie van het slijmvlies in de keelholte, meestal door een ontsteking ervan
mal de coll
/keːp/
noun
2. kleurrijke vinkensoort
pinsà mec
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
cop
noun
tròpic
verb
1. blaffen van een kleine hond
clapir
/ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
con
noun
1. een kromme gevormd door het snijden van een kegel met een plat vlak
  1. cònica
  2. secció cònica
/kɛil/
noun
1. keil (wig)
tascó
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
emperador
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
emperadriu
adjective
imperial
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
imperi
noun
1. operatieve verlossing
cesària
noun
1. een ondergrondse bergruimte
soterrani
noun
calze
noun
cambrer
/kɛɫt/
noun
1. lid van een Indo-Europees volk waarvan na de Romeinse tijd de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
celta
/kɛɫtən/
noun
2. Indo-Europees volk waarvan de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
celtes
/ˈkɛl.tis/, /ˈkɛɫ.tis/
adjective
1. met betrekking tot Kelten
cèltic
noun
1. bepaald soort vogel, Calidris pugnax
batallaire
/ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
Kenya
verb
  1. 1. bekend, vertrouwd zijn met
  2. 2. door studie of oefening geleerd hebben
conèixer
/ˈkɛnɪs/
noun
1. wat je weet of hebt geleerd
coneixement
noun
  1. 1. een teken waaraan iets of iemand herkenbaar is
  2. 2. een identificatienummer van een (gemotoriseerd) voertuig
matrícula
noun
xebró
noun
1. militair hoofddeksel met klep
quepis
/ˈkɛpəl/
noun
1. hoofddeksel in de vorm van een ondiep bolsegment
quipà
noun
ceràmica
noun
1. een ingesneden groef
osca
/kɛrk/
noun
  1. 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
  2. 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
  3. 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
església
/kɛrkər/
noun
1. een ondergrondse ruimte die bestemd is voor het opsluiten van gevangenen
masmorra
noun
1. terrein waar overledenen begraven worden
cementiri
/ˈkɛr.klɔk/
noun
1. een bel in de toren van een kerk
campana d'església
/ˈkɛrgœːl/, /ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
òliba
noun
1. een feest met attracties
fira
noun
1. energie geproduceerd door kernfusie of kernsplijting, waarmee in een kerncentrale elektriciteit wordt opgewekt
energia atòmica
noun
1. het proces waarbij twee atoomkernen botsen en één zwaardere kern vormen waarbij energie vrij komt
fusió nuclear
noun
reactor nuclear
noun
1. een rampzalige gebeurtenis waarbij de brandstof van een kernreactor smelt door het wegvallen van de koeling
fusió de nucli
noun
1. een vrij zware fractie alkanen die met name als vliegtuigbrandstof gebruikt wordt
querosè
noun
specerij
curri
noun
1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
cirera
/ˈkɛr.sə.ˌlaːr/
noun
  1. 1. een boom uit het geslacht Prunus
  2. 2. het hout van een boom uit het geslacht Prunus
cirerer
noun
1. benaming voor bomen waaraan kleine ronde vruchten groeien, uit het ondergeslacht Prunus subg. Cerasus
cirerer
/kɛr.ˈsta.vɔnt/, /kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
nit de Nadal
/ˈkɛrsd.bom/, /ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
arbre de Nadal
/ˈkɛrs.dɑx/, /ˈkɛrs.dɑχ/, /ˈkɛrz.dɑx/
noun
dia de Nadal
/ˈkɛr.stə.ˌnə(n)/
verb
2. heidense volkeren, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren; veelal in historische context
cristianitzar
/ˈkɛr.stə.ˌnɪŋ/
noun
1. het proces waarbij heidense volkeren zich, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren
cristianització
/ˈkɛrs.kart/, /ˈkɛrst.kart/
noun
1. een wenskaart die wordt gekenmerkt door een kerstgroet en wensen voor het komende nieuwe jaar
felicitació de Nadal
/ˈkɛrs.lid/, /ˈkɛrst.lit/
noun
1. een op Kerstmis betrekking hebbend lied
nadala
/ˈkɛrs(t)məs/, /ˈkɛrsmɪs/, /ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
Nadal
noun
1.
hel·lèbor negre
/ˈkɛr.stɑl/, /ˈkɛr.stɑɫ/
noun
1. een voorstelling van de geboorte van Jezus met figuren van hout of gips, die vooral in katholieke gezinnen rond Kerstmis in huis te vinden is, vaak onder de kerstboom
pessebre
/ˈkɛrstɛr/
noun
flor de Nadal
noun
2. keukenkruid
cerfull
verb
1. met een scherp voorwerp een insnijding trachten te maken in een hard oppervlak
oscar
noun
1. een saus op basis van tomaten
quètxup
noun
1. meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
caldera
/ˈke.təl.dɑl/, /ˈke.təɫ.dɑɫ/, /ˈkeː.təl.dɑl/
noun
1. een half cirkelvormige vallei gevormd door de erosie die een gletsjer veroorzaakt
circ
noun
1. uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
cadena
noun
1. iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
heretge
/ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
heretgia
noun
4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
collaret
noun
1. een aanrijding van vanachter waarbij de aangereden auto doorschiet tegen zijn voorligger aan
accident en cadena
noun
1. motorzaag die een ketting met getande schakels heeft
motoserra
/ˈkøːkə(n)/
noun
  1. 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
  2. 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
cuina
pronoun
Colònia
noun
1. een lokaal, Ripuarische dialect dat in Keulen wordt gesproken
kölsch
noun
príncep elector
/'kø:s/
noun
gelegenheid
elecció
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
elecció
/ˈkevər/, /ˈkɛvər/
noun
1. bepaald insect
escarabat
/ˈkiːbɔː(r)d/, /ˈkiːbɔː(r)t/
noun
2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
teclat
pronoun
1. taal die in Cambodja gesproken wordt
jemer
/ˈkɪbuts/
noun
quibuts
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
segrestar
noun
1.1 benaming voor roofvogels uit het geslacht Circus
arpella
noun
1. verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip
quilla
noun
1. spoor van waterstroom (achter een schip)
deixant
noun
germen
noun
1. het proces, waarbij het in een zaad aanwezige embryo of kiem door de zaadhuid heenbreekt en vervolgens tot een kiemplant uitgroeit
germinació
noun
1. een gebied, waar bij verkiezingen op dezelfde kandidaten kan worden gestemd
circumscripció electoral
verb
1. het prikkelen van gevoelige stukken huid bij anderen door middel van licht aanraken
fer pessigolles
noun
1. ademhalingsorgaan van vele in water levende dieren
brànquia
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kíiv
noun
fredeluga
noun
1. (scheikunde) een zwak zuur dat is afgeleid van siliciumdioxide
àcid silícic
verb
  1. kiezen voor iets
    decidir
  2. 1. uit meerdere mogelijkheden één nemen
    escollir
noun
1. iemand die stemt bij een politieke verkiezing
votant
noun
1. een statistische bepaling van het aantal kijkers en hun waardering van een bepaald televisieprogramma
audímetre
verb
mirar
noun
1. iemand die kijkt
teleespectador
noun
1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
granota
noun
1. legsel
ous de granota
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
  1. cigron
  2. cigró
noun
1. fijn gemalen kikkererwten
farina de cigro
noun
1. kikker- of paddenlarve
cullerot
abbreviation
1. kilogram
quilogram
noun
1. duizend meter
  1. quilòmetre
  2. kilòmetre
noun
1. meetinstrument dat de totaal afgelegde afstand in kilometers aangeeft
comptaquilòmetres
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
  1. mentó
  2. barbeta
noun
  1. 1. mens tussen 0 en 18 jaar
  2. 2. persoon voortkomend uit
  1. nen
  2. criatura
noun
treball infantil
noun
1. een arts die gespecialiseerd is in de behandeling van kinderen
pediatra
noun
cançó infantil
noun
1. de behandeling van een kind met het toebrengen van fysieke of psychische schade als doel
maltractament infantil
noun
mainadera
adjective
1. wat beweging veroorzaakt
cinètic
noun
quinina
/kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
tos ferina
/kɪp/
noun
1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
  1. gallina
  2. pollastre
  3. gall
noun
hok voor kippen
galliner
/ˈkɪpəvɛɫ/
noun
1. het verschijnsel waarbij als gevolg van kou de huid gaat kleine bubbeltjes vertoont
pell de gallina
pronoun
1. de taal die in Kirgizië gesproken wordt
kirguís
/kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
Kirguizistan
/ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Kiribati
/kɪst/
noun
caixa
/kɪts/
adjective
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
quetx
noun
1. schijnkunst die niet aanslaat met veel versieringen en/of de verkeerde materialen waarvan de meeste mensen denken dat het wansmaak is
coent
noun
2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
kiwi
noun
elegia
pronoun
Lamentacions
noun
1. een aanklacht
queixa
verb
1. ongenoegen uiten
plànyer
adjective
1. een beetje vochtig aanvoelend
humit
noun
1. in het algemeen wordt hiermee het totaal aan eigenschappen van een geluid aangeduid
so
noun
fonètica
/ˈklɑŋknabotsɪŋ/
noun
  1. 1. het (proberen) een zelfde geluid te produceren
  2. 2. een woord dat is ontstaan uit het proberen een geluid na te doen
onomatopeia
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
client
noun
2. bestraffing
mastegot
noun
gorrer
verb
1. applaudisseren
aplaudir
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
rosella
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
clarinet
noun
1. het helder maken van een vloeistof
clarificació
/klɑs/
noun
1. een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
promoció
noun
1. een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
aula
noun
classe
/klʌu/
noun
  1. 1. poot van een roofdier
  2. 2. hand
urpa
noun
martell de fuster
noun
1. toetsinstrument
  1. clavicèmbal
  2. clavecí
noun
trèvol
noun
1. kaartkleur
trèvols
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
roba
noun
1.
peça
noun
camerino
pronoun
1. stad in Duitsland
Clèveris
noun
1. rijstsoort die veel zetmeel bevat
arròs glutinós
noun
armari
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
sastre
/klɛɪ̯/, /klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
argila
adjective
1. van geringe grootte
petit
pronoun
Polzet
pronoun
Àsia Menor
/ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
néta
noun
1.
gavià fosc
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Cobitis taenia
gatet
noun
1. bepaald soort vlinder, Aglais urticae
papallona de les ortigues
noun
detallista
/ˈklɛːŋkɪnt/, /ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
  1. nét
  2. néta
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
nét
noun
1.
gredera
noun
1. verstelbare afsluiting
vàlvula
/ˈklepəl/
noun
peervormige staaf in een klok
batall
noun
1. de onweerstaanbare drang om te stelen
cleptomania
/ˈkleː.rən/
noun
1. kleding of kledingstukken
roba
verb
2. praten, babbelen
  1. xerrar
  2. garlar
noun
xerraire
/kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
color
verb
1. van kleur voorzien met potloden, stiften, wasko etc.
acolorar
adjective
1. zonder kleur
incolor
adjective
1. vol opvallende kleuren
colorit
verb
enganxar
/ˈkleːvərɪx/
adjective
1. vasthechtend bij aanraking
apegalós
noun
clica
noun
2. orgaan
glàndula
noun
1. steile hoge rots
penya-segat
verb
1. een klikkend geluid maken
clic
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
clima
noun
1. de verandering van het klimaat in een bepaald gebied over een bepaalde periode, m.n. de wereldwijde opwarming sinds de 19e eeuw
canvi climàtic
/klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
climatologia
/klɪmɑtoˈloxɪs/
adjective
1. op het klimaat betrekking hebbend
climatològic
verb
1. het bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
escalar
/'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
heura
noun
1. planten die tegen voorwerpen aan omhoog kunnen groeien
enfiladissa
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
  1. klingon
  2. klíngon
noun
1. een inrichting waar patiënten worden verpleegd
clínica
adjective
1. direct voor de arts (hulpverlener) zichtbaar
clínic
/klɪŋk/
noun
  1. 2. constructie om een deur gesloten te houden
    llisquet
  2. 1. handvat om de deur te openen of te sluiten
    maneta
verb
1. een bepaalde klank voortbrengen
sonar
/ˈklɪŋkər/
noun
1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
vocal
noun
1. een metalen verbinding tussen twee platen bestaande uit twee cilidrische delen die van weerszijden,...
rebló
noun
1., 2. plant met kleverige bloemknoppen
  1. bardana
  2. repalassa
noun
  1. 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
    campana
  2. 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
    rellotge
/ˈklɔkɦœs/, /ˈklɔkɦœʏs/
noun
1. binnenste van een vrucht
caluix
noun
campànula
noun
1. muziekinstrument met klokken
carilló
noun
  1. 1. smal hoog bouwwerk met bovenin een of meer lui- of slagklokken of een carillon
    campanar
  2. 2. smal hoog bouwwerk met bovenin een of meer wijzerplaten van een uurwerk
    torre de rellotge
noun
1. klokkenbrons
metall de campanes
/klɔmp/
noun
1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
esclop
verb
1. een identieke kopie van een levend wezen maken
clonar
verb
1. klonten vormen
agrumollar-se
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
congost
/klon/
noun
1. een levend wezen dat een exacte genetische kopie is van een ander wezen
clon
/klostər/
noun
  1. 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
  2. 2. een kloostergemeenschap als zodanig
monestir
verb
  1. 5. verslaan
  2. 2. hoorbaar bewegen
batre
/klœʏs/, /klœːs/
noun
1. een tegen inbraak en brand beveiligde kist of kast
caixa forta
noun
1. iemand die alleen en in afzondering leeft
ermità
/klyt/
noun
1. bepaald soort watervogel, Recurvirostra avosetta
bec d'alena
noun
1. tot een bol opgewonden draad
cabdell
/ˈknaxdiːr/, /ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
rosegador
noun
1. jongen, jongeman
patge
verb
1. met de tanden aanvreten
rosegar
adjective
2. aantrekkelijk
maco
verb
1. een massa soepel maken door er steeds in te knijpen
pastar
noun
1. bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
passerell
verb
1. binden, boeien
emmordassar
noun
1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
genoll
verb
1. op de knieën gaan
agenollar-se
noun
1. het schijfvormige bot in de knie
ròtula
verb
1. tussen twee punten druk uitoefenen
pessigar
noun
1.
tenalles
/'knɪkə(n)/
verb
1. een verticale beweging met het hoofd maken
capejar
noun
1. balletje van glas, marmer, steen, hout of klei
bala
noun
1. teken in de vorm van het kort toeknijpen van een oog om verstandhouding of waardering uit te drukken
fer l'ullet
verb
  1. 1. met een schaar uitsnijden
  2. 3. (informatica) overnemen van informatie
retallar
noun
1.
grop
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
all
noun
1. vingergewricht
artell
noun
1. verdikte plantenwortel.
tubercle
noun
nap
noun
api-rave
noun
  1. 3. aan een jas e.d.
    botó
    1. 2. snelheidsmaat
    2. 1. in een draad
    nus
noun
1. spleet die in een stuk stof is gemaakt zodat een ander stuk stof daaraan kan worden vastgemaakt
trau
verb
1. een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
lligar
/'knɔrə(n)/
verb
1. een geluid voortbrengen zoals een varken
grunyir
noun
porra
noun
  1. 1. omhelzing
    abraçada
  2. 2. speelgoed
    peluix
verb
1. omhelzen
acaronar
/knʌtsələ(n)/
verb
1. zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf
fer bricolage
noun
1. een Australisch buideldier
coala
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
cobalt
adjective
blau de cobalt
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
aranya
noun
1. Ursus arctos middendorffi, de grootste beer en het grootste bekende landroofdier
ós de Kodiak
noun
1. vrouwelijk rund
vaca
noun
coca
noun
1. een platte pan met een lang handvat
paella
/[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
galeta
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
cucut
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
nevera
noun
1.
torre de refrigeració
noun
koumiss
noun
1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
cúpula
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
  1. kurd
  2. Kurd
noun
1. kleine witte reigersoort
esplugabous
verb
1. iets geliefds nauw aan het hart houden
acotiar
noun
1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
carruatge
noun
1. iemand die de paarden van een koets ment
cotxer
noun
1. stevige metalen stang voorzien van een gespleten einde, gebruikt om er zaken mee open te breken
palanqueta
/ˈkuwɛɪ̯t/, /ˈkuʋɛɪ̯t/, /ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
Kuwait
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
maleta
noun
1. het gedeelte van een auto waar de bagage in geplaatst wordt
maleter
noun
1. drank uit koffiebonen
cafè
noun
cafè amb llet
noun
1. het donkere bezinksel van gemalen koffiebonen dat overblijft na het zetten van koffie
marro
noun
filtre de cafè
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
cafeteria
noun
1. een huishoudelijk apparaat waarin koffiebonen kunnen worden gemalen
molinet de cafè
noun
1-2. munitie
bala
adjective
1. kogelvrij
a prova de bales
noun
1. middeleeuws vrachtschip dat vooral door de Hanze werd gebruikt
coca
noun
cuiner
verb
  1. 1. vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
    coure
  2. 2. met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
    1. cuinar
    2. coure
adjective
coqueta
noun
catxel
noun
1. bepaald soort zeevogel met een gekleurde kop en een lachende roep, Chroicocephalus ridibundus
gavina riallera
/ˈko.kɔsˌbom/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
cocoter
/'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
coco
/ˈko.kɔsˌpɑlm/, /ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
cocoter
noun
hoge witte muts
barret de xef
noun
kolkhoz
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) thermische centrale die elektrische stroom opwekt door verbranding van steenkool
central de carbó
noun
1. ganzensoort
oca carablanca
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
colibrí
noun
columna
noun
1. een hoge militaire rang
coronel
noun
1. een rang in het Pruisische leger, het Duitse keizerlijke leger en de Wehrmacht, het leger van nazi-Duitsland
coronel general
adjective
1. betrekking hebbend op koloniën en het hebben van koloniën
colonial
/'kolonijaˌlismə/
noun
1.
colonialisme
/koˈloni/
noun
1. een vestiging van een deel van een bevolking, buiten het eigenlijke territorium van dat volk
colònia
noun
colonització
verb
1. koloniën vormen
colonitzar
noun
1. iemand die zich in een kolonie heeft gevestigd
colonitzador
noun
colós
adjective
colossal
pronoun
Colossencs
noun
1. eetgerei zoals een bord, maar dan dieper
bol
/koˈmedi/
noun
1. een blijspel
comèdia
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
cometa
verb
  1. 2. een orgasme hebben
    venir
  2. 1. bewegen van verder weg naar dichterbij
    1. venir
    2. vindre
noun
1. iemand die een publiek vermaakt door ze aan het lachen te brengen
còmic
noun
plant, zaden en specerij
comí
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
llavor de comí
adjective
còmic
/kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
  1. cogombre
  2. cogombrera
/ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
coma
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
brúixola
noun
arribada
pronoun
Estat Lliure del Congo
/kɔˈnɛɪn/, /kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
conill
/ˈkonɪŋ/, /ˈkoːnɪŋ/
noun
  1. 1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
  2. 2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
rei
pronoun
Reis
/konɪˈŋɣɪn/, /konɪˈŋɪn/, /koʊnɪˈŋɪn/
noun
reina
noun
blenra
noun
1. een bewuste moord op een koning.
regicidi
/ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
reial
/ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
  1. regne
  2. reialme
noun
1. de billen, het achterwerk
cul
noun
1.
comboi
/koːɪ/
noun
1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
gàbia
noun
boek waaruit men leert koken
llibre de cuina
noun
1.
cuina
noun
punt d’ebullició
noun
  1. 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
    carbó
  2. 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
    col
noun
1. reukloos gas dat ontstaat bij volledige verbranding van koolstof
diòxid de carboni
noun
1. een bepaald type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
carbohidrat
noun
mallerenga carbonera
noun
colinap
noun
colrave
/ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
carboni
noun
cicle del carboni
noun
1. verbinding met moleculen van één atoom zuurstof en één atoom koolstof (CO)
monòxid de carboni
noun
1. bepaald soort vis met donker gekleurde mondholte en rug die voorkomt in het hoge noorden van de Atlantische Oceaan, Pollachius virens
peix carboner
/kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
hidrocarbur
/'kolzyr/
noun
1. H₂CO₃
àcid carbònic
noun
1. de hoeveelheid goederen of diensten die gekocht kan worden met een bepaald geldbedrag
poder adquisitiu
noun
comerciant
noun
1. zeeschip voor het vervoer van handelsgoederen
vaixell mercant
adjective
redhibitori
noun
1. een groep mensen die samen zingen
  1. cor
  2. coral
noun
1. rechte tussen twee cirkelpunten
corda
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
febre
adjective
caixer
noun
1. hielbeentje van het paard
travador
noun
1. beentje van vinger of teen
falange
noun
  1. 1. hoofd van een dier
  2. 2. hoofd van een mens
cap
noun
1.
cop de cap
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
comprar
pronoun
1.
Copenhaguen
noun
2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
coure
noun
1. een afschrift of andere reproductie van een document of ander voorwerp
còpia
/kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
1. een duplicaat maken van
copiar
/ˈkɔplɑmp/
noun
1. een witte of gele lamp aan de voorzijde van een voertuig
far
noun
  1. 1. iemand die probeert mensen van verschillende groepen met elkaar in contact te brengen (met name voor een huwelijk)
  2. 2. iemand die probeert twee mensen met elkaar in contact te brengen (met name voor een niet-huwelijkse relatie)
alcavot
verb
acoblar
noun
  1. 1. een constructie die in een motor of voertuig mechanische krachten op een te onderbreken wijze overbrengt
  2. 3. een verbindingsstuk
embragatge
/ˈkɔpəx/, /ˈkɔpəç/
adjective
1. vasthoudend aan eigen wil of inzicht
tossut
noun
1. stel van twee kleine luidsprekers die men tegen of in de oren plaatst
casc
noun
1. skelet van de koraalpoliep
corall
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan
mar del Corall
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
Alcorà
/koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Corea
/koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
coreà
noun
1. een balsport waarbij een bal door een mand (korf) moet worden gegooid
corfbol
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
celiandre
/korijɑndərzaːt/
noun
1. gedroogde zaden van Coriandrum sativum
llavor de coriandre
pronoun
Corintis
noun
  1. op een bugel gelijkend koperen blaasinstrument
  2. 1. rang van vaandrig bij de cavalerie en de artillerie bij de Koninklijke Landmacht
corneta
noun
corneller
noun
1. een enkele zaad van graan
gra
noun
cotilla
/kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
crosta
noun
liquen
adverb
  1. 1. van geringe duur
  2. 2. van geringe lengte
curt
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
rebaixa
noun
corindó
noun
1.
corbeta
noun
cosmologia
noun
cosmonauta
noun
1. het gehele tijd-ruimte continuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
cosmos
/ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
Kosovo
adjective
costós
verb
1. als te betalen prijs hebben
costar
noun
1. kerkelijke bediende, die met de zorg van het kerkgebouw, en het vlot verloop van de kerkdiensten belast is
sagristà
noun
1. iemand die (tegen betaling) bij iemand anders voeding en onderdak ontvangt
pensionista
noun
vestit
noun
assalariada
/kotəˈlɛt/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
costella
noun
cúter
/kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
fred
/ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
fred
/kaʊ̯s/, /kɔʊ̯s/, /kʌʊ̯s/
noun
1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
mitja
adjective
1. van een persoon dat hij het sneller dan de meeste andere mensen koud heeft...
fredolic
noun
1. lid van een hoofdzakelijk Slavisch ruitervolk
cosac
noun
1. rand van een raam of deur waar de ruit of de deur in gevat is
bastiment
/krax/
noun
  1. 1. een kledingstuk rond de hals
  2. 2. een omgeslagen rand van een kledingstuk bij de halsopening
  3. 3. de naam van voorwerpen die op een kraag lijken, zoals een opstaande rand
coll
/kraɪ̯/, /kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
  1. cornella
  2. corb
/ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
cartílag
noun
dena
noun
taula (de vendre)
noun
    1. 4. werktuig om voorwerpen in de hoogte te verplaatsen
    2. 2. iemand die op een bepaald gebied uitblinkt
    grua
  1. 3. mechanisme waarmee de stroming van vloeistof of gas geregeld kan worden
    tap
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
grua
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
cranc
verb
1. met de nagels bewerken
gratar
noun
1. (gereedschap) voorwerp om mee te krabben, onmisbaar voor schilders die oude verflagen willen verwijderen of mensen die jeuk op hun rug hebben.
raspador
noun
1. vermogen om iets te verrichten
força
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Cracòvia
noun
1. illegale bewoner
okupe
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
rampa
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
diari
noun
cràter
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
  1. Cranc
  2. Càncer
/kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
llagosta
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
tròpic de Càncer
noun
1. Gryllidae
grill
pronoun
Kremlin
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
Creta
verb
2. gekreukt raken
arrugar
/krønə(n)/
verb
1. ongearticuleerde geluiden maken, vaak van pijn of ander leed
gemegar
noun
1.laag stuikgewas waarbij de takken van de boompjes door elkaar heen groeien
sotabosc
noun
1. voederbak
menjadora
noun
guinda
/ˈkrɛɪ.ɣə(n)/
verb
1. verwerven, ontvangen
rebre
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
guerrer
noun
senyor de la guerra
noun
1. een handeling die erop gericht is om door list en bedrog de vijand te misleiden, zoals het verspreiden van valse geruchten
estratagema
noun
1. een olifant die vroeger tijdens op het land uitgevochten oorlogen werd ingezet als strijddier
elefant de guerra
noun
  1. 1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
  2. 2. schrijfmateriaal uit dat materiaal vervaardigd
guix
/krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Crimea
pronoun
1. een van de Turkse talen, gesproken door ongeveer een half miljoen mensen, oorspronkelijk van de Krim afkomstig, maar door een deportatie in 1944, nu vooral in Oezbekistan en Kirgizië, maar ook in Moldavië, Roemenië en Turkije gesproken
tàtar de Crimea
verb
1. kleiner in omvang worden
disminuir
noun
  1. 1. een ronde figuur zoals een cirkel
    cercle
  2. 2. een gemeenschap van mensen
    penya
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
cristall
/krɪsta'lɛɪn/
adjective
1. een inwendige structuur bezittend die zichzelf eindeloos herhaalt
cristal·lí
noun
1. kristalvorming
cristal·lització
verb
  1. 1. ordeningsproces
  2. 2. doen ordenen
cristal·litzar
noun
cristal·lografia
noun
ràdio de galena
adjective
1. op het scherp van de snede, met onzekere uitkomst, zeer ernstig
crític
noun
  1. 1. uitingen waarmee bepaald gedrag, een bepaalde zienswijze e.d. van anderen worden veroordeeld of in twijfel getrokken
  2. 2. een document dat kunstzinnig commentaar levert op een optreden, tentoonstelling, boek , film of andere kunstuiting
crítica
adjective
  1. 1. ernaar geneigd vraagtekens te plaatsen achter iets
  2. 2. onder zulke omstandigheden dat er meer neutronen geproduceerd dan geabsorbeerd worden, waardoor een nucleaire kettingreactie op gang kan komen
crític
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
croat
/kroˈwatsi.jə/, /kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
Croàcia
/krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
  1. bar
  2. taverna
noun
1. een rol ragout die gepaneerd en gefrituurd wordt
croqueta
/krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
  1. cocodril
  2. crocodil
noun
1. irisachtige lentebloem
crocus
noun
1. kromhoorn
cromorn
noun
1. een gebogen lijn
corba
verb
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
coronar
noun
crònica
noun
Cròniques
/ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
coronació
noun
1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
corona
noun
1. opstapeling van bladeren
capça
/krœʏ̯t/, /krœːd/, /krœːt/
noun
herba
verb
1. specerij bij een gerecht doen
condimentar
noun
  1. 1. winkelier in levensmiddelen
    adroguer
  2. 2. winkel met levensmiddelen
    adrogueria
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
  1. clavell d'espècia
  2. clau d'espècia
/krœyjər/
noun
1. iemand die bagage vervoert op o.a. stations en vliegvelden
bastaix
noun
gerra
/ˈkrœy.məl/
noun
engruna
noun
1. een soort braam
móra vermella
/'krʌʏ.pə(n)/
verb
arrossegar-se
noun
  1. 1. geometrisch figuur
  2. 4. symbool
creu
noun
1. kleine vinkachtige zangvogel
trencapinyes
noun
1. Ribes uva-crispa
agrassó
/ˈkrœʏsər/
noun
1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
creuer
noun
1. een door een blok hout verschuifbare liniaal, die is voorzien van een ijzeren punt
rosset
verb
1. een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt
crucificar
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
cruïlla
noun
1. kruissleutel
  1. clau de creu
  2. clau de roda
noun
1. ondernemingen van de westerse christenen tussen 1095 en 1271 in Palestina
croada
noun
1.
croat
/krœʏ̯sˈvɔr.məχ/, /krœːsˈvɔr.məx/
adjective
1. de vorm van een kruis hebbend
cruciforme
noun
Via Crucis
noun
mots encreuats
noun
1. kruiswoordpuzzel
mots encreuats
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
carretó
noun
2. hulpmiddel bij het lopen
crossa
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
criptó
noun
1. 20-eeuwse stroming binnen de beeldende kunst waarin de werkelijkheid op een sterk vereenvoudigde manier wordt weergegeven
cubisme
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
  1. cub
  2. dau
/'kɵdə/
noun
  1. 1. een groep samenlevende (zoog)dieren
  2. een kudde schapen
ramat
/ˈkœʏ̯kə(n)/, /ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
pollet
noun
1. uitholling, holte, diepte
forat
noun
boter
adjective
cast
noun
castedat
noun
1. deel van het been
panxell
/kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
quiquiriquic
noun
1. en 2. (citrusvrucht van) plant Citrus japonica
cumquat
verb
1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
poder
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
art
noun
1. iemand die zijn creatieve talenten gebruikt om kunst te maken
artista
noun
artista
adjective
1. door menselijk, moedwillig ingrijpen tot stand gekomen
artificial
noun
1. een combinatie van chemische stoffen die aan de aarde wordt toegevoegd ter bemesting daarvan
adob
noun
1. een schilder van kunstwerken
pintor
noun
1. een schilderes van kunstwerken
pintora
/ˈkʏns.tal/, /ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
llengua artificial
/kʌnstwɛrk/
noun
1. resultaat van een inspanning om iets te maken dat bijzonder mooi of indringend is
obra
/kʏrk/
noun
1. licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
suro
/kʏr.kɛi̯k/, /kʏr.kɛːk/, /kʏrk.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus suber; een boom uit de napjesdragersfamilie
  1. alzina surera
  2. surera
  3. suro
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
llevataps
noun
plant en specerij
cúrcuma
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
petó
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
coixí
verb
1. een kus geven
besar
/'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
costa
noun
guarda costes
/kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
cony
adjective
1. schade aanrichtend
maligne
noun
1. het innerlijk slecht zijn
malícia
/kʋɑp/
noun
2. een gedeelte van lever, longen of hersenen
lòbul
noun
1. langwerpige, op de bodem levende zoetwatervis, Lota lota
lota
/kwɑ'drat/
noun
quadrat
/kʋɑk/
noun
2. bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax
martinet de nit
verb
1. witter
raucar
/kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
  1. medusa
  2. grumer
noun
qualificació
/kvalitɑ'tif/
adjective
1. naar de hoedanigheid, betreffende de kwaliteit
qualitatiu
noun
2. eigenschap
qualitat
adjective
1. met betrekking tot de hoeveelheid
quantitatiu
noun
quantitat
noun
vorm van onkraakbare beveiliging voor elektronische communicatie
criptografia quàntica
noun
getal dat in de kwantummechanica wordt gebruikt voor het beschrijven van de eigenschappen van bepaalde deeltjes
nombre quàntic
noun
1. studie en beschrijving van het gedrag van de kleinste deeltjes
mecànica quàntica
noun
een theoretisch kader voor de constructie van kwantummechanische modellen van veld-achtige systemen of, equivalent, veeldeeltjessystemen
teoria quàntica de camps
noun
entrellaçament quàntic
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
guatlla
noun
1. bepaald soort vogel, Crex crex
  1. guatlla maresa
  2. rei de guàtleres
noun
1. een groep van vier muzikanten
quartet
noun
1.
negra
noun
1.
silenci de negra
noun
een vorm van siliciumdioxide
quars
/kʋɑst/
noun
  1. 1. Versiering
    borla
  2. 5. Limonade
    llimonada
noun
1.
quartet
noun
1.
reactor ràpid
/ˈkwe.peːr/, /ˈkʋe.pɪːr/, /ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
  1. codonyer
  2. codony
verb
  1. 1. het doorsijpelen van water onder een dijklichaam door
    inflar
  2. 1. pijn of ergernis bezorgen
    turmentar
noun
1. zaak, geschil, probleem
qüestió
adjective
1. weinig beschermd tegen beschadiging
vulnerable
verb
  1. 1. beschadigen, schaden
  2. 2. beledigen, schofferen
ferir
verb
1. een vloed van speeksel onwillekeurig uit de mond laten lopen
bavejar
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
mercuri
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Motacilla en Dendronanthus
cuereta
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
argent viu
noun
1.
acudit
noun
1.
quinta
noun
1. een pot bestemd voor het opvangen van sputum
escopidora
verb
1. druk met de staart zwaaien.
remenar
/ˈkʋɪstəx/, /ˈkβ̞istəç/
adjective
1. op lichtzinnige wijze verbruikend
pròdig
noun
rebut
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kíiv
noun
1. muzieknoot
la
pronoun
La Manxa
pronoun
La Rioja
/lax/
adjective
    1. 2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
    2. 3. geluid met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
    3. 4. met een beperkt aanzien
    baix
  1. 1. niet ver boven iets anders zijn
    1. baix
    2. baixa
noun
terra baixa
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
avinguda
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
bota
adjective
2. 's avonds, 's nachts
tard
adjective
1. overtreffende trap van laat
darrer
adjective
labial
noun
1. met de lippen gevormde medeklinker, lipklank
labial
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
laboratori
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
  1. laberint
  2. dèdal
/lɑx/, /lɑχ/
noun
1. een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak...
riure
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
riure
noun
1. enzym dat in de dunne darm lactose kan afbreken
lactasa
noun
is een suiker die o.a. in melk voorkomt
lactosa
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
escala
noun
1. uitschuifbare bergplaats
calaix
noun
1. bergmeubel met een of meer platte bakken
calaixera
noun
  1. 1. goederen die vervoerd worden
  2. 3. opeengehoopte elektriciteit
  3. 2. een grote hoeveelheid
càrrega
noun
1. beschadiging van het weefsel in een organisme
lesió
/lɑf/
adjective
1. een gebrek aan moed tonend
covard
/ˈlɑfɦɛit/
noun
1. de neiging keuzes te maken die van weinig moed getuigen
covardia
noun
1. ondiep meer
llacuna
noun
1. stof die een dunne beschermlaag vormt nadat ze opgelost in een vluchtig oplosmiddel...
laca
noun
1. (beroep) Een lakei of dienaar is een bediende werkend aan een koninklijk hof
lacai
/ˈlakə(n)/
noun
2. een rechthoekig stuk stof dat ter bedekking dient, m.n. bij het slapen
llençol
noun
1. jong van het schaap
xai
noun
1. soort Zuid-Amerikaans eeltpotig zoogdier Lama glama
llama
noun
1. in het water levende zoogdieren uit het geslacht Trichechus
manatí
verb
laminar
/lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
  1. llum
  2. làmpada
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
pantalla
noun
1. een kan met waswater, vaak samen met een ondiepe teil, de waskom, bedoeld om zich in de morgen...
pitxer
noun
fanal de paper
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Petromyzontidae
llampresa
verb
llançar
noun
1. een dubbelsnedig operatiemes
llanceta
noun
  1. 4. niet verstedelijkt gebied
    camp
  2. 3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
    país
    1. 1. gedeelte van het aardoppervlak dat boven water uitsteekt
    2. 2. dat deel van de aardbodem dat geschikt is voor bebouwing...
    terra
/ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
agricultura
noun
1.
pont terrestre
adjective
2. met betrekking tot minder bevolkte, niet-stedelijke gebieden
rural
verb
1. vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
aterrar
noun
2. vlucht van vliegtuigen...
aterratge
noun
1. een abstracte weergave van (een stuk van) de aarde
mapa
noun
agrimensor
noun
paisatge
/lɑntˈsxɑpələk/
adjective
paisatgístic
adjective
1. van grote duur
llarg
adjective
1.
camallarg
noun
melindro
adjective
1.lang en smal
allargat
noun
1. een manier van voortbewegen op latten door de sneeuw
esquí de fons
noun
1.
llagosta
noun
1. benaming voor kleine Noorse kreeft
escamarlà
noun
1. benaming voor muggen met opvallend lange broze poten, die de familie Tipulidae vormen
cúlex
preposition
1. terzijde van, evenwijdig aan
al llarg de
noun
1.
llargmetratge
/lɑŋ.ʋɛr.pəx/
adjective
1. lang en smal van vorm
estirat
/ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
lent
noun
1. een lang steekwapen met een metalen punt
llança
noun
1. constructie van glas en metaal of hout, zodat wind en regen geen vat op een brandende lichtbron hebben
fanal
noun
1. Chemisch element
lantani
noun
lantànid
noun
1. Chemisch element
lantani
/ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
Laos
pronoun
1. een taal die in Laos gesproken wordt
laosià
noun
1. een stuk van iets
pedaç
noun
1. met een kijkbuis in de buikholte kijken en opereren
laparoscòpia
noun
1.
lapislàtzuli
pronoun
Lapònia
noun
1. een tijdelijke oplossing die geen definitieve oplossing is
tapaforats
noun
1. kleine draagbare computer
  1. ordinador portátil
  2. portátil
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Larix
làrix
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
larva
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
làser
noun
1. krachtige geconcentreerde lichtstraal met licht van maar één golflengte
raig làser
verb
1. door plaatselijke sterke verhitting van de voeg twee metalen voorwerpen met elkaar verbinden
soldar
noun
1. iemand die stukken metaal op een naad door sterke plaatselijke verhitting verbindt
soldador
noun
1. iets wat een mens hindert
càrrega
noun
1. een gedomesticeerd dier dat men gebruikt om vracht te vervoeren
animal de càrrega
noun
1. onterechte beweringen die iemand in een kwaad daglicht stellen
calúmnia
verb
1. ten onrechte kwaadspreken over iemand
empastifar
noun
2. gever van een lastgeving
mandant
noun
1. opdrachtovereenkomst met verplichting tot handelen in eigen of andermans naam
mandat
noun
1. latei
llinda
verb
  1. 3. niet doen
  2. 4. niets veranderen
  3. 5. vertrekken
  4. 6. aansporing
deixar
/ˈlaː.tər/
adjective
després
/'la.tɛks/
noun
làtex
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
  1. llatí
  2. llatina
adjective
llatí
pronoun
Amèrica Llatina
noun
1. de reeks lettertekens oorspronkelijk gebruikt om teksten in het Latijn te schrijven en tegenwoordig met aanpassingen voor veel talen gebruikt
alfabet llatí
noun
1.
gelosia
noun
boom en kruid
llorer
pronoun
1.
Lausana
/laʊ̯/, /lʌʊ̯/, /lʌː/
adjective
1. een temperatuuraanduiding die tussen warm en koud ligt
tebi
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
lava
noun
1. koepelvormige structuur die ontstaat als lava die rijk is aan silica naar buiten treedt uit de barsten en spleten van een groeiende kussenachtige structuur
dom de lava
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
  1. espígol
  2. lavanda
verb
1-2 bij tegenwind zigzagsgewijs opzeilen
bordejar
/la'ʋaj/
noun
1. luid en storend geluid
soroll
/la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
allau
noun
1. Chemisch element
laurenci
noun
laxant
noun
1. fosfatidylcholine, een fosfolipide die de hoofdmoot uitmaakt van een fosfatidefractie die uit eidooier
lecitina
/ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
pota
noun
1. het niets doen, het niets te doen hebben
inactivitat
noun
1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
edat
/lex/
adjective
1. zonder inhoud
buit
/lek/
noun
1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
laic
/lem/, /leɪm/
noun
1. kleihoudende grondsoort
terra franca
/len/
noun
1. leengoed; vastgoed dat door de heer aan zijn vazal ten gebruike werd afgestaan
feu
/ˈlenvərˌtalɪŋ/
noun
1. woord dat aan een vreemde taal is ontleend in letterlijke vertaling en analoge constructie
calc
/ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
manlleu
noun
  1. 1. stof vervaardigd door het looien van een dierenhuid
    cuir
  2. 2. theorie, doctrine
    doctrina
noun
1. iemand die onderwijs volgt
alumne
noun
1. schema in de tijd van leeractiviteiten om vastgestelde leerdoelen te bereiken en de leerstof,...
currículum
adjective
llegible
/lest/
noun
1. schoenvorm
forma
noun
1. conventioneel symbool in interpunctie
signe de puntuació
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
  1. Lleó
  2. leo
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
lleó
noun
alosa
noun
1. vrouwtje van de leeuw
lleona
adjective
branie, moed
coratge
noun
1. testamentaire beschikking
llegat
noun
1. de uitleg over de gebruikte symbolen
llegenda
/ˈleːɣər/, /ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
exèrcit
noun
1. Metaalverbinding van twee of meer elementen
  1. aliatge
  2. lliga
noun
legió
verb
legitimar
/ˌleɣyˈwan/
noun
1. hagedis
iguana
noun
  1. 2. schrijflei
  2. 3. daklei
pissarra
pronoun
Leiden
verb
1. een leidinggevende functie hebben
conduir
noun
1. het bepalen wat een groep of organisatie behoort te doen
direcció
noun
leitmotiv
noun
  1. 1. blauwgrijs gesteente
  2. 2. een plat stuk van dit gesteente
pissarra
adjective
1. aangenaam van smaak
deliciós
noun
lliri
/le.li.tʲə.vɑn.da.ləⁿ/
noun
1. bepaald soort kleine tot 30 centimeter hoge vaste plant, Convallaria majalis
lliri de maig
/ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
  1. lleig
  2. lletja
noun
3. een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen
lema
noun
1. een knaagdier dat vooral in het hoge noorden op de toendra's voorkomt
lemming
noun
1. laagste deel van de rug voor het kruis
llom
verb
1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
manllevar
noun
1. ontlener, leningnemer
manllevador
noun
1. kabeljauwachtige zoutwatervis, Molva molva
llengua de bacallà
/ˈlɛŋktə/
noun
  1. 1. afmeting van een voorwerp
  2. 2. tijdsduur
  3. 1. op welke meridiaan een plaats ligt
longitud
noun
longitud
noun
préstec
noun
leninisme
noun
  1. 1. een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
  2. 2. een stelsel van lenzen of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
  3. 3. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
lent
noun
1. seizoen
primavera
noun
1. lentedag
dia de primavera
pronoun
. spelwoord voor de letter l
Lleó
noun
1.
  1. lleonès
  2. asturlleonès
/ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
cullera
noun
1. een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
espàtula
noun
lepra
/ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
professor
/ˈleːrə/, /ˈlɪːrə/
verb
1. kennis of vaardigheid verwerven
aprendre
/lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
lliçó
/le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
Lesotho
/ˈlɛsə(n)/
verb
1. met vocht de dorst beëindigen
assaciar
noun
1. een standaard om bladmuziek op te plaatsen
faristol
noun
1.
teulada d'un sol pendent
/lɛt/
noun
1. een inwoner van Letland, of iemand afkomstig uit Letland
letó
noun
  1. 1. een toestand van geestelijke ongevoeligheid
  2. 2.
letargia
/ˈlɛtlɑnd/, /ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
Letònia
/lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
letó
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
lletra
/ˈlɛtərˌxrep/, /ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
síl·laba
noun
1. een stylistisch samenhangende set tekens die meestal letters, cijfers en leestekens uitbeelden
tipus de lletra
/ˈløːɣən/, /ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
mentida
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
mentider
noun
1. bloedkanker
leucèmia
verb
1. steunen, het evenwicht bewaren door het eigen gewicht deels door iets anders te laten steunen
abocar
/ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
Lovaina
/'levən/
noun
  1. 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
  2. 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
vida
/'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
viure
adjective
viu
adjective
1. tot de dood durend
vitalici
noun
estil de vida
noun
1. het kunnen gaan leven
viabilitat
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
fetge
noun
proveïdor
noun
oli de fetge de bacallà
pronoun
Levític
noun
lexema
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
llegir
noun
1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
lector
/ˈli.ba.nɔn/, /ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
Líban
/li.ˈbɛl/, /li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
barratgina
/libəˈral/
adjective
liberal
noun
liberalisme
/li.'beː.ri.ja/, /li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
Libèria
/'libido/
noun
1. geslachtsdrift
libido
adjective
1. op Libië betrekking hebbend
libi
/ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
Líbia
noun
libració
noun
1.de gangbare benaming voor het tekstboekje van een opera, operette, ballet of musical
llibret
noun
  1. 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
  2. 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
  3. 2. een instantie
cos
/ˈlɪxamsbəˌweɣɪŋ/
noun
1. bezigheden die bijdragen aan de lichamelijke fitheid
exercici
noun
1. de specifieke anatomie van iemands lichaam
físic
/ˈlɪxaːmzdeːl/
noun
1. onderdeel van een lichaam
part del cos
noun
llenguatge corporal
adjective
  1. 1. helder van kleur
    clar
    1. 2. van een gewicht
    2. Vertalingen: na te kijken en onderverdelen per verklaring
    lleuger
noun
  1. 1. Elektromagnetische golven
  2. 2. lichtbron
llum
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
  1. any-lumm
  2. any llum
noun
1. de snelheid waarmee het licht zich voortplant in het luchtledige (ongeveer 299792 km/s)
velocitat de la llum
noun
1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
membre
noun
1. een staat die toegetreden is tot een inter- of supranationale organisatie
estat membre
noun
article
/ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
Liechtenstein
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
cançó
noun
1. een boek met een verzameling (kerkelijke) liederen
cançoner
adverb
  1. 1. vriendelijk, zachtaardig
  2. 2. mooi, fijngebouwd
estimat
noun
1.het geven van hulp
  1. caritat
  2. beneficencia
  3. beneficència
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
amor
noun
1. brief waarin men zijn liefde betuigt
carta d'amor
noun
1. roman met liefdesperikelen als hoofdonderwerp
novel·la sentimental
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
estimar
adjective
amatiu
noun
aficionat
verb
acariciar
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
mentir
/lir/
noun
  1. 2. een werktuig om te hijsen, trekken of slepen
    cabrestant
  2. 1. een Grieks snaarinstrument
    lira
noun
1. anatomie
engonal
noun
1.
hèrnia inguinal
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
marieta
/ˌlivə'vraʊ̯wəˌbɛtstro/, /ˌlivəˌvrɔʊ̯β̞ə'bɛtstro/, /ˌlivəˌvrʌʊ̯β̞ə'bɛtstro/
noun
1.
espunyidella d'olor
noun
1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
ascensor
noun
1. lifter
autoestopista
noun
1. opwaartse kracht
sustentació
noun
lliga
noun
1. bindweefselband
lligament
noun
bicicleta reclinada
verb
1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
jeure
noun
1. de wijze waarop iets of iemand gelegen is
posició
/'lɪxplats/
noun
2. een plaats waar een boot kan liggen
amarrador
pronoun
Ligúria
noun
1. olijfachtige heester veel gebruikt voor het maken van heggen
olivereta
verb
1. smart en ellende ondergaan
  1. patir
  2. sofrir
phraseologicalUnit
1. zinsdeel waarop de actie die wordt uitgedrukt door een overgankelijk werkwoord rechtstreeks van toepassing is
objecte directe
noun
servitud
noun
1. levenslange rente
violari
noun
1. hybride kruising tussen een mannetjesleeuw en een vrouwtjestijger
ligre
noun
1. dood lichaam
cadàver
/ˈlɛi.kə(n)/
verb
2. naar aanschijn zijn
semblar
/ˈlɛɪkxeˌʋat/
noun
1. de kleding waarin een overledene begraven wordt
mortalla
/ˈlɛɪ̯.kɪs/, /ˈlɛɪ̯k.kɪst/, /ˈlɛːk.kɪst/
noun
1. de kist waarin een overledene ter aarde besteld wordt
taüt
noun
1. textiel waarin een overledene begraven wordt
mortalla
noun
1. een voortuig ingericht om een stoffelijk overschot te vervoeren
cotxe
verb
1. twee of meer delen aan elkaar bevestigen met behulp van een kleefstof
encolar
/lɛi̯n/
noun
  1. 11. een band, riem om een huisdier in te tomen
    corretja
    1. 2.
    2. 1. een streep
    recta
/lɛist/
noun
1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
llista
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
tord
noun
1. geslacht van loofbomen, Sorbus
sorbus
verb
1. met de tong aanraken
llepar
noun
1. lichte tint van paars
lila
noun
1. en 2. (zaden van) plant Phaseolus lunatus
  1. garrofó
  2. fesol de la peladilla
  3. mongeta de Lima
/ˈlɪm.bʏrx/, /ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
1. provincie in het zuidoosten van Nederland
Limburg
/ˈlɪm.bʏrxs/, /ˈlɪm.bʏrχs/
pronoun
1. verzamelnaam van een reeks variëteiten van de Germaanse taalfamilie
limburguès
noun
limnologia
noun
1. Een citrusvrucht
  1. llimona dolça
  2. llima
noun
1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
llimonada
/ˈlɪndə/
noun
loofboom
tell
noun
1. beoefenaar van de taalkunde
lingüista
noun
1. wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
lingüística
/ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
regle
noun
  1. 2. een verwijzing
  2. 1. een betrekking of relatie
enllaç
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
esquerre
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
esquerrà
noun
1. lange, smalle strook stof
cinta
noun
1. een platte worm die parasiteert in de darm bij mens en dier
tènia
noun
llentia
noun
1. anatomie
llavi
/liˈpidə/
noun
1. vetten en vetachtige stoffen die in de biochemie een belangrijke rol spelen
lípid
noun
  1. 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
  2. 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
pintallavis
noun
1. soort baars, vis behorend tot de familie van lipvissen
làbrid
noun
1. Typha
  1. boga
  2. bova
pronoun
1.
Lisboa
/'lɪst/
noun
  1. 1. een oplossing voor een probleem waardoor tegenstrevers worden verrast
  2. 2. vermogen om een oplossing die tegenstrevers verrast, te bedenken
ardit
noun
1.
lletania
/litər/
noun
1. een inhoudsmaat voor voornamelijk vloeistoffen en gassen
litre
adjective
literari
noun
  1. 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
  2. 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
literatura
/ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
liti
noun
lítote
/liˈtaʊ̯.wə(n)/, /liˈtɑuwə(n)/, /liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
Lituània
/liˈtaʊ̯.wər/, /ˈlitɔʊ̯.β̞ər/, /ˈlitʌʊ̯.β̞ər/
noun
1. inwoner van Litouwen
lituà
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
adjective
1. betreffende Litouwen of het Litouws
  1. lituà
  2. lituana
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
lituà
noun
1. zichtbaar overblijfsel van een oude verwonding
cicatriu
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
litúrgia
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
livermori
noun
lobotomia
pronoun
1. eigennaam van Frankische herkomst
Lluís
noun
1. de kant waar de wind vandaan komt
caient de proa
/ˈlu.jə(n)/
verb
1. een langgerekt klagend geluid voortbrengen
mugir
noun
1. met vlees en groente gevulde en gefrituurde lap deeg
rotlle de primavera
noun
lupa
noun
civeta de palmera comuna
noun
2. groente
escarola
noun
1. snelheidsmeter voor zeegaande schepen
corredora
noun
1. de exponent van de macht waartoe een gegeven getal verheven moet worden om een ander getal te krijgen
logaritme
noun
1. een vissersschip, tegenwoordig met een motor aangedreven, dat vroeger een loggergetuigd zeilschip was
lugre
noun
1. trapeziumvormig zeil aan de voorste mast op een logger
vela cangrea
noun
lògica
/ˈloɣis/
adjective
  1. 1. natuurlijk, voor de hand liggend
  2. 2. betrekking hebbend op de logica
lògic
noun
1. beeldmerk, logogram, naambeeld
logotip
noun
logopeda
/lɔk/
noun
1. haarlok, pluk haar
ble
noun
1. stuk vlees of vis bedoeld om een dier mee te kunnen vangen.
esquer
noun
1. plaatsbepaling
localització
verb
2. de plaats vaststellen van
localisar
noun
diversió
/ˈlɔlɪ/
noun
snoepje
piruleta
pronoun
Llombardia
adjective
zich op een onwellevende en onbehouwen manier gedragend
bast
/ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
Londres
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
pulmó
/ˈlɔŋblaʃə/
noun
1. een blaasje in de longen waarin gasuitwisseling plaatsvindt
alvèol
/'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
pneumònia
noun
1. bloedvat dat vanuit de rechter hartkamer naar de longen gaat
artèria pulmonar
noun
1. vis met kieuwen én longen
dipnou
noun
1. koord voor ontsteking
espoleta
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
plom
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
  1. fontaner
  2. llauner
adjective
2. in een rechte hoek
perpendicular
/loːts/
noun
2. iemand die schepen als stuurman begeleidt bij het varen van en naar een haven
pràctic
noun
1. een witte verfstof met bestanddelen van lood
blanc de plom
/lo:f/
noun
fullatge
noun
  1. 2. bladverliezend boom
    caducifoli
  2. 1. gebladerde boom
    planifoli
/loːx/
noun
een alkalische substantie
lleixiu
verb
1. het bewerken van een dierenhuid ter vervaardiging van leer
adobar
/loːn/
noun
1. financiële vergoeding voor geleverde arbeid
sou
noun
nòmina
/loːp/
noun
voorste deel van een wapen
canó
verb
1. stappen, gaan
caminar
noun
4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
alfil
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
rescat
noun
  1. 2. noodlot, wat het toeval iemand toebedenkt
  2. 1. toevalskans of teken daarvan
destí
noun
loteria
pronoun
Lorena
pronoun
1.
Louisiana
verb
1. blijk geven van bewondering
lloar
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Lluc
/lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
aire
noun
filtre d’aire
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
aeroport
/ˈlʏxmɑxt/, /ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
força aèria
noun
tràquea
noun
1. verkeer in de lucht
aviació
noun
1. een bedrijf dat vervoer door de lucht aanbiedt
aerolínia
noun
1.
controlador aeri
noun
control del trànsit aeri
/ˈlʏχt.fres/
noun
aerofòbia
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
  1. llumí
  2. cerilla
/lœʏ/, /lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
mandrós
noun
2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
peresós
/lœʏ̯t/, /lœːd/, /lœːt/
adjective
alt
noun
altaveu
noun
bolcall
noun
1. het ontbreken van de wil iets te doen
  1. mandra
  2. peresa
/lœʏ̯k/, /lœːk/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Lieja
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
lleopard
/lœʏ̯s/, /lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
poll
/'lœstərə(n)/
verb
1. gericht waarnemen met het oor
escoltar
noun
1. luit
llaüt
noun
1. rang in het leger
lloctinent
/ˈlykɑs/
pronoun
Lluc
noun
1. geslachtsdeel van de man
cigala
adjective
lul·lià
noun
luminància
noun
1.
luminescència
adjective
lunar
verb
1. de lunch gebruiken
dinar
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
luteci
/'lywtə/
noun
1. een windloze plek
refugi
/lyks/
adjective
1. duur, exclusief
luxe
/lyks/
noun
1. niet alledaagse dingen die gebruikt worden voor het persoonlijk genot
luxe
/ˈlyksəmˌbʏrx/, /ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
Luxemburg
/ˈlyksəmˌbʏrɣər/, /ˈlyksəmˌbʏrχər/
noun
1. een inwoner of iemand die afkomstig is van het Groothertogdom Luxemburg
luxemburguès
adjective
luxuriós
pronoun
Lviv
adjective
1.
limfàtic
noun
limfa
noun
limfoma
verb
1. iemand executeren zonder rechtsgeldig proces, met name door opknoping
linxar
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
  1. linxs
  2. linx
pronoun
1.
Lió
/maːx/
noun
1. Orgaan
estómac
noun
1. het kanaal
aparell digestiu
pronoun
  1. 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
  2. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  1. Verge
  2. verge
/maːxt/, /maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
verge
adjective
verge
noun
1. eigenschap dat je niet eerder geslachtsverkeer hebt gehad
virginitat
pronoun
illes Verges
/ˈmaɣdəˌvlis/, /ˈmaʝdəˌvlis/
noun
vlies
himen
noun
suc gàstric
/ˈmaɪ̯ə(n)/
verb
1. met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
segar
/ma:l/
verb
1 1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
vegada
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
àpat
/maːn/
noun
lluna
/maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
mes
/ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
dilluns
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adjective
1. iedere maand een keer
mensual
noun
1. het loon dat men met arbeid in één maand verdient
salari mensual
noun
allunatge
/ˈmansvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈmansvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan verduisterd raakt doordat ze in de schaduw...
eclipsi de Lluna
adjective
llunàtic
/maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
  1. però
  2. mes
  3. emperò
noun
mariscal
/maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
març
/mas/
pronoun
1. een rivier die onspringt in Frankrijk en door België en Nederland stroomt
Mosa
/mas/
noun
1. een van de geknoopte ringen waaruit een net bestaat
malla
/maːt/
noun
3. eenheid van lengte enz.
mesura
noun
1. een glazen kolf met een geijkte maatstreep voor het nauwkeurig bepalen van een volume vloeistof
matràs aforat
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
mesura
noun
  1. 2. de wereld, omgang en verkeer der mensen
  2. 1. vereniging tot het drijven van handel
societat
adjective
macabre
pronoun
1. een stad op een eiland aan de zuidkust van China, ten westen van Hong Kong
Macau
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
  1. macedònic
  2. macedoni
/ˌmasəˈdoni.jə/, /ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
  1. 3. land
  2. 1. historisch Grieks koninkrijk
  3. 2. regio in Griekenland
Macedònia
/ˌmasəˈdoni.jər/, /ˌmasəˈdoːni.jər/
noun
1. inwoner van Macedonië
macedoni
/mɑˈʃinə/
noun
màquina
noun
1. geweer waarmee kort na elkaar meerdere schoten kunnen worden afgevuurd, ...
metralladora
noun
1. een ruimte voor machines
sala de màquines
/mɑˈʃinəˈri/
noun
1. geheel van machines
maquinària
noun
1. het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
poder
/ˈmɑxtəx/, /ˈmɑxtɪx/, /ˈmɑχtəχ/
adjective
1. meer invloed hebben dan anderen
poderós
verb
1. aan iemand anders het recht overdragen in je naam te handelen
autoritzar
noun
1. een handwerktechniek om decoraties of weefsel te maken, door het met de hand knopen van draden
macramé
/ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Madagascar
noun
1. Pootloze larve
cuc
noun
1. Bellis perennis
margaridoia perenne
pronoun
Madrid
noun
1.
madrileny
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
màfia
/ˈmafis/
adjective
1. arm aan silica of silicahoudende mineralen
màfic
noun
1. kleur tussen rood en blauw
magenta
/ˈma.ɣər/, /ˈma.χər/
adjective
1.
magre
adjective
1.met een bijzondere, bovennatuurlijke betekenis
màgic
noun
magnali
noun
  1. 1. gemagnetiseerd metaal
  2. 2. persoon, zaak of plaats
imant
noun
camp magnètic
noun
1. Chemisch element
magnesi
noun
1. magnetisch, ijzer bevattend mineraal; magnetisch erts
magnetita
adjective
1. verschijnselen vertonend die toegeschreven kunnen worden aan een kringstroom...
magnètic
verb
magnetitzar
noun
magnetisme
/ˈmɑɣ.nə.trɔn/, /ˈmɑχ.nə.trɔn/
noun
1. een toestel waarin met zeer korte en gerichte golven voedsel in zeer korte tijd warm kan worden gemaakt
forn microones
noun
1. boom met tulpachtige bloemen
magnòlia
/mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
  1. blat de moro
  2. dacsa
  3. moresc
  4. panís
  5. panís de l'Índia
noun
1. en 2. verbinding van glucose en koolhydraten of bindmiddel dat uit maiskorrels wordt gewonnen
midó de blat de moro
noun
1.
majestat
noun
major
adjective
1. gedwee, tam, niet wild
dòcil
/ma'kak/
noun
1. een aap behorende tot een geslacht (Macaca) van apen van de Oude Wereld
macaco
noun
1. schoonheidsproducten
maquillatge
/ˈmaːkən/
verb
1. in elkaar zetten
fer
noun
1. iemand die iets maakt of gemaakt heeft
fabricant
adjective
1. niet moeilijk, waar weinig moeite en inspanning voor vereist is
fàcil
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
verat
pronoun
1. macrotaal die op Madagaskar gesproken wordt
malgaix
noun
1. infectieziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten van het geslacht Plasmodium
malària
/ma.'la.wi/, /ma.'la.ʋi/, /ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
Malawi
pronoun
1. Dravidische taal die wordt gesproken door 47 miljoen mensen, vooral in de Indiase deelstaat Kerala
malaiàlam
/mɑl.ˈdi.və(n)/, /mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Maldives
pronoun
Malaquies
/mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
malai
/maˈlɛ:zi.jə/, /maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
Malàisia
/malə(n)/
verb
1. tussen twee harde voorwerpen fijnwrijven
moldre
/'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
Mali
noun
1.
cota de malla
/ˈmɑlta/, /ˈmɑɫta/
pronoun
  1. 1. eiland in de Middellandse Zee
  2. 2. land in de Middellandse Zee
Malta
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
  1. maltès
  2. maltés
/mɑlˈteːsə/, /mɑɫˈtesə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Malta
maltesa
/ˈmɑmaː/
noun
1.
mama
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Mammuthus
mamut
noun
1.
superpetrolier
noun
1. persoon van het mannelijk geslacht
home
pronoun
Manaus
noun
1. een sierknoop die de manchet aan de mouw van een overhemd sluit
botó de puny
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
cistell
noun
mandat
noun
1. Een citrusvrucht
mandarina
noun
1. situatie waarbij een onroerend goed bestemd is tot gemeenschappelijk gebruik van aanpalende erven
mitgeria
noun
1. een klein, luitvormig tokkelinstrument met vier paar snaren waarop met een plectrum getokkeld wordt
mandolina
noun
1. bepaald soort zoogdier, Otaria flavescens, zeeroofdier dat leeft aan de kusten van het zuidelijk deel...
lleó marí sud-americà
/manəsxɛɪn/
noun
1. Het door de maan weerkaatste licht dat op de aarde schijnt, maanlicht
llum de lluna
/ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
manga
noun
1. Chemisch element
manganès
/'mɑnɣɑt/
noun
1.
forat d'entrada
noun
1. soort oranje-groene sappige tropische vrucht
mango
noun
mangle
noun
maniàtic
noun
1. ziekelijke neiging (opgewonden psychische toestand)
mania
/ mɑˈniːr/
noun
manera
adjective
1. duidelijk, onmiddellijk herkenbaar
manifest
noun
1. openlijke bekendmaking van een staatshoofd, regering, leider of politieke partij
manifest
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
iuca
noun
manipulació
verb
manipular
adjective
  1. 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
  2. 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
masculí
noun
1. Plumbago auriculata
llessamí blau
noun
manòmetre
noun
3. schelpdier uit de orde Ostreoida
pectínid
pronoun
1. taal die door de Mantsjoes gesproken werd.
manxú
pronoun
1. een Keltische taal die (als tweede taal) wordt gesproken op het eiland Man
manx
pronoun
1. taal die door de Maori's wordt gesproken
maori
noun
1. variant van het communisme zoals uitgedragen en toegepast in China gedurende het derde kwart van de 20e eeuw
maoisme
noun
1. communist die zich vooral heeft laten inspireren door Mao Zedong
maoista
adjective
1.
maoista
/mɑp/
noun
  1. 2. een gebundelde verzameling gegevens
  2. 3. deel van het bestandssysteem
carpeta
noun
marabú
noun
marató
verb
marxar
noun
1. Viscum album
vesc
noun
margarina
/mɑrɣiˈnal/
adjective
1. aan de rand of de rand betreffend
marginal
pronoun
Maria
noun
1. het hoogfeest ter gedachtenis van de aankondiging (annunciatie) van de geboorte van Jezus aan Maria
Anunciació
/mɑˈrɪmba/
noun
1. een zeer grote houten xylofoon uit Guatemala met onder elke toets een resonator van houtsnijwerk
marimba
/maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
marina
adjective
1. donkerblauw
blau marí
verb
marinar
noun
2. kruid
marduix
/mɑr.kɪː.rə(n)/
verb
1. het afbakenen van een grens
marcar
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
marquès
noun
  1. warenverkoop op pleinen en straten
  2. geheel van omstandigheden waaronder hoeveelheden van producten of diensten verhandeld worden
mercat
noun
economia de mercat
/mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
marbre
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
marmota
/ˌmɑrɔˈkan/
noun
1. inwoner van Marokko, iemand uit Marokko, persoon met de Marokkaanse nationaliteit
marroquí
adjective
1.
marroquí
/ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
Marroc
pronoun
Mart
noun
  1. 1. regelmatige manier van lopen met afgemeten passen, vooral gebruikt door soldaten...
  2. 2. een wandeltocht
  3. 3. een mand of bak die op de rug gedragen wordt
manifestació
noun
1.
massapà
pronoun
1. een taal die op de Marshalleilanden gesproken wordt
marshallès
/mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
  1. illes Marshall
  2. Illes Marshall
noun
1. sponzig snoepje
pasta de malví
noun
1. iemand die voor een zaak lijdt of sterft en daarmee tot symbool wordt gezien van de strijd voor die zaak
màrtir
verb
1. een gevangene onderwerpen aan lichamelijke en/of geestelijke pijniging, voornamelijk teneinde informatie los te krijgen
torturar
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Martes
marta
noun
mustèlid
pronoun
Martinica
noun
1. de socialistische ideologie van de volgelingen van Karl Marx
marxisme
noun
1. schoonheidsmiddel
rímel
pronoun
1. eilandengroep in de Indische Oceaan
Illes Mascarenyes
noun
1.
  1. màscara
  2. careta
noun
1.
masoquisme
/ˈmɑsaː/
noun
1. totale hoeveelheid materie in een object
massa
noun
massatge
noun
1. toerisme in populaire vakantiegebieden waarbij men bij voorkeur ook nog eens allemaal in dezelfde periode komt opdraven
turisme de masses
noun
1. een wapen dat zeer velen doodt
arma de destrucció massiva
adjective
massiu
noun
1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
pal
noun
mastectomia
noun
llentiscle
noun
1. grote hond met een heel los rimpelig vel bij het hoofd
mastí
noun
1. het stimuleren van de eigen geslachtsdelen
palla
verb
masturbar
noun
ballestrinca
noun
1. een tastbare stof
material
verb
materialitzar
noun
matèria
noun
matemàtic
adjective
1. in geringere mate dan mogelijk of gewenst
moderat
/mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
matalàs
adjective
1.
matriarcal
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
matriu
noun
1. een zeeman van de laagste rang
mariner
pronoun
Mateu
/ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
Mauritània
/maʊ̯.'ri.si.jəs/, /mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
Maurici
noun
1. groot en rijk versierd graf
mausoleu
/ˌmajoˈnɛːzə/
noun
1. een saus op basis van eieren
maionesa
pronoun
Mayotte
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
xarampió
/ˈmaʲɪs/, /ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
  1. blat de moro
  2. moresc
  3. panís
  4. dacsa
  5. panís de l'Índia
noun
mecànic
noun
1. iemand die kunstenaars en wetenschappers financieel ondersteunt
mecenes
adjective
1. met betrekking op de mechanica, machinaal, automatisch zonder na te denken
mecànic
noun
1. machinerie
mecanisme
pronoun
Mecklemburg
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
medalla
noun
1. informatie die bekend wordt gemaakt
comunicació
/ˈme.dəˌklɪŋ.kər/
noun
  1. 1. een klank waarbij de lucht niet ongehinderd door de mond naar buiten kan
  2. 2. een letter die zo'n klank in schrift weergeeft
consonant
noun
1. verdriet over het leed van anderen
compassió
noun
1. behulpzaam persoon bij een misdrijf
còmplice
noun
1. het mede schuld hebben aan een misdrijf
complicitat
noun
2.
mediana
noun
mediació
noun
1. het voorschrijven van geneesmiddelen
medicament
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
remei
adjective
1. op de geneeskunde betrekking hebbend
mèdic
noun
1. spirituele bezigheid
meditació
verb
meditar
noun
1. Rubia tinctorum
roja
/mel/, /meɫ/, /mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
farina
noun
1. kever ontstaan uit de meelworm die leeft van graan en meel
escarabat de la farina
/meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
llac
pronoun
1.
Llac Leman
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
majoria
adjective
1. de leeftijd bereikt hebbend dat men alle rechten en plichten van een volwassene heeft
major d'edat
noun
1. één van een aantal Afrikaanse apensoorten uit de Cercopithecus-familie
cercopitec
noun
1. bepaald soort watervogel, Fulica atra
fotja
noun
1. meerpaal
bol·lard
adjective
  1. 1. gerelateerd aan meerdere talen
  2. 2. (persoon) meerdere talen sprekend
  1. multilingüe
  2. plurilingüe
noun
1. de staat van meerdere talen te kunnen spreken
  1. multilingüisme
  2. plurilingüisme
/ˈmeːrvɑɫ/
noun
1. benaming voor grote roofvissen uit het geslacht Siluris
silur
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
plural
noun
1. benaming voor kleine weinig schuwe vogels uit de familie Paridae
mallerenga
noun
  1. 1. baas, heer, patroon
  2. 2. virtuoos
  3. 3. schoolmeester
  4. 5. iemand die door het maken van een proefstuk...
  5. 7. meerdere in een sadomasochistische relatie
mestre
adjective
1.
amidable
noun
1. eenheid die gebruikt wordt om meetresultaten in uit te drukken
unitat de mesura
/'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
geometria
/ˈmetlɑt/
noun
1. een langwerpig voorwerp waarmee maten opgenomen worden
regla
/meːβ̞/, /mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
  1. gavina
  2. gavià
noun
megalomania
noun
1. de vijfde maand van het jaar
maig
/ˈmɛɪ̯.dorn/
noun
1.
albespí
noun
1. Melolontha melolontha, schildvleugelig insect dat in mei te voorschijn komt
escarabat de Sant Joan
noun
1. Convallaria majalis
lliri de maig
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
perjuri
/mɛɪˈozə/
noun
1.
meiosi
/ˈmɛɪ̯ʃə/, /ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
  1. noia
  2. nena
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
meitneri
pronoun
1. geboorteplaats van Mohammed en bedevaartplaats voor islamieten
La Meca
/me'latshɛɪt/
noun
1. besmettelijke ziekte veroorzaakt door een bacteriële infectie van de huid
lepra
pronoun
Melanèsia
noun
1. een groep van organische pigmenten
melanina
noun
1. een abnormaal zwarte huid en haar of veren door een aangeboren overmaat aan het organisch pigment “melanine”
melanisme
noun
melanoma
noun
1. een restproduct bij de suikerproductie
melassa
pronoun
1. tweede grootste stad van Australië en hoofdstad van de deelstaat Victoria
Melbourne
noun
1. Atriplex sp, een geslacht van meer dan tweehonderd soorten plantjes...
blet moll
pronoun
Melilla
/mɛlk/
noun
llet
noun
lleter
noun
1. chocolade die bereid is met room of melk
xocolata amb llet
noun
lletsó
/mɛlkə(n)/
verb
1.
munyir
noun
1.het orgaan dat bij het zoogdier de melk produceert
glàndula mamària
/mɛlkku/
noun
1. een soort koe die gekweekt wordt voor haar melkproductie
vaca lletera
noun
1. een tand uit de eerste set tijdelijke tanden van de mens en sommige andere dieren (zoals de hond of de koe), die na verloop van tijd worden vervangen door de permanente tanden
dent de llet
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
via làctia
noun
1. organisch zuur
àcid làctic
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
melodia
adjective
aangenaam klinkend
melodiós
adjective
1.
melòdic
noun
meló
/mɛmbran/
noun
2. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
membrana
noun
pomp waar de pompwerking ontstaat door een membraan te laten trillen
bomba de membrana
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door een trillend vel
membranòfon
/ˈme:mə/
noun
mem
indefinitePronoun
1. iemand, maar niemand in het bijzonder
hom
/ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
mendelevi
/məˈneːr/, /məˈnɪːr/
noun
  1. 2. een nette man
    cavaller
  2. 1. een formele manier om een man aan te spreken
    senyor
/menə(n)/
verb
  1. 3. denken, een mening toegedaan zijn
    creure
  2. 1. de bedoeling hebben
    voler dir
verb
1. het homogeniseren van twee of meer zaken
mesclar
noun
barreja
noun
1.
menhir
/ˈmeːnɪŋ/
noun
1. oordeel, opinie
opinió
noun
meningitis
noun
1. het hebben van een andere opinie over iets
desacord
noun
menisc
noun
1. levensfase waarin vrouwen niet langer menstrueren
menopausa
/məno'ra/
noun
1. kandelaar met zeven armen
menorà
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
  1. humà
  2. home
adjective
  1. 1. zoals de mens
  2. 2. goed voor de medemens
humà
noun
1. de bekendste en de meest gevreesde haai, Carcharodon carcharias
tauró blanc
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
drets humans
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
humanitat
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
menstruació
verb
menstruar
/ˌmɛn.taː.liˈtɛit/
noun
mentalitat
noun
1. vluchtige olie die een belangrijk bestanddeel is van pepermuntolie,...
mentol
noun
mentor
noun
menú
noun
1.
minuet
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Meran
pronoun
Mercuri
/meːrəl/, /ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
  1. merla
  2. tord negre
verb
amarrar
noun
  1. 2.
    medul·la
  2. 1. zacht weefsel in de kern van een bot
    1. medul·la
    2. moll
noun
1. halve cirkel die de beide polen met elkaar verbindt
meridià
noun
meritocràcia
noun
2. een herkenbaar product door een bepaalde producent vervaardigd
marca
noun
1. een term die een deel van iets anders weergeeft
merònim
noun
1. vrouwelijk paard
  1. cavall
  2. euga
  3. egua
noun
1. snijwerktuig
  1. ganivet
  2. coltell
  3. cotell
noun
1.
mesó
adjective
1.
mesopotami
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
Mesopotàmia
noun
mesosfera
noun
1.
ganiveter
/mɛˈsijɑs/
pronoun
1. de in de joodse Tenach voorspelde Redder die door God gezonden zal worden en die door de christenen met Jezus gelijkgesteld wordt
Messies
adjective
llautó
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
  1. fem
  2. adob
noun
1. iemand van gemengd Europese en indiaanse afkomst
mestissa
/ˈmɛstkevər/
noun
1. een donkergekleurde kever die zich met mest voedt
escarabat piloter
/mɛd/, /mɛt/
preposition
amb
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
metall
noun
1. instrument om metalen voorwerpen op te sporen
cercametalls
noun
1. stofwisselprodukt
metabòlit
noun
1. het geheel van de biochemische processen op celniveau
metabolisme
/me.ta.ˈfɔːr/, /mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
metàfora
noun
1. de wijsgerige leer die niet de werkelijkheid onderzoekt zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke ervaring, maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert
metafísica
/ˌmetaˈfizis/
adjective
1. bovennatuurlijk; (nog) niet met de gangbare wetenschap te verklaren
metafísic
noun
metallúrgia
noun
metamorfosi
noun
1. taal met behulp waarvan dezelfde of een andere taal wordt beschreven
metallenguatge
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
mesurar
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
meteor
/meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
meteorologia
noun
1. de SI-eenheid van lengte
metre
noun
acompanyant
noun
1. CH₄
metà
/meˈtodə/
noun
mètode
noun
1. Een stroming in het protestantisme
metodisme
/ˌmetodoloˈɣi/, /ˌmetodoloˈχi/
noun
metodologia
adjective
meticulós
noun
mesura
/mæː.to.ˈny.mi.ja/
noun
metonímia
/mæː.to.ny.ˈmiː/
noun
metonímia
adjective
mètric
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
metro
/ˌmetroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
metrologia
noun
metrònom
noun
1. wereldstad
metròpoli
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
paleta
verb
1. losse stenen met voegspecie samenvoegen om zo een muur te bouwen.
construir
noun
1. stuk huisraad
moble
noun
1. een vakman die beroepsmatig meubels vervaardigt
ebenista
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
senyora
adjective
mexicà
/ˈmɛg.zi.ˌko/, /ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
Mèxic
/mə'zuza/
noun
1.
mezuzà
interjection
1. het geluid van een kat
mèu
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
miolar
noun
micel·la
/miˈxa/, /ˈmiʃa/
pronoun
Miquees
/ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
microorganisme
noun
1. een levend micro-organisme
microbi
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
microbiologia
/ˌmɪkrobɪoˈloɣɪs/
adjective
1. met betrekking tot de microbiologie
microbiològic
noun
micròfon
/ˈmik.ro.χɔl(ə)f/, /ˈmɪk.ro.ɣɔlf/
noun
2. elektromagnetische golf van 0,1 mm tot 1 cm lengte
microona
noun
1. miljoenste gram
microgram
noun
2.
micròmetre
noun
geïntegreerde schakeling die de hele CVE van een computer bevat op één enkele chip
microprocessador
/mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
microscopi
adjective
1. zeer klein, voor het blote oog onzichtbaar
microscòpic
noun
1. het midden van de dag, 12.00
migdia
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
dinar
/ˈmɪdəɫ/
noun
  1. 2. iets met behulp waarvan een doel bereikt kan worden
  2. 4. geld, bezit
mitjà
/ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
edat mitjana
/ˈmɪdəɫɪ:ws/
adjective
1. gerelateerd aan de middeleeuwen
medieval
pronoun
1.
  1. francès mitjà
  2. francés mitjà
noun
1.
mitja muntanya
pronoun
1. Hoogduitse dialecten uit de periode 1050-1350
alt alemany mitjà
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
  1. Mar Mediterrània
  2. Mediterrània
noun
1. middellijn
diàmetre
/ˌmɪdəɫˈmatəx/
adjective
2. niet in positieve zin opvallen
mediocre
noun
1. van een cirkel of bol is het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft
centre
noun
ànnera peixatera
noun
1. vinger
  1. dit del mig
  2. dit mitger
noun
1. het centrale deel
mig
noun
1. regio die bestaat uit Zuidwest-Azië en het noordoosten van Afrika
Orient Mitjà
noun
orella mitjana
noun
spier- en peesachtig tussenschot tussen borstholte en buikholte
diafragma
noun
1.
centrecampista
/ˌmɪdərˈnɑxt/, /ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
mitjanit
noun
sol de mitjanit
noun
crisi de la mitjana edat
verb
1. via de blaas als vloeistof lozen van lichamelijke afvalstoffen
pixar
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
formiga
noun
equidna
noun
1. benaming voor tandloze zoogdieren uit de onderorde Vermilingua
ós formiguer
noun
2. wortel
rave rusticà
noun
1. slapjanus, kleinzerig persoon
marieta
noun
1. schele hoofdpijn
migranya
noun
migració
verb
  1. 1. trekken, verhuizen, zich verplaatsen
  2. 2. gegevens zoals een bestand of code overzetten naar een ander computersysteem en/of netwerk
migrar
abbreviation
em
verb
1. ontwijken, trachten niet in aanraking te komen met iets of iemand
evitar
/mɛi̯l/
abbreviation
milla
noun
1. een paal die op elke mijl staat
fita
/mɛi̯n/
noun
1. onderaardse plaats waar delfstoffen gewonnen worden
mina
/mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
meu
noun
1. het bedrijven van winning van delfstoffen
mineria
noun
1. brandbaar, giftig, reukloos gas dat in steenkoolmijnen voor kan komen vooral bestaande uit methaan (CH₄)
grisú
noun
  1. 1. een aanspreektitel voor een man
  2. 2. de heer des huizes
senyor
noun
1. een verticale, meestal cilindervormige toegangsweg tussen het aardoppervlak en plaatsen...
pou d'extracció
noun
1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
àcar
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
mitra
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Milà
/mi.li.ˈjøː/, /mɪɫˈjø/
noun
2. de wereldwijde natuurlijke omgeving
medi ambient
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
adjective
1. met het leger te maken hebbend
militar
noun
militarisme
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
  1. miliard
  2. mil milions
noun
1. 1.000.000
milió
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
milionari
noun
1. dikke koude drank
batut de llet
noun
1. een periode van 1000 jaar
mil·lenni
noun
1. een lengtemaat ter grootte van een duizendste meter
mil·límetre
noun
mil·lisegon
/mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
melsa
adverb
1. minus, verminderd met (-)
menys
/ˈmɪnɑxtɪŋ/
noun
1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
menyspreu
noun
minaret
/ˈmɪndər/
indefiniteCardinalNumeral
1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
menys
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal minder dan de helft uitmaakt
minoria
noun
llengua minoritària
adjective
1. onder de 18 jaar, waardoor de rechten en plichten van een volwassene nog niet gelden
menor
noun
inferioritat
/minəˈral/
noun
mineral
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
aigua mineral
noun
mineralogia
/ˈminimal/
adjective
1. het kleinst mogelijk
mínim
adjective
1.
minimalista
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
ministre
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
primer ministre
noun
  1. 1. tijdeenheid
  2. 2. hoek
minut
noun
Miocè
noun
murta
noun
1. een godsdienstoefening in de katholieke kerk, een eucharistieviering
missa
noun
1. haat tegen mannen
misàndria
/'mɪsbrʌʏk/
noun
abús
/mɪzˈbrœykən/, /mɪzˈbrœːkən/
verb
op een slechte wijze gebruik maken van iets of iemand
abusar
noun
1. een handeling die een ernstig vergrijp tegen het wetboek van strafrecht is
  1. delicte
  2. crim
noun
1. is iemand die de priester helpt tijdens het opdragen van de mis
escolanet
noun
1. een misdaad of delict
delicte
noun
1.
adversistat
/mɪzˈdʒɛndərən/
verb
verwijzen naar een persoon met termen die het verkeerde gender uitdrukken
malgeneritzar
verb
1. iemand slecht behandelen en pijn doen of verwonden
maltractar
verb
1. iemand in de waan van iets brengen
equivocar-se
noun
1. iets dat niet goed is gegaan
fracàs
noun
  1. 2. vrucht van de mispelboom
    nespla
  2. 1. bepaald soort loofboom Mespilus germanica
    nespra
/məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
potser
noun
nàusea
/ˈmɪsə(n)/
verb
  1. 1. niet raken, niet treffen
  2. 6. de afwezigheid voelen van
enyorar
noun
1. een doeleind dat verwezenlijkt dient te worden
missió
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
boira
noun
1. mengsel van niet of maar gedeeltelijk gegist druivensap, alcohol en soms ook suiker
mistela
adjective
1. met mist
boirós
/ˈmɪsfərstɑnt/
noun
1. het verkeerd begrijpen van elkaars bedoelingen
confusió
noun
1.wijn die gebruikt wordt in de misdiensten
vi de missa
/ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
mitocondri
/miˈtozə/
noun
1.
mitosi
adjective
1. gemakkelijk verplaatsbaar of bewegend
mòbil
/moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
telèfon mòbil
noun
mobilització
noun
1. beweeglijkheid
mobilitat
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
fang
/ˈmodə/
noun
moda
noun
maqueta
noun
1. (luchtvaart) een op schaal nagebouwd vliegtuig dat vaak op afstand bestuurd kan worden en kan vliegen
aeromodel
/moˈdɛrn/
adjective
1. van deze tijd, volgens de laatste mode
modern
/mo.dɛr.ni.ˈzɪː.rə(n)/, /mo.dɛr.nɪ.ˈzeː.rə(n)/
verb
1. modern maken
modernitzar
noun
modernisme
noun
modernitat
verb
modificar
noun
modulació
noun
mòdul
/muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
cansat
/mud/, /mut/
noun
1. dapperheid, lef, branie
coratge
noun
1. een vrouwelijke ouder
mare
noun
placa mare
noun
1. een dag ter ere van de moeders
Dia de la Mare
/ˈmudər.kuk/
noun
alternatieve benaming van placenta
colga
adjective
1.met de liefde en zorg van een moeder
maternal
noun
1. het fungeren als moeder
maternitat
noun
llengua materna
/ˈmuːdəx/, /ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
  1. valent
  2. coratjós
noun
1. de diersoort waartoe het tamme schaap behoort, Ovis gmelini
mufló
/mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
difícil
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
dificultat
/ˈmuitə/
noun
1. een grote inspanning
esforç
adjective
1. geen moeite kostend
barat
noun
  1. [A]
    femella
  2. [C] 1. drassig land, vooral gebruikt voor natte veengebieden
    aiguamoll
noun
aiguamoll
noun
móra
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
monsó
verb
1. gedwongen zijn
haver de
pronoun
1. een rivier die ontspringt in de Vogezen en na 544 kilometer bij Koblenz in de Rijn uitmondt
Mosel·la
adjective
1. een keuze om iets te doen
possible
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
possibilitat
/'mo.χə(n)/
verb
1. toegestaan zijn
poder
noun
1. drinkbeker
tassa
noun
1. zware hamer met korte steel
maceta
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
    talp
  2. 3. hoeveelheid van een stof die net zo veel deeltjes bevat als er atomen...
    mol
/mɔlˈdaːvi.jə/, /mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
Moldàvia
/moləˈkyle/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molècula
/moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molècula
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
molí
/ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
moliner
noun
1. een ronde steen die onder andere in windmolens en watermolens wordt gebruikt voor het malen van granen en andere producten, zoals boekweit, erwten en bonen, lijnkoeken en eikenschors
mola
adjective
1. een beetje dik, volslank
grassonet
noun
1. met brandbare stof gevulde glazen fles die via een lont of lap stof wordt ontstoken
còctel Molotov
noun
1.
talpera
noun
1. Chemisch element
  1. molibdèn
  2. molibdè
noun
1. zeer korte tijd
moment
/moˈnako/, /ˈmo.na.ko/
pronoun
  1. 1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
  2. 2. de hoofdstad van Monaco
Mònaco
noun
monarca
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
monarquia
/[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
boca
abbreviation
1. een zeer besmettelijke virusziekte (Aphtae epizooticae) die evenhoevige dieren, vooral runderen treft
febre aftosa
adjective
1. via het gesproken woord
oral
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
harmònica
noun
1. een klein tokkelinstrument en lamellofoon waarbij de klank gevormd wordt door een dunne lamel aan te tokkelen waarbij het frame tussen de tanden of tegen de lippen wordt gehouden
arpa de boca
/ˈmɔndɪŋ/
noun
1. plaats waar een rivier uitkomt in zee of meer
desembocadura
noun
1. dat deel van een blaasinstrument dat in de mond genomen wordt of aan de lippen gezet
embocadura
/ˈmɔntwatər/
noun
1. vloeistof waarmee de mondholte kan worden gespoeld
glopeig bucal
/mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Mongòlia
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
  1. mongol
  2. mogol
/ˈmoniˌtɔr/
noun
beeldscherm
monitor
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
monjo
noun
3. plant
  1. acònit
  2. tora
noun
1. een bril voor één oog
monocle
/ˈmonokʏɫˌtyːr/
noun
  1. 1. landbouw met één gespecialiseerd gewas
  2. 2. eenzijdige samenstelling van mensen, producten of diensten binnen een samenleving.
monoconreu
noun
1. het samenleven of getrouwd zijn met één persoon
monogàmia
noun
1. figuur met initialen
monograma
noun
monòlit
adjective
2. van iets dat het kolossaal groot is en uit één massief brok bestaat
monolític
/ˌmonoˈlox/
noun
1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
monòleg
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
monopoli
noun
1.
monorail
noun
1. een behandeling met één geneesmiddel
monoteràpia
noun
monoteisme
noun
monòxid
noun
1. schrikwekkend wezen
monstre
/ˌmɔntəneˈgrɛɪ̯ns/, /ˌmɔntəneˈgrɛːns/, /ˌmɔntəneˈɣrɛɪ̯ns/
pronoun
1. vorm van het Servo-Kroatisch, gesproken in Montenegro
montenegrí
/ˌmɔntəˈnegro/, /ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Montenegro
/mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
Montserrat
noun
1. een groot gedenkteken
monument
adjective
zeer groot en indrukwekkend
monumental
/moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
bonic
/ˈmoːrd/, /ˈmoːrt/, /ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
assassinat
verb
1. rondgaan om moorden te plegen
assassinar
/mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
assassí
noun
1. anekdote met een verrassend en komisch slot
acudit
/moˈral/
noun
moral
noun
1.
moralista
pronoun
Moràvia
pronoun
1. autonome republiek van Rusland
Mordòvia
/moˈrel/
adjective
moral
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
morfema
noun
1.een alkaloïde dat het werkzame bestanddeel van opium is
morfina
/ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
  1. 1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
  2. 4. de wetenschap die de vorm van de oppervlakte van de aarde bestudeert
  3. 2. de wetenschap van de bouw van organismen
morfologia
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
demà
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
noun
1. eerste deel van de dag
matí
noun
1. benaming voor de planeet Venus
estel de l'alba
noun
1. bijnaam van een lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
mormó
adjective
1. behorend tot, passend bij de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
mormó
noun
1. weergave van letters, leestekens en cijfers door patronen van korte en lange signalen met tussenpozen
codi Morse
/'mɔrsə(n)/
verb
1.
vessar
noun
1. het sterftecijfer
mortalitat
noun
  1. 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
  2. 2,3 korte kanontypen
morter
noun
molsa
noun
1. een scheikundig element met het symbool Mc en het atoomnummer 115
moscovi
noun
1. een boom uit de napjesdragersfamilie
roure cerris
noun
1. gebedshuis
mesquita
pronoun
1.
Moscou
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
musulmà
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
musclo
adjective
1. met mos bedekt
molsut
noun
1. gistend vruchtensap, meestal van druiven
most
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
mostassa
noun
mostassa sulfurada
noun
1.
grans de mostassa
noun
1. een vlinderachtig insect
arna
noun
moció
noun
2.3.
motiu
noun
motivació
/'mo.tɔr/
noun
1. krachtbron
motor
noun
1. een klein tot middelgroot bootje dat voortbewogen wordt door middel van een motor
llanxa motora
noun
moto
noun
1. lichte neerslag in de vorm van heel kleine druppeltjes water
plovisqueig
noun
bicicleta de muntanya
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky,...
malt
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
  1. mànega
  2. màniga
adjective
1. zonder mouw
sense mànigues
/ˌmo.zɑm.ˈbik/, /ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
Moçambic
noun
mosaic
/ˈmysli/, /ˈmyə̯zli/
noun
1. eten gemaakt van graanvlokken, zuivel, fruit en noten
musli
/mɵf/
adjective
1. onaangenaam en bedorven ruikend
passat
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
mosquit
adjective
1. al te zeurderig en precies
llepafils
noun
1. bek van een groot dier
boca
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
  1. mul
  2. matxo
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
mul somerí
noun
1.een leren of metalen korf die voor de bek van een dier gespannen wordt om bijten onmogelijk te maken
morrió
/mœʏ̯s/, /mœːs/
noun
  1. 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
  2. 3. computermuis
ratolí
/ˈmœʏʃjə/
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord muis
ratolí
/ˈmœʏsmɑt/, /ˈmœːsmɑt/
noun
1. een onderlegger voor een computermuis
estoreta del ratolí
verb
1. in opstand komen tegen wettige autoriteit
amotinar
noun
1.
amotinada
noun
motí
noun
1.
ratera
/ˈmʏltidɪsɪpliˌnɛ:r/
adjective
1. betrekking hebbend op meerdere disciplines
multidisciplinari
noun
multinacional
noun
esclerosi múltiple
noun
1. composietplaat die bestaat uit meer dan 3 gelijmde laagjes hout
contraplacat
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
mòmia
verb
1.van een overledene een mummie maken
momificar
noun
1. en 2. (boon van) eenjarige plant Vigna radiata
mongeta mung
/mʏˈnitsi/, /mʏˈnisi/
noun
schietbenodigdheden
munició
noun
1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
menta
pronoun
Múrcia
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
  1. pardal
  2. gorrió
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
museu
noun
1.
musicòleg
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
músic
noun
1.
mosqueter
/'mɵskɵs/
noun
1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
almesc
noun
1. plomp hoefdier met grote kop en brede snuit
bou mesquer
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
rata mesquera
noun
1. een sprongsgewijze verandering
mutació
noun
1. onvermogen om te spreken
mutisme
/myːr/
noun
1. verticale vlakke constructie van metselwerk
  1. paret
  2. embà
noun
1. Umbilicus rupestris
barretets
noun
mural
noun
musa
noun
musulmá
/my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
música
/myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
  1. instrument musical
  2. instrument de música
noun
1.een school waar men muziek leert maken
escola de música
noun
1.het bestuderen van de muziek in al haar vormen
musicologia
noun
1. iemand die muziek maakt
músic
/ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
micologia
/ˌmikoˈloɣis/
adjective
1. met betrekking tot schimmels
micològic
/miˈkozə/
noun
1. een door een schimmel veroorzaakte ziekte
micosi
noun
1. afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
miopia
noun
1. een grote groep mensen, een ontelbare menigte
miríada
/miˈstɪːri/
noun
misteri
adjective
misteriós
/ˈmitə/
noun
mite
adjective
mític
/mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
mitologia
preposition
1. in tijd volgend op
  1. després de
  2. darrera de
/'natlos/
adjective
1. zonder naad aan elkaar bevestigd
inconsútil
/naf/
noun
1. centrale as of middenstuk van een wiel of rad
boixa
noun
canvi intern
/ˈnaːi̯ə(n)/
verb
1. naaldwerk verrichten
cosir
noun
màquina de cosir
noun
1. een vrouw die naaiwerk verricht
modista
/naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
nu
noun
1. het naakt zijn
nuesa
noun
llimac
/nald/, /naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
agulla
noun
conífera
noun
  1. 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
    nom
  2. 2. bekendheid, reputatie
    1. reputació
    2. nom
noun
1. een dag waarop een heilige wordt herdacht
dia onomàstic
noun
1. iets of iemand met dezelfde naam
homònim
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
cas
/namwort/
noun
1. een woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt
nom
/naːr/
adverb
1. in de richting van
cap a
preposition
1. aan de zijkant van
al costat
noun
1. liefde jegens de medemens
caritat
adjective
1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
pròxim
noun
proximitat
/'na.bo.tsə(n)/
verb
1. nadoen, imiteren
imitar
adjective
1. in de buurt ervan gelegen
veí
/nɑx/, /nɑxt/, /nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
nit
noun
1. een uitgaansgelegenheid voor volwassenen
club nocturn
noun
1. het verrichten van nachtelijke werkzaamheden volgens een diensrooster
torn de nit
noun
1. een dier dat overdag slaapt en 's nachts actief is
animal nocturn
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
rossinyol
adjective
nocturn
noun
camisa de dormir
noun
tauleta de nit
noun
  1. 1. een zeer angstige droom
  2. 2. een schrikbeeld
malson
noun
1.
morella
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
arna
noun
enganyapastors
/na'dɑt/
conjunction
acabat que
noun
1. ongunstige eigenschap
desavantatge
noun
1. denkbeeldig punt aan de sterrenhemel loodrecht onder de waarnemer
nadir
/'nadrɵk/
noun
1. een bijzondere aandacht die besteed wordt
èmfasi
/ˈnaː.ɣəˌbor.tə/
noun
3. de moederkoek, navelstreng en vliezen die het lichaam van de moeder verlaten nadat de baby is geboren
secundines
noun
  1. 3. spijker
    1. clau
    2. ungla
  2. 1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
    1. ungla
    2. grapa
noun
1. schoonheidsmiddel
  1. esmalt d'ungles
  2. pintaungles
noun
  1. postres
  2. darreries
/ˈna.wɑtl̥̩/, /ˈna.wɑtl̩/
pronoun
1. benaming voor de talen die door de oorspronkelijke bewoners van Mexico gesproken worden
  1. Nàhuatl
  2. nàhuatl
/ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Nahum
noun
1. herfst
tardor
adjective
1. van iets dat in de nabije toekomst gaat gebeuren
imminent
/ˈnamələk/
abbreviation
és a dir
pronoun
1. provincie in het oosten van België
Namur
/na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
Namíbia
noun
1. tijd aan het einde van de middag
horabaixa
noun
nyandú
noun
nanogram
noun
1.
nanòmetre
noun
nanosegon
adjective
1. van na de oorlog
postguerra
pronoun
1. stad in Italië
Nàpols
adjective
1.
napoleònic
adjective
1. een taal die in Napels, Campanië, Basilicata en noordelijk Calabrië gesproken wordt
napolità
noun
narcís
noun
narcisisme
adjective
narcisista
pronoun
1. de taal van de Narom
narom
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Monodon monoceros
narval
/naˈsal/
adjective
1. met betrekking tot de neus
nasal
noun
1. een veranderde smaak van iets dat men al heeft doorgeslikt heeft en in het begin anders smaakte
deixat
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
moll
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
nació
noun
estat nació
adjective
1. op een volk met een eigen land betrekking hebbend
nacional
noun
nacionalsocialisme
verb
nacionalitzar
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
nacionalisme
noun
nacionalista
noun
nacionalitat
verb
1.
mullar
noun
sodi
noun
bicarbonat de sodi
verb
nacionalitzar
noun
überhaupt
natura
noun
1. natuurhoorn
trompa de caça
/naˈtyrkʏndə/, /naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
física
adjective
1. uit de natuur afkomstig
natural
noun
1. mens van vlees en bloed die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
persona física
noun
1. een ongelukkige gebeurtenis die door de natuur veroorzaakt wordt
catàstrofe natural
/na.ˈu.ru/, /naˈuru/, /ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
Nauru
/nɑuruˈwans/
pronoun
1. taal die door 6 000 mensen wordt gesproken in Nauru
nauruà
adjective
1. een geringe breedte hebbend
estret
adverb
1. slechts in geringe mate
a penes
noun
1. de mate waarin men zaken tot in de puntjes behandelt
precisió
pronoun
1. taal die het zuidwesten van de Verenigde Staten wordt gesproken door 170 duizend Navajo's
navaho
pronoun
Navarra
/'navəl/
noun
  1. melic
  2. llombrígol
noun
1. opeenhoping van wollig materiaal in iemands navel
borrissol del melic
/ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
cordó umbilical
noun
navegació
noun
1. NAVO
OTAN
adjective
càndid
noun
1. interstellaire gas- en stofwolken die worden beschouwd als de geboorteplaats van de sterren
nebulosa
pronoun
1.
Neckarsulm
noun
1. de afsterving van weefsel
necrosi
noun
2. een perzikachtige vrucht van boom Prunus persica var. nucipersica
nectarina
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Baixa Àustria
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal...
baix alemany
/ˈne.dər.ˌfrɑŋ.kis/
noun
1. de verzamelnaam voor een aantal West-Germaanse talen en taalvariëteiten die van het Oudnederfrankisch afstammen
baix fràncic
noun
1. het verlies van een strijd
  1. derrota
  2. desfeta
/ˈnedərˌlɑnt/, /ˈneːdərˌlɑnd/, /ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
  1. Països Baixos
  2. Holanda
/ˈne.dər.ˌlɑn.dər/
noun
1. inwoner van Nederland of persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit
holandès
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
adjective
1. met betrekking tot Nederland of de Nederlandse taal
  1. holandès
  2. holandesa
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
  1. neerlandès
  2. holandès
/ˈne.dər.ˌlɑn.tsə/, /ˈne.dər.ˌlɑnd.sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Nederland, vrouw uit Nederland
holandesa
/ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
Antilles Neerlandeses
noun
1. gebarentaal gebruikt door de dovengemeenschap van Nederland
llengua de signes neerlandesa
pronoun
Baixa Saxònia
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal zonder Hoogduitse klankverschuiving
baix alemany
noun
1. een vestiging, een bewoonde plaats
assentament
/neː/
interjection
1. ontkenning
no
noun
  1. 2. kozijn
    cosí
  2. 1. mannelijke oomzegger
    nebot
/nen/
interjection
nee
no
noun
1. hemelwater
precipitació
verb
1. het vliegvermogen verliezen en onzacht op de aarde terugvallen
xocar
noun
nefrologia
adjective
1. ontkennend, afwijzend
negatiu
noun
negacionisme
/ˈne.ɣə(n)/, /ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
nou
/ˈne.ɣən.də/, /ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
novè
cardinalNumeral
1. het getal 39
trenta-nou
cardinalNumeral
1. het getal 99
noranta-nou
cardinalNumeral
1. het getal 89
huitanta-nou
cardinalNumeral
1. het getal 29
vint-i-nou
cardinalNumeral
1. het getal 49
quaranta-nou
cardinalNumeral
1. het getal 59
cinquanta-nou
cardinalNumeral
1. het getal 69
seixanta-nou
/ˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 79
setanta-nou
noun
enneàgon
/ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
  1. nou cents
  2. nou-cents
cardinalNumeral
1. het getal 19
dinou
ordinalAdjective
desè novè
/ˈne.ɣə(n).təx/, /ˈne.ɣə(n).tɪx/, /ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
noranta
ordinalAdjective
nonagèsim
verb
1. doen alsof iemand of iets niet bestaat
ignorar
pronoun
Nehemies
/nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
  1. nuca
  2. clatell
/ˈne.mə(n)/
verb
1. iets vastpakken met de handen
  1. agafar
  2. prendre
noun
1. kunststroming
neoclassicisme
noun
neodimi
adjective
1.
neoliberal
noun
neoliberalisme
/nejoˈlitikʏm/
noun
neolític
/ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
neologisme
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
neó
/ˈnepɑɫ/, /ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
Nepal
/nepo'tɨzmə/
noun
1.
nepotisme
noun
1. Chemisch element
neptuni
pronoun
Neptú
adverb
enlloc
noun
  1. 1. benaming voor bepaalde pelsdieren uit de familie der marterachtigen
  2. 1. pels van een nerts
visó
adverb
1. lijdend aan gespannen zenuwen
nerviós
/nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
  1. niu
  2. llar
noun
1. een geheel van fijne draden
xarxa
noun
3. sport die veel lijkt op korfbal en basketbal
netbol
noun
1. plant
ortiga
/ˈnɛcəs/
adjective
1. net, schoon
endreçat
/ˈnɛcəs/
adverb
1. op een nette manier
endreçat
noun
1. tweede maag van herkauwers
reticle
adverb
net
noun
xarxa
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
follar
adjective
1. met betrekking tot de zenuwen
neural
noun
1. zenuwontsteking
neuritis
noun
1. de studie van alles wat met de ontwikkeling en werking van het zenuwstelsels te maken heeft.
neurobiologia
noun
1. de chemische processen in zenuwstelsels
neuroquímica
noun
1.
neurocirurgià
noun
1.
neurocirurgia
/ˈnøːroˌhipoˌfizə/, /ˈnʏːroˌhipoˌfizə/
noun
1. het neurale deel van de hypofyse, vanwaar bepaalde hormonen geproduceerd in de hypothalamus afgegeven worden
neurohipòfisi
noun
1. een discipline binnen de biologie en geneeskunde die zich bezighoudt met alles wat aandoeningen van het centrale zenuwstelsel betreft
neurologia
adjective
1. met betrekking tot de zenuwen
neurològic
noun
neuròleg
adjective
1. met betrekking tot zenuwen en spieren
neuromuscular
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
neurona
noun
1. zenuwziekte
neuropatia
noun
neuropsicologia
adjective
1. met betrekking tot een ziekelijke houding
neuròtic
/ˈnøːrotransˌmɪtər/, /ˈnøːrotrɑnsˌmɪtər/, /ˈnʏːrotrɑnsˌmɪtər/
noun
1. een chemische stof die fungeert als overbrenger van de zenuwprikkel
neurotransmissor
noun
neurociència
/nøʏs/, /nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
nas
noun
1. bepaald soort zoogdier, Nasua nasua
coatí
noun
nariu
noun
1. het eerste stuk van het luchtwegstelsel waar de ingeademde lucht doorheen gaat
cavitat nasal
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
rinoceront
noun
1.
calau
noun
1.
conca nasal
/nøˈtral/
adjective
1. geen partij kiezend in een conflict
neutral
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
neutralitat
noun
neutrí
noun
neutró
noun
estrella de neutrons
noun
2. wolken in de nabijheid van de grond, ontstaan door plaatselijke oorzaken zoals door afkoeling of door menging van koude met warme vochtige lucht
boira
noun
1. bepaald soort zoogdier, Neofelis nebulosa
pantera nebulosa
/nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
Nova York
pronoun
1.
Terranova
noun
Cant dels Nibelungs
/ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
Nicaragua
noun
  1. 3. dochter van iemands oom of tante
    cosina
  2. 1. dochter van iemands broer of zus
    neboda
noun
nicotina
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
ningú
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
ronyó
noun
1. een samengroeisel in het nierbekken dat meestal uit urinezuur en urinezure zouten bestaat
càlcul renal
noun
1. glibberige stof, gewonnen uit het weefsel rond de beide organen die bij zoogdieren het bloed zuiveren
sèu
noun
1.
esternut
noun
1. giftige plant die vroeg in het voorjaar bloeit
el·lèbor
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
no
noun
1. een apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
engrapadora
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
grapa
noun
1. apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
engrapadora
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
res
noun
1. iemand die voor niets deugt
inútil
postposition
no obstant
adverb
nogensmenys
/niβ̞/, /nyʊ̯/
adjective
    1. 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
    2. 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
    3. 2. recentelijk ontdekt
    4. 3. huidige
    5. 5. in originele staat
    6. 6. vreemd, onbekend
    nou
    1. 1. recentelijk gemaakt
    2. woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
    1. nou
    2. nova
pronoun
Nova Caledònia
pronoun
1.
Nova Guinea
/niβ̞.ˈze.lɑnt/, /nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
Nova Zelanda
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Nova Gal·les del Sud
noun
1. nieuwe maan
lluna nova
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
Nou Testament
noun
1. iets dat nieuw is
novetat
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
any nou
/niu̯s/
noun
  1. 1. actuele ontwikkelingen
  2. 2. een uitzending in de media waarin berichten over actuele ontwikkelingen worden verspreid aan het publiek
notícies
/ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
  1. curiós
  2. curiosa
/niu'sxirəxɛit/
noun
1. het verlangen naar kennis
curiositat
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
esternudar
/'ni.ɣər/, /'ni.χər/
pronoun
  1. 1. land in West-Afrika
  2. 2. een rivier in West-Afrika
Níger
/ni.'ɣeː.ri.ja/, /ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Nigèria
noun
1. binnen de filosofie een begrip dat wordt gebruikt om de ontkenning van het bestaan van betekenis...
nihilisme
noun
1. zelfstandig denker die vindt dat voor werkelijke verbetering dingen die nu...
nihilista
/nɛɪt/
noun
1. grondige afkeer
enveja
pronoun
1.
Nil
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
hipopòtam
pronoun
Nimega
noun
nicab
noun
1. Chemisch element
níquel
noun
  1. 1. wezen dat rivieren, bossen enz. bewoont
  2. 2. bekoorlijk meisje
  3. 4. insect in de tweede toestand van gedaanteverwisseling
nimfa
adverb
1. op geen enkel moment
mai
/niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
niobi
noun
1. de hoogste staat die door de mens bereikt kan worden, en waardoor heiligheid behaald wordt; toestand van volkomen rust
nirvana
/nɪs/
noun
1. een inham in een muur
nínxol
noun
  1. 1. een zout van salpeterzuur dat het ion NO₃− bevat
  2. 2, een ester van salpeterzuur
nitrat
noun
1. een verbinding van stikstof waarin dit element in de oxidatietoestand -3 optreedt
nitrur
noun
1. de rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, enzovoort
nivell
verb
1. gelijk maken, op gelijk niveau brengen
anivellar
noun
1. scheikundig element
nobeli
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
Premi Nobel
conjunction
ni
/'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
necessari
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
denominador
adverb
encara
pronoun
1. Turkse taal gesproken door 87 duizend mensen in het zuiden van Rusland
nogai
noun
1. as met nokken
arbre de lleves
noun
nòmada
adjective
1.
nòmada
noun
nomenclatura
noun
nominació
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
cas nominatiu
/nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
monja
adjective
no-binari
adjective
1. achteloos, onbekommerd
despreocupat
noun
1. nonius
peu de rei
/ˈnɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
tiet
noun
  1. bajanada
  2. bestiesa
noun
  1. 1.
    emergència
  2. 2.
    necessitat
noun
emergència
noun
1. datgene wat het toeval iemand doet overkomen
destí
noun
estat d'emergència
adjective
1. erg nodig
necessari
/ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
mai
/noːr/, /no̝ːr/
noun
1. een inwoner van Noorwegen
noruec
/nɔːrt ˈafrɪkɑ/, /nɔːrt ˈɑfrɪkɑ/
pronoun
gedeelte van het Afrikaanse continent ten noorden van de Sahara
Àfrica del Nord
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
Amèrica del Nord
/noːrd.ˈbra.bɑnt/, /no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
Brabant Septentrional
pronoun
het noordelijk deel van Europa
Europa del Nord
/noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
Holanda Septentrional
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1.
Irlanda del Nord
pronoun
1. regio van Finland
Carèlia Septentrional
/ˌnoːrt koˈre.ja/, /ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
Corea del Nord
pronoun
1.
Macedònia del Nord
pronoun
1. Australisch territorium gelegen in het noorden van het land
Territori del Nord
noun
1. windrichting
nord
pronoun
Illa del Nord
pronoun
1. Noordpool
pol Nord
/ˈnoːrdzeː/, /ˈnoːrtseː/, /ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
  1. Mar del Nord
  2. mar del Nord
/noːrs/, /no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
  1. noruec
  2. noruega
/noːrs/, /no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
noruec
/ˈnoːrˌweɣə(n)/, /ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Noruega
/noːt/
noun
3. (muziek) een geluid van zekere tijdsduur
nota
noun
1. en 2. (gepeld) zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
nou moscada
noun
norma
/nɔrˈmaɫ/
adjective
2. als norm dienend
normal
noun
1. in overeenstemming brengen met een norm
normalització
noun
normalitat
/nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Normandia
noun
1. de studie van het ontstaan en verloop van ziekten
nosologia
noun
nostàlgia
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
notari
noun
1. een boomsoort uit het geslacht Juglans
noguera
noun
trencanous
verb
1. aantekeningen maken
anotar
noun
1. een verslag van een bijeenkomst
acta
noun
1. de elfde maand van het jaar
novembre
pronoun
Revolució Alemanya
adverb
1. op het huidige tijdstip
ara
/nɵxtər/
adjective
1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
sobri
/nykleʏs/
noun
1.
nucli
noun
1.
nudisme
/nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
zero
noun
1. de meridiaan die gebruikt wordt in de landmeetkunde als referentie voor het bepalen van de lengte van een punt op de aarde of een ander hemellichaam
meridià zero
/ˈnumeɾi/
pronoun
Nombres
adjective
1.
numèric
noun
1. de munt- en penningkunde
numimàtica
/ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
  1. número
  2. nombre
adjective
útil
adjective
niló
/o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
oasi
/oˈbɑtja/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Abdies
noun
1. een bediende in een restaurant of café
cambrer
noun
1. vetzucht
obesitat
noun
1. lens
objectiu
adjective
obscè
noun
1. (beroep) iemand die observeert (waarnemingen doet)
observador
noun
1. dwangvoorstelling
obsessió
noun
1.
obstacle
noun
1. verstopping
obstrucció
noun
1. (muziekinstrument) een fluit die veelal gemaakt wordt van gebakken klei
ocarina
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
  1. occità
  2. occitana
pronoun
  1. 1. streek in het zuiden van Frankrijk
  2. 2. regio in het zuiden van Frankrijk
Occitània
adjective
ocult
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
oceà
adjective
1.
oceànic
/oseˈjani.jə/, /oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
Oceania
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
ocelot
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
matí
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
desdejunar
noun
1. een persoon die meestal vroeg opstaat en zich `s morgens het meest fit voelt en reeds vroeg actief is
matinador
noun
1,2,3. toontrap, interval en toonhoogtereeks
octava
noun
1. C₈H18
octà
noun
1. hoekmeetinstrument
octant
/ɔkta'ʔedər/
noun
1. een regelmatig achtvlak, een ruimtelijke figuur begrensd door acht gelijkzijdige driehoeken
octàedre
noun
1. achtarmige inktvis
pop
adjective
1. met betrekking tot het oog
ocular
noun
1. lens waar men inkijkt
ocular
noun
1. een slavin of concubine in de harem van de Turkse sultan
odalisca
noun
oda
pronoun
Odessa
/ˌø.kyˈme.nis/
adjective
1. tussen kerken, van meerdere kerkgenootschappen
ecumènic
noun
1. (medisch) waterzucht
edema
verb
1. proberen zonder fouten uit te voeren
practicar
noun
1. test om de kennis te peilen
exercici
/u.'ɣɑn.da/, /u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Uganda
noun
1.
duc
/ukraˈɦins/, /ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
ucraïnès
/ukraˈɦinə/, /ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
Ucraïna
/ukraˈɦinər/, /ukraˈʔinər/
noun
1. een inwoner van Oekraïne
ucraïnès
/ˌenoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap van de wijnbereiding
enologia
/ˈuː.rɔs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius
ur
/uˈsʲɑŋka/
noun
1. muts
casquet de pell
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
ostra
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel die meestal groeit op de stam van een loofboom, Pleurotus ostreatus
gírgola
noun
1. een vrouwelijk hormoon
estrogen
noun
1. waterkant
riba
noun
culblanc de ribera
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Turks en die door de Oezbeken gesproken wordt
uzbek
/us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
Uzbekistan
conjunction
1. keuze
  1. o
  2. o bé
noun
1.
ofensiva
noun
1. een gave aan een godheid
sacrifici
verb
  1. 3. betalen
    1. compensar
    2. estar ben pagada
    3. estar ben pagat
    4. pagar
  2. 2. doden van een dier
    immolar
  3. 4. belasting betalen
    obeir
  4. 1. wijden aan
    sacrificar
/ɔ'fɛrtə/
noun
1. een aanbieding van goederen of diensten tegen een vaste prijs
pressupost
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
oficial
noun
1. iemand die een rang in het leger bekleedt die hem of haar het bevel over...
oficial
adjective
extraoficial
conjunction
baldament
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
oftalmologia
noun
1. een scheikundig element met het symbool Og en het atoomnummer 118
oganessó
noun
1. Een bepaald tijdstip
moment
noun
2. plant die men gebruikt bij oogziekten
eufràsia
noun
1. ohm
ohm
noun
1. groot zoogdier dat nauw verwant is aan de giraffe
  1. ocapi
  2. okapi
noun
1. een mineraal dat als gele of oranje kleurstof gebruikt wordt
ocre
adjective
1. met betrekking tot Okinawa of de Okinawaanse taal
okinawenc
pronoun
  1. 1. een streektaal in Okinawa
  2. 2. streektaalen van Okinawa
  3. 3. dialect van het Japans
okinawenc
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten van Amerika.
Oklahoma
noun
ocra
noun
1. holte tussen de arm en de romp
  1. aixella
  2. axil·la
noun
1. de tiende maand van het jaar
octubre
pronoun
Revolució d'Octubre de 1917
interjection
1. goed, in orde
d'acord
adjective
1. betrekking hebbend op het reukzintuig
olfactiu
noun
1. vettige vloeistof
oli
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
elefant
noun
oligarca
noun
oligarquia
/ˌoliɣoˈsen/
noun
Oligocè
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
oligòmer
noun
oligopoli
/oˈlɛɪf/, /oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
oliva
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
olivera
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
oli d'oliva
noun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
olimpíada
adjective
olímpic
adjective
1. verband houdend met de Olympische Spelen
olímpic
/o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
Jocs Olímpics
pronoun
1. evenement dat eens in de vier jaar wordt gehouden waarbij allerlei wintersporten competitief beoefend worden
Jocs Olímpics d'hivern
pronoun
Olimp
noun
1. moeder van een ouder
àvia
/o.ˈman/, /ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
Oman
verb
1. de armen om iemand heen slaan
abraçar
/ˈɔmbʏdsˌmɑn/, /ˈɔmbʏtsˌmɑn/
noun
1. een ambtenaar die de taak heeft om als onpartijdige instantie klachten van individuele burgers tegen de overheid, instellingen en bedrijven te onderzoeken
defensor del poble
/ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
perquè
/ɔmdrajə(n)/
verb
1. twee zijden van iets van plaats doen verwisselen
girar
noun
omega
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
truita
noun
1. de nabijheid
entorn
verb
1. de armen om iemand slaan
abraçar
adverb
1. omhoog
dalt
/ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
subornar
verb
1. op een andere manier laden; naar een ander vervoermiddel overladen
transbordar
noun
1. iets dat totaal anders is geworden
canvi radical
noun
anunciador
noun
babau
noun
hoe de zaken er voorliggen
circumstància
noun
1. de lengte van een gesloten kromme
circumferència
/ˈɔmʋɛx/
noun
1. de weg die langer is dan de gewone of kortste verbinding tussen twee plaatsen
marrada
noun
  1. 1. politieke revolutie
  2. 2. algemene grootscheepse verandering
  3. 3. volledige draaiing
revolució
prefix
1. toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord drukt dit voorvoegsel het tegendeel uit.
in-
noun
declaració d'independència
adjective
1. niet mogelijk om te kunnen veranderen of vermijden
inevitable
noun
onagre
adverb
1. niet of zeer moeilijk te begrijpen, rationeel niet te volgen, onlogisch
incomprensible
noun
1. de onverbogen werkwoordsvorm die naar persoon en getal onvervoegd is
infinitiu
noun
1. gedrag dat schaamte op zou moeten roepen maar het bij die persoon niet doet
impudència
adjective
1.
inhabitable
adjective
deshabitat
preposition
  1. 1. ook al is het zo dat
  2. ondanks dat
malgrat
/ˈɔn.dər/
preposition
1. niet gesorteerd
sota
/ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
avantbraç
verb
1. actie ondernemen om een in gang zijnd proces tot staan te brengen
interrompre
/ɔn.dər.ˈbre.kɪŋ/, /ɔn.dər.ˈbreː.kɪŋ(g)/
noun
  1. 1. een tijdelijk staken van activiteit door een onverwachte gebeurtenis
  2. 2. een kort ophouden van bezigheden als pauze
interrupció
noun
1. kledingstuk dat onder de gewone broek wordt gedragen
calçotets
noun
súbdit
noun
1.
immersió
verb
1. een wens, verlangen, uiting of ontwikkeling eventueel met geweld tegengaan
oprimir
verb
1. onderhevig gemaakt worden
patir
noun
2-3.
decadència
noun
1.
subgènere
/ˈɔn.dər.ˌɣud/, /ˈɔn.dər.ˌɣut/, /ˈɔn.dər.ˌχut/
noun
1. kleding die direct op het lichaam gedragen wordt, doorgaans nog onder andere kleding
roba interior
verb
de basis waarop iets rust eronder vandaan halen
subvertir
adjective
clandestí
noun
negociador
verb
1. overleggen om tot een afspraak te komen
negociar
/ɔndər'ɦɑndəlɪŋ/
noun
1. een proces van overleg waarbij partijen trachten tot een voor beiden aanvaardbare afspraak te komen
negociació
noun
1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden.
manteniment
noun
1. de onderste kaak
mandíbula
noun
1. gouverneur van een land of een provincie die als vervanger van de monarch optreedt
virrei
noun
llavi inferior
verb
1. een bedrijf of actie in werking stellen
emprendre
noun
1. een organisatie
companyia
verb
1. iets kleiner of van kleiner belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
subestimar
noun
diferència
verb
1. een verschil in aanmerking nemen
distingir
/ɔndər'sxɛpə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iets dat onderweg is zijn bestemming niet haalt
interceptar
noun
1. handtekening
signatura
noun
2.
subespècie
noun
xassís
verb
1. helpen, bijstaan
sostenir
verb
1. een streep onder een woord of passage zetten
subratllar
verb
signar
noun
1. een geschreven vertaling die bij een film(pje) in beeld wordt gebracht
subtítol
adverb
1. in de tussentijd
mentrestant
verb
dividir
verb
1. iets dat al gehuurd is, verhuren aan iemand anders
rellogar
/ɔndərˈvraxə(n)/
verb
1. iemand aan een intensieve reeks vragen onderwerpen
interrogar
/ˌɔndərˈwɛx/, /ˌɔndərˈʋɛχ/, /ˌɔndərˈβ̞ɛx/
adverb
1. bezig zijn zich van plek A naar plek B te verplaatsen
de camí
noun
2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
subjecte
verb
1. gezag opleggen
subjugar
noun
1. de voorziening van opleidingen
educació
noun
1. iemand die lesgeeft
mestre
noun
1. een oude benaming voor een vrouwelijke leraar op een lagere school of basisschool
professora
noun
submarí
/ɔndərˈzes/
adjective
submarí
noun
1. een vaartuig dat onder het wateroppervlak kan varen
submarí
/ɔndər'zuːk/
noun
1. het onderzoeken van iets
recerca
verb
examinar
noun
1. iemand die een onderzoek uitvoert
investigador
/ˌɔn.dər.ˈzuk.stər/
noun
1. een vrouwelijk persoon die vraagstukken onderzoekt
cercadora
adjective
1. niet mis de verstaan, met slechts één betekenis
inequívoc
adjective
1. zonder einde
infinit
noun
discòrdia
adjective
1. ter zake nieuw
inexpert
adjective
1. Niet deelbaar door twee
  1. imparell
  2. senar
noun
1. de mate waarin iets of iemand geen fouten kan maken
infal·libilitat
adjective
1. niet conform datgene wat gebruikelijk is
inusual
noun
1. ongewenste dieren, die de mens op een of andere manier last bezorgen
cuca
noun
impaciència
/ɔnɣə'hoːrzam/, /ɔnɣə'ɦoːrzam/, /ɔnχə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. niet bereid gehoor te geven aan gestelde regels
desobedient
noun
1. het niet opvolgen van opgelegde regels
desobediència
adjective
2. niet onderricht in lezen en schrijven
illetrat
/ˌɔnɣəˈlɛi̯k/, /ˌɔnχəˈlɛi̯k/
adjective
1. niet met elkaar overeenstemmend
distint
adjective
  1. 1. onmogelijk om geloof aan te schenken
  2. 2. bijzonder, uitzonderlijk
increïble
noun
1.het niet geloven
incredulitat
/ˈɔnɣəˌlɵk/, /ˈɔnɣəˌlʏk/
noun
1. een onvoorziene gebeurtenis met negatieve en soms zelfs fatale gevolgen
accident
noun
1. onaangename verstoring
incomoditat
adverb
incòmode
adjective
1. niet gepast, niet geschikt
improcedent
noun
2. lichte ziekte
malestar
/ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
accident
abbreviation
bij benadering
aproximadament
adjective
1. zonder verandering
inalterat
adjective
desfavorable
adjective
1. niet goed met de handen om kunnen gaan
maldestre
adjective
1. zonder mogelijkheid om ongedaan gemaakt te worden
irrevocable
adjective
1. niet met de oren waarneembaar
inaudible
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
mala herba
/ɔnlaŋs/
adverb
1. recentelijk, niet lang geleden
últimament
adjective
illegible
adjective
1. in verbintenis met het internet
online
noun
impotència
adjective
  1. 1. zonder uitstel
  2. 2. zonder omwegen
immediat
adjective
1. waarover geen twijfel kan bestaan
inconfusible
adjective
1. niet te verwezenlijken
impossible
noun
1. iets dat niet kan gebeuren
impossibilitat
/ˌonomatoˈpe/
noun
1. door klanknabootsing gevormd woord
onomatopeia
adjective
1.
indispensable
/ˌɔnɔntˈsɛɪ̯fərbar/, /ˌɔnɔntˈsɛːfərbar/
adjective
1. niet de eigenschap bezittend qua betekenis geduid te kunnen worden
indesxifrable
adjective
1.
insoluble
/ˈɔnovərˌɣɑŋkələk/, /ˌɔnovərˈɣɑŋkələk/
adjective
1. (van een werkwoord) zonder lijdend voorwerp waarop de werking van het werkwoord overgedragen wordt
intransitiu
noun
1. een werkwoord dat niet vergezeld kan worden door een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in een zin
verb intransitiu
adjective
invencible
adjective
1. chaotisch, onduidelijk
complex
adjective
niet partijdig , niet bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
imparcial
adjective
1. een negatief gevoel oproepend
incòmode
noun
injustícia
noun
1. schadeverwekkende inbreuk op een zorgvuldigheids- of rechtsnorm waardoor burgerrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat
delicte civil
adjective
  1. onzuiver, onkuis
  2. vuil
brut
possessivePronoun
1. van de 1e persoon meervoud
nostre
/ɔnˈsxʏɫdəx/
adjective
1. niet schuldig
innocent
adjective
immortal
noun
1. de eigenschap niet te zullen sterven
immortalitat
noun
1. de mate waarin men op een wilde manier enthousiast is
impetuositat
verb
1. overgaan in iets verkeerds
degenerar
/ɔntˈberə(n)/
verb
1. iets missen waaraan men grote behoefte heeft
mancar
noun
1. eerste maaltijd van de dag
esmorzar
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
desdejunar
verb
  1. 2. het uiteen (laten) vallen van een chemische stof in een aantal andere
    descompondre
  2. 1. een organisatie opheffen
    dissoldre
noun
1
descomposició
noun
desboscament
verb
1. niet aanwezig zijn terwijl dit wel zou moeten of verwacht wordt
faltar
/ɔntˈsɛɪ̯fərə(n)/, /ɔntˈsɛːfərə(n)/
verb
1. qua betekenis duiden
desxifrar
/ɔnˈdɛ.kə(n)/
verb
1. ergens achter komen
descobrir
noun
1. het vinden van iets nieuws
descobriment
verb
1. ophouden bevroren te zijn
descongelar
noun
expropiació
verb
1.
desheretar
/ɔntəˈvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel niet genoeg te hebben en onvoldaan te zijn
descontentament
verb
1. van een illusie beroven
desencantar
verb
1. iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
decapitar
/ɔnt'ɦɑʊdɪŋ/
noun
1. het bewust niet een gewoonte of behoefte volgen
abstinència
/ɔntˈɦɵlə(n)/, /ɔntˈɦʏlə(n)/
verb
2. openbaren van onbekende feiten
revelar
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
negar
verb
descarregar
verb
1. anatomiseren, analyseren
disseccionar
noun
4.
anàlisi
noun
anatomia
verb
1.
esplugar
verb
1. door te castreren of het amputeren van de penis, iemand ontdoen van zijn mannelijkheid
emascular
verb
1. een geheel dusdanig in delen uiteennemen dat het niet meer als geheel fuctioneert
desmuntar
verb
1. de ware aard laten zien van iets of iemand
desemmascarar
verb
  1. 1. aan menselijkheid verliezen
  2. 2. beroven van het menselijke
deshumanitzar
verb
1. de moed ontnemen
  1. desanimar
  2. desalenar
adjective
1. van iets dat je daardoor de hoop verliest
descoratjador
verb
1. met iemand kennismaken en een gesprek voeren
trobar casualment
verb
1. terugbrengen uit een waan of roes
desembriagar-se
verb
  1. 1. arbeidsovereenkomst beëindigen
  2. 3. beëindigen van een ziekenhuisopname
acomiadar
/ɔnt'slɑx/
noun
1. het verbreken van het dienstverband met een werknemer
destitució
verb
1. kleine organismen zoals bacteriën gericht doden
desinfectar
verb
1. aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
escapar
verb
1.
germinar
noun
1. (medisch) ontsteking
inflamació
/ɔndˈvaŋ(g)ə(n)/, /ɔntfɑŋə(n)/
verb
  1. 1. het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
  2. 2. het op bezoek krijgen van gasten
rebre
adjective
inflamable
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
segrestar
noun
1. het, tegen iemands zin, wederrechtelijk verplaatsen van een persoon
segrest
verb
desarmar
noun
disseny
/ɔntˈʋɛrpə(n)/
verb
1. bedenken en uitwerken op papier
dissenyar
/ɔntʋɪkələ(n)/
verb
  1. 1. iets ~ een aanwezige aanleg tot bloei brengen
  2. 3. een film ~ het latente beeld van een belicht fotografisch materiaal chemisch zichtbaar maken
  3. 4. ontwerpen en uitvoeren op basis van onderzoek
  4. 2. zich ~ tot geleidelijk iets worden
desenvolupar
noun
1. geleidelijke verandering in een zekere richting
desenvolupament
verb
desconjuntar
noun
1.
dessalatge
adjective
irresponsable
adjective
1. niet geneigd om zich door smeekbeden tot andere handelwijze te laten bewegen
inexorable
/ɔnvərˈbœxbaːr/, /ɔnvərˈbœyxbaːr/
adjective
1. onmogelijk te verbuigen
indeclinable
adjective
1. niet te vergelijken
incomparable
adjective
1.
inoblidable
/ɔnvɛrˈsxɪləɣˌɦɛit/
noun
1. houding waarbij men zich niets aantrekt van omstandigheden en de opvattingen van anderen
indiferència
adjective
1. duidt de onmogelijkheid aan de plaats van iets door iets anders in te laten nemen
insubstituïble
adjective
1.
inalienable
adjective
1. niet van tevoren zien aankomen
inesperat
adverb
inesperadament
/ˌɔn.vərˈʋust.bar/, /ˌɔn.vərˈβ̞ust.bar/
adjective
1. niet stuk te krijgen, buitengewoon robuust
indestructible
noun
participi present
noun
present
noun
imperfet d'indicatiu
noun
1. het zo jong zijn dat men nog niet meerderjarig is
immaduresa
adjective
1. waarvan de uitkomst niet bij voorbaat te kennen is
imprevisible
noun
1. het niet kunnen weten wat de toekomst brengen zal
impredictibilitat
adjective
1. bij verrassing optredend
imprevist
adjective
infèrtil
adjective
1. een geringe kans bezittend om waar te worden of te blijken
improbable
/ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
tempesta
noun
1. iets dat men niet met bewijzen kan ontkennen
irrefutabilitat
adjective
irresistible
adjective
ignorant
noun
een variëteit van kwarts
ònix
noun
1. benaming voor torren uit de familie Coccinellidae
marieta
pronoun
1. christelijk gebed
Parenostre
adjective
invisible
noun
1.
invisibilitat
/ɔn'zɛidəx/
adjective
neutral
/ox/, /oːx/, /oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
ull
/ˌox.ɔm.ˌox, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/, /ˌoɣ.ɔm.ˌox, ˌtɑnd.ɔm.ˈtɑnd/, /ˌoχ.ɔm.ˌoχ, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/
interjection
1. benadrukt volledige vergelding
ull per ull, dent per dent
noun
metge oculista
noun
1. ooggetuige
testimoni ocular
/ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
parpella
verb
1. het van het land halen van het rijpe gewas
collita
verb
1. het volgroeide gewas van het veld halen
  1. collir
  2. recollir
noun
1. vrouwelijk schaap
ovella
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
cigonya
/oːɪt/
adverb
2. een mogelijk tijdstip in de toekomst
mai
/oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
també
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
oncle
/oːr/
noun
1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
orella
noun
1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
arracada
/ort/
noun
1. een bepaalde plaats
lloc
noun
judici
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
diplomàtica
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
  1. guerra
  2. conflagració
noun
1. een daad in tijd van oorlog die het oorlogsrecht of -gebruik schendt
crim de guerra
/ 'orlɔxsmɪsdadəxər/
noun
1. iemand die een oorlogsmisdaad pleegt of heeft gepleegd en daarvoor individueel aansprakelijk gesteld...
criminal de guerra
noun
memorial de guerra
/'orlɔxsfərklarɪŋ/
noun
1. een officiële mededeling van een land dat het oorlog gaat voeren
declaració de guerra
/ˈorɔntˌstekɪŋ/
noun
1. een ontsteking van het oor
otitis
/orsxɛlp/, /o̝rsχɛɫp/
noun
1. het uit het hoofd stekende deel van een oor
pavelló auricular
noun
stroperige vloeistof in de gehoorgangen
cerumen
noun
origen
adjective
1. zoals het in begin was
original
noun
1.1 gewone oorworm (Forficula auricularia)
  1. papaorelles
  2. tisoreta
adverb
est
pronoun
Àsia Oriental
pronoun
Alemanya Oriental
pronoun
Europa de l'Est
/os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
Timor Oriental
/ostˈflandərə(n)/
pronoun
1. Belgische provincie
Flandes Oriental
adjective
oriental
/ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
est
/ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
Àustria
/ˈo.stə.ˌrɛɪ̯.kər/, /ˈo.stə.ˌrɛː.kər/, /ˈos.tə(n).ˌrɛɪ̯.kər/
noun
1. een inwoner van Oostenrijk of persoon die de Oostenrijkse nationaliteit bezit
austríac
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
mar Bàltica
preposition
1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op
sobre
noun
1. de vader van een ouder
  1. avi
  2. iaio
/o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
òpal
/ˈɔˌbɛlə(n)/
verb
1. iemand telefonisch proberen te bereiken
cridar
/'ɔp.bla.zə(n)/
verb
2. een gas in een uitzetbare ruimte pompen
inflar
conjunction
per que
noun
1. een te verrichten werk
encàrrec
verb
  1. 2. als eerbewijs iets wijden aan iemand
    dedicar
  2. 1. iemand iets te doen geven
    encarregar
/ˈɔpɛːsə(n)/
verb
eisen dat iets of iemand waarop men recht heeft, wordt overgegeven
reivindicar
/ˈoː.pə(n)/
adverb
1. niet gesloten
obert
adjective
1. vrij toegankelijk
públic
noun
1. laatste boek van de Bijbel
Apocalipsi
verb
  1. 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
  2. 3. openstellen, toegankelijk maken
  3. 1. laten beginnen, in bedrijf brengen
  4. 4. (informatica) een bestand inladen
obrir
noun
  1. 1. een plaats die toegang biedt tot iets dat is afgesloten
  2. 2. het openstellen van iets wat nog niet toegankelijk of in functie was
obertura
noun
1. plechtigheid als opening van een evenement
cerimònia d'inauguració
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
òpera
noun
  1. 2. een chirurgische ingreep
  2. 3. een bewerking op een object
  3. 1. aantal gecoördineerde acties
operació
noun
1. ruimte waar heelkundige bewerkingen uitgevoerd worden
  1. sala d'operacions
  2. quiròfan
noun
1.
opereta
noun
1. felgele delfstof, zwavelarsenicum (As₂S₃)
orpiment
noun
1. het seksueel of emotioneel (te) gespannen zijn
excitació
noun
1.
excavació
verb
1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
créixer
/'ɔpɦɑŋə(n)/
verb
3. aan de galg opknopen
penjar
verb
2. een activiteit beëindigen
cessar
noun
1. opiumbevattend geneesmiddel
opiaci
noun
1. een mening of oordeel
opinió
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
opi
/'ɔpklarə(n)/
verb
1. het ontstaan van open plekken in wat een gesloten wolkendek was
aclarir-se
noun
1. totaal aantal afdrukken van een drukwerk dat in één keer wordt vervaardigd
tirada
verb
2. dingen die kapot en versleten zijn repareren en weer mooi maken
adobassar
verb
1. iets een liggende plaats geven op iets anders
imposar
noun
formació
verb
1. bij voortduring aandachtig zijn
prestar atenció
verb
2. met bedrog iemand geld afhandig maken
marxar sense pagar
adjective
2. scheikunde: het vermogen bezittend in oplossing te gaan
soluble
noun
1. de hoeveelheid van een stof die maximaal in een gegeven hoeveelheid oplosmiddel oplost
solubilitat
verb
3. een probleem ophelderen
resoldre
noun
1. een mengsel
solució
/ɔ'plʏxtə(n)/
verb
1.
alleujar
noun
1.het gevoel bevrijd te zijn van iets dat dreigde
alleujament
noun
anacrusi
verb
1. bemerken, waarnemen
atenció
/'ɔpnam(ə)/
noun
2. geluid
enregistrament
noun
1. een ruimte die speciaal geschikt is gemaakt om muziek op te nemen
estudi de gravació
/ˈɔpniu/
adverb
1. nog een keer, een vorige gebeurtenis herhalend
altra vegada
verb
  1. 4./5. zich opofferen
    sacrificar
  2. 1./2./3. bij noodzaak moeten gebruiken, laten doden of bewust prijsgeven
    1. sacrificar
    2. immolar
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Alta Àustria
pronoun
Alt Volta
noun
1. bot in de bovenarm
húmer
/ˈɔpərvlɑk/
noun
1. vlak dat iets naar boven begrenst
superfície
/ɔpər'vlɑkəx/
adjective
  1. 1. niet diepgaand of niet grondig
  2. 2. zich aan de oppervlakte bevindend
superficial
noun
  1. 1. vlak dat iets naar boven begrenst
    superfície
  2. 2. uitgebreidheid
    àrea
noun
aigua de superfície
adjective
1. voordeel willen halen uit een bepaalde situatie
oportunista
verb
3. iets in orde brengen, netjes maken
  1. ordenar
  2. endreçar
verb
2. aangedikte beweringen doen
gallejar
/ˈɔpslan/
verb
5. informatica: vastleggen of bewaren van gegevens
desar
verb
  1. 1. gaan staan
  2. 2. het bed verlaten
llevar-se
/ˈɔpstɑnt/
noun
1. een massale, vaak gewelddadige, poging het heersende gezag af te schudden
aixecament
noun
1. iemand die zich gewapenderhand verzet tegen het heersende gezag
rebel
adjective
rebel
noun
1. verrijzenis
resurrecció
/ˈɔpstɛːɣə(n)/, /ˈɔpstɛːɪχə(n)/
verb
1. in de lucht stijgen
enlairar
verb
1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
sumar
noun
1. het samenvoegen van een of meer termen tot een totaal, de som
addició
noun
òptica
noun
1. iemand die kundig is in de optica
òptic
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
aixecar
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen gunstig gaan uitvallen
optimisme
noun
1. iemand die alles van de positieve kant beschouwt
optimista
adjective
1. van het positieve uitgaand
optimista
adjective
opcional
/ˈɔp.tre.də(n)/
noun
1. een kunstzinnig verschijnen voor een publiek
escena
verb
2. iemands functie overnemen
succeir
noun
1. iemand die een ambt bekleedt na iemand anders
successor
noun
1. innerlijke drang
impuls
verb
  1. 3. in staat van agitatie brengen
  2. 4. zich ~ over: iets doen dat tot emotionele spanning leidt
excitar
noun
2. het onderdeel zijn van een zo gewenst plan
intenció
adverb
1. bewust op deze manier
intencionat
verb
5. taxidermie bedrijven
dissecar
/'ɔpsʋɛlə(n)/
verb
1. in volume toenemen
inflar-se
adjective
1. met betrekking tot de mond
oral
noun
1. mensaap met lange armen en roodbruinachtig haar
orangutan
adjective
1. de kleur oranje hebbend
taronja
noun
1.
safranera de l’alfals
pronoun
Estat Lliure d'Orange
noun
1. de witte bloemen van de sinaasappelboom
tarongina
adjective
orbital
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
orquídia
noun
  1. 1. gewenste regelmaat
  2. 2. een hiërarchische organisatie
  3. 3. (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families
ordre
noun
  1. 1. ruwe indicatie van de omvang, met weinig precisie aangeduide hoeveelheid
  2. 2. aanduiding om de grootte van een getal mee uit te drukken, uitgedrukt als de exponent van de dichtstbijzijnde macht van 10
ordre de magnitud
noun
  1. 2. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak
  2. 1. een verzoek om diensten of goederen te leveren
comanda
noun
  1. 2. keukenkruid
  2. 1. Origanum vulgare
orenga
noun
1. Onderdeel van het organisme
òrgan
noun
orgànul
/ˌɔrɣɑniˈzasi/, /ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
  1. 3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
  2. 1. het organiseren
  3. 2. de manier waarop iets georganiseerd is
organització
pronoun
Organització de Cooperació i Desenvolupament Econòmic
pronoun
Organització per a la Seguretat i la Cooperació a Europa
noun
1. iemand die organiseert of die organisatietalent heeft
organitzador
/ɔr.ˈɣa.nɪs/, /ɔr.ˈχa.nɪs/
adjective
  1. 1. met betrekking tot een orgaan of de organen
  2. 2. koolstof bevattend
  3. 3. niet werkend met of vervaardigd kunstmatige stoffen
orgànic
/ˌɔrɣɑniˈzeːrə(n)/, /ˌɔrχɑniˈzɪːrə(n)/
verb
  1. 1. een bepaalde structuur aanbrengen
  2. 2. iets, vaak een evenement, tot stand brengen
organitzar
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
organisme
/ɔr.ˈɣaː.no.ɣe.ˌneːzə/
noun
1. het zich ontwikkelen van organen uit enkele typen weefsel
organogènesi
adjective
1. werking op een orgaan uitoefenend
organolèptic
/ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
orgue
/ˈɔrxi/
noun
orgia
/ɔrk/
noun
1. fictieve wezentjes die in groepsverband leven en gewoonlijk de vijand van de mensen zijn
orc
/ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
orca
noun
1. een bijzonder hevige storm
huracà
/ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
orquestra
verb
orquestrar
adjective
ornamental
noun
ornitologia
noun
1. een tandarts-specialist die de vorm, groei en ontwikkeling van het gebit en de kaken bestudeert
ortodontista
/ɔrtoˈdɔks/
adjective
  1. 1. star vasthoudend aan een bepaald geloof
  2. 2. star vasthoudend aan bepaalde opvattingen of gewoontes die algemeen zijn aanvaard
ortodox
/ɔrtodɔk'si/
noun
ortodòxia
noun
ortopedista
noun
ortopedista
adjective
1. drie onderling loodrechte spiegelvlakken of tweetallige assen bezittend
ortoròmbic
noun
1. gecastreerde stier
bou
verb
1. oscilleren
oscil·lar
noun
oscil·loscopi
noun
1. Chemisch element
osmi
pronoun
1. een taal uit de centrale Kaukasus
osset
pronoun
Ossètia
/ˌɔstejoˈsit/, /ˌɔstejoˈsyt/, /ˌɔsteoˈsit/
noun
1. een cel die bot om zich heeft aangemaakt en daar nu door omgeven wordt
osteòcit
noun
1. een structuur in het binnenoor van gewervelden en een rolspelen in het waarnemen van geluid,...
otòlit
pronoun
1. de hoofdstad van Canada
Ottawa
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
  1. llúdria
  2. llúdriga
/aʊ̯d/, /ɔʊ̯t/, /ʌʊ̯t/
adjective
  1. 3. vorige
    1. antic
    2. vell
  2. 2. oud ding, concept
    1. vell
    2. antic
  3. 1. oud mens, dier
    1. vell
    2. gran
noun
1. reeks boeken in de christelijke Bijbel die zijn ontleend aan de joodse Tenach
antic testament
/ˈaʊ̯.dər/, /ˈɔʊ̯.dər/, /ˈʌʊ̯.dər/
noun
1. de moeder of vader van een kind
pare
adjective
parental
/ˈaʊ̯.dərs/, /ˈɔʊ̯.dərs/, /ˈʌʊ̯.dərs/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ouder
pares
pronoun
1. het Frans zoals dat in het noorden van Frankrijk gesproken werd van de 10e tot de 14e eeuw
francès antic
pronoun
1. een nu dode taal die werd gesproken in Griekenland
grec antic
/ɑʊ̭tɦɛɪ̭t/
noun
1. het tijdperk van de geschiedenis vóór de middeleeuwen
antiguitat
noun
arqueòleg
pronoun
1. de voorloper van het huidige Duits in de periode 700-1050
alt alemany antic
pronoun
1. de Slavische taal die rond de negende eeuw rond Thessaloniki gesproken werd
antic búlgar
pronoun
1. een taal die de voorganger van de Scandinavische talen was
nòrdic antic
/'ʌʊtom/
noun
1.
besoncle
/'ʌʊtɑntə/
noun
1.
bestia
pronoun
1.
Ourthe
noun
1. een meestal instrumentaal muziekstuk dat als opening fungeert van een opera of operette
obertura
/o'val/
adjective
1. in vorm gelijkend op een ei
oval
/o'val/
noun
1. een figuur in de vorm van een ei
oval
/ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
forn
preposition
  1. 6. meer dan
  2. 1. wat betreft
  3. 2. op of langs de oppervlakte van
  4. 5. naar de andere kant van
sobre
adverb
1.
  1. pertot
  2. a tot arreu
noun
1. toestand waarbij een ruimte, gebied of land zo dichtbevolkt is dat het problemen geeft
superpoblació
adjective
superflu
noun
sobredosi
verb
1. de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn
exagerar
noun
1.
exageració
noun
2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
contracte
verb
1. gelijkenis vertonen
correspondre
/ˌovərˈʔetə(n)/
verb
1. uit gulzigheid te veel eten
sobremenjar
verb
3. veranderen in
convertir-se
noun
2. het van een toestand in een andere geraken
transició
noun
1. reeks handelingen die gedaan wordt bij een belangrijke gebeurtenis in het leven
ritu de pas
/'ovərɣavə/
noun
1. het opgeven van de strijd en zich aan de wijand onderwerpen
capitulació
verb
1. braken
vomitar
noun
1. moeder van de grootvader of van de grootmoeder
besàvia
/ˈovərɣrotˌʌʊdər/
noun
1. een ouder van een grootouder
besàvia
/ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
besavi
verb
1. de macht uitoefenen over een ander volk
dominar
noun
1. het overheersen
dominació
/ˈovərɦɛit/
noun
1. het geheel aan gezagvoerende lichamen
autoritat
/ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Overijssel
noun
1. een jas die hoofdzakelijk als bescherming van de kleding eronder wordt gedragen
abric
adjective
1. gestorven, doodgegaan
difunt
noun
difunt
/ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
sobreviure
noun
1. iemand die een levensbedreigende situatie overleefd heeft
supervivent
/ˈovərlevərɪŋ/
noun
1.
saviesa
adjective
1. buitensporig
excessiu
conjunction
1. omdat of aangezien, geeft onderschikkend een reden aan
perquè
adverb
  1. demà passat
  2. despús-demà
verb
1., 2.
assumir
verb
1. met de wielen van een voertuig over iets of iemand heen rijden
atropellar
verb
1. iets domineren, naar de achtergrond drukken
eclipsar
verb
1. iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
sobreestimar
verb
1. de overzijde van een grens betreden
excedir
verb
1. het ene geschrevene vervangen
sobreescriure
noun
1. seks hebben met een ander dan de echtgenoot of vaste partner
adulteri
verb
1. doorkruisen om de overzijde te bereiken
creuar
verb
1. het onder water komen staan van een laaggelegen gebied
inundar
/ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
inundació
noun
1. een relatief licht strafbaar feit
transgressió
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
convèncer
adjective
convincent
noun
1. sterke mening of geloof
convicció
noun
sobreescalfament
noun
abundància
/ovərˈvluːdəx/, /ovərˈvluːdəç/
adjective
1. in ruime hoeveelheid aanwezig
abundant
/ovər'ʋeɣən/, /ˈovərʋeɣən/
verb
de voor- en nadelen bezien alvorens een beslissing te nemen
considerar
verb
1. een tegenstander of zwakte onder de knie krijgen
vèncer
noun
victòria
verb
1. de winter doorbrengen
hivernar
verb
1. woekerend bedekken
cobrir enterament
adjective
ultramar
verb
  1. 1. van de ene kant naar de andere brengen
  2. 3. zie vertalen
passar
noun
1. toestand dat je het geheel kunt duidelijk overzien
panorama
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
ovulació
pronoun
Oxford
noun
oxidació
noun
òxid
noun
oxímoron
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
ozó
/ozɔnlax/
noun
1. laag in de atmosfeer die veel ozon bevat
capa d'ozó
/ˌooˈsit/
noun
1. een eicel voordat het eerste poollichaampje gevormd wordt
oòcit
noun
4. (heraldiek) een loodrechte band midden over een wapenschild
pal
noun
1. in zee levend weekdier dat zich in hout boort, Teredo navalis
broma
noun
2. bepaald soort Europese kleine zangvogel, Saxicola rubetra
bitxac rogenc
/paːr/
noun
  1. 1. twee van een soort die bij elkaar horen
  2. 2. twee geliefden die een relatie hebben
parella
/paːrt/
noun
  1. 1. tam hoefdier met manen
  2. 3. schaakstuk
cavall
noun
  1. 1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
  2. 1. samengesteldbloemige plant Taraxacum officinale
dent de lleó
noun
fava
/'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
cavall de vapor
noun
3. staart van een paard
cua de cavall
/ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
  1. cavallerissa
  2. quadra
noun
1. paardenzuring is een vaste plant die behoort tot de duizendknoopfamilie Polygonaceae
paradella longifòlia
/ˈpaːrt.rɛidə(n)/
noun
het rijden op een paard, ter ontspanning of als sportbeoefening
equitació
adjective
1. met een kleur tussen rood en blauw
porpra
noun
1. diverse kleurschakeringen tussen blauw en rood.
porpra
/ˈparsəx/, /ˈparsəχ/
adjective
2. op paars lijkend
moradenc
noun
  1. 2. ter gelegenheid van Pasen gekleurd en versierd kippenei
  2. 1. ei van chocolade of suiker dat op of omstreeks Pasen gegeten wordt
ou de Pasqua
pronoun
illa de Pasqua
noun
1. de dag die volgt op paaszondag
Dilluns de Pasqua
noun
marcapassos
noun
arrendament
noun
llogater
pronoun
1. oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Ausralië
  1. Oceà Pacífic
  2. Pacífic
/pɑsiˈfɪsmə/
noun
1. een wereldbeschouwing die duurzame vrede nastreeft en tegen oorlog en geweld is
pacifisme
/pɛːt/
noun
1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
gripau
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
  1. bolet
  2. fong
/paˈeʎa/
noun
1. gerecht
paella
noun
1. persoonlijke dienaar van iemand
patge
noun
pàgina
/pɑk/
noun
3. een stel bovenkleren
vestit
/ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
Pakistan
/'pɑkpapir/
noun
1. papier men gebruikt voor het (feestelijk) inpakken van voorwerpen
paper
noun
1. Aziatische groene koolsoort met witte stelen Brassica rapa subsp. chinensis
  1. bleda xinesa
  2. pak choi
/palaˈdɛin/
noun
2. een ridder of hofdienaar
paladí
/pa.ˈlaʊ̯/, /pa.ˈlɔʊ̯/, /pa.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Palau
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
palau
noun
Paleocè
/palejoˈɣen/
noun
1.
Paleogen
/ˈpalejoˌlitikʏm/
noun
1. eerste periode van de steentijd
paleolític
adjective
paleolític
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
paleontologia
noun
1. iemand die fossielen bestudeert
paleontòleg
/ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
Paleozoic
pronoun
Palerm
adjective
1.
  1. palestinenc
  2. palestí
pronoun
Palestina
noun
paleta
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
palíndrom
noun
1. bepaald soort langwerpige consumptievis, Anguilla anguilla
anguila
noun
1. chemisch element
  1. palladi
  2. pal·ladi
noun
  1. 2. binnenzijde van de hand
    palmell
  2. 1. (sub-)tropisch gewas
    palmera
noun
palmera
noun
àcid palmític
noun
oli de palma
pronoun
1. de zondag voor Pasen
Diumenge de Rams
noun
1. boomloze grasvlakte in Argentinië en Uruguay
pampa
/pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
paella
adjective
1.
paneuropeu
noun
1. geneesmiddel dat alle kwalen zou verhelpen
panacea universal
/ˈpa.na.ma/, /ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
Panamà
pronoun
Canal de Panamà
noun
1. iemand afkomstig uit Panama
panameny
noun
4. kanaaldeel
tram
/ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
pandèmia
noun
1. bank van lening waar men geld kan krijgen als men een pand in bewaring geeft, dit pand kan men...
casa de penyores
verb
1.met geklopt ei bestrijken en daarna bestrooien met paneermeel
arrebossar
noun
1. blaasinstrument dat is samengesteld uit een reeks van eentonige fluiten
flauta de Pan
noun
pànic
noun
1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
crep
noun
pansexualitat
noun
pantalons
noun
1. benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
pantera
noun
1.
panteó
/pɑn.teʲ'ɪsmə/
noun
panteisme
/pɑnte'jɪstis/
adjective
1.
panteista
noun
sabatilla
/pɑnˈtɔfəldirtʲə/
noun
1. eencellig diertje
parameci
noun
1. een beschermende laag om dieren of voorwerpen
armadura
/paˈpa.ja/
noun
  1. 1. en 2. (vrucht van) de boom Carica papaya
    1. papaie
    2. papaia
  2. 1. meloenboom
    papaier
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
  1. papagai
  2. lloro
noun
1.1 bepaald soort opvallende zeevogel die zelfs onder water kan vliegen, Fratercula arctica
fraret
noun
clip
pronoun
1. taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
papiament
pronoun
1. een taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
papiament
/pɑ'pir/
noun
1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
paper
noun
1. bouwmateriaal dat gemaakt wordt door papier te vermengen met natte lijm
paper maixé
/ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
Papua Nova Guinea
/ˈpaprika/, /ˈpɑprika/
noun
2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
  1. pebrot morro de bou
  2. pebrot
noun
paràbola
/ˌparaˈboɫ/
noun
1. kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt.
paràbola
noun
paracaigudes
adjective
1. tot een paradigma behorend
paradigmàtic
noun
paradís
/ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoɣəl/, /ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoχəɫ/, /ˌpɑrɑˈdɛːsvoɣəl/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Paradisaeidae
ocell del paradís
noun
paradoxa
/ˌparadɔkˈsal/
adjective
1. tegenstrijdig lijkend
paradoxal
noun
parafina
/ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /ˈparaˌɡwe/
pronoun
Paraguai
noun
paral·laxi
noun
paral·lelepípede
/paralɛloˈɣrɑm/, /pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
paral·lelogram
noun
1. achtervolgingswaanzin
paranoia
/ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
paraigua
noun
parapsicologia
noun
1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
paràsit
noun
1. leer en studie van de parasieten en het parasitisme
parasitologia
noun
para-sol
noun
1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
perla
noun
1.
llangardaix ocel·lat
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Numididae
pintada
/parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
nacre
noun
parèntesi
noun
perfum
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
París
noun
een inwoner van Parijs
parisenc
noun
paritat
noun
bit de paritat
/pɑrᵊk/
noun
1. een groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
parc
noun
1. garage voor het parkeren van motorvoertuigen
aparcament
noun
1. een installatie met klok die na de muntinworp de toegestane parkeertijd aangeeft
parquímetre
noun
1. plek waar auto's of andere voertuigen geparkeerd kunnen worden
aparcament
noun
disc horari
verb
1. (een voertuig) tijdelijk ergens laten staan
aparcar
noun
  1. 1. Openbaar Ministerie
  2. 2. afzonderlijke ruimte in gerechtszalen
  3. 3. parketvloer
parquet
noun
vogel
periquito
noun
1. risicosport waarbij een traject met obstakels zo snel en vloeiend mogelijk moet worden afgelegd
parkour
noun
parlament
adjective
parlamentari
noun
1.
parroquià
noun
1. gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
parròquia
/pa.ˈrɔ.xiˌkɛrk/, /pa.ˈrɔ.χiˌkɛrk/
noun
1. een lokaal kerkgebouw dat het religieuze centrum van een parochie vormt
església parroquial
verb
parodiar
noun
1. woord dat een of meerdere morfemen met een ander woord deelt en daardoor soms met dat andere woord verward kan worden
parònim
noun
parsec
adjective
bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
parcial
noun
1. klein deeltje
partícula
noun
    1. 1. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
    2. 2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
    company
  1. 3. iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
    companya
noun
4. doorgang tussen bergtoppen
pas
noun
1. eenheid voor druk (symbool: Pa)
pascal
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
Pasqua
adjective
1. kort geleden geboren
nounat
pronoun
1. taal die vooral in Afghanistan en Pakistan door 50 tot 60 miljoen Pathanen wordt gesproken
paixtu
noun
passaport
noun
1. de vaste oostelijke wind die waait tussen de 30 graden noorderbreedte en 30 graden zuiderbreedte en het reizen met zeilschepen over de oceaan aanzienlijk eenvoudiger maakt
alisis
noun
5. ontlasting, doorgang
passatge
noun
1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
passatger
noun
avió de línia
verb
1. precies de goede maat zijn, erin kunnen
cabre
noun
compàs
noun
1
passió
adjective
1. niet zelfstandig werkzaam
passiu
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
fruita de la passió
verb
pasteuritzar
noun
1. een document of ander kunstwerk zoals een toneel- of muziekstuk dat is gemaakt via nabootsing en/of het combineren van bepaalde kenmerken van een of meerdere originelen
pastitx
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
xirivia
noun
rector
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
Patagònia
noun
1. gefrituurde aardappelreepjes
patates fregides
noun
1. schotel voor de hostie
patena
verb
1.
patentar
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
patologia
noun
1. een medisch specialist die de pathologie beoefent
patòleg
/pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
pacient
noun
1. aanzienlijk persoon, burger, rijke koopman, regent, ...
patrici
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
perdiu
noun
cognom
noun
patrulla
verb
patrullar
noun
1. wagen waarmee de politie rondrijdt om inspecties uit te voeren
cotxe patrulla
noun
1. een grote verstembare keteltrommel zoals gebruikt in een orkest
timbala
/pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
  1. papa
  2. Papa
adjective
1. betrekking hebbend op de paus, het hoofd van de rooms-katholieke kerk
papal
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Gall Dindi
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
  1. paó reial
  2. paó
/ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
pausa
verb
2. even stoppen
pausar
noun
pavelló
/pɛx/, /pɛχ/
noun
1. de conditie waarin er tegenslag te verwerken is die niet door eigen schuld veroorzaakt is
mala sort
adjective
monetari
noun
  1. 1. met de voet te bedienen hefboom
  2. 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
pedal
noun
pediatria
adjective
1. behorende tot het verlangen van een volwassene naar seksueel contact met kinderen
pedòfil
noun
1. een volwassene die verlangt naar seksueel contact met kinderen
pedòfil
noun
1.
pedofília
noun
1. studie van de bovenste aardlaag
pedologia
noun
1. vrucht
pera
/pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
tendó
noun
padri
noun
1.
fillol
noun
brea
/pɛlgrɪm/
noun
pelegrina
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
pelicà
noun
1. (kleding) een mantel vervaardigd van het bont van pelsdieren
abric de pells
noun
1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
bolígraf
noun
penicil·lina
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
penis
noun
2. een gerecht bereid van (1)
butza
noun
pinzell
noun
1. loon uitgesteld tot de tijd dat iemand niet langer actief is op de arbeidsmarkt
pensió
/pɛnʃo'nerɪŋ/
noun
1.
jubilació
noun
1. C₅H12
pentà
pronoun
1.
Pentàgon
noun
pentacle
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
pebre
/'pepərkɔrəl/
noun
1.
gra de pebre
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Mentha × piperita
menta pebrera
preposition
  1. 3. over een periode van, over een afstand van.
  2. 5. door, wegens
per
adverb
1. noodzakelijkerwijs
incondicional
/pɛrsɛnˈtaʒə/
noun
1. een percentsgewijze berekend bedrag of hoeveelheid
percentatge
/perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
  1. perera
  2. perer
noun
perfecció
verb
1. meer perfect of volmaakt maken
perfeccionar
/ˌpɛrfoˈratɔr/
noun
1. een apparaat om gaten te maken in papier, karton, kunststof folie of metaalplaat.
perforadora
noun
1.
pèrgola
adjective
1. aan de buitenzijde
perifèric
noun
perifèria
noun
perineu
/pɪri'jodɘ/
noun
1. tijdperk
període
adjective
1. periodisch, regelmatig terugkerend
periòdic
noun
1. tijdschrift
periòdic
noun
taula periòdica
noun
1. een dun schrijfmateriaal, gemaakt van huid van kalveren, koeien, geiten, schapen, konijnen of ezels
pergamí
noun
1. populistische en nationalistische politieke stroming in Argentinië
peronisme
noun
peròxid
/pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
  1. andana
  2. pujador
noun
2. journalistieke media
premsa
noun
1. samengeperste lucht onder een bepaalde druk
aire comprimit
noun
  1. 1. menselijk individu
  2. 2. grammaticaal begrip
persona
adjective
1. betrekking hebbend of uitgevoerd door de persoon zelf
personal
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
pronom personal
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
personalitat
noun
trastorn de la personalitat
/pɛrspɛkˈtif/
noun
perspectiva
/peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Perú
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
  1. préssec
  2. melicotó
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
  1. persa
  2. farsi
pronoun
1.
golf Pèrsic
pronoun
Peshawar
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen ongunstig gaan uitvallen
pessimisme
noun
pessimista
noun
(medisch) Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis
pesta
noun
plaguicida
noun
1. bepaald soort vogel, Bombycilla garrulus
ocell sedós
noun
1. tamelijk plat hoofddeksel met een klep
gorra
noun
padrí
noun
2. kruid
julivert
adjective
betrekking hebbend op de industrie die aardolie als grondstof verwerkt
petroquímic
noun
1. een symbool, figuur of andere afbeelding die in de rotsen is gekrast, gekerfd of gehakt
petròglif
noun
1. gesteentekunde
petrologia
pronoun
1. discipel van Jezus
Pere
noun
1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
burilla
noun
2. en 3. (peulen van) Pisum sativum var. saccharatum
tirabec
noun
1. een jong kind in de leeftijd van een tot vier jaar
nen
noun
1.
pesca
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. grotere van de twee manen van Mars
Fobos
noun
1.
pi
noun
1. musicus die een piano bespeelt
pianista
noun
1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
piano
/pɪˈkɑrdɪʲə/
pronoun
regio in Noord-Frankrijk
Picardia
noun
1. piccolofluit
flautí
noun
2. een kleine open vrachtauto
camioneta
noun
1. een maaltijd in de vrije natuur
pícnic
noun
1.
picòmetre
noun
1. geslachtsdeel van de man, penis gebruikt voor onvolgroeide jongens
tita
verb
1.4 het fijn schril geluid van een krakende scharnier
grinyolar
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Anthus
piula
adjective
1. bijzonder klein
minúscul
noun
porexpan
/piːr/
noun
  1. 2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
  2. 3. overdekte loopbrug op luchthaven
moll
noun
ringetje, staafje enz.
pírcing
pronoun
1. jongensnaam
Pere
noun
1. een organische of minerale stof met een vaste kleur
pigment
noun
1. projectiel
  1. fletxa
  2. sageta
/pɛɪ̯n/, /pɛːn/
noun
1. lichamelijk leed
dolor
/ˈpɛɪ̯nɑpəɫˌkliːr/, /ˈpɛːnɑpəlˌkliːr/
noun
1. klier in de hersenen, die melatonine uitscheidt
epífisi
/ˈpɛːinlək/, /ˈpɛːnlək/
adjective
1. pijn gevend
dolorós
/'pɛːinstɪlər/
noun
1. middel
analgèsic
noun
2. houweel
pic
/ˈpɪkhʌʊʋɪ:ɫ/
noun
1. hakwerktuig met steel, voorzien van een punt aan de ene zijde en een beitelachtige voorziening aan de andere zijde
pic
adjective
1. heel zwart
negre d'atzabeja
noun
  1. 1
  2. 2
píndola
noun
1. een bestuurder van een vliegtuig, luchtschip of race-auto
pilot
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
mallerenga blava
/pɪn.ˈsɛt/
noun
1. een gevorkt werktuig bestaande uit twee armen waarvan de punt bijeengeknepen kan worden
alicates d'ungles
noun
2. een vrucht van deze plant
cacauet
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
mantega de cacauet
/ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
pingüí
noun
1. de vijfde, kleinste en buitenste vinger
  1. dit petit
  2. menovell
pronoun
1. Christelijk feest
Pasqua Granada
/piˈɔn/
noun
  1. 1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
    peó
  2. 2. subatomair deeltje dat bestaat uit twee quarks en dus een boson is
    pió
noun
pioner
noun
1.
pirata
noun
1. met een vorm die van een breed, wat hoekig grondvlak uitloopt in een punt
apiramidat
noun
1.
piràmide
noun
  1. 1. het beroven of plunderen van een schip op open zee
  2. 2. opzettelijke schending van het auteursrecht door het ongeoorloofd namaken van goederen of ...
pirateria
verb
1. plassen
pixar
noun
festuc
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
pistola
noun
1. een beeldpunt
pixel
/ˈpidza/, /ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
pizza
noun
  1. 1. persoon
  2. 2. bedrijf of winkel
pizzer
noun
1. restaurant
pizzeria
pronoun
Piemont
pronoun
1. taal gesproken door 3 106 620 mensen in Italië, Argentinië, Australië en de Verenigde Staten
piemontès
noun
piezoelectricitat
noun
wijdverspreid onheil, ongemak
plaga
noun
1. vlak, plat en vrij dun stuk materiaal
làmina
/plaːts/
noun
  1. 1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
    1. lloc
    2. indret
  2. 2. een plein
    plaça
verb
1. op een bepaalde plaats zetten
col·locar
/platsˈvɪndə(n)/
verb
1. gebeuren, geschieden, plaatshebben
tenir lloc
noun
1. geneesmiddel zonder werkzame stof
placebo
/plɑˈfɔnt/
noun
1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
sostre
verb
  1. 1. iemand lastigvallen
    importunar
  2. 1. iemand (goedmoedig) pesten
    mofar
noun
plagi
verb
afusellar
/ˈplɑg.bɑnt/
noun
1. een lintvormige drager die aan één of beide zijden bedekt is met kleefstoffen
cinta adhesiva
noun
2.
pancarta
noun
1. een voorgenomen handelswijze
plà
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
planeta
adjective
planetari
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
planetari
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
asteroide
/plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
post
noun
  1. 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
  2. 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
planta
/plɑntˈaːr.dəx/
adjective
1. tot de planten behorend, uit planten bestaand of daarvan afkomstig
vegetal
verb
1. (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
plantar
noun
1. dier dat uitsluitend plantaardig voedsel eet
herbívor
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
  1. botànica
  2. fitologia
noun
  1. 1. een verzameling van vocht
  2. 2. een door veenafgraving ontstaan meer
bassal
noun
1.
plasma
noun
1. immunoglobulinen producerende cellen
cèl·lula plasmàtica
/plɑs.ˈmi.də/
noun
1. een ringvormig DNA-molecuul dat voornamelijk voorkomt voor bij bacteriën
plasmidi
verb
1. via de urinebuis vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen
pixar
/'plɑstik/, /'plɛstɪk/
noun
plastisch vervormbare polymere kunststof
plàstic
adjective
3. kneedbaar
plàstic
noun
1. een chirurgisch specialisme waarin men zich richt op het uit esthetisch en/of functioneel oogpunt aanpassen van het uiterlijk
cirurgia plàstica
adverb
1. vlak van vorm met verwaarloosbare hoogteverschillen
pla
noun
1. benaming voor loofbomen uit het geslacht Platanus
plàtan
noun
1. bepaalde omgeving waarin een computer werkt
plataforma
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
platí
noun
1. het landelijke gebied buiten de steden
camp
/ˈplɑtvɪs/
noun
1. een orde van vissoorten die op hun zijde op de bodem leven, en geheel plat zijn
pleuronèctid
adjective
met ceremonieel
solemne
noun
een sociale gebeurtenis die met ernst en ceremonieel gepaard gaat
cerimònia
noun
1. het plaatje waarmee snaren worden aangeslagen
plectre
noun
1.
acolliment familiar
noun
plaça
/ˈplɛinˌvreːs/
noun
agorafòbia
noun
  1. 1. (gipshoudend) kalkmengsel
    emplastre
  2. 2. zelfklevend verband
    tireta
verb
2. iets met kalkspecie of gips bestrijken
enguixar
noun
plistocè
adjective
1. in aanwezigheid van allen
plenari
/plejoˈnɑsmə/
noun
1.
pleonasme
noun
1. machine die wegen effent
piconadora
noun
1.
corriol
noun
1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen
  1. obligació
  2. deure
/ˌplijoˈsen/
noun
Pliocè
noun
1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
arada
verb
2. land met de ploeg bewerken
llaurar
noun
1. snijdend deel van ploeg
rella
noun
1. geluid van iets dat in een vloeistof valt
plaf
/ploˈsif/
noun
1. medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie...
oclusiva
adjective
1. snel en onverwacht
sobtat
/'plʌʏ.zəx/
adjective
1. vol met pluizen
mollenc
/'plɵkə(n)/
verb
  1. 1. (bloemen) afbreken of oogsten
  2. 4. (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
collir
pronoun
1.
Plutó
noun
1. Chemisch element
plutoni
noun
1. longontsteking
pneumònia
/po/
pronoun
1. stroom in Italië
Po
verb
1. bereiden in warm maar niet kokend water
escaldar
noun
1. digitale radio-uitzending waarbij een audiobestand op internet wordt gezet...
pòdcast
pronoun
1.
Podíl·lia
noun
1. Frans krulharig hondenras
canitx
noun
pols
noun
1. zeer fijn gemalen suiker
sucre de llustre
noun
1. een vrij klein stilstaand water
bassal
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis concolor
puma
noun
1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
merda
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
gat
noun
1. sociaal-economische en politieke praktijk in Rusland in het begin van de 21 eeuw
putinisme
noun
  1. 1. razzia tegen joden
  2. 2. gewelddadige aanvallen...
pogrom
noun
  1. 1. staande jachthond
  2. 2. een variabele waar een geheugenadres in staat
apuntador
noun
1.kaartspel
pòquer
noun
2. epidemische huidziekte
verola
/ˈpɔldəʀ/
noun
1. een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
pòlder
/ˈpolə(n)/, /ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
Polònia
noun
pòlip
/poˈlɛɪstə(n)/
verb
1. een stenen of glazen oppervlak bijzonder glad slijpen met steeds fijnere slijpmiddelen
polir
noun
1.
política
noun
1. een discipline
politicologia
noun
1. iemand die zich beroepsmatig met politiek bezighoudt
polític
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
policia
noun
1. een persoon die belast is met hulpverlening en met de handhaving van de openbare orde en veiligheid
policia
noun
  1. comissaria
  2. comissaria de policia
/poliˈtik/
adjective
1. betreffende de politiek
polític
/poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
política
noun
2.(België) een diepe, grote lepel met een lange steel gebruikt voor het opdienen van soepen, sauzen e.d.
culler
noun
1. Chemisch element
poloni
noun
anatomie: 1. gewricht
canell
noun
1. een uurwerk dat om de pols gedragen wordt
rellotge de polsera
noun
poliamida
noun
poliamor
noun
poliàndria
noun
2. thermoplastisch polymeer
policarbonat
noun
policromia
adjective
polièster
noun
polifonia
noun
poligàmia
noun
poliglot
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
polígon
noun
1.
polímer
noun
acid polilàctic
noun
polimerització
noun
polimetilmetacrilat
noun
polimorfisme
pronoun
1. eilanden in de Grote Oceaan of Stille Oceaan die samen Oceanië vormen
Polinèsia
noun
thermoplastische kunststof, bereid door polymerisatie van propeen
polipropilè
noun
polisacàrid
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
polisèmia
noun
1. godsdienst met meer dan één god
politeisme
noun
1. vermeerderde urinelozing
poliúria
pronoun
1. historische regio in het zuiden van de Oostzee
Pomerània
noun
bomba
/ˈpɔmpəlˌmus/, /ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
2. een vrucht van deze boom
  1. aranja grossa
  2. pampelmussa
verb
1. vloeistof of gas met behulp van een pomp verplaatsen
bombar
pronoun
1.
Pompeia
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
  1. carabassa
  2. carbassa
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
lliura
adjective
1. heel uitdrukkelijk, heel erg op de voorgrond staand
pontifical
noun
1.
pontificat
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
poni
/'poːjər/
noun
1. een man die prostituees tegen betaling beschermt en helpt.
arlot
/pok/
noun
1. stang om het vuur op te porren
burxa, furga
/pol/, /poɫ/, /po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
polonès
noun
A 1. uiteinde van een draaiingsas
pol
noun
1. de begrenzing van het gebied waar 's zomer de middernachtszon gezien kan worden en 's winters de nacht een heel etmaal kan duren
cercle polar
noun
1.
aurora
/poɫs/, /poːls/, /po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
polonès
/pol.sə/, /poɫ.sə/, /po̝ɫ.sə/
noun
1. een vrouw van Poolse komaf
polonesa
noun
estrela polar
noun
1. bepaald soort zoogdier, Alopex lagopus
guineu àrtica
noun
1. benaming voor zeevissen uit familie Triglidae
lluerna
/poːrt/
noun
1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
porta
noun
pota
noun
1. speeltuig
  1. nina
  2. ninot
noun
1. een in het klein uitgevoerde versie
casa de nines
noun
1. kunstenaar achter poppenspel
titellaire
noun
1. het populair zijn van iemand of iets
popularitat
noun
1.
  1. pollancre
  2. àlber
noun
1. politieke stroming die vindt dat een maatschappelijke elite de belangen van het volk verwaarloost...
populisme
noun
pornografia
/pɔrsəlɛːn/, /pɔrsəˈlɛɪn/
noun
  1. 1. fijn, geglazuurd aardewerk
  2. 2. voorwerpen van fijn, geglazuurd aardewerk
porcellana
noun
platte houder voor geld, kredietkaarten, naamkaartjes en dergelijke
cartera
noun
1. geldbuidel
portamonedes
noun
1. een deel van een voorraad toebedeeld aan een bepaald persoon
porció
noun
  1. 1. woningingang bestaande uit een open portaal binnen de voorgevellijn
    porxo
  2. 2. zuilengalerij
    pòrtic
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
retrat
/'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
Portugal
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
adjective
1. verwijzend naar Portugal of naar de Portugese taal
  1. portuguès
  2. portugués
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
noun
1. inwoner van Portugal
  1. portugalesa
  2. portugesa
  3. portugès
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
  1. portuguès
  2. portugalès
/po'zisi/
noun
7. de ligging van de hand
postura
adjective
positiu
noun
  1. 1. de opvatting dat alleen de empirische wetenschappen geldige kennis opleveren
  2. 2. een levensinstelling waarbij je ervan uitgaat dat alles goed komt
positivisme
noun
positró
/pɔs/, /pɔst/
noun
1. toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
correu
noun
1. postbeambte
  1. carter
  2. cartera
noun
1. een afgerichte duif die berichten kan overbrengen
colom missatger
/pɔs'terə(n)/
verb
1. ergens neerzetten
apostar
noun
1. posthoorn
cornet
adjective
1.
postcolonial
noun
1.
postmodernisme
adjective
1. na een letsel
posttraumàtic
noun
gir postal
/ˈpɔseɣəl/, /ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
segell
noun
olla
/ˈpɔ.dɑs/
noun
potassa
verb
1. ondiep in de aarde stoppen, met name van bollen, wortels, zaden e.d. om deze te laten groeien
plantar
adjective
1. mogelijkheid
potencial
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
llapis
noun
1. deel van een gebroken pot van aardewerk
padellàs
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
catxalot
noun
poutine
/po.ˈwe.tɪs/, /po.ˈβ̞e.tis/
adjective
1. uit de poëzie, gelijkend op poëzie
poètic
noun
1. in ritme, maat en klank verwoorden
poeticitat
/prax/, /praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Praga
noun
1.
pragmatisme
noun
1. Cynomys, een eekhoornachtig zoogdier uit Noord-Amerika dat een scherp blaffend geluid maakt
gosset de les praderies
/prɑkˈtɛɪ̯k/, /prɑkˈtɛːk/
noun
  1. 1. ruimte waarin een arts zijn beroep uitoefent
  2. 2. hoe dingen werkelijk gaan...
  3. 4. gewoonte(n), manier van doen
pràctica
adjective
1. op een manier die ook echt uitgevoerd kan worden
pràctic
/ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
praseodimi
/ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
parlar
/preˈkɑmbrijʏm/
noun
precambrià
/presəˈdɛnt/
noun
  1. 1. eerder plaatsgevonden hebbend geval
  2. 2. bestaande jurisprudentie die dient ter beslechting van een vergelijkbaar geschil
precedent
/pre'kɵrsɔr/
noun
1. een voorloper
precursor
/ˌpredikaˈtif/
adjective
predicatiu
pronoun
Eclesiastès
noun
sermó
noun
2. bureau van een prefect
prefectura
verb
1. de voorkeur geven
preferir
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
prefix
noun
prehistòria
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
porro
noun
1. een muzikale introductie tot een muziekstuk
preludi
noun
1. de eerste vaak feestelijke vertoning van een film, toneelstuk of een andere vorm van entertainment
estrena
noun
1. bereiding van chemische stof, geneesmiddel e.d
preparació
noun
prerrogativa
verb
1. op een goed voorbereide wijze aanbieden aan anderen
presentar
noun
1. het staatshoofd van een republiek
president
adjective
1.
presidencial
verb
1. het beoefenen van de functie van voorzitter
presidir
noun
1. vaak fraai gevormd, zwaar voorwerp dat men boven op een stapel losse papieren kan leggen zodat de papieren niet kunnen wegwaaien
petjapapers
noun
assoliment
noun
pretext
noun
3. iemand die preuts is
purità
/prøts/
adjective
1. zeer ingetogen, overdreven kuis
beguí
/prəˈvɛn(t)si/
noun
1. voorkoming (van ziekte, brand, etc)
prevenció
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
priapisme
noun
1. priemgetal
nombre primer
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
  1. prevere
  2. sacerdot
noun
1. een vrouw die de taak heeft religieuze rituelen te verzorgen
sacerdotessa
noun
absurditat
noun
  1. 2. een uitzonderlijke beloning, bijvoorbeeld voor een bepaalde prestatie
    premi
  2. 1. de gevraagde geldsom bij verkoop
    1. preu
    2. premi
verb
1. iemand lof toezwaaien
enaltir
noun
1. een bord (vaak van vilt) waar met behulp van punaises foto's en andere papierwerken op kunnen worden opgespeld
taulell d’anuncis
noun
1. materiaal bestaande uit een dubbele, in elkaar gedraaide metalen draad...
filferro espinós
/ˈprɪkələn/
verb
5. (seksueel) opwinden
excitar
noun
  1. 2. kerkelijke titel
    primada
  2. 1. benaming voor zoogdieren uit de orde Primates
    primat
  3. primada
adjective
  1. 1. alle kortste translatievectors in de richting van de hoofdassen van de rotatiesymmetrie hebbend.
  2. 2. de drie kortste niet in hetzelfde vlak liggende translatievectors als ribben van de eenheidscel hebbend.
primitiu
/prɪnˈsipə/
noun
principi
noun
  1. 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
  2. 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
príncep
adjective
1. als horend of passend bij een prins of prinses, bestaand uit prinsen of prinsessen
principesc
noun
  1. 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
  2. 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
princesa
/ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
impressora
noun
versió imprimible
noun
priorat
noun
prisma
verb
1. omvormen van staatsbedrijven, overheidsdiensten tot particuliere, private bedrijven
privatitzar
adjective
1. voor persoonlijk gebruik gereserveerd
privat
/proˈberə(n)/
verb
  1. 1. testen
  2. 2. onderzoeken
  3. 3. iets met succes trachten te beëindigen waarvan men niet weet of het gaat lukken
esforçar-se
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
problema
adjective
1. een probleem vormend
problemàtic
/prosəˈdyrə/, /proseˈdyrə/
noun
  1. 1.
  2. 4.
procediment
/pro'sɛnt/
noun
1. een honderdste deel
per cent
adjective
1. in procenten (als percentage) uitgedrukt
percentual
/proˈsɛs/
noun
2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
procés
noun
dret processal
/proˈsɛˌsi/
noun
processó
noun
proclamació
noun
productor
verb
1. bij voortduring vervaardigen
produir
noun
1. het resultaat van een bewerking
producte
noun
1. voortbrenging
producció
adjective
1. vruchten afwerpend
productiu
noun
2. experiment
experiment
verb
1. onderzoeken hoe iets smaakt
tastar
noun
1. een persoon die boodschappen van een godheid aan de mensen doorgeeft
profeta/profetessa
/proˈfɛsɔr/
noun
1. de aanspreektitel voor een hoogleraar
professor
noun
progesterona
noun
1. een applicatie voor de computer
programa
noun
llenguatge de programació
verb
1. het schrijven van computerporgramma
programar
adjective
  1. 1. vooruitstrevend
  2. 2-3
progressista
/proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
projecte
noun
projecció
noun
toestel om een afbeelding op een scherm te projecteren
projector
noun
proletariat
noun
proletari
noun
  1. 1. inleidende rede van een tekst
  2. 3. de inleiding tot een theaterstuk
pròleg
noun
passeig
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
prometi
/proˈmotsi/
noun
1. een verhoging in rang
promoció
noun
1. en 2. (peulvrucht van) Phaseolus coccineus
  1. fesol fava de sóller
  2. fesolera vermella
  3. mongetera vermella
noun
1. dat wat door een dier wordt buitgemaakt
presa
/prost/
interjection
1. heildronk
salut
noun
1. C₃H₈
propà
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
propaganda
noun
propè
noun
1.een klier tussen de blaas en de penis van de man
pròstata
verb
1. iemand dwingen tot het aanbieden van seksuele diensten
prostituir
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
prostitució
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
  1. protactini
  2. protoactini
noun
1.
protagonista
noun
2.
proteccionisme
noun
1. een uiting van ontevredenheid met het gevolgde beleid
protesta
verb
1. grote bezwaren uiten
protestar
noun
cançó protesta
noun
1.
proteïna
noun
1. een kunstmatig lichaamsdeel
pròtesi
noun
1. voorvoeging van beginklank
pròtesi
pronoun
1. hypothetische, gereconstrueerde taal waar vele Europese talen, waaronder het Nederlands en het Frans, van afstammen
protoindoeuropeu
noun
4. geheel van voorschriften en afspraken in de internationale diplomatieke omgang
protocol
adjective
protocol·lari
/'protɔn/
noun
protó
noun
1. oorspronkelijk model, eerste model van een product
prototip
adjective
1. met betrekking tot de Provence
provençal
/pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
província
noun
1. een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordt
perruca
noun
2. vrucht van de pruimenboom
pruna
pronoun
Prússia
/psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
salm
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
Salms
/psœydoˈnim/
noun
1. een aangenomen naam waaronder men iets publiceert
pseudònim
noun
pseudociència
/ˌpsɪxeˈdelɪs/
adjective
1. de werking van het bewustzijn verruimend
psicodèlic
noun
psiquiatre
noun
psiquiatria
adjective
1. met betrekking tot de behandeling van geestelijke stoornissen
psiquiàtric
noun
1. stroming in de psychologie
psicoanàlisi
/psixoloˈɣi/, /psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
psicologia
adjective
1. met betrekking tot het gevoelsleven.
psicològic
/ˌpsi.χo.ˈloχ/, /ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
psicòleg
noun
1. de bewuste, vanuit de hersenen gestuurde beweging
psicomotricitat
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
psicòpata
adjective
1. betrekking hebbend op de psychopathologie
psicopatològic
/psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
psicosi
adjective
1. met betrekking tot het verband tussen geest en lichaam
psicosomàtic
noun
1. stroming in de psychologie
psicoteràpia
noun
1. het proces van seksuele rijping van kind naar volwassene en het gedrag dat daar bij hoort
pubertat
adjective
publicista
noun
publicitat
/pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
públic
noun
gangbare benaming voor de status van werken die geheel vrij zijn van auteursrechten en naburige rechten
domini públic
noun
1. schroom
pudor
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Puerto Rico
noun
pumicita
/pœʏ̯n/, /pœːn/
noun
1. een massa vergruizelde steen
reble
noun
1. een prik
punció
pronoun
1. taal die in de Punjab, zowel in India als in Pakistan gesproken wordt
panjabi
noun
1. een positie in de ruimte
punt
noun
1. een leesteken dat twee nauw aan elkaar gerelateerde zinnen tot een geheel verbindt (;)
punt i coma
noun
  1. 2. leerling
  2. 1. oogappel
pupil·la
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
cadell
noun
1. streven naar puurheid
purisme
noun
1.
purista
/pyri'tɛins/
adjective
1. (te) vroom, sober, ingetogen en streng
purità
/pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
pou
noun
2. distelvink
cadernera
noun
acroniem van polyvinylchloride
clorur de polivinil
noun
1.
pigmeu
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
pijama
noun
1. een oranje verkeerskegel, gebruikt bij wegwerkzaamheden
con de trànsit
noun
piló
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Pirineus
noun
2. een vaste stof die het structuurtype heeft waarvan [1] het archetype is
pirita
noun
piròlisi
noun
1.
piròman
/piˈrozɪs/
noun
1. een brandend gevoel ten gevolge van oprisping van maagzuur
coragre
noun
1. een niet-giftige en grote wurgslang
pitó
/ka'tar/, /ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
Qatar
noun
quadrilliard
noun
1. volgeling van een religieuze beweging gekend onder de naam Genootschap der Vrienden
quàquer
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
quarantena
/kwɑrk/
noun
quark
noun
quàsar
noun
quaternió
pronoun
1. macrotaal die door indianen in Ecuador, Peru en Bolivia wordt gesproken
quítxua
pronoun
1.
Quedlinburg
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het noordoosten van het land
Queensland
/kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
quinoa
noun
1. spel waarbij de deelnemers vragen moeten proberen te beantwoorden
concurs de preguntes
noun
1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
quocient
interjection
1. horizontaal draaibare boom aan mast
iarda
/rat/, /raːd/
noun
2. een orgaan dat bestaat uit leden die raadgevende of beslissende bevoegdheden bezitten
consell
pronoun
Consell de la Unió Europea
pronoun
Consell d'Europa
noun
ajuntament
verb
1. een bron van informatie of ervaring aanspeken
consultar
noun
1. iets waarnaar men moet raden
  1. endivinalla
  2. endevinalla
/ratsəlɑxtəx/
adjective
1. onbegrijpelijk door dubbelzinnige of verborgen informatie
enigmàtic
adjective
aconsellable
/raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
corb
noun
1.
tangent
noun
1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
finestra
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
ruibarbre
/rɑˈbɛin/
noun
rabí
noun
1. wedstrijd waarbij het erom gaat een bepaald traject of parcours zo snel mogelijk af te leggen
cursa
adjective
1. met gelijke concentraties van beide optische isomeren
racèmic
noun
racisme
adjective
1. voortkomend uit de opvatting dat mensen door afstamming kunnen worden ingedeeld in grote groepen...
racista
noun
raqueta
noun
1. techniek
radar
verb
1. een gissing maken naar iets
obtenir
noun
  1. 1. een serie van in elkaar grijpende raderen
  2. 2.
engrenatge
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
  1. radian
  2. radiant
noun
1. een toestel dat door straling warmte afgeeft, ofwel ter verwarming van een ruimte, ofwel ter koeling van bijvoorbeeld een motor
radiador
adverb
radical
noun
3.
radical
verb
radicalitzar
noun
radicalisme
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
rave
/ˈradijo/
noun
  1. 1. toestel
  2. 2. medium
ràdio
adjective
radioactiu
noun
1.
radioactivitat
noun
1. het medisch specialisme...
radiologia
noun
radiòleg
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
radi
noun
raja
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
radó
noun
refineria
noun
  1. 1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
  2. 2. een baan waar een railvoertuig over rijdt
carril
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
  1. coet
  2. míssil
noun
ruca
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
  1. Àries
  2. àries
noun
1. mannelijk schaap
marrà
noun
1. een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
desastre
noun
rancor
/rɑnt/
noun
1. de bovenkant van een bak of vat
orla
verb
1. een bepaalde volgorde in iets aanbrengen
classificar
noun
1. bepaald soort vogel, Asio otus
mussol banyut
noun
1.
estoc
noun
1. iemand die ritmisch teksten voordraagt op muziek, meestal hiphop
raper
verb
1. het uitbrengen van een verslag of rapport
informar
noun
1. een muziek of dichtwerk dat contrasterende delen bevat en toch een eenheid vormt
rapsòdia
noun
raça
noun
1. een grofgetande vijl die wordt gebruikt om rondingen aan hout te maken
ratllador
verb
1. met een rasp afvijlen en fijnmaken
ratllar
/rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
rata
noun
1.
ratatolha
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
trèmol
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
serp de cascavell
verb
1. bekrachtigen van een internationaal verdrag door het nationale parlement of regering
ratificar
noun
racionalisme
noun
1.
racionalitat
noun
1.
raticida
adverb
1. ongekookt en vers
cru
noun
reactància
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
reacció
adjective
reaccionari
noun
tub d'assaig
/'reʲaɣɛns/
noun
1. een chemische stof die deelneemt aan een reactie
reactiu
verb
1. op een nieuwe situatie actie ondernemen
reaccionar
adjective
1. van iets dat het werkelijkheid kan worden
realitzable
noun
realisme
noun
realista
noun
realitat
noun
1. een televisieserie met echte mensen en echt drama, soms worden waargebeurde zaken nagespeeld, minder zakelijke weergave dan bij een documentaire
telerealitat
noun
het reanimeren
reanimació
verb
rebel·lar-se
noun
1. soort raadsel
jeroglífic
verb
1. een beoordelend verslag schrijven, meestal van een culturele gebeurtenis
ressenyar
adjective
1. een korte tijd geleden gebeurd of begonnen
recent
adverb
1. nog niet lang geleden
recentment
noun
  1. 1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
  2. 2. doktersvoorschrift voor (de bereiding van) een geneesmiddel
recepta
noun
recessió
noun
1. het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
dret
noun
  1. 1. een instelling waar rechtgesproken wordt
  2. 2. Gerechtsgebouw
tribunal
noun
1. hoek van 90 graden
angle recte
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
drets humans
/ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
jutge
pronoun
Jutges
/'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
rectangle
adjective
1. tegenovergestelde van links
dret
noun
1. kennis of studie van recht
jurisprudència
/ɾɛχts.pɛɾ.soːn/
noun
1. groepering van goederen of natuurlijke personen die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
persona jurídica
noun
jurisprudència
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
just
verb
1. onderbouwen volgens bepaalde ethische beginselen
justificar
noun
1. de overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
justícia
noun
recitatiu
verb
recitar
noun
1,2 informatie over, en aanprijzing van diensten, producten en ideeën
anunci
verb
1. na verbruik weer omzetten in iets bruikbaars
reciclar
noun
  1. 1. iemand die berichten verzamelt en bewerkt voor publicatie
  2. 2. iemand die teksten corrigeert en klaarmaakt voor publicatie
editor
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
salvar
noun
rescat
noun
1. een speciaal gebouwde en uitgeruste boot om het schip in geval van nood veilig te kunnen verlaten.
bot salvavides
noun
raó
adverb
1. op een beredeneerde wijze
raonablement
/ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
motiu
/ˌredəˈnɪːrɪŋ/
noun
1. het proces waarmee men van een aantal argumenten, premissen of axioma's tot een standpunt of conclusie komt
raonament
noun
1. eigenaar van een schip
armador
/redypliˈkatsi/
noun
1. vorming van een nieuw woorden of zinsneden door geheel of gedeeltelijke herhalen van een deel daarvan
reduplicació
noun
1. sierlijk slank hert, komt bijna in heel Europa voor
cabirol
adverb
1. al
ja
noun
1. een opeenvolgende rij van gebeurtenissen
sèrie
noun
1. een stemming over een wetsvoorstel, waarbij gestemd wordt door het volk zelf...
referèndum
noun
1. verwijzing
referència
noun
reflexió
noun
1. een onwillekeurige reactie op bepaalde prikkels
reflex
noun
refracció
noun
tornada
/ˈreɣəɫ/
noun
3. een voorschrift, richtlijn, norm
regla
noun
1. een combinatie van afspraken voor een bepaalde groep
acord
noun
2. ordelijke schikking in de ruimte
freqüència
noun
1. een apparaat of een verzameling apparatuur om het gedrag van een of ander systeem of proces te regelen
sistema de control
/reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
pluja
adjective
1. regelmatig regenend of neigend naar regen
plujós
/ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
  1. arc de Sant Martí
  2. arc iris
noun
1. het gekleurde vlies in het oog waarin de pupil zich bevindt
iris
/ˈreɣə(n)ˌdrʏpəɫ/
noun
1. een druppel die als regen uit de lucht naar beneden valt
gota d'aigua
/ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
  1. pluja
  2. ploure
noun
2. herstelgroei
regeneració
noun
1. een waterdichte overjas die geschikt is voor regenachtig weer
impermeable
noun
1. toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag in een bepaalde periode op een bepaalde plaats meet
pluviòmetre
noun
1. een verticale buis die aan een dakgoot is bevestigd en dient om het hemelwater dat op het dak valt, af te voeren
baixant
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ratisbona
noun
1. een paraplu
paraiguam
noun
regència
/'reɣəʋɔrm/
noun
1. benaming voor dieren uit de familie Lumbricidae
cuc de terra
noun
1. een bos in een klimaat met het hele jaar door neerslag
selva pluvial
noun
polit cantaire
verb
1. het uitoefenen van de politieke macht...
governar
/re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /rə.'ɣeː.rɪŋ/, /rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
govern
/ˌreɣiˈsidə/
noun
1. een bewuste moord op een koning.
regicidi
noun
1. bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
règim
noun
regiment
noun
1. geografisch gebied
regió
adjective
1. op de streek betrekking hebbend
regional
noun
  1. 1. het cultiveren van streektradities
  2. 2. (politiek) het streven naar gewestelijke autonomie
regionalisme
noun
director de cinema
verb
1. vastleggen in een register
registrar
noun
rehabilitació
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
  1. agró
  2. bernat pescaire
/rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
viatge
noun
agència de viatges
verb
1. onderweg zijn
viatjar
/ˈrɛɪzəɣər/
noun
  1. 1. persoon op reis
  2. 2. persoon die vaak reist
viatger
/ˈre.kə.nə(n)/
verb
  1. 2. in rekening brengen
    cobrar
  2. 1. getallen manipuleren
    comptar amb
noun
  1. 1. de optelsom van te betalen bedragen
  2. 2. mogelijkheid om bij een bank onder een eigen nummer betalingen te doen en te ontvangen en geld te sparen of te lenen
compte
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
aritmètica
noun
1. apparaat dat rekenkundige berekeningen kan uitvoeren
calculadora
noun
1. een verstoring van de openbare orde door een menigte, meestal gepaard gaand met geweld en politieoptreden
aldarull
noun
  1. 1. een min of meer vast verband
  2. 2. een persoonlijke, vaak amoureuze verhouding
  3. 3. iemand waarmee men zakelijke contacten onderhoudt
relació
/rəlaˈtif/
adverb
1. betrekkelijk
relatiu
noun
relativitat
noun
1. een natuurkundige theorie die ervan uitgaat dat de tijd een relatief begrip is
teoria de la relativitat
/rəlɛksə(n)/
verb
1. de tijd nemen zich te ontspannen
relaxar
adjective
1. van toepassing
pertinent
noun
rellevància
/rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
religió
/relɪˈɣɪøs/, /relɪˈʝɪøs/
adjective
1. te maken hebbend met godsdienst of geloof
religiós
noun
1. alles wat te maken heeft met godsdienst en geloof in een opperwezen
religiositat
noun
relleu
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
fre
noun
1. de afstand die een rijdend voertuig nodig heeft om tot stilstand te komen
distància de frenada
/rəˈmedi/, /reˈmedi/
noun
  1. 1. een medicijn of een op genezing gerichte behandeling
  2. 2. iets dat iets anders corrigeert of iets schadelijks wegwerkt
remei
noun
llum de fre
verb
1. snelheid doen verminderen
frenar
noun
2. geremdheid, belemmering
inhibició
noun
1. deel van een rem waar een bewegend en een stilstaand deel tegen elkaar drukken
patí de fre
adjective
1. met betrekking tot de nier
renal
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
ren
noun
1. Chemisch element
reni
/ˈrɛn.ku.kuk/
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Geococcyx
correcamins
noun
renovació
/rənoˈverə(n)/
verb
1. opknappen, repareren, vernieuwen
renovar
/rɛntabili'tɛit/
noun
1. de hoeveelheid winst die behaald wordt per geïnvesteerde hoeveelheid geld
rendibilitat
noun
1. op geregelde tijden te betalen geldbedrag voor het vruchtgebruik van een geleende som geld
interès
/ˌrejo'loːɣis/
adjective
1. op de reologie betrekking hebbend
reològic
noun
reparació
verb
1. iets weer in werkende staat brengen
reparar
verb
1.
repatriar
noun
reportatge
noun
repressió
noun
2. kopie (van een kunstwerk)
reproducció
/rɛp'til/
noun
1.
rèptil
/repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
república
pronoun
Províncies Unides
noun
republicà
adjective
republicà
noun
1. de manier waarop iemand bekend is
reputació
noun
1. mis opgedragen voor een overledene
rèquiem
noun
Reseda
noun
1.
roda de recanvi
noun
residència
noun
resistència elèctrica
noun
  1. 2. pixeldichtheid
  2. 1. motie
resolució
noun
ressonància
/rɛsˈpɛkt/
noun
eerbied uit hoogachting of angst
respecte
verb
  1. 1. iemand in aanzien houden
  2. 2. iets naleven
respectar
/rɛst/
noun
1. wat er overblijft
resta
noun
restaurant
noun
1. (kunst) (beroep) iemand die kunstwerken restaureert
restaurador
noun
2. het minitieus herstellen van een voorwerp van kunstzinnig of historisch belang
restauració
noun
1. een opgelegde beperking
restricció
/rezɵl'tat/
noun
1. een uitkomst
resultat
noun
1. netvliesaandoening
retinopatia
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door 40.000 mensen in Zwitserland
romanx
noun
1.
pregunta retòrica
noun
1. een verouderd toestel voor het destilleren bestaande uit een vat met een neergebogen tuit
retorta
/rəturˈnerən/
verb
1. iets of iemand naar het punt van vertrek terugbrengen of terugzenden
restar
noun
1. jachthond die het geschoten wild apporteert (naar de jager brengt)
gos cobrador
noun
1. overzicht van iemands oeuvre (waarin dus wordt teruggekeken)
retrospectiva
noun
1. een buitengewoon grote man
gegant
noun
1. verkregen door uitsmelting van varkensvet
  1. llard
  2. saïm
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita maxima
carabassa
noun
1. kermisattractie
roda de fira
noun
1-3. streven naar herziening (van het marxisme, de geschiedenis)
revisionisme
noun
1.
revolució
adjective
revolucionari
noun
1. een handvuurwapen met een roterende trommel met kogels
revòlver
noun
reencarnació
pronoun
1. een rivier van 812 km lengte die ontspringt in Zwitserland, door Frankrijk naar het zuiden stroomt en uitmondt in de Middellandse Zee
Roine
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
costella
noun
Àcid ribonucleic
noun
1.
ribosoma
verb
  1. 1. op een bepaald doel afstemmen
  2. 2. zich ~ op: een bepaald doel nastreven
apuntar
/ˈrɪxtɪŋ/, /ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
direcció
noun
1. aanwijzing voor een te volgen gedrag
directriu
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
cavaller
noun
esperó de cavaller
/rim/
noun
  1. 1. een band van leer of een ander materiaal
    corretja
  2. 3. hoeveelheid papier voor het drukken van 20 boeken, eerst 480 later 500 vellen
    raima
  3. 2. steel met een bladvormig uiteinde, bedoeld om een vaartuig voort te bewegen
    rem
/rit/
noun
1. plantensoort
canya
noun
2. drinkbuisje
palla
noun
1. karperachtige zoetwatervis
gardí
noun
boscarla dels joncs
noun
1. een ondiepte in water, koraalbank, klip
escull
pronoun
1.
Riga
/rɛɪ̯/, /rɛː/
noun
1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
fila
noun
1. weggedeelte bestemd voor voertuigen
calçada
/ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
permís de conduir
/ˈrɛɪ̯də(n)/, /ˈrɛːdə(n)/
verb
    1. 1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
    2. 2. iemand met een voertuig ergens heen brengen
    anar
  1. 3. zich voortbewegen op een rijdier (bijv. een paard)
    cavalcar
pronoun
1.
Rijeka
/ˈrɛɪɣə(n)/
verb
1. met een naald een draad ergens doorvoeren
enfilar
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
ric
/ˈrɛik.dɔm/
noun
1. het bezitten van veel geld en goud
riquesa
noun
1. (verkeer) (onderwijs) een onderdeel van een rijopleiding voor het behalen van een rijbewijs
lliçó de conducció
noun
  1. 1. bevroren dauw
    gelada
  2. 1. gelijkheid van klank in een vers
    rima
/ˈrɛɪmələ(n)/
verb
1.
versotejar
/rɛɪ̯n/, /rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
Rin
pronoun
Renània
pronoun
Renània-Palatinat
adjective
1. geschikt voor de oogst
madur
noun
1. bevroren dauw
gelada
verb
rijp worden
madurar
pronoun
1. stad in Noord-Frankrijk nabij de Belgische grens
Lilla
noun
brossa
/rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
arròs
noun
carril
verb
tremolar
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
arruga
noun
  1. 1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
  2. 2. cirkelvormig voorwerp
  3. 5. ringweg
anell
noun
1. een zangvogel uit de familie van mussen en sneeuwvinken
pardal xarrec
noun
1. Natrix natrix
serp de collaret
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
  1. dit anular
  2. anular
/'rɪŋwɛx/
noun
1. een weg die als een ring rond een bepaald gebied ligt
circumval·lació
noun
2. huidziekte door een schimmel veroorzaakt
tinya
noun
1. een vaak ondergronds kanaal voor de afvoer van drek
clavagueram
noun
1. apparatuur die het mogelijk maakt water uit de riolen weer voor gebruik gereed te maken
planta de tractament d'aigües residuals
pronoun
1. een Rijnfrankisch dialect dat behoot tot de Middelduitse dialectgroep
fràncic ripuari
noun
1. een mogelijk gevaar voor schade
risc
/rɪt/
noun
1. een reis in een voertuig
viatge
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
ritme
adjective
rítmic
noun
2. ritssluiting
cremallera
/riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
riu
noun
1. bepaald soort slanke eetbare Euraziatisch zoetwatervis, Gobio gobio
gobi
noun
1. een soort kreeft die in riviertjes leeft
cranc de riu
/ˌritsoˈsfeːr/, /ˌritsoˈsfɪːr/
noun
1. gedeelte van de bodem waarin het ecosysteem onder invloed van plantenwortels staat
rizosfera
noun
robí
/ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
robot
noun
1. kwaadsprekerij, achterklap
xafarderia
verb
1. op een vervelende manier over anderen praten
xafardejar
noun
remolatxa d'hort
noun
1.
nana roja
noun
1. Trifolium pratense, een overblijvend kruid uit de vlinderbloemenfamilie
trèvol comú
pronoun
Creu Roja
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx rufus
linx roig
noun
1. rossig gekleurde zaden (zemel en kern) van aan gewone rijst (Oryza sativa) verwante planten
arròs vermell
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
vi negre
noun
1.
milana
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
  1. Mar Roja
  2. mar Roig
/ˌro.də.ˈhɔnt/
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
rubèola
noun
1. en 2. donkerrood sluitkoolgewas
col llombarda
noun
1. chemisch element met symbool Rh
rodi
/ˈrubəl/
noun
ruble
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
remar
noun
1.
rem
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
graula
adjective
1. zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
temerari
noun
1. eer en glorie
fama
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
romanès
/ruˈmeni.jə/, /ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
Romania
noun
roentgeni
/rup/
noun
1. een vrij harde klank geproduceerd met stemgeluid
crida
/'ru.pə(n)/
verb
1. met verheffing van stem de aandacht van iemand trachten te verkrijgen
cridar
/'rupi/
noun
1.
rúpia
/'rupɪŋ/
noun
1. een taak waarvoor een persoon zich verplicht voelt, vaak met religieuze invloed
vocació
noun
1. vlak waarmee gestuurd wordt
timó
/ˈrur.bɑ.kə(n)/
verb
1. een kooktechniek voor het bereiden van voedsel in een wok
saltar
/rurɛi/
noun
1. een gerecht van gebakken eieren en losgeklopte melk
ou remenat
verb
  1. 1. een vloeistof met een spaan in ronde beweging brengen
  2. 4. in opstand komen
regirar
noun
1. geoxideerd ijzer
rovell
adjective
rovellat
adjective
1. roestbestendig
inoxidable
/rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
  1. sutge
  2. estalzí
  3. sutja
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
rajada
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
sègol
/ˈrɔɣəbrod/
noun
1. een van rogge gebakken brood
pa de sègol
noun
1. met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van roggekorrels
segó de sègol
noun
1. buis- of kegelvormig kledingstuk
faldilla
noun
1. zet in een schaakspel
enroix
/ˈroːkə(n)/
verb
  1. 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
  2. 1. rook afgeven
  3. 3. conserveren door langdurige blootstelling aan rook
fumar
verb
1.1. het doen van een zet waarbij de koning en een toren elkaar passeren
enrocar
noun
faldiller
noun
1. een gordijn dat bij het sluiten van een ronde stok wordt afgerold
persiana enrotllable
verb
1. zich wentelend over een oppervlak bewegen
rodar
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
cadira de rodes
noun
1. trap met bewegende treden
escala mecànica
noun
B 1. volk in Europa en Azië dat traditioneel een zwervend bestaan leidt
romanins
adjective
1.
romanç
noun
1.
romaji
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
novel·la
/romaˈnɛs/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
romaní
noun
1. (kool van) groentesoort Brassica oleracea convar. botrytis var. botrytis
romanesco
/roˈmɑns(x)rɛɪvər/
noun
1. een mannelijke persoon die romans schrijft
novel·lista
adjective
romàntic
verb
1. iets mooier en rooskleuriger voorstellen dan het in werkelijkheid is
idealitzar
/ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Roma
adjective
1. met betrekking tot Rome
romà
/roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
Imperi romà
/ˈrɔməlpɔt/
noun
simbomba
noun
1. het lichaam van een mens of dier zonder ledematen, kop of staart
tronc
adjective
1. cirkelvormig
rodó
/ˈrɔnsəˌlə(n)/
verb
allistar (en una brigada)
/rod/, /rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
  1. vermell
  2. roig
/rod/, /rot/
noun
1. een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm.
  1. roig
  2. vermell
noun
1. bepaald soort struik, Daphne mezereum
tintorell
adjective
rogenc
noun
1. bepaald soort vis, Sebastes marinus
gallineta nòrdica
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
pit-roig
adjective
1. met rood gekleurde haren
pèl-roig
noun
1.
rojor
pronoun
1. sprookjesfiguur
Caputxeta Vermella
noun
1. en 2. (bladeren van) Cichorium intybus var. foliosum
radicchio
noun
1. exotische roof- en zoetwatervis die voorkomt in de wateren van de Benelux, Leuciscus aspius
aspi
/ˈrovdir/
noun
1. dier dat zijn prooi bejaagt en doodt
depredador
/ˈroˌfoχɔɫ/, /ˈroːˌfoːɣəl/, /ˈroːˌvoːɣəl/
noun
1. eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
rapinyaire
/roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
fum
noun
1. apparaat dat een zeer luid signaal afgeeft als er rook aanwezig is
detector de fum
noun
1. een verbod om te roken
prohibició de fumar
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
nata
/roːs/
noun
1. bloem
rosa
noun
rosbif
/'rɔskɑm/
noun
1. een grof soort kam die voor het verzorgen van paarden of het schoonmaken van andere borstels gebruikt wordt
estríjol
verb
1. een paard met borstel en kam reinigen
estrijolar
adjective
rood, rossig (van haar)
rogenc
pronoun
1.
Rostock
noun
1. kleine wit-zwarte gans met een ver klinkende rott-rott roep, Branta bernicla
oca de collar
noun
2. bepaald soort vuurwerk dat na het aansteken van de lont wordt weggegooid en dan een harde knal geeft
petard
noun
  1. 2. een rond, pleinvormig kruispunt van wegen
  2. 1. een rond gebouw
rotonda
noun
1. een grote ruwe steen
roca
/ˈrɔtstœʏn/, /ˈrɔtstœːn/
noun
1. een tuin met rotspartijen en rotsplanten
rocalla
pronoun
Rottumeroog
/ra<sup>ʊ</sup>/, /rʌʊβ̞/, /rʌːβ̞/
noun
1. grote smart of droefenis na een verlies
dol
/rʌʊβ̞ə(n)/, /rʌːβ̞ə(n)/
verb
1. de emotionele nasleep van het overlijden van een geliefd persoon
afligir-se
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
atracador
/roːzə/, /rɔːs/, /rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
  1. rosa
  2. rosat
noun
2. keukenkruid
  1. romaní
  2. romer
noun
1. schijnvrucht van wilde rozen
gavarró
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
rosari
noun
aigua de roses
noun
1. kleine gedroogde vruchtjes van Vitis vinifera
pansa
/ˈrɵ.bər/
noun
cautxú
noun
1. Chemisch element
rubidi
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
ruca
adjective
1. tussen puin groeiend
ruderal
adjective
rudimentari
/rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
esquena
noun
rugbi
noun
columna vertebral
noun
medul·la espinal
noun
respatller
noun
1.
aleta dorsal
noun
motxilla
pronoun
1. een regio in de Duitse deelstat Noordrijn-Westfalen
conca del Ruhr
/rœʏkə(n)/, /rœːkə(n)/
verb
1. een geur waarnemen
  1. flairar
  2. olorar
noun
1. een boeket
pom
/rœy̯m/
noun
1. de laadruimte van een schip
bodega
noun
stuk gereedschap waarmee men een boorgat iets ruimer kan maken
barrina
noun
3. heelal
espai
noun
vestit espacial
noun
1. vaartuig geschikt om zich buiten de aardse atmosfeer te begeven
nau espacial
noun
estació espacial
noun
1. structuurloos en voortdurend geluid dat een continuüm van toonhoogten bevat
soroll
noun
1. bepaald soort zoetwatervis die zich graag tussen het riet ophoudt, Scardinius erythrophtalmus
gardí
noun
2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
rombe
noun
1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
eixugaparabrises
noun
1. berijder van een rijdier
genet
noun
cavalleria
noun
1.
estàtua eqüestre
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
rom
/rʏnd/, /rʏnt/
noun
1. holhoornig herkauwend zoogdier
bou
/ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
brau
/ˈrynə/
noun
1. een schriftteken van het Oud-Germaanse alfabet
runa
noun
1. vlinderlarve
eruga
noun
1. een inwoner van Rusland
rus
/'rʏs/
noun
plant
jonc
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
Rússia
/ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
rus
/ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
rus
/rɵst/
noun
1. voortdurende toestand van kalmte
tranquil·litat
verb
1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
descansar
adjective
1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
quiet
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
ruteni
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
rutherfordi
adjective
1. oneffen, niet glad
brut
noun
1. toestand waarin men in ernstig conflict is met anderen
disputa
/ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
ruïna
/ˌryiˈnerə(n)/
verb
1. helemaal kapotmaken
destruir
/ru.ˈwɑn.da/, /ru.ˈʋɑn.da/, /ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
  1. Rwanda
  2. Ruanda
noun
1.
raig X
/saɪ̯/, /saːɪ̯/
adjective
avorrit
pronoun
1.
Saarland
pronoun
Saba
noun
1. bepaald soort zoogdier, Marter zibellina
mart gibelí
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
sabotatge
verb
sabotejar
noun
sabotejador
noun
sacàrid
noun
1. caloriearme kunstmatige zoetstof die geen directe invloed heeft het bloedsuikergehalte
sacarina
noun
1. een disacharide, bestaande uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid
sacarosa
noun
1. plechtige gebeurtenis in de katholieke kerk
sagrament
noun
1. een ruimte in een rooms-katholieke kerk, waarin men alles bewaart dat nodig kan zijn om een kerkdienst te houden.
sagristia
adjective
sàdic
/sɑˈfarɪ/
noun
1. expeditie in de wildgebieden in Afrika
safari
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
safir
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
safrà
/ˈsaɣə/
noun
saga
pronoun
1. zandwoestijn in Noord-Afrika
Sàhara
/sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
Saint Vincent i les Grenadines
pronoun
Saint-Pierre i Miquelon
pronoun
1. Duitse deelstaat
Saxònia
pronoun
Saxònia-Anhalt
noun
amanida
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
salamandra
noun
1. regelmatige, meestal maandelijkse beloning voor werk verricht in een werkverband
salari
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
sàlvia
pronoun
1. koning van Israël
Salomó
/ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
  1. illes Salomó
  2. Illes Salomó
noun
1. een lage tafel die in een woonkamer staat
tauleta de centre
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
àcid nítric
pronoun
Samaria
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
samari
adverb
junts
noun
1. gezin met kinderen van één of beide partners uit een eerdere relatie met een ander
família reconstituïda
noun
1. een bevolking die een sociaal geheel vormt
societat
verb
1. meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
compondre
noun
  1. 1. het samenstellen
    composició
  2. 2. verbinding van twee of meer zelfstandige woorden
    compost
adjective
1. verkort met weglating van overbodige details
en resum
/ˈsaːməvɑtɪŋ/
noun
1. een beknopte beschrijving van een inhoud
resum
verb
1. met een of meer aan hetzelfde werken
col·laborar
noun
1. het samenwerken van meerdere personen
cooperació
/ˈsamə(n)ˌzʋɪːrə(n)/
verb
1. geheimelijk met anderen samenwerken ten nadele van een derde partij
conspirar
/sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Samoa
pronoun
1. een taal die gesproken wordt door 370.337 mensen in Samoa, Amerikaans-Samoa, Fiji, Nieuw-Zeeland, Tonga en de Verenigde Staten
samoana
/ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
samurai
pronoun
1. Baltische taal gesproken door 500 duizend mensen in Litouwen
samogitià
pronoun
Samuel
/ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
San Marino
/'sɑŋksi/
noun
1. strafmaatregel
sancionar
/sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
sandàlia
noun
1. een bepaald houtsoort (Santalum album of verwante soorten)
sàndal
/ˈsɑntwɪtʃ/
noun
badall
noun
1. een Spaanse licht-alcoholische drank
sangria
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
sànscrit
/saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
São Tomé i Príncipe
/sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Aràbia Saudita
noun
1. plantenvocht
  1. suc
  2. saba
noun
1. soldaat die loopgraven maakt
sapador
adjective
1. vol met sap
sucós
noun
sarabanda
noun
1.
sarcasme
adjective
1.
sarcàstic
noun
1. een stenen doodskist
sarcòfag
noun
sarcoma
noun
1. klein zilverkleurig haringachtig visje, Sardina pilchardus
sardina
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
sardina
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Sardenya
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 1,3 miljoen mensen op Sardinië
sard
/sɑr'donis/
adjective
1. op een bittere manier grijnzen of lachen
sardònic
/ˈsatɑn/
pronoun
Satanàs
noun
1. aanbidding van Satan
satanisme
/sɑtɛ'lit/
noun
satèllit
noun
sàtir
noun
1. een weefsel vervaardigd met een weeftechniek, waarbij de kruispunten van de ketting-...
setí
noun
sàtira
verb
saturar
pronoun
1.
Saturn
/saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Aràbia Saudita
/saˈul/
pronoun
2. jongensnaam
Saül
/'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
sauna
/sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
salsa
/ˈsa.va/
pronoun
1. een rivier in Zuidoost-Europa met een lengte van 940 km.
Sava
noun
1. een grasland met verspreid voorkomende bomengroei
sabana
noun
1. en 2. (bladeren van) Brassica oleracea convar. capitata var. sabauda)
col de milà
verb
assaborir
/sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
saxòfon
/skɑn.ˈdeː.rə(n)/, /skɑn.ˈdɪː.rə(n)/
verb
2. ritmisch declameren met één sterke nadruk per versvoet.
escandir
pronoun
1. Denemarken, Noorwegen en Zweden.
Escandinàvia
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
escandi
noun
escàner
/sə.ˈna.ri.jo/
noun
1. een kort uitgewerkt schema voor de handeling van een dramatisch werk
argument
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
ceptre
/ˈskɛptɪs/
adjective
1. geneigd tot twijfel
escèptic
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
  1. ribot
  2. plana
noun
3. machine voor het bewerken van metaal
llimadora
noun
abrasió
noun
2. het schaakspel als zodanig
escacs
/ˈsxagbɔrt/, /ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
escaquer
adverb
escac i mat
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
escacs
/ˈsxakstʌk/
noun
1. een onderdeel van het schaken dat over het schaakbord bewogen wordt.
peça d'escacs
noun
  1. 2. buitenkant van een ei of vrucht
    closca
    1. 3. verhouding van de grootte tussen een model en een echt voorwerp
    2. 4. bepaalde ijking op een grafiek, as of eenheid
    escala
noun
1.
pubis
noun
1. huidplooi bij de opening van de vulva, aan beide zijden van de vagina
llavi de la vulva
noun
1. kleine parasieten die voorkomen in het schaamhaar, maar ook op wimpers...
  1. cabra
  2. lladella
/'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
vergonya
adjective
1. zonder schaamte
desvergonyit
noun
1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
  1. ovella
  2. be
noun
1. werktuig om te knippen
  1. tisores
  2. ganivet
adjective
1. weinig in aantal of hoeveelheid
escàs
/'sxarstə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
escassesa
noun
1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
patí
verb
1. zich voortbewegen op schaatsen
patinar
noun
2. bepaald soort insect, Gerris lacustris
sabater
/ˈsxɑxt/
noun
1. (holle) buis
pou
noun
1. geheel van beschadigingen
dany
/ˈsxadələk/
adjective
1. schade toebrengend
nociu
/ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
ombra
noun
interruptor
verb
1. blaasinstrument met een rechte conische boring en een los dubbel riet dat de toon vormt
bombarda
noun
1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
escàndol
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
vergonya
noun
1. een paal op een plein, waaraan mensen bij wijze van straf werden vastgemaakt om vernederd...
picota
noun
1. een plank om iets op te zetten
lleixa
adjective
escarlata
/sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
frontissa
noun
3. vogel uit de familie van de scharrelaars
gaig blau
noun
1. verzamelde rijkdom
tresor
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
beina
/'sχedəl/
noun
crani
/sxeːf/
adjective
1. niet recht, schuin
oblic
/sxeːl/
adjective
1. het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
estràbic
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
cama
/ˈsxenben/
noun
tíbia
/'sxenbəsxɛrmər/
noun
1. beschermer van scheenbeen
canyellera
noun
grumet
noun
1. (scheepvaart) een werkgebied
drassana
noun
1. het verkeer op het water
navegació
/ˈsxɪːrkʋɑst/
noun
1. een dikke kwast waarmee men scheerzeep aanbrengen
brotxa
/sxeːrmɛs/, /sχɪːrmɛs/
noun
1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
navalla
noun
1. het uiteenhalen van iets in zijn onderdelen
separació
/'sxɛɪtsrɛxtər/
noun
1. iemand die tijdens een spel de spelregels toepast
àrbitre
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
química
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
químic
noun
químic
adjective
estrident
/ˈsχɛldə/
pronoun
1.een rivier die ontspringt in de gemeente Gouy in noordelijk Frankrijk
Escalda
/'sxɛltwoːrt/
noun
1. een term die bedoeld is om iets of iemand te beledigen
mot injuriós
/sxɛlp/
noun
1. een uit kalk gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier wordt aangemaakt
closca
noun
1. bepaald soort kabeljauwachtige consumptievis, Melanogrammus aeglefinus
eglefí
noun
esquema
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
crepuscle
/sxɛndə(n)/
verb
1. iets niet in acht nemen
violar
pronoun
Schengen
/'sxɛŋ.kə(n)/
verb
1. geven
donar
noun
1. lepelvormig werktuig
pala
/ˈsxɛpə(n)/
verb
1. doen ontstaan uit niets
crear
noun
1. iets nieuws dat uit het niets gemaakt is
creació
noun
1. creatuur; iets dat gemaakt is
creatura
/sxeːrə(n)/, /sχɪːrə(n)/
verb
1. baard afsnijden
afaitar
/sxɛrf/, /sχɛrf/
noun
1. een onregelmatig gevormd stuk materie dat deel heeft uitgemaakt van een groter geheel
padellàs
noun
1. verticale draden van het weefgetouw
ordit
/sxɛr'mɵʦəlɪŋ/
noun
escaramussa
adjective
1. goed snijdend
  1. esmolat
  2. agut
adjective
astut
noun
esbós
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
escorbut
/sxʏːrə(n)/
verb
1. in twee of meer delen trekken
esquinçar
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
península
pronoun
Schiermonnikoog
/ˈsxi.tə(n)/, /ˈsχi.tə(n)/
verb
1. een projectiel afvuren met een wapen
disparar
noun
1. gat om door te schieten
espitllera
noun
1. een draad met loden balletje om de loodrechte stand van iets te onderzoeken
plomada
noun
1. een confrontatie waarbij partijen elkaar beschieten
tiroteig
/sxɛi̯f/
noun
1. plat en rond voorwerp
disc
noun
1. een rem, waarbij op de as van het af te remmen toestel een schijf meedraait, die door middel van remblokken afgeremd kan worden.
fre de disc
/'sxɛi̯n.ɦi.u̯ə.lək/
noun
1. huwelijk voor de schijn
matrimoni de conveniència
/sxɛɪt/
noun
1. vaste uitwerpselen
merda
/sxɛɪtə(n)/, /sxɛːtə(n)/, /sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
cagar
verb
1. goed uitkomen
convenir
noun
1. buitenste bekleding van een vrucht
closca
/sxɪlt/
noun
1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
escut
noun
1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
pintor
verb
  1. 1. een kunstwerk vervaardigen door met verf een beeld op een oppervlak te maken
  2. 2. een bouwwerk of voorwerp van een beschermend laag verf voorzien
  3. 1-2.
pintar
noun
1. een vrouwelijke schilder
pintora
/ˌsxɪldə'rɛː/, /ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
pintura
noun
1. een van beide figuren -menselijk of anderszins- die het wapen flankeren
aguantador
/sxɪldkliːr/, /sxɪɫtkliːr/, /sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
tiroide
noun
escuder
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
tortuga
noun
1. een band langs de omtrek van een wapenschild
bordura
verb
1. de schil van een vrucht verwijderen
pelar
noun
  1. 1. paardenras met een grotendeels witte vacht met fijne grijze of blauwige tekening
  2. 2. zwamsoort of substantie die op dode of levende organismen groeit.
floridura
noun
1. ziekte door schimmels
micosi
noun
2. rijk binnen de eukaryoten, Fungi
fong
noun
1. schaduwspel
teatre d'ombres
noun
  1. 2. grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk
    nau
  2. 1. groot zeewaardig vaartuig
    1. nau
    2. vaixell
/sxɪbrøk/
noun
1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
naufragi
noun
1. uit elkaar vallen van een kerkgenootschap in twee delen door sterk verschillende opvattingen
cisma
noun
1. gesteente
esquist
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
esquizofrènia
verb
1. van schoeisel voorzien
calçar
noun
1. alles wat men om de voeten heen kan dragen, zoals schoenen en laarzen
calçat
/sxun/
noun
1. voetbekleedsel
  1. sabata
  2. calçat
noun
1.
bec d'esclop
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
goleta
noun
calçador
noun
sabater
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
cordó
/'sxunzol/
noun
1. zool van een schoen
sola
noun
1. schouder van paard of rund
creu
noun
1. mechanisme om schokken te dempen
  1. amortidor
  2. esmortïdor
noun
1. heftige uitwerking
impacte
noun
1. bepaald soort platvis, Pleuronectus platessa
capellà
noun
1. zwart-witte waadvogel met luide roep, Haematopus ostralegus
garsa de mar
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
alumne
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
gronxador
verb
1. op een schommel heen en weer bewegen
girar
/ˈsxɔməlstul/
noun
1. een stoel, gewoonlijk op gebogen staanders, waarop men heen en weer kan schommelen
balancí
noun
  1. 2. wiskundige structuur
    feix
  2. 1. samengebonden bundel halmen
    garba
/sxoːl/, /sxoːɫ/, /sχoːɫ/
noun
  1. 1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
  2. 2. een zwemmende groep gelijksoortige vissen
escola
noun
pissarra
/sxols/, /sχo̝ɫs/
adjective
1. zoals op school
escolar
/ˈsxoːl.tɑs/
noun
cartera d'esquena
/sxoːn/
adjective
1. mooi
bonic
/ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
cunyat
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
  1. nora
  2. jove
/ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
bellesa
noun
1. klein foutje
imperfecció
noun
concurs de bellesa
verb
1. reinigen
netejar
/ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
sogra
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
sogre
noun
1. de man van een dochter of zoon
gendre
/ˈsxonzʉs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
cunyada
noun
1. de echtgenote van broer of zus, of de zus van de echtgenoot of echtgenote
cunyada
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
xemeneia
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
escura-xemeneies
/sxot/, /sχot/
noun
1. de bovenkant van de dijen van iemand die zit
falda
noun
  1. 1. graafwerktuig
    pala
  2. 1. trappende aanraking met de voet
    puntada de peu
/'sxɔ.pə(n)/
noun
1. kaartkleur
piques
/'sxɔ.pə(n)/
verb
1. een trap geven
pedalejar
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 oktober tot 22 november
  1. Escorpió
  2. escorpió
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
escorpí
/sxɔrs/
noun
1. buitenste laag van (boom)stam
escorça
noun
1. een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen ...
davantal
verb
1. tekortkomen, ontbreken
escassejar
noun
1. een persoon afkomstig uit Schotland
escocès
noun
  1. 2. tussenwand
    bafle
  2. 1. afvuren
    colpet
noun
3. kop en schotel
sotacopa
/ˈsxɔtlɑnt/, /ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Escòcia
pronoun
1. een Engels dialect dat gesproken wordt in Schotland
escocès
/ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lis/, /ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lɪs/, /ˌsχɔts.χa.ˈe.lis/
pronoun
1. Keltische taal die door ongeveer 60.000 personen wordt gesproken op de Schotse eilanden ...
escocès
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
  1. espatlla
  2. muscle
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
  1. escàpula
  2. omòplat
noun
1. het naar boven bewegen van de schouders als teken dat iemand het niet weet of niet interesseert is, soms is het een uitdrukking van machteloosheid
encongiment d'espatlles
verb
aguantar
/'srɑpə(n)/, /'sxrɑpə(n)/
verb
2. doorhalen, verwijderen van een lijst
abandonar
/sxreu̯/, /sχrɪːu̯/
noun
1. een luide (uit)roep
crit
/ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
xisclar
/srɪft/, /sxrɪf/, /sxrɪft/
noun
1. een dun boekje met lege bladzijden om in te schrijven
quadern
/ˈsrɛɪ̯də(n)/, /ˈsxrɛɪ̯də(n)/, /ˈsxrɛːdə(n)/
verb
1. bedachtzaam en statig lopen
caminar (lentament)
noun
1. een mechanisch apparaat, voorzien van druktoetsen waarmee schrifttekens op papier gezet kunnen worden
màquina d'escriure
/ˈsrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛːfstər/
noun
1. een persoon van het vrouwelijk geslacht die op professionele manier boeken of verhalen schrijft
  1. escriptora
  2. autora
/sxrɛɪn/, /sçrɛːn/
noun
kistje
santuari
noun
ebenista
/ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
escriure
/ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
escriptor
noun
dia bixest
noun
1. een jaar met 366 dagen
  1. any de traspàs
  2. any bissextil
verb
1. met water en een harde borstel reinigen
fregar
noun
1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
  1. cargol
  2. vis
  3. caragol
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
  1. tornavís
  2. desengramponador
/sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
escama
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Manidae
pangolí
adjective
tímid
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
  1. sacsejar
  2. agitar
noun
peu de rei
/sxʌʏm/
noun
1. iets dat veel luchtbellen bevat
escuma
verb
escumar
noun
bromadora
noun
  1. bromadora
  2. escumadora
adjective
1. niet-loodrecht
oblic
noun
barra
verb
1. over de grond verplaatsen
empentar
noun
1. een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe niet betaald wordt
deute
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
creditor
noun
1. iemand die iets (meestal geld) aan iemand anders verschuldigd is
deutor
/'sxɵldəx/
adverb
culpable
/sxyrə(n)/
verb
1. een oppervlak glad maken door wrijving met een ruw oppervlak van grotere hardheid
escurar
adjective
1. met veel wrijving; beetje vervelend
abrasiu
/sxɵrft/
noun
1. een huidaandoening veroorzaakt door de schurftmijt
ronya
/sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
brètol
noun
  1. 2. een blad dat in de oksel van een bloem of bloeiwijze onmiddellijk daaronder staat
    bràctea
  2. 1. een vel papier dat het boekblok beschut
    pàgina de respecte
/sxyːr/, /sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
  1. pallera
  2. pallissa
noun
1. ziekelijke verharding
esclerosi
noun
1. een zijdelingse verkromming van de rug (wervelkolom), waardoor één of twee bochten ontstaan
escoliosi
verb
marcar
/sku.bi.ˈdu/
noun
scubidú
noun
1. scouting
escoltisme
verb
1. scrollen
fer scroll
noun
escena
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
seaborgi
noun
  1. 1. omgekeerde van de cosinus
  2. 2. lijn die een kromme op twee punten snijdt
secant
noun
secessionisme
noun
  1. 1. SI-grondeenheid van tijd
  2. 5. een interval met een toonafstand
segon
noun
1. schrijfmeubel met laatjes
secretari
/səkre'tarəs/
noun
1. functie in organisatie
secretari
noun
1. hoge functionaris binnen grote organisaties, zoals de Verenigde Naties, NAVO, FIFA
secretari general
noun
1. afscheiding
secreció
/'sɛktɔr/
noun
  1. 1. een deel van een cirkel in de vorm van een taartpunt
  2. 3. de kleinste eenheid van een harddisk die in één bewerking door een lees/schrijfkop kan verwerkt worden
sector
/səkʏnˈdɛːr/
adjective
secundari
adjective
sedentari
adjective
sedimentari
pronoun
Sofonies
noun
segregació
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Sena
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
sismologia
/sɛɪ̯.ˈzun/, /sɛː.ˈzun/
noun
1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
estació
/sɛks/
noun
2. geslachtsgemeenschap
sexe
noun
1. sekse
sexe
noun
sexisme
adjective
1.
sexista
noun
sexualitat
/sɛksy'el/
adjective
1. op de geslachtsdrift betrekking hebbend
sexual
noun
1.
abús sexual
/ˌsɛksʏwolo'ɣi/
noun
sexologia
/ˌsɛksʏwo'loɣ/
noun
sexòleg
/ˈsɛks.wɛr.kər/
noun
treballador sexual
adjective
1. betrekking hebbend op een sekte
sectari
/ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
secta
noun
1. tuinkruid, vergelijkbaar met peterselie, maar dan met een veel sterkere smaak
api
noun
1. bepaald soort plant, Apium graveolens
api
noun
casella de selecció
noun
1. Scheikundig element met symbool Se en atoomnummer 34
seleni
/sɛlfi/
noun
1. een foto die iemand van zichzelf heeft genomen
autofoto
noun
1. taalkunde
semàntica
/se'mɑntis/
adjective
1. de semantiek betreffend
semàntic
noun
een half jaar
semestre
noun
semiòtica
adjective
1.
semític
noun
senat
noun
senador
/ˈse.ne.ˌɣɑl/, /ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Senegal
/seˈnil/
adjective
1. aan de ouderdom eigen, door de ouderdom afgetakeld
senil
noun
1. geestelijke en lichamelijke ouderdomsverschijnselen
senilitat
/sɛnzitiviˈtɛit/
noun
1.
sensibilitat
noun
separatisme
noun
1. ernstige onstekingsreactie
sèpsia
noun
1. negende maand van het jaar
setembre
adjective
1.vredig en kalm
serè
noun
1. muzikaal eerbetoon
serenata
noun
1.
serendipitat
noun
1. een rang onder de onderofficieren
sergent
noun
1. een aantal elementen op volgorde
sèrie
adverb
1. ernstig
seriós
/sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
lila
noun
1. een slang
  1. serp
  2. serpent
noun
2. gebouw(tje) met veel glas voor het kweken van planten
hivernacle
noun
1. de vloeibare stof die overblijft als bloed is gestold
sèrum
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leptailurus serval
serval
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
servidor
verb
1. iets op tafel opdienen
servir
/sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
  1. tovalló
  2. torcaboques
noun
1. ring om een opgerold servet bijeen te houden
anell de tovalló
/ˈsɛrvis/, /ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
serbi
/ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
Sèrbia
/ˈsɛrvi.jər/
noun
1. een inwoner van Servië, of iemand afkomstig uit Servië
Serbi
/sɛrvoːkroːˈaːtis/
pronoun
serbocroat
noun
1. een uit Afrika afkomstige plant uit de familie Pedaliaceae
sèsam
noun
1. verzameling
joc
/se.ˈʃɛ.lə(n)/, /sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
Seychelles
noun
1. het geheel van gedachten en gevoelens die de gemoederen in een bepaalde omgeving bezighouden
ambient
noun
1.
esferoide
noun
1.
esfinx
/ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
xampú
noun
1. een Spaanse versterkte wijn
xerès
noun
1.
xiitake
noun
xíling
noun
xintoisme
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
Sistema Internacional d'Unitats
noun
siàlid
pronoun
Sibèria
adjective
2. zeer onduidelijk
sibil·lí
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 10 miljoen mensen op Sicilië, in Zuid-Calabrië en Salento
sicilià
/sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
Sicília
noun
1. bepaald soort grote, palingachtige vis die zware stroomstoten kan afgeven, Electrophorus electricus
anguila elèctrica
noun
1. naam voor soorten platvis die hun prooi kunnen verdoven met een elektrische stroomstoot
torpede
/ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
Sierra Leone
noun
1.
floricultura
noun
cigar
/sɪɣɑˈrɛt/, /sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
  1. cigarreta
  2. cigarret
noun
1.
sigma
/sɪɲˈaːl/
noun
1,2,3,4,5,6. vorm van informatie
senyal
noun
sikh
/ˈsɪkəl/
noun
1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
falç
/siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
Silèsia
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
silueta
noun
silicat
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
silici
noun
1. organische silicium verbinding
silicona
noun
1. het uit winstbejag verhandelen van geestelijke (kerkelijke) goederen of ambten
simonia
/sɪmpəł/
adjective
1. zonder veel complicaties
simple
/sɪm'plɪstis/
adjective
1.
simplista
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
taronja
noun
1. boom van de Citrus sinensis
taronger
noun
1. vruchtvlees van een sinaasappel, nadat het sap verwijderd is
polpa de taronja
preposition
1. sedert, vanaf het moment dat
des que
noun
1. makkelijk baantje, taak
canongia
/sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /sɪŋ.gɑ.poːr/, /sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Singapur
noun
1. kort onderhemd zonder mouwen
samarreta
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Sinsheim
/ˌsɪntøˈsta(t)sijʏs/
pronoun
Sint Eustatius
/sɪnt.'maːr.tən/
pronoun
1. eiland in het noordoostelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Sant Martí
pronoun
Santa Helena
noun
1. Pecten jakobeus
petxina
noun
pericó
pronoun
1.
Riu Sant Llorenç
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
Sant Petersburg
noun
sinus
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
sirena
pronoun
1. Sirius
Sírius
noun
xaloc
noun
1. een instrument dat rinkelende geluid voortbrengt
sistre
noun
1.
sitar
/sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
situació
noun
1. een langwerpige lap stof die om de hals gedragen wordt
bufanda
/ʃɑ'blo:n/
noun
plantilla
noun
1.
xa
noun
1. een kleine uiensoort
escalunya
/'ʃɛkɛl/
noun
1.
xéquel
noun
xiisme
/ʃul/
noun
sinagoga
/ʃoˈfɑr/
noun
1.
xofar
/ʃʋɑ/
noun
1. toonloze klinker
schwa
noun
monopatí
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
esquelet
noun
esquí
noun
1.
esquif
noun
1.
escíncid
verb
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
esquiar
/skiər/
noun
1. een mannelijk iemand die aan skiën doet
esquiador
noun
  1. 2 en 3. (bladeren van) Lactuca sativa
    1. enciam
    2. lletuga
  2. 1. plant van de soort Lactuca
    lletuga
/slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
esclau
verb
  1. 2. het voorbrengen van geluid door ergens op te slaan
    batre
  2. 1. een klap uitdelen; met de arm of een vastgehouden voorwerp een snelle, rakende beweging maken
    pegar
/slap/
noun
  1. 1. periode van inactiviteit
    son
  2. 3. zijvlak van het hoofd
    1. templa
    2. pols
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
  1. dormitori
  2. cambra
noun
1. melodie met eenvoudige tekst die gezongen wordt om een kind in slaap te krijgen
  1. cançó de bressol
  2. noninó
noun
1.
mode d'espera
noun
1. iemand die loopt in een toestand van verminderd bewustzijn
somnàmbul
noun
sac de dormir
noun
carnisser
noun
1. slachthuis
carnisseria
/ˈslɑx.hœːs/, /ˈslɑxt.ɦœːs/, /ˈslɑχ.tœʏ̯s/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
escorxador
noun
  1. 1. een dier dat gedood wordt als offer voor een godheid
  2. 2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
  3. 3. in het bijzonder iemand die sterft (of gewond raakt) ten gevolge van een gebeurtenis (ramp of gewelddaad)
víctima
noun
2. het opzettelijk doen belanden van een hand of een voorwerp op iemand
cop
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
artèria
/ˈslaːɣə(n)/, /ˈslaːχə(n)/
verb
2. het examen succesvol beëindigen
aprovar
noun
1. een verkoper van vlees
carnicer
noun
1. muziekinstrument waarop wordt geslagen
instrument de percussió
noun
nata muntada
noun
1. groot schip met zware bewapening
cuirassat
/ˈslaxfɛlt/
noun
1. een gebied waarop een militair treffen tussen twee legers plaatsvindt of plaatsgevonden heeft
camp de batalla
noun
  1. 1. een buikpotig weekdier (huisjesslak)
    1. caragol
    2. cargol
  2. 1. een buikpotig weekdier (wijngaardslak)
    cargol
  3. 2. een onoplosbaar afvalproduct bij het smelten van metaal
    escòria
noun
1. met een ~: erg langzaam
pas de bou
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
serp
noun
encantador de serps
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Serpentari
adjective
prim
noun
insomni
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
dormir
noun
dormilega
/ˈsla.pə.rəx/, /ˈsla.pə.rəχ/, /ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
somnolent
/ˈsla.pə.rəx.ˌɦɛːt/, /ˈsla.pə.rəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /ˈsla.pə.rɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
2. de neiging te gaan slapen
son
noun
tràfic negrer
/ˈslaː.və(n)ˌsxɪp/
noun
vaixell d'esclaus
noun
1.
  1. esclavatge
  2. esclavitud
adjective
Eslau
pronoun
Eslau
pronoun
1.
Eslavònia
/slɛçt/
adjective
1. niet goed
dolent
adjective
pitjor
noun
1. de hoedanigheid van het slecht zijn
maldat
adverb
1. alleen maar, vervoeging van slecht
només
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
falcó pelegrí
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
carràs
noun
1. bepaald soort plant met blauwe vruchten, Prunus spinosa
aranyoner
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
remolcador
/ˈsle.prœʏ̯m/, /ˈsle.prœːm/
noun
1. de vrucht van de sleedoorn (Prunus spinosa)
aranyó
pronoun
Slesvig-Holstein
verb
  1. 1. (langzaam) ergens heen lopen, futloos of lusteloos
    arrossegar els peus
  2. 2. (langzaam) ergens heen lopen zonder specifiek doel (zonder negatieve bijklank)
    passejar-se
verb
1. trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
arrossegar
/sløːtəl/, /sløːtəɫ/, /ˈslø.tɔɫ/
noun
  1. 1. werktuig om te (ont)sluiten
  2. 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
  3. 3. een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
clau
noun
1. het bot dat het borstbeen met de schouder verbindt
clavícula
/ˈsløtəɫˌɦɑŋər/
noun
1. ring om sleutels aan te hangen, vaak voorzien van een logo of label.
clauer
/slɛɪm/
noun
1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
moc
noun
1. slijm afscheidend membraan
  1. mucosa
  2. membrana mucosa
noun
mola
/slɛɪ̯.ˈta.zʲə/, /ˈslɛɪ̯.taːʃ/
noun
1. schade die door langdurig gebruik geleidelijk aangericht wordt
desgast
verb
1. de slokdarm in
engolir
/slɪpə(n)/
verb
1. door gladheid over de weg schuiven
lliscar
noun
1. een brandewijn gedestilleerd uit gefermenteerde pruimen
slivovitz
noun
antipara
noun
1. een klein scheepstype dat op het dek van een groter schip wordt meegevoerd
balandra
/slɔf/
noun
1n een comfortabel soort schoeisel bedoeld om in huis te gedragen te worden
sabatilla
noun
esòfag
/slop/
noun
2. de daad van het slopen, afbreken
demolició
noun
bola d'enderroc
verb
1. een structuur ontmantelen, afbreken
enderrocar
/slopə'rɛi/
noun
1. sloopbedrijf
desballestador
noun
1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
  1. cadenat
  2. pany
noun
manyà
/sloˈvens/, /sloˈveːns/, /sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
eslovè
/sloˈveni.jə/, /sloˈveːni.jə/, /sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
Eslovènia
noun
1. film met vertraagde beelden
càmera lenta
/slo.ˈwaks/, /slo.ˈʋaks/, /slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
eslovac
/ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Eslovàquia
noun
vel
verb
ensopir
noun
1. Alternatieve route die meestal gebruikt wordt om files te mijden
atall
noun
resclosa
verb
1. toedoen, dichtmaken
cerrar
noun
1. het tijdstip dat een winkel, horecazaak gaat sluiten
hora de tancament
noun
1. verlengde snuit
trompa
verb
1.
xarrupar
/slyw/
adjective
1. op een doortrapte wijze slim
astut
noun
  1. 2. gewaarwording bij het proeven van eten en drank
  2. 3. bepaalde subjectieve voorkeur
gust
noun
papil·la gustativa
adjective
1. goed van smaak zijnd of van een goede smaak genietend
elegant
/ˈsmaː.kə.los/
adjective
  1. 1. (van voedsel) geen smaak hebbend
  2. 2. (figuurlijk) geen fatsoen of gevoel voor esthetiek of mode hebbend, vulgair
insípid
noun
  1. maragda
  2. esmaragda
noun
1. harde slag
esmaixada
verb
1. het bewerken van metalen door deze heet te maken en met een hamer te slaan om het materiaal de gewenste vorm te geven
fargar
noun
1. atelier, werkplaats van een smid, smederij
forja
noun
1. is ijzer dat wordt gemaakt door het te smeden
ferro forjat
noun
suborn
noun
consolda
noun
1. afscheiding die men onder de voorhuid van de penis kan aantreffen
esmegma
/smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
implorar
noun
  1. esmerla
  2. esmirla
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
fondre
/ˈsmɛltkrus/
noun
1. vuurvaste pot voor het mengen van gesmolten metaal
gresol
/smɛltpʌnt/
noun
1. de temperatuur waarbij iets gaat smelten
punt de fusió
noun
1. de hoeveelheid warmte die opgenomen wordt bij het smelten van een kristallijne vaste stof
calor de fusió
noun
1. besmet materiaal
contaminant
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
  1. ferrer
  2. ferrera
noun
1. werkplaats van een smid
forja
noun
1. smient
ànec xiulador
/smɛitə(n)/
verb
1. hard gooien of werpen
  1. llançar
  2. tirar
noun
smoking
noun
contrabandista
/ˈsmɔ.kə.lə(n)/
verb
1. wederrechtelijk goederen over een grens brengen om heffingen te ontduiken
fer el contraban
verb
3. iets in enig vet aanbraden, vervolgens vocht toevoegen en afdekken om het zachtjes gaar te laten worden
estofar
noun
1. strip- en tekenfilmfiguur in de vorm van een soort blauwe kabouter met een wit mutsje
barrufet
noun
2. schoondochter
nora
noun
teoria de cordes
/ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
bec
/sne/
noun
  1. 1. inkeping gemaakt door het snijden met een mes of ander scherp voorwerp
  2. 2. een afgeneden plak, meestal van brood
tall
/sneʊ̯/, /sneːβ̞/, /snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
neu
/ˈsneʊ̯bɑl/, /ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
bola de neu
noun
efecte bola de neu
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
nevar
noun
oca de les neus
noun
1.
sit blanc
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
perdiu blanca
/'snewjɑxt/
noun
1. sneeuwval bij harde wind
rufaga
noun
1. wit ras van Meleagris gallopavo
white Holland
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
ninot de neu
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera uncia
lleopard de les neus
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
ninot de neu
/'snew.stɔrm/
noun
nevada
noun
1. bepaald soort vogel, Bubo scandiacus
duc blanc
noun
nevada
/'snewvlɔk/
noun
1. een kleine massa aaneengehechte sneeuwkristallen
floc de neu
pronoun
Blancaneu
/snɛɫ/
adjective
ràpid
noun
1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
velocitat
noun
bleda
/ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
tallar
noun
2. met een mes gemaakte snee
secció
noun
tauler de tallar
noun
api
verb
sanglotar
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Scolopacidae
becadell
/ˈsnujə(n)/
verb
1. terugbrengen op gewenste lengte
podar
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
  1. lluç de riu
  2. luci
noun
1. bepaald soort zoetwaterroofvis, Sander lucioperca
lucioperca
noun
1. beharing
  1. bigoti
  2. mostatxo
noun
1. een slijmerige afscheiding uit de neusholte
moc
noun
1. soort skiplank
planxa de neu
noun
1. reukorgaan van dieren
morro
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
roncar
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
MTS
/soʃal/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de menselijke samenleving
  2. 2. geneigd om in groepen te leven
  3. 3. gevoel hebbend voor de nood van de medeleden van de samenleving
social
noun
classe social
noun
1.
distanciació social
noun
1. aanzien dat of voorname positie die iemand heeft in een groep of samenleving
estatus social
verb
3. in bezit geven van de gemeenschap in plaats van in bezit zijn van een particulier
socialitzar
noun
socialisme
noun
socialista
noun
1. visuele voorstelling van de affectieve relaties in een sociale groep
sociograma
noun
sociolecte
noun
1. wetenschap
sociologia
adjective
1. betrekking hebbend op of product zijn van de sociologie
sociològic
noun
sociòleg
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
sociòpata
/su.ˈdɑn/, /zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
Sudan
noun
sufisme
/sundaˈnes/
pronoun
1. taal die vooral in het westen van Java gesproken wordt
sondanès
noun
sunnisme
noun
1. vloeibaar gerecht
sopa
noun
2. lepel waarmee soep gegeten wordt
cullera de sopa
noun
sura
noun
1. gebeurtenissen of bezigheden die meer aandacht vereisen dan wenselijk is
gatzara
noun
sobirania
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
programari
noun
desenvolupador
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
mitjó
noun
1. een voetstuk, voornamelijk voor beelden
sòcol
/sɔlˈdaːt/
noun
1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
soldat
noun
1. een stuk gereedschap om mee te solderen
soldador
noun
1. brander waarmee men kan solderen
bufador
noun
1. soldeertin
estany per a soldar
verb
1. een door verhitting vloeibare tussenstof aanbrengen tussen losse metaaldelen waardoor deze na afkoeling vast verbonden blijven
soldar
noun
solfa
adjective
solidari
noun
solidaritat
noun
solipsisme
/ˈsolo/
noun
solo
/sɔm/
noun
1. resultaat van een optelling
suma
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Somalië
somali
/so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
Somàlia
adjective
1. met betrekking tot het lichaam
somàtic
noun
1. instrumentaal muziekstuk
sonata
noun
  1. 1. een peilstift om de ruimte binnen een lichaam te verkennen, of om er gegevens op te nemen
  2. 3. een onbemand ruimtevaartuig
sonda
/ˈsɔːrt/
noun
2. een groep levende wezens die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
espècie
pronoun
1. een groep Slavische talen die wordt gesproken in het oosten van Saksen en het zuidoosten van Brandenburg
sòrab
verb
1. orde in een verzameling aanbrengen door soort bij soort te leggen
cerndre
verb
1. zijn rol zachtjes voorzeggen
apuntar
noun
1. klein voorwerp dat helpt om aan een prettige ervaring met een plaats of persoon terug te denken
souvenir
pronoun
Unió Soviètica
noun
1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
raig
/ˈspakbeɪn/
noun
bot in de onderarm
radi
/ˈspandər/
noun
1. langwerpig stukje hout dat bij het hakken afvalt.
encenall
/spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
  1. castellà
  2. espanyol
/spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
  1. castellà
  2. espanyol
adjective
1.
hispanòfon
noun
1. spaarbank
caixa d'estalvis
noun
1. afgesloten voorwerp waarin contant geld opgespaard wordt
vidriola
noun
1. brede, zware schep, bedoeld voor het spitten van grond
fanga
noun
espagueti
noun
1. plankje e.d. om arm of been rust te geven
fèrula
/ˈspɑ.ɲard/, /ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
espanyol
/ˈspɑ.ɲə/, /ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
Espanya
noun
  1. 1. mechanische spanning
  2. 2. emotionele spanning
  3. 3. elektrische spanning
tensió
noun
1. afstand tussen uiteinden
envergadura
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
avet roig
/ˈspa.rə(n)/
verb
  1. 3. ontzien
    desar
  2. 1. geld niet uitgeven
    estalviar
noun
1. verhoogde spierspanning, continue kramp
espasticitat
noun
1.
parafang
noun
1. spaan, lepel, e.d. met plat, bot uiteinde om mee te smeren
espàtula
noun
1. tussenruimte tussen twee woorden
espai
noun
1. een gedroogd plantendeel, anders dan een groen blad of stengel, dat als geur-, kleur- of smaakstof aan voedsel wordt toegevoegd
espècia
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
  1. pica-soques
  2. picot
/spe.si.ˈjal/, /spe.ˈsjaːl/, /spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
especial
/ˈspesɪɑlɪst/
noun
  1. 1. persoon die ergens veel verstand van heeft
  2. 2. arts die een bepaald onderdeel van de geneeskunde beoefent
especialista
noun
1. bijzondere kennis of vaardigheid van iemand
especialitat
noun
1. specificatie
especificació
verb
1. in details beschrijven
especificar
adjective
1. kenmerkend
específic
adjective
espectacular
noun
1. kleurenband
espectre
adjective
especulatiu
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
saliva
noun
1. een klier die speeksel produceert en naar de mondholte afscheidt
glàndula salival
/ˈspelɣud/, /ˈspelɣut/, /ˈspɪːɫχut/
noun
1. één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
  1. joguet
  2. joguina
noun
naip
noun
  1. 1. rondreizend kunstenaar
  2. 2. rondreizend artiest
joglar
noun
  1. 2. tepel van een zoogdier
    mamil·la
  2. 1. rubber of plastic afsluiting op een zuigfles
    tetina
noun
1.1 bepaald soort plant met niervormige bladeren, botergele bloemen en wortelknolletjes, Ficaria verna
gatassa
/spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
  1. javelina
  2. llança
noun
1. onderhuidse vetlaag bij varkens
cansalada
noun
2. stukje spek
llardó
noun
1. opzienbarend schouwspel
espectacle
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
joc
/'spɛl.kɔm.pju.tər/
noun
1. een computersysteem dat specifiek gemaakt is om spellen op te spelen
consola de joc
/ˈspeːlə(n)/
verb
2. muziek maken
jugar
noun
  1. 1. deelnemer aan een spel
  2. 2. een partij
jugador
verb
1. letters in de juiste volgorde plaatsen
lletrejar
/ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
ortografia
noun
1. grove tarwesoort
espelta
noun
1. fijn gemalen zaden van Triticum spelta
farina d'espelta
noun
1. een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat
teoria dels jocs
/spɛltmɪːɫ/
noun
1. fijn gemalen zaden van Triticum spelta
farina d'espelta
noun
esperma
noun
1. vorming van zaadcellen
espermatogènesi
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
esparver
noun
1. en 2. (peul van) cultivar van Phaseolus vulgaris
mongeta tendra
noun
1. spie
tascó
noun
1. beelden terugkaatsend voorwerp
  1. mirall
  2. espill
noun
1. een orgaan
múscul
/ˈspiːrpɛɪ̯n/, /ˈspiːrpɛːn/
noun
1. pijn in een spier
cruiximent
verb
2. ter dood brengen door doorboring met een spies
empalar
verb
1.
fer campana
noun
1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
clau
verb
buscar tres peus al gat
noun
cuneïforme
noun
3. iets wat of iemand die een centrale plaats inneemt
ajuda
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
aranya
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
espinac
verb
  1. 1. een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
    filar
  2. 2. snorren, een brommend geluid maken
    roncar
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
aranya
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
aranya
noun
1. een door een spin gemaakt net om insecten te vangen
teranyina
noun
espia
noun
1. de handeling van het spioneren
espionatge
noun
1. een kromme lijn
espiral
noun
espiritualitat
noun
1. draaiende staak waarop men vlees of een geslacht dier spietst en boven of naast een hittebron roostert
ast
noun
3. klein vrachtschip, binnenschip (ook wel gebruikt als woonboot)
barcassa
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
Svalbard
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
musaranya
/splet/
noun
badall
noun
1. miltvergroting
esplenomegàlia
/'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
estella
verb
esbandir
noun
1. versvoet met twee beklemtoonde lettergrepen
espondeu
noun
esponja
noun
patrocinador
adjective
espontani
adjective
esponjós
noun
1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
fantasma
noun
1. een legendarisch schip dat zonder bemanning eeuwig blijft rondvaren
vaixell fantasma
noun
1. verspreking door verwisseling van klanken van verschillende woorden
antístrofa
noun
    1. 8. hol uitsteeksel aan de voet van een kelkblad, kroonblad of vergroeide kroon
    2. 9. metalen punt of getand wieltje aan de hiel van de rijlaars
    esperó
  1. 2. spore
    espora
  2. 1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
    via
adjective
1. verdwenen zonder aanwijzing van waarnaartoe
sense rastre
noun
ferrocarril
adjective
esporàdic
noun
1. bepaald soort loofboom, Frangula alnus
fràngula
/spɔrt/
noun
1. lichaamsbeweging
  1. esport
  2. deport
noun
1. beoefenaar van een sport
esportista
noun
1. (sport) grasveld met doelpalen, grenslijnen e.d. waarop diverse sporten worden bedreven
camp d’esports
noun
1. toneellamp
focus
noun
1. een zangvogel die geluiden kan nabootsen
bosqueta icterina
/sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
llenguatge
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal
gramàtica
noun
1. geneigdheid om veel te praten
loquacitat
noun
1. een kamer waar men een gesprek met iemand kan voeren
consultori
/ˈsprekyːr/
noun
1. de tijd waarin een hulpverlener patiënten te woord staat
hores de consulta
noun
proverbi
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
estornell
/ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
parlar
/ˈspɾøkə(n)/
noun
Proverbis
verb
1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
saltar
noun
1. stuk touw
corda de saltar
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
  1. llagosta
  2. saltamartí
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
piga
noun
salt
noun
1. verzonnen vertelling
  1. faula
  2. conte de fades
noun
Sprattus sprattus
amploia
noun
2. een uitloper van de spruitkool
col de Brusselles
noun
1. koolsoort waarvan de gekookte okselknoppen als spruitjes gegeten worden
col de Brussel·les
/'spy.ɣə(n)/
verb
1. speeksel uit de mond doen uitschieten
escopir
noun
1. spuigat
dull
noun
programari espia
noun
esquaix
/sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
Sri Lanka
noun
batedor d'immersió
noun
estaca
noun
1. overeenkomst voorlopig een einde te maken aan de gevechtshandelingen
alto el foc
/staːɫ/
noun
1. een legering van ijzer en koolstof
acer
noun
siderúrgia
/stalwɔl/
noun
llana d'acer
/staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
estar dret
noun
  1. 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
  2. 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
cua
noun
còccix
/ˈstaːr.de.lɪŋ/
noun
1. een algoritme om een getal door een ander te delen op papier
divisió llarga
noun
mallerenga cuallarga
noun
cometa
noun
1.
aleta caudal
noun
  1. 1. een land
  2. 1. toestand
estat
noun
1. iemand die burgerrechten in een staat heeft
ciutadà
noun
1. illegale afzetting van een regering
cop d'Estat
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
cap d'estat
adjective
1. standvastig, duurzaam
estable
noun
estabilitzador
noun
estabilitat
/'stakɛrəvɛn/
noun
1. caravan met vaste staplaats
habitatge mòbil
/stɑd/, /stɑt/
noun
Woonplaats
  1. ciutat
  2. plaça
/ˈstɑdhœːs/, /ˈstɑthœʏs/, /ˈstɑthœːs/
noun
1. een gebouw waar de stadsdiensten gehuisvest zijn
ajuntament
noun
estadi
noun
1.
porta de la ciutat
/ˈstɑt.stat/
noun
1. staatsvorm
ciutat estat
noun
1. een stok bedoeld voor ondersteuning of onderscheiding van een persoon
bastó
noun
1. een touw of kabel waarmee een mast stabiel wordt gehouden
estai
noun
1.
estagflació
/'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
vaga
/stɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
estable
noun
1. variant van het marxisme-leninisme gekenmerkt door een totalitair nationalistisch...
estalinisme
verb
in een stal zetten
establar
noun
  1. 4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
    tribu
  2. 2. deel van de boom tussen de wortels en de kruin
    tronc
/'stɑmbom/
noun
1-2
arbre genealògic
noun
cèl·lula mare
verb
1.
balbucejar
noun
2. vijzelstamper
mà de morter
/ˈstɑn.dard.ˌɑf.wɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.ʋɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.β̞ɛː.kɪŋ/
noun
1. spreidingsmaat
desviació estàndard
/ˈstɑn.dar.de.vi.ˈja.si/, /ˈstɑn.dar.de.vi.ˈja.tsi/, /ˈstɑn.dar.te.vi.ˈja.si/
noun
1. spreidingsmaat
desviació estàndard
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
estàtua
noun
1. een sterke, stinkende geur
pudor
/stɑp/
noun
1. het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan
pas
noun
1. een gestructureerde hoop spullen
pila
noun
1.Twee bedden op elkaar
llitera
noun
1. cumulus
cúmul
verb
fitar
noun
1. stabiel onderstel voor camera
tripode
/sta.ˈsʲɔn/
noun
1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
estació de ferrocarril
noun
estadística
adjective
1. cijfermatig berekend
estadístic
adjective
estatutari
noun
estatut
adverb
1. voortdurend
sempre
/steːk/
noun
  1. 1. een penetratie met een scherp puntig voorwerp
    ganivetada
  2. 3. een eenmalige doorvoering van een draad door een weefsel, meestal met behulp van een naald
    punt
noun
1. een spel waarbij twee ridders elkaar met lansen trachtten uit het zadel te werpen
justa
noun
cassó
/sten/, /steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
  1. pedra
  2. càlcul
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
  1. àguila daurada
  2. àguila reial
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
  1. Capricorn
  2. capricorn
noun
1.1 bepaald soort zoogdier, Capra ibex
cabra alpina
noun
tròpic de Capricorn
noun
saxífraga
/ste.nɛi̯k/, /ste.nɛːk/, /sten.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus ilex; een boom uit de napjesdragersfamilie
alzina
noun
1.
pedrera
noun
  1. picapedrer
  2. trencador
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
hulla
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes foina
fagina
/ˈstentɛit/
noun
Edat de pedra
/ˈstenœʏ̯ɫ/, /ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
  1. mussol comú
  2. mussol
noun
vlezige vrucht waarvan het binnenste deel steenhard is
drupa
noun
1. de kennis van het op verborgen wijze overbrengen van informatie
esteganografia
noun
2. werkvloerconstructie in de bouw
bastida
/stɛil/, /stɛːl/
adjective
1.
escarpat
noun
1. benaming voor kleine vissen met puntige doorns op de rug en de buik uit de familie Gasterosteidae
punxoset
/stekələx/
adjective
1. met stekels bezet
espinós
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
  1. porc espi
  2. porc espí
verb
1. doorboren, prikken
acoltellar
noun
1. stekker
endoll
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
  1. robar
  2. furtar
  3. pispar
/stɛlsəl/
noun
  1. 1. een geordend geheel, samenstel van delen
  2. 2. een systeem
sistema
/stɛlt/
noun
xanca
noun
  1. 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
  2. 2. het geluid dat een mens bij het spreken voortbrengt
  3. 3. het geluid dat een mens bij het zingen voortbrengt
  1. veu
  2. vot
/ˈstɛmbɪljɛt/
noun
1. formulier om te stemmen
papereta de vot
/ˈstɛmɦɔkʲə/
noun
1. schrijfblad omringd door drie wanden waarbinnen een kiezer zich bij een verkiezing afzondert
cabina de vot
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
clavilla
/stεmə(n)/
verb
1. deelnemen aan een verkiezing
votar
/ˈstɛmpəl/, /ˈstɛmpəɫ/
noun
  1. A3. beschrijvende plantkunde: bovenste gedeelte van de stamper in een bloem
    estigma
  2. A2. een afdruk van [1]
    segell
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
clavilla
/stɛmvɔrək/
noun
1. stemvork
diapasó
noun
1. langgerekt en stevig orgaan van een vaatplant dat water en voedingstoffen vervoert
tija
verb
1. met steenworpen doden
  1. apedregar
  2. lapidar
noun
lapidació
noun
  1. 1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
  2. 2. een beroemdheid
  1. estrella
  2. estel
noun
estereoradiant
noun
anís estrellat
noun
estereotip
adjective
mortal
/'sterftə/
noun
1. het aantal sterfgevallen in een bepaalde tijd of in bepaalde omstandigheden
mortalitat
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel sterfgevallen er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
taxa de mortalitat
adjective
1. zonder microbiële besmetting, heel schoon
estèril
/ˌsteriliˈzasi/, /ˌsterəliˈzatsi/
noun
1. een handeling waarmee alle ziektekiemen worden gedood
esterilització
verb
  1. 1. iets vrij maken van micro-organismen
  2. 2. onvruchtbaar maken
esterilitzar
noun
1. onvruchtbaarheid
esterilitat
/stɛrk/
adjective
1. krachtig
fort
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige vogels uit de familie Sternidae
xatrac
noun
1. verzameling dicht bijeen staande sterren
cúmul estel·lar
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomia
/stɛrən'kʏndəɣə/
noun
astrònom
noun
galàxia
noun
astròleg
noun
1. een sterfelijk wezen
mortal
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
morir
verb
1. stervend
moribund
noun
caramboler
/steto'skop/
noun
1. een medisch instrument waarmee men geluiden in het lichaam kan beluisteren
estetoscopi
/'stønə(n)/
verb
  1. 3. van vermoeidheid of pijn een kreunend geluid maken
    gemegar
  2. 1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
    suportar
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
esturió
noun
hostessa
verb
1. de grondslag voor iets leggen, iets instellen
fundar
noun
2. zelfstandig vermogen met rechtspersoonlijkheid opgericht op de verwezenlijking...
fundació
noun
adhesiu
/ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
madrastra
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
padrastre
pronoun
  1. 2. astrologisch teken
    Taure
  2. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
    1. Taure
    2. taure
/stiːr/
noun
  1. toro
  2. bou
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Estíria
noun
midó
/ˈstɛi̯xˌbøː.ɣəl/
noun
1. voetsteun voor de ruiter
estrep
/stɛi̯l/
noun
  1. 1. handelswijze
  2. 3. beschrijvende plantkunde: buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
estil
noun
trempera
/ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
nitrogen
/[stɪɫ]/
adjective
  1. 1. geen of weinig geluid producerend
  2. 2. onbeweeglijk
  3. 3. rustig, kalm
quiet
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
  1. Oceà Pacífic
  2. Pacífic
pronoun
1. dag na Goede Vrijdag en voor Pasen
Dissabte Sant
noun
natura morta
/'stɪl.tə/
noun
silenci
adjective
1. zonder iets openlijk uitgesproken te hebben
implícita
verb
1. maatregelen nemen om iets te bevorderen
estimular
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
mofeta
verb
1. een onaangename geur hebben
fer pudor
adjective
  1. 1. precies op tijd komend
  2. nauwgezet
puntual
adverb
1. met grote precisie
puntual
noun
1. actievoering waarbij voorschriften en regels naar de letter gevolgd worden
vaga de zel
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Estocolm
/stul/, /stuɫ/
noun
1. zitmeubel
cadira
noun
1. een kabelbaan waarin je zittend een hoogte overbrugt
telecadira
noun
2. trottoir
vorera
noun
1. een boeddhistisch bouwwerk dat de relieken van een boeddhistische heilige bevat
stupa
noun
1. heel kleine deeltjes
pols
/'stɔfʋɪsəlɪɳ/
noun
1. het geheel van chemische processen dat gepaard gaat met het in leven zijn van een wezen
metabolisme
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
aspiradora
noun
estequiometria
/stɔk/
noun
bastó
/ˈstoː.kəˌbrɑnt/
noun
1. iemand die als een vuur de gemoederen of onrust aanwakkert
incendiari
verb
atiar
noun
1.Suricata suricatta, roofdier behorend tot de mangoesten
suricata
noun
1. gedroogde kabeljauw of kabeljauwachtige vis, zoals heek, leng, lom, schelvis en koolvis
estocafix
/ˈstɔlɪŋsɣəˌstentə/
noun
1. gesteente bestaande uit gestolde lava of gestold magma.
  1. roca ígnia
  2. roques ígnies
adjective
  1. 1. geluidloos
  2. 2. niet in staat te spreken
mut
noun
1.
muda
noun
vapor
noun
1. een locomotief die wordt aangedreven door een stoommachine
locomotora a vapor
noun
1. een machine die door middel van stoom drijfkracht ontwikkelt
màquina de vapor
noun
1. een schip dat voortgedreven wordt middels een stoommachine
vapor
noun
turbina de vapor
/ˈstɔplɪxt/
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
semàfor
noun
1
cerra
noun
massilla
noun
1. erg harde wind
  1. tempesta
  2. temporal
noun
een toestel, balk, e.d. om een deur, poort te forceren
ariet
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Procellariidae
petrell
noun
aiguat
verb
1. dezelfde lettergreep een aantal malen herhalend moeilijk uit zijn woorden komen
quequeig
noun
1. een wijsbegeerte die leert slechts de rede te volgen en de hartstochten uit te bannen
estoïcisme
adjective
1. berustend, gevoelloos
estoic
/straɫ/, /ˈstral/
noun
2. een bundel elektromagnetische straling
raig
/strat/
noun
1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
carrer
pronoun
1. zeestraat tussen het Australisch vasteland en Papoea-Nieuw-Guinea
estret de Torres
pronoun
1.
estret de Gibraltar
/ˈstracjə/, /ˈstratjə/
noun
1. verkleinwoord van straat
carreró
noun
1. hoofdstad van de Franse regio Grand Est
Estrasburg
noun
  1. 1. soep
  2. 2. zuivelproduct
stracciatella
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
càstig
adjective
1.
punible
noun
banqueta d'expulsats
noun
1.
impunitat
/ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
castigar
/'strɑfrɛxt/
noun
1. het geheel van rechtsregels waarmee bepaalde handelingen strafbaar worden gesteld
dret penal
noun
radiació
pronoun
1.
Stralsund
noun
1. Strook land langs de kust
platja
noun
1. Mya arenaria
mya comuna
/straˈteɣ/
noun
1. een persoon die strategieën uitwerkt
estrateg
noun
1. een plan om iets te bereiken
estratègia
noun
estratosfera
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
estratovolcà
/ˈstrek.tal/, /ˈstrek.taɫ/
noun
2. één of meer taalvariëteiten van de overheid dit label hebben gekregen
llengua regional
noun
2. lijnvormig patroon
ratlla
verb
estirar
verb
1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken
acariciar
verb
1. neerslaan van opgeloste eiwitten
quallar
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
quall
noun
1. spanning, geestelijke druk.
estrès
verb
1. een doel willen bereiken
afanyar-se
noun
  1. 2. een militair treffen
    batalla
  2. 1. een handgemeen
    lluita
verb
1. ondanks weerstand een doel proberen te bereiken
lluitar
noun
1. een slagwapen in de vorm van een metalen staf met een versterkte kop
maça
noun
carro
verb
2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
planxar
/ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
planxa
noun
1. een plankvormig voorwerp, gewoonlijk op een inklapbaar onderstel, bedoeld als ondergrond waarop kleding gestreken kan worden
post de planxar
noun
1. een constructie waarmee de snaren van een strijkinstrument in trilling gebracht worden
arc
noun
1. een boek met een verhaal in beeldvorm
còmic
/stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
palla
noun
1. hoed
barret de palla
/'stromən/
verb
1. voortbewegen van vloeistoffen
córrer
/'stromɪŋ/
noun
  1. 1. voortbewegen van een vloeistof
  2. 2. bepaalde beweging die zekere denkbeelden gemeen heeft
corrent
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
estronci
noun
1. zweertje op het ooglid
  1. urçol
  2. mussol
/stroːm/
noun
  1. 2. elektriciteit
  2. 1. rivier, beek
corrent
adverb
1. tegen de stroom in, in de richting van de mond naar de oorsprong, tegen de richting van de stroom
riu amunt
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
xarop
noun
1. lus van stevig touw
llaç
noun
corbata
noun
laringe
adjective
1. met betrekking tot de opbouw van een geheel
estructural
/strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
estructura
noun
1. heester
arbust
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
  1. ensopegar
  2. entrebancar-se
noun
1. bepaald soort in heel Europa voorkomende plant, Calluna vulgaris
bruguerola
noun
1. iemand die vanuit een hinderlaag reizigers berooft
bandoler
/ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
estruç
noun
1. zeer vergiftig alkaloïde
estricnina
noun
1. een ruimte om te studeren
estudi
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
estudiant
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
estudiar
noun
1.
estudi
noun
  1. 1. werkplaats van een beeldend kunstenaar
  2. 2. plaats waar geluidsopnamen, films of televisie- of radioprogramma's gemaakt worden
  3. 3. een eenkamerappartement
estudi
/stɵx/
adverb
1 weerbarstig
dur
noun
1.
pol·len
noun
1. onderste deel van de ruggengraat, de laatste vier vergroeide ruggenwervels
còccix
/stɵk/
noun
1. deel
peça
noun
1. Soort bouwvakker
guixaire
noun
especialista
/'styːrə(n)/
verb
  1. 2. het stuur van een auto bedienen.
  2. 5. zorgen dat [een toestel] de gewenste taken uitvoert.
conduir
/styːr/
noun
1. een hulpmiddel waarmee een bestuurder richting kan geven aan een voertuig
volant
noun
1. de rechterzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
estribord
noun
1. iemand die een vaartuig bestuurt
timoner
noun
1. een stuk software dat een verbinding legt tussen de hardware en het besturingssysteem
controlador de dispositiu
noun
1. vaste of regelbare waterkering
sobreeixidor
noun
1. kunstmatig meer
embassament
noun
subcontinent
noun
1.
subgènere
adjective
subjectiu
noun
subjectivitat
verb
1. van overheidswege financiële hulp voor een bepaalde activiteit, ver- of aankoop verlenen
subvencionar
noun
1. stof (stoffen)
substància
noun
1. zelfstandig naamwoord
substantiu
noun
1. vervanging
substitució
noun
1. ondergrond
substrat
/sʌp'til/
adjective
  1. 1. alleen bij nauwkeurig toezien of voor fijn gevoel waar te nemen of te begrijpen
  2. 2. fijn onderscheidend, scherpzinnig
subtil
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
èxit
/suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Sudan
adjective
2. dom
estúpid
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
sufix
noun
1. zoetstof
sucre
noun
1. bepaalde ondersoort van de biet waaruit bietsuiker gewonnen wordt
remolatxa sucrera
noun
1. Coereba flaveola, een klein zangvogeltje uit de tropische delen van de Amerika's...
coereba
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
canya de sucre
/ˈsœʏkərˌspɪn/, /ˈsœːkərˌspɪn/
noun
1. lekkernij bestaande uit een hoeveelheid gesponnen suiker aan een stokje
cotó fluix de sucre
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het bloed een te hoog gehalte aan suiker bevat
diabetis
noun
sulfat
noun
sulfur
noun
1. zouten die het sulfiet-ion SO₃2- bevatten
sulfit
noun
1., 2. en 3. (gedroogde vrycht van) een variëteit van de druif Vitis vinifera
panses sultanes
pronoun
Sumatra
noun
1. fictieve figuur uit een stripverhaal of een film die over bovenmenselijke krachten beschikt
superheroi
adjective
superior
noun
supermercat
noun
het verschijnsel waarbij een ster op spectaculaire wijze explodeert
supernova
/ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Surinam
noun
surrealisme
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
suahili
noun
esvàstica
/ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
Swazilàndia
/'swɛtʃʏːrt/
noun
1.
dessuadora
pronoun
1. de grootste stad van Australië en de hoofdstad van de deelstaat Nieuw-Zuid-Wales
Sydney
noun
sífilis
adjective
sil·làbic
noun
1. een logische redenering waaruit een conclusie afgeleid wordt
silogisme
adjective
1.samenlevend en samenwerkend
simbiòtic
verb
1. een betekenis hebben die verwijst naar
simbolitzar
noun
1. Teken
símbol
noun
simfonia
adjective
1.
simfònic
noun
simetria
/si'metris/
adjective
1. aan twee zijden, bijvoorbeeld spiegelbeeldig gelijk
simètric
noun
1. een gevoel van toegenegenheid
simpatia
adjective
simpàtic
/sɪmˈpoziəm/
noun
1. een wetenschappelijke samenkomst waarop verschillende wetenschappers een lezing houden over een bepaald onderwerp
simposi
adjective
1. met betrekking tot ziekteverschijnselen
simptomàtic
noun
1. ziekteverschijnsel
símptoma
noun
1. gebedshuis van joden.
sinagoga
noun
sincronicitat
verb
sincronitzar
verb
natació sincronitzada -
noun
  1. 1. plotseling bewustzijnsverlies
  2. 3. wegval van middenklank
síncope
noun
sindicat
/sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
síndrome
noun
1. situatie waarbij het samengaan van delen groter is dan de som der delen
sinergia
noun
1. gelijkbetekenend woord
sinònim
adjective
sintàctic
/sɪnˈtɑksəs/
noun
2.
sintaxi
noun
1. samenstelling
síntesi
adjective
1. op kunstmatige manier gefabriceerd
sintètic
verb
sintetitzar
/ˈsi.ri.jə/, /ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
Síria
/siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
sistema
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
samarreta
pronoun
1.
Tajo
adjective
  1. 1. moeizaam en plastisch vervormend onder mechanische belasting
  2. 2. moeilijk te snijden, kauwen (van vlees)
espès
/taːk/
noun
1. een te verrichten werk
tasca
/taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
  1. llengua
  2. idioma
  3. llenguatge
/ˈtaːlbəˌɦeːrsɪŋ/
noun
1. het vermogen zich te kunnen uitdrukken in een of meer talen
domini lingüístic
noun
1. uitdrukkingen en zegswijzen uit een bepaalde taal
modisme
noun
1. talengroepen die een zelfde voorgeschiedenis hebben
família lingüística
noun
1. grens van een taalgebied
frontera lingüística
noun
1. performatief taalgebruik
acte de parla
/ˈtalklɑŋk/
noun
1.
fonema
noun
1. wetenschap
lingüística
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
lingüista
noun
talibà ortogràfic
/taːrt/
noun
1. cirkelvormig zoet gebak
pastís
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
tabac
noun
pipa
noun
1. een geordende lijst met gegevens
taula
noun
tabernacle
noun
1. pastille
comprimit
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
tabú
cardinalNumeral
1. het getal 80
  1. vuitanta
  2. huitanta
pronoun
Guerra dels Vuitanta Anys
ordinalAdjective
octogèsim
noun
taquicàrdia
noun
tacte
/tɑkˈtik/
noun
1. een manier om onder gegeven omstandigheden een doel te bereiken
tàctic
/ˈtɑkt.fɔɫ/
adjective
discret
pronoun
1. de officiële taal van Tadzjikistan en een variant van het Perzisch
tadjik
/taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
Tadjikistan
noun
1. taf
tafetà
/ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
taula
/ˈtafəlˌklet/
noun
kleed dat als bescherming of versiering over een tafel ligt
estovalles
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
  1. tennis de taula
  2. ping-pong
noun
1. voetbal op een tafel met opstaande randen
futbolí
pronoun
1. taal die op de Filipijnen gesproken wordt
tagal
pronoun
Tahití
pronoun
1. een Polynesche taal uit de Oceanische tak van de Austronesische talen gesproken op Tahiti
tahitià
/tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
tifó
noun
1. naaldbossen in koude streken
taigà
/ˌtɑjkoˈnaʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnɔʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Chinese ruimtevaarder.
taikonauta
/tɑj'ʋɑn/
pronoun
Taiwan
noun
taiwanès
/tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
  1. branca
  2. rama
noun
1. bijzondere aanleg
talent
/tɑɫx/
noun
  1. 1. huidvet, een vetachtige substantie die geproduceerd wordt door talgklieren
  2. 2. het harde vet van sommige herkauwers
sèu
noun
1.een klier om de haarzakjes, die talg afgeeft
glàndula sebàcia
noun
1. benaming voor kleine vogels uit het geslacht Anas of het geslacht Callonetta
xarxet comú
/tɑlk/
noun
talc
/'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
Tallinn
/ˈtɑlmut/
noun
1.
Talmud
noun
1. een inwoner van Talossa
talossana
adjective
1. met betrekking tot Talossa of het Talossaans
talossà
pronoun
1. een kunsttaal gemaakt in 1980 door R. Ben Madison voor zijn micronatie Talossa
talossà
noun
1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
tamarinde
noun
1. muziekinstrument
pandereta
pronoun
1. taal die gesproken wordt in India, Sri Lanka, Singapore, en Maleisië
tàmil
noun
  1. 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
  2. 2. scherp uitsteeksel
dent
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
dentista
/'tɑndɑrtzbor/
noun
1. een soort kleine boor waarmee de tandarts zieke tanden openboort
fresa
noun
1. fiets
tàndem
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
  1. raspall de dents
  2. raspallet de les dents
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
escuradents
noun
1. wetenschap voor de verzorging van de tanden
odontologia
/ˈtand.pɑs.taː/, /ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
pasta de dents
/ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
geniva
noun
bomba d’engranatges
/tɑŋ/
noun
1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
alicates
noun
tanga
pronoun
Tànger
noun
1. tango
tango
/tɑŋk/, /tɛŋk/
noun
1. een groot vat
tanc
noun
taní
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tàntal
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tàntal
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
  1. tia
  2. tieta
/ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
Tanzània
noun
1. een Chinese filosofische en religieuze stroming
taoisme
noun
catifa
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
tapioca
/ˈtapɪr/
noun
1. hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf
tapir
verb
1. tappen van vloeistof
extreure
noun
1. grote eetbare platvis
rèmol empetxinat
/tɑˈrif/
noun
1. een vastgesteld bedrag per eenheid
tarifa
noun
1.
tarot
noun
tara
pronoun
1. stad in Estland
Tartu
/ˈtɑrʋə/
noun
  1. 3. zaad van tarwe
  2. 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
blat
noun
1. en 2 grof gemalen meel van (gewone) tarwe (Triticum)
semola de blat
noun
1. (voorgekookte) geplette tarwegranen
flocs de blat
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
bossa (de viatge)
pronoun
Tasmània
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan, gelegen tussen Australië en Nieuw-Zeeland
mar de Tasmània
verb
grapejar
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tàtar
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
tatuatge
/tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
tatuar
/tɑuˈge/
noun
1. uitlopers van mungbonen
brot de soja verda
noun
tautologia
noun
taxador
/tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
taxi
/'tɑksimetər/
noun
1.
taxímetre
noun
taxonomia
preposition
1. plaats
a
preposition
1. in het midden van
enmig de
/tiːm/
noun
  1. 1. een ploeg van bij elkaar horende spelers
  2. 2. een groep samenwerkende mensen
equip
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
tecneci
noun
1. iemand die techniek toepast
tècnic
noun
1. De bewerkingen en verrichtingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen
tècnica
adjective
1. op techniek betrekking hebbend
tècnic
noun
tecnocràcia
adjective
1.
tecnocràtic
noun
tecnologia
adjective
tendre
/tef/
noun
1. wijfjeshond
gossa
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
paparra
noun
1. vingers van de voet
dit del peu
noun
xancleta
/ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
quitrà
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
dau
/ˈteɣəɫ/
noun
1. een rechthoekig stenen voorwerp dat meestal wordt gebruikt voor het bedekken van oppervlakten
rajola
/ˈteɣəmut/, /ˈteχəmut/
adverb
1. tegen (personen)
vers
/teːɣən/, /teːχən/
preposition
2. oneens met, ter bestrijding van
contra
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
antídot
preposition
1. aan de overzijde van
davant de
noun
1. hetgeen wat precies voorstelt wat iets helemaal niet is
contrari
noun
1. iemand die de pauselijke titel opeist zonder door het Vaticaan als paus erkent te zijn
antipapa
/ˈteɣə(n)ˌslɑx/, /ˈteχə(n)ˌslɑχ/
noun
1. het gebeuren van ongeluk
revés
noun
1. ernstige pech, toestand met belangrijke tegenslag
adversitat
verb
1. zich met woorden verzetten
contradir
verb
1. al mopperend protesteren
remugar
adjective
1. niet overeenstemmend
contradictori
noun
1. een voorstel als antwoord op een voorafgaand voorstel
contraoferta
noun
objecció
noun
1. wind tegen
vent de proa
adjective
2. aanwezig
present
noun
1. vorm die aangeeft dat het huidige moment bedoeld wordt
present
noun
1. aanwezigheid
presència
noun
1. vaste verblijfplaats
llar
noun
1. ondiepe maar brede waterdichte bak
gibrell
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
senyal
noun
1. iemand die beroepsmatig tekent
dibuixant
verb
een tekening maken
dibuixar
noun
  1. 1. een door tekenen ontstane afbeelding of voorstelling
  2. 3. een wijze waarop iets van figuren is voorzien of zich in figuren vertoont
  3. 5. een beschrijving
dibuix
noun
1. een ontbrekende hoeveelheid
dèficit
noun
1. verzameling letters en/of woorden
text
adjective
textual
noun
1. een computerprogramma waarmee teksten kunnen worden geschreven en bewerkt
editor de text
noun
1. natuurlijke processen
tectònica
adjective
1. betrekking hebbend op de aardplaten, de breuken in de aardplaten en hun verschuivingen
tectònic
/ˌtelefoˈneːrən/
verb
1. een telefoon gebruiken
telefonar
noun
telefonia
/ˌtelə'fon/, /ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
telèfon
noun
telègraf
verb
1. per telegraaf berichten
telegrafiar
noun
telegrama
verb
1. door nauwgezette verzorging doen groeien
cultivar
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
telescopi
adverb
1. een onaangenaam gevoel hebbend omdat een verwachting of hoop niet uitgekomen is
decebut
verb
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
decebre
adjective
1.
decebedor
noun
1. een emotie opgeroepen door het niet uitkomen van een verwachting
desil·lusió
noun
  1. 2. medium
  2. 1. elektrisch apparaat
  1. televisió
  2. televisor
verb
teletreballar
verb
1. aantal bepalen
comptar
/ˈtɛlər/
noun
1. het getal boven de streep van een breuk
comptador
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
tel·luri
pronoun
1. een Dravidische taal met ongeveer 70 miljoen sprekers
telugu
noun
  1. numeral
  2. número
verb
1. tam maken
  1. amansir
  2. domar
/ˈtɛm.pəl/, /ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
temple
noun
tremp d'ou
noun
temperament
/ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
temperatura
verb
temporitzar
adverb
1. luidt het eerste lid van een opsomming van minstens twee argumenten in
primerament
noun
1. beweging in bepaalde richting, neiging
tendència
adjective
1. gekleurd door bijbedoelingen
tendenciós
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
Tenerife
noun
1. een scheikundig element met het symbool Ts en het atoomnummer 117
tennessi
noun
1. balsport
tennis
/tɛnˈslɔtə/
adverb
1. immers
al capdavall
noun
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
tenda
noun
tentacle
/ˈtɛntəˌkɑmp/
noun
1. een kamp met tenten als behuizing
campament
/tɛnˈtonstɛlə(n)/
verb
1. voor een publiek toonbaar maken
exposar
/tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
exposició
/ˈtɛn.zɛɪ/
conjunction
1. behalve wanneer
a menys que
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
mugró
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
terbi
verb
1. het beëindigen van een mensenleven op gerechtelijk bevel
executar
noun
execució
verb
1. met teer besmeren
enquitranar
/tɛrəm/
noun
1. een woord of uitdrukking
terme
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
tèrmit
/tɛrˈmɛin/
noun
1. een vast tijdstip waarop iets gaat gebeuren of iets gebeurd moet zijn
termini
noun
terminologia
noun
terpé
noun
1. een vetoplossend oplosmiddel dat uit de sappen van bepaalde dennensoorten gewonnen kan worden
aiguarràs
noun
een met een horecaterras vergelijkbare plek in een tuin
terrassa
/tɛ'rɛin/
noun
1. een stuk grond van enige omvang
terreny
noun
1. grondgebied
territori
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
terrorisme
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
terrorista
pronoun
Terschelling
/tɛrsjɛːr/
adjective
terciari
noun
1.
tercera
/trʏχ/, /təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
enrere
/təˈrʏχaːn/
verb
1. naar de punt van vertrek gaan
tornar enrere
verb
tornar
verb
1. gaan naar een plaats waar men eerder vandaan kwam
tornar
/tə'rʌxkomə/
verb
1. opnieuw naar een plaats komen waar men eerder geweest is
tornar
noun
realimentació
/tə'rɵxnemə(n)/
verb
1. een voorwerp opnieuw in bezit terugontvangen
reprendre
/tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
  1. 2. hoewel
    mentre
  2. 1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
    1. mentre
    2. mentre que
pronoun
1. naam van twee boeken uit het Nieuwe Testament
Tessalonicencs
/tɛst/
noun
  1. 1. probeersel
  2. 3. toets
test
noun
1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
testament
noun
1. teelbal, zaadbal
testicle
noun
1. een infectieziekte die door een gifstof leidt tot spierspasmen
tètan
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een viertallige as bezittend
tetragonal
noun
1. een door vier gelijkzijdige driehoeken ingesloten lichaam
tetràedre
/ˈtøɣəl/, /ˈtøʝəl/
noun
1. stuurriem van rijdier
regna
noun
1. datgene wat over is boven de gewenste hoeveelheid
excés
/təˈvredə(n)/
adjective
1. geen behoefte voelend om aanmerkingen te maken
content
/təvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel genoeg te hebben en voldaan te zijn
satisfacció
verb
1. veroorzaken
provocar
noun
1. een inwoner van Texas, of iemand afkomstig uit Texas
texana
pronoun
Texel
noun
1. de manier waarop iets is samengesteld, hoe het materiaal aanvoelt en hoe de structuur eruit ziet
textura
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
tailandès
/ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
Tailàndia
noun
1. grijze stof van de tussenhersenen
tàlem
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
tal·li
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
teatre
/teː/
noun
te
noun
1. blad van de theestruik
fulla de te
noun
1. een kleine lepel om thee mee te roeren
cullereta
pronoun
1.de grootste rivier van Engeland
Tàmesi
noun
1. een gevoerde kap om de thee warm te houden
cobretetera
noun
1. kan met deksel en schenktuit waarin een warme drank wordt bereid door bladeren in heet water te laten trekken
tetera
noun
1. theeplant
planta del te
/tema/
noun
1. een onderwerp dat behandelt wordt
tema
noun
1. aanhanger van het politieke stelsel waarbij men God ziet als de uiteindelijke heerser
teòcrata
noun
1. staatsvorm die gebaseerd is op goddelijke
teocràcia
noun
teodicea
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
teologia
adjective
1.
teològic
noun
1. een beoefenaar van de theologie
teòleg
/ˌteɔːˈretis/
adjective
1. wat niet perse in de werkelijkheid voorkomt, m.b.t. feiten en wetten berustende ...
teòric
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
teoria
adjective
1. genezend; op de geneeswijze betrekking hebbend
terapèutic
noun
1. een methode om aan de genezing van zieken te werken
teràpia
noun
1. elektronisch muziekinstrument
theremin
noun
1. een poedermengsel van een onedel metaal, gewoonlijk aluminium, en een oxide van een edeler metaal, vaak ijzer of koper
termita
noun
1. de leer van warmte en arbeid
termodinàmica
adjective
termodinàmic
/ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
termòmetre
noun
termosfera
noun
termostat
noun
1.
tesi
/ˈtora/
pronoun
1.-3.
Torà
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
tori
pronoun
1. uitgestorven Indo-Europese taal uit de Balkan
traci
/tœʏs/, /tœːs/
noun
1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
a casa
noun
1. geheel van organisaties en activiteiten waarmee de burgerbevolking een bijdrage aan de oorlog levert
rereguarda
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
tuli
noun
tiristor
pronoun
Turíngia
pronoun
2. de rivier die stroomt door Rome
Tíber
pronoun
  1. 1. autonome regio
  2. 1. voormalig land
Tibet
noun
1. een inwoner van Tibet, of iemand afkomstig uit Tibet
tibetà
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
tibetà
noun
1. zenuwtrek
tic
pronoun
  1. 1. Zwitsers kanton
  2. 1. zijrivier van de Po
Ticino
cardinalNumeral
1. het getal 10
deu
noun
2. kerkbelasting
delme
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
  1. desè
  2. dècim
noun
decàgon
pronoun
1. taal gesproken door meer dan 5 miljoen mensen in Eritrea, Ethiopië, Duitsland en Israël
Tigrinya
/tɛit/, /tɛɪ̯d/, /tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
temps
adjective
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
temporal
adverb
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
temporalment
noun
zeitgeist
noun
1. iemand die in dezelfde historische periode leefde
contemporani
noun
època
adjective
1. een aanzienlijke hoeveelheid tijd vereisend
que consumeix molt de temps
noun
1. het laten zien hoe laat het is; het laten zien wanneer iets gebeurd is
indicacío d'una hora
noun
1. blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
revista
/tɛɪdsdyr/
noun
1. de tijd dat iets duurt
duració
noun
1. afsluitmechanisme van een kluis of ruimte waarin een of meer uurwerken zijn verwerkt
cadenat de temps
noun
pèrdua de temps
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
tigre
noun
1.
tauró tigre
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
farigola
pronoun
Tilburg
noun
fusta
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
fuster
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noordwest-Australië en Timor
mar de Timor
pronoun
Timoteu
noun
scheikundig element
  1. peltre
  2. estany
noun
1. elk van de stukjes onderbroken muur bovenaan een wand van een gebouw of vestingwerk
merlet
noun
acufen
noun
1. prikkelend gevoel
formigueig
noun
1. Italiaans dessert
tiramisú
noun
tirà
/tirɑ'nik/
adjective
1.
tirànic
/ti'tan/
noun
titani
noun
diòxid de titani
pronoun
1.
Tità
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
titani
noun
  1. 1. opschrift van een document
  2. 2. aanduiding van een persoon
títol
adjective
titular
/ˈtitʏs/
pronoun
Titus
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
mosquiter
verb
1. brood roosteren
brindar
/dɔx/, /tɔx/, /tɔχ/
adverb
2. in weerwil van iets
malgrat tot
noun
2. activiteit waarbij men naar een of meer bestemmingen gaat
viatge
verb
1. het eigendom zijn van
pertànyer
verb
1. het doen opnemen van bijvoorbeeld een medicijn door iemand
administrar
noun
1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
accés
adjective
1.te bereiken
accessible
verb
  1. 2. erkennen
    1. admetre
    2. reconèixer
    3. autoritzar
  2. 1. toestaan
    permetre
noun
1. benaming voor tropische vogels uit de familie Ramphastidae
tucà
noun
  1. futur
  2. avenir
adjective
1. van de tijd die komen gaat
futur
verb
  1. 1. niet onmogelijk maken of verbieden
  2. 2. toegang verschaffen
permetre
verb
1. verduidelijken
explicar
/tun/
adverb
1. op of na dat tijdstip
llavors
noun
1. het groter worden in aantal of maat
augment
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
tundra
noun
1. de mate waarin iets praktisch te gebruiken is
aplicabilitat
noun
  1. 2. het in de practijk brengen van iets
  2. 1. een computerprogramma
  3. 1. een manier waarop iets gebruikt wordt
aplicació
noun
1.
turac
noun
1. het reizen voor ontspanning
turisme
noun
1. een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
turista
adjective
1. een plaats die veel toeristen aantrekt
turístic
/tusxɔuər/
noun
1. iemand die naar iets kijkt
espectador
/'tustɑnt/
noun
geheel van omstandigheden
condició
noun
  1. 1. een werktuig dat uit meer dan één onderdeel bestaat
  2. 2. vliegtuig
  3. 3. telefoontoestel
aparell
verb
consentir
noun
een toezegging dat iets geoorloofd is
consentiment
noun
1. gerecht waarmee een maaltijd kan worden afgesloten
  1. postres
  2. darreries
noun
3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
tecla
/ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
teclat
noun
1. steen voor het bepalen van het goudgehalte
pedra de toc
/ˈtuːvɑl/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
casualitat
noun
atzar
verb
confiar
/'tuvlut/
noun
1.
influx
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
afegir
noun
1. datgene wat met een groter geheel verenigd wordt
addició
noun
2. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
afix
/'to.ɣo/, /ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Togo
/tʋɑ'lɛt/
noun
1. een plaats waar men zich kan ontlasten
lavabo
/ˈtɔki ˈpoːnaː/
pronoun
1. bepaalde minimalistische kunsttaal
toki pona
pronoun
1. de hoofdstad van Japan
Tòquio
/tɔl/
noun
  1. 3. plaats waar men slechts tegen betaling mag passeren
  2. 4. geld dat men bij een tol geheven wordt
peatge
noun
1. de bereidheid ander gedrag dan het eigen te dulden
tolerància
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
intèrpret
noun
1. weg voor het gebruik waarvan betaald moet worden
autopista de peatge
/toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
  1. tomàquet
  2. tomata
noun
quetxup
noun
1. een vruchtensap dat uit tomaten is bereid
suc de tomàquet
noun
1. röntgenfoto waarbij slechts één vlak scherp wordt afgebeeld (doorsnede)
tomografia
noun
1. een vat in de vorm van...
bóta
noun
1. iemand die een toneelstukken schrijft
dramaturg
/tonə(n)/
verb
2. laten zien
mostrar
noun
  1. 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
  2. 2. wat gesproken wordt
llengua
pronoun
Tonga
noun
1. een gewelf in de vorm van een halve cilinder
volta de canó
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
tonyina
/ˈtɔnsɪl/
noun
1. een amandel
amígdala
noun
amigdalectomia
noun
tonsilito
/ton/
noun
een geluid met een bepaalde herkenbare hoogte
to
noun
compositor
noun
1. toonhoogte
to
noun
1. een stijgende of dalende opeenvolging van tonen
escala
noun
1. woede, gram
ira
noun
torxa
/ˈtostə(n)/
verb
1. een heildronk uitbrengen, op iets of iemand drinken
brindar
noun
1. hoogste punt, (bovenste) uiteinde
cim
noun
topazi
adjective
1. verband houdend met de nauwkeurige beschrijving van een gebied
topogràfic
noun
topologia
noun
1. een eigennaam die een geografisch begrip benoemt
topònim
/tɔːrə(n)/
noun
  1. 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
  2. 1. een hoog bouwwerk
torre
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
xoriguer
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
tornado
noun
torpede
noun
tor
pronoun
Toscana
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
  1. a reveure
  2. adéu
noun
1. alle onderdelen tezamen
total
adjective
1.
totalitari
noun
totalitarisme
/tɑu̯/
noun
1. een middel om zaken bij elkaar te binden
corda
noun
1. een mannelijk iemand die kan toveren
mag
noun
1. magisch handboek
grimori
verb
encantar
/ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
toxicologia
/ˌtɔk.si.ko.ˈlo.ɣis/, /ˌtɔk.si.ko.ˈlo.ɣɪs/, /ˌtɔk.si.ko.ˈlo.χis/
adjective
1. met betrekking tot gifstoffen
toxicològic
/ˌtɔk.si.ko.ˈlox/, /ˌtɔk.si.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
toxicòleg
noun
1. verslaving aan gifstof
toxicomania
adjective
1. giftig
tòxic
/traːx/
adjective
1. met geringe snelheid
lent
noun
  1. 2. ook inertie genoemd
    inèrcia
  2. 1. het langzaam zijn
    lentitud
noun
1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
llàgrima
noun
1.
gas lacrimogen
noun
traqueïtis
/ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
tractor
/tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
tradicional
/traˈxedi/
noun
  1. 1. een toneelspel dat handelt over een bedroevende gebeurtenis
  2. 2. gebeurtenis met een droevige of rampzalige afloop
tragèdia
adjective
1.met een lach en een tran
tragicòmic
adjective
tràgic
verb
1. het doen van lichamelijke oefeningen
entrenar
noun
entrenador
noun
1. een oefening
entrenament
noun
1. de af te leggen of afgelegde weg van een voorwerp door de ruimte
camí
/tram/, /trɑm/, /trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
tramvia
noun
  1. llit elàstic
  2. trampolí
adjective
1.
transalpí
noun
transacció
/trɑnsˈkrɪpsi/
noun
  1. 1. de conversie naar een geschreven tekst van een andere geschreven, getypte of gedrukte tekst.
  2. 2. het vastleggen van de uitspraak van een gesproken tekst op schrift.
  3. 3.
  4. 4. het omzetten van een muziekstuk naar een andere vorm of bezetting.
transcripció
noun
transfeminisme
noun
transfòbia
noun
transformació
abbreviation
transformador
noun
1. het inbrengen van bloed in het bloedvatenstelsel
transfusió
adjective
1.
transgènic
noun
transistor
noun
1. structurele overgang of omschakeling
transició
/'trɑnzitif/
adjective
transitiu
noun
translació
noun
1.
transliteració
noun
1. verplaatsing, overplaatsing
translocació
pronoun
1.
Transnístria
adjective
1. lichtdoorlatend
transparent
noun
1. doorzichtbaarheid
transparència
verb
suar
noun
1. het overbrengen van (levend) weefsel naar een andere plaats die zowel in hetzelfde lichaam als in een ander lichaam van een mens, dier of plant kan zijn
trasplantació
noun
1.
transponedor
noun
transport
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
transportar
pronoun
Transsilvània
noun
1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
escala
noun
patí de pedals
/trɑˈpezɪʏm/
noun
1. een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
trapezi
noun
psychische stoornis, ontstaan door een schokkende ervaring
trauma
adjective
1. door een letsel ontstaan
traumàtic
verb
1.
traumatitzar
noun
transvestida
noun
1. taps toelopende buis, gebruikt voor het vullen van vaten
embut
/tre/
noun
1. opstapje dat deel uitmaakt van een trap
esglaó
noun
1. een titelwoord van een stuk tekst in een catalogus, woordenboek of encyclopedie
entrada
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
tren
verb
  1. nog te sorteren
    1. estirar
    2. tirar
    3. treure
  2. 2. een lijn aanbrengen
    treure
noun
1. een vogel die 's winters een andere verblijfplaats kiest dan in de broedtijd
au migratòria
noun
1. diakritisch teken
dièresi
noun
trèmolo
noun
  1. nieuwe mode
  2. ontwikkeling in een bepaalde richting
tendència
noun
tristesa
noun
1. bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, Salix babylonica
desmai
/'trøzəlar/
noun
1. iemand die niet opschiet en te veel tijd verdoet
ronsa
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
triangle
noun
tribunal
noun
1. de plaatsen voor het publiek
tribuna
adjective
1. somber stemmend
lamentable
/ˈtrɪf.tɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit drie klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
triftong
noun
1. naam van een grassengeslacht
bellugadís
/ˈtrɪlɦarˌdirtʲə/
noun
1. eencellig organisme
ciliat
cardinalNumeral
trilió
/'trɪlə(n)/
verb
1. snel heen een weer bewegen
vibrar
noun
1.
trilobit
noun
1.
trimarà
noun
1. een periode van drie maanden
trimestre
/ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
Trinitat i Tobago
noun
tríode
noun
2. grootse overwinning of prestatie
triomf
noun
tríptic
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Tritó
noun
1.
tríton
pronoun
Trieste
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
trofeu
noun
1. een driekantige platte schep met handvat voor het opbrengen van metselspecie
paleta
noun
  1. 3. een langgerekte uitstulping van een lagedrukgebied.
    conc
  2. 1. een langgerekte voederbak.
    cóm
pronoun
Troia
/'trɔ.li.bɵs/
noun
troleibús
/ˌtrɔmboˌsitopeˈni/
noun
1. het symptoom dat men een te laag aantal bloedplaatjes of trombocyten heeft.
trombocitopènia
noun
1. een koperen blaasinstrument
trombó
noun
1. de vorming van een bloedprop in een bloedvat of het hart
trombe
noun
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
  1. tambor
  2. timbal
noun
memòria de tambor
noun
timpà
noun
trompe-l'oeil
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
trompeta
verb
1. het geluid van een olifant
bramular
/troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
tron
noun
1. steun bij verdriet of pijn
consol
verb
1. als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven
consolar
noun
1.
consolador
noun
troposfera
noun
  1. 1.
  2. 2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
raïm
adjective
1. erg blij met wat men (bereikt) heeft
orgullós
noun
  1. 2. het gevoel dat men wil pronken met wat men heeft of doet
  2. 1. denken dat men beter is dan anderen
orgull
noun
1. stroming binnen het leninisme, die Stalins politiek te weinig marxistisch vindt en een minder autoritaire en meer internationalistische benadering voorstaat
trotskisme
/trɔˈtʋar/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
calçada
noun
  1. 1. rondreizend kunstenaar
  2. 2. rondreizend artiest
trobador
/trʌʊ/
adjective
1. op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen
fidel
/trʌʊ/
noun
1. het zich houden aan...
fidelitat
verb
1. het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
casar
/ˈtrɑuwəns/
adverb
1. overigens
per cert
noun
anell de noces
/tryk/
noun
1. een handeling om op een slimme manier een doel te bereiken
artimanya
noun
  1. tòfona
  2. trufa
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
jersei
/tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
tsar
pronoun
1. Helleense taal gesproken door 1500 mensen in het oosten van de Peloponnesos in Griekenland
tsacònic
noun
1.
tsarina
/tʃad/, /tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Txad
/tʃɛx/, /tʃɛχ/
noun
1. een inwoner van Tsjechië, of iemand afkomstig uit Tsjechië.
txec
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
txec
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
República Txeca
/ˈtʃɛxi.jə/, /ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
Txèquia
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
Txecoslovàquia
/tʃɛnobil/
pronoun
Txernòbil
pronoun
1. een taal die in Tsjetsjenië gesproken wordt
txetxè
pronoun
1.
Txetxènia
/tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
tsunami
noun
1. een koperen blaasinstrument met lage toon
tuba
noun
1.
tuf
/tœy̯x/
noun
4. harnas
arnès
/tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
jardí
noun
1. vorm van gewassenkwekerij die zich specifiek toelegt op het intensief telen van groenten, bloemen, planten, bomen, bollen of zaden
horticultura
noun
1.
horta
noun
1. en 2. cultuurplant en eetbaar kruid Lepidum sativum
morritort
noun
jardiner
verb
schenkpijp aan een kan of ketel
broc
noun
1. hoofddeksel
turbant
noun
1. plant
tulipa
/tyˈmʏlt/
noun
1.
tumult
/ty.ˈne.zi.jə/, /tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
Tunísia
noun
1. lange bloes of korte jurk vaak gedragen over een lange broek door vrouwen
túnica
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
túnel
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
turbina
/ˌtyːrəˈlyːr/
noun
1. een weidevogel
cama-roja
verb
1. veen als brandstof
torba
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
Torí
/tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
turc
/tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
Turquia
pronoun
1. de taal die door de Turkmenen in Turkmenistan en Afghanistan gesproken wordt
turcman
pronoun
Turkmenistan
/tʏrˈkojs/, /tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
turquesa
/tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
turc
noun
1. bepaald soort tuinplant, Lilium martagon
marcòlic
/ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
entre
/ˌtʏsənˈdoːrtjə/
noun
1. een versnapering, iets te eten tussen de maaltijden door
piscolabis
noun
intervenció
/ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
interjecció
verb
1. elkaar met jij en jou aanspreken
tutejar
/ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
Tuvalu
/twaːlf/, /tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
dotze
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
dotzè
/tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
  1. dos
  2. dues
/tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
  1. dos
  2. dues
/ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
segon
noun
segona persona
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
Segona Guerra Mundial
/ˈtweːˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 200
dos centes
/ˈtʋeklɑŋk/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
diftong
noun
1. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
crepuscle
/ˈtwelɪŋ/, /ˈtʋelɪŋ/, /ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
bessó
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 21 mei tot 21 juni
  1. Bessons
  2. Gèminis
adjective
1.om de twee maanden
bimestral
noun
1.
llit doble
noun
1. een voorgestelde manier om het Israëlisch-Palestijns conflict te beëindigen, door twee onafhankelijke staten op te richten op het grondgebied van het voormalige mandaatgebied Palestina (historisch Palestina)
solució de dos estats
adjective
bilingüe
noun
bilingüisme
noun
1. een uitdrukking, bestaande uit twee eentermen, die gescheiden worden door het optelteken (+) of aftrekteken (-)
binomial
adjective
1. met, of aan twee kanten, belangen, partijen etc.
bilateral
noun
1. voertuig geschikt voor twee personen
biplaça
cardinalNumeral
1. het getal 32
trenta-dos
cardinalNumeral
1. het getal 92
noranta-dos
cardinalNumeral
1. het getal 82
huitanta-dos
cardinalNumeral
1. het getal 22
vint-i-dos
cardinalNumeral
1. het getal 42
quaranta-dos
cardinalNumeral
1. het getal 52
cinquanta-dos
cardinalNumeral
1. het getal 62
seixanta-dos
/ˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 72
setanta-dos
/ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
dubte
/twɛɪ̯x/, /tʋɛɪ̯χ/, /tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
branquilló
/ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
vint
ordinalAdjective
vigèsim
/tiˈfon/, /tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
tifó
noun
1. door bepaalde karakteristieken herkenbare soort
tipus
/ˈtɛɪ̯.pə(n)/
verb
1. gegevens invoeren
mecanografiar
adjective
2. kenmerkend
típic
noun
2. grafische vorm van tekst
tipografia
noun
tirosina
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
mar Tirrena
/yː/
personalPronoun
u (pers.vnw.)
vostè
noun
1. bocht van 180°
canvi de sentit
/ˈyfo/
noun
1. vliegend voorwerp waarvan de identiteit niet bekend is, meestal in verband met een (vermeende) buitenaardse oorsprong
OVNI
/œʏ̯/, /œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
ceba
/œyjəsup/
noun
1. een uit uien bereide soep
sopa de ceba
noun
1. de melkklier van een herkauwer
braguer
/œʏ̯ɫ/, /œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
  1. rapinyaire nocturn
  2. òliba
/œʏ̯t/, /œːt/
adverb
2. balsport term voor als de bal buiten de lijnen van het speelveld is geraakt
disponible
/œʏ̯t/, /œːt/
preposition
1. geeft aan van welke plaats iets komt
disponible
adverb
1. op uitputtende wijze
comprensivament
noun
1. het uitademen
exhalació
noun
2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
erupció
/ˈœʏtbenə(n)/, /ˈœːdbeːnə(n)/, /ˈœːtbenə(n)/
verb
1. het been uit (het vlees) halen
desossar
verb
externalitzar
noun
2.
externalització
verb
1. iets een groter oppervlak laten innemen
estendre
/ˈœʏtbœʏtiŋ/
noun
1. het gebruik van iemand maken zonder daar naar waarde voor te belonen
explotació
verb
1. iemand met woord of daad tot actie prikkelen
desafiar
/ˈœʏdaχɪŋ/, /ˈœːdaɣɪŋ/
noun
1. taak die moeilijk te verwezenlijken valt
repte
verb
1. een gevoel of gedachte in taal verwoorden
expressar
/ˈœytrʏkɪŋ/, /ˈœːdrʏkɪŋ(g)/, /ˈœːtrʏkɪŋ/
noun
  1. 2. verbinding van woorden
  2. 3. geheel van sprekende gelaatstrekken
  3. 4. het uitdrukken, uiting
expressió
/œʏˈtɛɪndələk/
adverb
1. na een hele tijd
finalment
/ˈœʏ̯tə(n)/, /ˈœːtə(n)/
verb
2. zeggen
absolut
verb
1. plotseling en ongewenst iets doms zeggen
etzibar
verb
4. naar buiten gaan
eixir
/'œʏtχɑŋ/, /'œːtɣaŋ/
noun
sortida
/ˈœʏtχavə/, /ˈœːdɣavə/, /ˈœːtxavə/
noun
  1. 4. uitgegeven werk
  2. 2. reeks van uitgeven literaire werken
edició
/'œytxəmɛrxəlt/
adjective
1.
demacrat
adverb
1. dodelijk vermoeid
exhaust
verb
1. financiële middelen aanspreken
gastar
noun
  1. 1. het dusdanig weinig voedsel laten nuttigen dat dit op den duur verhongering tot gevolg heeft, meestal doelbewust
  2. 2. het uitgehongerd/verhongerd zijn
inanició
verb
pentinar
noun
1. betaling van geld op basis van sociale wetgeving
pagament
verb
1. naar buiten komen
sortir
/ˈœʏ̯tlat/, /ˈœːtlaːt/
noun
1. een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden
tub d’escapament
verb
1. vrachtgoed uit een scheepsruim of uit overdekte wagen lossen
descarregar
verb
1. iets doen begrijpen
explicar
verb
1. iets voor tijdelijk gebruik aan een ander afstaan
prestar
verb
1. een gevangene in handen van een andere autoriteit overdragen
extradir
noun
1. plantkunde
estoló
adjective
1. in staat om uitlopers te vormen
sarmentós
/'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
verb
1. iemand verzoeken iets bij te wonen
convidar
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
invitació
noun
1. de toestand waarin iets of iemand aan het eind van zijn of haar krachten is
esgotament
noun
1. uitputtende oorlog, oorlogsvoering
guerra de desgast
verb
2. uit emotie luid roepen
exclamar
noun
1. !, een leesteken dat uitdrukt dat de zin een uitroep, bevel of uitdrukking van verbazing is
signe d'admiració
noun
1. benodigdheden voor een taak
equipament
verb
2.door andere schakeling deactiveren
apagar
verb
1. niet langer tot de mogelijkheden rekenen
excloure
/œytspra:k/
noun
1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
  1. pronunciació
  2. pronúncia
noun
1. woordenboek dat ook aangeeft hoe de woorden uitgesproken moeten worden
diccionari de pronunciació
noun
2. kort plezierreisje
excursió
verb
1. naar een later tijdstip verschuiven
endarrerir
noun
2. biologisch materiaal van de baarmoedermond dat op een objectglaasje wordt uitgesmeerd
frotis de Papanicolau
verb
promulgar
noun
1. persoon die uitvindingen doet
inventor
noun
1. de daad van het uitvinden, het ontdekken van een nieuwe methode of een nieuw toestel
invenció
adjective
1. mogelijk om uitgevoerd te worden
executable
verb
  1. 3. software runnen
    arrancar
  2. 2. afhandelen, voltrekken, ten uitvoer brengen
    dur a terme
  3. 1. exporteren
    exportar
noun
1.
digressió
verb
  1. 1. naar buiten werpen
    1. escopir
    2. vomitar
  2. 2. overboord gooien
    tirar
noun
2. vaste uitgescheiden afvalstoffen van een mens of dier
femta
noun
intercanvi
noun
metàstasi
noun
  1. 1. wat men van de omgeving vanaf een bepaalde plek kan zien
  2. 2. verwachting, iets waar men naar kan uitzien
vista
verb
1. buiten een bepaalde regel plaatsen
exceptuar
/œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
excepció
noun
1.
excepcionalitat
pronoun
1. gemeente in het zuiden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Uccle
noun
1. een lichtbewapende bereden soldaat in enkele Europese legers
ulà
/ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
ultimàtum
noun
1. blauwe verfstof, blauw pigment dat van nature wordt aangetroffen in het mineraal lazuriet
blau d'ultramar
adjective
1. van elektromagnetische straling, net buiten het gebied van het spectrum dat met het menselijk oog zichtbaar is
ultraviolat
pronoun
Úmbria
/ʏnɑˈnim/
adjective
1. met eenheid van stemmen
unànime
/y.ˈnik/
adjective
1. enige in zijn soort
únic
adjective
1. alom bekend, vertegenwoordigd of erkend
universal
adjective
acadèmic
/ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
universitat
noun
1.
ciutat universitària
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
univers
/ʌnstər/
noun
1. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op een balans met ongelijke armen
romana
noun
1. scheikundig element met symbool Uub en atoomnummer 112
ununbi
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuo en het atoomnummer 118
ununocti
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uup en het atoomnummer 115
ununpenti
verb
1. een bestand van een lokale computer of server naar een computer of server op afstand overbrengen
carregar
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
urani
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
urani
pronoun
Urà
pronoun
1. de officiële taal van Pakistan en een van de officiële talen van India
urdú
noun
urea
noun
1. de mate waarin iets dringend gewenst of nodig is
urgència
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
orina
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
uretra
/ˌyriˈnɪːrə(n)/
verb
1. het via de blaas lozen van lichamelijke afvalstoffen in de vorm van vloeistof
pixar
noun
1.
àcid úric
noun
urinari
noun
urologia
noun
uròleg
/ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /ˈuruˌɡwe/, /ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
Uruguai
/yʔɛsˈbeʔstɪk/
noun
clau USB
/ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
utopia
adjective
utòpic
/ˈytrɛx/, /ˈytrɛxt/, /ˈytrɛχt/
pronoun
2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
Utrecht
/yːr/
noun
1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
hora
noun
1. een mechaniek dat de tijd bijhoudt of aangeeft
rellotge
noun
uveïtis
adjective
vaga
/vaːk/
adverb
1. vele malen
sovint
noun
1. een aspirant-reserveofficier
alferes
/ˈvaːrdəxɦɛːt/, /ˈvaːrdəxɦɛːɪt/
noun
1. het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem juist op te lossen
habilitat
noun
vedella
noun
  1. 1. opgebouwde snelheid
    embranzida
  2. 3. het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
    velocitat
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
gerro
/vakˈsæː/, /vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
  1. vacuna
  2. vaccí
noun
1. een inenting
vacunació
verb
1. een injectie met een vaccin geven
vaccinar
noun
1. materievrije ruimte
buit
noun
bomba de buit
noun
1.
braça
noun
1. een mannelijke ouder
pare
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
dia del pare
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
pàtria
noun
paternitat
/ˈva.ɣə.ˌvyːr/, /ˈva.χə.ˌvyːr/
noun
1. een toestand waar de zielen van gestorven personen gereinigd worden.
purgatori
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
vagina
adjective
vaginal
/vɑˈkɑn(t)si/
noun
  1. 1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
  2. 2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
vacances
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
sindicat
noun
1. een man die zijn vak of professie verstaat
artesà
noun
1. vaardigheid in een beroep of handel, de vaardigheid om hoog kwalitatief werk af te leveren
artesania
noun
1. (onderwijs) school waar men voor een bepaald vak wordt opgeleid
escola taller
/vɑɫ/
noun
10. apparaat met een vallende deur of klem met als doel dieren te vangen
  1. parany
  2. trampa
pronoun
València
pronoun
1. Catalaans zoals dat gesproken wordt in Valencia en omgeving
valencià
noun
valència
noun
1. 14 februari, de dag van de verliefden
Dia de Sant Valentí
noun
1. CH₃(CH₂)₃COOH
àcid valèric
noun
valina
/vɑlk/
noun
1. roofvogel
falcó
noun
1. bedrijver van valkerij
falconer
/vɑlkə'rɛɪ/
noun
1. africhten van roofvogels
falconeria
noun
1. een laagte tussen bergen
vall
verb
1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
caure
adverb
1. op basis van onwaarheden
falsament
noun
1.
contrafaedor
noun
1. mythologisch ondood wezen
vampir
preposition
1. geeft bezit aan
de
phraseologicalUnit
1. oprecht en onvoorwaardelijk
amb entusiasme
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
vanadi
adverb
1. op deze dag
  1. avui
  2. hui
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
vandalisme
verb
  1. 1. te pakken krijgen
  2. 2. onderscheppen
atrapar
/ˈvɑŋ.re(i)l/
noun
1. metalen stroken langs autowegen, die dient om te voorkomen dat auto's van de rijbaan raken
barana
/vɑŋs/, /vɑŋst/
noun
captura
/vɑ'nijə/
noun
een smaak- en geurstof geëxtraheerd van de vanilleplant
vainilla
noun
1. vloeistof onttrokken aan vanillestokjes in een ethanol oplossing
extracte de vainilla
adverb
  1. 1. de komende nacht
  2. 2. de afgelopen nacht
anit
/va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
Vanuatu
noun
1. Varanidae, de grootste levende hagedis
varà
noun
1. een sporenplant
falguera
noun
variació
verb
variar
noun
varietat
noun
  1. 2.
    porc
  2. 1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
    1. porc
    2. truja
pronoun
1. baai op de Cubaanse kust
Badia de Cochinos
noun
onder-/zijkant van de buik van een varken
cansalada de porc
noun
2. lever van een varken
fetge de porc
noun
1. overdekt verblijf voor varkens
soll
noun
2. lever van een varken
llengua de por
noun
porc
adverb
1. zeker van wat te doen
determinadament
/vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
terra ferma
verb
1. zich onthouden van voedsel
dejunar
pronoun
dimarts de carnaval
verb
2. zich met inspanning ergens aan vasthouden
aferrar
verb
1. iets of iemand grijpen en vasthouden
agafar
verb
1. bevestigen dat iets zo is.
determinar
noun
1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
barril
noun
1. het gevoelig zijn voor iets; het kunnen overnemen van een eigenschap
susceptibilitat
/vatiˈkanstɑt/, /vatiˈkaːnstɑd/, /vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
Ciutat del Vaticà
pronoun
1.
Vaud
adjective
1.
bel·licós
noun
vector
/veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
bestiar
/feɪɫ/, /veːl/
indefiniteCardinalNumeral
1. groot in hoeveelheid
molt
adjective
prometedor
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
polígon
adjective
1.
poligonal
noun
múltiple
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
golut
noun
1. het veel mogelijkheden of kwaliteiten hebben; het geschikt zijn voor veel taken
versatilitat
noun
1.
cadell
/veːr/, /vɪːr/
noun
  1. 2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
    1. molla
    2. ressort
  2. 1. lichaamsbedekking van een vogel
    ploma
noun
2. herstellingsvermogen van iemands gestel of gemoed
resiliència
/ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
catorze
ordinalAdjective
catorzè
/ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
quaranta
ordinalAdjective
quadragèsim
noun
veganisme
verb
1. zonder water schoonmaken met een borstel
escombrar
adjective
1. als of voor vegetariërs
vegetarià
noun
vegetariana
noun
vegetació
/ˈvɛilə(n)/
verb
1. verkopen op een openbare verkoping waar een prijs vastgesteld wordt
subhastar
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
segur
noun
1. een situatie waarin een bepaald gevaar niets kan aanrichten
seguretat
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
Consell de Seguretat de les Nacions Unides
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
imperdible
/ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
subhasta
verb
1. zich onecht voordoen
fingir
noun
  1. 1. dunne laag
    full
  2. 2. afgestroopte huid
    pel·lícula
adjective
velar
/vɛlt/
noun
nog na te kijken
camp
/ ˈvɛltflɛs /
noun
1. een afsluitbare en draagbare fles, meestal uit metaal of plastic vervaardigd, die gebruikt wordt om de drager buitenshuis van vocht te voorzien
cantimplora
noun
hospital de campanya
noun
alosa vulgar
noun
1. en 2. (bladeren van) kruidachtige plant Valerianella locusta
herba dels canonges
noun
feldspat
/vɛltɔxt/
noun
1. een trektocht van een leger met het doel de vijand te verslaan
campanya
/ˈvɛld.zyː.rɪŋ/, /ˈvɛɫ.tsyː.rɪŋ/
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Rumex acetosa
agrella
/vɛlx/, /vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
  1. llanda
  2. llanta
pronoun
1. een taal die in de Veneto-regio gesproken wordt
venecià
//
pronoun
1. provincie in Italië
Venècia
pronoun
Vèneto
/ˌvenəzoˈlan/, /ˌvenəzoˈlaːn/
noun
1. een inwoner van Venezuela
veneçolana
/ˌvenəzyˈweːla/, /ˌvenəzyˈβ̞ela/, /ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
Veneçuela
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
teix
noun
1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
fonoll
noun
1. gedroogde zaden van Foeniculum vulgare
fruit del fonoll
noun
1. onderneming of bedrijf met meerdere aandeelhouders
societat
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
finestra
noun
vàlvula
noun
ventilador
adjective
1. met betrekking tot de orgaanholte
ventricular
pronoun
1. planeet
Venus
adverb
1. op grote afstand
llunyà
/vərˈɑxtə(n)/, /vərˈɑçtə(n)/
verb
1. in hoge mate minachten
menysprear
noun
menyspreu
/vərˈadəmɪŋ/
noun
1.
respir
verb
1. een overdreven bewondering koesteren
idolatrar
/vɛ.ˈrɑf.sxy.wə(n)/
verb
1. afschuw hebben voor
detestar
verb
  1. 2. zodanig aan zichzelf werken of zichzelf behandelen dat men anders wordt
    1. alterar-se
    2. canviar-se
    3. convertir-se
    4. modificar-se
  2. 1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
    1. canviar
    2. alterar
    3. convertir
    4. modificar
    5. canviar-se
noun
1. iets dat anders is geworden
canvi
adjective
  1. 1. iets met extra verplichtingen of moeilijkheden om het goed te laten lopen
  2. 2. de verantwoordelijkheid hebbend
responsable
adverb
1. er op aangesproken kunnen worden als het niet goed gaat
responsable
noun
responsable
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
responsabilitat
verb
1. armer worden
empobrir
adjective
1. met woorden
verbal
verb
1. iemand van regeringswege dwingen een bepaald gebied te verlaten
desterrar
/vər.ˈbɑ.nɪŋ/
noun
1. het verbod opgelegd krijgen naar een bepaalde plaats terug te keren
exili
noun
1. grote verwondering
sorpresa
/vər.ˈbeːɫ.dɪŋ/, /vər.ˈbɪːɫ.dɪŋ/, /vɛr.ˈbeːl.dɪŋ(g)/
noun
2. iets visualiseren, ergens een beeld bij maken
imaginació
verb
1. iets ergens plaatsen waar het niet gemakkelijk door anderen gevonden wordt
ocultar
/vərˈbetərə/
verb
  1. 2. van fouten ontdoen
    corregir
  2. 1. (iets) beter maken, de kwaliteit verhogen
    millorar
/vər.ˈbe.tə,rɪŋ/
noun
1. een verandering ten goede
millora
/vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
prohibir
verb
  1. 1. twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken
  2. 2. met iets of iemand contact maken via de telefoonlijn
connectar
/vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
  1. 2. scheikunde
    compost
    1. 1. verbinden of samenvoegen
    2. 3. communicatie
    3. 4. vervoer
    connexió
noun
1. een plaats waar men, al dan niet noodgedwongen, verblijft
parador
/vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
prohibició
verb
2.planten telen
conrear
adjective
estabornit
verb
1. verteerd worden door vuur of hitte
cremar
noun
combustió
noun
2. de totale verbruikte hoeveelheid
consum
/vər.ˈbœʏ̯.χɪŋ/, /vər.ˈbœː.ɣɪŋ/
noun
1. naamwoordsflexie
declinació
verb
1. afvlakken tot burgerlijkheid
aburgesar
verb
1. met een laagje chroom bedekken
cromar
verb
1. coderen
encriptar
adverb
sospitós
verb
1. een zitting opschorten tot een nadere datum
ajornar
verb
1. overgaan van een gecondenseerde fase, vast of vloeibaar, naar de gasfase
evaporar
noun
1.
vaporització
verb
1. beschermen tegen een aanval
  1. defendre
  2. defensar
noun
defensa
verb
1. in kleinere stukken uiteendoen
dividir
noun
distribució
verb
1. het vermoeden hebben van iets slechts
sospitar
/vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
sospita
verb
  1. 2. geld verkrijgen door arbeid of een andere prestatie
    guanyar
  2. 1. het recht op een beloning of bestraffing verwerven
    merèixer
noun
2. goede, opbouwende daad
mèrit
/vɛr.ˈdi.pə(n)/
verb
1. dieper maken
apregonar
/vər.ˈdi.pɪŋ/
noun
3. alle ruimten op één hoogte in een gebouw
pis
verb
  1. 1. dikker worden
  2. 2. dikker doen worden
espessir
interjection
cagondena
verb
1. de pijnprikkel onderdrukken, bijvoorbeeld door het toedienen van een medicijn
anestesiar
noun
1. bereidheid om te aanvaarden dat anderen zich gedragen op een manier die je niet goed vindt
tolerància
verb
1. bestand zijn tegen
aguantar
noun
1. een gevoel van droefheid
aflicció
adjective
1. in sombere stemming
trist
verb
  1. 1. driemaal zo groot maken
  2. 2. driemaal zo groot worden
triplicar
verb
1.uit het land verjagen
expel·lir
verb
  1. 2. in het water doen omkomen
  2. 3. door drinken van alcohol doen verdwijnen
  3. 1. in het water omkomen
negar
noun
ofegament
verb
2. iets (m.n. geld) ontvreemden/stelen
malversar
/vər.ˈdœʏ̯.stə.rɪŋ/, /vər.ˈdœː.stə.rɪŋ/, /vɛr.ˈdœːs.tə.rɪŋ(g)/
noun
eclipsi
verb
2. door toevoeging van oplosmiddel de concentratie verlagen
diluir
/vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
  1. 1. wegraken
  2. 3. uit het zicht gaan
desaparèixer
noun
1. het verdwijnen
desaparició
verb
immortalitzar
/vɛrɛɪsə(n)/
verb
1. nodig hebben
exigir
/vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
  1. Regne Unit
  2. Regne Unit de la Gran Bretanya i Irlanda del Nord
/vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
Emirats Àrabs Units
pronoun
1. unie van Egypte en Syrië van 1958 tot 1961, en de officiële naam van Egypte van 1961 tot 1971
República Àrab Unida
noun
Organització de les Nacions Unides
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Estats Units
/və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Estats Units
verb
1. afzonderlijke delen tot één geheel maken
unir
/və.ˈre.nə.ɣɪŋ/, /və.ˈre.nə.χɪŋ/, /vər.ˈe.ni.ɣɪŋ(g)/
noun
1. groepering van mensen die op een bepaald doel gericht is
associació
verb
1. erger worden of maken
agreujar
/vɛrf/
noun
1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
pintura
verb
1. fijner of gevoeliger maken
refinar
verb
1. Franstalig maken/worden
afrancesar
verb
refrescar
/vər.ˈɣa.də.rə(n)/, /vər.ˈχa.də.rə(n)/, /vɛr.ˈɣa.də.rə(n)/
verb
1. in vergadering bijeenkomen, een vergadering bijwonen
celebrar una reunió
/vərˈɣadəˌrɪŋ/, /vərˈχadəˌrɪŋ/
noun
1. een georganiseerde bijeenkomst voor bespreking en overleg
reunió
noun
nomoblidis
noun
represàlia
adjective
1. goed te vergelijken
comparable
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
comparar
/vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
  1. 1. relatie tussen twee zaken
    comparació
  2. 2. wiskundige uitdrukking
    equació
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
  1. oblidar
  2. oblidar-se
verb
1. vergiffenis schenken
perdonar
/'vɛrxəvɔrdərt/
adjective
1.
avançat
/vərˈxit/
noun
1. teiltje met gaten
colador
verb
vessar
/vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
  1. verí
  2. metzina
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
perdó
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
emmetzinar
noun
de toestand van vergiftigd worden
enverinament
verb
1. eerste betekenisomschrijving
confondre's
/vər.ˈɣɪ.sɪŋ/, /vər.ˈχɪ.sɪŋ/, /vɛr.ˈɣɪ.sɪŋ(g)/
noun
1. iets doen dat niet juist is, of een verkeerde conclusie trekken
error
verb
1. aan iemand compensatie verlenen voor gemaakte kosten of geleden schade
compensar
/vərˈxudɪŋ/
noun
1. compensatie voor gemaakte kosten of geleden schade
abonament
noun
1. bolle lens waardoor de voorwerpen die men bekijkt groter lijken
lupa
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje goud
daurar
noun
1. een officiële (noodzakelijke) toestemming om een bepaalde activiteit uit te voeren
llicència
/vər'ɦal/
noun
1. verslag (mondeling of schriftelijk) van een waargebeurde of verzonnen gebeurtenis
història
noun
tractat
noun
gradient
noun
1.
paladar
verb
3. iemand ~ vreugde bereiden
alegrar
verb
1. voorkomen, ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
evitar
noun
1. een indringende ondervraging van een gevangene of verdachte
interrogatori
/vərˈɦɔʊ̯.dɪŋ/, /vərˈɦʌʊ̯.dɪŋ/, /vɛrˈhaʊ̯.dɪŋ/
noun
  1. 1.
    condició
    1. 2. de betrekking van personen onderling
    2. 3. een intieme, duurzame relatie tussen twee personen
    relació
verb
1. een houtachtige structuur krijgen
lignificar
verb
  1. 1. van woonplaats veranderen
  2. 2. de inboedel van een ander overbrengen
moure
/vərˈhœʏzɪŋ/, /vərˈhœːzɪŋ/
noun
1. de verwisseling van één (semi-) permanente woonplaats voor een andere
mudament
verb
1. iets niet openlijk zeggen of tonen
amagar
verb
2. overgankelijk meer innerlijk, minder oppervlakkig maken
interioritzar
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
aniversari
verb
1. jonger maken
rejovenir
/vər'jɔŋɪŋ/
noun
2. vernieuwen van de (levens)krachten
rejoveniment
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
  1. tràfic
  2. trànsit
noun
1. gestandaariseerd bord met aanwijzingen voor mensen in het verkeer
senyal de trànsit
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
semàfor
noun
2. militaire verkenning
reconeixement
/vər'kislək/
adjective
1.
preferible
verb
1. iemand door een stemming een ambt doen toekomen
elegir
/vər.ˈki.zɪŋ/, /vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
elecció
/vɛrˈklarə(n)/
verb
  1. 2. een officieel standpunt uitspreken
    declarar
  2. 1. duidelijk maken
    1. explicar
    2. aclarir
/vər.ˈkla.rɪŋ/, /vɛr.ˈkla.rɪŋ(g)/
noun
  1. 2. plechtige bekendmaking
  2. 1 het verklaren
  3. 3. opheldering
  4. 4. schriftelijk stuk
declaració
/vərˈklɛɪ̯nʋɔːrt/
noun
1. woord waardoor iets als klein of weinig wordt voorgesteld
diminutiu
noun
espieta
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
venda
/vərˈkopə(n)/
verb
1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
vendre
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
venedor
noun
1. een virusinfectie aan keel of neus
refredat
verb
1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
violar
noun
1. een seksuele daad onder dwang
violació
verb
1. in bezit krijgen, verwerven
aconseguir
verb
1. iets gebruiken zonder dat je het goed of volledig benut
balafiar
/vərˈlaxə(n)/
verb
1. op een lager peil brengen
rebaixar
/vər'lɑmə(n)/
verb
1. van het vermogen zich te bewegen beroven
paralitzar
noun
1. toestand waarin men niet is staat is zich te bewegen
paràlisi
noun
1. iets willen hebben
desitjar
verb
  1. 3. onverzorgd achterlaten
    abandonar
  2. 2. in de steek laten
    1. abandonar
    2. rendir-se
    3. renunciar a
  3. 1. weggaan
    1. abandonar
    2. renunciar a
  4. 5. zich laten gaan
    1. abandonar-se
    2. separar-se
  5. 4. overgieten
    1. transfegar
    2. transvasar
noun
1. de voorafgaande tijd
passat
noun
passat
verb
1. tot kwaad brengen
temptar
/vər.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/, /vər.ˈlɛː.dɪŋ/, /vɛr.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het verleiden van iets of iemand
seducció
/vərˈlɛŋə(n)/
verb
1. langer maken
allargar
noun
elektrisch snoer voorzien van stekker en contrastekker
allargador
verb
  1. 2. minder zwaar maken
    alleugerir
  2. 1. van licht voorzien
    il·luminar
noun
1. het teloorgaan, kwijtraken
pèrdua
verb
  1. 1. iets kwijt raken
  2. 2. niet winnen
perdre
noun
1. iemand die in een spel, wedstrijd, onderhandeling of oorlog verliest
perdedor
adjective
1.
atractiu
verb
1. tot kwaad brengen
seduir
noun
1. iets wat heel aantrekkelijk is, maar verkeerd en zondig is
temptació
adjective
promès
/vər.ˈlɔ.sɪŋ/, /vɛr.ˈlɔ.sɪŋ/
noun
1. de bevrijding van de gevolgen van de zonden van de mens door het geloof in Jesus
salvació
verb
1. iemand prettig en leuk bezighouden
divertir
verb
1. een feit noemen in een verhaal of tekst
esmentar
noun
esment
verb
1. het herhaald optellen van een getal; een rekenkundige bewerking waarvan de uitkomst het product wordt genoemd
multiplicar
/vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
multiplicació
/vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
evitar
noun
  1. 1. bepaalde rode kleurstof op basis van kwik(I)sulfide, HgS
    vermell
  2. 2. naar oranje zwemende dieprode kleur
    vermelló
verb
  1. 1. afnemen in aantal, kleiner worden
    decréixer
  2. 2. doen afnemen in aantal, kleiner maken
    disminuir
conjunction
1. omdat of aangezien, geeft onderschikkend een reden aan
perquè
adverb
1. naar men denkt, maar niet zeker weet
presumiblement
verb
1. een gedachte koesteren waarvan men niet zeker is maar die een zekere waarschijnlijkheid inhoudt
sospitar
noun
cansament
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
assassinar
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
vermut
verb
1. iemand zo behandelen dat hij zich minderwaardig voelt
humiliar
adjective
1. van iets dat het je eer aantast
humiliant
verb
1. een einde maken aan, het bestaan uitwissen van, volledig tenietdoen
destruir
noun
1. einde maken aan het bestaan van iets
destrucció
/vərˈniwə(n)/
verb
  1. 2. bij de tijd brengen
  2. 1. opnieuw maken, opknappen
renovar
noun
renovació
verb
1. een bepaalde aanname maken
suposar
noun
suposició
noun
contaminació
/və.rɔn.ˈtʋar.də.χɪŋ/, /və.rɔn.ˈtβ̞ar.də.ɣɪŋ/, /vɛr.ɔnt.ˈwar.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1. boosheid
indignació
verb
1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
  1. condemnar
  2. reprovar
verb
1. de oorzaak zijn van
causar
/vərovərə(n)/
verb
1. een gebied door een militaire operatie in zijn macht nemen
  1. conquerir
  2. conquistar
noun
conquesta
noun
1. het materiaal waarin iets verpakt is
embalatge
noun
  1. 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
  2. 2. een deskundige in de verpleegkunde
infermer
noun
1. vrouw die zorg verleent aan zieken of gewonden
infermera
noun
infermer
adjective
1. door iets of iemand gedwongen
obligatori
verb
1. tot regel maken dat iets moet
obligar
/vər.ˈplɪx.tɪŋ/, /vər.ˈplɪχ.tɪŋ/, /vɛr.ˈplɪx.tɪŋ(g)/
noun
1. iets dat moet
obligació
/vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
traïció
verb
2. een geheim prijsgeven
trair
noun
1. iemand die verraad pleegt
traïdor
adjective
pèrfid
verb
  1. 1. iemand onverwachts met iets confronteren
  2. 2. iemand onverwachts verblijden
sorprendre
/və.ˈra.sɪŋ/, /və.ˈrɑ.sɪŋ/, /vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
sorpresa
/ˈvɛrəˌkɛːkər/, /ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
ullera
adverb
1. met afstand, zonder competitie
de molt
verb
1. rijker maken
enriquir
verb
1. in beweging komen
moure
noun
2. dichtregel
vers
noun
  1. 1. militaire versterking
  2. 2. reling van een schip
murada
verb
1. aan stukken rijten
esquinçar
/vər'sxɛɪnə(n)/
verb
  1. 1. aan het licht treden, zichtbaar worden
  2. 3. voor het gerecht verschijnen
aparèixer
noun
aparició
/vɛrsxɛɪnsəɫ/
noun
1. iets dat zich voordoet
fenomen
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
diferència
verb
1. in bepaalde opzichten niet hetzelfde zijn
diferir
adverb
1. zo erg dat men er van schrikt
terrible
verb
1. door uitdroging rimpelig en klein worden
encongir-se
adjective
1. verplicht om aan iemand te geven
endeutat
/ˈfɛrsi/
noun
  1. 1. specifieke vorm of variant van een uitgave
  2. 2. bepaalde verklaring of interpretatie van een gebeurtenis
versió
noun
1.iemand die verslaafd is aan iets
addicte
verb
1. een definitieve overwinning boeken op een tegenstander
vèncer
/vər.ˈsla.vɪŋ/, /vɛr.ˈsla.vɪŋ(g)/
noun
1. een toestand waarin een persoon fysiek en/of mentaal van een gewoonte of stof afhankelijk is
addicció
verb
1. grote hoeveelheden geheel verorberen
devorar
verb
1. een grotere snelheid (doen) bereiken
accelerar
noun
1. toename van het tempo
acceleració
/vər.ˈstaːn/
verb
1. begrijpen van een uiting
entendre
noun
  1. te controlerende vertalingen
    enteniment
  2. 2. denkkracht, denkvermogen (met betrekking tot het brein)
    raó
adjective
petrificat
verb
1.
petrificar
verb
1. sterker maken
enfortir
noun
1. signaalversterker
amplificador
/vər.ˈstɛr.kɪŋ/, /vɛr.ˈstɛr.kɪŋ(g)/
noun
  1. 3,4. signaalversterking
    amplificació
    1. 2. extra hulp in probleemsituaties
    2. 1. het versterken
    reforç
verb
1. doen stikken
ofegar
/vərˈstɔ.pər.tjə/
noun
fet i amagar
verb
1. ter beschikking stellen
fer a mans
noun
1.
esquinç
noun
1. in de poëzie gebruikte term voor een combinatie van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen
peu
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
  1. traduïr
  2. traduir
noun
traductor
/vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
traducció
/ˈvɛrtə/
noun
1. het gebied dat nog net binnen zichtsafstand is
llunyania
verb
1. een al of niet ware gebeurtenis verhalen
narrar
noun
1. een persoon die vertelt
narrador
noun
1. een verhaal dat bedoeld is om verteld te worden
conte
verb
1. voedsel afbreken
digerir
adverb
vertical
verb
1. langzamer doen worden
alentir
/vər.ˈtra.ɣɪŋ/, /vər.ˈtra.χɪŋ/, /vɛr.ˈtra.ɣɪŋ(g)/
noun
1. het langzamer gaan
retard
noun
2. de actie van het vertrekken of weggaan
sortida
verb
1. weggaan
deixar
/vər.ˈtrɛk.stat/
noun
1. een tabel waarop staat aangegeven wanneer en op welk perron een trein of bus vertrekt
horari
noun
consol
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
confiança
verb
difuminar
noun
1 verslechteren
descomposició
verb
1. een bedrieglijke kopie maken van een waardevol voorwerp
falsificar
/vər'vɑŋə(n)/
verb
1. het ene de plaats doen innemen van het andere
reemplaçar
noun
avorriment
verb
1. met verf bestrijken
pintar
noun
damnació
verb
A.1 omvormen van een werkwoord om wijze, tijd en persoon uit te drukken
conjugar
/vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /vər.ˈvu.χɪŋ/, /vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
conjugació
/vərˈvuːr/
noun
  1. 1. overbrenging van zaken van één plaats naar de andere
  2. 2. middel waarmee overbrenging van zaken plaatsvindt
transport
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
transportar
noun
1. voorwerp bestemd om personen of goederen naar een andere plaats te brengen
vehicle
/vər'vɔlɣən/
verb
  1. 2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
  2. 3. voor het gerecht beschuldigen
perseguir
noun
2. het vervolgen of vervolgd worden
persecució
noun
1. een ongeplande verandering van de oorspronkelijke vorm
deformació
verb
1. vreemd maken, van eigenaar doen wisselen
alienar
noun
2. overdracht van het eigendom
alienació
verb
1. het (doen) uitkomen van een voorspelling of belofte
complir
adjective
1. zich boven anderen verheven voelend
presumptuós
adjective
1. niet de moeite om zich met iets bezig te houden
negligible
verb
1. iets niet de benodigde verzorging schenken
negligir
verb
1. ergens van uitgaan
esperar
/vər.ˈʋɑχ.tɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑx.tɪŋ/, /vɛr.ˈwɑx.tɪŋ(g)/
noun
datgene wat verwacht wordt
expectativa
noun
1. familielid
parent
noun
2. overeenkomst, affiniteit
relació
verb
1. iets warm maken
escalfar
/vər.ˈʋɑr.mɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑr.mɪŋ/, /vɛr.ˈwɑr.mɪŋ(g)/
noun
  1. 2. een installatie die voor het verwarmen zorgt
  2. 1. het proces van verwarmen
calefacció
/vər.ˈʋɑ.rɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑ.rɪŋ/, /vɛr.ˈwɑ.rɪŋ(g)/
noun
1. een verwarde toestand
confusió
verb
afeblir
/vərˈʋɛrkə(n)/
verb
1. een grondstof of halffabrikaat gebruiken om een eindproduct te vervaardigen
pair
verb
  1. 1. afwijzen
    1. rebutjar
    2. condemnar
    3. desaprovar
  2. 2. wraken
    recusar
  3. 3. verstoten
    repudiar
noun
1. het verkrijgen van iets
adquisició
/vərˈwɛɪ̯dərə(n)/, /vərˈʋɛɪ̯dərə(n)/, /vərˈβ̞ɛːdərə(n)/
verb
1. weghalen
treure
/vər'wɛift/
adjective
1.
afemellat
verb
1. op een verwarrende, vervelende wijze bij een zaak betrokken zijn
enredar
verb
1. twee zaken elkaars plaats in doen nemen
confondre
/vər.ˈʋɪ.sə.lɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɪ.sə.lɪŋ/, /vɛr.ˈwɪ.sə.lɪŋ(g)/
noun
1. het verwisselen van twee zaken
confusió
verb
1. ~ van iemand ergens van op de hoogte brengen
informar
verb
1. totaal vernielen
assolar
verb
1. lichamelijk letsel veroorzaken
ferir
noun
1. lichamelijk letsel
ferida
verb
1. minder erg maken
ablanir
verb
1. bijeenbrengen
recollir
/vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
  1. 1. meerdere voorwerpen...
    col·lecció
  2. 2. wiskundige verzameling
    conjunt
verb
  1. 1. verklaren dat iets ...
  2. 2. tegen betaling van een premie ...
assegurar
/vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
  1. 1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
  2. 2. de mededeling dat iets ...
assegurança
noun
1. handelingen gericht tegen de heersende macht of de aanvallende vijand
resistència
noun
creu de la Resistència 1940-1945
verb
4. met een laag zink afdekken
galvanitzar
verb
1. aan iemand vragen iets al dan niet te doen
demanar
verb
1. vrede laten sluiten
reconciliar
verb
1. de zool van een schoen vervangen
ressolar
verb
1. zuur (doen) worden
acidificar
noun
1.zuur worden van het milieu
acidificació
/vɛrzʋɑkə(n)/
verb
1. zwakker maken
afeblir
noun
1. een mouwloos jasje, te dragen onder de jas van het kostuum
armilla
adjective
1. met betrekking tot het evenwichtsorgaan
vestibular
noun
establiment
noun
fortalesa
noun
  1. 1. gladde, zeer vette vloeistoffen, smeermiddelen
  2. 2. gespecialiseerd dierlijk weefsel
greix
adjective
veterinari
verb
1. een dier/persoon overvloedig en calorierijk voedsel aanbieden zodat deze in gewicht aankomt
engreixar
noun
1. veto
vet
noun
teixit adipós
/ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
àcid gras
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
  1. pollí
  2. poltre
noun
1.
vexil·lologia
noun
1. een vezel is een lang, dun filament waarvan de lengte ten minste drie keer groter is dan de doorsnede
fibra
noun
1. communie gegeven aan een stervende als deel van de laatste sacramenten
viàtic
noun
1. marimba met metalen toetsen en vibratosysteem
vibràfon
noun
vicepresident
pronoun
2. spelwoord voor de letter V
Víctor
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Victòria
noun
1. elektronisch spel, met beelden op een monitor of tv
videojoc
/viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
quatre
/ˈviːrdə/
ordinalAdjective
1. nummer vier in een rij
quart
verb
1. een feest vieren
celebrar
cardinalNumeral
1. het getal 34
trenta-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 84
huitanta-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 24
vint-i-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 44
quaranta-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 54
cinquanta-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 64
seixanta-quatre
/ˈvirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 74
setanta-quatre
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
quadrilàter
/ˈviːrˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 400
quatre-cents
adjective
1. met de vorm van een vierkant
quadrat
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
quadrat
noun
1.
metre quadrat
noun
1. dat getal dat met zichzelf vermenigvuldigd een gegeven getal oplevert
arrel quadrada
adjective
1. van een dier of voorwerp dat het vier voeten heeft
quadrúpede
pronoun
llac dels Quatre Cantons
adjective
1. smerig
brut
pronoun
Vietnam
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
vietnamita
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
enemic
adjective
1. van de vijand
enemic
noun
1. een vijandige daad
hostilitat
adjective
1. zich als een vijand gedragend
hostil
noun
1. het vijandig zijn
hostilitat
noun
1. een toestand van op voet van oorlog zijn
enemistat
/vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
cinc
/ˈvɛɪ̯f.də/, /ˈvɛɪ̯v.də/, /ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
  1. cinquè
  2. quint
cardinalNumeral
1. het getal 35
trenta-cinc
ordinalAdjective
1. nummer vijfendertig in een rij
trenta-cinquè
cardinalNumeral
1. het getal 95
noranta-cinc
cardinalNumeral
1. het getal 85
huitanta-cinc
cardinalNumeral
1. het getal 25
vint-i-cinc
cardinalNumeral
1. het getal 45
quaranta-cinc
cardinalNumeral
1. het getal 55
cinquanta-cinc
cardinalNumeral
1. het getal 65
seixanta-cinc
/ˈvɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 75
setanta-cinc
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
pentàgon
/ˈvɛi̯fˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 500
cinc cents
noun
1. atletiekmeerkamp met vijf onderdelen
pentatló
/ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
quinze
ordinalAdjective
quinzè
noun
pentadecàgon
/ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
cinquanta
noun
1.
quinquagenari
ordinalAdjective
qüinquagèsim
noun
1. vrucht van de vijgenboom
figa
noun
fulla de figuera
noun
1. tropische boom
figuera
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
llima
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
bassa
noun
A 1. een vat waarin met een stamper stoffen fijngestampt kunnen worden
morter
verb
1. in- of uitdraaien van een schroef
collar
verb
1. van het vel ontdoen
escorxar
noun
door langdurig bewerken verdichte wol
feltre
noun
1. een pen met een poreuze kern
retolador
/vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
aleta
/'vɪndə(n)/
verb
1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
trobar
noun
1. extremiteiten van de hand
dit
/ˈvɪ.ŋər.ˌɑf.drʏk/, /ˈvɪ.ŋər.ˌɑv.drʏk/
noun
1. een afdruk op een oppervlak van een vinger met meestal de unieke, persoonsgebonden figuur...
empremta dactilar
noun
1. bepaalde grassoort, Eleusine coracana
mill africà
/'vɪŋərˌɦut/
noun
1. hard dopje dat het eerste kootje van de vinger beschermt bij het naaien
didal
noun
didalera
noun
topje van een vinger
punta dels dits
noun
1. het heel snel zaken met de vingers kunnen verrichten
prestidigitació
noun
digitació
noun
pinsà
noun
1.
tritó palmat
noun
1. knie- of beenviool
viola d'arc
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
violeta
noun
1. musicus die een viool bespeelt
violinista
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de violoncellist of cellist tussen de knieën wordt gehouden
violoncel
noun
1. strijkinstrument
  1. violi
  2. violí
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Viola
violeta
noun
1. toetsinstrument
virginal
noun
1.
virologia
noun
1. (beroep) deskundige op het gebied van virussen en virusziekten
viròleg
adjective
1.
virtual
noun
virtuosa
/virəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
virus
noun
  1. 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
  2. 2. het vlees van een vis
peix
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
àguila pescadora
noun
1.
viscosa
noun
1. stroperigheid van een vloeistof of gas
viscositat
noun
ham
/vizi'ɣotis/
adjective
1.
visigot
adjective
visionari
noun
visita
noun
1. vlechtwerk van touw om zeedieren te vangen of in water te bewaren
xarxa
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
Peixos
verb
  1. 1. proberen te vangen
  2. 2. proberen te weten te komen
pescar
noun
1. iemand die beroepsmatig vist
pescador
/vizyʋel/
adjective
1. betreffende het zicht, betreffende het zienbare
visual
noun
visat
noun
vitalitat
noun
1. een stof die het lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft, maar niet of bijna niet door het lichaam zelf aangemaakt kan worden en derhalve in voldoende mate via voedsel of supplement ingenomen moet worden
vitamina
noun
  1. 1. een richttoestel op de loop van een vuurwapen
    mira
  2. 1. minister of hoog staatsdienaar
    visir
adjective
1. betrekking hebbende op Vlaanderen of de Vlamingen
flamenc
pronoun
1. Nederlands zoals dat in Vlaanderen gesproken wordt
flamenc
pronoun
1. Belgische provincie
Brabant Flamenc
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
gaig
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
Flandes
/vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
  1. bandera
  2. senyera
  3. estendard
/ˈvlɑɣəˌsxɪp/
noun
1. schip waarop zich de bevelvoerder over een vloot of eskader bevindt
vaixell insígnia
/vlɑk/
adjective
1. zonder bergen of dalen
anivellat
noun
stuk rubber dat door wrijven potloodschrift van papier kan verwijderen
goma d'esborrar
noun
1. gebied met weinig of geen hoogteverschillen
plana
noun
1. kleinste vorm van vuur
flama
/'vlamɪŋ/
noun
1. een inwoner van Vlaanderen of iemand afkomstig uit Vlaanderen
flamenc
noun
lli
noun
1. een gebonden pluk haar
trena
/ˈvlɛx.tə(n)/, /ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
trenar
noun
1. klein vliegend zoogdier
  1. muricec
  2. ratpenat
  3. ratapinyada
noun
  1. 1. spierweefsel van bepaalde organen
  2. 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
carn
noun
1. dorswerktuig
flagell
verb
1. (onoprechte) complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen
afalagar
noun
1. een vieze plek
taca
noun
  1. 1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
  2. 5. een deel van een leger
ala
/'vløxəlspelər/
noun
1.
aler
/vlix/, /vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
mosca
noun
cendra volant
noun
1. een militair vliegveld
base aèria
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
portaavions
/ˈvli.ɣə(n)/, /ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
volar
noun
1. benaming voor zeevissen uit de familie Exocoetidae
peix volador
noun
1. een apparaat om een vlieg mee dood te slaan
batre de mosca
noun
1. bepaald soort paddenstoel, Amanita muscaria
  1. reig de fageda
  2. reig bord
noun
  1. 1. een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
    catxerulo
  2. 2. een vierhoek waarvan twee paar aanliggende zijden en één paar ...
    milotxa
/ˈvlixtœːx/, /ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
avió
/ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
aeroport
noun
1. sneldraaiend wiel met grote massa
volant d'inèrcia
pronoun
Vlieland
noun
saüc
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
papallona
noun
corbatí
noun
1.
caçapapallones
pronoun
1.
Vlissingen
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
puça
noun
1. verhoging van de waterstand
fluix
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
líquid
/ˈvlujə(n)/
verb
1. zacht stromen
fluir
adjective
2. zonder haperingen een taal kunnen spreken
fluidament
noun
2.
paper assecant
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
  1. fluid
  2. líquid
noun
1. bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
maledicció
/vlur/
noun
sòl
noun
1. een samenhangend hoopje van sneeuw of andere lichte stof
floc
/vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
flota
noun
1. een drijvende constructie
rai
noun
1. het zich door luchtruim bewegen
vol
/'vlɵxtəlɪŋ/
noun
1.
refugiada
/vlɵxtə(n)/
verb
1. (onovergankelijk) trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
fugir
pronoun
1. wereldwijde organisatie waarin alle landen kunnen samenwerken
ONU
noun
vocabulari
noun
1. de vijfde naamval waarin een naamwoord staat dat aanduidt tot wie het woord wordt gericht
vocatiu
adjective
humit
noun
1. de mate van vocht
humitat
verb
1. van voedsel voorzien
  1. alimentar
  2. nodrir
/ˈvu.dɪŋ(g)/, /ˈvu.dɪŋ/
noun
1. voedsel
alimentació
noun
1. toevoeging aan voeding
additius alimentaris
noun
1. voedingsmiddel dat bedoeld is als aanvulling op de normale voeding
suplement dietètic
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
aliment
adjective
1.
nutritiu
/ˈvuxʋoːrt/
noun
conjunció
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
sentir
/vur/
noun
1. voedsel, inzonderlijk voor huisdieren en vee
pinso
verb
  1. 3. dieren te eten geven
  2. 4. een kind eten in de mond stoppen
alimentar
/ˈvuː.rɪŋ(g)/, /ˈvuː.rɪŋ/
noun
1. de binnenbekleding van een voorwerp
folre
pronoun
sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Cotxer
/ˈvuːrtœx/, /ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
vehicle
noun
  1. 1. voortzetting van het been beneden de enkel
  2. 3. oude lengtemaat
peu
/ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
  1. futbol
  2. pilota
noun
1. een persoon die de sport voetbal beoefent
futbolista
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
vianant
/'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
corriol
noun
petjada
noun
petjada
/ˈvoːɣəl/, /ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
  1. ocell
  2. au
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
ornitorinc
noun
morró
noun
1. grote behaarde spin die leeft in de tropische streken
taràntula
noun
1. manshoge pop
espantall
pronoun
1. gebergte
Vosges
pronoun
1.
Voivodina
/vɔl/, /vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
ple
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
volapük
verb
1. geheel uitvoeren
aconseguir
verb
1. een eis vervullen
satisfer
indefinitePronoun
1. toereikend, genoeg
suficient
/vɔl.ˈdu.nɪŋ(g)/, /vɔɫ.ˈdu.nɪŋ/
noun
1. tevredenheid
satisfacció
/'vɔlxə(n)/
verb
1. achterna gaan
seguir
adjective
1. dat later komt
següent
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
segons
adjective
1.
dòcil
/vɔlk/
noun
  1. 1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
  2. 2. de inwoners van een land
poble
pronoun
Societat de Nacions
noun
genocidi
noun
1. brood van meel met zemelen
pa integral
noun
1.
etimologia popular
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
himne nacional
/'vɔlkstɛlɪŋ/
noun
1.
cens
noun
1. verhaal dat (ook) mondeling wordt overgedragen
cuento
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
lluna plena
noun
  1. 1. spel
  2. 2. bal
  1. voleibol
  2. vòlei
noun
1. rechtsbevoegdheid om namens een ander te handelen
poder
verb
1. overvol maken door er nog iets bij te duwen
embotir
noun
volt
noun
  1. 1. ruimtelijke capaciteit
  2. 3. fysieke informatiedrager
volum
adjective
1. een leeftijd bereikt hebbend waarop men volgroeid en onafhankelijk kan zijn
adult
noun
1. iemand die volgroeid is
adult
noun
1. een tot een volledige zin geordende taaluiting van redelijk grote omvang
oració
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
  1. guspira
  2. espurna
noun
1. een beslissing van een rechter in dagvaardingsprocedures
sentència
noun
1. Haïtiaanse religie
vodú
/vor/
noun
1. ploegsnede
rega
/vor/
preposition
  1. 4. eerder in tijd
    abans
  2. 7. ten behoeve van, ten gunste van
    per
/vo:ɾ.ɑl/
adverb
1. voornamelijk
sobretot
noun
1.
avantbraç
noun
2. periode voorafgaand aan een bepaalde gebeurtenis of datum
vespra
noun
1. iets ter navolging
exemple
verb
1. handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
preparar
/ˈvor.bə.rɛɪ̯.dɪŋ(g)/, /ˈvor.bə.rɛː.dɪŋ/, /ˈvo̝r.bə.rɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het voorbereiden
preparació
adjective
1. wat al in het verleden ligt
més enllà
/vorˈbɛɪ̯ɣan/, /vorˈbɛːɣan/, /vo̝rˈbɛɪ̯χan/
verb
  1. 1. langs een bepaald punt gaan.
  2. 2. tot verleden gaan behoren
passar
/ˈvorbodə/
noun
1. vooruitgestuurde bode (letterlijk)
anunciador
noun
1. doorwaadbare plaats
gual
noun
  1. 3. (tennis)
  2. 1. profijt
  3. 2. aangename eigenschap
avantatge
noun
1.
coberta de castell
/'voːrdøːr/
noun
1. de hoofddeur aan de voorzijde van een woning
porta d'entrada
/ˈvoːrˌdrɪ.ŋə(n)/
verb
colar-se
noun
1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
antecessor
noun
premonició
adverb
d'una vegada per totes
noun
picassa
/vɔːr.'ɦɑn.də(n)/
adjective
1. beschikbaar, voorradig
a mà
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
front
noun
1. voorhuid van penis
prepuci
noun
1. de lente
primavera
noun
prenoció
/ˈvoːrkør/
noun
1. de neiging tot kiezen van het één boven het ander
preferència
/'vɔːr.ko.mə(n)/, /vɔːr.'ko.mə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
prevenir
verb
1. hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
llegir
/vorˈlopəx/, /vorˈlopəç/
adjective
1. tijdelijk in afwachting van iets definitiefs
provisional
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
  1. prenom
  2. nom de baptisme
  3. nom de fonts
  4. nom de pila
/ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
pronom
adverb
1. in hogere mate
principalment
verb
1. vooraf voor waar aannemen van een stelling om hiermee tot een conclusie te komen
pressuposar
noun
prejudici
noun
1. iemand van wie afgestammen wordt
avantpassat
/ˈvɔːrˌraːt/
noun
1. wat voor later gebruik wordt opgeslagen
estoc
noun
privilegi
noun
1. glazen vlak aan de voorkant van een voertuig dat zorgt voor zicht op de weg en bescherming tegen weer en wind
parabrisa
noun
1. een vervroegde betaling op het loon
bestreta
/'vɔːrsxrɛɪvə(n)/
verb
1. een schriftelijke opdracht geven
prescriure
noun
  1. 3. liefdesspel als opmaat voor seks
    jocs previs
  2. 1. voorbereidende inleiding
    preludi
adjective
1. van tevoren te verwachten
predicible
verb
1. een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
predir
noun
profecia
noun
prosperitat
noun
1. iemand die voor iets is
partidari
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
proposta
verb
1. een plan voorleggen
proposar
adverb
1. van nu af aan, in het vervolg
a partir d’ara
noun
1. signaal dat aan een gebeurtenis voorafgaat
presagi
noun
1. het voortzetten van iets
seqüela
noun
1. het proces van technologische en economische groei van een samenleving
progrés
noun
1.
avantpassat
adjective
1.zoals bij de voorvaderen
ancestral
verb
1.
preescalfar
noun
1.
líquid preejaculatori
/ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
prefix
noun
1. omstandigheid die noodzakelijk is of gemaakt wordt wil iets anders plaats of...
condició
noun
1. een object, iets dat fysiek bestaat
objecte
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
preposició
/vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
prudent
/vɔːr.'zin/
verb
1. herkennen als toekomstige ontwikkeling
preveure
noun
anvers
noun
1. hoofd van een bestuur, leider van een vergadering
president
/'vɔː.rə/
noun
1. ploegsnede
rega
indefiniteOrdinalNumeral
1. degene die of datgene dat eerder een positie innam
previ
noun
  1. 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
    forquilla
    1. 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
    2. 1. aftakking van een boomtak of van een weg
    1. forquilla
    2. forqueta
noun
1. ruimtelijke begrenzing van een voorwerp
forma
verb
1. in de juiste vorm brengen
formar
noun
1. een sacrament waardoor een gedoopte de kracht van de Heilige Geest ontvangt om zijn geloof standvastig te kunnen belijden
confirmació
/vɔrst/
noun
2. weersomstandigheden
gebre
noun
1.
principat
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
  1. guineu
  2. guilla
  3. rabosa
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Guineueta
verb
doblegar
noun
voyeurisme
/vra:x/, /vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
  1. pregunta
  2. qüestió
noun
1. een leesteken (?) dat men aan het eind van een zin plaatst om deze vragend te maken
interrogant
/vrɑxt/, /vrɑχt/
noun
1. de lading van een vervoermiddel
càrrega
/ˡvrɑxtɑuto/
noun
1. een auto voor goederenvervoer
camió
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
vaixell de càrrega
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
camió
noun
camioner
/ˈvraɣə(n)/, /ˈvraχə(n)/
verb
  1. 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
    demanar
  2. 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
    1. preguntar
    2. demanar
noun
2. iemand die een antwoord op een vraag wil hebben
inquiridor
noun
1. ontbreken van oorlog
pau
adjective
1. van buiten, niet van hier
estrany
noun
1. iemand die afkomstig is uit een ander gebied of land dan dat waar hij verblijft
estranger
noun
1.
xenofòbia
noun
1. het gevoel dat iets gevaarlijk is of kan zijn
por
noun
1. een blij gevoel
alegria
/ˈvrøx.də.ˌvyːr/, /ˈvrøɣ.də.ˌvyːr/, /ˈvrøχ.də.ˌvyːr/
noun
1. een groots door mensen opgebouwd en gecontroleerd vuur om iets te vieren
foguera
/ˈvrezə(n)/
verb
1. bang zijn, angst hebben
témer
noun
1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
amic
adjective
1. met het nodige respect
amistós
noun
2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
amiga
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
amistat
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen in bevroren toestand gebracht, te bewaren
congelador
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
lliure
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
divendres
noun
1. vrije passage
salconduit
adjective
1. een ongehuwde man of vrouw
celibatari
noun
1. een ongehuwde man of vrouw
fadrí
noun
lliure comerç
/ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
llibertat
verb
  1. 1. toestaan om uit gevangenschap weg te gaan
  2. 2. vrijhouden
alliberar
noun
francmaçó
verb
1. door pleiten vrijspraak verwerven voor iemand, door pleiten de onschuld aantonen van iemand, door pleiten verdedigen
exonerar
noun
absolució
adjective
1. niet gedwongen
voluntari
/ˈvrud.vrɑu/
noun
1. een vrouw die een bevalling begeleidt
llevadora
adjective
2. eerder dan verwacht
aviat
/ˈvruxər/, /ˈvruɣər/
adverb
1. (zoals) in het verleden
antany
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
desdejunar
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
desdejunar
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
desdejunar
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
desdejunar
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
desdejunar
noun
1. een aangename stemming waarin men veel lacht, zich goed voelt en het leven optimistisch bekijkt
alegria
noun
1.
pietat
noun
  1. 1. een volwassen vrouwelijke mens
    dona
  2. 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
    1. dona
    2. muller
adjective
femení
noun
1.
feminitat
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
fruit
/'vrɵɣbar/
adjective
  1. 2. tot resultaat leidend
    fructífer
  2. 1. in staat vrucht af te werpen
    fèrtil
/'vrʏxt.bar.ɦɛɪ̯t/, /'vrʏxt.bar.ɦɛːt/, /'vrʏɣ.ba.rɛɪ̯d/
noun
1. het vermogen vrucht te dragen
fertilitat
noun
1.
usdefruit
noun
líquid àmnic
/vœy̯l/
adjective
1. niet schoon
brut
/vœy̯l/
noun
viezigheid, onreine materie
bruticia
/'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
cubell per brossa
noun
1. gebalde hand
puny
/ˈvœʏ̯sbɛːɫ/, /ˈvœːstbɛːɫ/, /ˈvœːzbɛɪ̯l/
noun
1. een kerngereedschap uit het paleolithicum, het Acheuléen en het Moustérien
bifaç
adjective
vulgar
noun
  1. volcà
  2. vulcà
noun
1. de vaak explosieve activiteit waarmee in een vulkaan opgebouwde spanningen zich ontladen
erupció volcànica
adjective
1. betrekking hebbend op de processen die in een vulkaan plaatsvinden
volcànic
verb
vulcanitzar
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
vulcanologia
verb
1. vol maken
omplir
/ˈvʏl.pɛn/, /ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
ploma estilogràfica
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
vulva
adjective
ardent
/vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
foc
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
Terra del Foc
noun
1.
sílex
/ˈvyːrtɛmˌpəɫ/
noun
1. heiligdom waarin een eeuwigbrandend vuur onderhouden wordt.
temple de foc
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
far
noun
1. een wapen dat een kogel schiet met behulp van een chemische ontploffing
arma de foc
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
focs artificials
noun
1. een Zuid-Afrikaans blaasinstrument
vuvuzela
/'ʋajə(n)/
verb
1. plaatsvinden van een sterke luchtstroming
bufar
noun
1. scherm in halve schijfvorm
ventall
adverb
1. oplettend
alerta
noun
1. oplettendheid
vigilància
adjective
1. betrekking hebbend op Wallonië of de Walen
való
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
való
pronoun
1. Belgische provincie
Brabant Való
noun
1. het lijden aan een geestesstoornis
bogeria
/ʋar/
adverb
1. op welke plaats
on
/ʋaːrt/
noun
A 1. baas van een herberg, taveerne of café
hostaler
noun
valor
/ˈʋardəˌlos/
adjective
1. geen waarde hebbend
inútil
/'wardəordel/
noun
1.
judici de valor
/'ʋardəˌvɔl/
adjective
1. een grote waarde hebbend
valuós
noun
1. dat wat waar is
veritat
verb
1. iets via de zintuigen in zich opnemen
percebre
noun
  1. 1. iemand die iets waarneemt
  2. 3. een persoon die aanwezig is bij een gebeurtenis om de gang van zake in de gaten te houden
observador
noun
1. iets via de zintuigen registreren
observació
/ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
per què
adjective
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
versemblantment
adverb
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
probablement
/'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
advertència
noun
1. een schot ter waarschuwing
tir d’advertència
noun
2. mat, witachtig laagje op sommige fruitsoorten
pruïna
/ˈʋɑx.tə(n)/, /ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
esperar
/ˈʋɑxtlɛɪst/
noun
1. een lijst met wachtenden
llista d'espera
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
contrasenya
pronoun
1. een binnenzee die aan de ene kant grenst aan de Waddeneilanden en de Noordzee en aan de andere kant begrensd wordt door het vasteland van Nederland, Duitsland en Denemarken
Mar de Wadden
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
  1. bof
  2. buf
noun
1. plat gebak dat vervaardigd wordt in een wafelijzer
gofra
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
noun
2. een auto
cotxe
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
verb
1. een poging ondernemen
arriscar
adjective
1.
wagnerià
adjective
1. niet in slaap
despert
noun
4. vetophoping onder de onderste oogleden
ullera
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
  1. Gal·les
  2. pais de Gal·les
pronoun
1. Germaanse strijdgodin
valquíria
noun
ualabi
pronoun
1.
wallisià
/ʋɑˈlonɪə/
pronoun
Valònia
/wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
morsa
noun
4. dans
vals
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
  1. balena
  2. cetaci
/ʋɑnt/
noun
paret
noun
1. een misdaad, een slechte of gruwelijke handeling
atrocitat
/ˈʋɑn.də.lə(n)/, /ˈβ̞ɑn.də.lə(n)/
verb
1. een wandeling maken
passejar
/ˈʋɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het lopend afleggen van een bepaalde afstand
passeig
noun
1.
xinxa
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
galta
/ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
desesperació
/ˈʋɑŋkəɫˌmotɔr/
noun
1. een verbrandingsmotor die niet met heen en weer gaande zuigers werkt, maar met een roterende zuiger.
motor Wankel
/ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
quan
verb
1. graan zuiveren van kaf door het in de wind op te werpen of te laten vallen
ventar
noun
1. een ongeregelde toestand met gebrek aan orde
desordre
/ʋɑnt/
noun
2. scheepvaart
obenc
verb
1. niet vertrouwen
desconfiança
/ˈʋaːpən/
noun
  1. 1. een werktuig van geweld
    1. arma
    2. escut
  2. 2. een wapenschild
    1. escut
    2. escut d'armes
noun
1. een internationale sanctie waarbij een partij geen wapens kan aankopen
embargament d'armes
noun
traficant d'armes
noun
escut d'armes
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
armistici
noun
cursa armamentista
noun
1. een grote winkel die een uitgebreid assortiment aan goederen verkoopt
grans magatzems
/ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
  1. càlid
  2. calent
noun
  1. 1. de mate waarin het weer warm is.
  2. 2. de hoeveelheid thermische energie.
calor
noun
1. het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht
cogeneració
noun
1. een verwarmingsinstallatie die via mechanische arbeid warmte onttrekt aan een koude omgeving en deze toevoert aan een warmere omgeving
bomba de calor
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Varsòvia
/ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
cera
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
os rentador
noun
1. Nyctereutes procyonoides, een zoogdier en roofdier uit de familie Canidae
gos viverrí
noun
geribbeld bord waarop men de was kan doen
fusta de rentar
noun
1. een toestel om de kleding die uit de wasmachine komt te drogen
assecadora
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
  1. rentadora
  2. llavadora
/'ʋɑsə(n)/
verb
  1. 1. iets schoonmaken
  2. 2. zichzelf schoonmaken
netejar
noun
1. een plaats waar men kleding en textiel kan (laten) wassen (zonder personeel)
bugaderia
noun
1. een bak waarin men zich of iets wast
lavabo
/ʋɑt/
interrogativePronoun
vragend voornaamwoord
què
noun
1. wetenschap die zich richt op ontwerp en beheer van waterbouwkundige werken
construccions hidràuliques
noun
vapor d’aigua
adjective
1. ondoordringbaar voor water
impermeable
noun
trèvol d'aigua
/ˈʋaːtərən/
verb
3. waterachtig vocht afscheiden
aigües
noun
1. een vaartuig met een aandrijving zoals op fietsen waarmee men zich over het water kan voortbewegen door middel van het trappen op pedalen
patí de pedals
noun
1.1 bepaald soort watervogel, Gallinula chloropus
polla d'aigua
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Rorippa
créixens
noun
cicle hidrològic
noun
1. een leidingnetwerk om drinkwater vanuit een waterreservoir naar de verbruiker te vervoeren
canonada d'aigua
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
  1. Aquari
  2. aquari
/ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
  1. síndria
  2. sindriera
noun
filigrana
noun
comptador d'aigua
noun
2. een molen die door stromend water aangedreven wordt
molí hidráulic
noun
bepaald soort eenjarige waterplant met eetbare knollen, Trapa natans
castanya d'aigua
noun
1. een werktuig dat gebruikt wordt om zeker te stellen dat iets loodrecht op de richting van de zwaartekracht komt te staan
nivell
noun
pebre d'aigua
noun
catximba
noun
planta aquàtica
noun
1. een balsport waarbij twee ploegen van zeven spelers elkaar in het water bestrijden
waterpolo
noun
1. een schoepenrad dat draait door de stroming van het water
roda hidràulica
noun
1. bepaald soort watervogel, Rallus aquaticus
rascló
noun
boscarla d'aigua
noun
1. ski voor het waterskiën
esquí aquàtic
noun
1. in Nederland en Vlaanderen voorkomende soort waterjuffer, Enallagma cyathigerum
patge de copa
noun
1. bepaald soort bruine, bolle vogel met witte borst, Cinclus cinclus
merla d'aigua
noun
gàrgola
/ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
hidrogen
noun
1. een atoom van het chemisch element waterstof.
àtom d'hidrogen
noun
enllaç d'hidrogen
noun
1. middel dat gebruikt kan worden om te bleken, als desinfectiemiddel of als verbrandingshulp (in raketten)
aigua oxigenada
noun
clepsidra
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
cascada
noun
1. een vliegtuig dat kan opstijgen en landen op het water
hidroavió
noun
ocell aquàtica
noun
aprovisionament d’aigua
noun
hidrofòbia
noun
paradella de canyissar
noun
1. een knaagdier
capibara
noun
1. een digitale videocamera die via het internet beelden en geluid verstuurt
webcam
noun
1. plaats waar zich informatie bevindt op het internet, aangeduid met een URL
lloc web
verb
1. geld wagen op een toekomstige gebeurtenis
apostar
noun
aposta
noun
1.
renaixement
noun
1. een werkwoord waarbij de handelende persoon tevens het voorwerp van de handeling is
verb reflexiu
adjective
recíproc
noun
1. periode waarin de oorlogsschade door de Tweede Wereldoorlog werd hersteld
reconstrucció
/wedərˈzɛits/
adjective
mutu
verb
competir
noun
1. een strijd van twee of meer personen om uit te maken wie op een bepaald gebied de beste is
concurs
/ˈʋeːdyʋə/
noun
vrouw
  1. vídua
  2. viuda
/'ʋedyʋnar/
noun
man
vidu
/ʋeː/
noun
1. pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt
contracció
/ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
teler
noun
  1. 1. een dunne geweven stof of textiel
  2. 2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
teixit
noun
plantatge
pronoun
teken van de dierenriem van 23 september to 23 oktober
  1. Balança
  2. balança
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
balança
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
setmana
/'ʋekblɑt/
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
setmanari
noun
mol·lusc
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
cap de setmana
/ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
cap de setmana
/'ʋeldə/
noun
1. omstandigheden van overvloed waar men in leeft
abundància
/weːr/, /ʋɪːr/, /β̞eːr/
noun
  1. 1. atmosferische gesteldheid
    1. temps
    2. oratge
  2. 1. hamel, gesneden ram
    moltó
noun
llengüeta
verb
1. door elastische botsing van richting veranderen
reflectir
noun
meteorologia
verb
1. stand houden, weerstand bieden aan
aguantar
noun
    1. 1. een reactie die poogt een bepaalde actie tegen te werken
    2. 2. de tegenstand die een stroom in een geleider ondervindt
    resistor
  1. 3. een elektronica-onderdeel
    1. resistor
    2. resistència
noun
pronòstic meteorològic
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
home llop
adjective
1. waar je een weerzin tegen hebt
repugnant
/ʋes/
noun
orfe
/ˈʋesjɔŋə(n)/
noun
1. een jongen van wie beide ouders overleden zijn
orfe
/ʋɛχ/, /β̞ɛx/
noun
1. smalle strook grond voor het verkeer
  1. carretera
  2. camí
verb
1. geleidelijk afnemen, verdwijnen
baixar
/ˈʋeχə(n)/, /β̞eɣə(n)/
verb
  1. 1. het gewicht/de massa bepalen
  2. 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
pesar
/ˈwɛ.ɣaːn/, /ˈʋɛ.χan/
verb
  1. 1. zich ergens vandaan begeven
  2. 3. uit een relatie stappen
marxar
verb
1. afstand nemen van iets door het aan iemand te geven
  1. cedir
  2. donar
verb
1. van zijn plaats halen
treure
verb
1. fysiek in steeds minder goede staat komen te verkeren
afeblir-se
verb
1. te midden van andere informatie iets niet insluiten
ometre
verb
1. door geweld van zijn plaats gerukt worden
arrencar
verb
een voertuig, e.d. van de openbare weg, vaar- of vluchtroute verwijderen
remolcar
/ʋɛɪ/
noun
  1. 1. een stuk grasland voor begrazing door vee
    prada
  2. 2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
    xerigot
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
Vístula
noun
prat
verb
1. niet voldoen aan een verzoek of opdracht
refusar
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
  1. rebuig
  2. refús
/'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
prat
pronoun
República de Weimar
/ˈwɛɪ̯nɪx/, /ˈʋɛɪ̯nəχ/, /ˈβ̞ɛːnəx/
noun
  1. 1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
    poc
  2. 2. in een klein aantal
    pocs
/ˈwe.kə(n)/, /ˈʋe.kə(n)/, /ˈβ̞e.kə(n)/
verb
1. door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
amarar
verb
1. wakker maken
despertar
/ˈʋɛkər/
noun
1. een apparaat dat gebruikt wordt om de tijd bij te houden en een functie heeft die veel geluid produceert op een ingestelde tijd
despertador
noun
1. de kunst om iets goed te kunnen verwoorden
eloqüència
adjective
1. financieel goed gesitueerd
acabalat
/ʋɛlk/
relativePronoun
quin
/ˈʋɛɫkɔm/
adjective
1. gewenst zijn te blijven
benvinguda
/ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
  1. benvingut
  2. benvinguda
/ʋɛˈlɪxt/
adverb
1. mogelijk, misschien
potser
adjective
eufònic
noun
1.
luxúria
adjective
1.
ben educat
/wɛlp/
noun
1. jong van hond, wolf, leeuw e.d.
cadell
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
gal·lès
noun
1. een vrouwelijke inwoner van Wales
gal·lesa
/ˌʋɛltə'rʏstə(n)/
interjection
bona nit
verb
prosperar
noun
1. het welwillend zijn
benevolència
/'wɛlzɛin/
noun
1. wanneer een individu of maatschappij zich in een goede toestand bevindt ...
benestar
noun
1. het gemak waarin iets of iemand van richting kan veranderen
agilitat
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
Viena
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
cella
/ʋεns/
noun
desig
noun
pensament desideratiu
adjective
1. wat men zou wensen
desitjable
/'ʋɛnsən/
verb
desitjar
/ˈweː.ʁəlt/, /ˈʋɪː.rɔɫt/, /ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
món
noun
1. geheel van activiteiten die de mensheid onderneemt om schaarste op te heffen
economia mundial
pronoun
Organització Mundial de la Salut
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
Organització Mundial del Comerç
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
guerra mundial
noun
1. een tentoonstelling waaraan landen uit de wereld aan kunnen deelnemen
exposició universal
/wɛr(ə)f/
noun
1. een scheepswerf
drassana
/ʋɛrk/
noun
  1. 2. beroep
    feina
  2. 1. dat wat gedaan moet worden
    1. feina
    2. treball
noun
1. werkbank
obrador
noun
1 een dag waarop gewerkt wordt
dia feiner
/'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
realitat
adjective
1. niets doend, niets verrichtend, niet werkend
inactiu
/ʋɛrkən/
verb
1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
treballar
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
empresari
/ˈʋɛrkrɑxt/
noun
1. een persoon die gewoonlijk tegen betaling werk verricht
mà d'obra
adjective
parada
/wɛrkˈloshɛit/
noun
  1. 1. het werkloos zijn
  2. 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
  1. atur
  2. manca de treball
noun
2. krachtige computer die men voornamelijk gebruikt voor applicaties die veel rekenkracht vereisen
estació de treball
noun
1. een stuk gereedschap om een taak eenvoudiger en/of lichter te maken
eina
/ʋɛrkʋɛɩ̭zə/
noun
1. de manier waarop men te werk gaat
mètode
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
verb
adjective
1.
verbal
verb
1. met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
llançar
noun
3. bij honkbal
llançador
noun
1. bot van de wervelkolom
vèrtebra
noun
columna vertebral
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
vespa
noun
1.
aligot vesper europeu
noun
1. een zeer smalle taille
cintura de vespa
/ʋɛst/
adverb
oest
pronoun
1. grootste van de Australische deelstaten, gelegen in het westen van het land
Austràlia Occidental
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
Bengala Occidental
pronoun
1. het westelijk deel van Europa
Europa Occidental
noun
1. een inwoner van West-Euroa, of iemand afkomstig uit West-Europa
europeu occidental
pronoun
Índies Occidentals
pronoun
1. een verzameling Vlaamse dialecten met typische kenmerken gesproken in West-Vlaanderen en een klein deel van Nederland en Frankrijk
flamenc occidental
pronoun
1. Belgische provincie
Flandes Occidental
pronoun
Sàhara Occidental
/ˈʋɛs.tə(n)/
noun
oest
pronoun
Westfàlia
adverb
oest-nord-oest
/wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
llei
phraseologicalUnit
llei de Murphy
/ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
saber
/'ʋetənsxɑp/
noun
  1. 2. georganiseerde activiteit
  2. 1. het weten van de mens
ciència
/,ʋetən'sxapələk/
adjective
científic
/ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
científic
noun
filosofia de la ciència
noun
1. het geheel aan wetten die in een land gelden
legislació
/ˈʋɛts.foːrˌstɛl/
noun
1. door het parlement uitgaand voorstel tot wet
proposició de llei
/ˈwɛtələk/
adjective
  1. 2. tot de wet behorend
  2. 1. in overeenstemming met de wet
legal
/'ʋɛtəxhɛɪt/
noun
1. het in overeenkomst met de wet zijn
legalitat
/ˈweː.və(n)/, /ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
teixir
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
mostela
/ˈʋeː.zə(n)/
noun
  1. 2. aard
    bessó
  2. 1. individu
    ésser
noun
1. het op één wiel rijden van een motor
cavallet
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
whisky
noun
1. een glad, wit gekleurd metalen bord waarop men met behulp van een viltstift met uitwisbare inkt kan schrijven of tekenen en waarop men met een magneet voorwerpen kan klemmen
pissarra blanca
/wiː/, /ʋiː/, /β̞iː/
relativePronoun
1. vragend voornaamwoord
qui
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
bressol
noun
1. het plotseling zonder duidelijke oorzaak overlijden van een zuigeling
mort sobtada
noun
1. ronddraaiende schijf
roda
noun
1. de sport van het wielrennen
ciclisme
/'wiː.lə.wal/
noun
1. zwart-gele zangvogel
oriol
noun
cep
noun
1. in water voorkomende vaatloze, plantachtige organismen
alga
/ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
encens
noun
1. een metalen of houten voorwerp in de vorm van een driehoekig blok met een scherpe hoek van 5 to 20 graden
tascó
adjective
1. vorm van een wig hebbend
cuneïforme
noun
1. koepelvormig huis gebruikt door de Noord-Amerikaanse indianen
wigwam
/wɛɪ̯/, /ʋɛɪ̯/, /β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
nosaltres
/ˈʋixə(n)/
pronoun
Wijchen
verb
1. geheel voor een bepaald doel bestemmen
dedicar-se
adjective
1. overal aanwezig, vindbaar
estès
/ʋɛi̯k/
noun
1. een bewoond deel van een stad of een gemeente
barri
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
perquè
/wɛɪ̯n/, /ʋɛɪ̯n/, /β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
vi
noun
het verbouwen van druiven voor de productie van wijn
viticultura
noun
1. een druif die wordt gebruikt om wijn van te maken
raïm
noun
1.
collita
noun
1.
celler
adjective
color de vi
noun
herba de les bruixes
/ˈʋɛi̯n.stɔk/
noun
1. klimplant waaraan druiven groeien
cep
/wɛɪ̯s/, /ʋɛɪ̯s/, /β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
savi
adverb
sàviament
noun
Saviesa
noun
1. gerijpt inzicht
saviesa
noun
1. tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
índex
/ˈʋɛi.tɪŋ/
noun
1. bepaald soort straalvinnige vis, Merlangius merlangus
merlà
noun
1. gewijd water
  1. aigua beneïda
  2. aigua beneita
noun
1. steel met slappe borstel waarmee in de liturgie van de Rooms-Katholieke Kerk de priester wijwater over de gelovigen heen sprenkelt
aspersori
/ˈʋɛɪʋatərˌvɑt/
noun
1. een meestal aan de muur van een kerk bevestigd vat met water waarmee gelovigen zich besprenkelen
beneitera
verb
mostrar
noun
1. de plaat van een klok waarop de wijzers de tijd aangeven
esfera de rellotge
verb
1. zodanig aan iets werken dat het anders wordt
modificar
noun
decisió
noun
1. een constructiesysteem voor internetpagina's waar, in het algemeen, iedereen alle pagina's kan wijzigen
wiki
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Viquipèdia
noun
1. een gebruiker op Wikipedia
viquipedista
/ˈwɪkə/
noun
1. (plantkunde) naam voor planten uit het geslacht Vicia
veça
/ˈwikʃoˌnɛri/, /ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
Viccionari
/ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
voluntat
adjective
3. onbeschaafd, bruusk
salvatge
noun
  1. 1. dieren die niet onder menselijke beheersing zijn opgegroeid
  2. 3. vlees van een wild dier
caça
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
senglar
noun
1. (onevenhoevigen) Equus africanus
ase salvatge
noun
3. graan van Zizania palustris, die worden gegeten als rijst
arròs salvatge
noun
1. een bosachtig gebied dat weinig door de mens geregeld is
natura salvatge
noun
1. Salix sp.
salze
/ˈwɪləm/, /ˈʋɪləm/, /ˈβ̞ɪləm/
pronoun
1. een jongensnaam
Guillem
/ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
voler
noun
1. onvermogen om te handelen, ook al weet je wat je moet doen
abúlia
noun
pestanya
/ʋɪnt/
noun
1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
vent
noun
1. windas
cabrestant
/ˈʋɪndə(n)/
verb
1. een draad of kabel draaiend op een as of klos aanbrengen
enrotllar
noun
energia eòlica
adjective
1. weerstoestand waarbij er veel wind aanwezig is
ventós
noun
1. molen die door de wind gedreven wordt
molí de vent
noun
1. een gebied waar windenergie gewonnen wordt met behulp van een aantal molens
parc eòlic
noun
1. een groep bij elkaar geplaatste windturbines
parc eòlic
noun
rosa dels vents
noun
1.
paravent
noun
1. periode met geen of weinig wind
calma
noun
1.
penell
noun
1. ronde open zak, meestal is de zak in het rood en wit, die de richting en de sterkte van de wind aangeeft
mànega de vent
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
botiga
noun
1. gebied of overdekte galerij waar meerdere winkels en horecazaken zijn gevestigd
centre comercial
noun
1. iemand die iets steelt in een winkel
lladre de botigues
noun
1. een werktuig bedoeld om rechte hoeken mee uit te zetten
esquadra ant.
noun
1. een kleine deur in een poort of grote deur
portella
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
guanyador
/ˈwɪnə(n)/, /ˈʋɪnə(n)/, /ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
  1. 1. als beste partij uit een wedstrijd komen
  2. 2. iets verkrijgen voor een goede prestatie bij een wedstrijd
guanyar
/ʋɪnst/
noun
1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde
benefici
/ʋɪntər/
noun
1. seizoen
hivern
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus petrae
roure
noun
1. klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,
cargolet
adjective
1. typerend voor de winter
hivernal
noun
1. een toestand van hypothermie en inactiviteit bij sommige warmbloedige dieren in de winter
hibernació
noun
esports d’hivern
noun
xarxet comú
/ʋɪp/
noun
1. een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rust
palanca
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
bisó europeu
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
  1. matemàtiques
  2. matemàtica
/ʋɪsˈkʏndəx/
adjective
1. op wiskunde betrekking hebbend of er gebruik van makend
matemàtic
noun
matemàtic
noun
1. het op een onvoorspelbare manier steeds weer veranderen
extravagáncia
/ʋɪsəl/
noun
1. speciale constructie in een spoorweg om een voertuig naar een ander spoor te leiden
agulla
noun
canvi
noun
1. wisselstroom
corrent altern
/ʋɪt/
adverb
1. kleur
blanc
/ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
  1. blanc
  2. blanca
/wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
Bielorússia
/ˌwɪtˈrʏsɪs/, /ˌʋɪtˈrʏsis/, /ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
  1. bielorús
  2. belarús
noun
1.
cervesa blanca
noun
1.
albor
noun
1.
blanquejat
noun
1. loof van met dat doel in het donker geteelde varianten van cichorei, Cichorium intybus var. foliosum
escarola
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
dijous Sant
noun
1.
nana blanca
noun
1. Carcharodon carcharias, de bekendste en de meest gevreesde haai
tauró blanc
pronoun
Casa Blanca
noun
1. zangvogel (Motacilla alba)
cuereta blanca
noun
1. gepelde en gepolijste rijst
arròs blanc
noun
1. halfvleugelige uit de familie
aleuròdid
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
vi blanc
pronoun
Mar Blanca
noun
delicte de guant blanc
noun
1. en 2. (bladeren van) sluitkoolgewas dat lichtgroen tot wit van kleur is
col
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
vodka
/ˈʋudə/
noun
1. een gevoel van erge kwaadheid
còlera
/'ʋudənt/
adjective
1. bijzonder boos
furiós
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
  1. bof
  2. buf
noun
1. klein, gravend, muisachtig knaagdier met stompe snuit
talpó
/ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
dimecres
noun
1.mannetjeseend
ànec
noun
1. een onherbergzaam gebied dat door niemand verzorgd wordt
erm
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
desert
/ˈvɔɪ̯vɔtsxɑp/
noun
1. naam voor bepaalde bestuurlijke gebieden in Oost-Europa
voivodat
/ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
llana
/wɔlf/, /ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
llop
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
  1. tungstè
  2. wolframi
noun
belladona
noun
lletera
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
rinoceront llanut
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
núvol
/ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
gratacel
/wɔlˈvɪn/, /ʋɔlˈvɪn/
noun
vrouwelijke wolf
lloba
pronoun
1.
Volínia
noun
uombat
/wɔnd/, /ʋɔnt/, /β̞ɔnt/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
ferida
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
meravella
/ˈwo.nə(n)/, /ˈʋo.nə(n)/, /ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
viure
noun
1. een kamer ingericht om in te wonen en gasten te ontvangen
estança
noun
domicili
/ʋoːrt/, /ˈʋʊːrt/, /ˈβoːrd/, /ˈβoːrt/
noun
  1. 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
    1. mot
    2. paraula
    1. 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
    2. 2. belofte
    3. 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
    1. paraula
    2. mot
/ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
diccionari
noun
vocabulari
noun
1. groep woorden die eenzelfde stam hebben
família de paraules
noun
1. categorie waarin bepaalde woorden naar gelang het grammaticale gebruik in onderverdeeld worden
categoria lèxica
noun
1. persoon
portaveu
noun
1. volgorde van woorden in een zin
ordre de les paraules
/ˈwɔrdə(n)/, /ˈʋɔrdə(n)/, /ˈβ̞ɔrdə(n)/
verb
    1. 1. vormt de lijdende vorm
    2. 2. gaan zijn, zich ontwikkelen tot
    esdevenir
  1. ésser
/ʋɔrm/
noun
1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
cuc
noun
een hypothetische mogelijkheid binnen de ruimte-tijd
forat de cuc
adjective
1. door wormen aangevreten
corcada
/ʋɔrp/
noun
  1. 1. de handeling van het werpen van iets
    tir
  2. 2. het aantal jonge dieren dat een moederdier bij één dracht op de wereld zet
    ventrada
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
salsitxa
verb
lluitar
/ˈʋɔrtəl/
noun
    1. 2. Ondergronds gedeelte van een plant
    2. 3. Getal
    3. 4. Woord
    arrel
  1. 1. Groente peen
    pastanaga
pronoun
1. Finoegrische taal die door de Woten in Ingrië gesproken werd
vòtic
/ʋʌːt/, /ʋʌːut/
noun
1. groot bos
bosc
noun
1. kleinste reigersoort die in Nederland voorkomt
gomet
/ʋʌʊ̯/, /β̞ʌːβ̞/
noun
  1. A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
    milà
  2. B 1. bepaald soort plant, Reseda luteola
    1. galda
    2. gavarró
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
  1. venjança
  2. revenja
noun
ruïna
verb
juridisch
recusar
noun
1. een giftige, reukloze, overblijvende plant, die behoort tot de ranonkelfamilie
el·lèbor verd
noun
1. knobbeltje
berruga
adjective
1. heel onvriendelijk
cruel
noun
1. bovenkant van de voet tussen tenen en enkel
empenya
verb
1.
venjar
verb
1. handeling
fregar
noun
fricció
noun
rancor
/wœyvə/
verb
1. een groet brengen door met de handen te zwaaien
fer senyals
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
becut
verb
1. iets of iemand vermoorden door het dichtknijpen van de keel
escanyar
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar binnen gericht zijn.
genoll valg
/ksɑnˈtinə/
noun
1. een organische stof die in vlees, urine en andere dierlijke stoffen voorkomt
xantina
/ksenofɪˈli/
noun
1. het welgezind zijn jegens vreemdelingen of buitenlanders
xenofília
/ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
xenofòbia
adjective
1. een sterke afkeer van vreemdelingen hebbend
xenòfob
noun
1. iemand die een sterke afkeer van vreemdelingen heeft
xenòfob
/ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
xenó
/ˈɣɪːrəs/
noun
1. sherry, een witte Spaanse wijn uit Jerez de la Frontera
xerès
noun
xeròfit
/ksiˈlem/
noun
1.
xilema
/ksiˈlen/
noun
1. een oplosmiddel voor stoffen als lak en rubber
xilè
/ˌksiliˈtɔl/
noun
1. een zoetstof die bereid is door hydrogenatie van xylose
xilitol
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
xilòfon
/ksiloɣraf/
noun
1. een houtsnijder of houtgraveur
xilògraf
noun
1. een tropisch voedselgewas
nyam
noun
  1. 1. een Angelsaksische lengtemaat (3 voet is 0,9144 m)
  2. 2. een Engelse vlaktemaat (12,14 ha)
iarda
noun
1. de munteenheid van Japan
ien
/ˈjeti/
noun
1. een legendarisch monster met de bijnaam 'de verschrikkelijke sneeuwman' die voor zou komen in de Himalaya
ieti
/ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
ioga
/ˈjɔxərt/, /ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
iogurt
noun
1. een beoefenaar van de yoga
iogui
noun
1. scheikundig element met symbool Yb en atoomnummer 70
iterbi
noun
1.
itri
/zaːt/
noun
  1. 2. zaadcellen uit de mannelijke geslachtsorganen van een mens of een dier
  2. 1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
llavor
noun
1. een klein knopje in het vruchtbeginsel waaruit na bevruchting een zaadje groeit
òvul
/'zadlɛɪdər/
noun
conducte deferent
noun
cotilèdon
/zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
serra
/'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
serradures
verb
1. zaad strooien
sembrar
/zal/
noun
sala
pronoun
2. boek in de Bijbel
  1. Zacaries
  2. Zacarià
adverb
1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
  1. tou tova
  2. suau
/ˈzɑxjəs/, /ˈzɑxtjəs/, /ˈzɑχcjəs/
adverb
1. stilletjes, met een laag geluidniveau
suaument
noun
zitplaats op dier of fiets
sella
noun
1. een dak met twee tegen elkaar geplaatste gelijkhellende dakschilden
teulada de dues vessants
noun
1. een persoon die zadels maakt
cabestrer
/ˈza.ɣə(n)/, /ˈza.χə(n)/
verb
1. in stukken delen door middel van een zaag
serrar
/[ˈzɑː.greb]/
pronoun
1. hoofdstad van Kroatië
Zagreb
noun
  1. 2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
    butxaca
  2. 1. slappe, vormeloze tas
    sac
/ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
mocador
/'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
empresari
noun
setmanada
noun
1. iemand die ongemerkt waardevolle zaken steelt
carterista
noun
1. lamp op zakformaat
llanterna
/ˈzɑkmɛs/
noun
1. een klein invouwbaar mes, vaak met extra gereedschappen
  1. ganivet de butxaca
  2. navalla
noun
smeerbare massa om op de huid aan te brengen
pomada
adjective
  1. 1. gerechtvaardigd tegenover God, doordat men van zonde bevrijd is
  2. 2. bijzonder aangenaam, hemels
benaventurat
/zɑlm/, /zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
salmó
/zɑlvə(n)/
verb
2. het aanbrengen van een welriekende olie, meestal als inhuldiging in een politieke of religieuze hoedanigheid
ungir
/'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
Zàmbia
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
sorra
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
sorrera
noun
1. een ophoping van zand op de bodem van een zee of meer
alfac
noun
1. een van zand gebouwd miniatuurkasteel
castell de sorra
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
rellotge de sorra
noun
  1. gres
  2. pedra sorrenca
noun
  1. 1. (gereedschap)
  2. 2. (beroep)
sorrejadora
noun
1. een vlakke kuststrook die vrijwel geheel uit zand bestaat
platja d'arena
/ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
cantant
noun
1. een vrouwelijk iemand die zingt
cantant
noun
1. Turdus philomelos, een lijstersoort die algemeen is in Nederland en Vlaanderen
  1. tord comú
  2. tord blanc
/zɛpən/
verb
fer zàping
pronoun
1.
Saragossa
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
dissabte
/za.ˈiː.rə/
pronoun
Zaire
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
zebra
noun
1. een patroon van witte strepen aangebracht op het wegdek ter aanduiding van een beschermde voetgangersoversteekplaats
cruïlla
adjective
1. zoals het volgens normen en waarden behoort
moral
/ze/, /zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
mar
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
  1. garota
  2. eriçó de mar
noun
1. smalle doorgang tussen twee zeeën
estret
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Actiniaria
anèmone de mar
noun
1. bepaald soort roofvogel die in kustgebieden leeft, Haliaeetus albicilla
àguila marina
noun
1. baarsachtige zeevis, Dicentrarchus labrax
llobarro
noun
1. aardbeving waarvan het epicentrum op de bodem van de zee ligt
sisme submarí
noun
1. het grondvlak van een zee
llit marí
noun
1. bepaald soort grote zeevis, Lophius piscatorius
rap
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
colador
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
foca
noun
1. plantenetend zoogdier uit de orde Sirenia
sireni
noun
1. benaming voor op de op komkommers lijkende zeedieren uit de klasse Holothuroidea
cogombre de mar
noun
1. in zee levende kreeft
llagosta
/ˈzelɑnt/, /ˈzeːlɑnd/, /ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
Zelanda
noun
1. grote oorrob
lleó marí
/ˈze.le.li/
noun
1. benaming voor de sessiele zeedieren uit de klasse Crinoidea
lliri de mar
noun
1. bepaald soort karperachtiɡe zoetwatervis, Tinca tinca
tenca
noun
mariner
noun
1. mythisch zeewezen
sirena
noun
1. afstandsmaat, in gebruik op zee, 1852m
milla nàutica
noun
1. rob uit het geslacht Mirounga
elefant marí
/ˈzeʔɔtər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Enhydra lutris
llúdria marina
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
sabó
noun
2. inwendige schelp van een zeekat (een tienarmige inktvis)
os de sípia
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
estrella de mar
noun
1. een smalle doorgang tussen twee zeeën en daarmee tevens de scheiding tussen twee landmassa's
estret
noun
1. bepaald soort platvis, Solea solea
llenguado
noun
1. scheepvaart over de zee
navegació
/ˈzeˌvoχɔɫ/, /ˈzeːˌvoːɣəl/
noun
1. een vogel die vooral in de directe omgeving van de zee leeft
ocell marin
noun
2. allerlei eetbare schaal- en schelpdieren
fruit de mar
/ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
aigua de mar
noun
1. in zee levend wier
alga
adjective
marejat
noun
1. misselijkheid als gevolg van de onregelmatige beweging van een schip
  1. mareig
  2. nàusea
noun
mamífer marí
noun
1. zout, uit zeewater gewonnen
sal marina
noun
1.
victòria
/ˈzexəl/
noun
1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
segell
/ˈzeːɣə(n)/, /ˈzeːχə(n)/
noun
1. verlening van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand
benedicció
verb
1. de zegen geven
beneir
verb
1. mededelen
dir
noun
1. persoon die in naam van een organisatie of een persoon het woord voert
portaveu
noun
1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
vela
noun
1. een boot waarmee gezeild kan worden
veler
/ˈzɛɪlə(n)/
noun
1. wedstrijdsport met zeilvaartuigen
navegar
/ˈzɛɪlə(n)/
verb
1. voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
navegar
noun
1. (scheepvaart) een snelzeilend klein vaartuig.
iot de vela
noun
1. iemand die zeilen vervaardigt
veler
noun
1. een schip waarmee gezeild kan worden
veler
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
dalla
/ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
  1. cert
  2. segur
/'zekərɦɛɪt/
noun
certesa
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
fusible
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
rarament
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
rara
/zɛlf/, /zɛɫf/
demonstrativePronoun
  1. 1. in eigen persoon
  2. 2. in tegenstelling met iets anders
mateix
noun
2. de mogelijkheid voor een volk om te bepalen onder welke soevereiniteit het wil vallen
autodeterminació
demonstrativePronoun
mateix
noun
1. Het zich benemen van het leven
suïcidi
noun
1. elk van de meestal versterkt geweven zijkanten van een weefsel in de lengterichting van het doek
voraviu
noun
1. beoordeling van het zelf, meestal gericht op dat wat verbeterd zou moeten worden
autocrítica
adjective
1. zichzelf beoordelend, meestal gericht op dat wat verbeterd zou moeten worden
autocrític
/ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
suïcidi
/'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
autoretrat
adjective
autosuficient
adverb
  1. fins i tot
  2. inclús
adjective
1. op zichzelf staand
independent
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
  1. substantiu
  2. nom
noun
independència
noun
1. verdediging van zichzelf
defensa personal
/ˌzɛlᵊfɛrˈnitəxənt/
adjective
1. zo ontworpen dat er na afloop praktisch niets van overblijft
autodestructiu
noun
1. geloof in eigen vermogen, kunde of kracht
autoconfiança
noun
1. de mate waarin iemand zelfverzekerd is
autoconfiança
noun
1.
autocura
/'zɛndəlɪŋ/
noun
1. persoon die uitgezonden wordt om mensen tot het geloof in het protestantse christendom te bekeren
missioner
/zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
zenit
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
nervi
/ˈze.ny.sɛl/, /ˈze.nyʊ̯.sɛɫ/, /ˈzeː.nyʊ̯.sɛl/
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
neurona
noun
1.
guerra de nervis
noun
1. het gehele zenuwsysteem
sistema nerviós
verb
ensabonar
noun
1. het getal 6
sis
/ˈzɛs.də/, /ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
sisè
cardinalNumeral
1. het getal 36
trenta-sis
cardinalNumeral
1. het getal 86
huitanta-sis
cardinalNumeral
1. het getal 26
vint-i-sis
cardinalNumeral
1. het getal 46
quaranta-sis
cardinalNumeral
1. het getal 56
cinquanta-sis
cardinalNumeral
1. het getal 66
seixanta-sis
/ˈzɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 76
setanta-sis
/zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
hexàgon
cardinalNumeral
1. het getal 16
setze
ordinalAdjective
desè sext
cardinalNumeral
1. het getal 60
seixanta
noun
1.
sexagenari
ordinalAdjective
seixantè
noun
  1. 3. plaats waar een organisatie gevestigd is
  2. 1. constructie bestemd om prettig op te zitten
  3. 2. lidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
seu
noun
midó
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
truja
/zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
Zeus
/ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
set
/ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
  1. setè
  2. sèptim
/ˈzøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 37
trenta-set
/ˈzøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 97
noranta-set
/ˈzøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 87
huitanta-set
/ˈzøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 27
vint-i-set
/ˈzøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 47
quaranta-set
/ˈzøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 57
cinquanta-set
/ˈzøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 67
seixanta-set
/ˈzeːvə(n)ˌɦɔndərt/, /ˈzøvənˌhɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 700
set-cents
/ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
disset
ordinalAdjective
desè sèptim
/ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
setanta
ordinalAdjective
septuagèsim
noun
1. wat gezien kan worden
vista
adjective
visible
adjective
1. lichamelijke toestand
malalt
adjective
1. geneigd om vaak ziek te zijn
malaltís
/ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
hospital
noun
malaltia
noun
malaltia de Crohn
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
malaltia de Parkinson
/zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
ànima
verb
1. op sterven liggen
agonitzar
verb
1. waarnemen met het oog
veure
/ˈzɪftə(n)/
verb
1. de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
cerndre
/siˈɣønər/
noun
Gitano
/sɛɪ̯/, /zɛɪ̯/, /zɛː/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
ella
noun
  1. 1. kant
    costat
  2. 2. vezel van de cocon van de zijdevlinder
    seda
verb
  1. 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
    ser
    1. 5. gelijk zijn aan.
    2. 1. bestaan
    3. 3. zich bevinden.
    4. 6. tot de groep behoren van
    5. 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
    6. 7. de eigenschap hebben.
    1. ser
    2. estar
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
afluent
/'zɛɪspɑn/
noun
1. karretje dat naast een motorfiets bevestigd is voor het vervoer van een passagier
sidecar
noun
  1. plata
  2. argent
noun
1. grote meeuwensoort
gavià argentat de potes roses
noun
1
fuell gris
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Abies
avet
noun
1.1 bepaald soort insect Lepisma saccharina
peixet d'argent
/'zɪlvərvlisrɛist/
noun
rijst waarvan de zemelen en de kiem niet verwijderd zijn
arròs integral
/zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
  1. Zimbabwe
  2. Zimbàbue
noun
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
  1. frase
  2. oració
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
cantar
noun
1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
  1. zinc
  2. zenc
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
enfonsar-se
noun
1.syntactische eenheid binnen een zin
sintagma
/ˈzɪntœx/, /ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
sentit
/zijoˈnɪsmə/
noun
sionisme
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
zirconi
/zɪr'koːn/
noun
1. een mineraal
zircó
noun
1. een plaats waar men kan zitten
seient
/ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
seure
interjection
1. op die manier
aixi
conjunction
  1. 1. in die mate als
  2. 2. bijvoorbeeld
com
adverb
1. in die mate
tant
conjunction
1. geeft aan welke gebeurtenis eerst moe(s)t plaatsvinden
tan bon punt
noun
zuau
verb
1. proberen te vinden
  1. buscar
  2. cercar
noun
1. een instrument waarmee men informatie kan zoeken in een bepaalde collectie...
cercador
verb
1. zo behandelen dat iets niet meer terug te vinden is
extraviar
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
zulú
verb
1. een vrij zacht continu geluid voortbrengen dat op de z-klank lijkt
brunzir
noun
1. het met de lippen aanraken van een persoon of een voorwerp
petó
verb
1. met de mond liefkozen
besar
/ˈzut/
adjective
1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
dolç
noun
1.
aigua dolça
noun
1. een zetmeel houdende knol behorend tot dezelfde orde van planten als de aardappel
  1. moniato
  2. batata
  3. patata de málaga
noun
dolçor
/ˈzuthʌʊt/
noun
1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
regalèssia
noun
2. zoetstof zonder suiker
edulcorant
noun
zoetwater
aigua dolça
/ˈzoːɣ.ə(n)/
verb
1. moedermelk geven
alletar
/ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
golfes
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
zombi
noun
estiu
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus robur
roure pènol
noun
1. Anas querquedula
cetla blanca
noun
1. regeling waarbij de klok gedurende de lente- en zomermaanden een uur vooruit wordt gezet
horari d'estiu
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
sol
noun
1.
pecador
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
diumenge
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
pecat
noun
  1. 1.
  2. 2.
boc expiatori
preposition
1. In afwezigheid van
  1. sense
  2. sens
adjective
pecaminós
/zɔndəɣə(n)/
verb
1. het overtreden van een religieuze wet
pecar
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
diluvi
noun
1. de zichtbare elektromagnetische straling van de ster waarrond onze aarde draait
llum del sol
/'zɔnəʔenɛr'ɣi/
noun
1. energie die gewonnen wordt uit de straling van de zon
energia solar
/ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
  1. gira-sol
  2. mira-sol
noun
1.
oli de gira-sol
noun
1. de pit van een zonnebloem
llavor de gira-sol
noun
1. substantie tegen verbranding van de huid
crema solar
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
ulleres de sol
noun
panell solar tèrmic
/ˈzɔnəpɑˌnel/, /ˈzɔnəpɑˌnɪːɫ/
noun
1. een paneel dat stralingsenergie van de zon omzet in elektriciteit
placa solar
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
resplendor del sol
noun
1.
sistema solar
noun
1. bepaald soort eetbare vis, Zeus faber
gall
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
taca solar
/ˈzɔnəˌwɛndə/, /ˈzɔnəˌʋɛndə/, /ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
solstici
noun
rellotge de sol
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
vent solar
adjective
1. zonovergoten, met zonneschijn
asolellat
/zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
  1. posta de sol
  2. ocàs
noun
1. het opkomen van de zon
sortida de sol
/ˈzɔnsvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈzɔnsvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
eclipsi solar
/ˈzox.diːr/, /ˈzoːɣ.diːr/, /ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
mamífer
noun
  1. 1. onderkant van de voet
  2. 3. onderkant van een schaaf
sola
/zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
fill
noun
  1. 2. verpleging, voorzien in een behoefte
    cura
  2. 1. behoedzame overweging
    preocupació
noun
1. (economie) een stelsel en systematiek voor de regulering van de zorgvoorziening
sistema sanitari
/zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
sal
verb
1. met zout conserveren
salar
/ˈzɑutˌvacə/
noun
2. tafelgereedschap dat het zout bevat en strooit
saler
noun
aigua salada
noun
1. een oplossing
  1. clorur d'hidrogen
  2. salfumant
/ˈzo.zo/
adjective
així, així
noun
zoofília
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologia
/zoʔo'lox/
noun
1. een wetenschapper die zich bezig houdt met de studie van dieren.
zoòleg
noun
1. hoorbare uitademing
sospir
verb
1. hoorbaar diep uitademen, meestal als uiting van frustratie
sospirar
/zœʏ̯t/, /zœːd/, /zœːt/
adverb
sud
/zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /zœː'.dɑ.fri.ka/, /zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
  1. Sud-àfrica
  2. Àfrica del Sud
adjective
1.
sud-africà
noun
Merluccius capensis
lluç de Sud-àfrica
/ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
Amèrica del Sud
pronoun
1. Australische deelstaat in het zuiden
Austràlia Meridional
pronoun
1.
Carolina del Sud
pronoun
1. is een randzee van de Grote Oceaan en ligt ten zuiden van China
mar de la Xina Meridional
pronoun
het zuidelijk deel van Europa
Europa Meridional
/zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
Holanda Meridional
/ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
Corea del Sud
/ˌzœʏ̯t koreˈjans/, /ˌzœːt koreˈjaːns/
adjective
1.
sud-coreà
adjective
1.
austral
/ˈzœy̯.də(n)/
noun
sud
pronoun
1. grootste eiland van Nieuw-Zeeland
Illa del Sud
adverb
sud-est
pronoun
1. Noordpool
pol Sud
adjective
1. op het zuidwesten betrekking hebbend
sud-occidental
/ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
1. (met de mond) naar zich toe trekken
xuclar
noun
pistó
verb
1. zwaar of gulzig drinken
engatar-se
noun
1. voedingsmiddel op basis van melk
lacti
verb
1. van verontreinigingen ontdoen
purificar
/ˈzʏ.lə(n)/
verb
anar
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
paradella
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
germana
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
germana
/zyːr/
adjective
1. een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
àcid
/zyːr/
noun
1. zure vloeistof
àcid
/ˈzyrɣrat/
noun
1. de mate waarin iets zuur is, gewoonlijk gemeten als de negatieve logaritme (-log) van de concentratie waterstofionen
acidesa
noun
1. fijngesneden en licht gezouten kool die enige tijd gefermenteerd is
xucrut
/ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
oxigen
adjective
1. een laag gehalte aan zuurstof bevattend
baix en oxigen
noun
1. snoep in de vorm van een gekleurde staaf met een zoetzure smaak
bastó de caramel
verb
1. begroeten door met de hand heen en weer te bewegen
balancejar-se
noun
sirena
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Cigne
/zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
cigne
adjective
van groot gewicht
pesant
noun
1. een lang, scherp wapen
espasa
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
  1. peix espasa
  2. emperador
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
orca
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
gravetat
/ˈzwɑbər/
noun
pal de fregar
pronoun
Suàbia
pronoun
1. bepaalde Opperduitse streektaal
sueu
/ˈzʋa.ɣər/
noun
cunyat
/zʋɑk/
adjective
dèbil
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
oreneta
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
  1. embarassat
  2. prenyat
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
  1. embaràs
  2. prenyat
noun
2. produkt dat via de urine tekenen van een zwangerschap onthult
prova d'embaràs
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
negre
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
forat negre
noun
1. betaalmiddelen die afkomstig zijn uit belastingontduiking of onwettige handel
diner negre
noun
1. een publicatie van gegevens over een misstand
llibre negre
noun
1. vruchtje van Ribes nigrum
riber negre
noun
  1. 1. systeem, apparaat of voorwerp waarvan bekend is wat het doet maar niet hoe het werkt
  2. 2. crashbestendig apparaat met vluchtgegevens
caixa negra
noun
1. Plegadis falcinellus
capó reial
noun
1./2. plant, zaden en zaaddoos Amomum subulatum
cardamom negre
phraseologicalUnit
mercat negre
noun
1.
mallerenga petita
noun
rinoceront negre
noun
1.
cigonya negra
noun
1.
picot negre
pronoun
1. gebergte in het zuidwesten van Duitsland
Selva Negra
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
mar Negra
noun
1. bepaald soort zee-eend, Melanitta nigra
ànec negre comú
noun
1. Capaea nemoralis
caragol llistat de bosc
noun
1. iemand die van het openbaar vervoer gebruikmaakt zonder te betalen
polissó
/zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
sofre
noun
diòxid de sofre
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
àcid sulfúric
/ˈzweːdə(n)/, /ˈzʋedə(n)/, /ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
Suècia
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
adjective
1. betreffende Zweden of het Zweeds
  1. suec
  2. sueca
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
suec
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
  1. planador
  2. veler
noun
1. een handwapen in de vorm van een lang ineengedraaid stuk leer dat met een zwiepende beweging pijnlijke slagen uit kan delen
  1. fuet
  2. flagell
noun
1.
nafra
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
suor
/zʋɛlɣə(n)/
verb
2. zich onmatig verlustigen in, te buiten gaan aan
delectar-se
/ˈzwɛmbɑd/, /ˈzʋɛmbɑt/, /ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
piscina
noun
ulleres de natació
noun
1. kledingstuk voor mannen dat gebruikt wordt om in te zwemmen
banyador
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
  1. banyador
  2. vestit de bany
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
  1. nedar
  2. natació
/'zʋɛmvlis/
noun
2. schoeisel
aleta
/zʋɛrm/
noun
1. een grote groep gezamenlijk op- en rondtrekkende personen, dieren of zaken, gewoonlijk vogels of insecten
eixam
/'zʋetə(n)/
verb
1. transpireren
suar
verb
velejar
noun
1. klierachtig, hormoonvormend orgaan
tim
adjective
1. weinig sprekend
taciturn
noun
taciturnitat
noun
1. een varken
  1. porc
  2. truja
/ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
cort de porcs
/'zʋɪŋəl/
noun
1. houten werktuig om vlas- en hennepvezels van de scheven te bevrijden
espadadora
/ˈzwɪtsər/, /ˈzʋɪtsər/, /ˈzβ̞ɪtsər/
noun
1. een inwoner van Zwitserland, of iemand afkomstig uit Zwitserland
suís
/ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
Suïssa
adjective
1. vochtig warm, drukkend, benauwd
xafogós
pronoun
Zwolle
pronoun
Zuric
/ˈɔŋstrøm/
noun
1. lengtemaat met een waarde van 10-10 m
àngstrom
/eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
  1. un
  2. u
  3. una