adverb
1. gedurende de avond
abends
adverb
1. gedurende de middag
mittags
/
'smɔr.ɣəns/
adverb
1. in de ochtenduren van de dag
morgens
/
ˈsnɑxs/
adverb
1. gedurende de nacht.
in der Nacht
des Nachts
adverb
1. in de ochtend
morgens
vormittags
/
ˌsxraːvə(n)ˈɦaːɣə/, /
ˌsχravə(n)ˈɦaχə/
pronoun
1. een stad en gemeente in de Nederlandse provincie [[Zuid-Holland]]
Den Haag
/
ˌsɛrtoɣə(m)ˈbɔs/, /
ˌsɛrtoχə(m)ˈbɔs/
pronoun
1. stad en gemeente in Noord-Brabant
Herzogenbusch
's-Hertogenbosch
noun
(informatica) een apparaat dat driedimensionale objecten kan maken door laagje voor laagje materiaal aan te brengen
3D-Drucker
symbol
2. afkorting voor de toonsoort
A
noun
- 4. de naam van een toon
- 5. afkorting van “a-mineur”
a
/
aka'pɛla/
adverb
1. zonder instrumentale begeleiding
a cappella
adverb
1. des te eerder, des te meer
a fortiori
erst recht, umso mehr
abbreviation
- 1. (muziek) het akkoord a - cis - e
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
A-Dur
abbreviation
- 1. het akkoord a-c-e
- 2. de toonsoort
a-Moll
/
aˈɣrot/
abbreviation
- 1. (muziek) het akkoord a - cis - e
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
A-Dur
abbreviation
1. het akkoord a-cis-e
A-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “a” als grondtoon
A-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “a” als grondtoon
A-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “a” als grondtoon
A-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “a” als grondtoon
A-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. het akkoord a-c-e
- 2. de toonsoort
a-Moll
abbreviation
1. het akkoord a-c-e
a-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “a” als grondtoon
a-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met a als grondtoon
a-Moll-Tonleiter
noun
1. een mineurtoonladder met “a” als grondtoon
a-Moll-Tonleiter
/
aˈɣrot/
abbreviation
- 1. (muziek) het akkoord a - cis - e
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
A-Dur
abbreviation
1. het akkoord a-cis-e
A-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “a” als grondtoon
A-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "a" als grondtoon
A-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “a” als grondtoon
A-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “a” als grondtoon
A-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. het akkoord a-c-e
- 2. de toonsoort
a-Moll
abbreviation
1. het akkoord a-c-e
a-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “a” als grondtoon
a-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met a als grondtoon
a-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “a” als grondtoon
a-Moll-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met a als grondtoon
A-Dur-Tonleiter
pronoun
1. een stad in Denemarken
Apenrade
noun
1. streling, liefkozing
Liebkosung
Streicheln
noun
1. de mate waarin een mens of dier zich laat aaien of blij laat maken
Kuschelfaktor
verb
1. zachtjes strelen
streicheln
kosen
liebkosen
noun
- 1. (plantkunde) bepaalde soort esdoorn
Ahorn
- 1. lang vaartuig met een platte bodem en een brede boeg
Kahn
Lastkahn
Schleppkahn
Kasten
noun
- 3. paling
- 4. kleine en jonge paling
Aal
- 1. mestvocht
Gülle
Jauche
noun
1. bepaald soort struik met eetbare rode bessen Ribes rubrum
Johannisbeere
rote Johannisbeere
noun
1. een struikachtige plant waarvan de aalbes de vrucht is
Johannisbeerstrauch
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Aalen
phraseologicalUnit
1. aalmoezen geven verarmt niet
Almosen geben armet nicht
noun
1. geestelijke voor militairen, gevangenen en leden van jeugdbewegingen
Feldgeistlicher
Militärgeistlicher
noun
1.bepaald soort plant, Artemisia absinthium
wermutkraut
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalacrocorax
Kormoran
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
Hämorrhoiden
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
Hämorrhoiden
adjective
1. kortademig
asthmatisch
engbrüstig
kurzatmig
adjective
1. (predicatief) actief, in bedrijf
an
preposition
1. verbonden met, tegen, tegenaan
an
phraseologicalUnit
1. aan de wind
am Wind
noun
1. een aanvulling met aarde
Anhäufelung
Anschüttung
verb
1. door het bakken aankoeken, vasthechten
anbrennen
ansetzen
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
Amboss
verb
1. ergens terechtkomen
hingeraten
verb
1. bij iemand (aan de deur) bellen
klingeln
noun
1. een kans om uitgekozen te worden voor een werk of levering
Ausschreibung
noun
1. een eerste betaling bij het kopen van iets op afbetaling of in termijnen
Anzahlung
verb
- 2. aanprijzen
anpreisen
- 3. toevertrouwen
anvertrauen
- 1. over iets of iemand bij iemand (positief) vertellen en adviseren om datgene/diegene te gebruiken/in te schakelen
empfehlen
adjective
1. een aanbeveling verdienend
empfehlenswert
noun
1. een brief waarin men iets of iemand aanbeveelt
Empfehlungsbrief
adjective
1. waard om aanbeden te worden
reizend
verb
1. vereren van een god of heilige door daar een gebed aan te richten
anbeten
noun
- 1. vereerder van een goddelijk wezen
Anbeter
- 2. verliefd persoon, die een ander het hof maakt
Verehrer
noun
1. een verering, een eerbiedvolle bewondering
Anbetung
verb
- 1. aanreiken, bieden, offreren, presenteren
- 2. iets tegen bepaalde voorwaarden of prijs verhandelbaar stellen
anbieten
- 4. zich ~ (van personen): zich aanmelden
anmelden
- 3. zich ~ (van zaken): zich vertonen, zich voordoen
erscheinen
hervorkommen
zeigen
noun
1. iemand die beroepshalve een advies, dienst of een product ter beschikking stelt
Anbieter
noun
1. iets voordelig te koop aanbieden
Angebot
Vorschlag
Anerbieten
verb
- 1. ergens naar blaffen
- 2. iemand toesnauwen
anbellen
verb
1. in dezelfde functie blijven
im Amt verbleiben
noun
1. een aanbieding
Angebot
/
ˈambɔːrə(n)/
verb
1.
anbohren
/
ˈambʌʊə(n)/
verb
1. ergens iets tegenaan bouwen
anbauen
/
ˈambʌʊsəɫ/
noun
1. het aangebouwde
Anbau
/
ˈambradə(n)/
verb
1. even laten braden
anbraten
verb
2. beginnen van tijd
anbrechen
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
Aufmerksamkeit
adverb
1. met belangstelling, met aandacht, met interesse
aufmerksam
andächtig
noun
1. een gebied waaraan men bijzonder veel aandacht moet besteden
Interessengebiet
noun
1. een onderwerp dat bijzondere aandacht verdient of krijgt
Schwerpunkt
noun
1. een onderwerp waaraan men bijzondere aandacht moet besteden
Interessengebiet
noun
1. deel van een stad waar veel mensen met sociale, psychische en financiële problemen wonen
Armutsviertel
sozialer Brennpunkt
noun
1. eigenaar van aandelen, actionaris
Aktionär
Aktieninhaber
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
Aktionär
Aktieninhaber
noun
1. waarde van de aandelen bepaald door de vraag en het aanbod van de aandelen op de beurs
Börsenkurs
noun
1. de handel in aandelen in het algemeen
Aktienmarkt
noun
1. het totaal van aandelen die iemand beheert
Aktienblock
Aktienpaket
noun
- 2. een object ter herinnering ergens aan
- 1. een herinnering
Andenken
adjective
rührend
ergreifend
verb
- 1. vaster draaien
anziehen
- 2. iets in werking stellen
einschalten
andrehen
anknipsen
verb
- 2. ter sprake brengen
ansprechen
antragen
vorschlagen
- 1. ergens naartoe dragen
auftragen
hertragen
hintragen
verb
2. doen bewegen
antreiben
treiben
verb
- 1. doorgaan met verzoeken
beharren
drängen
- 2. iets proberen te verkrijgen
drängen
verb
1. vaster drukken
andrücken
verb
1. aanwijzen
zeigen
andeuten
bezeichnen
/
'ʔan.dɵr.və(n)/
verb
1. Moed hebben
wagen
den Mut haben
verb
1. vaster duwen
andrücken
noun
1. iets dat belachelijk of schandelijk is
Verhöhnung
Hohn
Verspotting
verb
1. betreffen
betreffen
angehen
adjective
1. bij de geboorte verkregen eigenschappen
angeboren
adjective
1. aangetrouwd; getrouwd met
angeheiratet
adjective
1. een positief gevoel oproepend
angenehm
conjunction
1. verondersteld dat
angenommen, dass
falls
sofern
adjective
2. een beetje dronken
angetrunken
beschwippst
adjective
1. met recht op schadeloosstelling bij het verloren gaan
eingeschrieben
noun
1. hevige pijnen in het aangezicht
Gesichtsschmerz
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
da
weil
noun
- 1.1. het melden van een delict bij de politie; aangifte doen
Anzeige
Anzeige erstatten
- 2. formulier of schriftelijke verklaring waarmee werd aangegeven
Anzeigeformular
Einkommensteuererklärung
Zollerklärung
- 1.2. het melden van inkomen bij de belastingen; aangifte doen
Steuererklärung
bei der Steuer angeben
- 1.3. het melden van goederen bij de douane; aangifte doen
Zollerklärung
eine Zollerklärung abgeven
indgive en toldangivelse
/
ˈanɣɔrdə(n)/
verb
1. om het middel binden
gürten
adjective
1. rechtstreeks grenzend aan iets anders
angrenzend
verb
1. vals aankijken
angrinsen
adjective
1. aandoenlijk, ontroerend
ergreifend
packend
rührend
noun
1. toename
Zuwachs
Zunahme
verb
- 1. zich vermeerderen
vermehren
- 2. toenemen
- aangroeien met
zunehmen
verb
1. met een haak vastmaken
anhängen
verb
- 4. hechter maken
verstärken
- 2. eigen of andermans woorden ontlenen
zitieren
noun
1. een letterlijke passage die door iemand anders aangehaald wordt uit een bron
Zitat
noun
1. leesteken om geciteerde woorden van die van de auteur te onderscheiden
Anführungszeichen
noun
2. rijdend object dat achter de auto gehangen kan worden voor het vervoeren van goederen.
Anhänger
noun
1. de mate waarin een mens of dier trouw en toegenegen is
Anhänglichkeit
noun
4. aanspreking aan het begin van een brief
Anrede
verb
1.horen naar iemand
zuhören
anhören
verb
- 5. voortduren
andauern
- 1. staande houden
anhalten
- 3. in beslag nemen
beschlagnahmen
- 2. arresteren
festnehmen
verb
- 2. tot onderwerp van discussie maken
anreißen
anspielen
ansprechen
- 1. door een bepaalde kaart uit te spelen een medespeler een aanwijzing geven
anspielen
noun
1. bij de rechtbank ingediende beschuldiging of klacht
Anklage
noun
1. iemand die een proces aanspant
Ankläger
verb
- 2. aanspreken
ansprechen
- 1. enteren
entern
verb
- 2. iemand kleren aandoen
ankleiden
- 3. zijn kledij aantrekken
ankleiden
anziehen
- 1. meubileren, van toebehoor of uitbreiding voorzien
dekorieren
verzieren
verb
1. kloppen om binnen te komen
anklopfen
noun
2. feit of gegeven op basis waarvan wordt voortgebouwd, verder geredeneerd enz.
Anknüpfungspunkt
verb
- 1. een bestemming bereiken
ankommen
- 4. zwaarder worden
zunehmen
noun
1. de bestemming bereiken, het aankomen
Ankunft
verb
- 1. bekendmaken
ankündigen
- 2. voorspellen
ankündigen
verheißen
noun
1. datgene wat men aankoopt
Kauf
/
ˈankopsɔm/
noun
1. het geldbedrag waarvoor iets is aangekocht
Ankaufsumme
verb
1. door kopen verwerven
kaufen
erwerben
ankaufen
verb
- 1. iemand de baas kunnen zijn
ankönnen
bewältigen
gewachsen sein
- een kledingstuk met fatsoen kunnen dragen
tragen können
verb
1. aan land gaan
anlegen
noun
1. datgene wat iets tot gevolg heeft
Anlass
verb
1. tot zich lokken, aantrekken, bekoren, op aangename wijze boeien
anlocken
reizen
noun
- 3. een loop of tred voorafgaand aan een sprong, duik, enzovoort
- 2. het op toeren komen van een aandrijfmotor, machine etc.
Anlauf
- 1. het op gang komen
Anlaufen
- 4. een inleiding
Vorbemerkung
- 5. bezoek
Zulauf
verb
- 7. varend bezoeken
anfahren
anlaufen
besuchen
- 5. een bepaalde kleur krijgen van opwinding of koude
anlaufen
verb
- 1. een bepaalde substantie produceren
anfertigen
- 3. doen branden
anmachen
anzünden
- 2. een nieuw exemplaar van iets maken, voornamelijk op een computer
machen
noun
2. Waarschuwing dat men nog niet betaald heeft
Aufforderung
verb
- 1. zich opgeven
anmelden
- 2. zich bekend maken met gebruikersnaam en wachtwoord
einloggen
anmelden
noun
- aanmerking maken op
beanstanden
- in aanmerking nemen
berücksichtigen
adjective
1. goed uitziend, van een zekere schoonheid
anmutig
verb
1. moed inspreken
ermuntern
ermutigen
noun
1. het inspreken van moed
Ermutigung
noun
1. prijs ter aanmoediging
Förderpreis
verb
1. door naaien vastmaken
annähen
noun
1. de functie die bij een gegeven steekproefuitkomst als functie van een parameter de kansfunctie of kansdichtheid van die uitkomst aangeeft
Likelihood-Funktion
/
ˈaːneːmər/
noun
1. iemand die een (bouw)werk uitvoert tegen een bepaalde prijs
Bauunternehmer
noun
1. manier van aanpakken
Vorgehensweise
/
ˈaːmpɑsə(n)/
verb
- 1. aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken
anpassen
- 2. aantrekken om te passen
anprobieren
noun
- 2. het zich aanpassen
- 1. een verandering in een richting
Anpassung
noun
aanpassingsvermogen
Anpassungsfähigkeit
verb
1. door beplanting aanbrengen
anbauen
anpflanzen
/
ˈanrakˌsxɛrm/, /
ˈanrakˌsχɛrm/
noun
1. een beeldscherm dat ook als invoerapparaat voor een computer kan worden gebruikt door het scherm aan te raken.
Touchscreen
Sensorbildschirm
Tastschirm
verb
1. raad geven om iets te doen
empfehlen
verb
1. fysiek contact maken met iets
berühren
anfassen
noun
1. het aanraken
Berührung
Kontakt
verb
3. aantasten
angreifen
noun
- 1. aanvaller
Angreifer
- 2. een persoon, in de regel van het mannelijke geslacht die iemand anders aanvalt om seksuele redenen
Angreifer
Vergewaltiger
noun
- 1. aantasting (van een verdrag, wet, de vrijheid, waardigheid)
Angriff
- 2. aanval
Angriff
Übergriff
- 3. een fysieke aanval op iemand met als doel seksuele handelingen af te dwingen
sexuelle Nötigung
sexueller Übergriff
noun
1. vaste tafel met kastjes langs keukenwand
Anrichte
verb
1. veroorzaken, met name van schade
anrichten
verb
2. tegen iets rijden, een botsing veroorzaken
anfahren
noun
1. botsing met een voertuig
Zusammenstoß
verb
1. aan een draad rijgen
anreihen
verb
1. scherper maken
schärfen
noun
4. terroristische aanval
Attentat
noun
1. belastingsbrief
Steuerbescheid
verb
- 1. met moeite of in grote hoeveelheden aandragen
anschleppen
heranschleppen
herbeischleppen
- 2. lang duren
hinziehen
verb
- 2. agressief verkopen
aufschwatzen
- 1. besmeren
mörteln
verb
1. het eerste stuk er afsnijden
anschneiden
verb
1. met het water meedrijven en vervolgens aan land komen te liggen
anspülen
antreiben
verb
1. opwekken
anregen
anspornen
noun
- 1. het recht om het bezit of genot van iets te vorderen
Anspruch
- 3. aanspraak maken
beanspruchen
in Anspruch nehmen
adjective
1. verantwoordelijk, om vergoeding of betaling aangesproken kunnen worden
verantwortlich
noun
Verantwortlichkeit
Haftpflicht
Haftung
noun
1. overeenkomst waarbij je premie betaalt aan een verzekeraar zodat die zal betalen voor schade die je per ongeluk veroorzaakt of waarvoor je verantwoordelijk wordt gehouden
Haftpflichtversicherung
adjective
1. toegankelijk, geneigd tot conversatie
ansprechbar
zugänglich
noun
1. titel waarmee men iemand aanspreekt
Anrede
noun
1. woord(en) waarmee men iemand aanspreekt
Anrede
noun
Ansager
Ansprecher
Begräbnisbitter
Leichenbesorger
Leichenlader
Leichensager
verb
1. iets dicht op elkaar drukken door erop te stampen
feststampfen
festtreten
verb
1. langdurig aankijken
anstarren
verb
- 4. besmetten met een begin van rotting
anstecken
- 1. doen ontbranden
anzünden
noun
1. apparaatje om vuur te maken
Feuerzeug
noun
1. iemand die zich aanstelt
Ansteller
verb
1. een ergernis
Anstoß
noun
1. stoten tegen
anstoßen
noun
1. een telbare hoeveelheid
Anzahl
Zahl
verb
1. (langzaam) beschadigen, aangrijpen
angreifen
verb
1. opschrijven om te onthouden
einschreiben
noun
Notiz
Anmerkung
Vermerk
verb
- 1. aanwrijven, beschuldigen van iets
anzeigen
- 1. aantrekken
anziehen
verb
- 1. bewijzen
beweisen
nachweisen
- 1. wijzen
zeigen
noun
1. de werkwoordsmodus die de gewone werkelijkheid aangeeft
Indikativ
Wirklichkeitsform
adjective
1. mogelijk om aan te tonen
nachweislich
verb
- 1. met een trapbeweging starten
antreten
- 2. aanstampen
stampfen
verb
1. ontmoeten, vinden
antreffen
treffen
adjective
1. bekoorlijk
attraktiv
anziehend
reizvoll
verb
- 2. aanlokken
anlocken
- 4. een opwaartse trend, een stijgende lijn vertonen
ansteigen
anziehen
- 1. dankzij een kracht objecten naar zich toe doen bewegen
anziehen
- 3. kleding aandoen
anziehen
ankleiden
- 5. zijn gedrag wijzigen naar aanleiding van een uitwendige invloed
richten
adjective
1. te aanvaarden
akzeptabel
annehmbar
hinnehmbar
verb
2. accepteren, in bezit ontvangen
akzeptieren
annehmen
hinnehmen
noun
- 1. iemand die aanvalt
Angreifer
- 2. een persoon in de voorste linie
Stürmer
Angreifer
adjective
1. bekoorlijk
lieblich
verb
1. beginnen, starten
anfangen
beginnen
noun
1. werkwoordswijs van mogelijkheid
Konjunktiv
/
ˈanvulə(n)/
verb
1. gevoel hebben voor, bij intuïtie begrijpen
erfühlen
noun
- 1. het aanbrengen
- 2. het aangebrachte
Nachschub
Zufuhr
noun
1. een bevelhebber, een leider
Anführer
Leiter
Intendant
Kapitän
Vorsteher
verb
- 1. bevel voeren over
anführen
- 3. bijbrengen als bewijs
anführen
beibringen
- 2. aanbrengen, naartoe transporteren
zuführen
noun
1. vrouwelijke aanvoerder
Anführerin
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
Antrag
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
Antrag
verb
1. verzoeken, min of meer officieel
beantragen
/
ˈanvʏlə(n)/
verb
1. het ontbrekende bijvoegen
vervollständigen
ergänzen
auffüllen
adjective
1. die of dat aanvult
zusätzlich
komplementär
verb
2. sterker worden
zunehmen
/
'a:nwɑsən/
verb
1. toenemen, aangroeien
anschwellen
noun
- 1. het aanwijzen
Benennung
Hinweis
- 2. vingerwijzing
Hinweis
noun
- 1. iets nieuws dat erbij komt
Erwerb
- 2. wat aangewonnen wordt of is
Gewinn
verb
1. ten laste leggen
anhängen
noun
1. hoe men door anderen gezien wordt
Ansehen
/
ˈanzuk/
noun
- 1. verzoek
Gesuch
- 2. huwelijksaanzoek
Heiratsantrag
verb
1. toenemen in omvang, luidheid of intensiteit
anschwellen
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
Affe
Äffin
noun
- 1. bloeiwijze van granen
- 2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
Ähre
/
aːrt/
noun
1. wezen, natuur, karakter
Art
Beschaffenheit
noun
1. bepaald soort plant, Lathyrus tuberosus
Knollen-Platterbse
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
Kartoffel
Erdapfel
/
ˈar.dɑ.pɔɫ.ke.vər/, /
ˈar.dɑ.pəɫ.ke.vər/, /
ˈaːrd.ɑ.pəl.ke.vər/
noun
1. bepaald soort tor, Leptinotarsa decemlineata
Kartoffelkäfer
/
ˈardɑpəɫˌmɛʃə/
noun
1. een mesje voor het schillen van aardappelen
Kartoffelschäler
/
ˈardɑˌpəɫpyˈre/
noun
1. een puree van zeer fijn gemaakte, met melk aangemengde aardappels
Kartoffelpüree
noun
1. een salade die gemaakt wordt uit aardappelen
Kartoffelsalat
noun
1. een baan die de aarde rond de zon volgt
Erdbahn
/
\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
Erdbeere
noun
1. bepaald soort plant, Arbutus unedo
westlicher erdbeerbaum
Erdbeerbaum
noun
1. jam van aardbeien
Erdbeermarmelade
noun
1. bepaald soort plant, Trifolium fragiferum
erdbeer-klee
adjective
Erdbeerrot
erdbeerrot
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
Erdbeben
noun
1. bewoner van de planeet aarde
Erdbewohner
Erdenbürger
/
ʔardbɔl/
noun
Erdkugel
Globus
/
ˈardə/
noun
- de dampkring van de aarde
Erdatmosphäre
- 1. planeet
- 2. grond
Erde
adjective
1. van aarde gemaakt
aus Erde
irden
verb
- 4. met de aarde verbinden
erden
- 5. ~ naar
jmdm. ähneln
ähnlich sein
- 1. zich thuis voelen, wennen, gewoon worden
sich eingewöhnen
sich einleben
noun
1. zandweg. Weg met onverhard wegdek
Sandweg
/
artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
Erdgas
noun
1. het ontginnen van aardgas
Erdgasförderung
/
ˈart.ɦɔ.mɔɫ/, /
ˈart.ɦɔ.məɫ/, /
ˈaːrd.hɔ.məl/
noun
1. benaming voor insecten uit vier nauw verwante soorten hommels, Bombus (Bombus), die hun nest onder de grond hebben
Hummel
/
ˈar.dəx/, /
ˈar.dəχ/, /
ˈaːr.dɪx/
adjective
1. aangenaam in omgang
freundlich
nett
gütig
gefällig
liebvoll
noun
1. het prettige, het bevallige
Freude
noun
1. de aarde, de blauwe planeet
Erdkugel
/
ˈart.kɔrst/
noun
1. het buitenste gedeelte van de planeet Aarde
Erdkruste
noun
1. een wetenschapper die de aarde, haar geschiedenis en de processen...
Geologe
noun
1. bepaling van de afmetingen van de aardbol
Geodäsie
noun
1. Microtus agrestus, een zoogdier uit de orde van knaagdieren
Erdmaus
/
ˈaːrtoliproˌdʏkt/
noun
1. verhandelbaar resultaat van het bewerken van aardolie
Erdölprodukt
/
ˈartpɪːr/
noun
bepaald soort zonnebloem, Helianthus tuberosus
Topinambur
Erdapfel
/
ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
Erdkunde
geografie
adjective
1. met betrekking tot de aardrijkskunde
geographisch
adjective
1. betrekking hebbende op de aarde, tot de aarde behorend
irdisch
noun
1. een plotselinge aardbeving
Erdstoss
noun
1. een continentale plaat
Kontinentalplatte
/
ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
Erdferkel
noun
1. bepaald soort altijd groene heester die zich met wortelvezels aan de omringende omgeving vasthecht, Glechoma hederacea
Gundelrebe
Gundermann
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
Erdrutsch
noun
1. Proteles cristatus, een lid van de familie der hyenas
Erdwolf
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Aargau
pronoun
1. een Waalse provinciehoofdstad
Arel
noun
1. en 2. (blaadjes van) de plant Mentha spicata
grüne Minze
noun
1. bepaald soort parasitaire, maar onschadelijke rondworm van ca. 5–10 mm lengte, Enterobius vermicularis
Madenwurm
noun
1. de belangrijkste architect
Erzarchitekt
/
ˈaːrz.bɪz.dɔm/, /
ˈaːrʦ.bɪs.dɔm/, /
ˈaːrʦ.bɪz.dɔm/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
Erzbistum
Erzdiözese
/
ˈaːrzbɪsxɔp/, /
ˈaːrʦbɪsxɔp/, /
ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
Erzbischof
Erzbischöfin
/
ˈaːrz.di.jo.ˌses/, /
ˈaːrʦ.di.ʲo.ˌses/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
Erzbistum
Erzdiözese
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
Erzherzog
noun
1. adellijke titel, vrouw van een aartshertog
Erzherzogin
noun
1. iemand die zeer veel liegt
Erzlügner
/
'artsvɛɪɑnd/
noun
Erzfeind
noun
1. bepaald soort vaste waterplant, Myriophyllum spicatum
ähriges Tausendblatt
/
ˈarzələ(n)/
verb
1. onzeker zijn, twijfelen
zögern
adjective
1. aarzelend
zögerlich
noun
1. onzekerheid, twijfel, weifel
Zögern
Zaudern
/
'as.xir/
noun
- 1. bepaald soort roofvogel, Neophron percnopterus
Aasgeier
- 2. iemand die profijt probeert te halen uit de tegenslag van iemand anders
Aasgeier
Halsabschneider
noun
1. plank met handvat en venster waarin letters in alfabetische volgorde staan afgebeeld
Buchstabentafel
/
ˈɑbɑkʏs/
noun
- 1. raam met staven
- 2. dekplaat van een kapiteel
Abakus
/
a.bɑ.ˈtwaːr/, /
ɑ.bɑ.ˈtβ̞ar/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
Schlachthaus
Schlachthof
pronoun
1. West-Kaukasische taal gesproken in Rusland en Turkije
Abasinische Sprache
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
Abkürzung
noun
1. de afkorting voor atomaire, bacteriologische en chemische wapens
ABC-Waffen
/
ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
Abchasisch
Abchasische Sprache
/
ɑbˈdɛɪ̯/, /
ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
Abtei
/
ɑbˈdɛɪ.kɛrk/, /
ɑbˈdɛː.kɛrk/
noun
1. een kerk die bij een abdij hoort
Abteikirche
/
ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
Äbtissin
Oberin
Äbtin
/
ˌɑbdoʊmiˈnaːɫ/
adjective
1. de onderbuik betreffend
abdominal
verb
1. van de middellijn af bewegen
abduzieren
noun
beweging vanuit neutrale uitgangshouding
Abduction
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus alba
Silberpappel
adjective
1. afwijkend van de norm
aberrierend
adjective
1. volstrekt verachtelijk, zeer verwerpelijk
abjekt
/
ˌɑb.la.ˈtif/, /
ˌɑb.la.ˈtiːf/
noun
1. de zesde naamval die onder meer de instantie aangeeft waarvan iets uitgaat of vertrekt
Ablativ
/
ˈɑb.laut/, /
ˈɑp.lɔut/, /
ˈɑp.lʌut/
noun
1. regelmatige, grammaticaal bepaalde klinkerwisseling
Ablaut
adverb
1. ongewoon
unnormal
abnormal
noun
1. onregelmatigheid
Abnormität
/
ɑbomɪˈnabəl/
adjective
bijzonder slecht
abscheulich
scheußlich
/
ɑbɔ'ne/
noun
1. iemand die op iets geabonneerd is
Abonnent
Abonnentin
/
ɑbɔ'nerə(n)/
verb
1. een abonnement aangaan
abonnieren
verb
1. een foetus weghalen
abtreiben
abortieren
/
ɑ'bɔrtəs/
noun
Abtreibung
Schwangerschaftsabbruch
noun
1. (nationaal) beleid ten aanzien van abortussen
Abtreibungspolitik
Abtreibungsregelung
noun
1. (medisch) schaafwond, afkrabbing
Abrasion
Schürfwunde
/
abri/
noun
1. een wachthuisje bij een halte van het openbaar vervoer
Wartehäuschen
/
ɑp'rʏpt/
adverb
1. onverwachts optredend
abrupt
noun
1. de afstand tot de opstaande as van een coördinatenstelsel
Abszisse
verb
1. met behulp van een touw van een steile wand afdalen
abseilen
/
ɑp'sɛnsi/
noun
Abwesenheit
/
ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
Absinth
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
Wermutkraut
Wermut
/
ɑpso'lysi/
noun
1. het vergeven van de zonden
Absolution
/
ɑpso'lyt/
adjective
- 1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
- 2. volledig, volkomen
- 3. beslist, zeker
- 4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
absolut
/
ɑpsɔr'berə(n)/
verb
absorbieren
noun
1. absorptielijn
Absorptionslinie
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Abstatt
/
ɑp'strɑksi/
noun
1. een begrip dat los staat van de dagelijkse werkelijkheid
Abstraktion
verb
1. concretiseren
abstrahieren
/
ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
absurd
/
ɑb/, /
ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
Abt
noun
1. in ruime mate aanwezig of voorhanden zijn
Abundanz
noun
1. een vrouwelijk persoon met een academische opleiding
Akademikerin
noun
1. een mannelijk persoon met een academische opleiding
Akademiker
/
ɑkɑ'demis/
adjective
akademisch
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van mijten en teken
Acarologie
noun
1. toename van de snelheid
Beschleunigung
noun
1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
Akzent
/
ɑksɛp'terə/
verb
- 1. aanvaarden
- 2. aannemen, graag ontvangen
akzeptieren
/
ˌɑsəˈswar/
noun
1. een attribuut dat als aanvulling dient
Accessoire
Zubehör
Zubehörteil
/
ɑksiˈdɛnt/
noun
- 2. een incidentele wijziging van toonhoogte
Akzidens
- 1. ongeval, ongeluk
Unfall
verb
1. aan een andere omgeving wennen
akklimatisieren
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
Akkordeon
noun
1. iemand die zijn beroep maakt van het inrichten en controleren van boekhoudingen en administraties
Buchhalter
Buchprüfer
verb
1. een officieel stempel van goedkeuring aan iets of iemand verlenen
akkreditieren
noun
1. een toestel om elektriciteit op te slaan
Akkumulator
Akku
Batterie
noun
1. ophoping van stoffen
Akkumulation
noun
1. bepaald soort plant, Malpighia emarginata
acerola
noun
1. een ester of zout afgeleid van azijnzuur
Acetat
Azetat
/
ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /
ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /
ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
Azetylcholin
/
ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
Acetylen
noun
1. acetyleenlamp
Karbidlampe
/
xxxx/
noun
1.
Acetylsalicylsäure
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Achern
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
Achilleus
noun
1. kwetsbare plaats
Achillesferse
cardinalNumeral
1. het getal 8
acht
/
ˈɑxtbaːn/
noun
1. een attractie met een karretje dat over een baan met bochten, stijgingen en dalingen rijdt
Achterbahn
noun
1. gebrek aan aandacht voor mogelijke problemen
Nachlässigkeit
Unachtsamkeit
cardinalNumeral
1. het getal 38
achtunddreißig
ordinalAdjective
1. nummer achtendertig in een rij
achtunddreißigste
cardinalNumeral
1. het getal 98
achtundneunzig
adjective
1. respect verdienend
respektabel
cardinalNumeral
1. het getal 88
achtundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 28
achtundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 48
achtundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 58
achtundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 68
achtundsechzig
/
ˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 78
achtundsiebzig
adverb
1. in de laatste of een van de laatste posities in een rangschikking, op een verder weg liggende plaats
hinten
noun
1. een afbeelding van iets zoals van achter bekeken
Hintenansicht
/
ɑxtər'bɑks/
adjective
1. stiekem, stom
hinterlistig
verb
1. nog steeds ergens zijn waar anderen of iets anders niet meer aanwezig is
zurückbleiben
noun
3. de tweede begiftigde, legataris
Nacherbe
noun
1. de indirecte oorzaak van actualiteiten
Hintergrund
/
ɑxtər'ɦalt/
adjective
1. niet langer van toepassing, niet langer als nuttig erkend
überholt
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Hinterhauptsbein
noun
- 1. kamer gelegen langs de achterzijde van een gebouw
Hinterzimmer
- 2. besloten ruimte op een weinig zichtbaree plaats die zich leent voor geheime bijeenkomsten
Hinterzimmer
Kulisse
noun
1. besluitvorming zonder discussie in een volksvertegenwoordiging en met vermijding van openbaarheid
Hinterzimmerpolitik
Politik im Hinterzimmer
noun
1. besluitvorming zonder discussie in een volksvertegenwoordiging en met vermijding van openbaarheid
Hinterzimmerpolitik
Politik im Hinterzimmer
/
ˈɑxtərkɑnt/
noun
Hinterseite
Rückseite
/
ˈɑxtərklɛɪŋkɪnt/
noun
1. het kind van iemands kleinkind
Urenkel
Urenkelin
/
ˈɑxtərklɛɪ̯nzon/
noun
1. de zoon van iemands kleinkind
Urenkel
noun
3. toestel dat aan de achterkant van een tractor kan worden gemonteerd om lasten op te tillen
Hecklader
noun
1. streek die geografisch verder weg ligt, maar economisch verbonden is met een voorliggende streek of stad
Hinterland
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
zurücklassen
hinterlassen
noun
1. lamp(en) aan de achterkant van een voertuig
Rücklicht
adjective
3. afkeurenswaardig, stompzinnig
dämlich
noun
1. achterste begrenzing van het speelveld
Grundlinie
verb
1. een vroegere tijd aangeven dan de juiste
hinterherlaufen
nachgehen
zurückbleiben
/
ɑxtər'na/
adverb
1. iemand of iets volgend
hinterher
nach
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
Nachname
noun
1. de achtergrond van o.a. schilderijen
Hintergrund
noun
1. ruit aan de achterkant van een voertuig die zorgt voor zicht achter op de weg
Heckscheibe
noun
1. stag aan achterkant van zeil boot naar de top van de mast
Achterstag
adjective
1. niet op tijd
ausstehend
überfällig
rückständig
noun
Armutsviertel
sozialer Brennpunkt
verb
1. iets of iemand te laag waarderen, of in een ongunstige positie plaatsen
zurücksetzen
noun
1. de achterzijde van een schip
Heck
adverb
1. in achterwaartse richting
rückwärts
zurück
verb
1. slechter worden
zurückgehen
noun
1. een spiegel aan een auto of motorfiets waarmee men de situatie op de weg achter zich kan zien
Rückspiegel
Außenspiegel
/
'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
Suffix
Nachsilbe
noun
1. dubbelzijdig uitgevoerde achterwielophanging van een motorfiets
Schwinge
noun
1. achterste deel
Hintern
noun
1. een zak aan de achterkant van een kledingstuk
Gesäßtasche
noun
1. een vorm met acht hoeken
Achteck
/
ɑxt'ɦukəx/
adjective
1.
achteckig
/
ˈɑxtˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 800
achthundert
cardinalNumeral
1. het getal 808
achthundertacht
cardinalNumeral
1. het getal 838
achthundertachtunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 898
achthundertachtundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 888
achthundertachtundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 828
achthundertachtundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 848
achthundertachtundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 858
achthundertachtundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 868
achthundertachtundsechzig
/
ˌɑxthɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 878
achthundertachtundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 818
achthundertachtzehn
cardinalNumeral
1. het getal 813
achthundertdreizehn
cardinalNumeral
1. het getal 830
achthundertdreißig
cardinalNumeral
1. het getal 803
achthundertdrei
cardinalNumeral
1. het getal 833
achthundertdreiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 893
achthundertdreiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 883
achthundertdreiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 823
achthundertdreiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 843
achthundertdreiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 853
achthundertdreiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 863
achthundertdreiundsechzig
/
ˌɑxthɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 873
achthundertdreiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 801
achthunderteins
cardinalNumeral
1. het getal 831
achthunderteinunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 891
achthunderteinundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 881
achthunderteinundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 821
achthunderteinundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 841
achthunderteinundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 851
achthunderteinundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 861
achthunderteinundsechzig
/
ˌɑxthɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 871
achthunderteinundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 811
achthundertelf
cardinalNumeral
1. het getal 809
achthundertneun
cardinalNumeral
1. het getal 839
achthundertneununddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 899
achthundertneunundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 889
achthundertneunundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 829
achthundertneunundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 849
achthundertneunundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 859
achthundertneunundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 869
achthundertneunundsechzig
/
ˌɑxthɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 879
achthundertneunundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 819
achthundertneunzehn
cardinalNumeral
1. het getal 890
achthundertneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 880
achthundertachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 810
achthundertzehn
cardinalNumeral
1. het getal 812
achthundertzwölf
cardinalNumeral
1. het getal 802
achthundertzwei
cardinalNumeral
1. het getal 832
achthundertzweiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 892
achthundertzweiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 882
achthundertzweiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 822
achthundertzweiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 842
achthundertzweiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 852
achthundertzweiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 862
achthundertzweiundsechzig
/
ˌɑxthɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 872
achthundertzweiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 820
achthundertzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 814
achthundertvierzehn
cardinalNumeral
1. het getal 840
achthundertvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 804
achthundertvier
cardinalNumeral
1. het getal 834
achthundertvierunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 894
achthundertvierundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 884
achthundertvierundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 824
achthundertvierundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 844
achthundertvierundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 854
achthundertvierundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 864
achthundertvierundsechzig
/
ˌɑxthɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 874
achthundertvierundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 805
achthundertfünf
cardinalNumeral
1. het getal 835
achthundertfünfunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 895
achthundertfünfundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 885
achthundertfünfundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 825
achthundertfünfundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 845
achthundertfünfundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 855
achthundertfünfundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 865
achthundertfünfundsechzig
/
ˌɑxthɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 875
achthundertfünfundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 815
achthundertfünfzehn
cardinalNumeral
1. het getal 850
achthundertfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 806
achthundertsechs
cardinalNumeral
1. het getal 836
achthundertsechsunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 896
achthundertsechsundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 886
achthundertsechsundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 826
achthundertsechsundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 846
achthundertsechsundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 856
achthundertsechsundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 866
achthundertsechsundsechzig
/
ˌɑxthɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 876
achthundertsechsundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 816
achthundertsechzehn
cardinalNumeral
1. het getal 860
achthundertsechzig
/
ˌɑxthɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 807
achthundertsieben
/
ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 837
achthundertsiebenunddreißig
/
ˌɑxthɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 897
achthundertsiebenundneunzig
/
ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 887
achthundertsiebenundachtzig
/
ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 827
achthundertsiebenundzwanzig
/
ˌɑxthɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 847
achthundertsiebenundvierzig
/
ˌɑxthɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 857
achthundertsiebenundfünfzig
/
ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 867
achthundertsiebenundsechzig
/
ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 877
achthundertsiebenundsiebzig
/
ˌɑxthɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 817
achthundertsiebzehn
/
ˌɑxthɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 870
achthundertsiebzig
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
achtzehn
/
ˌasidiˈtɛɪt/
noun
1. de zuurgraad, geeft aan hoeveel H+ er in een oplossing voorkomt
Acidität
Säuregrad
pronoun
1. begripomschrijving
Aconcagua
noun
1. oude oppervlaktemaat
Acre
noun
1. blauwkleuring van handen, voeten
Blaufärbung der Gliedmßenenden
noun
acrylnitril-Butadien-Styrol
/
ɑkˈtør/
noun
1. persoon
Schauspieler
adjective
1. met iets bezig zijnde
aktiv
noun
1. de afstand die iets af kan leggen
Aktionradius
Reichweite
noun
1. Scheikundig element
actinoide
noun
1. Scheikundig element
Actinium
noun
1. in geld uitgedrukte waarde van de bezittingen van een onderneming
Aktiva
verb
1. werkzaam maken
aktivieren
noun
1. iets waarmee men actief is
Aktivität
noun
1. bedrijvende vorm
Aktiv
Aktivum
Tätigkeitsform
noun
1. vrouw
Schauspielerin
/
ɑktyˈwel/
adjective
aktuell
gegenwärtig
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
Akupunktur
/
aˈkyt/
adjective
1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend
akut
/
aˈdaɣijʏm/
noun
1.
Adagium
Sprichwort
/
ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
Adamsapfel
noun
1. aanpassingsvermogen
Anpassungsvermögen
noun
- 1. gifslang
- 2. persoon
Viper
Otter
noun
1. verslaving
Abhängigkeit
noun
1. chemisch product
Additiv
Zusatzstoff
adjective
1. toegevoegd
zusätzlich
noun
1. toevoeging
Zusatzstoff
noun
1. bevoorrechte groep personen
Adel
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
Adler
verb
1. in de adelstand verheffen
adeln
pronoun
1. stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Adelsheim
/
ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
atmen
/
ˈa.də.ˌma.lə(n)/
verb
1. door levende wezens inblazen en uitblazen van lucht om zuurstof te krijgen
atmen
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
Atmung
noun
1. het systeem van luchtopname via de neus of mondholte, door de luchtpijp (trachea) met zijn vertakkingen naar de longen waardoor een organisme van zuurstof wordt voorzien
Atmungssystem
Atmungsapparat
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Adenau
noun
1. (lymfe)klierontsteking
Drüsenentzündung
Lymphknotenentzündung
noun
1. goedaardig klierweefselgezwel
Adenom
Drüsengeschwulst
/
a.de.'kʋat/
adverb
1. correct en passend bij het beoogde doel
adäquat
noun
1. bloedvat met zuurstofarm bloed
Ader
Vene
/
ˈa.dər.la.tɪŋ/, /
ˈaː.dər.laː.tɪŋ(g)/
noun
- 1. (medisch) de handeling van het aderlaten
- 2. (figuurlijk) een groot verlies
Aderlass
/
ɑtˈhezi/
noun
- 2. onderlinge aantrekkingskracht tussen ongelijke moleculen zonder dat er sprake is van een chemische binding
Adhäsion
Klebkraft
- 1. een vergroeiing van organen
Adhäsion
Verklebung
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
Adjektiv
Eigenschaftswort
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
Adjektiv
Eigenschaftswort
noun
1. toevoegsel
Hilfsmittel
/
ˌɑtminɪsˈtrasi/, /
ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
3. bestuur
Verwaltung
verb
1. zorgvuldig vastleggen van gegevens zodat het later terug te vinden of controleren is
verwalten
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
Admiral
noun
1. de reciproke complexe impedantie
Admittanz
noun
1. ontsteking van de eierstokken en de eileiders
Adnexeentzündung
noun
1. jeugdig persoon, puber
Jugendlicher
verb
1. een kind aannemen
adoptieren
noun
1. met betrekking tot sympathische zenuwvezels die bij prikkeling stoffen produceren met een effect als van adrenaline
Adrenalin absondern
adrenalinbedingt
/
aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
Anschrift
Adresse
noun
1. een boek met alfabetisch en/of systematisch geordende adressen
Adressbuch
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
Adriatisches Meer
/
ɑd.zɔr.ˈbeː.rə(n)/, /
ɑt.sɔr.ˈbɪː.rə(n)/
verb
1. aantrekken, aan de oppervlakte binden
adsorbieren
noun
1. een fenomeen dat optreedt aan het grensvlak van twee fasen, waarbij moleculen of atomen zich aan dit grensvlak hechten
Adsorption
adjective
1. bijtend of samentrekkend
Adstringent
zusammenziehend
adjective
1. bijtend of samentrekkende stof, veelal gebruikt om bloeding of vochtafscheiding...
Adstringent
zusammenziehend
/
a.ˈdu.ki.ˌbon/
noun
1. bepaald soort kleine, rode sojaboon, Phaseolus angularis
Adzukibohne
/
ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis 2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
Advent
noun
1.
Adventkonzert
Adventskonzert
noun
1. de kalender bestaat vaak uit een platte kartonnen doos waarin 24 genummerde vakjes zijn aangebracht
Adventskalender
noun
1. een aankondiging in een krant, reclameblad, tijdschrift ...
Anzeige
Annonce
/
ɑtfiˈzerə(n)/
verb
1. raad geven aan
raten
empfehlen
noun
1. raadgever, raadsman
Berater
noun
- 1. pleiter, verdediger in rechtszaken
Rechtsanwalt
Anwalt
Advokat
Fürsprecher
- alcoholische dikvloeibare drank van eieren, eierlikeur
Eierlikör
noun
1. (juridisch) (beroep) iemand die de functie van aanklager bij een ressortsparket bij een Nederlands gerechtshof bekleedt
Generalstaatsanwalt
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die een toon voortbrengen door een trillende luchtkolom
Aerophon
noun
weerkunde van de hogere luchtlagen
Aerologie
/
ˌæːroˈzol/, /
ˌɛːroˈzɔɫ/
noun
2. scheikunde
Aerosol
adverb
1. op onregelmatige tijden
ab und zu
noun
1. het onvermogen te spreken
Aphasie
noun
1. een grafisch beeld
Abbildung
Bild
verb
1. een besteld iets afzeggen
abbestellen
noun
1. een geleidelijke betaling in termijnen
Ratenzahlung
/
ˈɑfbɛitə(n)/
verb
- 3. iemand boos en kortaf toespreken
abbeizen
- 1. met de tanden verwijderen
abbeißen
- 2. (iemand) afsnauwen, berispen, schelden
anfauchen
anschnauzen
schelten
noun
1. chemisch product voor het zeer drastisch schoonmaken bijv
Abbeizmittel
/
ˈɑvblɑfə(n)/
verb
1. door bejegening met ruwe woorden van zich afschrikken
anfahren
anschnauzen
verb
1. ontdoen van bramen (scherpe randen)
entgraten
noun
1. het kunnen breken van een molecuul in kleinere atomen of moleculen
Abbaubarkeit
verb
- 1. met de grond gelijk maken
- 3. door breken scheiden
abbrechen
- 2. voortijdig beëindigen
abbrechen
beendigen
verb
1. van richting veranderen
abbiegen
/
ˈɑf.dɛ.kə(n)/, /
ˈɑv.dɛ.kə(n)/
verb
1. iets over iets anders heen plaatsen
zudecken
verb
- 2. overdragen
abführen
abtragen
- 1. door dragen afslijten
abtragen
verb
1. het vocht wegnemen
abtrocknen
/
ˈɑfdroxduk/
noun
1. een doek waarmee men kan afdrogen
Geschirrtuch
/
ˈɑfdrœʏpˌrɛk/, /
ˈɑfdrœːpˌrɛk/
noun
1. een open raamwerk waarin pasgewassen vaatwerk gezet wordt om het aanhangende vocht af te laten vloeien
Geschirrkorb
verb
2. (op papier) weergeven d.m.v. een printer of een drukpers
abdrucken
verb
- 1. onder dwang iets verkrijgen
abnötigen
aufzwingen
erzwingen
- 2. via de wet of regels iets bewerkstelligen
aufzwingen
- 2. onweerlegbaar iets bewerkstelligen
erzwingen
verb
1. verbranden van overtollig gas via een hoge fakkel
abfackeln
noun
1. een schijnbare gemoedsgesteldheid die niet met de werkelijkheid overeenstemt
Affektiertheit
adjective
1. van de gevoelens uitgaand en/of hiermee verbonden
affektiv
/
ˌɑfiliˈja(t)si/
noun
2. acceptatie als lid van een vereniging of verbond
Aufnahme
/
ɑfiniˈtɛit/
noun
- 1. een geestelijk verwantschap
- 2.
- 3.
Affinität
noun
1. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
Affix
/
ˌɑfriˈkat/
noun
1. een combinatie van twee medeklinkers, waarvan de eerste een plosief...
Affrikate
verb
- 2. afgeschoten worden
abgehen
- 1. naar beneden gaan
hinuntergehen
- 3. een slechte indruk nalaten
sich blamieren
/
'ɑfxəˌlɑstə(n)/
verb
1. de opdracht geven om iets niet door te laten gaan
absagen
/
ɑfxəlegə/
adjective
abgelegen
/
ˈɑfɣevə(n)/
verb
- 2. bij aanraking een substantie afscheiden
abfärben
- 1. achterlaten op de plek van bestemming
abgeben
preposition
1. buiten beschouwing latend
abgesehen von
/
ɑf.ˈxan/, /
ɑf.ˈχan/
noun
- 1. Afghaanse windhond
Afghane
- 2. Afghaans tapijt
Afghanteppich
/
ɑf.ˈxans/, /
ɑf.ˈχans/, /
ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
afghanisch
/
ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /
ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /
ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
Afghanistan
/
ɑfxodə'rɛi/
noun
Götzendienst
verb
1. door graven een aardlaag geheel verwijderen
abtragen
/
ˈɑfxrɔnt/, /
ˈɑfχrɔnt/, /
ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
Abgrund
/
ˈɑfxɵnst/, /
ˈɑfxʏnst/
noun
1. gevoel
Missgunst
noun
1. restaurant waar maaltijden afgehaald kunnen worden
Restaurant, bei dem man Essen mitnehmen kann
verb
1. goederen die klaargelegd zijn in bezit komen nemen
abholen
verb
1. ~ van: naargelang iets verandert mee veranderen
abhängen
abhängig sein
verb
1. happen zodat er iets verdwijnt
abbeißen
verb
1. een valk de huif afnemen
abhauben
noun
1. een sterke behoefte om zich tegen iets te keren
Abneigung
verb
1. een voorstel verwerpen
verwerfen
verb
1. niet geschikt verklaren
missbilligen
/
ˌɑfkørənsˈʋardəx/
adjective
1. afkeuring verdienend
rügenswert
tadelnswert
noun
1. het uitspreken van een negatief oordeel over iets
Missbilligung
verb
1. een idee stelen van iemand
absehen
verb
1. soort van ritueel waarbij men door op iets te kloppen, het lot probeert te sturen
auf Holz klopfen
verb
1. door kluiven alle vlees van een bot verwijderen
abnagen
/
'ʔɑfkulən/
verb
- 1. kouder worden
- 2. kouder doen worden
- 3. minder boos worden
abkühlen
adjective
- afkomstig zijn
stammen
- 1. komende van
stammend
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
Abkürzung
verb
1. vernietigend beoordelen
verreißen
/
ˈɑflat/
noun
1. een kwijtschelding van tijdelijke straffen die men zou moeten ondergaan na het sterven..
Ablass
/
ˈɑflatˌbrif/
noun
1. een papier waarmee officieel een aflaat verleend wordt
Ablassbrief
verb
1. vrachtgoed van een dek of van open wagen lossen
entladen
verb
- 1. het voorbereiden van de overledene(n) op de begrafenis
ablegen
- 2. afstand overbruggen
zurücklegen
verb
- 2. begrijpen, concluderen
ableiten
- 1. de aandacht opvragen
ablenken
noun
- 2. een woord dat middels toevoeging van een voor-, in- of achtervoegsel gevormd wordt uit een ander
Ableitung
- 1. een gebeurtenis of activiteit die de gedachten op iets anders richt
Ablenkung
noun
1. elk onderdeel van een tv-serie dat op regelmatige tijden wordt uitgebracht of uitgezonden
Folge
/
ˈɑflopə(n)/, /
ˈɑfloːpə(n)/
verb
2. hellen
abfallen
verb
- 1. de plaats innemen van
ablösen
- 2. geheel of gedeeltelijk voldoen
tilgen
noun
- 1. het aflossen
Ablöse
Ablösung
- 2. een bedrag waarmee een schuld wordt afgelost in termijnen
Abzahlung
Tilgung
verb
1. ongemerkt luisteren naar de communicatie van anderen
lauschen
belauschen
spionieren
noun
1. korte spreuk met een kernachtige boodschap
Aphorismus
verb
1. ontnemen
wegnehmen
abnehmen
arracher
/
'ɑfpɑsə(n)/
verb
1. nauwkeurig afmeten
abmessen
/
ˈɑf.pɛr.sɪŋ/
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
Erpressung
verb
1. iets goedkoper maken
herabsetzen
reduzieren
verb
1. een pak rammel geven, afranselen
durchprügeln
verprügeln
zusammenschlagen
verb
1. een pak slaag geven
verprügeln
verhauen
verb
1. een aankoop of schuld betalen
bezahlen
zahlen
verb
1. door middel van oefening voor iets geschikt maken
abrichten
dressieren
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
Afrika
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Tagetes
Studentenblume
/
afriˈkaːns/
adjective
1. komende van of betreffende het continent Afrika
afrikanisch
/
afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
Afrikaans
adjective
1.
afrikaanssprachig
noun
1. een verkeersweg waarlangs men naar beneden van een autoweg of autosnelweg af kan rijden
Ausfahrt
verb
- 1. het vervangen van een getal met te veel decimalen door het meest dichtbije getal met het gewenste aantal decimalen
abrunden
- naar boven afronden
aufrunden
verb
1. een pak ransel geven, afranselen
durchprügeln
tabasser
verprügeln
zusammenschlagen
verb
1. tot een einde brengen
abschaffen
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
Abschied
verb
1. afzonderen, uit de aanwezigheid van iets verwijderen
absondern
verb
2. met een scherm scheiden, omsluiten
abgrenzen
verb
- 2. met een scheurbeweging losmaken
abreißen
herunterreißen
- 1. door een scheurbeweging van een groter geheel losraken
abreißen
reißen
verb
1. met een schot doden
abschießen
/
ɑfsxɪldərə(n)/
verb
1. een meestal niet geheel terechte weergave van iets of iemand geven
schildern
beschreiben
/
af.sχɾɪft/
noun
Abschrift
noun
- 1. een mededeling dat een bedrag op een rekening verrekend is
Abbuchung
Lastschrift
- 1. een jaarlijks afgeboekt bedrag op een begroting om in rekening te brengen dat sommige goederen een beperkte levensduur beziten
Abschreibung
verb
1. het schuin afwerken van de rand van een materiaal.
abschrägen
verb
1. door schuren gladmaken
abscheuern
abschmirgeln
noun
1. hevige afkeer
Abscheu
Ekel
/
ˈɑfslɑxtɪŋ/
noun
1. het zinloos vermoorden van mensen op een gruwelijke manier
Blutbad
Massaker
noun
1. een uitrit die van een snelweg afvoert
Ausfahrt
verb
1. in een proces van slijtage verliezen
abscheuern
abschleifen
verschleißen
/
'ɑf.slœy.tə(n)/
verb
- 2. zorgen dat iets niet meer werkt, alle verbindingen verbreken
abdrehen
sperren
- 3. een officiële afspraak op papier maken, officieel regelen
abschließen
- 4. een einde maken aan
abschließen
beenden
- 1. zorgen dat iets of iemand niet in, uit of door iets kan gaan, alle openingen dicht doen
verschließen
noun
- 2. beëindiging
Abschluss
Beendigung
- 1. iets afsluiten
Sperre
Sperrung
Unterbrechung
- 3. een voorwerp dat ervoor zorgt dat iets afgesloten wordt
Verschluss
verb
- 1. ergens een stuk vanaf halen
abschneiden
- 2. rakelings langs iemand naar dezelfde weghelft gaan
schneiden
verb
1. met een snoer afbinden
abschnüren
verb
- 1. afdraaien
- 2. tot het einde toe spelen
- 3. iets door veelvuldig bespelen bederven en onbruikbaar maken
abspielen
- 4. zich ~: gebeuren
sich abspielen
noun
1. een overeenkomst
Abmachung
Absprache
verb
1. een onderling vergelijk vastleggen
vereinbaren
verb
1. ~ van: een nakomeling zijn van
abstammen
noun
1. de genetische voorgescheidenis van een individu, volk of soort
Abstammung
/
ˈɑfstɑnt/
noun
1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
Abstand
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
Fernbedienung
Fernsteuerung
verb
- 1. door insteken van bijvoorbeeld een spade een hoeveelheid materiaal verwijderen
abstechen
- 3. doen ontbranden
anzünden
/
'ɑfstɛlə(n)/
verb
1. regelbare parameters zo kiezen dat een toestel voor een bepaald doel gereed is
einstellen
/
ɑfstɛmox/
noun
1. inrichting aan een radio- of tv-toestel waarop men kan aflezen hoe sterk de ontvangst is van het ontvangen radiosignaal
magisches Auge
verb
- 1. zijn scherpheid verliezen
- 3. iemands tegenwoordigheid van geest nadelig beïnvloeden
abstumpfen
adjective
1. van iets dat men het liever op afstand houdt
abstoßend
/
ɑf/, /
ɑft/
noun
1. een kleine zweer in de mond ten gevolge van een virus
Aphte
verb
3. zichtbaar, duidelijk worden
sich abzeichnen
sichtbar werden
noun
1. de eerste trap vanuit de middencirkel bij het begin van speeltijd van een voetbalwedstrijd
Anstoß
verb
- 8. (een man) seksueel bevredigen, aftrekken
herunterholen
- 1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
subtrahieren
abziehen
- 7.
wichsen
/
ˈɑftrɛksəɫ/
noun
1. een vloeistof waarin men de oplosbare delen van iets heeft laten oplossen
Aufguss
/
ˈɑftrɔɣələ(n)/
verb
1. door aanhoudende vriendelijke bede en zoet gevlei ietst van iemand verkrijgen, op slinkse manier loskrijgen
abluchsen
abschwatzen
abschwindeln
verb
- 2. versieringen verwijderen
abschmücken
- 1. ontdoen van alle tuig
abtakeln
- 3. iemand een flinke afstraffing geven
verprügeln
/
ˈɑˌfaːrdəɣə(n)/
verb
1. iemand machtigen om iets te vertegenwoordigen, meestal een vereniging of een staat
abordnen
delegieren
/
ˈɑfɑlə(n) /
verb
- 3. ontrouw worden aan zijn geloof
- 2. de koers van een schip in de richting van de lijzijde wijzigen
abfallen
- 4. vallen vanaf een hoger gelegen plek
abfallen
fallen
- 1. gewicht verliezen.
abnehmen
- 5. niet meer meetellen
ausscheiden
adjective
1. niet trouw of loyaal aan
abtrünnig
noun
1. het ontrouw worden aan zijn geloof
Abtrünnigkeit
Apostasie
noun
1. water dat gebruikt is in de industrie of in het huishouden en dat na gebruik geloosd wordt
Abwasser
verb
1. met een doekje of papiertje vuil weghalen
abwischen
verb
- 1. zich ~: zichzelf een vraag stellen
- 2. zich ~: vraagtekens plaatsen bij
sich fragen
/
ˈɑfwɑxtə(n)/, /
ˈɑfʋɑxtə(n)/, /
ˈɑfʋɑχtə(n)/
verb
1. wachten op wat er gaat gebeuren
abwarten
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
Geschirrspülmaschine
noun
1. zeepproduct voor de afwas
Geschirrspülmittel
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
Geschirrspülmaschine
noun
1. het sop waarin met het eetgerei schoonmaakt of -gemaakt heeft
Spülwasser
verb
1. overtollig water afvoeren
entwässern
noun
1. de paden waarlangs water uit een stuk land afgevoerd kan worden
Abfluß
/
ɑfwergəsxʌt/
noun
1. verzamelterm voor vuurwapens waarmee verdedigers aanvallende vliegtuigen kunnen bestoken
Flugabwehrkanone
/
ɑfˈwerə(n)/
verb
1. een aanval neutraliseren
abwehren
verhindern
verb
1. de laatste en kleine details afmaken
fertigstellen
adjective
1. niet op een bepaald tijdstip en plaats zijn
abwesend
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
Abwesenheit
verb
1. niet de gangbare norm volgen
abweichen
/
'ɑfʋɛɪzɪŋ/
noun
1. een bericht dat op een voorstel of aanzoek niet ingegaan wordt
Abweisung
noun
2. afhandeling van een bepaald zakelijk of technisch proces
Abwicklung
/
ˈɑfʋɪsələ(n)/
verb
1. om en om plaatsvinden
abwechseln
verb
1. met een vegende beweging verwijderen of schoonmaken
abwischen
wegwischen
verb
1. aangeven dat men niet gaat komen
absagen
noun
1. een termijn mondeling afbestellen
Absage
Abbestellung
Abmeldung
noun
1. iemand die iets naar een adres verzendt
Absender
Absenderin
verb
1. amputeren
amputieren
noun
1. iemand die door misleiding een buitensporige betaling voor iets weet te verkrijgen
Betrüger
noun
- 1. iets waarmee je mensen kunt tegen houden zoals bijvoorbeeld een hek of een link
Absperrung
- 2. amputatie van een lichaamsdeel
Abtrennung
Amputation
verb
- 2. lijden, ongemak doorstaan
sich abmühen
- 1. besluiten iets niet te doen
verzichten
absehen von
/
ˈɑfsɔndərɪŋ/
noun
1. het afzonderen
Absonderung
/
ˈɑfzœʏχkɑp/, /
ˈɑfzœːxkɑp/
noun
1. een huishoudelijk apparaat in de keuken dat de kookluchtjes moet afvoeren
Dunstabzugshaube
noun
- 1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
- 2. een stenen voorwerp bestaande of vervaardigd uit agaat
Achat
adjective
Achatgrau
achatgrau
noun
1. een gebrek aan moedermelk
Agalaktie
fehlende Milchproduktion
/
a.ˈɣɛn.da/, /
a.ˈχɛn.da/
noun
- 2. een lijst van te bespreken punten op een vergadering
Tagesordnung
- 1. een notitieboek waarin afspraken genoteerd worden
Terminkalender
Notizbuch
/
'aɣɛns/
noun
1. een werkzame stof
Wirkstoff
/
aɤ'ɛntsxɑp/
noun
1. lokale vertegenwoording van een grotere organisatie
Agentur
noun
1. verergeren of overdrijven
Verschlimmerung
noun
1. samenklontering
Zusammenballung
Zusammenschluss
noun
1. elk van de toestanden, afhankelijk van druk en temperatuur, waarin een stof kan voorkomen
Aggregatzustand
verb
Börsenwucher treiben
an der Börse spekulieren
spekulieren
noun
1. opwinding
Agitation
Ruhelosigkeit
allgemeine körperliche Unruhe
noun
1. iemand die ten aanzien van het bovennatuurlijke stelt dat dit niet te kennen valt
Agnostiker
Agnostikerin
noun
1. spier die zelfstandig werkt
Agonist
noun
1. vermindering van het aantal korrelcellen(witte bloedcellen) in het bloed
Agranulozytose
Granulozytenverminderung im Blut
adjective
1. aanvallend
aggressiv
angriffslustig
noun
- 1. de neiging tot agressie
- 2. het agressief zijn
Aggressivität
/
aɣriˈmoni/
noun
1. benaming voor overblijvende, kruidachtige planten uit het geslacht Agrimonia
odermennige
noun
1. de landbouwkunde
Agronomie
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Ahaus
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Ahlen
/
a.ˈhɔrn/
noun
1. een boom of heester van het geslacht Acer.
Ahorn
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
AIDS
noun
1. beschermingssysteem in voertuigen
Airbag
noun
1. een apparaat dat voor airconditioning zorgt
Klimaanlage
Airconditioner
noun
1. de regeling van de temperatuur en de vochtigheidsgraad van de lucht in een ruimte
Airconditioning
/
ˈɛːrʃo/
noun
1. evenement waar publiek kan kijken naar bijzondere vliegtuigen en naar vluchten waarmee piloten hun vaardigheden laten zien
Flugschau
pronoun
1. hoofdstad van de Franse regio Corsica
Ajaccio
noun
1. Lamprotes c-aureum
Wiesenrauten-Goldeule
adjective
ekelhaft
widerlich
unheimlich
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
Aachen
/
'akər/
noun
- 2. vrucht van de eik
Eichel
- 1. koperen of ijzeren emmertje, dat men aan een touw neerlaat om water te putten
Wassereimer
noun
1. bewegingsarmoede
Akinese
Akinesie
Akinesis
Bewegungsarmut
Bewegungshemmung
Bewegungslosigkeit
/
ˈɑ.kər.ˌbo.tər.ˌblum/
noun
1. bepaald soort plant, Ranunculus arvensis
Acker-Hahnenfuß
noun
1. bepaald soort plant, Cirsium arvense
Acker-Distel
noun
1. bepaald soort tweejarige- of meerjarige plant, Melilotus officinalis
gelber Steinklee
noun
1. bepaald soort vaste plant, Cerastium arvense
Acker-Hornkraut
noun
1. bepaald soort plant, Rorippa sylvestris
wilde Sumpfkresse
noun
1. bepaald soort plant, Lapsana communis
Gemeiner Rainkohl
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Ajuga chamaepitys
Gelber Günsel
noun
- 1. overeenkomst
Abkommen
- 2. samenklank van drie of meer, verschillende tonen
Akkord
noun
1. akkoordsymbool
Akkordsymbol
/
ˌakusˈtik/
noun
1. de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting ...
Akustik
noun
- 2. onderdeel van een theatervoorstelling
Akt
Aufzug
- 1. officieel schriftelijk stuk
Urkunde
adverb
1. reeds
schon
bereits
phraseologicalUnit
Affen bleiben Affen, wenn man sie auch in Seide, Sammet und Scharlach kleidet
phraseologicalUnit
Lügen haben kurze Beine
Lügen haben keine Beine
die Lüge mag noch so geschwind sein, die Wahrheit holt sie ein
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Alagoas
noun
1. het niet kunnen spreken
Alalie
/
ɑlɑr'merən/
verb
1. door alarm oproepen of bijeenroepen
alarmieren
noun
1. een noodsignaal, vaak in de vorm van een luid geluid of een knipperend licht, dat voor dreigend gevaar waarschuwt
Alarmsignal
/
ɑˈlɑrmsiˌstem/
noun
1.
Gefahrenmeldeanlage
/
ɑɫbaˈneːs/
adjective
1. gerelateerd aan of afkomstig uit Albanië
albanisch
/
ɑɫbaˈneːs/
noun
1. (mannelijke) inwoner van Albanië, of iemand afkomstig uit Albanië
Albaner
/
ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
Albanisch
albanisch
/
ɑlˈbaːni.jə/, /
ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
Albanien
adjective
1. van albast vervaardigd
alabastern
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
Albatros
noun
het ontbreken van pigmentkleurstof in de huid
Albinismus
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Albstadt
noun
1. in water oplosbaar eiwit dat veel in bloed voorkomt
Albumin
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
Alchemie
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
Alkohol
adjective
1. alcohol bevattend
alkoholisch
verb
1. met alcohol vermengen of behandelen
alkoholisieren
noun
Alkoholismus
Trunksucht
Alkoholkrankheit
noun
Alkoholismus
Alkoholabhängigkeit
adjective
1. met een verwaarloosbaar alcoholgehalte
alkoholfrei
adverb
1. in de eerder genoemde plaats
dort
dortselbst
noun
1. aldislamp
Aldislampe
Signallampe
adverb
1. zo, op deze manier
so
pronoun
1. verzamelnaam voor een groep Duitse dialecten die gesproken worden door ongeveer zes miljoen mensen in Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Liechtenstein en Oost-Frankrijk
Alemannisch
pronoun
1. keten van vulkanische eilanden in Alaska ,die zich boogvormig uitstrekt en een scheiding vormt tussen de Grote Oceaan en de Beringzee
Alëuten
/
aˈlɛrt/, /
əˈlʏːrt/
adjective
1. oplettend
alert
/
ˈɑlfa/
noun
1. een aanduiding of markering van "de eerste" van een reeks
Alpha
noun
de lettertekens van een taal
Alphabet
Abc
ABC
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
alphabetisch
/
ɑl.fa.bæː.tɪ.ˈzeː.rə(n)/, /
ɑɫ.fa.be.ti.ˈzɪː.rə(n)/
verb
1. lezen en schrijven aanleren
alphabetisieren
noun
1. ontkiemde zaden van luzerne
Luzerne
noun
1. achterhaalde aanduiding voor de aanvoerder binnen een roedel wolven
Leitwolf
noun
1. Oryx dammah, een antilope van de droge streken in het midden-Oosten en Noord-Afrika
Säbelantilope
/
ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
Algebra
/
ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /
ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /
ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
Algerien
adjective
1. Uit/afkomstig van Algerije
algerisch
/
ɑɫˈxiːrs/, /
ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
Algier
noun
1. vizierliniaal
Alhidade
adverb
1. in deze plaats
hier
hierselbst
/
aliɑs/
adverb
1. anders gezegd, ook wel genaamd
alias
auch bekannt als
/
aliɑs/
noun
1. een bijnaam
Spitzname
/
ˈaː.liˌbi/
noun
1. het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad,...
Alibi
noun
1. eetbare zeeslak
Strandschnecke
adjective
1. met betrekking tot de voeding
Ernährungs-
Nahrungs-
ernährend
nahrhaft
nährend
zur Nahrung dienend
/
ɑlk/
noun
1. bepaald soort zeevogel die veel op de zeekoet lijkt, maar een dikkere snavel heeft
Tordalk
/
ˈɑlkalimeˌtal/
noun
1. de naam voor elk element uit de eerste chemische reeks van het periodiek systeem
Alkalimetall
adjective
met betrekking tot alkali
alkalisch
noun
1. zuurverlies
Alkalose
Alkalämie
Blut-pH-Erhöhung
erhöhter Basenghehalt im Blut
noun
1. een stikstof bevattende plantenbase
Alkaloid
/
ɑlkˈmar/
pronoun
1. een stad en gemeente
Alkmaar
noun
1. vrouwelijke inwoner van Alkmaar
Alkmaarerin
noun
1. een kleine raamloze zijkamer, vaak gebruikt als slaapkamer
Alkoven
Bettnische
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
Allah
/
ˈɑlə/
indefinitePronoun
1. elke, geen, uitgezonderd
alle
/
ɑl.ˈen/
adverb
1. slechts
nur
einzig
noun
1. iemand die met onbeperkte oppermacht regeert
Alleinherrscher
noun
1. iemand die geen partner heeft
Alleinstehende
/
ɑ.ˈlɛl/, /
ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
Allel
/
ˈɑlən/
cardinalNumeral
hoofdtelwoord
alle
/
ˈɑlən/
indefinitePronoun
1. alle
alle
noun
1. stof die overgevoeligheid veroorzaakt
Allergen
/
ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
Allergie
adjective
1. overgevoelig
allergisch
noun
wetenschap die allergieën bestudeert
Allergologie
pronoun
1. een rooms-katholieke feestdag op 1 november ter gezamenlijke verering van alle heiligen van de Kerk
Allerheiligen
indefinitePronoun
allerlei
/
ˌɑlərˈzilə(n)/
pronoun
1. Katholieke feestdag
Allerseelen
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
alles
noun
1. een bondgenootschap
Allianz
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
Alligator
adjective
1. uit een ander land of plaats afkomstig
ausländisch
allochthon
noun
1. iemand die van elders afkomstig is
Einwanderer
Immigrant
noun
1.een geneesmiddel dat de aanmaak van urinezuur tegengaat
Allopurinol
/
ˌɑ.lo.tro.ˈpi/
noun
1. scheikundig verschijnsel
Allotropie
noun
1. een hoger gelegen weide in de bergen
Alm
/
ɑɫmɑxt/
noun
1. absolute macht, macht over alles
Allmacht
Allmächtigkeit
noun
Allgegenwart
Allgegenwärtigkeit
noun
1. haaruitval
Haarausfall
Alopezie
Haarmangel
Haarschwund
Kahlköpfigkeit
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
Aloen
Aloe
noun
1. bepaald soort succulent, Aloe vera
Echte Aloe
/
ɑlp/
noun
1. een hooggelegen bergweide, met name in de Alpen
Alm
noun
- 1. bepaald soort zoogdier Vicugna pacos
Alpaka
Alpakahengst
- 2. zilverkleurige metaallegering
neusilber
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
Alpen
noun
1. bepaald soort overblijvende plant die te vinden is in de meeste Europese gebergtes, Pulsatilla alpina
Alpen-Kuhschelle
noun
1. een optisch fenomeen dat net voor zonsopgang en na zonsondergang in gebergten waar te nemen is en waarbij met name besneeuwde bergtoppen een roodachtig licht weerschijnen
Alpenglühen
noun
1. een van hout vervaardigd blaasinstrument met een lengte tot vier meter
Alphorn
noun
1. bepaald soort plant, Myosotis alpestris
Alpen-Vergissmeinnicht
verb
1. sport waarbij men op ski's een heuvel of berg afdaalt.
Ski Alpin
noun
1. iemand die de bergsport beoefent
Alpinist
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Alpirsbach
/
ɑls/, /
ɑs/
conjunction
- 3. in de hoedanigheid van
als
- 2. indien
falls
wenn
- 1. wanneer
wenn
sobald
phraseologicalUnit
1. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
Ist die Katze aus dem Haus, tanzen die Mäuse auf dem Tisch.
phraseologicalUnit
- 1. als mensen gretig aan het eten zijn, wordt er niet zo veel gepraat
- 2. iemand die druk is met winstgevende bezigheden praat daar niet over
maust die Katze, so miaut sie nicht
phraseologicalUnit
1. iemand die te veel heeft gedronken is niet meer in staat goede beslissingen te nemen
ist der Wein im Manne, ist der Verstand in der Kanne
noun
1. benaming voor planten van het composietengeslacht Artemisia
Wermut
noun
Beifußblättriges Traubenkraut
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
bitte
conjunction
1. en ook
als auch
so wie
adverb
1. toch nog
hinterher
nachträglich
conjunction
1. luidt een vergelijking in
als ob
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
bitte
noun
1. lage vrouwenstem
Altstimme
Alt
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
Altar
pronoun
1. Atair/Altair
Altair
Atair
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
Altblockflöte
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Altensteig
noun
1. toonverandering
Alteration
/
ɑltərnaˈtif/
noun
1. een andere mogelijkheid of methode
Alternative
verb
1. (elkaar) min of meer regelmatig afwisselen
alternieren
conjunction
1. geeft in het tweede gedeelte meer specifiek aan wat er bedoeld wordt
immerhin
mindestens
jedenfalls
noun
1. koperen blaasinstrument in alt stemming
Althorn
adverb
- 1. op elk moment, blijvend
- 2. telkens opnieuw
- 3. in elk geval
immer
phraseologicalUnit
1.
immerzu auf einem Ambosz schmieden
noun
Altruismus
Selbstlosigkeit
Uneigennützigkeit
noun
1. altsaxofonist
Altsaxofonist
Altsaxophonist
noun
1. altsaxofoon
Altsaxofon
noun
1. altviolist
Bratscher
/
ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
Bratsche
/
alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
Aluminium
/
ˌɑɫveˈol(ə)/
noun
1. wetenschappelijke benaming voor longblaasje
Alveole
noun
- 1. ontsteking van de longblaasjes
Alveolitis
- 2. ontsteking van de tandkas
Alveolitis
Zahnalveolenentzündung
Zahnfachentzündung
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
Bauchspeicheldrüse
Pankreas
conjunction
1. luidt een handeling in die in de tijd voorafgaat aan die van de hoofdzin
bevor
ehe
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Alzey
/
amɑl'ɣaːm/
noun
1. kwiklegering
Amalgam
noun
- 1. kleine bladverliezende loofboom, Amygdalus dulcis
Mandel
Mandelbaum
- 1. eetbare pit van de amandelvrucht
- 3. klier in de neus-keelholte
Mandel
noun
1. een mengsel van amandelen en suiker dat wordt gebruikt in o.a. gevulde speculaas en boterletters
Mandelmasse
Marzipan
noun
Mandelblättrige Wolfsmilch
noun
1. of 2. (zaden van) geslacht Amaranthus
Amarant
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
Amateur
noun
1. vrouw die iets als hobby doet en dus niet beroepsmatig
Amateurin
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
Botschaft
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
Botschafter
Botschafterin
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Amberg
adjective
1. vervelend, onprettig
ungut
unwohl
öde
/
ɑmˈbi(t)si/
noun
Ambition
adjective
1. vol van de wens en het vertrouwen om iets te bereiken
ehrgeizig
adjective
1. op hetzelfde moment twee verschillende, meestal positieve en negatieve, waardes hebbend
ambivalent
verb
1. naar iets streven
anstreben
noun
1. lui oog
Amblyopie
Sehschwäche
Schachsichtigkeit
noun
1. officiële betrekking
Amt
noun
1. iemand die aangesteld is in een door de overheid beheerde dienst
Beamte
noun
1. een vrouwelijk persoon die aangesteld is in een door de overheid beheerde dienst
Beamtin
/
ɑmtsˈketə(n)/
noun
1. een halsketting als symbool van het ambt van een hoge ambtsdrager...
Amtskette
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
Krankenwagen
Ambulanz
adjective
1. in staat om te lopen
ambulant
/
ɑˈmɛxtəx/
adjective
1. sterk hijgend
atemlos
noun
1. het uitblijven van de menstruatie
Fehlen der Menstruation
fehlende Regelblutung
noun
1.een zoete likeur met amandelsmaak uit Italië
Amaretto
/
aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
Amerika
noun
2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
Amerikaner
Amerikanerin
adjective
1. betreffende of komende van Amerika
amerikanisch
US-amerikanisch
noun
1. vrouwelijke inwoner van Noord- of Zuid-Amerika
Amerikanerin
noun
1. bepaald soort karperachtige, Pimephales promelas
Fettköpfige Elritze
noun
1. bepaald soort snelgroeiende boom, Quercus rubra
Roteiche
noun
1. oorspronkelijk uit Amerika afkomstige soort zoetwatervis die ook in de Benelux voorkomt, Umbra pygmaea
Amerikanischer Hundsfisch
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Lepidium virginicum
Virginische Kresse
noun
1. bepaald soort plant, Mammea americana
Mammiapfel
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes americana
Fichtenmarder
noun
1. bepaald soort struik, Hamamelis virginiana
Virginische Zaubernuss
noun
1. bepaald soort plant, Prunus serotina
Späte Traubenkirsche
noun
1. Ursus americanus, een zwarte berensoort die in Noord - Amerika leeft.
Amerikanischer Schwärzbar
noun
1. in water en op land levend dier
Amphibie
Lurch
noun
1. een door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
Amphore
Amphora
noun
1. door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
Amphora
Amphore
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
Amharisch
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
Amharisch
noun
1. een organische verbinding die kan worden beschouwd afgeleid te zijn van ammoniak...
Amin
noun
1. geheugenverlies
Amnesie
Erinnerungsverlust
Gedächtnisschwund
noun
1. lamsvlies, het binnenste der eivliezen van het embryo in het moederlichaam
Amnion
Schafhaut
Eihaut
Embryonalhülle
Wasserhaut
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
Amöbe
Wechseltierchen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Amorbach
/
aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
Amos
/
ˈɑmpəɫ/
adjective
1. omstandig, meer dan genoeg
ausführlich
weitläufig
noun
- 1. dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
Ampulle
- 4. schenkkannetje voor wijn of water, gebruikt bij de mis
Messkännchen
verb
1. een lichaamsdeel chirurgisch verwijderen
amputieren
entfernen
noun
1. stroommeter
Amperemeter
Strommesser
/
ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
Amsterdam
/
ɑmstər'dɑmərtjə/
noun
1. een paaltje op het trottoir dat ongewenst parkeren voorkomt
Poller
noun
1. iets waarmee men zich vermaakt
Unterhaltung
verb
- 1. op aangename wijze een indruk op iemand maken, iemand doen (glim)lachen
amüsieren
- 2. zich ~ met genoegen scheppen in een activiteit
sich amüsieren
adjective
1. met betrekking tot de darmuitgang van de mens
anal
noun
1. opbouw bij de stofwisseling waarbij simpele stoffen omgezet worden tot chemisch ingewikkeldere stoffen
Anabolismus
adjective
1. weefselopbouwend
Anabolikum
anabol
anabolisch
noun
Anachronismus
Zeitirrtum
/
ɑnakroˈnɪstis/
adjective
1. niet passend in de tijdsvolgorde of in de periode waarin het wordt gepresenteerd
anachronistisch
/
anaˈkɔnda/
noun
1. zeer grote en zware wurgslang uit het geslacht Eunectes
Anakonda
adjective
1. als gevolg van overgevoeligheid (allergie)
anaphylaktisch
allergisch
überempfindlich
/
ˌa.na.fi.lɑkˈsi/
noun
1. een medische term voor een snelle systemische allergische reactie
Anaphylaxie
noun
1. de concretisering van spirituele fenomen in teksten of toespraken
Anagogie
noun
Analeptikum
Anregungsmittel
Aufputschmittel
Belebungsmittel
Stimulans
Weckmittel
noun
1. een pijnstiller
Analgetikum
Schmerzmittel
Analgeticum
Antalgikum
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
Analogie
/
ˌɑnəˈloːx/
adjective
2. tegenovergestelde van digitaal (geluidsopname, uurwerk)
analog
verb
1. gedetailleerd en nauwkeurig bekijken
analysieren
noun
1. een vraaggesprek naar de ziektegeschiedenis
Anamnese
Krankengeschichte
Vorgeschichte
noun
1. een vrucht van de ananasplant
Ananas
adjective
1. betrekking hebbend op anarchisme
anarchistisch
noun
1. een persoon die kennis draagt van de (menselijke) anatomie
Anatom
adjective
1. niet deze
ander
cardinalNumeral
eineinhalb
adverb
- 1. op andere wijze
anders
- 1. behalve
außer
conjunction
1. leidt een zin in die een andere gang van zaken aangeeft
sonst
adverb
1. (maar) aan de andere kant
andererseits
noun
1. Cichorium endiva, een eetbaar eenjarig gewas dat nauw verwant is aan witlof
Endivie
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
Andorra
adjective
1. van/uit Andorra
andorranisch
noun
1. iemand die afkomstig is uit Andorra
Andorraner
noun
1. kruis van twee even lange, schuingeplaatste balken
Andreaskreuz
pronoun
- 1. mythologische figuur
- 2. sterrenbeeld
Andromeda
- 3. melkwegstelsel
Andromedagalaxie
noun
1. een sterrenstelsel met een spiraalvormige structuur in het sterrenbeeld Andromeda
Andromedanebel
/
a.nɛg.ˈdo.tə/
noun
1. een amusant, kort verhaal
Anekdote
/
ɑnəmon/
noun
1. een plant van het geslacht Anemone
Anemone
Windröschen
noun
een medisch vakgebied
Anästhesiologie
Anaesthesiologie
noun
1. een medisch specialist die zich bezig houdt met het geven van anesthesie aan patiënten die een operatie of een pijnlijk, belastend onderzoek moeten ondergaan
Anästhesist
noun
1. geneeskundige die is gespecialiseerd in het verdoven van patiënten die een operatie of een pijnlijk, belastend onderzoek moeten ondergaan
Anästhesist
noun
een apolaire aromatische onverzadigde ether
Anethol
noun
- 2. een vishaak
Angelhaken
- 1. het orgaan waarmee wespen, bijen en soortgelijke dieren steken
Stachel
Wehrstachel
noun
1. leer van de Engelen
Angelologie
/
ɑŋəl'sɑksis/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die tussen ca. tussen 400 en 1100 werd gesproken en die geldt als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels
Angelsächsisch
angelsächsische Sprache
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Engels of gevormd naar Engels voorbeeld
Anglizismus
/
ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /
ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
Angola
/
angoˈlaːr/
pronoun
1.Creoolse taal
Angolar
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
Angst
Bange
Befürchtung
Bangigkeit
noun
1. een angst veroorzakende droom
Angsttraum
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
Anis
noun
is een bloemdragende plant die behoort tot de schermbloemenfamilie Umbelliferae of Apiaceae
Anispflanze
verb
1. opmonteren, opvrolijken
animieren
/
ˈɑ.nʲər.re.voˌly.si/, /
ˈɑ.ɲər.re.voˌly.tsi/
pronoun
1. geweldloze militaire staatsgreep
Nelkenrevolution
noun
- 1. onderdeel van een vaartuig
- 3. onderdeel van een uurwerk
- 6. onderdeel van een elektromotor/dynamo
Anker
- 2. muuranker
Anker
Maueranker
noun
1. een zwarte bal dat moet worden getoond op vaartuigen die bij daglicht ten anker liggen
Ankerball
noun
1. een drijver om aan te geven waar het anker van een geankerd schip ligt
Ankerboje
döpper
noun
1. een zwarte bal dat moet worden getoond op vaartuigen die bij daglicht ten anker liggen
Ankerball
verb
- 1. het anker uitgooien met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen
- 2. voor anker leggen
- 3. zich ergens een vaste positie verwerven, een zitplaats bemachtigen, ergens gaan wonen
ankern
- 4. iets vastmaken/vastzetten met ankers
verankern
pronoun
- 1. meisjesnaam
Anna
- 2. spelwoord voor de letter a
Anton
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Annaberg-Buchholz
/
ˌɑnɛkˈsatsi/
noun
1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
Einverleibung
Annexion
/
ˌɑnɛkˈsɪːrə(n)/
verb
1. het toeëigenen van een grondgebied
einverleiben
noun
2. aankondiging
Annonce
Anzeige
verb
1. van kanttekeningen voorzien
annotieren
/
ɑny'lerə/
verb
1. iets afgelasten
annullieren
noun
1. een uit de Bijbel afkomstige aankondiging van een engel aan de maagd Maria dat zij de zoon van God zou baren
Annunziation
noun
1. afwijking van organen
Anomalie
adjective
1. naamloos
anonym
unbekannt
noun
1. naamloosheid
Anonymität
adjective
1. (medisch) lijdend aan of betrekking hebbend op anorexia nervosa
anorektisch
magersüchtig
noun
1. magerzucht, eetstoornis
Magersucht
adjective
1. niet tot de koolstofverbindingen behorend
anorganisch
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Opper-Oostenrijk
Ansfelden
noun
1. een postkaart met een afbeelding
Ansichtskarte
Postkarte
noun
- 1. tegenwerkend middel of orgaan
- 2. belangrijkste tegenspeler
Antagonist
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
Antarktis
Antarktika
noun
1. de naam voor het woord waarnaar een ander woord, meestal een betrekkelijk voornaamwoord, verwijst
Bezugswort
verb
2. een eerdere datum op een document schrijven dan die van de huidige dag
rückdatieren
noun
- 1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
Antenne
- 2. een voelspriet bij dieren
Fühler
noun
1. antennedraad
Antennendraht
noun
1. de vrije hoogte van een antenne
Antennenhöhe
noun
1. antennekabel
Antennenleitung
noun
1. antennekring
Antennenkreis
noun
1. hoge antenne-ondersteuningsconstructie
Antennenmast
noun
1. de tegenstander
Anti
adjective
1. wat overgevoeligheid tegengaat
antiallergisch
noun
1. geneesmiddel dat hartritmestoornis tegengaat
Antiarrhythmikum
noun
1. een weinig spannende, soms teleurstellende ontknoping van het verhaal
Antiklimax
noun
1. een stof die de bloedstolling vertraagt of tegengaat
Antikoagulation
noun
1. technieken voor het voorkomen van zwangerschap na geslachtsgemeenschap
Empfängnisverhütung
noun
1. een methode van anticonceptie in de vorm van een pil, dat je niet zwanger wordt
Antibabypille
noun
1. middel tegen stuipen, toevallen (bij epilepsie)
Antikonvulsivum
verb
1. voorzien van een te vroege datum
rückdatieren
noun
1. een deeltje waarvan een aantal fysische eigenschappen dezelfde zijn, maar andere eigenschappen (waaronder de lading) precies tegengesteld
Antiteilchen
/
ˌɑntideprɛˈsivʏm/
noun
1. een middel tegen ziekelijke neerslachtigheid
Antidepressivum
noun
1. geneesmiddel ter behandeling van suikerziekte
Antidiabetikum
noun
1. een tegengif
Antidot
Antidoton
adjective
- 1. oud, maar waardevol
- 2. met betrekking tot de klassiek Grieks-Romeinse oudheid
antik
noun
1. oude kunst-, sier- en gebruiksvoorwerpen, die verzameld en verhandeld worden
Antiquität
noun
Antiquar
Antiqitätenhändler
noun
1. vers dat gezongen wordt als inleiding of afsluiting van een psalm
Antiphon
/
ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /
ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
Antigua und Barbuda
noun
1. een hoofdpersonage in een verhaal met niet de typerende positieve eigenschappen van een held
Antiheld
noun
1. vrouwelijk hoofdpersonage in een verhaal die niet de typische positieve eigenschappen heeft van een held
Antiheldin
noun
1. stof die de werking van de weefselstof histamine vermindert
Antihistaminikum
noun
1. bloeddrukverlagend middel
Antihypertensivum
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
Antillen
/
ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
Antilope
pronoun
1. een provinciehoofdstad in Turkije
Antiochia
noun
1. stof die reacties tegengaat waarbij elektronen worden uitgewisseld
Antioxidans
Antioxidationsmittel
noun
1. winkel of bedrijf dat oude en tweedehands boeken verhandelt en verkoopt
Antiquariat
noun
iemand met antisemitische denkbeelden
Antisemit
adjective
1. anti-Joods, tegen het Joodse volk
antisemitisch
noun
1.een middel dat gebruikt worden om de natuurlijke stollingsneiging van het bloed te onderdrukken
Antikoagulation
noun
1. het tegenovergestelde
Gegensatz
Kontrast
noun
1. een stof die veelal aan koelwater wordt toegevoegd om het vriespunt ervan te verlagen om bevriezen ervan te voorkomen
Frostschutzmittel
adjective
1. tegengesteld van betekenis
antonymisch
Antonym
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
Antonym
Gegenwort
/
an.tra.ˈsit/, /
ɑn.tra.ˈsit/
noun
1. een vorm aan steenkopl die hoge temperatuur heeft gehad
Anthrazit
adjective
Anthrazitgrau
anthrazitgrau
noun
1. een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
Milzbrand
noun
1. het eten van mensen
Anthropophagie
verb
anthropomorphisieren
vermenschlichen
noun
1. de studie naar de oorsprong van de voor- en familienamen van mensen.
Namenforschung
/
ˈantˌwɛrpə(n)/, /
ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /
ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
- 1. een provinciehoofdstad in België
- 2. een Belgische provincie
Antwerpen
/
ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
Antwort
/
ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
antworten
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
After
Anus
/
aˈɔrta/
noun
1. de slagader die van het hart naar het lichaam, behalve de longen, loopt
Aorta
adjective
- 2. bijzonder, opmerkelijk
bemerkenswert
besonders
eigen
eigenartig
- 1. op zichzelf, afzonderlijk van het andere
eigen
separat
noun
1. een eetlust opwekkende alcoholische drank die voor de maaltijd genuttigd wordt
Aperitif
noun
1. apertuurantenne
Aperturantenne
noun
1. stam van eencelligen, Apicomplexa
Sporentierchen
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
Apokalypse
noun
1. wegval van slotklank
Apokope
adjective
1. niet als gezaghebbend erkend
apokryphen
noun
1. een mondelinge of schriftelijke verdediging van een persoon, zaak of leer tegen onrechtvaardige aanvallen
Apologie
/
ɑˈpɔstəl/
noun
- 1. leerling van Jezus
- 2. verkondiger van een nieuwe leer
Apostel
noun
- 1. afkappings- of weglatingsteken
Apostroph
Hochkomma
- 2. aanspreking van afwezige personen of zaken
Apostrophe
/
apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
Apotheke
pronoun
1. gebergte in het oostelijk deel van Noord-Amerika
Appalachen
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
Apparat
/
ɑ.ˈpɛl/, /
ɑ.ˈpɛɫ/, /
ˈɑ.pəl/, /
ˈɑ.pəɫ/, /
ˈɑpəɫ/
noun
1. vrucht
Apfel
noun
Apfelweinessig
Apfelessig
noun
1. een bananenras met banaantjes van ongeveer 9 cm lang, die een beetje naar appels smaken
Apfelbanane
noun
1. boom waaraan appels groeien
Apfelbaum
noun
Kerngehäuseausstecher
/
ˈɑpəɫflɑp/
noun
- 1. lekkernij gemaakt van bladerdeeg, driehoekig van vorm en gevuld met een mengsel van in blokjes gesneden appel en kaneel
- 2. lekkernij bestaande uit een schijf appel en gefrituurd deeg dat met oud en nieuw gegeten wordt
Apfeltasche
noun
1. een moes van gekookte appels
Apfelmus
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
Apfelsaft
/
ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
Apfelsine
Orange
noun
1. een moes van gekookte appels
Apfelmus
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
Apfelkuchen
noun
1. Campaea margaritaria
Perlglanzspanner
/
ɑˈpɛndɪks/
noun
2. wormvormig aanhangsel
Appendix
/
ɑplɔudi'serə/
verb
1. in de handen klappen om goedkeuring of bewondering te tonen
applaudieren
/
ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
Applaus
/
ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
April
Ostermond
noun
nog uit te zoeken
Aquarell
/
ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
Aquarium
noun
1. een sterkedrank, op basis van karwij, uit Scandinavië
Aquavit
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
Ara
/
ɑ'rabis/
adjective
1. verwijzend naar de Arabische taal,cultuur,het alfabet of Arabië
arabisch
/
ɑ'rabis/
pronoun
- 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
Arabisch
arabisch
- 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
arabisch
Arabisch
noun
1. wetenschapper die de Arabische taal, cultuur en literatuur bestudeert
Arabist
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van de spinachtigen
Arachnologie
pronoun
1. taal gesproken in Aragon
Aragonesisch
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
Arbeit
verb
1. werk verrichten
arbeiten
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
Arbeiter
Handwerker
noun
1. het totaal aan beschikbare arbeidskrachten op de arbeidsmarkt
Arbeitsangebot
adjective
1.zonder arbeid
arbeitslos
noun
1. de interactie tussen vraag naar en aanbod van arbeid
Arbeitsmarkt
noun
1. verzekering tegen de financiële gevolgen van arbeidsongeschiktheid
Erwerbsunfähigkeitsversicherung
noun
1. ongeval dat tijdens het werk (of onderweg van en naar het werk) optreedt, bedrijfsongeval
Arbeitsunfall
noun
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
Arbeitsrecht
noun
- systeem van gelijktijdige prijsbepaling
Arbitrage
- resultaat van het handelen van een arbiter
Entscheid
Entscheidung
Schiedsspruch
- handelen van een scheidsrechter
Schlichtung
adjective
1. behorend tot of betrekking hebbend op een zeer oud tijdperk
archaisch
/
ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /
ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /
ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
Archäologie
noun
1. een fonetisch element dat meerdere fonemen vertegenwoordigt die in een bepaalde fonologische context dezelfde oppervlaktevorm hebben
Archiphonem
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
Architekt
adjective
1. betrekking hebbend op de architectuur
architektonisch
noun
- 1. de bouwstijl van een gebouw
Architektur
Baukunst
- na-oorlogse architektuur
Nachkriegsarchitektur
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
archivieren
pronoun
1. naam voor het noordpoolgebied
Arktis
Nordpolargebiet
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
Nordpolarmeer
noun
1. bepaald soort grote massief zeezoogdier met een kolossale kop, Balaena mysticetus
Grönlandwal
Nordwal
Polarwal
pronoun
1. middelgebergte in het zuidoosten van België, Noord-Luxemburg en een klein stuk Frankrijk
Ardennen
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Ardèche
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Adler
/
ˌɑrɣɛnˈtɛɪ̯n/, /
ˌɑrɣɛnˈtɛːn/, /
ˌɑrχɛnˈtɛɪ̯n/
noun
1. iemand van Argentijnse komaf
Argentinier
/
ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /
ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
Argentinien
noun
1. het plegen van bedrog of misleiding
Arglist
adjective
hinterlistig
verschlagen
noun
1. het arglistig zijn
Arglistigkeit
/
ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
Argon
/
ˌɑrɣyˈmɛnt/
noun
- 1. een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
Argument
- 2. een reden om iets te doen
Grund
verb
1. met argumenten tot een conclusie trachten te komen
argumentieren
noun
1. gekoesterd gevoel van verdenking
Argwohn
/
arijaˈnɪsmə/
noun
1.
Arianismus
noun
1. een persoon die lid is van de aristocratie
Aristokrat
noun
1. een regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten
Aristokratie
pronoun
1. massief tussen de Oostenrijkse deelstaten Vorarlberg en Tirol
Arlberg
/
ɑrṃ/
adjective
- 1. weinig bezittend
- 2. beklagenswaardig
arm
/
ɑrṃ/
noun
- 1. lichaamsdeel
Arm
- 2. onderdeel van een organisatie
Zweig
noun
1.een Franse brandewijn
Armagnac
/
ɑrˈmen/, /
ɑrˈmeːn/
noun
1. een inwoner van Armenië, of iemand afkomstig uit Armenië
Armenier
Armenierin
/
ɑrˈmens/, /
ɑrˈmeːns/
adjective
1. betreffende Armenië of het Armeens
armenisch
Armenisch
/
ɑrˈmens/, /
ɑrˈmeːns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Armenië
Armenisch
armenisch
/
ɑrˈmensə/, /
ɑrˈmeːnsə/
noun
Armenierin
pronoun
Völkermord an den Armeniern
/
ɑrˈmeni.jə/, /
ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
Armenien
/
ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
Armut
adjective
1. van weinig waarde
ärmlich
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Arnsberg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Arnstadt
/
aruˈmens/
pronoun
1. een Romaanse taal die in de Balkan gesproken wordt
Aromunisch
noun
1. (aangename) geur van spijzen, dranken, genotmiddelen enz
Aroma
/
aroˈmans/
pronoun
1. een Romaanse taal die in de Balkan gesproken wordt
Aromunisch
adjective
- 1. met geurstof
- 2. voldoende aan de regel van Hückel
aromatisch
verb
1. geur geven aan
aromatisieren
/
ɑrpiˈtaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Frankrijk, Italië en Zwitserland
Arpitanisch
noun
2. muziekbewerking
Arrangement
noun
1. document
Haftbefehl
verb
1. van overheidswege in hechtenis nemen
festnehmen
verhaften
/
ɑriveːrən/
verb
1. de bestemming bereiken
ankommen
noun
- 1. kunstvoorwerp of -product
- 4. een bewerkt voorwerp uit prehistorische tijd
- 5. een kunstmatig veroorzaakte misvorming; zelf toegebracht letsel
Artefakt
verb
1. de uitspraakklanken zorgvuldig vormen
artikulieren
/
ɑrˈtiːkəl/
noun
- 3. een van de bepalingen waaruit een wet bestaat
Artikel
- 2. een publicatie in een tijdschrift
Artikel
Beitrag
- 4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
Artikel
Geschlechtswort
- 1. een voorwerp dat te koop is
Artikel
Ware
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
Artillerie
adjective
1. (economie) op de originele of traditionele manier gemaakt
handwerklich
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
Artischocke
noun
1. een aandoening van het gewrichtskraakbeen
Arthrose
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
Arzt
/
a.ˈru.ba/, /
a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Aruba
noun
1. afkorting van As-majeur
As
noun
- 2. lijn
- 1. centrale staaf
Achse
- 3. deel van een plant
Stengel
- 1. verbrandingsrest
Asche
- 3. verlaagde toon a
as
- 4. as-kleinetertstoonladder
as-Moll
- 5. as-mineurgrondakkoord
as-Moll
as
abbreviation
- 1. het akkoord as - c - es
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
As-Dur
abbreviation
- 1. het akkoord as - ces - es
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
as-Moll
/
(ʔ)ɑs'xrot/
abbreviation
- 1. het akkoord as - c - es
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
As-Dur
abbreviation
1. het akkoord as-c-es
As-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “as” als grondtoon
As-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “as” als grondtoon
As-Dur-Tonleiter
/
(ʔ)ɑs'klɛɪn/
abbreviation
- 1. het akkoord as - ces - es
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
as-Moll
abbreviation
1. het akkoord as-ces-es
as-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “as” als grondtoon
as-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met as als grondtoon
as-Moll-Tonleiter
/
(ʔ)ɑsˌmaˈʒør/
abbreviation
- 1. het akkoord as - c - es
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
As-Dur
abbreviation
1. het akkoord as-c-es
As-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “as” als grondtoon
As-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "as" als grondtoon
As-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “as” als grondtoon
As-Dur-Tonleiter
/
(ʔ)ɑsˌmi'nør/
abbreviation
- 1. het akkoord as - ces - es
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
as-Moll
abbreviation
1. het akkoord as-ces-es
as-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met as als grondtoon
as-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met as als grondtoon
as-Moll-Tonleiter
/
ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
Aschenbecher
Ascher
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
Asbest
noun
1. iemand die zich aan godsdienstige praktijken en boetedoeningen wijdt en zeer sober leeft
Asket
Asketin
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
- 2. een district in de Duitse deelstaat Beieren
Aschaffenburg
noun
1. dubbel verlaagde toon a
Ases
abbreviation
1. het akkoord ases-ces-eses
Ases-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “ases” als grondtoon
Ases-Dur-Tonleiter
noun
1. “Ases-majeur”
Ases-Dur
abbreviation
1. het akkoord ases-ces-eses
Ases-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “ases” als grondtoon
Ases-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “ases” als grondtoon
Ases-Dur-Tonleiter
/
aˈsilsɛntrʏm/
noun
1. plaats waar mensen die als vluchteling of ontheemde uit een ander land zijn gekomen tijdelijk worden opgevangen
Asylantenheim
Asylheim
pronoun
1. hoofdstad van Turkmenistan
Aschgabat
/
ɑʃkə'nazi/
noun
1. Hoogduitse jood, jood afkomstig uit Midden- of Oost-Europa
Aschkenasi
/
ɑʃkə'nazis/
noun
1. meervoud van Asjkenazi
Aschkenasim
/
ɑʃkə'nazim/
noun
1. meervoud van Asjkenazi
Aschkenasim
adjective
1. zonder sociaal besef
asozial
unsozial
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
Spargel
noun
1. een middel tegen allerlei kwalen met als werkzame stof acetylsalicylzuur
Aspirin
pronoun
1. een taal die in Assam, een staat in India, gesproken wordt
Assamesisch
/
ɑsɛrˈtif/
adjective
selbstsicher
selbstbewußt
noun
1. een persoon die ondersteunt
Assistent
Helfer
Mitarbeiter
verb
1. tot compagnon maken of nemen
assoziieren
noun
1. aanbod van producten
Sortiment
noun
1. de wetenschappelijke studie van het oude Mesopotamië
Assyriologie
noun
1. scheikundig element met symbool At en atoomnummer 85
Astat
noun
2. een bloem van de aster
Astern
/
ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /
ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
Sternchen
Asterisk
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
Asteroid
Planetoid
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
Asthma
noun
1. iemand die lijdt aan de longziekte astma
Asthmakranker
Asthmapatient
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
Astrologe
/
ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /
ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /
ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
Astronaut
noun
1. speciale voedingsmiddelen die door ruimtevaarders worden gebruikt tijdens een ruimtereis
Astronautennahrung
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
Astronomie
Sternenkunde
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Asturië
Asturisch
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Asturien
noun
1. eerste dag van de vastentijd
Aschermittwoch
noun
1. een aerosol van fijnverdeelde vulkanische as
Aschewolke
/
a.sɪmp.ˈtot/
noun
1. een lijn die door een kromme of functie willekeurig dicht benaderd wordt, maar deze nooit raakt
Asymptote
pronoun
1. Atair/Altair
Altair
Atair
/
atɑkˈsi/
noun
1. een onzekere gang bij het lopen
Ataxie
noun
1. de werkruimte van een kunstenaar
Atelier
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
Athen
/
ˌa.te.ˈjɪsmə/, /
ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
Atheismus
/
ˌa.te.ˈjɪst/, /
ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
Atheist
Gottesleugner
/
ɑtˈlɑntikʏm/
noun
Atlantikum
pronoun
1. mythologisch eiland
Atlantis
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
Atlantik
Atlantischer Ozean
noun
1. anadrome vis die tot 4 meter lang en 250 kg zwaar kan worden, Acipenser oxyrinchus
Atlantischer stör
noun
- 1. een boek dat geografische kaarten bevat
- 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
- 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
- 1. satijn
Atlas
noun
sporttak waarin vooral lopen, springen en werpen aan bod komen
Athletik
Leichtathletik
noun
- 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
- 2. eenheid.
Atmosphäre
- 2. een stemming.
Atmosphäre
Ambiente
Klima
noun
1. de massa van een atoom, uitgedrukt in de atomaire massa-eenheid u
Atommasse
noun
1. de kernlading van een atoom
Atomzahl
Ordnungszahl
noun
1.een groep geneesmiddelen die cholesterolsyntheseremmers of statinen worden genoemd
Atorvastatin
pronoun
1. een stad in Frans-Vlaanderen
Arras
noun
2. centraal vertrek
Atrium
noun
1. schriftelijk bewijs
Zeugnis
Attest
noun
- 1. formele getuigenverklaring
Beglaubigung
Bezeugung
- 2. bewijsplaats voor het bestaan van een woord in het verleden
Beleg
Bezeugung
/
ɑtrɪbʏˈtif/
adjective
1. wanneer het voor een zelfstandig naamwoord geplaatst wordt
attributiv
adjective
1. afwijkend van het gemiddelde
atypisch
interjection
1. uitroep van pijn
au
/
obɛrˈʒinə/
noun
- 2. purperachtige, vlezige vrucht
Aubergine
Eierfrucht
- 1. plant uit de nachtschadefamilie
Aubergine
Eierpflanze
adjective
1. zichtbaar en hoorbaar
audio-visuell
/
ʌuˈɣɵrk/, /
ʌˈʝʏrk/
noun
1. kleine, in het zuur ingemaakte komkommer
Gurke
Gewürzgurke
/
aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /
ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /
ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
August
Ernting
noun
- 4. een grote zaal voor bijeenkomsten, voorstellingen enz. in een middelbare school, een museum of eenigerlei andere instelling
Aula
- 3. een grote gehoorzaal van een universiteit
Hörsaal
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Aulendorf
pronoun
1. een stad in Polen
Auschwitz
verb
1. luister naar de geluiden in het lichaam
auskultieren
/
aʊ̯ˈstraːli.jə/, /
ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /
ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
Australien
/
aʊ̯ˈstraːli.jər/, /
ɔʊ̯ˈstraːli.jər/, /
ʌʊ̯ˈstrali.jər/
noun
1. een inwoner van Australië
Australier
Australierin
/
ɑustro'nezis/
adjective
behorend tot groep van talen
austronesisch
/
oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
Autor
noun
1. (telecommunicatie) (informatica) het proces waarbij iemand nagaat of een gebruiker,...
Authentisierung
verb
1. echtheid, oorsprong of rechtsgeldigheid vaststellen
authentifizieren
beglaubigen
bestätigen
/
ʌuˈtɪsmə/, /
ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
Autismus
/
ʌuˈtɪstɪs/, /
ʌˈtɪstɪs/
adjective
1. lijdend aan autisme
autistisch
/
ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
Auto
Wagen
noun
1. verkeersongeval waarbij minstens één auto betrokken is
Autounfall
Verkehrsunglück
noun
Autobiografie
Selbstbiographie
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
Bus
Autobus
adjective
1. oorspronkelijk in een bepaald gebied thuishorend
autochthon
noun
1. de oorspronkelijke bewoner van een land
Autochthone
noun
1. handtekening van een beroemd persoon
Autogramm
adjective
- 1. niet bestuurd door de hand van de mens
- 2. vanzelfgaand
- 3. gedachteloos
automatisch
verb
1. automatisch doen werken
automatisieren
noun
1. een groot bedrijf dat zich toelegt op de toepasssing van de informatica bij andere bedrijven
IT-Konzern
noun
1. een bestuurder van een auto
Autofahrer
noun
1. vakman die beroepshalve reparaties verricht aan en onderhoud doet van auto's
Automechaniker
/
aʊ̯.to.no.ˈmi/, /
ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /
ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
Autonomie
/
ˌʌʊtoˈnom/
adjective
1. op zichzelf staand
autonom
noun
1. een lijkschouwing
Autopsie
/
ɑʊ̯torɛi(d)ə(n)/
verb
1. zich voortbewegen door een auto te besturen
Auto fahren
/
ˈɑʊ̯.to.ˌrɛɪ.sxol/
noun
Fahrschule
noun
1. weg voor snelverkeer (dat sneller kan en mag rijden dan 60 km per uur), met gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen
Autobahn
/
ˈɑutospɔrt /
noun
1. verzamelnaam voor wedstrijden die verreden worden met een gemotoriseerd voertuig met vier of meer wielen
Automobilsport
/
ˈɑʊ̯toˌvrɛɪ̯/, /
ˈɔʊ̯toˌvrɛː/
adjective
1. zonder auto's
autofrei
/
ɑu̯ˈtri.sə/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
Autorin
pronoun
1. voormalige regio in Centraal-Frankrijk
Auvergne
/
'avatɑr/
noun
2. (informatica) een kleine afbeelding die een bepaalde gebruiker symboliseert
Avatar
pronoun
1. een stad in Frankrijk
Avignon
/
ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
Avocado
Avokato
/
ˌavoˈkadobom/
noun
1. immergroene boom uit Midden-Amerika die de avocadoperen voortbrengt
Avocado
Avocadobaum
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
Abend
noun
1. een maaltijd die 's avonds genuttigd wordt
Abendessen
Abendbrot
Dinner
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
Ausgangssperre
Sperrzeit
adjective
1. gedurende de avond
abendlich
noun
- 1. de maaltijd die men 's avonds nuttigt
Abendessen
- 2. de rituele viering van het laatste avondmaal dat Jesus met zijn leerlingen nuttigde voor zijn terechtstelling aan het kruis
Abendmahl
Kommunion
/
ˈaːvɔntˌmɛns/
noun
1. iemand met een voorkeur voor bezigheden in de avonduren
Nachtschwärmer
Nachtrabe
noun
1. een school waarin in de avonduren lesgegeven wordt
Abendschule
noun
1. de uitvoering van een opera, toneelstuk, concert of iets dergelijks in de avond
Abendvorstellung
noun
1. iemand die graag het avontuur opzoekt
Abenteurer
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
Abenteuer
noun
2. neiging om ongewone dingen te willen beleven
Abenteuerlust
adjective
1. de as betreffend of volgend, behorend tot de as
axial
noun
1. een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden
Axiom
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
Ajatollah
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
Aymara
/
ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /
ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
Aserbaidschan
/
aˈzeːri/, /
aˈzɪːri/
pronoun
1. Turkse taal die door 22 miljoen mensen vooral in Azerbeidzjan, maar ook in Iran, Georgië en Turkije wordt gesproken
Aserbaidschanisch
noun
1. Soort olifant
Asiatische Elefant
noun
1. Berensoort
Asiatischer Schwarzbär
/
aˈzɛɪn/, /
aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
Essig
noun
1. CH₃COOH
Essigsäure
Ethansäure
/
azimɵt/
noun
1. horizontale hoek
azimut
Azimut
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
Asien
adjective
Azurblau
azurblau
noun
- 1. verhoogde toon a
aïs
- 3. aïs-mineurgrondakkoord
aïs
aïs-Moll
- 2. aïs-kleinetertstoonladder
aïs-Moll
abbreviation
- 1. het akkoord aïs - cisis - eis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Aïs-Dur
abbreviation
- 1. een akkoord aïs - cis - eis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
ais-Moll
abbreviation
- 1. het akkoord aïs - cisis - eïs
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Aïs-Dur
abbreviation
1. het akkoord aïs-cisis-eïs
Ais-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “aïs” als grondtoon
Aïs-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “aïs” als grondtoon
Ais-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “aïs” als grondtoon
Ais-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “aïs” als grondtoon
Ais-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. een akkoord aïs - cis - eïs
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
ais-Moll
abbreviation
1. het akkoord aïs-cis-eïs
aïs-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “aïs” als grondtoon
ais-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “aïs” als grondtoon
aïs-Moll-Tonleiter
abbreviation
- 1. het akkoord aïs - cisis - eis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Aïs-Dur
abbreviation
1. het akkoord aïs-cisis-eïs
Ais-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “aïs” als grondtoon
Ais-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "aïs" als grondtoon
Ais-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “aïs” als grondtoon
Ais-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “aïs” als grondtoon
Ais-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. een akkoord aïs - cis - eis
Ais-Moll
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
ais-Moll
abbreviation
1. het akkoord aïs-cis-eïs
ais-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “aïs” als grondtoon
aïs-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “aïs” als grondtoon
aïs-Moll-Tonleiter
noun
1. tweemaal verhoogde toon “a”
aisis
noun
2. afkorting voor de toonsoort
H
noun
- 2. de toonnaam
- 3. afkorting van “b-mineur”
h
abbreviation
- 1. het akkoord b - dis - fis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
H-Dur
abbreviation
- 1. het akkoord b-d-fis
- 2. de toonsoort
h-Moll
/
be'ɣrot/
abbreviation
- 1. het akkoord b - dis - fis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
H-Dur
abbreviation
1. het akkoord b-dis-fis
H-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “b” als grondtoon
H-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “b” als grondtoon
H-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “b” als grondtoon
H-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “b” als grondtoon
H-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. het akkoord b-d-fis
- 2. de toonsoort
h-Moll
abbreviation
1. het akkoord b-d-fis
b-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “b” als grondtoon
h-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “b” als grondtoon
h-Moll-Tonleiter
noun
1. een mineurtoonladder met “b” als grondtoon
h-Moll-Tonleiter
/
be'ɣrot/
abbreviation
- 1. het akkoord b - dis - fis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
H-Dur
abbreviation
1. het akkoord b-dis-fis
B-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “b” als grondtoon
H-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "b" als grondtoon
H-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “b” als grondtoon
H-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “b” als grondtoon
H-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. het akkoord b-d-fis
- 2. de toonsoort
h-Moll
abbreviation
1. het akkoord b-d-fis
h-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “b” als grondtoon
h-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “b” als grondtoon
h-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “b” als grondtoon
h-Moll-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met b als grondtoon
H-Dur-Tonleiter
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
Bai
Meerbusen
Meeresbucht
noun
1. een stapel bijeengebonden plantaardig materiaal zoals hooi of tabak
Ballen
Knäuel
/
baːn/
noun
- 2. verkeersweg
- 6. bovenblad van aambeeld
Bahn
- 4. sportterrein
Rennbahn
Sportplatz
- 7. schietterrein
Schießstand
- 1. het werk
Stelle
Arbeitsstelle
- 5. strook materiaal
Streifen
- 3. traject van een projectiel/hemellichaam
Trajectorie
adjective
1. nieuwe wegen openend, innoverend
bahnbrechend
noun
1. een stuk spoor tussen twee punten
Bahnstrecke
adjective
1. in gereed geld, cash
bar
noun
1. kleine verhoging of onderstel, waarop een doodskist wordt opgebaard of gedragen
Bahre
/
baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
Bart
noun
1. een alleen in India voorkomende zwarte aap met een kwastachtige staart en een opvallende grijze kraag
Bartaffe
noun
3. bepaald soort vogel, Panurus biarmicas
Bartmeise
noun
1. bepaalde soort paardenmossel met een behaarde schelp, Modiolus barbatus
Bartmuschel
noun
1. Myotis mystacinus, kleine vleermuis met behaarde bovenlip...
Kleine Bartfledermaus
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
Gebärmutter
Mutterleib
noun
1. smal en buisvormig gedeelte van de baarmoeder dat aan een kant in de vagina eindigt ...
Gebärmutterhals
noun
1. een vorm van kanker die zich in de baarmoederhals ontwikkelt
Gebärmutterhalskrebs
Kollumkarzinom
Zervixkarzinom
noun
1. stekelvinnige riviervis
Barsch
Flussbarsch
/
baːs/
noun
1. overste, leider, chef
Chef
Boss
noun
1. iets met een gunstig effect
Nutzen
Vorteil
noun
1. onedelmoedige en overdreven zucht tot eigen voordeel
Profitsucht
adjective
1. inhalig
eigennützig
selbstsüchtig
verb
1. gezellig praten over zaken van weinig belang
plaudern
schwatzen
schwätzen
plappern
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
Baby
/
ˈbebibɑt/
noun
1. kuip bedoeld om heel jonge kinderen in te wassen
Babybadewanne
/
ˈbe.bi.buːm/
noun
1. een periode waarin ongewoon veel kinderen geboren worden
Bayboom
noun
1. elektronisch afluisterapparaat om geluid uit de kinderkamer elders op te vangen
Babyphon
Babyfon
noun
1. ziekenwagen die speciaal bestemd is voor pasgeboren kinderen
Baby-Notarztwagen
Neugeborenen-Notarztwagen
/
ˈbebiˌlɛik/
noun
1. lichaam van een klein kind dat gestorven is
Babyleiche
noun
1. speelmateriaal dat geschikt is voor een baby
Babyspielzeug
noun
1. benaming voor soorten uit de klasse Bacilli
Bazillus
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Backnang
noun
plantenziekte veroorzaakt door de bacterie
Feuerbrand
/
bɑkteriɔfaɣ/
noun
1.
Bakteriophage
noun
1. een wetenschapper die zich bezighoudt met de bacteriologie
Bakteriologe
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Bacteria
Bakterien
/
bɑt/
noun
- 1. voorwerp waarin men zich wast met water
Badewanne
- 2. hoeveelheid water of andere vloeistof waarin iets of iemand ondergedompeld kan worden
Tauchbad
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Bad Aibling
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Stiermarken
Bad Aussee
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Bad Berleburg
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
- 2. een district in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Bad Dürkheim
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Dürrheim
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Bad Ems
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Friedrichshall
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Bad Gandersheim
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Opper-Oostenrijk
Bad Hall
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Herrenalb
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Bad Hersfeld
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Opper-Oostenrijk
Bad Ischl
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
- 2. een district in de Duitse deelstaat Beieren
Bad Kissingen
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
- 2. een district in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Bad Kreuznach
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Krozingen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Bad König
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Bad Langensalza
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Opper-Oostenrijk
Bad Leonfelden
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Liebenzell
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Mergentheim
pronoun
1.
Bad Münstereifel
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Bad Neuenahr-Ahrweiler
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein
Bad Oldesloe
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Stiermarken
Bad Radkersburg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Bad Reichenhall
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Bad Salzuflen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Schussenried
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Säckingen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Teinach-Zavelstein
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Urach
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Bad Vilbel
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk
Bad Vöslau
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Waldsee
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Wildbad
verb
- 1. een bad nemen
- 3. in bad doen
baden
pronoun
1.
Baden-Württemberg
noun
1. openbare inrichting waar men tegen betaling een bad of douche kan nemen
Badehaus
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
Badezimmer
Bad
noun
1. bergmeubel bestemd voor een vertrek waar men zich kan wassen
Badezimmerschrank
Badezimmerschränkchen
noun
1. een meubel dat bestemd is voor of geplaatst is in een badkamer
Badezimmermöbel
/
ˈbɑtkamərˌspixəl/
noun
1. aan de wand van een vertrek waar men zich kan wassen bevestigd glad oppervlak waarin men zichzelf goed weerkaatst kan zien
Badezimmerspiegel
noun
1. glad afgewerkte platte stenen, meestal van aardewerk, waarmee wanden of vloeren van badkamers worden bekleed
Badezimmerfliese
/
ˈbɑtkamərvɛntiˈlatɔr/
noun
1. toestel dat de vaak vochtige lucht in een vertrek waar men zich kan wassen afvoert, zodat die door drogere lucht wordt vervangen
Badezimmerventilator
/
ˈbɑtkamərˈvɛrᵊf/
noun
1. stof die wegens waterbestendigheid en schimmelwerende eigenschappen...
Badezimmerfarbe
/
ˈbɑtkamərˈvlur/
noun
1. bodem van het vertrek waar men zich kan wassen, meestal met tegels of ander waterbestendig materiaal afgewerkt
Badezimmerboden
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
Badebekleidung
noun
1. kledingstuk om in te zwemmen of te zonnen
Badeanzug
/
ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
Badewanne
noun
1. een sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
Badminton
Federball
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
Badebekleidung
Badeanzug
/
bɑtplaːts/
noun
1. aan zee gelegen plaats waar mensen vaak gaan zwemmen
Badeort
Seebad
Bad
Badeplatz
/
ba.ˈɣaːʃ/, /
ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
Gepäck
noun
1. een aanhangwagen voor het vervoer van bagage
Gepäckwagen
verb
1. iets ernstigs onbelangrijk doen voorkomen
bagatellisieren
verb
1. het uitdiepen van een vaargeul door het verwijderen van overtollig sediment van de bodem
baggern
interjection
1. een uitroep die afkeuring over iets vies of ontoepasselijks uitdrukt
bah
/
ba.ˈha.mas/, /
ba.ˈɦa.mas/, /
bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
Bahamas
/
ba.ˈrɛɪ̯n/, /
bɑx.ˈrɛːn/, /
bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
Bahrain
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Beieren
Baiersbronn
/
ˈbajəs/
noun
1. een gevangenis
Knast
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
Bajonett
noun
1. de linkerzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
Backbord
/
'bakərə(n)/
verb
1. het strak inwikkelen van een baby in een deken of lappen.
pucken
noun
1. een driewielige fiets die voorzien is van een laadbak
Lieferfahrrad
noun
1. deel van het baardhaar dat groeit vanaf de kaaklijnen tot aan de haargrens boven de oren.
Backenbart
Koteletten
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
backen
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
Bäcker
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
Bäckerei
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bakkerijproduct
Backwaren
noun
1. een winkel waar bakkerijproducten verkocht worden
Bäckerei
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
Baku
noun
1. speciaal geprepareerd papier dat in de oven gebruikt wordt om te bakken etenswaar niet aan de bakplaat of de bakvorm te laten kleven
Backpapier
noun
1. rijsmiddel op basis van natriumbicarbonaat
Backpulver
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
Backstein
Ziegel
Ziegelstein
noun
- 1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
Ball
Kugel
- 1. een danspartij
Tanzball
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
Balalaika
verb
1. evenwicht behouden om er niet vanaf te vallen
balancieren
/
balaˈnitɪs/
noun
1. ontsteking van de eikel bij de man.
Balanitis
Eichelentzündung
noun
- 3. (economie) een volledige opsomming van de waarde van alle bezit en alle tegoeden en ...
Bilanz
Saldo
- 1. evenwicht
Gleichgewicht
Balance
- 2. een meetapparaat met twee armen (bedoeld om het verschil te kunnen meten)
Waage
noun
1. stoffen overdekking als ornament, meestal boven een troon, altaar of hemelbed
Baldachin
pronoun
Balearische Inseln
Balearen
noun
1. langgerekte bank van waarachter men klanten bedient
Schalter
pronoun
1. Austronesische taal die wordt gesproken door 3,3 miljoen mensen op of afkomstig van Bali
Balinesisch
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Balingen
/
bɑlk/, /
bɑɫk/
noun
- 1. deel van een constructie met een lengte die veel groter is dan de breedte en de hoogte in doorsnede
Balken
Träger
- 2. veelvlak met 6 rechthoekige zijvlakken, 8 hoekpunten en 12 ribben
Quader
noun
1. wildgroei van cellen die leidt tot een of meer gezwellen in een testikel
Hodenkrebs
pronoun
1. een schiereiland aan het uiterste zuidwesten van Europa
Balkanhalbinsel
/
ˈbɑlkə(n)/, /
ˈbɑɫkə(n)/
verb
1. het geluid van een ezel maken
iahen
noun
1. een bouwkundig onderdeel
Balkon
noun
1. vervanging van de nuttige lading door iets dat voldoende weegt om een schip te stabiliseren
Ballast
/
ˈbɑ.lə/
noun
branie, moed
Eier
noun
2. een damesschoen zonder sluiting en zonder hak
Ballerinaschuh
noun
1. een artistieke dansvorm
Ballett
noun
1. een man die ballet danst
Ballettänzer
noun
!. gokspelletje
Hütchenspiel
Nussschalenspiel
noun
1. gedwongen verblijf elders dan waar men thuis is
Exil
Verbannung
noun
1. leer die de banen van projectielen bestudeert
Ballistik
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
Luftballon
Ballon
noun
1. een pen die de inkt met een bal of kogel op het papier overbrengt.
Kugelschreiber
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
Kugelschreiber
Kuli
verb
1. het prepareren van een stoffelijk overschot om het tegen ontbinding te beschermen
einbalsamieren
noun
1. het paargedrag van met name vogels
Balz
noun
1. een laag hekwerk dat een min of verheven standplaats omsluit
Balustrade
noun
1.huidplooi waarin de testikels liggen
Hodensack
pronoun
1. de nationale taal van Mali
Bambara
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
Bambus
noun
1. een vrucht van de bananenboom
Banane
noun
- 1. een van de Midden-Amerikaanse staten zoals Honduras, Nicaragua, El Salvador of Guatemala, eens zo genoemd vanwege de bananenindustrie die daar alles overheerste
- 2. een in politiek en economisch opzicht corrupt en instabiel land, dat bovendien vaak rijk is aan grondstoffen
Bananenrepublik
noun
1. de schil van een banaaan
Bananenschale
noun
- 2. breed koord
Band
- 3. groep muzikanten die een bepaald muzikaal repertoire ten gehore brengt
Band
Kapelle
Combo
Musikkapelle
- 5. de binnenrand van een biljarttafel
Bande
- 1. ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
Reifen
- 4. relatie
Verbindung
Band
/
bɑndaˈʒerə(n)/
verb
1. ter versteviging omzwachtelen met repen textiel
bandagieren
noun
Montiereisen
Reifenheber
noun
1. een schurk of misdadiger
Bandit
/
bɑnˈdoneɔn/
noun
1. een wisseltonig instrument met doorslaande tongen en een blaasbalg
bandoneon
noun
1. apparaat waarmee men geluid kan vastleggen op magnetische tape
Tonbandgerät
noun
1. een toestel dat geluid opnam op een band magnetiseerbaar materiaal
Tonbandgerät
noun
1. bepaald soort zoogdier, Phoca fasciata
Bandrobbe
verb
1. zich een weg ~: een pad maken waar er geen was, resoluut doordringen in iets
sich einen Weg bahnen
/
ˈbɑŋɦɛːt/, /
ˈbɑŋɦɛːɪt/
noun
1. toestand van schrik
Ängstlichkeit
/
ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /
ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
Bangladesch
Bangladesh
/
ˈbɑŋmaːkʏˌrɛi/
noun
Einschüchterung
noun
- 3. een financiële instelling
- 6. een opslagsysteem voor gegevens of voorwerpen b.v. beeldbank, bloedbank, boekenbank, kennisbank, spermabank
- 4. een ondiepte in het water
Bank
- 5. gebouw waarin een financiële instelling gevestigd is
Bank
Bankgebäude
- 1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon
Sofa
Bank
noun
1. een betaalmiddel van papier
Banknote
Geldschein
/
bɑŋ'kɛt/
noun
- 1. een feestelijke, officiële maaltijd
Bankett
- 2. een vet en zoet gebak van bladerdeeg dat gevuld is met spijs
Feingebäck
noun
1. een bakker die voornamelijk taarten, klein gebak en chocolade maakt
Konditor
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het vervaardigen van gebak, taart en andere lekkernijen
Konditorei
noun
1. een stuk banket dat gemaakt is van bladerdeeg, gevuld is met amandelspijs, de vorm heeft van een letter (vaak de 'S') en vooral populair is rond Sinterklaas
Blätterteiggebäck in Buchstabenform
noun
1. een langwerpig stuk gebak, bestaand uit bladerdeeg en gevuld met amandelspijs
Mandelgebäck
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
Bankier
Banker
noun
1. een rekening-courant bij een bank
Bankkonto
noun
1. toestand van iemand die niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen
Pleite
Bankrott
Konkurs
Insolvenz
Zahlungsunfähigkeit
noun
1. verschijnsel waarbij een groot aantal klanten hun geld van hun bankrekening halen
Bankrun
noun
1. een handig hulpmiddel om werkstukken in vast te houden
Schraubstock
/
ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
Exilant
/
ˈbɑntutaːl/
noun
1. een taal die tot de Bantoetak van de Niger-Congotalen behoort
Bantusprache
noun
1. een kerkelijke straf
Bannfluch
noun
benaming voor dikstammige bomen uit droge, warme gebieden uit het geslacht Adansonia
Affenbrotbaum
Baobab
adjective
1. zonder beperkingen opgelegd door beschaafd gedrag
barbarisch
/
ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /
ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
Barbados
/
bɑrbɑˈrɪzmə/
noun
1. woord of uitdrukking uit een andere taal
Barbarismus
/
ˈbɑrbəkju/
noun
- 1. apparaat
Barbecue
Grill
- 2. bijeenkomst
Grillparty
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in de middenlopen van rivieren, Barbus barbus
Barbe
noun
1. een herenkapper die ook baarden bijwerkt
Barbier
noun
1. Een slaapmiddel in de vorm van een barbituurzuur verbinding
Barbiturat
noun
1. (informatica) een op artikelen, verpakkingen afgedrukte reeks smalle en brede streepjes waarmee in gecodeerde vorm productinformatie is vastgelegd die met een scanner kan worden gelezen
Barcode
/
bɑrt/
noun
1. middeleeuws dichter en zanger bij de Kelten
Barde
pronoun
1. een gemeente in de Nederlandse provincie Zuid-Holland
Barendrecht
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
Barett
Baskenmütze
/
bɑrx/
noun
1. gecastreerd mannetjesvarken
Borg
Altschneider
noun
1. baritonsaxofoon
Baritonsaxophon
noun
1. bepaald type zeilschip met drie of meer masten
Bark
noun
1. iemand die achter de bar staat en drankjes voor de gasten inschenkt
Barmann
Barkeeper
noun
1. door een barograaf opgetekende registratie van de luchtdruk
Barogramm
noun
1. een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
Barock
/
ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
Barometer
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
Baron
Freiherr
noun
1. vrouwelijke baron
Baronin
noun
lichamelijk letsel door snel veranderende atmosferische druk
Barotrauma
noun
- 3. beslissingsronde
Ausscheidungsrunde
Stichkampf
- 1. versperring
Barrage
Versperrung
- 2. dam
Staudamm
Talsperre
noun
1. straatversperring die de doorgang door een straat onmogelijk maakt
Barrikade
adjective
1. onverbiddelijk, onvriendelijk
barsch
verb
1. heftig breken of uiteenspatten
bersten
pronoun
2. apocrief boek uit de Bijbel
Baruch
adjective
- 1. fundamenteel
basal
- 2. aan de basis liggend
basal
grundlegend
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
Basalt
adjective
Basaltgrau
basaltgrau
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
Bassblockflöte
noun
- 1. stof die een of meer hydroxylgroepen bevat en in een waterige oplossing OH-ionen afsplitst
- 2. ion of molecuul dat de neiging heeft een proton op te nemen
Base
/
baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
Basilikum
noun
1. een vorm van democratie waarin zo veel mogelijk beslissingen actief door het kiesbevoegde volk worden genomen...
Basisdemokratie
/
ˈbazɪsxoɫ/
noun
1. een school voor lager onderwijs
Grundschule
/
'bɑskən,lɑnd/
pronoun
- 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
- 3. Spaanse autonome regio
Baskenland
noun
- 2. bal
Basketball
- 1. sport
Basketball
basketbal
adjective
- 1. met betrekking tot de Basken
- 2. met betrekking tot de Baskische taal
baskisch
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
Baskisch
baskisch
noun
1. geurige rijstzaden
Basmatireis
noun
1. bassaxofoon
Basssaxophon
noun
1. bekken met een ondoorlaatbare bodem waarin water opgelagen kan worden
Bassin
noun
- 1. contrabasspeler
- 2. baszanger
Bassist
abbreviation
1. continu voortgaande bas- en/of begeleidingspartij
Generalbass
Basso continuo
Continuo
noun
1. buitenste laag...
Bast
noun
1. een kind dat niet geboren is uit een wettig huwelijk
Bastard
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Luxemburg
Bastnach
noun
1. het geld dat voor iets ontvangen is of ontvangen moet worden
Erträge
verb
1. helpen
nutzen
nützen
noun
1. stokje dat een dirigent bij het dirigeren hanteert
Taktstock
verb
2. geslachtsgemeenschap hebben
ficken
bumsen
vögeln
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
Batterie
noun
1. eenheid van snelheid van informatieoverdracht van een datatransmissiekanaal (modem, telefoonlijn etc.)
Baud
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
Pavian
/
ˈbɑks.tər/
noun
1. vochttoediening in de bloedvaten
Infusion
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
- 2. een district in de Duitse deelstaat Beieren
- 3. een voormalig markgraafschap en vorstendom
Bayreuth
pronoun
1. stad in Zwitserland
Basel
/
'biːmən/, /
bə'amən/
verb
1. bevestigen dat men het eens is met iets
einverstanden sein mit
/
bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
beantworten
pronoun
1. deel van de Noordelijke IJszee, ten noordwesten van Canada en ten noorden van Alaska
Beaufortsee
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
bärtig
verb
1. van bakens voorzien
abbaken
ausbaken
bebaken
verb
- 1. vullen met gebouwen
bebauen
- 2. landbouwgrond bewerken
kultivieren
/
bə.ˈbaʊ̯.wɪŋ/, /
bə.ˈbɔʊ̯.β̞ɪŋ/, /
bə.ˈbʌʊ̯.β̞ɪŋ/
noun
- 1. het construeren van een gebouw op een stuk land
- 2. de gebouwen op een stuk grond
Bebauung
noun
1. becijferde bas
bezifferter Bass
verb
- 1. uitrekenen
- 2. door cijfers aanwijzen
- 3. (muziek) notaties door cijfers aangeven
beziffern
/
bɛd/, /
bɛt/
noun
- 2. afgeperkte en/of verhoogde plaats in een tuin, waarop bloemen of gewassen gekweekt worden
Beet
- 1. een meubel gemaakt om in te slapen
Bett
adjective
1. goed doordacht iets doen
bedacht
verb
- 3. een lidmaatschap of abonnement opzeggen
abbestellen
- 2. weigeren aan te nemen
ablehnen
- 1. erkentelijkheid tot uitdrukking brengen
danken
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
danke
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Bedburg
noun
1. een sierkleed voor over een bed
Bettdecke
Tagesdecke
sengetæppe
tæppe
verb
1. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
bedecken
zudecken
verb
- 1. om een aalmoes vragen
betteln
- 1. een deel toewijzen aan iemand
bedenken
/
bəˈdɛŋkələk/
adjective
1. wat bezorgdheid of afkeuring opwekt
bedenklich
zweifelhaft
verb
- 2. door nadenken vinden
ausdenken
- 3. iets schenken aan
- 1. gedachten laten gaan over, denken over
bedenken
- 4. zich ~: op een besluit terugkomen, van gedachten veranderen
es sich anders überlegen
/
bəˈdinə(n)/
verb
1. eten en of drinken brengen in een horecagelegenheid
bedienen
noun
1. de groep van personen die eten en of drinken brengen in een horecagelegenheid
Bedienung
verb
1. aan discussie onderwerpen
besprechen
diskutieren
adjective
1. wat men wilde bereiken of uitdrukken
gedacht
verb
- 2. iets met een bepaald oogmerk doen
beabsichtigen
bezwecken
- 1. met een woord of toespeling iets of iemand aanduiden of proberen aan te duiden
meinen
noun
- 1. het doel van een actie, dat wat men wil gaan doen of wil bereiken
Absicht
- 2. de zin of strekking
Sinn
adjective
- 1. dreigend bejegend
- 2. mogelijk op het punt staand van uitsterving
bedroht
verb
1. iemand met een mogelijk gevaar confronteren
bedrohen
verb
1. iemand met kwade opzet in de waan brengen
beschwindeln
hereinlegen
noun
1. vrouw die bedriegt
Schwindler
/
bəˈdrɛɪ̯f/, /
bəˈdrɛːf/
noun
- 5. deel van een toneelspel
Akt
Aufzug
- 1. organisatie, samenspel van mensen en middelen om producten en of diensten te leveren
Betrieb
noun
1. een specialist die een bedrijf adviseert in zaken de bedrijfvoering
Unternehmensberater
adjective
1. klaar om in bedrijf genomen te worden
betriebsbereit
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
Betriebswirtschaftslehre
noun
1. het geheel aan bedrijven in een bepaalde samenleving
Wirtschaft
verb
1. aan iets doen
treiben
/
bəˈdrɛɪ̯vəχ/, /
bəˈdrɛɪ̯vɪx/, /
bəˈdrɛːvəx/
adjective
tot hard werken geneigd
rührig
verb
1. triest stemmen
betrüben
/
bə'drɔx/
noun
1. het met kwade opzet misleiden van iemand
Täuschung
Betrug
verb
2. zich ~: zich redden, voor zichzelf zorgen
sein auskommen haben
verb
1. bedriegen
hereinlegen
beschwindeln
verarschen
noun
1.1 Cimex lectularius, een parasitair insect
Bettwanze
verb
1. iemands bewustzijn verminderen of laten verliezen door blootstelling aan een bepaalde stof
betäuben
verb
- 1. onderwerpen of onderdrukken
- 2. in bedwang houden
bezwingen
/
bek/
noun
1. stromend watertje
Bach
noun
1. bepaalde ondersoort van vissen die voorkomt in stromend water, Salmo trutta fario
Bachforelle
noun
1. zeldzaam visje dat inheems voorkomt in de Benelux, Lampetra planeri
Bachneunauge
Bachpricke
Neunhocker
noun
1.
Gemeine Keiljungfer
noun
1. driedimensionaal kunstwerk
Bild
Abbild
adjective
1. een beeld ergens van makend
bildhaft
darstellend
verb
1. uit steen een beeld vervaardigen
bildhauern
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
Bildhauer
Skulpteur
noun
1. een kunstvorm die ruimtelijke beelden voortbrengt, bijvoorbeeld door deze uit te houwen in steen
Bildhauerei
Bildhauerkunst
/
'beltɦɑʊʋɛrk/
noun
1. een kunstwerk vervaardigd door het houwen van steen
Skulptur
Bildhauerwerk
Plastik
noun
1. reeks getekende plaatjes die verzonnen of werkelijke gebeurtenissen vertellen
Bildergeschichte
/
beːn/
noun
- 1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
Bein
- 3. stof waaruit benen/botten bestaan
Knochen
noun
1. een verkoper van vlees
Fleischer
Metzger
noun
1. Het bedrijf van een beenhouwer
Fleischerei
Metzgerei
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
Knochenmark
/
beːr/, /
bɪːr/
noun
- 1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
Bär
- 1. mannetjesvarken
Eber
- 1. gier, mensendrek
Jauche
Fäkalien
noun
1. een put waarin fecaliën verzameld worden
Senkgrube
/
beːst/
noun
1. dier
Tier
Bestie
/
ˈbeːtʃjə/
noun
1. kleine hoeveelheid
bisschen
adjective
1. op een goede manier bekend staan
berühmt
noun
1. bepaald soort lijster, Turdus torquatus
Ringdrossel
noun
1. een bijzondere aanleg, een gave
Talent
Begabung
verb
1. iets doen dat onjuist of verboden is
begehen
verüben
/
bəˈxanə xrɔnt/
abbreviation
1. een bouwlaag van een gebouw die ter hoogte van het maaiveld ligt
Erdgeschoss
noun
1. verlangen
Begierde
Wunsch
/
bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /
bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /
bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
1. vergezellen
begleiten
noun
1. personen die iemand vergezellen of bewaken
Begleitung
verb
1. sterk verlangen om iets te bezitten
begehren
verb
1. een gift geven
beschenken
noun
1. een hofje waar vrouwen als geestelijke zusters tezamen leefden, zonder een kloostergelofte af te leggen
Beginenhof
verb
- 2. initiëren
beginnen
- 1. aanvangen
beginnen
anfangen
noun
1. regel waar je je in ieder geval aan wilt houden
Prinzip
noun
1. (plantk.) Begonia, een geslacht bloeiende planten uit de begoniafamilie
Begonie
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
Friedhof
Kirchhof
noun
1. een ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd
Beisetzung
/
bəˈɣrafənɪsɔndərˌnemər/
noun
1. Een persoon die de begrafenis van overledenen verzorgt
Bestatter
Bestattungunternehmer
verb
- 2. een overledene begraven
beerdigen
begraben
- 3. iets wegstoppen
begraben
vergraben
- 1. iets onder de grond stoppen
vergraben
begraben
verb
1. beperken, limiteren
begrenzen
/
bə.χrɛɪ.pə(n)/
verb
1. met het verstand vatten
verstehen
noun
- 2. datgene wat men ergens onder verstaat of hoe men iets kent
Begriff
идея
- 1. het verstaan of begrijpen van iets
Verständnis
/
bəˈɣrotɪŋ/
noun
1. raming van de te maken uitgaven voor de komende tijd
Budget
Etat
Haushalt
Haushaltsplan
Kostenvoranschlag
verb
1. iemand al dan niet financieel voordeel schenken
begünstigen
/
beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
Büstenhalter
BH
/
bə.ˈhaː.ɣə(n)/
noun
1. aan iemand welgevallig zijn
gefallen
behagen
verb
1. een diploma of certificaat verwerven
bekommen
preposition
1. met uitzondering van
ausgenommen
außer
verb
- 2. bespreken, spreken of schrijven over
- 1. verwerken
- 3. medisch verzorgen
behandeln
noun
2. een handeling gericht op herstel
Behandlung
noun
1. ter versiering op de muur aangebrachte papieren bedekking
Tapete
noun
1. iemand die beroepsmatig behangsel op de muren aanbrengt
Tapezierer
noun
1. muurbedekking
Tapete
noun
1. met motieven bedrukt papier of andere vlakke materialen waarmee wanden van kamers worden bekleed
Tapete
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
Verwalter
Administrator
Bewirtschafter
Geschäftsführer
noun
1. iemand die iets beheerst
Beherrscher
adjective
1. zonder uitspatten
beherrscht
verb
1. zich ~: een provisorische oplossing bedenken voor een probleem dat men heeft bij gebrek aan middelen
sich behelfen
verb
- 1. het beheer hebben over iets
- 2. iets leiden, besturen
verwalten
/
ˈbə'huftə/
noun
1. iets wat benodigd is
Bedarf
Bedürfnis
/
bəˈhuvə(n)/
verb
- 2. nodig hebben
brauchen
benötigen
- 1. moeten
müssen
adjective
2. net, fatsoenlijk
gehörig
ordentlich
verb
- 2. onderdeel uitmaken van wat gebruikelijk is of tot de fatsoensnormen gerekend wordt
- 1. onderdeel zijn van
gehören
noun
1. het behoeden voor of verhinderen van een teloorgang
Erhaltung
adjective
1. iets niet verliezen
behalten
noun
1. muziekinstrument met klokken
Glockenspiel
noun
1. iemand die een beiaard of carillon bespeelt
Glockenspieler
cardinalNumeral
1. alle twee
beide
beides
pronoun
1. taal gesproken door ten minste 12 miljoen mensen in Oostenrijk...
Bairisch
Bayerisch
Ost-Oberdeutsch
pronoun
1.
Bayerischer Wald
Bayerwald
adjective
Beigebraun
beigebraun
adjective
Beigegrau
beigegrau
adjective
Beigerot
beigerot
/
bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Beirut
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
Meißel
Beitel
verb
1. iemand op een bepaalde wijze behandelen
begegnen
behandeln
noun
- 2. mond van dieren
- 3. mond van een mens
Maul
Schnauze
- 1. snavel van vogels
Schnabel
verb
1. van kabels voorzien
verkabeln
noun
1. iemand die zich recentelijk tot een bepaald geloof bekeerd heeft
Bekehrte
Bekehrter
Konvertit
adjective
1. vertrouwd
bekannt
verb
1. openbaar maken
bekannt machen
verb
1. toegeven
bekennen
gestehen
zugeben
noun
- 1. een cilindervormig voorwerp waaruit je kunt drinken
Becher
Pokal
- 2. trofee
Pokal
verb
1. tot een bepaald geloof overhalen
bekehren
noun
1. het (doen) overgaan van iemand tot een bepaald geloof.
Bekehrung
noun
1. een boete die wordt opgelegd voor het overtreden van een wet
Geldstrafe
/
bə.ˈkɛɪ̯.kə(n)/, /
bə.ˈkɛː.kə(n)/
verb
1. ergens naar kijken
sich ansehen
noun
- 2. gebeente tussen beide heupen
- 1. vrij ondiepe maar brede schaal
- 3. (muziekinstrument) slaginstrument bestaande uit een metalen schaalvormige voorwerp
Becken
noun
2. metalen kapje dat onder of in plaats van een echte helm werd gedragen
Hirnhaube
/
bəˈklaxdə/
noun
1. iemand die voor de rechter van iets beschuldigd wordt
Angeklagte
verb
- 1. op lelijke wijze iets met verf, modder of graffiti bedekken
beschmieren
- 2. iemands goede naam schaden
diffamieren
verleumden
verb
- 2. iemands leed bejammeren
bedauern
bemitleiden
- 1. ontevredenheid uiten, klachten indienen
sich beklagen
sich beschweren
verb
- 2. een ambt vervullen
bekleiden
- 1. met stof bedekken
polstern
/
bəˈkledɪŋ/
noun
1. een laag stof ter versiering en berscherming aangebracht op een hard oppervlak of een meubelstuk
Bekleidung
Polsterung
noun
1. datgene wat gebruikt wordt om iets te bekleden
Verkleidung
/
bə'klɛmə(n)/
verb
2. een bedrukt gevoel geven
bedrücken
beengen
verb
1. de nadruk leggen op iets
betonen
verb
1. naar de top van iets, zoals een berg, klimmen
besteigen
verb
1. op listige wijze weten te regelen
abkarten
aushecken
verb
- 1. een goede of slechte uitwerking hebben
bekommen
bekömmlich sein
- 3. in eigendom krijgen
bekommen
erhalten
- 2. herstellen (van de schrik e.d.)
genesen
adjective
1. aantrekkelijk, bekoring opwekkend
bezaubernd
charmant
/
bəˈkopə(n)/
verb
1. iets ~ met een prijs ergens voor betalen
bezahlen
verb
1. aantrekkingskracht uitoefenen
bezaubern
entzücken
reizen
noun
1. aangetrokken zijn
Reiz
verb
1. ervoor zorgen dat de kosten betaald worden
bezahlen
finanzieren
verb
2. kracht van wet geven
bekräftigen
verb
1. kritiek uiten op iets of iemand
kritisieren
verb
1. belonen voor uitmuntendheid
auszeichnen
adjective
geschickt
kompetent
fähig
noun
1. competentie
Fähigkeit
Geschicklichkeit
noun
- 9. eenheid van geluidsintensiteit
Bel
- 1. klok, schel, zoemer
Bimmel
Glocke
Klingel
Schelle
Summer
- 5. grote hoeveelheid gas in de bodem
Gasvorkommen
- 6. een rond, schaalvormig metalen voorwerp in de vorm van een klok of halve bol al dan niet met klepel...
Glocke
- 2. Falkenschelle
Glöckchen
- 4. luchtblaas in water, zeepbel
Luftblase
- 3. oorbel
Ohrring
- 7. groot glas
Schwenker
Schwenkglas
/
bəˈlɑɣələk/, /
bəˈlɑχələk/
adjective
1. lachwekkend, om uit te lachen
lächerlich
verb
1. een lading aanbrengen op een lastdier of een voer- of vaartuig
beladen
verb
1. iemand agressief/intimiderend benaderen
bedrängen
noun
- 1. iemand die iemand anders lastig valt
Angreifer
Stalker
Verfolger
- 2. tegenstander in de strijd
Feind
Gegenspieler
Gegner
Widersacher
verb
- 1. min of meer bij toeval op een bepaalde plaats geraken
landen
- 2. met het schip onverhoeds aan land geraken
stranden
noun
1. iets wat belangrijk is voor een persoon
Belang
Bedeutung
Interesse
/
bəˈlɑŋəlos/
adjective
- 1. zonder geldelijke belangen
gratis
unentgeltlich
- 2. uit liefdadigheid
selbstlos
uneigennützig
/
bəlɑŋˈhɛbənt/
adjective
1. er belang bij hebben
beteiligt
adjective
1. van grote betekenis
wichtig
noun
1. bereidheid en verlangen aandacht aan iets te schenken
Interesse
adjective
1. belangstelling oproepend
fesselnd
interessant
packend
adjective
1.
belarussischsprachig
verb
1. gewichten plaatsen op
belasten
verb
1. iemands goede naam geweld aandoen met onware aantijgingen
diffamieren
verleumden
noun
1. de daad van het belasteren.
Verleumdung
noun
- 2. de mate waarin een machine belast wordt ofwel het vermogen dat van de machine
Belastung
- 1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
Steuer
noun
1. overheidsdienst die de heffing en inning van belasting voor een staat verzorgt
Finanzamt
noun
1. het vestigen een andere land om de hoge belastingen in het land van oorsprong te ontwijken
Steuerflucht
verb
1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
beleidigen
kränken
brüskieren
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
Beleidigung
adjective
1. van goede omgangsvormen getuigend
höflich
noun
1. een sociale vaardigheid, die de omgang in de maatschappij vergemakkelijkt.
Höflichkeit
noun
1. beleefde aanspreekvorm, gebruikt tegen iemand die men niet tutoyeert.
Höflichkeitsform
/
bəˈlɛx/
noun
- 2. voedzame en smakelijke bedekking van een boterham
Belag
- 1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
Belagerung
- 3. afgewerkte tegenkant van naaiwerk
Besatz
verb
1. met een leger omsingeld houden
belagern
verb
1. geld steken in een naar verwacht winstgevende onderneming
anlegen
noun
1. geld besteed aan iets waarvan men verwacht dat het later meer waarde zal hebben
Kapitalanlage
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
Politik
/
bəˈlɛmərə(n)/
verb
1. een factor vormen die een gebeurtenis of handeling (bijna) onmogelijk maakt
behindern
hemmen
noun
1. wat hinder en oponthoud veroorzaakt
Hindernis
verb
1. als onderpand voor een lening gebruiken
beleihen
verpfänden
noun
1. leesteken bestaand uit drie puntjes (…)
Auslassungspunkte
verb
1. iets of iemand storen in zijn/haar bezigheden
hindern
verb
1. meemaken
erleben
durchmachen
noun
1. een stedelijke wachttoren met een stormklok
Glockenturm
Belfried
/
bɛlx/, /
bɛɫx/, /
bɛɫχ/
noun
1. een staatsburger van België
Belgier
/
ˈbɛl.ɣɪs/, /
ˈbɛɫ.ɣis/, /
ˈbɛɫ.χis/
adjective
1. met betrekking tot België
belgisch
/
ˈbɛlɣijə/, /
ˈbɛɫɣijə/, /
ˈbɛɫχijə/
pronoun
Belgien
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
Belgrad
/
bɛlhaməl/
noun
- 2. ondeugende jongen
Balg
- 1. een gecastreerd mannelijk schaap dat met een bel om zijn nek vaak de kudde leidt
Leithammel
/
bə.ˈlɪx.tə(n)/, /
bə.ˈlɪχ.tə(n)/
verb
- 1. licht schijnen op iets
- 2. van een bepaalde kant bekijken
beleuchten
- 3. een bepaalde tijd licht laten vallen op de film om deze op te nemen
belichten
/
be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
Belize
verb
- 3. iemand opbellen, telefoneren naar iemand
anrufen
telefonieren
- 1. de deurbel over laten gaan
- 2. door middel van een bel een signaal geven
klingeln
- 4. door middel van een bel roepen
klingeln nach
noun
1. tandwalvis die doorgaans bij volwassenheid melkwit van kleur is, Delphinapterus leucas
Beluga
Weißwal
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
Versprechen
Gelöbnis
verb
1. een prestatie of goede daad met geld of anderszins erkennen
belohnen
verb
- 1. ergens overheen lopen
- 2. een geschat bedrag hebben
belaufen
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
versprechen
/
bɛlt/
noun
1. stortplaats voor afval
Müllhalde
verb
1. aandachtig naar iets luisteren
anhören
verb
1. met moeite in handen krijgen
sich bemächtigen
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
Besatzung
Mannschaft
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
Mannschaft
Besatzung
adjective
1. bestrooid met uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
gedüngt
verb
1. het toevoegen van meststoffen aan de aarde
düngen
verb
1. trachten overeenstemming tussen twee partijen tot stand te brengen
vermitteln
schlichten
verb
1. amoureuze gevoelens voor iemand koesteren
lieben
lieb haben
verb
1. als een moeder verzorgen, optreden voor
bemuttern
verb
1.iemand een positievere kijk op de kansen geven
ermutigen
noun
1. iemand die zich bemoeit met zaken van anderen
Wichtigtuer
Einer der sich mischt mit Anderen
verb
- 1. zich inlaten met zaken waar men niets mee te maken heeft
sich einmischen in
sich mischen in
- 2. zich bekommeren om iemand
sich kümmern um
/
bəmujləkə(n)/, /
bəmujləkən/
verb
1. moeilijker maken
erschweren
verb
1. iemand of iets nadeel toebrengen, iemand of iets schade toebrengen
benachteiligen
schaden
noun
2. buitengewoon onevenwicht tussen de contractuele prestaties van de betrokken partijen
enorme Verletzung
Übervorteilung
adjective
1. te benaderen, makkelijk mee te praten
zugänglich
anprechbar
verb
1. naartoe gaan en aanspreken
herangehen
herantreten
noun
- 2. gezichtspunt, de richting van waaruit men naar iets beschouwd .
Annäherung
- 1. getalswaarde die voor een bepaald praktisch doel voldoende dicht in de buurt ligt van de exacte waarde van die grootheid.
Approximation
/
bəˈnadrʏkə(n)/
verb
betonen
hervorheben
adjective
- 1. moeilijk ademend
beklemmt
schwül
- 2. angstig
ängstlich
/
ˈbɛn.də/
noun
1. een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
Bande
adjective
2. bekrompen
engstirnig
borniert
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris tigris
Königstiger
/
bəˈniu̯t/
adjective
1. reikhalzend uitziend naar iets
neugierig
verb
1. wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft
beneiden
/
be.ˈnin/, /
ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Benin
verb
1. nodig hebben
benötigen
/
bə.ˈnu.mɪŋ/
noun
1. het toewijzen van een ambt aan iemand
Berufung
Ernennung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Bensheim
/
bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
Benzin
/
bɛnˈzinəˌtɑŋk/, /
bɛnˈzinəˌtɛŋk/
noun
Benzintank
noun
1. een druklamp die op vergaste benzine brandt
Starklichtlampe
verb
1. tot een oordeel komen over iets
beurteilen
noun
1. een lidwoord voorafgaand aan een bepaald zelfstandig naamwoord
bestimmter Artikel
verb
2. vaststellen, voorschrijven, regelen
festlegen
bestimmen
noun
- 5. woordgroep die een van de delen van een zin nader bepaalt
Adverbphrase
adverbiales Satzglied
- 1. een voorwaarde
Bedingung
Bestimmung
verb
1. een verminderde reikwijdte geven
beschränken
limitieren
eingrenzen
/
bə.ˈpɛr.kɪŋ/
noun
1. iets dat ervoor zorgt dat de mogelijkheden beperkt worden
Begrenzung
/
bə.ˈplɑn.tə(n)/
verb
1. bezetten met de geschikte planten
bepflanzen
verb
1. argumenten aandragen om een te nemen beslissing in bepaalde zin te beïnvloeden
plädieren
verb
1. onderzoeken of het de juiste is
prüfen
testen
erproben
verb
1. overleg plegen over de gezamenlijk te voeren actie
beraten
beratschlagen
/
'bɛrbərap/
noun
1. Macaca sylvanus
Berberaffe
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Berchtesgaden
verb
1. in staat zijn zelfstandig dagelijkse dingen te doen
erledigen
adjective
1. akkoord gaand, instemmend: bereid tot actie
bereit
verb
1. het klaarmaken van bijvoorbeeld een maaltijd
zubereiten
noun
1. de wil om iets te doen
Bereitschaft
adjective
1. tot hulp en dienst bereid zijn of daarvan blijk geven
bereitwillig
/
bə'rɛɪkən/
verb
1. fysiek bij de andere kant aankomen
erreichen
adjective
1. iets dat gemaakt werd na berekeningen
geeignet
/
ˈberə(n)jɑxt/
noun
1. achter in het wild levende beren aangaan om ze te vangen of te doden
Bärenjagd
/
bɛrx/
noun
- 1. hoge terreinverheffing
Berg
- 2. een grote hoeveelheid
Berg
Haufen
adjective
1. met bergen
bergig
gebirgig
noun
1. (fruit) een kleine, peervormige en zure citrusvrucht
Bergamotte
noun
1. iemand die zich toelegt op het alpinisme
Bergsteiger
noun
1. Tadorna tadorna, een forse bijna gansachtige eend
Brandgans
pronoun
1. stad in Noorwegen
Bergen
verb
- 3. in veiligheid brengen
bergen
retten
- 2. het in de haven brengen van een schip met problemen
bergen
unterbringen
- 1. het ergens plaatsen van iets om het te bewaren
bewahren
unterbringen
noun
1. een soort geit die leeft op rotsachtige ondergrond in de bergen.
Bergziege
/
ˈbɛrgɪŋ/
noun
1. het bergen van iets
Bergung
noun
1. een langgerekt gebergte
Bergkette
/
ˈbɛrxrʏx/, /
ˈbɛrχrʏχ/
noun
1. een langgerekte bergachtige hoogte
Gebirgsrücken
pronoun
1. een regio in de Duitse deelstat Noordrijn-Westfalen
Bergisches Land
noun
1. de steile zijkant van een berg
Bergwand
Felswand
noun
1. grasland ver boven de dalen in hooggelegen gebied
Alm
Bergweide
noun
1. ziekte veroorzaakt door een tekort aan vitamine B1 (thiamine)
Beriberi
noun
1. overgebrachte korte communicatie, meestal over een recente gebeurtenis
Nachricht
verb
1. van nieuws voorzien over iets
berichten
mitteilen
noun
1. vrouwelijk dier van de berenfamilie, Ursidae
Bärin
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
Beringstraße
pronoun
1. is de zee in het noordelijk deel van de Grote Oceaan
Beringsee
/
bə.ˈrɪs.pɪŋ/
noun
1. een strenge afkeuring van gedrag
Rüge
Tadel
Verweis
/
bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
Birke
pronoun
- 1. de hoofdstad van Duitsland
- 2. een duitse deelstaat
Berlin
noun
1. de onverharde kant van een weg
Straßenrand
noun
2. een van de drie in de Benelux inheemse modderkruipers, Barbatula barbatula
Barlau
Bartgrundel
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
Bermudas
Bermuda
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Bern
noun
1. Borago officinalis, een kruid dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
Boretsch
pronoun
2. spelwoord voor de letter b
Berta
/
bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
berühmt
noun
2. iemand die bekend is bij een groot publiek
Zelebrität
/
beˈrumə(n)/
verb
1. zich ~ op: krediet opeisen op basis van beweringen van verworvenheden of kunde
sich rühmen
noun
1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
Beruf
noun
1. de plicht om te zwijgen over feiten en gegevens van derden, die iemand bij het uitoefenen van zijn beroep te weten is gekomen
Berufsgeheimnis
noun
Arbeitskleidung
Berufsbekleidung
adjective
1. in het kader van iemands ambt
beruflich
noun
1. een acute beschadiging van de hersenen die veroorzaakt wordt door een bloeduitstorting in de hersenen
Schlaganfall
noun
1. een toestel dat rook produceert waarmee de imker zijn bijenvolk rustig kan houden
Smoker
verb
1. de oorzaak zijn van
zufügen
bereiten
adjective
1. met spijt vervuld
reuevoll
verb
1. iemand met geweld zijn bezit ontnemen
berauben
/
'bɛrstə(n)/
verb
1. onder inwendige druk uit elkaar breken
bersten
/
bə.ˈrʏs.tɪŋ/
noun
Ergebenheit
/
bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
Beryllium
/
bɛs/
noun
- 1. kleine vrucht
Beere
- 2. (muziek) verlaagde b
b
- 3. bes-kleinetertstoonladder
b-Moll
- 4. bes-mineurgrondakkoord
b-Moll
b
abbreviation
- 1. het akkoord bes - d - f
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
B-Dur
abbreviation
- 1. het akkoord bes - des - f
B-Moll
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
b-Moll
/
bɛs'xrot/
abbreviation
- 1. het akkoord bes - d - f
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
B-Dur
abbreviation
1. het akkoord bes-d-f
B-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “bes” als grondtoon
B-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. het akkoord bes - des - f
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
b-Moll
abbreviation
1. het akkoord bes-des-f
b-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “bes” als grondtoon
b-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “bes” als grondtoon
b-Moll-Tonleiter
/
bɛs'xrot/
abbreviation
- 1. het akkoord bes - d - f
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
B-Dur
abbreviation
1. het akkoord bes-d-f
B-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “bes” als grondtoon
B-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "bes" als grondtoon
B-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “bes” als grondtoon
B-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. het akkoord bes - des - f
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
b-Moll
abbreviation
1. het akkoord bes-des-f
b-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “bes” als grondtoon
b-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “bes” als grondtoon
b-Moll-Tonleiter
adjective
1. net en goed opgevoed
zivilisiert
kultiviert
adverb
1. vol met de neiging zich te verbergen voor anderen
verschämt
verb
1. het toebrengen van schade
beschädigen
verb
1. verlegen maken
beschämen
/
bəˈsxaːvə(n)/
verb
- 1. glad maken (met een schaaf)
abhobeln
hobeln
- 2. civiliseren
zivilisieren
/
bə'sxɛi(d)ə/
adjective
- 1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
- 2. niet de indruk makend te hoge verwachtingen van zichzelf te hebben
- 3. niet groots of talrijk
bescheiden
- 4. niet opdringerig
bescheiden
zurückhaltend
noun
1. iemand die geregeld door iemand anders gesteund of in bescherming genomen wordt
Schützling
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
schützen
beschützen
noun
1. een heilige onder wiens bescherming een bepaalde persoon of groep staat
Schutzheilige
Schutzpatron
/
bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /
bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
Schutz
verb
1. met geschut- of geweervuur bestoken
beschießen
/
bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
verfügbar
noun
1.e mogelijkheid om, indien nodig te kunnen beschikken over mensen, diensten of hulpmiddelen
Verfügbarkeit
verb
1. beslissen, regelen
entscheiden
adjective
1. onderhevig aan schimmelgroei
verschimmelt
/
bəˈsxɪmələ(n)/
verb
1. aangevreten worden door schimmels
schimmeln
verschimmeln
verb
1. met scheldwoorden overladen
beschimpfen
verhöhnen
adjective
1. onder invloed van alcohol
betrunken
verb
1. bekijken als
betrachten
verb
1. in woorden uitdrukken
beschreiben
/
bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /
bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /
bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
Beschreibung
/
bə'sxœyt/
noun
1. een licht, tweemaal gebakken baksel van tarwe
Zwieback
/
bəˈsxʌldəgə/
verb
1. iemand de schuld geven van iets
beschuldigen
/
bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /
bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /
bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
Beschuldigung
Bezichtigung
verb
1. beschermen, met name tegen weer en wind
beschützen
noun
1. een reëel bewustzijn
Bewusstsein
Erkenntnis
verb
1. het reëel bewust worden van iets
erkennen
noun
1. dubbel verlaagde toon b
Heses
heses
abbreviation
1. het akkoord beses-des-fes
Heses-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “beses” als grondtoon
Heses-Dur-Tonleiter
abbreviation
1. het akkoord beses-deses-feses
heses-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “beses” als grondtoon
heses-Moll-Tonart
noun
1. “Beses-majeur”
Beses-Dur
abbreviation
1. het akkoord beses-des-fes
Heses-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “beses” als grondtoon
Heses-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “beses” als grondtoon
Heses-Dur-Tonleiter
abbreviation
1. het akkoord beses-deses-feses
heses-Moll-Akkord
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Besigheim
noun
- 3. kleine metalen elementen
Beschlag
- 1. confiscatie
Beschlag
Beschlagnahme
Exekution
Pfändung
- 2. vloeibaar deeg
Teig
/
bə.ˈslɪ.sɪŋ/
noun
Entscheidung
adjective
1. niet in staat een besluit te nemen.
unentschlossen
verb
- 2. afsluiten
beenden
- 1. vaststellen hoe het moet
beschließen
- besluiten tot
entschließen
verb
1. een zachte massa op iets aanbrengen
beschmieren
noun
1. de plaats waar een gevaarlijke stof vandaan komt
Kontaminationsquelle
verb
1. insmeren met iets om vies te maken
beschmutzen
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
beschneiden
/
bəˈsnujə(n)/
verb
1. in aantal doen verminderen
beschneiden
kappen
kürzen
schmälern
adjective
1. een snor dragend; in het bezit zijn van een snor
schnurrbärtig
schnauzbärtig
verb
- 2. minder geld uitgeven, bezuinigen
sparen
- 1. minder van iets gebruiken of verbruiken
sparen
einsparen
verb
1. met aanzienlijke moeite waarnemen
spüren
verspüren
wittern
verb
1. iemand onopgemerkt in de gaten houden
bespitzeln
adjective
1. uitermate vreemd
lächerlich
verb
1. de spot drijven met
verspotten
verb
- 1. een gesprek over een bepaald onderwerp voeren
besprechen
- 3. vooruit bestellen
reservieren
- 2. recenseren
rezensieren
/
bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
Diskussion
Besprechung
verb
1. druppels van een vloeistof ergens over strooien
besprengen
noun
Samenstelling van bessen en sap
Johannisbeersaft
adverb
- het best / het beste
am besten
- 1. als bevestiging dat iets goed is om te doen
durchaus
sehr wohl
noun
1. zo goed mogelijk
Beste
verb
- 2.~ uit samengesteld zijn uit bepaalde delen
bestehen
- 1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
bestehen
geben
existieren
noun
- 1. een verzameling van gegevens die een eenheid vormen
Datei
- 3. een wapenstilstand
Waffenstillstand
/
bəˈstedə(n)/
verb
1. schaarse middelen een bestemming geven
ausgeben
spendieren
/
bəˈstɛl/
noun
1. een organisatie die als systeem een bepaald doel op een bepaalde manier dient
Ordnung
System
verb
1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
bestellen
/
bə.ˈstɛ.lɪŋ/
noun
1. een verzoek of opdracht om diensten of goederen te leveren
Bestellung
noun
1. auto die structureel ingericht is voor het vervoer van goederen
Lieferwagen
/
bə.ˈstɛ.mɪŋ/
noun
1. het eindpunt van een route
Bestimmung
adjective
1. (op afzienbare termijn) duurzaam
dauerhaft
/
bəstɔrmə(n)/
verb
1. met een strijdmacht snel te voet een positie van de vijand trachten te overweldigen
bestürmen
verb
1. het wegdek verharden met klinkers of andere middelen om er een straat van de maken
bepflastern
verb
1. de strijd aanbinden met iets of iemand
bekämpfen
noun
1.een aanduiding voor een werk dat op korte termijn uitzonderlijk goed verkoopt
bestseller
verb
1. je er grondig in verdiepen
studieren
verb
- 1. zorgen dat [een toestel] de gewenste taken uitvoert
steuern
- 2. het vervullen van regeringstaken over een gebied of organisatie
verwalten
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
Betriebssystem
/
bəˈstyrdər/
noun
- 2. een persoon die een bedrijf of organisatie leiding geeft
Direktor
Geschäftsführer
Leiter
- 1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
Fahrer
noun
1. (financieel) bankrekening waarmee alle betalingen gedaan worden, dit is meestal ook de rekening waarop het loon wordt ontvangen
Girokonto
/
bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
bezahlen
zahlen
noun
1. iemand die betaalt
Zahler
/
bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
Bezahlung
Entgelt
verb
1.
sich gehören
sich schicken
verb
1. een vloer of wand van tegels voorzien
fliesen
verb
1. ergens voor staan
bedeuten
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
Bedeutung
Sinn
/
ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /
ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /
ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Beteigeuze
verb
1. in bedwang houden, intomen, bedwingen
zügeln
im Zaum halten
adjective
2. teleurgesteld
betreten
verdattert
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
Betlehem
Bethlehem
verb
1. iemand op valse gronden beschuldigen
beschuldigen
bezichtigen
verb
1. het aanbrengen van sierhout
vertäfeln
verb
- 1. een serie argumenten als een verhaal presenteren, bijvoorbeeld in een rechtszaak
argumentieren
ausführen
darlegen
- 2. een politieke demonstratie houden
demonstrieren
verb
- 1. ergens de aandacht op vestigen
betonen
- 2. ergens blijk van geven
erweisen
adjective
Betongrau
betongrau
noun
Argumentation
Ausführung
Beweisführung
Darlegung
Erörterung
Plädoyer
adjective
bezaubernd
zauberhaft
verb
1. getuige worden van het feit dat iemand iets (verbodens) doet
ertappen
erwischen
verb
1. gaan over, als onderwerp hebben
betreffen
noun
1. een voornaamwoord dat een betrekkelijke bijzin inleidt
Relativpronomen
verb
5. bewolkt raken
bewölken
/
bə.ˈtrɛ.kɪŋ/
noun
- 2. bezigheid waarvoor je een geregeld inkomen krijgt
Amt
Stellung
- 1. band of relatie tussen personen of groepen
Beziehung
- 3. samenhang of verband tussen zaken
Bezug
verb
1. leedwezen tonen over iets
bedauern
/
bətrørən'swardəx/
adjective
1. waard betreurd te worden
bedauerlich
adjective
- 1. die erbij horen
beteiligt
- betrokken zijn bij
beteiligt sein an
/
bəˈtrɔkənə/
noun
1. iemand die zelf ergens bij betrokken is, die gelinkt is aan iets
Beteiligte
/
bə.ˈtraʊ̯.bar.hɛɪ̯ds.ˌɪn.tər.ˌvɑl/, /
bə.ˈtrɔʊ̯β̞.bar.ɦɛːts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/, /
bə.ˈtrʌʊ̯.bar.ɦɛɪ̯ts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/
noun
1. een statistische intervalschatting voor een parameter
Konfidenzintervall
Mutungsintervall
Vertrauensbereich
/
bəˈtœʏxə(n)/
verb
- 1. iets duidelijk stellen
bekunden
bezeugen
zollen
äußern
- spijt betuigen
bereuen
entschuldigen
- zijn medeleven betuigen
sein Beileid ausdrücken
sein Beileid bekunden
/
bɛtwetər/
noun
1. iemand die meent alles beter te weten dan anderen
Besserwisser
verb
- 2. aanvechten, tegenspreken
anfechten
bestreiten
- 1. iemand iets ~ iemand het recht ergens toe trachten te ontzeggen
bestreiten
anfechten
noun
- 1. boomsoort
Buche
Rotbuche
- 3. lange smalle centrale hal van een kruiskerk
Schiff
/
bøːl/
noun
- 2. wreedaard
Rohling
Sadist
Sadistin
- 1. uitvoerder van lijfstraffen
Scharfrichter
Henker
adjective
1. overrijp, buikziek
matschig
überreif
noun
- 1. het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
Börse
- 2. een houder voor munten en biljetten
Börse
Geldbörse
- 4. bijeenkomst waar producenten van een bepaald vakgebied meest nieuwe producten tentoonspreiden
Messe
Börse
- 3. toelage voor iemand die studeren wil
Stipendium
noun
1. een makelaar aan de beurs
Börsenmakler
noun
1. bericht over de beurskoersen
Börsenbericht
noun
1. een makelaar aan de beurs
Börsenmakler
noun
het op een beurs genoteerd staan van een bedrijf
Börsennotierung
noun
1. een balkje dat ervoor dient in een supermarkt met een lopende band boodschappen van klanten te scheiden
Warentrenner
noun
1. eigendoms- en ontvangstbewijs waarin zeevrachtbrief en vervoersovereenkomst worden gecombineerd
Konnossement
adjective
1. breed, diep en stromingsarm genoeg om bevaren te worden
befahrbar
schiffbar
verb
2. het leven schenken aan een kind
gebären
adjective
1. -gewoonlijk vrouwelijke- schoonheid bezittend die bij anderen -gewoonlijk mannen- in de smaak valt
entzückend
lieblich
/
bə.ˈvɑ.lɪŋ/
noun
1. het baren van een kind
Entbindung
Geburt
verb
- 2. begrijpen
begreifen
- 1. omvatten, in zich sluiten
enthalten
/
bə.ˈvɛɪ̯.lə.χɪŋ/, /
bə.ˈvɛɪ̯.lɪ.ɣɪŋ/, /
bə.ˈvɛː.lə.ɣɪŋ/
noun
1. de genomen maatregelen die er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt
Schutz
Sicherheit
noun
1. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak.
Befehl
verb
1. een dwingende opdracht geven.
befehlen
verb
1. hard en heftig trillen
zittern
beben
frémir
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
Biber
noun
1. een draadantenne van één of meer golflengten lang
Beverage-Antenne
noun
1. Myocastor coypus, een schadelijk knaagdier, leeft vooral in moerassige omgeving
Biberratte
Nutria
verb
- 1. zeggen dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
bestätigen
- 2. vastmaken
fixieren
befestigen
aufhängen
/
bə.ˈvɛs.ti.ɣɪŋ(g)/, /
bə.ˈvɛs.tə.ɣɪŋ/, /
bə.ˈvɛs.tə.χɪŋ/
noun
- 2. het bevestigd zijn, het vastzitten aan iets anders
- 3. datgene waarmee of waardoor twee of meer dingen aan elkaar vastzitten
Befestigung
- 1. het bevestigen, het mededelen aan iemand dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
Bestätigung
verb
2. op een bepaalde plaats zijn
sich befinden
verb
1. (iets) een beetje nat maken
befeuchten
anfeuchten
/
bə'vuxtɛit/
noun
Zuständigkeit
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
Bevölkerung
noun
1. de toename van de hoeveelheid bevolking
Bevölkerungszuwachs
noun
1. een bepaald deel van de bevolking in een samenleving of gebied
Bevölkerungsgruppe
verb
1. iemand ~: aan iemand bijzondere gunsten verlenen
begünstigen
vorziehen
verb
1. voorzien van benodigdheden
beliefern
bevorraten
verb
1. bijzondere rechten toekennen aan de één boven de ander
privilegieren
bevorrechtigen
verb
- 1. een hogere rang verlenen aan iemand
befördern
- 2. aanmoedigen, promoten
fördern
adjective
1. de eigenschap bezittend iets te bevorderen
förderlich
verb
1. beantwoorden aan een sterk verlangen
befriedigen
adjective
1. voldoening gevend
befriedigend
verb
1. iemand of een bevolking van gevangenschap of onderdrukking verlossen
befreien
/
bə.ˈvrɛɪ̯.dɪŋ/, /
bə.ˈvrɛː.dɪŋ/
noun
1. het vrij maken van mensen die gevangen gehouden of onderdrukt worden
Befreiung
verb
1. begrijpen, vermoeden
begreifen
einsehen
erahnen
ermessen
adjective
1. door afkoeling in vaste toestand gekomen; volledig met ijs bedekt
gefroren
verb
1. vuil maken; verontreinigen
beschmutzen
noun
1. persoon die een goed ter bewaring toevertrouwt
Hinterleger
noun
1. handeling waarbij men een goed van een ander ter bewaring aanneemt onder teruggaveverplichting
Hinterlegung
Verwahrung
noun
1. persoon die een goed voor een ander ter bewaring aanneemt
Verwahrer
verb
1. toezicht houden op de veiligheid van iets of iemand
bewachen
noun
- 2. een persoon die ervoor zorgt dat gevangenen niet ontsnappen, cipier, gevangenbewaarder
Gefängniswärter
- 1. een persoon die toezicht houdt op de veiligheid van iets of iemand
Wächter
/
bə.ˈwa.kɪŋ/, /
bə.ˈʋa.kɪŋ/, /
bə.ˈβ̞a.kɪŋ/
noun
Bewachung
/
bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
1. iemand van wapens voorzien
bewaffnen
/
bə.ˈwa.pə.nɪŋ/, /
bə.ˈʋa.pə.nɪŋ/, /
bə.ˈβ̞a.pə.nɪŋ/
noun
Bewaffnung
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet verloren raakt
aufbewahren
erhalten
/
bə.ˈweː.ɣə(n)/, /
bə.ˈʋe.χə(n)/, /
bə.ˈβ̞e.ɣə(n)/
verb
1. van plaats veranderen
bewegen
verb
1. iets met stelligheid verklaren waarvan het voor anderen niet duidelijk is of het waar is
behaupten
/
bə'wɛrkə(n)/
verb
- 2. een bestand of map wijzigen om voor een ander doel geschikt te maken
bearbeiten
- 1. veranderen om iets voor een of ander doel geschikt te maken
bearbeiten
behandeln
/
bə.ˈwɛr.kɪŋ/, /
bə.ˈʋɛr.kɪŋ/, /
bə.ˈβ̞ɛr.kɪŋ/
noun
1. een verandering om iets voor een bepaald doel geschikt te maken
Bearbeitung
verb
- 1. wierookdampen over iets of iemand aanbrengen
beweihräuchern
- 2. iemand lof toezwaaien
beweihräuchern
ehren
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
Beweis
noun
1. een stuk waarin iets als waar wordt gesteld
Beleg
Beweisstück
verb
- 1. aantonen; staven
beweisen
belegen
- 2. betuigen; een dienst bewijzen
einen Dienst erweisen
noun
1. een groep personen die de macht uitoefent
Regierung
/
bə'wɪn(t)smɑn/
noun
1. een man die als minister of staatssecretaris deel uitmaakt van een regering
Minister
verb
1. met wolken bedekt worden
bewölken
/
bə.ˈwɔl.kɪŋ/, /
bə.ˈʋɔɫ.kɪŋ/, /
bə.ˈβ̞ɔɫ.kɪŋ/
noun
1. het geheel aan wolken dat in de lucht aanwezig is
Bewölkung
/
bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
bewölkt
wolkig
noun
1. een persoon die iemand bewondert
Bewunderer
verb
1. bekijken met respect
bewundern
adjective
1. positief, enthousiast
bewundernd
/
bə.ˈwɔn.də.rɪŋ/, /
bə.ˈʋɔn.də.rɪŋ/, /
bə.ˈβ̞ɔn.də.rɪŋ/
noun
1. het bekijken met enig ontzag
Bewunderung
noun
1. iemand die in of op iets woont
Einwohner
Bewohner
/
bəw'ɤstəlos/
adverb
1. in een toestand waarin men het bewustzijn voor de omgeving is verloren
bewusstlos
noun
1. de staat van het bewusteloos zijn
Bewusstlosigkeit
/
bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
Bewusstsein
Bewußtsein
noun
- 1. het zeil in de bezaansmast
Besan
- 1. de achterste mast van een zeilschip
Besanmast
abbreviation
1. de achterste mast van een zeilschip
Besanmast
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
Besen
verb
1. zich pijn doen
verletzen
adjective
1. onder de invloed van een boze geest zijn
besessen
noun
1. iemand die bezet, meer in het bijzonder de bezetter van een overwonnen natie in oorlogstijd
Besatzer
Besatzungsmacht
/
bə.ˈzɛ.tɪŋ/
noun
- 3. exclusief gebruik
Belegung
Besetzung
- 1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
Besatzung
Besetzung
- 2. het aantal van elk type instrument dat in een orkest meespeelt
Besetzung
noun
1. een strijdmacht die door zijn aanwezigheid op vreemde grond er de macht uitoefent
Besatzungsmacht
verb
1. naar een object kijken
besichtigen
/
bə.ˈzɪx.ti.ɣɪŋ/, /
bə.ˈzɪx.tə.ɣɪŋ/, /
bə.ˈzɪχ.tə.χɪŋ/
noun
1. het bekijken
Besichtigung
verb
1. inspireren
begeistern
noun
1. een plaats die of een voorwerp dat door velen bezocht en bekeken wordt
Sehenswürdigkeit
/
bezəx/
adjective
- 1. aan het werken
beschäftigt
- 2. altijd aan het werken, vlijtig
fleißig
verb
1. gebruik maken van iets
anwenden
gebrauchen
verwenden
noun
1. iets waarmee men bezig is
Aktivität
/
ˈbe.zəx.ɦʌː.də(n)/, /
ˈbe.zəχ.ɦʌʊ.də(n)/, /
ˈbeː.zɪx.haʊ̯.də(n)/
verb
- 1. de aandacht afleiden
- 2. iets te doen geven
beschäftigen
noun
2. het houden van een goed voor zichzelf
Besitz
noun
Sterke neiging om bezittingen te verwerven
Besitzgier
/
bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
besitzen
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
Besitzer
verb
- 2. vuil maken
besudeln
- 1. te schande maken
besudeln
entehren
noun
- 1. het bezoeken
- 2. de personen die op visite zijn of komen
Besuch
/
bəˈzukə(n)/
verb
- 1. bij iemand langsgaan of langskomen
besuchen
- 2. iemand kwellen
heimsuchen
quälen
noun
1. een persoon die iemand of iets bezoekt
Besucher
verb
1. salaris geven aan
besolden
adjective
1. bijzonder dronken
besoffen
verb
1. iemand iets ~: bij iemand aan huis afleveren
liefern
/
bə'zʌʏniɣə(n)/
verb
1. door zuinig met geld of iets anders om te gaan de uitgaven verminderen
einsparen
sparen
reduzieren
vermindern
verb
1. drinken met het doel zwaar dronken te worden
besaufen
betrinken
noun
1. moeilijkheid, bedenking
Einsprache
verb
1. zorgen dat een vrouw of vrouwtjesdier bevrucht wordt
schwängern
verb
- 2. opgeven
Erliegen
- 1. zwichten
erliegen
- bezwijken aan: sterven
erliegen
sterben
- bezwijken onder: kapot gaan door niet sterk genoeg te zijn
standhalten
verb
1. het bewustzijn verliezen
ohnmächtig werden
adjective
1. heraldisch attribuut
mit offenem Maul
verb
1. iemand installeren in een ambt door de ambtseed af te nemen
vereidigen
verb
1. tot een afsluiting brengen
beenden
aufhören
/
bəˈɪnvludə(n)/
verb
1. iemand of iets proberen te veranderen, invloed nemen op
beeinflussen
/
bu.ˈtan/, /
bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
Bhutan
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
biathlon
Biathlon
verb
1. hevig trillen van kou of angst
zittern
beben
/
ˈbɪbərxɛlt/
noun
1. een geldpremie die men krijgt om een gevaarlijke taak uit te oefenen
Gefahrenzulage
/
ˌbi.bəˈlo/
noun
1. klein decoratief voorwerp
Nippes
Ziergegenstand
noun
1. theologische stroming die de teksten uit de Bijbel zeer letterlijk opvat
Biblizismus
/
ˌbiblijotekaˈrɛsə/
noun
1. beheerster van een bibliotheek
Bibliothekarin
/
ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
Bibliothekar
/
bib(l)ijo'tek/
noun
- 1. een plaats waar boeken verzameld staan
- 2. een instelling die boeken en andere media aan het publiek uitleent of ter inzage biedt
Bibliothek
- [2]: openbare bibliotheek
Stadtbibliothek
Stadtbücherei
noun
- 1.2 spier in de bovenarm
Bizeps
- 1. tweehoofdige spier
Muskel
Bizeps
verb
- 1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
beten
- 2. dringend iets vragen, smeken
bitten
noun
1. soort van aan de muur bevestigde kom of bak voor het met behulp van water reinigen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet, of om de voeten te wassen
Bidet
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Mantodea
Gottanbeterin
Gottesanbeterin
/
ˈbɪt.stul/, /
ˈbɪt.stuɫ/
noun
Betpult
noun
1. de erkenning van zonden aan een geestelijke
Beichte
noun
1. de verplichting om datgene wat de priester tijdens de biecht verneemt geheim te houden
Beichtgeheimnis
noun
1. een meubelstuk dat bedoeld is voor het aanhoren en afleggen van de biecht
Beichtstuhl
noun
1. een priester die biechten afneemt
Beichtvater
Beichtiger
verb
1. als koper een prijs voorstellen
bieten
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Biedenkopf
noun
1. dunne lap vlees van de bovenbil van een rund
Steak
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
Bier
/
birbrɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
Bierbrauerei
noun
1. vette buik
Bierbauch
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om bier uit te drinken
Bierglas
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
Schnittlauch
/
bist/
noun
1. colostrum van koe
Biestmilch
Biest
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bietigheim-Bissingen
noun
Biphenyl
Dibenzol
Diphenyl
Phenylbenzol
noun
Biphobie
Bifeindlichkeit
/
bɪx/, /
bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
Ferkel
Frischling
noun
1. de volgens de bigbangtheorie enorme explosie waaruit het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden zou zijn ontstaan
Urknall
/
bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
Biene
Imme
verb
1. door gebruik te maken van goedgelovigheid misleiden
jemanden an der Nase herumführen
phraseologicalUnit
1. in het bijzonder, vooral
par excellence
schlechthin
noun
1. een andere heimelijke bedoeling naast die degene die men aangeeft
Hintergedanke
Nebenabsicht
Nebenzweck
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
Bibel
noun
1. bijkomende woordbetekenis
Nebenbedeutung
verb
2. zorgen dat iemand iets leert
beibringen
verb
1. een aandeel leveren
beitragen
/
bɛi'embrɛŋə(n)/
verb
1. bij elkaar brengen
sammeln
versammeln
zusammenbringen
verb
1. zorgen dat een groep mensen of dingen bij elkaar blijft
zusammenhalten
noun
1. de handeling van het bijeenroepen
Einberufung
noun
1. benaming voor veelkleurige en insectenetende vogels die...
Bienenfresser
/
ˈbɛɪ̯.jə(n).ˌɦaʊ̯.dər/, /
ˈbɛɪ̯.jə(n).ˌɦʌʊ̯.dər/, /
ˈbɛː.jə(n).ˌɦɔʊ̯.dər/
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
Bienenzüchter
Imker
noun
1. moeder van alle bijen in een bijenkorf
Bienenkönigin
noun
1. kunstmatige behuizing waarbinnen een bijenvolk zijn raten kan bouwen, oorspronkelijk in de vorm van een gevlochten korf
Bienenkorb
/
ˈbɛː.jə(n)ˌteɫt/
noun
1. het houden van bijen
Bienenzucht
Imkerei
adjective
1. in dezelfde verzending opgenomen
angehängt
beielegt
beigefügt
/
ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /
ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /
ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
Aberglaube
adjective
1. iemand die gelooft in bijgeloof
abergläubisch
noun
klein, licht gerecht dat als begeleiding bij een andere maaltijdgang
Beilage
noun
1. holte
Nasennebenhöhle
/
bɛɪ̯l/, /
bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
Axt
Beil
noun
- 2. een bestand dat bij een e-mail is meegezonden
Anhang
- 1. geschrift ter aanvulling
Anlage
verb
- 2. meningsverschil of ruzie oplossen.
beenden
beilegen
- 1. toevoegen
beilegen
dazulegen
zufügen
verb
1. licht laten schijnen op de handen van iemand die ergens mee bezig is
leuchten
light
/
'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
fast
beinahe
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
Spitzname
Beiname
noun
- 1. een extra smaak die er eigenlijk niet bij hoort
- 2. een minder aangename meewerkende factor
Beigeschmack
noun
2. van staatswege geboden basisuitkering
Sozialhilfe
verb
1. een naar verhouding kleine verandering aanbrengen in de instelling van iets
anpassen
einstellen
justieren
korrigieren
verb
1. een koerscorrectie uitvoeren
anpassen
/
bɛi̯t/
noun
1. gat dat geslagen werd door een mens in het ijs van een bevroren wateroppervlak
Eisloch
Wune
/
ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
beißen
noun
1. extra verdiensten naast het loon, of naast zijn eigen beroep
Nebeneinkünfte
Nebeneinnahmen
verb
1. als extra ergens aan toevoegen
beifügen
noun
1. een werkwoordswijs waarmee men een wens of onzekerheid tot uitdrukking kan brengen.
Konjunktiv
/
bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /
bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /
ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
Adjektiv
Eigenschaftswort
noun
1. Artemisia vulgaris, een plant uit de composietenfamilie Asteraceae
Beifuß
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
zum Beispiel
beispielsweise
/
'bɛɪʋɛrkə(n)/
verb
1.
aktualisieren
/
bɛiʋɛrkɪŋ/
noun
Nebenwirkung
adverb
1. soms, geregeld, van tijd tot tijd
mitunter
/
ˈbɛɪ̯.wo.nə(n)/, /
ˈbɛɪ̯.ʋo.nə(n)/, /
ˈbɛː.β̞o.nə(n)/
verb
1. opzettelijk aanwezig zijn bij iets
miterleben
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
Adverb
Umstandswort
adjective
1. alleen van dichtbij scherp kunnen zien
kurzsichtig
noun
1. een afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
Kurzsichtigkeit
/
bɛizɪn/
noun
1. een deel van een uiting dat een ondergeschikte rol speelt ten opzichte van de hoofdzin
Nebensatz
noun
1.vrouw met wie een man in ongehuwde staat...
Konkubine
/
biˈzɔndər/, /
bɛ<sup>ɪ</sup>ˈzɔndər/
adjective
1. een hoogst eigenaardige kwaliteit of eigenschap hebbend
besondere
besonderer
besonderes
noun
1. tweedelige zwemkleding voor de vrouw
Bikini
verb
2. het nuttigen van voedsel
mampfen
noun
- 1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
Backe
Hinterbacke
- uitdrukking: iemand op de billen slaan
jemand auf den Hintern schlagen
jemand den Hintern versohlen
adjective
1. aan twee kanten, in twee richtingen (buitenkanten)
bilateral
zweiseitig
noun
1. spel
Billard
Karambolagen
noun
1. gladde, massieve en vrijwel perfect bolvormige bal gebruikt in het biljartspel
billardkugel
noun
1. de scheiding of spleet tussen beide billen
Afterfurche
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
Bilsenkraut
verb
1. vastmaken (evt. figuurlijk)
binden
fesseln
noun
1. boekbinder
Buchbinder
noun
1. en 2. (bladeren van) sla met een stevige rechte krop
Römersalat
Kochsalat
noun
1. een slijmvlies dat de sclera en de binnenste zijde van de oogleden bedekt
Bindehaut
noun
1.een ontsteking van het bindvlies dat de buitenkant van het oogwit en de binnenkant van de oogleden bekleedt
Konjunktivitis
/
ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
Bindegewebe
/
ˈbɪnənˌbɑnt/
noun
1. binnenste band, de band waarin de lucht aanwezig is
Schlauch
noun
1. binnendraad
Innengewinde
verb
1. ergens in gaan
hineingehen
eintreten
verb
1. een ruimte betreden
hineinkommen
adverb
1. binnen afzienbare tijd
bald
demnächst
in Kürze
/
'bɪnəkrɛɪɣə(n)/
verb
- 2. iets ontvangen, bijvoorbeeld per post
empfangen
- 1. iets ongewild inslikken
nehmen
schlucken
noun
1. een deel van een land dat ver van kust of grens gelegen is
Inland
noun
1. (langwerpig) schip dat hoofdzakelijk dient voor goederenvervoer op de binnenwateren.
Lastkahn
noun
1. binnenschroefdraad
Innengewinde
/
ˈbɪnə(n)ˌstɑt/
noun
1. een, meestal oud, stadscentrum
Innenstadt
Stadtmitte
noun
1. een minder belangrijke en meestal kortere weg
Abkürzung
Abkürzungsweg
noun
1. een band parallel aan de omtrek van een wapenschild
Inbord
noun
1. een knijpbril of binoculaire verrekijker, onder meer gebruikt om toneelvoorstellingen beter te zien
Binokel
adjective
1. voor twee ogen
binokular
noun
1. een wetenschapper die de biochemie beoefent
Biochemiker
/
'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
Biochemie
/
ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
Biodiversität
/
ˌbiʲoloˈɣi/, /
ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
Biologie
/
ˌbijo'loːɣis/
adjective
- 1. te maken hebbend met de biologie
- 3. van dier en plantvriendelijke landbouw en veeteeld
biologisch
- 2. van gelijke afstamming
biologisch
leiblich
/
ˌbioˈlox/, /
ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
Biologe
noun
2. verzameling technieken gericht op het meten en vaststellen van alle meetbare eigenschappen van levende wezens
Biometrie
adjective
1. met betrekking tot het vaststellen van meetbare eigenschappen van levende wezens
biometrisch
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
Kino
noun
1. een gebied met een uniform landschapstype waarin bepaalde organismen kunnen gedijen
Biotop
/
bis/
noun
- 1. verhoogde toon b
his
- 3. bis-mineurgrondakkoord
his
his-Moll
- 2. bis-kleinetertstoonladder
his-Moll
abbreviation
- 1. het akkoord bis - disis - fisis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
His-Dur
noun
- 1. het akkoord bis-dis-fisis
- 2. de mineur toonsoort op bis
his-Moll
abbreviation
1. Bis-groot
His-Dur
abbreviation
1. het akkoord bis-disis-fisis
his-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “bis” als grondtoon
His-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “bis” als grondtoon
His-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “bis” als grondtoon
His-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “bis” als grondtoon
His-Dur-Tonleiter
abbreviation
1. bis-klein
his-Moll
abbreviation
1. het akkoord bis-dis-fisis
his-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “bis” als grondtoon
his-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “bis” als grondtoon
his-Moll-Tonleiter
abbreviation
1. Bis-majeur
His-Dur
abbreviation
1. het akkoord bis-disis-fisis
his-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “bis” als grondtoon
His-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "bis" als grondtoon
His-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “bis” als grondtoon
His-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “bis” als grondtoon
His-Dur-Tonleiter
abbreviation
1. bis-mineur
his-Moll
abbreviation
1. het akkoord bis-dis-fisis
his-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “bis” als grondtoon
his-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “bis” als grondtoon
his-Moll-Tonleiter
noun
1. middelgroot waterbewonend zoogdier
Bisamratte
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Vorarlberg
Bischofshofen
/
ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
Bistum
Diözese
/
bisɛksye:l/
adjective
1. seksueel gericht op beide geslachten
bisexuell
noun
1. tweemaal verhoogde toon “b”
hisis
pronoun
1. de taal die naast Engels en Frans in de staat Vanuatu wordt gesproken
Bislamisch
noun
1.een lipofiele selectieve bètablokker
Bisoprolol
/
bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
Bischof
Bischöfin
noun
1.
Bischofsstab
Hirtenstab
/
bɪt/
abbreviation
1. in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
Bit
/
bɪt/
noun
1. een metalen staaf die een paard in de bek gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken.
Kandare
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
bitter
/
ˈbɪtərkrœʏt/
noun
- 1. naam voor planten uit het geslacht Picris
Bitterkraut
- 1. naam voor planten uit het geslacht Lewisia
Bitterwurz
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in schoon stilstaand of langzaam stromend water Rhodeus amarus
Bitterling
/
ˈbivɑk/
noun
1. kampement voor een leger of expeditie
Biwak
/
bivɑ'kerən/
verb
in de open lucht een kamp hebben
biwakieren
noun
1. muts die tot onder de kin doorloopt met openingen om door te kijken en te ademen
Kapuzenmütze
noun
1. Noord-Amerikaans zoogdier, Bison bison
Bison
/
blaːr/
noun
1. onderhuidse vochtophoping
Bulla
noun
- 1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
- 2.
Blase
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
Blasinstrument
noun
1. een meetapparaat dat het alcoholpromillage in iemands bloed via de adem bepaalt
Atemtest
noun
- 1. plat, groen onderdeel van planten
Blatt
- 2. vel papier
Blatt
Bogen
noun
1. een deegsoort die in rechthoekige plakken wordt gebruikt
Blätterteig
adjective
zonder bladeren
blätterlos
noun
1. een dun folie van goud dat wordt gebruikt voor decoratieve doeleinden
Blattgold
/
blɑt'xrun/
noun
Blattgrün
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
Blattlaus
noun
1. muziek die in notenschrift op papier is gezet
Noten
noun
- 1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
- 2. bewaarde hyperlink
Lesezeichen
/
ˈblɑtsɛidɚ/
noun
1. elk van de beide zijden van een blad papier in boek, krant of tijdschrift
Seite
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
bellen
noun
1. een afgang veroorzaakt door eigen falen
Blamage
/
blɑŋk/
adjective
- 4. overspoeld
geflutet
- 2. onbeschreven
unbeschrieben
- 1. met lichte huidskleur
weiß
noun
1. tint grijs met RAL-nummer 9006
Weißaluminium
weißaluminium
noun
1. iemand met een van nature bleke (pigmentarme) huid
Weiße
Weißer
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Rutilus rutilus
Plötze
Rotauge
Schwal
Brunhövd
Furn
Meefischli
/
ˈblatə(n)/
verb
het geluid van een schaap maken
blöken
mähen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Blaubeuren
/
blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
blau
Blau
/
blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
Blau
blau
/
ˈblʌʊɑɫɣə(n)/
noun
2. taxonomisch rijk binnen het domein van de bacteriën waarvan de leden zich met behulp van oxynogene fotosynthese voeden.
Cyanobakterien
noun
1. bepaald soort visje van maximaal 11 cm dat van oorsprong uit Azië komt, Pseudorasbora parva
Bandslätting
Blaubandgründling
noun
Schwarzaugen-Bindenspanner
noun
1. bepaald soort lijsterachtige, Luscinia svecica
Blaukehlchen
/
blɑudrʏk/
noun
1. een directe fotografische kopie in witte lijnen op een achtergrond van Pruisisch blauw
Blaupause
noun
1. Vaccinium corymbosum, een plant uit de heifamilie Ericaceae
amerikanische Heidelbeere
noun
1. bepaald soort vaste plant, Vaccinium myrtillus
Heidelbeere
noun
1. witte kraaiachtige met lavendelblauw verenkleed op de rug en kop Cyanocitta cristata
Blauhäher
noun
1. bepaalde soort roofvogel uit de familie van de arendachtigen, Circus cyaneus
Kornweihe
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
Graureiher
Fischreiher
noun
1. Balaenoptera musculus, een baleinwalvis, de grootste van alle walvisachtige
Blauwal
noun
1. bepaald soort vaste plant, Eryngium maritimum
Stranddistel
/
ˈblɑuɣrɛis/
adjective
Blaugrau
blaugrau
/
ˈblɑuɣrun/
adjective
Blaugrün
blaugrün
noun
1. soldaat of burger die lid is van de VN-vredesmacht
Blauhelm
/
ˈblʌʊəχ/, /
ˈblʌːβ̞əx/
adjective
2. op blauw lijkend
bläulich
adjective
Blaulila
blaulila
noun
1. bepaald soort karperachtige riviervis Vimba vimba
Zährte
Aßling
Blaunase
Gäse
Halnfisch
Meernase
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom met scherp gepunte naalden uit de Rocky Mountains, Picea pungens
Blaufichte
noun
2. blauw gekleurde vlindersoorten uit het ondergeslacht Polyommatinae
Bläuling
/
ˈblʌʊʋirə(n)/
noun
2. taxonomisch rijk binnen het domein van de bacteriën waarvan de leden zich met behulp van oxynogene fotosynthese voeden.
Cyanobakterien
noun
Blausäure
Cyanwasserstoff
/
'bla.zə(n)/, /
'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
blasen
pusten
/
bla'zun/
noun
1. een bord waarop een (adellijk) wapen is geschilderd en dat gedecoreerd is met sieraden
Wappen
adjective
1. gering van kleur
blass
bleich
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Alyssum alyssoides
Kelch-Steinkraut
adjective
Blassbraun
blassbraun
/
ˈblekɣrun/
adjective
Blassgrün
blassgrün
noun
1. ontsteking van een ooglid
Blepharitis
verb
1. witter of lichter doen worden
bleichen
noun
1. een verwonding die men door sportbeoefening heeft gekregen
Verletzung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saarland
Blieskastel
/
blɛi̯/
adjective
froh
fröhlich
freudig
noun
1. een aangename stemming
Freude
noun
1. opvanghuizen voor vrouwen, kinderen en tegenwoordig ook mannen die slachtoffer zijn van of bedreigd...
Frauenhaus
/
ˈblɛɪ̯ɦɛɪ̯t/, /
ˈblɛːɦɛːt/
noun
1. een positieve stemming
Freude
adjective
1. duidelijk
offensichtlich
verb
- 1. uit iets duidelijk (geworden) zijn
erweisen
herausstellen
hervorgehen
zeigen
- blijken uit
hervorgehen
/
blɛ.və(n)/
verb
- 1. niet veranderen
bleiben
- 3. ergens vertoeven
dauern
noun
- 1. metaal dat tot dunne bladen is uitgeslagen
Blech
- 2.1 cilindervormig luchtdicht afgesloten vaatje van dun metaal
Dose
Büchse
Konservenbüchse
Konservendose
Blechbüchse
Blechdose
- 3.3 een blikken plaat (ook wel van ander materiaal) met handvat om stof en vuilnis in op te vegen
Kehrblech
- 1.1 vertind dun plaatstaal
Weißblech
- 1. enkele oogopslag
Augenaufschlag
- 2. tijd die voor een oogopslag nodig is
Augenblick
Moment
Nu
- 4. gerichte waarneming met de ogen
- 5. vermogen om te zien
Blick
- 3. manier van kijken, gezichtsuitdrukking
Blick
Miene
- 6. bepaald soort plant, Potentilla anserina
Gänsefingerkraut
noun
Dosenöffner
Büchsenöffener
/
blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
Blitz
noun
1. iets dat bedoeld is om sterk de aandacht te trekken
Blickfang
adjective
1. niet in staat te zien
blind
noun
1. over de ogen gebonden reep ondoorzichtige stof om het zien te verhinderen
Augenbinde
noun
1. iemand die niet kan zien
Blinder
/
'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
Blindheit
noun
1. een klinknagel voor plaatwerk dat slechts eenzijdig bereikbaar is
Blindniet
noun
1. een tang waarmee de zogenaamde pop- of blindklinknagels kunnen worden vastgeklemd
Blindnietzange
noun
1. een tang waarmee de zogenaamde pop- of blindklinknagels kunnen worden vastgeklemd
Blindnietzange
verb
1. in opvallende mate licht weerkaatsen of uitzenden
glänzen
blinken
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
Blut
noun
Blutprobe
Blutuntersuchung
/
ˈblutbɑt/
noun
1. een gebeurtenis waarbij op grote schaal bloed vergoten wordt
Massaker
Massenmord
noun
2. afgestaan bloed
Blutspende
verb
1. het vloeien van bloed
bluten
noun
1. een ziekte waarbij het bloed moeilijk stolt
Hämophilie
noun
1. Brits hondenras met grote kop, lange hangende oren en een lange staart
Bluthund
adjective
- 1. met bloed (bedekt)
- 2. waarbij veel bloed vloeit, met veel slachtoffers
blutig
noun
1. onderzoek van bloed met name naar de aanwezigheid van alcohol of drugs
Blutprobe
noun
1. een bloedstolsel in het lichaam op een plek waar het hinder veroorzaakt
Blutgerinnsel
Thrombus
pronoun
1. bijnaam voor de Raad van Beroerten
Blutrat
noun
Blutkreislauf
Kreislauf
noun
1. spoor van bloed
Blutspur
noun
1. bloeduitstorting in de huid
Bluderguss
noun
1. een bloedader
Blutgefäß
noun
vergiftiging door ziekteverwekkende bacteriën in het bloed
Blutvergiftung
/
'blutʋɔrst/
noun
1. vleeswaar vervaardigd van het bloed en het vet van een varken
Blutwurst
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
Blutegel
/
bluj/, /
bluɪ̯/
noun
- 1. toestand waarin een plant bloemen draagt
- 2. toestand waarin iemand of iets op zijn best is
Blüte
verb
- 1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen
- 2. het bijzonder goed maken
blühen
noun
- 1. een deel van plant met zaden
Blume
Blüte
- 2. fijngemalen poeder, meestal van granen
Mehl
noun
1. bolvormig stengeldeel van een plant, onder de grond
Blumenzwiebel
/
bluməkɔrso/
noun
1. optocht van met bloemen versierde voertuigen
Blumenkorso
/
bluməkɔrso/
noun
1. een geur afkomstig van bloemen of die aan bloemen doet denken
Blumenduft
noun
- 2. een lokale winkel of onderneming die in bloemen handelt
Blumengeschäft
Blumenhandel
Blumenladen
- 1. de handel in bloemen
Blumenhandel
noun
1. ringvormig vlechtwerk van bloemen
Blumenkranz
/
ˈblumənkwekər/
noun
1. iemand die bloemen kweekt
Blumenzüchter
noun
- 1. bloemenverkoper
Blumenhändler
- 2. bloemenkweker
Florist
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
Blumenkohl
Karfiol
noun
1.
Blumenkohlsuppe
Karfiolsuppe
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
Blumentopf
noun
Puderzucker
Staubzucker
/
blusəm/
verb
1. het bloemengeheel van een vruchtboom
Blüte
verb
1. bollend overhangen (van kledingstukken)
bauschen
noun
- 1. een vaak hoekig massief stuk materiaal
- 3. een onderdeel van een fluit
Block
- 2. een katrol
Rolle
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
Blockflöte
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord blok
Klötzchen
Würfelchen
/
ˈblɔkə(n)/
verb
- 2.
abblocken
- 1. heel hard studeren
büffeln
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
Hobel
/
blɔnd/, /
blɔnt/
adjective
1.
blond
hell
/
blɔnˈdiːnə/
noun
1. blond meisje, blonde vrouw
Blondine
verb
1.in aanraking doen komen met
aussetzen
noun
1. het ongewapend, onbeschermd in contact komen met een gevaar
Exposition
adjective
1. met of op blote voeten
barfuß
noun
een rode kleur op de konen
Röte
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
erröten
noun
1. een melancholieke muziekstijl
Blues
/
blʏf/
noun
1. poging tot intimidatie
Bluff
noun
1. een onverwacht domme, vaak erg publieke, daad die meestal iemands geloofwaardigheid aantast
Ausrutscher
Patzer
Schnitzer
Bock
Fauxpas
verb
1. het doven van een brand
löschen
noun
1. het blussen (van een brand)
Löscharbeit
noun
1. activiteiten van de brandweer om het vuur van een brand te doven
Löscharbeiten
/
blɵt/
adjective
1. geen geld meer hebbend
abgebrannt
pleite
verb
- 2. blaten
blöken
- 1. heel hard huilen
heulen
brüllen
plärren
weinen
noun
sneetje brood
Brotschnitte
Butterbrot
noun
1. zeer grote wurgslang
Boa
verb
1. een sport waarbij een bochtig ijsparcours wordt afgelegd in een bestuurbare slee
Bobsport
noun
B 1. drank of substantie van slechte kwaliteit
Fusel
noun
1. iemand die gezonden wordt om een bericht, dienst, voorwerp enz. af te leveren
Bote
noun
1. erosie van de bodem
Bodenerosion
/
ˈbodəmˌkʏndə/
noun
Bodenkunde
noun
1. .
Bodenverschmutzung
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Budapest
noun
1. volger van de leer van Boeddha
Buddhist
noun
1. iemand die zich onbehoorlijk of misdadig gedraagt
Schurke
Spitzbube
noun
1. de voorkant van een schip
Bug
noun
1. een beeld dat ter versiering aangebracht werd op de voorsteven van een schip
Galionsfigur
verb
1. voortslepen door een of meer (andere) schepen
bugsieren
noun
1. uitstekend rondhout aan de voorsteven van een zeilschip
Bugspriet
noun
1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
Boje
Tonne
/
bujə(n)/
verb
- 2. fascineren
faszinieren
fesseln
- 1. kluisteren
fesseln
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
Buch
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Bukarest
noun
1. het bekleedsel aan de buitenkant van een boek
Buchdeckel
Bucheinband
Einband
noun
1. de in de 15de eeuw ontwikkelde kunst om teksten door middel van een drukpers te vermenigvuldigen
Buchdruck
/
ˈbukən/
verb
1. reserveren van bijvoorbeeld een hotelkamer
reservieren
buchen
/
ˈbu.kə.ˌkɑs/, /
ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
Bücherregal
noun
1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
Lesezeichen
noun
1. iemand die zeldzame of oude boeken verzamelt
Büchersammler
noun
1. insect dat men veel in oude boeken kan vinden, Ctenolepisma longicaudata
Papierfischchen
noun
1. een bos snijbloemen, vaak sierlijk gerangschikt
Blumenstrauß
Bouquet
Strauß
noun
1. boekwinkel
Buchhandel
noun
1. iemand die de inkomsten en uitgaven van een organisatie bijhoudt
Buchhalter
noun
bijhouden van gegevens
Buchhaltung
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van boek
Büchlein
Heft
/
ˈbu.klɔŋ(g)/, /
ˈbu.klɔŋ/
noun
1. een long die gestapeld en gevouwen is in weefsel, zo dat de gevouwen...
Buchlunge
Fächerlunge
Fächertracheen
noun
1. bepaald soort vogel, Fringilla coelebs
Buchfink
noun
1. en 2. (gepelde zaden van) plant Fagopyrum esculentum
Buchweizen
noun
fijn gemalen zaden van boekweit
Buchweizenmehl
noun
1. geplette granen van Fagopyrum esculentum
Buchweizenflocken
/
ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /
ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /
ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
Buchhandlung
Buchladen
/
bumɑn/
noun
1. een denkbeeldig wezen dat als schrikbeeld dient
Butzemann
noun
1. een gebogen werpstok die de neiging heeft terug te keren naar de werper
Bumerang
/
'bunən/
verb
- 2.Inwrijven met was tot het glanst.
bohnern
- 1. schrobben tot het glanst
schrubben
/
buːr/
noun
- 1. landbouwer
Bauer
- 4. speelkaart
Bube
noun
- 2. een onderneming van een boer
Bauernhof
Farm
- 1. een woning met bedrijfsruimte van een boer
Bauernhof
Gehöft
/
buːrən/
verb
3. een boer laten
rülpsen
/
burə'kol/
noun
- 1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
Grünkohl
- 2. een stamppot van boerenkool met aardappelen
Grünkohleintopf
/
ˈbuː.rə(n).fər.ˌstɑnt/
noun
1. gezond verstand
gesunder Menschenverstand
noun
1. bepaald soort samengesteldbloemige plant Tanacetum vulgare
Rainfarn
/
ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
Rauchschwalbe
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Burgund
noun
1. het gehele lichaam, inclusief gezicht en ogen, verhullend gewaad gedragen door (streng) islamitische vrouwen
Burka
adjective
1. weinig beschaafd, weinig verfijnd
grobschlächtig
ungehobelt
noun
1. een bedrag dat je moet betalen als je een overtreding hebt begaan
Buße
verb
1. straf ondergaan
büßen
noun
1. klei waarmee je een voorbeeld voor een beeldhouwwerk kunt maken, klei die op school gebruikt wordt bij handenarbeid
Knetgummi
Knetmasse
/
bɔf/
noun
- 1. geluk, mazzel
Glück
- 2. ziekte
Mumps
Ziegenpeter
verb
1. geluk hebben
Dusel haben
noun
1. iemand wie alles meezit, een bofkont
Glückspilz
noun
1. iemand die onwaarschijnlijk veel geluk heeft, een boffer
Glückspilz
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
Böhmen
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
Bohrium
noun
1. mannelijke geit
Ziegenbock
Bock
/
ˈbɔkə(n)/
verb
1. mokken omdat men zich verongelijkt voelt
bocken
noun
1. gerookte en gezouten haring
Bückling
pronoun
1. meest gebruikte schrijfwijze van het Noors
Bokmål
noun
1. een tactische vechtsport
Boxen
verb
1. vuistvechten als sport
boxen
noun
- 1. een persoon die het boksen beoefent
- 2. een lid van een geheime Chinese organisatie omstreeks 1900
Boxer
noun
1. handschoen gedragen tijdens het boksen
Boxhandschuh
noun
straalvinnige vis (Boops boops) uit de familie van zeebrasems
Gelbstriemenbrasse
adverb
1. een glooiende uitstulping in een oppervlak vormend
konvex
aufgebläht
noun
- 3. zie bloembol
Blumenzwiebel
- 1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
Kugel
Ball
noun
1. Agrostemma githago
Kornrade
noun
1. een vierwielige ongemotoriseerde bak die wordt voortgetrokken aan een hendel vooraan
Bollerwagen
noun
1. gewas dat overwintert door in een al of niet ondergrondse bol, in feite een bolvormige ophoping van vlezige bladeren, voedsel op te slaan
Zwiebelgewächs
noun
1. een bolvormige groep sterren zoals die in galactische halo's kunnen worden aangetroffen
kugelsternhaufen
/
boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
Bolivien
noun
1. bergtrui in de Ronde van Frankrijk
Bergtrikot
Bergtrikot der Tour de France
pronoun
1. een stad in Italië
Bologna
pronoun
1. hoofdstad van de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Bozen
/
bɔm/
noun
- 1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
Bombe
Sprengstoff
- 1. stop van een vat
Stopfen
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
bombardieren
beschießen
noun
1. een brief die explodeert wanneer men hem opent
Briefbombe
/
bomə(n)/
verb
1. langdurig en uitgebreid praten over minder belangrijke zaken
erzählen
plaudern
noun
1. een mededeling dat er een bom gaat ontploffen
Bombendrohung
Bombenalarm
noun
1. een militair vliegtuig dat is ontworpen voor het werpen van bommen op gronddoelen
Bomber
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Bonaire
noun
1. een andere macht waarmee een afspraak gemaakt is aan dezelfde zijde te zullen strijden
Bundesgenosse
noun
1. Pan paniscus, een mensaap, staat samen met de chimpansee van alle diersoorten...
Bonobo
Zwergschimpanse
/
bɔnt/
adjective
1. met veel verschillende felle kleuren
bunt
noun
1. bepaalde vogelsoort uit de familie van plevieren, Charadrius hiaticula
Sandregenpfeifer
/
xxxx/
noun
1. de handel in bont
Pelzhandel
noun
1. van bont gemaakte jas
Pelzmantel
noun
- 2. levensmiddel of andere alledaagse aanschaf
Besorgung
Einkauf
- 1. overgebracht bericht
Botschaft
Nachricht
- 3. (eufemisme) kleine ~ "plassen", grote ~ "poepen"
Geschäft
noun
(huishouden) lijst waarop staat welke inkopen gedaan moeten worden
Einkaufszettel
Einkaufsliste
noun
1. een tas waarin men de boodschappen kan doen bij het winkelen
Einkaufstasche
/
ˈbotsxɑpər/
noun
1. berichtenoverbrenger
Bote
noun
- 1. wapen
- 3. deel van bouwwerk
- 2. cirkelboog
Bogen
noun
1.
Bogenlampe
Kohlebogenlampe
noun
1. een sport waarbij pijlen worden weggeschoten naar een doel met behulp van een boog
Bogenschießen
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
Schütze
noun
1. iemand die schiet met een boog
Bogenschütze
noun
1. meerjarige plant met houten stam
Baum
/
ˈbom.bɑst/
noun
Baumrinde
/
ˈbom.blɑt/
noun
1. een blad van een boom
Baumblatt
/
ˈbom.blɑʊ̯.cə/, /
ˈbom.blɔʊ̯.tʲə/
noun
1. bepaald soort dagvlinder, Celastrina argiolus
Faulbaum-Bläuling
noun
1. een stuk grond met vruchtbomen
Obstgarten
Baumgarten
Bungert
/
ˈbom.ɣrɛns/, /
ˈbom.χrɛns/
noun
1. een grens waarboven geen bomen meer groeien
Baumgrenze
/
ˈbom.kɑp/
noun
1. het rooien van bomen
Holzernte
noun
1. Hyla arborea, klein kikkertje dat zich in bomen en heesters kan begeven
Laubfrosch
noun
1. bepaald soort vogeltje, Sitta europaea
Kleiber
/
ˈbom.krœʏ̯.pər/, /
ˈbom.krœː.pər/
noun
1. eepaald soort bruin vogeltje, Certhia brachydactyla
Gartenbaumläufer
/
ˈbom.kɵn.də/, /
ˈbom.kʏn.də/
noun
Dendrologie
/
ˈbom.leː.β̞əˌrɪk/, /
ˈbom.lɪː.β̞əˌrɪk/
noun
1. een vogelsoort die inheems is in Nederland en België
Heidelerche
/
ˈbom.mɑr.tər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes martes
Baummarder
Edelmarder
/
ˈbom.mes.tər/
noun
1. een persoon die de slagboom naar de haven beheert en havengelden in ontvangst neemt
Hafenkapitän
/
ˈbo.məˌlun/
noun
1. de vrucht van de meloenboom
Papayafrucht
/
ˈbo.mɛs/
noun
1. een groot mes om bomen mee te schillen
Ziehmesser
Zugmesser
Reifmesser
Zieheisen
/
ˈbomnɪmf/
noun
- 2. soort vlinder Idea leuconoe uit Zuidoost-Azië
Baumnymphe
- 1. vrouwelijke halfgoden, sterk verbonden met een boom in de Griekse mythologie
Dryade
Baumnymphe
/
ˈbom.pi.pər/
noun
1. een vogelsoort die inheems is vrijwel geheel europa
Baumpieper
/
bomrɛik /
adjective
1. rijk aan boomen en bosschen, dicht met bomen beplant
baumreich
bewaldet
/
ˈbom.sxɔrs/, /
ˈbom.sχɔrs/
noun
1. het dode buitenste deel van de bast van een boom
Borke
Rinde
/
ˈbom.slɑk/
noun
1. een veelvoorkomende Europese slak
Baumschnecke
Baumschnirkelschnecke
Gefleckte Schnirkelschnecke
/
'bomslɑŋ/
noun
2. bepaald landdier zonder poten Dispholidus typus
Boomslang
noun
1. een rechtop gaande houten schacht van een boom
Baumstamm
/
ˈbom.sœʏ̯.kər/, /
ˈbom.sœː.kər/
noun
1. suiker gewonnen uit het sap van bomen
Ahornzucker
noun
1. kleine sierlijke valk, familie van de torenvalk, Falco subbuteo
Baumfalke
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
Bohne
noun
- A. rond zijn as ronddraaiend werktuig om gaten mee te maken
Bohrer
- B. chemisch element en een zwart metalloïde
Bor
/
bɔːrt/
noun
- 1. het dek van een schip
Bord
- 2. de verbrede bovenrand van een hemd rond de nek
Kragen
Hemdkragen
/
ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
Bohrmaschine
noun
1. een schelpdier dat zich in hout, veen of zachte steensoorten ingraaft
Bohrmuschel
noun
1. hoge boorinstallatie
Bohrturm
/
bo'zardəx/
adverb
1. met de intentie om kwaad te doen
boshaft
bösartig
noun
- 2. de hoedanigheid van het kwaadaardig zijn
Boshaftigkeit
Bosheit
Böswilligkeit
- 1. de hoedanigheid van het boos zijn
Zorn
Ärger
/
boʊt/, /
boːt/
noun
1. klein vaartuig
Boot
/
ˈbotsxun /
noun
1. een lichte soort van schoenen van zacht leer, ontwikkeld naar het voorbeeld van Indiaanse mocassins
Bootsschuh
noun
1. een rang gelijk aan sergeant bij de marine en de hoogste onderofficier bij de koopvaardij
Bootsmann
noun
1. iemand die in havens schepen laadt en lost
Hafenarbeiter
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bopfingen
/
bɔRd/, /
bɔrt/
noun
- 2. Vlak voorwerp aan een muur
Tafel
- [1] Schijfvormig voorwerp
Teller
adjective
Bordeauxviolett
bordeauxviolett
noun
1. een huis waarin tegen betaling seksuele diensten worden aangeboden
Bordell
/
ˈbɔr.də(n).ˌwɑr.mər/, /
ˈbɔr.də(n).ˌβ̞ɑr.mər/, /
ˈbɔr.də.ˌʋɑr.mər/
noun
1. een toestel om borden voor het eten te verwarmen
Tellerwärmer
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
sticken
noun
1. weefselversiering aangebracht met naaldwerk
Stickerei
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
bohren
noun
- 3. een gecastreerd mannetjesvarken
Borg
- 1. iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag
Bürge
- 2. borgsom, borgtocht, waarborgsom, cautie
Kaution
noun
1. overeenkomst waarbij een borg zich garant stelt
Bürgschaft
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
Bor
noun
- 2. gezellige samenkomst met een drankje en een hapje
Apero
Apéro
- 1. drankje
Pinnchen
Schnaps
Schnapsglas
noun
- 2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
- 1. bovenste deel van de voorkant van de romp van mens of dier
Brust
- de borst geven
stillen
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
Brustbein
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
Bürste
Pinsel
verb
1. schoonmaken met behulp van een borstel
bürsten
noun
lichaamsholte, gevormd door de 12 paar ribben, de 12 borstwervels en het borstbeen
Brusthöhle
noun
1. geraamte van de borst
Brustkorb
noun
1. lekkernij
Fondant
Zuckerplätzchen
noun
1. ingreep waarbij de vrouwenborst operatief wordt vergroot
Brustvergrößerung
noun
1. ingreep waarbij de vrouwenborst operatief wordt verkleind
Brustverkleinerung
noun
- 2. een bundel stelen of vezels
Bund
Bündel
Strauß
- 1. een groep bomen
Wald
noun
1. Calopteryx virgo, een bepaald soort van de beekjuffers.
Blauflügel-Prachtlibelle
noun
- 2. plant Vaccinium myrtillus
Heidelbeere
Blaubeere
- 1. en 3. plant, en bessen, uit geslacht Vaccinium
Heidelbeeren
/
ˈbɔsbɑuw/
noun
1. het systematisch bosbeheer (teelt en verzorging van bossen) voor de productie van hout
Forstwirtschaft
noun
1. brand van of in een bos
Waldbrand
noun
1. bepaald soort knaagdier, Apodemus sylvaticus
Waldmaus
/
ˈbɔsnis/, /
ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
Bosnisch
/
ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /
ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /
ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
Bosnien und Herzegowina
/
ˈbɔsni.jər/
noun
1. een inwoner van Bosnië en Herzegovina
Bosnier
adjective
1. gekenmerkt door een verhoudingsgewijs groot aantal bossen; rijk aan bos
buschreich
/
bɔsə'bɔl/
noun
1. een met slagroom gevulde soes van groot formaat die bedekt is met een laag chocolade
Mohrenkopf
noun
1. Sorex araneus, een dier in de familie van de spitsmuizen
Waldspitzmaus
pronoun
1. een stuwmeer in de Duitse deelstaat Saarland
Bostalsee
noun
1. jonge, onvolgroeide geboste ui met blad
Frühlingszwiebel
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
Waldkauz
noun
1. Nyctalus leislen, een vleermuis van de gladneuzen
Kleine Abendsegler
noun
1. een beheerder van een boswachterij
Förster
Forstmann
/
ˈbɔs.ʋɑn.də.lɪŋ/, /
ˈbɔs.β̞ɑn.də.lɪŋ/
noun
1. een wandeling door het bos
Waldspaziergang
noun
1. bepaald soort loofboom Salix caprea
Sal-weide
adjective
- 2. onbeleefd
grob
bäurisch
- 1. stomp
stumpf
noun
- 1. platvis
Flunder
Butt
- 3. onderdeel van het skelet
Knochen
noun
1. een onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van planten
Botanik
/
ˈbɔtbrøk /
noun
1. een onderbreking van een bot
Knochenbruch
Fraktur
/
ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
Butter
noun
1. een aantal planten uit het geslacht Ranunculus behorende tot de familie Ranunculaceae
Hahnenfuß
Butterblume
noun
1. gele variant van de sperzieboon
Butterbohne
noun
- 1. een snee brood
Brotschnitte
Butterbrot
- 2. een belegde snee brood
belegtes Brot
/
ˈbotərhɑm/
noun
1. meestal plastic doosje met daarin gesmeerde boterhammen voor de lunch, meegenomen naar school, op het werk enz.
Brotbüchse
Brotdose
noun
een koek, traditioneel bereid met roomboter, die gevuld wordt met amandelspijs
holländischer Butterkuchen
noun
1. een banketletter met roomboter en amandelen
Blätterteiggebäck in Buchstabenform
noun
1. een bakje om boter in te bewaren
Butterdose
noun
1. CH₃(CH₂)₂COOH
Buttersäure
/
ˈbɔt.sə(n)/
verb
- 2. in een conflict of ruzie geraken
zusammenstoßen
anecken
aufeinanderstoßen
- 1. met een flinke snelheid tegen elkaar aankomen
zusammenstoßen
prallen
/
ˈbɔt.sɪŋ/
noun
- 1. het botsen
Kollision
Zusammenstoß
Aufprall
- 2. een conflict of ruzie
Konflikt
Streit
/
bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /
bɔts.ˈʋa.na/, /
bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
Botsuana
noun
- 3. iets dat het tot stand komen van een bepaald proces bemoeilijkt
Engpass
- 2. een wegvernauwing, in het bijzonder een die voor vertraging zorgt
Engstelle
/
ˈbʌʊdəˌʋɛɪn/, /
ˈbʌːdəˌβ̞ɛːn/
pronoun
1. een jongensnaam
Balduin
noun
1. het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
Zündkerze
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
Bouillon
Brühe
noun
psychologische toestand waarin een persoon terugkerende eetbuien heeft
Bulimie
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Burgund
noun
2. stuk vlees, meestal een poot
Keule
Schenkel
Schlegel
noun
Baufirma
Bauunternehmen
/
ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
bauen
erbauen
noun
1. een persoon die dingen bouwt
Bauer
noun
1. (wetenschap)
Baukunde
noun
Baubetrieb
Baufirma
Baugesellschaft
noun
1. een plaats waar mensen iets bouwen
Baustelle
noun
1. steen om mee te bouwen
Baustein
/
ˈbɔʊ̯β̞.tɛ.ˌrɛːn/, /
ˈbʌʊ̯.tɛ.ˌrɛɪ̯n/
noun
1. een terrein waarop gebouwd wordt of kan worden
Baustelle
noun
Baugenehmigung
Baubewilligung
noun
1. een constructie van enige omvang die verbonden is met de grond en waarin men kan wonen of werken
Bau
/
ˈboː.vən/
adverb
1. bovenaan, erboven, niet beneden, niet eronder
oben
/
ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
oben
noun
1. het bovenste gedeelte van de arm tussen de schouder en de elleboog
Oberarm
noun
1.bovenbeen
Oberschenkel
/
bovənˈdin/
adverb
1. op de koop toe, daarenboven
außerdem
überdies
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Oberkiefer
noun
1. een hooggeplaatst raam, boven een deur of in het dak
Oberlicht
adjective
1. behorende tot een orde van dingen die buiten het menselijke ligt
übernatürlich
noun
1. een sport waarbij de speler door middel van een bowlingbal moet proberen om alle tien de pins omver te gooien
Bowling
verb
1. iemand uitsluiten, niet meer willen werken voor, leveren aan of kopen bij
boykottieren
noun
1. pan met dikke wand, die geschikt is om er vlees enz. in te braden
Bratentopf
noun
2. werktuig om vlas of hennep te braken of te kneden.
Flachsbreche
noun
- 1. struik & 2. vrucht
Brombeere
Brombeerstrauch
- 3. beschadiging op een (metaal)oppervlak
Grat
/
ˈbramslœʏpər/
noun
1. bepaald soort zangvogel, Sylvia curruca
Klappergrasmücke
verb
1. slecht en onduidelijk praten met name van baby's
plappern
verb
1. vlees bereiden door het in vet te verhitten
braten
noun
1. ongewoon langzame hartslag
Bradykardie
verb
- 2. vlas of hennep breken
brechen
- 1. genuttigd voedselwaar ongewild door de mond naar buiten brengen
erbrechen
kotzen
noun
1.
Lagunen-Herzmuschel
noun
1. bedrijfstak
Bereich
Branche
Fach
Teilgebiet
/
ˈbrɑnd/, /
ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
Brand
Feuer
/
ˈbrɑntbəˌstrɛidɪŋ/
noun
1. vuur dat schade aanricht tegengaan
Löscharbeiten
noun
1. een draagbaar toestel dat dient om een kleine of een beginnende brand te bestrijden
Handfeuerlöscher
verb
- 2.
rösten
- 1. verteerd worden door vuur
verbrennen
brennen
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
Brandenburg
noun
1. een apparaat dat een bepaalde vorm aan een vlam geeft
Brenner
noun
1. een soort sterke drank
Branntwein
Brandy
Weinbrand
noun
1. bepaald soort gans, Branta leucopsis
Weißwangengans
Nonnengans
noun
1. een lens die het opvallende zonlicht op een klein oppervlak concentreert dat daardoor sterk verhit wordt
Brennglas
/
ˈbrɑntkran/
noun
1. aansluitpunt voor een brandslang aan het waterleidingnet
Hydrant
verb
- 1. (vee) merken door het inbranden van een teken
- 2. stigmatiseren
brandmarken
noun
2-3. een harige plant die bij aanraking een brandend gevoel en zwelling veroorzaakt
Brennnessel
/
ˈbrɑntsxɑtə(n)/
verb
1. in oorlogstijd de bevolking een schatting opleggen op straffe van plundering en brand
brandschatzen
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
Brandstifter
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
Treibstoff
Brennstoff
noun
een elektrochemisch toestel
Brennstoffzelle
noun
1. pomp die bij verbrandingsmotoren...
Kraftstoffpumpe
noun
1. lid van de brandweer
Feuerwehrmann
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
Brachse
Brasse
Blei
Brachsen
/
braˈʃɛːrə/
noun
1. dameskledingstuk
Büstenhalter
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Braunfels
/
braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
Brasilien
pronoun
1. een oude middeleeuwse stad in het hart van Roemenië die tevens de hoofdstad is van het gelijknamige district
Kronstadt
noun
1. bepaald soort orchidee, Epipactis helleborine
Breitblättrige Sitter
Breitblättrige Stendelwurz
Breitblättrige Sumpfwurz
adjective
1. breed van borst en schouders
breitschultrig
adjective
1. breed van borst en schouders, breedgebouwd
breitschultrig
noun
- 1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
Breite
- 2. deel van een meridiaan vanaf evenaar
geographische Breite
noun
1. een cirkel parallel aan de evenaar
Breitenkreis
noun
1. cirkel van gelijke geografische breedten
geographische Breite
Breite
noun
1. een cirkel parallel aan de evenaar
Breitenkreis
adjective
1. tijd en ruimte nemend om alle kanten uitgebreid te bezien
ausführlich
adverb
1. op breedvoerige wijze
ausführlich
/
ˈbreːɡbaːr/
adjective
zerbrechlich
noun
1. stevige metalen stang, meestal voorzien van een gespleten einde, de koevoet, gebruikt om zaken open te breken.
Kuhfuß
Brecheisen
Nageleisen
/
ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
stricken
/
ˈbrɛɪ̯nald/, /
ˈbrɛɪ̯naɫt/, /
ˈbrɛːnalt/
noun
1. een naald die gebruikt kan worden bij het breien
Stricknadel
verb
- 5. in stukken uiteen doen vallen
- 1. in stukken uiteenvallen
brechen
zerbrechen
noun
1. richtingverandering van stralen
Brechung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Bremervörde
adjective
Ginstergelb
ginstergelb
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
Bretagne
noun
1. broekophouder
Hosenträger
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
Bretonisch
noun
1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
Bruch
noun
1. het diakritisch teken (met ronde vorm) dat een korte klinker weergeeft
Breve
noun
1. mogelijk vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie
Brexit
noun
2. de kam van een elektrische gitaar
Brücke
noun
1. verzonden geschreven boodschap
Brief
noun
1. tekst bovenaan een brief met gegevens van de afzender en de geadresseerde en de datum van verzending
Briefkopf
noun
1. een korte brief in de vorm van een kaart
Postkarte
noun
1. een doorgaans sierlijk mesje dat men gebruikt om briefomslagen met te openen
Brieföffner
/
bris/
noun
1. zachte frisse wind
Briese
Brise
noun
Briefkasten
Postkasten
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
Brille
/
ˈbrɪl.beːr/, /
ˈbrɪɫ.beːr/, /
ˈbrɪɫ.bɪːr/
noun
1. een beer met grote cirkels rond de ogen, als een bril
Brillenbär
noun
2. Egira conspicillaris
Holzrindeneule
noun
1. Bucephala clangula, een vogel uit de familie Anatidae
Schellente
noun
Brillantblau
brillantblau
adjective
Leuchthellorange
leuchthellorange
adjective
Leuchthellrot
leuchthellrot
adjective
Leuchtorange
leuchtorange
adjective
Brillantblau
brillantblau
adjective
Leuchtgelb
leuchtgelb
adjective
Leuchtgrün
leuchtgrün
adjective
Leuchtrot
leuchtrot
noun
1. de lens van een bril, die oogafwijkingen corrigeert
Brillenglas
/
ˈbrɪlə(n)ˌkokər/
noun
1. een stevige, beschermende huls voor een bril
Brillenetui
noun
1. de houder waarin brillenglazen zijn gevat
Brillenfassung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Brilon
noun
1. reptiel, gevaarlijke gifslang
Brillenschlange
noun
1. het scharnierend zijstuk van een brilmontuur dat over de oorschelp ligt
Brillenbügel
/
brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
britisch
noun
2. een houten vlonder als slaapplaats van wachtsoldaten
Feldbett
Liege
Pritsche
/
ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
Brokkoli
verb
1. knoeien, prutsen
pfuschen
vermurksen
verpfuschen
/
'bru.də(n)/
verb
1. een gelegd ei met lichaamswarmte warm houden
brüten
noun
1. bouwsel met glazen wanden voor het opkweken van gewassen
Treibhaus
Gewächshaus
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
Hose
noun
1. broek voor een vrouw die veel lijkt op een rok(je)
Hosenrock
noun
1. zak in een broek
Hosentasche
/
bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
Bruder
noun
1. een blok met een grillige vorm, stuk van iets groters
Brocken
noun
1. een vervelend, lastig, knorrig persoon
Brummbär
noun
1. wetenschappelijke naam voor het scheikundig element Broom
Brom
noun
1. grote dikke blauwe vlieg die een brommend geluid maakt
Smeissfliege
noun
- 1. daar waar men informatie vandaan haalt
- 2. begin van een waterloop
Quelle
Ursprung
adjective
1. met betrekking tot de luchtpijp-takken
bronchial
noun
1. ontsteking van de luchtpijptak
Bronchitis
noun
1. medisch onderzoek van de luchtpijp d.m.v. een bronchoscoop
Bronchoskopie
noun
1. bepaalde vissoort, Salvelinus fontinalis
Bachsaibling
noun
1. water dat uit de grond is gehaald, gebruikt als drinkwater of geneeskrachtig water
Quellwasser
/
broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
Brot
/
ˈbrod.bə.ˌlɛx/, /
ˈbrod.bə.ˌlɛχ/
noun
1. eetbare waar die gebruikt wordt om brood te beleggen
Brotbelag
noun
1. boom Artocarpus altilis
Brotfruchtbaum
noun
2. klein brood, vaak versierd, belegd of in een speciale vorm, voor één persoon
Brötchen
noun
1. vrucht van de broodboom Artocarpus altilis
Brotfrucht
adjective
1. niet stevig
fragil
verb
1. in ruzie zijn, elkaar niet meer willen zien
zerstreiten
verb
1. (bier) brouwen
brauen
noun
1. iemand die bier maakt om te verhandelen
Brauer
Brauerin
/
brɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
Brauerei
Brauhaus
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bruchsal
/
brʏx/, /
brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
Brücke
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
Brügge
/
brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
Braut
noun
1. man die in het huwelijk treedt
Bräutigam
noun
1. jurk gedragen door een bruid
Brautkleid
Hochzeitskleid
noun
1. De twee mensen die met elkaar in het huwelijk treden
Brautpaar
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
Mitgift
Aussteuer
noun
1.
Brautzug
Hochheitszug
adjective
1. nuttig, eenvoudig in het gebruik
brauchbar
anwendbar
noun
1. kosteloze lening voor tijdelijk gebruik onder voorwaarde van teruggave
Leihe
Gebrauchsleihe
noun
1. huwelijks-, trouwfeest
Hochzeitsfeier
Hochzeitsfest
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
braun
Braun
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
braun
Braun
adjective
Braunbeige
braunbeige
/
ˌbrœʏnəˈbeːr/
noun
1. Ursus arctos, een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt.
Braunbär
noun
1. hemellichaam met een massa tussen die van een gasreus en een ster, onvoldoende voor kernfusie tussen protonen
Brauner Zwerg
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis Ameiurus nebulosus
Amerikanischer zwergwels
Brauner katzenwels
Katzenwels
Zwergwels
noun
1. bepaald soort roofvogel, Circus aeruginosus
Rohrweihe
noun
1. grijsbruin knaagdier met een kale geringde staart Rattus norvegicus
Wanderratte
noun
1.
Gemeine Winterlibelle
verb
- 1. bruin worden
- 1. iets bruin maken
bräunen
/
ˈbrœyŋɣəˌbrɑnt/
adjective
1. door zonlicht donker gekleurd
braungebrannt
/
ˈbrœyŋɣrɛis/
adjective
Braungrau
braungrau
adjective
Braungrün
braungrün
adjective
1. met bruine haren.
braunhaarig
noun
1. lid van de SA in Nazi-Duitsland
Braunhemd
/
ˈbrœʏnəχ/, /
ˈbrœːnəx/, /
ˈbrœːnɪx/
adjective
2. op bruin lijkend
bräunlich
adjective
1. brood van tarwemeel dat nog zemelen bevat
Braunrot
braunrot
/
ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
Schweinswal
Tümmler
noun
Amerikaanse apen die een brullend lawaai kunnen produceren
Brüllaffe
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Bruneck
/
bry.ˈnɛɪ̯/, /
bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
Brunei Darussalam
Brunei
/
ˈbrunɛɪs/
adjective
1. met betrekking tot of afkomstig van Brunei.
bruneisch
/
brʏs/
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders (zonder de connotatie met zorg)
Geschwister
pronoun
1. de hoofdstad van België
Brüssel
noun
1. inwoner van Brussel
Brüsseler
pronoun
1. een van de drie gewesten van België rond de hoofdstad Brussel
Region Brüssel-Hauptstadt
noun
1. vrouwelijke inwoner van Brussel
Brüsselerin
adjective
- 3. vrijpostig
frech
dreist
- 2.
unverschämt
despektierlich
unhöflich
verb
1. met grofheid of geweld bejegenen
brüskieren
schikanieren
verb
1. nors en ruw bejegenen
brüskieren
adjective
1. nietsontziend en gewelddadig
brutal
rabiat
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
MwSt
MwSt.
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Buchloe
adjective
1. met betrekking tot een budget, begroting
budgetär
/
'bɵfəl/
noun
- 1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
Büffel
- 2. leer vervaardigd van de huid van een buffel
Büffelleder
- 3. iemand die groot en stevig is
Kleiderschrank
noun
1. een gebied dat op een of andere manier als buffer dient
Pufferzone
/
ˈbyfɛt/
noun
- 1. meubelstuk waarin men tafelgoed en -zilver opbergt
- 2. toonbank waarop allerlei etenswaar ligt die men kan bekomen of zelf pakken
Büfett
/
ˈby.χəɫ/, /
ˈbyː.ɣəl/
noun
1. een koperen blaaasinstrument.
Flügelhorn
noun
1. zoogdier dat het jong in een buidel draagt
Beuteltier
/
bœʏ̯χə(n)/, /
bœːɣə(n)/
verb
- 1. krom maken
beugen
- 2. krom worden
biegen
- 3. een buiging maken, zich buigen
sich verbeugen
- 4. aandacht besteden aan iets
vertiefen
noun
- 6. vormverandering van woorden
Beugung
Flexion
- 1. nijging als beleefde groet
Verbeugung
/
bœʏ̯k/, /
bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
Bauch
/
ˈbœʏ̯k.pɛɪ̯n/, /
ˈbœːk.pɛɪ̯n/, /
ˈbœːk.pɛːn/
noun
1. pijn in de buik
Bauchschmerz
noun
1. grote zeef voor het zeven van meel
Mehlsieb
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
Rohr
noun
2. buisklokken
Röhrenglocken
noun
1. buisklokkenspel
Röhrenglocken
/
bœʏ̯t/, /
bœːt/
noun
goederen gewonnen door diefstaf of verovering
Beute
/
ˈbœʏtə(n)bortmotər/
noun
1. een motor die aan de achterzijde (de spiegel) van een boot bevestigd is die als een roer dient en de boot voortstuwt.
Außenbordmotor
noun
1. buitendraad
Außengewinde
/
ˈbœʏ̯tə(ɴ)χəˌʋon/, /
ˈbœːtə(ŋ)ɣəˌβ̞on/, /
ˌbœːtə(n)ɣəˈwoːn/
adjective
1. van het normale afwijkend
außergewöhnlich
ungewöhnlich
noun
1. een tweede woning in een landelijke of natuurrijke omgeving
Landhaus
Landsitz
Zweitwohnung
noun
1. ieder land buiten het eigene
Ausland
/
ˈbœytə(n)lɑndər/
noun
1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
Ausländer
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
ausländisch
noun
1. buitenschroefdraad
Außengewinde
/
ˈbœy̯.tə(n)ˌsta:n.dər/
noun
iemand buiten de groep, van buiten
Außenseiter
noun
1. een tweede woning in een landelijke of natuurrijke omgeving
Landhaus
Landsitz
Zweitwohnung
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
Bussard
Mäusebussard
/
ˈbɵkən/
verb
1. het lichaam geheel vooroverbuigen om bij iets lagers te komen
bücken
/
bʏl/
noun
- 1. mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
Bulle
- 1. oorkonde bij het behalen van een academische graad
Diplom
Bulle
- 2. pauselijke oorkonde
päbstliche Bulle
noun
1. een gestroomlijnde boeg in de vorm van een bulb, om via de daardoor verminderde waterweerstand het brandstofverbruik te laten dalen
Bugwulst
noun
1. een stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken...
Bulldogge
/
bɵɫˈγ̊aːrs/
adjective
1. met betrekking tot Bulgarije of de Bulgaarse taal
bulgarisch
Bulgarisch
/
bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
Bulgarisch
bulgarisch
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
Bulgarien
noun
1. gestoomde, daarna gedroogde en vervolgens grof gemalen of gebroken tarwekorrels, meestal durumtarwe
Bulgur
Bulgurweizen
noun
1. een schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om droge stortgoederen zoals ertsen, kolen, graan, enz, te vervoeren.
Frachtshiff
noun
- 3. benaming voor zeedieren met een bolle schelp, behorend tot het geslacht Bulla
Blasenschnecke
- 4. zegel van paus, of van een keizer uit de oudheid
Bulle
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
Bulldozer
/
bʏ.lə.ˈtɛ̃/
noun
Bulletin
/
ˈbʏltrʏx/
noun
1. benaming voor een van de grotere baardwalvissen met lange borstvinnen
Buckelwal
noun
1. stootstang
Stoßstange
noun
1. zijdelings bijeengehouden verzameling langwerpige voorwerpen
Bündel
noun
1. woning of vakantiehuis zonder bovenverdieping
Bungalow
noun
1. gasbrander met regelbare luchttoevoer die men gebruikt in een laboratorium
Bunsenbrenner
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela putorius
Iltis
noun
1. een krachtige narcotische pijnstiller
Buprenorphin
noun
- 2. een (politie)kantoor
Büro
- 1. een werkmeubel voor administratief- en studiewerk
Schreibtisch
noun
1. een stoel die ontworpen is om in een kantooromgeving gebruikt te worden
Schreibtischstuhl
noun
1. overlast uit nabuurschap
nachbarrechtliche Belästigung
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. rechten, plichten en hinder uit de nabuurschap
Nachbarrecht
Nachbarschaftsrecht
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
Bürgermeister
Bürgermeisterin
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Burgenland
noun
1.
Bürgerschaft
Zivilgesellschaft
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
Bürgerkrieg
noun
1. een recht dat men geniet als staatsburger van een land
Bürgerrecht
noun
1. een recht dat men geniet als staatsburger van een land
Bürgerrechte
noun
1. edelman
Burggraf
Vicomte
noun
1. beitel met ruitvormige punt
Grabstichel
/
bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /
bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
Burkina Faso
/
bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
Burundi
/
bɵs/
noun
1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
Bus
Omnibus
Autobus
noun
1. iemand die beroepsmatig reizigers vervoert in een bus
Busfahrer
/
ˈbʏshɑltə/, /
ˈbʏshɑɫtə/
noun
1. een plek waar een bus stopt
Bushaltestelle
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
Schießpulver
/
ˈbʏsɔŋɣəˌvɑl/
noun
1. verkeersonɡeluk waarbij een tourinɡcar of een lijnbus is betrokken
Busunfall
Busunglück
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
Büstenhalter
BH
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
Butternusskürbis
Butternutkürbis
Moschuskürbis
/
byr/
noun
1. een persoon die in andermans omgeving woont
Nachbar
noun
1. land dat grenst aan een bepaald land
Nachbarland
noun
1. een man naast wie men woont
Nachbar
noun
- 2. de nabijheid
Nachbarschaft
Nähe
Umgebung
- 1. een (deel van een) wijk
Viertel
Stadtteil
noun
1. vrouw woonachtig in het belendende huis
Nachbarin
/
bɑjt/
noun
1. het kleinste adresseerbare gedeelte van een computergeheugen
Byte
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bönnigheim
noun
2. afkorting voor de toonsoort
C
noun
- 1. de toonnaam
- 2. afkorting van “c-mineur”
c
abbreviation
- 1. het akkoord c - e - g
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
C-Dur
abbreviation
- 1. het akkoord c - es - g
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
c-Moll
/
se'ɣrot/
abbreviation
- 1. het akkoord c - e - g
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
C-Dur
abbreviation
1. het akkoord c-e-g
C-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “c” als grondtoon
C-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met c als grondtoon
C-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “c” als grondtoon
C-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “c” als grondtoon
C-Dur-Tonleiter
/
se'klɛɪn/
abbreviation
- 1. het akkoord c - es - g
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
c-Moll
abbreviation
1. het akkoord c-es-g
c-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “c” als grondtoon
c-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “c” als grondtoon
c-Moll-Tonleiter
noun
1. een mineurtoonladder met “c” als grondtoon
c-Moll-Tonleiter
/
se'ɣrot/
abbreviation
- 1. het akkoord c - e - g
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
C-Dur
abbreviation
1. het akkoord c-e-g
C-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “c” als grondtoon
C-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met c als grondtoon
C-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met "c" als grondtoon
C-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “c” als grondtoon
C-Dur-Tonleiter
/
se'klɛɪn/
abbreviation
- 1. het akkoord c - es - g
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
c-Moll
abbreviation
1. het akkoord c-es-g
c-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “c” als grondtoon
c-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met d als grondtoon
c-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “c” als grondtoon
c-Moll-Tonleiter
noun
1. c-sleutel
C-Schlüssel
noun
1. een grotetertstoonladder met c als grondtoon
C-Dur-Tonleiter
/
ˌkɑbɑˈrɛ(t)/
noun
1. een kleinkunst, vermaak met toneel, zang, dans, en voordracht
Kabarett
Cabaret
noun
1. een beoefenaar van de cabaretkunst
Kabarettist
/
kakaˈoː/, /
kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
Kakao
/
kɑˈkʌʊbom/
noun
1. een boom waarvan uit de vruchten de cacao wordt gewonnen
Kakaobaum
noun
1. zaad dat zich in de peulvrucht van de cacaoboom bevindt
Kakaobohn
noun
1.
Kakaobutter
Kakaomass
noun
1. bepaald soort nachtvlinder, Ephestia elutella
Kakaomotte
noun
1. een poederachtige substantie die wordt verkregen door het uitpersen van de cacaomassa van cacaobonen
Kakaopulver
noun
Kakaofrucht
Kakaoschote
noun
1. een suikerrietdistillaat afkomstig uit Brazilië
Cachaça
/
kaˈdoː/
noun
- 1. iets dat men aan iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
Geschenk
- cadeau doen
schenken
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
Cadmium
Kadmium
pronoun
1. het sterrenbeeld “Graveerstift“
Grabstichel
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
Koffein
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar men dranken kan nuttigen
Wirtschaft
noun
1. vrouw of meisje met de taak de betalingen van klanten in een winkel of amusementsbedrijf te verwerken
Kassiererin
/
kɛˈsɔn/
noun
1. doosvormige constructie
Caisson
Senkkasten
/
ˈka.la/, /
ˈkaː.la/
noun
1. een kleine ronde baai langs een steile kust met een nauwe doorgang naar de open zee
Cala
noun
1. een dialect van het Napolitaans, gesproken in Italië, meer bepaald Calabrië
Kalabresisch
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
Kalzium
Calcium
noun
1.een geneesmiddel dat de calciumkanaaltjes in het celmembraan van spiercellen blokkeert
Calciumantagonist
noun
1. calciumcarbid
Calciumcarbid
Calciumacetylid
noun
1. berekening
Kalkulation
/
kɑlkʏˈlatɔr/
noun
- 2. persoon
Kalkulator
- 1. machine
Rechenmaschine
verb
1. rekenen
kalkulieren
ausrechnen
berechnen
noun
1. bepaald soort zoogdier, Zalophus californianus
Kalifornischer Seelöwe
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
Californium
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten. De staat grenst aan de Pacifische Oceaan en aan de Mexicaanse deelstaat Baja California, alsmede aan de Amerikaanse deelstaten Nevada, Oregon en Arizona.
Kalifornien
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
Kalorie
adjective
1. weinig calorieën bevattend, light
kalorienarm
noun
meting van hoeveelheden vrijgekomen warmte
Kalorimetrie
noun
2. een woord of woordgroep die is gevormd door middel van een één-op-één vertaling...
Lehnübersetzung
verb
1. op doorschijnend papier of linnen overtrekken
kalkieren
noun
1.een sterke alcoholische drank
Calvados
noun
1. gereformeerde substroming binnen het Christendom waarin o.a. het voorbestemd zijn centraal staat
Calvinismus
Kalvinismus
/
kɑm.ˈbɔ.dja/, /
kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
Kambodscha
/
ˈkaməˌra/
noun
1. een apparaat om beelden mee te registreren
Kamera
Fotoapparat
noun
1. net dat zorgt dat iets minder goed zichtbaar is
Tarnnetz
/
kɑmuflerən/
verb
1. een voorwerp onopvallend maken
tarnen
/
ˈkɑmpɪŋ/, /
ˈkɛmpɪŋ/
noun
1. een terrein met voorzieningen om te kamperen
Campingplatz
/
ˈkɑmpʏs/
noun
1. universiteitsterrein
Campus
/
ˈka.na.da/, /
ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
Kanada
noun
1. bewust vervalst nieuwsbericht; valse hype
Zeitungsente
verb
1. van groeven voorzien
riffeln
noun
1. elk van de (verticale) groeven op zuilen en pilasters
Kannelur
Kannelüre
/
'ka.nɔn/
noun
1. de strengste vorm van een meerstemmige compositie, waarin de stemmen elkaar in de tijd verschoven imiteren
Kanon
noun
1. de waardigheid en taken van een kanunnik
Kanonikat
/
ˌka.no.ˈnik/
adjective
2. kerkrechtelijk
kanonisch
verb
1. tot canon maken
kanonisieren
noun
1. het tot een canon maken
Kanonisierung
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Kantabrien
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. cantalupensis
Cantaloupe-Melone
Warzenmelone
Kantalupe
Kantalupmelone
/
ˌkɑntaˈrɛɫ/
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak, Cantharellus cibarius
Pfifferling
Eierschwamm
adjective
1. rubber
Kautschuk
/
kɑˈpabəl/
adjective
1. kundig, bekwaam
fähig
noun
1. mogelijkheid om iets te bevatten
Kapazität
Fähigkeit
pronoun
1. Capella
Capella
Kapella
/
ˌkapiˈbaːra/
noun
1. Hydrochoerus hydrochaeris, een groot knaagdier...
Wasserschwein
noun
1. internationaalrechtelijke verklaring dat een partij de strijd tijdens een oorlog opgeeft
Kapitulation
verb
1. het verzet staken, zich overgeven
kapitulieren
noun
1. kopje koffie dat uit gelijke delen espresso, melk en melkschuim bestaat
Cappuccino
adjective
Capriblau
capriblau
noun
1. CH₃(CH₂)₈COOH
Caprinsäure
/
/
noun
1. paardensprong
Kapriole
noun
1. CH₃(CH₂)₄COOH
Capronsäure
noun
2.een omhulsel, veelal van gelatine met een medicijn erin
Kapsel
/
ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /
ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
Kapuze
noun
1. bepaald soort zoogdier, Profelis caracal
Karakal
noun
1. kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonst
Wohnwagen
Caravan
noun
1.een anti-epilepticum
Carbamazepin
noun
1. carbid
Calciumcarbid
Calciumacetylid
noun
1. carbidgas/acetyleen
Acetylen
noun
1. carbidlamp
Karbidlampe
verb
1. omzetten van organische stof in koolstof
verkohlen
noun
1. carborundum
Karborund
Siliciumcarbid
noun
1. toestel dat vloeibare brandstof (bv. benzine) in fijn verdeelde toestand vermengt met lucht
Vergaser
noun
1. carbuur
Calciumcarbid
Calciumacetylid
noun
1. aandrijfas die tevens de versnellingsbak van een auto met het differentieel verbindt
Kardanwelle
/
kɑrdijo'lox/
noun
Kardiologe
Kardiologin
pronoun
1. de zee ten westen van de Atlantische Oceaan, begrensd door de Kleine en de Grote Antillen, de noordkust van Zuid-Amerika en de oostkust van Midden-Amerika
Karabik
noun
1. muziekinstrument met klokken
Glockenspiel
noun
1. iemand die een beiaard of carillon bespeelt
Glockenspieler
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
Karneval
Fasching
noun
1. stoet van versierde mensen en praalwagens
Karnevalsumzug
noun
1. optocht die deel uitmaakt van het carnavalsfeest
Karnevalsumzug
/
kɑrniˈvor/
noun
1. een vleesetend dier
Fleischfresser
Karnivore
noun
1. loopbaan, werkgerelateerde maatschappelijke positie
Karriere
noun
1. koetswerk van een voertuig
Karosserie
noun
1. iemand die land-, zee- en/of luchtkaarten maakt
Kartograf
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
Kartographie
noun
1. een gelegenheid waar in een luxe omgeving gegokt wordt
Kasino
noun
1. Manihot esculenta, een eetbare wortelknol
Maniok
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
Kassette
pronoun
1. landstreek in Spanje
Kastilien
pronoun
Kastilien und León
pronoun
Kastilien-La Mancha
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
kastrieren
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Castrop-Rauxel
noun
- 1. een naamval
Fall
Kasus
- 2. concrete voorbeeld(en) van iets in de praktijk, vooral gebruikt in wetenschappelijke uitleg en cursussen
Vorbild
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
Katalanisch
katalanisch
verb
1. in een register onderbrengen
katalogisieren
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
Katalonien
noun
1. vaartuig met twee drijvende delen (de rompen), die boven de waterlijn parallel aan elkaar gemonteerd zijn
Katamaran
noun
1. grijze staar, een troebeling van de ooglens die het zien verstoort
Katarakt
/
ˌkatɑstroˈfal/
adjective
1. rampzalig
katastrophal
noun
1. een algemene ramp
Katastrophe
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
Kategorie
adjective
1. oorzakelijk
kausal
verb
1. uitbranden van wonden
kauterisieren
/
ˈkava/
noun
1. Spaanse mousserende wijn
Cava
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
Meerschweinchen
noun
1. een gat of ruimte bijv. gaatje door tandbederf
Hohlraum
Loch
noun
1. en 2. een peper, een scherp specerij
Cayennepfeffer
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
Kairo
pronoun
1. een taal die op de Filipijnen en met name op het eiland Cebu gesproken wordt
Cebuano
noun
1. persoon die een vordering overdraagt
Abtretende
Zedent
/
ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
Zeder
noun
- 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
- 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
- 1. een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
- 2. een kleine ruimte (in een klooster)
Zelle
noun
1.de wetenschap van organische cellen.
Zellbiologie
verb
1. plechtig herdenken
zelebrieren
noun
1. slagwerkinstrument met een klavier
Celesta
noun
1. de wetenschap van functies en processen binnen organische cellen
Zellphysiologie
/
sɛlkɛrən/
noun
1.
Zellkern
noun
1. musicus die een violoncello of kortweg een cello bespeelt
Cellist
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
Violoncello
Cello
/
ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
Zellulose
Zellstoff
noun
1. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
Zellmembran
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
Zement
verb
- 1. met cement bestrijken
- 2. metaal gloeien met kool
zementieren
noun
1. een fabriek waar cement geproduceerd wordt
Zementfabrik
adjective
Zementgrau
zementgrau
noun
1. een toestel voor het mengen van de bestanddelen van de mortel of beton
Mischmachine
noun
1. hoge ambtenaar in de Romeinse republiek
Zensor
verb
1. bewust informatie uit de media weghalen
zensieren
/
sɛnˈsyr/
noun
1. de controle van de kant van de overheid op alles wat de media uitbrengen
Zensur
/
'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
Zentimeter
adjective
1. in het midden gelegen
zentral
/
sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /
sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /
sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
Zentralafrikanische Republik
pronoun
1. Iraanse taal gesproken door 6 miljoen mensen in Irak en Iran
Kurdisch
noun
1. een verwarmingssysteem, waarbij de warmte centraal wordt opgewekt
Zentralheizung
verb
1. op één punt samenbrengen
zentralisieren
verb
1. in het middelpunt brengen
zentrieren
noun
1. pomp die een vloeistof verpompt door het met een draaiend rad naar buiten te slingeren
Kreiselpumpe
noun
1. centrifugaalmachine
Zentrifuge
verb
1. met een centrifuge scheiden, zuiveren of drogen
zentrifugieren
schleudern
noun
1. middelpunt
Zentrum
Mitte
noun
1. een plechtige aangelegenheid
Zeremonie
/
ˌsɛrtifiˈkat/
noun
1. een schriftelijk bewijs
Zeugnis
Attest
verb
1. het officieel verklaren dat iets geldig is of voldoet aan een norm (zwart op wit geven)
zertifizieren
bescheinigen
bestätigen
testieren
adjective
1. met betrekking tot de hals en de nek
zervikal
noun
- 1. verlaagde c
ces
- 3. ces-mineurgrondakkoord
ces
ces-Moll
- 2. ces-kleinetertstoonladder
ces-Moll
abbreviation
- 1. het akkoord ces - es - ges
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ces-Dur
noun
- 1. het akkoord ces - eses - ges
- 2. de mineur toonsoort op ces
ces-Moll
abbreviation
1. het akkoord ces-es-ges
Ces-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “ces” als grondtoon
Ces-Dur-Tonleiter
abbreviation
1. het akkoord ces - eses - ges
ces-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “ces” als grondtoon
ces-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met ces als grondtoon
ces-Moll-Tonleiter
noun
1. afkorting van Ces-majeurtoonsoort
Ces-Dur
abbreviation
1. het akkoord ces-es-ges
Ces-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “ces” als grondtoon
Ces-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "ces" als grondtoon
Ces-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “ces” als grondtoon
Ces-Dur-Tonleiter
abbreviation
1. het akkoord ces - eses - ges
ces-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met ces als grondtoon
ces-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met ces als grondtoon
ces-Moll-Tonleiter
noun
1. tweemaal verlaagde toon “c”
ceses
noun
1. overdracht van schuldvordering
Abtretung
Zession
noun
1. persoon die een vordering verkrijgt
Zessionar
interjection
1. kijk ook naar, vergelijk met
vgl.
adjective
1. in slechte stemming, slecht gehumeurd
missmutig
noun
1. traditionele houten berghut met schuin dak, van oorsprong uit het alpengebied
Chalet
verb
- 1. het op kamertemperatuur komen van (met name rode) wijn
- 1. het op kamertemperatuur laten komen van (met name rode) wijn
chambrieren
/
ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
Champagner
Sekt
noun
1. bepaald soort eetbare en speciaal gekweekte witte paddenstoel, Agaricus bisporus
Zuchtchampignon
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
Erpressung
verb
1. onder bedreiging een schandaal te veroorzaken iemand geld afhandig maken
erpressen
noun
1. grote wanorde
Chaos
Unordnung
noun
1. deelgebied van de wiskunde en natuurwetenschappen dat zich bezighoudt met het gedrag van dynamische systemen zoals dat sterk door hun begintoestand wordt bepaald.
Chaosforschung
Chaostheorie
noun
1. en 2. (vrucht van) een cultivar van de cantaloupe
Charentais-Melone
verb
- 1. met kracht aanvallen, een charge uitvoeren
angreifen
attackieren
- 5. bezwarende verklaaringen voor iemand afleggen
belasten
- 4. overdrijven (zonder speciale bedoeling)
chargieren
- 2. iets overdreven voorstellen om iemand of iets belachelijk te maken
- 3. overdrijven (in een toneelrol)
übertreiben
noun
1. volksgericht waarbij een of enkele personen die de sociale normen hadden overtreden publiekelijk werden gestraft
Charivari
/
ˈʃar.la.tan/
noun
Scharlatan
Quacksalber
adjective
1. aangenaam in omgang
charmant
/
sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
Charme
Reiz
verb
1. bekoren
bezaubern
entzücken
noun
1. iemand die vrouwen weet te bekoren
Charmeur
noun
- 3. charterpartij
Befrachtungsvertrag
Chartervertrag
- 2. handvest, beperkte grondwet
Charta
- 4. chartervlucht
Charterflug
noun
1. vlucht met afgehuurd vliegtuig
Charterflug
/
χɑˈsit/
noun
2. aanhanger van het chassidisme
Chassid
/
ˈtʃɑtə(n)/, /
ˈtʃɛtə(n)/
verb
1. op synchrone wijze met elkaar korte tekstberichten uitwisselen
chatten
/
ʃaʊ̯.ˈføːr/, /
ʃo.ˈføːr/, /
ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
Fahrer
Chauffeur
adjective
- 2. met betrekking tot het chauvinisme
- 1. behept met een overdreven vorm van vaderlandsliefde
chauvinistisch
/
ˈtʃɛkən/
verb
1. controleren, nakijken
überprüfen
noun
1. Acinonyx jubatus, een zeer snel Afrikaans katachtig roofdier
Gepard
noun
1. de baas, iemand die de leiding heeft
Chef(in)
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
Chemie
noun
2. eetbare hartvormige vrucht van Annona cherimola
Cherimoya
/
tʃɛ.ˈrɔ.ki/, /
ˈtʃeː.ro.keː/
pronoun
1. inheemse taal gesproken door enkele duizenden mensen in Noord-Amerika
Cherokee
noun
1. een rode wijn uit een gelijknamig wijnbouwgebied in Toscane
Chianti
/
sʲik/
noun
- 1. modieus verfijnd
schick
chic
- 2. uit de hoge stand
vornehm
adjective
chilenisch
chilenisch
/
ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
Chile
/
ˈtʃɪlə(n)/
verb
1. tot rust komen, ontspannen
chillen
relaxen
/
ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
Schimpanse
/
ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
China
/
ʃi.ˈnes/
adjective
1. betreffende China
chinesisch
Chinesisch
/
ʃi.ˈnes/
pronoun
- 2. persoon
Chinese
Chinesisch
- 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
Chinesisch
chinesisch
noun
(bladeren van) Brassica rapa subsp. pekinensis
Chinakohl
noun
1. bepaald soort grasachtige plant, Eleocharis dulcis
Wasserkastanie
Chinesische Wasserkastanie
noun
1. bepaald soort kreeftachtige,
Chinesische Wollhandkrabbe
Wollhandkrabbe
noun
- 2. een klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
Chip
integrierter Schaltkreis
- 1. dun reepje gefrituurde aardappel
Kartoffelchip
/
tʃɪps/, /
ʃips/, /
ʃɪps/
noun
1. dunne aardappelschijfjes, gebakken in vet of olie
Chips
noun
1. niet bezegelde, door identieke gedeeltes bevestigde oorkonde
Charta partita
/
ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
Chirurg
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
Chirurgie
noun
1. een bacteriostatisch antibioticum dat de synthese van eiwitten in bacteriën remt
Chloramphenicol
noun
1. een mengsel van gelijke delen waterstof en chloor
Chlorknallgas
noun
Chloroform
Trichlormethan
noun
1. taxonomische groep, Choanoflagellata
Kragengeißeltierchen
/
xoˈanoflɑɣɛˌlatə(n)/
noun
1. taxonomische groep, Choanoflagellata
Kragengeißeltierchen
/
ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
Schokolade
/
sʲoko'latʲə/
noun
2. stukje chocola
Schokoladenplätzchen
/
ˌʃo.ko.ˈla.də/, /
ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
Schokolade
noun
1. een met slagroom opgevulde soes van groot formaat, bedekt met een laag chocolade
Mohrenkopf
adjective
Schokoladenbraun
schokoladenbraun
noun
1.
Buchstabe aus Schokolade
noun
1. drank gemaakt van cacao, suiker en melk
Kakao
Schokolade
noun
1.
Schokoladenzigarette
Schokozigarette
noun
1. een veelal ronde, bruingekleurde taart, waarin chocolade of cacao verwerkt is
Schokoladentorte
noun
1. chocoladewinkel, chocoladefabriek
Schokoladengeschäft
/
χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
Cholera
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
Cholesterin
verb
1. een emotionele schok bij iemand veroorzaken
schockieren
noun
1. muziekinstrumenten waarbij de toon wordt geproduceerd door een trillende snaar
Chordophone
adjective
1. te maken hebbend met het christendom
christlich
/
ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
Christ
Christin
/
ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
Christentum
/
ˈxrɪstʏs/
pronoun
Christus
noun
1. een geel pigment dat uit loodchromaat bestaat en in olieverven gebruikt wordt
chromgelb
/
ˌxromatisiˈtɛɪt/, /
ˌɣromatisiˈtɛɪt/, /
ˌχromatisiˈtɛɪt/
noun
1. de kwaliteit van een kleur zoals gedefinieerd door zijn kleurvolheid en helderheid
Farbart
noun
- 1. de kleurenleer
- 2. de kleuring van de standaardtreden van een toonladder door incidentele toonverhogingen of -verlagingen
chromatik
adjective
1. “kleuring” van standaardtreden van een toonladder door incidentele toonverhogingen of - verlagingen
chromatik
/
ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
Chromosom
noun
1. theoretisch geluidssegment dat fonemen die alleen in duur verschillen van elkaar onderscheidt
Chronem
/
ˈkronis/
adjective
1. voortdurend, aanhoudend
chronisch
noun
fotografie van bewegende objecten
Chronofotografie
/
xrono.lo'ɣiː/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
Kronologie
noun
1. een uurwerk waarop zeer kleine tijdsdelen kunnen worden afgelezen
Stoppuhr
Chronometer
adjective
Chromoxidgrün
chromoxidgrün
/
ˌxi.lo.mi.ˈkrɔn/, /
ˌχi.lo.mi.ˈkrɔn/
noun
1. een grote door darmwandcellen geproduceerde lipoproteïne, waarin lipiden uit het voedsel van de darmwandcellen naar andere weefsels worden getransporteerd
Chylomikron
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
Zikade
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
Apfelwein
Apfelmost
Apfelschaumwein
noun
- waardering van een prestatie
Note
- 1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
Ziffer
Zahlzeichen
noun
2. een aan onroerend goed gerelateerde jaarlijkse uitkering aan de leen- of grondheer
Grundzins
noun
Zylinder
Walze
Rollsiegel
adjective
1. zoals een cilinder, cilindervormig, buisvormig
zylindrisch
pronoun
1. een taal die tegenwoordig gesproken wordt in de gemeente Lusern in Trentino in Italië
Zimbrisch
noun
1. iemand die gevangenen bewaakt en verzorgt
Gefängniswärter
noun
- 1. omloop voor snelheidswedstrijden
Rennstrecke
- 2. elektronisch netwerk
Stromkreis
verb
1. in omloop zijn
zirkulieren
kursieren
umlaufen
noun
- 1. attractie
Zirkus
- 2. chaotische toestand
Zirkus
Aufheben
Durcheinander
verb
1. in cirkels ronddraaien of rondvliegen
kreisen
/
ˈsɪrkəlzax/
noun
1. motorzaag met een rond zaagblad
Kreissäge
/
'sɪrɵs/
noun
1. een zeer hoog drijvende wolk die eruitziet als katoenvlokken, pluimen of veren, in regelmatige strepen aan de hemel verdeeld
Zirrus
noun
1. afkorting van Cis-majeur
Cis
noun
- 1. verhoogde toon c
cis
- 2. cis-kleinetertstoonladder
cis-Moll
- 3. cis-mineurgrondakkoord
cis-Moll
cis
abbreviation
- 1. het akkoord cis - f - gis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Cis-Dur
abbreviation
- 1. een akkoord cis - e - gis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Cis-Moll
abbreviation
- 1. het akkoord cis - f - gis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Cis-Dur
abbreviation
1. het akkoord cis-eïs-gis
Cis-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “cis” als grondtoon
Cis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “cis” als grondtoon
Cis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “cis” als grondtoon
Cis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “cis” als grondtoon
Cis-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. een akkoord cis - e - gis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
cis-Moll
abbreviation
1. het akkoord cis-e-gis
cis-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “cis” als grondtoon
cis-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “cis” als grondtoon
cis-Moll-Tonleiter
abbreviation
- 1. het akkoord cis - f - gis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Cis-Dur
abbreviation
1. het akkoord cis-eïs-gis
Cis-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “cis” als grondtoon
Cis-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "cis" als grondtoon
Cis-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “cis” als grondtoon
Cis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “cis” als grondtoon
Cis-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. een akkoord cis - e - gis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Cis-Moll
abbreviation
1. het akkoord cis-e-gis
cis-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “cis” als grondtoon
cis-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “cis” als grondtoon
cis-Moll-Tonleiter
verb
1. heel fijne reliëfversieringen in metalen voorwerpen maken
bosseln
noun
- 1. tweemaal verhoogde toon “c”
cisis
- 3. cisis-mineurgrondakkoord
cisis
cisis-Moll
- 2. cisis-kleinetertstoonladder
cisis-Moll
abbreviation
1. het akkoord cisis-eïs-gisis
cisis-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “cisis” als grondtoon
cisis-Moll-Tonleiter
abbreviation
1. het akkoord cisis-eïs-gisis
cisis-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “cisis” als grondtoon
cisis-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “cisis” als grondtoon
cisis-Moll-Tonleiter
noun
1. aanhaling, ontleende passage
Zitat
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
Zither
verb
1. eigen of andermans woorden ontlenen
zitieren
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
Zitrone
noun
1. uit China afkomstige boomsoort waarvan de citroen de vrucht is, Citrus limon
Zitronenbaum
adjective
Zitronengelb
zitronengelb
noun
1. Melissa officinalis, een vaste plant die naar citroen ruikt; van de bladeren kan thee gezet worden
Zitronenmelisse
noun
2. raspsel van de schil van een citroen
Zitronenzeste
noun
1. en 2. schil van een citroen
Zitronenschale
noun
1. dagvlinder van de Pieridaefamilie
Zitronenfalter
noun
Citronensäure
Zitronensäure
noun
1. Viverra, een geslacht van kleine slank gebouwde roofdieren dat ---
Zibetkatze
Schleichkatze
verb
1. beschaving bijbrengen
zivilisieren
/
klʌstrofoˈbiː/, /
klʌustrofoˈbiː/
noun
1. vrees voor afgesloten ruimten
Klaustrophobie
Raumangst
/
klʌʊˈsylə/
noun
1. een extra bepaling in een ambtelijke brief.
Klausel
noun
1. de leiders van een kerkgenootschap
Klerus
noun
1. te veel gebruikte uitdrukking
Klischee
adjective
1. met betrekking tot de clitoris
klitoral
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
Klitoris
Kitzler
noun
1. een medicijn dat onder andere de bloedvaten verwijdt en de bloeddruk verlaagt
Clonidin
/
kloːn/, /
klʌːun/
noun
- 1. komische artiest
Clown
Pappnase
- 2. bespottelijk iemand
Hanswurst
Flitzpiepe
Pappnase
/
klɵp/
noun
- 3. golfstok
Golfschläger
Klub
- 1. besloten gemeenschap
Klub
Club
- 2. gemakkelijke stoel
Klubsessel
noun
- 1. een compacte groep van gelijksoortige objecten, verschijnselen, klanken etc
- 2. een dissonant akkoord van meerdere opeenvolgende tonen
Cluster
- 3. een groep sterrenstelsels
Galaxienhaufen
/
kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
Koalition
noun
1.
Koalitionsregierung
noun
1. gevaarlijke gifslang
Kobra
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
Kokain
noun
1. heel stevig apparaat dat de gesprekken in de cockpit opneemt en bewaart, ook als het vliegtuig neerstort
Cockpit-Stimmenaufzeichnungsgerät
Cockpit-Stimmenrekorder
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
Cocktail
verb
1. in een code brengen
kodieren
verschlüsseln
noun
1. (geneeskunde) een ongeneeslijke stofwisselingsziekte die veroorzaakt wordt door een glutenintolerantie
Coeliakie
Zöliakie
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
- 2. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Coesfeld
/
kɔχ'nat/
noun
woord van zelfde afstamming
Kognat
Verwandte
noun
1. eigendoms- en ontvangstbewijs waarin zeevrachtbrief en vervoersovereenkomst worden gecombineerd
Konnossement
noun
2. een onderlinge aantrekking van moleculen van een zelfde stof
Zusammenhalt
noun
1. ontgaste steenkool
Koks
/
kɔl/, /
kɔɫ/
noun
- 2. bergpas, bergengte vooral bekend via het wielrennen
Gebirgspass
Pass
- 1. hoge kraag van een trui
Rollkragen
Stehkragen
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
Cola
noun
1. staafvormige darmbacterie
Colibakterium
verb
1. met de vijand samenwerken
kollaborieren
/
ˌkɔlɑˈɣen/
noun
1.
Kollagen
noun
1. meerdere groepen die onder één noemer worden aangesproken
Kollektiv
/
kɔˈleɣa/, /
kɔˈleχa/
noun
- 1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt
- 2. een vak- of ambtgenoot
Kollege
noun
- 1. scholengemeenschap
Kolleg
- 1. de tijd waarin een docent een bepaald onderwerp uitlegt aan studenten
Vorlesung
noun
1. een ruimte waarin les wordt gegeven aan studenten
Hörsaal
noun
1. naam voor Schotse langharige herdershond
Collie
noun
1,2. collusie
Kollusion
/
ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Kolumbien
noun
1. een inwoner van Colombia of persoon die de Colombiaanse nationaliteit bezit
Kolumbianer
/
ko'lɔnə/
noun
- 2. vijfde colonne: een groep mensen die zich voordoet als loyaal, maar die in dienst staat van de vijand en in het geheim ondermijnende acties uitvoert
Fünfte Kolonne
- 1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
Militärkolonne
Kolonne
noun
1. een kever die op de aardappelplant leeft van ongeveer 1 cm lang en met een geel...
Kartoffelkäfer
noun
1. de eerste, gelige moedermelk
Kolostrum
noun
1. koker van soepel textiel die men om de hals kan dragen
Schlauchschal
Schlauchtuch
/
ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
Koma
/
ˈkomaˌzœypə(n)/
verb
1. alcohol consumeren totdat men het bewustzijn verliest
Komasaufen
noun
1. militair, bestemd om aan de strijd deel te nemen
Kombattant
Krieger
Kämpfer
noun
1. werktuig waarmee je zowel op verschillende manieren kan vastknijpen als afknippen
Kombinationszange
Kombizange
/
kɔnˈfɔrt/
noun
1. een toestand waarin men zonder onrust, vrees of verlegenheid is
Komfort
noun
1. een installatie voor de regeling van de temperatuur en de vochtigheidsgraad van de lucht in een ruimte
Airconditioning
verb
2. bevelen
befehlen
kommandieren
/
kɔ.ˈmɑn.do/
noun
- 2. speciaal getrainde groep militairen voor speciale missies
- 1. bevel, leiding
- 3. opdracht om een bepaald proces uit te voeren
- 1. iemand uit een eenheid die extra getraind wordt voor speciale missies
Kommando
/
kɔmən'tar/
noun
- 1. toelichting of verklaring
Kommentar
- 2. kritiek
Kommentar
Kritik
verb
1. van commentaar voorzien
kommentieren
/
kɔmərˈʃel/, /kɔmɛrˈsjel/
adjective
1. zakelijk
kommerziell
geschäftlich
noun
2. een hoge rang bij de politie
Kommissar
noun
1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
Kommission
Ausschuss
noun
1. een kast met veel laatjes op werkhoogte om een baby aan te kleden
Kommode
noun
1. onrust bij een groep mensen
Aufregung
Erregung
adjective
gemeenschappelijk
kommunal
/
ˌkɔ.my.nɪ.ˈkaː.si/, /
ˌkɔmyniˈkasi/, /
ˌkɔmyniˈkaʦi/
noun
1. het uitwisselen van informatie
Kommunikation
noun
1.
Kommunikationsfehler
noun
Kommunikationswissenschaft
/
ˌkɔmyniˈkatsiˌmɪdəɫ/
noun
2. een apparaat dat communicatie vergemakkelijkt of onder nieuwe omstandigheden mogelijk maakt
Kommunikationsmittel
verb
2. met elkaar in contact komen
kommunizieren
/
kɔ.ˈmy.ni/, /
kɔ.ˈmyː.nɪə̯/
noun
1. de gemeenschap met lichaam en bloed van Jezus Christus in de vorm van brood en wijn
Kommunion
/
kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
Kommunismus
pronoun
1. Bantoetaal gesproken op de Comoren, Madagaskar, Mayotte en Réunion
Komorisch
/
ko.ˈmoː.rə(n)/, /
ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
Komoren
adjective
1. ruimte beperkende uitvoering, gedrongen
Kompakt
noun
2. vennootschap
Kompanie
noun
1. iemand die voor een notaris verschijnt om een akte op te maken
Erschienene
verb
2. voor rechter of notaris verschijnen
erscheinen
adjective
1. op elkaar aansluitend, met elkaar in overeenstemming te brengen
kompatibel
/
/
noun
1. verenigbaarbeid van elektronische apparaten, softwareprogramma's, enz
Verträglichkeit
noun
1. iets wat minder is uitvallen, weer goed (proberen te) maken (met een extra toegift)
Kompensation
Abfindung
verb
1. iets goed (proberen te) maken, terug in balans brengen
kompensieren
adjective
1. bevoegd; bekwaam
kompetent
noun
1. een ontwikkelbaar vermogen van mensen waarmee ze in voorkomende situaties adequaat, gemotiveerd, proces- en resultaatgericht kunnen handelen
Kompetenz
noun
1. wedijver, concurrentie
Wettbewerb
Konkurrenz
noun
1. (informatica) computerprogramma dat een in een brontaal geschreven programma (broncode) vertaalt in een semantisch equivalent programma in een doeltaal (objectcode) (en meestal tegelijk met andere programma´s 'linkt')
Compiler
adjective
1. volledig, voltallig
vollständig
völlig
voll
adjective
1. aanvullend
komplementär
/
kɔmplɛks/
adjective
1. ingewikkeld
komplex
noun
1. de mate waarin iets complex is
Komplexität
noun
1. de studie van de complexiteit en mate van oplosbaarheid van wiskundige vraagstukken binnen het kader van...
Komplexitätstheorie
verb
1.(nodeloos) ingewikkeld maken
komplizieren
noun
1. een lovende of vleiende opmerking
Kompliment
noun
1. iemand die muziekstukken schrijft
Komponist
noun
een samengesteld materiaal dat is opgebouwd uit verschillende componenten
Verbundwerkstoff
noun
- 1. een muziekstuk, werkstuk van een componist
Komposition
- 2. samenstelling
Zusammensetzung
noun
1. is het residu dat ontstaat na ontbinding van organisch materiaal (d.w.z. van plantaardige of dierlijke oorsprong)
Kompost
verb
1. tot compost verwerken
kompostieren
noun
1. samendrukking
Kompression
verb
1. samenpersen, compact maken
komprimieren
/
kɔmproˈmi/
noun
1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen...
Kompromiss
/
kɔm.ˈpju.tər/, /
kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
Computer
Rechner
noun
1. ongeoorloofd gebruik van computer(gegevens)
Computerkriminalität
/
kɔmˈpjutərə(n)/
verb
1. gebruikmaken van de computer
am Computer arbeiten
am Computer sitzen
den Computer nutzen
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
Computerspiel
noun
1. de taal waarin computerprogramma's worden geschreven, de programmeertaal.
Computersprache
noun
1. afgesloten terrein met barakken waar machthebbers bepaalde groepen mensen zonder rechtsgang onder dwang van de samenleving afgezonderd houden
Konzentrationslager
verb
- 1. op één plek samenbrengen
konzentrieren
zusammenziehen
- 2. zich ~ op één zaak toespitsen
sich konzentrieren
noun
1. een ontwerp, een project
Konzept
noun
1. bevruchting
Konzeption
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
Konzert
noun
1. concertmeester
Konzertmeister
/
kɔn.si.ˈjɛr.ʒə/, /
kɔn.ˈʒɛr.ʒə/
noun
1. een huisbewaarder, een toezichter in een gebouw
Hausmeister
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
Konklave
/
ˌkɔŋklyˈderən/
verb
2. (overgankelijk) tot een besluit komen
schlussfolgern
folgern
/
kɔŋˈklyzi/
noun
Schlussfolgerung
/
kɔnˈkret/
adjective
2. in realiteit bestaand
konkret
verb
1. een gegeven) concreet maken
konkretisieren
noun
1.vrouw met wie een man in ongehuwde staat...
Konkubine
adjective
1. gelijkgerechtigd, noch zekerheid noch voorrang hebbend
kurrent
noun
1. mededinger, wedijveraar
Konkurrent
/
kɔndɛn'zasi/
noun
Kondensierung
Kondensation
noun
1. elektrische component
Kondensator
noun
elektrische Kapazität
verb
1. overgaan van gasvormige naar vloeibare toestand
kondensieren
noun
- 2. voorwaarde
Bedingung
Kondition
- 1. gezondheidstoestand
Verfassung
verb
1. betuiging tonen van rouwbeklag
kondolieren
noun
1. benaming voor sommige roofvogels uit de Amerikaanse tak (Cathartidae) van de gierenfamilie
Kondor
noun
elektrischer Leitwert
noun
1. een medewerker van de spoorwegen die reizigers op vervoersbewijzen controleert en de orde in de trein of tram dient te bewaren
Schaffner
noun
1.
Konfektion
Anfertigung
noun
1. felgekleurde papiersnippers
Konfetti
noun
1. samenstel van figuren
Konfiguration
verb
1. van staatswege in beslag nemen
konfiszieren
verb
1.iemand laten zien wat diegene heeft gedaan
konfrontieren
/
kɔŋˈɣrɛs/, /
kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
Kongress
/
ˈkɔn.jʏŋk.tif/
noun
1. aanvoegende wijs
Konjunktiv
noun
1. een werkloosheid die veroorzaakt wordt door vermindering van de bestedingen
konjunkturelle Arbeitslosigkeit
noun
1.een ontsteking van het bindvlies dat de buitenkant van het oogwit en de binnenkant van de oogleden bekleedt
Konjunktivitis
noun
1. de bijklank of gevoelswaarde van een woord of woordgroep, die tot op zekere hoogte losstaat van de letterlijke betekenis
Konnotation
adjective
1. grondig, zorgvuldig, nauwgezet
gewissenhaft
/
kɔnˈsɛnzʏs/
noun
Konsens
Einvernehmen
noun
1. een noodzakelijk gevolg
Konsequenz
/
kɔnsɛrvaˈtif/
adjective
1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde
konservativ
Konservativer
noun
1. een school in het hoger onderwijs waar men zich kan laten opleiden tot professioneel musicus, acteur/actrice of danser(es)
Konservatorium
noun
2. ingeblikt voedsel ter bewaring tegen bederf
Konserve
/
kɔnsɪstɔˈri/
noun
1. een vergadering van de paus met het college van kardinalen
Konsistorium
verb
1. vast en duurzaam maken
konsolidieren
adjective
1. Altijd onveranderlijk
beständig
konstant
/
kɔnsta'terə(n)/
verb
1. vaststellen
feststellen
konstatieren
noun
1. een situatie waarin men zich geen raad meer weet
Bestürzung
Fassungslosigkeit
noun
1. een ontwerper van constructies
Konstrukteur
noun
- 1. Romeins overheidspersoon
- 1. vertegenwoordiger
Konsul
noun
1. een deskundige raadgever
Berater
noun
1. een deskundige raadgever
Beraterin
noun
1. een adviesgesprek met een arts of rechtsgeleerde
Konsultation
verb
1. raadplegen, advies vragen
konsultieren
/
kɔnzyˈmɛnt/, /kɔnsyˈmɛnt/
noun
1. algemene term voor personen, huishoudens die goederen en diensten verbruiken ...
Konsument
noun
1.
Konsumentengruppe
Verbrauchergruppe
/
kɔn.ˈtɑk/, /
kɔn.ˈtɑkt/
noun
- 1. een toestand waarbij twee voorwerpen elkaar raken
- 2. onderlinge communicatie
- 3. een contactpersoon
- 4. een verbinding van twee elektrische geleidingen
- 5. een elektrische schakelaar
- 6. de grens tussen stollings- en nevengesteente
Kontakt
verb
1. contact opnemen met
kontaktieren
noun
1. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
Kontaktlinse
noun
1. (België) plaats waar afval gesorteerd in containers gestort kan worden
Recyclinghof
noun
1. verontreiniging of besmetting met chemische stof of bacterie
Kontamination
Verschmutzung
/
ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
Kontext
Zusammenhang
noun
1. een werelddeel
Kontinent
Erdteil
adverb
kontinuierlich
andauernd
durchgehend
laufend
permanent
ständig
/
ˌkɔntinyˈweːrə(n)/
verb
1. voortzetten
fortsetzen
weiterhin
noun
1. continuo
Generalbass
basso continuo
noun
1. een aanval tegen een aanval
Gegenangriff
Gegenschlag
noun
1. het laagstklinkende muziekinstrument van de strijkinstrumenten
Kontrabass
noun
1. contrabassaxofoon
Kontrabasssaxophon
/
kɔnˈtrɑkt/
noun
1. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
Vertrag
Kontrakt
verb
1. een contract sluiten
kontrahieren
noun
1. vrijheid van rechtssubjecten om inhoud, werking en vorm van een overeenkomst te bepalen
Vertragsfreiheit
noun
1. vrijheid van rechtssubjecten om inhoud, werking en vorm van een overeenkomst te bepalen
Vertragsfreiheit
noun
1. een tegenstrijdigheid in de woorden, een innerlijke tegenspraak
innere Widerspruch
noun
1. een tegenstrijdigheid in de woorden, een innerlijke tegenspraak
innere Widerspruch
noun
1. toonhoogtereeks “C₁ tot en met B₁”
Kontraoktave
noun
1. leer der meerstemmigheid
Kontrapunkt
noun
1. opvallende tegenstelling
Kontrast
Gegensatz
verb
1. een tegenstelling vormen
kontrastieren
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
kontrollieren
überprüfen
besichtigen
noun
1. iemand die belast is met de controle
Krontolleur
noun
1. een overeenkomst
Absichtserklärung
/
ˌkɔnvɛrˈɣɛnt/
adjective
1. in één punt samenkomend
konvergent
/
kɔn.vɛr.ˈsa.tsi/
noun
Gespräch
Konversation
verb
1. een gesprek voeren
konversieren
adjective
1. bolrond, met een gebogen oppervlak
konvex
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
Copernicium
adjective
1. rijkelijk, overvloedig
reichlich
üppig
noun
1. een gezamenlijke productie
Koproduktion
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben
kopulieren
pronoun
2. spelwoord voor de letter c
Cäsar
/
ˈkɔrnis/, /
ˈkɔrnɪs/
pronoun
1. een Keltische taal die gesproken wordt in Cornwall
Kornisch
adjective
1.
kornischsprachig
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
Cornwall
Kornwall
noun
1. een crisis rondom de uitbraak van een coronavirus
Koronakrise
noun
instrument dat gebruikt wordt voor het waarnemen van verschijnselen in de ijle atmosfeer rond de zon
Koronograf
noun
1. een epidemie van een coronavirus op wereldwijde schaal
Coronapandemie
adjective
1. lichamelijk
körperlich
/
ˌkɔriˈʒeːrə(n)/, /
ˌkɔriˈʒɪːrə(n)/
verb
1. iets van fouten ontdoen
korrigieren
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
Korrosion
adjective
1. met behulp van geschenken, geld e.d. over te halen om zijn plicht, partij, of overtuiging te verzaken
korrupt
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
Korruption
/
'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Korsika
pronoun
1. een taal die op Corsica gesproken wordt
Korsisch
korsisch
noun
1. bijnierschorshormoon
Corticosteroide
/
ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
Costa Rica
Kostarika
/
kup/
noun
1. staatsgreep
Coup
Putsch
Staatsstreich
adjective
1. wat gebruikelijk is
gängig
noun
1. massamedium
Zeitung
Tageszeitung
noun
1. wielrenner, motor- of autoracer
Rennfahrer
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
Zucchini
noun
1. modeontwerper,ontwerper en maker van modieuze kledij
Schneider
Schneiderin
noun
1. een medisch apparaat waarin zieke of te vroeg geboren baby's in een gecontroleerde omgeving geobserveerd en verpleegd kunnen worden
Brutkasten
Inkubator
noun
1. iemand die tijdens de coronapandemie de maatregelen tegen de verspreiding...
Covidiot
Covidiotin
noun
1. veedrijver/veehoeder
Cowboy
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
Kojote
Präriewolf
noun
1. een constante factor van een onbekende of van een veranderlijke grootheid
Koeffizient
verb
1. samenvallen in ruimte of tijd
zusammenfallen
kollidieren
überlappen
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
Koitus
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
Genossenschaft
adjective
op samenwerking gebaseerd
kooperativ
noun
1. iemand die zorgt dat de dingen in hun samenhang geregeld worden
Koordinator
verb
1. zo organiseren dat alles en iedereen goed kan samenwerken
koordinieren
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Crailsheim
noun
1. bepaald soort struik en 2. vrucht daarvan, Vaccinium macrocarpon
Moosbeere
Cranberry
Großfrüchtige Moosbeere
adjective
1. met betrekking tot de schedel
kranial
noun
- 1. ernstig verkeersongeluk
Crash
- 2. ineenstorting van de aandelenmarkt
Crash
Krach
verb
1. zwemmen met de crawlslag
kraulen
noun
1. een schepping, iets totaal nieuw
Kreation
Schöpfung
/
krejaˈtif/
adjective
1. scheppend vermogen bezittend, met een scheppende geest
kreativ
noun
1. gedrevenheid of vaardigheid om iets oorspronkelijks te maken
Kreativität
noun
1. schepsel; iets dat gemaakt is
Geschöpf
verb
1. als tegoed boeken
creditieren
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
Gläubiger
noun
- 1. religie
- 2. geloof of overtuiging
- 3. motto
Kredo
noun
1. de lijkverbranding, de verassing
Einäscherung
noun
1. centrum voor lijkverbranding
Krematorium
noun
1. stam van oerbacteriën, Crenarchaeota
Crenarchaeota
noun
1. iemand die zich bezighoudt met de studie van pidgin- en creooltalen
Kreolist
noun
1. de wetenschap die pidgin- en creooltalen bestudeert.
Kreolistik
noun
1. in Latijns-Amerika geboren nazaten van een samensmelting van Afrikaanse slaven...)
Kreole
noun
1. een taal die is ontstaan doordat bevolkingsgroepen die twee verschillende talen spraken met elkaar in contact kwamen en een nieuwe taal ontwikkelden
Kreolsprache
verb
(dysfemisch) doodgaan, omkomen
krepieren
/
kreˈjeːrə(n)/
verb
1. iets nieuws maken, iets scheppen
kreieren
verb
1. in de criminele sfeer plaatsen
kriminalisieren
noun
1. de misdadigheid, het begaan van misdaden
Kriminalität
adjective
1. met betrekking tot misdaad
kriminell
noun
1. iemand door zich onderhoudt door de wet te breken
Kriminelle
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
Kriminologie
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Crimmitschau
noun
- 1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
Krise
- economische crisis
Wirtschaftskrise
/
kriˈterijʏm/
noun
1. toets, een doorslag gevende reden
Kriterium
/
krʋɑˈsɑ̃/
noun
1. halvemaanvormig broodje
Croissant
Hörnchen
adjective
1. beslissend, doorslaggevend
entscheidend
noun
1. vakantie op een varend schip met uitgebreide voorzieningen voor de passagiers
Kreuzfahrt
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
Kreuzfahrtschiff
noun
1. een uitvaart waarbij het lijk tot stof wordt verpulverd door toepassing van vriesdrogen
Promession
noun
1. et behandelen van aangedaan weefsel door gebruik te maken van extreem lage temperaturen
Kryotherapie
noun
1. een oppascentrum voor kinderen
Kindertagesstätte
Kinderkrippe
adjective
Cremeweiß
cremeweiß
/
ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
Kuba
adjective
- 1. met betrekking tot de kookkunst
kulinarisch
- culinair op zijn best
leckersten
noun
1. film die populair is bij een kleine maar betrokken groep fans
Kultfilm
verb
1. in cultuur brengen
kultivieren
/
kʏltyˈrel/
adjective
1.met betrekking tot cultuur
kulturell
/
kɵl'tyːr/
noun
1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
Kultur
noun
1. taal die de standaardtaal is in een gebied waar ook dialecten worden gesproken
Kultursprache
noun
1. een welriekende organische verbinding
Cumarin
noun
1. belangenbehartiging van meerderjarige
Kuratel
Pflegschaft
/
ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /
kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
Curaçao
noun
2. gele voedselkleurstof
Kurkumin
Kurkumaextrakt
noun
1. scherpe lepel, gebruikt om de binnenwand van de baarmoeder af te schrapen
Kürette
noun
1. het bestuursorgaan van de Heilige Stoel ten behoeve van de gehele Rooms-katholieke Kerk
Kurie
noun
1.iets merkwaardigs
Kuriosität
Kuriosum
noun
1. een precisiesport die lijkt op bowls, jeu de boules en bocce, die op ijs gespeeld wordt gespeeld met zware stenen in plaats van metalen (of plastic) ballen
Curling
noun
1. soort Engelse vla, gebonden door eidooiers of ook door eieren (oeufs au Karamel)...
Eiercreme
noun
3. cyanogeen
Cyan
Zyan
Dicyan
/
siˈanobɑkˌtɪ:riə(n)/
noun
1. benaming voor de groep Cyanobacteria
Cyanobakterien
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
Kybernetik
/
ˈsiklis/
adjective
1. regelmatig terugkerend
zyklisch
noun
1. een kankerremmende stof
Cyclophosphamid
noun
een cycloalkaan
Cyclohexan
noun
1. terugkerende, regelmatige reeks
Zyklus
noun
1. inwoner van Cyprus
Zyprer
adjective
1. op Cyprus betrekking hebbend
zyprisch
adjective
1. op Cyprus betrekking hebbend
zyprisch
/
ˈki.prʏs/, /
ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
Zypern
/
sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
kyrillisch
Kyrillisch
/
ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
Zyste
noun
2. afkorting voor de toonsoort
D
noun
- 1. de toonnaam
- 2. afkorting van “d-mineur”
d
abbreviation
- 1. het akkoord d - fis - a
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
D-Dur
abbreviation
- 1. een akkoord d - f - a
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
d-Moll
/
dər/
personalPronoun
- 2. clitische vorm van haar, datief van zij, derde persoon enkelvoud
ihr
- 1. clitische vorm van haar, accusatief van zij, derde persoon enkelvoud
sie
/
dər/
possessivePronoun
1. clitische vorm van haar, bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
ihr
/
de'ɣrot/
abbreviation
- 1. het akkoord d - fis - a
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
D-Dur
abbreviation
1. het akkoord d-fis-a
D-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “d” als grondtoon
D-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met d als grondtoon
D-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “d” als grondtoon
D-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “d” als grondtoon
D-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. een akkoord d - f - a
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
d-Moll
abbreviation
1. het akkoord d-f-a
d-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “d” als grondtoon
d-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met d als grondtoon
d-Moll-Tonleiter
noun
1. een mineurtoonladder met “d” als grondtoon
d-Moll-Tonleiter
/
de'ɣrot/
abbreviation
- 1. het akkoord d - fis - a
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
D-Dur
abbreviation
1. het akkoord d-fis-a
D-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “d” als grondtoon
D-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "d" als grondtoon
D-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met "d" als grondtoon
D-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “d” als grondtoon
D-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. een akkoord d - f - a
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
d-Moll
abbreviation
1. het akkoord d-f-a
d-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “d” als grondtoon
d-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met d als grondtoon
d-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “d” als grondtoon
d-Moll-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met d als grondtoon
D-Dur-Tonleiter
/
daːt/
noun
1. bewust gepleegde handeling
Tat
adjective
1. ook echt plaats vindend
tatsächlich
wirklich
/
daːr/
adverb
1. op die plaats
dort
da
/
daːr/
conjunction
1. omdat
weil
da
/
dar.ˈχɪn(t)s/, /
ˈdar.ɣɪn(t)s/
adverb
1. op een plaats in de verte
dort
drüben
adverbialPronoun
1. met dat, met die
damit
adverbialPronoun
1. met die reden
daher
/
daˈsit/
noun
1. vulkanisch stollingsgesteente.
Dazit
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
Dattel
adverb
- 1. spoedig
bald
gleich
sogleich
- 2. als je niet oppast, als je zo doorgaat
gleich
noun
1. palm waaraan dadels groeien
Dattelpalme
noun
1. iemand die iets (slechts) gedaan heeft
Täter
/
dɑx/, /
dɑχ/
interjection
- 1. ontmoetingsgroet
Tag
- 2. afscheidsgroet
tschüss
/
dɑx/, /
dɑχ/
noun
- 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
- 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
Tag
/
ˌdɑɣɛˈnɑxtevəˌnɪŋ/, /
ˌdɑɣɛˈnɑɣevəˌnɪŋ/, /
ˌdɑχɛˈnɑχtevəˌnɪŋ/
noun
1. een dag waarop de dag en de nacht even lang duren
Tagundnachtgleiche
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
Tageszeitung
Zeitung
noun
1. gedeelte van de dag
Tagesabschnitt
adverb
1. iedere dag
täglich
Tag
/
ˈdaɣə(n)/, /
ˈdaχə(n)/
verb
- 1. dag worden
dämmern
tagen
- 3. beginnen te beseffen, beginnen bewust te worden
klar werden
- 2. dagvaarden: de opdracht geven op een bepaalde dag voor het hof te verschijnen
vorladen
adjective
1. meerdere dagen durend
tagelang
noun
1. het aanbreken van de nieuwe dag, de tijd net voor zonopkomst
Morgengrauen
Morgendämmerung
/
'dɑxlɪxt/
noun
1. licht van de zon
Tageslicht
noun
1. een reglementair teken dat op vaartuigen in bepaalde situaties bij daglicht moet worden getoond
Signalkörper
noun
1. bepaalde soort dagvlinder, Aglais io
Tagpfauenauge
verb
1. voor een rechtszitting oproepen
vorladen
noun
1. een oproep om voor een rechtbank te verschijnen
Vorladung
adjective
Dahliengelb
dahliengelb
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
Dach
noun
1. een langgerekte bakvormige of halfronde constructie voor het afvoeren van (regen)water dat van het dak komt
Dachrinne
Regenrinne
noun
2. accentteken ^ dat vooral uit het Frans bekend is
Accent circonflexe
Zirkumflex
noun
1. iemand die op de straat leeft, zonder vaste verblijfplaats
Obdachloser
Obdachlose
noun
1. elkaar overlappende stenen of betonnen elementen waarmee een schuin dak lekdicht gedekt wordt
Dachziegel
Dachstein
noun
1. taal die sterk lijkt op een andere taal die wordt gesproken binnen hetzelfde gebied maar door een kleiner deel van de bevolking.
Dachsprache
/
dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
Tal
verb
1. naar beneden gaan
sinken
heruntergehen
zurückgehen
noun
1. het dalen, het lager worden
Rückgang
Abnahme
Verringerung
noun
1. (bij het damspel) twee gestapelde schijven
Dame
noun
1. een inwoner van Damascus
Damaszener
adjective
1. op Damascus betrekking hebbend
damaszener
noun
1. een inwoonster van Damascus
Damaszenerin
adjective
1. op Damascus betrekking hebbend
damaszener
noun
1. een inwoner van Damascus
Damaszener
/
daːmə/
noun
- 3. koningin in het schaakspel
- 1. beschaafde vrouw
Dame
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
Damhirsch
verb
1. het damspel spelen
Dame spielen
/
dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
Dampf
noun
1. het geleiden van damp of uitwaseming van warme geneesmiddelen naar een ziekelijk deel des lichaams voor inhalatie, huidreiniging
Inhalation
verb
1. damp, geur produceren
dampfen
noun
2. huishoudelijk apparaat in de keuken dat de kookluchtjes moet afvoeren
Dunstabzugshaube
noun
- 1. een deken van gassen die zich vormt rond een planeet of maan als...
Atmosphäre
- 2. de dampkring van de aarde
Erdatmosphäre
noun
1. een bordspel gespeeld op een bord met honderd vlakken met stenen die alleen diagonaal verzet kunnen worden
Damespiel
noun
1. de damwand
Spundwand
noun
1. een, speciaal geprofileerde, ijzeren plank waarmee damwanden worden samengesteld
Spundwandelement
adverb
- 1. als ... dan
wenn ... dann
- 1. behalve
außer
conjunction
1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord.
als
conjunction
beziehungsweise
oder
pronoun
3. jongensnaam
Daniel
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
danke
vielen Dank
dankeschön
ich danke dir
adjective
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
dankbar
noun
1. het dankbaar zijn
Dankbarkeit
noun
1. een gezongen dankbetuiging
Danklied
noun
1. een dankbetuiging
Dankeschön
preposition
1. door de positieve werking van
dank
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
Tanz
verb
1. ritmisch bewegen
tanzen
danse
noun
1. mannelijk persoon die danst
Tänzer
/
dɑnsə'rɛs/
noun
1. een vrouwelijk persoon die danst
Tänzerin
noun
1. iemand die op een dansschool dansles geeft
Tanzlehrer
noun
1. meisje dat in uniform marcheert tijdens de carnavalsfeesten
Funkemariechen
Funkenmariechen
Regimentstochter
Tanzmariechen
/
ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
tapfer
mutig
noun
1. mannelijke bij
Drohne
Drohn
/
dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
Darm
noun
1. de micro-organismen in het maag-darmkanaal
Darmflora
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Darmstadt
noun
1. evolutieleer die het ontstaan van de soorten verklaart door natuurlijke selectie uit varianten die bij reproductie optreden
Darwinismus
/
dɑs/
noun
- 1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
Dachs
- 1. lange, smalle reep stof die onder de kraag van het overhemd wordt vastgeknoopt
Krawatte
Schlips
- 2. een langwerpige en brede lap stof om de hals
Schal
noun
1. paneel met instrumenten waarmee een voertuig of installatie kan worden bestuurd of bediend
Armaturenbrett
/
ˈdɑs.lok/
noun
1. sterk riekende, eetbare plant uit de lookfamilie
Bärlauch
Rams
conjunction
1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
dass
daß
demonstrativePronoun
1. wijst iets aan dat zich in een afstand van de spreker bevindt
das
noun
1. een plaats waar informatie over bepaalde onderwerpen in digitale vorm verzameld,...
Datenbank
verb
1. de datum van ontstaan bepalen
datieren
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
Dativ
noun
1. Russisch buitenverblijf
Datsche
Datscha
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
Datum
verb
durchschlagend
schallend
überwältigend
pronoun
1. een gemeente in de Zwitser kanton Graubünden
Davos
article
1. (de) wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en altijd voor het meervoud, waarbij het een specifieke persoon of ding aanduidt in plaats van het algemene geval
der
das
die
phraseologicalUnit
1. wanneer iemand met verachting van datgene spreekt, wat hij graag zou willen hebben, maar niet kan krijgen
die Trauben sind ihm zu sauer
phraseologicalUnit
1. het opgeven
das Handtuch werfen
/
də ˌɦœy̯t ˈnit fɛrˈkoː.pə(n) ˌvoːr də ˈbeːr ɣəˈsxoː.tə(n) ˌɪs/
phraseologicalUnit
Man soll das Fell des Bären nicht verteilen, bevor er erlegt ist.
/
dəˌkɑdəˈbɛlamˌbɪndə(n)/
verb
1. als eerste iets moeilijks doen dat nodig is om een resultaat te bereiken
der Katze die Schelle anhängen
der Katze die Schelle umhängen
verb
1. een lastige kwestie voortvarend en vastberaden aanpakken
den Stier bei den Hörnern packen
den Stier bei den Hörnern fassen
phraseologicalUnit
1. mensen zijn de belangrijkste vijanden van mensen
der Mensch ist dem Menschen ein Mensch
verb
2. overlijden, doodgaan, sterven
den Löffel abgeben
phraseologicalUnit
1. iets lijkt in het begin altijd erger dan het is
es wird nichts so heiß gegessen, wie es gekocht wird
verb
1. iets heel treffend verwoorden
den Nagel auf den Kopf treffen
den Keil auf den Kopf schlagen
interjection
1. er is een onomkeerbare stap gezet
der Würfel ist gefallen
die Würfel sind gefallen
noun
- 2. Drugshandelaar
Dealer
- 1. Verkoper
Händler
/
deˈbil/
adjective
- bespottelijk, ridicuul
- in lichte mate zwakzinnig
debil
/
deˈbil/
noun
- 1. iemand die min of meer zwakzinnig is
- 2. bespottelijk iemand, halve gare, idioot
Schwachsinniger
verb
1. als vordering boeken
debitieren
noun
1. een mannelijk persoon die voor de eerste maal in het openbaar optreedt, speelt of publiceert
Debütant
noun
1. een vrouwelijk persoon die voor de eerste maal in het openbaar optreedt, speelt of publiceert
Debütantin
verb
1. voor de eerste keer doen
debütieren
noun
- 2. hoofd van een faculteit
Dekan
- 1. C10H22
Dekan
Decan
noun
1. verwildering van zeden
Dekadenz
verb
1. het afgieten van een vloeistof nadat de vaste stof in de vloeistof bezonken is
dekantieren
noun
1. een reactie waarbij een carboxylgroep afsplitst van de rest van het molecuul in de vorm van een koolstofdioxidemolecuul (CO₂)
Decarboxylierung
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
Dezember
Julmond
adverb
1. gedurende tientallen jaren
jahrzehntelang
verb
1.sterk in aantal terugbrengen, gewoonlijk door afslachting
dezimieren
noun
1. een lengtemaat met een waarde van één tiende meter
Dezimeter
verb
1. letterkundige werken mondeling voordragen
deklamieren
noun
1. iemand die iets declareert
Deklarant
/
dekliˈna(t)si/
noun
1, 2
Deklination
verb
1. uit code overbrengen in gewone taal
entschlüsseln
dekodieren
noun
1. laag uitgesneden halslijn bij vrouwenkleding
Dekolletee
Dekolleté
noun
- 1. mislukking
Fehlschlag
Misserfolg
- 2. faillissement, bankroet
Konkurs
Pleite
Bankrott
Insolvenz
Zahlungsunfähigkeit
verb
1. methoden en technieken gebruikt om bouwwerken, meubels of andere objecten te verfraaien
dekorieren
verb
1. bij decreet vaststellen
dekretieren
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
Teig
noun
1. rol om deeg uit te rollen
Nudelholz
Teigrolle
noun
1. rol om deeg uit te rollen
Nudelholz
Teigrolle
/
ˈdeːl/
noun
- 1. een afsplitsing van een geheel
- 2. één uit een reeks
Teil
- 1. een werkruimte in de stal of schuur van een boerderij
Deele
Tenne
noun
Winkelhalbierende
Bisektrix
verb
1. meedoen, meevoelen
teilnehmen
noun
1. iemand die meedoet aan een wedstrijd of ander evenement
Teilnehmer
noun
1. werk waarbij men minder werkt
Teilzeitarbeit
Teilzeitjob
Teilzeitstelle
noun
1. werk waarbij men minder werkt
Teilzeitarbeit
Teilzeitjob
Teilzeitstelle
noun
Teilchenbeschleuniger
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
Dämmerung
/
den/, /
deːn/
noun
1. een inwoner van Denemarken
Däne
/
dens/, /
deːns/
adjective
1. betreffende Denemarken of het Deens
dänisch
Dänisch
/
dens/, /
deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
Dänisch
dänisch
/
ˈdensə/, /
ˈdeːnsə/
noun
Dänin
noun
1. Duits hondenras dat gefokt werd als waakhond
Dänische Dogge
noun
1. ongeloof in het eigen succes.
Defätismus
noun
1. iemand die zich bij voorbaat neerlegt bij een mislukking
Defätist
verb
1. uit het raam gooien
defenestrieren
noun
1. verdediging, verweer
Verteidigung
noun
1. een apparaat waarmee met behulp van stroomstoten het normale hartritme hersteld kan worden
Defibrillator
noun
1. begripsbepaling
Definition
noun
- 1. het vallen van het prijspeil waardoor het geld in waarde toeneemt
- 2. proces waarbij gesteenten door de wind worden afgesleten
Deflation
adjective
- wel degelijk
durchaus
ganz bestimmt
sehr wohl
- 1. goed tegen een stootje kunnend
solide
robust
zuverlässig
- 2. (van personen) eerlijk, oprecht, net in zijn manieren
solide
tüchtig
verlässlich
zuverlässig
noun
1. een drukpers die volgens het hoogdrukprincipe werkt
Tiegeldruckpresse
noun
6. verwijzing naar een lagere speelklasse
Abstieg
Absteigen
verb
1. in rang verlagen
degradieren
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Deidesheim
noun
1. een verdieping op een schip
Deck
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
Bettdecke
Steppdecke
/
dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
Decke
Bettdecke
verb
1. koloniën vormen
dekolonisieren
/
'dɛk.pɵnt/
noun
1.
Fixpunkt
noun
1. ordinaire vrouw
Schlampe
Flittchen
noun
- 1. afvaardiging
Delegation
- 3. schuldoverneming
Schuldübernahme
verb
1. taken en verantwoordelijkheden doorgeven
delegieren
abordnen
verb
- 1. samen met een ander gebruiken
teilen
- 2. in meer dan één stuk snijden of hakken
teilen
dividieren
noun
1. een wiskundige bewerking op twee getallen
Division
noun
1. waanzinnigheid, acuut psychische stoornis ten gevolge van lichamelijke aandoening, vergiftiging...
Delirium
verb
1. gravend iets winnen
graben
noun
het tot vredessterkte terugbrengen van een leger
Demobilisierung
noun
Demokratie
Volksherrschaft
adjective
1. in overeenstemming met de principes van een democratie
demokratisch
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
Demografie
/
ˌde.mo.ˈnim/
noun
1. naamwoord dat betrekking heeft op een bepaald land of volk
Volksbezeichnung
adjective
uit elkaar te halen
demontierbar
adjective
uit elkaar te halen
demontierbar
verb
demoralisieren
entmutigen
/
dɛmpən/
verb
- 1. zwakker maken, de kracht verminderen van
dämpfen
- 1. dichtgooien met grond of ander vast materiaal
zuschütten
zuwerfen
noun
1. Pinus soort naaldboom
Kiefer
Föhre
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
Den Haag
/
ˌdɛn.dro.loˈɣi/, /
ˌdɛn.dro.loˈχi/
noun
1. de studie van bomen, heesters en andere houtachtige planten
Dendrologie
/
ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /
ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
Dänemark
verb
1. op spottende en laatdunkende wijze bekritiseren
herabsetzen
verb
- 3. een bepaalde mening toegedaan zijn
denken
finden
- 1. een oplossing zoeken
denken
meinen
noun
1. fout in het denkproces, onjuiste gedachtegang of redenering
Denkfehler
noun
Kiefernzapfen
Tannenapfel
adjective
Tannengrün
tannengrün
noun
1. Hyloicus pinastri, een donkergrijze nachtvlinder
Kiefernschwärmer
noun
Pinien-Prozessionsspinner
noun
1. het been waaruit tanden bestaan
Dentin
Zahnbein
/
ˈdejo/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
Deo
/
ˌdejodɔːˈrɑnt/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
Deodorant
verb
1. onder dwang wegvoeren uit een gebied
deportieren
noun
- 1. bezinksel
Bodensatz
- 1. bewaarplaats
Depot
noun
- 1. ziekelijke neerslachtigheid
- 2. gebied met lage luchtdruk
- 3. langdurige inzinking in de economische ontwikkeling
Depression
/
dər/, /
dɛr/
article
- 1. genitief meervoud van het bepaalde lidwoord de, het
- 2. genitief en datief vrouwelijk enkelvoud van het bepaalde lidwoord de
der
/
ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
dritter
dritte
noun
1. overeenkomst ten gunste van een derde die normaal erbuiten blijft
Vertrag zugunsten Dritter
verb
1. schade doen
schaden
demonstrativePronoun
dergleiche
dergleichen
noun
1. een afgeleide stof met een overeenkomstige structuur
Derivat
noun
1. huidontsteking
Dermatitis
noun
1. Huidspecialist
Dermatologe
cardinalNumeral
1. het getal 13
dreizehn
ordinalAdjective
dreizehnte
noun
1. ruimtelijke figuur met dertien vlakken
Tridekaeder
cardinalNumeral
1. het getal 30
dreißig
noun
1. afkorting van Des-majeur
Des
noun
- 1,2. verlaagde toon d
des
- 4. des-mineurgrondakkoord
des
des-Moll
- 3. des-kleinetertstoonladder
des-Moll
abbreviation
- 1. het akkoord des - f - as
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Des-Dur
abbreviation
- 1. het akkoord des - fes - as
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Des-Moll
/
dɛs'xrot/
abbreviation
- 1. het akkoord des - f - as
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Des-Dur
abbreviation
1. het akkoord des-f-as
Des-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “des” als grondtoon
Des-Dur-Tonleiter
/
dɛs'klɛɪn/
abbreviation
- 1. het akkoord des - fes - as
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
des-Moll
abbreviation
1. het akkoord des - fes - as
des-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “des” als grondtoon
des-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met des als grondtoon
des-Moll-Tonleiter
/
dɛs'xrot/
abbreviation
- 1. het akkoord des - f - as
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Des-Dur
abbreviation
1. het akkoord des-f-as
Des-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “des” als grondtoon
Des-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "des" als grondtoon
Des-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “des” als grondtoon
Des-Dur-Tonleiter
/
dɛs'klɛɪn/
abbreviation
- 1. het akkoord des - fes - as
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
des-Moll
abbreviation
1. het akkoord des - fes - as
des-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met des als grondtoon
des-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met des als grondtoon
des-Moll-Tonleiter
noun
1. dubbel verlaagde toon d
Deses
deses
abbreviation
1. het akkoord deses-fes-ases
Deses-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “deses” als grondtoon
Deses-Dur-Tonleiter
noun
1. “Deses-majeur”
Deses-Dur
abbreviation
1. het akkoord deses-fes-ases
Deses-Dur-akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “deses” als grondtoon
Deses-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “deses” als grondtoon
Deses-Dur-Tonleiter
noun
1. onjuiste of misleidende informatie, die bewust verstrekt wordt met het oogmerk...
Desinformation
adjective
1. met kennis van zaken
sachkundig
noun
1. een specialist
Experte
Sachverständige
Sachverständiger
adverb
1. geeft een tegenstelling aan met het voorafgaande
trotzdem
dennoch
noun
1. proces waarin een specifieke soort atomen of moleculen wordt losgemaakt uit een vaste stof en daaruit verdwijnt
desorption
noun
Desoxyribonukleinsäure
/
'dɛs'tɛits/
adjective
1. in die tijd gangbaar
damalig
/
'dɛs'tɛits/
adverb
1. in die tijd
damals
dazumal
seinerzeit
noun
1. onderdeel, kleinigheid
Detail
verb
- 1. iets of iemand zoeken en vinden
aufspüren
- 2. ergens een signaal van door middel van apparatuur opvangen
orten
/
detɛkˈtivə/
noun
- 2. speurder die tracht misdaden op te lossen of bewijsmateriaal te verzamelen
Detektiv
- 3. boek of programma over mensen die trachten misdaden op te lossen
Kriminalroman
/
detɛkˈtivəroˌmɑn/
noun
1. verhaal over een speurder die een misdrijf tracht op te lossen
Kriminalroman
noun
1. bepalende factor in een ontwikkeling of een toestand
Determinante
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
Tugend
adjective
1. bereid zich te gedragen in overeenstemming met algemeen aanvaarde waarden
tugendhaft
tugendsam
noun
1. ondeugend kind
Bengel
Taugenichts
/
døk/
noun
- 1. vervorming van het oppervlak van een voorwerp in de vorm van een put of uitholling, meest veroorzaakt door botsing met een ander voorwerp
Beule
Delle
- 2. psychologische schade
Dachschaden
verb
1. een deuk of deuken maken in iets
verbeulen
/
døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
Tür
noun
1. een instrument waarmee bezoekers aangeven dat ze aan de deur staan
Klingel
noun
1. een mechaniek aan de bovenkant van een deur
Türschließer
noun
1. een instrument waarmee bezoekers aangeven dat ze aan de deur staan
Türklopfer
noun
1. een handvat waarmee een deur wordt geopend of gesloten
Türknauf
Türgriff
noun
1. handvat dat de grendel van een deur bedient.
Türknopf
noun
1. een kleine mat, waarop men bij de deur de schoenen kan afvegen
Fußmatte
/
dørwardər/
noun
1. gerechtelijk ambtenaar die exploten en executien doet, dagvaardingen uitbrengt en beslagen legt
Gerichtsvollzieher
noun
1. pennetje dat in een houten nagel wordt geslagen, zodat die vast komt te zitten
Deutel
Nagelkeil
/
dewteɾoˈnomjum/
pronoun
Deuteronomium
/
'devəntər/
adjective
1. gemeente en oudste stad in de provincie Overijssel
Deventer
noun
1. woord of korte tekst die snel en tegelijkertijd duidelijk een bepaalde boodschap moet overbrengen
Motto
noun
1. een bijzondere verering voor een bepaalde persoon of een heilige
Devotion
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
weil
demonstrativePronoun
selbe
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam geen of te weinig insuline produceert
Diabetes
noun
1. band (met edelstenen versierd) voor om het hoofd
Diadem
noun
1. vaststelling van een ziekte
Diagnose
noun
1. een symbolische en grafische voorstelling van een aantal zaken en hun onderling verband
Diagramm
/
dijaˈkritis/
adjective
diakritisch
/
diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
Mundart
Dialekt
/
ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /
ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
Dialektologie
noun
1.
Dialektforschung
Mundartforschung
noun
1. bloedzuivering met een kunstnier
Dialyse
noun
- 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
- 2. een edelsteen gesneden uit [1]
Diamant
noun
1. middellijn
Durchmesser
Diameter
/
diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
Durchfall
Diarrhö
/
ˌdiatoˈmeə(n)/
noun
1. stam van eencellige organismen, Bacillariophyta
Diatomeen
Kieselalgen
/
ˌdiaˈtomə(n)/
noun
1. stam van eencellige organismen, Bacillariophyta
Diatomeen
Kieselalgen
adjective
diatonisch
diatonisch
adjective
- 1. compact
dicht
- 2. gesloten
geschlossen
dicht
preposition
1. op een korte afstand van
nahe
in der Nähe von
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
Dichter
Poet
verb
1. dicht maken door middel van een knoop
zuknöpfen
noun
1. in ritme, maat, en klank verwoorden
Dichtkunst
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
Diktator
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
Diktatur
Gewaltherrschaft
/
dɪk'te/
noun
1. een tekst die wordt gedicteerd en door andere personen wordt opgeschreven als toets in het correct spellen
Diktat
/
ˈdɪk.tʏm/
noun
1. beschikkend gedeelte van een vonnis of arrest
Dispositiv
Spruch
Tenor
/
diˈdimijʏm/
noun
1. scheikundige stof
Didym
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Dieburg
noun
2. een aanpassing in het eet- en voedingspatroon
Diät
/
dif/
noun
1. iem. die steelt
Dieb
Diebin
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
Diebstahl
noun
1. een jonge dienstbode
Dienstmädchen
/
ˈdinst.plɪxt/
noun
1. verplichting om ergens te werken
Wehrpflicht
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
tief
adjective
Tieforange
tieforange
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen...
Gefrierschrank
/
diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
Tier
adjective
1. waaraan men grote waarde hecht
lieb
teuer
noun
1. arts voor dieren, met name kleine huisdieren
Tierarzt
Veterinär
noun
1. figuur in de vorm van een dier
Tierfigur
/
ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /
ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
Zoo
Tiergarten
Tierpark
/
ˈdirə(n)ˌvudər/
noun
1. voor vee of huisdieren bestemd voedingsmiddel
Tierfutter
noun
1. een instelling die zich bezighoudt met het verzorgen en kweken van exotische diersoorten en het tonen ervan aan betalend publiek
Tiergarten
Zoo
noun
1. wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van dierziektes
Veterinärmedizin
Tiermedizin
Tierheilkunde
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
Zoologie
Tierkunde
/
ˈdirpruf/
noun
1. onderzoek gedaan met proefdieren
Tierversuch
verb
2. de 'dieven' afplukken van (een plant)
ausgeizen
/
ˈdivən.bɛndə/
noun
1. een groep mensen die samen diefstal plegen, meestal herhaaldelijk en georganiseerd
Diebesbande
noun
Biphenyl
Dibenzol
Diphenyl
Phenylbenzol
noun
beveiliging die afschakelt indien twee stromen niet even groot zijn
Fehlerstromschutzschalter
noun
vergelijking voor een functie waarin een of meer van de afgeleiden van die functie voorkomen
Differentialgleichung
noun
1. ontwikkeling in een bepaalde richting, het zich ontwikkelen van cellen, weefsels etc. tot...
Differenzierung
/
dɪfərɛn'(t)ʃerə(n)/
verb
- 2. (wiskunde) het berekenen van de lokale stijging in een functie, het bepalen van de afgeleide van een functie
ableiten
differenzieren
- 1. vanuit een homogeen geheel tot verschillende vormen komen
differenzieren
unterscheiden
noun
1. infectieziekte
Diphtherie
/
ˈdɪftɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
Diphthong
Zwielaut
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong
Diphthongierung
noun
1. middel dat
Digestivum
verdauungsfördernd
noun
1. het vastleggen van beelden met behulp van een digitale camera
Digitalfotografie
noun
1. het digitaliseren
Digitalisierung
/
dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
Schenkel
Oberschenkel
noun
1. een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
Deich
/
dɪk/
adjective
- 1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
- 2. de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
- 6. nauw aaneengesloten
- 7. weinig vloeibaar
- 5. hecht
- 3. een naar verhouding grote lichaamsomvang hebbend
dick
- 4. ruim
gut
voll
noun
1. bepaald soort gors, Oryzoborus crassirostris
Mohrenreisknacker
noun
1. (dierkunde) zoogdier met een dikke huid
Dickhäuter
Pachyderme
noun
- 3. kleine bruine motachtige dagvlindersoorten met een snelle schietvlucht
Dickkopffalter
- 4. in het zand levende grondelsoort
Sandgrundel
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon labrosus
Dicklippige Meeräsche
/
dɪ'lɛmɑ/
noun
moeilijke keuze
Dilemma
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
Dill
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Dillenburg
noun
1. zaden van Anethum graveolens
Dillsaat
noun
1. een geneesmiddel dat behoort tot de groep calciumantagonisten
Diltiazem
noun
- 1. afmeting in een bepaalde richting
- 2. parameter van een wiskundige ruimte
- 3. categorie waarin een fysische grootheid valt
Dimension
pronoun
1. Noordwest-Iraanse taal gesproken door 2,5 miljoen Koerden uit Turkije
Zazaische
/
ˈdɪmə(n)/
verb
- 3. (informeel) rustig aan doen
den Schnabel halten
- 1, 2. licht temperen
dimmen
noun
- 2. feestmaal met gasten
Diner
Festessen
Festmahl
- 1. warme maaltijd
Essen
Mahl
Mahlzeit
verb
1. het diner gebruiken
dinieren
/
ˈdɪ.ŋəs/
noun
Dingsbums
Dingsda
Dings
noun
1. Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
Dingo
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Dingolfing
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Dinkelsbühl
noun
1. stam van eencelligen met een tweetal zweepstaartjes die in water leven, Dinoflagellata
Dinoflagellata
/
ˈdinoflɑɣɛˌlatə(n)/
noun
1. stam van eencelligen met een tweetal zweepstaartjes die in water leven, Dinoflagellata
Dinoflagellaten
/
ˌdinoˈsʌʊriər/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
Dinosaurier
Dinosaurus
/
ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
Dinosaurier
Saurier
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
Dienstag
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Dinslaken
/
dɪp/
noun
1. slechte (emotionele) periode
Tief
noun
1. een bewijs van bevoegdheid
Diplom
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
Diplomat
noun
1. de functionarissen die hun staat in een bepaald land vertegenwoordigen
Diplomatisches Corps
noun
1. de kunst en de kunde van het voeren van overleg
Diplomatie
adjective
1. betrekking hebbende op de diplomatie
diplomatisch
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
Diplomatik
Urkundenlehre
noun
1. een elektronisch testapparaat waarmee o.a. de resonantiefrequentie van een antenne of resonantiekring kan worden bepaald
Dipmeter
noun
1. dipoolantenne
Dipolantenne
verb
1. iets even in een vloeistof dopen
eintauchen
noun
2. een elektronisch testapparaat waarmee o.a. de resonantiefrequentie van een antenne of resonantiekring kan worden bepaald
Dipmeter
adjective
1. zonder te wachten, zonder iets daartussen
direkt
adverb
1. zonder te wachten, zonder omweg
direkt
noun
1. de leiding van een bedrijf, de directeur en of de topmanagers
Direktion
noun
1. passief onderdeel van een yagi-antenne
Direktor
noun
1. staafje dat een dirigent bij het dirigeren hanteert
Taktstock
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
Dirigent
pronoun
- 1. jongensnaam
Dietrich
- 2. spelwoord voor de letter d
Dora
noun
1. lijn die vanuit de masttop de giek draagt bij weggenomen zeil
Dirk
noun
1. afkorting van Dis-majeur
Dis
/
dɪs/
noun
- 2. maaltijd
Mahl
- 1. gedekte tafel
Tafel
Speisetafel
- 3. verhoogde toon d
dis
- 4. dis-kleinetertstoonladder
dis-Moll
- 5. dis-mineurgrondakkoord
dis-Moll
dis
abbreviation
- 1. het akkoord dis - fisis - aïs
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Dis-Dur
abbreviation
- 1. een akkoord dis - fis - ais
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Dis-Moll
abbreviation
- 1. het akkoord dis - fisis - aïs
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Dis-Dur
abbreviation
1. het akkoord dis-fisis-aïs
Dis-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “dis” als grondtoon
Dis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “dis” als grondtoon
Dis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “dis” als grondtoon
Dis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “dis” als grondtoon
Dis-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. een akkoord dis - fis - ais
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
dis-Moll
abbreviation
1. het akkoord dis-fis-aïs
dis-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “dis” als grondtoon
dis-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “dis” als grondtoon
dis-Moll-Tonleiter
abbreviation
- 1. het akkoord dis - fisis - aïs
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Dis-Dur
abbreviation
1. het akkoord dis-fisis-aïs
Dis-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “dis” als grondtoon
Dis-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "dis" als grondtoon
Dis-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “dis” als grondtoon
Dis-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “dis” als grondtoon
Dis-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. een akkoord dis - fis - ais
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
dis-Moll
abbreviation
1. het akkoord dis-fis-aïs
dis-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “dis” als grondtoon
dis-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “dis” als grondtoon
dis-Moll-Tonleiter
noun
2. rechtergedeelte van het toetsenbord
Diskant
adjective
disziplinarisch
disziplinär
noun
1. beschrijvend overzicht van de elpee's of cd's van een artiest of muziekgroep
Diskografie
adjective
1. zonder aandacht te trekken, onopvallend
diskret
noun
1. onverwachte onderlinge afwijking
Diskrepanz
noun
- 1. bescheidenheid of kiesheid
- 2. geheimhouding
Diskretion
verb
- 1. maken van onderscheid
differenzieren
unterscheiden
- 2. ongeoorloofd onderscheid dat gemaakt wordt op grond van bepaalde kenmerken
diskriminieren
/
ˈdɪskʏs/
noun
1. een zware werpschijf die gebruikt wordt bij de atletische sport discuswerpen.
Diskus
Wurfscheibe
noun
1. een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld
Diskussion
noun
1. een atletiekdiscipline waarbij men een discus zo ver mogelijk probeert te werpen
Diskuswerfen
noun
1. tweemaal verhoogde toon “d”
disis
noun
1. Magneetschijf
Diskette
noun
1. ongewone verplaatsing
Dislokation
/
dɪsəl/
noun
3. houtbewerkingsbijl
Dechsel
Breitbeil
/
dɪso'nant/
noun
Dissonant
verb
1. afstand nemen
sich distanzieren
verb
1. afzonderen van een gezuiverd product door het verhitten van een mengsel en afkoelen van de dampen
destillieren
noun
1. verdeling, verspreiding
Vertrieb
noun
1. het gebied van een lokale overheid
Distrikt
Bezirk
demonstrativePronoun
dieser
diese
dieses
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Ditzingen
adjective
1. uiteenlopend
divergent
adjective
- 3. twee of meer
einige
- 1. onderling duidelijk verschillend
unterschiedlich
verschieden
- 2. gekenmerkt door de aanwezigheid van mensen met een verschillend achtergrond
vielfältig
noun
1. ontsteking van de darmuitstulpingen
Divertikulitis
noun
1. uitkering van (een deel van de) winst aan de aandeelhouders van een onderneming
Dividende
noun
1. legereenheid van 15.000 man
Division
noun
- 1&2.1. (weinig gebruikte) scheikundige term voor water (H2O)
- 1. (weinig gebruikte) scheikundige term voor water (H2O)
Dihydrogenmonoxid
noun
1. Een diëlektricum is een materiaal waarvan de polarisatie...
Dielektrikum
noun
1. specialist op het gebied van voeding en voedingspatronen
Diätist
noun
1. een vrouwelijke specialist op het gebied van voeding en voedingspatronen
Diätistin
/
(d)ʒi.ˈbu.ti/, /
dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
Dschibuti
noun
1. de afkorting van desoxyribonucleic acid (desoxyribonucleïnezuur)
DNS
DNA
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
Würfel
noun
1. een vrouwelijk kind
Tochter
/
ˈdɔktɔr/
abbreviation
1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
Doktor
noun
1.het hoogste diploma dat aan een universiteit behaald kan worden
Doktorgrad
Doktorwürde
noun
1. een verzameling leerstellingen of dogmas die niet ter discussie staan
Doktrin
noun
1. een verzameling gegevens
Dokument
Unterlagen
noun
1. een op waarheid beruste film
Dokumentarfilm
/
dokymɛn'taʦi/
noun
1. geschreven materiaal dat een bepaald onderwerp om- en beschrijft
Dokumentation
verb
1. onderbouwen, staven
dokumentieren
noun
1. iemand die dood is, een gestorvene, overledene
Tote
noun
1. dodecafonie
Zwölftontechnik
adjective
1. dodecafonisch
dodekaphonisch
/
'do:dələk/
adjective
1. de dood veroorzakend
tödlich
/
ˈdo.də(n)/
verb
- 2. de tijd doden: iets doen om je niet te vervelen
totschlagen
- 1. iemand van het leven beroven.
töten
umbringen
ermorden
noun
1. het herdenken van de doden die vielen in de Tweede Wereldoorlog, meestal op 4 mei
Totenehrung
Totenfeier
/
ˈdodə(n)ˌmɪs/
noun
1. een mis opgedragen voor een overledene
Requiem
Totenmesse
Seelenmesse
verb
1. iets zelf construeren
selbermachen
/
ˈdudɔɫˌzɑk/, /
ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
Sackpfeife
Dudelsack
noun
1. geld, poen
Moos
Mäuse
Penunze
Zaster
noun
- 1. een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld
Tor
- 1. het punt waarop men zich richt
Ziel
adjective
sachgerecht
zweckentsprechend
zweckgerecht
zweckmäßig
/
ˈduloːrˌzak/
noun
1. een oorzaak die gericht is op een specifiek doel; een doel dat tevens de oorzaak van iets is.
Finalursache
Zielursache
Zweckursache
noun
1. een gewenste situatie waar naar toe gewerkt wordt
Zielsetzung
noun
1. het punt waarop men zijn schiettuig richt
Ziel
Zielscheibe
verb
- 1. een actie ondernemen
machen
tun
- cadeau doen
schenken
- iets van de hand doen
verkaufen
verb
- 2. lichtjes slapen
duseln
- 1. een stof door middel van een doezelaar dun uitwrijven
wischen
noun
Taubenmännchen
Tauber
Tauberich
Täuber
Täuberich
/
dɔx/
noun
1. grote kortharige hond met brede kop
Dogge
/
'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
Dogma
pronoun
1. meer op de grens van Noord-Macedonië en Griekenland
Dojransee
noun
- 2. droogzetinrichting voor schepen
Dock
- 1. onderdeel van een klavecimbel
Springer
noun
1. stapelblok voor ondersteuning van een kiel
Stapel
verb
- 1. node betalen
blechen
- 1. in dok brengen
docken
noun
1. witte jas die een arts ter bescherming over zijn kleding draagt
Arztkittel
/
ˈdɔkˌʋɛr.kər/
noun
1. iemand die in de havens werkt
Hafenarbeiter
/
dɔl/
adjective
- 1. onzinnig
toll
- 2. gek
toll
verrückt
/
dɔl/
noun
2. U-vormig steunpunt waarin een roeispaan rust
Dolle
Rudergabel
/
dɔl ɔp/
adjective
1. verrukt zijn van, verzot zijn op
auf etwas versessen sein
adjective
1. uitgelaten zijn, heel erg vrolijk van stemming, buitengewoon blij, enorm blij
froh
heilfroh
verb
1. doelloos, richtingloos rondlopen
herumstreichen
sich herumtreiben
stromern
umherstreifen
/
dɔlˈfɛɪ̯n/, /
dɔlˈfɛːn/, /
dɔɫˈfɛɪ̯n/, /
ˈdɔlfɛɪ̯n/, /
ˈdɔlfɛːn/, /
ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
Delphin
Delfin
/
ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
Dollar
verb
1. spelen, stoeien, spotten, gek doen
herumtollen
tollen
adjective
1. van weinig verstand getuigend
dumm
noun
1. hoofdkerk van een bisdom
Dom
/
do.'ma.ʦi.jɵm/
noun
1. een hol orgaan waarin een plant aan andere organismes, zoals mieren, roofmijten, schimmels ...
Domatium
noun
1. temming tot huisdier of cultuurgewas
Domestizierung
Domestikation
verb
1. tot huisdier of cultuurgewas temmen
domestizieren
noun
2. automatische overschrijving van geldbedragen door de bank laten verrichten
Dauerauftrag
noun
2. vijfde trede van toonladder
Dominante
noun
1. dominantseptiemakkoord
Dominantseptakkord
noun
1. voorganger van een protestantse eredienst
Pastor
Pfarrer
Priester
/
domiˈnɪːrə(n)/
verb
1. het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden
dominieren
/
ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /
ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
Dominikanische Republik
/
ˈdɔm.kɔp/
noun
1. iemand die niet erg slim is
Dummkopf
/
ˈdɔm.or/
noun
(milde benaming) dom persoon
Dummchen
Dummerchen
adverb
1. zonder na te denken
dummerweise
noun
1. iemand die een (financiële) bijdrage levert
Donator
noun
1. een schenking
Spende
Beitrag
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Donau
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Donaueschingen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Donauwörth
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
Donner
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
Donnerstag
adverb
1. de latere uren van de donderdag
Donnerstagabend
/
ˈdɔndərə(n)/
verb
- 1. het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading.
donnern
- 2. op luide en barse toon een bevel geven of zijn ongenoegen uiten.
donnern
wettern
- 3. met veel lawaai ergens afvallen.
fallen
/
'dɔndərslɑx/
noun
1. de luide knal die het inslaan van de bliksem veroorzaakt
Donnerschlag
verb
1. een gift geven
beschenken
adjective
1. zonder licht
dunkel
noun
1. toestand dat er geen licht is
Dunkel
noun
1. gever, bijv. orgaandonor: degene die zijn orgaan afstaat
Spender
Organspender
noun
1. tot mislukking gedoemd handelen, ingegeven door dwaas idealisme
Donquichotterie
noun
1. fijne veren die onder de taaiere buitenveren zitten, vaak gebruikt als vulstof voor kussens, dekbedden en slaapzakken
Daune
/
doːt/
adjective
1. niet meer levend
tot
/
doːt/
noun
- 2. skeletvormige figuur, vaak met zeis, die bovengenoemde toestand personifieert
Tod
Sensenmann
- 1. de toestand na het leven
Tod
tot
/
ˈdotxan/
verb
1. het leven verlaten
sterben
adjective
1. bij de geboorte al overleden
totgeboren
verb
1. voltooid deelwoord van doodsteken
totgestochen
noun
- 1. (beroep) persoon
- 2. keversoort
Totengräber
noun
3. hevige vrees
Agonie
Kreuz
Todesangst
noun
het bed waarop iemand gestorven is
Tottenbett
/
ˈdotsxitə(n)/
verb
1. doden met een schiettuig
erschießen
totschießen
/
ˈdoːts.ɛsˌka.dər/
noun
1. bende die gevormd is om een of meerdere personen te doden
Todesschwadron
/
dotslɑx/
noun
1. het iemand anders opzettelijk, maar zonder voorbedachten rade van het leven beroven
Totschlag
noun
1. als straf gedood worden
Todesstrafe
noun
1. grondverf
Grundanstrich
verb
3. voorbestemmen
vorherbestimmen
adjective
2. heel erg ziek
todkrank
/
doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
taub
noun
Gehörlosigkeit
Taubheit
noun
1.
Dämpftopf
Kohlendämpfer
/
'dojə(n)/
verb
1. het stijgen van de buitentemperatuur boven het vriespunt waardoor alle ijs en sneeuw begint te smelten
tauen
noun
1. stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
Labyrinth
Irrgarten
/
ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
Taufbecken
/
ˈdoːr/, /
[doːr]/, /
[dʊːr]/
preposition
- 2. oorzaak
- 3. in
- 6. als achterzetsel: doorheen
durch
- 1. bij lijdende vorm
von
durch
noun
2. een cruciale ontdekking
Durchbruch
verb
- 3. met kracht een doorgang maken, een weg door iets heen forceren
brechen
- 1. een einde aan een heersende situatie maken
durchbrechen
verb
1. tot een boog vervormen door een opgelegd gewicht
durchbiegen
/
dorˈdɛŋkə(n)/, /
do̝rˈdɛŋkə(n)/, /
ˈdordɛŋkə(n)/, /
ˈdo̝rdɛŋkə(n)/
verb
- 1. [doordénken] serieus en goed nadenken over een kwestie
durchdenken
- 1. [dóórdenken] ergens over blijven denken, ergens aan blijven denken
weiter nachdenken
/
ˈdoːrɣan/, /
ˈdɔːrχan/
verb
1. tot het einde meemaken
weitermachen
/
'dɔːrɣans/
adverb
1. in de meeste gevallen, met weinig uitzonderingen
im Allgemeinen
im allgemeinen
in der Regel
/
'doːrɣevə(n)/, /
'do̝ːrχevə(n)/
verb
1. iets wat men ontvangen heeft aan de volgende persoon geven
weitergeben
adjective
1. ervaren, geroutineerd
erfahren
gewitzt
routiniert
/
'dɔːrɦalə(n)/
verb
- 2. niet slapen
durchhalten
- 1. een streep ergens doorheen zetten
durchstreichen
adverb
1. geheel door
hindurch
verb
- 1. het inwendige van iets onderzoeken door blootstelling aan penetrerende straling, zoals röntgen- of gammastraling
durchleuchten
- 3. van licht doordringen
durchleuchten
durchscheinen
- 2. grondig onderzoeken
durchleuchten
testen
untersuchen
/
'do̝rlop/, /
do̝rˈlop/
noun
- 2. (medisch) diarree
Durchfall
- 1. het in zijn geheel zonder onderbreking doornemen
Durchlauf
adverb
1. middendoor, in tweeën
entzwei
mittendurch
/
dormɔdərən/
verb
1. moeizaam, knoeierig doorgaan
durchwursteln
weiterpfuschen
weiterstümpern
weiterwursteln
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
Dorn
Grat
noun
1. Datura stramonium, een zeer giftige plant die hallucinogene alkaloïden bevat
Gemeiner Stechapfel
Weißer Stechapfel
/
ˈdornəkron/
noun
- 1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
Dornenkrone
- 2. roodkleurige, stekelige zeester
Dornenkronenseestern
noun
1. bepaalde soort vis, Squalus acanthias
Dornhai
adjective
2. doorregen spek: spek met veel laagjes vlees tussen het vet in
durchwachsen
verb
1. door te slikken uit de mondholte verwijderen
herunterschlucken
hinunterschlucken
runterschlucken
noun
- 2. diameter
Diameter
Durchmesser
- 1. doorsnijvlak
Durchschnitt
/
ˈdɔːrsne/
adjective
- 1. iets of iemand waarvan de eigenschappen dicht bij het gemiddelde liggen
Durchschnitt
- 2. snijvlak
Schnitt
/
dɔːrˈstan/
verb
- 1. ondanks moeilijkheden er nog goed voorstaan
standhalten
- 2. overleven
überleben
/
doːrˈstrepə(n)/
verb
1. een lijn trekken
durchstreichen
/
ˈdorvərˌkopə(n)/, /
ˈdo̝rvərˌkopə(n)/
verb
1. iets verkopen dat onlangs is gekocht
weiterverkaufen
adjective
1. (van een water) geschikt om doorheen te lopen
durchwatbar
/
doːrˈzɪxtəx/, /
doːrˈzɪxtɪx/, /
do̝ːrˈzɪχtəχ/
adjective
[1] waar licht zo ongehinderd door kan treden dat het zicht erdoor niet belemmerd wordt
durchsichtig
/
dorˈzin/, /
do̝rˈzin/, /
ˈdorzin/, /
ˈdo̝rzin/
verb
- 1. dóórzien, vluchtig iets lezen
durchsehen
- 1. inzien dat iets een poging tot bedrog is
durchschauen
/
doʊs/, /
doːs/
noun
- 2. vagina
Dose
Büchse
- 5. informele naam voor toilet
Klo
- 1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
Schachtel
Kiste
Karton
/
dɔp/
noun
5. dop (gereedschap)
Nuss
verb
- 1. iets in een vloeistof steken
eintauchen
- 3. een naam geven
nennen
- 2. iemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
taufen
noun
1. en 2. (zaden uit / peulen van) het gewas Pisum sativum L. subsp. sativum var. sativum
Gartenerbse
Markerbse
noun
1. stimulerende (genees)middelen
Doping
verb
1. het verwijderen van de peulenschillen van erwten, bonen, enzovoort
enthülsen
noun
1.
Erdnüsse in der Schale
noun
1. dopsleutel
Steckschlüssel
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Dormagen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Dornhan
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Dornstetten
/
dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
Dorf
noun
1. inwoner van een kleine plaats op het platteland
Dorfbewohner
Dörfler
noun
1. iemand die in een dorp woont
Dorfbewohner
Dörfler
noun
1. vloer waarop gedorst wordt
Tenne
Dreschboden
pronoun
Dortmund-Ems-Kanal
noun
1. (medisch) verstrekte hoeveelheid
Dosierung
noun
1. hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen
Dosis
/
doˈsir/, /
dɔˈʃe/, /
ˈdɔs·jeː/
noun
1. verzameling documenten en andere vastgelegde informatie,...
Akte
Dossier
/
dɔt/
noun
- 1. een pluk vezelig, wollig of donzig materiaal
Dutt
Knäuel
Tupfer
- 2. (meestal als verkleinwoord) iets kleins en liefs
Herzchen
Schatz
/
ˈdɔtərɣeləˌwevər/
noun
1. soort zangvogel met een gele borst en buik
Dottergelber Weber
Dotterweber
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
Zoll
Zollamt
verb
2. verdubbelen
verdoppeln
/
duʃ/
noun
1. stortbad
Dusche
verb
1. een douche nemen
duschen
sich duschen
noun
1. een lipbloemige plant met bladeren die op die van de brandnetel lijken maar die niet branden.
Taubnessel
Bienensaug
verb
1. een bestand van een computer of server op afstand naar een lokale computer of server overbrengen
downloaden
herunterladen
noun
1. een set van twaalf
Dutzend
/
ˈdɔktɔr/
noun
1. academische titel van iemand die een wetenschappelijk proefschrift succesvol verdedigd heeft
Dr.
/
draːt/
noun
- 3. elektrisch verbindingsmateriaal
Draht
- 1. in elkaar gesponnen vezels
- 2. de lijn in een verhaal
Faden
- 4. bijnaam van de radiotelegrafist
Funker
- 5. de schroefdraad
Gewinde
/
drat.los/, /
ˈdraːd.loːs/
adjective
1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
drahtlos
schnurlos
noun
1. een constructie waarmee aan een draad of kabel de gewenste spanning kan worden gegegven
Spannschloss
Spannschraube
noun
1. een gehard stalen stift met schroefdraad om in een gat binnenschroefdraad te tappen
Gewindebohrer
/
ˈdraxbar/, /
ˈdraχbar/
adjective
1. te dragen, met de mogelijkheid gedragen te worden
tragbar
/
ˈdraxbar/, /
ˈdraχbar/
noun
1. een baar waarop iets gedragen kan worden
Tragbahre
noun
1. ongemoduleerde elektromagnetische radiogolf
Trägersignal
noun
1. frequentie van een draaggolf
Trägerfrequenz
/
ˈdraːɣ.mudər/
noun
Leihmutter
Leihmutter
noun
1. stok waaraan men iets draagt
Tragjoch
Tragstange
noun
- 3. een ondersteunende groep
Basis
- 1. een vlak waarop een last gedragen wordt
Tragfläche
- 2. een vleugel van een vliegtuig
Tragfläche
Tragflügel
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
Drehbank
Drehmaschine
noun
1. constructie van drie of vier deurbladen die rondom een gezamenlijke verticale as kunnen draaien, ter vervanging van een gewone deur m.n. gebruikt in winkels, ziekenhuizen enz.
Drehtür
/
ˈdraːi̯ən/
verb
1. om een middelpunt bewegen
drehen
noun
1. iemand die met een draaibank werkt
Dreher
noun
1. iemand die voortdurend van mening verandert
Wendehals
noun
1. strijkinstrument met strijkwiel
Drehleier
noun
1. een mechanisch bediend of automatisch spelend orgel, meestal op straat spelend
Drehorgel
Leierkasten
noun
1. zitmeubel voor één persoon waarvan de zitting kan draaien vooral in gebruik in kantoren
Drehstuhl
pronoun
sterrenbeeld nabij de noordelijke hemelpool
Drache
/
draːk/
noun
- 1. fabeldier
Drache
Drachen
- 2. open zeiljacht
Drachen
/
drɑxtəx/
adjective
1. (van dieren) zwanger
trächtig
/
drɑf/
noun
- 2. looppas
Laufschritt
- 1. draf bij viervoeters
Trab
- 3. bezinksel
Trester
verb
- 1. al van de vloer houdend vervoeren
- 2. als kledingstuk of sieraad aanhebben
tragen
noun
- 5. voorwerp dat iets ondersteund
Stütze
Unterlage
- 2. een dunne laag van een fotografische film die de lichtgevoelige emulsie beschermt...
Zelluloid
/
ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
Estragon
Dragon
noun
1. vochtafvoering
Drainage
noun
1. het bloed van een draak
Drachenblut
noun
- 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
- 2. een bepaald soort film of toneelstuk
Drama
noun
1. innerlijke neiging om iets te doen
Antrieb
Trieb
/
drɑŋk/
noun
- 2. vloeistof om de dorst te lessen
- 1. alcoholhoudende vloeistof
Getränk
Trunk
noun
- 2. glaasje drank
Drink
Getränke
- 3. vloeibaar medicament
Saft
Sirup
/
drɑŋkzʏxt/
noun
1. een ziekelijk verlangen naar alcoholische dranken
Trunksucht
/
ˈdrɑs.tis/, /
ˈdrɑs.tɪs/
adjective
1. doelgericht zeer ingrijpend
drastisch
noun
1. een alleen nog uitgesproken bestraffende behandeling
Drohung
verb
1. een bestraffende handeling in het vooruitzicht stellen
drohen
/
ˈdrɛŋkə(n)/
verb
2. drinken geven aan
tränken
/
ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Drenthe
/
ˈdrɛsɪŋ /
noun
1. een soort saus, die meestal bestaat uit een combinatie van olie, water, citroensap of azijn en kruiden; saus, slasaus, vinaigrette
Dressing
cardinalNumeral
1. telwoord
drei
Drei
noun
1. het cijfer 3
Drei
drei
adjective
1. met drie afmetingen, hoogte, breedte en diepte
dreidimensional
noun
1. kleine vis die inheems is in de Benelux, Gasterosteus aculeatus
Stichling
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
Dreieck
noun
1. kleine tweekleppige zoetwaterschelp, oorspronkelijk uit het bekken van de Kaspische ...
Wandermuschel
/
ˈdriˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 300
dreihundert
cardinalNumeral
1. het getal 308
dreihundertacht
cardinalNumeral
1. het getal 338
dreihundertachtunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 398
dreihundertachtundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 388
dreihundertachtundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 328
dreihundertachtundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 348
dreihundertachtundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 358
dreihundertachtundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 368
dreihundertachtundsechzig
/
ˌdrihɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 378
dreihundertachtundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 318
dreihundertachtzehn
cardinalNumeral
1. het getal 313
dreihundertdreizehn
cardinalNumeral
1. het getal 330
dreihundertdreißig
cardinalNumeral
1. het getal 303
dreihundertdrei
cardinalNumeral
1. het getal 333
dreihundertdreiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 393
dreihundertdreiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 383
dreihundertdreiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 323
dreihundertdreiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 343
dreihundertdreiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 353
dreihundertdreiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 363
dreihundertdreiundsechzig
/
ˌdrihɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 373
dreihundertdreiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 301
dreihunderteins
cardinalNumeral
1. het getal 331
dreihunderteinunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 391
dreihunderteinundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 381
dreihunderteinundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 321
dreihunderteinundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 341
dreihunderteinundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 351
dreihunderteinundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 361
dreihunderteinundsechzig
/
ˌdrihɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 371
dreihunderteinundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 311
dreihundertelf
cardinalNumeral
1. het getal 309
dreihundertneun
cardinalNumeral
1. het getal 339
dreihundertneununddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 399
dreihundertneunundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 389
dreihundertneunundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 329
dreihundertneunundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 349
dreihundertneunundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 359
dreihundertneunundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 369
dreihundertneunundsechzig
/
ˌdrihɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 379
dreihundertneunundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 319
dreihundertneunzehn
cardinalNumeral
1. het getal 390
dreihundertneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 380
dreihundertachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 310
dreihundertzehn
cardinalNumeral
1. het getal 312
dreihundertzwölf
cardinalNumeral
1. het getal 302
dreihundertzwei
cardinalNumeral
1. het getal 332
dreihundertzweiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 392
dreihundertzweiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 382
dreihundertzweiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 322
dreihundertzweiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 342
dreihundertzweiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 352
dreihundertzweiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 362
dreihundertzweiundsechzig
/
ˌdrihɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 372
dreihundertzweiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 320
dreihundertzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 314
dreihundertvierzehn
cardinalNumeral
1. het getal 340
dreihundertvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 304
dreihundertvier
cardinalNumeral
1. het getal 334
dreihundertvierunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 394
dreihundertvierundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 384
dreihundertvierundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 324
dreihundertvierundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 344
dreihundertvierundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 354
dreihundertvierundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 364
dreihundertvierundsechzig
/
ˌdrihɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 374
dreihundertvierundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 305
dreihundertfünf
cardinalNumeral
1. het getal 335
dreihundertfünfunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 395
dreihundertfünfundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 385
dreihundertfünfundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 325
dreihundertfünfundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 345
dreihundertfünfundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 355
dreihundertfünfundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 365
dreihundertfünfundsechzig
/
ˌdrihɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 375
dreihundertfünfundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 315
dreihundertfünfzehn
cardinalNumeral
1. het getal 350
dreihundertfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 306
dreihundertsechs
cardinalNumeral
1. het getal 336
dreihundertsechsunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 396
dreihundertsechsundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 386
dreihundertsechsundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 326
dreihundertsechsundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 346
dreihundertsechsundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 356
dreihundertsechsundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 366
dreihundertsechsundsechzig
/
ˌdrihɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 376
dreihundertsechsundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 316
dreihundertsechzehn
cardinalNumeral
1. het getal 360
dreihundertsechzig
/
ˌdrihɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 307
dreihundertsieben
/
ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 337
dreihundertsiebenunddreißig
/
ˌdrihɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 397
dreihundertsiebenundneunzig
/
ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 387
dreihundertsiebenundachtzig
/
ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 327
dreihundertsiebenundzwanzig
/
ˌdrihɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 347
dreihundertsiebenundvierzig
/
ˌdrihɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 357
dreihundertsiebenundfünfzig
/
ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 367
dreihundertsiebenundsechzig
/
ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 377
dreihundertsiebenundsiebzig
/
ˌdrihɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 317
dreihundertsiebzehn
/
ˌdrihɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 370
dreihundertsiebzig
/
ˈdriklɑŋk/
noun
- 2. akkoord van drie verschillende tonen
Dreiklang
- 1. een foneem dat uit drie klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
Triphthong
pronoun
Heilige Drei Könige
Dreikönige
Dreikönigstag
noun
Dreikönigskuchen
Königskuchen
adjective
met drie koppen
dreiköpfig
adverb
1. in drie gevallen
dreimal
drei Mal
adjective
1. met of aan twee kanten, belangen, partijen etc;
dreiseitig
cardinalNumeral
1. het getal 33
dreiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 93
dreiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 83
dreiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 23
dreiundzwanzig
cardinalNumeral
23000
dreiundzwanzigtausend
cardinalNumeral
1. het getal 43
dreiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 53
dreiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 63
dreiundsechzig
/
ˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 73
dreiundsiebzig
noun
1. gas dat in spuitbussen gebruikt wordt om de inhoud onder druk te zetten
Treibstoff
noun
Pleuel
Pleuelstange
Treibstange
noun
1. bodem bestaand uit heel kleine korreltjes vergruisd gesteente, verzadigd met zoveel water dat alles wat zwaar is er in wegzakt
Treibsand
verb
- e1. op het oppervlak van een vloeistof rusten
schwimmen
- o1. iets of iemand voor zich uit doen bewegen
treiben
/
ˈdrɪŋgbekər/
noun
1. een beker waaruit gedronken kan worden
Trinkbecher
/
'drɪŋkə(n)/
noun
trinken
saufen
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
Trinkwasser
noun
1. de mate van droef zijn
Traurigkeit
noun
1. drab die in wijn achterblijft na de fermentatie
Geläger
verb
1. vocht laten of doen verdampen
trocknen
abtrocknen
noun
winkel van een drogist
Drogerie
/
ˈdrɔx.re.də(n)/, /
ˈdrɔχ.re.də(n)/
noun
1. een reden of redenering die niet klopt, maar wel aannemelijk lijkt
Trugschluss
noun
1. uitwerpsel, ontlasting
Haufen
Kot
Scheiße
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
Dromedar
verb
- 1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
- je een voorstelling maken van wat je graag wil
träumen
/
drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
betrunken
noun
het zwaar onder invloed van alcohol zijn
Trunkenheit
Betrunkenheit
/
droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
trocken
/
ˈdroxduk/
noun
1. een doek waarmee men kan afdrogen
Geschirrtuch
noun
2. droogzetinrichting voor schepen
Dock
noun
Trockner
Wäschetrockner
noun
1.1 constructie met horizontale spijlen, gebruikt om gewassen wasgoed op te hangen zodat het kan drogen
Wäscheständer
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
Dürre
Trockenheit
noun
Wäschetrockner
Trockner
adverb
1. op een neutrale toon
trocken
noun
- 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
- 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
Traum
noun
- slag waarmee de shuttle vlak achter het net wordt gespeeld
Drop
Stoppball
- zwart gekleurd snoepgoed
Lakritze
Lakritz
verb
- 2. iemand ergens afzetten
absetzen
- 3. uit een vliegtuig laten neerkomen
abwerfen
- 1. druppen, druppelen
tropfen
noun
1. iemand die naar een plek reist om daar drugs te kopen en gebruiken
Drogentourist
/
'drɵksfər'slaːfdə/
noun
1. Verslaafd persoon
Drogensüchtiger
Drogenabhängiger
Junkie
noun
2. vrucht van de wijnstok
Traube
Weintraube
noun
1. geslachtziekte veroorzaakt door de bacterie Neisseria gonorrhea
Tripper
Gonorrhö
noun
1. een vruchtensap bereid uit druiven
Traubensaft
noun
1. bundel druiven
Traube
Beerentraube
adjective
- 2. weinig tijd latend, veel tijd eisend (van bezigheden)
anspruchsvoll
fordernd
- 4. met veel mensen, bedrijvigheid of verkeer
belebt
geschäftigd
voll
überfüllt
- 1. weinig tijd hebbend
beschäftigd
vielbeschäftigd
- 3. zeer actief zijnde
lebhaft
rastlos
noun
1. pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
Druck
verb
1. kracht uitoefenen op
drücken
adjective
1. benauwd
schwül
noun
1. een persoon die afdrukken maakt
Drucker
noun
1. een gaslamp met een gloeikous die brandt op vloeibare brandstof die onder druk wordt vergast
Starklichtlampe
noun
2. het druk zijn
Hektik
Betrieb
noun
1. papier gevuld door een printer of een drukpers
Druckwerk
noun
1. iemand die (beroepshalve) slagwerk speelt
Drummer
Schlagzeuger
noun
1. mythologisch, vrouwelijk wezen dat in een bos of boom leeft
Dryade
/
dʏp/
noun
1. een extra geluid dat ingebracht wordt in een bestaand geluidsfragment
Tonmischung
/
ˈdʏbəl/
adjective
1. tweemaal voorhanden
doppelt
noun
twee pionnen van dezelfde speler die achter elkaar op één lijn staan
Doppelbauer
noun
1.dubbelrietinstrument
Doppelrohrblattinstrument
/
ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /
ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
Doppelstern
/
ˈdɵbəlcə/
noun
3. benaming voor muntstuk met de waarde van een tiende van een munteenheid
Groschen
noun
1. een scheikundig element met het symbool Db
Dubnium
adjective
1. grondig, met kracht, met volle inzet, niet te onderschatten
tüchtig
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Dudeldorf
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Duderstadt
noun
1. een muziekstuk voor twee uitvoerders (instrumenten of stemmen)
Duett
/
dʏf/
adjective
- 2. slaperig
dösig
verschlafen
- 1. saai, doods
langweilig
/
ˈdœy̯dələk/
adverb
- 2. goed te herkennen
deutlich
- 1. niet mis te verstaan
deutlich
klar
noun
1. het evident en vanzelfsprekend zijn
Deutlichkeit
/
dœʏ̯f/, /
dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
Taube
adjective
Taubenblau
taubenblau
noun
1. wandplank van een vat
Daube
noun
Schwimmbrille
Taucherbrille
Tauchmaske
noun
1. speeltuigje
Stehaufmännchen
/
ˈdœy̯kə(n)/
verb
- 2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
springen
tauchen
- 1. het zich onder water voortbewegen (van bijvoorbeeld duikboten) of zwemmen (van mensen)
tauchen
noun
1. iemand die voor beroep of plezier zich onder de waterspiegel begeeft
Taucher
Taucherin
noun
1. een masker gebruikt bij het duiken
Tauchmaske
/
dœy̯m/
noun
- 1. eerste, kortste en dikste vinger
Daumen
- 2. lengtemaat
Zoll
adjective
1. in weinig of geen licht badend
finster
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
Dunkelheit
/
dœʏ̯ts/, /
dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
deutsch
deutsche
deutschen
deutscher
deutsches
/
dœʏ̯ts/, /
dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
Deutsch
deutsch
/
ˈdœʏ̯tsə/, /
ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
Deutsche
pronoun
Deutsche Demokratische Republik
noun
1. hond uit een oorspronkelijk in Duitsland gefokt ras
Deutscher Schäferhund
/
ˈdœʏ̯tsər/, /
ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
Deutscher
Deutsche
/
ˈdœʏ̯tslɑnt/, /
ˈdœːtslɑnd/, /
ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
Deutschland
noun
1. afgesloten kistje waaruit door een springveer opeens een figuur te voorschijn komt
Schachtelteufel
Schachtelmännchen
noun
1. iemand die duiven kweekt
Brieftaubenzüchter
Taubenzüchter
noun
1. een duivenhok op een paal of boven een gebouw uitstekend
Taubenschlag
noun
1. het gevoel zijn evenwicht te verliezen
Schwindel
/
ˈdœy̆zənt/
noun
1000
tausend
eintausend
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
Hundertfüßler
Hundertfüssler
noun
1. een in het water geplaatst stelsel van zware palen dat dient om schepen aan vast te leggen of...
Dalbe
Duckdalbe
Dückdalbe
adjective
1. knop op vlaggenstok
Fahnenspitze
Fahnenstangenspitze
verb
1. bereid zijn iets ongestraft te laten
ertragen
dulden
verb
- 2. storten, lozen
abladen
- 3. zich ontdoen van (dingen en mensen)
abschieben
loswerden
- 4. een relatie beëindigen, een geliefde afdanken
fallen lassen
Schluß machen
- 1. produkten onder de gangbare prijs verkopen
zu Dumpingpreisen verkaufen
/
dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
dünn
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon ramada
Dünnlippige Meeräsche
/
ˈdʏ.nə/
noun
2. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
Dünnpfiff
Dünnschiss
noun
1. deel van het spijsverteringskanaal tussen de maag en de dikke darm
Dünndarm
noun
1. Abra sp.
Pfeffermuschel
noun
1. gebruiksvoorwerp
Sparschäler
noun
2. duozitting
Reitkissen
noun
1. 1075
Duodezilliarde
noun
1. iemand die achterop de scooter, brom- of motorfiets meerijdt
Sozius
noun
1. een identiek tweede exemplaar van iets
Duplikat
/
'dyːrə(n)/
verb
1. een bepaalde tijd in beslag nemen
dauern
währen
noun
1. enige tetraploïde tarwesoort die nog veel wordt verbouwd
Hartweizen
verb
1. ~ te de moed hebben om iets gewaagds te doen
wagen
trauen
conjunction
1.om die reden, daarom
also
deshalb
adverb
1. in die mate
dermaßen
derart
/
dʏt/
noun
Schläfchen
Nickerchen
Siesta
verb
- tijdsbestek
Dauer
- niet goedkoop
teuer
/
ˈdyːr.zam/
adjective
1. lang meegaand
dauerhaft
nachhaltig
/
dyu̯/
noun
1. een zet, een stoot
Stoß
Schubs
/
dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
stoßen
drücken
noun
1. de afkorting voor digital versatile disc,...
DVD
noun
1. een reeks misleidende aanwijzingen nagelaten om iemand van het juiste spoor weg te leiden
Abweg
Irrweg
adjective
1. onverstandig, gek
töricht
närrisch
noun
1. iemand die onverstandig denkt en/of handelt
Tor
noun
1. werk dat onder dwang gedaan moet worden
Zwangsarbeit
noun
1. een kledingstuk dat de drager bewegingsvrijheid van de armen en handen ontneemt
Zwangsjacke
/
dʋɑrs/
adverb
- 2. dwarsliggen
sich in die Quere kommen
- 3. iemand iets dwarszitten
stören
- 1.
über
/
ˈdwɑrzbomə(n)/
verb
1. tegenwerken, moeilijkheden geven
behindern
entgegenarbeiten
querschlagen
sabotieren
stören
/
ˈdʋɑrsflœʏt/
noun
1. een blaasinstrument dat dwars op de lippen geblazen wordt
Querflöte
/
dʋɛi̯l/
noun
1. een stuk weefsel in natte vorm gebruikt om een gladde vloer te reinigen
Wischtuch
Feudel
noun
1. kleinste soort knaagdier van Europa Micromys minutus
Zwergmaus
noun
1. zeer kleine staat
Zwergstaat
noun
1. kleinste soort van de vinvissen, Balaenoptera acutorostrata
Zwergwal
verb
1. iemand tegen zijn wil iets opleggen
zwingen
noun
springstof waarin nitroglycerine door een poreuze stof wordt vastgehouden
Dynamit
/
ˌdɪsfaˈzi/
noun
1. een ontwikkelingsstoornis bij kinderen
Dysphasie
noun
1. gestoorde werking
Fehlfunktion
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
Dysprosium
noun
1. stoornis in de spierspanning
Dystonie
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Dülmen
pronoun
- 1. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Düren
noun
2. afkorting voor de toonsoort
E
noun
- 1. de toonnaam
- 2. afkorting van “e-mineur”
e
abbreviation
- 1. het akkoord e - gis - b
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
E-Dur
abbreviation
- 1. het akkoord e-g-b
- 2. de toonsoort
e-Moll
noun
1. een fiets met een elektrische motor
E-Bike
/
eˈɣrot/, /
ʔeˈχrot/
abbreviation
- 1. het akkoord e - gis - b
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
E-Dur
abbreviation
1. het akkoord e-gis-b
E-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “e” als grondtoon
E-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met e als grondtoon
E-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “e” als grondtoon
E-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “e” als grondtoon
E-Dur-Tonleiter
/
e'klɛɪn/, /
e'klɛːn/
abbreviation
- 1. het akkoord e-g-b
- 2. de toonsoort
e-Moll
abbreviation
1. het akkoord e-g-b
e-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “e” als grondtoon
e-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “e” als grondtoon
e-Moll-Tonleiter
noun
1. een mineurtoonladder met “e” als grondtoon
e-Moll-Tonleiter
/
ˈiːmeːɫ/, /
ˈiːmɪːɫ/
noun
- 1. systeem voor het verzenden van berichten via een computernetwerk
- 2. bericht dat verstuurd is via e-mail
E-Mail
noun
1. adres voor het ontvangen en verzenden van e-mail
E-Mail-Adresse
Mail-Adresse
/
eˈɣrot/, /
ʔeˈχrot/
abbreviation
- 1. het akkoord e - gis - b
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
E-Dur
abbreviation
1. het akkoord e-gis-b
E-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “e” als grondtoon
E-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "e" als grondtoon
E-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met "e" als grondtoon
E-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “e” als grondtoon
E-Dur-Tonleiter
/
e'klɛɪn/, /
e'klɛːn/
abbreviation
- 1. het akkoord e-g-b
- 2. de toonsoort
e-Moll
abbreviation
1. het akkoord e-g-b
e-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “e” als grondtoon
e-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “e” als grondtoon
e-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “e” als grondtoon
e-Moll-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met e als grondtoon
E-Dur-Tonleiter
/
ˌodəkoˈlɔɲə/
noun
1. keulswater, reukwater
Kölnisch Wasser
noun
1. een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
Ebbe
noun
1, edele houtsoort
Ebenholz
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Brandenburg
Eberswalde
/
ˈɛ.xo/, /
ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
Echo
noun
1. beeld (of foto) van organen dat gemaakt wordt via geluidsgolven die worden teruggekaatst
Sonografie
Echografie
adjective
1. de echografie betreffend
echografisch
noun
1. het dwangmatig herhalen van woorden of zinnen, zonder de betekenis ervan daadwerkelijk te doorgronden
Echolalie
noun
1. mensen die met elkaar getrouwd zijn
Eheleute
conjunction
1. een beperkende tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) beperkt
allerdings
jedoch
indessen
aber
indes
pronoun
1. en 2.
Echternach
/
ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
Ehemann
Gatte
/
ˈɛxtxəˌnotə/, /
ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
Ehefrau
Frau
noun
1. twee mensen die met elkaar getrouwd zijn
Ehepaar
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
Scheidung
Ehescheidung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein
Eckernförde
adjective
eklektisch
eklektisch
/
eˈklɪps/
noun
1. het verschijnsel waarbij een ster en twee of meer andere hemellichamen in één lijn komen te staan, waardoor de schaduw van het ene hemellichaam het andere verduistert
Eklipse
noun
1. een bril die de ogen beschermt bij het kijken naar de zon
Sonnenfinsternisbrille
/
ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /
ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
Ökologie
/
ˌe.ko.ˈlox/, /
ˌe.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
Ökologe
Ökologin
noun
- 2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
Wirtschaft
Ökonomie
- 1. de leer die zich bezighoudt met de voortbrenging en verdeling van schaarse goederen en diensten
Wirtschaftswissenschaft
adjective
- economische crisis
Wirtschaftskrise
- 1. betreffende economie
wirtschaftlich
ökonomisch
noun
1. deskundige op het gebied van de economie
Wirtschaftswissenschaftler
Ökonom
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
Ökosystem
noun
1. oppervlakkige huidaandoening
Ekzem
noun
1. de naam voor elk element uit de achtste chemische reeks van het periodiek systeem
Edelgas
noun
1. Cervus elaphus, hertensoort
Rothirsch
noun
1. iemand die tot de adel behoort
Edelmann
noun
1. een metaal dat niet licht aan corrosie of oxidatie ten prooi valt
Edelmetall
noun
1. een stuk edelgesteente
Edelstein
Juwel
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Edenkoben
pronoun
2. spelwoord voor de letter e
Emil
/
et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
Eid
Schwur
noun
1. echtgenoot of echtgenote
Ehegespons
Ehepartei
Gespons
/
ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
Eichhörnchen
Hörnchen
noun
1. Bolletus edulis, een eetbare paddenstoel
Steinpilz
noun
1. verdikking van de huid
Schwiele
verb
- 1. worden afgewezen door iemand die je amoureus benaderd hebt
einen Korb bekommen
- een blauwtje laten lopen (afwijzen, weigeren een verzoek in te willigen)
einen Korb geben
phraseologicalUnit
1. iets kopen zonder te weten wat de koopwaar is
die Katze im Sack kaufen
phraseologicalUnit
1. een kat in het nauw maakt rare sprongen
eine gequälte Katze findet den Weg ins Freie, auch wenn das Fenster geschlossen ist
/
enˈtwetʲə/
noun
1.
Doppelpass
/
eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
Ente
Hausente
noun
1. insect uit de orde Ephemeroptera
Eintagsfliege
/
enˈdœydəx/
adjective
1. zonder twijfel
eindeutig
cardinalNumeral
1. het getal 31
einunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 91
einundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 81
einundachtzig
/
ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
einundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 41
einundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 51
einundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 61
einundsechzig
/
ˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 71
einundsiebzig
adverb
1. een enkele keer
einmal
adjective
1. wat één keer gebeurt
einmalig
adjective
1. in het bezit van (slechts) één oog
einäugig
noun
1. een gezin met slechts één ouder
Einelternfamilie
adjective
1. dezelfde mening hebbend
einmütig
einträchig
adjective
2. volledig met een stem sprekend, met instemming van iedereen
einstimmig
noun
1. afwezigheid van pracht en praal
Einfachheit
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
Einsamkeit
noun
2. eenling
Einzelgänger
adjective
1. met of aan één kant, belang, partij etc.
einseitig
unilateral
/
er/
noun
1. aanzien, roem
Ehre
conjunction
1. geeft een tijdstip aan voor hetwelk iets anders plaatsheeft
bevor
ehe
/
ˈeːrɣɪstər/, /
ˈɪːrχɪstər/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
vorgestern
/
ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /
ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
vorgestern
/
ˈeːrlək/
adverb
1. vrij van leugen en bedrog
ehrlich
noun
1. het vertellen van de waarheid
Ehrlichkeit
noun
1. eerste kwartier
Halbmond
erste Viertel
noun
1. de dag waarop christenen vieren dat Jezus opgestaan is uit de dood, op de derde dag na zijn kruisiging
erster Osterfeiertag
phraseologicalUnit
1. grammaticale term die de spreker of sprekers aanduidt.
erste Person
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
Erster Weltkrieg
noun
1. verlangen naar eer of roem
Ehrgeiz
/
ˈeːitbaːr/, /
ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
essbar
noun
1. een café waar ook maaltijden verkregen kunnen worden
Lokal
noun
1. voorwerpen die men gebruikt bij het nuttigen van de maaltijd
Essgeschirr
/
ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
Esszimmer
Speisezimmer
noun
1. de behoefte om voedsel tot zich te nemen.
Appetit
Esslust
/
eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
Jahrhundert
/
eːwɪx/, /
eːʋəχ/, /
eːβ̞əx/
adjective
1. voortdurend, zonder einde
ewig
/
ɪːβ̞əχɛɪ̯t/
noun
1. alle tijd die nog zal komen
Ewigkeit
noun
4. tabel met de stand van de zon, de maan en de planeten voor elke dag van het jaar
Ephemeriden
/
e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Ephesos
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
Epheserbrief
Epheser
noun
- 1. uitwerking
Effekt
- 2. verhandelbaar waardepapier
Effekten
adverb
1. doeltreffend
effektiv
verb
1. gelijk of vlak maken
ebnen
adjective
1. nuttig effect hebbend
effizient
noun
1. de mate waarin nuttig gebruik gemaakt wordt van het beschikbare bij een bepaald proces
Effizienz
/
ɛx/, /
ɛχ/
noun
1. een landbouw- of tuinbouwwerktuig dat gebruikt wordt voor het zaaiklaar maken van de grond
Egge
/
ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
Igel
noun
1. wilde roos met gestekelde takken, geurige blaadjes, felroze bloemen en scharlaken bottels
Weinrose
Zaunrose
pronoun
Ägäisches Meer
Ägäis
adjective
2. zichzelf als het middelpunt van alles zien
egozentrisch
/
xxxx/
noun
1. het uitsluitend op eigen belangen en gewin uit zijn
Egoismus
noun
1. een zelfzuchtig persoon
Egoist
adjective
1. zelfzuchtig, gefocust op eigen voordeel
egoistisch
/
e.ˈɣɪp.tə/, /
e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
Ägypten
Altes Ägypten
/
ɛɪ/, /
ɛɪ̯/, /
ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
Ei
noun
1. bepaald soort zeevogel, Somateria mollissima
Eiderente
Eidergans
adjective
1. betrekking hebbend op de visuele vermogens
eidetisch
noun
1. het binnenste, gele deel, van een ei
Eigelb
Eidotter
/
ˈɛijərbir/
noun
1. drank gemaakt met warm bier en geklopte eieren
Eierbier
noun
1. sierlijke beweging op muziek waarbij je geblinddoekt op de grond liggende eieren moet ontwijken
Eiertanz
noun
1. eierschaal
Eierschale
noun
1. iemand die handelt in eieren
Eierhändler
noun
1. de gele eidooier die in het midden van het ei zit
Eigelb
Eidotter
phraseologicalUnit
1. een gezin en woning zijn het belangrijkste wat een mens kan hebben
eigen Nest das best
eigener Herd is Goldes wert
eigenes Haus das beste
interjection
1. uitroep als iemand door eigen verwijtbaar gedrag zelf nadeel gaat ervaren
geschieht dir recht!
noun
1. iemand die iets in eigendom heeft
Eigentümer
noun
1. een bijzondere hoedanigheid
Eigenart
noun
Eigeninteresse
Eigennutz
/
'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
1. eigendomsrecht
Eigentum
noun
1. het meest omvattend zakeljike recht dat een eigenaar op zijn goed kan uitoefenen
Eigentumsrecht
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
Eigenname
adjective
- 1.
- 2.
zeitgenössisch
/
ɛi̯k/, /
ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
Eiche
/
ˈɛɪkəɫ/
noun
- 1. vrucht van de eik
- 2. top van een penis
Eichel
- 3. dom persoon; sufferd, zak
Trottel
Eichel
/
ˈɛi̯kəˌblɑd/, /
ˈɛi̯kəˌblɑt/, /
ˈɛːkəˌblɑt/
noun
1. blad van een eikenboom
Eichenblatt
/
ˈɛɪ̯kəblɑdˌsla/, /
ˈɛɪ̯kəblɑtˌsla/, /
ˈɛːkəblɑtˌsla/
noun
1. variëteit van sla
Eichenblattsalat
noun
1. plaaginsect waarvan de rupsen voor de mens gevaarlijke brandharen heeft
Eichen-Prozessionsspinner
/
ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
Insel
Eiland
/
ˌɛilɑnt ˈmɛn/
pronoun
Insel Man
noun
1. iemand die op een eiland woont
Insulaner
Insulanerin
noun
1. soeverein gebied dat geheel door zee wordt omringd
Inselstaat
noun
1. deel van de geslachtsorganen van de vrouw
Eileiter
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Einbeck
/
ɛɪ̯nd/, /
ɛɪ̯nt/, /
ɛːnt/
noun
Ende
phraseologicalUnit
1.
Ende gut, alles gut
noun
1. het resultaat dat men op het einde van een periode heeft behaald
Abschlussbilanz
Jahresbilanz
noun
1. de definitieve uitkomst van een onderzoek
Schlussfolgerung
/
ˈɛɪ̯ndə/, /
ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
Ende
adverb
1. na een (te) lange tijd.
endlich
schließlich
/
ɛintəksamə/
noun
1. (onderwijs) het examen aan het eind van een cursus of studie
Abschlussprüfung
verb
1. iets tot een besluit voeren
enden
beendigen
noun
1. eindmaatblok
Parallelendmaß
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
Einsteinium
/
ɛɪ̯s/
noun
1. een dwingende vraag
Forderung
Anspruch
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Brandenburg
Eisenhüttenstadt
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Eisfeld
noun
1. het tijdstip dat de eicel door de eierstok wordt afgestoten
Ovulation
Eisprung
adjective
1. met de vorm van een ei
eiförmig
/
ɛiwɪt/
noun
- 1. het deel van een ei waarin de dooier ligt
Eiweiß
Eiklar
- 2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
Protein
Eiweiß
verb
sperma uitwerpen
ejakulieren
/
e.ˈka/
noun
1. een kampioenschap waarin de besten van Europa het tegen elkaar opnemen
EM
EUM
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
Elster
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
Elle
/
ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /
ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
El Salvador
/
eˈlɑn/
noun
1. animo
Elan
Schwung
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
Elch
Elen
adjective
1. van elastiek gemaakt
elastisch
adjective
1. rekbaar
elastisch
pronoun
1.
Elbsandsteingebirge
/
eləˈɣɑnt/
adverb
1. een prettige uitstraling hebbend door de subtiele afwerking
elegant
noun
1. vakman op gebied van elektriciteit
Elektriker
Elektrikerin
/
eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
Elektrizität
noun
1. een krachtcentale waar elektriciteit wordt opgewekt
Elektrizitätswerk
adjective
1. door middel van elektriciteit
elektrisch
Elektrizitäts-
noun
1. een voertuig dat wordt aangedreven door een elektromotor
Elektroauto
abbreviation
1. hersenfilm
Elektroenzephalogramm
noun
1. elektrofiets
Elektrorad
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die met elektronische middelen toon/geluid voortbrengen
Elektrophon
noun
1. een magneet waarvan het veld door een elektrische stroom veroorzaakt wordt
Elektromagnet
adjective
elektromagnetisch
noun
1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
Elektron
noun
1. duidt aan hoe de elektronen over de diverse schillen verdeeld zijn
Elektronenkonfiguration
noun
1. groep van elektronen binnen een atoom met eenzelfde energieniveau
Elektronenhülle
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
Elektronik
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
Elektrotechnik
adjective
elektrotechnisch
noun
1. legering van goud en zilver
Elektron
Elektrum
cardinalNumeral
1. het getal 11
elf
pronoun
1. een regionale Noord-Germaanse taal die gesproken wordt in de Zweedse gemeente Älvdalen
Älvdalisch
adjective
1.
älvdalischsprachig
/
ˈɛlf.də/, /
ˈɛlv.də/
ordinalAdjective
1. nummer elf in een rij
elfte
noun
1. haringachtige, die paait in de bovenloop van rivieren en beken en ooit inheems was in de Benelux, Alosa alosa
Maifisch
noun
- 2. een groep van elf
Elf
- 1. sportploeg die uit elf spelers bestaat
Elf
Mannschaft
/
elimi'nasi/
noun
- 4. de afstoting van verstorven delen
Abstoßung
- 3. het wegwerken van een grootheid die in twee of meer vergelijkingen voorkomt
Elimination
- 1. verwijdering of wegwerking
- 2. een moord
Elimination
Eliminierung
verb
- 1. verwijderen uit de vergelijking
eliminieren
- 2. verwijderen uit de bevolking, doden
eliminieren
beseitigen
ausscheiden
/
əl'kar/
reciprocalPronoun
- 1. als wederzijds lijdend voorwerp
einander
sich
- in elkaar lassen
zusammenschweißen
noun
1. Gewricht
Ellbogen
Ellenbogen
noun
1. armoedige, beklagenswaardige omstandigheden
Elend
adjective
1. erg onaangenaam
miserabel
elendig
/
ˈɛləpɛɪp/, /
ˈɛləpɛːp/
noun
bot in de onderarm
Elle
noun
- 1. twee-dimensionale figuur die wordt gevormd door alle punten waarvoor de som ...
- 2. een stijlfiguur waarbij een lopende zin wordt afgebroken, die echter door...
Ellipse
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Ellwangen
noun
- 1. boomsoort
Erle
Erlenbaum
- 1. priem
Ahle
Pfriem
/
ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
Elsass
/
ɛlˈzɑsis/
noun
1. Een verzameling Alemannische dialecten die in de Elzas (Frankrijk) gesproken worden
Elsässisch
/
'ɛlzəɦantʲə/
noun
1. bepaalde keversoort, Agelastica alni
Blauer Erlenblattkäfer
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Elztal
/
eˈmɑj/
noun
- 2. met email bedekt voorwerp
- 3. tandglazuur
Email
- 1. glasachtige deklaag
Email
Emaille
noun
3. ontvoogding, gelijkstelling voor de wet
Emanzipation
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
Emblem
noun
1. een organisme in het eerste ontwikkelingsstadium na de bevruchting
Embryo
noun
1. de wetenschap die zich met het ongeboren leven bezighoudt
Embryologie
noun
1. longaandoening
Emphysem
/
ˌemiˈχrɪːrə(n)/
verb
1. naar het buitenland verhuizen
auswandern
emigrieren
/
emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
Emirat
noun
2. uitzending van kleine deeltjes of van licht of andere elektromagnetische straling
Emission
Schadstoffausstoß
noun
1. emissielijn
Emissionslinie
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
- 2. een district in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Emmendingen
/
ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
Eimer
Kübel
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
Emu
adjective
1. zeer vatbaar voor gevoelens
emotional
adjective
1. wat op ervaring of proefneming berust
empirisch
noun
1. een brief van de paus aan alle katholieke gelovigen
Enzyklika
/
ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
Enzyklopädie
Encyklopädie
noun
medewerker aan een encyclopedie
Enzyklopädist
noun
1. laatste deel van het spijsverteringskanaal vlak voor de anus
Mastdarm
adjective
1. van nature alleen in een specifiek gebied voorkomend
endemisch
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de afscheidingen van klieren in het lichaam
Endokrinologie
adjective
1. van binnen uit
endogen
noun
1. (kijk)onderzoek van lichaamsholten of inwendige kanalen
Endoskopie
noun
1.
Energetik
Energetismus
adjective
1. met betrekking tot arbeid of energie
energetisch
/
enər'ʒi/, /
enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
Energie
adverb
1. aan de ene kant
einerseits
adjective
- 2. met weinig tussenruimte
eng
- 1. angst veroorzakend
gruselig
schaurig
unheimlich
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
England
noun
1. een koor van engelen
Engelschor
/
ˈɛ.ŋ(g)əls/, /
ˈɛ.ŋɔɫs/, /
ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
englisch
Englisch
/
ˈɛ.ŋ(g)əls/, /
ˈɛ.ŋɔɫs/, /
ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
Englisch
englisch
noun
1. een grotere en lagere uitvoering van de hobo
Englischhorn
Altoboe
/
ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /
ɛ.ŋəls.man/, /
ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
Engländer
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Engen
noun
1. enharmonie
Enharmonik
adjective
1. enharmonisch
enharmonisch
adjective
- 1. leuk, aardig, schattig
außergewöhnlich
einmalig
- 2. uniek
einzigartig
einzig
indefinitePronoun
1. een kleine mate
etwas
adjective
1. niet dubbel, bijvoorbeeld enkel spoor, enkele reis
einfach
einzeln
adverb
1. niet dubbel
einfach
indefinitePronoun
1. weinig, een paar
einige
wenige
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
Knöchel
Fußknöchel
/
ˈɛŋkəlˌblɑt/
noun
Einzelblatt
indefinitePronoun
1. een onbepaald, meestal klein aantal
einige
manche
noun
1. enkelrietinstrument
Einfachrohrblattinstrument
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
Singular
Einzahl
/
eˈnɔrm/
adjective
1. buitensporig groot
enorm
/
ɑŋ.ˈkɛː.tə/, /
ɑ̃.ˈkɛt/
noun
1. een vragenlijst die aan meerdere personen wordt voorgelegd
Umfrage
verb
1. aan boord gaan en overnemenn
entern
/
ɛntuˈʒɑs/, /
ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
adjective
1. hartstochelijk, met geestdrift
begeistert
enthusiastisch
leidenschaftlich
/
ɛntuˈʒɑs/, /
ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
noun
1. iemand die over iets of iemand geestdriftig is (vaak gebruikt als tweede deel van een samengesteld begrip
Enthusiast
noun
Insektenkunde
Entomologie
noun
1. de muziek die wordt gespeeld tussen twee akten of bedrijven van een theaterstuk, opera, ballet etc
Zwischenspiel
Entreakt
/
ɛn'tre/
noun
- 1. ingang van een gebouw
Eingang
- 2. entree betalen: het geldbedrag dat betaald moet worden om ergens binnen te mogen
Eintrittspreis
noun
1. een getal evenredig met de logaritme van het aantal realiseringmogelijkheden, ook wel gedefinieerd als de reversibele warmte gedeeld door de temperatuur
Entropie
noun
1. papieren omslag voor brieven
Briefumschlag
Umschlag
abbreviation
und so weiter
abbreviation
1. een aanduiding van het feit dat een verdere opsomming overbodig geacht wordt
und so weiter
/
ɛnˈzim/
noun
1. een organische molecuul dat biologische reacties mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf...
Enzym
/
ˈepɛnˌtezɪs/
noun
1. invoeging van middenlank
Epenthese
Epenthesis
noun
1. het punt op het aardoppervlak loodrecht boven de haard van de aardbeving
Epizentrum
/
epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
Epidemie
Seuche
/
ˌepiˈfizə/
noun
1. een klier die onderdeel is van de epithalamus en melatonine uitscheidt
Zirbeldrüse
adjective
1. van de aard van een epigram
epigrammatisch
noun
1. vallende ziekte, toevallen
Epilepsie
noun
1. een naschrift toegevoegd aan een boek of film
Nachwort
Epilog
/
ˈepipalejoˌlitikʏm/
noun
1. periode in de steentijd, waarin de overgang naar landbouw en veeteelt plaatsvindt
Epipaläolithikum
noun
1. dekweefsel, bovenste laag van de huid en slijmvliezen
Epithel
noun
1. woord dat gevormd is op basis van een eigennaam van een persoon
Eponym
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Eppingen
noun
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
Äquator
/
ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /
ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /
ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
Äquatorialguinea
noun
1. passage van de zon door het vlak van de evenaar
Äquinoktium
noun
1. iets gelijkwaardigs
Äquivalent
adverb
- 2. als locatief deel van een voornaamwoordelijk bijwoord vervangt het een persoonlijk voornaamwoord: het, ze
da
- 1. onbepaald bijwoord van plaats: ergens
da
es
- 3. partitief onder weglating van van
davon
hiervon
adverbialPronoun
1. vervangt achter dit, achter deze
hierhinten
hierhinter
hinten
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
Erbium
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
Erektion
noun
1. grond behorend bij boerderijhuis
Hofraum
noun
1. stuk van de erfenis zoals dat aan een bepaalde erfgenaam toekomt
Erbteil
noun
1. zakelijk recht op andermans onroerend goed
Dienstbarkeit
noun
1. wat door de erflater bij zijn overlijden wordt nagelaten
Erbschaft
Nachlass
noun
1. degene die andermans nalatenschap erft
Erbe
noun
- 1. regeling voor de overgang van de nalatenschap
Erbfolge
- 2. regeling voor troonwisseling
Thronfolge
noun
1. overerfbare, langdurige of eeuwige pacht
Erbpacht
noun
1. het samenstel van regels dat de vererving regelt
Erbrecht
noun
1. een veelal kostbaar goed van van generatie op generatie door vererving overgegeven wordt
Erbstück
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Erftstadt
noun
1. overgeërfd inheems woord
Erbwort
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
Erbsünde
Ursünde
verb
- 2. zich ~ aan gevoelens van onvrede ervaren
sich ärgern
- 1. gevoelens van onvrede veroorzaken
ärgern
reizen
adverb
1. ergernis wekkend
ärgerlich
noun
een zaak die gevoelens van onvrede oproept
Ärger
noun
1.een alkaloïde met een vasoconstrictieve werking
Ergotamin
/
ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /
ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
Eritrea
verb
- 2. als wettig, echt, juist aanvaarden
anerkennen
- 1. inzien, toegeven
zugeben
einsehen
erkennen
noun
1. een bevestiging van de juistheid of geldigheid van iets
Anerkennung
/
ˌɛrˈkɛn.tə.lək/
adjective
erkenntlich
/
ˈɛrkər/
noun
1. uitbouw aan een gevel
Erker
pronoun
1. + 2. stad en stadsdistrict
Erlangen
verb
1. door eigen inspanning kunnen beschikken over
erlangen
/
ərˈme/
adverbialPronoun
1. vervangt met het
damit
noun
1. stemming waarin men de dingen in hun wezenlijke waarde wil zien
Ernst
adjective
1. zonder grappen en serieus
ernsthaft
noun
1-2. beschadiging en afslijting
Erosion
noun
1. laagste peil tot waar een rivier de bodem in het stroomgebied door geleidelijk wegspoelen van grond kan verlagen
Erosionsbasis
adverbialPronoun
1. rond+het, rond+ze
darum herum
noun
1. (minderwaardig) middel om het oorspronkelijke te vervangen
Ersatz
noun
- 1. plotselinge, felle uiting
Ausbruch
- 2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
Eruption
adverbialPronoun
davon
sein
adverbialPronoun
ervandoor gaan
davonmachen
adjective
1. bekwaam door ervaring
erfahren
verb
1. iets beleven
erfahren
noun
1. een vorm van kennis
Erfahrung
Erlebnis
/
ˈʔɛr.və(n)/
verb
1. de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
erben
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
Erbse
noun
1. speelgoedpistool, bestaande uit een buis waardoor erwten of kleine voorwerpen worden geblazen
Erbsenblasrohr
noun
1. een groenige, lobbige soep vervaardigd van erwten
Erbsensuppe
noun
1. de vorming van rode bloedlichaampjes
Erythropoese
pronoun
1. taal vooral in het oosten van Mordovië gesproken wordt
Ersa
noun
1. afkorting van Es-majeur
Es
noun
- 1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
Esche
- 1. verlaagde e
es
- 2. es-kleinetertstoonladder
es-Moll
- 3. es-mineurgrondakkoord
es-Moll
es
abbreviation
- 1. het akkoord es - g - bes
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Es-Dur
abbreviation
- 1. het akkoord es - ges - bes
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Es-Moll
/
(ʔ)ɛs'xrot/
abbreviation
- 1. het akkoord es - g - bes
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Es-Dur
abbreviation
1. het akkoord es-g-bes
Es-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “es” als grondtoon
Es-Dur-Tonleiter
/
(ʔ)ɛs'klɛɪn/
abbreviation
- 1. het akkoord es - ges - bes
Es-Moll
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
es-Moll
abbreviation
1. het akkoord es - ges - bes
es-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “es” als grondtoon
es-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met es als grondtoon
es-Moll-Tonleiter
/
(ʔ)ɛs'xrot/
abbreviation
- 1. het akkoord es - g - bes
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Es-Dur
abbreviation
1. het akkoord es-g-bes
Es-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “es” als grondtoon
Es-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "es" als grondtoon
Es-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “es” als grondtoon
Es-Dur-Tonleiter
/
(ʔ)ɛs'klɛɪn/
abbreviation
- 1. het akkoord es - ges - bes
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
es-Moll
abbreviation
1. het akkoord es - ges - bes
es-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met es als grondtoon
es-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met es als grondtoon
es-Moll-Tonleiter
verb
1. stapsgewijs toenemen in omvang, intensiteit
eskalieren
/
ɛsˌxatolo'gi/
noun
Eschatologie
noun
1. staf met een daaromheen kronkelende slang, embleem van de geneeskundigen
Äskulapstab
/
ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
Ahorn
noun
1. dubbel verlaagde toon e
Eses
eses
abbreviation
1. het akkoord eses-ges-beses
Eses-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “eses” als grondtoon
Eses-Dur-Tonleiter
noun
1. “Eses-majeur”
Eses-Dur
abbreviation
1. het akkoord eses-ges-beses
Eses-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “eses” als grondtoon
Eses-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “eses” als grondtoon
Eses-Dur-Tonleiter
noun
1. een kleine tactische eenheid bij de cavalerie (tegenwoordig gemechaniseerd of gemotoriseerd) of ...
Schwadron
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
Esperanto
noun
1. filologie van de kunsttaal Esperanto
Esperantologie
noun
1. geconcentreerde koffie
Espresso
/
ɛsˈter/
pronoun
3. meisjesnaam
Esther
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
Ester
/
ɛsˈtetiˌka/
noun
1. het filosofisch discours over het wezen van kunst of het wezen van schoonheid
Ästhetik
/
ˈɛstis/, /
ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
Estnisch
/
ˈɛslɑnd/, /
ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
Estland
noun
1. een vrouwelijk hormoon
Östrogen
noun
1. dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden
Essen
essen
verb
1. het nuttigen van voedsel
essen
fressen
/
etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
Äthanol
Ethanol
noun
1. een organische verbinding met de functionele groep R-O-R'
Äther
noun
1. een praktische wijsbegeerte die zich bezighoudt met wat goed en kwaad is
Ethik
/
ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
Äthiopien
noun
koolwaterstofgroep
Ethyl
Äthyl
noun
1. stuk papier met informatie dat ergens opgeplakt zit
Aufkleber
Etikett
noun
1. tijdseenheid bestaande uit 24 uren
Tag
/
ɛtnoːloːɣi/, /
ɛtnoːloːʝi/
noun
Ethnologie
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Ettenheim
/
ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
Eiter
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Ettlingen
noun
- 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
Etymologie
Herkunft
- 1. woordherkomst
Etymologie
Wortherkunft
noun
1. een rooms-katholiek sacrament dat een voortzetting is van het laatste avondmaal van Christus
Eucharistie
/
ˌœyfəˈmɪstis/
adjective
euphemistisch
noun
- 2. een instrument van gestemde glazen
Eufonium
Euphonium
- 1. eufonium
Euphonium
Eufonium
/
ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
Euphorie
/
œykɑriotən/
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Eukaryota
Eukaryote
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
Eurasischer Luchs
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
Eurasien
/
'øː.ro/, /
'ɵː.ro/
abbreviation
- 3. Macropus robustus, kangoeroe
Bergkänguru
Wallaroo
- 1. munt en munteenheid
Euro
/
øːˈroːpa/, /
ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
Europa
/
ˌøːropeˈjaːn/, /
ˌʏːropeˈjan/
noun
1. bewoner van het Europese continent of iemand die daarvan afkomstig is
Europäer
/
øːroˈpeːs/, /
ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
europäisch
pronoun
Europäischer Gerichtshof für Menschenrechte
pronoun
Europäisches Parlament
Europaparlament
noun
1. Castor fiber, een knaagdier dat in Europa voorkomt
Europäischer Biber
pronoun
Europäische Zentralbank
pronoun
Europäische Kommission
pronoun
Europäischer Gerichtshof für Menschenrechte
pronoun
Europäische Investitionsbank
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela lutreola
Europäischer Nerz
pronoun
Europäischer Bürgerbeauftragter
pronoun
Europäischer Rechnungshof
/
ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /
ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
Europäische Union
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
Europium
noun
1.
Euroskeptiker
Euroskeptikerin
/
'ørotɔp/
noun
1. topconferentie
Eurogipfel
adjective
1. in staat om een grote verscheidenheid aan zoutconcentraties te leven
euryhalin
pronoun
1. en 2.
Euskirchen
/
œyˈtɛktikʏm/
noun
1. mengsel van twee stoffen in zo'n verhouding dat beide bij dezelfde temperatuur samen stollen of smelten
Eutektikum
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
Euthanasie
/
'øː.vəl/
noun
- 1. gebrek
Makel
- 2. een slechte zaak
Übel
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Eva
/
evɑky'erə(n)/
verb
evakuieren
noun
1. bespreking en beoordeling van de gang van zaken
Auswertung
Evaluierung
noun
1. volgeling van Jesus die het verhaal van zijn leven en sterven op schrift gesteld heeft
Evangelist
adjective
- 2. egaal
eben
- 1. Deelbaar door twee
gerade
/
evəˈnar/, /
ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
Äquator
adverb
1. ook, tevens
ebenfalls
gleichfalls
noun
1. belangrijke gebeurtenis
Veranstaltung
Event
Großereignis
/
ˈevəmɪn/
adverb
1. ook niet
auch nicht
ebenfalls nicht
ebenso wenig
adjective
1. evenredig
proportional
noun
1. evenredige stemming
temperierte Stimmung
ordinalAdjective
1. in gelijke hoeveelheid
ebensoviel
gleichviel
noun
1.
Gleichgewicht
Equilibrium
adjective
1. in alle punten even ver in loodrechte zin verwijderd zijnde
parallel
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
Wildschwein
noun
1. wild varken
Wildschwein
adjective
1. zeer duidelijk, klaarblijkelijk, in 't oog springend
evident
offensichtlich
/
ˌevoˈlysi/, /
ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
Evolution
noun
1. theorie over de stapsgewijze ontwikkeling van het leven
Evolutionstheorie
noun
1. onderzoek naar de kennis of vaardigheden van iemand door middel van ondervraging of opgedragen verrichtingen
Prüfung
Examen
verb
1.aan een examen onderwerpen
prüfen
examinieren
noun
1. opgewondenheid
Exzitation
adjective
1. wat andere mogelijkheden uitsluit
eklusiv
noun
1. de verontschuldiging
Entschuldigung
noun
2. uitvoerder van een testament
Testamentsvollstrecker
noun
- 3. gerechtelijke verkoop
Zwangsversteigerung
- 1. uitvoering van een vonnis
Zwangsvollstreckungsrecht
adjective
uitvoerend
exekutiv
noun
1. een peloton dat een executie uitvoert, een vuurpeloton
Erschießungskommando
Exekutionskommando
Peloton
noun
1. onderzoek naar mogelijk leven buiten de aarde
Exobiologie
noun
1. uittocht van een grote groep mensen met als doel niet meer terug te komen
Exodus
adjective
1. door oorzaken van buitenaf
exogen
/
ɛ'ksot/
noun
1. een organisme dat zich heeft gevestigd in een land waar het oorspronkelijk niet vandaan komt
Neozoen
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
exotisch
verb
1. in volume toenemen
expandieren
/
ɛkˈspɛːr/
noun
1. iemand die bijzonder goed bekend is met een bepaald onderwerp
Experte
noun
1. een computersysteem dat specifieke kennis van menselijke experts representeert en gebruikt om een probleem binnen een bepaald gebied op te lossen
Expertensystem
noun
1. het met winst draaiende houden
Betrieb
noun
1. steeds terugkerende uitgaven voor de gewone bedrijfsvoering
Betriebskosten
noun
1. steeds terugkerende uitgaven voor de gewone bedrijfsvoering
Betriebskosten
adjective
1. ontplofbaar
explosiv
noun
1. de verkoop van goederen aan het buitenland
Export
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
exportieren
ausführen
adjective
1. veel expressie hebbend
expressiv
/
ɛk'stazə/
noun
1. een toestand van buiten zichzelf zijn door verrukking
Ekstase
/
ɛkˈstɛnsi/
noun
1. het strekken van ledematen
Extension
/
ɛksˈtɛrn/
adjective
1. uitwendig
extern
adjective
2. opzettelijk
absichtlich
extra
noun
1. ingedikt aftreksel
Extrakt
adjective
2.
außerparlamentarisch
adjective
1. uiterst, uitzonderlijk
extrem
noun
Extremismus
Radikalismus
noun
1. iemand met radicale, extremistische standpunten, een aanhanger van een ideologie die ver van het politieke of maatschappelijke centrum ligt
Extremist
/
ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
Esel
Eselin
noun
1. vrouwelijke ezel
Eselin
noun
1. hulpmiddel om iets te onthouden
Eselsbrücke
noun
- 2. omgevouwen hoek
- 1. oor van een ezel
Eselsohr
noun
- 1. verhoogde toon e
eïs
- 3. eïs-mineurgrondakkoord
eïs
eïs-Moll
- 2. eïs-kleinetertstoonladder
eïs-Moll
abbreviation
- 1. het akkoord eïs - gisis - bis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Eïs-Dur
noun
- 1. het akkoord eïs-gis-bis
- 2. de mineur toonsoort op eïs
eis-Moll
/
/
abbreviation
1. de toonladder of de kleine drieklank van Eïs-groot
Eis-Dur
abbreviation
1. het akkoord eïs-gisis-bis
Eis-Dur-akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “eïs” als grondtoon
Eïs-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “eïs” als grondtoon
Eïs-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “eïs” als grondtoon
Eis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “eïs” als grondtoon
Eis-Dur-Tonleiter
/
/
abbreviation
1. de toonladder of de kleine drieklank van eïs-klein
eis-Moll
abbreviation
1. het akkoord eïs-gis-bis
eïs-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “eïs” als grondtoon
eis-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “eïs” als grondtoon
eïs-Moll-Tonleiter
noun
1. “Eïs-majeur”
Eïs-Dur
abbreviation
1. het akkoord eïs-gisis-bis
Eis-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “eïs” als grondtoon
Eis-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "eïs" als grondtoon
Eïs-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “eïs” als grondtoon
Eïs-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “eïs” als grondtoon
Eis-Dur-Tonleiter
/
/
abbreviation
1. de toonladder of de kleine drieklank van eïs-klein
eis-Moll
abbreviation
1. het akkoord eïs-gis-bis
eis-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “eïs” als grondtoon
eïs-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “eïs” als grondtoon
eïs-Moll-Tonleiter
noun
1. tweemaal verhoogde toon “e”
eisis
noun
2. afkorting voor de toonsoort
F
noun
- 1. de toonnaam
- 2. afkorting van “f-mineur”
f
abbreviation
- 1. het akkoord f - a - c
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
F-Dur
abbreviation
- 1. het akkoord f-as-c
- 2. de toonsoort
f-Moll
/
ʔɛfˈxrot/, /
ʔɛfˈχrot/
abbreviation
- 1. het akkoord f - a - c
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
F-Dur
abbreviation
1. het akkoord f-a-c
F-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “f” als grondtoon
F-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met f als grondtoon
F-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “f” als grondtoon
F-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “f” als grondtoon
F-Dur-Tonleiter
/
ɛf'klɛɪn/
abbreviation
- 1. het akkoord f-as-c
- 2. de toonsoort
f-Moll
abbreviation
1. het akkoord f-as-c
f-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “f” als grondtoon
f-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “f” als grondtoon
f-Moll-Tonleiter
noun
1. een mineurtoonladder met “f” als grondtoon
f-Moll-Tonleiter
/
ʔɛfˈxrot/, /
ʔɛfˈχrot/
abbreviation
- 1. het akkoord f - a - c
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
F-Dur
abbreviation
1. het akkoord f-a-c
F-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “f” als grondtoon
F-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "f" als grondtoon
F-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met "f" als grondtoon
F-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “f” als grondtoon
F-Dur-Tonleiter
/
ɛf'klɛɪn/
abbreviation
- 1. het akkoord f-as-c
- 2. de toonsoort
f-Moll
abbreviation
1. het akkoord f-as-c
f-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “f” als grondtoon
f-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “f” als grondtoon
f-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “f” als grondtoon
f-Moll-Tonleiter
noun
1. één van drie, bij de voortekening van een notenbalk behorende aanwijzers, die een lijn voor een bepaalde toon markeren, in dit geval de toon 'f'
F-Schlüssel
noun
1. een grotetertstoonladder met f als grondtoon
F-Dur-Tonleiter
/
ˈfalɑŋst/
noun
1. angst om te falen
Angst
Prüfungsangst
/
fam/
noun
- 1. reputatie
Ruf
Leumund
- 2. roem
Ruhm
/
ˈfabəl/
noun
- 2. een verzinsel
Anglerlatein
Jägerlatein
Lügengeschichte
Lügenmärchen
- 1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
Fabel
- 3. een verhaallijn
Handlungsverlauf
adjective
- 2. buitengewoon geweldig
sagenhaft
erstaunlich
unglaublich
- 1. ongeloofwaardig
unglaubhaft
unglaubwürdig
verb
1. een product door middel van werktuigen bewerken of vervaardigen
herstellen
fabrizieren
produzieren
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
Fabrik
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
Facebook
noun
1. cosmetische ingreep van de chirurgie ter verfraaiing van het gezicht
Gesichtsstraffung
Gesichtslifting
noun
- 2. een voordeel
Fazilität
Privileg
Vorteil
- 1. een voorziening
Vorkehrung
noun
1. tekstuitgave in de vorm van een fotografische afbeelding van handschrift of oude druk
Faksimileausgabe
noun
1. document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
Rechnung
/
fɑkəltɑ'tif/
adjective
1. onverplicht of vrijwillig
fakultativ
/
ˈfæːrøːə̯r/, /
ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
Färöer
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op de Faeröer
Färöisch
färöisch
noun
1. vernietiging door een cel van schadelijke bestanddelen
Phagozytose
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
Fagott
/
ˌfajisəˈmɛnt/
noun
- 2. een in de wet geregelde procedure voor een persoon of onderneming die niet (meer) in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.
Konkurs
Bankrott
Insolvenz
- 1. de toestand van iemand die, blijkens rechterlijk onderzoek, niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.
Pleite
Zahlungsunfähigkeit
noun
1. staaf of stok die aan de bovenkant in een brandbare stof gedrenkt is, brandend zorgt het voor verlichting
Fackel
/
ˈfaːlən/
verb
1. niet bereiken van doelen
scheitern
noun
1. (hulp)wetenschap die de vorm en de geschiedenis van de ridderorden én andere onderscheidingen bestudeert
Ordenskunde
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Brandenburg
Falkensee
pronoun
Falkland-Inseln
Falklandinseln
adjective
1. met betrekking tot het mannelijk lid
phallisch
/
fa.ˈmi.li/, /
fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
Familie
noun
1. naam die van generatie op generatie en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
Familienname
Nachname
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de familiale verhoudingen tussen personen
Familienrecht
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
Phantasie
Fantasie
adjective
1. uit de farmacie, met betrekking tot de productie van geneesmiddelen
pharmazeutisch
noun
Pharmakologie
Arzneimittelkunde
verb
1. iemands aandacht vasthouden
fazinieren
adjective
1. de aandacht opeisend
faszinierend
/
fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
Faschismus
adjective
1. van het fascisme
faschistisch
noun
- 1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
- schijngestalt (astronomie)
- toestanden in een kringproces
- verschijningsvorm van een stof
Phase
adjective
1. noodlottig
fatal
pronoun
1. militante politieke beweging in Palestina
Fatah
/
fɑt'sun/
noun
1. goede manieren
Anstand
adjective
- 1. degelijk
- 2. op een nette manier
anständig
ordentlich
adverb
1. uit fatsoen, om het fatsoenlijk te houden
anstandshalber
/
ˈfʌʊna/, /
ˈfʌːna/
noun
1. het geheel aan dieren in een gebied
Fauna
Tierwelt
/
fo.tœj/
noun
1. Soort stoel
Fauteuil
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
Fasan
/
fa.ˈsa.də/
noun
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
Fassade
/
febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
Februar
Feber
Hornung
pronoun
- 2. Franse revolutie
Februarrevolution 1848
- 1. Russische revolutie
Februarrevolution 1917
adjective
1. met betrekking tot de ontlasting
fäkal
noun
1. ontlasting
Fäzes
Stuhl
noun
1. een verbond van samenwerkende staten of lichamen die hun zelfstandigheid behouden
Föderation
noun
1. terugkoppeling
Feed-back
noun
1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid
Fest
noun
1. vaak kegelvormig hoofddeksel dat men draagt ter gelegenheid van een feestelijke gebeurtenis.
Festkappe
verb
1. deelnemen aan een feest en uiting geven aan feestvreugde
feiern
/
ˌfe.jə.ˈrik/
adjective
1. sprookjesachtig mooi
feenhaft
/
fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
Tatsache
verb
1. iemand geluk toewensen
gratulieren
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Fellbach
noun
1. een zeilschip
Felucke
/
ˈfɛlsis/
adjective
1. rijk aan silica of silicahoudende mineralen
felsisch
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
feminismus
Feminismus
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
Bockshornklee
noun
blad van de plant Trigonella foenum-graecum
Bockshornkleeblatt
noun
plant, en zaad van, Trigonella foenum-graecum
Bockshornkleesaat
Bockshornkleesamen
noun
1. Fennecus zerda, leeft in de woestijn en is de kleinste van alle vossen
Fennek
/
fenoˈmen/
noun
1. een verschijnsel
Phänomen
noun
1. een basismolecule voor vele derivaten
Phenothiazine
/
fenilɑlɑninə/
noun
1. aminozuur
Phenylalanin
noun
1. een pijnstillend, ontstekingsremmend en koortswerend middel
Phenylbutazon
pronoun
2. spelwoord voor de letter f
Friedrich
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
Fermium
noun
1. ferrietantenne
Ferritantenne
Ferritstabantenne
noun
ferromagnetisme
Ferromagnetismus
noun
1. een schip dat speciaal gebouwd en uitgerust is om in een veerdienst ingelegd te worden.
Fähre
noun
1. een speciaal gebouwd en uitgerust schip om in een veerdienst ingelegd te worden.
Fähre
adjective
1. fanatiek, overtuigd
inbrünstig
leidenschaftlich
noun
1. verlaagde toon f
Fes
abbreviation
- 1. het akkoord fes - as - ces
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Fes-Dur
noun
- 1. het akkoord fes-ases-ces
- 2. de mineur toonsoort op fes
fes-Moll
abbreviation
1. het akkoord fes-as-ces
Fes-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “fes” als grondtoon
Fes-Dur-Tonleiter
abbreviation
1. het akkoord fes - ases - ces
fes-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “fes” als grondtoon
fes-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met fes als grondtoon
fes-Moll-Tonleiter
noun
1. “Fes-majeur”
Fes-Dur
abbreviation
1. het akkoord fes-as-ces
Fes-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “fes” als grondtoon
Fes-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "fes" als grondtoon
Fes-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “fes” als grondtoon
Fes-Dur-Tonleiter
abbreviation
1. het akkoord fes - ases - ces
fes-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met fes als grondtoon
fes-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met fes als grondtoon
fes-Moll-Tonleiter
noun
1. tweemaal verlaagde toon “f”
feses
/
ˈfɛstiˌvɑɫ/
noun
- 2. een groot evenement met zang en dans en muzikale optredens
Festival
- 1. een reeks optredens
Festspiele
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Feuchtwangen
noun
1. vervolgverhaal in een krant of tijdschrift, dan wel op de radio of televisie
Feuilleton
/
fɛs/
noun
1. bepaald soort hoed van Turkse oorsprong
Fes
/
ˈfirəl(ə)jɛpə(n)/
noun
1. sport
Pultstockspringen
/
ˈfirəl(ə)jɛpə(n)/
verb
1. aan fierljeppen doen
pultstockspringen
/
fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
Fahrrad
Velo
Rad
/
ˈfits.bɑnt/
noun
1. een binnen- of buitenband voor een fiets
Fahrradreifen
/
ˈfits.brɵχ/, /
ˈfits.brʏx/
noun
1. een brug voor fietsers
Fahrradbrücke
/
ˈfits.kɵɫˌtyːr/, /
ˈfits.kʏlˌtyːr/
noun
1. een cultuur gevormd rond het fietsen
Fahrradkultur
verb
1. op een fiets rijden
Rad fahren
/
ˈfitsərɛk/
noun
1. rek om fietsen te parkeren
Fahrradständer
Fahrradabstellanlage
noun
1. een tijdelijke (soms overdekte) bewaarplaats voor één of meer fietsen
Fahrradabstellplatz
Fahrradraum
/
ˈfiːtsər/
noun
1. iemand die met een fiets rijdt
Radfahrer
Radler
noun
1. onderdeel van de kettingaandrijving van een fiets
Fahrradkette
/
ˈfits.kuˌriːr/
noun
1. iemand die beroepshalve dingen rondbrengt op de fiets
Fahrradkurier
/
ˈfitspɑt/
noun
1. een weggedeelte of vrijliggend pad dat is gereserveerd voor het gebruik door fietsers en snorfietsers.
Radweg
/
ˈfits.snɛl.β̞ɛx/, /
ˈfits.snɛɫ.ʋɛχ/
noun
1. een fietspad dat een voorrangsroute vormt voor langeafstandsfietsers
Radschnellweg
noun
1. fietsonderdeel
Fahrradständer
/
ˈfitstrat/
noun
1. een straat waarop fietsers oververtegenwoordigd zijn en waarop auto's zich aan fietsers moeten aanpassen
Fahrradstraße
noun
1. een tocht gemaakt op de fiets
Radtour
/
ˈfits.vərˌhyːr/
noun
1. een bedrijf dat fietsen verhuurt
Fahrradverleih
Fahrradvermietung
/
fitsadəl/, /
fitsadəɫ/
noun
Fahrradsattel
noun
1. een heel fijn zaagje in de vorm van een dun zaagblad dat verticaal wordt gespannen in een lange horizontale beugel
Laubsäge
/
ˈfɛifəl/
noun
1. bepaald soort dwarsfluit
Pfeifer
/
ˈfɛifər/
noun
1. bepaald soort kleine dwarsfluit
Pfeifer
/
ˈfi.(d)ʒi/, /
ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
Fidschi
adjective
- 1. van geringe dikte
- 3. leuk
fein
phraseologicalUnit
1. kerstwens
frohe Feiertage
frohe Festtage
frohes Fest
noun
1. ontsteking aan vinger
Nagelgeschwür
Panaritium
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Filderstadt
/
faɪl/
noun
- 1. lange rij met stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen of personen
Stau
- 1. bestand op de computer
Datei
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
Philemon
/
filiˈjal/
noun
1. een pand in een reeks van panden
Filiale
/
ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /
ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /
ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Philippinen
/
fili'pɛɪns/
pronoun
1. de officiële taal van de Filipijnen
Philippinisch
noun
- 1. een dunne laag
- 3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
- 2. een dun en oprolbaar medium om beelden op te nemen in een camera
Film
/
fɪlm.ˈnwaʁ/
noun
1. film in de stijl en sfeer die in de eerste plaats wordt geassocieerd met misdaadfilms waarvan de hoofdfiguren in een existentieel bedreigende en nihilistische wereld leven
Film noir
verb
1. beelden van iets vastleggen op film
filmen
noun
1. feestelijk evenement waarbij het tonen van films centraal staat
Filmfestival
/
ˌfiloːˈloːɣ/
noun
1. iemand die zich specialiseert in de studie van de taal en de cultuur van een mensengemeenschap
Philologe
/
filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
Philosophie
/
fɪltər/
noun
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
Filter
noun
1. filtrering
Filtrierung
verb
1. door middel van een filter zuiveren of afscheiden
filtern
filtrieren
noun
- 1. de beslissende wedstrijd in een toernooi tussen de laatste twee deelnemers
- 2. het slotstuk van een meerdelig toneel- of muziekstuk
Finale
noun
1. deelnemer aan slotwedstrijd
Finalist
verb
1. voorzien van de benodigde geldmiddelen
finanzieren
/
ˈfɪnlɑnd/, /
ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Finnland
/
fɪns/
adjective
1. betreffende Finland of het Fins
finnisch
Finnisch
/
fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
Finnisch
pronoun
1.
Finnischer Meerbusen
noun
- 2. een zaak of bedrijf
- 1. een handelsvennootschap waarbij de vennoten hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk zijn
Firma
noun
1. software die in hardware ingeprogrammeerd is
Firmware
noun
1. een grofkorrelige substantie ontstaan uit sneeuw en ijs, van waaruit gletsjers ontspringen
Firn
noun
1. afkorting van Fis-majeur
Fis
noun
- 1. verhoogde toon f
fis
- 2. fis-kleinetertstoonladder
fis-Moll
- 3. fis-mineurgrondakkoord
fis-Moll
fis
abbreviation
- 1. het akkoord fis - aïs - cis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Fis-Dur
abbreviation
- 1. een akkoord fis - a - cis
Fis-Moll
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
fis-Moll
abbreviation
- 1. het akkoord fis - aïs - cis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Fis-Dur
abbreviation
1. het akkoord fis-aïs-cis
Fis-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “fis” als grondtoon
Fis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “fis” als grondtoon
Fis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “fis” als grondtoon
Fis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “fis” als grondtoon
Fis-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. een akkoord fis - a - cis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
fis-Moll
abbreviation
1. het akkoord fis-a-cis
fis-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “fis” als grondtoon
fis-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “fis” als grondtoon
fis-Moll-Tonleiter
abbreviation
- 1. het akkoord fis - aïs - cis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Fis-Dur
abbreviation
1. het akkoord fis-aïs-cis
Fis-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “fis” als grondtoon
Fis-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "fis" als grondtoon
Fis-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “fis” als grondtoon
Fis-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “fis” als grondtoon
Fis-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. een akkoord fis - a - cis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
fis-Moll
abbreviation
1. het akkoord fis-a-cis
fis-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “fis” als grondtoon
fis-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “fis” als grondtoon
fis-Moll-Tonleiter
noun
1. een overheidsorgaan dat de heffing en inning van belasting voor een staat verzorgt
Finanzamt
Fiscus
noun
- 1. tweemaal verhoogde toon “f”
fisis
- 3. fisis-mineurgrondakkoord
fisis
fisis-Moll
- 2. fisis-kleinetertstoonladder
fisis-Moll
abbreviation
1. het akkoord fisis-aïs-cisis
fisis-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “fisis” als grondtoon
fisis-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “fisis” als grondtoon
fisis-Moll-Tonleiter
abbreviation
1. het akkoord fisis-aïs-cisis
fisis-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “fisis” als grondtoon
fisis-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “fisis” als grondtoon
fisis-Moll-Tonleiter
noun
1. een kanaalvormige zweer
Fistel
/
'fɪt /
adjective
in goede lichamelijke conditie
fit
noun
1. conditie- of krachttraining, meestal in een sportzaal
Fitness
noun
1. middel om iets vast te zetten, fixeermiddel
Fixativ
/
fjɔrd/, /
fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
Fjord
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Fladungen
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
Flamingo
/
flɑŋk/
noun
- 1. zijkant van een samenhangend geheel
- 2. sterkst stijgende of dalende deel van een elektrisch signaal
Flanke
adjective
een flauw biertje
schales
verb
1. door hitte of gebrek aan frisse licht het bewustzijn verliezen
ohnmächtig werden
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Flein
verb
1. overdreven lief tegen iemand doen
schmeicheln
noun
1. dun soort pannenkoekje dat zowel als hoofdgerecht en als nagerecht gegeten wordt
Eierkuchen
Pfannkuchen
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
Flerovium
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
Flasche
Buddel
adjective
Flaschengrün
flaschengrün
/
flɛts/
adjective
1. een vale kleur hebbend
matt
/
ˈflevoˌlɑnt/, /
ˈfleːvoˌlɑnd/, /
ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Flevoland
/
flɛkˈsibəl/
adjective
1. het vermogen hebbend gebogen te worden
flexibel
/
ˈflɛk.si/
noun
- 2. vormverandering van een woord
- 1. een buiging, een buigbeweging in een gewricht door de buigspieren
Flexion
verb
1. kruiperig vleien
lobhudeln
noun
4. (scheldwoord) iemand van het mannelijke geslacht met een seksuele voorkeur voor andere mannen
Homo
Schwule
adjective
- 2. groot van afmeting of hoeveelheid
anständig
kräftig
stattlich
tüchtig
- 1. stevig van lichaamsbouw
kräftig
stattlich
- 3. sterk van karakter
tüchtig
adverb
1. in hoge mate
anständig
kräftig
stattlich
tüchtig
verb
1. op een levendige, onrustige, beweeglijke manier licht uitzenden of weerkaatsen
funkeln
glitzern
/
floˈrɑ/
noun
1. plantenrijk in een bepaalde streek of periode
Flora
/
ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
Florenz
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
Zahnseide
verb
1. onregelmatig variëren (binnen bepaalde grenzen), schommelen
flutuieren
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
Speichel
verb
1. spreken met gedempte stem
flüstern
noun
- 3. een scheepstype
Fleute
Flöte
- 1. buisvormig blaasinstrument
- 4. een slank drinkglas
Flöte
- 2. een signaalinstrument
Trillerpfeife
noun
1. een luidruchtig en langdurig gefluit op de vingers door een menigte als teken van afkeuring
Pfeifkonzert
verb
1. een fluit bespelen
pfeifen
noun
1. musicus die een fluit bespeelt
Flötist
noun
Flötenkessel
Teekessel
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
Fluor
noun
1. het uitzenden van licht ...
Fluoreszenz
/
ˌfly.wɔk.səˈti.nə/
noun
1. een antidepressivum
Fluoxetin
/
flʏks/
noun
- 2.aantal krachtlijnen dat loodrecht door een oppervlakte-eenheid gaat
Fluss
- 3. soldeervloeimiddel flux
Flussmittel
noun
1. Sedimentaire gesteentelagen
Flysch
noun
1. een ziekelijke vrees
Phobie
/
ˈfokʏs/
noun
2. een punt of verzameling van punten waar alle stralengangen samenkomen
Fokus
noun
1. benaming voor de hervormde federale ministeries in België
FÖD
/
ˈfu.li/
noun
1. Myristica fragrans
Macis
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
Fötus
Fetus
noun
- A 1. driehoekig zeil bevestigd aan de voorstag
Fock
- A 3. bril
Nasenfahrrad
- B 1. teelt van dieren
Zucht
verb
1. dieren houden om ze te laten voortplanten
züchten
noun
1. voorste mast van een driemastschip
Fockmast
noun
- 1. bedrijfsmatige verwekking van dieren
Zucht
- 2. bedrijf waar dieren worden verwekt
Züchterei
noun
1. programma voor het fokken van dieren
Zuchtprogramm
noun
1. een blad met informatie of reclame
Broschüre
Faltblatt
/
ˌfoneˈtik/
noun
1.
Phonetik
noun
1. lettertype, karakterset
Schriftart
Schrifttyp
noun
1. nog niet verbeende plek in de schedel van een baby
Fontanelle
/
fɔnˈtɛɪn/, /
fɔnˈtɛːn/
noun
- 2. omhoogspuitende waterstraal
Fontäne
- 1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
Springbrunnen
Brunnen
verb
- 1. een beslissing afdwingen
erzwingen
forcieren
- 3. teveel van zichzelf vergen
sich überanstrengen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Forchtenberg
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
Forelle
noun
1. iemand die dagelijks heen en weer reist tussen de woongemeente en de werkgemeente
Pendler
adjective
1. (juridisch) betrekking hebbend op justitie
forensisch
noun
1. een resonantie (een significante smalle piek) op een bepaalde frequentie
Formant
/
fɔrˈmel/
adjective
1. met inachtneming van strikte omgangsvormen
formell
förmlich
pronoun
1. categorie in de autosport
Formel 1
verb
1. in woorden omzetten
formulieren
/
fɔrmyˈlir/
noun
1. een stuk papier waarop voorgedrukte vragen kunnen worden beantwoord
Formular
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
Phosphor
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
Kamera
Fotoapparat
adjective
1.op foto's een voordelige indruk makend
fotogen
noun
1. iemand die fotos maakt
Fotograf
verb
1. een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag
fotografieren
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
Fotografie
noun
1. een fotografisch gemaakte kopie
Fotokopie
verb
1. een fotokopie maken van iets
fotokopieren
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
Photon
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
Kamera
Fotoapparat
noun
Fourier-Transformation
/
fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
Fehler
pronoun
1. een hoogland in het centraal-westen van Guinee
Fouta Djallon
/
fwɑ.ˈjeː(r)/, /
fʋa.ˈje/
noun
1. verzamelplaats, zaal voor de verpozing (bijvoorbeeld in een hotel of schouwburg)
Foyer
adjective
1. van opvallende kwaliteit
schön
zierlich
phraseologicalUnit
1.
feine Handarbeit
/
ˈfrɑksi/
noun
- 1. een klein deel
Fraktion
- 2. gezamenlijke vertegenwoordigers van een politieke partij in een volksvertegenwoordiging
Fraktion
Klub
noun
1. de voorzitter van de vertegenwoordigers van een politieke partij
Fraktionsvorsitzende
noun
1. een botbreuk
Fraktur
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
Himbeere
adjective
Himbeerrot
himbeerrot
noun
2. een stilstaand beeld uit een bewegende film
Bild
/
ˈfremɪŋ/
noun
Deutungsrahmen
Framing
Rahmen
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
Francium
/
ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /
ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
Frankreich
/
frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
französisch
Französisch
/
frɑns/
pronoun
- 1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
Französisch
französisch
- 1. een mannelijke voornaam
Franz
pronoun
1. variant van het West-Vlaams gesproken in het uiterste noorden van Frankrijk
Französisch-Westflämisch
adjective
- 1. de Franse taal sprekend
- 2. taaluiting in het Frans
französischsprachig
noun
1. een aantal woorden die een begrip uitdrukken, vaak een zinsdeel, soms een hele zin
Redewendung
noun
1. het in frasen onderverdelen, met name gezegd van het articuleren van afzonderlijke muzikale zinnen in een muziekstuk, dat hierdoor als geheel beter moet klinken
Phrasierung
/
fratər/
noun
1. bepaald soort vogel, Linaria flavirostris
Berghänfling
noun
1. bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
Betrug
noun
1. fraunhoferlijn
Fraunhoferlinie
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Frechen
noun
1. graanproduct gemaakt van geroosterde groene tarwe
Farik
Freekeh
noun
- 1. Oorlogsschip
- 2. Driemaster
Fregatte
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Freilassing
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
Frequenz
Häufigkeit
noun
1. frequentiemeter
Frequenzmesser
noun
1. frequentieteller
Frequenzzähler
noun
- 1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
Frettchen
- C 1. metalen richel op de hals van een snaarinstrument (gitaar) waarop de snaar wordt afgeknepen
Bund
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
- 2. een district in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Freudenstadt
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Freyung
/
ˌfrikaˈtif/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
Frikativ
Reibelaut
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Friedrichroda
noun
1. en 2.
Friese
Friesländer
pronoun
- 2. benaming voor een Germaanse taal
Friesisch
friesisch
- 1. Westerlauwers Fries
Westfriesisch
/
ˈfrislɑnd/, /
ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Friesland
adjective
1.
friesischsprachig
noun
1. de benaming voor een gerecht van gefrituurde aardappelreepjes ('patat frites')
Pommes frites
Fritten
noun
Frittenbude
Pommesbude
noun
Frittenbude
Pommesbude
noun
1. everjong
Frischling
noun
1. een gerecht vervaardigd van in reepjes gesneden aardappel gebakken in olie
Fritten
Pommes
noun
1. een huishoudtoestel dat gebruikt wordt om in olie bepaalde gerechten te frituren
Fritteuse
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Fritzlar
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in het noordoosten van Italië en in Slovenië
Furlanisch
verb
1. van verbazing of afkeuring de wenkbrauwen ophalen
runzeln
zusammenziehen
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
Fructose
/
frœʏ̯t/, /
frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
Obst
Frucht
noun
1. iemand die vruchten oogst van de bomen of struiken
Obstpflücker
/
ˈfrœʏtsɑp/, /
ˈfrœːtsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
Fruchtsaft
Obstsaft
noun
1. een gevoel van ongenoegen omdat verwachte voortgang uitblijft
Frustration
noun
1. een groot model blokfluit
Fujara
noun
- 1. taak
- 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
- 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
- 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
Funktion
noun
1. functie die als waarde een nieuwe functie oplevert
Funktionsgenerator
noun
Synsemantikum
Synsemantikon
verb
1. ~ als een bepaalde functie vervullen
funktionieren
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
Fundamentalismus
adjective
1. aan de basis staande
fundamental
verb
1. een fundering aanbrengen
fundieren
verb
1. executeren voor een vuurpeloton
erschießen
/
fʏt/
noun
1. de benodigde energie en zin ergens voor
Energie
noun
1. bepaald soort watervogel, Podiceps cristatus
Haubentaucher
Lappentaucher
/
ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
Physik
noun
1. plantaardig plankton
Phytoplankton
/
føn/
noun
1. een toestel dat een warme luchtstroom voortbrengt voor het drogen en opmaken van het kapsel
Föhn
Haartrockner
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Füssen
noun
2. afkorting voor de toonsoort
G
noun
- 1. de toonnaam
- 2. afkorting van “g-mineur”
g
abbreviation
- 1. het akkoord g - b - d
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
G-Dur
abbreviation
- 1. het akkoord g-bes-d
- 2. de toonsoort
g-Moll
/
ɣe'ɣrot/
abbreviation
- 1. het akkoord g - b - d
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
G-Dur
abbreviation
1. het akkoord g-b-d
G-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “g” als grondtoon
G-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met "g" als grondtoon
G-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “g” als grondtoon
G-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “g” als grondtoon
G-Dur-Tonleiter
/
ɣe'klɛɪn/
abbreviation
- 1. het akkoord g-bes-d
- 2. de toonsoort
g-Moll
abbreviation
1. het akkoord g-bes-d
g-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “g” als grondtoon
g-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “g” als grondtoon
g-Moll-Tonleiter
noun
1. een mineurtoonladder met “g” als grondtoon
g-Moll-Tonleiter
/
ɣe'ɣrot/
abbreviation
- 1. het akkoord g - b - d
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
G-Dur
abbreviation
1. het akkoord g-b-d
G-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “g” als grondtoon
G-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "g" als grondtoon
G-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met "g" als grondtoon
G-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “g” als grondtoon
G-Dur-Tonleiter
/
ɣe'klɛɪn/
abbreviation
- 1. het akkoord g-bes-d
- 2. de toonsoort
g-Moll
abbreviation
1. het akkoord g-bes-d
g-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “g” als grondtoon
g-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “g” als grondtoon
g-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “g” als grondtoon
g-Moll-Tonleiter
noun
1. g-sleutel
G-Schlüssel
/
ɣaːf/, /
χaːf/
adjective
- 2. in de populaire smaak vallend
geil
modern
- 1. zonder beschadiging
intakt
makellos
unbeschädigt
vollständig
/
ɣaːj/
noun
1. middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, Garrulus glandarius
Eichelhäher
/
ɣaːn/, /
χaːn/
verb
- voor iets gaan
anstreben
- ervandoor gaan
davonmachen
türmen
- 1. zich in een bepaalde richting bewegen
gehen
adverb
1. geleidelijk aan, bijna ongemerkt
nach und nach
noun
1. instelling die gratis voedsel beschikbaar stelt
Garküche
Suppenküche
/
ɣas/
noun
1. een uit dunne gevlochten metalen draadjes gemaakte mat
Gaze
/
'ɣa.bɔn/, /
ɣa.'bɔn/, /
χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
Gabun
adjective
1. op Gabon betrekking hebbend
gabunisch
noun
1. echtgenoot, echtgenote
Gattin
Ehepartnerin
Gatte
Ehepartner
/
ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
Gadolinium
/
ˈɣɑ.fəl/, /
ˈɣɑ.fəɫ/, /
ˈχɑ.fəɫ/
noun
- 1. het gewei van een tweejarig hert of ree met twee uiteinden
- 2. gevorkt werktuig
Gabel
- 1. rondhout
Gaffel
noun
1. bepaald soort zoogdier, Antilocapra americana
Gabelbock
noun
1. gaffelgetuigde schoener
Gaffelschoner
noun
1. een trapeziumvormig zeil dat aan de bovenkant uitgehouden wordt door een gaffel
Gaffelsegel
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Gaggenau
noun
- 1. eenheid van versnelling in het c.g.s-stelsel (centimeter-gram-seconde-stelsel)
Gal
- [A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
Galle
- [B] 2. uitwas aan blad van boom of struik
Gallapfel
Galle
Pflanzengalle
- [B] 3. gezwel bij dieren (paardenbeen)
Galle
- [B] 1. door luchtinsluiting gevormd holletje in (giet-) materiaal
Lunker
adjective
1.erg vriendelijk en beleefd
galant
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
Galater
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
Gallenblase
noun
1. de laatste maaltijd die een ter dood veroordeelde mag nuttigen
Henkersmahlzeit
/
'ɣɑlɣə(n)strɔp/
noun
1. een tot strop geknoopt touw zoals dat aan een galg gehangen wordt ter verhanging van een veroordeelde
Schlinge
pronoun
1. Romaanse taal gesproken in Galicië
Galizisch
Galicisch
/
ɣɑˈlisɪə/, /
ʝɑˈlisɪə/
pronoun
- 1. Spaanse regio
Galicien
- 2. historische landstreek
Galizien
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Frans of gevormd naar Frans voorbeeld
Gallizismus
adjective
1. betreffende het oude Gallië dan wel de Gallische taal
gallisch
pronoun
1. uitgestorven taal
Gallisch
gallisch
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
Gallium
noun
1. streektaal die gesproken wordt in Frankrijk
Gallo
noun
1. versierde band langs de naad van een uniform
Galone
noun
1. de snelste gang van een paard
Galopp
noun
1. een vaste structuur in de galwegen of de galblaas bestaande uit neergeslagen cholesterol, bilirubine of kalkzouten
Gallenstein
adjective
1. door een elektrochemisch proces aangebracht
galvanisch
/
ˌɣɑɫvaniˈzeːrə(n)/
verb
1. een laag zink opbrengen
galvanisieren
verzinken
/
'ɣɑm.bi.ja/, /
'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Gambia
noun
- 1. bepaald soort liaan uit Indonesië, Uncaria gambir
- 2. stof
Gambir
noun
1. iemand die viola da gamba speelt
Gambist
noun
1. viola da gamba-speelster
Gambistin
noun
1. mannelijke gans (Anser en Branta)
Gänserich
noun
- 1. lange smalle ruimte
Flur
Gang
Korridor
- 3. onderdeel van een maaltijd
Gang
/
'ɣɑŋbar/
adjective
1. wat gebruikelijk is
gängig
gangbar
/
ˈɣɑŋbarhɛit/
noun
2.1 mate waarin een bepaalde groep taalgebruikers een woord of grammaticale constructie kent of toepast
Gebräuchlichkeit
Gängigkeit
noun
- 1. zenuwknoop
- 2. pijnlijke met vocht gevulde holte
Ganglion
/
ˈɣɑŋ(g).pɑd/, /
ˈɣɑŋ.pɑt/, /
ˈχɑŋ.pɑt/
noun
1. een pad voor wandelaars, voetpad
Durchgang
/
gɑŋ'gren/
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
Gangrän
/
ˈgɛŋstər /
noun
1. een lid van een criminele organisatie
Gangster
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
Gans
noun
1. orgaan dat een grote rol speelt in de stofwisseling van een gans (Anser anser), na het slachten vaak gegeten als delicatesse
Gänseleber
/
ˈɣa.pə(n)/, /
ˈɣaː.pə(n)/, /
ˈχa.pə(n)/
verb
- 2. met open mond vol verwondering ergens naar kijken
gaffen
- 1. heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
gähnen
- 3. wijd openstaan
klaffen
/
ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
- 2. een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
Autowerkstatt
- 1. een overdekte autostalling
Garage
noun
1. een deur die toegang geeft tot de garage
Garagentor
Garagentür
/
ɣarɑndɪːrə(n)/
verb
1. de uitkomst ergens van verzekeren
garantieren
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Garbsen
noun
1. een keukengerei bestaande uit een stel gebogen draden waarmee geklopt en geklutst kan worden.
Schneebesen
noun
- bewaarplaats voor kleren
Garderobe
Kleideraufbewahrung
- 1. voorraad kleren
Garderobe
Kleidervorrat
noun
kamer voor het bewaren van kleding
Kleiderkammer
noun
1. bewegelijke pasvorm waaraan de trekstrengen bevestigd worden om het halsjuk uit te balanceren
Ortscheit
noun
1. samengebonden bundel halmen
Garbe
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
- 2. een district in de Duitse deelstaat Beieren
Garmisch-Partenkirchen
verb
1. versieren van voeding
garnieren
/
ɣɑs/, /
χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
Gas
noun
1. lichtbron in een gaslamp
Gasstrumpf
noun
1. een buis waardoor verschillende materialen in gasvorm vervoerd kunnen worden
Erdgasleitung
Gasleitung
noun
het rechter pedaal van een auto waarmee de brandstoftoevoer naar de motor geregeld wordt
Gaspedal
/
ɣɑst/, /
χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
Gast
noun
1. iemand die tijdeljk naar een ander land komt om daar arbeid te verrichten
Gastarbeiter
noun
1. een boek of elektronische versie daarvan waarin bezoekers hun opmerkingen achter kunnen laten
Gästebuch
/
ɣɑstˈfrɛɪ/, /
ʝɑstˈfrɛː/
adjective
1. gul in het onthalen of herbergen van gasten
gastfrei
gastfreundlich
noun
Gastfreundlichkeit
Gastfreiheit
/
ɣɑt/, /
χɑt/
noun
- 1. opening
Loch
- 2. een tekort of ontbrekend deel
Lücke
Mangel
- in de gaten springen
einspringen
/
ɣʌu/, /
ʝʌu/
adverb
- 2. zeer binnenkort
bald
baldig
- 1. binnen een kort tijdsbestek
schnell
rasch
noun
- 2. een geschenk
Geschenk
- 1. een bijzondere aanleg
Talent
Gabe
noun
1. benaming voor slanke hoefdieren
Gazelle
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en primair gericht op het verspreiden van nieuws
Gazette
noun
1. onderhouden, kort gemaaid grasveld bij een huis
Rasen
/
ɣə/, /
χə/
personalPronoun
1. tweede persoon enkelvoud. In Nederland verouderd, maar in België in dagelijks gebruik.
du
/
ɣə'ʔɑxt/
adjective
1. als waardig beschouwd, beleefdheidsvorm in aanhef brief
geachtet, geehrt
/
xəˈbar/
noun
- 1. een beweging waarmee men iets wil zeggen
Gebärde
- 2. een handeling waarmee men iets wil uitdrukken
Geste
noun
1. meestal zoet, gebakken voedsel specifiek gemaakt om van te genieten
Gebäck
noun
Gebärdensprache
Zeichensprache
/
ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
Gebet
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
Gebirgskette
Gebirge
/
ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
geschehen
passieren
noun
1. iets dat zich voordoet
Ereignis
Vorfall
Vorkommnis
/
ɣəˈbit/, /
χəˈbit/
noun
1. een deel van het aardoppervlak
Gebiet
noun
1. de vorm waarin een werkwoord gebruikt wordt als iets zeker gedaan moet worden
Imperativ
noun
1. alle tanden en kiezen van een dier of mens
Gebiss
Zähne
/
xəˈblat/
noun
- 1. het blaten van een schaap
Geblöke
- 2. inhoudsloos gepraat, op een luide toon
Geschrei
/
ɣəˈbladərtə/, /
χəˈbladərtə/
noun
1. een verzameling van bladeren van één of meer bomen
Blattwerk
adjective
1. met bloemversieringen
geblümt
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel geboorten er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
Geburtenrate
/
ɣəˈboːr.təˌkɛrk/, /
χəˈbo̝ːr.təˌkɛrk/
pronoun
1. een kerkgebouw in Bethlehem op de Westelijke Jordaanoever op de plaats waar Jezus geboren zou zijn
Geburtskirche
noun
1. het verschijnsel dat in een gebied in een bepaalde periode het aantal geboorten structureel hoger ligt dan het aantal sterfgevallen
Geburtenüberschuss
adjective
- 1. ter wereld gebracht, gebaard
- 2. begonnen, ontstaan
geboren
- 3. door herkomst of natuurlijke aanleg
geboren
von Geburt
adjective
1. iemand met een beperkt verstand of die het aanwezige verstand niet gebruikt
borniert
engstirnig
unbelehrbar
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
Gebäude
Bau
noun
- 2. een defect
Gebrechen
Mangel
- 1. een tekort
Mangel
adjective
1. één of meerdere gebreken hebbend
mangelhaft
noun
- 1. een standaard manier van doen
Brauch
- 2. toepassen van iets
Gebrauch
Benutzung
adjective
1. naar gewoonte, zoals men regelmatig doet
üblich
/
ɣəˈbrœʏkən/, /
χəˈbrœʏkən/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord gebruik
Sitten
/
ɣəˈbrœʏkən/, /
χəˈbrœʏkən/
verb
- 1. zich bedienen van, toepassen
benutzen
verwenden
gebrauchen
- 2. eten, nuttigen
einnehmen
zu sich nehmen
/
ɣə'brœːkər/, /
χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
Benutzer
adjective
1. van een product dat een beoogde eindgebruiker het effectief, efficiënt en naar tevredenheid kan gebruiken zonder dat een (langdurige) studie nodig is
verbraucherfreundlich
noun
1. meestal schriftelijke instructie die bij een product wordt gegeven
Gebrauchsanweisung
adjective
1. gemakkelijk te gebruiken, met aandacht voor bedieningsgemak ontworpen
benutzerfreundlich
adjective
1. ingewikkeld
kompliziert
/
ɣə'dɑɣdə/, /
ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
Gedanke
noun
1. een reeks op elkaar volgende denkstappen
Gedankengang
/
ɣəˈdɑɣdəˌstreːp/, /
χəˈdɑχtəˌstrep/
noun
1. leesteken in de vorm van een half kastlijntje
Gedankenstrich
noun
1. minder dan het geheel
Teil
/
ɣəˈdeltələk/, /
ʝəˈdeltələk/
adjective
teilweise
teils
adjective
- 2. in de natuur als zodanig voorkomend
gediegen
- 1. degelijk, grondig
gründlich
gediegen
noun
Deputierter
Abgeordneter
noun
1. iemand die door de staat van zijn vrijheid beroofd is
Häftling
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
Gedicht
Dichtung
verb
dulden
ertragen
tolerieren
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
Verhalten
Benehmen
verb
1. zich ~: de manieren die iemand meest in de omgang met anderen aan de dag legt
sich benehmen
sich verhalten
noun
1. vast patroon waardoor bepaald gedrag gekenmerkt wordt.
Verhaltensmuster
/
ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
Geduld
/
gə'dʌldəx/
adjective
1. bereid te wachten en tegenslagen te verdragen
geduldig
preposition
tijdens
während
/
ɣeːl/, /
ɣeːɫ/, /
χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
gelb
Gelb
/
ɣeːl/, /
ɣeːɫ/, /
χeɪɫ/
noun
- 1. kleur tussen oranje en groen
Gelb
gelb
- 2. vogelziekte
gelber Knopf
adjective
1. een kleur hebbend die tussen geel en bruin in ligt
gelbbraun
adjective
Gelbgrau
gelbgrau
adjective
Gelbgrün
gelbgrün
adjective
Gelborange
gelborange
indefinitePronoun
1. ontkennend onbepaald lidwoord: tegenovergestelde van één, niet een
kein
noun
1. smalle ranke zeevis met afgeplat lichaam en een lange snavelvormige bek, Belone belone
Hornhecht
adjective
1. met betrekking tot de geest
geistig
adjective
1. met humor, gevat
geistreich
/
ɣ̟eːβ̞/, /
χeːu/
noun
1. het zich uitrekken, meestal met open mond, bij slaperigheid, ontspanning of verveling
Gähnen
/
ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
gähnen
/
ɣəˈɣevə(n)/, /
χəˈχevə(n)/
noun
1. een bekend geval of feit
Information
adjective
1.onderbouwing
begründet
noun
1. fijngehakt of gemalen vlees
Gehackte
/
xəˈɦɛndiˌkɛpt/, /
ɣəˈɦɑndiˌkɑpt/
adjective
1. met een lichamelijke afwijking
behindert
gehandikapt
noun
1. iemand met een beperking van lichamelijke, verstandelijke, psychische en/of sociale aard
Behinderter
Behinderte
/
ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
geheim
/
ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
Geheimnis
geheim
noun
- 1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
Gedächtnis
- 2. snel toegankelijke plaats om data op te slaan
Speicher
Gedächtnis
noun
Formgedächtnislegierung
noun
Amnesie
Erinnerungsverlust
Gedächtnisschwund
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
Gehör
Hörvermögen
noun
1. een holle buis die de oorschelp met het middenoor verbindt
Gehörgang
noun
1. een beschadiging aan het gehoor waardoor men niet goed meer kan horen
Hörproblem
/
ɣə'hoːrzam/, /
ɣə'ɦoːrzam/, /
χə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. bereid gehoor te geven aan regels of bevelen
gehorsam
folgsam
verb
1. gevolg geven aan een opdracht of bevel
gehorchen
verb
verplicht zijn
gebunden
verpflichtet
/
ɣəˈhʏxt/
noun
1. een aantal bij elkaar staande huizen op het platteland
Weiler
noun
1. instrument voor het meten van radioactieve straling
Geigerzähler
/
ɣɛi̯l/, /
χɛi̯l/
adjective
geil
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Geisenheim
/
ˈɣɛɪ̯t/, /
ˈɣɛːt/, /
ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
Ziege
Geiß
noun
voedzaam vocht dat tepels van een geit afscheiden
Ziegenmilch
/
ɣəˈjaxt/
adjective
1. druk; overvol; haastig; gestrest
hektisch
noun
1. het aanhoudend juichen
Jubel
/
ɣɛk/, /
χɛk/
adjective
- 4. knettergek
behämmert
verrückt
- 3. grappig
lustig
- 1. ongebruikelijk, raar, vreemd, ongewoon
merkwürdig
- 2. bezittende een zeer lage intelligentie, krankzinnig
verrückt
/
ˈɣɛkə(n)ˌprat/
noun
1. niet ernstig te nemen uitingen, onzinnige uitspraken
Geschwafel
Geschwätz
adjective
1. door drukking gekwetst
geprellt
noun
1. de lijnen in het gezicht die een bepaalde uitdrukking geven
Gesichtszug
/
ɣəˈlɑx/
noun
1. het lachen
Lachen
adjective
1. geëerd
geehrt
gefeiert
/
ˈɣɛlt/, /
ˈχɛlt/
noun
- 1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
Geld
- voor hetzelfde geld
genauso gut
- geld opzijzetten
sparen
/
ˈɣɛldərˌlɑnd/, /
ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /
ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Gelderland
adjective
1. waarvan de waarde of wettigheid erkend wordt
gültig
noun
1. straf die bestaat uit het betalen van een geldbedrag
Buße
noun
1. de besteding van geld aan minder voordelige doeleinden dan mogelijk zou zijn geweest
Geldverschwendung
/
ɣəˈledə(n)/, /
χəˈledə(n)/
adverb
1. een woord om aan te duiden dat iets zich in het verleden af heeft gespeeld
her
/
ɣə.let.ˈpo.tə.ɣə/, /
ɣə.ˈleːd.ˌpoː.ti.ɣə/, /
χə.let.ˈpo.tə.χə/
noun
1. een dier met een uitwendig skelet van chitine
Gliederfüßer
noun
1. iemand die onderricht en bekwaam is in een bepaalde tak van de wetenschap
Gelehrte
/
ɣǝ.'le.ɣǝn.ɦɛjt/
noun
1. mogelijkheid tot
Gelegenheit
/
ɣəˈlɛɪdələk/
adjective
1. in geordende, kalme opeenvolging van het een op het ander overgaand
allmählich
noun
- 1. elektrische stroomgeleider
- 2. warmtegeleider
Leiter
/
ɣə'lɛɪdɪŋ/
noun
1. het verschijnsel waarbij transport van elektrische lading of warmte plaatsvindt in een materiaal
Leitung
/
ɣə.ˈlɪx/, /
ˈɣe.ləx/, /
ˈɣe.lɪx/, /
ˈχe.ləχ/, /
χə.ˈlɪχ/
adjective
2. op geel lijkend
gelblich
/
ɣə'lɛɪk/
noun
- 1. juistheid, recht
Recht
- gelijk hebben
Recht haben
/
ɣəlɛɪkˈaːrdəx/, /
ʝəlɛkˈaːrdəx/
adjective
1. vele overeenkomsten vertonend
ähnlich
/
ɣəlɛɪgˈbenəx/
adjective
1 & 2.
gleichschenklig
interjection
Gleiche brüder gleiche kappen
verb
1. zeggen dat iets gelijk is zonder dat het dat ook echt is
gleichsetzen
adjective
1. dezelfde toon voortbrengend bij in- en uitblazen
gleichtönig
adjective
1. alle zijden gelijk in lengte
gleichseitig
noun
1. gelijkzwevende stemming
temperierte Stimmung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Gelnhausen
adjective
1. met diepe insnijdingen die niet verder gaan dan de helft van het blad
gelappt
lappig
/
ɣəˈlof/, /
χəˈlof/
noun
1. godsdienst
Religion
noun
1. de mate waarin iets of iemand verdient geloofd te worden
Glaubwürdigkeit
Glaubhaftigkeit
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
glauben
/
ɣə.ˈlo.vəx/, /
ɣə.ˈloː.vɪx/, /
χə.ˈlo.vəχ/
adjective
1. vast en innig gelovend in een god of goden
gläubig
/
ɣə.ˈlo.vi.ɣə/, /
ɣə.ˈlo.və.ɣə/, /
χə.ˈlo.və.χə/
noun
1. iemand die een bepaald geloof aanhangt
Gläubige
Gläubiger
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Gelsenkirchen
/
ɣəˈlœʏt/, /
χəˈlœʏt/
noun
- 2. standpunt, mening
Auffassung
- 1. dat wat hoorbaar is
Klang
Schall
Ton
Geräusch
noun
1. Geluidsoverlast
Lärmbelästigung
noun
1. (filmkunst) film met geluid dat hoort bij de beelden die men ziet
Tonfilm
noun
1. Geluidsoverlast
Lärmbelästigung
noun
akustische Isolierung
noun
1. weinig nauwkerige maat voor hoe luid een bepaald geluid is
Lautstärke
/
ɣəˈlɵk/, /
χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
Glück
adjective
- 1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
- 2. door gunstig toeval, met mazzel
glücklich
phraseologicalUnit
1. een traditionele wens bij een nieuw jaar
Ein glückliches Neues Jahr!
adverb
1. op een gelukkige manier
glücklicherweise
/
ɣə.ˈlɵks.ˌvoː.ɣəl/, /
χə.ˈlɵks.ˌvo(ʊ̯).χɔɫ/
noun
1. iemand die onwaarschijnlijk veel geluk lijkt te hebben
Glücksvogel
/
ɣə.'mal/
noun
installatie die overtollig water een polder uitmaalt
Schöpfwerk
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
Ingwer
noun
1. fijngemalen gedroogde wortels van Zingiber officinale
Ingwerpulver
noun
2. wat toebehoort aan alle mensen uit een samenleving gezamenlijk
Allmende
Gemeingut
noun
- 1. het met één of meer andere deel hebben aan iets
- 3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
Gemeinschaft
- 2. samenleving
Gemeinwesen
- 4. geslachtsgemeenschap
Geschlechtsverkehr
/
ɣəmenˈsxɑpələk/, /
χəmenˈsχɑpələk/
adjective
3. gerelateerd aan meer dan een entiteit
gemeinsam
/
ɣəˈmentə/, /
ɣəˈmeɪntə/, /
ʝəˈmentə/
noun
- 1. bestuurlijke eenheid
- 2. gezamenlijke gelovigen
Gemeinde
/
ratslɪt/
noun
1. een lid van een gemeenteraad
Ratsmitglied
Gemeinderatsmitglied
Stadtverordnete
noun
1. gemeenschap van onafhankelijke landen
Staatenbund
/
ɣəˈmɪdəld/, /
ɣəˈmɪdəlt/, /
χəˈmɪdəɫt/
adjective
- gemiddelde leeftijd
Durchschnittsalter
- 1. tot de middenmoot behorend
Mittel-
Durchschitt-
im Durchschnitt
/
ɣəˈmɪdəld/, /
ɣəˈmɪdəlt/, /
χəˈmɪdəɫt/
adverb
1. in de meeste gevallen
durchschnittlich
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
Durchschnit
Durchschnitt
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Gemmingen
noun
1. een uiting van ontevredenheid, ongenoegen of ergernis
Gemurre
Gezeter
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
Gämse
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
Gen
adjective
gnadenlos
schonungslos
noun
1. de laatste slag toegebracht aan een zwaargewonde vijand om hem uit zijn lijden te helpen
Fangschuss
/
ɣə'nakən/
verb
1. dichterbij komen
nähern
/
ˈdʒɛndər/
noun
1. sekse
Gender
adjective
geschlechtsneutral
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
Genealogie
Ahnenforschung
/
γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
Medizin
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
Medikament
/
ɣə'neɣənɦɛɪt/
noun
1. het gesteld zijn op iemand
Zuneigung
noun
1. generale bas
Generalbass
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
Generation
/
ˌɣenəˈratɔr/, /
ˌχenəˈratɔr/
noun
- 3. een machine die stroom opwekt
Elektrischer Generator
- 4. toestel tot het verkrijgen van gas, gasgenerator
Gasgenerator
- 1. een apparaat of persoon die iets genereert (doet ontstaan)
Generator
verb
1. schaamte voelen
sich genieren
adjective
- 1. geneesmiddel
Generikum
- 2. algemeen
allgemein
generell
- 3. tot een geslacht behorend
generisch
noun
1. titels
Vorspann
Nachspann
noun
1.de wetenschap van alles wat de werking van genen betreft, in het bijzonder erfelijke overdracht
Genetik
noun
1. een wetenschapper op het gebied van de genetica
Genetiker
/
ɣəˈnetis/
adjective
1. gerelateerd aan de erfelijkheid
genetisch
verb
- 1. ergatief: gezond worden, herstellen van ziekte of verwonding
genesen
- 3. overgankelijk: iemand gezond maken
heilen
/
xəˈneziŋ /
noun
1. het proces van het weer gezond worden
Genesung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Gengenbach
adjective
1. briljant, zeer slim, uitmuntend
genial
ingeniös
noun
- 1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
Genie
Genius
- 1. technische eenheid in het leger
Genietruppen
Pioniere
/
ɣəˈnipəx/, /
ɣəˈnipɪx/, /
χəˈnipəχ/
adjective
1. op een achterbakse manier en gemeen
hinterhältig
verb
1. voordeel hebben van iets
genießen
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
Genitiv
genitivisch
noun
1. iets waar men plezier aan beleeft
Vergnügen
/
xəˈnom/
noun
1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme
Genom
noun
1. het geheel van genetische kenmerken dat een soort onderscheidt
Genotyp
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
Funke
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
Gent
/
ˈɣɛn.teː.ra.ˌpi/, /
ˈχɛn.tɪː.ra.ˌpi/
noun
1. het inbrengen van genetisch materiaal in (menselijke) cellen in het kader van een geneeskundige behandeling
Gentherapie
adjective
Enzianblau
enzianblau
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Genua
noun
1. Grammaticaal geslacht
Genus
Geschlecht
pronoun
2. stad in Zwitserland
Genf
noun
1. een meetinstrument in de vorm van een driehoek met een maatverdeling en een gradenboog
Geodreieck
noun
1. aardrijkskunde
Geographie
Erdkunde
adjective
1. aardrijkskundig, met betrekking tot de aardrijkskunde
geographisch
adjective
1. op de geologie betrekking hebbend
geologisch
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
Geometrie
noun
1. futensoort met zwarte nek, zwarte kop en een goudgele oorpluim, Podiceps nigricollis
Schwarzhalstaucher
adjective
1. toestemming hebbend
erlaubt
zulässig
/
ɣeˈjɔrɣis/, /
ɣeˈjɔrɣɪs/, /
χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
Georgisch
georgisch
/
ɣeˈjɔrɣi.jə/, /
χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
Georgien
Grusien
/
ˈɣeː.rɑrd/, /
ˈɣeː.rɑrt/, /
ˈχɪː.rɑrt/
pronoun
2. spelwoord voor de letter g
Gustav
noun
1. Gerbillinae, een ondersoort van de familie Muridae, die daarnaast ook de muizen,...
Rennmäuse
noun
- 1. een bepaald soort voedsel op een bepaalde wijze bereid
- 2. rechtbank, de rechter
Gericht
noun
1. een mechanisch instrument dat gebruikt wordt om werk te kunnen doen
Gerät
Werkzeug
noun
1. afsluitbare bak waarin gereedschap opgeborgen en bijeengehouden wordt
Werkzeugkasten
noun
1. een medisch specialist die de geriatrie beoefent
Geriater
/
ɣə'rɪŋ/
adjective
1. klein in afmeting of getal
gering
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Gerlingen
/
ɣɛrˈmaːns/, /
χɛrˈmans/
adjective
- 1. betrekking hebbend op de taal der Germanen of de talen die er van afstammen
- 1. op de Germanen betrekking hebbend
Germanisch
/
ɣɛrˈmaːns/, /
χɛrˈmans/
pronoun
1. taal zoals die eertijds door de Germanen gesproken werd
Germanisch
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Duits of gevormd naar het Duits
Germanismus
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
Germanium
pronoun
- 1. een district in de Duitse deelstaat Beieren
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Germersheim
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Gernsbach
/
ɣə.ˈru.zə.ˌmus/, /
χə.ˈru.zə.ˌmus/
noun
1. een achtergrondgeluid bestaande uit veel door elkaar sprekende stemmen
Stimmengewirr
noun
1. tak van wetenschap die het "ouder worden" bestudeert
Gerontologie
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Gersfeld
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
Gerste
noun
2. wit korreltje op het ooglid
Hautgrieß
Grießkörner
/
ɣə'rɵxt/
noun
2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
Gerücht
noun
1. zelfstandig gebruikte verbogen infinitief
Gerundium
verb
1. iemands angst of zorgen ontzenuwen of minder aannemelijk maken
beruhigen
noun
1. afkorting van Ges-majeur
Ges
noun
- 1. verlaagde g
ges
- 3. ges-mineurgrondakkoord
ges
ges-Moll
- 2. ges-kleinetertstoonladder
ges-Moll
abbreviation
- 1. het akkoord ges - bes - des
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ges-Dur
abbreviation
- 1. een akkoord ges - beses - des
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ges-Moll
/
ɣɛs'xrot/
abbreviation
- 1. het akkoord ges - bes - des
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ges-Dur
abbreviation
1. het akkoord ges-bes-des
Ges-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “ges” als grondtoon
Ges-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. een akkoord ges - beses - des
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
ges-Moll
abbreviation
1. het akkoord ges - beses - des
ges-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “ges” als grondtoon
ges-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met ges als grondtoon
ges-Moll-Tonleiter
/
ɣɛs'xrot/
abbreviation
- 1. het akkoord ges - bes - des
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ges-Dur
abbreviation
1. het akkoord ges-bes-des
Ges-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “ges” als grondtoon
Ges-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "ges" als grondtoon
Ges-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “ges” als grondtoon
Ges-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. een akkoord ges - beses - des
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
ges-Moll
abbreviation
1. het akkoord ges - beses - des
ges-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met ges als grondtoon
ges-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met ges als grondtoon
ges-Moll-Tonleiter
/
ɣəˈsxɛŋk/, /
ʝəˈsçɛŋk/
noun
1. iets dat men geeft
Geschenk
/
ɣəˈsxidə(n)/, /
χəˈsχidə(n)/
verb
1. werkelijkheid worden
geschehen
/
ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
Geschichte
adjective
1. met de juiste eigenschappen
geeignet
noun
1. geweldloos conflict
Streit
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Geseke
/
ˈɣeː.zəl/, /
ˈχe.səɫ/
noun
1. werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaat
Geißel
/
ɣesələ(n)/
verb
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
peitschen
auspeitschen
noun
1. dubbel verlaagde toon g
Geses
geses
/
χəˈslɑχt/
noun
- 3. (biologisch) genus
Gattung
- 4. grammaticaal geslacht
Genus
Geschlecht
- 5. afstammelingen van één persoon
Geschlecht
- 2. geslachtsorganen
Geschlechtorgan
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
Geschlechtsverkehr
/
ɣəˈslɑxtsɔrɣaːn/, /
ʝəˈslɑxtsɔrʝaːn/
noun
1. lichaamsdeel
Geschlechtsorgan
noun
1. een aandoening aan de geslachtsorganen, vaak een seksueel overdraagbare aandoening
Geschlechtskrankheit
/
ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
Schnalle
adjective
- 2. in hoge mate werkzaam
angespannt
angestrengt
gespannt
- 1. strak uitgerekt
angespannt
gespannt
- 3. ongemakkelijk, blijk gevend van stress, het punt van (uit-)barsten naderend
gespannt
spannungsgeladen
adjective
1. met sterk ontwikkelde stevige spieren
muskulös
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
Gespräch
adjective
1. geleidelijk maar persistent
stetig
beständig
adverb
1. op gestage wijze
beständig
stetig
noun
1. een verticale vlakke constructie van stenen of houtsblokken zonder mortel tussen de stenen of blokken.
Trockenmauer
/
ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
Gestein
verb
1. gebaren maken, vooral bij het spreken
gestikulieren
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis, Alburnoides bipunctatus
Schneider
/
ɣəˈdan/
adjective
2. van meubels dat ze een stoffen bekleding hebben
gepolstert
/
ɣəˈstɔːrt/, /
χəˈstɔːrt/
adjective
1. geen normale functionering van de geest hebbend
gestört
noun
1. een elektrische centrale die functioneert op het verschil tussen eb en vloed
Gezeitenkraftwerk
noun
1. de periodieke verandering van de waterstand ten gevolge van de stand van de maan
Gezeiten
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) elektrische centrale die werkt door middel van getijdenstromen ontstaan door het hoogteverschil tussen eb en vloed
Gezeitenkraftwerk
noun
1. een grafische registratie van de waterstand
Mareogramm
noun
1. een inrichting waarmee de waterhoogte kan worden vastgesteld
Mareograf
adjective
- 2.
bekloppt
- getypt
getippt
adjective
1. voltooid deelwoord van trouwen
verheiratet
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
Zeuge
Zeugin
verb
1. een veelal beëdigde verklaring afleggen ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
zeugen
bezeugen
/
xøl/
noun
- 3. een kleine uitholling ontstaan door erosie of de eroderende werking van water
Ausfurchung
- 2. een lange en smalle verlaging in de bodem van een rivier
Fahrrinne
- 5. een aanleg van ondergrondseinfrastructuur zoals kabels en leidingen
Kabelkanal
Kanal
- 4. een verdieping tussen de zandbanken in het wad
Priel
- 1. een lange en smalle verlaging in de grond waar water door kan stromen
Rinne
/
ɣøːr/, /
χøːr/
noun
1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
Geruch
/
ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
Gefahr
/
ɣəˈvarlək/, /
ɣəˈvaːrlɪk/, /
χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
gefährlich
noun
1. iemand die gevangen genomen is
Häftling
Gefangener
/
ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
Gefängnis
noun
1. een veroordeling waarbij iemand een zekere tijd zijn vrijheid verliest
Gefängnisstrafe
noun
1een driehoekige rode reflector
Warndreieck
Warnschild
noun
1. een geldpremie die men krijgt om een gevaarlijke taak uit te oefenen
Gefahrenzulage
noun
1. een geldpremie die men krijgt om een gevaarlijke taak uit te oefenen
Gefahrenzulage
/
ɣəˈvɛxt/, /
χəˈvɛxt/
noun
1. een handgemeen
Gefecht
/
ˈxeː.vəl/, /
ˈɣeː.vəl/
noun
1. buitenmuur van een gebouw
Fassade
/
ˈɣevə(n)/, /
ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
geben
abgeben
noun
1. bepaald soort mooi getekende en gekleurde zeevis, Labrus bergylta
Gefleckter Lippfisch
noun
2. (figuurlijk) voortdurende gehaaste verplaatsingen
Hektik
noun
1. gewaarwording
Gefühl
noun
- 3. de spanning van een film
Empfindlichkeit
- 1. een aandoenlijkheid
- 2. de nauwkeurigheid van instrumenten
Empfindlichkeit
Sensibilität
noun
1. verschijnsel
Empfindungstemperatur
gefühlte Temperatur
noun
1. een verzamelnaam voor vogels die gekweekt worden als voedsel
Geflügel
/
ɣəˈvɔlx/, /
ɣəˈvɔɫx/, /
χəˈvɔɫχ/
noun
- 2. een groep die volgt, die er achteraan of later komt
Gefolge
- 1. iets dat voortkomt uit iets anders
Konsequenz
Folge
noun
1. een voornaam en omhullend kledingstuk
Gewand
noun
1. dat wat aanwast op het veld, maar nog niet geoogst is.
Pflanze
Gewächs
noun
1. het gedeelte van het geweer dat bij het schieten tegen de schouder steunt
Gewehrkolben
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
Geweih
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
Gewalt
noun
1. een daad van geweld
Gewalttat
/
ɣə'ʋɛldəx/
adjective
2. bijzonder goed
großartig
/
ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
Gewissen
adjective
1. vroegere
ehemalig
/
ɣəˈʋɪxt/, /
χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
Gewicht
noun
1. een sport waarbij de beoefenaars proberen om zware gewichten op te heffen die aan stalen staven zijn bevestigd
Gewichtheben
noun
1. het zonder gewicht zijn
Schwerelosigkeit
noun
1. Delphinus delphis, waarschijnlijk de meest bekende soort dolfijn na de tuimelaar
Gemeiner Delfin
noun
1. Balaenoptera physalus, een groot zeezoogdier, lang en gestroomlijnd met puntige kop
Finnwal
noun
de vrucht van de gewone walnoten- of okkernotenboom
Walnuss
noun
1. bepaald soort zoogdier, Phoca vitulina
Seehund
noun
1. een samengesteldbloemige veldbloem met zeer fijn ingesneden blad en wit, roze of paars bloemscherm
Gemeine Schafgarbe
noun
1. Galanthus nivalis, een vroegbloeiend bolgewas met witte bloempjes
Schneeglöckchen
adverb
1. zoals de ervaring leert dat het meestal is
gewöhnlich
/
ɣəˈwoːntə/, /
ɣəˈβ̞oːntə/, /
χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
Gewohnheit
adverb
1. niets anders dan, niets minder dan
einfach
adjective
- 2. vervangen vanwege vooringenomenheid
abgelehnt
- 1. geweigerd, verworpen
abgelehnt
gerügt
kritisiert
moniert
adjective
1. overwicht hebbend of gewicht hebbend
maßgebend
noun
2. alle zinsdelen behalve het onderwerp
Prädikat
/
χəˈzɛləx/
adjective
- 4. leuk, onderhoudend
erfrischend
- 3. knus
gemütlich
- 2. sociaal aangenaam
gemütlich
erfrischend
noun
- 2. een aangename atmosfeer of omgeving
Gemütlichkeit
- 1. het gezellig zijn
Geselligkeit
noun
- 3. dat wat men ziet, een landschap
Aussicht
- 1. de voorkant van een menselijk hoofd
Gesicht
noun
1. doorzichtige kunststof gezichtsbedekking
Gesichtsschild
Gesichtsvisier
noun
1. huishouden bestaande uit een of meer ouders en hun kinderen
Familie
/
ɣəˈzɔx/, /
ɣəˈzɔxt/, /
χəˈzɔχt/
adjective
1.
gesucht
/
xə.ˈzɔnt/, /
ɣə.ˈzɔnt/
adjective
- 1. vrij van ziektes en zeertes
- 2. bevorderlijk voor een goede conditie
gesund
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
Gesundheit
noun
1. het volledige fysieke, spirituele en sociale welzijn
Gesundheitszustand
noun
1. een onnatuurlijke verdikking in het weefsel
Geschwulst
Tumor
adjective
1. geschikt voor iets
geeignet
noun
integrierter Schaltkreis
verb
1. betrokken
involviert
/
'ɣa.na/, /
'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
Ghana
/
ɣɪts/, /
χɪts/
noun
persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
Führer
Reiseführer
/
ˈχibəɫ/
noun
1. bronskleurige zoetwatervis, Carassius gibelio
Gewöhnliche Karausche
/
ˈɣixələ(n)/
verb
1. een snelle, wat ingehouden vorm van lachen
kichern
noun
1. rondhout bevestigd aan het onderlijk van een zeil
Baum
/
ɣiːr/, /
χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
Geier
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
geizig
knauserig
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
Hirse
/
ˈɣirˌzʋalyw/
noun
1. bepaald soort vogel, Apus apus
Mauersegler
verb
- 1. een vloeistof vallend laten vloeien
- 2. regenen
gießen
noun
1. een soort emmer met sproeibuis om de planten te begieten
Gießkanne
noun
1. Een (meestal ronde) holte in een gegoten product, waarin zich tijdens het gietproces onbedoeld lucht heeft opeengehoopt
Lunker
/
ɣɪf/, /
χɪf/
noun
1. substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
Gift
/
ˈɣɪf.ɣrun/, /
ˈχɪf.χrun/
adjective
giftgrün
noun
1. een giftige slang
Giftschlange
noun
1. geschenk, gave
Gabe
Geschenk
Spende
/
ˈɣɪftəx/, /
ˈχɪftəx/
adjective
- 1. gif bevattend
- 2. zeer nijdig
giftig
noun
1. een miljard ampère
GA
Gigaampere
noun
1. gigahertz (1 miljard Hz)
Gigahertz
noun
1. gigapascal (1 miljard Pa)
Gigapascal
noun
1. een miljard volt
GV
Gigavolt
noun
1. een miljard watt
GW
Gigawatt
/
ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /
ˈɣɛːzəlaːr/, /
ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
Geisel
/
'ɣɛɪzələ(n)/
verb
1. iemand gevangen nemen om daarmee een losprijs te bedingen
entführen
noun
1. iemand die personen in gijzeling houdt
Geiselnehmer
noun
1. het gevangen houden of nemen van iemand ten einde iets af te dwingen
Beugehaft
Geiselhaft
Geiselnahme
noun
1. iemand die personen in gijzeling neemt
Geiselnehmer
/
ɣɪɫ/
noun
1. een harde schelle ongearticuleerde uitroep
Schrei
/
ˈɣɪlə(n)/, /
ˈχɪlə(n)/
verb
1. een harde schelle ongearticuleerde uitroep slaken
schreien
/
ɣɪnts/
adverb
1. daar in de verte
da drüben
dort
dort drüben
noun
- 1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
- 2. pleister, gipshoudend kalkmengsel
Gips
/
ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
Giraffe
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Giraffe
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
Giraffe
verb
1. geld overmaken door het uitschrijven van een giro
überweisen
noun
1. (financieel) (geschiedenis) in Nederland rekening-courant
Girokonto
noun
1. afkorting van Gis-majeur
Gis
noun
- 1. verhoogde toon g
gis
- 2. gis-kleinetertstoonladder
gis-Moll
- 3. gis-mineurgrondakkoord
gis-Moll
gis
abbreviation
- 1. het akkoord gis - bis - dis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Gis-Dur
abbreviation
- 1. een akkoord gis - b - dis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
gis-Moll
abbreviation
- 1. het akkoord gis - bis - dis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Gis-Dur
abbreviation
1. het akkoord gis-bis-dis
Gis-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “gis” als grondtoon
Gis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “gis” als grondtoon
Gis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “gis” als grondtoon
Gis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “gïs” als grondtoon
Gis-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. een akkoord gis - b - dis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
gis-Moll
abbreviation
1. het akkoord gis-b-dis
gis-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “gis” als grondtoon
gis-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “gis” als grondtoon
gis-Moll-Tonleiter
abbreviation
- 1. het akkoord gis - bis - dis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Gis-Dur
abbreviation
1. het akkoord gis-bis-dis
Gis-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “gis” als grondtoon
Gis-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "gis" als grondtoon
Gis-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “gis” als grondtoon
Gis-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “gïs” als grondtoon
Gis-Dur-Tonleiter
abbreviation
- 1. een akkoord gis - b - dis
- 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
gis-Moll
abbreviation
1. het akkoord gis-b-dis
gis-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “gis” als grondtoon
gis-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “gis” als grondtoon
gis-Moll-Tonleiter
noun
- 1. tweemaal verhoogde toon “g”
gisis
- 3. gisis-mineurgrondakkoord
gisis
gisis-Moll
- 2. gisis-kleinetertstoonladder
gisis-Moll
noun
- 1. het akkoord gisis-bis-disis
- 2. de mineur toonsoort op gisis
gisis-Moll
abbreviation
1. het akkoord gisis-bis-disis
gisis-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “gisis” als grondtoon
gisis-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “gisis” als grondtoon
gisis-Moll-Tonleiter
abbreviation
1. het akkoord gisis-bis-disis
gisis-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “gisis” als grondtoon
gisis-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “gisis” als grondtoon
gisis-Moll-Tonleiter
verb
1. een vermoeden uitspreken over iets
vermuten
raten
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
Hefe
Hefepilz
/
ˈɣɪstər/, /
ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
gestern
adverb
1. de avond vóór de afgelopen nacht
gestern Abend
/
ˈɣɪstərə(n)/, /
ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
gestern
adverb
1. de avond vóór de afgelopen nacht
gestern Abend
/
ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
Gitarre
adjective
Tiefschwarz
tiefschwarz
pronoun
1. stad in Armenië
Gjumri
verb
1. met een laag suiker bedekken en dan verhitten zodat de suiker glanzend wordt, kan ook gedaan worden met honing
glasieren
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Gladbeck
verb
- 1. gelijk, effen maken
glattmachen
- 3. vereffenen, aanzuiveren
glätten
- 2. glanzig, glimmend maken, polijsten
polieren
verb
1. door strijken glad of effen maken
glätten
ausbügeln
glattbügeln
noun
1. betoverend uiterlijk, schone schijn
Glamour
/
ˈɣlɑns.kol/, /
ˈɣlɑns.koɫ/, /
ˈχlɑns.ko̝ɫ/
noun
1. een vorm van steenkool die sterk verhit is geweest
Anthrazit
verb
1. in zekere mate licht weerspiegelen of voortbrengen
glänzen
/
ɣlɑs/, /
χlɑs/
noun
- 2. op basis van SiO₂
- 1. niet-kristallijne vaste stof
- 3. om uit te drinken
Glas
noun
1. een container voor het gescheiden inzamelen van glasafval
Altglascontainer
noun
1. iemand die glazen voorwerpen maakt
Glasbläser
noun
1. glasharmonica
Glasharmonika
noun
Glasübergangstemperatur
noun
isolatiemateriaal gemaakt van glas
Glaswolle
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Glauchau
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
Glaukom
grüner Star
verb
- 1. met een laag glazuur bedekken
- 2. met een laag glanzende suiker bedekken
glasieren
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
Gletscher
Ferner
adjective
1. glad, moeilijk houvast op te krijgen
glatt
rutschig
glibberig
schleimig
/
ˈxlɛɪdə(n)/, /
ˈɣlɛːdə(n)/
verb
1. met geringe wrijving gericht voortschuiven
gleiten
noun
1. toestel met vleugels, maar zonder motor dat vanaf een hoogte langzaam daalt onder een vlakke hoek
Schulgleiter
noun
1.een verlager van het bloedglucose
Glimpirid
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
Lächeln
/
'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
lächeln
noun
1. een nachtelijk lichtgevend kevertje uit de familie Lampyridae
Glühwürmchen
Leuchtkäfer
noun
1. een voortgaand proces van wereldwijde economische, culturele en politieke integratie
Globalisierung
noun
1. de lichtbron van een geprepareerd weefsel in een gaslamp
Glühstrumpf
/
ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
Glühbirne
Glühlampe
/
ˈglɔ.si/, /
ˈɣlɔ.siː/
adjective
1. mooi en duur
Hochglanz-
/
ˈglɔ.si/, /
ˈɣlɔ.siː/
noun
1. een chic tijdschrift dat gedrukt wordt op glanspapier
Hochglanzmagazin
/
ˈɣlɔtɪs/
noun
1. stemspleet
Glottis
/
ˈɣlɔtɪˌslɑx/
noun
1. een klank die met de stembanden in de keel geproduceerd wordt en tot de plosieven gerekend wordt
Glottisschlag
Knacklaut
/
ˌɣlykɑˈɣɔn/, /
ˌχlykɑˈχɔn/
noun
1. een hormoon gemaakt in de alfacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet glycogeen af te breken en de zo vrijgekomen glucose aan het bloed af te geven
Glucagon
noun
1. druivensuiker
Glukose
/
ˈɣlyː.rə(n)/
verb
1. in het geheim aandachtig naar iemand kijken
spähen
schielen
noun
Glyzerin
Glycerin
Glycerol
noun
Glyzerin
Glycerin
Glycerol
/
ˌɣlikɔˈɣen/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
Glykogen
noun
1. een metamorf gesteente met verschillend gekleurde banden of aders
Gneis
verb
1. wat onderdrukt plezier hebben
schmunzeln
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
Gnu
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
Gott
/
ɣɔd/, /
ɣɔt/, /
χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
Gott
verb
1. je vromer voordoen dan je eigenlijk bent, schijnheilig zijn
Gott einen flächsenen Bart flechten
noun
1. gebrek aan eerbied of geloof in een godheid
Gottlosigkeit
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
Gottheit
pronoun
1. benaming voor het vrouwelijk opperwezen
Göttin
noun
1. een vrouwelijke godheid
Göttin
interjection
1. plaats waar overledenen begraven zijn
Friedhof
Gottesacker
noun
1. een geloof en alle daar bij horende rituelen en doctrines
Religion
noun
1. oorlog veroorzaakt door godsdienstige verschillen
Glaubenskrieg
noun
- 1. belediging of bespotting van God/een godheid
Blasphemie
Gotteslästerung
- 2. een vloek
Fluch
interjection
1. een grove vloek die grote boosheid of sterke verontwaardiging uitdrukt
gottverdammt
adjective
1. kwaliteit bezittend
gut
adverb
1. op goede wijze
gut
noun
1. iets concreets of abstracts dat men in bezit kan hebben
Gut
gut
noun
naar (iemands) goeddunken
nach Belieben
nach Ermessen
/
ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
Karfreitag
pronoun
1. de week vanaf Palmzondag tot Stille Zaterdag
Karwoche
Heilige Woche
Osterwoche
Stille Woche
/
ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
guten Morgen
interjection
avondwens
Gute Nacht!
gute Nacht
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
guten Abend
noun
1. trein die uitsluitend is bestemd om goederen te vervoeren
Güterzug
noun
1. het al te veel vertrouwen hebben in wat mensen zeggen
Naivität
Gutgläubigkeit
/
ˌxutxəˈlœʏmt/, /
ˌɣutxəˈlœʏmt/
adjective
1. in een toestand van vrolijkheid verkerend.
aufgeräumt
gut aufgelegt
noun
1. de hoedanigheid van het goed zijn
Güte
verb
1. toestemming verlenen
billigen
zulassen
noun
1. een positieve beoordeling
Zustimmung
approval
adjective
1. laag in prijs
billig
preiswert
preisgünstig
verb
1. argumenten aanvoeren om iets dubieus of verkeerds als acceptabel te zien
beschönigen
schönreden
/
ˈɣutsxɪks/, /
ˈχutsχɪks/
adverb
1. op een constructieve, coöperatieve manier
anstandshalber
/
'ɣutfɪndə(n)/
verb
1. toestemming verlenen
für gut befinden
gut finden
zustimmen
noun
1. het goedwillend zijn
Wohlwollen
noun
1. gevoel dat je graag van iets wil gaan genieten
Lust
/
ɣɔk/, /
χɔk/
noun
- 2. een keuze zonder het juiste antwoord te weten
Glücksspiel
Wagnis
- 3. neus
Rüssel
Zinken
Gurke
Kolben
/
ˈɣɔkən/, /
ˈχɔkən/
verb
1. iets van waarde, veelal geld, inzetten op de mogelijke uitkomst van iets onzekers
zocken
/
gɔlf/, /
χɔl(ə)f/
noun
- 4. grote baai
Golf
Bucht
- 1, 2 en 3
Welle
- 1. balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
Golf
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
Golf von Mexiko
pronoun
1.
Rigaischer Meerbusen
noun
1. constructie om de kracht van watergolven te weerstaan
Wellenbrecher
noun
verpakkingsmateriaal, bestaande uit één of meer lagen dun, gegolfd karton
Wellpappe
noun
1. vergelijking die het verloop van een golf in tijd en ruimte beschrijft
Wellengleichung
/
ˈɣɔlvən/, /
ˈχɔlvən/
verb
1. een golfvormige beweging maken
flattern
wehen
/
ɣɔm/
noun
- 1. een gum
- 2. een kleverige vloeistof die wordt gemaakt van het sap van bomen
Gummi
/
ˈɣɔndəl/
noun
1. een pleziervaartuig in Venetië
Gondel
noun
1. een hangend slagwerk
Gong
noun
1. een geslachtziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Neisseria gonorrhea
Tripper
Gonorrhö
/
ˈgu:gələ(n)/, /
ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /
ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
googeln
googlen
/
ˈɣoːi̯ən/, /
ˈχoːi̯ən/
verb
1. het door de lucht verplaatsen van een voorwerp, al dan niet naar een doelwit
werfen
/
ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
Abwaschbecken
noun
1. een band die om het middel gedragen wordt
Gürtel
noun
1. zoogdier met pantser van beweegbare schubben uit de familie Dasipodidae
Gürteltier
/
ɣɔrˈdɛːn/, /
χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
Vorhang
Gardine
/
ɣɔrˈdɛɪnrɪːɫ/
noun
1. een rail waaraan een gordijn opgehangen kan worden
Vorhangschiene
noun
1. (bouwkunde) houten dwarsbalk of ligger
Pfette
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
Gorilla
pronoun
1. Maleis-Polynesische taal die wordt gesproken door een miljoen mensen in de provincie Gorontalo op Sulawesi in Indonesië
Gorontalo
/
ɣɔrs/, /
χɔrs/
noun
- 1. benaming voor vogels uit de familie Emberizidae
Ammer
- 2. buitendijks land
Salzwiese
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
- 2. een district in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Goslar
pronoun
1. de uit de oostelijke tak van de Germaanse talen stammende en uitgestorven taal der Goten uit de eerste...
Gotisch
adjective
1.
gotischsprachig
/
ˈɣɔtlɑnt/, /
ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
Gotland
/
ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
Gold
noun
1. Physalis peruviana
Kapstachelbeere
noun
1. bepaald soort vis, Sparus aurata
Goldbrasem
adjective
1. met een kleur die een combinatie is tussen goudkleurig en bruin
kastanienbraun
phraseologicalUnit
Goldmedaille
adjective
Goldgelb
goldgelb
noun
- 2. kevers uit de familie Chrysomelidae met als goud blinkende schilden
Blattkäfer
- 1. bepaald soort klein vogeltje met een goudkleurig kruintje Regulus regulus
Goldhähnchen
Wintergoldhähnchen
adjective
1. met goudkleurig haar.
goldhaarig
noun
1. Canis aureus
Goldschakal
noun
1. soort plevier, Pluvialis apricaria
Goldregenpfeifer
noun
1. een smid die met goud werkt
Goldschmied
noun
1. bepaald soort vogel, Pyrrhul pyrrhula
Gimpel
Dompfaff
/
ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /
ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /
ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
Goldfisch
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
Gulasch
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
Gouverneur
Statthalter
Steuermann
stadtholder
noun
2. district, gewest, provincie
Gau
noun
1. vent, een kerel
Bursche
Kerl
noun
1. eenheid om hoeken te meten
Grad
noun
1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
Graf
/
ɣrax/, /
χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
gerne
bereit
interjection
1. beleefd antwoord nadat je bedankt bent
gern geschehen
noun
- 1. (wijk van) een reeks grachten rondom het centrum van een stad (bijv. in Amsterdam)
Grachtengürtel
- 2. ± (lid van) een linksgeoriënteerde, stedelijke elite
Salonsozialist
Toskanafraktion
noun
1. een instrument waarmee een hoek van een gekende grote uitgezet of gemeten kan worden
Winkelmesser
adjective
1. trapsgewijs
graduell
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Oudgrieks of gevormd naar Oudgrieks voorbeeld
Graezismus
/
ɣrɑf/, /
χrɑf/
noun
- 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
- 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
Grab
noun
1. een grafische voorstelling van een verzameling gegevens
Grafik
noun
in plaatjes gekristalliseerde koolstof
Graphit
adjective
Graphitgrau
graphitgrau
adjective
Graphitschwarz
graphitschwarz
noun
- 1. het binnengaan van een graf of tombe met als doel er artefacten...
- 2. het binnengaan van een graf of tombe om het lichaam van een begravene te onteren...
Grabraub
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
Grabstein
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
Gramm
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
Grammatik
noun
- 5. groep kubische mineralen
Granat
- 2. met springlading gevuld projectiel
Granate
noun
- 2. vrucht
Granatapfel
Grenadine
- 1. boom
Granatapfelbaum
/
ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
Granit
adjective
Granitgrau
granitgrau
/
ɣrɑp/, /
χrɑp/
noun
1. verhaal dat of handeling die erop gericht is om de lachlust op te wekken
Scherz
Spaß
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
Grapefruit
Pampelmuse
noun
1. sap van de vrucht van de boom Citrus paradisi
Grapefruitsaft
Pampelmussaft
noun
1.een Italiaanse alcoholische drank
Grappa
/
ˈɣrɑpəχ/
adjective
1. de lust tot (glim-) lachen opwekkend
lustig
ulkig
spassig
noun
- 1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
- 1.1 benaming voor planten uit de familie Poaceae die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien
Gras
adjective
Grasgrün
grasgrün
/
ɣrɑsmajər/
noun
Rasenmäher
noun
1. Sylvia communis, een zangvogel uit de familie zangers Syviidae
Dorngrasmücke
noun
1. Anthus pratensis, een zangvogel uit de familie Motacillidae
Wiesenpieper
/
ˈɣrɑs.trɪ.mər/, /
ˈχrɑs.trɪ.mər/
noun
1. een apparaat dat gras maait op moeilijke plekken en randen van het gazon
Rasentrimmer
/
ˈɣrɑsvɛlt/, /
ˈɣrɑzvɛld/, /
ˈχrɑsvɛɫt/
noun
1. een veld dat door met name gras wordt begroeid
Grasplatz
/
ˈɣrɑsvlɑktə/, /
ˈχrɑsvlɑktə/
noun
1. een groot stuk land dat met gras is begroeid
Grasfläche
noun
1. het afzien van de uitvoering van een straf
Begnadigung
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
gratis
kostenlos
frei
adjective
1. donkergrijs, kleurloos
grau
noun
1. bepaalde soort grijsbruine vogel met oranje snavel, Anser anser
Graugans
noun
1. bepaalde soort roofvogel, Circus pygargus
Wiesenweihe
noun
1. meest voorkomende poonsoort in de Noordzee, Eutrigla gurnardus
Grauer Krurrhahn
noun
1. beitel met ruitvormige punt
Stichel
noun
1. beitel met ruitvormige punt
Stichel
noun
1. graveernaald
Graviernadel
noun
1. graveersteker
Stichel
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Grabstichel
noun
1. graveerstift
Grabstichel
Graviernadel
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
graben
verb
1. met een scherp gereedschap iets krassen in glas of metaal
gravieren
noun
1. vrouwelijke graaf
Gräfin
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
Gravitation
Schwerkraft
/
'χrazə(n)/
verb
1. het eten van gras en andere bodemvegetatie zoals bijvoorbeeld runderen dit doen
weiden
grasen
äsen
/
ɣre.ˈna.da/, /
ɣrɛ.ˈna.da/, /
χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Grenada
noun
- 1. een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
Grenze
- 2. de raaklijn tussen twee landen
Grenze
Gemerke
noun
1. een smalle, ondiepe uitgraving in de grond voor de afvoer van teveel water
Graben
Straßengraben
Wassergraben
/
ˈxretəx/
adjective
1. reikhalzend uitzien naar iets, gespitst op iets, happig op iets
begierig
gierig
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Grevenbroich
pronoun
1. en 2.
Grevenmacher
noun
1. een elektronisch testapparaat waarmee o.a. de resonantiefrequentie van een antenne of resonantiekring kan worden bepaald
Dipmeter
/
ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /
ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /
ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
Griechenland
/
ɣriks/, /
χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
Griechisch
griechisch
noun
3.bepaald soort zeezoogdier, Globicephala melas
Grindwal
/
ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
Grippe
Influenza
/
ˈɣriprɪk/, /
ˈχriprɪk/
noun
1. een vaccinatie tegen een griepvirus
Grippeimpfung
noun
1. grof gemalen meel
Grieß
noun
1.
Grießbrei
Grießkoch
Grießmus
/
ɣrit/, /
χrit/
noun
- C. vissoort
Glattbutt
- A. jonge vrouw, meisje
Mädel
- B. grutto
Uferschnepfe
adjective
gruselig
schaurig
unheimlich
noun
1. een schrijfgerei van vrij zachte steen, vaak leisteen, waarmee kan worden geschreven op een schrijfplankje dat van dezelfde leisteen is gemaakt (de lei)
Schiefergriffel
verb
1. met een ijzeren schrijfstift schrijven of graveren
gravieren
verb
1. door krassen voor altijd vastleggen in een duurzaam materiaal
gravieren
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
Greif
verb
1. plotseling iets of iemand beetpakken
greifen
ergreifen
adjective
1. de kleur grijs hebbend
grau
noun
tint grijs met RAL-nummer 9007
Graualuminium
graualuminium
adjective
Graubeige
graubeige
adjective
Graublau
graublau
adjective
Graubraun
graubraun
/
ɣrɛɪsˈɦarəx/
adjective
1. met grijs haar
grauhaarig
adjective
Grauweiß
grauweiß
noun
1. stevige zwarte walvis, met bolvormig voorhoofd en een heel kleine snuit
Grauwal
noun
1. bepaald soort zoogdier, Halichoerus grypus
Kegelrobbe
Grauer Seehund
/
ˈgrɪzliˌbeːr/, /
ˈɣrɪzliˌbeːr/
noun
1. Ursus arctos horribilis, een Amerikaanse ondersoort van de bruine beer.
Grizzlybär
noun
1. lange en smalle uitholling, insnijding, diepe rand
Einschnitt
Falte
Falz
Gehrung
Kannelüre
Kerbe
/
ɣruj/, /
χruj/
noun
1. het groter worden
Wuchs
Zunahme
/
ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
wachsen
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
grün
Grün
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
Grün
grün
/
'ɣrun lɑxə(n)/
phraseologicalUnit
1. geforceerd glimlachen
grün lachen
adjective
Grünbeige
grünbeige
adjective
Grünblau
grünblau
adjective
Grünbraun
grünbraun
noun
1. de jonge scheuten van Asparagus officinalis
grüner Spargel
/
ˈɣru.nə ˈbom.bo.a/, /
ˈχru.nə ˈbom.bo.a/
noun
1. een grote groene slang die voorkomt in delen van Zuid-Amerika
Grüne Hundskopfboa
Grüner Hundskopfschlinger
/
ˈɣru.nə ˈɦɔnts.kɔp.bo.a/, /
ˈχru.nə ˈɦɔnts.kɔp.bo.a/
noun
1. een grote groene slang die voorkomt in delen van Zuid-Amerika
Grüne Hundskopfboa
Grüner Hundskopfschlinger
noun
1. benaming voor dieren uit het geslacht Pelophylax
Grünfrosch
Wasserfrosch
noun
1. bepaald soort orchidee, Coeloglossum viride
Grüne Hohlzunge
adjective
Grüngrau
grüngrau
/
ˈɣru.nəx/, /
ˈɣru.nɪx/, /
ˈχru.nəχ/
adjective
2. op groen lijkend
grünlich
/
ˈɣrun.lɑnd/, /
ˈɣrun.lɑnt/, /
ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
Grönland
adjective
grönländisch
Grönländisch
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Balaena mysticetus
Grönlandwal
Nordwal
Polarwal
pronoun
1. de zee ten westen van Groenland
Grönlandsee
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
Gemüse
/
ɣrup/, /
ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
Gruppe
verb
1. in groepen stellen
gruppieren
noun
1. verkrachting door een groep personen
Gruppenvergewaltigung
noun
rechtszaak met groep als partij
Sammelklage
/
ˈɣrut/, /
ˈχrut/
noun
1. een uiting waarbij men elkaars aanwezigheid erkent wanneer men elkaar ontmoet
Gruß
Begrüßung
/
ˈɣrutə(n)/
noun
1. iemand goedendag of gedag zeggen
grüßen
noun
1. mijnbouw) een mijn waar delfstoffen gewonnen worden, onderaards of dagbouw
Grube
/
ɣrɔk/, /
ɣrɔx/
noun
1. alcoholisch mengsel van rum, suiker en heet water
Grog
noun
1. het in eigendom hebben van een stuk van de aarde
Grundeigentum
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Gobiidae
Grundel
verb
- 2. het grondvesten van een bedrijf
gründen
- 3. het in de grondverf zetten
gründieren
- 1. het peilen van waterdiepte
peilen
noun
1. het gebied waarover een instantie of overheid het beheer heeft
Hoheitsgebiet
adjective
- 2. smaak naar aarde smakend
erdig
- 1. vrijwel overal aandacht aan schenkend
gründlich
noun
1. grondschaaf voor het vlakken van bodems
Grundhobel
noun
- 1. een zuivere sinustoon
Grundfrequenz
- 2. de laagste toon van een toonladder
Grundton
noun
1. verf voor eerste verflaag
Grundanstrich
Grundierfarbe
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
Grundwasser
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
Verfassung
Grundgesetz
Konstitution
/
ˈɣroːˌnɪŋə(n)/, /
ˈχroˌnɪŋə(n)/
pronoun
- 1. hoofdstad van de provincie Groningen
- 2. gemeente in de provincie Groningen waarin de stad Groningen ligt
- 3. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Drenthe en het Duitse Oost-Friesland wordt begrensd
Groningen
/
ɣroːt/
adjective
- 1. meer dan normaal in formaat
- 2. bewonderenswaardig, goed
- 3. machtig, belangrijk
groß
- 4. volwassen
groß
erwachsen
/
ɣroːt/
adverb
1. in ruime mate
großartig
noun
bepaald soort eenjarige sierplant, Tagetes erecta
aufrechte Studentenblume
adjective
1. met een zeer forse penis
gut bestückt
/
ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /
ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
Großbritannien
noun
1. het grotetertsakkoord
Durakkord
noun
1. de verzameling van alle grootboekrekeningen met de wijzigingen die zich gedurende een bepaalde periode voordoen
Hauptbuch
verb
1. het ouderschap over opgroeiende kinderen uitoefenen
aufziehen
noun
1. cirkel op bol met gelijk middelpunt
Großkreis
pronoun
1. stad in Namibië
Grootfontein
noun
1. adellijke titel die hoger is dan die van hertog maar lager dan die van koning
Großherzog
noun
1. een moeder van een ouder
Großmutter
Oma
Omi
noun
1. Plecotus auritus, vleermuissoort die de naam te danken heeft aan de bijzonder grote oren
Braune Langohr
/
ˈɣrotˌʌʊdər/
noun
1. de ouder van een ouder
Großeltern
adjective
1. verheven, groot van opzet
großartig
grandios
/
ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
Großvater
Opa
noun
- 2. in de moderne zeilvaart het zeil bevestigd met het voorlijk aan de achterkant van de (grootste) mast
Großsegel
- 1. in de klassieke zeilvaart de onderste, grootste zeil aan de grote mast
Großsegel
Hauptsegel
noun
1. authentieke uitgifte met uitvoerbare titel
Ausfertigung
noun
1. Limax Maximus, een naaktslak
Tigerschnegel
pronoun
1. hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk zichtbaar sterrenbeeld
Großer Bär
noun
1. grote bruine nachtvlinder met witte strepen, Arctia caja
Brauner Bär
noun
1. bepaald soort vrij grote vogel met zwarte rug- en lichtere buikzijde, Dendrocopos major
Buntspecht
noun
1. soort zeevogel van ongeveer 70 centimeter groot, Larus hyperboreus
Eismöwe
noun
1. de eindhersenen en de tussenhersenen vormen samen de grote hersenen
Großhirn
noun
1. Limenitis populi, een dagvlinder uit de familie Nymphalisdae
Großer Eisvogel
noun
1. soort zeevogel, Larus marinus
Mantelmöwe
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
Große Seen
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Pazifik
Pazifischer Ozean
noun
1. bepaald soort overblijvende plant, Sanguisorba officinalis
Großer Wiesenknopf
noun
1. Balaena mysticetus, grote massieve walvis met een kolossale kop
Grönlandwal
Nordwal
Polarwal
noun
1. bepaalde soort zeevogel, te herkennen aan zijn zwarte kuif en snavel met een klein geel puntje, Sterna sandvicensis
Brandseeschwalbe
noun
1. Aythya valisineria, de grote neef van de [[w:Tafeleend|Europese tafeleend]]...
Riesentafelente
noun
1. Melanitta fusca, een vrijwel geheel zwarte eendensoort die voornamelijk op zee voorkomt
Samtente
noun
1. kledingzaak voor mensen met een fors postuur
Übergrößengeschäft
adjective
1. op afschrikwekkende wijze buitenissig
grotesk
noun
1. een toonladder met een grote terts
Durtonart
noun
1. een toonladder met een grote terts
Durtonleiter
noun
1. een toonladder met een grote terts
Durtonleiter
noun
1. een toonladder met een grote terts
Durtonart
/
ˈxrʏto/, /
ˈɣrʏto/
noun
1. bepaald soort weidevogel en een van de grootste steltlopers
Uferschnepfe
adjective
1. afschuw opwekkend
grauenvoll
grausig
grässlich
/
'ɣryzələ'mɛntə(n)/
noun
1. stukken die ontstaan wanneer een voorwerp breekt
Scherben
/
ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /
ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /
ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
Guatemala
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
Guaven
Guave
/
ɣi.ˈne/, /
χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
Guinea
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk in Gujerat gesproken wordt. De taal wordt nu ook in Uganda, Tanzania, Kenia en Pakistan gesproken
Gudscharati
Gujaratisch
adjective
1. vrijgevig
generös
großzügig
freigebig
/
ˈxʏlzəx/
adjective
1. met overmatige gretigheid iets verorberend
gefräßig
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Gummersbach
noun
1. toewijzing van een aanbesteding of levering
Zuschlag
noun
1. een levendbarend tandkarpertje en aquariumvisje uit Zuid-Amerika
Guppy
pronoun
1. het zuidelijk deel van Luxemburg
Gutland
noun
1. een gootvormige steekbeitel voor houtbewerking
Hohlmeißel
/
ɣi.ˈja.na/, /
ɣβ̞i.ˈja.na/, /
χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
Guyana
/
ɣɪm/
noun
- 2. gymnasium
Gymnasium
- 1. gymnastiekles
Gymnastik
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
Gymnastik
/
ɣinəkoˈlox/
noun
Gynäkologe
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
- 2. een district in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Göppingen
/
ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
Göttingen
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
- 2. een district in de Duitse deelstaat Beieren
Günzburg
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
Hecke
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
Hainbuche
Weißbuche
/
haːɪ̯/, /
ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
Hai
Haifisch
noun
2. elk van de tekens, rond of met hoeken, gebruikt in paren om woorden of getallen af te zonderen
Klammer
noun
1. een naald die wordt gebruikt bij haakwerk
Häkelnadel
adjective
1. onder een rechte hoek
rechtwinkelig
adjective
1. mogelijk om bereikt of verwezenlijkt te worden
machbar
realisierbar
/
ˈɦal.mɛs/, /
ˈɦaɫ.mɛs/
noun
1. een groot mes om bomen mee te schillen
Ziehmesser
Zugmesser
Reifmesser
Zieheisen
/
ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
Hahn
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
Haar
personalPronoun
- 2. datief van zij, derde persoon enkelvoud
ihr
- 1. accusatief van zij, derde persoon enkelvoud
sie
possessivePronoun
1. bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
ihr
ihre
noun
1. plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
Herd
noun
1. een heel klein scheurtje dat vaak onzichtbaar is maar de sterkte van een constructie wel aantast
Haarriss
noun
1. een doorgaans dunne speld waarmee het haar kan worden opgestoken.
Haarnadel
/
ˈharspɛldˌboχt/
noun
1. een zeer scherpe bocht in de weg, gelijkend op een haarspeld, die gebruikt wordt om op een beperkte ruimte sterke hoogteverschillen te overbruggen
Haarnadelkehre
Haarnadelkurve
Spitzkehre
noun
Haargefaß
Kapillargefaß
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
Hase
/
hast/
adverb
1. bijna
fast
nahezu
beinahe
/
hast/
noun
1. de drang hebben om iets snel te doen
Eile
Hast
/
'ɦastən/
verb
1. trachten om dat wat men te doen heeft snel af te maken
sich beeilen
/
ˈhastəxəˌsput ɪˈzeldə(n)ˌɣut/
interjection
1. iets overhaast doen levert vaak fouten op
Eile mit Weile
Eilen tut selten gut
Eileviel kommt zu spät ans Ziel
/
ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
Hass
pronoun
2. boek in de Bijbel
Habakuk
/
ˈhabiˌtɑt/
noun
1. het natuurlijke leefgebied van een organisme
Habitat
adjective
1. uit gewoonte
habituell
verb
1. inbreken in een informatiesysteem
hacken
noun
1. iemand die zich onbevoegd toegang verschaft tot een computersysteem
Hacker
noun
Botten
Haff
Lagune
Liman
Noor
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
Hafnium
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
Eidechse
Echse
/
haɣəɫ/
noun
- 1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
Hagel
Schrot
- 2. verzameling van stukjes metaal -vaak lood- waarmee geschoten wordt in plaats van een kogel
Schrotkugel
noun
1. een bui met hagel
Hagelschauer
verb
1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
hageln
noun
1. een vuurwapen om voornamelijk hagelpatronen mee af te schieten
Schrotflinte
noun
- 2. het met kracht neervallen van de hagel
- 3. hagelschade
Hagelschlag
- 1. een soort broodbeleg, bestaande uit strooisel van chocolade of gekleurde suiker
Hagelzucker
Schokoladenstreusel
/
ˈhaɣəlˌsten/
noun
1. een klontje ijs dat als neerslag uit de lucht komt
Hagelkorn
noun
1. zware hagelbui met heel harde wind
Hagelsturm
noun
1. een bui waarin veel hagel valt en waarin het tijdelijk ook hard waait
Hagelschauer
pronoun
2. boek in de Bijbel
Haggai
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Haigerloch
noun
- 1. hiel van de voet
Ferse
Absatz
- 3. werktuig om de grond mee open te hakken
Hacke
/
ˈhaː.kə(n)ˌkrœys/
noun
Hakenkreuz
verb
2. moeilijk en onzeker spreken met herhaling van klanken
stottern
/
ɦɑl/
noun
- 1. ruimte achter de voordeur
Diele
Flur
Korridor
Eingangshalle
- 2. een entreeruimte in een gebouw of huis, een ontvangstruimte
Eingangshalle
Empfangshalle
Foyer
Lounge
- 3. een grote overdekte ruimte gericht op het uitvoeren van activiteiten
Halle
- 1. hardheid van de grond tengevolge van de vorst, plek bevroren grond, hardbevroren aardkorst
Frostboden
/
ˈɦalə(n)/
verb
1. ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
holen
bekommen
erreichen
adjective
1. gedeeltelijk automatisch
halbautomatisch
noun
1. een halfgeleider met een negatieve indirecte bandgap
Halbmetall
adjective
2. waaruit de helft van de vetten verwijderd is
teilentrahmt
noun
1. de tijd waarin een exponentieel vervalled proces tot de helft van zijn oorspronkelijke waarde vermindert
Halbwertszeit
pronoun
2.
Halle
Halle an der Saale
/
ˈɦɑ.ləˌkɛrk/
noun
1. een kerk met meerdere beuken
Hallenkirche
interjection
1. groet
hallo
verb
1. zinsbegoochelingen hebben
halluzinieren
noun
1. gras- of graanstengel
Stroh
noun
1. stralenkrans die het hoofd van een heilige in afbeeldingen omgeeft
Heiligenschein
noun
1. een om de hals en nek gesnoerde band
Halsband
noun
1. slagader in de hals
Halsschlagader
noun
1. halsketting
Halskette
/
ɦɑlt/
interjection
1. aansporing om te stoppen
Halt
/
ˈhɑɫtə/
noun
- 2. een plaats waar een bus stopt
Bushaltestelle
- 1. een plaats waar gestopt wordt
Haltestelle
noun
1.schijngestalte van de maan
Halbmond
erste Viertel
/
ɦɑm/
noun
- 2. dikke dij van een mens
Oberschenkel
- 1. vlees van de achterkant van een varken
Schinken
/
ˈham.bʏr.ɣər/, /
ˈhɑm.bʏr.ɣər/, /
ˈhɑm.bʏr.χər/
noun
1. schijf gebraden gehakt
Hamburger
noun
1. gecastreerde ram
Hammel
Schöps
noun
- 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
- 2. een van de gehoorsbeentjes in het oor
Hammer
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
Hamster
verb
1. een voorraad aanleggen bij voedselschaarste
hamstern
/
ɦɑnt/
noun
- 1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
Hand
- uit de hand lopen
außer Kontrolle geraten
- iets van de hand doen
verkaufen
/
ˈɦɑnt.ɑl.faˌbɛt/, /
ˈɦɑnt.ɑɫ.faˌbɛt/
noun
1. een verzameling gebaren waarmee alle letters van een alfabet worden uitgebeeld
Fingeralphabet
/
ˈɦɑnt.ɑr.bɛɪ̯t/, /
ˈɦɑnt.ɑr.bɛːt/
noun
Handarbeit
/
ˈɦɑnt.ɑr.bɛɪ̯.dər/, /
ˈɦɑnt.ɑr.bɛː.dər/
noun
Handarbeiter
/
ˈɦɑnt.buj/
noun
1. een paar aan elkaar verbonden afsluitbare ringen
Handschellen
/
ˈɦɑnt.buk/
noun
1. een boek waarin getracht wordt alle informatie nuttig voor een bepaalde bezigheid bijeen te brengen
Handbuch
noun
- 1. een doek waarmee men zich afdroogt
Handtuch
- de handdoek in de ring werpen (gooien)
aufgeben
/
ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
Handel
verb
- 1. iets doen, al of niet met de handen, optreden
- 2. handel drijven
handeln
noun
1. datgene dat gedaan is
Akt
Handlung
Tat
noun
1. commerciële organisatie die zich met de -gewoonlijk koloniale- handel bezighield.
Handelsgesellschaft
noun
1. verhandelbaar waardepapier aan toonder of aan order
Handelswechsel
Warenwechsel
noun
2. deel van het privaatrecht m.b.t. handelszaken
Handelsrecht
noun
- 1. een taal die in het internationale handelsverkeer wordt gebruikt als lingua franca
Handelssprache
- 2. de in de handelswereld gebruikelijke vakterminologie
Kaufmannssprache
/
'ɦɑn.dəl.ʋɛɪ.zə/
noun
- 1. de wijze van handelen, manier van doen
Ansatz
Herangehensweise
Vorgangsweise
Vorgehensweise
- 2. gedrag
Vorgangsweise
Vorgehensweise
/
ˈɦɑn.dən.ɑr.bɛɪ̯t/, /
ˈɦɑn.dən.ɑr.bɛːt/
noun
Handarbeit
/
ˈhɑntɣəmen/
noun
Handgemenge
verb
3. zich een positie in een groep verzekeren
sich behaupten
/
ˈɦɑndɪɣ/, /
ˈɦɑndɪχ/
adjective
1. goed met de handen om kunnen gaan
geschickt
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord hand
Händchen
noun
1. gewicht aan een touw
Lot
noun
1. binnenzijde van de hand
Handfläche
noun
1. gewicht aan een touw
Lot
noun
1. met de hand bediende rem
Handbremse
/
hɑnd.sxun/, /
ɦɑnt.sxun/, /
ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
Handschuh
/
hɑnˈtɑstələk/
adjective
fummelnd
/
ˈhanə(n)kɑm/
noun
- 2.
Hahnenkamm
- 1. Cantharellus cibarius, een eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak
Pfifferling
/
ɦɑŋ/
noun
1. de neiging tot iets
Hang
Neigung
noun
- 2. hangend sierraad
Anhänger
- 1. voorwerp waaraan men iets kan hangen
Kleiderbügel
/
ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
Hängematte
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
Vorhängeschloss
pronoun
1. stad in Duitsland
Hannover
noun
- 1. toneelfiguur, het meest overeenkomende Harlekijn
Hans Wurst
Hanswurst
- 3. belachelijk persoon
Hanswurst
- 2. grappenmaker
Hanswurst
Kasper
noun
1. stad die deel uitmaakt van de Hanze
Hansestadt
noun
2. (voeding) (kookkunst) klein gerechtje
Happen
Imbiss
Zwischenmahlzeit
noun
1. een goede afloop
Happy End
/
ɦɑrt/
adverb
1. stevig, een uitwendige kracht onverzettelijk weerstaand
hart
phraseologicalUnit
1. (informatica) Vooralsnog het meest gebruikte externe geheugen in een computer
Festplatte
noun
1. en 2 grof gemalen meel van harde tarwe (Triticum durum)
Hartweizengrieß
verb
- 2. psychisch tegen moeilijkheden bestand maken
abhärten
- 1. hard maken, met name van staal door verhitten, afschrikken en hameren
härten
adjective
1. niet bereid om ergens lering uit te trekken
unbelehrbar
noun
1. een vrouwelijke beoefenaar van de hardloopsport
Läuferin
/
ˈhɑrdlopˌwɛdstrɛɪ̯d/, /
ˈhɑrtlopˌʋɛtstrɛɪ̯t/, /
ˈhɑrtlopˌβ̞ɛtstrɛːt/
noun
1. een wedstrijd waarbij de deelnemers op een vooraf bepaald parcours hardlopen
Wettlauf
noun
1. een mannelijke beoefenaar van de hardloopsport
Läufer
phraseologicalUnit
1. de woorden tijdens het lezen uitspreken
laut lesen
noun
- 2. (verkeer) iemand die te snel rijdt met een auto of motorfiets
Raser
- 1. (sport) iemand die heel snel kan schaatsen of fietsen
Rennfahrer
verb
1. met bij temperaturen boven 450°C gesmolten metaal voorwerpen van metalen...
hartlöten
adjective
1. zonder medelijden
herzlos
hartherzig
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
Hardware
noun
- 1. het voor vrouwen bestemde deel van een woning van een mohammedaan
- 2. groep vrouwen die een relatie hebben met één man
Harem
/
ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
Hering
noun
1. bepaalde middelgrote haai en consumptievis, Lamna nasus
Heringshai
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
Harke
Rechen
verb
1. standaardiseren
harmonisieren
noun
1. (muziekinstrument) een toetsinstrument dat gerekend wordt tot de aerofonen
Harmonium
noun
1. een wapenuitrusting gemaakt van metalen platen die het lichaam volledig of grotendeels bedekt
Harnisch
/
ˈɦɑrnɑsˌmɑnəcjə/
noun
1. bepaald soort baarsachtige vis, Agonus catapractus
Steinpicker
/
hɑrˈpun/, /
ɦɑrˈpun/
noun
- 2. een speer met weerhaken
- 1. een grote pijl met weerhaken aan een touw
Harpune
verb
1. het vangen van vissen door middel van een harpoen
harpunieren
/
ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
Harz
noun
1. een draadvormige soldeer met een kern van hars
Lötzinn mit Flußmittelseele
noun
1. soldeertin in draadvorm met een kern van hars
Lötzinn mit Flußmittelseele
noun
1. het afsterven van hartspierweefsel door afsluiting van een kransslagader of een tak hiervan
Herzinfarkt
Myokardinfarkt
adverb
- 2. van uitingen) eerlijk, oprecht
aufrecht
ehrlich
herzlich
- 1. (van personen) aardig, gastvrij en spontaan
herzlich
noun
1. verstopping van een kransslagader of een tak hiervan, leidend tot het afsterven van hartspierweefsel
Herzinfarkt
Myokardinfarkt
Herzanfall
noun
Einlassventil
- 1. hartweefsel in de vorm van een vlies dat samengetrokken door een spiertje terugstromen van het verder gepompte bloed tegengaat
Herzklappe
/
ˈhɑrtstɪlstand/, /
ˈhɑrtstɪlstɑnt/, /
ˈhɑrtstɪɫstɑnt/
noun
1. het stoppen van het kloppen van een hart
Herzstillstand
/
hɑrtsˈtɔxtələk/
adjective
- 2. (van uitingen) met groot verlangen of grote liefde
begeistert
heftig
sehnsüchtig
temperamentvoll
vehement
- 1. (van personen) met hartstocht vervuld, door hartstocht beheerscht
leidenschaftlich
/
hɑrtsˈtɔxtələk/
adverb
1. op eene wijze die van hartstocht blijk geeft
heftig
leidenschaftlich
stark
adjective
1. sterke emoties van schok en ontzetting oproepend
herzzerreißend
adjective
1. vorm van een hart hebbend
herzförmig
noun
1. een taai ondoorzichtig vliesachtig zakje in de thorax, waarin het hart zich bevindt
Herzbeutel
noun
1. softdrug, bereid uit ingedikt sap van gedroogde en fijngestampte vrouwelijke hennepbloemen
Haschisch
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
Hassium
/
'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
hassen
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
- 2. een plaats in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Hattingen
noun
1. iemand die behoort tot het gelijknamige volk
Hausa
pronoun
1. taal die wordt gesproken door meer dan 85 miljoen mensen, vooral in Niger en Nigeria
Hausa
/
ˌotkuˈtyr/
noun
Haute Couture
noun
1. een droge doosvrucht, die minstens driemaal zo lang als breed is, zoals bij koolzaad en pinksterbloem.
Schote
/
ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
Hafen
/
ˈɦaːvən.ˌɑrbɛidər /
noun
1. arbeider die in een haven werkt
Hafenarbeiter
noun
1. een golfbreker bij een haven
Hafenmole
Wellenbrecher
noun
1. havenarbeider, dokwerker, bootwerker
Hafenarbeiter
noun
1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
Hafer
Haber
/
ˈhavərˌmɪːɫ/
noun
zeer fijn gemalen haver
Hafermehl
noun
plantaardige melk op basis van hele haverkorrels
Hafermilch
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
Haferfaser
noun
havervlokken
Haferflocken
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
Haferkleie
/
ˈɦavɪk/
noun
- 1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
Habicht
- 2. iemand die graag oorlog wil voeren
Habicht
Falke
noun
1. een heester waaraan hazelnoten groeien
Hasel
Haselnußstrauch
/
ˈɦa.zəlˌmœːs/, /
ˈɦa.zəɫˌmœʏ̯s/
noun
1. knaagdier in de familie van slaapmuizen, Muscardinus avellanarius
Haselmaus
/
ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
Haselnuss
/
ˈhaː.zə(n)ˌlɪp/
noun
Hasenscharte
noun
1. snelle hond wordt ingezet voor wedrennen of jacht op hazen
Windhund
/
ha.ˈhi.ti/, /
ɦa.ˈi.ti/, /
ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Haiti
noun
1. geheel van therapeutische en paranormale handelingen die men onder behandeling van een alternatief therapeut ondergaat of als zelftherapie uitvoert
Heilarbeit
/
ˈɦɛbə(n)/
verb
- 1. bezitten
haben
- 4. het mis hebben
irren
- 1. voor voltooide tijd
haben
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
Hebräisch
hebräisch
pronoun
Hebräer
Hebräerbrief
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Hechingen
noun
1. heckelfoon
Heckelphon
adjective
1. zeer druk en chaotisch
hektisch
noun
1. 100 liter
Hektoliter
noun
1. hectopascal (100 Pa)
Hektopascal
/
ˈɦeː.də/
noun
1. werk, afval van vlas of hennep
Hede
Werg
suffix
1. een achtervoegsel van hoedanigheid dat van een bijvoeglijk een zelfstandig naamwoord in het meervoud maakt
heiten
adverb
- 1. in de tegenwoordige tijd, in deze tijd
derzeit
heutzutage
- heden ten dage
gegenwärtig
- 2. op deze dag
heute
/
ˌɦe:dənˈda:xs/
adjective
1. gangbaar in de huidige tijd
gegenwärtig
heute
heutzutage
noun
1. leer dat genot het hoogste goed is
Hedonismus
/
heːl/
adjective
1. niet stuk
ganz
/
heːl/
adverb
1. in hoge mate
ganz
sehr
/
he.ˈlal/, /
ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
Weltall
Universum
noun
1. de tak van de geneeskunde die met operatie probeert te genezen
Chirurgie
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
Herr
adjective
1.
lecker
köstlich
noun
1.
Herrschaft
Herrlichkeit
/
hersxɑˈpɛi/
noun
1. geheel der dingen waarover iemands macht zich uitstrekt, waarover hij heerst (bewind uitoefent) en het daarbij horende gezag geniet
Herrschaft
/
hersə(n)/
verb
- 1. de macht uitoefenen
- 1. als epidemie aanwezig zijn in de bevolking
herrschen
noun
1. iemand die de macht uitoefent
Herrscher
/
ˈhes.tərˌslɑk/
noun
1. algemeen in Europa voorkomende landslakkensoort
Baumschnecke
Baumschnirkelschnecke
Gefleckte Schnirkelschnecke
/
ˈhetoft/, /
ˈheːthof/
noun
[1] een persoon die snel boos wordt
Hitzkopf
noun
1. oude eenheid van lichtsterkte
Hefnerkerze
noun
1. een luchtvaartuig dat door middel van een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
Helikopter
Hubschrauber
noun
1. het handvat van een mes
Griff
Heft
/
ɦɛftəx/
adjective
1. extreem in mate
heftig
/
ɦɛftəx/
adverb
1. in extreme mate
heftig
/
ˈhɛfwil/
noun
2 combinatie van roller en hefboom, gebruikt om zware voorwerpen te verplaatsen
Heberolle
noun
1. een (meestal lijnvormige) aanplanting van struiken en/of bomen die dient om ruimten te scheiden
Hecke
noun
1. een zangvogel ter grootte van een huismus met opvallend grijs op de kop
Heckenbraunelle
noun
1. een stuk tuingereedschap dat gebruikt wordt om heggen te snoeien
Heckenschere
/
ˈhɛɪ̯də/, /
ˈhɛːdə/
noun
1. een met heidekruid begroeide vlakte
Heide
noun
1. landschap gekenmerkt door veel heidevelden
Heidelandschaft
noun
1. mensen die geen jood of christen zijn
Heide
noun
1. een verzamelnaam voor de polytheïstische religies waarmee het zich verspreidende christendom in aanraking kwam
Heidentum
adjective
1. van de heidenen
heidnisch
adjective
Erikaviolett
erikaviolett
/
ɦɛjl/
noun
- 1. voordeel
Segen
- 2. voordeel
Vorteil
noun
1. bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis, Hippoglossus hippoglossus
Heilbutt
/
ɦɛj.ləɣ/
adjective
1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
heilig
noun
1. plaats of gebouw gewijd aan een god of godin
Heiligtum
noun
1.
Heilige Geist
Heiliger Geist
phraseologicalUnit
Heiliger Graal
noun
1. de pauselijke regering
Heiliger Stuhl
noun
vergrijp aan iets heiligs
Sakrileg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Heilsbronn
/
ˈɦɛɪmələk/, /
ˈɦɛːmələk/
adjective
1. geheim, opzettelijk verborgen
heimlich
/
'hɛɪmʋe/
noun
1. sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
Heimweh
noun
- 2. sterke afkeer
Abneigung
Ekel
- 1. werktuig gebruikt bij het verwerken van hennep of vlas
Hechel
noun
1. gedicht waarin ondeugden of misstanden aan de kaak worden gesteld
Spottgedicht
Spottschrift
verb
- 1. bekritiseren, openlijk beschuldigen of veroordelen
brandmarken
scharf kritisieren
verurteilen
- 2. vlasvezels van de laatste aanhangsels ontdoen
hecheln
/
ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
Hexe
noun
- 1. magische bezem waarop heksen worden verondersteld te kunnen vliegen
- 2. door een zwam veroorzaakte woekering in de takken van gezonde bomen
Hexenbesen
/
ˈhɛksə(n)ˌjɑxt/
noun
1. het jagen op vermeende heksen
Hexenjagd
noun
1. stag die loopt van de achterkant van de boot naar de top van de mast
Achterstag
noun
1. het geheel van staven etc. waardoor een hek wordt gevormd, rastering of balustrade
Geländer
Gitter
/
'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
Hölle
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
leider
adjective
1. duidelijk en zuiver
klar
sauber
/
'ɦelə(n)/
verb
- 2. gestolen goed in ontvangst nemen
hehlen
- 1. gezond worden
heilen
/
ˈhelər/
noun
- 1. iemand die bereid is om gestolen goederen op te kopen
Hehler
- 2. iemand die de gezondheid van anderen herstelt of althans behandelt
Heiler
pronoun
1. mythologische hond
Höllenhund
Kerberos
Zerberus
/
ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
Hubschrauber
Helikopter
noun
1. overbezorgde vader of moeder die te veel wil nagaan en regelen wat een kind doet
Helicoptervater
/
ˈhe.lɪŋ/
noun
- 2. het verkopen van gestolen goederen zonder dat de verkoper ze zelf gestolen heeft
Hehlerei
- 1. het gezond worden of maken van iemand
Heilung
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
Helium
noun
1. lang middeleeuws wapen
Hellebarde
noun
1. een glooiing in het landschap
Hang
Abhang
/
ɦɛlm/
noun
- 1. beschermend hoofddeksel
Helm
- 2. helmgras
Strandhafer
Sandhafer
/
ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
helfen
/
ɦɛm/
personalPronoun
- 2.
ihm
- 1.
ihn
noun
1. kledingstuk voor het bovenlijf
Hemd
/
ˈɦeːməl/
noun
- 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
- 2. het hiernamaals, leven na de dood
Himmel
noun
1. lijkbezorging waarbij het lichaam van een dode een plaats boven de grond krijgt waar het door dieren wordt opgegeten
Himmelsbestattung
adjective
Himmelblau
himmelblau
adjective
2. in rechte lijn gemeten
Luftlinie
pronoun
1. de herdenking dat Jezus Christus na zijn verrijzenis opgevaren is naar God Zijn Vader in de hemel
Himmelfahrt
noun
1. christelijke feestdag waarin gevierd wordt dat Jezus na de opstanding naar de Hemel ging
Christi Himmelfahrt
Himmelfahrtstag
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam teveel ijzer uit het voedsel opneemt
Hämochromatose
noun
1. bloederziekte
Bluterkrankheit
Hämophilie
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
Hämorrhoiden
/
ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
Henne
/
ˈhɛndrɪk/
pronoun
- 1. mannelijke voornaam
- 2. spelwoord voor de letter h
Heinrich
pronoun
1. Belgische provincie
Hennegau
noun
1. visserswerktuig
Angelrute
/
ɦɛŋst/
noun
- 1. mannelijk paard
Hengst
- 3. harde klap
Hieb
noun
1. C31H64
Hentriacontan
adjective
1. met betrekking tot de lever
hepatisch
noun
1. leverontsteking
Hepatitis
noun
1. gelijktijdige vergroting van de lever en de milt
Hepatosplenomegalie
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Heppenheim
noun
1. ruimtelijke figuur met zeven vlakken
Heptaeder
/
herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
Heraldik
noun
1. verzameling van, album met gedroogde planten
Herbarium
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
Gasthaus
Gasthof
Wirtshaus
verb
- 2. tot verblijf dienen
beherbergen
- 3. bevatten
enthalten
- 1. huisvesten
unterbringen
einquartieren
noun
1. dier dat zich met plantaardig voedsel voedt
Pflanzenfresser
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Herbolzheim
verb
1. plechtig aandacht schenken aan een gebeurtenis uit het verleden
gedenken
/
hɛrˈdɛŋkɪŋsˌdinst/
noun
1. een (kerk)dienst ter herdenking
Gedächtnisgottesdienst
/
'ɦɛrdər/
noun
1. begeleider en bewaker van een kudde
Pastor
Pfarrer
Priester
noun
1. hond die een kudde bewaakt
Schäferhund
/
ˈhɛr.dərsˌyr/
noun
1.
Schäferstunde
/
ˈhɛr.dərsˌyr.tjə/
noun
1.
Schäferstunde
noun
1. een geestelijke die in afzondering leeft
Eremit
noun
1. Geronticus eremita
Waldrapp
noun
1. een kreeftachtige (Eupagurus bernhardus) uit de orde van tienpotigen, die in de schelp van een zeeslak woont
Einsiedlerkrebs
verb
1. opnieuw tot een eenheid maken
wiedervereinigen
noun
1. een toilet of wc-ruimte voor mannen
Herrentoilette
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
- 2. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Herford
noun
1. derde jaargetijde
Herbst
noun
1. herfstdag
Herbsttag
/
ˈhɛrfstmant/
noun
1. herfstmaand
Herbstmonat
noun
1. herfstnacht
Herbstnacht
noun
1. evenaarpassage van de zon richting zuid
Herbstpunkt
noun
1. bepaald soort plant, Colchicum autumnale
Herbst-Zeitlose
adjective
- bijvoeglijk naamwoord
- bijwoord: herhaaldelijke keren
wiederholt
verb
1. iets opnieuw zeggen
wiederholen
noun
1. het nogmaals plaatsvinden
Wiederholung
noun
1. lastige en hinderlijke veldmosterd die meestal op en rond akkers groeit
Acker-Senf
wilder Senf
/
ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
- 1. opnieuw in gedachte brengen
erinnern
- 2. uit het geheugen opdiepen
sich erinnern
noun
1.een extra mogelijkheid om een succes te behalen nadat dit eerder mislukt is
Neustart
noun
1. een herbivoor die zijn voedsel herkauwt
Wiederkäuer
noun
1. een muziekje dat kenmerkend is voor een bepaald tv- of radioprogramma
Erkennungsmelodie
/
hɛrˈlevə(n)/
verb
1. opnieuw tot leven komen, opnieuw opbloeien
aufleben
verb
1. opnieuw lezen
wiederlesen
/
ˈɦɛr.mɑn/
pronoun
1. een jongensnaam
Hermann
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
Hermelin
adjective
1. luchtdicht
hermetisch
/
ɦɛr'nemə(n)/
verb
- 3. opnieuw de draad van het gesprek opnemen
fortfahren
wiederaufnehmen
- 2. opnieuw opvoeren
wiederaufführen
wiederholen
- 1. opnieuw krijgen, opnieuw verkrijgen
wiedererlangen
zurückbekommen
- 4. opnieuw innemen
zurückerobern
- 5. nemen wat men eerst heeft gegeven
zurücknehmen
noun
1. uitstulping van een orgaan of weefsel uit de lichaamsholte waar het normaliter in ligt
Hernie
/
hɛrˈniwə(n)/
verb
- 1. door nieuwe kracht weer nieuw maken, nieuw leven inblazen
erneuern
neugestalten
- 3. opnieuw doen, vernieuwen, weer nieuw maken
erneuern
nochmals tun
wiederholen
- 2. renoveren
erneuern
renovieren
restaurieren
wiederherstellen
verb
1. een eerder verloren positie opnieuw veroveren
wiedererobern
zurückrobern
noun
een verdovend middel
Heroin
noun
1. veel en onaangenaam geluid
Lärm
verb
1. opnieuw oprijzen, opnieuw gaan leven of functioneren
auferstehen
verb
1. zeggen dat iets, dat je eerder gezegd hebt, niet klopt
widerrufen
zurücknehmen
noun
1. de buitenste laag van de grote hersenen
Hirnrinde
noun
1. schade aan de hersenen door uitwendig geweld
Gehirnerschütterung
noun
indoctrinatietechniek
Gehirnwäche
Gehirnwäsche
noun
1. een terugkeer naar een vorige toestand
Wiederherstellung
verb
- 1. terug werkend krijgen, repareren
reparieren
- 3. weer invoeren
wiederherstellen
noun
1. muzieksymbool
Auflösungszeichen
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
Hirsch
noun
1. een jong hert
Haschli
Hirschkalb
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
Herzog
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
Hertz
verb
1. een activiteit opnieuw beginnen na deze eerder gestaakt te hebben
wiederaufnehmen
/
ɦɛrˈvɔr.mər/
noun
1. een persoon die hervormingen nastreeft
Reformer
Reformator
noun
3. beweging tot herstel der oorspronkelijke zuiverheid in de leer...
Reformation
adjective
1. opnieuw vol te maken
nachfüllbar
/
hɛr.ˈzin/, /
ɦɛr.ˈzin/
verb
1. opnieuw naar iets kijken om veranderingen aan te brengen
überarbeiten
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Herzogenaurach
/
(ɦ)ət/, /
hɛt/
article
1. bepaald lidwoord
der
das
die
/
(ɦ)ət/, /
hɛt/
indefinitePronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
es
phraseologicalUnit
1. het kan me niets schelen
es ist mir egal
es ist mir scheißegal
ich scheiße drauf
verb
das Kind mit dem Bade ausschütten
verb
1. een aanpak kiezen die niet helpt om het doel te bereiken
die Ochsen hinter den Pflug spannen
das Pferd beim Schwanz aufzäumen
die Pferde hinter den Wagen spannen
/
hət ˈre.γənt ˈpɛipə.ˌste.lə(n)/
phraseologicalUnit
Es regnet in Strömen.
noun
1. luchtvoertuig dat zijn draagvermogen ontleent aan lucht die wordt opgewarmd door een brander en vastgehouden in een grote zak van licht materiaal
Heißluftballon
/
'he.tə(n)/, /
'ɦe.tə(n)/
verb
1. de naam dragen
heißen
adjective
1. aan de zijkant (buitenkant)
heterolateral
adjective
1.
heteronormativ
adjective
1. gericht op het andere geslacht of betrekking hebbend op liefde voor mensen met een ander geslacht
heterosexuell
/
ˈhetroziˌgot/
adjective
1. in het bezit zijnde van twee allelen van een gen bij een (diploïd) organisme
heterozygot
mischerbig
relativePronoun
1. wat
was
das, was
dasjenige, was
pronoun
1. een dode taal die in het huidige Turkije werd gesproken
Hethitisch
demonstrativePronoun
- 1. de gelijke identiteit bezittend; onzijdig enkelvoud, zowel zelfstandig als bijvoeglijk gebruikt
dasselbe
- voor hetzelfde geld
genauso gut
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
Hüfte
/
ɦøs/
adjective
1. hoffelijk, beleefd
höflich
/
ɦøs/
adverb
1. werkelijk, echt
wirklich
/
ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
Hügel
/
'ɦøvəlɑxtəx/
adjective
1. met aanzienlijke hellingen en hoogteverschillen
hügelig
/
'ɦevəl/
noun
2. een geheel met vloeistof gevulde pijp of slang waarvan het ene einde lager gehouden wordt dan de andere, waardoor vloeistof van de laatste mond naar de eerste stroomt
Heber
/
'ɦevəx/
adjective
1. sterk in mate
hevig
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
Ferse
noun
1. iemand die overdreven kruiperig en onderdanig jegens iemand anders is
Speichellecker
/
ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
hier
/
ˈhirɑxtər/
adverbialPronoun
1. vervangt achter dit, achter deze
hierhinten
hierhinter
hinten
adverbialPronoun
1. in deze richting
hierher
adverbialPronoun
1. met dit, met deze
hiermit
noun
1. leven na de dood
Jenseits
adverbialPronoun
- 1. betreffend dit, hierover
diesbezüglich
- 2. in deze buurt, in deze contreien
in der Gegend
/
hɛɪ̯/, /
ɦɛɪ̯/, /
ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
er
verb
1. zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
keuchen
hecheln
noun
- 2. hijswerktuig
Hebezeug
- 1. het hijsen
Hochziehen
- 3. de hoeveelheid die men in één keer op kan hijsen
Hub
- 4. klap
Knall
verb
1. iets met een touw of kabel in opwaartse richting trekken, al dan niet middels een katrol
hissen
noun
1. een constructie om zware lasten op te tillen
Kran
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
Schluckauf
/
ˈɦɪkə(n)/
verb
1
schlucksen
noun
1. vrolijkheid of gelach
Heiterkeit
noun
Hilbertraum
Hilbertscher Raum
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Hilchenbach
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Hildburghausen
pronoun
1. + 2. stad en district
Hildesheim
/
ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
Hinde
Hirschkuh
/
'ɦɪndərə(n)/
verb
behindern
noun
1. iets dat de voortgang verstoort
Hemmnis
Hindernis
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
Hindi
noun
2. kinderspel, waarbij men zich deels op één been verplaatst
Himmel und Hölle
Hüpfspiel
Paradiesspiel
Tempelhüpfen
hickelkasten
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
wiehern
verb
1. zich met kleine sprongetjes voortbewegen
hüpfen
noun
1. ovale paardenrenbaan
Hippodrom
noun
Hippopotomonstrosesquippedaliophobie
/
hirimotu/
pronoun
1. een van de drie officiële talen van Papoea-Nieuw-Guinea
Hiri Motu
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Spaans of gevormd naar Spaans voorbeeld
Hispanismus
noun
- 2. geschiedenis van een volk, een land enz
- 1. verhaal
Geschichte
adjective
historisch
geschichtlich
noun
1. menselijk immuundeficiëntievirus
HIV
noun
1. rangorde
Hierarchie
/
ɦɔbəl/
noun
1. een kleine verhoging in de weg
Hubbel
/
ɦɔbələç/, /
ˈɦɔbələx/
adjective
1. met hobbels, oneffen
uneben
holprig
/
hɔbi/
noun
1. een liefhebberij of bezigheid ter ontspanning voor in de vrije tijd
Hobby
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
Oboe
noun
1. iemand die hobo speelt
Oboist
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Hockenheim
noun
1. balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
Hockey
pronoun
1. stad in Israël
Hod haScharon
/
ɦu/
adverb
1. op welke wijze
wie
phraseologicalUnit
Wie heißt du?
phraseologicalUnit
Wie heißen Sie?
Wie ist Ihr Name?
/
hud/, /
ɦut/
noun
- 1. een hoofddeksel
Hut
- 2. deel van een zwam
Schirm
Hut
noun
- een functie die men vervult
Eigenschaft
- een gesteldheid
Zustand
/
ˈhu.də(n)/, /
ˈɦu.də(n)/
verb
1. een kudde dieren verzorgen en in de gaten houden
hüten
noun
1. kunststof mascotte om voor de achterruit van een auto te plaatsen
Wackeldackel
/
ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
Huf
noun
1. hoefdragend zoogdier
Huftier
noun
1. nagel waarmee de hoefsmid de hoefijzers aan de hoeven vastnagelt
Hufnagel
/
ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
Ecke
Winkel
noun
1. een huis dat zich op de hoek van de straat bevindt
Eckhaus
noun
1. stellage met een vorm die goed in de hoek van een kamer past, bestemd voor het opbergen of tentoonstellen van voorwerpen
Eckregal
noun
1. met kussens beklede bank die een zitting heeft in twee delen haaks op elkaar, zodat hij goed in de hoek van een kamer kan staan
Ecksofa
/
ˈhuk.steːn/
noun
- 1. een steen die gebruikt wordt om de hoekpunten van bouwwerken te verstevigen
Eckstein
- 2.
Grundstein
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Galliformes
Hühnervogel
noun
4. Onderdeel van een rolstoel
Greifreifen
Greifring
/
ɦur/
noun
1. vrouw die tegen betaling seksuele diensten verricht
Hure
noun
1. pand waar mannen tegen betaling seks hebben met vrouwen
Hurenhaus
noun
1. bescherming die om een -meest vlak- voorwerp wordt aangebracht
Hülle
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
Husten
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
husten
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
wie viel
wieviel
/
huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
Menge
Quantität
indefiniteOrdinalNumeral
wievielte
conjunction
1. drukt een tegenstelling uit
obwohl
obgleich
/
huˈzo/
adverb
1. vraagt naar de logica achter een bepaalde bewering
wieso
/
ɦɔf/
noun
- 3. een stuk bebouwd land of tuin
Bauernhof
Hof
- 2. een instelling waar recht gesproken wordt
Gerichtshof
- 1. de uitgebreide huishouding van een vorstelijke, bijvoorbeeld koninklijke familie
Hof
Königshof
pronoun
Gerichtshof der Europäischen Union
pronoun
1. plateau
Hohes Venn
noun
polymerisatieproduct van etheen
Polyethylen hoher Dichte
noun
1. een gebied waar relatief een hogere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
Hochdruckgebiet
Hoch
noun
1. hoge cilindervormige hoed
Zylinder
noun
- instelling waar hoger onderwijs wordt gegeven in bepaalde vakken
Fachhochschule
- onderwijsinstelling voor hoger beroepsonderwijs
Hochschule
Universität
noun
1. een spoorweg geschikt voor hogesnelheidstreinen met snelheden van meer dan 200 km/h
Hochgeschwindigkeitsstrecke
abbreviation
1. een trein geschikt voor dienstsnelheden van 200km/h en hoger
Hochgeschwindigheitszug
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Vorarlberg
Hohenems
noun
1. een bepaald dierenverblijf
Schlag
Stall
Verschlag
noun
1. bepaald soort vis, Macruronus novaezelandiae
Blauer Seehecht
Hoki
noun
1. en 2. (vruchtvlees van) plant Cucurbita maxima var. hubbaridianna
Hokkaidokürbis
adjective
1. zonder inhoud, zonder betekenis, leeg
hohl
adverb
1. verdiept, concaaf
hohl
noun
- 2. ondergrondse woning of schuilplaats van een dier
Bau
Höhle
- 1. grot, spelonk
Höhle
Grotte
noun
1. een langs de lengteas gekromde houtbeitel
Hohlmeißel
/
ˈhɔɫbəˌʋonər/
noun
- 1. een dier dat in holen leeft
Höhlenbewohner
- 2. een mens die in holen leeft
Höhlenmensch
noun
1. Ursus spelaeus, een grote berensoort, kwam in Europa voor in het Pleistoceen
Hölenbär
noun
1. bepaald soort vogel, Columba oenas
Hohltaube
/
ˈɦɔlɑnt/
pronoun
- 1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
- 2. heel Nederland
Holland
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
Holmium
noun
1. een tweedelige holle klinknagel
Hohlniet
/
ˈholokaust/
pronoun
Holocaust
/
ˈholoˌkɔːstɔntˌkɛnɪŋ/
noun
Holocaustleugnung
noun
1. techniek waarmee een afbeelding in een plat vlak diepte of verschillende beelden lijkt weer te geven als je er onder uiteenlopende hoeken naar kijkt
Holographie
/
'ɦɔltə/
noun
1. een lege ruimte ingesloten is iets anders
Hohlraum
Höhle
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
- 2. een district in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Holzminden
noun
aanhanger of beoefenaar van de homeopathische geneeswijze
Homöopath
adjective
1.volgens de homeopathie
homöopathisch
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
Homöostase
Selbstregulation
/
ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
Hummel
noun
1. gelijkklinkend woord
Homophon
noun
1. op dezelfde manier gespeld woord
Homograph
noun
1. een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht
gleichgeschlechtliche Ehe
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
Homonym
adjective
1. betrekking hebbend op de liefde voor geslachtsgenoten
homosexuell
noun
1. man met seksuele voorkeur voor mannen of vrouw met seksuele voorkeur voor vrouwen
Homosexuelle
/
ˈhomoziˌgot/
adjective
1. in het bezit van slechts één allel van een gen
reinerbig
gleicherbig
/
ˈhɔnd/, /
ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
Hund
Hündin
noun
1. heel vervelend, vermoeiend en ondankbaar werk
Scheißjob
/
ˈhɔn.də.ˌʋer/
noun
Hundewetter
/
ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
hundert
einhundert
cardinalNumeral
1. het getal 108
einhundertacht
cardinalNumeral
1. het getal 138
einhundertachtunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 198
einhundertachtundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 188
einhundertachtundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 128
einhundertachtundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 148
einhundertachtundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 158
einhundertachtundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 168
einhundertachtundsechzig
/
ˌhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 178
einhundertachtundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 118
einhundertachtzehn
cardinalNumeral
1. het getal 113
einhundertdreizehn
cardinalNumeral
1. het getal 130
einhundertdreißig
cardinalNumeral
1. het getal 103
einhundertdrei
cardinalNumeral
1. het getal 133
einhundertdreiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 193
einhundertdreiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 183
einhundertdreiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 123
einhundertdreiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 143
einhundertdreiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 153
einhundertdreiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 163
einhundertdreiundsechzig
/
ˌhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 173
einhundertdreiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 100.000, een tiende deel van een miljoen
einhunderttausend
hunderttausend
cardinalNumeral
1. het getal 101
einhunderteins
cardinalNumeral
1. het getal 131
einhunderteinunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 191
einhunderteinundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 181
einhunderteinundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 121
einhunderteinundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 141
einhunderteinundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 151
einhunderteinundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 161
einhunderteinundsechzig
/
ˌhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 171
einhunderteinundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 111
einhundertelf
pronoun
1.
Hundertjähriger Krieg
cardinalNumeral
1. het getal 109
einhundertneun
cardinalNumeral
1. het getal 139
einhundertneununddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 199
einhundertneunundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 189
einhundertneunundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 129
einhundertneunundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 149
einhundertneunundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 159
einhundertneunundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 169
einhundertneunundsechzig
/
ˌhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 179
einhundertneunundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 119
einhundertneunzehn
cardinalNumeral
1. het getal 190
einhundertneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 180
einhundertachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 110
einhundertzehn
cardinalNumeral
1. het getal 112
einhundertzwölf
cardinalNumeral
1. het getal 102
einhundertzwei
cardinalNumeral
1. het getal 132
einhundertzweiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 192
einhundertzweiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 182
einhundertzweiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 122
einhundertzweiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 142
einhundertzweiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 152
einhundertzweiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 162
einhundertzweiundsechzig
/
ˌhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 172
einhundertzweiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 120
einhundertzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 114
einhundertvierzehn
cardinalNumeral
1. het getal 140
einhundertvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 104
einhundertvier
cardinalNumeral
1. het getal 134
einhundertvierunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 194
einhundertvierundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 184
einhundertvierundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 124
einhundertvierundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 144
einhundertvierundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 154
einhundertvierundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 164
einhundertvierundsechzig
/
ˌhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 174
einhundertvierundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 105
einhundertfünf
cardinalNumeral
1. het getal 135
einhundertfünfunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 195
einhundertfünfundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 185
einhundertfünfundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 125
einhundertfünfundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 145
einhundertfünfundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 155
einhundertfünfundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 165
einhundertfünfundsechzig
/
ˌhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 175
einhundertfünfundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 115
einhundertfünfzehn
cardinalNumeral
1. het getal 150
einhundertfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 106
einhundertsechs
cardinalNumeral
1. het getal 136
einhundertsechsunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 196
einhundertsechsundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 186
einhundertsechsundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 126
einhundertsechsundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 146
einhundertsechsundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 156
einhundertsechsundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 166
einhundertsechsundsechzig
/
ˌhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 176
einhundertsechsundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 116
einhundertsechzehn
cardinalNumeral
1. het getal 160
einhundertsechzig
/
ˌhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 107
einhundertsieben
/
ˌhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 137
einhundertsiebenunddreißig
/
ˌhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 197
einhundertsiebenundneunzig
/
ˌhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 187
einhundertsiebenundachtzig
/
ˌhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 127
einhundertsiebenundzwanzig
/
ˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 147
einhundertsiebenundvierzig
/
ˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 157
einhundertsiebenundfünfzig
/
ˌhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 167
einhundertsiebenundsechzig
/
ˌhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 177
einhundertsiebenundsiebzig
/
ˌhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 117
einhundertsiebzehn
/
ˌhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 170
einhundertsiebzig
noun
1. bepaalde kleine soort haai van ongeveer 1 m lengte, Scyliorhinus canicula
Katzenhai
/
hɔn.ˈdyː.rɑs/, /
ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
Honduras
adjective
1. inwoner van Honduras
honduranisch
/
hɔŋ(g).ˈɣar/, /
ɦɔŋ.ˈɣar/, /
ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
Ungar
/
hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /
ɦɔŋ.ˈɣars/, /
ɦɔŋ.ˈχars/
adjective
1. betreffende Hongarije of het Hongaars
ungarisch
Ungarisch
/
hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /
ɦɔŋ.ˈɣars/, /
ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
Ungarisch
/
hɔŋ(g).ˈɣar.sə/, /
ɦɔŋ.ˈɣar.sə/, /
ɦɔŋ.ˈχar.sə/
noun
Ungarin
/
ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /
ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /
ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
Ungarn
/
ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
Hunger
noun
1. het sterven dat veroorzaakt wordt door een gebrek aan voedsel
Hungertod
adjective
1. grote behoefte aan voedsel hebbend
hungrig
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
Hungersnot
Hunger
noun
1. het weigeren van voedsel uit protest
Hungerstreik
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
Honig
noun
1. een bij van de soort Apis mellifera die honing maakt uit nectar en bloemen bestuift
Honigbiene
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mellivora capensis
Honigdachs
adjective
Honiggelb
honiggelb
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. inodorus
Honigmelone
adjective
- 1. zeer zoet
honigsüß
- 3.
rührselig
schnulzig
- 2.
süßlich
honigsüß
/
ɦoːft/
noun
- 1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
Kopf
Haupt
- 2. het hoogste of het voorste deel
Kopfende
- 3. iemand die gezag heeft over anderen
Leiter
Leiterin
Leitung
- 5. golfbreker bij haveningang
Mole
- iets over het hoofd zien
übersehen
noun
1. een kledingstuk dat (een deel van) het hoofd bedekt
Kopfbedeckung
/
'ɦovduk/
noun
1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
Kopftuch
noun
1. erläuterung
Hauptgebäude
noun
1.
Hauptgericht
Hauptgang
noun
1. een scheikundig element uit de reeks hoofdgroepmetalen van het periodiek systeem
Metall
noun
1. haardos bovenop, opzij en aan de achterkant van een mensenhoofd
Kopfhaar
noun
1.voornaamste kantoor van een instelling
Hauptsitz
Zentrale
noun
1. een letter die een groter formaat en meestal ook een andere vorm heeft dan een kleine letter
Großbuchstabe
Majuskel
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
Laus
/
ˈɦoft.mɑn/
noun
1. iemand die de aanvoerder van een stam is
Hauptmann
noun
1. de voorste pagina van een website
Hauptseite
noun
1. pijn in het hoofd
Kopfschmerz
Kopfweh
/
'ɦof(t).plɑts/
noun
1. de belangrijkste plaats van een gebied
Hauptort
noun
1. iemand die eindverantwoordelijkheid draagt voor de inhoud van een krant of dergelijke publicatie
Chefredakteur
Herausgeber
Verleger
verb
1. een rekensom uit je hoofd maken
Kopfrechnen
/
'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
Hauptstadt
noun
1. het tuig dat een paard om het hoofd gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken
Zaum
Zaumzeug
noun
bepaalde opdeling van tekst of beeld in een boek
Kapitel
noun
1. een telwoord dat een hoeveelheid of aantal aanduidt
Grundzahl
adverb
1. in belangrijke mate, in overwegende mate
hauptsächlich
/
ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /
ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
hoch
pronoun
1. een groep Alemannische dialecten die gesproken worden in Zwitserland, Oostenrijk en het zuiden van de Elzas
Hochalemannisch
adjective
1. te emotionele of plechtige manier van spreken of schrijven; vol bombast
hochtrabend
noun
1. iemand met titel professor die aan een hogeschool of universiteit een leerstoel in een bepaald vak bekleedt en die het onderzoek en onderwijs in dit vak leidt
Hochschullehrer
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
Hoheslied
Hohelied
noun
1. overschatting van eigen kunnen
Hochmut
adjective
2. gebruikt als aanspreektitel voor leden van de Staten-Generaal tijdens de Republiek
hochmögend
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Polen (Opper-Silezië), Tsjechië en Duitsland
Oberschlesisch
Oberschlesische
noun
1. atletiekdiscipline waarbij het de bedoeling is over een tussen twee staanders bevestigde lat of touw te springen
Hochsprung
noun
2. opvallend goede prestatie
Glanzleistung
Glanzstück
adjective
höchstwahrscheinlich
noun
- 1. een verheffing van de aardkorst
- 2. niveau
Höhe
noun
1. instrument dat de hoogte boven het aardoppervlakte aangeeft
Höhenmesser
noun
- 1. bijzonder belangrijk of goed ogenblik
- 3. orgasme
Höhepunkt
/
ˈɦoxtəvres/, /
ˈɦoçtəvres/
noun
1. angst voor hoogten
Höhenangst
Akrophobie
noun
1. iemand die een hoog ambt bekleedt of anderszins een hoge positie in de maatschappij bezit
Würdenträger
noun
2. hoge waterstand in 't algemeen
Hochwasser
noun
1. midden in de zomer wanneer het het warmste is
Hochsommer
/
ˈɦojbɛrx/
noun
1. een ter bewaring opgestapelde hoeveelheid gedroogd gras
Heuhaufen
Heuschober
/
ˈhojɣraf/
noun
1. spade met lange, dwarse greep, om een vak uit een hooiberg te snijden
Heuspaten
noun
1. vorkvormig landbouwwerktuig waarmee bijvoorbeeld hooi wordt opgestoken
Heugabel
Gabel
/
ɦoːp/
noun
- 1. stapel
Haufen
Stapel
- 3. verwachting van iets wenselijks
Hoffnung
- 2. grote hoeveelheid
Menge
/
hoːrnar/, /
ho̝ːrnar/
noun
1. Vespa crabro, een soort grote wesp
Hornisse
/
ˈhornlax/, /
ˈho̝rnlaχ/
noun
1. de bovenste laag van de huid bestaande uit verhoornde cellen
Stratum corneum
noun
1. bepaald soort vogel, Upupa epops
Wiedehopf
adjective
1. waaraan hoop op succes ontbreekt
hoffnungslos
/
ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
hoffen
noun
1. de bedrijfstak die alle eet- en drinkgelegenheden en hotels omvat
Gaststättengewerbe
Horeca
noun
1. een onderneming die zich met hotel-, restaurant- of cafézaken bezighoudt
Gastronomiebetrieb
Gaststättenbetrieb
/
hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
hören
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
horizontal
noun
1. een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
Uhr
adjective
1. met betrekking tot hormonen
hormonal
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
Hormon
/
ˈɦɔrzəɫ/
noun
1. parasitaire vliegsoort
Dasselfliege
Biesfliege
/
ˈhɔs.pɛs/, /
ˈɦɔs.pɛs/
noun
1. een man die een of meer kamers in zijn eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal
Zimmerwirt
/
ˈhɔs.pi.ˌta/, /
ˈɦɔs.pi.ˌta/
noun
1. een vrouw die een of meer kamers in haar eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal
Zimmerwirtin
noun
1. ziekenhuis, vooral voor militairen
Hospital
noun
1. het vijandig zijn
Feindseligkeit
Feindlichkeit
/
hoˈtɛl/, /
ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
Hotel
noun
1. de eigenaar van een hotel
Hotelier
Hotelbesitzer
noun
1. een kamer die voor gasten per nacht te huur is in een hotel
Hotelzimmer
/
hoˈtɛl.wezə(n)/
noun
1. alles wat te maken heeft met het bedrijf van hotels in een land of gebied
Hotellerie
Hotelwesen
noun
1.de tijd dat producten veilig kunnen gebruikt worden
Haltbarkeit
/
ˈɦɑʊdə(n)/
verb
- iets op peil houden
aufrechterhalten
- 1. niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen
behalten
halten
- iets tegen het licht houden
durchleuchten
- 2. huisdieren verzorgen
halten
- iets op afstand houden
verzögern
noun
1. het onder zich hebben van andermans goed
Detention
Innehabung
noun
- 2. gedragslijn, opstelling
Fassung
Attitüde
- 1. een pose
Haltung
Pose
/
ɦɑʊ̯t/, /
[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
Holz
/
ɦɑʊ̯tbɛi̯/
noun
1. enige bij onder de geslachtengroep Xylocopini
Holzbiene
noun
1. houtblaasinstrument
Holzblasinstrument
noun
1. houtblazer
Holzbläser
noun
1. beitel met handgreep voor het bewerken van houten werkstukken op een houtdraaibank
Holz-drehenmeissel
noun
1. bepaalde soort wilde duif, Columba palumbus
Ringeltaube
Holztaube
Wildtaube
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
Holzfäller
noun
q. bepaald soort zoutwatervis, Coregonus oxyrinchus
Schnäpel
Gangfish
noun
1. jas die sluit met staafjes en lussen
Dufflecoat
/
ˈɦɑʊ̯t.kɑp/, /
ˈɦɔʊ̯t.kɑp/
noun
1. het rooien van bomen
Holzernte
noun
1. een door koken onder druk uit hout verkregen grondstof voor papier
Holzstoff
noun
1. verkoold hout
Holzkohle
noun
1. een vogel uit de familie van snipachtigen, Scolopacidae
Waldschnepfe
noun
1. benaming voor verschillende in hout levende insectenlarven
Holzwurm
verb
1. iets met een scherp werktuig trachten af te hakken
hauen
/
hovəlɪŋ/
noun
1. een onderdaan die tot het dagelijkse gezelschap van een vorst behoort
Höfling
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Hoyerswerda
verb
1. water uit een boot scheppen
schöpfen
pronoun
1. bepaalde telescoop die als een kunstmaan rond de aarde draait
Hubble-Weltraumtelescop
pronoun
1. binnenzee in Noordoost-Canada
Hudson Bay
noun
1. man die zich lomp, onbehouwen en/of aanstootgevend gedraagt
Rüpel
noun
1. het huichelen
Heuchelei
verb
1. veinzen, doen alsof
heucheln
/
hœːd/, /
ɦœʏ̯t/, /
ɦœːt/
noun
- 1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
Haut
- 2. de buitenbekleding van een schip
Schiffsbekleidung
Schiffsbeplankung
noun
1. de verschillende soorten cellen die de verschillende weefsels van de huid vormen
Hautzelle
noun
1. het verschijnsel dat de geleiding van een hoogfrequente wisselstroom zich slechts voordoet aan de oppervlakte...
Skin-Effekt
adjective
1. bij het heden behorend
jetzig
derzeitig
heutig
noun
1. specialist in de geneeskunde
Dermatologe
Hautarzt
/
hœytsiktə/
noun
1. aandoening van de huid
Hautkrankheit
noun
1. kapje dat een valk wordt opgezet om de vogel rustig te houden
Haube
/
hœːx/, /
ɦœʏ̯χ/, /
ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
Gaumenzäpfchen
Uvula
noun
1. de uitspraak van de letter r met trilling van de huig
Zäpfchen-R
/
ɦœy̯lə(n)/
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
weinen
heulen
/
hœːs/, /
ɦœʏ̯s/, /
ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
Haus
noun
1. adres waar men woont, i.t.t. werkadres
Privatanschrift
noun
1. strafbepaling
Hausarrest
noun
1. een arts die de eerste lijn van opvang vormt voor een aantal vaste patiënten in de buurt
Hausarzt
/
ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
Haustier
noun
1. iemand die een huis bezit
Hausbesitzer
Hauseigentümer
noun
1. Hond die men als huisdier houdt
Haushund
noun
1. een familie die een samenwonende economische eenheid vormt
Haushaltung
noun
1. vrouw die andermans huishouden verzorgt
Haushälterin
noun
1. iemand die vaak slechte huizen (woningen) tegen woekerprijzen verhuurt, een onbarmhartige woekeraar ofwel malafide huiseigenaar
Miethai
noun
- 2. eenvoudig middeltje dat men gebruikt voor het oplossen van een huishoudelijk probleem
Haushalttipp
- 1. iets dat men zonder bewijs als geneesmiddel gebruikt
Hausmittel
noun
1. bepaald soort knaagdier dat vaak in en rond gebouwen voorkomt, Mus domesticus
Hausmaus
noun
- 1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
Haussperling
Spatz
- 2. iemand die het liefst thuis blijft
Stubenhocker
/
ˈɦœy̯s.raːt/
noun
1. alle roerende niet eetbare goederen in een huis
Hausrat
noun
1. iemand die beroepsmatig schilderwerken aan en in gebouwen uitvoerd
Anstreicher
noun
1. stof in een woning
Hausstaub
noun
- 2. het onderkomen dat iemand al of niet vindt
Unterbringung
- 1. het huisvesten van iemand
Unterkunft
/
ˈhœysfredə/
noun
1. recht op ongestoord wonen
Hausfrieden
/
ˈhœysfredəbrøk/
noun
1. zonder toestemming binnendringen of aanwezig zijn in iemands woning
Hausfriedensbruch
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
Hausfrau
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
Hausaufgabe
noun
1. Delichon urbica, een zwaluw die zijn nest tegen de huizen aanbouwt
Mehlschwalbe
noun
1.een rilling als gevolg van afschuw of koude
Fröstein
Schauder
noun
1. het hebben van een woonhuis
Hausbesitz
verb
1. iemand hulde of eer bewijzen
huldigen
/
ɦʏlp/
noun
1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
Hilfe
Beistand
noun
1. iemand die vakmensen helpt bij het doen van hun werk
Hilfsarbeiter
adjective
1. graag bereid te helpen
hilfsbereit
noun
1. iemand die zich toelegt op het verlenen van hulp in algemene zin
Sozialarbeiter
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
Hilfsverb
Hilfszeitwort
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
Stechpalme
Hülse
noun
1.aanhanger van het humanisme
Humanist
/
ɦʏˈmør/
noun
mentale of emotionele toestand
Laune
noun
1. puree van o.m. gekookte kikkererwten
Hummus
/
ˈɦynəbɛt/
noun
1. neolithische begraafplaats
Hünengrab
Dolmen
Großsteingrab
verb
1.
schmachten
sich sehnen
verlangen
/
ˈhʏŋkərɪŋ/
noun
1. het heftige, pijnlijke verlangen naar iets of iemand
Sehnsucht
Verlangen
pronoun
1. een middelgebergte in Duitse deelstaaten Rijnland-Palts en Saarland
Hunsrück
/
ɦyrə(n)/
verb
1. tegen betaling gebruiken
mieten
heuern
/
ɦyr/
noun
1. tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
Miete
noun
1. een auto die niet in eigendom is maar voor een korte periode en tegen betaling wordt gehuurd
Mietauto
Mietwagen
/
ˈhyːr.fits/
noun
1. een fiets die is uitgehuurd of bedoeld is om uit te huren
Leihrad
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de huur en verhuur van woon- en bedrijfsruimte
Mietrecht
noun
1.
Mietzuschuss
Wohngeld
/
ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
Hochzeit
Heirat
Trauung
noun
ondertrouw; in ondertrouw gaan, aangifte doen
Aufgebot
das Aufgebot bestellen
noun
1. een voorstel om in het huwelijk te treden
Heiratsantrag
noun
1. akte van de burgerlijke stand waarin staat dat twee mensen met elkaar getrouwd zijn
Eheurkunde
noun
1. het gezamenlijke avontuur aangegaan bij het trouwen
Ehehafen
noun
1. notarieel contract waarin de vermogenspositie van beide huwelijkspartners wordt geregeld
Ehevertrag
/
ˈɦiu̯ələksˌrɛɪ̯s/
noun
1. de reis die een pasgetrouwd stel gewoonlijk onmiddellijk na hun trouwen onderneemt
Hochzeitsreise
Flitterwochen
noun
1. notarieel contract waarin de vermogenspositie van beide huwelijkspartners wordt geregeld
Ehevertrag
/
hʊ.ˈzaːʁ/
noun
1. een ruiterijsoldaat.
Husar
noun
1. een speciale uitgeruste waterkraan geplaatst ten behoeve van de brandweer
Überflurhydrant
adjective
waterafstotend
wasserabweisend
noun
1. een grafiek van het watervolume als functie van de tijd
Hydrogramm
noun
1. de splitsing van scheikundige verbindingen door opneming van water
Hydrolyse
noun
Hydroxygruppe
Hydroxylgruppe
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
Hyäne
adjective
1. schoon, gezond
hygienisch
noun
1. een toestel dat de relatieve luchtvochtigheid registreert
Hygrograf
Hygrograph
noun
1. door een hygrograaf opgetekende registratie van de luchtvochtigheid
Hygrogramm
noun
1.een instrument om vochtigheid van de lucht te meten
Hygrometer
noun
Hyperkorrektur
Schlimmbesserung
noun
1. een gekleurd en/of onderstreept tekstgedeelte dat een onderliggende verwijzing bevat
Hyperlink
noun
1. een woord dat een verzameling van verwante specifiekere woorden samenvoegt, een overkoepelende term
Hyperonym
Oberbegriff
/
ˌhipəroniˈmi/
noun
1. een algemener begrip zijn ten opzichte van een bepaald voorbeeld daarvan
Hyperonymie
noun
1. verhoogde bloeddruk
erhöhte Blutdruck
noun
1. het sneller-dan-normaal ademhalen, ofwel oppervlakkig ofwel diep
Hyperventilation
noun
1. overmaat aan vitamine
Hypervitaminose
/
ɦipoˈkrit/
adjective
1. huichelachtig
heuchlerisch
/
ɦipoˈkrit/
noun
1. iemand die voordoet bepaalde waarden te huldigen, maar zich er zelf niet aan houdt
Heuchler
noun
1. huichelarij
Heuchelei
Hypokrisie
/
ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
Hypophyse
noun
Kofferwort
Schachtelwort
noun
1. term die een subcategorie van een algemenere klasse aanduidt
Unterbegriff
Hyponym
noun
1. de schuine zijde van een rechthoekige driehoek
Hypotenusa
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
Hypothek
Grundpfand
noun
1. onderkoeling
Hypothermie
noun
1. tekortschietende ademhaling
Hypoventilation
noun
1. Hyssopus officinalis, een gewas met geneeskundige kracht
Ysop
/
ɦe/
interjection
- 3. uitroep van verrassing
ah
oh
- 2. uitroep van verbazing
- 4. versterking van een vraag
he
- 1. uitroep om aandacht
he
heda
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
- 2. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Höxter
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Hüfingen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Hürth
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
Hüttenkäse
noun
1. een mineraal met de chemische formule UO₂.5(UO₃) .10(H₂O)
Ianthinit
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Ibbenbüren
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
Iberische Halbinsel
noun
1. een vogel met een lange gebogen snavel behorend tot de familie Threskiornithidae
Ibis
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Idar-Oberstein
verb
1. iets gunstiger of zelfs als ideaal beoordelen
idealisieren
/
ideja'lɪst/
noun
- 1. iemand die idealen nastreeft
- 2. (filosofie) aanhanger van het idealisme
Idealist
noun
1. de volmaaktheid, de hoedanigheid van ideaal te zijn
Idealität
adverb
1. in het ideale geval
idealerweise
/
iˈde/
noun
1. gedachte, plan
Idee
Gedanke
adjective
1. volledig hetzelfde, van dezelfde oorsprong
identisch
noun
1. een nummer waarmee men geïdentificeerd wordt
Geheimnummer
noun
1. geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
Identität
Gleichheit
/
idɛnti'tɛitskart/
noun
1. een identiteitsbewijs dat op een kaart gedrukt is
Personalausweis
Ausweis
/
ˌideo'ɣrɑm/
noun
1. een grafisch teken dat een voorwerp symboliseert
Ideogramm
/
ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
Ideologie
adjective
1. van, betreffend of volgens een ideologie
ideologisch
noun
1. iemand die een ideologie opstelt
Ideologe
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door trillend materiaal
Idiophon
adjective
1. het idioom betreffend
idiomatisch
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
Idiom
/
idi'ot/
noun
1. iemand die een grote maat van zwakzinnigheid heeft
Idiot
adjective
1. van onbekende oorzaak
idiopathisch
/
idoliserə(n)/
verb
1. buitensporig vereren
schwärmen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Idstein
noun
1. een genre gedichten, korte verhalen en schilderijen
Idyll
adjective
1. bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid
idyllisch
personalPronoun
1. clitische vorm van de 3e persoon enkelvoud mannelijk nominatief
er
/
i.də.ˈreːn/
indefinitePronoun
1. elke persoon
jedermann
indefinitePronoun
1.
aller
jedermanns
jedes
/
ˈiːrlɑnd/, /
ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
Irland
/
iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
Irisch
Gälisch
Irisch-Gälisch
indefinitePronoun
1. een of ander ding
etwas
irgendetwas
adverb
1. in bescheiden mate
etwas
noun
1.alkylerend oncolyticum
Ifosfamid
/
ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
Iglu
Schneehaus
adjective
ignorant
unwissend
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
Eitelkeit
/
'ɛɪ̯kə(n)/
verb
1. meting op juiste schaal brengen
kalibrieren
/
ɛːɫ/
adjective
1. met een lage dichtheid
dünn
/
ɛɪ̯s/, /
ɛːs/
noun
- 1. de vaste vorm van water, bevroren water
- 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
Eis
noun
3. kunstijsbaan
Eisbahn
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
Eisbär
Polarbär
noun
1. en 2 (bladeren van) Lactuca sativa var. capitata
Eisbergsalat
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
Eisbrecher
verb
1. een discipline van het kunstschaatsen
eistanzen
Eistanzen
noun
1. bepaald soort vogel Gavia immer
Eistaucher
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
Eishockey
/
ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
Speiseeis
Eis
Eiskrem
adjective
1. bijzonder koud, zo koud als ijs
eiskalt
/
ˈɛɪ̯slɑnd/, /
ˈɛɪ̯slɑnt/, /
ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
Island
/
ˈɛɪ̯sˌlɑndər/, /
ˈɛːsˌlɑndər/
noun
1. inwoner van IJsland
Isländer
/
ˈɛɪ̯slɑnds/, /
ˈɛɪ̯slɑnts/, /
ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
Isländisch
isländisch
/
ˈɛisəl/
pronoun
1. Gelderse IJssel
Ijssel
Issel
IJssel
noun
1.een theevariant
Eistee
/
ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /
ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /
ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
Eisvogel
noun
1. een zoete geurige wijn die vaak als dessertwijn wordt gedronken en gemaakt is van bevroren druiven
Eiswein
/
ɛɪvərˈzʏxtɪx/
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
eifersüchtig
/
'ɛɪ̯zəl/, /
'ɛɪ̯zəɫ/, /
'ɛːzəɫ/
noun
1. onderkoelde regen die in ijs overgaat eenmaal in aanraking met de grond
Eisregen
verb
1. een gevoel van koude ervaren van schrik of angst
schaudern
pronoun
1.een rivier in West-Vlaanderen (België) en Frans-Vlaanderen (Frankrijk)
Yser
/
ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
Eisen
adjective
Eisengrau
eisengrau
noun
1. een verbinding van ijzer en zuurstof, waarin zuurstof de oxidatietoestand -2 bezit
Eisenoxid
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
ich liebe dich
/
ˌimiˈtasi/, /
ˌimiˈtatsi/
noun
1. nabootsing
Imitation
noun
iemand die een ander persoon nadoet
Imitator
/
ˌimiˈterən/
verb
1. doen wat iemand anders doet
nachahmen
imitieren
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
Imker
Bienenzüchter
/
ˈɪmatəriˌjel/
adjective
immateriell
unstofflich
adverb
1. op ieder moment
immer
stets
/
ˈɪmiɣrɑnt/
noun
Immigrant
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
Einwanderung
Immigration
noun
1. onvatbaarheid voor een ziekte
Immunität
adjective
1. onvatbaar
immun
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
Impedanz
noun
1. een stof, voorwerp, toestel etc. dat in een lichaam wordt aangebracht
Implantat
noun
1. inplanting
Implantation
verb
1. het in een lichaam aanbrengen van een stof, voorwerp, toestel etc
implantieren
noun
1. verwikkeling
Implikation
verb
1.stilzwijgend ten gevolge hebben
implizieren
noun
1. zeer snel ineenklappen van een holle ruimte
Implosion
verb
1. ontzag inboezemen
imponieren
noun
1. onvermogen tot geslachtsgemeenschap
Impotenz
noun
1. een organisator van toneeluitvoeringen, concerten enz.
Impresario
noun
1. ter plekke verbeterde versie van een muziekstuk, voorlezing enz.
Improvisation
verb
1. iets bedenken zonder vooropgesteld plan
improvisieren
/
ɪmˈpʏls/
noun
- 1. innerlijke drang
Antrieb
Auftrieb
- 2. product van massa en snelheid
Impuls
preposition
- 1.-12. in (ruimtelijk)
- 2. in (tijdelijk)
in
adverb
1. snel doordat het weinig moeite kost, vlot alsof het gemakkelijk is
im Handumdrehen
phraseologicalUnit
1. in een omgeving waar weinig gepresteerd wordt...
unter den Blinden ist der Einäugige König
adverb
1. werkelijk aanwezig, in het echt
höchstpersönlich
leibhaftig
persönlich
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
anstatt
statt
anstelle
noun
1. het niet actief zijn; het niet in beweging zijn
Inaktivität
Nichtstun
Stillstand
verb
1. lucht uit de omgeving opnemen
einatmen
pronoun
1. meer in Finland
Inarisee
/
ˌɪnʌʊɣyˈratsi/
noun
1. de feestelijke of plechtige inwijding in een ambt
Inauguration
verb
1. een zuigeling geheel in windselen inwikkelen
wickeln
adjective
1. erbij horend, erbij geteld
inbegriffen
verb
1. met een ram zich toegang verschaffen tot een afgesloten ruimte
eindreschen
einschlagen
/
ɪmbɪndə/
verb
- 1. door stevige omwikkeling bijeenhouden
- 2. losse geschriften tot een enkel boekwerk verwerken
einbinden
- 3. minder heftig tekeergaan
zurückstecken
noun
1. alle roerende niet eetbare goederen in een huis
Hausrat
noun
1. het inbreken
Einbruch
verb
4. met een brandijzer merken
einbrennen
verb
1. zich met geweld een toegang verschaffen
einbrechen
noun
Einbruchalarm
Einbruchmeldeanlage
noun
3. terugbrengen van een als voorschot op de erfenis geschonken goed dat dient te worden verrekend met het erfdeel
Ausgleich
Ausgleichung
noun
1. iets schenden
Rechtsbruch
Rechtsverletzung
violation
Übergriff
/
ˌɪŋkɑˈsaːsi/, /
ˌɪŋkɑˈsaːʦi/
noun
1. (het) incasseren.
Einkassierung
Einziehung
/
ˌɪŋkɑˈseːrbaːr/, /
ˌɪŋkɑˈsɪːrbaːr/
adjective
1. geïncasseerd kunnende worden.
einkassierbar
einlösbar
einziehbar
/
ˌɪŋkɑˈseːrə(n)/, /
ˌɪŋkɑˈsɪːrə(n)/
verb
- 2. te verduren krijgen.
einstecken
- 1. (geld) in ontvangst nemen.
kassieren
einkassieren
betreiben
einziehen
/
ˌɪŋkɑˈseːrɪŋ/, /
ˌɪŋkɑˈsɪːrɪŋ/
noun
1. (het) incasseren.
Einkassierung
Einziehung
noun
1. onderneming die zich bezighoudt met het innen van openstaande vorderingen in opdracht van, hoofdzakelijk, andere ondernemingen
Inkassobüro
/
ˈɪntʃɛˌkə(n)/
verb
- 2. via een chipkaart contactloos aanmelden (voor gebruik van het openbaar vervoer)
anmelden
einchecken
- 1. zich aanmelden aan een balie om een instapkaart te krijgen en eventueel bagage af te geven.
einchecken
noun
1. een opschudding verwekkend voorval
Zwischenfall
/
ˌɪnsidɛnˈtɪːɫ/
adjective
1. niet stelselmatig voorkomend
gelegentlich
noun
1. hellingmeter
Klinometer
Neigungsmesser
adjective
1. inclusief, meegerekend, met inbegrip van
eingeschlossen
inklusive
preposition
1. met inbegrip van
einschließlich
/
ˌɪnkoheˈrɛnt/, /
ˌɪŋko(h)ɪˈrɛnt/, /
ˌɪŋkoheˈrɛnt/
adjective
1. geen samenhangend geheel vormen
inkohärent
zusammenhanglos
/
ˌɪnkoheˈrɛnt/, /
ˌɪŋko(h)ɪˈrɛnt/, /
ˌɪŋkoheˈrɛnt/
adverb
1. op een niet samenhangend manier
inkohärent
zusammenhanglos
adjective
1. onverenigbaar
inkompatibel
/
ˌiŋkɔmpəˈtɛn(t)si/
noun
Inkompetenz
noun
1. het onvermogen om urine of ontlasting op te houden
Inkontinenz
/
ˌɪŋkʏltyˈrasi/, /
ˌɪŋkʏltyˈraʦi/
noun
1. het proces waarbij elementen uit een bepaalde religie of cultuur geïntegreerd worden in een andere cultuur.
Inkulturation
verb
2. zich iets ~: begrip kunnen opbrengen voor iets
sich hineindenken
sich versetzen
sich vorstellen
/
ˌɪndərˈdad/, /
ˌɪndərˈdat/
adverb
1. een bevestiging dat iets het geval is
tatsächlich
/
ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
Indien
noun
1. inwoner van Amerika voor de komst van de Europeanen
Indianer
Indianerin
noun
1. aanwijzing
Indiz
Hinweis
noun
1. de vorm van het werkwoord die de werkelijkheid aangeeft
Indikativ
verb
1. aanwijzen van zorg
indizieren
conjunction
1. onder de voorwaarde dat
wenn
falls
/
ɪn.ˈdi.ɣo/, /
ɪn.ˈdi.χo/
noun
- 2. een kleurstof met de blauwige kleur indigo die oorspronkelijk gewonnen werd uit planten van het geslacht Indigofera
Indigo
- 1. een kleur die in het het lichtspectrum voorkomt met een golflengte van 440 tot 420 nanometer
Indigo
Indigoblau
phraseologicalUnit
1. zinsdeel dat de actie van een overgankelijk werkwoord niet rechtstreeks ondergaat,...
Dativobjekt
noun
1. een antilope uit de familie Bovidae
Hirschziegenantilope
/
ˌɪndisəˌosiˈan/, /
ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
Indischer Ozean
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
Indium
adjective
1. afzonderlijk, op zichzelf
individuell
verb
1. dwingen om bepaalde opvattingen te aanvaarden
indoktrinieren
verb
1. in een lichte slaap vallen
einnicken
/
ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
Indonesisch
indonesisch
/
ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Indonesien
adjective
1. een grote indruk achterlatend
eindrucksvoll
noun
- 1. gevolgtrekking
- 2. het opgang komen van een ontwikkeling door beïnvloeding door een ander deel
- 3. de beïnvloedende werking op andere mensen
- 4. het redeneren uitgaande van de afwijking
- 7. spanningsopwekking in geleider
- 5. bewijsvoering uitgaande van typende gevallen
Induktion
- 6. klankverandering
Vokalwechsel
verb
1. het veranderen van de economie door het vergroten van de nijverheid
industrialisieren
noun
1. Nijverheid
Industrie
noun
1. zone voor grote bedrijven en industrie
Industriegebiert
adverb
1. snel en onverwachts
plötzlich
verb
1. iemand door middel van een injectie beschermen tegen een ziekte
impfen
noun
1. document dat bevestigt dat iemand een bepaalde vaccinatie ondergaan heeft
Impfnachweis
Impfpass
noun
1. traagheid
Beharrung
/
ɪnfɛk'terən/
verb
anstecken
infizieren
adjective
- 1. minderwaardig
minderwertig
- 2. (militair) lager in rang, ondergeschikt
nachgeordnet
untergeordnet
noun
1. hel, oord van helse verschrikkingen
Inferno
/
ɪɱfinitif/
noun
1. het hele werkwoord
Infinitiv
noun
1. stijging van het prijspeil waardoor het geld in waarde daalt
Inflation
noun
2. de eigenschap dat een elektrisch geladen lichaam...
Influenz
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
Informatik
noun
1. beoefenaar van de informatica
Informatiker
noun
1.
Information
Auskunft
noun
1. samenleving, waarin informatie als de belangrijkste productiefactor gezien wordt.
Informationsgesellschaft
noun
1. materiaal dat ter informatie dient, vaak in de vorm van een tekst
Informationsmaterial
/
ɪnfɔr'meːl/
adjective
informell
verb
1. inlichten
informieren
adjective
infrarot
Infrarot
/
ˈɪɱfrastrʏktyr/
noun
1. het totaal van onroerende voorzieningen zoals (spoor)wegen, vliegvelden,...
Infrastruktur
noun
1. vochttoediening in de bloedvaten
Infusion
verb
- van start gaan
beginnen
- ergens op reageren
eingehen
- binnengaan
hineingehen
noun
- 2. een opening waar iets doorheen kan
Eingang
Öffnung
- 1. een trefwoord dat te vinden is in een woordenboek
Eintrag
Lemma
Stichwort
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Ingelfingen
/
ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
Ingenieur
Ingenieurin
adjective
findig
erfinderisch
gewitzt
adjective
1. bescheiden, rustig, stemmig
andächtig
conjunction
1. in het geval dat
falls
adjective
1. niet eenvoudig en zeer samengesteld
kompliziert
verb
- 1. door een gat of graaf aan te leggen zich dekking verschaffen
einbuddeln
eingraben
- 2. zich nestelen in de bodem of in het lichaam van een andere levensvorm
eingraben
verb
- 1. handelen om een probleem te voorkomen of op te lossen
eingreifen
- 2. zich beslissend mengen in het verloop van iets
intervenieren
pronoun
1. Finoegrische taal die door ongeveer 300 Ingriërs gesproken wordt
Ingrisch
/
ɪnˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens voorkomend
einheimisch
adjective
1. onlosmakelijk verbonden
inhärent
/
ˈɪnhɑut/
noun
- 1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
- 3. alles wat in een geschrift of ander medium staat
Inhalt
- 2. ruimtelijke capaciteit
Volumen
noun
1. overzicht van de onderwerpen of hoofdstukken in een boek
Inhaltsverzeichnis
noun
1. feestelijke gelegenheid waarbij iemand wordt gehuldigd, zoals een koning/vorst door diens onderdanen, bij aanvaarding van diens ambt
Inauguration
/
ˌiniˈtʃalwort/
noun
1. en 2.
Akronym
Initialwort
/
inisjaˈtif/
noun
1. het ter hand nemen van iets nieuws
Initiative
verb
1. het inbrengen van een vloeistof in een gesloten vat of lichaam middels een holle naald
injizieren
einspritzen
verb
1. door verdamping bij het kookpunt het volume van een vloeistof verkleinen
einkochen
noun
1. regelmatig verkregen som geld
Einkommen
verb
1. door kopen een voorraad aanleggen
einkaufen
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
Tinte
/
ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
Tintenfass
noun
1. inktsteen
Reibstein
/
ˈɪŋktfɪs/
noun
1. een koppotig weekdier met vangarmen dat een inktachtig vocht afscheidt ter verdediging
Tintenfisch
/
ˈɪn.lɛxˌkrœy.ʃə/
noun
1.
Slipeinlage
/
ˈɪnlɛɪdɪŋ/, /
ˈɪnlɛːdɪŋ/
noun
1. een tekst waarmee men een indruk probeert te geven van de inhoud van een langere tekst
Einleitung
verb
1. opheldering geven
informieren
aufklären
unterrichten
/
ˈɪnlɛɪvə(n)/
verb
- 1. iemand in een groep opnemen
einreihen
- 2. het toe-eigenen van een grondgebied
einverleiben
/
ˈɪnlɛɪvɪŋ/
noun
- 1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
- 2. annexatie, een proces van het met geweld grondgebied toe-eigenen
Einverleibung
/
ɪnˈmɪdəls/
adverb
1. in de tussentijd
inzwischen
mittlerweile
verb
1. verschuldigd geld in ontvangst nemen
einkassieren
einziehen
verb
1. iets nieuws bedenken of maken
innovieren
noun
1. het aanvaarden van een aflevering
Entgegennahme
/
ˈɪmpɑkə(n)/
verb
- 2. in een omhulsel doen
einpacken
verpacken
- 1. in een verpakking doen
einwickeln
verb
1. diep in het geheugen vastleggen
einprägen
einschärfen
noun
1. een rechtbank van de Rooms-Katholieke Kerk, die was belast met de opsporing, het onderzoek en het opleggen van straffen van ketters
Inquisition
verb
1. een woning ~: een ruimte geschikt maken voor bewoning met vloerbedekking, behang, huisraad, enzovoort
einrichten
noun
1. een weg die van de straat naar een gebouw e.d. voert
Einfahrt
verb
1. iets ouds verkopen terwijl men een nieuwe versie koopt
austauschen
/
'ɪnsxepə(n)/
verb
1. aan boord gaan van een schip voor een reis ermee
einschiffen
adjective
1. van een persoon dat deze genegen is zich aan te passen aan andere mensen
fügsam
nachgiebig
verb
1. een lidmaatschap of deelnemerschap schriftelijk vastleggen
einschreiben
immatrikulieren
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
Insekt
noun
1.1 zoogdier uit de taxonomische orde Eulipotyphla
Insektenfresser
noun
- 3. het inslaan van iets
Einschlagen
- 1. horizontale draden die tijdens het weven tussen de opgespannen draden van de schering worden ingebracht
Schuss
Einschlag
Einschuss
/
ˈɪnslapə(n)/
verb
- 1. in slapende toestand geraken
einschlafen
- 2. met een overdosis slaapmiddel een dier laten overlijden
einschläfern
verb
1. iets door de keel de slokdarm in doen bewegen
schlucken
/
ˈɪn.slœʏ̯.tə(n)/, /
ˈɪn.slœː.tə(n)/
verb
- 3. iets bijvoegen
beilegen
einschließen
- 1. opsluiten in iets
einschließen
- 2. iets omgeven
umschließen
adjective
1. onbeschaamd, grof, brutaal
frech
unverschämt
noun
Frechheit
Unverfrorenheit
Unverschämtheit
verb
2. zich ~: moeite doen
bemühen
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
Anstrengung
Aufwand
verb
1. de geest gaande maken
inspirieren
/
ˈɪnsprak/
noun
Mitsprache
noun
- 3. een min of meer plechtige en officiële inwijding in een bepaald ambt
Amtseinführung
- 8. een kunstvorm
- 1. de actie van het installeren
Installation
verb
- 1. de formele aanvang van een officiële functie
einweisen
- 2. het invoeren en gebruiksklaar maker van een computerprogramma
- 3. het aanleggen van een installatie
installieren
verb
- 1. het op juiste wijze afregelen van een toestel
einstellen
- 2. het in het leven roepen van een organisatie
gründen
noun
- 2. organisatie, die vaak subsidie van de overheid krijgt en geen geld wil verdienen
Anstalt
Einrichtung
- 1. keer dat je iets instelt, of wat ingesteld is
Einrichtung
- 3. manier waarop je bezig bent met en denkt over wat je doet
Einstellung
verb
1. het eens zijn
zustimmen
verb
1. zwichten voor de zwaartekracht
zusammenstürzen
noun
- 1. het kapot gaan van een constructie door naar beneden vallen
Einsturz
Einstürzen
- 2. (figuurlijk) psychisch of lichamelijk niet meer goed kunnen functioneren door uitputting
Zusammenbruch
noun
1. een order, een aanwijzing
Einweisung
Instruktion
Unterricht
noun
- 2. verkort voor muziekinstrument
Instrument
Musikinstrument
- 1. werktuig
Instrument
Werkzeug
/
ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
Insulin
adjective
1. in goede staat, onaangetast
intakt
/
ɪnˈtexə(n)del/
adverb
zum Gegenteil
/
ɪntəˈɣra(t)si/
noun
Integration
verb
1. tot een samenhangende groep maken
integrieren
/
ɪntəɣriˈtɛit/
noun
1. onschendbaarheid, eerlijkheid, oprechtheid
Integrität
/
ɪntɛli'xɛnt/
adjective
1. met een goed verstand of daarvan blijk gevend
intelligent
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
Intelligenz
noun
1. onderlinge beïnvloeding
Interaktion
/
ɪntərɑk'tif/
adjective
interaktiv
/
ˌɪntərˈsɪti/
noun
1. een trein die tussen grote steden rijdt zonder op tussengelegen stations te stoppen
Intercity
adjective
1. wekt interesse
interessant
adverb
1. onderstreept dat het gezegde opmerkelijk is.
interessanterweise
noun
- 1. belang
- 2. belangstelling
- 3. iets waar belangstelling voor is
Interesse
verb
- 1. nieuwsgierig maken
interessieren
- 2. zich ~ voor: belangstelling hebben voor iets
sich interessieren
noun
3. gezamelijke werking van golven
Interferenz
/
ˌɪn.tərˈkɛr.kə.lək/
adjective
1. tussen kerken, van meerdere kerkgenootschappen
ökumenisch
noun
1. regelafstand
Zeilenabstand
Zeilendurchschuss
Interlinea
noun
1.
Zwischenspiel
Interludium
adjective
1. inwendig, binnen
intern
/
ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
international
pronoun
Internationaler Währungsfonds
pronoun
Internationales Büro für Maß und Gewicht
verb
1. een verplichte verblijfplaats aanwijzen
internieren
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
Internet
noun
1. encyclopedie die via internet te raadplegen is
Internet-Enzyklopädie
noun
1. organisatie of persoon die diensten levert op of via het internet
Internetprovider
adjective
1. voor interpretatie vatbaar
interpretierbar
noun
- 1. tussenperiode
- 3. de afstand tussen twee verschillende tonen
Intervall
noun
1. vraaggesprek met iemand over diens opvattingen en ervaringen
Interview
verb
1.een vraaggesprek met iemand houden
interviewen
/
ɪntimi'dɪːrə(n)/
verb
1. iemands gedrag beïnvloeden door hem angst aan te jagen
einschüchtern
noun
1. onverdraagzaamheid
Intoleranz
adjective
1. zonder de mogelijkheid van een lijdend of meewerkend voorwerp
intransitiv
noun
1. onovergankelijk werkwoord
Intransitiv
Intransitivum
/
ɪntroˈdʏksi/
noun
de presentatie van iets nieuws, of de inleiding van een nieuwkomer
Einführung
Introduktion
/
ˈɪntrɔn/
noun
1. stukje DNA dat zich bevindt in een gen maar dat niet wordt gebruikt om het eiwit te coderen
Intron
/
ɪn'tʌsə/
adverb
1. gedurende de tijd die het genoemde vereist
inzwischen
verb
- 2 iemands plaats tijdelijk innemen
einspringen
- 1 vallend iets binnengaan
fallen
hereinfallen
hineinfallen
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
Investition
verb
2. een persoon op een doorgaans vriendelijke en vrijblijvende manier vragen om iets te doen
invitieren
/
ˈɪnvluːt/
noun
- 1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
- 2. het vermogen om op anderen in te werken
Einfluss
noun
1. een kring of gebied waarbinnen iemand of een staat invloed heeft
Einflussbereich
/
ˈɪnvurə(n)/
verb
- 1. iets nieuws introduceren
einführen
- 2. gegevens in een electronisch apparaat stoppen
eingeben
/
ɪɱ.'wɛn.dɪx/, /
ɪɱ.'ʋɛn.dəχ/, /
ɪɱ.'β̞ɛn.dəx/
adjective
inner
innerlich
inwendig
/
ˈɪɱwɪləɣə(n)/
verb
1. aan een verzoek voldoen
bewilligen
einwilligen
verb
1. bijeenbrengen
einsammeln
sammeln
noun
- 1. op het spel zetten
- 2. beschikbare hulpmiddelen gebruiken
einsetzen
/
ˈɪnzɪx/, /
ˈɪnzɪxt/, /
ˈɪnzɪχt/
noun
- 1. het doorhebben hoe iets in elkaar zit
Durchblick
- 3. inzage
Einblick
Einsicht
- 2. het erkennen van iets
Einsicht
/
ˈɪnzin/
verb
- 1. documenten (vluchtig) lezen
einsehen
- 2. begrijpen hoe iets werkt
erkennen
noun
het inzinken
Zusammenbruch
adjective
1. wat ionen betreft
ionisch
/
i'peʔadrɛs/
noun
1. een combinatie van getallen waarmee een computer in een IP-netwerk kan worden herkend
IP-Adresse
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Iphofen
/
i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
Irak
/
i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
Iran
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
Iridium
noun
- 1. orgaan in het oog van vele organismen
Iris
- 2. benaming voor planten uit het geslacht Iris
Iris
Schwertlilien
/
ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
Ironie
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Irrel
/
ˌɪ.ri.ˈɣa.si/, /
ˌɪ.ri.ˈχa.tsi/
noun
1. het op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien
Bewässerung
/
ˌɪ.ri.ˈɣeː.rə(n)/, /
ˌɪ.ri.ˈχɪː.rə(n)/
verb
1. op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien
bewässern
adjective
1. in hoge mate vervelend
irritierend
verb
1. op onaangename wijze prikkelen
reizen
irritieren
noun
1. plaatselijk tekort aan bloedtoevoer
Ischämie
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Iserlohn
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
Islam
/
ˌɪslaˈmit/
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
Islamit
noun
- 1. ruimtelijke afzondering
Isolation
- 2. het voorkomen van geleiding van energie of stroom
Isolierung
noun
1. afsluitbaar vat dat zo is gemaakt dat een verschil in temperatuur tussen de inhoud en de omgeving...
Isolierkanne
verb
- 1. persoonlijk
- 2. chemisch
- 3. elektrisch
- 4. warmte
isolieren
adjective
1. bij constante temperatuur
isotherm
isothermisch
noun
1. een verzameling punten constante temperatuur gemeten of waar de temperatuur dezelfde waarde heeft
Isotherme
/
ˈɪs.ra.hɛl/, /
ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
Israel
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door ongeveer 1.000 mensen in Zuid-Europa
Istrorumänisch
/
italiˈjaːn/
noun
1. een persoon die uit Italië komt
Italiener
/
italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
Italienisch
italienisch
/
italiˈjaːnsə/
noun
1. vrouwelijke persoon die uit Italië komt
Italienierin
/
iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
Italien
pronoun
2. dorp in Nedersaksen
Itterbeck
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein
Itzehoe
/
iveˈʔɛfbəˌhɑndəlɪŋ/, /
iveˈʲɛvbəˌhɑndəlɪŋ/
noun
1. zorg gericht op het bereiken van zwangerschap door eicellen na bevruchting buiten het lichaam in de baarmoeder te plaatsen
IVF-Behandlung
adjective
Elfenbein
elfenbeinfarben
/
i.ˈvoːr.kʏs/, /
i.ˈvoːr.kʏst/, /
i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
Elfenbeinküste
pronoun
. spelwoord voor de letter i
Ida
/
jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
ja
/
jaː/
interjection
1. kreet van opwinding
ja
/
ˈjaneˌvrax/, /
ˈjaneˌvraχ/
noun
1. vraag waarop met ja of nee geantwoord moet worden
Ja-Nein-Frage
/
'jaxpɑt/
noun
1. een pad langs de kant van een kanaal of vaart waarover eertijds de trekdieren van de trekschuit werden voortgedreven
Leinpfad
Treidelpfad
Treidelweg
/
ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
Jahr
/
ˈjar.ɣə.ˌtɛɪ̯.də/, /
ˈjar.ɣə.ˌtɛː.də/, /
ˈjar.χə.ˌtɛɪ̯.də/
noun
1. een deel van een jaar met unieke eigenschappen
Jahreszeit
/
ˈjar.ləks/, /
ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
jährlich
/
jɑxt/
noun
- 3. een snel vaartuig
Jacht
Yacht
- 2. het achtervolgen van misdadigers door de politie
Mörderjagd
Verbrecherjagd
noun
1. jachthobo
Oboe da Caccia
noun
1. hond die speciaal gefokt wordt voor de jacht
Jagdhund
noun
1. een hoorn als signaalinstrument op de jacht
Jagdhorn
Parforcehorn
noun
1. landhuis oorspronkelijk bestemt voor jagers
Jagdhaus
/
jɑxtɦʏt/
noun
1. uitkijktoren bij het jagen
Jagdhütte
adjective
1. (te) snel, hastig
hektisch
noun
1. zeer snel, betrekkelijk groot Afrikaans katachtig roofdier, Acinonyx jubatus
Gepard
noun
1. persoon die toeziet op naleving van jachtwet
Wildhüter
Jagdaufseher
noun
1. de taal die vaak bij de jacht gebruikt wordt.
Jägersprache
Waidmannssprache
/
ˈjaːɣə(n)/
verb
- 1. bewegende wezens proberen te vangen
jagen
- 1. slepen van schuiten
treideln
noun
- 2. jachtvliegtuig
Jagdflugzeug
Kampfflugzeug
- 1. iemand die op jacht gaat
Jäger
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Jagsthausen
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
Jaguar
noun
1. bepaald soort zoogdier, Herpailurus yaguaroundi
Jaguarundi
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
Schakal
/
ˈjaknɪkər/
noun
- 2. pomp met een tegengewicht die constant op en neer gaat
Erdölpumpenbock
- 1. iemand die de eigen mening niet uitspreekt
Jasager
noun
1. benaming voor bepaald soort mosselachtig schelpdier
Jakobsmuschel
/
jaˈkobʏs/
pronoun
Jakobus
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
eifersüchtig
/
jɑˈluːrshɛɪt/, /
jɑˈluːrshɛːt/
noun
1. een wrok die iemand koestert omdat men een ander niet gunt wat men zelf begeert
Eifersucht
/
jɑluˈziː/
noun
- 2. zonnescherm
Jalousie
- 1. gevoel
Neid
/
ʃɛm/
noun
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
Marmelade
/
(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /
dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Jamaika
interjection
1. uitroep van teleurstelling
schade
verb
1. klagende, huilende geluiden maken
jammern
/
'jɑmərlək/
adverb
1. beklagenswaardig, bedroevend
jämmerlich
/
jɑn/
pronoun
. spelwoord voor de letter j
Julius
noun
1. bepaalde zeevogel, Morus bassanus
Tölpel
Basstölpel
/
jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
Januar
Jänner
Hartung
/
jaˈpɑn/, /
jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
Japan
noun
1. iets dat gemaakt is in Japan of door een Japanse firma
Japaner
/
jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
japanisch
/
jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
Japanisch
/
jɑr.ˈɣɔn/
noun
- 2. vaktaal, taalgebruik binnen een bepaalde groep, vaak moeilijk te volgen voor een buitenstaander
Jargon
Fachsprache
- 1. koeterwaals
Kauderwelsch
/
ˈjaːrəx/
adjective
1. iemand is jarig tijdens zijn verjaardag
Geburtstag haben
noun
1. iemand die jarig is
Geburtstagskind
Jubilar
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Jasminum
Jasmin
noun
1. Rhinoceros sondaicus, neushoornsoort levend op West-Java en in Vietnam
Java-Nashorn
/
'jɑʋɛl/
adverb
ja, antwoordend op een ontkennende vraag
doch
/
jaʋɔːrt/
noun
1. het bevestigende antwoord op een huwelijksaanzoek
Jawort
grand oui
/
ˈdʒɛ:zɑŋəˌrɛs/
noun
1. een vrouwelijke persoon die zich op het zingen van jazz toelegt
Jazz-Sängerin
Jazzsängerin
/
jə/
possessivePronoun
1. tweede persoon enkelvoud onbenadrukte vorm van jouw
dein
/
ˈjemən/, /
ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
Jemen
/
jə'nevər/
noun
1. gedestilleerde alcoholische drank vervaardigd op basis van graan (mout)
Genever
noun
- 1. Juniperus communis
Wacholder
- 2. vrucht
Wacholderbeere
/
dʒɛt/
noun
1. een straalvliegtuig
Jet
/
ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
Jugend
adjective
1. jong, fris, onbevangen
jugendlich
/
ˈjøxt.kɛrk/, /
ˈjøχt.kɛrk/
noun
1. een kerk gericht op jongeren, vaak met een evangeliserend karakter
Jugendkirche
/
ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Jesus
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Jesus Christus
pronoun
2. apocrief boek uit de Bijbel
Jesus Sirach
/
je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
Jesuite
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
Gicht
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
Jiddisch
adjective
1.
jiddischsprachig
adjective
1.
jiddischsprachig
/
jEi/, /
jɛɪ̯/, /
jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
du
dich
verb
1. iemand aanspreken met jij en jou in plaats van met u
duzen
/
'jɔb/
pronoun
Hiob
Job
Ijob
/
ˈjodələ(n)/
verb
1. zingen met een snelle wisseling van borst- naar keelstem
jodeln
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
Jod
Iod
pronoun
- 2.1 een van de vier Evangeliën
Johannes
- 4. spelwoord voor de letter j
Julius
pronoun
. spelwoord voor de letter j
Julius
noun
1. speelgoed
Jo-Jo
Yo-Yo
/
ˈjɔ.kə(n)/
verb
2. een relatief onschuldige leugen vertellen
flunkern
adjective
1. van geringe leeftijd
jung
noun
1. een directe nakomeling van een dier
Junge
noun
1. aanspreektitel voor een groep jongeren
junge Leute
noun
1. onvolwassen man
Junge
Knabe
/
ˈjɔŋə(n)sˌnam/
noun
[1] een voornaam die doorgaans gegeven wordt aan kinderen van het vrouwelijk geslacht
Jungenname
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord jongere
Jugend
noun
1. het taalgebruik van jongeren
Jugendsprache
/
jɔŋˈlør/
noun
- 1. rondreizend kunstenaar
Jongleur
- 2. rondreizend artiest
Spielmann
noun
- 1. aanhanger van het joodse geloof
Jude
- 1. element jodium
Jod
Iod
adjective
1. te maken hebbend met het joodse geloof, het jodendom
jüdisch
/
jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
Jordanien
/
jɑu̯/
personalPronoun
dich
dir
/
ʒurˈnaɫ/
noun
- 2. een boek waarin dagelijks de gebeurtenissen worden bijgehouden
Chronik
- 1. een televisieprogramma dat dagelijks het nieuws brengt
Nachrichtenjournal
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
Journalist
/
jɑu̯/
possessivePronoun
1.
dein
adjective
1. opgewekt en tegelijk aardig en vriendschappelijk in de omgang
herzlich
leutselig
noun
1. 21e-eeuws gevechtsvliegtuig dat ook gronddoelen kan aanvallen en nauwelijks zichtbaar is voor vijandelijke radar
JAST
/
jybələ/
verb
1. juichen
jubeln
noun
1. feestelijke herdenking van de dag waarop iets gebeurde of begon
Jubiläum
noun
1. herdenkingsnummer van een krant of tijdschrift
Jubiläumsausgabe
pronoun
2. boek in de Bijbel
Judas
noun
1. kus die Judas aan Jezus gaf
Judaskuss
noun
1. vriendelijk gebaar van een iemand die veinst een vriend te zijn, kort voordat zijn ware bedoelingen duidelijk worden
Judaskuss
noun
1. naam voor planten uit het geslacht Lunaria
Silberblatt
Judaspfennig
pronoun
2. apocrief boek uit de Bijbel
Judit
/
'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
Judo
/
/
noun
1. een van de twee houten blokken van een wantspanner
Jungfer
adjective
1. zoals het moet, waar
richtig
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Jochbein
/
jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
Juli
Heuert
pronoun
Julirevolution von 1830
/
ˈjʏli/
personalPronoun
- 2.
- 3.
euch
ihr
- 1.
ihr
/
ˈjʏli/
possessivePronoun
1. jullie
euer
euere
noun
1. de zesde maand van het jaar
Juni
Brachet
/
ˈjypiˌtɛr/
pronoun
Jupiter
noun
- 1. kanton
- 2. gebergte
Jura
adjective
1. betrekking hebbend op het recht en de rechtsleer
juristisch
rechtlich
noun
1. een deskundige op het gebied van rechtsleer
Jurist
/
jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
Kleid
noun
1. persoon die deel uitmaakt van een jury
Jurymitglied
noun
1. (huishouden) diepe opscheplepel met gebogen steel
Soßenlöffel
adjective
de bastvezels
Jute
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
Juwelier
juwelier
noun
1. krokodilachtige uit de onderfamilie Caimaninae van de familie alligators
Kaiman
noun
- 1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
Kiefer
- 3. een houten of stenen podest, waarop de te straffen misdadigers tentoon werden gesteld
Schandpfahl
- 4. hard meelgebak
Schiffszwieback
- 2. een wang
Wange
- iets aan de kaak stellen
anprangern
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Unterkiefer
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
Tetanus
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
kahl
noun
1. persoon
Glatzkopf
Kahlkopf
verb
1. door plukken kaal maken
rupfen
noun
1. (landbouw) het vellen van alle bomen op een stuk grond
Kahlschlag
noun
2. klein stukje uitgebraden vet, spek of reuzel
Griebe
noun
- 1. een in zee vooruitstekende landpunt
Kap
- 1. (Vlaams) belangrijk moment, mijlpaal
Meilenstein
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Kap Arkona
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Kap der Guten Hofffnung
pronoun
1. een kaap in Zuidwest-Spanje, bekend om de gelijknamige zeeslag die er uitgevochten werd
Kap Trafalgar
noun
1. bepaald soort zoogdier, Arctocephalus pusillus pusillus
Südafrikanische Seebär
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
Kapstadt
/
ˈkaːp.stɑn.dər/
noun
1. kaapstander
Spill
Gangspill
/
kab.ˈvɛr.di.jə/, /
kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Kapverden
Kap Verde
verb
1. het behandelen van ruwe katoen of wol met behulp van een kaard
kardieren
/
kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
Kerze
noun
1. het schijnsel van een brandende kaars
Kerzenlicht
noun
- 2. bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
- 3. kartonnen of plastic vel uit een kaartspel, om mee te spelen
- 1. schematische afbeelding van een ruimtelijk gebied op een plat vlak in een verkleinde schaal
- nog in te delen vertalingen
Karte
/
kartspɛl/
noun
- 1. een spel met speelkaarten
- 2. een spel kaarten
Kartenspiel
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
Käse
/
ˈkasfaˈbrik /
noun
1. een groot bedrijf waar men kaas maakt
Käsefabrik
/
ˈkasfɔndy/
noun
1. een gerecht waarbij etenswaren in een saus van kaas gedompeld worden
Fondue
/
ˈkasxaf/, /
ˈkasχaf/
noun
1. een gebruiksvoorwerp waarmee een dun plakje van een stuk kaas kan worden gesneden
Käsehobel
/
ˈkasufle/
noun
1. een gefrituurde snack van een stuk kaas met daaromheen bladerdeeg en paneermeel
frittierter panierter Käse
/
kɑˈbal/
noun
1. zeer luide verstoring van rust en orde
Radau
/
'kɑbələ(n)/
verb
1. zacht stromen en geluid maken
plätschern
rieseln
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
Kabel
Drahtseil
Stahltrosse
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
Dorsch
Kabeljau
noun
1. en 2. lever van Gadus morhua voor opslag van bloed, galproductie en stofwisseling
Dorschleber
noun
1. een tang waarmee de hulsjes van kabelschoenen aan elektriciteitssnoeren en kabels worden vastgeknepen
Aderendhülsenzange
noun
1. straatmeubel waarin elektriciteit over verschillende stroomdraden wordt verdeeld
Kabelverteilerkasten
Kabelverteilerschrank
/
'kabul/
pronoun
1. Afghaanse stad/provincie
Kabul
noun
1. sprookjesfiguur
Wichtelmännchen
Heinzelmännchen
Hutzelmännchen
/
ˈkɑ.xəl/, /
ˈkɑ.xəɫ/, /
ˈkɑ.χɔɫ/
noun
1. een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
Ofen
Heizung
noun
1. een persoon die ovens, haarden en gelijkaardige stookplaatsen alsmede rookkanalen ontwerpt en bouwt maar niet installeert
Ofensetzer
Hafner
Hafnerin
Ofenbauer
Ofenbauerin
/
ˈkɑxtəl/, /
ˈkɑxtəɫ/, /
ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
Fohlen
Füllen
Gleiter
verb
1. een afbakening maken van de eigendomsrechten van grondbezit en deze in kaart brengen
eintragen
noun
1. dood lichaam van een dier
Kadaver
/
ˈkɑdiʃ/
noun
1. een joods gebed waarin Gods naam wordt geheiligd
Kaddisch
noun
1. beschoeide of gemetselde oeverstrook waaraan de schepen kunnen aanleggen
Kai
noun
- 2. situationele context, raamwerk, verband
Hintergrund
Rahmen
Zusammenhang
- 3. geschoolde medewerkers in een organisatie
Kader
- 1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
Rahmen
/
kɑf/
noun
1. de vliezen rondom de graankorrels
Spreu
pronoun
1. en 2.
Kaiserslautern
noun
1. een gesloten kano om in wild water of op zee te varen
Kajak
noun
1. overdekte gemeenschappelijke verblijfplaats op schepen
Kajüte
verb
1. een vis van de ingewanden ontdoen
ausnehmen
/
ˈkɑkhœʏs/
noun
1. toilet
Plumpsklo
Scheißhaus
adjective
Khakigrau
khakigrau
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
Schabe
Kakerlake
noun
1. rommelig geheel van vele klanken door elkaar
Kakophonie
noun
1. kaalhoofdig iemand
Glatzkopf
Kahlkopf
Kahler
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
Kalender
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
Kalb
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
Kalium
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
Truthahn
Truthenne
Pute
noun
2. orgaan van een kalkoen
Putenleber
/
ˌkɑ.lɪ.ˈpi.ɣɪs/
adjective
1. met een mooi achterste
kallipygisch
/
kɑlm/
adjective
1. weinig in beroering, zonder opwinding
ruhig
verb
- 1. kalm worden
beruhigen
besänftigenn
- 3. zich kalmeren
sich beruhigen
sich besänftigen
/
ˈkɑlmus/, /
ˈkɑɫmus/
noun
Kalmus
noun
1. een afgeschoten stalling voor één kalf in een stal
Kälberbox
noun
1. het houden en opfokken van kalveren voor de productie van kalfsvlees
Kälberhaltung
noun
1. eerste, voorbijgaande verliefdheid, jeugdige verliefdheid, jeugdliefde
Jugendliebe
Schwärmerei
noun
- 1. koop en verkoop van kalveren in het algemeen
- 2. een plek waar vraag en aanbod van kalveren bij elkaar komen
Kälbermarkt
noun
1. iemand die kalveren slachtrijp opkweekt
Kälbermäster
noun
1. een bedrijf dat zich met het houden en opfokken van kalveren voor de productie van kalfsvlees bevat
Kälbermästerei
/
kɑm/
noun
- 1. getand object om haren mee te verzorgen
Kamm
- 3. onderdeel van een snaarinstrument
Steg
/
kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
Kamel
Trampeltier
/
ka'melejɔn/
noun
- 1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
- 2. veranderlijk persoon
Chamäleon
noun
1. deel van een huis
Zimmer
Raum
Gemach
Stube
noun
1. een lange huisjas
Hausmantel
Morgenmantel
/
ka.mər.lɪt/
noun
1. iemand die een zetel in een der kamers van de volksvertegenwoordiging bekleedt
Abgeordneter
Parlamentsmitglied
Volksvertreter
/
ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
Kamerun
noun
1. een meubelstuk bestaand uit meerdere panelen, die verbonden zijn door scharnieren of op andere wijze
Wandschirm
noun
Raumtemperatur
Zimmertemperatur
noun
1. kamertoon
Kammerton
noun
1. elk van de planten van het geslacht Matricaria
Kamille
/
kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
kämmen
noun
- 1. een plaats waar een aantal troepen geruime tijd of permanent gehuisvest zijn
Feldlager
Lager
Camp
- 2. een kampeerplaats met een groep van bij elkaar horende tenten
Jugendlager
Zeltlager
noun
1. iemand die, gewoonlijk tijdens de vakantie, in een tent bivakkeert
Camper
verb
1. een vorm van openluchtrecreatie
zelten
campen
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
Geißblatt
Heckenkirsche
/
kɑmpiun/
noun
1. de winnaar van een kampioenschap
Meister
noun
vuur in een kamp waaromheen mensen zich (ter gezelligheid) verzamelen
Lagerfeuer
noun
1. een winkel op een kamp of een kampeerterrein
Laden
noun
- 1. serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
Kanne
- 1. een Mongoolse of Turkse vorst
Khan
verb
1. rechttrekken tot een kanaal
kanalisieren
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
Kanarienvogel
Kanarengirlitz
adjective
1. een heldergele kleur zoals die van sommige kanaries
kanariengelb
pronoun
1. een stad gelegen in Zuid-Afghanistan en de hoofdstad van de gelijknamige provincie
Kandahar
noun
kandelaar met verscheidene armen
Kandelaber
/
kɑndiˈdat/
noun
- 1. iemand die zich verkiesbaar gesteld heeft voor een politiek ambt
Kandidat
- 2. iemand die zich beschikbaar gesteld heeft voor een baan of functie
Kandidat
Bewerber
/
kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
Zimt
noun
1. tot poeder vermalen kaneel
Zimtpulver
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
Känguruh
Känguru
/
kanɪs/
noun
- 4.1
Birne
Dötz
Rübe
- 4.3
Leib
- 4.2
Maul
noun
2. iemand die iets doet dat buitengewoon gevonden wordt.
Ass
Könner
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
Krebs
noun
1. een zwelling van het weefsel door kwaadaardige groei
Krebsgeschwulst
noun
1. onderzoek naar de verschillende aspecten van kwaadaardige aandoeningen
Krebsforschung
noun
- 1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
Kannibale
Menschenfresser
- 2. woesteling
Kannibale
Wüterich
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
Kanone
noun
- 2. een mooie gelegenheid
Möglichkeit
Gelegenheit
Chance
- 1. mogelijkheid dat er iets gaat gebeuren
Wahrscheinlichkeit
Chance
noun
- 1. eerste minister
- 2. hoofd van een kanselarij
Kanzler
adjective
1. (veel) kans op succes hebbend
aussichtsreich
noun
Wahrscheinlichkeitsverteilung
/
kɑnt/
noun
- 3. zijde
Seite
- 1. een vorm van vlechtwerk
Spitze
- aan de andere kant
andererseits
/
kɑnˈtel/
noun
1. elk van de opstaande delen van de getande bovenkant van (oude) verdedigingsmuren
Zinne
noun
1. eetgelegenheid in bedrijven, scholen, verenigingen
Kantine
verb
1. troepen legeren in dorpen en steden
einquartieren
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
Büro
noun
1. een titel die aan bepaalde geestelijken wordt verleend binnen enkele christelijke kerkgemeenschappen.
Kanoniker
noun
1. de waardigheid en taken van een kanunnik
Kanonikat
noun
1. de waardigheid en taken van een kanunnik
Kanonikat
noun
1. klein kerkgebouw
Kapelle
noun
1. een priester van de katholieke kerk, werkzaam in een parochie
Kaplan
/
ˈka.pər.ˌbrif/
noun
1. een brief door de overheid of koning werd geschreven, waarmee een schip dat die brieven aan boord had het recht werd gegeven om schepen van vijandelijke mogendheden aan te vallen en leeg te roven
Kaperbrief
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Stiermarken
Kapfenberg
verb
1. kapitaal laten aangroeien
kapitalisieren
noun
- 1. persoon die fanatiek met geld bezig is
- 2. aanhanger van het kapitalisme
Kapitalist
noun
- 2. (beroep) (militair) een rang in de hiërarchie net boven die van luitenant
Hauptmann
- 1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
Kapitän
Hauptmann
/
kaˈpɪ.təl.ˌkɛrk/, /
kaˈpɪ.təɫ.ˌkɛrk/
noun
1. een kerkgebouw in een dorp
Chorherrenstift
Kanonikerstift
Kollegiatstift
Säkularkanonikerstift
noun
1. bepaald soort zeevogel, Larus ridibundus
Lachmöwe
/
'kɑpmɛs/
noun
1. stevig mes
Machete
adjective
- 2. niet meer goed functionerend
defekt
beschädigt
gebrochen
unterbrochen
zerbrochen
- 1. gebroken
kaputt
zerbrochen
/
'kɑpə(n)/
verb
- 1. het hoofdhaar knippen en in model brengen
frisieren
- 2. een boom onderaan met een bijl hakken tot die omvalt
fällen
- 3. met een snelle slag met een mes of bijl een verbinding verbreken
kappen
/
'kɑ.pər.tʲə/
noun
2. klein groen bloemknopje van de kappertjesplant, Capparis spinosa, dat meestal op zuur bewaard wordt en dat als kruiderij gebruikt wordt
Kaper
/
kɑpsɛɪ̯zə(n)/, /
kɑpsɛːzə(n)/
verb
1. ondersteboven komen liggen
kentern
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
Frisur
Haarschnitt
noun
- 1. pretenties
Schnöselei
- 2. kapsones hebben, hoge dunk van zichzelf hebben
verschnöselt
noun
1. opschepper
Schnösel
Wichtigtuer
noun
1. tafelfles met wijde buik en smalle hals
Karaffe
noun
- 1. aard
- 2. letter
Charakter
noun
1. gebrande suiker
Karamell
verb
1. door verhitting, suiker omzetten tot karamel
karamellisieren
pronoun
1. stad in Namibië
Karasburg
noun
1. japanse gevechtsport
Karate
/
kɑrboˈnadə/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
Kotelett
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bubalis bubalis
Wasserbüffel
noun
plant en zaad
Kardamom
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
Kardinal
noun
1. en 2. bladeren van Cynara cardunculus
Kardone
Cardy
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Acrocephalus
Rohrsänger
pronoun
2. spelwoord voor de letter k
Kaufmann
pronoun
1. een aan het Fins verwante taal die wordt gesproken in Karelië, Rusland en Finland
Karelisch
verb
1. een karikatuur maken van
karikieren
noun
1.
Karikaturenzeichner
Karikaturist
pronoun
- 1., 2. en 3.
- 4.
Karlsbad
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
- 2. een district in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Karlsruhe
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Karlstadt
noun
Karmelitanerin
Karmeliterin
adjective
Karminrot
karminrot
noun
1. de rode kleur van karmijn
karmesinrot
noun
1. gefermenteerde melk
Buttermilch
verb
1. het langdurig mechanisch bewerken van melk
buttern
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
Karpfen
noun
1. een lading ter grootte van die van een volbeladen kar
Fuhre
Ladung
noun
1. de verzameling verschijnselen die samenhangen met de oplosbaarheid van kalksteen onder invloed van koolzuur in de atmosfeer
Karst
/
kɑrˈtɔn/
noun
- 2. verpakking
Karton
- 1. bordpapier
Karton
Pappe
noun
plant, zaad en specerij
Kümmel
noun
1. gedroogde (gemalen) aromatische zaad van Carum carvi
Kümmelsamen
/
'kɑs/
noun
- 1. de bak die het ontvangen geld bevat
Kasse
- 3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...
Treibhaus
Gewächshaus
pronoun
1. een Westslavische taal die gesproken wordt in het oosten van Pommeren
Kaschubisch
kaschubisch
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
Kaspisches Meer
noun
1. vrouw of meisje die/dat in een winkel de kassa bedient
Kassiererin
pronoun
1. Duitse stad
Kassel
noun
1. iemand die het beheer heeft over de kas en de mutaties ervan bijhoudt
Kassierer
noun
1. vrouw die het beheer heeft over contant geld en de kaswijzigingen bijhoudt
Kassiererin
noun
1. vrouw of meisje met de taak de betalingen van klanten in een winkel of amusementsbedrijf te verwerken
Kassiererin
/
kɑs/, /
kɑst/
noun
- 3. gevangenis
Bau
- 4. een groot gebouw
Kasten
- 2. een televisietoestel (meestal als verkleinwoord: kastje)
Kiste
- 1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
Schrank
Kasten
noun
- 1. de vrucht
- 1. de boom
Kastanie
adjective
Kastanienbraun
kastanienbraun
noun
Kastanienmus
Maronencreme
Maronencrème
noun
- 1. streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
- 2. een zeer gesloten sociale kring
Kaste
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
Schloss
Kastell
noun
1. een systeem van rangen en standen in de maatschappij
Kastensystem
noun
1. een kastenstelsel
Kastensystem
noun
- 1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
Katze
- iemand een kat geven
jemandem eins auf den Deckel geben
noun
1. geheel van de afbraakprocessen in een lichaam
Katabolismus
adjective
1. aan een kat herinnerend of erop gelijkend.
katzenartig
noun
2. afzonderlijk karakter uit het Japans lettergreepschrift voor leenwoorden
Katakana
noun
Kataplexie
Schrecklähmung
Schreckstarre
noun
- 1. belegeringswapen
- 3. lanceerinrichting voor vliegtuigen
Katapult
- 2. speeltuig
Schleuder
Zwille
Katapult
noun
- 1. mannetje van de kat
Kater
- 2. gevolgen van alcoholgebruik
Kater
Katzenjammer
/
kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
Kathedrale
Dom
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
Katheter
noun
1-2 scheikunde + elektronica
Kathode
/
ˌka.to.ˈlik/
adjective
- 1. overeenkomstig de geloofsleer van de Katholieke Kerk
- 2. te maken hebbend met de Katholieke Kerk
katholisch
/
ka.ˈtɛɪf/, /
kɑ.ˈtɛːf/
adjective
1. ellendig, ongelukkig
elend
/
ka.ˈtɛɪf/, /
kɑ.ˈtɛːf/
noun
- 1. ellendeling, stakker
Dreckskerl
Hundsfott
armer Schlucker
- 2. feeks, boosaardig vrouwmens
Hexe
/
kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
Baumwolle
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
Rolle
Flaschenzug
/
ˈkɑtə(n)ˌbɑk/
noun
1. een bak waarin katten hun behoefte kunnen doen
Katzenklo
noun
Katzenminze
Katzenkraut
Katzenmelisse
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Kaufbeuren
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
Dohle
noun
1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
Kaugummi
noun
1. inwoner van Kazachstan
Kasache
pronoun
1. een taal die van oorsprong door de Kazachen in Kazachstan gesproken werd
Kasachisch
kasachisch
/
ˈka.zɑx.stɑn/, /
ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
Kasachstan
noun
1. inwoner van Kazachstan
Kasache
noun
1. gebouw waar soldaten gelegerd zijn
Kaserne
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
Kasel
Messgewand
/
keːl/
noun
1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
Kehle
Rachen
noun
1. dokter die zich gespecialiseerd heeft in ziekten van organen binnen het hoofd die direct contact met de buitenlucht hebben
Hals-Nasen-Ohren-Arzt
/
kelɔntstekɪŋ/
noun
1. een infectie van de slijmhuid van de keel
Halsentzündung
noun
1. pijnlijke irritatie van het slijmvlies in de keelholte, meestal door een ontsteking ervan
Halsweh
Halsschmerz
/
keːp/
noun
2. kleurrijke vinkensoort
Bergfink
/
ˈkipər/
noun
Torwart
Torhüter
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
Mal
noun
1. een steile wand waarachter grond of water wordt vastgehouden
Stützmauer
noun
1. risterploeg die zijn werk in twee richtingen kan verrichten
Wendepflug
noun
1. een steile wand waarachter grond of water wordt vastgehouden
Stützwand
noun
1.
Hinterseite
Kehrseite
Rückseite
noun
1. langharige, middelgrote hond met pluimstaart
Spitz
pronoun
1. stad in Namibië
Keetmanshoop
verb
- 1. blaffen van een kleine hond
belfern
blaffen
kläffen
- 2. kijven, luidkeels ruzie maken van vrouwen
keifen
noun
1. klein hondje dat hinderlijk veel blaft
Kläffer
noun
- 1. een blok met een schuine kant
Keil
Hemmschuh
- 2. snaardemper
Stimmkeil
/
ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
Kegel
noun
1. een kromme gevormd door het snijden van een kegel met een plat vlak
Kegelschnitt
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Kehl
/
'kɛɪɦɑrt/
adverb
1. bijzonder hard: zo hard als een kei
knallhart
steinhart
/
kɛil/
noun
- 2. keil (kegel)
Kegel
- 1. keil (wig)
Keil
noun
1.
Blocklehm
Geschiebelehm
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
Kaiser
Imperator
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
Kaiserin
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
Kaiserreich
Imperium
noun
1. operatieve verlossing
Kaiserschnitt
adjective
1. modieus
flott
keck
kess
noun
1. een ondergrondse bergruimte
Keller
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
- 2. een district in de Duitse deelstaat Beieren
Kelheim
pronoun
1. Belgische gemeente in de Oostkantons
Kelmis
/
kɛɫt/
noun
1. lid van een Indo-Europees volk waarvan na de Romeinse tijd de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
Kelte
/
kɛɫtən/
noun
2. Indo-Europees volk waarvan de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
Kelten
/
ˈkɛl.tis/, /
ˈkɛɫ.tis/
adjective
1. met betrekking tot Kelten
keltisch
noun
1. bepaald soort vogel, Calidris pugnax
Kampfläufer
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Kempten
/
ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
Kenia
/
'kɛnmɛrkə(n)/
verb
1. een herkenningspunt ergens van zijn
kennzeichnen
adverb
1. zoals inmiddels duidelijk is geworden
offenbar
verb
- 1. bekend, vertrouwd zijn met
- 2. door studie of oefening geleerd hebben
kennen
/
ˈkɛnɪs/
noun
- 1. wat je weet of hebt geleerd
Wissen
Kenntnis
- buiten kennis
bewusstlos
- 1. iemand met wie men bekend is
Bekannte
noun
- 1. een teken waaraan iets of iemand herkenbaar is
- 2. een identificatienummer van een (gemotoriseerd) voertuig
Kennzeichen
noun
1. een identificatiedocument voor voertuigen
Kraftfahrzeugschein
noun
1. een combinatie van cijfers en letters op de kentekenplaat van een motorvoertuig of aanhanger
Kennzeichennummer
noun
1. een strook metaal waarop een kentekennummer is vermeld
Kennzeichenschild
/
ˈkɛpəl/
noun
1. hoofddeksel in de vorm van een ondiep bolsegment
Kippa
Käppchen
/
kɛrk/
noun
- 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
- 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
- 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
Kirche
/
ˈkɛrk.aˌsil/, /
ˈkɛrk.aˌsiɫ/
noun
1. recht op ongestoord verblijf in een kerk tijdens religieuze bezigheden
Kirchenasyl
/
ˈkɛrk.bɑn/
noun
1. uitsluiting van de sacramenten of de kerkgemeenschap
Exkommunikation
/
ˈkɛrk.bɑŋk/
noun
1. harde langwerpige constructie waar in een kerkgebouw waarop gelovigen tijdens een dienst kunnen zitten
Kirchenbank
/
ˈkɛrk.bəˌlɑs.tɪŋ/
noun
1. een vorm van belasting die door kerkgenootschappen geheven wordt
Kirchensteuer
noun
1. de bovenste bedekking van een christelijk religieus gebouw
Kirchendach
noun
1. bijeenkomst van een christelijke gemeente waarin God vereerd wordt
Gottesdienst
/
ˈkɛr.kə.lək/
adjective
1. verband hebbend met de kerk
kirchlich
/
kɛrkər/
noun
1. een ondergrondse ruimte die bestemd is voor het opsluiten van gevangenen
Kerker
/
ˈkɛrkχɑŋər /
noun
1. een gelovige die zich naar de kerk begeeft om de kerkdienst bij te wonen
Kirchengänger
Kirchgänger
/
ˈkɛrkχɑŋstər /
noun
1. een gelovige vrouw die zich naar de kerk begeeft om de kerkdienst bij te wonen
Kirchengängerin
Kirchgängerin
/
ˈkɛrk.ɣəˌbɔʊ̯/, /
ˈkɛrk.χəˌbɑʊ̯/
noun
1. een bel naast de ingang van de sacristie die tijdens kerkdiensten geluid wordt
Kirchengebäude
Kirche
/
ˈkɛrk.ɣəˌsxi.də.nɪs/, /
ˈkɛrk.χəˌsχi.də.nɪs/
noun
1. een deel van de wereldgeschiedenis zoals die zich verhoudt tot het christendom
Kirchengeschichte
/
ˈkɛrk.hɛrˌvɔr.mər/
noun
2. een persoon die betrokken was bij het ontstaan en/of vormkrijgen van de reformatie
Reformator
/
ˈkerk.ɦɪsˌtoː.ri/, /
ˈkerk.ɦɪsˌto̝ː.ri/
noun
1. een deel van de wereldgeschiedenis zoals die zich verhoudt tot het christendom
Kirchengeschichte
noun
1. terrein waar overledenen begraven worden
Friedhof
Kirchhof
/
ˈkɛr.klɔk/
noun
1. een bel in de toren van een kerk
Kirchenglocke
noun
1. lied bedoeld om tijdens de eredienst of mis te zingen
Kirchenlied
noun
1. een toren bij een kerk
Kirchturm
/
ˈkɛrgœːl/, /
ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /
ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
Schleiereule
noun
1. grotere ruimte in een gebouw bestemd voor missen of vieringen
Kirchensaal
noun
1. een feest met attracties
Kirmes
noun
1.
Jahrmarktsorgel
Kirmesorgel
noun
- het binnenste
- het meest belangrijke
Kern
/
ˈkɛrnandrɛɪvɪŋ/
noun
aangedreven door kernenergie
Atomantrieb
adjective
1. raak gezegd, in weinig woorden raak samenvattend
kernig
adverb
1. op kernachtige wijze
kernig
noun
1. energie geproduceerd door kernfusie of kernsplijting, waarmee in een kerncentrale elektriciteit wordt opgewekt
Kernenergie
Atomenergie
noun
1. het proces waarbij twee atoomkernen botsen en één zwaardere kern vormen waarbij energie vrij komt
Kernfusion
noun
Kernreaktor
Atomreaktor
noun
1. een rampzalige gebeurtenis waarbij de brandstof van een kernreactor smelt door het wegvallen van de koeling
Kernschmelze
noun
1. datgene wat hoofdzaak is van datgene waar men verantwoordelijk voor is
Hauptaufgabe
adjective
Currygelb
currygelb
noun
1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
Kirsche
/
ˈkɛr.sə.ˌlaːr/
noun
- 1. een boom uit het geslacht Prunus
Kirschbaum
- 2. het hout van een boom uit het geslacht Prunus
Kirschbaumholz
Kirschholz
noun
1. benaming voor bomen waaraan kleine ronde vruchten groeien, uit het ondergeslacht Prunus subg. Cerasus
Kirschbaum
/
kɛr.ˈsta.vɔnt/, /
kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
Heiligabend
/
ˈkɛrsd.bɑɫ/, /
ˈkɛrz.bɑl/
noun
1. een bal die men als versiering ophangt aan de takken van een kerstboom
Christbaumkugel
Weihnachtskugel
/
ˈkɛrsd.bom/, /
ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
Weihnachtsbaum
Christbaum
/
ˈkɛrs.dɑx/, /
ˈkɛrs.dɑχ/, /
ˈkɛrz.dɑx/
noun
Weihnachtstag
/
ˈkɛrstdine/
noun
1. een maaltijd uit meerdere gangen op grond van Kerstmis
Weihnachtsessen
Weihnachtsmahl
/
ˈkɛr.stə.ˌnə(n)/
verb
2. heidense volkeren, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren; veelal in historische context
christianisieren
/
ˈkɛr.stə.ˌnɪŋ/
noun
1. het proces waarbij heidense volkeren zich, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren
Christianisierung
/
ˈkɛrs.kart/, /
ˈkɛrst.kart/
noun
1. een wenskaart die wordt gekenmerkt door een kerstgroet en wensen voor het komende nieuwe jaar
Weihnachtskarte
/
ˈkɛrs.lid/, /
ˈkɛrst.lit/
noun
1. een op Kerstmis betrekking hebbend lied
Weihnachtslied
/
ˈkɛrs(t)məs/, /
ˈkɛrsmɪs/, /
ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
Weihnachten
/
kɛrst.ˈnɑxt/, /
kɛrst.ˈnɑχt/, /
ˈkɛrs.nɑx/
noun
1. de nacht van 24 op 25 december
Christnacht
Heilige Nacht
/
ˈkɛr.sto.ˌmat/
noun
1. een trostomaat zo groot als een kers
Kirschtomate
/
ˈkɛr.stɑl/, /
ˈkɛr.stɑɫ/
noun
1. een voorstelling van de geboorte van Jezus met figuren van hout of gips, die vooral in katholieke gezinnen rond Kerstmis in huis te vinden is, vaak onder de kerstboom
Weihnachtskrippe
Krippe
/
ˈkɛrstɛr/
noun
Weihnachtsstern
/
ˈkɛr.stɔl/, /
ˈkɛr.stɔɫ/
noun
1. een speciaal brood gebakken voor de kerst gevuld met noten, vruchten en spijs
Christstollen
Stolle
Stollen
/
ˈkɛrst.fa.ˌkɑn.si/, /
ˈkɛrst.fa.ˌkɑn.ʦi/, /
ˈkɛrz.va.ˌkɑn.si/
noun
1. een schoolvakantie op het einde van het jaar die gewoonlijk twee weken duurt
Weihnachtsferien
/
ˈkɛrst.fər.ˌsiː.rɪŋ/, /
ˈkɛrz.vɛr.ˌsiː.rɪŋ/
noun
1. aangekochte of zelfgemaakte voorwerpen die gebruikt worden ter versiering ter gelegenheid van Kerstmis
Weihnachtsschmuck
Weihnachtsdekoration
noun
- 2. keukenkruid
Kerbel
- 1. plant
echter Kerbel
noun
1. een saus op basis van tomaten
Ketchup
noun
- 1. meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
Kessel
- 3. keteldal
Talkessel
- 2. waterketel
Wasserkessel
/
ˈke.təl.dɑl/, /
ˈke.təɫ.dɑɫ/, /
ˈkeː.təl.dɑl/
noun
1. een half cirkelvormige vallei gevormd door de erosie die een gletsjer veroorzaakt
Kar
Bergkessel
Talkessel
noun
1. uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
Kette
noun
zuurvergiftiging bij suikerziekte
Ketoazidose
noun
1. iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
Ketzer
/
ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
Ketzerei
noun
- 3. een eindeloze band van schakels met rollen of haken, die over kettingwielen gespannen, kracht overbrengt
Antriebskette
- 4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
Halskette
- 2. een stevige, maar buigzame verbinding van in elkaar grijpende ringen of achtvormige schakels
- 1. een aaneengesloten reeks van gelijksoortige elementen, gebeurtenissen etc.
- 5. schering, de rechte draden waartussen de inslag ingeweven wordt
Kette
noun
1. een aanrijding van vanachter waarbij de aangereden auto doorschiet tegen zijn voorligger aan
Massenkarambolage
noun
1. metalen, linnen of plastic hoes om een fietsketting die ook de tandwielen omvat, bedoeld om de ketting en de kleding van de fietser te beschermen
Kettenschutz
Kettenhaube
Kettenkasten
noun
1. motorzaag die een ketting met getande schakels heeft
Kettensäge
/
ˈkøːkə(n)/
noun
- 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
- 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
Küche
noun
1. alle gebruiksvoorwerpen in de keuken
Küchengeräte
noun
1. een met papier/gerecycled papier omwikkelde kartonnen rol die vaak in de keuken word opgehangen in een houder om vervolgens gebruikt te worden als je bijvoorbeeld een glas drinken omgooit
Küchenrolle
/
ˈkøkə(n)ˌʋɛkər/
noun
1. een apparaatje dat in de keuken gebruikt wordt om de tijd te meten
Kurzzeitwecker
noun
1. uit natriumchloride bestaand voedingszout
Kochsalz
noun
1. een lokaal, Ripuarische dialect dat in Keulen wordt gesproken
Kölsch
verb
1.zich een oordeel vormen over de waarde of deugdelijkheid van iets
prüfen
noun
- 1. proces van het keuren
Prüfung
- 2. onderzoek
Untersuchung
noun
1. merkteken als bewijs van keuring
Gütesiegel
/
'kø:s/
noun
gelegenheid
Wahl
verb
1. gezellig praten zonder al te veel diepgang
plaudern
erzählen
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
Wahl
Auswahl
/
ˈkevər/, /
ˈkɛvər/
noun
1. bepaald insect
Käfer
/
ˈkiːbɔː(r)d/, /
ˈkiːbɔː(r)t/
noun
- 1. een elektronisch muziekinstrument met een toetsenbord
Klaviatur
Keyboard
Tastatur
Manual
- 2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
Tastatur
pronoun
1. taal die in Cambodja gesproken wordt
Khmer
/
kɪbələ(n)/
verb
1. woordenstrijd hebben
zanken
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
kidnappen
/
ˈkɪd.ˌnɑ.pər/, /
ˈkɪt.ˌnɑ.pər/, /
ˈkɪt.ˌnɛ.pər/
noun
1. iemand die mensen kidnapt of ontvoert
Entführer
Kidnapper
kidnapper
noun
1.1 benaming voor roofvogels uit het geslacht Circus
Weihe
noun
- 1. verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip
- 1. plectrum
Kiel
noun
1. onderdeel aan de bovenkant van de toets van een strijkinstrument
Obersattel
Sattel
noun
- 1. spoor van waterstroom (achter een schip)
Kielwasser
- 2. (uitdrukking) in het
im Kielwasser
/
'kim.ʋɔr.təl/
noun
1. eerste worteltje van een zaailing
Keimwurzel
Wurzelkeim
noun
1. pijn in één of meerdere kiezen
Zahnschmerzen
noun
1. de wijze waarop de volksvertegenwoordiging bij verkiezingen wordt gekozen.
Wahlsystem
noun
minachtende aanduiding voor het electoraat
Wahlvieh
verb
1. het prikkelen van gevoelige stukken huid bij anderen door middel van licht aanraken
kitzeln
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiew
adjective
Kieselgrau
kieselgrau
/
ˈkizəɫˌʋirə(n)/
noun
2. stam van eencellige organismen, Bacillariophyta
Diatomeen
Kieselalgen
noun
1. (scheikunde) een zwak zuur dat is afgeleid van siliciumdioxide
Kieselsäure
verb
- kiezen voor iets
entscheiden
- 1. uit meerdere mogelijkheden één nemen
wählen
noun
1. iemand die stemt bij een politieke verkiezing
Wähler
noun
1. een statistische bepaling van het aantal kijkers en hun waardering van een bepaald televisieprogramma
Einschaltquote
Quote
noun
1. iemand die kijkt
Zuschauer
verb
1. ruzie maken, een woordenstrijd hebben
keifen
zetern
noun
- 1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
Frosch
- 2. een dubbele haak ter bevestiging van een touw
Klampe
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
Kichererbse
noun
1. fijn gemalen kikkererwten
Kichererbsenmehl
noun
1. kikker- of paddenlarve
Kaulquappe
noun
- 1. informele afkorting van "kilogram" de SI-eenheid van massa (symbool: kg)
- 2. informele afkorting van "kilogram" een niet-SI-eenheid van gewicht of kracht
Kilo
noun
1. duizend ohm
Kiloohm
noun
1. duizend ampère
Kiloampere
kA
abbreviation
1. kilogram
Kilogramm
noun
1. duizend henry
Kilohenry
noun
1. duizend hertz
Kilohertz
noun
1. duizend meter
Kilometer
noun
1. kilopascal (1000 Pa)
Kilopascal
noun
1. duizend siemens
Kilosiemens
noun
1. duizend volt
Kilovolt
kV
noun
1. duizend watt
Kilowatt
kW
interjection
- 1. horizon
Horizont
- 3. strook aan de zijkant van een enkel blad
Umbug
noun
1. de kleine spiegel van in sextant of octant
Horizntspiegel
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
Kinn
noun
- 1. mens tussen 0 en 18 jaar
- 2. persoon voortkomend uit
Kind
adjective
1. zich niet als volwassene gedragend alsof men nog een kind is
kindisch
noun
1. een arts die gespecialiseerd is in de behandeling van kinderen
Kinderarzt
noun
1. toeslag van staatswege, bedoeld om de opvoeding van kinderen gemakkelijker te maken
Kindergeld
noun
Ganztagskindergarten
Kindertagesstätte
Kita
noun
- 2. kinderverzorgster belast met de verzorging van kinderen, en het toezicht over de kinderen in een instelling
Kinderbetreuerin
- 1. kindermeisje (in een huishouden)
Kindermädchen
noun
1. een kamer die speciaal is ingericht voor kinderen
Kinderzimmer
noun
1. natuurstenen kei met ronde bovenkant gebruikt voor verharden van wegen
Katzenkopf
Pflasterstein
noun
1. de behandeling van een kind met het toebrengen van fysieke of psychische schade als doel
Kindesmissbrauch
Kindesmisshandlung
noun
1. het om het leven brengen van een kind
Kindermord
noun
- 1. ziekte bij kinderen
- 2. fout, tekortkoming bij een nieuw voorwerp, project of plan
Kinderkrankheit
noun
1. kind dat deelneemt aan een gewapend conflict
Kindersoldat
adjective
1. geschikt voor kinderen, met voorzieningen die gezinnen met kinderen waarderen
kinderfreundlich
noun
Physiotherapie
Heilgymnastik
/
kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
Keuchhusten
noun
1. klein vrijstaand winkeltje waar men snoep, koffie, kranten en tijdschriften kan kopen
Kiosk
Verkaufsstand
/
kɪp/
noun
- 1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
Huhn
Hühnchen
- 2. kippenvlees
Huhn
Hühnerfleisch
noun
hok voor kippen
Hühnerstall
Hühnerhaus
noun
1. orgaan dat een grote rol speelt in de stofwisseling van een hoen, na het slachten vaak gegeten als delicatesse
Pouletleber
/
ˈkɪpəvɛɫ/
noun
1. het verschijnsel waarbij als gevolg van kou de huid gaat kleine bubbeltjes vertoont
Gänsehaut
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Kirchentellinsfurt
/
kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /
kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
Kirgisistan
/
ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Kiribati
noun
1. een alcoholische drank die bereid wordt door gegist kersensap te destilleren
Kirschwasser
/
kɪts/
adjective
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
Ketsch
noun
1. schijnkunst die niet aanslaat met veel versieringen en/of de verkeerde materialen waarvan de meeste mensen denken dat het wansmaak is
Kitsch
pronoun
- 1. een district in de Duitse deelstaat Beieren
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Kitzingen
noun
2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
Kiwi
Kiwifrucht
/
klaːr/
adjective
- 1. in staat van gereedheid gebracht, gereed
fertig
- 2. helder, duidelijk
klar
adjective
1. kennelijk
offenkundig
evident
verb
- 2. uit ingrediënten klaarmaken
bereiten
- 1. voorbereiden
bereitmachen
herrichten
- 3. iemand bevredigen en tot een orgasme brengen
es machen
verb
1. iets moeilijks in orde of ten einde brengen
schaffen
pronoun
1. denkbeeldig mannetje dat mensen 's nachts iets in de ogen strooit zodat ze kunnen slapen
Sandmann
noun
1. een aanklacht
Klage
Beschwerde
noun
1. een blok met kladpapier
Konzeptblock
Notizblock
verb
1. ongenoegen uiten
klagen
adjective
1. een beetje vochtig aanvoelend
klamm
feucht
noun
1. fijn net waaronder men slaapt om muggen buiten te houden
Moskitonetz
noun
2. een klem of haak waaraan een touw kan worden bevestigd
Klampe
noun
1. in het algemeen wordt hiermee het totaal aan eigenschappen van een geluid aangeduid
Klang
Laut
noun
gedicht waarvan de woorden niets betekenen en waarbij dus alleen de klank ertoe doet
Lautgedicht
noun
gedicht waarbij niet de betekenis van de woorden maar de klank centraal staat
Lautgedicht
/
ˈklɑŋknabotsɪŋ/
noun
- 1. het (proberen) een zelfde geluid te produceren
- 2. een woord dat is ontstaan uit het proberen een geluid na te doen
Lautmalerei
/
ˈklɑŋk.və.ˌrɑn.də.rɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat een klank in een taal in de loop van de tijd vervangen wordt door een andere klank
Lautwandel
/
ˈklɑŋk.vər.ˌsχœʏ̯.vɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat een klank in een taal in de loop van de tijd vervangen wordt door een andere klank
Lautverschiebung
Lautwandel
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
Kunde
Klient
noun
1. een verzameling klantgegevens (persoonlijke gegevens, bankgegevens, bestelgeschiedenis, lopende bestellingen,...
Kundenkonto
noun
1. maatregelen van een bedrijf om iemand als klant te behouden
Kundenbindung
noun
- 2. bestraffing
Klaps
- 1. plotselinge, luidruchtige slag
Knacks
noun
1. bepaald soort zoogdier, Cystophora cristata
Klappmütze
verb
1. applaudisseren
klatschen
applaudieren
/
ˈklɑ.pərˌve.zəl/, /
ˈklɑ.pərˌve.zəɫ/
noun
1. een vezel gewonnen uit de schil van een kokosnoot
Kokosfaser
Coir
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
Mohn
Klatschmohn
Klatschrose
Kornrose
noun
1. een schaats die bij het langeafstandsschaatsen gebruikt wordt
Klappschlittschuh
/
ˈklɑpstuːl/
noun
stoel met opklapbare zitting
Klappstuhl
noun
- 2. hoogtepunt van een uitvoering, concert
Höhepunkt
- 1. ± stuk rundvlees van de borst of klaprib, dat langdurig in een oven gebraden wordt
Rinderbrust
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
Klarinette
noun
1. klarinettist
Klarinetbläser
Klarinettist
noun
1. een soort trompet met een schelle klank
Bügelhorn
/
klɑs/
noun
- 1. een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
- 2. een leerjaar op school
Klasse
- 3. een klaslokaal
Schulzimmer
noun
1. een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
Klassenzimmer
Klassenraum
noun
1. een leerling die in naam van de klas waar hij deel van uitmaakt het woord voert.
Klassensprecher
noun
1. een vrouwelijke klassenvertegenwoordiger
Klassensprecherin
/
ˈklʌʊtərə(n)/
verb
1. klimmen, zich verticaal verplaatsen met behulp van alle vier de ledematen
klettern
klimmen
steigen
/
klʌu/
noun
- 2. hand
Klaue
Kralle
- 1. poot van een roofdier
Kralle
Klaue
Fänge
noun
1. klauwplaat
Spannfutter
noun
- 1. langwerpig vierkant toetsinstrument dat behoort tot de muzikale familie van de toetsinstrumenten.
Clavichord
Klavichord
- een ongebonden klavechord
ein bundfreies Clavichord
ein ungebundenes Clavichord
- een gebonden klavechord
ein gebundenes Clavichord
noun
1. toetsinstrument
Cembalo
noun
1. langwerpig vierkant toetsinstrument dat behoort tot de muzikale familie van de toetsinstrumenten.
Klavichord
verb
- 1. kleren aandoen
- 2. met weefsel bedekken, van kleding voorzien
kleiden
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
Kleidung
noun
1. rek van hout, metaal of kunststof waaraan je jassen en overhemden kunt hangen
Kleiderbügel
noun
1.
Kleidungstück
Kleidungsstück
noun
Ankleiderin
Garderobiere
pronoun
1. stad in Duitsland
Kleve
/
ˈmɑjsɛtmel/
noun
1. bindmiddel dat uit de korrels van kleefmais wordt gewonnen
Wachsmaisstärke
noun
1. rijstsoort die veel zetmeel bevat
Klebreis
noun
1. rek van hout, metaal of kunststof waaraan je jassen en overhemden kunt hangen
Kleiderbügel
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
Schneider
noun
1. nachtvlindersoort waarvan de rupsen textiel eten
Kleidermotte
/
klɛɪ̯/, /
klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
Ton
Lehm
adjective
1. van geringe grootte
klein
noun
gemeines Greiskraut
gemeines Kreuzkraut
gewöhnliches Greiskraut
noun
1. het kleinetertsakkoord
Mollakkord
adjective
- 1. de klasse tussen de gegoede burgerij en de arbeiders
kleinbürgerlich
spießbürgerlich
- 2. benepen, bekrompen
spießig
kleinbürgerlich
spießbürgerlich
noun
1. cirkel op bol met verschillende middelpunten
Kleinkreis
/
ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
Enkelin
pronoun
1. een hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk sterrenbeeld
Kleiner Bär
noun
1. roestbruine nachtvlinder met weinig kleur, Phragmatobia fuliginosa
Rostflügelbär
Zimtbär
noun
1. bepaald soort meeuw, Larus glaucoides
Polarmöwe
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Kleiner Hund
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Cobitis taenia
Steinbeisser
noun
1. een toonladder met een kleine terts
Molltonleiter
noun
1. een toonladder met een kleine terts
Molltonleiter
noun
1. een toonladder met een kleine terts
Molltonleiter
noun
1. een toonladder met een kleine terts
Molltonleiter
/
ˈklɛːnɣɛlt/
noun
1. geld in kleine coupures, vooral in munten
Kleingeld
/
ˈklɛːŋkɪnt/, /
ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
Enkelkind
Enkelin
Enkel
noun
1. klein voorwerp van hoge waarde
Kleinod
noun
1. werkwijze of structuur waarin hoeveelheden of aantallen beperkt zijn
Übersichtlichkeit
noun
1. kleinseptiemakkoord
Mollseptakkord
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
Enkel
Enkelsohn
noun
1. een werktuig waarin iets door samendrukken bijeengehouden of vastgezet kan worden
Klammer
Klemme
noun
Betonung
Akzent
Nachdruck
/
ˈklepəl/
noun
peervormige staaf in een klok
Klöppel
noun
1. de onweerstaanbare drang om te stelen
Kleptomanie
verb
2. praten, babbelen
plaudern
schwatzen
schwätzen
plauschen
noun
1. nonsens, geleuter
Quatsch
/
kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
Farbe
verb
1. van kleur voorzien met potloden, stiften, wasko etc.
färben
noun
1. het maken van foto's waarbij in de afbeelding de kleurindrukken van het origineel benaderd worden
Farbfotografie
adjective
1. een kleur hebbend (gekleurd) of een verscheidenheid aan kleuren vertonend
farbig
adjective
1. vol opvallende kleuren
farbenprächtig
noun
1. stof waarmee men iets kleurt
Farbstoff
noun
1. een jong kind in de leeftijd van vier tot zes jaar
Kindergartenkind
/
ˈklivə(n)/
verb
1. langs een scherp breukvlak in tweeën hakken
spalten
noun
1. steile hoge rots
Klippe
noun
- 1. kort geluid
- 2. actie op en computerscherm
Klick
- 3. soort medeklinker
Klicklaut
verb
2. met een muis of anderszins een keuze kenbaar maken door op een vlak op het scherm te drukken
klicken
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
Klima
noun
iemand die voortdurend de mening uitdraagt dat een rampzalige...
Klimaalarmist
noun
1. de verandering van het klimaat in een bepaald gebied over een bepaalde periode, m.n. de wereldwijde opwarming sinds de 19e eeuw
Klimawandel
Klimaveränderung
/
klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
Klimatologie
verb
- 2. stijgen, omhooggaan, groeien, hoger worden of komen
aufsteigen
verbessern
- 1. het bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
klettern
steigen
klimmen
/
'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
Efeu
noun
1. planten die tegen voorwerpen aan omhoog kunnen groeien
Kletterpflanze
noun
1. klimconstructie
Klettergerüst
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
Klingonisch
noun
1. een inrichting waar patiënten worden verpleegd
Klinik
/
klɪŋk/
noun
- 2. constructie om een deur gesloten te houden
Klinke
- 1. handvat om de deur te openen of te sluiten
Türgriff
verb
1. een bepaalde klank voortbrengen
klingen
/
ˈklɪŋkər/
noun
- 3. een harde baksteen die door zijn structuur geen water opzuigt
Klinker
- 1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
Vokal
Selbstlaut
noun
1. morfologisch proces waarbij de klinkers veranderen binnen een bepaald paradigma, zoals bij sterke werkwoorden
Vokalalternanz
Vokalwechsel
noun
1. een metalen verbinding tussen twee platen bestaande uit twee cilidrische delen die van weerszijden,...
Niet
adverb
1. zo duidelijk dat een misverstand uitgesloten is
klipp und klar
noun
1. plant met kleverige bloemknoppen
Klette
noun
- 1., 2. plant met kleverige bloemknoppen
- 4. een zeer aanhankelijke persoon
Klette
noun
- 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
Glocke
- 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
Uhr
/
ˈklɔkɦœs/, /
ˈklɔkɦœʏs/
noun
1. binnenste van een vrucht
Gehäuse
verb
2. een geluid voortbrengen dat als "klok" klinkt
blubbern
glucken
gluckern
glucksen
noun
1. iemand die een klokkenspel, beiaard of carillon bespeelt
Glockenspieler
noun
1. muziekinstrument met klokken
Glockenspiel
noun
1. iemand die een beiaard of carillon bespeelt
Glockenspieler
noun
1. een constructie die dient voor het ophangen van een of meerdere klokken
Glockenstuhl
/
klɔmp/
noun
- 1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
Holzschuh
- 2. een vrij vormeloze hoeveelheid materiaal
Klumpen
verb
1. een identieke kopie van een levend wezen maken
klonen
klonieren
noun
1. een hoeveelheid verdikt materiaal met een omvang die niet goed te definiëren is.
Klumpen
noun
1. een brok min of meer vaste stof in een vloeiende massa
Klümpchen
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord klont
Klümpchen
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
Schlucht
/
klon/
noun
1. een levend wezen dat een exacte genetische kopie is van een ander wezen
Klon
/
klostər/
noun
- 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
- 2. een kloostergemeenschap als zodanig
Kloster
noun
3. informele benaming voor teelbal
Eier
Klöten
verb
- 1. tegen iets slaan
klopfen
- 2. hoorbaar bewegen
klopfen
schlagen
- 5. verslaan
- 4. in toestand brengen
schlagen
- 3. in overeenstemming zijn
stimmen
/
ˈklɔpt/
interjection
bevestiging
richtig
stimmt
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk
Klosterneuburg
verb
1. het op bepaalde wijzen splijten van een diamant
spalten
noun
- 3. schijnvertoning
Farce
- 2. lachwekkend voorval
Farce
Komödie
- 1. toneelstuk
Posse
Schwank
- 4. groep samenlevende dieren
Schwarm
/
klœʏs/, /
klœːs/
noun
1. een tegen inbraak en brand beveiligde kist of kast
Safe
Tresor
Schließfach
noun
afsluitbare deur van een brandkast
Tresortür
/
klœʏt/, /
klœːt/
noun
- 2. een brokkelige onsamenhangende massa
Brocken
Klumpen
- 1. de aarde om een wortelstelsel van een plant
Wurzelballen
verb
1. een bot in handen houden en er vlees van afhappen
kauen an
nagen an
noun
1. iemand die alleen en in afzondering leeft
Einsiedler
noun
een woning van een kluizenaar
Einsiedelei
Klause
Ermitage
noun
1. een onhandig persoon
Stümper
/
klyt/
noun
1. bepaald soort watervogel, Recurvirostra avosetta
Säbelschnäbler
noun
1. tot een bol opgewonden draad
Knäuel
/
ˈknaxdiːr/, /
ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
Nagetier
Nager
noun
1. jongen, jongeman
Knabe
noun
2. aan een kapstok te hangen voorwerp om kleding over te hangen
Kleiderbügel
verb
1. met de tanden aanvreten
nagen
noun
- 1. kort, droog geluid van iets dat breekt (knakt)
- 3. beschadiging, schade
Knacks
- 2. breuk, waarbij de delen blijven samenhangen
Sprung
noun
1. een mengsel van zuurstof en waterstof in (ongeveer) de verhouding 1:2
Knallgas
verb
1. een hard geluid of knal geven
knallen
adjective
1. opvallend helder en verzadigd roze
knallrosa
adjective
- 2. aantrekkelijk
hübsch
- 1. verstandig
klug
verb
1. hoorbaar zijdelings bezwijken
knacken
verb
1. geluid voortbrengen door twee hard oneffen voorwerpen met kracht over elkaar heen te bewegen
knarren
quietschen
verb
1. de kaken op elkaar geklemd over elkaar bewegen, gewoonlijk uit ergernis of frustratie
knirschen
verb
1. een massa soepel maken door er steeds in te knijpen
kneten
verb
1. pijnlijk drukken
drucken
spannen
adjective
1. ontzettend gek
behämmert
verrückt
noun
1. bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
Bluthänfling
Hänfling
adjective
- 1. knus
behaglich
gemütlich
- 2. bekrompen
borniert
kleinbürgerlich
kleinkariert
spießig
noun
- 1. een prop, doek of stuk plakband waarmee iemand het spreken belet wordt
Knebel
- 2. grote brede snor
Schnurrbart
verb
1. binden, boeien
knebeln
noun
- 1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
Knie
- iets onder de knie hebben
beherrschen
noun
- 1.2. buiging als vorm van sportbeoefening
Kniebeuge
- 2. (figuurlijk) op nederige wijze uitgevoerde inwilliging van een wens
Kniefall
- 1.1. buiging als eerbetoon
Niederknien
verb
1. op de knieën gaan
knien
noun
1. het schijfvormige bot in de knie
Kniescheibe
noun
1. een ouderwetse bril die op de neus geknepen werd gedragen
Zwicker
Binokel
verb
1. tussen twee punten druk uitoefenen
kneifen
/
'knɪkə(n)/
verb
1. een verticale beweging met het hoofd maken
nicken
noun
1. balletje van glas, marmer, steen, hout of klei
Murmel
Bucker
Knicker
noun
1. Caesalpinia bonduc
Molukkenbohne
noun
1. opvouwbaar mes waarbij vaak een veer zorgt voor het uitklappen
Klappmesser
verb
1. open- en dichtgaan van de ogen
zwinkern
noun
1. teken in de vorm van het kort toeknijpen van een oog om verstandhouding of waardering uit te drukken
Augenzwinkern
verb
2. een klikkend geluid met de vingers maken
schnipsen
noun
2. oranje knipperende lamp aan de zijkant van een voertuig, gebruikt om aan te geven dat men het voertuig naar rechts of links wil manoeuvreren
Blinker
Blinkleuchte
verb
1. een licht knetterend geluid maken
knistern
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Knittlingen
noun
- 2. bundel ineengedraaid haar
Dutt
- 1. karwats
Knute
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
Knoblauch
noun
1. vingergewricht
Fingerknöchel
Knöchel
verb
1. vechten
kämpfen
fechten
noun
- 3. aftands werkpaard.
Gaul
- 1. verdikte plantenwortel.
Knolle
- 2. koolraap, een eetbare wortel van een plant uit het geslacht Brassica.
Rübe
noun
Knollensellerie
Sellerie
noun
- 3. aan een jas e.d.
Knopf
- 1. in een draad
- 2. snelheidsmaat
Knoten
noun
1. een platte knoopvormige batterij die meestal in draagbare elektronische apparatuur wordt gebruikt
Knopfzelle
noun
- 1. een kruispunt van twee of meer grote wegen
Autobahndreieck
Autobahnkreuz
Verkehrsknotenpunkt
- 3. een plaats waar spoorwegen uit verschillende richtingen bijeenkomen, vaak voorzien van een station en/of een rangeerterrein
Eisenbahnknotenpunkt
- 2. het punt waar twee rechte stukken van een open of gesloten veelhoek bij elkaar komen
Knoten
noun
1. spleet die in een stuk stof is gemaakt zodat een ander stuk stof daaraan kan worden vastgemaakt
Knopfloch
verb
1. een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
knoten
/
'knɔrə(n)/
verb
1. een geluid voortbrengen zoals een varken
grunzen
adjective
1. zeer slecht
lausig
mies
noun
- 2. speelgoed
Kuscheltier
Stofftier
- 1. omhelzing
Liebkosung
noun
1. een stoffen pop meestal in de vorm van een dier waarop een kind vaak al zijn liefde richt
Kuscheltier
Stofftier
verb
1. omhelzen
knutschen
schmusen
noun
1. korte dikke stok, bedoeld om lijfstraf mee uit te delen
Knüppel
adjective
1. aangenaam van gezelschap en eniszins intiem
gemütlich
lauschig
muckelig
/
knʌtsələ(n)/
verb
1. zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf
basteln
noun
1. een Australisch buideldier
Koala
Koalabär
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
Kobalt
Cobalt
adjective
Kobaltblau
kobaltblau
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
Spinne
noun
1. Ursus arctos middendorffi, de grootste beer en het grootste bekende landroofdier
Kodiakbär
noun
1. vrouwelijk rund
Kuh
noun
1. behuizing voor rundvee
Kuhstall
noun
1. de platte ronde uitwerpselen van een koe
Kuhfladen
noun
Kuchen
Keks
Plätzchen
Zwieback
verb
1. tot een klont, een koek worden
pappen
noun
1. een platte pan met een lang handvat
Bratpfanne
/
[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
Keks
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
Kuckuck
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
Kühlschrank
noun
1. koelvloeistof
Kühlflüssigkeit
noun
- 3. een overkoepelend orgaan
Dachverband
- 1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
- 2. een ruimtelijke figuur, veelvlak
Kuppel
/
ˈku.pəlˌkɛrk/, /
ˈku.pəɫˌkɛrk/
noun
1. een kerkgebouw waarbij het schip overdekt wordt door een koepelvormige kap
Kuppelkirche
noun
1. taalvariant die sprekers van uiteenlopende nauw verwante talen of dialecten voor onderlinge communicatie gebruiken
Dachsprache
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
Kurdisch
kurdisch
noun
1. kleine witte reigersoort
Kuhreiher
noun
Kurs
Fahrtrichtung
Satz
noun
- 2. de spilkoers van een munteenheid wijzigt door het aanbod of de vraag te veranderen
Kursbewegung
- 1. een kleine wijziging van de richting
Kurskorrektur
noun
1. meter waarop de koers af te lezen valt
Kurskreisel
noun
1. radiobaken waarmee de koers bepaald kan worden
Kursfunkfeuer
noun
1. kleine wijziging van de koers om de gewenste richting te behouden
Kurskorrektur
noun
1. de uitgezette koers die een vliegtuig / vaartuig zou moeten volgen
Kleidungstück
noun
1. overdekte ruimte waarin koeien kunnen verblijven
Kuhstall
verb
1. iets geliefds nauw aan het hart houden
hegen
umsorgen
/
ˌku.tər.ˈʋaːls/
noun
1. aanduiding voor een onverstaanbare taal
Kauderwelsch
noun
1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
Kutsche
noun
1. iemand die de paarden van een koets ment
Kutscher
noun
1. stevige metalen stang voorzien van een gespleten einde, gebruikt om er zaken mee open te breken
Brechstange
Kuhfuß
Brecheisen
/
ˈkuwɛɪ̯t/, /
ˈkuʋɛɪ̯t/, /
ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
Kuwait
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
Koffer
noun
1. het gedeelte van een auto waar de bagage in geplaatst wordt
Kofferraum
noun
1. samensmelting van twee of meer bestaande woorden
Kofferwort
Schachtelwort
noun
- 1. drank uit koffiebonen
Kaffee
- 2. gemalen gebrande koffiebonen
Kaffee
Kaffeemehl
noun
Milchkaffee
Verkehrter Kaffee
noun
1. sterk geconcentreerd aftreksel van koffie
Kaffee-Extrakt
noun
1. het donkere bezinksel van gemalen koffiebonen dat overblijft na het zetten van koffie
Kaffeesatz
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
Café
/
ˈkɔ.fi.ˌka.mər/
noun
Pausenraum
noun
1. een huishoudelijk apparaat waarin koffiebonen kunnen worden gemalen
Kaffeemühle
noun
- 1-2. munitie
- 3. metalen bal gebruikt bij kogelstaten
Kugel
noun
1. benaming voor zeevissen uit het geslacht Tetraodontidae
Kugelfische
verb
- 2. met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
kochen
- 1. vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
kochen
sieden
noun
- 1. een smal cilindervormig hol voorwerp
Behälter
Köcher
Röhre
- 2. een keukenapparaat waarin iets kan gekookt worden
Kocher
verb
1. behaagziek zijn
kokettieren
noun
1. bepaald soort zeevogel met een gekleurde kop en een lachende roep, Chroicocephalus ridibundus
Lachmöwe
/
ˈko.kɔsˌbom/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
Kokospalme
/
ˈko.kɔs.maˌkron/
noun
1. een ronde koek op kokosbasis op een stuk rond ouwel
Kokosmakrone
/
ˈko.kɔsˌmɛlk/, /
ˈko.kɔsˌmɛɫk/
noun
1. vocht verkregen door het kiemwit van een kokosnoot met water te vermengen en uit te knijpen
Kokosmilch
/
'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
Kokosnuss
/
ˈko.kɔsˌo.li/
noun
1. een soort olie gewonnen uit kokosnoten
Kokosöl
Kokosfett
Kokosnussöl
/
ˈko.kɔsˌpɑlm/, /
ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
Kokospalme
/
ˈko.kɔsˌve.zəl/, /
ˈko.kɔsˌve.zəɫ/
noun
1. een vezel gewonnen uit de schil van een kokosnoot
Kokosfaser
Coir
/
ˈko.kɔsˌvles/
noun
1. vruchtvlees van de kokosnoot
Kokosfleisch
noun
hoge witte muts
Kochmütze
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Kolbermoor
noun
1. iemand die houtskool maakt door onder uitsluiting van zuurstof hout te verhitten
Kohlemeiler
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) thermische centrale die elektrische stroom opwekt door verbranding van steenkool
Kohlekraftwerk
/
ˈkolə(n)ˌsxɔp/, /
ˈkolə(n)ˌsχɔp/
noun
1. een schep om kolen mee te scheppen
Kohlenschaufel
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
Kolibri
noun
1. een rang in het Pruisische leger, het Duitse keizerlijke leger en de Wehrmacht, het leger van nazi-Duitsland
Generaloberst
verb
1. koloniën vormen
kolonisieren
noun
1. iemand die zich in een kolonie heeft gevestigd
Kolonist
noun
1. eetgerei zoals een bord, maar dan dieper
Schüssel
/
koˈmedi/
noun
- 1. een blijspel
- 2. aanstellerij
Komödie
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
Komet
verb
- boven water komen
Wasser
auftauchen
- tussenbeide komen
eingreifen
einschalten
- 1. bewegen van verder weg naar dichterbij
- 2. een orgasme hebben
kommen
- niet uit de verf komen
nicht zur Geltung kommen
pronoun
1. macrotaal die door 220 duizend mensen in Rusland gesproken wordt
Komi
adjective
1. lachlust opwekkend
komisch
noun
1. iemand die een publiek vermaakt door ze aan het lachen te brengen
Komiker
noun
plant, zaden en specerij
Kreuzkümmel
Kumin
Cumin
Römischer Kümmel
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
Kümmelkörner
/
kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
Gurke
/
ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
Komma
Beistrich
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
Kompass
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
Bergmann
verb
1. plaatsen van levensmiddelen in suiker om deze te zoeten en te conserveren
kandieren
/
kɔˈnɛɪn/, /
kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
Kaninchen
Karnickel
/
ˈkonɪŋ/, /
ˈkoːnɪŋ/
noun
- 1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
- 2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
König
noun
Dreikönigskuchen
Königskuchen
/
konɪˈŋɣɪn/, /
konɪˈŋɪn/, /
koʊnɪˈŋɪn/
noun
Königin
noun
1. een spil met conische tandwielen, die de rotatie van de krukas van een zuigermotor overbrengt op de nokkenas
Königswelle
pronoun
1. een stad in het voormalige Oost-Pruisen
Königsberg
noun
2. nationale feestdag in België (15 november) ter ere van de Belgische koning
Festtag des Königs
noun
- 1. mantel gedragen door een koning of koningin ten tijde van zijn of haar huldiging
Königsmantel
- 3. een dagvlinder uit de Nymphalidae-familie
Trauermantel
noun
1. een bewuste moord op een koning.
Königsmord
/
ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
königlich
/
ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /
ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /
ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
Königreich
Königtum
noun
1. de billen, het achterwerk
Arsch
Hintern
Gesäß
/
koːɪ/
noun
- 4. slaapplaats op een schip
Koje
- 1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
Käfig
- 3. stal
Stall
noun
boek waaruit men leert koken
Kochbuch
Rezeptbuch
/
ˈkok.ɛɪ̯.lɑnd/, /
ˈkok.ɛɪ̯.lɑnt/, /
ˈkok.ɛː.lɑnt/
noun
1. een fornuis met toebehoren midden in de keuken
Kochinsel
/
ˈkokʋɛkər/
noun
1. een apparaatje dat in de keuken gebruikt wordt om de tijd te meten
Kurzzeitwecker
noun
- 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
Kohl
Kraut
- 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
Kohle
noun
1. reukloos gas dat ontstaat bij volledige verbranding van koolstof
Kohlenstoffdioxid
noun
1. een bepaald type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
Kohlenhydrat
/
ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
Kohlenstoff
noun
1. verbinding met moleculen van één atoom zuurstof en één atoom koolstof (CO)
Kohlenstoffmonoxid
noun
1. bepaald soort vis met donker gekleurde mondholte en rug die voorkomt in het hoge noorden van de Atlantische Oceaan, Pollachius virens
Köhler
/
kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
Kolhenwasserstoff
Kohlenwasserstoff
adjective
Rapsgelb
rapsgelb
/
'kolzyr/
noun
1. H₂CO₃
Kohlensäure
noun
1. een gas, bestaande uit een verbinding van koolstof en zuurstof (CO₂)
Kohlendioxid
Kohlenstoffdioxid
noun
1. de hoeveelheid goederen of diensten die gekocht kan worden met een bepaald geldbedrag
Kaufkraft
noun
1. zeeschip voor het vervoer van handelsgoederen
Handelsschiff
noun
1.goederen die een koopman wilt verkopen
Handelsware
noun
- 2. een groep mensen die samen zingen
- 3. een groep mensen die samen zingen
Chor
- 1. een groep mensen die samen zingen
Chor
Sängerchor
noun
1. streng van in elkaar gedraaide vezels
Schnur
Kordel
noun
1. rechte tussen twee cirkelpunten
Sehne
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
Fieber
noun
1. hielbeentje van het paard
Fessel
Köte
noun
1. beentje van vinger of teen
Phalanx
Fingerglied
noun
- 1. hoofd van een dier
- 9. zijde van een geldstuk met een afgebeeld hoofd
Kopf
- 2. hoofd van een mens
Kopf
Haupt
- 1. de korte kant van een baksteen
Kopfseite
- 1. porseleinen recipiënt met oor, om uit te drinken
Tasse
noun
1. iemand waarop iedereen zijn ergernis over een misstand afreageert
Sündenbock
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
kaufen
noun
- 2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
Kupfer
- 1. persoon die koopt
Käufer
Käuferin
adjective
Kupferbraun
kupferbraun
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van koper of andere koperhoudende legeringen zoals brons of messing
Kupferdiebstahl
noun
1. een ambachtsman die platen koper of andere zachte metalen bewerkt. Dit bewerken omvat verschillende bewerkingen, zoals knippen, buigen, solderen en felsen
Kupferschmied
Kesselmacher
noun
1. een afschrift of andere reproductie van een document of ander voorwerp
Kopie
/
kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
- 1. een duplicaat maken van
kopieren
- 2. imiteren
nachmachen
noun
1. kopje
Koppche
Tässchen
/
ˈkɔplɑmp/
noun
1. een witte of gele lamp aan de voorzijde van een voertuig
Scheinwerfer
abbreviation
1. lijstaanvoerder van een sportcompetitie
Spitzenreiter
Tabellenführer
noun
- 1. iemand die probeert mensen van verschillende groepen met elkaar in contact te brengen (met name voor een huwelijk)
Ehestifter
Heiratsvermittler
Heiratsvermittlerin
- 2. iemand die probeert twee mensen met elkaar in contact te brengen (met name voor een niet-huwelijkse relatie)
Kuppler
Kupplerin
noun
- 1. een constructie die in een motor of voertuig mechanische krachten op een te onderbreken wijze overbrengt
- 3. een verbindingsstuk
- 2. een vaste maar beweeglijke verbinding tussen twee voorwerpen, bijvoorbeeld treinwagons
Kupplung
noun
1. een streepje om twee of meer woorden een eenheid te laten vormen
Bindestrich
noun
1. een werkwoord dat een eigenschap koppelt aan het onderwerp
Kopula
Kopulaverb
verb
- 1. een bal een stotende beweging met het hoofd geven
- 2. de kop verwijderen
köpfen
- 4. in een krantenkop vermelden
titeln
/
'kɔpəsnɛlə(n)/
verb
1. het verzamelen van de afgesneden hoofden van overwonnen vijanden
Kopfjagd
/
ˈkɔpəx/, /
ˈkɔpəç/
adjective
1. vasthoudend aan eigen wil of inzicht
stur
dickköpfig
störrisch
noun
1. ± combinatie van een glas bier en een glas sterke drank, al dan niet gemengd
Herrengedeck
noun
1. stel van twee kleine luidsprekers die men tegen of in de oren plaatst
Kopfhörer
Ohrhörer
noun
1. skelet van de koraalpoliep
Koralle
adjective
Korallenrot
korallenrot
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan
Korallensee
Korallenmeer
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
Koran
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Korbach
adjective
1. vastbesloten, vastberaden
beherzt
decidido
resolut
/
koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Korea
/
koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
Koreanisch
koreanisch
noun
1. een mand van vlechtwerk
Korb
noun
1. een balsport waarbij een bal door een mand (korf) moet worden gegooid
Korfball
noun
1. Corbula gibba
Korbmuschel
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
Koriander
/
korijɑndərblɑt/
noun
1. (gedroogd) blad van Coriandrum sativum
Korianderblatt
noun
1. gemalen gedroogde zaden van Coriandrum sativum
Korianderpulver
/
korijɑndərzaːt/
noun
1. gedroogde zaden van Coriandrum sativum
Koriandersamen
pronoun
1. Korintherbrief
2. Korintherbrief
noun
- op een bugel gelijkend koperen blaasinstrument
Kornett
- 1. rang van vaandrig bij de cavalerie en de artillerie bij de Koninklijke Landmacht
Kornett
Fähnrich
- 1. soort sleepnet dat over de zeebodem getrokken wordt
Kurre
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Kornwestheim
/
ˈkɔrəlˌhaɣəl/
noun
Graupel
/
kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
Kruste
adverb
- 2. van geringe lengte
- 1. van geringe duur
kurz
- op korte termijn
kurzfristig
/
kɔrtˈadəməxhɛːɪt/, /
kɔrtˈadəməçhɛːt/
noun
1. het snel buiten adem zijn en/of het gevoel van benauwdheid
Kurzatmigkeit
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
Ermäßigung
Rabatt
/
ˈkɔrt.slœy.tɪŋ/
noun
1. het plaatsvinden van een gewenste of ongewenste weerstandloze verbinding in een stroomkring
Kurzschluss
noun
1. een staaf waarmee schoten, vallen en andere lijnen op zeilschepen worden belegd
Belegnagel
noun
1. het gehele tijd-ruimte continuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
Kosmos
adjective
1. op Kosovo betrekking hebbend
kosovarisch
/
ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
Kosovo
noun
2. voedsel, als onderdeel van het dagelijks bestaan
Kost
adjective
1. zonder kosten
kostenlos
verb
- 2. als tegenprestatie vereisen
erfordern
kosten
- 1. als te betalen prijs hebben
kosten
/
'kɔstənplats/
noun
Kostenstellenrechnung
noun
1. kerkelijke bediende, die met de zorg van het kerkgebouw, en het vlot verloop van de kerkdiensten belast is
Küster
Kirchendiener
Kierchendienerin
Mesner
Sakristan
noun
- 1. totaal van de uitgaven die een producent doet om een product te maken
Selbstkostenpreis
- 2. (uitdrukking) tegen kostprijs
zum Selbstkostenpreis
noun
1. een school waar de leerlingen vijf dagen per week niet alleen les volgen, maar ook maar ook kost en inwoning krijgen
Internat
/
kotəˈlɛt/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
Kotelett
verb
1. de maaginhoud via de mond weer naar buiten werken
kotzen
/
kɑu̯/
noun
- 2. een virusinfectie aan keel of neus
Erkältung
- 1. lage temperatuur
Kälte
/
kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
kalt
/
kʌʊtˈbludəx/
adjective
- 2. zonder emotie
kaltblütig
- 1. niet de eigen lichaamstemperatuur regulerend
kaltblütig
wechselwarm
- 3. erg gevoelig voor kou
kälteempfindlich
/
ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
Kälte
noun
1.
Kälteeinbruch
Kältewelle
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
Brand
Gangrän
/
kaʊ̯s/, /
kɔʊ̯s/, /
kʌʊ̯s/
noun
- 2. een hulpmiddel om een brandstof in licht om te zetten, dat deel uitmaakt van een olie- of petroleumlamp
Docht
- 1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
Strumpf
noun
- 2. extreem lange peulvrucht
Spargelbohne
- 1. elastische band om de kous op te houden
Strumpfband
adjective
1. van een persoon dat hij het sneller dan de meeste andere mensen koud heeft...
kälteempfindlich
noun
- 1. rand van een raam of deur waar de ruit of de deur in gevat is
Fensterrahmen
Zarge
- 1. zoon van oom of tante
Cousin
Vetter
/
krax/
noun
- 3. de naam van voorwerpen die op een kraag lijken, zoals een opstaande rand
Blechkragen
Kragen
- 1. een kledingstuk rond de hals
- 2. een omgeslagen rand van een kledingstuk bij de halsopening
Kragen
- 4. een witte rand schuim op een glas bier
Krone
Schaumkrone
noun
1. een, vaak geornamenteerde, uitstekende steen aan een gevel die een dragende functie heeft
Konsole
Kragstein
/
kraɪ̯/, /
kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
Krähe
Krähenvogel
noun
- 1. nest van een kraai
- 2. uitkijkplaats in de mast van een schip
Krähennest
noun
- 3. zich onbevoegd toegang verschaffen tot iets
Einbruch
- 2. inktvis zonder inwendig skelet
Gemeine Krake
Gewöhnliche Krake
Oktopus
- 1. zeemonster, waarschijnlijk de inmiddels goed gedocumenteerde reuzenpijlinktvis
Krake
/
ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
Knorpel
noun
1. een woning bewoond door mensen die daar juridisch geen recht hebben
Haus
noun
- 2. iemand die op een bepaald gebied uitblinkt
Ass
- 3. mechanisme waarmee de stroming van vloeistof of gas geregeld kan worden
Hahn
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
Kranich
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
Krebs
Krabbe
verb
1. met de nagels bewerken
kratzen
schaben
noun
1. (gereedschap) voorwerp om mee te krabben, onmisbaar voor schilders die oude verflagen willen verwijderen of mensen die jeuk op hun rug hebben.
Kratzer
Schaber
noun
1. vermogen om iets te verrichten
Kraft
adjective
1. beschikkend over veel kracht
kräftig
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Kraichtal
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Krakau
noun
1. baksel in de vorm van een acht
Brezel
/
ˈkrakə(n)/
verb
- 4. een pand illegaal bewonen
besetzen
- 6. een chiropractische handeling verrichten op iemands ruggengraat
einrenken
- 2. openbreken
- 3. inbreken in iemands computer
knacken
- 1. een krakend geluid maken
knarren
- 5. een pand illegaal bewonen
verreißen
noun
1. illegale bewoner
Hausbesetzer
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
Krampf
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
Zeitung
Tageszeitung
/
'krɑntəpaˌpir/
noun
1. een soort papier zoals waarop de kranten gedrukt worden
Zeitungspapier
noun
3. langrekte oppervlaktebeschadiging voorwerp veroorzaakt door het bewegen van een scherpe ...
Kratzer
Schramme
/
kreˈditkrizɪs/, /
krəˈditkrizəs/
noun
1.
Kreditklemme
Kreditknappheit
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
Krebs
/
kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
Hummer
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
Wendekreis des Krebses
nördlicher Wendekreis
/
krek/
noun
- 4. een kleine watergeul; vaak zijarm van een rivier(tje)
Bach
Kriek
- 2. een smal stilstaand water, vooral naar een dijkdoorbraak.
Binnensee
- 1. een kleine beschermde inham
Bucht
Kriek
- 5. een smal vaarwater tussen ondiepten of eilanden
Fahrrinne
Priel
- 3. een kleine, door de natuur gevormde zeearm
Fjord
Förde
Meeresarm
Priel
noun
- 2. gierigaard
Geizkragen
Knauser
- 1. druif
Korinthe
- 3. zitvlak
Po
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
Kreta
verb
1. de vorming van kreukels op een voorheen glad oppervlak
zerknittern
knittern
/
krønə(n)/
verb
1. ongearticuleerde geluiden maken, vaak van pijn of ander leed
ächzen
stöhnen
noun
1.laag stuikgewas waarbij de takken van de boompjes door elkaar heen groeien
Unterholz
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Kreuztal
/
krɪp/
noun
- 3,4,5. golfbrekertjes
Buhne
- 2. eenvoudig soldatenbed
Feldbett
- 1. voederbak
Futterkrippe
noun
1. voederbak
Futterkrippe
noun
1. ondeugd van ezel of paard
Krippenbeißer
verb
1. ruzie maken
zanken
zänkisch
adjective
1. zich onvriendelijk gedragend
kribbelig
noun
- 2. onrustig, rusteloos gevoel (om te bewegen, reizen, e.d.)
Fieber
- 1. ongemak dat jeuk e.d. veroorzaakt
Juckreiz
noun
1. droge niet productieve hoest
Reizhusten
noun
- 2. een klein persoon
Persönchen
- 1. een klein soort kip
Zwerghuhn
/
ˈkrɛɪ.ɣə(n)/
verb
1. verwerven, ontvangen
bekommen
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
Krieger
noun
1. een olifant die vroeger tijdens op het land uitgevochten oorlogen werd ingezet als strijddier
Kriegselefant
noun
1. een raad die optreedt als rechtsorgaan in het krijgsrecht
Kriegsgericht
verb
1. luidkeels schreeuwend een hoog geluid voortbrengen
kreischen
noun
- 4. voorwerp dat wordt gebruikt in de biljartsport om de top van de keu minder glad te maken
Billardkreide
- 1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
- 2. schrijfmateriaal uit dat materiaal vervaardigd
Kreide
- 3. een periode die deel uitmaakt van het mesozoïcum
Kreidezeit
/
krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Krim
pronoun
1. een van de Turkse talen, gesproken door ongeveer een half miljoen mensen, oorspronkelijk van de Krim afkomstig, maar door een deportatie in 1944, nu vooral in Oezbekistan en Kirgizië, maar ook in Moldavië, Roemenië en Turkije gesproken
Krimtatarisch
verb
1. kleiner in omvang worden
schrumpfen
noun
1. een tang waarmee de hulsjes van kabelschoenen aan elektriciteitssnoeren en kabels worden vastgeknepen
Crimpzange
noun
- 2. een gemeenschap van mensen
Kreis
- 1. een ronde figuur zoals een cirkel
Kreis
Zirkel
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
Kristall
verb
1. ordeningsproces
kristallisieren
noun
elk van de hoofdafdelingen waartoe men de grondvormen van de kristallen teruggebracht heeft
Kristallsystem
adjective
1. op het scherp van de snede, met onzekere uitkomst, zeer ernstig
kritisch
noun
- 1. uitingen waarmee bepaald gedrag, een bepaalde zienswijze e.d. van anderen worden veroordeeld of in twijfel getrokken
- 2. een document dat kunstzinnig commentaar levert op een optreden, tentoonstelling, boek , film of andere kunstuiting
Kritik
adjective
- 1. ernaar geneigd vraagtekens te plaatsen achter iets
- 2. onder zulke omstandigheden dat er meer neutronen geproduceerd dan geabsorbeerd worden, waardoor een nucleaire kettingreactie op gang kan komen
kritisch
/
kroˈwatis/, /
kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
Kroatisch
kroatisch
/
kroˈwatsi.jə/, /
kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
Kroatien
/
krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
Kneipe
Wirtschaft
noun
1. iemand die een kroeg bedrijft
Wirt
adjective
1. krullend
kraus
/
ˈkrus.har/
noun
Kraushaar
krauses Haar
verb
1. sterk krullen van haar
sich krausen
/
krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
Krokodil
noun
2. uitingen van gespeeld verdriet of berouw
Krokodilsträne
/
kroko'dɪlwɑxtər/
noun
1.
Krokodilwächter
noun
1. irisachtige lentebloem
Krokus
adjective
1. niet recht
krumm
noun
1. kromhoorn
Krummhorn
noun
1. een gebogen lijn
Kurve)
verb
- 1. krom maken
- 2. bochtig zijn
krümmen
verb
1. vervorming van hout, planken enz. onder invloed van vochtigheid en/of temperatuursveranderingen
verdrehen
verziehen
verb
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
krönen
/
ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
Krönung
/
ˈkrɔŋkələ(n)/
verb
1. in veel bochten lopen of bewegen
schlängeln
noun
- 1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
Krone
- 7. een lichtbron bestaande uit een krans van lichtbronnen
Kronleuchter
noun
1. een metalen dopje voor het afsluiten van flessen
Kronkorken
noun
1. een prins die in een monarchie de eerste is die de rechtmatige vorst opvolgt bij aftreden of overlijden
Kronprinz
noun
1. opstapeling van bladeren
Kopf
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva var. latifolia
Eskariol
Winterendivie
glatte Endivie
noun
1. slaplant waarvan de bladeren een vaste krop vormen
Kopfsalat
/
krœʏ̯t/, /
krœːd/, /
krœːt/
noun
Kraut
verb
1. specerij bij een gerecht doen
würzen
noun
- 2. winkel met levensmiddelen
Lebensmittelgeschäft
- 1. winkelier in levensmiddelen
Lebensmittelhändler
noun
1.
Lebensmittelgeschäft
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
Gewürznelke
Nelke
/
krœyjər/
noun
1. iemand die bagage vervoert op o.a. stations en vliegvelden
Gepäckträger
/
'krʌʏ.pə(n)/
verb
kriechen
noun
- 1. geometrisch figuur
- 4. symbool
Kreuz
- 5. christelijk religieus symbool afgeleid van de kruiziging van Jezus Christus
Kreuz
Kruzfix
noun
1. Ribes uva-crispa
Stachelbeere
/
ˈkrœʏsər/
noun
- 1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
- 2. een type jacht
Kreuzer
noun
1. een door een blok hout verschuifbare liniaal, die is voorzien van een ijzeren punt
Streichmaß
verb
1. een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt
kreuzigen
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
Kreuzung
Straßenkreuz
noun
1. een schakelaar met vier aansluitpunten (A₁, A₂ en B₁, B₂), die in een van de mogelijke standen kruiselings worden verbonden
Kreuzschalter
noun
1. kruissleutel
Kreuzschlüssel
/
ˈkrœʏspɪn/, /
ˈkrœːspɪn/
noun
1. in Nederland en België algemeen voorkomende spinnensoort, Araneus diadematus
Kreuzspinne
noun
1. een door een metalen blok verschuifbare liniaal, die is voorzien van een ijzeren punt
Streichmaß
noun
1. kruiswoordpuzzel
Kreuzworträtsel
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
Schubkarre
noun
- 1. simpel zitmeubel zonder leuningen
Hocker
- 3. simpel handvat waarmee een deur geopend kan worden
Knauf
- 2. hulpmiddel bij het lopen
Krücke
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord kruk
Hocker
Schemel
noun
1. een element in de vorm van een kruis met zijbalken aan ieder eind
Krückenkreuz
noun
- 2. lok haar die de vorm van [1] aanneemt
Locke
- 1. spiraalsgewijs gekromde vorm
Schnörkel
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva
Krausblättrige Endivie
Krausblättrige Frisée
krauser Salat
/
ˈkrʏɫsla/
noun
1. slaplant met gekrulde bladeren
Friséesalat
/
ˈkrʏl.spɛlt/
noun
1. hulpmiddel waarom je een haarlok kunt wikkelen om krullen te maken in stijlhaar
Lockenwickler
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
Krypton
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Kröv
/
kup/
noun
1. Zweeds buitenspel
Kubb
verb
1. met behulp van een trechtervormige bak over een oppervlak verspreiden
kübeln
noun
1. 20-eeuwse stroming binnen de beeldende kunst waarin de werkelijkheid op een sterk vereenvoudigde manier wordt weergegeven
Kubismus
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
Würfel
Kubus
verb
1. kort en zacht hoesten
hüsteln
/
'kɵdə/
noun
- 1. een groep samenlevende (zoog)dieren
Herde
- een kudde schapen
Schafherde
noun
1. een dier als lid van een kudde
Herdentier
noun
1. opstaande haarlok op het hoofd
Haartolle
Tolle
/
ˈkœʏ̯kə(n)/, /
ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
Küken
Kücken
noun
- 1. uitholling, holte, diepte
Loch
Grube
Kuhle
Mulde
- 1. zakvormig visnet
Fangnetz
Kescher
- 2. achterste deel van een sleepnet
Schleppnetz
noun
1. wijd, houten, metalen of plastic vat
Fass
noun
- 2. visseneitjes
Rogen
- 1. deel van het been
Wade
/
kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
kikeriki
noun
1. en 2. (citrusvrucht van) plant Citrus japonica
Kumquat
/
ˈkʏndə/
noun
2. bekwaamheid in een vak, wetenschap of in algemene zin
Kenntnis
Kunde
/
ˈkʏnə/, /
ˡkʏnə/
noun
1. geslacht, sekse
Geschlecht
verb
- 1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
können
- af kunnen
weg können
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
Kunst
noun
1.
Absorber
Kunstantenne
noun
1. iemand die zijn creatieve talenten gebruikt om kunst te maken
Künstler
adjective
1. door menselijk, moedwillig ingrijpen tot stand gekomen
künstlich
noun
1. een combinatie van chemische stoffen die aan de aarde wordt toegevoegd ter bemesting daarvan
Kunstdünger
noun
1. iemand die de kunstschaatssport beoefent
Kunstreiter
noun
1. schaats speciaal gemaakt voor het kunstschaatsen
Kunstlaufschlittschuh
noun
1. sport waarbij individuelen, paren en groepen schaatsers rotaties, sprongen en andere bewegingen op het ijs maken, die vaak met muziek wordt uitgevoerd
Eiskunstlauf
noun
1. een materiaal dat langs chemische weg vervaardigd is, veelal een polymeer
Kunststoff
noun
1. kunststroming
Kunstströmung
/
ˈkʏns.tal/, /
ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
konstruierte Sprache
Plansprache
/
kʌnstwɛrk/
noun
1. resultaat van een inspanning om iets te maken dat bijzonder mooi of indringend is
Kunstwerk
/
kʏrk/
noun
- 1. afdichting voor flessen, gemaakt uit de veerkrachtige schors van een bepaalde boomsoort, Quercus suber
Pfropfen
Korken
Stöpsel
- 1. licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
Kork
/
kʏr.kɛi̯k/, /
kʏr.kɛːk/, /
kʏrk.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus suber; een boom uit de napjesdragersfamilie
Korkeiche
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
Korkenzieher
noun
1. kurkentrekkerregel
Korkenzieherregel
noun
plant en specerij
Kurkuma
Curcuma
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
Kuss
pronoun
- 1. een district in de Duitse deelstaat Beieren
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Kusel
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
Kissen
verb
1. een kus geven
küssen
noun
1.
Kissenschlacht
Polsterschlacht
noun
1. een vorm van uitvloeiingsgesteente, dat het uiterlijk heeft van min of meer op elkaar gestapelde kussentjes
Kissenlava
/
'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
Küste
Ufer
noun
1. grens tussen land en zee, wijze waarop de kust gevormd is
Küste
noun
1. kustgebied
Küstenstreifen
noun
1. een vrij klein handelsschip bedoeld voor de zeevaart in de kustwateren
Küstenschiff
Küstendampfer
/
kɵt/
interjection
Scheiße
Scheisse
/
kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
Fotze
Votze
/
ˈkɵtwɛɪf/
noun
1.
Schlampe
noun
- 1. een behandeling ter genezing van een ziekte of een ongezonde situatie (zoals een verslaving)
Kur
- 2. vreemd gedrag, bijzondere karaktertrek
Macke
noun
1. een oord met geneeskrachtige baden
Kurort
adjective
2. met een slecht karakter
boshaft
bösartig
noun
- 1. het innerlijk slecht zijn
- 2. het schadelijk zijn (bijv. van een ziekte)
Bösartigkeit
/
ˈkwatsxɪks/, /
ˈkʋatsχɪks/, /
ˈkβ̞atsxɪks/
adverb
1. op een niet-constructieve, niet-coöperatieve manier
übel
/
kʋɑp/
noun
- 2. een gedeelte van lever, longen of hersenen
Lappen
- 1. een weke massa vlees of vet aan het lichaam
Wulst
noun
1. langwerpige, op de bodem levende zoetwatervis, Lota lota
Quappe
Aalquappe
noun
1. een jongen die dingen doet die men niet goedkeurt, maar die men toch aardig vindt
Lausebengel
Lümmel
/
kʋɑk/
noun
2. bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax
Nachtreiher
/
ˈkʋɑkˌsɑlvər/
noun
1. iemand die bedrieglijk minderwaardige geneeskunde uitoefent
Quacksalber
/
kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
Qualle
Meduse
verb
1. voldoen aan de voorwaarden om ergens aan mee te kunnen doen
qualifizieren
/
kvalitɑ'tif/
adjective
1. naar de hoedanigheid, betreffende de kwaliteit
qualitativ
noun
1.
Qualitätskontrolle
Qualitätssicherung
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
Quant
noun
vorm van onkraakbare beveiliging voor elektronische communicatie
Quantenkryptografie
noun
een theorie die een integratie is van de relativistische versie van de Wetten van Maxwell met de theorie van de kwantummechanica
Quantenelektrodynamik
noun
getal dat in de kwantummechanica wordt gebruikt voor het beschrijven van de eigenschappen van bepaalde deeltjes
Quantenzahl
noun
een theorie die kwantummechanica en relativiteitstheorie met elkaar zou moeten verenigen
Quantengravitation
noun
een discipline van de natuurkunde die de kwantumeffecten die bij licht optreden bestudeert en gebruikt
Quantenoptik
noun
fysisch potentiaalproces, dat een vlak potentiaalverloop vertoont omringt met heel hoge wanden
Quantentopf
noun
een theoretisch kader voor de constructie van kwantummechanische modellen van veld-achtige systemen of, equivalent, veeldeeltjessystemen
Quantenfeldtheorie
noun
- 3,4
Quarte
- 1. een vierde deel
Viertel
noun
een kwart van een kalenderjaar
Quartal
noun
1. een tijdsperiode van 25 jaar
Vierteljahrhundert
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
Wachtel
noun
1. bepaald soort vogel, Crex crex
Wachtelkönig
noun
1. een groep van vier muzikanten
Quartett
noun
1. (in een toernooi) een van de vier wedstrijden waarin gestreden wordt voor een plaats in de halve finale(s)
Viertelfinale
noun
- 3. legering
Quartier
- 2. kwartier als maanfase
Viertel
- 1. kwart uur
Viertelstunde
noun
een vorm van siliciumdioxide
Quarz
noun
1. kwartsextakkoord
Quartsextakkord
adjective
Quarzgrau
quarzgrau
/
ˈkwe.peːr/, /
ˈkʋe.pɪːr/, /
ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
Quitte
/
'kʋekə(n)/
verb
1. dieren of planten verzorgen en hun voortplanting mogelijk maken
züchten
verb
- 1. het doorsijpelen van water onder een dijklichaam door
hervorquellen
quellen
- 1. pijn of ergernis bezorgen
quälen
noun
1. zaak, geschil, probleem
Frage
Sache
Angelegenheit
adjective
1. weinig beschermd tegen beschadiging
verletzlich
empfindlich
verwundbar
verletzbar
verb
- 2. beledigen, schofferen
verletzen
- 1. beschadigen, schaden
verletzen
beschädigen
schaden
verb
1. een vloed van speeksel onwillekeurig uit de mond laten lopen
geifern
sabbern
/
kʋɛɪtə(n)/
verb
1. een belofte inlossen of aan een verplichting voldoen
sich entledigen
/
ˈkʋɛːtrakə(n)/
verb
2. niet meer weten waar iets is
loswerden
verlieren
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
Quecksilber
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Motacilla en Dendronanthus
Bachstelze
Stelze
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
Quecksilber
verb
1. druk met de staart zwaaien.
wedeln
schweifwedeln
schwänzeln
verb
1. met de staart heen en weer bewegen als teken van vrolijkheid
schwänzeln
wedeln
/
ˈkʋɪstəx/, /
ˈkβ̞istəç/
adjective
- 2. royaal gevend
freigebig
- 1. op lichtzinnige wijze verbruikend
verschwenderisch
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiew
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Kyllburg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Brandenburg
Königs Wusterhausen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Künzelsau
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Kürnbach
/
lax/
adjective
- 2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
- 3. geluid met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
- 4. met een beperkt aanzien
niedrig
- 1. niet ver boven iets anders zijn
niedrig
tief
/
lax/
noun
1. iets dat zich in twee richtingen uitstrekt maar in de derde een beperkte dikte heeft
Schicht
Lage
noun
1. toestand van volkomen eb
Niedrigwasser
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
Allee
noun
1. een open plek in een bos
Lichtung
Waldlichtung
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
Stiefel
adjective
- 2. 's avonds, 's nachts
spät
- 1. na het voorziene ogenblik
verspätet
adjective
1. overtreffende trap van laat
letzt
noun
1. laatste kwartier
abnehmender Halbmond
noun
1. een student die bezig is met het laatste jaar van zijn studie
Student
/
lɑp/
noun
- 1. een ruimte ingericht voor het doen van natuurwetenschappelijk onderzoek
Labor
Laboratorium
- 3. een gebouw waarin ruimtes zoals [1] gehuisvest zijn
Laboratoriumsgebäude
Laborgebäude
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
Labor
Laboratorium
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
Labyrinth
/
lɑ.ˈka.zə/
noun
1. een enzym dat met behulp van koperionen andere stoffen kan oxideren
Laccase
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
lachen
noun
1. vluchtige verbinding, N₂O
Lachgas
noun
is een suiker die o.a. in melk voorkomt
Milchzucker
Lactose
Laktose
noun
het niet kunnen verdragen van melksuiker
Laktoseintoleranz
noun
1. iets dat ontbreekt
Lücke
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
Leiter
/
ˈlɑdərə(n)/
noun
1. beschadigd raken waardoor een of meer draadjes in een fijn weefsel losraken en een langgerekt patroon van mazen ontstaat
Laufmaschen bekommen
/
ˈlɑdərˈzɑt/
adjective
1. zwaar onder invloed van alcohol
sturzbetrunken
noun
1. uitschuifbare bergplaats
Schublade
noun
1. bergmeubel met een of meer platte bakken
Kommode
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Ladenburg
noun
- 1. goederen die vervoerd worden
- 3. opeengehoopte elektriciteit
Ladung
pronoun
1. Romaanse taal gesproken door 35 duizend mensen in Italië en de Verenigde Staten
Ladinisch
adjective
1.
ladinischsprachig
noun
1. beschadiging van het weefsel in een organisme
Läsion
/
lɑf/
adjective
- 2. onaangenaam smakeloos
fade
- 1. een gebrek aan moed tonend
feige
feig
/
ˈlɑfart/
noun
1. iemand die door zijn angst wegvlucht uit gevaarlijke situaties.
Feigling
/
ˈlɑfɦɛit/
noun
1. de neiging keuzes te maken die van weinig moed getuigen
Feigheit
noun
1. een gebied waar relatief een lagere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
Tiefdruckgebiet
noun
1. een land waarin de lonen laag zijn waardoor er op een goedkope wijze goederen geproduceerd kunnen worden
Billiglohnland
noun
1. ondiep meer
Lagune
Botten
Haff
Liman
Noor
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Lahnstein
pronoun
1. stad in Pakistan
Lahore
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Laichingen
noun
1. (beroep) Een lakei of dienaar is een bediende werkend aan een koninklijk hof
Lakai
/
ˈlakə(n)/
noun
- 2. een rechthoekig stuk stof dat ter bedekking dient, m.n. bij het slapen
Laken
Bettlaken
- 1. wollen stof die eerst is geweven en daarna vervilt
Walkstoffe
/
ˈlɑk.mus.ˌpruf/
noun
Lackmustest
adjective
- 3. versleten door te ver doordraaien (bijvoorbeeld van schroeven)
abgenutzt
dollgedreht
überdreht
- 4. heel erg dronken
besoffen
- 2. lui, futloos
faul
träge
- 1. niet in staat om te bewegen
lahm
gelähmt
noun
1. jong van het schaap
Lamm
Lammfleisch
noun
1. soort Zuid-Amerikaans eeltpotig zoogdier Lama glama
Lama
/
ˈlɑmərə(n)/
verb
1. het werpen van jongen
lammen
/
lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
Lampe
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
Lampenschirm
Abatjour
noun
1. lont van een olie- of gaslamp
Lampendocht
noun
1.
Laternenlauf
Laternenlaufen
Laternenumzug
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Petromyzontidae
Neunauge
Lamprete
noun
1. plant met paarse bloemen die op de kwelders voorkomt, Limonium vulgare
Gewöhnlicher Strandflieder
Widerstoss
noun
1. een dubbelsnedig operatiemes
Lanzette
noun
- 5. het eigen land, het land waar men geboren is
Heimat
- 4. niet verstedelijkt gebied
- 1. gedeelte van het aardoppervlak dat boven water uitsteekt
- 2. dat deel van de aardbodem dat geschikt is voor bebouwing...
Land
- 3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
Land
Staat
noun
1. verkrijgen van nieuw land
Landgewinnung
/
ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
Landwirtschaft
noun
1. een type bedrijf gericht op landbouw
Betrieb
Landwirtscaft
/
lɑntbɑuwər/
noun
1. iemand die met landbouw of/en veeteelt zijn geld verdient
Bauer
Landwirt
noun
1. een dier dat op het land leeft
landtier
adjective
- 1. met betrekking tot of geldend voor het hele land
landesweit
- 2. met betrekking tot minder bevolkte, niet-stedelijke gebieden
ländlich
verb
1. vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
landen
pronoun
1.
Landenge von Perekop
noun
1. iemand uit hetzelfde land
Landsmann
Landsmännin
noun
1. een groot huis op het platteland
Landhaus
Villa
/
ˈlɑntɛɪ̯s/, /
ˈlɑntɛːs/
noun
1. de vaste vorm van water, bevroren water
Eiskappe
noun
1. soort vlinder, Araschnia levena
Landkärtchen
noun
1.klimaat dat niet wordt beïnvloed door een zee of oceaan, onder meer gekenmerkt door grote temperatuurverschillen...
Kontinentalklima
Landesklima
Landklima
noun
1. landmeetkunde
Landesvermessung
noun
1. een markant punt in een landschap, langs de kust, of aan de horizon
Wahrzeichen
noun
1. schildpad uit de familie Testudinidae
Landschildkröte
/
ˈlɑntsmɑn/
noun
2. landgenoot
Landsmann
noun
1. smalle strook land die zich in zee of meer uitstrekt
Landzunge
Halbinsel
adjective
- 2. van grote lengte
groß
- 1. van grote duur
lang
noun
1. langdraadantenne
Langdrahtantenne
adjective
1.een lange tijd durend
länger
noun
1. een vrouwelijke atleet die zich specialiseert in het lopen van afstanden boven 1500 meter
Langstreckenläuferin
noun
1. mannelijke atleet die zich specialiseert in het lopen van afstanden boven 1500 meter
Langstreckenläufer
noun
1. een manier van voortbewegen op latten door de sneeuw
Skilanglauf
Langlauf
noun
1. benaming voor kleine Noorse kreeft
Langustine
noun
1. benaming voor muggen met opvallend lange broze poten, die de familie Tipulidae vormen
Schnake
Schneider
/
lɑŋskomə(n)/
verb
- 1. voorbijgaan
längskommen
vorbeikommen
- 2. langsgaan, op bezoek komen
vorbeikommen
längskommen
adjective
1. in de lengterichting van het schip
längsschiffs
/
ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
langsam
noun
1. een vorm van arbeidsconflict waarbij de werkers niet thuis blijven maar opzettelijk langzaam werken
Bummelstreik
noun
gezuiverd vet van schapenwol
Lanolin
noun
1. een lang steekwapen met een metalen punt
Lanze
noun
- 1. constructie van glas en metaal of hout, zodat wind en regen geen vat op een brandende lichtbron hebben
- 2. bovenste open geleding(en) van een toren, vaak achtkantig
Laterne
noun
1. Chemisch element
Lanthan
noun
1. Chemisch element
Lanthan
/
ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
Laos
pronoun
1. een taal die in Laos gesproken wordt
Laotisch
noun
1. een stuk van iets
Flicken
Lappen
noun
1. kat waarvan de pels oogt als een lappendeken
mehrfarbige Katze
noun
1. kleine draagbare computer
Laptop
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
Larve
adjective
2. betreffende de larynx
Kehlkopf-
noun
1. metalen instrument met een handvat en spatel om de larynx ...
Laryngoskop
noun
1. Bovenste deel van de luchtpijp
Kehlkopf
Larynx
noun
1. een bril die de ogen bij laswerk tegen ultraviolette straling beschermt
Schweißbrille
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
Laser
noun
1. een masker dat de ogen bij laswerk tegen ultraviolette straling beschermt
Schweißerhelm
Schweißmaske
noun
1. hoornvliesontsteking door blootstelling aan uv-straling
Photokeratitis
Schneeblindheit
verb
- 1. door plaatselijke sterke verhitting van de voeg twee metalen voorwerpen met elkaar verbinden
schweißen
- in elkaar lassen
zusammenschweißen
noun
1. iets wat een mens hindert
Bürde
Last
noun
1. een gedomesticeerd dier dat men gebruikt om vracht te vervoeren
Lasttier
Saumtier
noun
1. onterechte beweringen die iemand in een kwaad daglicht stellen
Verleumdung
noun
2. gever van een lastgeving
Auftraggeber
noun
1. opdrachtovereenkomst met verplichting tot handelen in eigen of andermans naam
Auftrag
adjective
1.
lästig
unbequem
/
ˈlɑs.təx.fɑ.lə(n)/, /
ˈlɑs.təχ.fɑ.lə(n)/, /
ˈlɑs.tɪɣ.vɑ.lə(n)/
verb
- 2. op vervelende wijze iemands aandacht trekken door na te roepen, dreigende of obscene gebaren te maken e.d.
anpöbeln
belästigen
- 1. op hinderlijke wijze iemands aandacht opeisen, storen, hinderen in iemands concentratie of bezigheden
stören
verb
- laten uitvallen
ausfallen lassen
- laten vallen
fallenlassen
streichen
wegfallen
weglassen
- 3. niet doen
- 4. niets veranderen
- 5. vertrekken
- 6. aansporing
lassen
adjective
1. sluimerend
latent
adjective
1. aan de zijkant (buitenkant)
seitlich
lateral
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
Latein
Lateinisch
noun
1. de reeks lettertekens oorspronkelijk gebruikt om teksten in het Latijn te schrijven en tegenwoordig met aanpassingen voor veel talen gebruikt
lateinische Alphabet
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Latijn of gevormd naar Latijns voorbeeld
Latinismus
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Lauchheim
noun
2. (gedroogde) bladeren van Laurus nobilis
Lorbeerblatt
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Lauscha
pronoun
1.
Lausitzer Gebirge
/
laʊ̯/, /
lʌʊ̯/, /
lʌː/
adjective
1. een temperatuuraanduiding die tussen warm en koud ligt
lauwarm
lau
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
Lava
noun
1. meubel of plaats in een gebouw met voorzieningen om zich te wassen
Waschbecken
noun
1. koepelvormige structuur die ontstaat als lava die rijk is aan silica naar buiten treedt uit de barsten en spleten van een groeiende kussenachtige structuur
Lavadom
Lavakuppel
Vulkandom
noun
1. bepaald kruid, Levisticum officinale, dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
Liebstöckel
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
Lavendel
verb
1-2 bij tegenwind zigzagsgewijs opzeilen
lavieren
kreuzen
/
la'ʋaj/
noun
1. luid en storend geluid
Lärm
/
la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
Lawine
noun
1. Chemisch element
Lawrencium
noun
1. een grote mobiele medische (militaire) installatie die tijdelijk de taken van een ziekenhuis kan overnemen
Lazarett
/
la'zyːr/
noun
- 1. kostbaar blauw gesteente
Lapislazuli
- 4. transparante verflaag
Lasur
- 5. transparante verf
Lasur
Lasurfarbe
- 2. helderblauwe kleur
ultramarin
noun
1. de vierde maag van een herkauwer, zoals een rund
Labmagen
Käsemagen
noun
1.verwijst naar alles wat gelezen kan worden
Lektüre
/
lɛt/
noun
1. elektronische lichtbron in de vorm van een diode die licht uitstraalt
Leuchtdiode
/
ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
Gliedmaße
Glied
/
leːdən/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord lid
Mitglieder
noun
1. lijst van leden, m.n. van een vereniging
Mitgliederliste
verb
1. de inhoud volledig verwijderen
entleeren
leeren
noun
1. het niets doen, het niets te doen hebben
Muße
Nichtstun
/
let/
noun
1. verdriet en pijn
Leid
noun
1. het genoegen scheppen in het leed van een ander
Schadenfreude
noun
- 1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
- 2. een bepaald tijdstip in iemands leven
Alter
- gemiddelde leeftijd
Durchschnittsalter
noun
1. middelen tot levensonderhoud, proviand
Wegzehrung
/
lex/
adjective
1. zonder inhoud
leer
verb
1. geleidelijk zijn inhoud verliezen
leer laufen
/
lek/
noun
- 1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
- 2. iemand die niet tot de geestelijke stand behoort, gewone gelovige
Laie
/
lem/, /
leɪm/
noun
1. kleihoudende grondsoort
Lehm
adjective
Lehmbraun
lehmbraun
noun
1. een plaats waar iets ontbreekt
Lücke
/
len/
noun
1. leengoed; vastgoed dat door de heer aan zijn vazal ten gebruike werd afgestaan
Lehen
noun
1. staatsvorm
Feudalismus
Benefizialwesen
Feudalswesen
Lehenswesen
Lehnswesen
/
ˈlenvərˌtalɪŋ/
noun
1. woord dat aan een vreemde taal is ontleend in letterlijke vertaling en analoge constructie
Lehnübersetzung
/
ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
Lehnwort
noun
- 1. stof vervaardigd door het looien van een dierenhuid
Leder
- 2. theorie, doctrine
Lehre
adjective
1. gemakkelijk te leren, goed te leren
lernbar
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
Lehrbuch
noun
1. iemand die lesgeeft
Lehrkraft
noun
1. iemand die onderwijs volgt
Schüler
Schülerin
noun
1. schema in de tijd van leeractiviteiten om vastgestelde leerdoelen te bereiken en de leerstof,...
Lehrplan
noun
1. de verzameling van alle leermaterialen die een lerende dient te bestuderen
Lehrstoff
Lernstoff
noun
2. rubberen opzetstuk tussen pijpstukken
Flachdichtung
/
ˈlervlʏxt/
noun
1. als oefening weer terug naar huis vliegen van postduiven die voor dat doel eerst samen zijn weggebracht
Übungsflug
noun
1. een boek met teksten, meestal om kinderen te leren lezen
Lesebuch
noun
1. een bril die op leesafstand een scherp beeld geeft
Lesebrille
noun
1. een lint dat aan de kop van van een boekblok bevestigd is en waarmee je kunt aangeven waar je weer wil beginnen met lezen
Leseband
/
lest/
noun
- 1. schoenvorm
Leisten
- 2. gestalte
Wuchs
noun
1. conventioneel symbool in interpunctie
Satzzeichen
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
Löwe
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
Löwe
Löwin
noun
1. vrouwtje van de leeuw
Löwin
adjective
branie, moed
Mumm
adjective
1. wettig, rechtmatig
erlaubt
rechtmäßig
noun
- 1-2. Romeinse officier of pauselijk gezant
Legat
- 1. testamentaire beschikking
Vermächtnis
Legat
verb
1. de wet zodanig aanpassen dat iets niet langer een vergrijp is
legalisieren
noun
1. een inrichting in een pluimveehouderij waarin legkippen in grote aantallen in kleine hokjes gehouden en verzorgd worden
Legebatterie
/
ˈleːɣər/, /
ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
Armee
Heer
/
lə'ɣɪːrən/
verb
- 1. een leger inkwartieren
einquartieren
lagern
- 1. verschillende metalen tot een verbinding samensmelten
legieren
noun
1. Metaalverbinding van twee of meer elementen
Legierung
noun
1. tenten en/of gebouwen waarin een leger is ondergebracht
Biwak
/
ˈlɛɣə(n)/, /
ˈlɛχə(n)/
verb
1. doen liggen
legen
/
ˌleɣyˈwan/
noun
- 1. hagedis
- 2. stootkussen
Leguan
noun
- 3. daklei
Dachschiefer
- 2. schrijflei
Schiefertafel
noun
2. band waaraan een kind leert lopen
Gängelband
noun
1. iemand daken voorziet van leien al of niet met metalen zoals koper
Dachdecker
Schieferdecker
verb
1. een leidinggevende functie hebben
leiten
führen
/
ˈlɛɪ̯dər/, /
ˈlɛːdər/
noun
- 1. iemand die leidt of bestuurt
Anführer
Führer
Leiter
- 2. een persoon of ploeg die op de eerste plaats staat in een competitie of wedstrijd
Spitzenreiter
Tabellenführer
noun
- 1. het bepalen wat een groep of organisatie behoort te doen
- 3. een buis, pijp of slang die een vloeistof...
Leitung
adjective
Schiefergrau
schiefergrau
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Leinfelden-Echterdingen
noun
1. leioog
Schotleitöse
Öse
noun
- 1. blauwgrijs gesteente
Schiefer
- 2. een plat stuk van dit gesteente
Schiefertafel
Tafel
adjective
1. vloeistof of gas doorlatend
leck
undicht
noun
1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
Leck
adjective
1. aangenaam van smaak
lecker
/
ˌlɛ.kər.ˈnɛi/
noun
Leckerei
/
le.li.tʲə.vɑn.da.ləⁿ/
noun
1. bepaald soort kleine tot 30 centimeter hoge vaste plant, Convallaria majalis
Maiglöckchen
Maiblümchen
/
ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
hässlich
unschön
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Lemgo
noun
- 3. een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen
- 1. het eerste woord van een artikel in een woordenboek of encyclopedie
Lemma
- 2. een woordenboekartikel
Wörterbuchartikel
noun
1. een knaagdier dat vooral in het hoge noorden op de toendra's voorkomt
Lemming
noun
1. laagste deel van de rug voor het kruis
Lende
verb
- 2. iets aan iemand anders te leen geven
borgen
leihen
ausleihen
- 1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
borgen
sich leihen
noun
- 2. uitlener, leninggever
Darlehensgeber
Verleiher
- 1. ontlener, leningnemer
Entleiher
Darlehensnehmer
noun
1. kabeljauwachtige zoutwatervis, Molva molva
Leng
/
ˈlɛ.ŋə(n)/
verb
3. langer worden
sich längen
/
ˈlɛŋktə/
noun
- 1. afmeting van een voorwerp
Länge
- 2. tijdsduur
Länge
Dauer
- 1. op welke meridiaan een plaats ligt
Länge
Längengrad
verb
1. verzachten, minder indringend of nijpend maken
lindern
noun
- 1. een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
- 2. een stelsel van lenzen of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
Linse
- 3. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
Linse
Kontaklinse
lentilla
noun
1. seizoen
Frühling
Frühjahr
Lenz
noun
1. lentedag
Frühlingstag
/
ˈlɛntəmant/
noun
1. lentemaand
Frülingsmonat
noun
1. lentenacht
Frülingsnacht
noun
1. evenaarpassage van de zon richting noord
Frühlingspunkt
Widderpunkt
pronoun
. spelwoord voor de letter l
Leo
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Opper-Oostenrijk
Leonding
/
ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
Löffel
noun
1. een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
Löffler
Löffelreiher
noun
2. benaming voor kruisbloemige planten van het geslacht Cochlearia
Löffelkraut
noun
1. bepaald soort vis met lepelvormig verbrede bek die 2 meter lang kan worden en meer dan 80 kilogram kan wegen, Polyodon spathula
Löffelstör
adjective
1. met een smal gelaat en een smalle lichaamsbouw
leptosom
/
ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
Lehrer
/
ˈleːrə/, /
ˈlɪːrə/
verb
- 2. kennis of vaardigheid doen verwerven
lehren
- 1. kennis of vaardigheid verwerven
lernen
/
lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
Lektion
Unterricht
/
le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
Lesotho
/
ˈlɛsə(n)/
verb
1. met vocht de dorst beëindigen
löschen
/
lɛt/
noun
1. een inwoner van Letland, of iemand afkomstig uit Letland
Lette
noun
- 2.
- 1. een toestand van geestelijke ongevoeligheid
Lethargie
/
ˈlɛtlɑnd/, /
ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
Lettland
/
ˈlɛtlɑnds/, /
ˈlɛtlɑnts/
adjective
1. betreffende Letland
lettisch
/
lɛts/
adjective
1. betreffende Letland
lettisch
/
lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
Lettisch
lettisch
/
ˈlɛtsə/
noun
1. inwoonster van Letland
Lettin
noun
1. lichamelijke schade met name aangericht in een ongeluk of gevecht
Verletzung
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
Buchstabe
/
ˈlɛtərˌxrep/, /
ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
Silbe
noun
1. de studie van de literatuur
Literaturwissenschaft
/
ˈlɛtərˌtekə(n)/
noun
1. elk van de symbolen voor een klank waaruit een alfabet is opgebouwd
Schriftzeichen
noun
1. een stylistisch samenhangende set tekens die meestal letters, cijfers en leestekens uitbeelden
Schriftart
/
'lɛtərzɛtər/
noun
- 2. Ips typographus, een schorskever die vooral leeft op de spar
Buchdrucker
- 1. tekstopmaker
Schriftsetzer
Metteur
/
ˈløːɣən/, /
ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
Lüge
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
Lügner
adjective
- 3. kalm, bedaard
gelassen
gemächlich
- 1. grappig, schalks, vermakelijk
lustig
- 2. prettig, aangenaam
toll
nett
fein
noun
1. bloedkanker
Leukämie
verb
1. steunen, het evenwicht bewaren door het eigen gewicht deels door iets anders te laten steunen
lehnen
anlehnen
noun
- 1. iets waartegen men aan kan leunen
Geländer
- 2. de achterkant van een stoel
Lehne
Stuhllehne
noun
1. een stoel met leuningen om lekker in te zitten
Lehnstuhl
/
ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
Löwen
pronoun
1.
Levantinisches Meer
Levantisches Meer
/
'levən/
noun
- 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
- 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
Leben
/
'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
leben
adjective
1. tot de dood durend
lebenslang
noun
Lebensfreude
Lebenslust
noun
1. een van de goederen die het leven in stand houden, zoals etenswaren
Lebensmittel
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
Leber
/
ˈlevərˌblumpʲə/
noun
1. Hepatica nobilis, een plant uit de ranonkelfamilie
Leberblümchen
Dreilappiges Leberblümchen
Gewöhnliches Leberblümchen
Leberblume
Leberwindblume
Märzblümchen
/
ˈlevərə(n)/
verb
1. voor de aanvoer van iets zorg dragen
liefern
/
leˈvijatɑn/
noun
1. reusachtige waterslang
Leviathan
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
lesen
noun
1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
Leser
/
ˈli.ba.nɔn/, /
ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
Libanon
/
li.ˈbɛl/, /
li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
Libelle
/
li.'beː.ri.ja/, /
li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
Liberia
/
'libido/
noun
1. geslachtsdrift
Libido
Geschlechtstrieb
adjective
1. op Libië betrekking hebbend
libysk
libysch
/
ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
Libyen
noun
- 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
Körper
- 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
Körper
Leib
- 2. een instantie
Körperschaft
/
ˈlɪxamsbəˌweɣɪŋ/
noun
1. bezigheden die bijdragen aan de lichamelijke fitheid
körperliche Betätigung
noun
1. de specifieke anatomie van iemands lichaam
Körperbau
noun
1. haar dat niet op het hoofd van iemand groeit
Körperhaar
adjective
1. met betrekking tot het lichaam
körperlich
adjective
- 1. helder van kleur
hell
Licht
- 2. van een gewicht
- Vertalingen: na te kijken en onderverdelen per verklaring
leicht
noun
- 1. Elektromagnetische golven
Licht
hell
- 2. lichtbron
Lichtquelle
Licht
adjective
Hellelfenbein
hellelfenbein
adjective
1. een lichte oranje kleur die naar rood zweemt
Hellrotorange
hellrotorange
noun
1. gas dat in een gasfabriek wordt geproduceerd door steenkool te verhitten zonder toetreding van zuurstof
Leuchtgas
Stadtgas
adjective
Lichtgrau
lichtgrau
adjective
Lichtgrün
lichtgrün
adjective
1. met lichte haren.
hellhaarig
noun
2.
Altersklasse
Jahrgang
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
Lichtjahr
adjective
Hellrosa
hellrosa
noun
1. de snelheid waarmee het licht zich voortplant in het luchtledige (ongeveer 299792 km/s)
Lichtgeschwindigkeit
/
ˈlɪxtstɛrktə/
noun
1. helderheid van een lichtbron
Lichtstärke
noun
1. het lichtzinnig zijn
Leichtsinnigkeit
Unbesonnenheit
noun
- 4. ooglid
Augenlid
Lid
- 9. deksel
Deckel
- 3. mannelijk geslachtsdeel
Glied
- 5. deel van het lichaam
Glied
Körperglied
Körperteil
- 1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
Mitglied
- 6. deel van een insect
Segment
- 8. deel van een samengesteld woord
Silbe
Wortteil
noun
1. iemand die lid is van een organisatie, voornamelijk een kerk
Mitglied
noun
1. de status van iemand als lid van een organisatie
Mitgliedschaft
noun
1. een staat die toegetreden is tot een inter- of supranationale organisatie
Mitgliedsland
Mitgliedstaat
noun
Artikel
Geschlechtswort
Begleiter
/
ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /
ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /
ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
Liechtenstein
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
Lied
adverb
- 1. vriendelijk, zachtaardig
lieb
- 2. mooi, fijngebouwd
lieb
hübsch
noun
1.het geven van hulp
Wohltätigkeit
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
Liebe
adjective
1. niet getuigend van enige vorm van liefde
herzlos
lieblos
noun
1. verhouding, liefdesgeschiedenis
Liebesaffäre
noun
1. brief waarin men zijn liefde betuigt
Liebesbrief
noun
1. roman met liefdesperikelen als hoofdonderwerp
Liebesroman
noun
1. het verdriet dat iemand voelt bij een onbeantwoorde, of verbroken liefde
Liebeskummer
noun
liefdesrelatie
Liebesbeziehung
Liebesverhältnis
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
lieben
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
lügen
/
lir/
noun
- 1. een Grieks snaarinstrument
Lyra
Leier
- 2. een werktuig om te hijsen, trekken of slepen
Winde
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
Marienkäfer
/
ˌlivə'vraʊ̯wəˌbɛtstro/, /
ˌlivəˌvrɔʊ̯β̞ə'bɛtstro/, /
ˌlivəˌvrʌʊ̯β̞ə'bɛtstro/
noun
1.
Waldmeister
noun
- 2. de draagkracht van een vliegtuig
Auftrieb
- 1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
Aufzug
Lift
Fahrstuhl
verb
1. liften (meerijden)
trampen
noun
1. lifter
Anhalter
Tramper
noun
1. opwaartse kracht
Auftrieb
verb
- 1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
- 2. op een bepaalde plaats bevinden
liegen
noun
1. de wijze waarop iets of iemand gelegen is
Lage
/
'lɪxplats/
noun
- 2. een plaats waar een boot kan liggen
Ankerplatz
- 1. een plaats waar iemand of iets ligt
Liegeplatz
noun
1. een stoel waarin men gemakkelijk kan liggen
Liegestuhl
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Noordwest-Italië en Corsica
Ligurisches Meer
noun
1. olijfachtige heester veel gebruikt voor het maken van heggen
Liguster
Rainweide
noun
1. de kant waar de wind niet vandaan komt
Lee
/
lɛɪdələk/
adjective
1. zonder verzet ongemak verdragend
passiv
verb
1. smart en ellende ondergaan
leiden
phraseologicalUnit
1. zinsdeel waarop de actie die wordt uitgedrukt door een overgankelijk werkwoord rechtstreeks van toepassing is
Akkusativobjekt
direktes Objekt
/
lɛi̯f/
noun
1. lichaam
Körper
noun
1. deel van een kledingstuk dat ervoor zorgt dat het bovenlijf bedekt wordt
Leibchen
pronoun
1. een Finoegrische taal die in Estland en Letland gesproken wordt
Livisch
noun
1. levenslange rente
Leibrente
noun
1. een spreuk waarnaar iemand zijn leven inricht
Wahlspruch
noun
1. een straf waarbij iemand lijfelijk pijn gedaan wordt
Körperstrafe
Leibesstrafe
/
ˈlɛɪfʋɑxt/
noun
- 1. de wacht die met de bewaking van een vorst of aanzienlijk persoon belast is
Leibwache
- 2. een lid van een lijfwacht
Leibwächter
suffix
- 1. het hebben van de karakteristieken (bv. kinderlijk)
haft
lich
- 2. in staat zijn tot (bv. redelijk)
- 3. toevoeging om van een werkwoord of zelfstandig naamwoord een bijvoeglijk naamwoord te maken (bv. gevaarlijk)
lich
noun
- 1. dood lichaam
Leiche
Leichnam
- 1. zijde van een zeil
Liek
/
ˈlɛːkbar/, /
ˈlɛːɪkbar/
noun
1. baar voor een lijk
Totenbahre
/
ˈlɛɪkˌbəzɔrxər/
noun
1. een begrafenisondernemer
Leichenbestatter
/
ˈlɛɪkˌbɪdər/
noun
1. de aanzegger van een sterfgeval
Leichenbitter
/
ˈlɛi.kə(n)/
verb
- 1. uitzien als
gleichen
- 2. naar aanschijn zijn
scheinen
- lijken op iets
ähneln
/
lɛikə(n)hœys/
noun
1. een plaats waar lijken tijdelijk opgebaard liggen
Leichenhalle
Totenhalle
/
ˈlɛɪkxeˌʋat/
noun
1. de kleding waarin een overledene begraven wordt
Totenhemd
Leichenhemd
/
ˈlɛɪ̯.kɪs/, /
ˈlɛɪ̯k.kɪst/, /
ˈlɛːk.kɪst/
noun
1. de kist waarin een overledene ter aarde besteld wordt
Sarg
noun
1. ± arts die het lichaam van een overledene onderzoekt om de doodsoorzaak vast te stellen
Forensiker
noun
1. textiel waarin een overledene begraven wordt
Leichenhemd
Totenhemd
noun
1. plakmiddel
Kleber
Klebstoff
Leim
verb
1. twee of meer delen aan elkaar bevestigen met behulp van een kleefstof
leimen
kleben
noun
1. een actie ondernomen om een uiteengevallen kabinet opnieuw bijeen te brengen
Rettungsversuch
/
lɛi̯n/
noun
- 2.
Gerade
gerade Linie
- 11. een band, riem om een huisdier in te tomen
Hundeleine
Leine
- 1. een streep
Linie
noun
1. motor waarbij alle cilinders in één lijn staan
Reihenmotor
/
ˈlɛinrɛidəɾ/
noun
1. iemand die bloemen en planten vanuit de vrachtwagen en in beperkte mate op bestelling verkoopt aan bloemenwinkeliers
Blumengroßhändler
/
lɛinˈvrindələk/
adjective
1. weinig calorieën bevattend, waar je niet dik van wordt
kalorienarm
/
ˈlɛɪnzat/
noun
1.
Leinsamen
/
lɛist/
noun
- 4. een vooruitspringende rand aan een gebouw
Leiste
- 1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
Liste
- 2. een rand in een speciale vorm om iets in te vatten, zoals een schilderij
Rahmen
Bilderrahmen
- 3. een kader of omtrek
Umrandung
noun
1. iemand op de eerste plaats staat van de kandidatenlijst van een partij in een verkiezing
Spitzenkandidat
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
Drossel
noun
1. geslacht van loofbomen, Sorbus
Mehlbeere
noun
1. iemand op de eerste plaats staat van de kandidatenlijst van een partij in een verkiezing
Spitzenkandidat
noun
1. de kant van het schip die uit de wind ligt
Leeseite
verb
1. met de tong aanraken
lecken
noun
1. lichte tint van paars
lila
noun
1. en 2. (zaden van) plant Phaseolus lunatus
Limabohne
Mondbohne
/
ˈlɪm.bʏrx/, /
ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
- 1. provincie in het zuidoosten van Nederland
- 2. een provincie in België
Limburg
/
ˈlɪm.bʏrxs/, /
ˈlɪm.bʏrχs/
pronoun
1. verzamelnaam van een reeks variëteiten van de Germaanse taalfamilie
Limburgisch
adjective
1.
limburgischsprachig
noun
1. Een citrusvrucht
Limone
Limette
noun
1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
Limonade
noun
1. verlengde luxueuze auto waarin meestal meer dan vier personen vervoerd kunnen worden.
Limousine
/
ˈlɪndə/
noun
loofboom
Linde
noun
1. beoefenaar van de taalkunde
Linguist
noun
1. wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
Linguistik
adjective
linguistisch
sprachwissenschaftlich
/
ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
Lineal
noun
- 2. een verwijzing
Link
Verknüpfung
- 1. een betrekking of relatie
Verbindung
noun
1. linkerhandregel
Linkehandregel
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
links
link
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
linkshändig
adverb
1. in een rondgaande beweging tegen de klok
linksdrehend
noun
1. product afkomstig uit vlas
Leinen
Leinwand
noun
1. lintkabel
Bandleitung
noun
1. een platte worm die parasiteert in de darm bij mens en dier
Bandwurm
noun
1. anatomie
Lippe
Lefze
/
liˈpidə/
noun
1. vetten en vetachtige stoffen die in de biochemie een belangrijke rol spelen
Lipid
noun
- 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
- 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
Lippenstift
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Lippstadt
/
ˈlɪspələ(n)/
verb
lispeln
/
'lɪst/
noun
- 2. vermogen om een oplossing die tegenstrevers verrast, te bedenken
List
- 1. een oplossing voor een probleem waardoor tegenstrevers worden verrast
List
snare
noun
- 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
- 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
Literatur
/
ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
Lithium
noun
Lithographie
Steindruck
noun
1. de wetenschap van de beschrijving en het ontstaan van sedimentgesteenten (steen- en rotsenkunde)
Lithologie
/
liˈtaʊ̯.wə(n)/, /
liˈtɑuwə(n)/, /
liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /
ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
Litauen
/
liˈtaʊ̯.wər/, /
ˈlitɔʊ̯.β̞ər/, /
ˈlitʌʊ̯.β̞ər/
noun
1. inwoner van Litouwen
Litauer
/
liˈtaʊ̯s/, /
ˈlitɔʊ̯β̞s/, /
ˈlitʌʊ̯s/
adjective
1. betreffende Litouwen of het Litouws
litauisch
/
liˈtaʊ̯s/, /
ˈlitɔʊ̯β̞s/, /
ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
Litauisch
litauisch
/
liˈtaʊ̯sə/, /
ˈlitɔʊ̯β̞sə/, /
ˈlitʌʊ̯sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Litouwen
Litauerin
noun
1. zichtbaar overblijfsel van een oude verwonding
Narbe
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
Liturgie
abbreviation
1. litzedraad
Hochfrequenzlitze
Litze
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
Livermorium
noun
1. vloeibaar gemaakt aardgas
LNG
noun
1. officiële instructie waardoor mensen of informatie een plaats of gebied niet mogen verlaten of binnenkomen
Massenquarantäne
verb
- 2. wollen stof
Loden
- 1. van lood vervaardigd
bleiern
- 3. het peilen van waterdiepte
peilen
pronoun
- 1. eigennaam van Frankische herkomst
- 2. spelwoord voor de letter l
Ludwig
noun
1. de kant waar de wind vandaan komt
Luv
noun
1. de kant waar de wind op staat
Luvseite
Windseite
noun
1. met vlees en groente gevulde en gefrituurde lap deeg
Frühlingsrolle
verb
1. scheel kijken
schielen
noun
op de loer liggen
lauern
noun
- 2. groente
Chicorée
- 1. prijzen
Lob
verb
1. iemand lof toezwaaien
lobpreisen
noun
1. snelheidsmeter voor zeegaande schepen
Log
Logge
noun
- 1. boek met gegevens over de navigatie
Logbuch
- 2. een chronologisch dagboek
Tagebuch
verb
1. de onwaarheid of onjuistheid aantonen van iets
Lügen strafen
verb
1. vaart bepalen
loggen
noun
1. een vissersschip, tegenwoordig met een motor aangedreven, dat vroeger een loggergetuigd zeilschip was
Lugger
/
ˈloɣis/
adjective
- 1. natuurlijk, voor de hand liggend
- 2. betrekking hebbend op de logica
logisch
adverb
1. op een logische manier
logischerweise
noun
1. beeldmerk, logogram, naambeeld
Logo
Zeichen
Markenzeichen
noun
1. een herkeningsteken
Logogram
/
ˈloʒban/
pronoun
1. een kunsttaal ontwikkeld door James Cooke Brown
Lojban
/
lɔk/
noun
1. haarlok, pluk haar
Locke
/
loˈkal/
adjective
1. plaatselijk, van beperkte omvang
lokal
örtlich
noun
1. stuk vlees of vis bedoeld om een dier mee te kunnen vangen.
Köder
noun
1. plaatsbepaling
Ortung
verb
2. de plaats vaststellen van
lokalisieren
verb
- 2. als eerste deel van samenstellingen
Lock-
- 1. mens of dier verleiden ergens heen te komen
anlocken
/
ˈlɔlɪ/
noun
snoepje
Lutscher
Dauerlutscher
Lolli
noun
1. zeevis, behorende tot de dorsvissen
Lumb
adjective
zich op een onwellevende en onbehouwen manier gedragend
rüde
ungehobelt
/
ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
London
adjective
1. van werk of andere activiteit dat je er voordeel van ondervindt; dat het de moeite waard is
lohnend
lukrativ
rentabel
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
Lunge
/
ˈlɔŋblaʃə/
noun
1. een blaasje in de longen waarin gasuitwisseling plaatsvindt
Lungenbläschen
noun
1. zwelling veroorzaakt door (allergische) overgevoeligheid
Lungenödem
/
'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
Lungenentzündung
Pneumonie
noun
1. bloedvat dat vanuit de rechter hartkamer naar de longen gaat
Lungenarterie
/
ˌlɔnsdeˈlit/
noun
1. zeer harde vorm van diamant
Lonsdaleit
noun
1. koord voor ontsteking
Zündschnur
Lunte
/
'lo.xənə(n)/
verb
1. iets tot een leugen verklaren
leugnen
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
Blei
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
Klempner
Installateur
/
loːts/
noun
- 2. iemand die schepen als stuurman begeleidt bij het varen van en naar een haven
Lotse
- 1. gebouw voor opslag van goederen
Schuppen
Lager
noun
1. een witte verfstof met bestanddelen van lood
Bleiweiß
noun
- 1. gebladerde boom
- 2. bladverliezend boom
Laubbaum
adjective
Laubgrün
laubgrün
/
loːx/
noun
een alkalische substantie
Lauge
verb
1. het bewerken van een dierenhuid ter vervaardiging van leer
lohen
gerben
noun
1. (beroep) een persoon die van de huid van dieren leer maakt
Gerber
adjective
van groot gewicht
schwer
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Allium
Lauchgewächs
Zwiebelgewächs
/
loːn/
noun
1. financiële vergoeding voor geleverde arbeid
Lohn
/
xxxx/
noun
1. dienst waarvoor men loon ontvangt
Arbeitsverhältnis
/
loːp/
noun
voorste deel van een wapen
Lauf
noun
1. bovenzijde van een voetzool
Lauffläche
/
ˈlopˌfoχɔɫ/, /
ˈloːbˌvoːɣəl/, /
ˈloːpˌfoːɣəl/
noun
- 1. loopvogel als taxonomische benaming
- 2. vogel die niet kan vliegen
Laufvogel
Laufvögel
/
-los/
suffix
1. een achtervoegsel dat het ontbreken van het eerste aangeeft
los
verb
- Het kwik loopt op.
Das Thermometer steigt.
- uit de hand lopen
außer Kontrolle geraten
- 1. stappen, gaan
gehen
laufen
schreiten
- aan komen lopen
herankommen
zulaufen
- 2. rennen
laufen
rennen
preposition
tijdens het verloop van
während
noun
- 2. sleutel waarmee een hele serie verschillende sloten geopend kan worden
Generalschlüssel
Hauptschlüssel
Passepartout
Zentralschlüssel
- 4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
- 1. iemand die loopt
- 5. langgerekt stuk vloerbedekking
Läufer
noun
1.Dit geneesmiddel behoort tot de benzodiazepinen
Lorazepam
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Lorsch
verb
plotseling woeden
ausbrechen
noun
1. een onverantwoordelijk iemand
lockere Vogel
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
Lösegeld
verb
1. iets dat met een gesp bevestigd is losmaken
losschnallen
verb
1. ervoor zorgen dat iets of iemand los wordt
lösen
losmachen
auflösen
noun
1. geld dat men aan ontvoerders moet betalen om de ontvoerde persoon weer vrij te krijgen
Lösegeld
/
ˈlɔs.rʏ.kə(n)/
verb
1. met een ruk losmaken
losreiben
/
ˈlɔsə(n)/
verb
- 2. afschieten
abfeuern
abschießen
- 5. afhaken, achteropraken
den Anschluss verlieren
- 3. ontladen, afladen
entladen
- 1. losser maken
lockern
- 4. zich ontdoen van
loswerden
verb
1. door trekken losmaken
losreißen
noun
- 1. toevalskans of teken daarvan
Los
- 2. noodlot, wat het toeval iemand toebedenkt
Schicksal
adjective
1. onguur, verdacht, met een slechte reputatie
dubios
fragwürdig
suspekt
zwielichtig
noun
1. bankstel gestoffeerd met geschikt materiaal voor buitengebruik
Loungemöbel
noun
1. het geheel van bladeren van een of meer bomen
Blätter
verb
1.iets uitwerpen, kwijt zien te raken, gewoonlijk een vloeistof
abführen
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Lukas
/
lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
Luft
noun
1. een aanval vanuit de lucht op een grondpositie
Luftangriff
noun
1. lijkbezorging waarbij het lichaam van een dode een plaats boven de grond krijgt waar het door dieren wordt opgegeten
Himmelsbestattung
noun
Klimagerät
Luftbehandlungsgerät
Lüftungsanlage
Lüftungsgerät
noun
fotografie vanuit de lucht
Luftfotografie
Luftbildfotografie
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
Flughafen
Flugplatz
noun
1. muziekinstrumenten die een toon voortbrengen door een trillende luchtkolom
Luftklinger
noun
1. een vaartuig dat zowel over water als over land op een luchtkussen voortzweeft.
Luftkissenfahrzeug
/
ˈlʏxmɑxt/, /
ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
Luftwaffe
noun
1. een matras die gevuld is met lucht
Luftmatratze
noun
1. de luchtlagen boven een bepaald grondgebied
Luftraum
noun
1. demonstratie met (stunt)vliegtuigen, parachutespringen etc.
Flugschau
noun
1. verkeer in de lucht
Luftfahrt
noun
1. een bedrijf dat vervoer door de lucht aanbiedt
Luftfahrtgesellschaft
Fluglinie
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
Streichholz
Zündholz
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Brandenburg
Luckenwalde
adjective
1. bijzonder en leuk, apart op een leuke manier
spielerisch
pronoun
1. en 2.
Ludwigsburg
/
lœʏ/, /
lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
faul
/
lœʏ/, /
lœː/
noun
1. groep mensen
Leute
noun
- 1. werkschuw persoon
Faulpelz
- 2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
Faultier
/
lœʏ̯t/, /
lœːd/, /
lœːt/
adjective
laut
/
ˈlœʏ̯dən/, /
ˈlœːdən/
verb
- 2. het weerklinken van het geluid van een klok
klingen
- 1. doen klinken, gewoonlijk van een bel
läuten
noun
1. het ontbreken van de wil iets te doen
Faulheit
Trägheit
/
lœʏ̯k/, /
lœːk/
pronoun
- 1. een provinciehoofdstad in België
- 2. een Belgische provincie
Lüttich
/
lœʏ̯k/, /
lœːk/
noun
- 3. openklappende plank die een raam afdekt en beschermt
Fensterladen
Laden
- 4. onderdeel van een altaar-schilderij
Flügel
- 1. openklappend vlak, klapdeur
Klappe
Kläppchen
- 2. afdekking van een scheepsruim
Luke
noun
1. de stemming van een persoon op een bepaald tijdstip
Stimmung
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
Leopard
/
lœʏ̯s/, /
lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
Laus
/
'lœstərə(n)/
verb
- 2. een bevel opvolgen
gehorchen
hören auf
- 1. gericht waarnemen met het oor
zuhören
hören
noun
1. iemand die erg lui is
Faulpelz
verb
1. tot een succes leiden
gelingen
noun
1. geslachtsdeel van de man
Schwanz
Penis
Pimmel
Rute
verb
1. onzinnige of onbelangrijke dingen zeggen
schwafeln
schwätzen
/
lɵnsʲ/
noun
1. een maaltijd rond of iets na het middaguur
Mittagessen
verb
1. de lunch gebruiken
zu Mittag essen
lunchen
noun
- 1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
Lupine
- 2. zaden van geslacht Lupinus
Lupinensamen
noun
1. tot meel vermalen zaden van de plant Lupinus
Lupinenmehl
Süßlupinenmehl
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Portugees of gevormd naar Portugees voorbeeld
Lusitanismus
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Vorarlberg
Lustenau
/
ˈlʏstəɣhɛit/
noun
1. opgewekte stemming
Fröhlichkeit
Heiterkeit
Lustigkeit
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
Lutetium
/
lyw/
adjective
- 2. redelijk warm, lauw
laut
- 1. uit de wind, windstil
windgeschützt
/
ˈlywə(n)/
verb
1. minder hard gaan waaien, minder hevig worden
abflauen
/
'lywtə/
noun
1. een windloze plek
Windschatten
/
lyks/
noun
1. niet alledaagse dingen die gebruikt worden voor het persoonlijk genot
Luxus
/
ˈlyksəmˌbʏrx/, /
ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
Luxemburg
/
ˈlyksəmˌbʏrɣər/, /
ˈlyksəmˌbʏrχər/
noun
1. een inwoner of iemand die afkomstig is van het Groothertogdom Luxemburg
Luxemburger
/
ˈlyksəmˌbʏrxs/, /
ˈlyksəmˌbʏrχs/
adjective
1. betreffende Luxemburg of het Luxemburgs
luxemburgisch
/
ˈlyksəmˌbʏrxs/, /
ˈlyksəmˌbʏrχs/
pronoun
1. een taal die in Luxemburg gesproken wordt
Luxemburgisch
adjective
1.
luxemburgischsprachig
adjective
1. met betrekking tot de witte bloedlichaampjes
lymphozytär
verb
1. iemand executeren zonder rechtsgeldig proces, met name door opknoping
lynchen
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
Luchs
pronoun
1. feministische kunsttaal...
Láadan
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
- 2. een district in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Lörrach
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Löwenstein
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Lüdenscheid
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Lügde
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
- 2. een district in de Duitse deelstaat Nedersaksen
- 3. een vroegere vorstendom
Lüneburg
pronoun
1. een heide- en boslandschap in Nedersaksen
Lüneburger Heide
/
mṇ/
possessivePronoun
1. van de eerste persoon enkelvoud
mein
/
maːx/
noun
1. Orgaan
Magen
noun
1. het kanaal
Verdauungstrakt
pronoun
- 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
- 1. sterrenbeeld van de dierenriem
- 3. de moeder van Jesus
Jungfrau
/
maːxt/, /
maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
Jungfrau
/
ˈmaɣdəˌvlis/, /
ˈmaʝdəˌvlis/
noun
vlies
Jungfernhäutchen
noun
1. een pijnlijk gevoel in de maagstreek
Magenschmerz
/
maxsɑp/
noun
1.maagsap
Magensaft
/
ˈmaɪ̯ə(n)/
verb
1. met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
mähen
/
ma:l/
verb
- 2 1. de handeling van eten zoals die dagelijks op geregelde tijden plaatsvindt
Mahlzeit
Mahl
- 1 1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
Mal
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
Mahlzeit
Mahl
/
maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
Monat
/
ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
Montag
/
mandɑxˈɔxtənt/
adverb
1. de voormiddag van een maandag
Montagmorgen
Montagvormittag
/
ˈman.də.ləks/, /
ˈmaːn.də.lɪks/
adverb
1. iedere maand een keer
monatlich
noun
1. het loon dat men met arbeid in één maand verdient
Monatslohn
/
ˈmaneˌklɪps/
noun
1. het verschijnsel dat de maan in de schaduw van de aarde komt te staan, waardoor deze verduisterd raakt
Mondfinsternis
noun
1. het zonlicht dat van de maan naar de aarde reflecteert
Mondlicht
/
ˈmansvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /
ˈmansvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan verduisterd raakt doordat ze in de schaduw...
Mondfinsternis
/
maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
aber
sondern
/
maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
März
Lenzing
pronoun
Deutsche Revolution 1848/49
/
mas/
pronoun
1. een rivier die onspringt in Frankrijk en door België en Nederland stroomt
Maas
/
mas.ˈtrɪxt/, /
mas.ˈtrɪχt/, /
məs.ˈtreːx/
pronoun
1. een stad en gemeente in de Nederlandse provincie Limburg, tevens de hoofdstad hiervan
Maastricht
/
maːt/
noun
- 1. makker
Kamerad
- 2. kaartpartner
Kumpel
- 5. grootte van kledingstuk/schoen
Maß
- 3. eenheid van lengte enz.
Maß
Takt
- 6. (muziek) manier om een muziekstuk ritmisch in te delen
Takt
noun
1. een glas met maatverdelingen
Messbecher
noun
1. een glazen kolf met een geijkte maatstreep voor het nauwkeurig bepalen van een volume vloeistof
Messkolben
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
Maßnahme
/
matsxɑpələk/
adjective
1. op de maatschappij betrekking hebbend
gesellschaftlich
noun
- 2. de wereld, omgang en verkeer der mensen
- 1. vereniging tot het drijven van handel
Gesellschaft
noun
1. een vertikale lijn op een notenbalk
Taktstrich
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
Mazedonisch
/
ˌmasəˈdoni.jə/, /
ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
- 1. historisch Grieks koninkrijk
- 2. regio in Griekenland
Makedonien
Mazedonien
- 3. land
Mazedonien
Makedonien
/
mɑˈʃɛtə/
noun
1. licht gebogen zwaard
Machete
noun
1. geweer waarmee kort na elkaar meerdere schoten kunnen worden afgevuurd, ...
Maschinengewehr
noun
1. een ruimte voor machines
Maschinenraum
noun
1. licht machinegeweer
Maschinenpistole
/
mɑˈʃinəˈri/
noun
1. geheel van machines
Maschinerie
noun
1. een persoon met gezag
Gewalthaber
Machthaber
/
ˈmɑxtəx/, /
ˈmɑxtɪx/, /
ˈmɑχtəχ/
adjective
1. meer invloed hebben dan anderen
mächtig
noun
1.het gebruiken van macht voor doeleinden waarvoor het niet bedoeld is
Machtmissbrauch
noun
1. gevecht om de macht
Machtkampf
noun
- 1.
Gleichgewicht der Kräfte
- 2.
Machtverhältnis
noun
1. een handwerktechniek om decoraties of weefsel te maken, door het met de hand knopen van draden
Macramé
noun
het fotograferen van voorwerpen op korte afstand door middel van een macro-objectief
Makrofotografie
/
ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /
ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Madagaskar
noun
- 1. Pootloze larve
Made
- 2. een stuk grasland dat gemaaid of geweid wordt
Wiese
noun
1. Bellis perennis
Gänseblümchen
noun
1. wijn van het eiland Madeira die door een verhoogd alcoholgehalte en lange rijping bij hoge temperaturen lang houdbaar is
Madeirawein
noun
1. muzikale stroming uit de 16e eeuw, waarbij het door middel van toonschilderingen uitbeelden van woorden en tekst centraal staat
Madrigalismus
/
mɑf/
adjective
1. vreemd, onverwacht, ongebruikelijk, raar
blöd
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
Mafia
Maffia
/
ˈmafis/
adjective
1. arm aan silica of silicahoudende mineralen
mafisch
/
ˈma.ɣər/, /
ˈma.χər/
adjective
1.
mager
pronoun
1. verpersoonlijking van de dood
Sensenmann
noun
1. magerzucht, eetstoornis
Magersucht
noun
1. toverkunst; kracht waar een tovenaar over beschikt om dingen te verwezenlijken die een bovennatuurlijke indruk maken
Magie
Zauberei
adjective
1.met een bijzondere, bovennatuurlijke betekenis
magisch
noun
1. een persoon die rechtspreekt
Magistrat
noun
- 1. gemagnetiseerd metaal
- 2. persoon, zaak of plaats
Magnet
noun
1. Chemisch element
Magnesium
noun
1.het magnesiumzout van stearinezuur
Magnesiumstearat
/
ˈmɑɣ.nə.trɔn/, /
ˈmɑχ.nə.trɔn/
noun
- 2. een type elektronenbuis
Magnetron
- 1. een toestel waarin met zeer korte en gerichte golven voedsel in zeer korte tijd warm kan worden gemaakt
Mikrowellengerät
noun
1. boom met tulpachtige bloemen
Magnolien
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Maharashtra
adjective
Mahagonibraun
mahagonibraun
noun
1. e-mailadres
E-Mail-Adresse
Mail-Adresse
/
ˈmɑjnfrɑŋkis/
pronoun
1. nauw aan het Duits verwante taal van 4,9 miljoen mensen in het stroomgebied van de Main
Mainfrankisch
/
mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
Mais
adjective
Maisgelb
maisgelb
noun
1. een etagewoning met eigen toegang waarbij woon- en slaapverdieping boven elkaar liggen
Maisonette
/
ˈmɑjsʋɔrtəɫˌbo̝ːrdər/
noun
1. bepaald soort tor, Diabrotica virgifera
Maiswurzelbohrer
/
ˈmɑjswɔrtəlˌkevər/
noun
1. bepaald soort tor, Diabrotica virgifera
Maiswurzelbohrer
noun
1. en 2. verbinding van glucose en koolhydraten of bindmiddel dat uit maiskorrels wordt gewonnen
Maisstärke
noun
1. het grotetertsakkoord
Durakkord
noun
1. een toonladder met een grote terts
Durtonart
noun
1. een grotetertstoonladder
Durtonleiter
noun
1. een toonladder met een grote terts
Durtonleiter
noun
1. een toonladder met een grote terts
Durtonart
adjective
1. gedwee, tam, niet wild
folgsam
gehorsam
zahm
noun
1. schoonheidsproducten
Make-up
/
ˈmaːkən/
verb
- 3. optellen tot een bepaald bedrag
ausmachen
kosten
- 1. in elkaar zetten
machen
- 2. ervoor zorgen dat iets weer werkt
reparieren
adjective
1. niet moeilijk, waar weinig moeite en inspanning voor vereist is
leicht
einfach
/
mɑkər/
noun
1. iemand aan wie men door persoonlijke voorkeur verbonden is
Gefährte
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
Makrele
/
mɑl/
adjective
1. blijk gevend van gebrek aan gezond verstand
bekloppt
durchgeknallt
irre
malle
plemplem
verrückt
noun
1. infectieziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten van het geslacht Plasmodium
Malaria
noun
1. mug die de malariaparasiet kan overbrengen
Malaria-Mücke
/
ma.'la.wi/, /
ma.'la.ʋi/, /
ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
Malawi
pronoun
1. Dravidische taal die wordt gesproken door 47 miljoen mensen, vooral in de Indiase deelstaat Kerala
Malayalam
/
mɑl.ˈdi.və(n)/, /
mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Malediven
/
mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
Malaiisch
/
maˈlɛ:zi.jə/, /
maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
Malaysia
Malaysien
/
malə(n)/
verb
1. tussen twee harde voorwerpen fijnwrijven
mahlen
/
'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
Mali
noun
3. vetereinde
Nadel
Nestelspitze
/
ˈmɑləprat/
noun
1. niet ernstig te nemen uitingen, onzinnige uitspraken
Gerede
Geschwafel
Geschwätz
noun
1. stok voor slagwerkinstrumenten
Stick
adjective
1. zacht en sappig
zart
sanft
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky, vervaardigd door het laten kiemen...
Malz
/
ˈmɑlta/, /
ˈmɑɫta/
pronoun
- 1. eiland in de Middellandse Zee
- 2. land in de Middellandse Zee
Malta
/
mɑlˈteːs/, /
mɑɫˈtes/
noun
1. inwoner van Malta of iemand die van Malta afkomstig is
Malteser
Malteserin
/
mɑlˈteːs/, /
mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
Maltesisch
/
mɑlˈteːsə/, /
mɑɫˈtesə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Malta
Malteserin
noun
1. schadelijke software
Schadsoftware
Malware
Schadprogramm
/
ˈmɑmi/
noun
1. moeder
Mammi
Mutti
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Mammuthus
Mammut
/
mɛn/
pronoun
1. een eiland in de Ierse Zee
Man
noun
- 2. een echtgenoot, een getrouwde man
Ehemann
- 1. persoon van het mannelijk geslacht
Mann
- 3. een mens
Mensch
noun
- 1. de leiding van een organisatie, de verzameling managers
- 2. de activiteit van het besturen van een organisatie
Führung
noun
1. een adviseur van het management in het bedrijfsleven, bij de overheid en in andere organisaties in zaken beleidsmatige en organisatorische vraagstukken
Unternehmensberater
noun
1. een persoon die de leiding heeft over een afdeling binnen een organisatie
Leiter
noun
1. een sierknoop die de manchet aan de mouw van een overhemd sluit
Manschettenknopf
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
Korb
Warenkorb
noun
1. hoeveelheid werk die één persoon op één werkdag kan verzetten
Manntag
Personentag
pronoun
1. Mandarijns Chinees
Hochchinesisch
noun
1. Een citrusvrucht
Mandarine
noun
1. vloeistof uit een geperste mandarijn
Mandarinensaft
Mandarinesaft
noun
1. schil van Citrus reticulata, Citrus reticulata var. 'mandarine' of Citrus × tangerina
Mandarinenschale
noun
1. situatie waarbij een onroerend goed bestemd is tot gemeenschappelijk gebruik van aanpalende erven
Gemeinschaftseigentum
noun
1. een klein, luitvormig tokkelinstrument met vier paar snaren waarop met een plectrum getokkeld wordt
Mandoline
noun
1. Chrysocyon brachyurus, Zuid-Amerikaanse wilde hondachtige, meer verwant met de vos dan met de wolf
Mähnenwolf
/
manəsxɛɪn/
noun
1. Het door de maan weerkaatste licht dat op de aarde schijnt, maanlicht
Mondschein
Mondlicht
/
ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
Manga
noun
1. Chemisch element
Mangan
/
'mɑnɣɑt/
noun
1.
Einstiegsloch
Mannloch
/
ˈmɑŋəɫ/
noun
- 3. in mangel; in ruil
Austausch
- 2. mangelwortel
Futterrübe
- 1. een werktuig met twee tegen elkaar draaiende rollen ...
Mangel
/
ˈmɑŋələ(n)/
verb
- 2. ruilen, aan ruilhandel doen
austauschen
vertauschen
- 1. ontbreken, tekortschieten
fehlen
mangeln
- 3. door de mangel halen, met een mangel glad maken
mangeln
noun
1. onderfamilie van de civetkatten, zeer snelle en behendige roofdiertjes...
Mungo
Manguste
verb
- algemeen bekend maken, aan iedereen laten blijken
bekunden
- 3. waarneembaar worden
zeigen
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
Maniok
Cassave
adjective
- 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
- 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
männlich
noun
männliches Knabenkraut
/
ˈmɑnslɑx/
noun
1. doodslag
Totschlag
noun
3. schelpdier uit de orde Ostreoida
Kammmuschel
pronoun
1. een Keltische taal die (als tweede taal) wordt gesproken op het eiland Man
Manx
Manx-Gälisch
pronoun
1. taal die door de Maori's wordt gesproken
Maori
/
mɑp/
noun
- 1. een stevig omhulsel voor papieren
- 2. een gebundelde verzameling gegevens
Mappe
pronoun
1. inheemse taal gesproken door 440 duizend mensen in Chili en Argentinië
Mapudungun
pronoun
1. taal die met name in Maharashtra, een staat in India gesproken wordt, onder andere in Mumbai (Bombay)
Marathisch
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Opper-Oostenrijk
Marchtrenk
noun
1. monopoolantenne die bestaat uit één stralend element dat verticaal op het aardvlak is opgesteld
Marconi-Antenne
pronoun
2. boek in de Bijbel
Markus
/
ˈmarə/
noun
- 1. gerucht
Gerücht
- 2. bericht
Kunde
noun
1. een inrichting waarmee de waterhoogte kan worden geregistreerd
Mareograf
noun
1. grafische registratie van de waterhoogte opgetekend door een maregraaf
Mareogramm
noun
1. Viscum album
Mistel
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus wiedii
Langschwanzkatze
Margay
/
mɑrɣiˈnal/
adjective
1. aan de rand of de rand betreffend
marginal
noun
1. het hoogfeest ter gedachtenis van de aankondiging (annunciatie) van de geboorte van Jezus aan Maria
Verkündigung
Annunziation
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Stiermarken
Mariazell
pronoun
2. spelwoord voor de letter m
Martha
/
mɑˈrɪmba/
noun
1. een zeer grote houten xylofoon uit Guatemala met onder elke toets een resonator van houtsnijwerk
Marimba
Marymba
/
maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
Marine
adjective
1. donkerblauw
marineblau
noun
1. lid van een goed getrainde, gespecialiseerde militaire eenheid
Marineinfanterist
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Markdorf
/
mɑr.ˈkeːr.stɪft/
noun
1. een viltstift waarmee met stukken tekst doet opvallen
Marker
Markierstift
Textmarker
noun
1. een markeerstift die doorzichtige fluorescerende inkt bevat die erg opvalt
Marker
/
mɑr.kɪː.rə(n)/
verb
1. het afbakenen van een grens
markieren
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Markgröningen
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
Marquis
Markgraf
noun
- warenverkoop op pleinen en straten
- geheel van omstandigheden waaronder hoeveelheden van producten of diensten verhandeld worden
Markt
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Marktobersdorf
pronoun
2. boek in de Bijbel
Markus
/
mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
Marmor
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
Murmeltier
/
ˌmɑrɔˈkan/
noun
1. inwoner van Marokko, iemand uit Marokko, persoon met de Marokkaanse nationaliteit
Marokkaner
/
ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
Marokko
adjective
1. betrekking hebbend op de maronieten
maronitisch
noun
- 3. een mand of bak die op de rug gedragen wordt
Kiepe
- 1. regelmatige manier van lopen met afgemeten passen, vooral gebruikt door soldaten...
Marsch
- 4. het halfronde platform aan de top van het onderste deel van de mast van een zeilschip
Mastkorb
- 2. een wandeltocht
Wanderung
noun
1. een Italiaanse versterkte wijn die gemaakt wordt in de omgeving van Marsala op het westelijk deel van Sicilië
Marsala
pronoun
1. een taal die op de Marshalleilanden gesproken wordt
Marshallisch
/
mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /
mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /
mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
Marshallinseln
pronoun
1. omvangrijk materieel hulpplan van de VS voor Europa na de Tweede Wereldoorlog
Marshallplan
noun
1. iemand die voor een zaak lijdt of sterft en daarmee tot symbool wordt gezien van de strijd voor die zaak
Märtyrer
verb
1. een gevangene onderwerpen aan lichamelijke en/of geestelijke pijniging, voornamelijk teneinde informatie los te krijgen
foltern
martern
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Martes
Marder
noun
1. traditioneel en stelselmatig beoefende stijl van vechten
Kampfkunst
Kampfsport
pronoun
2. spelwoord voor de letter m
Martha
noun
1. schoonheidsmiddel
Wimperntusche
Mascara
/
ˈmɑsaː/
noun
1. totale hoeveelheid materie in een object
Masse
noun
1. moord op een groot aantal personen
Massenmord
noun
1. toerisme in populaire vakantiegebieden waarbij men bij voorkeur ook nog eens allemaal in dezelfde periode komt opdraven
Massentourismus
noun
1. een wapen dat zeer velen doodt
Massenvernichtungswaffe
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Massenbachhausen
verb
1. het toepassen van uitwendige druk op de zachte weefsels
massieren
noun
- 1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
- 4. hoge antenne
- 5. varkensvoer
- 2. palen waartussen (elektriciteits- of telefoon-)draden gespannen kunnen worden
Mast
noun
- 1. ontsteking van de borstklier
Mastitis
Brustdrüsenentzündung
- 2. ontsteking van de uier
Mastitis
Euterentzündung
noun
Werkstoffwissenschaft
Materialwissenschaft
/
maθe'mat/
noun
Matematiker
adjective
1. in geringere mate dan mogelijk of gewenst
moderat
mäßig
verb
1. minder uitbundig of extreem optreden
mäßigen
adjective
1. geneigd om vroeg op te staan
früh aufstehend
noun
2. kapsel waarbij de de zijkanten van het haar meestal opgeschoren of kort zijn, maar de achterkant lang
Vokuhila
Matte
/
mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
Matratze
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
Matrix
noun
1. een zeeman van de laagste rang
Matrose
/
ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /
ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /
ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
Mauretanien
/
maʊ̯.'ri.si.jəs/, /
mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /
mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
Mauritius
adjective
1. het grootst mogelijk
maximal
abbreviation
1. grootst mogelijke hoeveelheid
Maximum
noun
1. de hoogst toegestane snelheid voor voertuigen op een openbare weg
Geschwindigkeitsbegrenzung
Tempolimit
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Mayen
/
ˌmajoˈnɛːzə/
noun
1. een saus op basis van eieren
Majonäse
Mayonnaise
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
Masern
/
ˈmɑzəl/
noun
1. goed geluk
Masel
Masen
Massel
noun
1. een vrouw die een relatie heeft met een getrouwde man
Mätresse
/
ˈmaʲɪs/, /
ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
Mais
/
ˈmaʲɪsɣel/
adjective
Maisgelb
maisgelb
/
ˈmaɪswɔrtəlˌboːrdər/, /
ˈmɑjsβ̞ɔrtəlˌboːrdər/
noun
1. Diabrotica virgifera, een schadelijke kever
Maiswurzelbohrer
adjective
1. met betrekking op de mechanica, machinaal, automatisch zonder na te denken
mechanisch
noun
1. machinerie
Mechanismus
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Mechernich
pronoun
Mecklenburg-Vorpommern
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
Medaille
/
medə'delzam/
adjective
1. bereid informatie te delen
mitteilsam
/
ˈmedəˌdelən/
verb
- 2. doen vernemen
mitteilen
anzeigen
berichten
melden
- 1. deelnemen, deel hebben
teilhaben
teilnehmen
noun
1. informatie die bekend wordt gemaakt
Mitteilung
verb
1. samen met anderen naar iets dingen
konkurrieren
noun
1. verdriet over het leed van anderen
Mitleid
Erbarmen
adjective
1. gericht op, rekening houdend met de medemens
mitmenschlich
/
ˌmedəˈmɛnsələkɦɛɪ̯t/, /
ˌmedəˈmɛnsələkɦɛːt/, /
ˌmedəˈmɛnsəlɪkhɛɪ̯d/
noun
1. het beste met andere mensen voorhebben en mensen dat ook betonen
Mitmenschlichkeit
noun
1. behulpzaam persoon bij een misdrijf
Mittäter
Mitschuldige
/
ˈme.də.sxo.ˌliːr/, /
ˈme.də.sχo.ˌliːr/
noun
1. iemand die ook op school zit
Mitschüler
noun
iemand die samen met jou een opleiding volgt; iemand die ook een student is
Kommilitone
noun
1. iemand die met anderen in hetzelfde bedrijf, organisatie of vestiging werkt
Mitarbeiter
noun
1. iemand die zich bezighoudt met het onderzoek naar en de beschrijving van de geschiedenis van de media
Medienhistoriker
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
Medizin
Arznei
Medikament
adjective
1. op de geneeskunde betrekking hebbend
medizinisch
noun
1. spirituele bezigheid
Meditation
verb
1. iets/iemand ~ iets/iemand met zich mee vervoeren
mitbringen
/
ˈmedelə(n)/
verb
1. een feit vertellen
mitteilen
/
ˈmedɛŋkə(n)/
verb
1. participeren in een denkproces
mitdenken
/
ˈmeɣan/, /
ˈmeχan/
verb
1. op hetzelfde moment dezelfde richting uitgaan
mitfahren
mitgehen
/
ˈmeɣevə(n)/, /
ˈmeχevə(n)/
verb
nachgeben
mitgeben
verb
1. anderen helpen iets te doen
mithelfen
noun
1. Rubia tinctorum
Färberkrapp
Färberröte
/
mel/, /
meɫ/, /
mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
Mehl
noun
1. dunne, oppervlakkige schimmelaantasting van planten waarbij op diverse plantendelen...
Mehltau
/
ˈme.ma.kə(n)/
verb
1. getuige zijn van een gebeurtenis
durchmachen
erleben
mitmachen
noun
1. niet-biologische moeder in een lesbisch koppel
Mitmutter
verb
1. bij het vertrek meevoeren
mitnehmen
/
meːr/
indefiniteCardinalNumeral
- 1. vergrotende trap van veel
mehr
- en dies meer
und so weiter
/
meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
See
pronoun
1.
Genfersee
Genfer See
pronoun
1. meer tussen Italië en Zwitserland
Luganer See
Luganersee
noun
1. een drijver waaraan boten kunnen afmeren
Festmacheboje
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Meerbusch
indefiniteCardinalNumeral
1. verscheidene
mehrere
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
Mehrheit
Mehrzahl
Überzahl
noun
1. het bezit van meer dan 50% van de aandelen van een onderneming
Mehrheitsbeteiligung
adjective
1. de leeftijd bereikt hebbend dat men alle rechten en plichten van een volwassene heeft
volljährig
mündig
großjährig
noun
1. één van een aantal Afrikaanse apensoorten uit de Cercopithecus-familie
Meerkatze
noun
1. bepaald soort koudbloedige groene waterdieren Pelophylax ridibundus
Seefrosch
noun
1. bepaald soort watervogel, Fulica atra
Blässhuhn
noun
1. meerpaal
Dalbe
Duckdalbe
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Meersburg
noun
1. een gehydrateerd magnesium-silicaat met de chemische formule Mg₄Si₆O15·6(H₂O), een fylosilicaat dat behoort tot de mica's.
Meerschaum
adjective
- 2. (persoon) meerdere talen sprekend
- 1. gerelateerd aan meerdere talen
mehrsprachig
multilingual
noun
1. de staat van meerdere talen te kunnen spreken
Mehrsprachigkeit
Multilingualismus
/
ˈmeːrvɑɫ/
noun
1. benaming voor grote roofvissen uit het geslacht Siluris
Wels
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
Mehrzahl
Plural
noun
1. een extra waarde
Mehrwert
Zusatznutzen
noun
1. benaming voor kleine weinig schuwe vogels uit de familie Paridae
Meise
/
meːst/
indefiniteCardinalNumeral
2. het meest / meest
am häufigsten
adverb
1. in het merendeel van de gevallen
meistens
noun
1. baas, heer, patroon
Meister
noun
1. een grensstreep, een eindstreep
Ziel
Ziellinie
noun
1. eenheid die gebruikt wordt om meetresultaten in uit te drukken
Maßeinheit
/
ˈmetɪnstryˌmɛnt/
noun
1. een instrument waarmee grootheden gemeten kunnen worden
Messinstrument
noun
1. meetklok
Feinmessuhr
Messuhr
noun
1. een speciale meetpen aan het meetsnoer van een meetapparaat
Tastkopf
/
'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
Geometrie
/
ˈmetlɑt/
noun
1. een langwerpig voorwerp waarmee maten opgenomen worden
Messlatte
noun
1. de stift van het meetsnoer van een meetapparaat
Prüfspitze
noun
1. de pen van het meetsnoer van een meetapparaat
Prüfspitze
/
meːβ̞/, /
mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
Möwe
/
ˈmewɛrkəntˌforwɛrᵊp/
phraseologicalUnit
1. zinsdeel dat de actie van een overgankelijk niet rechtstreeks ondergaat,...
Dativobjekt
/
'mezɪŋə(n)/
verb
1. gezamenlijk met anderen zingen
mitsingen
noun
1.een antimalariamiddel
Mefloquin
noun
1. een miljoen ampère
MA
Megaampere
noun
1. een miljoen henry
Megahenry
noun
1. megahertz (1 miljoen Hz)
Megahertz
noun
1. megapascal (1 miljoen Pa)
Megapascal
noun
1. een miljoen siemens
Megasiemens
noun
1. een miljoen volt
Megavolt
MV
noun
1. een miljoen watt
Megawatt
MW
noun
1. een miljoen ohm
Megohm
MΩ
noun
1. de vijfde maand van het jaar
Mai
Wonnemond
/
ˈmɛɪ̯.dorn/
noun
1.
Weißdorn
noun
1. Melolontha melolontha, schildvleugelig insect dat in mei te voorschijn komt
Maikäfer
noun
1. Convallaria majalis
Maiglöckchen
/
'mɛɪlər/
noun
1. houtstapel
Kohlenmeiler
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
Meineid
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
- 2. een gemeente in de Oostenrijkse deelstaat Vorarlberg
Meiningen
/
ˈmɛɪ̯ʃə/, /
ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
Mädchen
/
ˈmɛɪ̯ʃəsˌnam/, /
ˈmɛːsjəsˌnam/
noun
- 2. eigen achternaam van een vrouw die de naam van haar echtgenoot of geregistreerd partner voert
- 1. voornaam die doorgaans gegeven wordt aan kinderen van het vrouwelijk geslacht
Mädchenname
noun
- 2. rondreizend artiest
Spielmann
- 1. rondreizend kunstenaar
Troubadour
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
Meitnerium
pronoun
1. geboorteplaats van Mohammed en bedevaartplaats voor islamieten
Mekka
adjective
met droevige gedachten aan de dagen van weleer
melancholisch
noun
1. een groep van organische pigmenten
Melanine
noun
1. een abnormaal zwarte huid en haar of veren door een aangeboren overmaat aan het organisch pigment “melanine”
Melanismus
noun
1. een restproduct bij de suikerproductie
Melasse
noun
1. Atriplex sp, een geslacht van meer dan tweehonderd soorten plantjes...
Melde
verb
1. iets rapporteren, bekendmaken
melden
/
mɛl.dɪŋ(g)/
noun
1. een bericht over een gebeurtenis
Bericht
Meldung
noun
1. chocolade die bereid is met room of melk
Milchschokolade
noun
1. alle tijdelijke tanden en kiezen van een dier of mens, die na verloop van tijd worden vervangen door permanente tanden
Milchgebiss
noun
1.het orgaan dat bij het zoogdier de melk produceert
Milchdrüse
/
mɛlkku/
noun
1. een soort koe die gekweekt wordt voor haar melkproductie
Milchkuh
noun
1. koorts bij een koe die pas gekalfd heeft
Milchfieber
noun
1. een tand uit de eerste set tijdelijke tanden van de mens en sommige andere dieren (zoals de hond of de koe), die na verloop van tijd worden vervangen door de permanente tanden
Milchzahn
noun
1. zoogdieren die gehouden worden voor de melkproductie
Milchvieh
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
Milchstraße
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Mellrichstadt
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
Melodie
adjective
aangenaam klinkend
melodisch
melodiös
noun
1. een toneelvorm begeleid door muziek, gewoonlijk met een goede afloop
Melodram
adjective
Melonengelb
melonengelb
/
mɛmbran/
noun
2. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
Membran
noun
pomp waar de pompwerking ontstaat door een membraan te laten trillen
Membranpumpe
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door een trillend vel
Fellklinger
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Memmingen
verb
1. uit het hoofd leren
memorieren
indefinitePronoun
1. iemand, maar niemand in het bijzonder
man
/
ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
Mendelevium
/
menə(n)/
verb
3. denken, een mening toegedaan zijn
glauben
meinen
verb
1. het homogeniseren van twee of meer zaken
mischen
vermengen
mengen
noun
1. taalvorm die is ontstaan door contact tussen sprekers van verschillende talen
Mischsprache
noun
1. grote groep mensen dicht op elkaar
Menge
/
ˈmeːnɪŋ/
noun
1. oordeel, opinie
Meinung
noun
1. het hebben van een andere opinie over iets
Meinungsverschiedenheit
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
Mensch
noun
1. een gemeenschappelijke naam voor dieren uit de orde van de primaten
Menschenaffe
/
ˈmɛns.ɑx.təx/, /
ˈmɛns.ɑx.tɪx/, /
ˈmɛns.ɑχ.təχ/
adjective
1. gelijkend op de mens
menschenähnlich
adjective
- 1. zoals de mens
- 2. goed voor de medemens
menschlich
noun
1. de bekendste en de meest gevreesde haai, Carcharodon carcharias
Weißen Hai
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
Menschenrechte
noun
1. het schenden van mensenrechten
Menschenrechtsverletzung
pronoun
1. benaming voor Jezus Christus als eerder door Daniël aangekondigde verlosser
Menschensohn
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
Menschheit
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
Menstruation
noun
1. bloed dat vrijkomt bij het menstrueren van een vrouw
Menstruationsblut
menstruasjonsblod
noun
1.
Menstruationszyklus
noun
1.
Menstruationsunterwächse
/
ˌmɛn.taː.liˈtɛit/
noun
Mentalität
verb
1. hard slaan
schlagen
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Meran
/
meːrəl/, /
ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
Amsel
Schwarzdrossel
noun
1. een landstreek waar zich veel meren bevinden
Seengebiet
noun
- 1. zacht weefsel in de kern van een bot
Knochenmark
Mark
- 2.
Mark
noun
- 1. een kenteken aangebracht ter identificatie van iets
Label
Markenzeichen
- 2. een herkenbaar product door een bepaalde producent vervaardigd
Marke
adjective
1. vreemd, raar
außergewöhnlich
bemerkenswert
seltsam
noun
1. een term die een deel van iets anders weergeeft
Meronym
noun
1. vrouwelijk paard
Stute
Mähre
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen-Anhalt
Merseburg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saarland
Merzig
noun
1. snijwerktuig
Messer
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
Mesopotamien
/
ˈmɛssxedə/
noun
- 1. een nauwsluitende houder waarin het lemmet van een mes ter bescherming opgeborgen wordt
Messerscheide
- 2. een marien tweekleppig weekdier, met een geheel rechte schelp
Messerscheidemuschel
/
mɛˈsijɑs/
pronoun
1. de in de joodse Tenach voorspelde Redder die door God gezonden zal worden en die door de christenen met Jezus gelijkgesteld wordt
Messias
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
Dünger
Mist
noun
1. een hoop waarop stalmest opgestapeld wordt
Misthaufen
/
ˈmɛstkevər/
noun
1. een donkergekleurde kever die zich met mest voedt
Mistkäfer
noun
1. dieren die vetgemest worden om als slachtvee voor voedsel te dienen
Mastvieh
/
mɛd/, /
mɛt/
preposition
mit
/
mɛt ˈnamə/
abbreviation
- 2. in het bijzonder (gebruikt om een of meer zaken uit een aantal bij de naam aan te duiden)
besonders
insbesondere
und zwar
vor allem
- 1. met de volgende naam
genannt
mit Namen
verb
1. situaties die eigenlijk hetzelfde zijn toch heel anders beoordelen
mit zweierlei Maß messen
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
Metall
noun
1. machine die een ingeklemd werkstuk van metaal snel ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
Metalldrehbank
noun
1. het geheel van de biochemische processen op celniveau
Stoffwechsel
/
me.ta.ˈfɔːr/, /
mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
Metapher
/
ˌmetaˈfizis/
adjective
1. bovennatuurlijk; (nog) niet met de gangbare wetenschap te verklaren
metaphysisch
noun
1. metallofoon
Glockenspiel
noun
1. vorm van logica die de grondbeginselen van de logica bestudeert
Metalogik
noun
1. taal met behulp waarvan dezelfde of een andere taal wordt beschreven
Metasprache
noun
1. wetenschappelijke theorie waarmee een of meerdere andere theorieën beschreven worden
Metatheorie
/
mɛ.ˈden/, /
mɛ.ˈten/
adverb
- 1. onmiddellijk
sofort
- 2. tegelijkertijd
zugleich
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
messen
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
Meteor
/
meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
Meteorologie
/
meteoroˈloʝɪs/, /
meteɔroˈloɣis/
adjective
1. betrekking hebbend op de meteorologie
meteorologisch
noun
- 3. iemand die meet
Messer
- 2. meetinstrument
Messgerät
- 1. de SI-eenheid van lengte
Meter
/
metərɔpnemər/
noun
1. iemand die de meterstand komt opnemen
Ableser
noun
1. een medicament uit de groep biguaniden dat vooral gebruikt wordt bij de behandeling van suikerziekte
Metformin
noun
1.
Methanol
Methylalkohol
noun
1. Een stroming in het protestantisme
Methodistische und Wesleyanische Kirchen
Methodismus
/
ˌmetodoloˈɣi/, /
ˌmetodoloˈχi/
noun
Methodologie
/
mæː.to.ˈny.mi.ja/
noun
Metonymie
/
mæː.to.ny.ˈmiː/
noun
Metonymie
adjective
- 1. betrekking hebbend op, gesteld in versmaat
- 2. volgens het metrieke stelsel
- 3. volgens het op een factor twee gebaseerde systeem voor de tijdsduur van muzieknoten en rusten
metrisch
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
U-Bahn
Untergrundbahn
/
ˌmetroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
Metrologie
noun
1. wereldstad
Metropole
Weltstadt
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
Maurer
verb
1. losse stenen met voegspecie samenvoegen om zo een muur te bouwen.
mauern
/
ˌmɛ.tər.ˈtɛɪ̯t/
adverb
1. na verloop van (een zekere) tijd
mit der Zeit
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Saarland
Mettlach
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
- 2. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Mettmann
noun
1. stuk huisraad
Möbel
/
'møbəl.kʏnst/
noun
1. de esthetische en creatieve vormgeving van functionele meubels
Möbelkunst
noun
1. een vakman die beroepsmatig meubels vervaardigt
Tischler
noun
- 2. (onbeheersbare) groep mensen, menigte
Menge
Menschenmenge
Pöbel
- 1. groep (jacht)honden, e.d.
Rotte
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
Frau
/
ˈmɛg.zi.ˌko/, /
ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
Mexiko
interjection
1. het geluid van een kat
miau
meow
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
miauen
maunzen
/
miˈxa/, /
ˈmiʃa/
pronoun
Micha
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Michelstadt
noun
1. een antischimmelmiddel
Miconazol
noun
1. een miljoenste ohm
Mikroohm
/
ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /
ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
Mikroorganismus
noun
1. een miljoenste ampère
Mikroampere
μA
noun
1. een levend micro-organisme
Mikrobe
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
Mikrobiologie
noun
1. een miljoenste farad
Mikrofarad
/
ˌmikroɣraˈfi/
noun
- 1. een afbeelding volgens een beeld in een microscoop
- 1. een zeer klein handschrift
Mikrographie
noun
1. een miljoenste henry
Mikrohenry
noun
- 2.
Mikrometer
- 1. een meetinstrument waarmee zeer nauwkeurig dikten, afstanden en diepten kunnen worden gemeten
Mikrometer
Messschraube
Mikrometerschraube
/
ˌmi.kro.ˈne.zi.ja/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Federale Staten van Micronesia
Mikronesien
noun
geïntegreerde schakeling die de hele CVE van een computer bevat op één enkele chip
Mikroprozessor
/
mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
Mikroskop
noun
1. een miljoenste siemens
Mikrosiemens
noun
1. een miljoenste volt
Mikrovolt
noun
1. een miljoenste watt
Mikrowatt
μW
noun
- 1. het midden van de dag, 12.00
Mittag
Tagesmitte
- 2. het gedeelte van de dag tussen 12.00 en 18.00 uur
Nachmittag
noun
1. de breedtegraad bij maximale zonshoogte
Mittagsbreite
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
Mittagessen
noun
1. de zonshoogte om 12 uur ware plaatselijke tijd
Mittagshöhe
/
ˈmɪdəɫ/
noun
- 1. het midden
Mitte
- 2. iets met behulp waarvan een doel bereikt kan worden
- 4. geld, bezit
- 3. iets dat wordt aangewend om ziekte, ongesteldheid te bestrijden
Mittel
- door middel van
mit Hilfe von
mittels
- 1. middendeel van het lichaam
Bauch
Gürtellinie
/
ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
Mittelalter
/
ˈmɪdəɫɪ:ws/
adjective
1. gerelateerd aan de middeleeuwen
mittelalterlich
pronoun
1.
Mittelfranzösisch
pronoun
1. Hoogduitse dialecten uit de periode 1050-1350
Mittelhochdeutsch
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
Mittelmeer
noun
1. middellijn
Durchmesser
noun
1. een lijn die loodrecht op het midden van een lijnstuk staat
Streckensymmetrale
/
ˌmɪdəɫˈmatəx/
adjective
- 1. zich rond het gemiddelde bevinden
durchschnittlich
- 2. niet in positieve zin opvallen
mittelmäßig
pronoun
1. de West-Germaanse taal die van 1100-1400 in het noorden van Duitsland, met name in de Hanzesteden gesproken werd
Mittelniederdeutsch
pronoun
1. de voorloper van het Nieuwnederlands.
Mittelniederländisch
noun
1. van een cirkel of bol is het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft
Zentrum
noun
- 1. vinger
Mittelfinger
- 2. als beledigend gebaar
Stinkefinger
noun
1. het centrale deel
Mitte
pronoun
1. het gebied tussen Noord-Amerika en Zuid-Amerika
Mittelamerika
pronoun
1. regio van Tsjechië
Mittelböhmische Region
noun
spier- en peesachtig tussenschot tussen borstholte en buikholte
Zwerchfell
noun
1.
Mittelspurschleicher
noun
- 1. weg, pad tussen twee andere wegen
Mittelweg
- 2. (gulden) middenweg, de ideale positie tussen twee uitersten
goldene Mitte
goldener Mittelweg
/
ˌmɪdərˈnɑxt/, /
ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
Mitternacht
noun
1.
Christmesse
Christmette
Mitternachtsmesse
Mitternachtsmette
verb
1. via de blaas als vloeistof lozen van lichamelijke afvalstoffen
pissen
pinkeln
strullen
urinieren
Wasser lassen
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
Ameise
noun
1. benaming voor tandloze zoogdieren uit de onderorde Vermilingua
Ameisenbär
noun
- 1. slapjanus, kleinzerig persoon
Sensibelchen
- 2. (scheldwoord) slappe, verwijfde homoseksueel
Tunte
noun
1. schele hoofdpijn
Migräne
noun
1. # persoonlijke of familiaire voorgeschiedenis waarin men uit een ander land is weggegaan
Migrationshintergrund
verb
1. ontwijken, trachten niet in aanraking te komen met iets of iemand
meiden
/
mɛi̯l/
abbreviation
Meile
noun
1. een paal die op elke mijl staat
Meilenstein
verb
1. in gedachten verzonken zijn
träumen
dösen
/
mɛi̯n/
noun
- 1. onderaardse plaats waar delfstoffen gewonnen worden
- 2. voorwerp gevuld met springstof die ontploft bij aanraking
Mine
/
mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
mein
noun
1. het bedrijven van winning van delfstoffen
Bergbau
adverb
1. van mijn kant
meinerseits
noun
- 1. een aanspreektitel voor een man
- 2. de heer des huizes
Herr
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
Bergmann
Bergarbeiter
noun
1.
Bergarbeiterstadt
Bergbaustadt
noun
1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
Milbe
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
Mitra
Bischofsmütze
verb
- 1. richten op een doel
transformieren
umgestalten
verwandeln
verzaubern
zielen
- 2. gericht werpen
werfen
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Mailand
/
mi.li.ˈjøː/, /
mɪɫˈjø/
noun
2. de wereldwijde natuurlijke omgeving
Umwelt
/
miliˈjøɑutoriˌtɛit/
noun
1. zelfstandig onderdeel van de overheid dat optreedt tegen vervuiling die levende wezens bedreigt
Umweltbehörde
Umweltbundesamt
/
miɫˈjøkʏnˌdə/
noun
Ökologie
/
ˌmiliˈtæːr/, /
ˌmiliˈtɛːr/
adjective
- 2. militaire regering
Junta
Militärjunta
Militärregierung
- 1. met het leger te maken hebbend
militärisch
/
ˌmiliˈtæːr/, /
ˌmiliˈtɛːr/
noun
1. lid van een leger
Soldat
Soldatin
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
Milliarde
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
Milliardär
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
Millionär
noun
1. dikke koude drank
Milchshake
noun
1. een periode van 1000 jaar
Jahrtausend
noun
1. een duizendste ampère
Milliampere
mA
noun
1. een duizendste farad
Millifarad
noun
1. een duizendste henry
Millihenry
noun
1. een lengtemaat ter grootte van een duizendste meter
Millimeter
pronoun
1. een plaats in de gemeente Berg en Dal
Millingen am Rhein
noun
1. een duizendste ohm
Milliohm
noun
1. een duizendste siemens
Millisiemens
noun
1. een duizendste volt
Millivolt
noun
1. een duizendste watt
Milliwatt
mW
/
mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
Milz
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
- 2. een district in de Duitse deelstaat Beieren
Miltenberg
/
ˈmɪltfyr/
noun
1. een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
Milzbrand
noun
1. gezichtsuitdrukking
Mimenspiel
Mimik
Pantomime
adverb
1. minus, verminderd met (-)
minus
weniger
noun
1. vrouw die tegen betaling het kind van een andere vrouw zoogt
Amme
/
mɪnɑxtə(n)/
verb
1.
missachten
geringschätzen
/
ˈmɪnɑxtɪŋ/
noun
1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
Verachtung
/
ˈmɪndər/
indefiniteCardinalNumeral
1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
weniger
/
ˈmɪndərˌbrudər/
noun
1. lid van de franciscanenorde
Minderbruder
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal minder dan de helft uitmaakt
Minderheit
Minorität
Minderzahl
Unterzahl
adjective
1. onder de 18 jaar, waardoor de rechten en plichten van een volwassene nog niet gelden
minderjährig
unmündig
pronoun
Chinese taal gesproken door ongeveer 9,5 miljoen mensen in het zuidoosten van China
Min Dong
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
Minecraft
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
Mineralwasser
Wasser
noun
1. groentesoep
Minestrone
noun
1. het kleinetertsakkoord
Mollakkord
noun
1. een toonladder met een kleine terts
Molltonleiter
noun
1. een toonladder met een kleine terts
Molltonleiter
noun
1. een toonladder met een kleine terts
Molltonleiter
noun
1. een toonladder met een kleine terts
Molltonleiter
noun
1. een toonladder met een kleine terts
Molltonleiter
noun
1. een sport en een populaire vakantiebezigheid. De bedoeling is een parcours van 18 holes met zo min mogelijk slagen af te leggen. Het spel is een variant op golf, met het verschil dat bij golf grote afstanden moeten worden overbrugd en met midgetgolf slechts enkele meters
Minigolf
abbreviation
1. kleinst mogelijke hoeveelheid
Minimum
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
Minister
Ministerin
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
Premierminister
/
ˌminɪsˈtɪːri/
noun
- 1. een afdeling van een overheid waar het beleid van de regering wordt uitgevoerd
Ministerium
- Openbaar Ministerie
Staatsanwaltschaft
noun
1. bepaald zoogdier, Neovison vison
Nerz
noun
- 1. jaloezie in de liefde
- 2. jaloezie in de liefde
Eifersucht
noun
- 2. rondreizend artiest
Spielmann
- 1. rondreizend kunstenaar
Troubadour
adjective
Minzgrün
minzgrün
adjective
Minttürkis
minttürkis
noun
- 1. tijdeenheid
- 2. hoek
Minute
adverb
het mis hebben
irren
noun
1. een godsdienstoefening in de katholieke kerk, een eucharistieviering
Messe
/
'mɪsbrʌʏk/
noun
Missbrauch
/
mɪzˈbrœykən/, /
mɪzˈbrœːkən/
verb
op een slechte wijze gebruik maken van iets of iemand
missbrauchen
noun
1. is iemand die de priester helpt tijdens het opdragen van de mis
Messdiener
Ministrant
noun
1. een misdaad of delict
Verbrechen
Straftat
/
mɪzˈdʒɛndərən/
verb
verwijzen naar een persoon met termen die het verkeerde gender uitdrukken
misgendern
verb
1.een mislukte poging doen iets te grijpen
fehlgreifen
verb
1. niet aanstaan, niet behagen
missfallen
verb
1. iemand slecht behandelen en pijn doen of verwonden
misshandeln
malträtieren
noun
1. het moedwillig toebrengen...
Mißhandlung
verb
1. iemand in de waan van iets brengen
täuschen
irreführen
/
'mɪslopə(n)/
verb
- 2. fout aflopen
gehen
schiefgehen
- 1. niet op de juiste tijd op de juiste plaats zijn om iets mee te maken
verpassen
/
mɪsˈlʏkə(n)/
verb
verkeerd aflopen, zonder het gewenste resultaat
fehlschlagen
missglücken
noun
1. iets dat niet goed is gegaan
Fehlschlag
Misserfolg
noun
- 1. bepaald soort loofboom Mespilus germanica
- 2. vrucht van de mispelboom
Mispel
verb
1. spot of afkeuring over iemand of iets uitspreken
verachten
/
məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
vielleicht
verb
1. schieten zonder het doel te treffen
verschießen
adjective
- 2. een nare indruk makend, onuitstaanbaar
ekelhaft
elend
- 1. tot braken geneigd
übel
/
ˈmɪsə(n)/
verb
- 2. niet halen
erreichen
erwischen
verpassen
- 1. niet raken, niet treffen
verpassen
noun
1. een doeleind dat verwezenlijkt dient te worden
Mission
Militäreinsatz
Militärmission
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
Nebel
noun
1. bepaald soort groenblijvende plant die als halfparasiet op bomen leeft, Viscum album
Mistel
noun
- 1. een verkeerde greep
Fehlgriff
- 2. een verkeerd begrip
Mißverständnis
/
ˈmɪsfərstɑnt/
noun
1. het verkeerd begrijpen van elkaars bedoelingen
Missverständnis
noun
1.wijn die gebruikt wordt in de misdiensten
Messwein
Altarwein
/
ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
Mitochondrium
Mitochondrion
conjunction
1. indien, op voorwaarde dat
unter der Bedingung, dass
vorausgesetzt
conjunction
mitsamt
samt
zusammen mit
zusamt
adjective
1. gemakkelijk verplaatsbaar of bewegend
mobil
/
moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
Mobiltelefon
Handy
Funktelefon
noun
1. beweeglijkheid
Mobilität
/
'mɔkɑsɛː/, /
mokɑ'sæː/
noun
- 1. een Noord-Amerikaans indianenschoeisel
Mokassin
- 2. een leren lage schoen, zonder veters
Slipper
noun
1.een reversibele monoamino-oxidaseremmer
Moclobemid
noun
(informeel) ± Marokkaan, iemand van Noordafrikaanse afkomst
Nafri
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
Schlamm
noun
1. door modder verontreinigd water
Schmutzwasser
noun
1. (luchtvaart) een op schaal nagebouwd vliegtuig dat vaak op afstand bestuurd kan worden en kan vliegen
Modellflugzeug
adjective
1. gematigd
maßvoll
moderat
/
moˈdɛrn/
adjective
1. van deze tijd, volgens de laatste mode
modern
/
mo.dɛr.ni.ˈzɪː.rə(n)/, /
mo.dɛr.nɪ.ˈzeː.rə(n)/
verb
1. modern maken
modernisieren
adjective
1. volgens de mode
modisch
/
muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
müde
/
mud/, /
mut/
noun
1. dapperheid, lef, branie
Mut
/
ˈmudəlos/
adjective
1. somber doordat men de hoop heeft verloren
mutlos
noun
1. een vrouwelijke ouder
Mutter
noun
1. een dag ter ere van de moeders
Muttertag
/
ˈmudər.kuk/
noun
alternatieve benaming van placenta
Mutterkuchen
/
ˈmu.dərs.kɪnt/
noun
1. onzelfstandig, afhankelijk kind dat (te) erg op de moeder is gericht
Muttersöhnchen
/
ˈmuːdəx/, /
ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
mutig
adjective
1. expres, opzettelijk, met boze opzet, weloverwogen
absichtlich
mutwillig
vorsätzlich
noun
1. de diersoort waartoe het tamme schaap behoort, Ovis gmelini
Mufflon
noun
1. toestand waarin je door afmatting behoefte hebt om uit te rusten
Ermüdung
Müdigkeit
noun
Wichtigtuer
er steckt die Nase in alles
/
mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
schwer
schwierig
mühevoll
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
Schwierigkeit
/
ˈmuitə/
noun
1. een grote inspanning
Mühe
adjective
1. geen moeite kostend
mühelos
noun
- [A]
Mutter
- [C] 1. drassig land, vooral gebruikt voor natte veengebieden
Marschland
noun
1. schildpad uit de familie Emydidae
Sumpfschildkröte
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
Monsun
verb
- 1. gedwongen zijn
müssen
- zou moeten
müsste
noun
1. huwelijk ingegeven door zwangerschap
Andreas-Hofer-Hochzeit
Traufe
pronoun
1. een rivier die ontspringt in de Vogezen en na 544 kilometer bij Koblenz in de Rijn uitmondt
Mosel
noun
1. scheldnaam voor een Duitser
Piefke
adverb
1. misschien, tot de mogelijkheden behoren
möglicherweise
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
Möglichkeit
/
'mo.χə(n)/
verb
1. toegestaan zijn
dürfen
mögen
möchten
noun
2. paardenziekte
Mauke
noun
1. zware hamer met korte steel
Fäustel
noun
1. een vernietigende klap als met een moker
Hammerschlag
verb
1. merkbaar ergens gefrustreerd over zijn
schmollen
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Mordovië gesproken wordt
Mokscha
noun
- 1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
Maulwurf
- 3. hoeveelheid van een stof die net zo veel deeltjes bevat als er atomen...
Mol
/
mɔlˈdaːvisə/, /
mɔɫˈdavisə/
adjective
1. vrouwelijke inwoner van Moldavië
Moldauerin
/
mɔlˈdaːvi.jə/, /
mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
Moldawien
Moldau
/
mɔlˈdaːvi.jər/, /
mɔɫˈdavi.jər/
noun
1. inwoner van Moldavië
Moldauer
adjective
1. bestaande uit moleculen
molekular
/
moləˈkyle/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
Molekül
/
moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
Molekül
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
Mühle
/
ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
Müller
adjective
1. een beetje dik, volslank
mollig
noun
1. met brandbare stof gevulde glazen fles die via een lont of lap stof wordt ontstoken
Molotowcocktail
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Bathyergidae
Graumulle
noun
1. Chemisch element
Molybdän
noun
1. zeer korte tijd
Moment
adverb
1. op dit moment
Moment
momentan
zurzeit
verb
1. geluiden maken die moeilijk te verstaan zijn
murmeln
/
moˈnako/, /
ˈmo.na.ko/
pronoun
- 1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
- 2. de hoofdstad van Monaco
Monaco
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
Monarchie
/
[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
Mund
Maul
abbreviation
1. een zeer besmettelijke virusziekte (Aphtae epizooticae) die evenhoevige dieren, vooral runderen treft
Maul- und Klauenseuche
noun
1. het onderste deel van de mond dat de mondholte afsluit, m.n. het gedeelte onder de tong
Mundboden
adjective
1. verhinderen dat iemand kritiek of andere onwelgevallige informatie bekentmaakt
mundtot
adjective
1. via het gesproken woord
mündlich
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
Mundharmonika
noun
1. het inwendige deel van de mond
Mundhöhle
/
ˈmɔndɪŋ/
noun
1. plaats waar een rivier uitkomt in zee of meer
Mündung
/
ˈmɔnt.kɑp/
noun
Gesichtsmaske
Schutzmaske
noun
1. dat deel van een blaasinstrument dat in de mond genomen wordt of aan de lippen gezet
Mundstück
/
ˈmɔntwatər/
noun
1. vloeistof waarmee de mondholte kan worden gespoeld
Mundspülung
Mundwasser
/
mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /
mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /
mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Mongolei
noun
1. iemand met het syndroom van Down
Mongole
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
Mongolisch
mongolisch
/
ˈmoniˌtɔr/
noun
beeldscherm
Monitor
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
Mönch
noun
- 3. plant
Eisenhut
Sturmhut
Akonit
Mönchskappe
- 1. van een monnikspij
Kutte
Mönchskutte
noun
1. deze stof blokkeert de werking van monoamino-oxidase
Monoaminooxidase-Hemmer
noun
1. een bril voor één oog
Monokel
/
ˈmonokʏɫˌtyːr/
noun
1. landbouw met één gespecialiseerd gewas
Monokultur
/
ˈmonɔfˌtɔŋ/
noun
1. de benaming voor één enkele klinker die de nucleus vormt van een lettergreep
Monophthong
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong.
Monophtongierung
Monophtongisierung
noun
1. een wetenschappelijk boek of verhandeling over één onderwerp of een beperkte groep van samenhangende onderwerpen, in het algemeen geschreven door één auteur
Monografie
Monographie
noun
1. figuur met initialen
Monogram
/
mo.no.'klin/
adjective
1. een symmetrie bezittend die ten hoogste een tweetallige hoofdas of een spiegelvlak bevat
monoklin
/
ˌmonoˈlox/
noun
1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
Monolog
Selbstgespräch
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
Monopol
noun
1. toestand waarin men het monopolie van iets bezit
Monopolstellung
noun
1. monopoolantenne
Monopolantenne
noun
- 1. schrikwekkend wezen
Monster
- 2. een willekeurige hoeveelheid ontnomen aan een grotere massa
Muster
Probe
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Montabaur
/
ˌmɔntəˈnegro/, /
ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Montenegro
verb
1. de juiste beelden achter elkaar zetten
montieren
/
mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
Montserrat
noun
2. de houder waarin brillenglazen zijn gevat
Fassung
noun
1. een groot gedenkteken
Denkmal
Monument
adjective
zeer groot en indrukwekkend
monumental
noun
1. datum (vaak jaarlijks terugkerend) waarop extra aandacht wordt gegeven aan cultureel erfgoed
Denkmaltag
/
moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
schön
hübsch
/
ˈmoːrd/, /
ˈmoːrt/, /
ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
Mord
verb
1. rondgaan om moorden te plegen
morden
/
mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
Mörder
Mörderin
noun
1. een paard met zwarte kop, poten en manen
Mohrenkopf
noun
1. anekdote met een verrassend en komisch slot
Witz
noun
1. een mannelijk persoon die vaak moppert
Nörgler
noun
1. een vrouwelijk persoon die vaak moppert
Nörglerin
verb
1. onvrede uiten
murren
nörgeln
adjective
1. veel mopperend
nörgelig
noun
1. een uitstel van betaling
Moratorium
pronoun
1. regio van Tsjechië
Mährisch-Schlesische Region
adverb
1. fel
hartnäckig
verbissen
pronoun
1. autonome republiek van Rusland
Mordwinien
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
Morphem
noun
1.een alkaloïde dat het werkzame bestanddeel van opium is
Morphin
/
ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /
ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
Morphologie
Wortbildung
/
ˈmɔrxə(n)/, /
ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
morgen
Morgen
/
ˈmɔrxə(n)/, /
ˈmɔrɣə(n)/
noun
1. eerste deel van de dag
Morgen
noun
1. een bruidsschat die binnen het Morganatische huwelijk door een man aan zijn vrouw wordt gegeven de ochtend na de huwelijksnacht
Morgengabe
noun
1. de rode lucht bij zonsopgang
Morgenrot
Morgenröte
noun
- 2. Tragopogon, een plantengeslacht uit de composietenfamilie (Compositae oftewel Asteraceae)
Bocksbart
Wiesenbocksbart
- 1. benaming voor de planeet Venus
Morgenstern
noun
1. seinalfabet
Morsealphabet
Morsecode
Morsezeichen
/
'mɔrsə(n)/
verb
1.
kleckern
adjective
1. onzindelijk, slonzig
schlampig
schmutzig
noun
1. het sterftecijfer
Sterblichkeit
Mortlität
noun
- 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
- 2,3 korte kanontypen
Mörser
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Mosbach
noun
1. een scheikundig element met het symbool Mc en het atoomnummer 115
Moscovium
adjective
Moosgrau
moosgrau
adjective
Moosgrün
moosgrün
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
Muschel
Miesmuschel
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
Senf
adjective
1. met de gele kleur van mosterd
senffarben
senfgelb
noun
1. kleur geel als die van mosterd
Senfgelb
noun
1. een vlinderachtig insect
Motte
Nachtfalter
/
moːtiˈveːrə(n)/
verb
1. met redenen omkleden
motivieren
begründen
/
'mo.tɔr/
noun
- 1. krachtbron
Motor
- 2. voertuig
Motorrad
noun
1. een klein tot middelgroot bootje dat voortbewogen wordt door middel van een motor
Motorboot
noun
1. een op de motorfiets te dragen veiligheidsbril die de ogen tegen stof, insecten e.d. beschermt
Motorradbrille
noun
1. het vermogen om het lichaam(sdeel) te bewegen
Motorik
noun
spoorvoertuig
Triebwagen
noun
1. lichte neerslag in de vorm van heel kleine druppeltjes water
Sprühregen
Nieselregen
Niesel
verb
1. regenen in zeer fijne druppeltjes
nieseln
fisseln
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky,...
Malz
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
Ärmel
/
ˈmuː.və(n)/
verb
1. weggaan
abhauen
/
ˌmo.zɑm.ˈbik/, /
ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
Mosambik
adjective
1. met betrekking tot de Mozarabiërs of het Mozarabisch
mozarabisch
noun
1. Italiaanse kaas
Mozzarella
noun
1. slijmvlies
Schleimhaut
adjective
1. overvol
rappelvoll
/
ˈmysli/, /
ˈmyə̯zli/
noun
1. eten gemaakt van graanvlokken, zuivel, fruit en noten
Müsli
Müesli
/
mɵf/
adjective
1. onaangenaam en bedorven ruikend
muffig
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
Mücke
verb
kritisieren
kämpfen
schikanieren
noun
1. het vitten op kleinigheden
Haarspalterei
noun
- 1. bek van een groot dier
Maul
- kruising tussen een paard en een ezel
Maultier
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
Maultier
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
Maulesel
noun
1.een leren of metalen korf die voor de bek van een dier gespannen wordt om bijten onmogelijk te maken
Maulkorb
noun
1. klap in het gezicht
Maulschelle
Ohrfeige
/
mœʏ̯s/, /
mœːs/
noun
- 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
- 3. computermuis
Maus
adjective
Mausgrau
mausgrau
/
ˈmœʏʃjə/
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord muis
Mäuschen
/
ˈmœʏsmɑt/, /
ˈmœːsmɑt/
noun
1. een onderlegger voor een computermuis
Mauspad
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Coliiformes
Mausvögel
verb
1. in opstand komen tegen wettige autoriteit
meutern
pronoun
1. een gebied in het oosten van Luxemburg
Mullerthal
/
ˈmʏltidɪsɪpliˌnɛ:r/
adjective
1. betrekking hebbend op meerdere disciplines
multidisziplinär
adjective
1. met, of aan veel kanten, belangen, partijen etc.
multilateral
vielseitig
noun
multinationales Unternehmen
noun
1. composietplaat die bestaat uit meer dan 3 gelijmde laagjes hout
Sperrholz
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
Mumie
verb
1.van een overledene een mummie maken
mummifizieren
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Munderkingen
noun
1. en 2. (boon van) eenjarige plant Vigna radiata
Mungbohne
/
mʏˈnitsi/, /
mʏˈnisi/
noun
schietbenodigdheden
Munition
/
myˈnitsiˌbrot/
noun
1. brood volgens voorschriften door leger als voedsel aan manschappen verstrekt
Kommissbrot
/
myˈni(t)sikɪst/
noun
1. metalen doos om patronen en andere projectielen met een explosieve lading veilig te kunnen vervoeren
Munitionsbehälter
noun
- 1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
Minze
- 3. geldstuk
Münze
- 6. geldsoort
Währung
- 5. muntzijde van geldstuk
Zahl
/
/
noun
1.munteenheid
Währung
noun
- 1. een stuk metaal omvormen tot een munt
- 2. iets of iemand als mikpunt hebben
münzen
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
Spatz
Sperling
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
Museum
verb
1. het ten gehore brengen van muziek door middel van een muziekinstrument of de stem
musizieren
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
Musiker
Musikant
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
Butternusskürbis
Butternutkürbis
Moschuskürbis
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
Butternusskürbis
Butternutkürbis
Moschuskürbis
/
'mɵskɵs/
noun
1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
Moschus
noun
1. hertachtig dier in Centraal-Azië
Moschushirsch
noun
1. plomp hoefdier met grote kop en brede snuit
Moschusochse
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
Butternusskürbis
Butternutkürbis
Moschuskürbis
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
Bisamratte
noun
1. proces waardoor de genetische informatie van een organisme verandert en er een nieuw stabiel organisme ontstaat
Mutagenese
noun
1. een sprongsgewijze verandering
Mutation
verb
1. iemands lichaam blijvend en misvormend letsel toebrengen
verstümmeln
noun
1. onvermogen om te spreken
Mutismus
/
mʏʦ/
noun
1. hoofddeksel van textiel zonder harde rand.
Mütze
/
myːr/
noun
- 1. verticale vlakke constructie van metselwerk
Mauer
Wand
- 1. kruidachtige plant
Vogelmiere
noun
1. kas waarvan een zijde samenvalt met een muur
Gewächshaus
Glashaus
Treibhaus
/
my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
Musik
/
myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
Musikinstrument
noun
1.een school waar men muziek leert maken
Musikschule
noun
1.het bestuderen van de muziek in al haar vormen
Musikwissenschaft
noun
1. iemand die muziek maakt
Musiker
Musikant
/
ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
Pilzkunde
Mykologie
/
miˈkozə/
noun
1. een door een schimmel veroorzaakte ziekte
Mykose
noun
1. afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
Kurzsichtigkeit
/
mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
Mythologie
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Mössingen
pronoun
1. stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Mühlacker
pronoun
1. de culturele en economische regio rondom de Duitse stad Münster
Münsterland
pronoun
1. Nedersaksische taalvariëteit die wordt gesproken in de streek rond de Duitse stad Münster
Münsterländer Platt
Münsterländisch
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Münzenberg
pronoun
- 1. een meer in de Duitse deelstaat Mecklenburg-Voor-Pommeren
- 2. een voormalig district in de Duitse deelstaat Mecklenburg-Voor-Pommeren
Müritz
preposition
1. in tijd volgend op
nach
hinter
/
ˈnaːɦaːpə(n)/, /
ˈnaːʔapə(n)/
verb
1. doen wat iemand anders doet
nachahmen
/
naf/
noun
1. centrale as of middenstuk van een wiel of rad
Nabe
noun
1. kapje dat het midden van een wiel afdekt
Radkappe
noun
1. een doos waarin naaigerei bewaard wordt
Nähkasten
/
ˈnaːi̯ə(n)/
verb
- 3. iemand een veraderlijke streek leveren
anschmieren
- 2. geslachtsgemeenschap hebben
ficken
bumsen
vögeln
- 1. naaldwerk verrichten
nähen
noun
1. een vrouw die naaiwerk verricht
Näherin
/
naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
nackt
noun
1. het naakt zijn
Nacktheit
noun
1. een strand waar het gebruikelijk en toegestaan is naakt te baden
FKK-Strand
/
nald/, /
naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
Nadel
/
ˈnaɫtʋʌʊt/
noun
1. een groot bos bestaande uit naaldbomen
Nadelwald
noun
- 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
Name
- 2. bekendheid, reputatie
Name
Ruf
noun
1. een dag waarop een heilige wordt herdacht
Namenstag
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
Fall
Kasus
noun
1.
Fallendung
Kasusendung
/
namwort/
noun
1. een woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt
Nomen
Namenwort
Nennwort
noun
Prädikativ
Prädikativum
/
naːr/
adjective
1. onaangenaam, niet leuk
bitter
/
naːr/
adverb
1. in de richting van
nach
adjective
1. ijverig en vlug
eifrig
emsig
fleißig
preposition
1. aan de zijkant van
neben
verb
nationalisieren
verstaatlichen
noun
1. liefde jegens de medemens
Nächstenliebe
noun
2. nationalisering
Nationalisierung
Verstaatlichung
noun
1. een verdere behandeling na de hoofdingreep
Nachbehandlung
adjective
1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
nah
/
'na.bo.tsə(n)/
verb
1. nadoen, imiteren
nachahmen
imitieren
nachmachen
/
ˈnabotsɪŋ/
noun
1. imitatie, het nadoen
Imitation
Nachahmung
adjective
1. in de buurt ervan gelegen
benachbart
/
nɑx/, /
nɑxt/, /
nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
Nacht
adjective
Nachtblau
nachtblau
noun
1. het verrichten van nachtelijke werkzaamheden volgens een diensrooster
Nachtdienst
Nachtschicht
noun
1. een dier dat overdag slaapt en 's nachts actief is
Nachttier
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
Nachtigall
noun
1. dag en nacht duren evenlang
Tagundnachtgleiche
Äquinoktium
/
ˈnɑxtjɑˌpɔn/
noun
1. kledij die vrouwen 's nachts dragen
Nachthemd
noun
1. kaars waarmee men naar bed gaat en die men laat opbranden
Nachtlicht
noun
1. lage kast of tafel zonder laden die bij het hoofdeinde van het bed staat
Nachtkasten
Nachttisch
noun
Nachtkästchen
Nachttisch
noun
1. iemand die het prettig vind om pas laat in de nacht te gaan slapen
Nachtrabe
Nachtschwärmer
noun
- 1. een zeer angstige droom
- 2. een schrikbeeld
Albtraum
Alptraum
noun
Nachtkasten
Nachttisch
noun
1. een verbinding door middel van een nachttrein
Nachtzugverbindung
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
Nachtfalter
noun
1. een speciale kijker of bril waarbij lichtversterking wordt toegepast
Nachtsichtgerät
noun
1. ongunstige eigenschap
Nachteil
adjective
1. kwalijk, schadelijk
schädlich
verb
1. In aantocht zijn
näher kommen
adverb
1. geeft een gevolg in tijd aan: daarna
danach
noun
1. denkbeeldig punt aan de sterrenhemel loodrecht onder de waarnemer
Nadir
verb
1. doen wat iemand anders doet
nachahmen
nachmachen
verb
1. zeker maken dat een bewering of gevolgtrekking klopt
untersuchen
/
ˈnaː.ɣəˌbor.tə/
noun
3. de moederkoek, navelstreng en vliezen die het lichaam van de moeder verlaten nadat de baby is geboren
Nachgeburt
noun
- 1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
Nagel
- 3. spijker
Nagel
Stift
noun
1. een balk met gaten waarin korvijnagels worden gestoken
Nagelbank
noun
1. een weefsel onder en achter de nagel, waar de nagel uitgroeit
Nagelbett
noun
Gewürznelkenkäse
Nelkenkäse
noun
1. schoonheidsmiddel
Nagellack
adverb
1. voor het overgrote deel
nahezu
/
ˈna.wɑtl̥̩/, /
ˈna.wɑtl̩/
pronoun
1. benaming voor de talen die door de oorspronkelijke bewoners van Mexico gesproken worden
Nahuatl
/
ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Nahum
verb
2. in een testament toebedelen
vermachen
noun
1. wat door de erflater bij zijn overlijden overgedragen wordt
Erbschaft
Nachlass
noun
1. een fout doordat er iets nagelaten wordt
Nachlässigkeit
noun
1. een geneesmiddelengroep van pijnbestrijders
Nalbuphin
/
ˈnamələk/
abbreviation
nämlich
pronoun
1. provincie in het oosten van België
Namur
Namür
/
na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
Namibia
noun
1. tijd aan het einde van de middag
Nachmittag
noun
1. een miljardste ampère
Nanoampere
nA
noun
1. nanofarad
Nanofarad
noun
1. nanohenry
Nanohenry
noun
1. nanovolt
Nanovolt
nV
noun
1. een miljardste watt
Nanowatt
nW
adjective
1. van na de oorlog
nachkriegisch
pronoun
1. stad in Italië
Neapel
adjective
Narzissengelb
narzissengelb
noun
1. een kunstmatige algehele verdoving
Narkose
pronoun
1. de taal van de Narom
narom
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Monodon monoceros
Narwal
/
ˈna.slɑx.ˌwɛrk/, /
ˈna.slɑx.ˌβ̞ɛrk/, /
ˈna.slɑχ.ˌʋɛrk/
noun
1. een boek dat dient om iets in op te zoeken
Nachschlagewerk
noun
1. een veranderde smaak van iets dat men al heeft doorgeslikt heeft en in het begin anders smaakte
Beigeschmack
Nachgeschmack
/
ˈna.smø.lə(n)/
verb
1. na een brand zacht en langzaam verder branden zonder vlammen
nachglimmen
nachschwelen
noun
- 2. de anticlimax na de coïtus
- 1. dans, toneel of muziek ter afsluiting van een theaterstuk, opera, ballet etc.
Nachspiel
/
ˈnaː.spøː.rə(n)/
verb
1. nauwkeurig onderzoeken
nachforschen
nachspüren
verb
- 1. achter iemand aangaan
nachforchen
- 1. feiten of een verloop trachten te achterhalen
nachspüren
verb
1. een doel trachten te bereiken
nachstreben
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
nass
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
Nation
adjective
1. op een volk met een eigen land betrekking hebbend
national
eigenvölkisch
völkisch
verb
nationalisieren
verstaatlichen
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
Nationalismus
noun
Nationalist
Nationalistin
noun
1.2.3. stroming in de literatuur aan het eind van de 19e eeuw, die de mens beschouwt als bepaald door milieu en erfelijkheid en leer die de natuur boven alles stelt
Naturalismus
noun
- De aard van iets of iemand
Beschaffenheit
- überhaupt
Natur
noun
1. het beheer van natuur, deels gericht op het in balans houden ervan
Landschaftsschutz
Naturschutz
noun
fotografie van de natuur
Naturfotografie
noun
1. natuurhoorn
Naturhorn
/
naˈtyrkʏndə/, /
naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
Physik
adjective
1. uit de natuur afkomstig
natürlich
adverb
1. vanzelfsprekend
natürlich
noun
1. mens van vlees en bloed die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
natürliche Person
adverb
1. op een natuurlijke manier
natürlicherweise
noun
1. een ongelukkige gebeurtenis die door de natuur veroorzaakt wordt
Naturkatastrophe
noun
2. in de natuurlijke orde van de dingen gefundeerd
Naturrecht
noun
1. een verticale vlakke constructie van natuursteen
Natursteinmauer
noun
1. een mannelijke persoon die natuurtekeningen vervaardigt
Naturzeichner
/
na.ˈu.ru/, /
naˈuru/, /
ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
Nauru
/
nɑuruˈwans/
pronoun
1. taal die door 6 000 mensen wordt gesproken in Nauru
Nauruisch
adjective
1. een geringe breedte hebbend
eng
adverb
1. slechts in geringe mate
kaum
adjective
1. met veel aandacht, op details lettend
genau
noun
1. de mate waarin men zaken tot in de puntjes behandelt
Exaktheit
Genauigkeit
Präzision
Akkuratesse
pronoun
1. taal die het zuidwesten van de Verenigde Staten wordt gesproken door 170 duizend Navajo's
Navajo
/
'navəl/
noun
Nabel
Bauchnabel
noun
1. opeenhoping van wollig materiaal in iemands navel
Bauchnabelfussel
/
ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
Nabelschnur
noun
1. varkensachtig dier, met een kort gedrongen gestalte en korte kop
Nabelschwein
verb
1. ontbrekende informatie trachten te achterhalen
erkundigen
nachfragen
noun
1. iemand met een specifieke voorouder of specifieke voorouders
Nachkommen
verb
1. herhalen wat iemand anders al gezegd heeft, bevestigen wat iemand anders al gezegd heeft
nachsagen
/
ˈnatsi/
noun
1. een aanhanger, lid van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei
Nazi
noun
1. interstellaire gas- en stofwolken die worden beschouwd als de geboorteplaats van de sterren
Nebel
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Neckargemünd
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Neckarsteinach
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Neckarwestheim
noun
1. een biografie van een overleden persoon en/of een bespreking van diens werk
Nekrolog
noun
1. suikerrijke vloeistof die door veel planten wordt geproduceerd
Nektar
noun
2. een perzikachtige vrucht van boom Prunus persica var. nucipersica
Nektarine
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Niederösterreich
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal...
Niederdeutsch
adjective
1.
niederdeutschsprachig
plattdeutschsprachig
/
ˈne.dər.ˌfrɑŋ.kis/
noun
1. de verzamelnaam voor een aantal West-Germaanse talen en taalvariëteiten die van het Oudnederfrankisch afstammen
Niederfränkisch
noun
1. het aannemen van een houding waarbij geen aanspraak gemaakt wordt op macht of eer
Demut
noun
1. het verlies van een strijd
Niederlage
/
ˈnedərˌlɑnt/, /
ˈneːdərˌlɑnd/, /
ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
Niederlande
Holland
/
ˈne.dər.ˌlɑn.dər/
noun
1. inwoner van Nederland of persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit
Niederländer
/
ˈne.dər.ˌlɑnds/, /
ˈne.dər.ˌlɑnts/
adjective
1. met betrekking tot Nederland of de Nederlandse taal
niederländisch
holländisch
/
ˈne.dər.ˌlɑnds/, /
ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
Niederländisch
Holländisch
/
ˈne.dər.ˌlɑn.tsə/, /
ˈne.dər.ˌlɑnd.sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Nederland, vrouw uit Nederland
Niederländerin
/
ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /
ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
Niederländische Antillen
noun
1. gebarentaal gebruikt door de dovengemeenschap van Nederland
Niederländische Gebärdensprache
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal zonder Hoogduitse klankverschuiving
Niederdeutsch
Plattdeutsch
pronoun
1. een West-Slavische taal die in het gebied Neder-Lausitz in het oosten van Duitsland gesproken wordt
Niedersorbisch
noun
1. een vestiging, een bewoonde plaats
Ansiedlung
Siedlung
/
neː/
interjection
1. ontkenning
nein
nee
nö
na
noun
- 2. kozijn
Cousin
Vetter
- 1. mannelijke oomzegger
Neffe
/
nen/
interjection
nee
nein
verb
1. slordig schrijven
kritzeln
noun
1. de wetenschap die de Nederlandse taal- en letterkunde bestudeert
Nederlandistik
Niederlandistik
verb
1. laten zakken
niederholen
noun
- 2. bezinksel
Ablagerung
- 1. hemelwater
Niederschlag
/
ˈnerslɑχˌmetər/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag meet
Niederschlagsmesser
verb
1. het vliegvermogen verliezen en onzacht op de aarde terugvallen
abstürzen
/
ˈnerstromə(n)/
verb
1. naar lager gelegen plaatsen vloeien
herabströmen
verb
1. iets op een lagere plek plaatsen
hinstellen
noun
1. het ontkennen
Leuchnung
adjective
1. ontkennend, afwijzend
negativ
noun
1. een in het kader van een fotografisch procédé ontwikkelde plaat of film met een lichtgevoelige laag, waarop de lichtwaarden omgekeerd zijn t.o.v. de werkelijkheid
Negativ
negativ
/
ˈne.ɣə(n)/, /
ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
neun
/
ˈne.ɣən.də/, /
ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
neunte
cardinalNumeral
1. het getal 39
neununddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 99
neunundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 89
neunundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 29
neunundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 49
neunundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 59
neunundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 69
neunundsechzig
/
ˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 79
neunundsiebzig
/
ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /
ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /
ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
neunhundert
cardinalNumeral
1. het getal 908
neunhundertacht
cardinalNumeral
1. het getal 938
neunhundertachtunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 998
neunhundertachtundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 988
neunhundertachtundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 928
neunhundertachtundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 948
neunhundertachtundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 958
neunhundertachtundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 968
neunhundertachtundsechzig
/
ˌneɣənˌhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 978
neunhundertachtundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 918
neunhundertachtzehn
cardinalNumeral
1. het getal 913
neunhundertdreizehn
cardinalNumeral
1. het getal 930
neunhundertdreißig
cardinalNumeral
1. het getal 903
neunhundertdrei
cardinalNumeral
1. het getal 933
neunhundertdreiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 993
neunhundertdreiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 983
neunhundertdreiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 923
neunhundertdreiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 943
neunhundertdreiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 953
neunhundertdreiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 963
neunhundertdreiundsechzig
/
ˌneɣənˌhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 973
neunhundertdreiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 901
neunhunderteins
cardinalNumeral
1. het getal 931
neunhunderteinunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 991
neunhunderteinundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 981
neunhunderteinundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 921
neunhunderteinundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 941
neunhunderteinundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 951
neunhunderteinundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 961
neunhunderteinundsechzig
/
ˌneɣənˌhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 971
neunhunderteinundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 911
neunhundertelf
cardinalNumeral
1. het getal 909
neunhundertneun
cardinalNumeral
1. het getal 939
neunhundertneununddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 999
neunhundertneunundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 989
neunhundertneunundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 929
neunhundertneunundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 949
neunhundertneunundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 959
neunhundertneunundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 969
neunhundertneunundsechzig
/
ˌneɣənˌhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 979
neunhundertneunundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 919
neunhundertneunzehn
cardinalNumeral
1. het getal 990
neunhundertneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 980
neunhundertachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 910
neunhundertzehn
cardinalNumeral
1. het getal 912
neunhundertzwölf
cardinalNumeral
1. het getal 902
neunhundertzwei
cardinalNumeral
1. het getal 932
neunhundertzweiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 992
neunhundertzweiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 982
neunhundertzweiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 922
neunhundertzweiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 942
neunhundertzweiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 952
neunhundertzweiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 962
neunhundertzweiundsechzig
/
ˌneɣənˌhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 972
neunhundertzweiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 920
neunhundertzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 914
neunhundertvierzehn
cardinalNumeral
1. het getal 940
neunhundertvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 904
neunhundertvier
cardinalNumeral
1. het getal 934
neunhundertvierunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 994
neunhundertvierundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 984
neunhundertvierundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 924
neunhundertvierundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 944
neunhundertvierundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 954
neunhundertvierundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 964
neunhundertvierundsechzig
/
ˌneɣənˌhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 974
neunhundertvierundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 905
neunhundertfünf
cardinalNumeral
1. het getal 935
neunhundertfünfunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 995
neunhundertfünfundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 985
neunhundertfünfundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 925
neunhundertfünfundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 945
neunhundertfünfundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 955
neunhundertfünfundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 965
neunhundertfünfundsechzig
/
ˌneɣənˌhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 975
neunhundertfünfundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 915
neunhundertfünfzehn
cardinalNumeral
1. het getal 950
neunhundertfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 906
neunhundertsechs
cardinalNumeral
1. het getal 936
neunhundertsechsunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 996
neunhundertsechsundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 986
neunhundertsechsundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 926
neunhundertsechsundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 946
neunhundertsechsundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 956
neunhundertsechsundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 966
neunhundertsechsundsechzig
/
ˌneɣənˌhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 976
neunhundertsechsundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 916
neunhundertsechzehn
cardinalNumeral
1. het getal 960
neunhundertsechzig
/
ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 907
neunhundertsieben
/
ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 937
neunhundertsiebenunddreißig
/
ˌneɣə(n)ˌhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 997
neunhundertsiebenundneunzig
/
ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 987
neunhundertsiebenundachtzig
/
ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 927
neunhundertsiebenundzwanzig
/
ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 947
neunhundertsiebenundvierzig
/
ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 957
neunhundertsiebenundfünfzig
/
ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 967
neunhundertsiebenundsechzig
/
ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 977
neunhundertsiebenundsiebzig
/
ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 917
neunhundertsiebzehn
/
ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 970
neunhundertsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 19
neunzehn
/
ˈne.ɣə(n).təx/, /
ˈne.ɣə(n).tɪx/, /
ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
neunzig
noun
1. iemand met voorouders uit Afrika bezuiden de Sahara met lichamelijke kenmerken daarvan
Neger
verb
1. doen alsof iemand of iets niet bestaat
ignorieren
negieren
pronoun
1. taal gesproken door 6 000 000 mensen
Negerholländisch
noun
1. vrouw met een donkere huidskleur en vaak zwart kroeshaar wier voorouders afkomstig zijn uit Afrika bezuiden de Sahara
Negerin
noun
1. lekkernij, bestaande uit een rond wafeltje, een bolletje schuim (van suiker en ei) en een overkapping van chocolade
Negerkuss
noun
1. een afgelegen gehucht
Kaff
Kuhdorf
Kuhkaff
Nest
Provinznest
/
nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
Nacken
Genick
noun
1. (anatomie) een wervel van het cervicale deel van de wervelkolom
Halswirbel
Nackenwirbel
/
ˈne.mə(n)/
verb
- intrek nemen
einziehen
- 1. iets vastpakken met de handen
nehmen
greifen
- op de schop nemen
völlig umgestalten
/
ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /
ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
Neologismus
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
Neon
noun
1. licht afkomstig van een neonlamp
Neonlicht
noun
1. nieuwvorming
Neoplasie
adjective
1. onecht, vals
unecht
falsch
/
ˈnepɑɫ/, /
ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
Nepal
pronoun
1. een taal die vooral in Nepal gesproken wordt
Nepalesisch
/
nepo'tɨzmə/
noun
1.
Nepotismus
noun
1. Chemisch element
Neptunium
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Neresheim
adverb
1. lijdend aan gespannen zenuwen
nervös
/
nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
Nest
noun
1. Bij nestblijvers zijn de jongen bij de geboorte nog niet ver genoeg ontwikkeld en moeten langere tijd in hetzelfde nest of hol doorbrengen
Nesthocker
/
ˈnɛstələ(n)/
verb
1. het bouwen van een nest en het grootbrengen van jongen erin, gewoonlijk van vogels
nisten
noun
1. een vetergat, vaak voorzien van een ringetje tegen het uitscheuren
Öse
noun
1. een ringetje dat in een vetergat is aangebracht om het tegen uitscheuren te beschermen
Öse
/
nɛst'flidənt/
adjective
1. jongen hebbend die nestvlieders zijn
nestflüchtend
/
'nɛstflidər/
noun
1. een diersoort, meestal een vogel, waarvan de jongen slechts korte tijd op het nest blijven
Nestflüchter
adverb
- 2. juist
eben
genau
- 1. kort geleden
eben
gerade
soeben
noun
een drop die wordt beantwoord met een drop
Drop am Netz
Netzdrop
/
ˈnɛcəs/
adjective
1. net, schoon
ordentlich
sauber
/
ˈnɛcəs/
adverb
1. op een nette manier
ordentlich
sauber
noun
1. managen van netwerken
netzwerkmanagement
noun
1. onderdeel van de grafentheorie dat zich richt op de studie van grafen als vertegenwoordigers van de samenhang binnen de te onderzoeken netwerken
Netzwerkforschung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Neu-Isenburg
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
- 2. een district in de Duitse deelstaat Beieren
Neu-Ulm
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Neuerburg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Neuffen
/
ˈnøːk.bar/
adjective
fickbar
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
ficken
bumsen
vögeln
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Neukirchen-Vluyn
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein
Neumünster
pronoun
1. een gemeente in het Zwitser kanton Schaffhausen
Neunkirch
noun
1. de studie van alles wat met de ontwikkeling en werking van het zenuwstelsels te maken heeft.
Neurobiologie
noun
1. de chemische processen in zenuwstelsels
Neurochemie
noun
1. het ontstaan van nieuwe zenuwcellen in levende organismen, dat zowel voor als na de geboorte plaatsvindt
Neurogenese
noun
1. een discipline binnen de biologie en geneeskunde die zich bezighoudt met alles wat aandoeningen van het centrale zenuwstelsel betreft
Neurologie
Nervenkunde
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
Neuron
Nervenzelle
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Brandenburg
Neuruppin
/
nøʏs/, /
nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
Nase
noun
1. dokter die zich gespecialiseerd heeft in ziekten van organen binnen het hoofd die direct contact met de buitenlucht hebben
Hals-Nasen-Ohren-Arzt
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Nasenbein
noun
1. bepaald soort zoogdier, Nasua nasua
Nasenbär
noun
1. het eerste stuk van het luchtwegstelsel waar de ingeademde lucht doorheen gaat
Nasenhöhle
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
Nashorn
Rhinozeros
/
ˈnøsklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
Nasal
Nasallaut
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Neuss
noun
neusvleugel
Nasenflügel
/
nøˈtral/
adjective
- 2. natuurkunde: noch een positieve noch een negatieve lading dragend
- 4. scheikunde: noch zuur noch alkaline
neutral
- 1. geen partij kiezend in een conflict
neutral
nullleiter
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
Neutralität
noun
1. een officiële verklaring van een neutrale houding
Neutralitätserklärung
verb
- 2. onduidelijk nasaal praten
nuscheln
- 3. over zinloze dingen praten
quatschen
- 1. snuffelen
schnüffeln
noun
2. wolken in de nabijheid van de grond, ontstaan door plaatselijke oorzaken zoals door afkoeling of door menging van koude met warme vochtige lucht
Nebel
Dunst
Nebelschleier
noun
1. bepaald soort zoogdier, Neofelis nebulosa
Nebelparder
noun
Begleitschaden
Kollateralschaden
Nebenschaden
noun
1. afgeleide toon
Nebenton
/
nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
New York
/
ngoˈla/
pronoun
1. een Creoolse taal die in Sao Tomé en Principe door enkele duizenden bewoners wordt gesproken
Angolar
noun
1. een van de voor de mens noodzakelijke vitaminen, een wateroplosbaar microvoedingsmiddel dat van belang is voor de menselijke gezondheid
Niacin
Nikotinsäure
/
ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /
ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /
ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
Nicaragua
Nikaragua
noun
- 3. dochter van iemands oom of tante
Cousine
Base
- 1. dochter van iemands broer of zus
Nichte
- 4. mannelijke homoseksueel
Schwuler
Tunte
Tucke
noun
1. Zweeds volksinstrument
Nyckelharpa
Schlüsselfidel
pronoun
2. spelwoord voor de letter n
Nordpol
noun
1. een van de voor de mens noodzakelijke vitaminen...
Nicotinsäure
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Niedernhall
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
niemand
keiner
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
Niere
noun
1. een samengroeisel in het nierbekken dat meestal uit urinezuur en urinezure zouten bestaat
Nierenstein
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Nierstein
noun
1. glibberige stof, gewonnen uit het weefsel rond de beide organen die bij zoogdieren het bloed zuiveren
Flomenschmalz
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
nicht
kein
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
Heftklammer
noun
1. een apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
Hefter
/
nitəx/
adjective
- 2. ongeldig
ungültig
- 1. verwaarloosbaar klein
unscheinbar
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
Heftklammer
noun
1. apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
Tacker
Heftmaschine
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
nichts
noun
1. ledigheid
Müßiggang
Nichtstun
noun
1. iemand die voor niets deugt
Nichtsnutz
Taugenichts
/
ˈnitʋar/
interjection
oder
/
niβ̞/, /
nyʊ̯/
adjective
- 1. recentelijk gemaakt
- woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
- 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
- 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
- 5. in originele staat
- 2. recentelijk ontdekt
- 3. huidige
- 6. vreemd, onbekend
neu
/
niβ̞.ˈze.lɑnt/, /
nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
Neuseeland
noun
1. nieuwe maan
Neumond
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
Neues Testament
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
Neujahr
noun
1. een feest dat gevierd wordt vanwege het begin van het nieuwe jaar
Neujahrsfest
/
niwˈjarskart/
noun
1. een kaart die verstuurd wordt voor Nieuwjaar met nieuwjaarswensen
Neujahrskarte
noun
1. uiting waarmee men elkaar traditioneel het beste wenst voor het nieuwe jaar
Neujahrswunsch
pronoun
1. De rechtstreekse opvolger van het Middelnederlands, de Nederlandse taal zoals die vanaf ca. 1500...
Neuniederländisch
/
niu̯s/
noun
- 1. actuele ontwikkelingen
Nachricht
Nachrichten
- 2. een uitzending in de media waarin berichten over actuele ontwikkelingen worden verspreid aan het publiek
Tagesschau
noun
1.een regelmatige publicatie
Rundschreiben
/
ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
neugierig
adverb
1. nergens
nirgends
nirgendwo
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
niesen
/
'ni.ɣər/, /
'ni.χər/
pronoun
- 1. land in West-Afrika
- 2. een rivier in West-Afrika
Niger
/
ni.'ɣeː.ri.ja/, /
ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Nigeria
/
nɛɪt/
noun
1. grondige afkeer
Neid
noun
1. buiging als beleefde groet
Verbeugung
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
Nilpferd
Flusspferd
verb
drängen
drücken
zwängen
adjective
- 2. dringend
dringend
- 1. ernstig
ernsthaft
noun
1. Chemisch element
Nickel
noun
- 1. wezen dat rivieren, bossen enz. bewoont
- 4. insect in de tweede toestand van gedaanteverwisseling
- 2. bekoorlijk meisje
Nymphe
adverb
1. op geen enkel moment
nie
/
niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
Niob
noun
2. een hol koppelstukje
Nippel
verb
1. met kleine slokjes drinken
nippen
/
nɪs/
noun
1. een inham in een muur
Nische
noun
1. een verbinding van stikstof waarin dit element in de oxidatietoestand -3 optreedt
Nitride
noun
1. een zout dat het ion NO₂− bevat
Nitrite
noun
vloeibare springstof
Nitroglyzerin
/
ˈnivoˌmetər/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen sneeuw (d.i. vaste neerslag) meet
Schneemesser
/
nəʊflaiˈzɔ:nə/
noun
1. een gebied waar een vliegverbod heerst
Flugverbotszone
noun
1. scheikundig element
Nobelium
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
Nobelpreis
adverb
1. luidt een zin in die een onverwachte tegenstelling uitdrukt
dennoch
nichtsdestoweniger
trotzdem
/
'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
erforderlich
notwendig
nötig
verb
- 1. met een naam aanduiden
- 2. vermelden door het uitspreken van de naam
nennen
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
Nenner
/
'nɔ.ɣɑl/
adverb
1. tamelijk, in aanzienlijke mate
ziemlich
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Saarland
Nohfelden
noun
3. uitstulpingen aan as
Nocken
noun
1. as met nokken
Nockenwelle
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
Nominativ
/
nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
Nonne
adjective
nichtbinär
zwischengeschlechtlich
diversgeschlechtlich
abinär
adjective
1. achteloos, onbekommerd
lässig
nonchalant
/
ˈnɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
Onkel
noun
2. soort eend, Mergellus albellus
Zwergsäger
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Saarland
Nonnweiler
noun
Unsinn
Nonsens
Blödsinn
Quatsch
noun
1. een opvallend gekleurde hamer met een scherpe punt voor het in noodsituaties inslaan van ruiten die voorzien zijn van veiligheidsglas
Nothammer
noun
1. datgene wat het toeval iemand doet overkomen
Schicksal
noun
1. een installatie die zorgt voor de stroomvoorziening als de normale stroomvoorziening uitvalt
Notstromversorgung
noun
- 1. zeer slecht weer
Unwetter
- 1. noodzakelijke verdediging van zichzelf of iemand anders, diens eerbaarheid of bezittingen
Notwehr
/
ˈnotzak/
noun
1. iets moeten hebben voor vaak praktische of medische redenen
Notwendigkeit
adjective
1. erg nodig
erforderlich
notwendig
nötig
/
ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
nie
niemals
/
noːr/, /
no̝ːr/
noun
1. een inwoner van Noorwegen
Norweger
/
ˈnoːrd/, /
ˈnoːrt/, /
ˈno̝ːrt/
adverb
Nord
/
nɔːrt ˈafrɪkɑ/, /
nɔːrt ˈɑfrɪkɑ/
pronoun
gedeelte van het Afrikaanse continent ten noorden van de Sahara
Nordafrika
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
Nordamerika
/
noːrd.ˈbra.bɑnt/, /
no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /
ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
Nordbrabant
pronoun
het noordelijk deel van Europa
Nordeuropa
/
noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /
no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /
ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
Nordholland
/
ˌnoːrt koˈre.ja/, /
ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
Nordkorea
Demokratische Volksrepublik Korea
pronoun
Kaiser-Wilhelm-Kanal
Nord-Ostsee-Kanal
pronoun
Nordrhein-Westfalen
noun
1. windrichting
Norden
noun
1. degene die men ter noorderzijde als buur heeft
nördliche Nachbar
pronoun
1. wordt beschouwd als het noordelijkste punt van het Europese vasteland
Nordkap
/
ˈnoːrtkrɔmp/
noun
1. bepaalde soort in zee levend schelpdier, Arctica islandica
Islandmuschel
pronoun
1. Noordpool
Nordpol
noun
1,2,3. noordpool
Nordpol
pronoun
1. een vorm van skisport waarbij de twee onderdelen van het Noords skiën, schansspringen en langlaufen, gecombineerd worden
Nordische Kombination
noun
1. grote gestroomlijnde vinvis met brede platte U-vormige snuit, Balaenoptera borealis
Seiwal
/
ˈnoːrdzeː/, /
ˈnoːrtseː/, /
ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
Nordsee
/
noːrs/, /
no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
norwegisch
Norwegisch
/
noːrs/, /
no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
Norwegisch
norwegisch
/
ˈnoːrˌweɣə(n)/, /
ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /
ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Norwegen
/
noːt/
noun
- 3. (muziek) een geluid van zekere tijdsduur
Note
nota
- 1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
Nuss
- 2. (plantkunde) boomvrucht met verhoute vruchtwand
Nussfrucht
noun
- 2. gepeld zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
Muskat
- 1. en 2. (gepeld) zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
Muskatnuss
indefinitePronoun
1. (informeel) niets of nul
nix
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein
Norderstedt
noun
1. sport waarbij gelopen wordt met aangepaste skistokken
Nordic Walking
verb
1. wandelen met gebruik van stokken zoals bij het langlaufen
nordicwalken
/
nɔrˈmaɫ/
adjective
- 1. gangbaar, gewoon
gewohnt
regulär
üblich
- 2. als norm dienend
normal
adverb
1. in het normale geval
normalerweise
/
nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Normandie
adjective
1. onvriendelijk en zwijgzaam, kortaf
missmutig
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
Notar
Notarin
noun
1. set van vijf lijnen
Notenlinien
noun
1. een boomsoort uit het geslacht Juglans
Nussbaum
Walnussbaum
adjective
Nussbraun
nussbraun
noun
1. muzieknotatiesysteem
Notenschrift
verb
1. aantekeningen maken
notieren
noun
1. benul, bewustzijn
Ahnung
Idee
noun
1. aantekenboekje met afscheurbare blaadjes
Notizblock
noun
1. een verslag van een bijeenkomst
Protokoll
adverb
1. op dit moment
jetzt
interjection
1. drukt verbazing of verontwaardiging uit
na ja
nun
nun ja
/
nʌu ˈɛn/
interjection
1. uitdrukking van onverschilligheid
na und
noun
1. schuldvernieuwing
Neuerungsvertrag
Novation
noun
1. de elfde maand van het jaar
November
Nebelung
pronoun
Novemberrevolution
noun
1. een groepje met een ongewoon aantal van negen muzieknoten of rusten
Novemole
noun
1. een groepje met een ongewoon aantal van negen muzieknoten of rusten
Novemole
adverb
1. op het huidige tijdstip
jetzt
nun
adverb
1. op onregelmatige tijden
ab und zu
noun
1. een minimaal verschil
Abstufung
Nuance
verb
1. een klein verschil duidelijk laten uitkomen
differenzieren
nuancieren
/
nɵxtər/
adjective
1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
nüchtern
/
ˈnykleəsˌsypraxiɑsˈmatikəs/, /
ˈnykleəsˌsypraχiɑsˈmatikəs/
noun
1. een groep gespecialiseerde neuronen in de hypothalamus die het ritme van de biologische klok in zoogdieren regelt
Nucleus suprachiasmaticus
SCN
Suprachiasmatischer Nucleus
/
nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
null
Null
noun
1. de munt- en penningkunde
Numismatik
/
ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
Nummer
noun
1. een op een voertuig aangebracht teken met een registratienummer
Kenzeichenschild
noun
1. metalen of kunststoffen plaat aangbracht op een voertuig met het kenteken ervan
Kennzeichenschild
noun
1. een geïsoleerde bergtop, -rand of -piek in een gebied met permanente ijsbedekking, die vrij is van sneeuw en ijs.
Nunatak
/
nʏt/
noun
1. baat, voordeel
Nutzen
phraseologicalUnit
1.
Nadelarbeit
/
'nɵtəɣə(n)/
verb
1. voedsel gebruiken
konsumieren
verzehren
noun
1. een verhoogde urinelozing in de nacht
Nykturie
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Nördlingen
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Nümbrecht
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar buiten staan
O-Beine
noun
1. onvoltooid verleden tijd
Präteritum
/
o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
Oase
/
oˈbɑtja/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Obadja
noun
1. een bediende in een restaurant of café
Ober
Kellner
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Oberammergau
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Oberderdingen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Oberkirch
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Oberkochen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Oberstdorf
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Oberursel
/
ˈɔpjɛkt/
noun
1. voorwerp
Objekt
adjective
2. onpartijdig, volgens de feiten, neutraal
objektiv
noun
- 2. avondmaalsbrood
Abendmahlsbrot
- 1. hostie, ouwel
Hostie
Oblate
noun
- 2. avondmaalsbrood
Abendmahlsbrot
- 1. hostie, ouwel
Hostie
Oblate
verb
1. in buitensporige, ziekelijke mate boeien
besessen sein
noun
1. iemand die observeert, een observator, waarnemer
Beobachter
noun
1. (beroep) iemand die observeert (waarnemingen doet)
Beobachter
verb
1.gericht via de zintuigen van iets kennis nemen
beobachten
observieren
noun
1. (muziekinstrument) een fluit die veelal gemaakt wordt van gebakken klei
Okarina
adjective
1. nu en dan voorkomend
gelegentlich
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
Okzitanisch
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
Ozean
adjective
Ozeanblau
ozeanblau
/
oseˈjani.jə/, /
oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
Ozeanien
Austronesien
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
Ozelot
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Ochsenfurt
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Ochsenhausen
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
Morgen
Vormittag
/
ˈɔxtəntɑˈpɛɫ/
noun
1. tijdstip vroeg in de morgen waarop alle leden van een groep bijeengeroepen worden om hun aanwezigheid te bewijzen
Morgenappell
/
ˈɔxtəntbørt/
noun
- 3. voeding van vee of andere dieren in de vroege morgen
Morgenfütterung
- 1. een preek in de morgen als taak van een bepaalde prediger
Morgenpredigt
- 4. seks in de morgen
Morgensex
- 2. voeding in de vroege morgen
Stillen
/
ˈɔxtəntblɑt/
noun
1. een krant die 's morgens vroeg wordt bezorgd
Morgenzeitung
Morgenblatt
/
ˈɔxtəntbʏləˈtə̃/
noun
- 2. een nieuwsuitzending 's morgens
Morgenjournal
Morgennachrichten
- 1. een kort dagbericht dat in de morgen uitgegeven wordt
Tagesbericht
Tagesbulletin
/
ˈɔxtəntfilə/
noun
1. een verkeersopstopping in de vroege morgen
Verkehrsstau
/
ˈɔxtəntxəˈbɛt/
noun
1. het eerste gebed na het ontwaken of na het opstaan
Morgengebet
/
ˈɔxtəntkrɑnt/
noun
1. een blad dat 's morgens vroeg wordt bezorgd
Morgenzeitung
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
frühstücken
noun
1. een persoon die meestal vroeg opstaat en zich `s morgens het meest fit voelt en reeds vroeg actief is
Frühaufsteher
Morgenmensch
/
ˈɔxtəntmɪst/
noun
1. een weersverschijnsel vroeg in de morgen waarbij kleine waterdruppeltjes in de lucht zweven, wat de zicht merkbaar beperkt
Frühnebel
Morgennebel
/
ˈɔxtəntnevəl/
noun
1. een weersverschijnsel vroeg in de morgen waarbij kleine waterdruppeltjes of andere stofdeeltjes in de lucht zweven, wat het vergezicht beperkt
Frühdunst
Morgendunst
/
ˈɔxtəntzɔn/
noun
1. zonneschijn vroeg in de morgen
Morgensonne
noun
1,2,3. toontrap, interval en toonhoogtereeks
Oktave
noun
1. hoekmeetinstrument
Oktant
/
ɔkta'ʔedər/
noun
1. een regelmatig achtvlak, een ruimtelijke figuur begrensd door acht gelijkzijdige driehoeken
Oktaeder
noun
1. achtarmige inktvis
Krake
/
ˌø.kyˈme.nis/
adjective
1. tussen kerken, van meerdere kerkgenootschappen
ökumenisch
noun
1. test om de kennis te peilen
Übung
/
ˈufə(n)vlʏxt/
noun
1. vliegtocht om de vaardigheid van een piloot te verbeteren of de betrouwbaarheid van een vliegtuig of piloot te testen
Übungsflug
/
u.'ɣɑn.da/, /
u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Uganda
adjective
1. een inwoner van Oeganda
Ugander
/
ukraˈɦins/, /
ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
Ukrainisch
ukrainisch
/
ukraˈɦinsə/, /
ukraˈʔinsə/
noun
1. een inwoonster van Oekraïne
Ukrainerin
noun
1. munteenheid van Oekraïne
ukrainische Hrywnja
adjective
1.
ukrainischsprachig
/
ukraˈɦinə/, /
ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
Ukraine
/
ukraˈɦinər/, /
ukraˈʔinər/
noun
1. een inwoner van Oekraïne
Ukrainer
/
ˌenoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap van de wijnbereiding
Önologie
noun
een bos dat van oudsher bestaat
Primärwald
/
ˈuːrknɑl/
noun
1. de volgens de bigbangtheorie enorme explosie waaruit het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden zou zijn ontstaan
Urknall
/
ˈuː.rɔs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius
Auerochse
Ur
/
uˈsʲɑŋka/
noun
1. muts
Uschanka
noun
1. ontsteking van de slokdarm
Ösophagitis
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
Auster
noun
1.
Austernzucht
Austernkultur
noun
1. iemand die zijn brood verdiende met het vissen op (wilde) oesters
Austernfischer
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel die meestal groeit op de stam van een loofboom, Pleurotus ostreatus
Austernseitling
noun
1. een vrouwelijk hormoon
Östrogen
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Turks en die door de Oezbeken gesproken wordt
Usbekisch
usbekisch
/
us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /
uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
Usbekistan
conjunction
- 2. onzekerheid
ob
- 1. keuze
oder
entweder ... oder
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Offenburg
adjective
1. aanvallend
offensiv
noun
1. een lam dat als offer geslacht wordt
Opferlamm
/
ɔ'fɛrtə/
noun
1. een aanbieding van goederen of diensten tegen een vaste prijs
Offerte
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
offiziell
verb
1. aanbieden, specifiek het aanbieden van een dienst of product door een bedrijf
anbieten
offerieren
/
ɔfˈtɑɫmis/
adjective
1. met betrekking tot het oog en/of de ziekten ervan.
ophthalmisch
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
Augenheilkunde
noun
1. een scheikundig element met het symbool Og en het atoomnummer 118
Oganesson
verb
1. de aanblik hebben van
aussehen
noun
1. Een bepaald tijdstip
Augenblick
noun
1. groot zoogdier dat nauw verwant is aan de giraffe
Okapi
noun
1. een mineraal dat als gele of oranje kleurstof gebruikt wordt
Ocker
adjective
Ockerbraun
ockerbraun
adjective
Ockergelb
ockergelb
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten van Amerika.
Oklahoma
pronoun
1. de hoofdstad en grootste stad van de Amerikaanse staat Oklahoma en hoofdplaats van Oklahoma County.
Oklahoma City
noun
1. holte tussen de arm en de romp
Achselhöhle
Achsel
noun
1. beharing in de holte tussen de bovenarm en de romp
Achselhaar
noun
1. de tiende maand van het jaar
Oktober
interjection
1. goed, in orde
in Ordnung
alles klar
okay
O.K.
o.k.
noun
1. bepaalde soort sierplant, Nerium oleander
Oleander
noun
1. vettige vloeistof
Öl
noun
1. een baksel gemaakt van een vloeibaar gerezen beslag dat in hete olie gebakken is
Berliner
noun
raffinage van aardolie
Erdölraffinerie
noun
1. een gebeurtenis waarbij grote hoeveelheden olie in het milieu terecht komen en daar schade aanrichten
Ölpest
noun
1. een sedimentair fijnkorrelig gesteente dat organische en chemische stoffen bevat en waar synthetisch olie en gas uit gewonnen kan worden
Ölschiefer
noun
1. het belangrijkste enkelvoudig onverzadigde vetzuur met brutoformule C18H34O₂
Ölsäure
Oleinsäure
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
Elefant
/
ˌoliɣoˈsen/
noun
Oligozän
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
Oligomer
/
oˈlɛɪf/, /
oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
Olive
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
Olivenbaum
Ölbaum
adjective
Olivbraun
olivbraun
adjective
Olivgelb
olivgelb
adjective
Olivgrau
olivgrau
adjective
Olivgrün
olivgrün
/
oˈlɛɪ̯fkløːrɪx/, /
oˈlɛɪ̯fklʏːrəχ/, /
oˈlɛːfkløːrəx/
adjective
1. de kleur van olijven hebbend
grünlich
olivenfarben
olivenfarbig
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
Olivenöl
verb
1. met olie bewerken
ölen
adjective
1. verband houdend met de Olympische Spelen
olympisch
/
o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
Olympische Spiele
Olympiade
pronoun
1. evenement dat eens in de vier jaar wordt gehouden waarbij allerlei wintersporten competitief beoefend worden
Olympische Winterspiele
noun
1. moeder van een ouder
Großmutter
Oma
Omi
/
o.ˈman/, /
ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
Oman
verb
1. de armen om iemand heen slaan
umarmen
adjective
Umbragrau
umbragrau
verb
1. doden, om het leven brengen
umbringen
/
ˈɔmbʏdsˌmɑn/, /
ˈɔmbʏtsˌmɑn/
noun
1. een ambtenaar die de taak heeft om als onpartijdige instantie klachten van individuele burgers tegen de overheid, instellingen en bedrijven te onderzoeken
Ombudsmann
verb
1. iets of iemand fysiek insluiten waardoor onsnapping niet meer mogelijk is
einkreisen
umschließen
/
ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
weil
/
ɔmdrajə(n)/
verb
1. twee zijden van iets van plaats doen verwisselen
umdrehen
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
Omelett
Omelette
verb
1. zich eromheen bevinden
umgeben
noun
- 1. de nabijheid
- 2. personenkring
Umgebung
adverb
1. om, rond, rondom, aan alle kanten, langs alle kanten
herum
verb
1. aan alle kanten omsluiten
einzäunen
umzäunen
verb
- 2. aannemen
annehmen
- 1. de armen om iemand slaan
umarmen
verb
1. iets boven de gewone positie brengen
emporheben
verb
1. rondom met een laag bedekken
umhüllen
verb
1. de andere zijde boven- of voorleggen
umdrehen
verb
1. andere kleren aandoen
umkleiden
/
ˈɔmkomə(n)/
verb
1. bij een gebeurtenis het leven laten
umkommen
/
ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
bestechen
kaufen
adverb
1. in neerwaartse richting
hinab
hinunter
verb
1. op een andere manier laden; naar een ander vervoermiddel overladen
umladen
verb
1. het uitzetten van een alternatief pad rondom een ontoegankelijk deel van de weg
umleiten
verb
1. omgeven met lijnen
umgrenzen
umranden
noun
4. nagelriemontsteking, paronychia
Nagelbettentzündung
Onychie
Paronychie
noun
1. iets dat totaal anders is geworden
Umbruch
Umkehr
Umschlag
Umschwung
Wende
noun
1. de achterkant van een blad papier
Rückseite
noun
1. alleseter, zowel plantaardig als dierlijk voedsel
Omnivore
/
ɔm.ˈplɑn.tə(n)/, /
ˈɔm.plɑn.tə(n)/
verb
2. op een andere plaats zetten
umpflanzen
verpflanzen
verb
1. door praten van gevoelens doen veranderen
umstimmen
verb
1. het duidelijk aftekenen van de grenzen van een vlak
umgrenzen
umranden
verb
1. aan alle kanten omsluiten
umzäunen
verb
1. via een langere weg naar een bestemming gaan
einen Umweg machen
verb
1. aan alle kanten omgeven
umringen
noun
1. een organisatie die zich richt op het verzorgen van radio- of televisieprogramma's
Fernsehanstalt
Rundfunk
Rundfunk- und Fernsehanstalt
Rundfunkanstalt
noun
1. beleid t.a.v. de omroep (radio en TV)
Rundfunkpolitik
noun
1. regeling en organisatie van de omroep
Rundfunkwesen
verb
1. door roeren homogeen maken
umrühren
verb
1. aan alle kanten omsluiten
umzingeln
noun
- 1. het bekleedsel aan de buitenkant van een boek.
Umschlag
- 2. een doek om een ziek lichaamsdeel
Verband
noun
hoe de zaken er voorliggen
Umstand
verb
1. iets met een slag om laten vallen
umstoßen
/
ˈɔmtovərə(n)/
verb
1. iets een andere vorm of functie geven
transformieren
verwandeln
umformen
umgestalten
verzaubern
noun
- 1. de lengte van een gesloten kromme
- 3. omvang van een lichaam
Umfang
- 4. het gebied rondom een bepaalde plaats
Umfeld
Umgebung
- 2. grenslijn
Umriss
/
ˈɔm.vɔl.kɪŋ/
noun
Ethnomorphose
Großer Austausch
Umvolkung
/
ˈɔmʋɛx/
noun
1. de weg die langer is dan de gewone of kortste verbinding tussen twee plaatsen
Umweg
noun
- 2. algemene grootscheepse verandering
Revolution
- 1. politieke revolutie
Revolution
Umsturz
- 3. volledige draaiing
Umdrehung
/
ˈɔmʋɪsələ(n)/
verb
- 1. van plaats laten ruilen met een ander
tauschen
- 2. verruilen voor een ander
umtauschen
prefix
1. toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord drukt dit voorvoegsel het tegendeel uit.
un-
adjective
1. geen verbinding hebbend met
unabhängig
noun
Unabhängigkeitserklärung
adjective
1. dat iets niet van een andere zaak te scheiden is
untrennbar
adjective
1. helemaal bij elkaar horend
untrennbar
adjective
1. niet mogelijk om te kunnen veranderen of vermijden
unabwendbar
adverb
1. niet of zeer moeilijk te begrijpen, rationeel niet te volgen, onlogisch
unverständlich
noun
Unverständlichkeit
Unverständnis
adjective
1. niet behorend tot de kennis
unbekannt
adjective
1. slecht gemanierd
unhöflich
unmanierlich
adjective
3. het is niet duidelijk om wie of wat het gaat
unbestimmt
noun
1. de onverbogen werkwoordsvorm die naar persoon en getal onvervoegd is
Infinitiv
noun
1. gedrag dat schaamte op zou moeten roepen maar het bij die persoon niet doet
Frechheit
Unverfrorenheit
Unverschämtheit
/
ɔmbə'sxɔfthɛit/
noun
1. brutaal gedrag
Unverfrorenheit
Unverschämtheit
Dreistigkeit
Grobheit
Respektlosigkeit
Schamlosigheit
adverb
- 4. vaak afgezwakt, bij overdrijving erg, bijzonder
arg
besonders
- 2. vaak afgezwakt, bij overdrijving bijzonder, groot, erg
- 3. op onbeschrijfelijke wijze
arg
besonders
groß
- 1. waarvan het niet mogelijk is een (goede) beschrijving te geven
unbeschreiblich
adjective
- 2. zonder winnaar of verliezer
unentschieden
- 1. nog onzeker, in afwachting van een besluit
unentschlossen
- 3. besluiteloos, aarzelend
unentschlossen
zögerlich
/
'ɔmbə'wexələk/
adjective
- 1. zonder enige beweging
bewegungslos
regungslos
- 2. niet bewogen kunnen worden
unbeweglich
noun
1. het niet langer gebruiken van iets
außer Gebrauch
noun
1. een medisch specialist die zich bezighoudt met de gezwelgroei, in het bijzonder met kanker
Onkologe
preposition
- ondanks dat
obwohl
- 1. ook al is het zo dat
trotz
noun
1.een middel tegen misselijkheid en braken door chemotherapie,door bestraling en na operaties
Ondansetron
/
ˈɔn.dər/
adverb
- 1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord zoals onderlopen.
- 2. prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord zoals waaronder.
unter
/
ˈɔn.dər/
preposition
1. op een plaats die lager gelegen is dan het aangeduide.
unter
unterhalb
/
ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
Unterarm
verb
- 1. weinig aandacht aan iets besteden
beachten
- 2. te weinig belichten (bij een foto maken)
unterbelichten
noun
1. het geheel van processen dat zich in iemands geest afspeelt en waar deze zich niet van bewust is
Unterbewusstsein
verb
1. actie ondernemen om een in gang zijnd proces tot staan te brengen
unterbrechen
/
ɔn.dər.ˈbre.kɪŋ/, /
ɔn.dər.ˈbreː.kɪŋ(g)/
noun
- 1. een tijdelijk staken van activiteit door een onverwachte gebeurtenis
Unterbrechung
- 2. een kort ophouden van bezigheden als pauze
Unterbrechung
Pause
noun
1. kledingstuk dat onder de gewone broek wordt gedragen
Unterhose
/
ˈɔndərde:l/
noun
1. deel van een groter geheel
Komponente
Teilstück
Zubehör
noun
1. onderdominant
Subdominante
Unterdominante
verb
1. onder een vloeistofoppervlak laten zakken
untertauchen
noun
1. de onderste horizontale balk tussen de verticale stijlen van een kozijn
Fensterbank
verb
1. een wens, verlangen, uiting of ontwikkeling eventueel met geweld tegengaan
unterdrücken
verb
- 1. onder water gaan
tauchen
- 2. in de illegaliteit treden
untertauchen
/
ˈɔndərˌdœykər/
noun
1. een persoon die zich schuil houdt
Untergetauchte
noun
een chemische verbinding met de formule H₃PO₂.
Phosphinsäure
phosphorundersyrling
verb
- 1. onderhevig gemaakt worden
erleiden
erfahren
unterziehen
- iets ondergaan
unterziehen
- 2. te gronde gaan
untergehen
noun
- 4.
Ruin
- 1.
Untergang
- 2-3.
Untergang
Verfall
adjective
- 1. van minder belang
nachgeordnet
- 2. aan iemand onderworpen
untergeordnet
noun
- 1. die het bericht ondertekend heeft
Unterzeichnete
- 2. (schertsend) in verwijzing naar zichzelf
meine Wenigkeit
/
ˈɔn.dər.ˌɣud/, /
ˈɔn.dər.ˌɣut/, /
ˈɔn.dər.ˌχut/
noun
1. kleding die direct op het lichaam gedragen wordt, doorgaans nog onder andere kleding
Unterwäsche
noun
1.de grond onder de oppervlaktelaag
Untergrund
noun
Unterhändler
Verhandlungsführer
forhandler
adjective
1. onderworpen zijn aan het gezag van iets of iemand
untergeben
unterstellt
unterworfen
zugehörig
noun
- 2. een gesprek waarin ...
Unterhaltung
- 1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden.
Wartung
Instandhaltung
verb
- 3. zich onderhouden: een gesprek houden met iemand
plaudern
unterhalten
- 1. zorgen dat iets in goede staat blijft
unterhalten
ernähren
noun
1. de onderste kaak
Unterkiefer
/
ˈɔndərkledɪŋ/
noun
1. kleding die onder de zichtbare kledingstukken wordt gedragen
Unterwäsche
noun
1. gouverneur van een land of een provincie die als vervanger van de monarch optreedt
Vizekönig
adjective
1. tussen de betrokken partijen
gegenseitig
adverb
1. op onderlinge wijze
untereinander
verb
1. een bedrijf of actie in werking stellen
unternehmen
noun
1. vereniging van en voor ondernemers
Unternehmervereinigung
noun
1. een organisatie
Unternehmen
/
ɔn.də.'rɔn.s<sup>j</sup>ə/
noun
Gespräch unter vier Augen
vertrauliches Gespräch
verb
1. iets kleiner of van kleiner belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
unterschätzen
verb
- 2. iemands bijzonder gedrag erkennen, bijvoorbeeld middels een medaille
auszeichnen
- 4. zich onderscheiden
sich unterscheiden
- 1. een verschil in aanmerking nemen
unterscheiden
noun
2. toegekend eerbewijs of uitgereikte decoratie
Auszeichnung
noun
1. het vermogen om het verschil tussen het een en het ander te kunnen waarnemen
Unterscheidungsvermögen
Urteilsvermögen
/
ɔndər'sxɛpə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iets dat onderweg is zijn bestemming niet haalt
abfangen
noun
- 2. tekst onder een afbeelding
Bildunterschrift
- 1. handtekening
Unterschrift
Signatur
adverb
1. verticaal omgekeerd
kopfüber
umgedreht
verkehrt herum
verb
1. helpen, bijstaan
unterstützen
verb
1. een streep onder een woord of passage zetten
unterstreichen
/
ˌɔndərˈtitələ(n)/
verb
1. ondertiteling aanbrengen
untertiteln
noun
1. een geschreven vertaling die bij een film(pje) in beeld wordt gebracht
Untertitel
adverb
1. in de tussentijd
inzwischen
/
ɔndə'rʌʏ̭txəɦalt/
verb
1. iemand ten val brengen
umnieten
/
ˌɔndərˈvɪndə(n)/
verb
1. door ervaring ergens achter komen
erleben
noun
1. iemand die aan een vraaggesprek of opinieonderzoek onderworpen wordt
Befragte
/
ɔndərˈvraxə(n)/
verb
1. iemand aan een intensieve reeks vragen onderwerpen
verhören
vernehmen
befragen
noun
1. het onderwerpen aan indringende vragen van een arrestant of gevangene
Verhør
Vernehmung
/
ˌɔn.dər.ˈʋa.tər.ˌfo.to.χra.ˌfi/, /
ˌɔn.dər.ˈβ̞a.tər.ˌfo.to.ɣra.ˌfi/
noun
1. een vorm van fotografie onder water
Unterwasserfotografie
/
ˌɔndərˈwɛx/, /
ˌɔndərˈʋɛχ/, /
ˌɔndərˈβ̞ɛx/
adverb
1. bezig zijn zich van plek A naar plek B te verplaatsen
unterwegs
noun
- 1. de kringen van de criminaliteit
- 2. het schimmenrijk van de doden
Unterwelt
noun
- 2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
Subjekt
Satzgegenstand
- 1. waar iets over gaat, een thema
Thema
Gegenstand
verb
- 1. gezag opleggen
unterwerfen
- 2. zich overgeven
unterwerfen
ergeben
noun
1. de voorziening van opleidingen
Unterricht
Bildung
Ausbildung
verb
1. scholing verzorgen voor iemand
lehren
unterrichten
unterweisen
noun
1. iemand die lesgeeft
Lehrer
noun
1. een vaartuig dat onder het wateroppervlak kan varen
Unterseeboot
/
ɔndər'zuːk/
noun
1. het onderzoeken van iets
Untersuchung
Nachforschung
Prüfung
noun
1. iemand die een onderzoek uitvoert
Forscher
/
'ɔndərzuksˌmetodoloˈɣi/, /
'ɔndərzuksˌmetodoloˈχi/
noun
1. de leer over de methoden en technieken voor onderzoek
Forschungsmethodologie
/
ˌɔn.dər.ˈzuk.stər/
noun
1. een vrouwelijk persoon die vraagstukken onderzoekt
Forscherin
noun
1. ondes Martenot
Ondes Martenot
/
'ɔndøxt/
noun
1. slechte gewoonte
Untugend
adjective
1. niet diep
seicht
flach
adjective
1. een fictieve toestand waarin een mens of ander wezen terechtkomt als hij/het is gestorven, maar teruggehaald is uit de dood
untot
adjective
1. niet mis de verstaan, met slechts één betekenis
eindeutig
unmissverständlich
adjective
1. zonder einde
unendlich
adjective
1. ter zake nieuw
unerfahren
adjective
1. Niet deelbaar door twee
ungerade
preposition
1. los van
unbeschadet
ungeachtet
adjective
1. niet conform datgene wat gebruikelijk is
ungebräuchlich
ungewöhnlich
unüblich
adjective
1. niet verwond door het gebeuren
unverletzt
noun
1. ongewenste dieren, die de mens op een of andere manier last bezorgen
Ungeziefer
adjective
- 2. illegaal, zonder geldige verblijfsvergunning
passlos
undokumentiert
- 1. zonder vastlegging in blijvende vorm, zonder schriftelijk bewijs
unbelegt
undokumentiert
/
ɔnɣə'hoːrzam/, /
ɔnɣə'ɦoːrzam/, /
ɔnχə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. niet bereid gehoor te geven aan gestelde regels
ungehorsam
noun
1. het niet opvolgen van opgelegde regels
Ungehorsam
adjective
1. niet getrouwd
unverheiratet
adjective
2. niet gecensureerd op aanstootgevende passages
unzensiert
adjective
- 2. niet onderricht in lezen en schrijven
analphabetisch
- 1. niet belezen, hebbende een gebrekkige, literaire kennis
unbelesen
adjective
2. bijzonder, uitzonderlijk
unglaublich
unwahrscheinlich
noun
1.het niet geloven
Unglaube
adjective
2. bijzonder, uitzonderlijk
unglaublich
unwahrscheinlich
adverb
1. geen geloof verdienend (omdat het onwaarschijnlijk overkomt)
unglaubwürdig
/
ˈɔnɣəˌlɵk/, /
ˈɔnɣəˌlʏk/
noun
1. een onvoorziene gebeurtenis met negatieve en soms zelfs fatale gevolgen
Unfall
Unglück
noun
- 2. kwaal aan het lichaam
Leiden
- 1. onaangename verstoring
Unannehmlichkeit
Ungemach
adjective
1. fatsoenshalve verboden
unerlaubt
/
ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
Unfall
abbreviation
bij benadering
etwa
ungefähr
adjective
1. niet goed met de handen om kunnen gaan
unbeholfen
tollpatschig
/
ˈɔnɦɛːl/, /
ˈɔnɦɛːɪl/
noun
1. groot ongeluk
Unheil
adjective
1. zonder mogelijkheid om ongedaan gemaakt te worden
unwiderruflich
adjective
1. niet met de oren waarneembaar
unhörbar
adjective
1. niet correct
falsch
unrichtig
/
ˈɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
Onkel
adjective
1. niet vatbaar voor omkoping en corruptie
unbestechlich
integer
íntegro
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
Unkraut
phraseologicalUnit
1. het slechte is moeilijk uit te roeien
Unkraut vergeht nicht
noun
1. gif of andere methode om planten die op de verkeerde plaats staan uit te roeien
Herbizid
Unkrautvernichtungsmittel
Unkrautvertilgungsmittel
/
ɔŋ.kʏn.dəx/, /
ɔŋ.kʏn.dəχ/, /
ɔŋ.kʏn.dɪx/
adjective
1. niet kundig, niet over kennis of vaardigheden beschikkend om iets bepaalds te kunnen
unkundig
/
ɔnlaŋs/
adverb
1. recentelijk, niet lang geleden
neulich
unlängst
adjective
2. zonder omwegen
direkt
adverb
1. zonder uitstel
unverzüglich
adjective
1. waarover geen twijfel kan bestaan
unleugbar
adjective
1. niet te verwezenlijken
unmöglich
adjective
3. dwaas, naïef
einfältig
leichtgläubig
naiv
/
ˌonomatoˈpe/
noun
1. door klanknabootsing gevormd woord
Onomatopoese
Onomatopöie
adjective
1.expres je anders voordoen dan je bent
unaufrichtig
adjective
unabsichtlich
unbeabsichtig
/
ˈɔnovərˌɣɑŋkələk/, /
ˌɔnovərˈɣɑŋkələk/
adjective
1. (van een werkwoord) zonder lijdend voorwerp waarop de werking van het werkwoord overgedragen wordt
intransitiv
noun
1. een werkwoord dat niet vergezeld kan worden door een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in een zin
intransitives Verb
adjective
1. chaotisch, onduidelijk
unübersichtlich
adjective
1. een negatief gevoel oproepend
unangenehm
ungemütlich
noun
1. schadeverwekkende inbreuk op een zorgvuldigheids- of rechtsnorm waardoor burgerrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat
unerlaubte Handlung
noun
1. niet-verplaatsbare zaak, bijv. grond, delfstoffen, beplantingen en opstallen
unbewegliche Sache
noun
1. iemand die opschudding teweegbrengt met schrikbarende verhalen die vaak overdreven of gewoonweg onwaar zijn
Aufwiegler
Unruhestifer
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud als (direct of indirect) object of na een voorzetsel
uns
possessivePronoun
1. van de 1e persoon meervoud
unser
/
ˌɔnsamə(n)ˈhɑŋənd/, /
ˌɔnsamə(n)ˈhɑŋənt/
adjective
1. geen samenhangend geheel vormen
inkohärent
zusammenhanglos
/
ˌɔnsamə(n)ˈhɑŋənd/, /
ˌɔnsamə(n)ˈhɑŋənt/
adverb
1. op een niet samenhangend manier
inkohärent
zusammenhanglos
adjective
1. als twee of meer verschillende zaken niet meer uit elkaar gehaald kunnen worden na menging
untrennbar
/
ɔnˈsxʏɫdəx/
adjective
1. niet schuldig
unschuldig
adjective
1. moeilijk in toom te houden
unbändig
verb
1. overgaan in iets verkeerds
entarten
ausarten
/
ɔntˈberə(n)/
verb
1. iets missen waaraan men grote behoefte heeft
entbehren
noun
1. het missen van zaken die noodzakelijk zijn om voort te kunnen leven
Not
Elend
noun
1. eerste maaltijd van de dag
Frühstück
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
frühstücken
noun
1. grote ruimte (in een hotel) waar een groep mensen het ontbijt kan gebruiken
Frühstücksraum
/
ɔndˈbladərə(n)/, /
ɔntˈbladərə(n)/
verb
1. (een plant, boom, struik of gewas) van de bladeren ontdoen
entblättern
verb
1. de bedekking van iets wegnemen, gewoonlijk een lichaamsdeel
blecken
entblößen
verb
1. niet aanwezig zijn terwijl dit wel zou moeten of verwacht wordt
fehlen
/
ɔntˈsɛɪ̯fərə(n)/, /
ɔntˈsɛːfərə(n)/
verb
1. qua betekenis duiden
entziffern
entschlüsseln
verb
1. het verwijderen van enkele of alle organen van het darmkanaalstelsel
ausweiden
/
ɔnˈdɛ.kə(n)/
verb
- 1. ergens achter komen
- 2. een onbekend gebied verkennen en onderzoeken
entdecken
verb
1. ophouden bevroren te zijn
entfrosten
abtauen
/
ɔntˈdopɪŋ/
noun
1. het uitstappen uit de kerk met het schrappen uit het doopregister
Kirchenaustritt
/
ɔnˈdœykə(n)/
verb
- 1. door zich te bukken, aan iets ontkomen
ausweichen
entgehen
entkommen
- 5. (om een onderwerp) ontsnappen
ausweichen
entgehen
entkommen
entrinnen
- 3. aan gevaren of onaangenaamheden weten te ontkomen
ausweichen
entweichen
- 2. door onder iets te schuilen zich tegen zonnestralen vrij te waren
bewahren
schützen
- 4. zich aan een verplichting weten te onttrekken
entziehen
- de belasting ontduiken
hinterziehen
verb
1. van zijn of haar eer beroven
entehren
/
ɔntəˈvredə(n)/
adjective
1. behoefte voelend om aanmerkingen te maken
unzufrieden
/
ɔntəˈvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel niet genoeg te hebben en onvoldaan te zijn
Unzufriedenheit
verb
1. iemand iets afhandig maken
abluchsen
verb
1. van een illusie beroven
entzaubern
noun
1. rituele toelating tot een studentencorps
Initiationsritus
Neulingstaufe
noun
1. de manier waarop men iemand als gast ontvangt
Empfang
verb
1. bewust kiezen voor ontspanning als reactie op werkdruk
entschleunigen
verb
1. iemand gastvrij verwelkomen
empfangen
verb
- 2. de gewijde functie van iets verwijderen
deconsecrate
entweihen
unconsecrate
- 1. iets wat gewijd is schenden, onteren
entheiligen
entweihen
verb
1. iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
enthaupten
köpfen
verb
- 1. in het geheugen bewaren
merken
behalten
- 2. bewust iets niet doen
verzichten auf
/
ɔntˈɦɵlə(n)/, /
ɔntˈɦʏlə(n)/
verb
- 2. openbaren van onbekende feiten
enthüllen
aufdecken
- 1. van het hulsel ontdoen
enthüllen
vorstellen
verb
1. in staat van verbijstering brengen
bestürzen
/
ɔnt.ˈkɑl.kə(n)/, /
ɔnt.ˈkɑɫ.kə(n)/
verb
1. kalk van een metalen oppervlak verwijderen
entkalken
/
ɔnt.ˈkɑl.kɪŋ/, /
ɔnt.ˈkɑɫ.kɪŋ/
noun
1. het verwijderen van kalk van een metalen oppervlak
Entkalkung
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
leugnen
dementieren
verleugnen
verneinen
verweigern
noun
1. handeling of uiting waarmee iemand kan laten weten dat iets niet waar is
Leugnung
Verneinung
verb
1. de kleur doen verdwijnen
entfärben
verb
1. ergens aan ontsnappen
entwischen
verb
1. een fles van de afsluitende kurk ontdoen
entkorken
noun
- 1.
Ausladung
- 2.
Entladung
- 3.
Explosion
verb
1. anatomiseren, analyseren
analysieren
zergliedern
verb
1. van luister of aanzien beroven
den Glanz nehmen
verb
1. door te castreren of het amputeren van de penis, iemand ontdoen van zijn mannelijkheid
entmannen
kastrieren
verb
1. de ware aard laten zien van iets of iemand
entlarven
demaskieren
enttarnen
verb
1. aan menselijkheid verliezen
entmenschlichen
verb
1. de moed ontnemen
entmutigen
verb
1. met iemand kennismaken en een gesprek voeren
begegnen
noun
- 1. het toevallige samenkomen
Begegnung
Treffen
- 1. vriendschappelijke ontmoeting
Freundschaftspiel
verb
1. zorgen dat iemand ergens niet meer over beschikt
nehmen
abnehmen
adjective
unzurechnungsfähig
verb
1. ontwarren
aufdröseln
verb
1. de regelmaat verstoren
durcheinander bringen
verb
1. gevoelens van medeleven, vertedering of getroffenheid oproepen
berühren
adjective
1. aandoenlijk, aangrijpend
rührend
ergreifend
verb
1. een gebouw of gebied voorgoed verlaten en leeg achterlaten
räumen
verb
1. van de schoonheid beroven
verunzieren
verb
- 3. beëindigen van een ziekenhuisopname
entlassen
- 1. arbeidsovereenkomst beëindigen
entlassen
feuern
/
ɔnt'slɑx/
noun
- 2. beëindiging van een ziekenhuisopname
Entlassung
- 1. het verbreken van het dienstverband met een werknemer
Entlassung
Kündigung
verb
1. kleine organismen zoals bacteriën gericht doden
desinfizieren
verb
1. aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
entkommen
entwischen
verb
1. uit het aangelegde spoor geraken
entgleisen
verb
1. ontstaan op een bepaalde plek
entspringen
verb
1.
keimen
sprießen
entsprießen
/
ɔnt.ˈstan/
verb
1. de verandering ondergaan van niet bestaan naar wel bestaan
entstehen
/
ɔnt.'ste.kə(n)/
verb
- 1. in vlammen (doen) opgaan
- 3. geïnfecteerd raken
entzünden
noun
- 2. ontbranding
Anzündung
- 1. (medisch) ontsteking
Entzündung
/
ɔntˈstɛl.tə.nɪs/, /
ɔntˈstɛɫ.tə.nɪs/
noun
1. toestand van plotselinge en grote schrik, verwarring en/of paniek
Schreck
Bestürzung
Erschütterung
noun
1. het niet voorhanden zijn, ontbreken, niet aanwezig zijn, verhinderd zijn (meestal door factoren buiten de macht van de betrokkene bijvoorbeeld ziekte, familieomstandigheden)
Abwesenheit
Ermangelung
/
ɔn.ˈtrɛ.kə(n)/
verb
1. een bijdrage of deel ergens uit verwijderen
entziehen
/
ɔn'tronə(n)/
verb
1. iemand van de macht beroven
entthronen
/
ɔntʌxt/
noun
1. seks die tegen de heersende moraal ingaat
Unzucht
verb
1. iets zeggen wat men liever voor zich gehouden had
herausrutschen
noun
1. een elektrische geleider voor de ontvangst van radiofrequente straling
Empfangantenne
/
ɔndˈvaŋ(g)ə(n)/, /
ɔntfɑŋə(n)/
verb
- 2. het op bezoek krijgen van gasten
empfangen
- 1. het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
erhalten
empfangen
bekommen
adjective
entflammbar
entzündlich
verb
1. vlam vatten
entflammen
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
entführen
kidnappen
noun
1. het, tegen iemands zin, wederrechtelijk verplaatsen van een persoon
Entführung
Kinderraub
Menschenraub
verb
1. niet meer abonneren
entfolgen
verb
- 2. iets los vouwen
entfalten
- 1. iets verklaren
entfalten
darlegen
verb
1. uit de slaap weer tot vol bewustzijn terugkeren
aufwachen
erwachen
våkne
verb
1. een moeilijk waarneembaar object beginnen waar te nemen
gewahr werden
gewahren
/
ɔntˈʋɛrpə(n)/
verb
1. bedenken en uitwerken op papier
entwerfen
/
ɔntˈwɛrpˌmetodoloˈɣi/, /
ɔntˈʋɛrpˌmetodoloˈχi/, /
ɔntˈβ̞ɛrpˌmetodoloˈɣi/
noun
1. de leer over de methoden en technieken voor onderzoek
Designmethodologie
/
ɔntʋɪkələ(n)/
verb
- 1. iets ~ een aanwezige aanleg tot bloei brengen
- 3. een film ~ het latente beeld van een belicht fotografisch materiaal chemisch zichtbaar maken
- 4. ontwerpen en uitvoeren op basis van onderzoek
entwickeln
- 2. zich ~ tot geleidelijk iets worden
heranreifen
noun
1. geleidelijke verandering in een zekere richting
Entwicklung
noun
verwonding door losmaking uit het gewricht
Luxation
noun
1. grote mate van schrik
Entsetzen
/
ɔntˈzin/
verb
1. het iemand gemakkelijker maken dan die persoon het anders zou hebben gehad door die persoon minder te belasten
schonen
verb
1. van opgelost zout ontdoen
entsalzen
verb
1. van opgelost zout ontdoen, ontzilten
entsalzen
adjective
1. nooit oprakend
unerschöpflich
adjective
1. niet geneigd om zich door smeekbeden tot andere handelwijze te laten bewegen
unerbittlich
adjective
1.niet te verdragen
unerträglich
adjective
1.
unablässig
unbeirrt
adjective
1. zijn verstand niet gebruikend en daardoor ook grote risico's lopend
unvernünftig
noun
Gelassenheit
Unerschütterlichkeit
adjective
1. niet van tevoren zien aankomen
unerwartet
adjective
1.
umgehend
unverzüglich
/
ˌɔn.vərˈʋust.bar/, /
ˌɔn.vərˈβ̞ust.bar/
adjective
1. niet stuk te krijgen, buitengewoon robuust
unzerstörbar
unvernichtbar
/
ˌɔnvorˈzɪxtəxhɛːt/, /
ˌɔnvorˈzɪxtɪxhɛɪ̯t/, /
ˌɔnvo̝rˈzɪχtəχhɛɪ̯t/
noun
1. een gedraging die gemakkelijk tot ongelukken kan leiden
Unvorsichtigkeit
adjective
1. een geringe kans bezittend om waar te worden of te blijken
unwahrscheinlich
adjective
1. door niets aan het wankelen te krijgen
unerschütterlich
/
ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
Gewitter
adjective
1. zich niet gezond voelend
schlecht
unwohl
übel
noun
een variëteit van kwarts
Onyx
/
ˌɔn.zəˌli.vəˈvrɑʊ̯.əˌkɛrk/, /
ˌɔn.zəˌli.vəˈvrɔʊ̯.əˌkɛrk/
noun
1. een veel voorkomende naam van katholieke kerken
Frauenkirche
Liebfrauenkirche
noun
1. benaming voor torren uit de familie Coccinellidae
Marienkäfer
/
ɔn'zɛidəx/
adjective
Neutrum
adjective
1.zonder enige betekenis of nut
sinnlos
unsinnig
töricht
/
ox/, /
oːx/, /
oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
Auge
noun
2. een oogbol
Augapfel
noun
1. een bril voor één oog
Monokel
/
ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
Augenlid
Lid
verb
1. het van het land halen van het rijpe gewas
Ernte
verb
- 2. als reactie krijgen
ernten
- 1. het volgroeide gewas van het veld halen
ernten
einheimsen
noun
- 1. een systeem om informatie te verzamelen
- 2. een landbouwmachine
Erntemaschine
noun
1. een deel van het oog dat de beeldinformatie doorgeeft aan de hersenen
Sehnerv
noun
1. vrouwelijk schaap
Mutterschaf
Zibbe
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
Storch
/
oːɪt/
adverb
- 1. op een zeker tijdstip in het verleden
einmal
einst
irgendwann
- 2. een mogelijk tijdstip in de toekomst
je
jemals
/
oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
auch
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
Onkel
/
oːr/
noun
- 3. handvat waaraan je een stuk servies kunt optillen
Henkel
- 1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
Ohr
noun
1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
Ohrring
/
ort/
noun
1. een bepaalde plaats
Ort
Platz
Stelle
Stätte
noun
1. een mening, een opinie
Meinung
noun
1. klein voorwerp om de gehoorgang te blokkeren zodat je niet door lawaai gehinderd wordt
Ohrenstöpsel
Ohropax
Ohrstöpsel
Gehörschutzpfropfen
/
ˈɔːrkɔndə/
noun
1. rechtskrachtig door getuigen bevestigd bewijsstuk, stammend uit de middeleeuwen
Charta
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
Diplomatik
Urkundenlehre
noun
1.het onderste deel van de oorschelp bestaande uit vetweefsel
Ohrläppchen
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
Krieg
noun
1. iemand die met ernstige gebreken kampt door deelname aan een gewapend conflict...
Kriegsinvalide
noun
1. een daad in tijd van oorlog die het oorlogsrecht of -gebruik schendt
Kriegsverbrechen
/
'orlɔxsmɪsdadəxər/
noun
1. iemand die een oorlogsmisdaad pleegt of heeft gepleegd en daarvoor individueel aansprakelijk gesteld...
Kriegsverbrecher
Kriegsverbrecherin
/
ˈorɔntˌstekɪŋ/
noun
1. een ontsteking van het oor
Ohrenentzündung
ørebetennelse
/
orsxɛlp/, /
o̝rsχɛɫp/
noun
1. het uit het hoofd stekende deel van een oor
Ohrmuschel
noun
stroperige vloeistof in de gehoorgangen
Ohrenschmalz
noun
1.1 gewone oorworm (Forficula auricularia)
Ohrwurm
pronoun
1.
Ost-Berlin
Ostberlin
/
os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
Osttimor
Timor-Leste
adjective
1.Afkomstig van Oost-Vlaanderen
Ostflämisch
/
ostˈflandərə(n)/
pronoun
1. Belgische provincie
Ostflandern
/
ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
Osten
Ost
/
ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /
ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /
ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
Österreich
/
ˈo.stə.ˌrɛɪ̯.kər/, /
ˈo.stə.ˌrɛː.kər/, /
ˈos.tə(n).ˌrɛɪ̯.kər/
noun
1. een inwoner van Oostenrijk of persoon die de Oostenrijkse nationaliteit bezit
Österreicher
Österreicherin
/
'ostərˌems/
pronoun
1.
Osterems
pronoun
1. deel van het zuidoosten van België dat van het Duitse Keizerrijk verkregen is tijdens de Eerste Wereldoorlog en waar men Duits spreekt
Ostbelgien
Ostkantone
noun
1. oostelijke zeeoever
Ostküste
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
Ostsee
preposition
- op termijn
irgendwann
- op korte termijn
kurzfristig
verb
- 3. (van een ambassadeur) laten komen om een kritiek op beleid van zijn regering over te brengen
herbeizitieren
- 1. laten komen om verantwoording af te leggen en vermaningen te krijgen
sich vorknüpfen
zur Verantwortung ziehen
noun
1. de vader van een ouder
Opa
Großvater
adjective
1. ondoorzichtig
opak
/
o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
Opal
adjective
Opalgrün
opalgrün
/
ˈɔˌbɛlə(n)/
verb
1. iemand telefonisch proberen te bereiken
anrufen
verb
1. op een veilige plaats wegdoen
wegräumen
wegschließen
verb
1. toegeven dat men iets kwaads gedaan heeft
beichten
zugeben
/
'ɔp.bla.zə(n)/
verb
- 3. op overdreven manier beschrijven
aufbauschen
dramatisieren
hochspielen
- 2. een gas in een uitzetbare ruimte pompen
aufpumpen
aufblasen
- 1. doen ontploffen
sprengen
verb
1. het naar boven komen van gasbellen door een vloeistof
aufbrodeln
aufsprudeln
noun
1. het opbouwen
Aufbauarbeit
/
ˈɔpbɑu(w)ə(n)/
verb
- 1. maken uit losse onderdelen
aufbauen
aufstellen
- 2. laten ontstaan
aufbauen
errichten
verb
2. de grond openen voor werkzaamheden
aufbrechen
/
'ɔbrɛŋs/, /
'ɔbrɛŋst/
noun
1. dat wat opgebracht wordt, de baat die men heeft van zijn activiteiten
Erlös
/
ˈɔbdinə(n)/
verb
1. eten en drinken op tafel zetten
servieren
auftischen
auftragen
verb
- op de huid aanbrengen
auftragen
- verkrijgen
auftreiben
auftun
ergattern
sammeln
noun
1. een te verrichten werk
Auftrag
Aufgabe
/
'ɔpdrɛɪvə(n)/
verb
1. iets naar boven toe doen bewegen
hochtreiben
adverb
1. snel en onverwachts
plötzlich
/
ˈɔpɛːsə(n)/
verb
eisen dat iets of iemand waarop men recht heeft, wordt overgegeven
fordern
/
ˈoː.pə(n)/
adverb
- open en bloot
hüllenlos
unverhüllt
- 1. niet gesloten
offen
auf
adjective
- Openbaar Ministerie
Staatsanwaltschaft
- 1. vrij toegankelijk
öffentlich
noun
1. openbaar toegankelijk personenvervoer
öffentlicher Verkehr
noun
Veröffentlichung
Bekanntmachung
verb
1. wat voorheen een geheim was algemeen bekend maken
offenbaren
offenlegen
noun
1. laatste boek van de Bijbel
Offenbarung
verb
- 1. laten beginnen, in bedrijf brengen
eröffnen
aufmachen
- 4. (informatica) een bestand inladen
öffnen
- 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
- 3. openstellen, toegankelijk maken
öffnen
aufmachen
/
ˈoː.pə(n).ɣaːn/
verb
1. zich openen
sich öffnen
aufgehen
/
ˈopə(n)lək/
adjective
1. zonder te verbergen, in het openbaar
öffentlich
noun
1. buiten de deur, onder blote hemel
Freilicht-
verb
1. de sluiting van iets verbreken
öffnen
verb
1. (wettelijk) toegankelijk maken
öffnen
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
Oper
noun
1. een gebouw waarin opera's worden opgevoerd
Opernhaus
adjective
1. ...d.m.v. een operatie
operativ
noun
1. ruimte waar heelkundige bewerkingen uitgevoerd worden
Operationssaal
noun
1. iemand die opera's zingt
Opernsänger
verb
- 1. aan een chirurgische ingreep onderwerpen
operieren
- 2. acties uitvoeren, optreden
operieren
arbeiten
noun
1. felgele delfstof, zwavelarsenicum (As₂S₃)
Auripigment
Rauschgelb
Arsenblende
Operment
verb
2. iets er beter uit doen zien
verschönern
verb
1. alles gebruiken tot het op is
aufbrauchen
verbrauchen
adjective
1. opgewonden, nerveus en agressief en dus vervelend
hektisch
adverb
1. geïsoleerd van de buitenwereld
verhaftet
noun
1. enthousiaste stemming, houding, instelling
Begeisterung
verb
1. de strijd staken en zich gewonnen geven
aufgeben
verb
1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
aufwachsen
heranwachsen
verb
- 1. een voorwerp of persoon bij iets/iemand vandaan halen
abholen
- 5. een bestand van een computer of server naar een andere computer of server overbrengen
herunterladen
überspielen
übertragen
/
'ɔpɦɑŋə(n)/
verb
- 1. iets in een hangende positie bevestigen
aufhängen
- 2. een telefoongesprek beëindigen
aufhängen
auflegen
- 3. aan de galg opknopen
hängen
aufhängen
henken
aufknüpfen
erhängen
noun
1. lawaai, onrust, ophef, tumult, geraas, spektakel
Aufheben
Aufruhr
Aufstand
Trara
/
'ɔpɦɛfə(n)/
verb
2. een instelling of regel ongedaan maken
abschaffen
aufheben
noun
- 1. het optillen
Aufheben
Aufhebung
- 2, 3.
Aufhebung
verb
1. duidelijkheid scheppen in iets
aufklären
erklären
erläutern
noun
1. verduidelijking
Erläuterung
verb
1. kwaad en opgewonden maken
aufhetzen
aufstacheln
noun
1. wettelijke verplichting om pluimvee in het hok te houden
Stallhaltungspflicht
Stallpflicht
verb
1. op elkaar stapelen
anhäufen
aufhäufen
verb
2. een activiteit beëindigen
aufhören
noun
1. een mening of oordeel
Meinung
noun
1. onderzoek naar de mening van...
Meinungsumfrage
noun
1. een steekproefsgewijs onderzoek naar de mening van de bevolking
Meinungsumfrage
Meinungsforschung
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
Opium
/
'ɔpklarə(n)/
verb
1. het ontstaan van open plekken in wat een gesloten wolkendek was
aufklaren
noun
1. het wegtrekken van de bewolking
Aufklärung
/
ˈɔpklɪmə(n)/
verb
1. een hoger punt trachten te bereiken
erklimmen
heraufklettern
hinaufklettern
hochsteigen
verb
2.verbeteringen aanbrengen
herrichten
noun
- 3. het boven de horizon verschijnen van een hemellichaam
Aufgang
- 1. de toename in belang van een staat, stand, technologie of organisatie
Aufstieg
- 2. de mate waarin de kiesgerechtigden gebruik maken van hun stemrecht in een verkiezing
Wahlbeteiligung
verb
1. in zijn geheel kopen van een verzameling artikelen
aufkaufen
verb
1. niet uiten (en dus binnenhouden) van gevoelens zoals woede
hinunterschlucken
verschlucken
/
ˈɔp.la.jə(n)/
verb
- 1. plotseling heviger gaan branden
- 2. plotseling in brand vliegen
- 3. plotseling hevig de kop opsteken
auflodern
verb
- 1. een materiële lading op iets aanbrengen
- 2. een elektrische lading op iets aanbrengen
laden
noun
1. totaal aantal afdrukken van een drukwerk dat in één keer wordt vervaardigd
Auflage
Auflagenhöhe
verb
1. kennis en vaardigheid bijbrengen
ausbilden
verb
1. bij voortduring aandachtig zijn
aufpassen
verb
1. weer tot bloei komen
aufleben
verb
1. uiteindelijk als resultaat geven
verursachen
verb
- 1. van de bodem opheffen
aufheben
- 3. helder worden, meer licht gaan geven
aufhellen
aufleuchten
ausbleichen
lüften
lüpfen
- 2. met bedrog iemand geld afhandig maken
beschwindeln
betrügen
prellen
noun
1. een mannelijk persoon die oplicht
Hochstapler
Gauner
noun
1. bedrog waarbij men iemand geld of goed afhandig weet te maken
Betrug
Schwindel
noun
1. bedrog waarbij men iemand geld of goed afhandig weet te maken
Betrug
Schwindel
adjective
- 1. het vermogen bezittend opgelost te worden
lösbar
- 2. scheikunde: het vermogen bezittend in oplossing te gaan
löslich
noun
1. de hoeveelheid van een stof die maximaal in een gegeven hoeveelheid oplosmiddel oplost
Löslichkeit
noun
- 1. een mengsel
- 2. een manier om van een probleem af te komen
Lösung
noun
1.het gevoel bevrijd te zijn van iets dat dreigde
Erleichterung
adjective
1. bijzonder genoeg om opgemerkt te worden
bemerkenswert
noun
1. een uiting van een gedachte
Bemerkung
verb
1. opvrolijken, animeren
aufmuntern
noun
1. een ruimte die speciaal geschikt is gemaakt om muziek op te nemen
Tonstudio
/
ˈɔpniu/
adverb
1. nog een keer, een vorige gebeurtenis herhalend
wieder
erneut
aufs Neue
verb
- 4./5. zich opofferen
opfern
- 1./2./3. bij noodzaak moeten gebruiken, laten doden of bewust prijsgeven
opfern
aufopfern
verb
- 2. gaan uitvoeren
anpacken
ausführen
- 3. iemand gevangen nemen
aufgreifen
festnehmen
- 1. pakken en oprapen
aufheben
aufnehmen
verb
- 2. bij de kinderen blijven en op ze letten
achtgeben
aufpassen
hüten
- 1. opletten dat er niet iets ergs gebeurt
aufpassen
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Oberösterreich
noun
1. bot in de bovenarm
Oberarmknocken
verb
1. iets voorstellen
suggerieren
vorschlagen
noun
1. leider van een stam
Oberhaupt
pronoun
1. een Westslavische taal die in het gebied Opper-Lausitz in het oosten van Duitsland gesproken wordt
Obersorbisch
/
ɔpər'vlɑkəx/
adjective
- 1. niet diepgaand of niet grondig
- 2. zich aan de oppervlakte bevindend
oberflächlich
verb
1. met genoegen opeten
aufknabbern
verputzen
verspeisen
/
ˌɔpoˈzitsi/
noun
2. mensen en partijen die niet tot de regeringspartijen horen
Opposition
verb
1. het vuur feller doen branden door erin te poken
anschüren
verb
- 1. in verticale stand brengen
aufrichten
- 2. een instelling in het leven roepen
gründen
errichten
verb
1. in de hoogte stijgen, stijgend verschijnen
aufgehen
verb
- 1. doen verschijnen
aufrufen
- 2. (gevoelens) veroorzaken
hervorrufen
/
ˈɔprɔlə(n)/
verb
- 1. zich ~, tot een rol vormen
- 2. ergens een rol van maken
aufrollen
- 3. een (semi-)georganiseerde groep arresteren
hochgehen lassen
hochnehmen
verb
1. kwaad en opgewonden maken
aufhetzen
aufstacheln
verb
- 3. iets in orde brengen, netjes maken
aufräumen
- 2. iets uitverkopen
ausverkaufen
- 1. iets uit de weg ruimen
wegräumen
noun
1. een lange, grote en diepe lepel
Schöpflöffel
Kelle
verb
- 2. aangedikte beweringen doen
angeben
aufschneiden
- 1. voedsel uit een schaal of pan op een bord doen
auftragen
noun
1. iemand die vaak opschept tot ergernis van anderen
Angeber
Aufschneider
verb
1. haast maken
(sich) beeilen
verb
schuddend ordenen
aufschütteln
/
'ɔpsxɵdɪŋ/
noun
1. een reactie van schok, verbazing of afkeer op een daad of gebeurtenis
Aufregung
Wirbel
/
ˈɔpslan/
verb
5. informatica: vastleggen of bewaren van gegevens
speichern
verb
1. in zich opnemen
absorbieren
noun
Aufzählung
Enumeration
verb
1. in de hoogte springen
aufspringen
verb
- 3. (koken) op het vuur staan
aufgesetzt sein
aufgestellt sein
- 1. gaan staan
- 2. het bed verlaten
aufstehen
/
ˈɔpstɑnt/
noun
1. een massale, vaak gewelddadige, poging het heersende gezag af te schudden
Aufstand
noun
1. iemand die zich gewapenderhand verzet tegen het heersende gezag
Aufständische
Aufständischer
noun
1. verrijzenis
Auferstehung
/
ˈɔpstɛːɣə(n)/, /
ˈɔpstɛːɪχə(n)/
verb
- 1. in de lucht stijgen
- 2. te paard stijgen
aufsteigen
verb
1. met de post verzenden
verschicken
senden
absenden
versenden
verb
1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
addieren
zusammenzählen
noun
1. het samenvoegen van een of meer termen tot een totaal, de som
Addition
noun
1. iemand die kundig is in de optica
Optiker
verb
sich verficken
sich verpissen
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
aufheben
heben
noun
1. iemand die alles van de positieve kant beschouwt
Optimist
noun
1. een vrouwelijk iemand die alles van de positieve kant beschouwt
Optimistin
/
ˈɔp.tre.də(n)/
noun
1. een kunstzinnig verschijnen voor een publiek
Auftritt
/
ˈɔp.tre.də(n)/
verb
1. voor een publiek bepaalde handelingen verrichten, bijvoorbeeld in kunstzinnige zin
spielen
aufführen
verb
1.
sich verficken
sich verpissen
/
'ɔpfɑlə(n)/
verb
1.
auffallen
adverb
1. op een opvallende manier
Auffälligerweise
noun
1. het proces waarin iemand wordt gevormd naar de normen van diens opvoeders, en daarmee meestal de samenleving waarin hij leeft
Erziehung
Bildung
verb
- 1. uitvoeren wat een ander aangeraden of bevolen heeft
befolgen
- 2. iemands functie overnemen
nachfolgen
noun
1. iemand die een ambt bekleedt na iemand anders
Nachfolger
verb
1. opmonteren, animeren
aufmuntern
noun
- 2. het proces van temperatuursverhoging
Erderwärmung
Erwärmung
- 1. het doen stijgen van de temperatuur
Erhitzung
verb
- 1. opmonteren, animeren
ermutigen
ermuntern
- 2. doen ontstaan
erregen
erwecken
noun
1. innerlijke drang
Antrieb
Trieb
verb
- 4. zich ~ over: iets doen dat tot emotionele spanning leidt
aufregen
- 1. rond een as of klos wikkelen
aufwickeln
- 2. draaiend onder spanning zetten
aufziehen
verb
1. door wrijven glanzend maken
aufpolieren
verb
- 2. iets wat men uit het hoofd geleerd heeft laten horen
aufsagen
- 1. mededelen dat men een eerdere overeenkomst beëindigt
kündigen
verb
verschicken
absenden
senden
noun
2. het onderdeel zijn van een zo gewenst plan
Absicht
adverb
1. bewust op deze manier
absichtlich
vorsätzlich
noun
1. iemand die toezicht houdt
Aufseher
verb
- 2. iets met angst en vrees bekijken
- 1. in hoog aanzien hebben, van hogere status achten
fürchten
/
'ɔpsʋɛlə(n)/
verb
1. in volume toenemen
anschwellen
aufbauschen
aufquellen
noun
1. mensaap met lange armen en roodbruinachtig haar
Orang-Utan
adjective
1. de kleur oranje hebbend
orange
Orange
adjective
Orangebraun
orangebraun
pronoun
1. en 2.
Oranjemund
/
ɔˈratɔr/
noun
1. redenaar
Redner
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
Orchidee
noun
- 2. aanduiding om de grootte van een getal mee uit te drukken, uitgedrukt als de exponent van de dichtstbijzijnde macht van 10
- 1. ruwe indicatie van de omvang, met weinig precisie aangeduide hoeveelheid
Größenordnung
noun
- 2. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak
Befehl
Anweisung
- 1. een verzoek om diensten of goederen te leveren
Bestellung
noun
- 2. keukenkruid
- 1. Origanum vulgare
Oregano
noun
- 1. Onderdeel van het organisme
- 2. Communicatiemiddel
Organ
/
ˌɔrɣɑniˈzasi/, /
ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
- 3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
- 1. het organiseren
- 2. de manier waarop iets georganiseerd is
Organisation
pronoun
Organisation für wirtschaftliche Zusammenarbeit und Entwicklung
pronoun
Organisation für Sicherheit und Zusammenarbeit in Europa
noun
1. een adviseur van het bedrijfsleven, de overheid en andere organisaties in beleidsmatige en organisatorische vraagstukken
Unternehmensberater
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
Organisationsforschung
noun
1. iemand die organiseert of die organisatietalent heeft
Organisator
Veranstalter
adjective
1.wat de organisatie betreft
organisatorisch
/
ɔr.ˈɣa.nɪs/, /
ɔr.ˈχa.nɪs/
adjective
- 1. met betrekking tot een orgaan of de organen
- 2. koolstof bevattend
organisch
/
ˌɔrɣɑniˈzeːrə(n)/, /
ˌɔrχɑniˈzɪːrə(n)/
verb
- 1. een bepaalde structuur aanbrengen
- 2. iets, vaak een evenement, tot stand brengen
organisieren
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
Organismus
Lebewesen
/
orɣa'nɪst/
noun
1. musicus die zich toelegt op het bespelen van het orgel
Organist
Kantor
Orgelspieler
/
ɔr.ˈɣaː.no.ɣe.ˌneːzə/
noun
1. het zich ontwikkelen van organen uit enkele typen weefsel
Organogenese
noun
1. diagram dat laat zien hoe taken en zeggenschap in een bedrijf of ander samenwerkingsverband zijn verdeeld
Organigramm
/
ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
Orgel
pronoun
2. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Orion
pronoun
1. de officiële taal van de Indiase staat Orissa
Oriya
adjective
Orientrot
orientrot
/
ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
Schwertwal
noun
1. een bijzonder hevige storm
Hurrikan
Taifun
Zyklon
tropischer Wirbelsturm
/
ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
Orchester
noun
1. orkesthoorn
Waldhorn
noun
Vogelkunde
Ornithologie
noun
1. de tandheelkunde die gericht is op de vorming van een regelmatig gebit
Kieferorthopädie
noun
1. een tandarts-specialist die de vorm, groei en ontwikkeling van het gebit en de kaken bestudeert
Kieferorthopäde
/
ɔrtoˈdɔks/
adjective
- 2. star vasthoudend aan bepaalde opvattingen of gewoontes die algemeen zijn aanvaard
orthodox
- 1. star vasthoudend aan een bepaald geloof
orthodox
strenggläubig
/
ɔrtodɔk'si/
noun
Orthodoxie
adjective
1. rechthoekig
rechtwinklig
noun
1. gecastreerde stier
Ochse
noun
1. oscillatie
Oszillation
noun
1. oscillator
Oszillator
verb
1. oscilleren
oszillieren
pronoun
- 1. de hoofdstad en grootste stad van Noorwegen en is gelegen in het zuidoosten van het land
- 2. een provincie in Noorwegen
Oslo
noun
1. Chemisch element
Osmium
pronoun
1. een taal uit de centrale Kaukasus
Ossetisch
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Osterburken
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Ostfildern
pronoun
1. de hoofdstad van Canada
Ottawa
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
Fischotter
Otter
pronoun
2. spelwoord voor de letter o
Otto
noun
1. verbrandingsmotor waarbij de menging van de brandstof met de lucht plaatsvindt vóór de compressie
Ottomotor
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saarland
Ottweiler
adjective
1. grappig, koddig
drollig
/
aʊ̯d/, /
ɔʊ̯t/, /
ʌʊ̯t/
adjective
- 2. oud ding, concept
- 1. oud mens, dier
- 3. vorige
alt
noun
1. reeks boeken in de christelijke Bijbel die zijn ontleend aan de joodse Tenach
Altes Testament
pronoun
1. het Engels zoals dat tussen ca. 400 en 1100 werd gesproken en dat wordt gezien als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels en nog later het moderne Engels
Altenglisch
Angelsächsisch
/
ˈaʊ̯.dər/, /
ˈɔʊ̯.dər/, /
ˈʌʊ̯.dər/
noun
1. de moeder of vader van een kind
Elter
Elternteil
noun
1. het huis waarin iemand is opgegroeid
Elternhaus
/
ˈaʊ̯.dərs/, /
ˈɔʊ̯.dərs/, /
ˈʌʊ̯.dərs/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ouder
Eltern
adjective
1. niet langer gebruikt of in de mode
altmodisch
noun
1. periode van eind september tot half november waarin het nog zomerachtig weer kan zijn
Altweibersommer
pronoun
1. uitgestorven Westgermaanse taal der Franken uit de 4e tot de 8e eeuw
Altfränkisch
pronoun
1. het Frans zoals dat in het noorden van Frankrijk gesproken werd van de 10e tot de 14e eeuw
Altfranzösisch
pronoun
1. een nu dode taal die werd gesproken in Griekenland
Altgriechisch
/
ɑʊ̭tɦɛɪ̭t/
noun
1. het tijdperk van de geschiedenis vóór de middeleeuwen
Altertum
Antike
pronoun
1. de voorloper van het huidige Duits in de periode 700-1050
Althochdeutsch
/
ˈɑʊ̯t.kɛrk/, /
ˈɔʊ̯t.kɛrk/
pronoun
1. een dorp in de provincie Friesland
Aldtsjerk
Oudkerk
pronoun
1. de Slavische taal die rond de negende eeuw rond Thessaloniki gesproken werd
Altkirchenslawisch
pronoun
1. een West-Germaanse taal die gesproken werd tussen ongeveer 800 en 1150 in delen van Nederland, België, Frankrijk en Duitsland en die de voorloper was van het Middelnederlands en vervolgens het huidige Nederlands.
Altniederländisch
pronoun
1. een taal die de voorganger van de Scandinavische talen was
Altnordisch
pronoun
1. een taal die de voorloper van het Noors was
Altnorwegisch
/
ɑutˈsɑksis/
pronoun
1. de voorloper van het huidige Nedersaksisch in de periode 650-1100
Altsächsisch
pronoun
1. taal die vanaf de 10e tot in de 15e eeuw werd gesproken door de bewoners van Castilië
Altspanisch
/
'ʌʊtɑntə/
noun
1.
Großtante
noun
1. een meestal instrumentaal muziekstuk dat als opening fungeert van een opera of operette
Ouvertüre
noun
1. bekende Griekse alcoholische drank
Ouzo
/
ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
Ofen
Backofen
noun
1. een persoon die ovens, haarden en gelijkaardige stookplaatsen alsmede rookkanalen ontwerpt en bouwt...
Hafner
Hafnerin
Ofenbauer
Ofenbauerin
Ofensetzer
noun
1. paal waarmee brood in en uit de oven gehaald wordt
Brotschieber
Ofenschaufel
Ofenschieber
noun
1. een persoon die ovens, haarden en gelijkaardige stookplaatsen alsmede rookkanalen plaatst en installeert
Ofensetzer
Ofensetzerin
noun
1. (huishouden) ovenvaste schaal waarin gerechten worden bereid of verwarmd
Auflaufform
preposition
6. meer dan
über
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Overath
noun
1. toestand waarbij een ruimte, gebied of land zo dichtbevolkt is dat het problemen geeft
Übervölkerung
verb
- 1. naar een andere rekening overzetten
umbuchen
- 2. meer dan eenmaal verhuren
überbuchen
noun
Nachbar von gegenüber
/
ˌovərˈdɑx/
adverb
1. tijdens de uren van de dag
tagsüber
verb
1. opnieuw doen
wiederholen
aufs Neue machen
verb
1. verbluffen
verblüffen
adjective
1. buiten proportie weergegeven
übertrieben
verb
1. de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn
übertreiben
aufbauschen
verb
2. tot een bindende afspraak komen
absprechen
übereinkommen
noun
- 2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
Vertrag
Abkommen
Übereinkommen
Übereinkunft
- 1. een eigenschap die hetzelfde is
Ähnlichkeit
Übereinstimmung
verb
1. gelijkenis vertonen
entsprechen
verb
- 7. eroverheen gaan
benutzen
überschreiten
- 8. een belsignaal laten klinken
klingeln
- 2. iets anders gaan gebruiken
umstellen
übergehen
- 6. minder worden en uiteindelijk weggaan
verschwinden
- 1. van de ene toestand in de andere veranderen
- 3. veranderen in
- 4. van eigenaar veranderen
übergehen
noun
1. de naam voor elk element uit het D-blok van het periodiek systeem der elementen
Übergangsmetall
/
ˌovərˈɣɑŋkələk/
adjective
1. (van een werkwoord) een lijdend voorwerp bezittend waarop de werking van het werkwoord overgedragen wordt
transitiv
/
'ovərɣavə/
noun
- 2. een volledige toewijding
Hingabe
- 1. het opgeven van de strijd en zich aan de wijand onderwerpen
Kapitulation
verb
- 1. braken
erbrechen
sich übergeben
- 2. capituleren
kapitulieren
sich ergeben
noun
1. te groot lichaamsgewicht
Fettsucht
noun
1. moeder van de grootvader of van de grootmoeder
Urgroßmutter
Urgrossmutter
/
ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
Urgroßvater
Urgrossvater
verb
1. iemand zo ver proberen te krijgen ergens in mee te gaan
überreden
rumkriegen
verb
1. in de handen van een ander geven
aushändigen
übergeben
verb
1. de macht uitoefenen over een ander volk
beherrschen
/
ˈovərɦɛit/
noun
1. het geheel aan gezagvoerende lichamen
Regierung
Behörden
Obrigkeit
noun
1. bemoeienis door de overheid
Einmischung des Staates
staatliche Einmischung
/
ˈovərˌɦɛmt/
noun
Oberhemd
adverb
- 1. wanorde
durch einander sein
- 2. ruzie
verfeindet sein
verb
1. op heftige wijze voorwerpen door elkaar smijten
durcheinanderwerfen
verb
- 2. de rust verstoren met pijnlijke kwesties
anschüren
- 1. in wanorde brengen
durcheinander bringen
verb
- 1. wanordelijk dooreen liggen
durcheinander sein
- 2. onderling verdeeld zijn
verfeindet sein
verb
1. op heftige wijze tegen iemand opbotsen
anprallen
verb
1. op onbezonnen wijze iemand neerschieten
niederknallen
verb
1. op heftige wijze voorwerpen door elkaar gooien
durcheinanderwerfen
verb
1. op onbezonnen wijze iemand neersteken
niederstecken
/
ˌovərˈhorə(n)/, /
ˌovərˈho̝rə(n)/
verb
1. nagaan of iemand bepaalde kennis in voldoende mate tot zich genomen heeft door het stellen van vragen over deze kennis
überprüfen
/
ˌovərˈhorɪŋ/, /
ˌovərˈho̝rɪŋ/
noun
1. het nagaan of iemand bepaalde kennis in voldoende mate tot zich genomen heeft door het stellen van vragen over deze kennis
Abfragen
adjective
1. overblijvende
sonstig
übrig
/
ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /
ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /
ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Overijssel
verb
1. andere kant bereiken
ankommen
/
ˈo.vər.ˌlɑs/, /
ˈo.vər.ˌlɑst/
noun
1. hinder op een onacceptabel niveau
Belästigung
adjective
1. gestorven, doodgegaan
verstorben
/
ovərˈlɛx/
noun
1. beraad, beraadslaging
Rücksprache
Überlegung
verb
1. gezamenlijk bespreken
beraten
überlegen
noun
1. organisatie waarbij verschillende partijen op een regelmatige basis met elkaar overleggen, onderhandelen en informatie uitwisselen
Beratungsorgan
beratendes Organ
/
ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
überleben
noun
1. iemand die een levensbedreigende situatie overleefd heeft
Überlebende
verb
1. ophouden met leven
sterben
noun
1. een verklaring die wordt afgegeven door een arts, en waarmee deze verklaart dat een bepaalde persoon is overleden
Totenschein
noun
1. een hevel aangebracht aan de zijde van een vat dat geleidelijk gevuld wordt, waardoor het vat leegloopt wanneer een bepaald peil bereikt is
Abflussheber
verb
- 2. in de strijd van zijde wisselen
überlaufen
Seite wechseln
- 1. tot boven de rand van een vat of dijk gevuld raken
überlaufen
übergehen
- 1.
überlaufen
verb
- 1. opnieuw maken
aufs Neue machen
- 2. laten overschrijven
überweisen
adjective
- 1. buitensporig
exzessiv
- 2. een halve toon groter dan een rein of groot interval
übermäßig
phraseologicalUnit
1. een interval van een octaaf plus een halve toon
übermäßige Oktave
phraseologicalUnit
1. een interval van een kwart plus een halve toon
übermäßige Quarte
phraseologicalUnit
1. een interval van een kwint plus een halve toon
übermäßige Quinte
phraseologicalUnit
1. een interval van een prime plus een halve toon
übermäßige Prime
phraseologicalUnit
1. een interval van een grote seconde plus nog een halve toon
übermäßige Sekunde
phraseologicalUnit
1. een interval van een grote seconde plus nog een halve toon
übermäßige Sekunde
phraseologicalUnit
1. een interval van een grote septiem plus een halve toon
übermäßige Septime
phraseologicalUnit
1. een interval van een grote sext plus een halve toon
übermäßige Sexte
phraseologicalUnit
1. een interval van een grote terts plus nog een halve toon
übermäßige Terz
conjunction
1. omdat of aangezien, geeft onderschikkend een reden aan
weil
adverb
Übermorgen
übermorgen
verb
1. ergens de nacht doorbrengen
übernachten
verb
- 1., 2.
- 3. opvolgen van advies
übernehmen
verb
1. met de wielen van een voertuig over iets of iemand heen rijden
überfahren
verb
1. iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
überschätzen
überbewerten
/
ˈo.vər.sxɔt/
noun
1. wat er overblijft, de rest
Überschuss
Rest
Restbestand
verb
1. de overzijde van een grens betreden
überschreiten
/
ˌovərˈspɑnə(n)/
adjective
- 1. ziek door een te zware belasting op geestelijk vlak
überanstrengt
- 2. (handel) overbelast, te actief
überfordert
/
ˌovərˈspɑnə(n)/
verb
- 2. ergens overheen spannen
- 1. te sterk gespannen
überspannen
noun
1. seks hebben met een ander dan de echtgenoot of vaste partner
Ehebruch
Fremdgehen
/
ˌovərˈstɑx/
adverb
overstag gaan
wenden
noun
- 3. trapje, laddertje om over een heining te komen
Mauertritt
Zauntritt
- 2. verandering van vervoermiddel
Umsteigen
verb
1. doorkruisen om de overzijde te bereiken
überqueren
verb
1. overladen met allerlei zaken
überladen
überschwemmen
/
ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
Hochwasser
Überschwemmung
adjective
1. wat in te ruime mate aanwezig is
überflüssig
verb
1. bepaalde denkbeeldige of daadwerkelijke lijnen te buiten gaan
übertreten
noun
1. een relatief licht strafbaar feit
Verstoß
Übertretung
verb
1.een voorheen behaald niveau te boven gaan
übertreffen
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
überzeugen
noun
1. sterke mening of geloof
Überzeugung
verb
- 1. bij verrassing iemand belagen of overweldigen
- 2. bij verrassing een pand aanvallen (om bijv. te beroven
- 3. zodanig verassen en verbazen dat je er niet direct een antwoord op hebt
überfallen
/
ˈovərˌvliɣə(n)/, /
ˈovərˌvliχə(n)/
verb
- 1. ergens overheen vliegen
- 2. van de ene afdeling naar de volgende gaan, bijvoorbeeld bij scouting
fliegen über
- 3. iets met een vliegtuig ergens brengen
hinüberfliegen
/
ovərˈvluːdəx/, /
ovərˈvluːdəç/
adjective
1. in ruime hoeveelheid aanwezig
reichlich
üppig
adjective
1. meer dan vol, te vol
rappelvoll
übervoll
/
'ovərʋɛx/, /
ovər'ʋɛx/
noun
1. een kruising van een weg met een spoorbaan
Bahnübergang
/
ovər'ʋeɣən/, /
ˈovərʋeɣən/
verb
de voor- en nadelen bezien alvorens een beslissing te nemen
erwägen
verb
1. woekerend bedekken
überwuchern
verb
- 3. zie vertalen
- 1. van de ene kant naar de andere brengen
übersetzen
- 2. van het ene systeem naar het andere systeem brengen
übertragen
noun
- 1. toestand dat je het geheel kunt duidelijk overzien
Überblick
- 2. samenvatting van de inhoud, beschrijving in hoofdlijnen
Übersicht
Zusammenfassung
adjective
1. door een goed overzicht kunnen de omvang, de gevolgen etc. eenvoudig worden ingeschat
überschaubar
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
Ovulation
Eisprung
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
Ozon
/
ozɔnlax/
noun
1. laag in de atmosfeer die veel ozon bevat
Ozonschicht
/
ˌooˈsit/
noun
1. een eicel voordat het eerste poollichaampje gevormd wordt
Oozyt
/
pajə(n)/
verb
1. het leggen en bevruchten van eieren door vissen
laichen
noun
1. tijd van het jaar dat vissen zich voortplanten
Laichzeit
noun
- 2. (informeel) een penis in erectie
Latte
Stange
- 4. (heraldiek) een loodrechte band midden over een wapenschild
- 1. een langwerpig stuk materiaal dat in de grond staat
Pfahl
- 3. een doelpaal
Pfosten
noun
1. een dorp dat uit paalwoningen bestaat
Pfahldorf
noun
1. constructie om afkalving van oever tegen te gaan
Pfahlbuhne
noun
1. in zee levend weekdier dat zich in hout boort, Teredo navalis
Schiffsbohrwurm
/
paːr/
indefinitePronoun
1. meerdere, maar niet heel veel
ein paar
/
paːr/
noun
- 1. twee van een soort die bij elkaar horen
- 2. twee geliefden die een relatie hebben
Paar
/
paːrt/
noun
- 6. touw onder een ra om op te staan
Fußpeerd
- 1. tam hoefdier met manen
Pferd
Springer
- 2. turntoestel
Seitpferd
Pauschenpferd
- 3. schaakstuk
Springer
Pferd
noun
- 1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
Löwenzahn
Pusteblume
- 1. samengesteldbloemige plant Taraxacum officinale
gewöhnlicher Löwenzahn
/
'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
Pferdestärke
PS
noun
1. een zeer zwaar middel
Radikalkur
Rosskur
/
ˈpardəmolə/
noun
1. een ronddraaiende attractie met paarden om op te zitten
Karussell
karusell
noun
1. bepaald soort schelpdier, Modiolus modiolus
Pferdemuschel
noun
1. de postdienst zoals deze vóór de mechanisatie te paard verzorgd werd
Posthalterei
/
ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
Pferdestal
Pferdestall
noun
2. bepaald soort vastgehecht oesterachtig schelpdier met een onregelmatige vorm, Anomia ephippium
Sattelmuschel
Zwiebelmuschel
noun
1. paardenzuring is een vaste plant die behoort tot de duizendknoopfamilie Polygonaceae
Wasserampfer
/
ˈpaːrt.rɛidə(n)/
noun
- het rijden op een paard, ter ontspanning of als sportbeoefening
Reiten
Springreiten
- zich, zittend op de rug van een paard, verplaatsen
reiten
adjective
1. met een kleur tussen rood en blauw
violett
noun
1. diverse kleurschakeringen tussen blauw en rood.
Violett
adjective
Violettblau
violettblau
adjective
1. bij paren, twee aan twee
paarweise
noun
- 2. ongezuurd brood dat de joden bij het paasfeest eten
Matze
Matzen
Mazze
Mazzen
- 1. krentenbrood, met Pasen gegeten
Osterbrot
noun
1. een van de twee dagen van het paasfeest, paaszondag of paasmaandag
Ostertag
Osterfeiertag
noun
- 2. ter gelegenheid van Pasen gekleurd en versierd kippenei
- 1. ei van chocolade of suiker dat op of omstreeks Pasen gegeten wordt
Osterei
noun
1. de dag die volgt op paaszondag
Ostermontag
noun
1. vakantieperiode
Osterferien
noun
Osternacht
Ostervigil
Osterwache
noun
Osternacht
Ostervigil
Osterwache
noun
1. de week na Pasen
Osterfeiertage
noun
1. de dag waarop christenen vieren dat Jezus opgestaan is uit de dood, op de derde dag na zijn kruisiging
Ostersonntag
pronoun
1. oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Ausralië
Pazifik
Pazifischer Ozean
noun
aanhanger van het pacifisme
Pazifist
/
pɛːt/
noun
- 1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
Kröte
- 1. een smalle weg of voetweg
Pfad
Fußweg
- 1. deel van een fietsframe
Ausfallende
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
Pilz
noun
Zauberpilz
Paddo
Psilo
Shroom
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
- 2. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
- 3. een vroegere prinsbisdom
Paderborn
/
paˈeʎa/
noun
1. gerecht
Paella
/
pɑk/
noun
- 3. een stel bovenkleren
Anzug
- 2. lading
Haufen
Packen
- 1. pakket
Päckchen
Paket
- 4. een groep wolven
Wolfsrudel
noun
1. als lastdier gebruikt hoefdier, Equus asinus
Lastesel
noun
1. de meest voorkomende vorm van zee-ijs en bestaat uit op elkaar geschoven ijsschollen; opeengepakt drijfijs
Packeis
/
ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
Pakistan
verb
- 2. arresteren
fassen
- 1. in de handen nemen
nehmen
greifen
packen
schnappen
noun
1. Aziatische groene koolsoort met witte stelen Brassica rapa subsp. chinensis
Pak Choi
Chinesischer Senfkohl
/
palaˈdɛin/
noun
- 2. een ridder of hofdienaar
- 1. een slaafse aanhanger
Paladin
/
pa.ˈlaʊ̯/, /
pa.ˈlɔʊ̯/, /
pa.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Palau
pronoun
1. taal gesproken in Palau
Palauisch
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
Palast
Schloss
/
palejoˈɣen/
noun
1.
Paläogen
/
ˈpalejoˌlitikʏm/
noun
1. eerste periode van de steentijd
Paläolithikum
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
Paläontologie
/
ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
Paläozoikum
noun
1. een spatelvormig stuk gereedschap dat de kunstschilder gebruikt om op het palet een gebruikshoeveelheid verf van de juiste kleur te mengen
Palettmesser
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
Palindrom
noun
1. bepaald soort langwerpige consumptievis, Anguilla anguilla
Aal
Europäischer Aal
noun
1. chemisch element
Palladium
noun
- 2. binnenzijde van de hand
Handfläche
Handteller
- 1. (sub-)tropisch gewas
Palme
noun
1. blad van een palmboom
Palmenblatt
Palmwedel
noun
Een sterk geurende suiker die wordt verkregen uit het sap van palmbomen
Palmzucker
pronoun
1. de zondag voor Pasen
Palmsonntag
noun
1. boomloze grasvlakte in Argentinië en Uruguay
Pampa
/
pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
Pfanne
Bratpfanne
noun
1. geneesmiddel dat alle kwalen zou verhelpen
Allheilmittel
Panazee
/
ˈpa.na.ma/, /
ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
Panama
noun
- 2. een gebouw
Gebäude
- 4. kanaaldeel
Staustrecke
noun
1. (zoogdieren) een beerachtig dier uit het Himalayagebied
Panda
/
ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
Pandemie
/
pɑn.deʲ'ɪsmə/
noun
1. een theologische positie
Pandeismus
noun
1. bank van lening waar men geld kan krijgen als men een pand in bewaring geeft, dit pand kan men...
Pfandhaus
noun
1. de theologische positie dat God immanent is in de gehele schepping en dat het universum een deel is van God en dat God de drijvende kracht vormt achter het universum
Panentheismus
noun
1. blaasinstrument dat is samengesteld uit een reeks van eentonige fluiten
Panflöte
noun
1. het streven naar de vereniging van alle Griekse volkeren
Panhellenismus
noun
1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
Pfannkuchen
Eierkuchen
noun
1. benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
Panther
Panter
/
pɑn.teʲ'ɪsmə/
noun
Pantheismus
/
pɑnˈtɔfəldirtʲə/
noun
1. eencellig diertje
Pantoffeltierchen
noun
1. een beschermende laag om dieren of voorwerpen
Panzer
verb
1. met een pantser bekleden
panzern
noun
1. een voertuig op wielen dat uitgerust is met een verstevigde buitenzijde om gewelddadige aanvallen te kunnen weerstaan
Radpanzer
gepanzertes Fahrzeug
noun
1. stam van eencelligen met een tweetal zweepstaartjes die in water leven, Dinoflagellata
Dinoflagellaten
noun
1. gerecht dat meestal bestaat uit melk die is gebonden met een zetmeelproduct zoals meel
Brei
noun
1. informele benaming voor vader door zijn kind
Papa
/
paˈpa.ja/
noun
- 1. meloenboom
Melonenbaum
Papayabaum
- 1. en 2. (vrucht van) de boom Carica papaya
Papaya
noun
1. een plantengeslacht waarin ook de opiumpapaver thuis hoort
Mohn
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
Papagei
noun
1.1 bepaald soort opvallende zeevogel die zelfs onder water kan vliegen, Fratercula arctica
Papageitaucher
pronoun
1. taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
Papiamentu
pronoun
1. een taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
Papiamentu
/
pɑ'pir/
noun
1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
Papier
/
ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /
ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /
ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
Papua-Neuguinea
/
ˈpaprika/, /
ˈpɑprika/
noun
- 2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
Paprika
Gemüsepaprika
- 1. bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
Paprika
Paprikapflanze
adjective
Papyrusweiß
papyrusweiß
/
ˌparaˈboɫ/
noun
1. kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt.
Parabel
noun
1. paraboolreflector
Parabolantenne
noun
1. iemand die parachutespringt
Fallschirmspringer
noun
1. Paradisea liliastrum een lelie die met name in de Alpen voorkomt
weisse Trichterlilie
/
ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoɣəl/, /
ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoχəɫ/, /
ˌpɑrɑˈdɛːsvoɣəl/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Paradisaeidae
Paradiesvogel
/
ˌparadɔkˈsal/
adjective
1. tegenstrijdig lijkend
paradox
noun
1. bij iemand of iets behorende zaken
Drum und Dran
noun
1. achtervoeging van slotklank
Epithese
/
ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /
ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /
ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /
ˈparaˌɡwe/
pronoun
Paraguay
adjective
1. evenwijdig
parallel
noun
1. een cirkel parallel aan de evenaar
Breitenkreis
noun
1. een cirkel parallel aan de evenaar
Breitenkreis
noun
Parallelepiped
Parallelflach
/
paralɛloˈɣrɑm/, /
pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
Parallelogramm
/
ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
Regenschirm
noun
- 1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
Parasit
- 2.
Schmarotzer
noun
1. leer en studie van de parasieten en het parasitisme
Parasitologie
noun
1.benaming voor witsporige plaatjeszwammen uit het geslacht Macrolepiota
Riesenschirmpilz
Riesenschirmling
noun
1. in het kaf voorgekookte rijst
parboiled Reis
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx pardinus
Pardelluchs
Luchs Spaniens
noun
1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
Perle
noun
1. rond gepolijste gepelde gerst
Graupen
Perlgerste
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Numididae
Perlhuhn
/
parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
Perlmutt
adjective
Perlenzian
perlenzian
adjective
Perldunkelgrau
perldunkelgrau
adjective
Perlgrün
perlgrün
adjective
Perlrubinrot
perlrubinrot
adjective
Perlviolett
perlviolett
adjective
Perlgold
perlgold
adjective
Perlbeige
perlbeige
adjective
Perlhellgrau
perlhellgrau
adjective
Perlopalgrün
perlopalgrün
adjective
Perlrosa
perlrosa
adjective
Perlbrombeer
perlbrombeer
adjective
Perlmausgrau
perlmausgrau
adjective
Perlnachtblau
perlnachtblau
adjective
Perlorange
perlorange
noun
1. schelpdier dat een oester kan voortbrengen
Perlmuschel
adjective
Perlweiß
perlweiß
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
Paris
noun
Standlicht
Parkleuchte
noun
1. een installatie met klok die na de muntinworp de toegestane parkeertijd aangeeft
Parkuhr
noun
1. plek waar auto's of andere voertuigen geparkeerd kunnen worden
Parkplatz
Parklücke
verb
1. (een voertuig) tijdelijk ergens laten staan
parken
parkieren
noun
1. een halfgedomesticeerd konijn dat in parken gehouden wordt
Gehegekaninchen
noun
1. risicosport waarbij een traject met obstakels zo snel en vloeiend mogelijk moet worden afgelegd
Freirennen
noun
1. iemand die door middel van verkiezingen is verkozen om de bevolking van een land te vertegenwoordigen in het parlement
Abgeordneter
Parlamentarier
noun
1. gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
Pfarrgemeinde
/
pa.ˈrɔ.xiˌkɛrk/, /
pa.ˈrɔ.χiˌkɛrk/
noun
1. een lokaal kerkgebouw dat het religieuze centrum van een parochie vormt
Pfarrkirche
Parochialkirche
noun
1. woord dat een of meerdere morfemen met een ander woord deelt en daardoor soms met dat andere woord verward kan worden
Paronym
noun
1. ontsteking van het nagelbed
Nagelbettentzündung
Onychie
Paronychie
noun
1. iemand die deelneemt aan een activiteit
Teilnehmer
Teilnehmerin
noun
5. spel dat wordt gespeeld, potje, wedstrijd
partia
adjective
bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
parteiisch
noun
1. (huishouden) gereedschap waarmee een appel of een peer in één handeling in partjes kan worden gesneden en van zijn klokhuis kan worden ontdaan
Apfelteiler
noun
- 3. iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
Partner
Partnerin
Ehepartner
Ehepartnerin
- 1. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
Partner
Partnerin
Geschäftspartner
Geschäftspartnerin
- 2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
Spielpartner
Spielpartnerin
Tanzpartner
Tanzpartnerin
/
pɑr.və.'ny/
noun
Parvenü
Neureiche
adverb
3. niet eerder dan
erst
noun
- 3. identiteitsbewijs
- 5. schot naar een medespeler
Pass
- 4. doorgang tussen bergtoppen
Pass
Gebirgspass
noun
1. een paspop met het figuur van een bovenlijf
Schneiderbüste
noun
1. eenheid voor druk (symbool: Pa)
Pascal
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
Ostern
adjective
1. kort geleden geboren
neugeboren
noun
1. een ruimte in een kledingzaak waarin men kleding kan passen
Ankleideraum
noun
- B. elk van de twee verticale staven waarmee die deur bij het draaien van het slot bovenin en onderin wordt vergrendeld
Baskülenriegel
- A 2. iets belachelijks
Lächerlichkeit
- A 1. schotschrift of smaadschrift waarin men iets of iemand belachelijk maakt
Schmähschrift
noun
1. pop waarop men gemaakte kleren past
Schneiderpuppe
verb
1. precies de goede maat zijn, erin kunnen
passen
verb
1. voorbijgaan, voorbijsteken, inhalen
passieren
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
Passionsfrucht
Maracuja
noun
1. de benaming voor een aantal Italiaanse deegproducten
Teigwaren
adjective
Pastellblau
pastellblau
adjective
Pastellgelb
pastellgelb
adjective
Pastellorange
pastellorange
adjective
Pastelltürkis
pastelltürkis
adjective
Pastellviolett
pastellviolett
noun
1. een document of ander kunstwerk zoals een toneel- of muziekstuk dat is gemaakt via nabootsing en/of het combineren van bepaalde kenmerken van een of meerdere originelen
Pastiche
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
Pastinake
Pastinak
noun
Pfarrer
Pastor
Priester
/
ˈpɑstɔr/
noun
Pfarrer
Pastor
Priester
adjective
1. in een toestand waarin een speler geen enkele zet meer kan doen
patt
noun
- 1. remise doordat een speler geen zet meer kan doen
Patt
- 4. een van beide houders die het wiel in de vork houdt
Ausfallende
- 1. reep stof met een knoopsgat aan het uiteinde
- 3. gekleurd strookje stof op een uniform
Patte
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
Patagonien
noun
1. gefrituurde aardappelreepjes
Pommes frites
noun
Frittenbude
Pommesbude
adjective
1. & 2. vaderlijk
väterlich
adjective
1. de eigenschap bezittend om een ziekte te veroorzaken
krankheitserregend
pathogen
noun
1. een organisme dat een ziekte verwekt
Krankheitserreger
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
Pathologie
adjective
1. ziekte betreffend
pathologisch
krankhaft
noun
1. een medisch specialist die de pathologie beoefent
Pathologe
adjective
Patinagrün
patinagrün
noun
1. een al dan niet omheinde binnenplaats bij een huis of ander pand
Patio
Terrasse
Veranda
/
pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
Patient
noun
1.
Krankenakte
Patientenakte
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
Rebhuhn
noun
1. klein rond raam in een scheepswand dat waterdicht kan worden afgesloten
Bullauge
noun
1. goede vaderlander
Patriot
noun
1. iemand die pronkt (met zijn of haar bezit)
Angeber
Großtuer
Protz
pronoun
1. stad in Thailand
Pattaya
noun
1. een grote verstembare keteltrommel zoals gebruikt in een orkest
Pauke
adjective
1. afkomstig van de apostel Paulus
paulinisch
/
pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
Papst
Päpstin
adjective
1. betrekking hebbend op de paus, het hoofd van de rooms-katholieke kerk
päpstlich
papal
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
Pfau
Pfauhahn
noun
1. bepaald soort tropische struik met prachtige bloemen, Caesalpinia pulcherrima
Pfauenstrauch
/
ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
Pause
pronoun
1. een taal gesproken in Taiwan, één van de 17 Paiwanische talen
Pazeh
/
peˈse/
noun
1. een computer voor persoonlijk gebruik
PC
/
pɛx/, /
pɛχ/
noun
1. de conditie waarin er tegenslag te verwerken is die niet door eigen schuld veroorzaakt is
Pech
noun
- 1. met de voet te bedienen hefboom
- 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
- 2. voetklavier van een orgel
Pedal
noun
1. harp met pedalen
Pedalharfe
/
ˌklavəˈxɔrt/
noun
1. een klavechord dat is voorzien van een pedaalwerk
Pedalklavicord
noun
1. een volwassene die verlangt naar seksueel contact met kinderen
Pädophile
adjective
1. de vorm hebbend van een peer, dus rond met één enkele uitloper
birnenförmig
/
pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
Sehne
noun
1. een aandoening van een pees en de aanhechting ervan aan het bot
Sehnenscheidenentzündung
noun
1. mythisch paardachtig wezen met de hoorn van een eenhoorn en vleugels als Pegasus
Pegahorn
/
pɛːl/, /
pɛːɫ/
noun
1. niveau of stand van bijvoorbeeld water
Pegel
noun
1. een antenne met voorkeur voor één richting
Peilantenne
verb
- 1. de waterdiepte bepalen
peilen
- 2. onderzoeken wat mensen vinden of voelen
untersuchen
noun
1. gewicht aan een touw
Lot
/
ˈpɛɪ̯nzə(n)/, /
ˈpɛːnzə(n)/
verb
1. heel diep nadenken
sinnen
grübeln
verb
1. overgankelijk blootstellen aan een sterke oplossing van zout
pökeln
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
Pelikan
/
peloˈtɔn/
noun
een groep soldaten
Peloton
noun
1.
Erdnüsse in der Schale
noun
1. de dichtbehaarde huid van verschillende dieren
Fell
Pelz
noun
1. zoogdier waarvan de behaarde huid als bont gebruikt wordt
Pelztier
noun
1. (kleding) een mantel vervaardigd van het bont van pelsdieren
Pelzmantel
noun
- 2. dat gedeelte van een vulpen waarmee de inkt over het papier verdeeld wordt
Feder
- 3. lange, stevige veer van vogels
Feder
Vogelfeder
- 4. dunne staaf om in of door iets te steken
Nadel
- 1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
Stift
Kugelschreiber
noun
1. een directe vrije trap voor de aanvallende partij na een zware overtreding van de verdedigende partij binnen het strafschopgebied
Strafstoß
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
Penis
noun
1. loon uitgesteld tot de tijd dat iemand niet langer actief is op de arbeidsmarkt
Pension
noun
1.
Pensionssparen
Rentensparen
noun
1.behoort tot een groep geneesmiddelen die morfine-achtige pijnstillers of opiaten worden genoemd
Pentazocin
noun
1. dit geneesmiddel zorgt dat bloedcellen minder makkelijk aan elkaar kleven
Pentoxifyllin
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
Pfeffer
noun
1. vaatje met al dan niet gemalen peperkorrels dat op tafel gezet wordt
Pfefferstreuer
adjective
1. zeer hoog in prijs, uitermate duur
teuer
verb
1. met peper bestrooien, kruiden
pfeffern
noun
1. een zoete koek die gekruid is met peper
Pfefferkuchen
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Mentha × piperita
Pfefferminze
noun
1. vluchtige olie, uit de bladeren en bloesemtoppen van de pepermuntstruik Mentha × piperita bereid
Pfefferminzöl
noun
1. een rond stuk peperkoek dat traditioneel veel rond Sinterklaas gegeten worden
Pfeffernuss
/
pɛpˈsinə/
noun
1. een verteringsenzym dat in de maag eiwitten in kleine stukken breekt
Pepsin
adverb
1. noodzakelijkerwijs
unbedingt
/
pɛrsɛnˈtaʒə/
noun
1. een percentsgewijze berekend bedrag of hoeveelheid
Prozentsatz
noun
1. gewaarworden door een van de zintuigen
Beobachtung
Perzeption
pronoun
1. een gemeente in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk
Perchtoldsdorf
/
perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
Birnbaum
Birne
noun
1. vruchtensap dat uit peren is bereid
Birnensaft
noun
1. hervormingen zoals deze door Gorbatsjov werden voorgesteld in de Sovjet-Unie
Perestroika
Perestrojka
/
pɛrˈfɛkt/
adjective
1. zonder enig gebrek
perfekt
noun
Perfektion
Vollkommenheit
verb
1. meer perfect of volmaakt maken
vervollkommnen
perfektionieren
/
ˌpɛrfoˈratɔr/
noun
1. een apparaat om gaten te maken in papier, karton, kunststof folie of metaalplaat.
Locher
Perforator
adjective
1. aan de buitenzijde
peripher
/
pɪri'jodɘ/
noun
- 1. tijdperk
- 4. repeterende getallenreeks
Periode
- 2. menstruatie
- 5. cyclus
Zyklus
adjective
1. periodisch, regelmatig terugkerend
periodisch
noun
1. tijdschrift
Zeitschrift
noun
1.
Periodensystem der Elemente
adjective
1. voortdurend
dauerhaft
noun
1. krullen in het haar
Dauerwelle
noun
1. populistische en nationalistische politieke stroming in Argentinië
Peronismus
/
pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
Bahnsteig
Perron
noun
2. journalistieke media
Presse
noun
1. schriftelijke verklaring om iets via de media bekend te maken
Pressemeldung
Pressemitteilung
Pressetext
noun
1. maatregelen tot beperking van de persvrijheid
Pressezensur
noun
- het onderwijzend personeel
Lehrerschaft
Lehrkörper
- 1. de personen die een bedrijf in loondienst heeft
Personal
/
/
noun
1. een motorvoertuig voor het vervoer van enkele mensen
Personenauto
Pkw
noun
- 1. menselijk individu
- 2. grammaticaal begrip
Person
Mensch
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
Personalpronomen
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
Persönlichkeit
/
pɛrˈsoːnsˌfɔrm/
noun
1. finiet werkwoord
finites Verb
finite Verbform
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat West-Australië
Perth
/
peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Peru
noun
1. perversiteit, tegennatuurlijkheid, verdorvenheid
Perversion
verb
1. iets bederven, slecht maken
pervertieren
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
Pfirsich
noun
1. gepureerde vruchten van de perzikenboom
Pfirsichpüree
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
Farsi
Persisch
noun
(medisch) Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis
Pest
verb
1. jennen, treiteren
piesacken
harceler
reizen
noun
1. iemand die veel en gemeen plaagt
Plagegeist
Quälgeist
noun
1. bepaald soort vogel, Bombycilla garrulus
Seidenschwanz
noun
1. tamelijk plat hoofddeksel met een klep
Schirmmütze
Mütze
noun
1. spel waarbij men metalen ballen zo dicht mogelijk naar een klein houten balletje moet gooien
pétanque
noun
1. laag plat ronde bakje van glas of kunststof met een ruim eroverheen passend deksel
Petrischale
noun
1. een druklamp die op vergaste petroleum brandt
Starklichtlampe
noun
1. gesteentekunde
Petrologie
pronoun
- 1. discipel van Jezus
- 3. Peter
Peter
noun
1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
Kippe
Stummel
noun
2. en 3. (peulen van) Pisum sativum var. saccharatum
Zuckererbse
Kefen
Zuckerschoten
noun
1. een jong kind in de leeftijd van een tot vier jaar
Kleinkind
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Pfullendorf
pronoun
- 2. grotere van de twee manen van Mars
- 1. Griekse god van de paniek
Phobos
noun
1. musicus die een piano bespeelt
Pianist
noun
- 1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
Klavier
Piano
- 2. buffetpiano
Pianino
/
pɪˈkɑrdɪʲə/
pronoun
regio in Noord-Frankrijk
Picardie
Pikardie
noun
1. piccolofluit
Pikkoloflöte
noun
1. piccolosaxofoon
Soprillosaxofon
noun
- 1. een apparaat om grammofoonplaten af te spelen
Plattenspieler
- 2. een kleine open vrachtauto
Pritschenwagen
noun
1. een carrosserie-uitvoering van een bestelwagen, waarbij de wagen bestaat uit een passagiers- en bestuurdersgedeelte, met daarachter een open laadbak
Pickup
Pritschenwagen
adjective
1. piekfijn, heel mooi, onberispelijk verzorgd
picobello
noun
1. een biljoenste ampère
Pikoampere
pA
noun
1. picofarad
Pikofarad
noun
1. picohenry
Pikohenry
noun
1. picovolt
Pikovolt
pV
noun
1. een biljoenste watt
Pikowatt
pW
noun
1. een taal die ontstaat wanneer twee bevolkingsgroepen die verschillende talen spreken...
Pidgin
noun
1. een taal die ontstaat wanneer twee bevolkingsgroepen die verschillende talen spreken met elkaar in contact komen, maar die niemands moedertaal is
Pidgin-Sprache
verb
± langdurig nadenken
grübeln
noun
1. geslachtsdeel van de man, penis gebruikt voor onvolgroeide jongens
Pimmel
Dödel
verb
- 3. stiekem, snel of oppervlakkig naar iets kijken
lugen
- 1.2 het geluid van de vogeltjes
piepen
- 1.3 het geluid van een hijgende adem
piepsen
- 1.4 het fijn schril geluid van een krakende scharnier
quietschen
noun
1. jong slachtkuiken
Küken
/
piːr/
noun
- 3. overdekte loopbrug op luchthaven
Flugsteig
- 2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
Mole
Seebrücke
- 1. een regenworm
Regenwurm
noun
ringetje, staafje enz.
Piercing
noun
1. ondiep zwembad geschikt voor heel kleine kinderen die nog niet kunnen zwemmen
Planschbecken
pronoun
1. jongensnaam
Peter
pronoun
1. hoofdstad van KwaZoeloe-Natal
Pietermaritzburg
noun
Erbsenzähler
Griffelspitzer
adjective
kleinlich
pingelig
noun
1. een organische of minerale stof met een vaste kleur
Pigment
noun
1. zuil, pilaar
Pfeiler
noun
1. weekdier met lange tentakels en zuignappen, o.a. van het geslacht Loligo
Kalmar
/
pɛɪ̯n/, /
pɛːn/
noun
- 2. geestelijk leed
Gram
Pein
- 1. lichamelijk leed
Schmerz
- pijn doen
schmerzen
- 1. pijnboom, een naaldboom uit het geslacht Pinus
Kiefer
Pinie
/
ˈpɛɪ̯nɑpəɫˌkliːr/, /
ˈpɛːnɑpəlˌkliːr/
noun
1. klier in de hersenen, die melatonine uitscheidt
Zirbeldrüse
adjective
Kieferngrün
kieferngrün
verb
1. het opzettelijk veroorzaken van pijn bij iemand
peinigen
quälen
martern
/
ˈpɛːinlək/, /
ˈpɛːnlək/
adjective
1. pijn gevend
schmerzhaft
schmerzend
adjective
1.wat de pijn doet ophouden
schmerzstillend
/
'pɛːinstɪlər/
noun
1. middel
Schmerzmittel
noun
1. samenstel van pijpen om vloeistoffen of gassen door te leiden
Rohrleitung
noun
1. pijpsleutel
Rohrschlüssel
noun
1. pijptang, een zware verstelbare tang
Rohrzange
noun
- 3. pek
Pech
- 1. penis
Schwanz
Pimmel
Rute
- 2. houweel
Spitzhacke
adjective
1. zeer donker
stockdunkel
stockfinster
noun
- 1. africhter van paarden
Pferdetrainer
horse coach
- 2. bestuurder van een sulky bij drafsport
Trabrennfahrer
/
ˈpɪkhʌʊʋɪ:ɫ/
noun
1. hakwerktuig met steel, voorzien van een punt aan de ene zijde en een beitelachtige voorziening aan de andere zijde
Kreuzhacke
Spitzhacke
verb
- 3. dulden, accepteren
dulden
- 2. iets nemen, ontnemen
entnehmen
nehmen
- 1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
klauen
- 4. (met de snavel) prikken
picken
adjective
1. heel zwart
pechschwarz
noun
1. christelijke kluizenaar die als boetedoening een groot gedeelte van zijn leven op de top van een hoge zuil doorbracht
Säulenheilige
noun
1. een bestuurder van een vliegtuig, luchtschip of race-auto
Pilot
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
Blaumeise
noun
1. een dun metalen staafje waarmee iets bevestigd kan worden
Bolzen
Stift
noun
1. een ouderwetse bril die op de neus geknepen werd gedragen
Pincenez
noun
- 2. een vrucht van deze plant
- 1. een tot de vlinderbloemenfamilie behorende plant
Erdnuss
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
Erdnussbutter
beurre de cacahouète
/
ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
Pinguin
noun
1. de vijfde, kleinste en buitenste vinger
kleine Finger
kleiner Finger
/
ˈpɪŋkən)/
verb
3. (verouderd) knippen met de ogen
zwinkern
pronoun
1. Christelijk feest
Pfingsten
noun
1. tweede pinksterdag
Pfingstmontag
noun
1. de zaterdag voor Pinksteren
Pfingstsamstag
/
ˈpɪnə(n)/
verb
- 1. het opnemen van geld bij een daartoe bedoeld apparaat
Geld abheben
- 2. het elektronisch betalen met een pinpas
mit Karte bezahlen
mit Karte zahlen
/
ˈpɪmpɑs/
noun
1. betaalkaart waarmee bedragen rechtstreeks worden afgeschreven van de bankrekening van de betaler.
Bankkarte
Servicekarte
noun
3. een glas bier van welk formaat ook
Krug
/
piˈɔn/
noun
- 1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
Bauer
- 2. subatomair deeltje dat bestaat uit twee quarks en dus een boson is
Pion
/
pi.ˈpɛt/
noun
1. een instrument waarmee heel precieze hoeveelheden vloeistof kunnen worden afgemeten door de vloeistof erin op te zuigen, meestal een in het midden verwijde en spits uitlopende glazen buis
Pipette
/
ˌpi.pɛ.ˈteː.rə(n)/, /
ˌpi.pɛ.ˈtɪː.rə(n)/, /
ˌpɪ.pɛ.ˈteː.rə(n)/
verb
1. met een pipet vloeistof overbrengen
pipettieren
noun
1.
Pirat
Seeräuber
Korsar
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Pirmasens
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Pirna
noun
1. een ornament op een markant punt van een bouwwerk
Dachknauf
Turmkugel
noun
1. een ornament op een markant punt van een bouwwerk
Dachknauf
Turmkugel
noun
een NSAID ontstekingsremmer en pijnstiller
Piroxicam
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
Harnröhre
noun
1. een dier uit de taxonomische orde van de Isopoda, bijv. een ruwe pissebed
Assel
verb
1. plassen
pissen
pinkeln
strullen
Wasser lassen
urinieren
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
Pistole
noun
1. licht machinegeweer
Maschinenpistole
noun
- 2. kaarsen- of lampenpit
Docht
- 1. zaadhoudende kern van verschillende vruchten
Kern
Stein
noun
1. een bulterriër die gekweekt wordt om zijn grote vechtlust
Pittbull
adjective
- 3. hard, brutaal
- 4. die zich goed weet te verweren
dreist
- 1. niet te onderschatten
gewaltig
herausfordernd
- 2. stevig en scherp van smaak
würzig
schmackhaft
verb
- 2. draaien met één voet aan de grond
pivotieren
- 1. op een steunpunt in het midden ronddraaien
sich drehen
sich um die eigene Achse drehen
noun
1. een beeldpunt
Pixel
/
ˈpidza/, /
ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
Pizza
noun
1. bodem van een pizza
Pizzaboden
noun
1. deeg voor de bodem van een pizza
Pizzateig
noun
1. restaurant
Pizzeria
noun
wijdverspreid onheil, ongemak
Plage
/
plaːts/
noun
- 3. een dorp of stad (woonplaats)
Ortschaft
- 2. een plein
Platz
- 1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
Platz
Ort
- in plaats van
statt
noun
1. precieze plek waar een misdaad is gebeurd
Tatort
verb
- 2. aan een kwalificatie voldoen waardoor men toegelaten wordt tot een bepaalde wedstrijd
aufsstellen
- 1. op een bepaalde plaats zetten
platzieren
stellen
noun
1. het aantal argumenten van een relatie of functie
Stelligkeit
/
platsˈvɪndə(n)/
verb
1. gebeuren, geschieden, plaatshebben
stattfinden
noun
1. moederkoek, orgaan dat verbinding vormt tussen moeder en de zich ontwikkelende vrucht in de buik van de moeder.
Mutterkuchen
placenta
/
plɑˈfɔnt/
noun
- 1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
Decke
- 2. hoogste niveau
Höchstgrenze
verb
- 1. iemand (goedmoedig) pesten
necken
- 1. iemand lastigvallen
plagen
/
ˈplɑɣə(n)ˌɦʏt/, /
ˈplɑχəˌɦʏt/
noun
1. een hut bedekt met plaggen
Plaggenhütte
verb
1. steenachtige, houten of andere ondergronden met plamuur egaliseren of repareren
grundieren
spachteln
noun
1. een spatelvormig stuk gereedschap waarmee bij het plamuren kleine oneffenheden kunnen worden gladgestreken
Spachtel
noun
1. een voorgenomen handelswijze
Plan
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
Planet
Wandelstern
verb
1. snel varen met een boot waarbij de romp op het water glijdt
gleiten
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
Planetarium
noun
1. stelsel van planeten om de zon of een ster
Planetensystem
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
Asteroid
Planetoid
Kleinplanet
/
plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
Brett
Planke
verb
- 1. bestemmen voor een of meer toekomstige activiteiten
- 2. tot een samenhangend geheel van toekomstige activiteiten maken
planen
noun
- 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
Pflanze
- 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
Pflanze
Gewächs
/
plɑntˈaːr.dəx/
adjective
1. tot de planten behorend, uit planten bestaand of daarvan afkomstig
pflanzlich
verb
1. (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
pflanzen
noun
1. dier dat uitsluitend plantaardig voedsel eet
Pflanzenfresser
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
Botanik
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
Harnröhre
/
plɑs.ˈmi.də/
noun
1. een ringvormig DNA-molecuul dat voornamelijk voorkomt voor bij bacteriën
Plasmid
verb
1. via de urinebuis vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen
pinkeln
noun
(kindertaal, kinderlijk) penis
Schniepel
/
'plɑstik/, /
'plɛstɪk/
noun
plastisch vervormbare polymere kunststof
Kunststoff
noun
1. een chirurgisch specialisme waarin men zich richt op het uit esthetisch en/of functioneel oogpunt aanpassen van het uiterlijk
Plastische Chirurgie
adverb
- 1. vlak van vorm met verwaarloosbare hoogteverschillen
flach
- 2. van weinig culterele diepgang getuigend
vulgär
bäurisch
deftig
verb
1. iets met kracht samendrukken
plattdrücken
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
Platin
Platina
adjective
1. een variant van de blonde haarkleur, herinnerend aan de kleur van platina.
platinblond
adjective
Platingrau
platingrau
noun
1. platte of afgezaagde zinsnede
Plattitüde
verb
1. met een strijkende beweging vlak maken
plätten
/
ˌplɑtəˈvɛil/
noun
Flachfeile
noun
1. het landelijke gebied buiten de steden
Land
/
ˈplɑtvɪs/
noun
1. een orde van vissoorten die op hun zijde op de bodem leven, en geheel plat zijn
Plattfisch
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Plauen
pronoun
1. taal die tegenwoordig gesproken wordt in Canada en in dertien andere landen van mennonieten of menisten
Plautdietsch
adjective
met ceremonieel
feierlich
noun
een sociale gebeurtenis die met ernst en ceremonieel gepaard gaat
Zeremonie
Feierlichkeit
noun
1. het plaatje waarmee snaren worden aangeslagen
Plektrum
Plektron
noun
1.
Pflegeunterbringung
/
'pleɣə(n)/
verb
- 1. een gewoonlijk verboden handeling uitvoeren
begehen
verüben
- 2. gewoon zijn, vaak doen
pflegen
gewohn sein
/
ˈplɛinˌvreːs/
noun
Platzangst
Agoraphobie
noun
- 2. zelfklevend verband
Pflaster
Heftpflaster
- 1. (gipshoudend) kalkmengsel
Putzmörtel
verb
2. iets met kalkspecie of gips bestrijken
gipsen
/
plɛk/
noun
1. plaats, positie
Ort
Stelle
noun
1. vergadering waaraan alle betrokkenen kunnen deelnemen
Plenartagung
noun
1. bijeenkomst waarbij alle betrokkenen aanwezig kunnen zijn
Plenartagung
noun
1. vergadering waarbij alle betrokkenen aanwezig kunnen zijn
Plenarsitzung
noun
1. vergadering waaraan alle leden deelnemen
Plenum
Vollversammlung
/
plejoˈnɑsmə/
noun
1.
Pleonasmus
verb
1. plat maken
zerdrücken
zerquetschen
noun
1. machine die wegen effent
Straßenwalze
Walze
noun
1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen
Pflicht
noun
1. op zeegaande vrachtschepen aangebracht merkteken
Freibordmarke
Plimsoll-Marke
verb
1. het aanbrengen van fijne plooien in een gesteven stof
plissieren
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Plochingen
noun
- 2. groep personen
Mannschaft
Team
Gruppe
- 1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
Pflug
- 3. ploegendienst
Schicht
verb
2. land met de ploeg bewerken
pflügen
noun
1. snijdend deel van ploeg
Pflugschar
verb
1. iets in losse vouwen opstapelen
falten
/
ploˈsif/
noun
1. medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie...
Plosiv
adjective
1. snel en onverwacht
plötzlich
adjective
2. het deugt er, in orde, naar behoren
sicher
noun
1. vlok droge, lichte stof met een open structuur
Flocke
/
plɵk/
noun
1. uitgetrokken bundeltje
Büschel
/
'plɵkə(n)/
verb
- 1. (bloemen) afbreken of oogsten
- 4. (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
pflücken
- 2. ontdoen van de veren
rupfen
- 3. iemand geld afzetten
rupfen
schröpfen
verb
1. met geweld zich roerende goederen toeëigenen uit de woning van iemand anders
plündern
noun
1. Chemisch element
Plutonium
/
ˌplyvioˈɣraf/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag meet
Pluviograph
/
ˈplyvioˌmetər/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag meet
Niederschlagsmesser
noun
1. longontsteking
Lungenentzündung
/
po/
pronoun
1. stroom in Italië
Po
noun
1. een pot, meestal uit kunststof of eertijds geëmailleerd ijzer, waar men zijn behoefte in kan doen
Nachtgeschirr
Nachttopf
noun
1. digitale radio-uitzending waarbij een audiobestand op internet wordt gezet...
Podcast
noun
1. Frans krulharig hondenras
Pudel
noun
1. platte doos voor cosmetisch poeder
Puderdose
/
pudərsnew/
noun
1. fijne sneeuw
Pulverschnee
noun
1. zeer fijn gemalen suiker
Puderzucker
Staubzucker
noun
1. een vrij klein stilstaand water
Pfuhl
Tümpel
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis concolor
Puma
noun
1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
Kot
/
ˈpurɪm/
noun
1. feest waarbij de Joden vieren dat ze niet meer door vijanden als Haman worden bedreigd
Purim
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
Katze
noun
1. sociaal-economische en politieke praktijk in Rusland in het begin van de 21 eeuw
Putinismus
/
ˈputsə(n)/
verb
1. door middel van wrijven zaken schoner maken
putzen
verb
1. in eigen vocht gaar laten worden
rösten
/
ˈpoɣə(n)/, /
ˈpoχə(n)/
verb
1. iets met succes trachten te volbrengen, waarvan men niet weet of het gaat lukken
trachten
noun
1. staande jachthond
Pointer
noun
2. epidemische huidziekte
Pocken
adjective
1.
polabischsprachig
pronoun
1. Polaris
Polarstern
/
ˈpɔldəʀ/
noun
1. een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
Polder
Koog
/
ˈpolə(n)/, /
ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
Polen
/
ˈpo.lɪs/
noun
1. schriftelijke vastlegging van een overeenkomst
Police
Versicherungsschein
noun
1. iemand die zich beroepsmatig met politiek bezighoudt
Politiker
noun
- 1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
Polizei
- 2. een politieagent
Polizist
noun
1. een persoon die belast is met hulpverlening en met de handhaving van de openbare orde en veiligheid
Polizist
noun
1. iemand die in dienst is van de politie
Polizeibeamter
Polizist
noun
Polizeiwache
Polizeirevier
/
poliˈtik/
adjective
1. betreffende de politiek
politisch
/
poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
Politik
noun
1. iemand wiens taak het is de wet te handhaven en overtreders in de kraag te grijpen
Polizeibeamter
Polizist
noun
1. een spannend verhaal met een beschrijving van het werk van de politie
Kriminalroman
noun
- 1.(Nederland) een vrij vlakke, houten of kunststoffen lepel gebruikt voor het roeren van voedsel dat toebereid wordt
Kochlöffel
Holzkelle
Kelle
- 2.(België) een diepe, grote lepel met een lange steel gebruikt voor het opdienen van soepen, sauzen e.d.
Schöpflöffel
Kelle
noun
1. verontreiniging
Verschmutzung
noun
1. Chemisch element
Polonium
noun
anatomie: 1. gewricht
Handgelenk
noun
1. een uurwerk dat om de pols gedragen wordt
Armbanduhr
noun
2. thermoplastisch polymeer
Polycarbonate
noun
1. een polyamoreuze groep van personen die met elkaar verbonden zijn door hun overlappende romantische, seksuele of platonische relaties
Polykül
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
Polygon
Vieleck
noun
Polymethylmethacrylat
adjective
1. in meer dan een vorm binnen dezelfde groep voorkomend
polymorph
noun
thermoplastische kunststof, bereid door polymerisatie van propeen
Polypropylen
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
Polysemie
noun
1. godsdienst met meer dan één god
Polytheismus
noun
1. volgens een achterhaalde theorie, een toestand van water met abnormale eigenschappen
Polywasser
noun
1. en 2. (vrucht van de) boom Citrus maxima × Citrus ×paradisi
Pomelo
pronoun
1. historische regio in het zuiden van de Oostzee
Pommern
adjective
1.
pommerisch
pommersch
/
ˈpɔmpəlˌmus/, /
ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
- 1. bepaald soort tot tien meter hoge boom, Citrus maxima
Pampelmuse
- 2. een vrucht van deze boom
Pampelmuse
Pomelo
verb
1. vloeistof of gas met behulp van een pomp verplaatsen
pumpen
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
Kürbis
noun
1. een stuk gereedschap dat dient om de binnenzijde van de loop van een vuurwapen schoon te maken
Wischstock
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
Pfund
noun
1. instrument dat of machine die gaten slaat in papier, metalen platen e.d.
Stanze
verb
gaten in iets (vaak papier of metaal) maken door middel van een pons
lochen
punzen
stanzen
noun
kaart die tot de jaren 80 werd gebruikt voor het vastleggen van gegevens d.m.v. erin geponste gaatjes
Lochkarte
/
ˈpɔntis/
pronoun
1. een variant van het Grieks die vroeger vooral gesproken werd in de streek Pontus, en momenteel vooral in Griekenland.
Pontisch
noun
1. werkschuit met een vlak dek
Ponton
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
Pony
/
'poːjər/
noun
1. een man die prostituees tegen betaling beschermt en helpt.
Zuhälter
pimp
/
pok/
noun
- 2. versnellingshendel van een auto
Schaltknüppel
- 1. stang om het vuur op te porren
Schürhaken
/
pol/, /
poɫ/, /
po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
Pole
noun
A 1. uiteinde van een draaiingsas
Pol
noun
1. de begrenzing van het gebied waar 's zomer de middernachtszon gezien kan worden en 's winters de nacht een heel etmaal kan duren
Polarkreis
noun
1. hond uit een ras dat gefokt is in het Noordpoolgebied
Polarhund
/
poɫs/, /
poːls/, /
po̝ɫs/
adjective
1. gerelateerd aan Polen of het Pools
polnisch
/
poɫs/, /
poːls/, /
po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
Polnisch
polnisch
/
ˈpɔːɫshoxtə/
noun
1. de hoogte van de hemelpool
Polhöhe
noun
1. bepaald soort zoogdier, Alopex lagopus
Polarfuchs
noun
1. benaming voor zeevissen uit familie Triglidae
Knurrhahn
Seehahn
/
poːrt/
noun
1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
Tor
noun
1. holle nagel waarvan de rand omgebogen wordt door met een speciale tang (de popnageltang) te trekken aan een stift die dan afbreekt
Blindniet
noun
1. een tang waarmee de zogenaamde pop- of blindklinknagels kunnen worden vastgeklemd
Blindnietzange
noun
1. gezicht met weinig uitdrukking of karakter
Puppengesicht
noun
- 2. popperig huisje
Puppenhaus
- 1. een in het klein uitgevoerde versie
Puppenstube
Puppenhaus
noun
1. kunstenaar achter poppenspel
Puppenspieler
noun
1. het populair zijn van iemand of iets
Popularität
noun
1. politieke stroming die vindt dat een maatschappelijke elite de belangen van het volk verwaarloost...
Populismus
/
pɔrsəlɛːn/, /
pɔrsəˈlɛɪn/
noun
- 1. fijn, geglazuurd aardewerk
- 2. voorwerpen van fijn, geglazuurd aardewerk
Porzellan
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Porta Westfalica
noun
1,2 portaal (entree)
Portal
noun
1. portaalkraan
Portalkran
noun
Kofferwort
Schachtelwort
noun
platte houder voor geld, kredietkaarten, naamkaartjes en dergelijke
Portemonnaie
noun
- 1. geldbuidel
Portemonnaie
- 2. (uitdrukking) pijn in de portemonnee hebben
einen Igel in der Tasche haben
noun
1. een deel van een voorraad toebedeeld aan een bepaald persoon
Portion
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
Porträt
Bildnis
noun
1. fotografie met het menselijk gelaat als onderwerp
Porträtfotografie
/
'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
Portugal
/
ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /
ˌpɔr.ty.ˈχes/
adjective
1. verwijzend naar Portugal of naar de Portugese taal
portugiesisch
Portugiesisch
/
ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /
ˌpɔr.ty.ˈχes/
noun
1. inwoner van Portugal
Portugiese
Portugiesisch
/
ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /
ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
Portugiesisch
portugiesisch
/
pɔr.ty.ˈɣe.sə/, /
ˌpɔr.ty.ˈχe.sə/
noun
1. vrouw
Portugiesin
noun
1. bepaald soort vis, Gymnocephalus cernuus
Kaulbarsch
/
po'zisi/
noun
- 7. de ligging van de hand
Lage
Stellung
- 5. een vaste betrekking
Position
- 1. een stand van het lichaam
- 2. een innerlijke houding
- 3. een plaats van waaruit men iets onderneemt
- 6. een maatschappelijke stand
- 8. een opstelling van troepen en materieel
Position
Stellung
- 4. een toestand waarin iemand zich bevindt
Situation
Stellung
/
pɔs/, /
pɔst/
noun
1. toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
Post
noun
1. postbeambte
Postbote
Briefträger
Zusteller
noun
1. een afgerichte duif die berichten kan overbrengen
Brieftaube
noun
1. bepaalde soort eenjarige groene plant, Portulaca oleracea
Portulak
/
ˈpɔstə(n)/
verb
- 2. op wacht staan
die Wache halten
- 1. op de post doen
in den Briefkasten stecken
zur Post bringen
noun
1. het later komen, het tegenovergestelde van prioriteit
Nachrangigsein
Posteriorität
noun
1. koerier die de post vervoerde
Postillion
Postkutscher
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
Postamt
/
pɔstˈlydijʊm/
noun
1. een muzikale afsluiting van een theaterstuk, opera, ballet etc.
Nachspiel
Postludium
adjective
1. na een letsel
posttraumatisch
noun
1. de vorm van een rechtopstaande mens
Figur
Gestalt
estatura
formes
/
ˈpɔ(st)sɑk/
noun
1. zak om poststukken in te verzamelen en te vervoeren
Postsack
/
ˈpɔseɣəl/, /
ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
Briefmarke
Postwertzeichen
verb
1. ondiep in de aarde stoppen, met name van bollen, wortels, zaden e.d. om deze te laten groeien
pflanzen
noun
1. regelbare weerstand
Potentiometer
noun
3. afgerond spel
Partie
game
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
Bleistift
Stift
noun
1. man die ongevraagd zijn ontblote penis aan voorbijgangers laat zien
Brieföffner
Mädchenschreck
Schleuderer
Schlitzöffner
noun
1. regelbare weerstand
Poti
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
Pottwal
adjective
1. teleurstellend klein of gering
dürftig
/
po.ˈwe.tɪs/, /
po.ˈβ̞e.tis/
adjective
1. uit de poëzie, gelijkend op poëzie
dichterisch
poetisch
noun
1. in ritme, maat en klank verwoorden
Poesie
/
prax/, /
praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Prag
noun
- 1. een kleine schuit met platte bodem
Frachtkahn
Lastkahn
- 2. een hulpmiddel in de vorm van een stuk hout en een lus die om de bovenlip aangebracht wordt om een paard rustig te houden
Nasenbremse
/
ˈpraːt.jəs.ˌma.kər/
noun
1. vlotte prater
Redner
noun
1. Utetheisa pulchella
Harlekinbär
noun
1. Cynomys, een eekhoornachtig zoogdier uit Noord-Amerika dat een scherp blaffend geluid maakt
Präriehund
/
ˈprɑkə(n)/
verb
1. eten fijndrukken
zerstampfen
zermatschen
/
prɑkˈtɛɪ̯k/, /
prɑkˈtɛːk/
noun
- 4. gewoonte(n), manier van doen
Praktik
- 2. hoe dingen werkelijk gaan...
Praxis
adjective
1. op een manier die ook echt uitgevoerd kan worden
praktisch
noun
- 1. elk van de borsten van een zogende vrouw
Brust
- 3. de uier van een zoogdier
Euter
- 2. de vrouwenborst in het algemeen
weibliche Brust
/
ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
Praseodym
/
ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
sprechen
/
prɑu/
noun
1. een soort kano
Piroge
/
ˈpreborejal/
noun
Präboreal
/
presəˈdɛnt/
noun
- 2. bestaande jurisprudentie die dient ter beslechting van een vergelijkbaar geschil
Präjudiz
- 1. eerder plaatsgevonden hebbend geval
Präzedens
noun
3. (grammaticaal) gezegde
Prädikat
noun
Prädikatsadjektiv
adjektivisches Prädikativum
noun
Prädikatsnomen
substantivisches Prädikativum
/
ˌpredikaˈtif/
adjective
prädikativ
verb
1.de leer van een geloof verkondigen
predigen
verb
1. de voorkeur geven
vorziehen
bevorzugen
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
Vorsilbe
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
Lauch
Porree
verb
1. een preek houden
predigen
noun
1. een muzikale introductie tot een muziekstuk
Vorspiel
Prélude
noun
1. een fantasiestuk of een muzikale introductie tot een muziekstuk
Präludium
Vorspiel
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
Premierminister
Bundeskanzler
Bundeskanzlerin
Premier
noun
1. de eerste vaak feestelijke vertoning van een film, toneelstuk of een andere vorm van entertainment
Premiere
noun
1.briefkaart waarbij aan één kant een foto of tekening staat en aan de andere zijde tekst en adres geschreven kunnen worden
Ansichtskarte
noun
1. voorhuid van penis
Vorhaut
adjective
1. aanwezig
anwesend
/
ˌpresɛnˈtatsi/
noun
1. het presenteren van iets
Vorstellung
verb
1. op een goed voorbereide wijze aanbieden aan anderen
präsentieren
anbieten
adjective
1. voorbehoedmiddel
Kondom
Präservativ
noun
1. het staatshoofd van een republiek
Präsident
noun
1. de verkiezing van een president
Präsidentenwahl
noun
1. vaak fraai gevormd, zwaar voorwerp dat men boven op een stapel losse papieren kan leggen zodat de papieren niet kunnen wegwaaien
Briefbeschwerer
verb
1. dwingen tot grote spoed
pressieren
noun
Leistung
Errungenschaft
Durchführung
Tat
verb
1. een overtuigende sociale bijdrage leveren
leisten
/
ˌpresiˈnɑptis/
adjective
1. voor de synaps, d.i. de spleet tussen twee zenuwcellen, liggend
präsynaptisch
/
prøts/
adjective
1. zeer ingetogen, overdreven kuis
prüde
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
Priapismus
verb
1. met een priem bewerken
stechen
noun
1. priemgetal
Primzahl
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
Priester
Pastor
noun
1. een vrouw die de taak heeft religieuze rituelen te verzorgen
Priesterin
/
ˈprɛikə(n)/
verb
1. opvallend zichtbaar zijn
prangen
noun
- 1. de gevraagde geldsom bij verkoop
- 2. een uitzonderlijke beloning, bijvoorbeeld voor een bepaalde prestatie
Preis
/
ˈprɛis.xevə(n)/
verb
2. iets als verloren moeten beschouwen
preisgeben
noun
Impuls
Anstoß
Stimulanz
noun
1. materiaal bestaande uit een dubbele, in elkaar gedraaide metalen draad...
Stacheldraht
/
ˈprɪkələn/
verb
- 5. (seksueel) opwinden
erregen
reizen
- 3. ergeren
- 2. aanzetten, aansporen
reizen
- 4. (medisch) irriteren
reizen
prickeln
- 1. (herhaaldelijk) prikken
stacheln
noun
- 2. kerkelijke titel
Primas
- 1. benaming voor zoogdieren uit de orde Primates
Primat
/
'primyla/
noun
1.
Primel
Schlüsselblume
noun
- 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
- 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
Prinz
Fürst
noun
- 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
- 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
Prinzessin
/
ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
Drucker
noun
1. (elektrotechniek) plaat waarop elektronische bedrading aanwezig is, aangebracht met frees- of etstechnieken
Leiterplatte
/
pri'vatrɛxt/
noun
1. vakgebied van het recht m.b.t. de onderlinge verhoudingen tussen private personen, maar ook hun privébelangen
Privatrecht
verb
1. omvormen van staatsbedrijven, overheidsdiensten tot particuliere, private bedrijven
privatisieren
verb
1. voorrechten schenken aan iemand
privilegieren
adjective
1. voor persoonlijk gebruik gereserveerd
privat
noun
1. de tijd die besteed wordt aan persoonlijke bezigheden
Privatleben
/
proˈberə(n)/
verb
- 2. onderzoeken
probieren
untersuchen
- 1. testen
testen
ausprobieren
- 3. iets met succes trachten te beëindigen waarvan men niet weet of het gaat lukken
versuchen
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
Problem
adjective
1. met problemen behept
problematisch
Problematik
noun
1. het geheel van problemen en bijzonderheden rond een vraagstuk
Problematik
adjective
1. een probleem vormend
problematisch
/
prosəˈdyrə/, /proseˈdyrə/
noun
- 1.
- 4.
Prozedur
/
pro'sɛnt/
noun
1. een honderdste deel
percent
adjective
1. in procenten (als percentage) uitgedrukt
prozentual
/
proˈsɛs/
noun
- 2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
Prozess
- 1. het voeren van een gerechtszaak
Prozeß
Rechtssache
abbreviation
- 2. bekeuring
Anzeige
- 1. de akte waarmee een overheidsambtenaar verslag uitbrengt over wat hij in de uitoefening van zijn functies heeft verricht
Protokoll
/
proˈsɛˌsi/
noun
Prozession
/
prosɛsirʏps/
noun
1. larve van een processievlinder, Thaumetopoeinae
Prozessionsraupe
noun
1. wegvallen van een of meer klanken aan het begin van een woord
Aphärese
Aphäresis
noun
4. het hoofd van het Parket bij de Nederlandse Hoge Raad
Generalstaatsanwalt
verb
1. bij voortduring vervaardigen
herstellen
produzieren
noun
1. het resultaat van een bewerking
Produkt
noun
1. voortbrenging
Produktion
noun
- 2. experiment
- 4. monster
Probe
noun
1. een dier waarop proeven gedaan worden
Versuchstier
noun
- 2. proefpersoon
- 1. konijn waarop er geëxperimenteerd wordt
Versuchskaninchen
noun
1. een les waarin men kan ondervinden of een cursus of opleiding geschikt is voor de leerling
Probestunde
verb
- 1. onderzoeken hoe iets smaakt
kosten
probieren
- 2. smaak waarnemen
schmecken
noun
1. een persoon die boodschappen van een godheid aan de mensen doorgeeft
Prophet
noun
1. een persoon, die beroepsmatig werkzaam is
professionell
/
proˈfɛsɔr/
noun
1. de aanspreektitel voor een hoogleraar
Professor
noun
1. een applicatie voor de computer
Programm
verb
1. het schrijven van computerporgramma
programmieren
/
proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
Projekt
noun
toestel om een afbeelding op een scherm te projecteren
Projektor
noun
Proletarier
Proletarierin
noun
- 1. inleidende rede van een tekst
- 3. de inleiding tot een theaterstuk
- 2. een korte tijdrit die als openingsrit wordt verreden
Prolog
noun
1. verhandelbare schuldbekentenis
Eigenwechsel
Solawechsel
noun
1. een uitvaart waarbij het lijk tot stof wordt verpulverd door toepassing van vriesdrogen
Promession
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
Promethium
/
proˈmotə(n)/
verb
1. reclame maken voor
aufbauen
/
proˈmotsi/
noun
- 2. bevordering naar een hogere speelklasse
Aufstieg
Aufsteigen
- 1. een verhoging in rang
Beförderung
noun
1. en 2. (peulvrucht van) Phaseolus coccineus
Feuerbohne
Käferbohne
Wollbohne
verb
1. vertoon maken met mooie dingen
prunken
noun
1. dat wat door een dier wordt buitgemaakt
Beute
/
prost/
interjection
1. heildronk
prost
zum Wohle
/
ˈprostə(n)/
verb
1. het glas heffen en een gelukwens uitbrengen
anstoßen
zuprosten
noun
1. samengepakte massa weefsel of papier, vaak gebruikt om iets af te stoppen
Propf
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
Propaganda
noun
- 1. voortplanting of uitbreiding
- 2.
Propagation
noun
1. CH₃CH₂COOH
Propionsäure
adjective
1. evenredig
proportional
noun
1.een klier tussen de blaas en de penis van de man
Prostata
verb
1. iemand dwingen tot het aanbieden van seksuele diensten
prostituieren
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
Prostitution
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
Protactinium
noun
1. christen die is aangesloten bij het protestantisme, een van de kerkgenootschappen ontstaan door afsplitsing van de Rooms-Katholieke Kerk in de zestiende eeuw
Protestant
/
ˌpro.tə.ˈstɑnts/
adjective
1. gerelateerd aan het protestantisme
protestantisch
evangelisch
verb
1. grote bezwaren uiten
protestieren
noun
1. voorvoeging van beginklank
Prothese
pronoun
1. hypothetische, gereconstrueerde taal waar vele Europese talen, waaronder het Nederlands en het Frans, van afstammen
Urindogermanisch
noun
4. geheel van voorschriften en afspraken in de internationale diplomatieke omgang
Protokoll
adjective
1. in, van of betrekking hebbend op de gereconstrueerde taal die vroeger door de Germanen werd gesproken
urgermanisch
protogermanisch
pronoun
1. reconstructie van de taal zoals die vroeger door de Germanen werd gesproken
Protogermanisch
Urgermanisch
noun
1. oorspronkelijk model, eerste model van een product
Prototyp
/
pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
Provinz
noun
1. een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordt
Perücke
noun
2. vrucht van de pruimenboom
Pflaume
noun
Trockenpflaumen
Dörrpflaumen
/
ˈprœy̯mə(n)/
verb
1. tabak kauwen
priemen
noun
Pflaumenbaum
Zwetschenbaum
noun
1. kerftabak die geschikt is om gepruimd te worden (om op te kauwen)
Kautabak
noun
1. een variant van de kleur blauw met een groenachtige ondertoon
preußischblau
/
psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
Psalm
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
Psalmen
noun
onechte programmeertaal
Pseudocode
/
psœydoˈnim/
noun
1. een aangenomen naam waaronder men iets publiceert
Pseudonym
noun
1. schubziekte met overmatige vette schilfers van de huid
Schuppenflechte
Psoriasis
/
ˌpsɪxeˈdelɪs/
adjective
1. de werking van het bewustzijn verruimend
psychedelisch
bewusstseinserweiternd
adjective
1. met betrekking tot de behandeling van geestelijke stoornissen
psychiatrisch
adjective
1. geestelijk
psychisch
seelisch
noun
1. stroming in de psychologie
Psychoanalyse
/
psixoloˈɣi/, /
psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
Psychologie
adjective
1. met betrekking tot het gevoelsleven.
psychologisch
/
ˌpsi.χo.ˈloχ/, /
ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
Psychologe
noun
1. de bewuste, vanuit de hersenen gestuurde beweging
Psychomotorik
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
Psychopath
adjective
1. betrekking hebbend op de psychopathologie
psychopathologisch
/
psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
Psychose
/
ˌpsiχoso'ʃal/
adjective
1. Het zielenleven betreffend voor zover dit door sociale factoren beïnvloed wordt
psychosozial
noun
1. stroming in de psychologie
Psychotherapie
noun
psychisch trauma dat wordt opgelopen na het meemaken van een afschuwelijke gebeurtenis
Psychotrauma
noun
1. het proces van seksuele rijping van kind naar volwassene en het gedrag dat daar bij hoort
Pubertät
verb
1. bekend maken aan een doorgaans groot publiek via een bepaald medium
publizieren
/
pyˈblik/
adjective
2. wat het publiek aangaat
öffentlich
Öffentlichkeit
/
pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
Publikum
noun
1. harde rubberen schijf gebruikt bij ijshockey
Puck
noun
1. nagerecht, vaak zoet, koud en op basis van melk
Pudding
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Puerto Rico
/
pœʏ̯n/, /
pœːn/
noun
1. een massa vergruizelde steen
Schutt
Trümmerschutt
/
pœyn(h)op/
noun
- 2. een bende
Durcheinander
- 1. een hoop puin, meestal door de verwoesting van bouwwerken
Schutthaufen
Trümmerhaufen
adjective
1. met puisten bezet
pickelig
pustulös
noun
1. gewoonlijk aardewerken kroes voor bier met een deksel
Krug
/
pʌlovər/
noun
1. gebreide herentrui met mouwen die over een overhemd gedragen wordt
Pullover
noun
1. een klopping
Pulsation
noun
1. een damesschoen zonder sluiting en met hoge hak
Pumps
pronoun
1. taal die in de Punjab, zowel in India als in Pakistan gesproken wordt
Pandschabi
noun
1. een positie in de ruimte
Punkt
Spitze
noun
1. taps toelopende houder met een mesje dat bedoeld is voor het aanslijpen van een verse punt aan een potlood
Anspitzer
noun
1. een leesteken dat twee nauw aan elkaar gerelateerde zinnen tot een geheel verbindt (;)
Semikolon
noun
- 1. onder voogdij staand kind
Mündel
- 2. leerling
Schüler
- 1. oogappel
Pupille
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
Welpe
Hündchen
noun
1. chocolade van zuivere cacaopasta plus suiker
Bitterschokolade
noun
gerecht van fijngestampte of gezeefde aardappelen, tomaten, vruchten, groenten enz
Püree
noun
1. streven naar puurheid
Purismus
adjective
Purpurrot
purpurrot
adjective
Purpurviolett
purpurviolett
/
pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
Brunnen
noun
2. distelvink
Stieglitz
noun
1. puttingijzer
Rüsteisen
/
pyzəl/, /
pʏzɔl/
noun
1. een raadsel of moeilijke opgave die men als tijdverdrijf probeert op te lossen
Puzzle
noun
acroniem van polyvinylchloride
Polyvinylchlorid
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
Schlafanzug
Pyjama
noun
1. een oranje verkeerskegel, gebruikt bij wegwerkzaamheden
Leitkegel
Verkehrsleitkegel
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Pyrenäen
noun
1. onweerstaanbare drang om brand te stichten
Pyromanie
/
piˈrozɪs/
noun
1. een brandend gevoel ten gevolge van oprisping van maagzuur
Pyrosis
Sodbrennen
noun
1. een niet-giftige en grote wurgslang
Python
Pythonschlange
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk
Pöchlarn
/
kɑt/
noun
1. blad van een bedektzadige plant Catha edulis
Kathstrauch
abessinischer Tee
/
ka'tar/, /
ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
Katar
/
kʋa/
preposition
1. wat betreft
was betrifft
noun
1. vierkanaals stereofonie
Quadrophonie
noun
1. een met vier paarden bespannen tweewielige wagen van de oude Grieken en Romeinen
Quadriga
noun
- 1. een Franse contradans uit de 18e eeuw
- 1. een omberspel met vier spelers
Quadrille
verb
1. een quadrille dansen
eine Quadrille tanzen
adjective
1. viervoudig
vierfach
noun
1. volgeling van een religieuze beweging gekend onder de naam Genootschap der Vrienden
Quäker
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
Quant
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
Quarantäne
/
kwɑtʃ/, /
kʋɑtsʲ/
noun
1. onzin
Quatsch
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen-Anhalt
Querfurt
noun
1. iemand die voortdurend klaagt over onrecht dat hem zou zijn aangedaan
Querulant
/
kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
Quinoa
pronoun
3. spelwoord voor de letter q
Quelle
noun
1. spel waarbij de deelnemers vragen moeten proberen te beantwoorden
Quiz
noun
- 2. spelwoord voor de letter q
Quelle
- 1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
Quotient
interjection
1. horizontaal draaibare boom aan mast
Rah
/
rat/, /
raːd/
noun
Goede raad is duur.
Da ist guter Rat teuer.
Guter Rat ist teuer.
pronoun
Rat der Europäischen Union
verb
1. een bron van informatie of ervaring aanspeken
konsultieren
zu Rate ziehen
noun
1. iets waarnaar men moet raden
Rätsel
/
ratsəlɑxtəx/
adjective
1. onbegrijpelijk door dubbelzinnige of verborgen informatie
rätselhaft
noun
- 3. lid van gerechtshof, Hoge Raad
Gerichtsrat
Mittglied des Obersten Gerichtshofes
- 4. raadsheer
Läufer
noun
1. een lid van een gemeenteraad
Ratsmitglied
Gemeinderatsmitglied
Stadtverordnete
/
raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
Rabe
Kolkrabe
noun
- 1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
Fenster
- 2. lijst, kader
Rahmen
noun
1. een richtinggevoelige antenne van enkele spoelwindingen
Rahmenantenne
adjective
1. afwijkend van gewoonlijk, verbazing opwekkend
skurril
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
Rhabarber
noun
1. vocht uit de stengels van Rheum rhabarbarum
Rhabarbersaft
noun
1. wedstrijd waarbij het erom gaat een bepaald traject of parcours zo snel mogelijk af te leggen
Wettlauf
noun
1. een baan om snelheidswedstrijden op te houden
Rennbahn
noun
1. (sport) iemand die aan een race deelneemt
Renner
noun
1. wielvormig voorwerp dat kracht overbrengt binnen een machine of op het water
Rad
noun
1. radarantenne
Radarantenne
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Radeberg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Radebeul
verb
1. een gissing maken naar iets
raten
noun
1.een scheepstype dat wordt voortbewogen door schoepenraderen
Raddampfer
noun
1. een scheepstype dat wordt voortbewogen door schoepenraderen
Raddampfer
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Radevormwald
adjective
2. straalsgewijs
radial
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
Radiant
noun
1. een toestel dat door straling warmte afgeeft, ofwel ter verwarming van een ruimte, ofwel ter koeling van bijvoorbeeld een motor
Heizkörper
Kühler
Radiator
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
Radieschen
Rettich
/
ˈradijo/
noun
- 1. toestel
- 2. medium
Radio
Rundfunkgerät
noun
1. radio-omroep
Hörfunk
noun
Radiobiologie
Strahlenbiologie
/
ˌradioˈlaria/
noun
1. taxonomische groep van in zee levende eencelligen, Radiolaria
Radiolarien
Strahlentierchen
noun
1. het medisch specialisme...
Radiologie
Röntgenologie
noun
1. hoge ondersteuningsconstructie voor radiozendantennes
Funkturm
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
Radium
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
Radon
/
'ra.fəl/
noun
1. een losgeraakte draad van een weefsel
Franse
/
ˈrafələ(n)/
verb
1. van een geweven stof of touw dat deze vanaf de rand of uiteinde uit elkaar valt
ausfransen
noun
het raffineren
Raffination
noun
- 2. een baan waar een railvoertuig over rijdt
Bahn
Eisenbahn
- 4. een metalen richel waarover een gordijn dat aan wieltjes hangt, kan rollen
Gardinenstange
- 1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
Schiene
verb
- 2. emoties opwekken
berühren
- 1. een klap, schot of stoot toebrengen
treffen
berühren
- 1. in een bepaalde toestand of situatie komen
geraten
- 2. maakt een ergatieve constructie met een bijvoeglijk naamwoord of voltooid deelwoord
werden
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
Rakete
noun
Rauke
Arugula
Raukelkohl
Senfkohl
noun
1. tint van een kleur zoals gedefinieerd door een Duitse organisatie voor handelsnormen
RAL-Farbe
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
Widder
noun
1. mannelijk schaap
Widder
Schafbock
noun
1. Spectroscopische analysemethode
Raman-Spektroskopie
/
ˈramə(n)/
verb
1. inschatten, vaak middels berekening
schätzen
noun
1. mannetje van een dier uit de familie der Haasachtigen
Bock
Rammler
noun
1. gammel voertuig op wielen
Blechkiste
Klapperkiste
Schrottkarre
noun
1. een gammel voertuig
Blechkiste
Klapperkiste
Schrottkarre
verb
- 1. een botsing op een vijandelijk schip veroorzaken
- 2. met een zwaar voorwerp een poort of deur inslaan
rammen
noun
1. een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
Katastrophe
adjective
1. op een ramp uitdraaiend
katastrophal
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Ramstein-Miesenbach
/
rɑnt/
abbreviation
1. een munteenheid in Zuid-Afrika
Rand
/
rɑnt/
noun
- 3. de buitenkant van een gebied of een ding
Kante
Rand
- 1. de bovenkant van een bak of vat
Rand
Kante
- 2. het extern gedeelte van de stad, beschouwd als zijnde onder invloed van het centrum
Randgebiet
Randzone
Stadtrand
pronoun
1. ringvormige groep steden in het westen van Nederland, met als belangrijkste centra Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag
Randstad
verb
1. een bepaalde volgorde in iets aanbrengen
ordnen
noun
1. een telwoord dat een rangorde of volgorde aanduidt
Ordinalzahl
Ordnungszahl
pronoun
1. een gemeente in de Oostenrijkse deelstaat Vorarlberg
Rankweil
verb
1. iemand met een stok of karwats een pak slaag geven
prügeln
adjective
1. snel, vlug
rasch
verb
- 1. met de hand oppakken
aufheben
aufnehmen
- 2. verzamelen
sammeln
noun
2. schriftelijk bericht over de voortgang op school
Zeugnis
verb
1. het uitbrengen van een verslag of rapport
berichten
melden
adjective
- 2. een bepaalde (stereo)type vertegenwoordigend
Vollblut-
- 1. zuiver van ras, (bij uitbreiding) met dezelfde afkomst, streek of overtuiging als de ouders en grootouders
Vollblut-
reinrassig
vollblütig
noun
1. hond die voldoet aan de kenmerken van een bepaald hondenras
Rassehund
noun
1. een grofgetande vijl die wordt gebruikt om rondingen aan hout te maken
Reibe
verb
1. met een rasp afvijlen en fijnmaken
reiben
/
ˈrɑstərelɛkˌtronəmikroˌskop/
noun
1. een type elektronenmicroscoop waarmee men direct oppervlaktestructuren goed kan afbeelden.
Rasterelektronenmikroskop
noun
1. vijfpuntige tekenpen
Rastral
/
rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
Ratte
noun
- 2. een mechaniek met kamrad en pal, dat een asdraaiing slechts in één richting toelaat
Knarre
Gesperre
- 1. een eenvoudige muziek- en signaalinstrument dat geluid geeft doordat bij het rondslingeren een tandrad een latje repeterend weggedrukt en laat terugvallen
Ratsche
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
Klapperschlange
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Ratingen
noun
1. een stevige ijzeren ring aan de wal waaraan de meertouwen van schepen worden vastgelegd
Rattenblech
Rattenteller
noun
1. schade, verwoesting
Schaden
Verwüstung
pronoun
1. en 2.
Ravensburg
noun
1. een diepe, steile insnijding in een terrein
Schlucht
noun
1. kleine vierkante deegplakjes die gevuld zijn met gehakt, tomaten en kruiden, overgoten met bijpassende saus
Ravioli
noun
1. een op zijde gelijkende kunstvezel
Bezirk
verb
1. heel snel rijden
rasen
adjective
- 1. bijzonder heftig
frenetisch
rasend
- 2. bijzonder boos
rasend
wütend
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
Reaktion
noun
1. een turbine die draait als gevolg van de reactiewerking
Reaktionsturbine
verb
1. op een nieuwe situatie actie ondernemen
reagieren
adjective
1. van iets dat het werkelijkheid kan worden
machbar
realisierbar
adverb
1. in werkelijkheid
realiter
noun
het reanimeren
Wiederbelebung
/
reani'merən/
verb
1. het kunstmatig overnemen van de ademhaling en de bloedsomloop, indien er sprake is van een circulatiestilstand
reanimieren
verb
- 1. rebellerend onvoltooid deelwoord van rebelleren, attributief gebruikt
- 2. rebellerend onvoltooid deelwoord van rebelleren, bijwoordelijk gebruikt
rebellierend
trotzig
widerspenstig
adjective
1. opstandig, balorig, geneigd tot verzet
aufständisch
rebellisch
noun
1. soort raadsel
Rebus
Bilderrätsel
adjective
1. onwillig, tegendraads
widerspenstig
verb
1. een beoordelend verslag schrijven, meestal van een culturele gebeurtenis
rezensieren
adverb
1. nog niet lang geleden
kürzlich
neulich
vor kurzem
noun
- 1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
Rezept
Kochrezept
- 2. doktersvoorschrift voor (de bereiding van) een geneesmiddel
Rezept
Verordnung
noun
1. bestanddeel dat gevoelig is voor prikkels
Rezeptor
noun
1. een instelling waar rechtgesproken wordt
Gericht
noun
1. een rechte lijn
Gerade (Linie)
noun
1. hoek van 90 graden
rechter Winkel
/
ˈrɛxtə ˈklɪɯɪŋ/
noun
1. lengtegraad op de hemelbol
Rektaszension
adjective
gerichtlich
richterlich
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
Menschenrechte
noun
1. student in de rechtsgeleerdheid
Jurastudent
/
ˈrɛxtər/
adjective
1. aan de tegenovergestelde zijde van het lichaam waar gewoonlijk het hart zit
rechts
/
ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
Richter
Richterin
noun
1. de hand aan de overzijde van waar zich in het lichaam gewoonlijk het hart bevindt
Rechte
noun
1. rechterhandregel
Rechtehandregel
/
'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
Rechteck
adjective
1. het in een rechte hoek staan van lijnen of vlakken
rechtwinklig
adjective
1. volgens het recht, de wet
rechtmäßig
adjective
1. tegenovergestelde van links
rechts
recht
adverb
1. onder een min of meer rechte hoek naar rechts van richting wijzigen
nach rechts
noun
1. feit of samenstelling van feiten waaraan het recht rechtsgevolgen verbindt
Rechtstatsache
juristische Tatsache
noun
1. het voeren van een gerechtszaak
Prozeß
Rechtssache
noun
1. kennis of studie van recht
Rechtswissenschaft
noun
1. doelgerichte wilsuiting die rechtsgevolgen heeft
Rechtshandlung
/
ˈrɛxtsɔm/
adverb
1. in een rondgaande beweging met de klok mee
rechtsdrehend
/
ɾɛχts.pɛɾ.soːn/
noun
1. groepering van goederen of natuurlijke personen die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
juristische Person
/
ˈrɛɣtspoːˌsitsi/
noun
1. het geheel van iemands rechten en plichten
Rechtslage
noun
1. het proces waarin door een rechter een oordeel wordt gevormd over een rechtszaak
Rechtsprechung
noun
1. staat waarvan de macht gereguleerd en beperkt wordt door het geldende recht
Rechtsstaat
noun
1. drager van subjectieve rechten en plichten
Rechtssubjekt
/
rɛx'streks/
adjective
1. zonder omwegen
direkt
/
rɛx'streks/
adverb
1. zonder omwegen
geradewegs
/
rɛx(t)sak/
noun
1. het voeren van een rechtsgeding
Prozeß
Rechtssache
noun
1. de ruimte waar een rechtszitting gehouden wordt
Gerichtssaal
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
gerecht
verb
1. onderbouwen volgens bepaalde ethische beginselen
rechtfertigen
noun
1. de overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
Gerechtigkeit
verb
2. corrigeren
berichtigen
adjective
orthodox
strenggläubig
noun
- 1. (juridisch) herhaling van een misdrijf, het opnieuw vervallen in dezelfde zonde
- 2. (medisch) het zich opnieuw vertonen van een reeds doorstane en schijnbaar genezen ziekte
Rückfall
adjective
1. een dimensie bezittend die de omgekeerde is van een andere dimensie
entgegengesetzt
reziprok
umgekehrt
adjective
1. een dimensie bezittend die de omgekeerde is van een andere dimensie
reziprok
entgegengesetzt
umgekehrt
noun
- 3. beklag
Reklamation
- 1,2 informatie over, en aanprijzing van diensten, producten en ideeën
Reklame
Werbung
- reclame maken voor
werben
verb
1. geld terugvragen
reklamieren
verb
1.
resozialisieren
integrieren
reintegrieren
adjective
1. een aanbeveling verdienend
empfehlenswert
verb
1. weder opbouwen
rekonstruieren
/
rəˈkɔːrɦɑʊ̯tstər/
noun
- 2. een vrouwlijk dier met het beste resultaat in een bepaalde categorie
Rekordhalterin
- 1. een vrouw die de beste prestatie heeft verricht in een sport
Rekordhalterin
Rekordinhaberin
noun
1. plaats waar mensen hun afval gescheiden kunnen inleveren voor verwerking en hergebruik
Recyclinghof
verb
1. na verbruik weer omzetten in iets bruikbaars
recyceln
wiederverwerten
noun
- 1. iemand die berichten verzamelt en bewerkt voor publicatie
Herausgeber
- 2. iemand die teksten corrigeert en klaarmaakt voor publicatie
Redakteur
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
retten
noun
1. iemand die iemand anders redt
Retter
noun
1. een speciaal gebouwde en uitgeruste boot om het schip in geval van nood veilig te kunnen verlaten.
Rettungsboot
noun
3. een ankerplaats buitengaats
Reede
adjective
- 1. wat op nuchtere wijze te beredeneren is
angemessen
adäquat
redlich
- 2. de eigenschap bezittend nuchter te redeneren
nüchtern
redlich
/
ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
Grund
/
ˌredəˈnɪːrɪŋ/
noun
1. het proces waarmee men van een aantal argumenten, premissen of axioma's tot een standpunt of conclusie komt
Argumentation
noun
1. eigenaar van een schip
Reeder
/
ˈrɛtstər/
noun
1. vrouwelijk persoon die een ander uit de nood helpt
Retterin
/
redypliˈkatsi/
noun
1. vorming van een nieuw woorden of zinsneden door geheel of gedeeltelijke herhalen van een deel daarvan
Reduplikation
noun
1. sierlijk slank hert, komt bijna in heel Europa voor
Reh
adjective
Rehbraun
rehbraun
noun
1. een opeenvolgende rij van gebeurtenissen
Reihe
noun
1. een glycoproteïne dat vooral een belangrijke rol speelt bij het sturen van de neuronale migratie...
Reelin
noun
1. een naar verhouding smalle maar lange strook materiaal die ergens van afgesneden of afgebroken is
Riegel
Streifen
noun
- 2. kont, billen
Arsch
Hintern
- 1. een (soms opengereten) spleet
Riefe
Riss
noun
1. een stemming over een wetsvoorstel, waarbij gestemd wordt door het volk zelf...
Referendum
verb
1. een beeld weerkaatsen
reflektieren
noun
1. voorwerp bestemd om geluid of elektromagnetische straling zoals licht terug te kaatsen
Reflektor
noun
1. overeenkomst tussen coalitiepartijen die bij de vorming van een coalitieregering gesloten wordt
Koalitionsvertrag
/
ˈreɣəɫ/
noun
- 3. een voorschrift, richtlijn, norm
Regel
- 1. een zin in een tekst
- 2. een vers in een gedicht
Zeile
adjective
1. aan een bepaalde regel gehoorzamend
regelmäßig
adverb
1. op gezette tijden
regelmäßig
noun
1.Het volgen van vaste regels
Regelmaßigkeit
noun
1. een apparaat of een verzameling apparatuur om het gedrag van een of ander systeem of proces te regelen
Regelkreis
/
reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
Regen
adjective
1. regelmatig regenend of neigend naar regen
regnerisch
/
ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
Regenbogen
noun
1. een trui voor de wereldkampioen wielrennen
Regenbogentrikot
noun
1. het gekleurde vlies in het oog waarin de pupil zich bevindt
Iris
Regenbogenhaut
noun
1. een tijdelijke periode van regen tengevolge van het overtrekken van een wolkenveld
Regenschauer
/
ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
regnen
noun
2. herstelgroei
Regeneration
noun
1. een waterdichte overjas die geschikt is voor regenachtig weer
Regenmantel
Regenjacke
noun
1. toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag in een bepaalde periode op een bepaalde plaats meet
Niederschlagsmesser
Regenmesser
noun
1. een verticale buis die aan een dakgoot is bevestigd en dient om het hemelwater dat op het dak valt, af te voeren
Fallrohr
noun
1. een paraplu
Regenschirm
/
'reɣəʋɔrm/
noun
1. benaming voor dieren uit de familie Lumbricidae
Regenwurm
noun
1. een bos in een klimaat met het hele jaar door neerslag
Regenwald
verb
1. het uitoefenen van de politieke macht...
regieren
/
re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /
rə.'ɣeː.rɪŋ/, /
rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
- 2. militaire regering
Junta
Militärjunta
Militärregierung
- 1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
Regierung
/
rəˈxerɪŋs.krisɪs/
noun
1. een politieke situatie met grotere problemen van de regering uit verschillende redenen
Regierungskrise
/
ˌreɣiˈsidə/
noun
1. een bewuste moord op een koning.
Königsmord
noun
1. bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
Regime
noun
1. geografisch gebied
Region
noun
1. regionaal taalgebruik binnen de landstaal
Regiolekt
adjective
1. op de streek betrekking hebbend
regional
noun
- 1. het cultiveren van streektradities
- 2. (politiek) het streven naar gewestelijke autonomie
Regionalismus
verb
1. vastleggen in een register
registrieren
noun
- 2. een dans/zangkoor
Chor
- 3. verkorte vorm van "reidans"
Reigen
Reigentanz
- 1. een groep personen of wezens
Reihe
noun
1. reidans
Reigen
Reigentanz
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
Reiher
adjective
1. zonder vuil
sauber
rein
klar
verb
1. zichtbare en onzichtbare vervuiling van een oppervlak verwijderen
reinigen
adjective
1. met een zuiver witte kleur
Reinweiß
reinweiß
/
rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
Reise
noun
- 2. iemand die reizigers begeleidt
Fremdenführer
Führer
Reiseführer
- 1. een document met informatie gericht op een toerist of reiziger
Reiseführer
verb
1. onderweg zijn
reisen
/
ˈrɛɪzəɣər/
noun
1. persoon op reis
Reisende
/
ˈre.kə.nə(n)/
verb
- 2. in rekening brengen
berechnen
- 1. getallen manipuleren
rechnen
pronoun
1. orgaan dat toezicht houdt op het financieel beheer van de Belgische overheid op nationaal en provinciaal niveau
Rechnungshof
noun
1. de optelsom van te betalen bedragen
Rechnung
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
Arithmetik
noun
1. apparaat dat rekenkundige berekeningen kan uitvoeren
Rechenmaschine
noun
1. een verzoekschrift waarmee men zich tot de rechter of een bestuursorgaan kan wenden om een bepaalde voorziening te krijgen
Bittschrift
Gesuch
noun
1. een verstoring van de openbare orde door een menigte, meestal gepaard gaand met geweld en politieoptreden
Aufruhr
Krawall
Aufstand
noun
- 3. iemand waarmee men zakelijke contacten onderhoudt
Beziehung
Kontakt
- 2. een persoonlijke, vaak amoureuze verhouding
Beziehung
Verhältnis
- 1. een min of meer vast verband
Beziehung
Zusammenhang
/
rəlaˈtif/
adverb
1. betrekkelijk
relativ
/
rəlɛksə(n)/
verb
1. de tijd nemen zich te ontspannen
relaxen
ausspannen
sich entspannen
/
rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
Religion
/
relɪˈɣɪøs/, /
relɪˈʝɪøs/
adjective
1. te maken hebbend met godsdienst of geloof
religiös
noun
1. een overblijfsel van het lichaam van een heilige of een voorwerp dat...
Reliquie
/
relɪŋ/
noun
1. een leuning boven de verschansing die een scheepsdek omgeeft
Reling
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
Bremse
noun
1. de afstand die een rijdend voertuig nodig heeft om tot stilstand te komen
Bremsweg
noun
1. achterblijvend magnetisme
Remanenz
/
rəˈmedi/, /reˈmedi/
noun
- 2. iets dat iets anders corrigeert of iets schadelijks wegwerkt
Gegenmittel
- 1. een medicijn of een op genezing gerichte behandeling
Heilmittel
noun
Bremslicht
Bremsleuchte
verb
1. snelheid doen verminderen
bremsen
noun
2. geremdheid, belemmering
Inhibition
/
rəmɔn'strɑnt/
noun
1. een Nederlandse calvinist die in de 17e eeuw volgeling van Arminius was
Remonstrant
noun
1. een Nederlandse calviniste die in de 17e eeuw volgeling van Arminius was
Remonstrantin
noun
1. remslaap
REM-Schlaf
/
ˈrɛm.spor/
noun
- 1. spoor van een rubberband
- 2.
Bremsspur
noun
1. de afstand die een rijdend voertuig nodig heeft om tot stilstand te komen
Bremsweg
/
rɛn/
verb
- 1. een kippenverblijf
Auslauf
- 2. een snelheidsproef op de weg of in het terrein
Rennen
adjective
1. als iets meer baten dan kosten heeft
lohnend
lukrativ
rentabel
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
Rentier
Ren
noun
1. Chemisch element
Rhenium
noun
- [B] 1. een snelheidsproef op de weg of in het terrein
Rennen
- [A] 1. zeer snel lopen
rennen
laufen
noun
1. (sport) een wielrenner
Rennfahrer
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Renningen
/
rənoˈverə(n)/
verb
1. opknappen, repareren, vernieuwen
renovieren
noun
1. paard dat gefokt is met het doel om aan paardenrennen deel te nemen
Rennpferd
noun
- 2. periodieke geldelijke opbrengst
Rente
- 1. op geregelde tijden te betalen geldbedrag voor het vruchtgebruik van een geleende som geld
Zins
noun
1. het reorganiseren
Reorganisation
verb
1. iets weer in werkende staat brengen
reparieren
noun
1. vlaskam
Riffel
Riffelkamm
verb
1. de zaadbol van het vlas scheiden
riffeln
/
re.pe.ˈteː.rə(n)/
verb
1. een toneel- of muziekstuk bij wijze van proef op- of uitvoeren
einstudieren
/
rɛp'til/
noun
1.
Reptil
Kriechtier
Wurm
/
repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
Republik
pronoun
Republik der Vereinigten Niederlande
noun
1. de manier waarop iemand bekend is
Ruf
Leumund
noun
1. mis opgedragen voor een overledene
Requiem
Totenmesse
Seelenmesse
adjective
Resedagrün
resedagrün
verb
1. vrijhouden
reservieren
/
resər'vʷar/
noun
1. plaats waar water of een andere vloeistof bewaard kan worden
Reservoir
/
ri'sɛtə(n)/
verb
zurücksetzen
noun
elektrischer Widerstand
noun
1. resonantiekring
Resonanzkreis
Schwingkreis
/
rɛsˈpɛkt/
noun
eerbied uit hoogachting of angst
Respekt
adjective
1. eerbiedwaardig
respektabel
noun
het restant — 1. wat is overgebleven
Überbleibsel
noun
1. (kunst) (beroep) iemand die kunstwerken restaureert
Restaurator
noun
2. het minitieus herstellen van een voorwerp van kunstzinnig of historisch belang
Restauration
Restaurant
/
rɛstɪːrə(n)/
verb
1. ~ van: ergens van overblijven
restieren
adjective
1. nog aanwezig zijn
restlich
noun
1. een opgelegde beperking
Restriktion
/
rezɵl'tat/
noun
1. een uitkomst
Ergebnis
noun
1. apensoort waarbij de resusfactor het eerst ontdekt werd
Rhesusaffe
noun
1.
Retentionsrecht
Zurückbehaltungsrecht
adjective
1. de gedaante van een netwerk hebbend
retikulär
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door 40.000 mensen in Zwitserland
Bündnerromanisch
Churwelsch
adjective
1.
rätoromanischsprachig
noun
3. vergoeding aan de grondeigenaar voor opstalrecht
Bauzins
Erbbauzins
noun
1. jachthond die het geschoten wild apporteert (naar de jager brengt)
Retriever
/
ˈre.tro.ˌflɛks/
noun
1. een medeklinkerklank die gevormd wordt door de tong om te buigen zodat het met de onderkant naar het verhemelte staat
Retroflex
retroflex
adjective
1. terugkijkend naar het verleden
rückblickend
retrospektiv
noun
1. overzicht van iemands oeuvre (waarin dus wordt teruggekeken)
Retrospektive
noun
1. een mannelijke hond
Rüde
noun
- 1. geur
Geruch
- 2. gewaarwording van geur via de neus
Riechen
noun
1. een vloeistof die bedoeld is om een aangename geur te verspreiden
Riechwasser
/
'rørɪŋ/
noun
1. drukte die de rust verstoort of de saaiheid verdrijft
Trubel
noun
1. een buitengewoon grote man
Riese
Hüne
adjective
- 2. in zeer hoge mate, enorm
enorm
gigantisch
kolossal
- 1. zeer groot
riesig
hünenhaft
stattlich
noun
1. verkregen door uitsmelting van varkensvet
Schmalz
noun
1. bepaald soort zoogdier, Pteronura brasiliensis
Riesenotter
noun
1. bepaald soort vaste plant, Equisetum telmateia
Riesen-Schachtelhalm
noun
1. een beer die leeft in de hooggelegen hellingen van berggebieden in centraal China
Großer Panda
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita maxima
Riesen-Kürbis
noun
1. kermisattractie
Riesenrad
noun
1. geheel van medische en sociale maatregelen, die ten doel hebben de validiteit van patiënten zover mogelijk te herstellen
Rehabilitation
/
ˈrevə(n)/
verb
1. het effectieve oppervlak verkleinen door samenvouwing of oprolling
reffen
/
revəˈrɑ̃s(ə)/
noun
Knicks
noun
- 4. politieke stroming die herziening van bepaalde verdragen over het afstaan van gebieden wil
Revanchismus
- 1-3. streven naar herziening (van het marxisme, de geschiedenis)
Revisionismus
noun
1. een handvuurwapen met een roterende trommel met kogels
Revolver
/
revɔlˈveːrə(n)/
verb
grondig onderzoeken
prüfen
studieren
noun
- 3. het weerzien van voormalige studenten, collega's, enz.
Klassentreffen
- 2. (verouderd) regelmatige bijeenkomst van personen
Treffen
- 1. (verouderd) hereniging
wiedervereinigung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Rheine
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Rheinstetten
pronoun
1. een rivier van 812 km lengte die ontspringt in Zwitserland, door Frankrijk naar het zuiden stroomt en uitmondt in de Middellandse Zee
Rhone
pronoun
1. een middelgebergte in het hart van Duitsland
Rhön
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
Rippe
noun
1. een van de platte, dunne, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
Rippe
/
ˈrɪbəl/
noun
smalle verhoging aan een voorwerp
Riffel
noun
1. het geraamte van de borst
Brustkorb
Brustkasten
pronoun
2. spelwoord voor de letter r
Richard
noun
1. een antenne met voorkeur voor één richting
Richtantenne
verb
- 2. zich ~ op: een bepaald doel nastreven
ausrichten
richten
- 1. op een bepaald doel afstemmen
richten
zielen
/
ˈrɪxtɪŋ/, /
ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
Richtung
noun
1. aanwijzing voor een te volgen gedrag
Richtlinie
Vorgabe
noun
bepaald soort snelgroeiende tropische boom, Ricinus communis
Wunderbaum
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
Ritter
noun
2. onderscheiding die door de koning wordt gegeven aan mensen die een uitzonderlijke prestatie hebben geleverd
Orden
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Riedlingen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Riedstadt
pronoun
1. een gemeente in de Zwitser kanton Basel-Stad
Davos
verb
1. een sterke geur of stank verspreiden
riechen
/
rim/
noun
- 1. een band van leer of een ander materiaal
Gürtel
- 2. steel met een bladvormig uiteinde, bedoeld om een vaartuig voort te bewegen
Ruder
/
rit/
noun
- 2. onderdeel muziekinstrument
Rohrblatt
Rohr
- 1. plantensoort
Schilf
Reet
/
ˈri.tə(n)/
adjective
1. gemaakt van riet
Rohr
Schilf
schilfen
adjective
Schilfgrün
schilfgrün
noun
1. rietinstrument
Rohrblattinstrument
noun
2. drinkbuisje
Trinkhalm
Strohhalm
noun
suiker, verkregen uit het sap van suikerriet
Rohrzucker
noun
1. een ondiepte in water, koraalbank, klip
Riff
noun
1.een antibioticum
Rifampicin
/
rɛɪ̯/, /
rɛː/
noun
- 1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
- 2. een opeenvolging van elementen
Reihe
noun
- 1. weggedeelte bestemd voor voertuigen
Fahrbahn
- 3. verharde strook van een vliegveld
Landebahn
Startbahn
/
ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /
ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /
ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
Führerschein
Fahrerlaubnis
/
ˈrɛɪ̯də(n)/, /
ˈrɛːdə(n)/
verb
- 1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
- 2. iemand met een voertuig ergens heen brengen
fahren
- 3. zich voortbewegen op een rijdier (bijv. een paard)
reiten
/
ˈrɛɪɣə(n)/
verb
1. met een naald een draad ergens doorvoeren
fädeln
/
rɛɪ̯k/, /
rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
reich
/
rɛɪ̯k/, /
rɛːk/
noun
1. een staat of natie onder een vorst of heerser
Reich
/
ˈrɛik.dɔm/
noun
1. het bezitten van veel geld en goud
Reichtum
adverb
1. overvloedig, niet nauw rekenend
reichlich
noun
1. fraai uitgevoerde bol met bovenop een kruis die symbolisch de wereld voorstelt
Reichsapfel
noun
1. (verkeer) (onderwijs) een onderdeel van een rijopleiding voor het behalen van een rijbewijs
Fahrstunde
noun
- 1. bevroren dauw
Raureif
- 1. gelijkheid van klank in een vers
Reim
/
rɛɪ̯n/, /
rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
Rhein
pronoun
1. provincie in het westen van Pruisen
Provinz Rheinland
Rheinpreußen
Rheinprovinz
Rhenish Prussia
noun
1. Duitse wijn uit de Rijnstreek
Rheinwein
adjective
1. geschikt voor de oogst
reif
noun
1. bevroren dauw
Raureif
noun
1. voor rijden geschikt paard
Reitpferd
/
rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
Reis
noun
1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
Reiskleie
verb
1. met een scheurende beweging uit elkaar trekken
reißen
noun
- 1. wagen die door een of meer paarden getrokken wordt
Kutsche
- 2. een van de wagens van trein of tram
Wagen
Waggon
Wagon
verb
1. bij elkaar halen, opruimen
harken
verb
overeind rijzen
aufgehen
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
Falte
Hautfalte
/
'rɪmpələ(n)/
verb
1. plooien of golven in het oppervlak vormen
kräuseln
noun
- 1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
- 2. cirkelvormig voorwerp
- 3. plaats waar gestreden wordt
Ring
- 5. ringweg
Ringstraße
Ring
- de handdoek in de ring werpen (gooien)
aufgeben
verb
1. dieren (vogels) voorzien van een genummerde band
beringen
noun
1. Natrix natrix
Ringelnatter
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
Ringfinger
noun
- 2. huidziekte door een schimmel veroorzaakt
Flechtengrind
Ringelflechte
- 1. gelede worm van de stam Annelida
Ringelwurm
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Rinteln
/
rijoɡrɑnˈdɛnsər hunsˈrykiʃ/
pronoun
1. vorm van Duits zoals gesproken in het zuiden van Brazilië
Riograndenser Hunsrückisch
noun
1. een vaak ondergronds kanaal voor de afvoer van drek
Abwasserkanal
Kanalisationsschacht
noun
1. bruine rat, rioolrat,
Wanderratte
noun
1. apparatuur die het mogelijk maakt water uit de riolen weer voor gebruik gereed te maken
Kläranlage
pronoun
1. een Rijnfrankisch dialect dat behoot tot de Middelduitse dialectgroep
Ripuarisch
noun
1. een mogelijk gevaar voor schade
Risiko
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
Rhythmus
noun
1. de larve van een kever uit de familie kniptorren (Elateridae)
Drahtwurm
noun
2. ritssluiting
Reißverschluss
/
riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
Fluss
Strom
noun
1. bepaald soort slanke eetbare Euraziatisch zoetwatervis, Gobio gobio
Gründling
noun
1. een soort kreeft die in riviertjes leeft
Flusskrebs
adjective
Rubinrot
rubinrot
/
ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
Roboter
noun
1. kwaadsprekerij, achterklap
Klatsch
Tratsch
verb
1. op een vervelende manier over anderen praten
klatschen
tratschen
lästern
durchhecheln
noun
1. Trifolium pratense, een overblijvend kruid uit de vlinderbloemenfamilie
Rotklee
Wiesenklee
noun
1. rossig gekleurde zaden (zemel en kern) van aan gewone rijst (Oryza sativa) verwante planten
roter Reis
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
Rotwein
noun
1. Canis rufus, een lid van de Canivora, leefde in het gehele oostelijk deel van de Verenigde Staten...
Rotwolf
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
Rotes Meer
/
ˌro.də.ˈhɔnt/
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
Röteln
noun
1. en 2. donkerrood sluitkoolgewas
Rotkohl
noun
1. chemisch element met symbool Rh
Rhodium
noun
1. bundel takken waarmee geslagen kan worden
Rute
noun
1. bundel takken waarmee geslagen kan worden
Rute
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
rudern
noun
- 1. iemand die roeit
Ruderer
- 2. een havenwerker die de meertrossen van schepen aan de meerpalen vastmaakt
Schiffsbevestiger
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
Saatkrähe
adjective
1. zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
tollkühn
verwegen
/
ruˈmens/, /
ruˈmeːns/
adjective
1. betreffende Roemenië of het Roemeens
rumänisch
Rumänisch
/
ruˈmens/, /
ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
Rumänisch
rumänisch
/
ruˈmeni.jə/, /
ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
Rumänien
noun
Roentgenium
Röntgenium
/
rup/
noun
1. een vrij harde klank geproduceerd met stemgeluid
Ruf
/
'ru.pə(n)/
verb
- op het matje roepen
herbeizitieren
- 1. met verheffing van stem de aandacht van iemand trachten te verkrijgen
rufen
/
'rupɪŋ/
noun
1. een taak waarvoor een persoon zich verplicht voelt, vaak met religieuze invloed
Berufung
pronoun
1. rivier in Limburg
Rur
noun
1. vlak waarmee gestuurd wordt
Ruder
Steuerruder
/
ˈrur.bɑ.kə(n)/
verb
1. een kooktechniek voor het bereiden van voedsel in een wok
pfannenrühren
kurzbraten
/
rurɛi/
noun
1. een gerecht van gebakken eieren en losgeklopte melk
Rührei
verb
1. een vloeistof met een spaan in ronde beweging brengen
rühren
noun
1. beweegbare, stoffelijke zaak
Fahrnis
bewegliche Sache
noun
1. (scheepvaart) het achterste deel van een roer
Ruderschieber
Ruderschwanz
noun
1. geoxideerd ijzer
Rost
verb
- 3. (kippen) op stok zitten
auf der Stange sitzen
- 4. (biologie) het in groepen doorbrengen van de nacht van vliegend wild
aufbaumen
aufholzen
- 2. door roest vast gaan zitten
einrosten
- 1. het langzaam oxideren van ijzerhoudende materialen
rosten
verrosten
adjective
1. roestbestendig
rostfrei
/
rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
Ruß
/
/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt door Roethenen
Russinisch
adjective
1.
ruthenischsprachig
/
/
noun
1. een inwoner van Oekraïne
Russinen
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
Rochen
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
Roggen
/
ˈrɔɣəbrod/
noun
1. een van rogge gebakken brood
Roggenbrot
noun
1. gekiemde en gedroogde granen van rogge
Roggenmalz
noun
1. plat gewalste granen van rogge
Roggenflocken
noun
1. met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van roggekorrels
Roggenschrot
noun
- 2. rokkostuum
Frack
- 1. buis- of kegelvormig kledingstuk
Rock
noun
1. zet in een schaakspel
Rochade
/
ˈroːkə(n)/
verb
- 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
- 1. rook afgeven
rauchen
- 3. conserveren door langdurige blootstelling aan rook
räuchern
verb
1.1. het doen van een zet waarbij de koning en een toren elkaar passeren
rochieren
noun
1. looprek op wieltjes
Rollator
verb
- rollend materieel
Fuhrpark
- 1. zich wentelend over een oppervlak bewegen
rollen
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
Rollstuhl
Krankenfahrstuhl
noun
1. trap met bewegende treden
Rolltreppe
Fahrtreppe
noun
1. de verdeling van de rollen in een toneelstuk of in het maatschappelijke leven
Rollenverteilung
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
Roman
/
romaˈnɛs/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
Romanes
Romani
noun
1. (kool van) groentesoort Brassica oleracea convar. botrytis var. botrytis
Romanesco
/
roˈmani/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
Romanes
Romani
/
ˌromaniˈzeːrə(n)/, /
ˌromaniˈzɪːrə(n)/
verb
1. Romaanse invloeden ondergaan
romanisieren
/
roˈmɑns(x)rɛɪvər/
noun
1. een mannelijke persoon die romans schrijft
Romanautor
Schriftsteller
/
ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Rom
adjective
1. met betrekking tot Rome
römisch
/
roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
Römisches Reich
Römerreich
/
ˈrɔməlpɔt/
noun
Brummtopf
noun
- 2. het gedeelte van een vliegtuig zonder vleugels en stabilo
Rumpf
- 1. het lichaam van een mens of dier zonder ledematen, kop of staart
Torso
adjective
1. cirkelvormig
rund
/
rɔndelə(n)/
verb
1. rondgaande aan ieder een deel geven
herumgeben
herumreichen
/
rɔntˈdrajə(n)/
verb
1. een cirkelvormige beweging maken
drehen
herumdrehen
noun
- 3. het afleggen van bezoeken in een kring
- 1. het afleggen van een rondgaande weg
- 2. het draaien om een spil
Rundgang
verb
1. op een plaats langdurig verblijven zonder iets te doen te hebben
herumlungern
noun
1. een antenne zonder voorkeursrichting
Rundstrahlantenne
Rundstrahler
verb
1. naar vele plaatsen onderweg zijn
herumreisen
umherreisen
noun
Rundbrief
Rundschreiben
verb
1. doelloos rondlopen
schlendern
noun
1. een antenne zonder voorkeursrichting
Rundstrahlantenne
Rundstrahler
noun
1. een antenne zonder voorkeursrichting
Rundstrahlantenne
Rundstrahler
verb
1. zonder duidelijk doel van de ene plaats naar de andere gaan
herumziehen
/
ˈrɔnd.vart/, /
ˈrɔnt.vart/
noun
1. een ronde varen met het doel de omgeving te bekijken
Rundfahrt
/
ˈrɔŋ.kə(n)/
verb
- 1. het maken van een aanhoudend geluid dat het midden houdt tussen zoemen en sputteren
brummen
- 3. diep slapen
ratzen
- 2. bovengenoemd geluid produceren tijdens het slapen
schnarchen
/
ˈrɔnsəˌlə(n)/
verb
rekrutieren
/
rod/, /
rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
rot
/
rod/, /
rot/
noun
1. een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm.
Rot
rot
noun
1. bepaald soort struik, Daphne mezereum
Echter Seidelbast
noun
1. bepaald soort vis, Sebastes marinus
Rotbarsch
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
Rotkehlchen
adjective
Rotbraun
rotbraun
adjective
1. zo heet dat het rood licht uitstraalt
rot glühend
adjective
1. met rood gekleurde haren
fuchsig
rothaarig
pronoun
1. sprookjesfiguur
Rotkäppchen
/
rotˈkɛrk/
pronoun
1. een dorp in de provincie Friesland
Readtsjerk
Roodkerk
noun
1. en 2. (bladeren van) Cichorium intybus var. foliosum
Radicchio
roter Chicorée
adjective
Rotorange
rotorange
adjective
Rotviolett
rotviolett
noun
1. bepaald soort vis die leeft in de Atlantische Oceaan, Lutjanus campechanus
Nördlicher Schnapper
noun
- 2. de korst van een wond
Kruste
- 1. het openlijk en gewelddadig wegnemen van hetgeen een ander toebehoort
Raub
noun
1. exotische roof- en zoetwatervis die voorkomt in de wateren van de Benelux, Leuciscus aspius
Rapfen
/
ˈrovdir/
noun
1. dier dat zijn prooi bejaagt en doodt
Raubtier
noun
1. benaming voor gewervelde waterdieren met kieuwen die hun prooi bejagen en doden
Raubfisch
/
ˈroˌfoχɔɫ/, /
ˈroːˌfoːɣəl/, /
ˈroːˌvoːɣəl/
noun
1. eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
Raubvogel
Greifvogel
noun
1. sterke neiging om te roven
Raubgier
/
'rojən/
verb
1. het uit de grond halen van een oogst
roden
/
roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
Rauch
noun
1. een verbod om te roken
Rauchverbot
noun
1. een wolk van rook
Rauchwolke
noun
1. gerookte worst
geräucherte Wurst
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
Sahne
Rahm
noun
1. een soort boter dat, in tegenstelling tot margarine, gemaakt wordt van room
Butter
noun
1. (voeding) consumptie-ijs dat voor minimaal 5% bestaat uit melkvet
Milcheis
Sahneeis
/
roːs/
noun
- 1. bloem
Rose
- 3. aandoening
Schuppen
- 2. midden van een schietschijf
Schwarze
noun
1. een elektronisch testapparaat waarmee o.a. de resonantiefrequentie van een antenne of resonantiekring kan worden bepaald
Dipmeter
verb
1. in de gloed van een vuur of andere warmtebron gaar laten worden
rösten
verb
1. een paard met borstel en kam reinigen
striegeln
noun
1. wijn met een lichtrode kleur
Rosé
verb
1. vlas blootstellen aan fermentatie om het pectine te verwijderen dat de stengel samenhoudt
rösten
rotten
verb
2. draaien om een as
rotieren
noun
1. kleine wit-zwarte gans met een ver klinkende rott-rott roep, Branta bernicla
Ringelgans
noun
2. bepaald soort vuurwerk dat na het aansteken van de lont wordt weggegooid en dan een harde knal geeft
Böller
noun
- 2. een rond, pleinvormig kruispunt van wegen
Kreisverkehr
Kreisel
Verteilerkreis
- 1. een rond gebouw
Rotunde
Rundbau
noun
1. een grote ruwe steen
Fels
adjective
1.waar veel rotsen zijn
felsig
noun
1. een eiland dat vooral uit rotsen bestaat
Felseninsel
/
ˈrɔtstœʏn/, /
ˈrɔtstœːn/
noun
1. een tuin met rotspartijen en rotsplanten
Steingarten
noun
1. een zich min of meer loodrecht verheffend deel van een berg
Felswand
noun
1. Duits hondenras, stevig gebouwd, kortharig met brede kop, korte snuit en hangoren
Rottweiler
/
ra<sup>ʊ</sup>/, /
rʌʊβ̞/, /
rʌːβ̞/
noun
1. grote smart of droefenis na een verlies
Trauer
/
rʌʊβ̞ə(n)/, /
rʌːβ̞ə(n)/
verb
1. de emotionele nasleep van het overlijden van een geliefd persoon
trauern
noun
Trauerzug
Trauergefolge
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
Räuber
Freibeuter
/
roːzə/, /
rɔːs/, /
rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
rosa
Rosa
noun
2. keukenkruid
Rosmarin
noun
1. schijnvrucht van wilde rozen
Hagebutte
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
Rosenkranz
noun
1. kleine gedroogde vruchtjes van Vitis vinifera
Rosine
noun
1. boot van rubber met luchtkamers die zorgen voor het drijfvermogen
Schlauchboot
noun
1. Chemisch element
Rubidium
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
Rucola
Garten-Senfrauke
pronoun
2. spelwoord voor de letter r
Richard
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Rudolstadt
/
rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
Rücken
noun
1. pijn in de rug
Rückenschmerzen
/
ˈrʌɣzɛidə/
noun
Rückseite
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Ruhla
pronoun
1. een regio in de Duitse deelstat Noordrijn-Westfalen
Ruhrgebiet
noun
1. traliewerk waarachter hooi ligt
Raufe
/
rœʏkə(n)/, /
rœːkə(n)/
verb
- 1. een geur waarnemen
riechen
- 2. een geur verspreiden
riechen
stinken
noun
1. een boeket
Blumenstrauß
/
rœʏl/, /
rœːl/
noun
Tausch
verb
1. overeenkomen bezit tegen dat van een ander uit te wisselen
tauschen
/
rœy̯m/
adjective
1. van grote omvang of uitgestrektheid
geräumig
/
rœy̯m/
noun
1. de laadruimte van een schip
Laderaum
noun
stuk gereedschap waarmee men een boorgat iets ruimer kan maken
Reibahle
adjective
1. meer dan voldoende
reichlich
adverb
1.op meer dan voldoende wijze
reichlich
noun
- 1. beschikbare uitgestrektheid
Platz
- 2. vertrek, kamer
Raum
Zimmer
- 3. heelal
Weltraum
Raum
noun
1. verzameling symmetrie-elementen -translaties, rotaties en combinaties daarvan- die samen een ruimtevullende groep vormen
Raumgruppe
noun
1. vaartuig geschikt om zich buiten de aardse atmosfeer te begeven
Raumschiff
Raumfahrzeug
noun
1. in een baan om de aarde door de mens achtergelaten voorwerpen
Weltraumschrott
noun
1. het zich in de ruimte buiten de dampkring van de aarde begeven
Raumfahrt
/
ˈrœʏ̯m.tə.ˌʋɑn.də.lɪŋ/, /
ˈrœːm.tə.ˌβ̞ɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het uitvoeren van een activiteit buiten een ruimteschip
Weltraumspaziergang
/
rœʏn/
noun
1. gecastreerde hengst
Wallach
noun
1. structuurloos en voortdurend geluid dat een continuüm van toonhoogten bevat
Rauschen
Störgeräusch
noun
1. ruisniveau
Rauschpegel
noun
1. bepaald soort zoetwatervis die zich graag tussen het riet ophoudt, Scardinius erythrophtalmus
Rotfeder
noun
- 1. een glazen plaat in een venster
Fensterscheibe
- 5. figuur uit een kaartspel
Karo
- 2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
Raute
Rhombus
noun
1.
Karokönig
Schellenkönig
noun
1. installatie om de ruiten van een auto schoon te sproeien
Scheibenwaschanlage
noun
1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
Scheibenwischer
noun
1. vloeibaar product dat in de motorruimte van een auto wordt bewaard om over de ramen te spuiten wanneer de ruitenwissers worden gebruikt
Scheibenwaschwasser
noun
- 3. plank op de nokgording
Firstbohle
- 2. uitstekend stukje
Reiter
- 1. berijder van een rijdier
Reiter
Reiterin
verb
- 1. in een snelle beweging trekken
reißen
- 2. masturberen
wichsen
masturbieren
/
ˈrʏk.wɪnd/, /
ˈrʏk.ʋɪnt/, /
ˈrʏk.β̞ɪnt/
noun
1. een zeer harde windvlaag
Windstoß
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
Rum
/
rʏnd/, /
rʏnt/
noun
- 2. een dom en onhandig iemand
Kuh
- 1. holhoornig herkauwend zoogdier
Rind
noun
1. als vee gehouden runderen
Rindvieh
/
ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
Rindfleisch
/
ˈrynə/
noun
1. een schriftteken van het Oud-Germaanse alfabet
Rune
noun
1. een inwoner van Rusland
Russe
noun
1. autoritaire nationalistische ideologie in Rusland
Raschismus
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
Russland
/
ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
russisch
Russisch
/
ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
Russisch
russisch
/
rɵst/
noun
- 4. pauze in een wedstrijd
Halbzeit
Halbzeitpause
- 5. moment van stilte in muziek
Pause
- 2. tijdelijke toestand van ontspanning na arbeid, moeite of inspanning
Ruhe
Ruhepause
- 7. bevestigingspunt voor het want
Rüste
- 1. voortdurende toestand van kalmte
Stille
Ruhe
- 6. steunpunt
Stützpunkt
verb
1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
ruhen
adjective
1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
ruhig
noun
2. steunpunt
Stützpunkt
noun
- 1.
Ruhepunkt
- 2.
Stützpunkt
adjective
- al zijn inzet verspeeld hebbend
- niets (meer) bezittend
abgebrannt
blank
pleite
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
Ruthenium
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
Rutherfordium
adjective
- 1. oneffen, niet glad
- 2. grof, onbesuisd
rau
noun
1. toestand waarin men in ernstig conflict is met anderen
Streit
Auseinandersetzung
/
ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
Ruine
/
ˌryiˈnerə(n)/
verb
- 1. helemaal kapotmaken
ruinieren
zerstören
- 2. iemand financieel te gronde richten
ruinieren
zugrunde richten
/
ru.ˈwɑn.da/, /
ru.ˈʋɑn.da/, /
ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
Ruanda
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Römhild
noun
1. scheikundig element met symbool Rg en atoomnummer 111
Roentgenium
Röntgenium
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Röttingen
noun
1. het gevoel van samen een geheel te zijn
Zusammengehörigkeit
pronoun
1. zijrivier van de Moezel
Saar
verb
1. likken en zuigen aan iets
lutschen
noun
1. bepaald soort zoogdier, Marter zibellina
Zobel
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
Sabotage
noun
1. caloriearme kunstmatige zoetstof die geen directe invloed heeft het bloedsuikergehalte
Saccharin
noun
1. een disacharide, bestaande uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid
Saccharose
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Sachsenheim
noun
1. plechtige gebeurtenis in de katholieke kerk
Sakrament
noun
1. een ruimte in een rooms-katholieke kerk, waarin men alles bewaart dat nodig kan zijn om een kerkdienst te houden.
Sakristei
noun
1. iemand die bevrediging zoekt in het pijnigen van een ander
Sadist
Sadistin
/
sɑˈfarɪ/
noun
1. expeditie in de wildgebieden in Afrika
Safari
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
Saphir
adjective
Saphirblau
saphirblau
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
Safran
adjective
Safrangelb
safrangelb
/
sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
St. Vincent und die Grenadinen
noun
- 2. inroeping van de bevoegdheid van de rechter
Anrufung
- 3. feodaal recht op de beheersing over een vastgoed
Gewere
- 1. directe eigendomsovergang onder algemene titel op de erfgenamen
Vonselbsterwerb
Besitzergreifung
noun
Japanse alcoholische drank
Sake
interjection
1. krachtterm, drukt verbazing uit
Donnerwetter
sackerlot
sapperlot
pronoun
1. Duitse deelstaat
Sachsen
noun
1. sisklank achter een zelfstandig naamwoord om bezit te duiden
sächsischer Genitiv
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
Salamander
/
ˈsalami/
noun
1. Italiaanse worst
Salami
noun
1. regelmatige, meestal maandelijkse beloning voor werk verricht in een werkverband
Gehalt
noun
1. het eindbedrag wanneer alle tegoeden en verplichtingen in rekening gebracht zijn
Saldo
/
sali'silzyr/
noun
1. een organisch carbonzuur dat oorspronkelijk gewonnen wordt uit wilgenbast
Salicylsäure
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
Salbei
/
ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /
ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
Salomonen
/
salɔn'fejɪχ/, /
salɔn'fɛ:ɦɪx/
adjective
1. van iets dat eerst omstreden was dat het nu algemeen geaccepteerd is in officiële kringen
salonfähig
noun
1.
Salondame
Salonnière
noun
iemand die met de mond socialistische opvattingen belijdt
Kathedersozialist
Salonsozialist
/
sɑlpetər/
noun
1. een mineraal bestaande uit kaliumnitraat
Salpeter
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
Salpetersäure
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Salzgitter
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen-Anhalt
Salzwedel
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
Samarium
pronoun
1.een rivier die in Picardië (Frankrijk) ontspringt en via Charleroi naar Namen loopt waar ze na 194 km in de Maas vloeit
Sambre
noun
1. gezin met kinderen van één of beide partners uit een eerdere relatie met een ander
Patchworkfamilie
Stieffamilie
/
ˈsamə(n)ˌhɑŋə(n)/
verb
1. in onderling verband met elkaar staan
zusammenhängen
verb
1. bij elkaar verzamelen
zusammenkomen
noun
1. een bevolking die een sociaal geheel vormt
Gesellschaft
noun
1. wijze waarop verschillende personen bij een spel elkaar steunen of een geheel vormen
Zusammenspiel
verb
1. meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
zusammenstellen
zusammensetzen
noun
1. woord dat gevormd is uit door drie onafhankelijke woorden aan elkaar te koppelen
komplexes Kompositum
noun
- 2. verbinding van twee of meer zelfstandige woorden
Kompositum
Zusammenstellung
- 1. het samenstellen
Zusammenstellung
verb
1. in elkaar trekken
zusammenziehen
/
ˈsaːməvɑtɪŋ/
noun
1. een beknopte beschrijving van een inhoud
Zusammenfassung
Inhaltsangabe
verb
1. bij elkaar doen
zusammenfügen
verb
1. met een of meer aan hetzelfde werken
zusammenarbeiten
noun
1. het samenwerken van meerdere personen
Zusammenarbeit
verb
1.met elkaar een huis bewonen alsof je getrouwd bent
zusammenleben
/
ˈsamə(n)ˌzʋɪːrə(n)/
verb
1. geheimelijk met anderen samenwerken ten nadele van een derde partij
sich verschwören
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
Sami
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
Sami
/
sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Samoa
/
ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
Samurai
adverb
1. ieder de helft
halb und halb
halbe-halbe
halbpart
/
ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
San Marino
/
'sɑŋksi/
noun
1. strafmaatregel
Sanktion
/
sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
Sandale
noun
1. een bepaald houtsoort (Santalum album of verwante soorten)
Sandelholz
verb
1. met behulp van ingrijpende maatregelen een einde maken aan een ongezonde financiële toestand
sanieren
noun
1. een Spaanse licht-alcoholische drank
Sangría
Sangria
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Sankt Augustin
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
Sanskrit
sanskritisch
/
saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /
ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /
ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
São Tomé und Príncipe
/
sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /
zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Saudi-Arabien
interjection
1. krachtterm, kreet van verbazing of ergernis
Donnerwetter
sackerlot
sapperlot
adjective
1. vol met sap
saftig
adjective
1. vol met sap
saftreich
noun
1. plant die van organisch afval leeft
Saprobiont
noun
1. een stenen doodskist
Sarkophag
noun
1. lage spiermassa en daardoor verminderde spierkracht als gevolg van ouder worden, immobiliteit en leefstijl, dieet of ziekte
Sarkopenie
noun
1. klein zilverkleurig haringachtig visje, Sardina pilchardus
Sardine
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
sardine
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Sardinien
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 1,3 miljoen mensen op Sardinië
Sardisch
/
'sɑrən/
verb
1. iemand voortdurend lastig vallen
reizen
quälen
adjective
1.
saterfriesischsprachig
noun
1. een kleine, niet gerookte worst die in lange snoeren vervaardigd wordt
Wurst
/
saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Saudi-Arabien
pronoun
1. een gebied in de Duitse deelstaten Noordrijn-Westfalen en Hessen
Sauerland
/
'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
Sauna
/
sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
Soße
Sauce
noun
1. (huishouden) lepel waarmee men saus opschept
Soßenlöffel
/
ˈsa.va/
pronoun
1. een rivier in Zuidoost-Europa met een lengte van 940 km.
Save
Sau
Sawe
noun
1. een grasland met verspreid voorkomende bomengroei
Savanne
verb
1. schrijven van digitale gegevens naar een gegevensdrager
speichern
noun
1. en 2. (bladeren van) Brassica oleracea convar. capitata var. sabauda)
Wirsing
noun
1. iemand die (beroepshalve) saxofoon speelt
Saxophonist
Saxofonist
/
sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
Saxophon
Saxofon
noun
2. een soort duikerspak
Taucheranzug
Skaphander
/
skɑn.ˈdeː.rə(n)/, /
skɑn.ˈdɪː.rə(n)/
verb
2. ritmisch declameren met één sterke nadruk per versvoet.
skandieren
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
Scandium
Skandium
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
Zepter
/
ˈskɛptɪs/
adjective
1. geneigd tot twijfel
skeptisch
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
Hobel
noun
2. het schaakspel als zodanig
Schach
Schachspiel
/
ˈsxagbɔrt/, /
ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
Schachbrett
/
ˈsxakˌleːraˑr/
noun
Schachlehrer
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
Schach
Schachspiel
/
ˈsxakstʌk/
noun
1. een onderdeel van het schaken dat over het schaakbord bewogen wordt.
Schachfigur
noun
- 2. buitenkant van een ei of vrucht
- 1. voorwerp waar men iets kan inleggen
Schale
/
sxaːldir/
noun
1. een dier met een schaal als uitwendig skelet
Schalentier
noun
1. huidplooi bij de opening van de vulva, aan beide zijden van de vagina
Schamlippe
noun
1. kleine parasieten die voorkomen in het schaamhaar, maar ook op wimpers...
Filzlaus
noun
1.het deel van het menselijk lichaam waar zich de liezen en geslachtsorganen bevinden
Schamgegend
/
'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
Scham
noun
- 1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
Schaf
- een kudde schapen
Schafherde
noun
- 1. werktuig om te knippen
- 3. grijporgaan van sommige schaaldieren en spinachtigen
Schere
adjective
1. weinig in aantal of hoeveelheid
knapp
selten
rar
/
'sxarstə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
Mangel
noun
1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
Schlittschuh
verb
1. zich voortbewegen op schaatsen
eislaufen
schlittschuhlaufen
noun
2. bepaald soort insect, Gerris lacustris
Wasserläufer
noun
3. plank bij een weefgetouw waarop de voeten kunnen rusten
Fußbank
noun
1. geheel van beschadigingen
Schaden
noun
1. een eis tot schadevergoeding
Schadenersatzforderung
/
ˈsxadələk/
adjective
1. schade toebrengend
schädlich
verb
1. zorgen dat een geleden nadeel zoveel mogelijk hersteld of vergoed wordt
entschädigen
/
sxadə/
verb
1. iets of iemand schade toebrengen
schaden
noun
1. het genoegen scheppen in het leed van een ander
Schadenfreude
/
ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
Schatten
verb
1. iemand ongemerkt volgen
beschatten
verb
1. een verbinding tot stand brengen
schalten
noun
1. een schakelaar die om een bepaald tijdstip automatisch de schakeling omzet
Schaltuhr
Zeitschaltuhr
/
sxa'kerɪŋ/
noun
1. kleurnuance, verschillende tinten van één kleur
Schattierung
noun
1. een sedimentair gesteente
Tonschiefer
noun
1. gas uit schalie
Schiefergas
verb
1. blaasinstrument met een rechte conische boring en een los dubbel riet dat de toon vormt
Schalmei
adjective
- 2. gering in omvang
dürftig
- 1. waarvoor men zich schaamt
ärmlich
/
ˈsxaː.mə(n)/, /
ˈsχa.mə(n)/
verb
1. schaamte voelen
sich schämen
schämen
noun
1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
Skandal
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
Schande
noun
1. een paal op een plein, waaraan mensen bij wijze van straf werden vastgemaakt om vernederd...
Pranger
Schandpfahl
noun
- 1. (militair) in het veld opgeworpen versterkingswerk
- 4. (sport) springschans
Schanze
noun
1. korf met aarde of steenvulling
Gabione
Schanzkorb
noun
1. een wintersport waarbij op skis van een helling (de schans) gesprongen wordt. Het doel daarbij is om zowel zo ver als zo mooi mogelijk te springen
Skispringen
noun
1. een plank om iets op te zetten
Regal
Schrankfach
Brett
Einlegeboden
noun
1. verblijf voor schapen die als kleinvee worden gehouden
Schafstall
noun
1. bepaald soort platvis Limanda limanda
Kliesche
verb
5. Seksuele handeling
Tribadie
/
sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
Scharnier
noun
3. vogel uit de familie van de scharrelaars
Blauracke
verb
4. in de grond wroeten
scharren
noun
1. een kip die op een zo natuurlijk mogelijke wijze mag leven en vrij bewegen (scharrelen)
Freilandhuhn
/
ˈsxɑrəɫˌvɑrkə(n)/
noun
1. een vrijlopend varken dat op een zo natuurlijk mogelijke manier mag leven
Freilandschwein
/
ˈsxɑrə(n)/
verb
1. schrapen, kraben
scharren
noun
1. verzamelde rijkdom
Schatz
Tresor
noun
Süße
Kätzchen
Schatzi
Schätzchen
Süßer
/
'sxɑtə(n)/, /
'sχɑtə(n)/
verb
- 2. benaderen van een waarde door berekening
- 1. op prijs stellen
schätzen
adjective
1. leuk, aardig, enig
niedlich
verb
1. schavelen
schamfilen
verb
- 3. door middel van een schaaf in plakjes snijden.
hobeln
- 1. gladmaken door middel van een schaaf.
hobeln
reiben
- 2. verwonden door wegscheuring van de huid.
schürfen
schrammen
verb
1. schavielen
Schamfilen
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
Scheide
/
'sχedəl/
noun
Schädel
Kranium
/
sxeːf/
adjective
1. niet recht, schuin
schief
/
sxeːf/
noun
1. afvaldeeltje van de houtpijp
Schäbe
/
sxeːl/
adjective
1. het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
schielend
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
Schiene
Schienbein
/
ˈsxenben/
noun
Schienbein
noun
1. hard en droog baksel, geschikt voor lange (zee)reizen
Hartkeks
verb
1. het vanaf de wal slepen van schuiten
treideln
noun
1. iemand die de maaltijden op een schip verzorgt
Smutje
noun
1. de goederen die in het ruim van een vrachtschip vervoerd worden
Schiffsladung
noun
1. een ruimte voor het opslaan van goederen in een schip
Schiffsraum
noun
1. een scheepsinstrument waarmee de brug aan de machinekamer het toerental en de draairichting van de schroef aanvraagt
Maschinentelegraf
noun
1. het verkeer op het water
Schifffahrt
Schiffsverkehr
/
ˈsxɪːrkʋɑst/
noun
1. een dikke kwast waarmee men scheerzeep aanbrengen
Rasierpinsel
/
sxeːrmɛs/, /
sχɪːrmɛs/
noun
1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
Rasiermesser
/
ˈsxeːrzep/, /
ˈsχɪːrzep/
noun
1. zeep die gebruikt wordt om tijdens het scheren de huid te beschermen
Rasierseife
/
sxet/, /
sχet/
noun
1. gasontlading uit de darm
Furz
noun
- 3. het verbreken van een huwelijk
Scheidung
- 1. het uiteenhalen van iets in zijn onderdelen
Trennung
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
Chemie
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
chemisch
/
ˈsχɛldə/
pronoun
1.een rivier die ontspringt in de gemeente Gouy in noordelijk Frankrijk
Schelde
/
sxɛldə(n)/
verb
1. krenkende of beledigende woorden uitspreken op heftige of ruwe toon
schimpfen
/
'sxɛltwoːrt/
noun
1. een term die bedoeld is om iets of iemand te beledigen
Schimpfwort
verb
1. een verschil maken
kümmern
/
sxɛlp/
noun
1. een uit kalk gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier wordt aangemaakt
Schale
noun
1. bepaald soort kabeljauwachtige consumptievis, Melanogrammus aeglefinus
Schellfisch
adjective
1. volgens een schema
schematisch
/
ˈsxemər/
noun
1. de periode van verminderend licht tussen dag en nacht
Zwielicht
/
ˈsxemərə(n)/
verb
1. donker of licht worden, tussen licht en donker zijn
dämmern
adjective
- 1. wat minder helder licht vlak voordat het avond wordt
dämmerig
- 2. wat minder duidelijk is, misschien illegaal is en dus het daglicht niet kan verdragen
zwielichtig
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
Dämmerung
/
sxɛndə(n)/
verb
1. iets niet in acht nemen
verletzen
/
'sxɛŋ.kə(n)/
verb
- 2. overgieten
einschenken
- 1. geven
schenken
noun
1. lepelvormig werktuig
Schaufel
Schippe
/
ˈsxɛpə(n)/
verb
- 1. doen ontstaan uit niets
schaffen
- 1. met bijv. een lepel of spaan een hoeveelheid van een bep. materiaal uit iets (bijv. een vat) naar boven halen, of het juist daarin doen
schöpfen
noun
1. iets nieuws dat uit het niets gemaakt is
Schöpfung
noun
1. creatuur; iets dat gemaakt is
Geschöpf
/
sxeːrə(n)/, /
sχɪːrə(n)/
verb
- 3. rakelings over een oppervlak bewegen
gleiten
streifen
- 2. zich de baard kort afsnijden
rasieren
- 1. baard afsnijden
rasieren
scheren
/
sxɛrf/, /
sχɛrf/
noun
- 1. een onregelmatig gevormd stuk materie dat deel heeft uitgemaakt van een groter geheel
Scherbe
- 2. een fragment van een granaat
Splitter
noun
1. verticale draden van het weefgetouw
Webkette
Kette
noun
- 2.1. een monitor van een technisch toestel
Bildschirm
Monitor
- 3. een bloeiwijze waarbij alle zijassen (bloemstelen) uit één punt ontspringen
Dolde
- 2.2. een onderdeel van een bioscoop
Kinoleinwand
Leinwand
- 1.2. een schut tegen het directe zonlicht
Paravent
Spanische Wand
Stellwand
- 1.4. een ongevallenpreventie
Plane
Schutzwand
- 2.3. een projectiescherm
Projektionswand
- 1. soort van doek wat iets anders aan het zicht moet onttrekken, of gebruikt wordt ter bescherming
Schutzwand
- 1.5. een schut tegen zicht of wind
Sichtschutz
Windschutz
- 1.1. een schut tegen het directe zonlicht
Sonnenschirm
- 1.3. een gordijnachtige doek in een schouwburg
Theatervorhang
Vorhang
/
sxɛr'mɵʦəlɪŋ/
noun
Scharmützel
adjective
1. goed snijdend
scharf
verb
1. als grap opmerken
scherzen
verb
- 1. met een minimum van pennenstreken een voorlopige en gewoonlijk uitwisbare afbeelding van iets maken
- 2. in overdrachtelijke zin: een korte maar rake beschrijving van iets geven
skizzieren
verb
1. lawaai maken als een ekster
schackern
schäckern
/
sxøːr/, /
sχʏːr/
noun
1. een kloof in een vlies of weefsel
Riss
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
Skorbut
/
sxʏːrə(n)/
verb
1. in twee of meer delen trekken
reißen
noun
3. wiskundige zigzaglijn op de as van een assenstelsel
Skalierungsunterbrechung
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
Halbinsel
/
ˈsxi.tə(n)/, /
ˈsχi.tə(n)/
verb
- 1. een projectiel afvuren met een wapen
- 2. de bal een trap geven
schießen
noun
1. een draad met loden balletje om de loodrechte stand van iets te onderzoeken
Lot
Senkblei
Senklot
noun
1. een confrontatie waarbij partijen elkaar beschieten
Schießerei
noun
1. (industrie) een draaibare klos in een schuitje die bij het weven door het vak van de ...
Schussspule
/
sxɛi̯f/
noun
1. plat en rond voorwerp
Scheibe
Diskus
noun
1. een rem, waarbij op de as van het af te remmen toestel een schijf meedraait, die door middel van remblokken afgeremd kan worden.
Scheibenbremse
/
sxɛi̯n/
adverb
- 1. bedriegelijk voorkomen
Schein
- 2. zweem
Schimmer
/
ˈsxɛːnbar/, /
ˈsχɛɪnbar/
adjective
1. naar aanzien
scheinbar
verb
- 1. zich voordoen, vaak op bedrieglijke wijze
erscheinen
scheinen
- 2. naar verluidt
scheinen
- 3. straling uitzenden
scheinen
leuchten
noun
1. de periodiek wisselende aanblik van de maan (en de planeet Venus) ten gevolge van de veranderende belichting door de zon
Phase
/
sxɛɪ̯nˈhɛɪ̯lɪx/, /
sxɛːnˈhɛːləx/, /
sχɛɪ̯nˈhɛɪ̯ləχ/
adjective
1. tegen beter weten in de schijn van goedheid of onschuld ophoudend
scheinheilig
/
'sxɛi̯n.ɦi.u̯ə.lək/
noun
1. huwelijk voor de schijn
Scheinehe
noun
1. een procedure die tot doel heeft slechts de illusie of schone schijn op te houden
Farce
/
sxɛɪtə(n)/, /
sxɛːtə(n)/, /
sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
scheißen
noun
- 3. verval van strafvordering tegen betaling van een geldsom
Diversion
- 1. compromis, overeenkomst waarbij iedereen iets toegeeft
Kompromiss
- 2. beslechting door partijen van hun rechtsgeschil(len)
Vergleich
noun
1. buitenste bekleding van een vrucht
Schale
Rinde
/
sxɪlt/
noun
1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
Schild
noun
- 1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
- 2. een handwerksman die huizen schildert
Maler
verb
- 1. een kunstwerk vervaardigen door met verf een beeld op een oppervlak te maken
malen
- 2. een bouwwerk of voorwerp van een beschermend laag verf voorzien
malen
streichen
anstreichen
/
ˌsxɪldə'rɛː/, /
ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
Gemälde
Bild
/
sxɪldərkʌnst/
noun
1. een beeldende kunst die zich bezighoudt met het met penseel en verf op een plat vlak aanbrengen van lijnen en kleuren
Malerei
noun
1. een spatelvormig stuk gereedschap dat de kunstschilder gebruikt om mee te schilderen
Malmesser
Malspachtel
noun
1. een van beide figuren -menselijk of anderszins- die het wapen flankeren
Schildhalter
/
sxɪldkliːr/, /
sxɪɫtkliːr/, /
sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
Schilddrüse
noun
1. kwaadaardige groei in de schildklier
Schilddrüsenkrebs
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
Schildkröte
noun
1. een band langs de omtrek van een wapenschild
Schildrand
verb
1. de schil van een vrucht verwijderen
schälen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Schiltach
noun
- 1. paardenras met een grotendeels witte vacht met fijne grijze of blauwige tekening
- 2. zwamsoort of substantie die op dode of levende organismen groeit.
Schimmel
noun
2. rijk binnen de eukaryoten, Fungi
Pilz
noun
- 1. groot zeewaardig vaartuig
- 2. grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk
Schiff
/
sxɪbrøk/
noun
1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
Schiffbruch
noun
1. het slachtoffer van een schipbreuk
Shiffbrüchiger
noun
1. gesteente
Schiefer
Glimmerschiefer
verb
- 2. opvallen
glänzen
herausragen
hervorstechen
- 1. een sterk licht verspreiden
glänzen
strahlen
/
'sxɪtərənt/
adjective
- 2. prachtig, bijzonder mooi
brillant
außergewöhnlich
blendend
gewaltig
glänzend
hervorragend
funkelnd
glänzend
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
Schizophrenie
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Stiermarken
Schladming
noun
1. Duitse sentimentele muziek
Schlager
noun
2. stakker, stumper, pechvogel
Schlemihl
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Schleusingen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Schlüchtern
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Schmölln
noun
1. bepaald Duits hondenras
Schnauzer
verb
1. van schoeisel voorzien
beschuhen
noun
1. alles wat men om de voeten heen kan dragen, zoals schoenen en laarzen
Schuhwerk
/
sxun/
noun
1. voetbekleedsel
Schuh
Lackschuh
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
Schoner
Schooner
Schuner
noun
1. iemand die als vak schoenen repareert
Schuster
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
Schnürsenkel
Schuhband
Senkel
noun
1. een mineraal met de chemische formule (UO₂)₈O₂(OH)12·12H₂O
Schoepit
/
ˈsxɔfəl/, /
ˈsχɔfəɫ/
noun
1. een horizontaal liggend scherp geslepen mes van staal dat bevestigd is aan een houten steel
Hacke
Stoßhacke
noun
- 1. schouder van paard of rund
Widerrist
- 1.
Schuft
noun
- 1. een plotsklapse en hevige beweging
Erdstoß
Stoß
- 3. een blootstelling aan een elektrische potentiaal
Schlag
Stromschlag
- 2. een gebeurtenis die iemand hevig van de wijs brengt
Schock
Trauma
noun
1. onderdeel dat een granaat bij inslag tot ontploffing brengt
Aufschlagzünder
Fallzünder
Perkussionszünder
noun
1. mechanisme om schokken te dempen
Stoßdämpfer
noun
1. bepaald soort platvis, Pleuronectus platessa
Scholle
noun
1. zwart-witte waadvogel met luide roep, Haematopus ostralegus
Austernfischer
verb
1. aan een opleiding onderwerpen
schulen
ausbilden
noun
1. een school die verschillende schooltypen omvat
Gesamtschule
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
Schüler
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
Schaukel
verb
1. op een schommel heen en weer bewegen
schaukeln
schwingen
/
ˈsxɔməlstul/
noun
1. een stoel, gewoonlijk op gebogen staanders, waarop men heen en weer kan schommelen
Schaukelstuhl
noun
1. samengebonden bundel halmen
Garbe
/
sxoːl/, /
sxoːɫ/, /
sχoːɫ/
noun
- 1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
- 2. een zwemmende groep gelijksoortige vissen
Schule
noun
1. een agenda, speciaal voor scholieren
Aufgabenheft
noun
1. (onderwijs) examen dat door een school wordt afgenomen
Abitur
Reifeprüfung
Schulprüfung
/
ˈsxolɣan/, /
ˈsχoɫχan/
verb
1. op een school ingeschreven staan en daar lessen volgen
zur Schule gehen
noun
1. jongen die naar school gaat
Schuljunge
/
ˈsxolkrɑnt/, /
ˈsçolkrɑnt/
noun
1. een krant die uitgegeven wordt door een school
Schulzeitung
/
sxols/, /
sχo̝ɫs/
adjective
1. zoals op school
schulisch
/
ˈsxoːl.tɑs/
noun
Schultasche
Schulranzen
Schulmappe
noun
- 2. De tijden van de dag dat men naar school gaat
Schulstunden
- 1.De levensfase dat men naar school gaat
Schulzeit
/
ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
Schwager
Schwiegerbruder
/
ˈsxonbrʏs/
noun
Schwiegergeschwister
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
Schwiegertochter
/
ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
- 1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
- 2. iemand (gewoonlijk een vrouw) die schoonheid bezit
Schönheit
noun
1. te grote neiging tot opruimen
Putzfimmel
/
ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
Schwiegermutter
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
Schwiegervater
noun
1. de man van een dochter of zoon
Schwiegersohn
Eidam
/
ˈsxonzʉs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
Schwägerin
noun
1. de echtgenote van broer of zus, of de zus van de echtgenoot of echtgenote
Schwägerin
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
Schornstein
Schlot
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
Schornsteinfeger
/
ˈsxoːrwɑl/, /
ˈsxoːrβ̞ɑl/, /
ˈsχɔːrʋɑl/
noun
1. een lange, smalle landtong die gevormd wordt door afzetting van zand in een bocht van de zeekust, en die de bocht op deze manier geheel of gedeeltelijk afsluit van de open zee
Nehrung
/
sxot/, /
sχot/
noun
- 2. baarmoeder
Gebärmutter
- 4. het onderdeel van een deurslot dat uit de deur schuift en in de sluitplaat op de deurpost valt
Riegel
Sperrriegel
- 3. een lijn, aan de benedenhoek (de schoothoek) van een zeil bevestigd om het zeil mee in de wind te richten
Schot
- 1. de bovenkant van de dijen van iemand die zit
Schoß
/
ˈsxotkɔmˌpjutər/
noun
1. een invouwbare, draagbare computer
Laptop
noun
- 1. graafwerktuig
Schaufel
Spaten
- op de schop nemen
völlig umgestalten
- 1. trappende aanraking met de voet
Fußtritt
/
'sxɔ.pə(n)/
noun
1. kaartkleur
Pik
/
'sxɔ.pə(n)/
verb
1. een trap geven
treten
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 oktober tot 22 november
Skorpion
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
Skorpion
/
sxɔrs/
noun
1. buitenste laag van (boom)stam
Borke
verb
- 1. voorlopig of tijdelijk verbieden een functie uit te voeren
suspendieren
sperren
- 2. tijdelijk onderbreken
unterbrechen
verb
1. tekortkomen, ontbreken
fehlen
hapern
mangeln
noun
- 2. wat opgediend wordt, gerecht
Gericht
- 1. ronde schaal
Teller
- 3. kop en schotel
Untertasse
Teller
noun
1. schotelantenne
Parabolantenne
/
ˈsxɔtlɑnt/, /
ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Schottland
pronoun
1. een Engels dialect dat gesproken wordt in Schotland
Scots
noun
1. een wond veroorzaakt door een kogel
Schusswunde
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
Schulter
Achsel
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
Schulterblatt
noun
1. het hoofd van het dorpsbestuur van een schoutambt vanaf de hoge middeleeuwen
Schultheiß
noun
1. een gebouw voor het vertonen en bijwonen van voorstellingen, optredens en performances
Schauspielhaus
Theater
noun
1. een spel dat een publiek van toeschouwers beoogt te boeien
Schauspiel
noun
1. oppervlakkige beschadiging van de huid door een ongeval
Kratzer
Schramme
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Schramberg
/
ˈsrɑndər/, /
ˈsxrɑndər/
adjective
1. van intelligentie getuigend
findig
gewitzt
/
'srɑpə(n)/, /
'sxrɑpə(n)/
verb
- 2. doorhalen, verwijderen van een lijst
durchstreichen
absagen
streichen
- 3. bezuinigen, een einde maken aan een programma of uitgavenpost
einsparen
streichen
- 4. ontslaan
entlassen
kündigen
- 1. met een scherp voorwerp zoals een mes de oppervlaktelaag verwijderen
schaben
abkratzen
schrappen
/
ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
schreien
/
srɪft/, /
sxrɪf/, /
sxrɪft/
noun
- 1. een dun boekje met lege bladzijden om in te schrijven
Heft
- 3. de letter- en cijfertekens van een taal
- 4. de lettersoort gebruikt in boeken, teksten en inscripties
Schrift
/
ˈsrɛɪ̯də(n)/, /
ˈsxrɛɪ̯də(n)/, /
ˈsxrɛːdə(n)/
verb
1. bedachtzaam en statig lopen
schreiten
noun
1. een mechanisch apparaat, voorzien van druktoetsen waarmee schrifttekens op papier gezet kunnen worden
Schreibmaschine
/
ˈsrɛɪ̯fstər/, /
ˈsxrɛɪ̯fstər/, /
ˈsxrɛːfstər/
noun
1. een persoon van het vrouwelijk geslacht die op professionele manier boeken of verhalen schrijft
Schriftstellerin
Autorin
/
'srɛɪ̯fʋɛɪ̯zə/, /
'sxrɛɪ̯fwɛɪ̯zə/, /
'sxrɛːfβ̞ɛːzə/
noun
- 1. spelling
Rechtschreibung
Orthografie
- 2. stijl van schrijven
Schreibweise
adjective
1. wijdbeens
rittlings
/
sxrɛɪn/, /
sçrɛːn/
noun
kistje
Schrein
verb
1. branderig aanvoelen
brennen
/
ˈsxrɛ(i)və(n)/
noun
1. een stuk in tekens vastgelegde tekst
Schreiben
/
ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
schreiben
verfassen
/
ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
Schriftsteller
Autor
/
'sxrɪkdrat/
noun
1. draad onder spanning in een hekwerk
Elektrozaun
noun
1. een jaar met 366 dagen
Schaltjahr
noun
1. een extra seconde die aan de tijdrekening wordt toegevoegd om in rekening te brengen dat de draaiing van de aarde enigszins aan wisselingen onderhevig is
Schaltsekunde
verb
1. met water en een harde borstel reinigen
schrubben
noun
- 2. werktuig met twee of meer gebogen bladen die door draaiing een schip of vliegtuig voortbewegen
Schiffsschraube
Propeller
propeller
- 1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
- 3. sprong met een draai om de lengteas
Schraube
noun
1. schroefdraad
Schraubengewinde
noun
1. een meetinstrument waarmee zeer nauwkeurig dikten, afstanden en diepten kunnen worden gemeten
Messschraube
Mikrometer
Mikrometerschraube
noun
1. een constructie waarmee aan een draad of kabel de gewenste spanning kan worden gegegven
Spannschloss
Spannschraube
verb
1. de oppervlakte een beetje verbranden
ansengen
versengen
absengen
sengen
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
Schraubendreher
Schraubenzieher
Schrauber
/
ˈsxrɔkə(n) /
verb
1. zo snel mogelijk eten
schlingen
noun
1. berg met metaalafval
Schrotthaufen
/
ˈs(χ)rotpremi/, /
ˈsxrotpremi/
noun
1. een regeling vanwege de overheid.
Abwrackprämie
Verschrottungsprämie
Umweltprämie
Ökoprämie
/
sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
Schuppe
noun
1. Annona squamosa, een vruchtboom die op de Antillen voorkomt
Rahmapfel
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Manidae
Schuppentier
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
schütteln
noun
Messschieber
Schieblehre
verb
1. zich verbergen
Schutz suchen
abschirmen
verbergen
/
sxʌʏm/
noun
1. iets dat veel luchtbellen bevat
Schaum
noun
Schaumlöffel
Schaumkelle
noun
Schaumlöffel
Schaumkelle
noun
1. een soort wijn die koolzuurbelletjes bevat
Schaumwein
adjective
- 2. betrekking hebbend op seks
anzüglich
schlüpfrig
- 1. niet-loodrecht
schief
schräg
/
sxœyt/
noun
- 1. een eenvoudig open vaartuig
Boot
Kahn
Schute
- 2. een spoelhouder
Schütze
verb
1. over de grond verplaatsen
schieben
noun
- 1. een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe niet betaald wordt
Schuld
- 2. een verantwoordelijkheid die iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
Schuld
Verschulden
noun
1. schriftelijk bewijs van financiële schuld
Schuldanerkenntnis
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
Gläubiger
noun
1. iemand die iets (meestal geld) aan iemand anders verschuldigd is
Schuldner
noun
1. langdurig verlies van vrijheid als gevolg van een schuld die niet kan worden afgelost
Schuldknechtschaft
/
'sxʏ.nəx/
adjective
- 3. laag, onfatsoenlijk (van gedrag, handelingen en bewoordingen)
anzüglich
schäbig
- 2. laag, onbetamelijk (van karakter)
kleinlich
schäbig
- 1. haveloos, armoedig
schäbig
ärmig
/
sxyrə(n)/
verb
1. een oppervlak glad maken door wrijving met een ruw oppervlak van grotere hardheid
scheuern
schmirgeln
schaben
/
sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
Schurke
Gauner
/
sxyːr/, /
sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
Scheune
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Schwabach
pronoun
1. stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Schwaigern
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Thüringen
Schwallungen
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Beieren
Schwangau
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk
Schwechat
noun
1. eenhandsfluit
Schwegel
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
- 2. een district in de Duitse deelstaat Beieren
Schweinfurt
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Schwetzingen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Schwäbisch Gmünd
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
- 2. een district in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Schwäbisch Hall
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Schöntal
noun
1. het aantal behaalde punten
Ergebnis
/
sku.bi.ˈdu/
noun
Scoubidou
Hexentreppchen
noun
1. scouting
Pfadfinder
/
ˈskrɪp.si/
noun
1. een werkstuk over een (literatuur-) onderzoek dat gemaakt wordt om een opleiding te kunnen voltooien
Dissertation
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
Seaborgium
noun
- 1. omgekeerde van de cosinus
- 2. lijn die een kromme op twee punten snijdt
Sekante
noun
- 1. SI-grondeenheid van tijd
- 5. een interval met een toonafstand
Sekunde
adverb
1. gedurende meerdere seconden
sekundenlang
/
səkrəta'rɛsə/
noun
vrouw
Sekretärin
/
səkre'tarəs/
noun
1. functie in organisatie
Sekretar
noun
1. hoge functionaris binnen grote organisaties, zoals de Verenigde Naties, NAVO, FIFA
Generalsekretär
noun
1. type personenauto
Limousine
noun
1. het verlagen van de staat van het bewustzijn van een patiënt met het doel een medische procedure of ingreep aangenamer te maken
Sedierung
Sedation
/
sə'fɑrd/
noun
1. jood uit Portugal, Spanje, Noord-Afrika of het Midden-Oosten
Sepharde
Sephardi
/
sə'fɑrdə(n)/
noun
1. meervoud van Sefard
Sepharden
Sephardim
/
sɛɪn/
noun
- 3. een verkeerslicht of verkeersbord voor treinen
Eisenbahnsignal
Signal
- aanduiding, aanwijzing
Signal
Zeichen
- 1. een betekenisvolle beweging
Zeichen
Signal
Fingerzeig
Wink
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Seine
verb
- 2. het overbrengen van een bericht
funken
- 1. geven van een teken
signalen geben
noun
1. seinlamp
Signallampe
noun
1. een toestel dat beweging en of trillingen van de aardkorst waarneemt en registreert
Seismograph
Seismograf
noun
1. grafische voorstelling van een door een seismograaf waargenomen aardbeving
Seismogramm
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
Seismologie
noun
1. een toestel dat beweging en of trillingen van de aardkorst waarneemt en registreert
Seismometer
/
sɛɪ̯.ˈzun/, /
sɛː.ˈzun/
noun
- 1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
Jahreszeit
- 2. een jaarlijks terugkerende periode
Saison
noun
1. arbeider in een seizoenbedrijf
Saisonarbeiter
/
sɛks/
noun
2. geslachtsgemeenschap
Sex
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
Geschlechtskrankheit
noun
1. ziekten die vooral worden overgedragen door seksueel contact.
sexuell übertagbare Krankheiten
/
ˌsɛksʏwolo'ɣi/
noun
Sexualforschung
Sexuologie
/
ˌsɛksʏwo'loɣ/
noun
Sexologe
/
ˈsɛks.wɛr.kər/
noun
Sexarbeiter
Sexarbeiterin
/
ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
Sekte
noun
1. tuinkruid, vergelijkbaar met peterselie, maar dan met een veel sterkere smaak
Sellerie
noun
1. bepaald soort plant, Apium graveolens
Sellerie
adjective
1. uitkiezend
selektiv
noun
1. Scheikundig element met symbool Se en atoomnummer 34
Selen
noun
1. een medicijn tegen de ziekte van Parkinson
Selegilin
noun
1. een verbinding van seleen waarin dit element de oxidatietoestand -2 bezit
Selenide
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Seligenstadt
noun
een half jaar
Semester
Halbjahr
/
ˈse.ne.ˌɣɑl/, /
ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Senegal
/
seˈnil/
adjective
1. aan de ouderdom eigen, door de ouderdom afgetakeld
senil
noun
1.
Boulevardblatt
People-Magazin
adjective
1.in vaak overdreven mate op gevoelens spelend
sentimental
adjective
Sepiabraun
sepiabraun
noun
1. een gehydrateerd magnesium-silicaat met de chemische formule Mg₄Si₆O15·6(H₂O), een fylosilicaat dat behoort tot de mica's.
Sepiolith
Meerschaum
noun
1. negende maand van het jaar
September
Scheiding
noun
1. septiemakkoord
Septimeakkord
/
ˌse.kwɛn.si.ˈjeːl/
adjective
sequenziell
/
seˈkoja/, /
seˈkɔja/
noun
1.1 benaming voor bomen uit het geslacht Sequoia
Sequoia
noun
1.
Serendipitität
Serendipität
noun
1. een rang onder de onderofficieren
Feldwebel
noun
1. serialisme
Serialimus
adverb
1. ernstig
ernsthaft
seriös
/
sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
Flieder
noun
1. een neurotransmitter met een overwegend inhiberende werking
Serotonin
noun
1. een vergiftiging met serotonine
Serotonin-Syndrom
noun
1. een slang
Schlange
Serpent
noun
Serrano-Schinken
Serranoschinken
noun
- 2. gebouw(tje) met veel glas voor het kweken van planten
Gewächshaus
Glashaus
Treibhaus
- 1. glazen veranda
Wintergarten
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leptailurus serval
Serval
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
Server
verb
- 2. de bal opslaan
aufschlagen
- 1. iets op tafel opdienen
servieren
auftragen
/
sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
Serviette
noun
1. ring om een opgerold servet bijeen te houden
Serviettenring
/
ˈsʏːrvɪs/
noun
1. bediening, diensten ten behoeve van de klanten.
Dienst
Service
/
ˈsɛrvis/, /
ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
Serbisch
serbisch
/
ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
Serbien
/
ˈsɛrvi.jər/
noun
1. een inwoner van Servië, of iemand afkomstig uit Servië
Serbe
/
sɛrvoːkroːˈaːtis/
pronoun
Serbokroatisch
noun
1. een uit Afrika afkomstige plant uit de familie Pedaliaceae
Sesam
pronoun
1.de langste Britse rivier
Severn
noun
1. sextakkoord (drieklank)
Sextakkord
noun
1. hoekmeetinstrument
Sextant
/
se.ˈʃɛ.lə(n)/, /
sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
Seychellen
noun
- 3. bolvormig vlak rond een centraal punt
Athmosphäre
- 1. het geheel van gedachten en gevoelens die de gemoederen in een bepaalde omgeving bezighouden
Stimmung
noun
1. een traditioneel Japanse fluit die aangeblazen op de rand van het boveneind.
Shakuhachi
/
ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
Shampoo
Schampon
noun
1. shanty
Seemannslied
Shanty
noun
1. een vorm van software die zonder of met weinig restricties verspreid mag worden,...
Shareware
noun
1. een Spaanse versterkte wijn
Sherry
noun
1. klein hondenras, afkomstig uit Tibet
Shih Tzu
noun
1. hemdachtig kledingstuk
Shirt
/
ˈʃowa/
pronoun
1. Holocaust
Schoah
/
ʃɔp/
noun
1. een winkel
Shop
noun
1. het winkelen, het boodschappen doen
Einkaufsbummel
Shopping
noun
1. een schaatsdiscipline waarbij op een baan van 111,12 meter op diverse afstanden geschaatst wordt door meerdere rijders tegelijk
Shorttrack
noun
1. graafmachine op banden met een beweegbare laadschop die zowel kan graven als grond verplaatsen
Radlader
/
ˈʃo.pro.sɛs/
noun
Schauprozess
noun
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
Internationales Einheitensystem
noun
zevende muzieknoot in de toonladder
Si
noun
1. SI-eenheid
SI-Einheit
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
Internationales Einheitensystem
adverb
2. het staat zo letterlijk in de brontekst
sic
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 10 miljoen mensen op Sicilië, in Zuid-Calabrië en Salento
Sizilianisch
sizilianisch
/
sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
Sizilien
noun
1. bepaald soort grote, palingachtige vis die zware stroomstoten kan afgeven, Electrophorus electricus
Zitteraal
noun
1. naam voor soorten platvis die hun prooi kunnen verdoven met een elektrische stroomstoot
Zitterrochen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Siegburg
/
ˈsirat/
noun
1. een voorwerp, meestal van edele metalen en edelstenen, dat bedoeld is het menselijk lichaam te tooien
Schmuck
Schmuckstück
/
ˈsiradə(n)/
noun
1. naamwoord meervoud van sieraad
Schmuck
/
ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /
ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /
ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
Sierra Leone
/
sɪɣɑˈrɛt/, /
sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
Zigarette
pronoun
1. en 2.
Sigmaringen
/
sɪɲˈaːl/
noun
1,2,3,4,5,6. vorm van informatie
Signal
noun
1. signaal-ruisafstand
Signal-Rauschabstand
noun
1. signaal-ruisverhouding
Signal-Rausch-Verhältnis
adjective
Signalblau
signalblau
adjective
Signalbraun
signalbraun
adjective
Signalgelb
signalgelb
adjective
Signalgrau
signalgrau
adjective
Signalgrün
signalgrün
noun
1. signaallamp
Signallampe
adjective
Signalorange
signalorange
adjective
Signalrot
signalrot
noun
1. signaalruisafstand
Signal-Rauschabstand
noun
1. signaalruisverhouding
Signal-Rausch-Verhältnis
noun
1. signaalspanning aan de ontvangantenne
Signalstärke
adjective
Signalviolett
signalviolett
adjective
Signalweiß
signalweiß
adjective
Signalschwarz
signalschwarz
verb
1. constateren en waarschuwen
feststellen
hinweisen auf
sichten
wahrnehmen
/
sɪχnifiˈkɑnt/
adjective
1. belangrijk
signifikant
verb
1. langzaam wegvloeien
sickern
noun
1. benaming voor een hoefdier Cervus nippon
Sikahirsch
/
ˈsɪkəl/
noun
1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
Sichel
/
siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
Schlesien
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
Silhouette
Schattenriss
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
Silizium
Silicium
noun
1. siliciumcarbide
Karborund
Siliciumcarbid
pronoun
2. spelwoord voor de letter s
Samuel
Siegfried
noun
1. het uit winstbejag verhandelen van geestelijke (kerkelijke) goederen of ambten
Simonie
noun
1. vereenvoudiging
Vereinfachung
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
Orange
Apfelsine
noun
1. boom van de Citrus sinensis
Apfelsinenbaum
Orangenbaum
noun
1. jam waarin de schillen van sinaasappel met het vruchtvlees worden meeverwerkt
Orangenmarmelade
noun
1. vruchtvlees van een sinaasappel, nadat het sap verwijderd is
Orangenfruchtfleisch
noun
1. een vruchtensap die uit sinaasappels bereid is
Orangensaft
adverb
1. in de tijd die erop volgde
seitdem
noun
1. makkelijk baantje, taak
Sinekure
/
ˌsɪŋɣaˈles/
pronoun
1. een taal die op Sri Lanka gesproken wordt
Singhalesisch
/
sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /
sɪŋ.gɑ.poːr/, /
sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Singapur
noun
1. kort onderhemd zonder mouwen
Unterhemd
noun
de linguïstieke en culturele assimilatie van termen en concepten naar die van de taal en cultuur van China
Sinisierung
/
ˈsɪŋk.sə(n)/
noun
1. christelijk feest waarbij herdacht wordt dat de Heilige Geest over de apostelen neergedaald is
Pfingsten
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Sinsheim
/
ˌsɪntøˈsta(t)sijʏs/
pronoun
Sint Eustatius
/
sɪnt.'maːr.tən/
pronoun
1. eiland in het noordoostelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
St. Martin
noun
1. bepaald Zwitsers ras van grote dogachtige honden
Bernhardiner
noun
1. Pecten jakobeus
Jakobsmuschel
noun
1. feestdag van een niet-bestaande heilige
Sankt Nimmerlein
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
Sankt Petersburg
noun
- 2. mythische figuur
Sankt Nikolaus
- 1. feest
Sankt Nikolausfest
noun
feest met cadeaus dat in Nederland, België en andere landen jaarlijks wordt gevierd
Sankt Nikolausfest
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
Sirene
/
ˈsɪsklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
Frikativ
Reibelaut
verb
1. hoogfrequente ruis voortbrengen, zoals het geluid van de s-klank
zischen
/
sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
Situation
verb
1. op minder fatsoenlijke manier handel drijven
schachern
noun
1. een kleine uiensoort
Schalotte
/
sʲezə(n)/, /
ˈʃezə(n)/
verb
1. er niet in slagen een studie of overhoring succesvol te voltooien
durchfallen
noun
1. iemand die heimelijk bedriegt
Schummler
/
ˈʃu.mə.lə(n)/
verb
schummeln
verb
1. iets met touw stevig vastzetten, zodat deze niet kan overgaan bij transport
zurren
verb
1. lopen met een zware lading
schleppen
/
ʃʋɑ/
noun
1. toonloze klinker
Schwa
noun
1. een Noordse hofdichter, heldendichter, volksdichter, dichterzanger en geschiedschrijver.
Skalde
Barde
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
Skelett
adjective
1. lijkend op een geraamte
skelettartig
noun
1. een kort, humoristisch optreden in de podiumkunst, vaak als onderdeel van een revue of show
Sketch
noun
- 1. soort fiets met ski's in plaats van wielen
Skibob
- 2. afdaling van een besneeuwde helling op een soort fiets met ski's in plaats van wielen
Skibobsport
noun
1. bril die tijdens het skiën gedragen wordt
Skibrille
noun
1. een kabelbaan voor skiërs
Skilift
noun
1. skin-effect
Skin-Effekt
verb
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
Ski
Ski fahren
/
skiər/
noun
1. een mannelijk iemand die aan skiën doet
Skiläufer
/
ˈskɔp.jə/
pronoun
1. de hoofdstad van Noord-Macedonië
Skopje
noun
- 2 en 3. (bladeren van) Lactuca sativa
Lattich
Gartensalat
Gartenlattich
- 4. salade
Salat
- 1. plant van de soort Lactuca
lattiche
Salat
/
slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
Sklave
trell
/
slaːx/
noun
1. het uitdelen of ontvangen van klappen
Prügel
verb
- 3. ergens plotseling mee beginnen
ausschlagen
- 1. een klap uitdelen; met de arm of een vastgehouden voorwerp een snelle, rakende beweging maken
- 2. het voorbrengen van geluid door ergens op te slaan
schlagen
/
slap/
noun
- 1. periode van inactiviteit
Schlaf
- 3. zijvlak van het hoofd
Schläfe
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Schläfenbein
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
Schlafzimmer
Schlafstube
noun
1. melodie met eenvoudige tekst die gezongen wordt om een kind in slaap te krijgen
Schlaflied
Wiegenlied
/
ˈslapmɑt/
noun
1. een mat waarop geslapen kan worden
Schlafmatte
noun
1. een geneesmiddel dat slaap veroorzaakt
Schlafmittel
noun
1. meestal in een punt uitlopend hoofdbedekking van textiel, gedragen tijdens de nachtrust
Schlafmütze
noun
3. glaasje sterke drank dat men 's avonds voor het slapen gaan drinkt
Schlaftrunk
/
slɑp/
noun
1. doekje om op te morsen
Lätzchen
Latz
noun
1. slachthuis
Metzgerei
Schlachterei
Schlachthaus
Schlachthof
/
ˈslɑx.hœːs/, /
ˈslɑxt.ɦœːs/, /
ˈslɑχ.tœʏ̯s/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
Schlachthaus
Schlachthof
noun
- 2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
Opfer
Beute
- 1. een dier dat gedood wordt als offer voor een godheid
Schlachtopfer
- 3. in het bijzonder iemand die sterft (of gewond raakt) ten gevolge van een gebeurtenis (ramp of gewelddaad)
Todesopfer
noun
1. hulp aan slachtoffers
Opferhilfe
noun
- 2. het opzettelijk doen belanden van een hand of een voorwerp op iemand
Schlag
- aan de slag gaan
beginnen
phraseologicalUnit
1.
Schlacht um Verdun
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
Arterie
/
ˈslɑxbom/, /
ˈslɑçbom/
noun
balk die dwars over een weg kan worden neergelaten als afsluiting
Schlagbaum
Schranke
/
ˈslaːɣə(n)/, /
ˈslaːχə(n)/
verb
2. het examen succesvol beëindigen
bestehen
noun
1. een verkoper van vlees
Fleischer
Metzger
noun
1. bedrijf van een slager
Fleischerei
Metzgerei
noun
1. groot scherp mes gebruikt om stukken vlees af te snijden van een geslacht dier
Fleischermesser
noun
1. muziekinstrument waarop wordt geslagen
Schlaginstrument
/
ˈslaxfɛlt/
noun
1. een gebied waarop een militair treffen tussen twee legers plaatsvindt of plaatsgevonden heeft
Schlachtfeld
noun
1. door schade sterk naar één kan overhellen van een schip
Schlagseite
noun
- 2. een onoplosbaar afvalproduct bij het smelten van metaal
Schlacke
- 1. een buikpotig weekdier (wijngaardslak)
Schnecke
- 1. een buikpotig weekdier (huisjesslak)
Schnecke
Gehäuseschnecke
noun
1. Rostrhamus sociabilis, een roofvogel van de moerassen van de warmere streken van de beide...
Schneckenweih
noun
1. kom waarin sla wordt klaargemaakt en opgediend
Salatschüssel
noun
1. waardeloze persoon
Faulpelz
Nichtsnutz
Taugenichts
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
Schlange
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
schlafen
/
ˈsla.pə.rəx/, /
ˈsla.pə.rəχ/, /
ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
schläfrig
/
ˈsla.pə.rəx.ˌɦɛːt/, /
ˈsla.pə.rəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /
ˈsla.pə.rɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
- 2. de neiging te gaan slapen
Schlafbedürfnis
- 1. het gevoel slaperig te zijn, afwezig zijn met gedachten
Verschlafenheit
noun
1. iemand waarmee men een slaapvertrek deelt, een kameraad
Stubenkamerad
Zimmerkollege
/
ˈslaː.və(n)ˌsxɪp/
noun
Sklavenschiff
noun
1. rolletje gehakt (gemalen en gekruid) met een lapje spek erom)
Roulade
/
slɛçt/
adjective
1. niet goed
schlecht
schlimm
noun
1. iemand die kwaad doet of in de zin heeft
Bösewicht
noun
1. de hoedanigheid van het slecht zijn
Schlechtigkeit
Niederträchtigkeit
adverb
1. alleen maar, vervoeging van slecht
nur
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
Wanderfalke
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
Schlitten
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
Schlepper
noun
1. vlechtwerk van touw dat over een waterbodem gesleept kan worden om zo waterdieren te vangen
Schleppnetz
pronoun
Schleswig-Holstein
noun
1. het met een bijl in houtblokken hakken van boomstammen
Verschleiß
verb
1. met een slee door de sneeuw glijden
Schlitten fahren
rodeln
noun
1. grote hamer
Pfahlhammer
noun
1. grote hamer
Pfahlhammer
verb
1. onmatig eten of drinken
schlemmen
schmausen
verb
- 2. (langzaam) ergens heen lopen zonder specifiek doel (zonder negatieve bijklank)
bummeln
- 1. (langzaam) ergens heen lopen, futloos of lusteloos
lungern
schlendern
verb
- iets in de wacht slepen
bekommen
ergattern
- 1. trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
schleifen
schleppen
noun
1. sleufantenne
Schlizantenne
/
sløːtəl/, /
sløːtəɫ/, /
ˈslø.tɔɫ/
noun
- 1. werktuig om te (ont)sluiten
- 3. een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
- 5. een aandeel of functie die in een groep van groot belang is
Schlüssel
- 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
Schlüssel
Code
- 2. moer- of Engelse sleutel
Schraubenschlüssel
noun
1. het bot dat het borstbeen met de schouder verbindt
Schlüsselbein
/
ˈsløtəɫˌbɔs/
noun
1. aantal sleutels dat aan eenzelfde ring of band hangt
Schlüsselbund
/
ˈsløtəɫχɑt/, /
ˈsløːtəlɣɑt/
noun
1. een gat in een slot waardoor een sleutel moet worden gestoken om hem te openen
Schlüsselloch
/
ˈsløtəɫˌɦɑŋər/
noun
1. ring om sleutels aan te hangen, vaak voorzien van een logo of label.
Schlüsselanhänger
noun
1. Zweeds volksinstrument
Schlüsselfidel
/
slirt/
noun
- 2. een lang, dun, slap hangend voorwerp met betrekking tot damp, mist, rook
Dampfschwaden
Nebelschwaden
Rauchschwaden
Schwaden
- 1. een lang, dun, slap hangend voorwerp met betrekking tot haar
Haarsträhne
Locke
Strähne
- 7. een lange magere person
Kolonne
Reihe
Schlange
- 6. een lange rij
Lange
langer Kerl
- 3. een lang, dun, na het koken slap hangend voorwerp met betrekking tot spaghetti
Nudelstrang
Spaghettistrang
Strang
- 5. een lang, dun voorwerp met betrekking tot techniek
Schliere
- 4. een lang, dun voorwerp met betrekking tot vormgeving bij deeg, kaasmassa
Teigschlange
Teigstrang
/
slɛːk/, /
slɛːɪk/
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
Schlamm
/
slɛɪm/
noun
1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
Schleim
noun
1. een met vocht gevuld 'kussentje' tussen een pees en de onderliggende botstructuur bij een gewricht, dicht bij de aanhechting van de pees op het bot
Schleimbeutel
noun
1. slijm afscheidend membraan
Schleimhaut
verb
1. door wrijving met een hard fijnverdeeld poeder het oppervlak van een vast voorwerp spiegelglad maken
glattschleifen
polieren
schleifen
noun
Schleifstein
Wetzstein
/
slɛɪ̯.ˈta.zʲə/, /
ˈslɛɪ̯.taːʃ/
noun
1. schade die door langdurig gebruik geleidelijk aangericht wordt
Abnutzung
Verschleiß
Erosion
verb
1. de slokdarm in
schlucken
adjective
1. intelligent, snel van begrip
klug
schlau
erfinderisch
findig
gewitzt
/
slɪp/
noun
- 1. kort, strak onderbroekje zonder pijpen
Unterhose
Slip
- 1. punt van een stof die naar beneden hangt
Zipfel
/
slɪpə(n)/
verb
1. door gladheid over de weg schuiven
rutschen
schleudern
schlittern
verb
1. foutieve uitspraak van de letter s
lispeln
noun
1. een brandewijn gedestilleerd uit gefermenteerde pruimen
Sliwowitz
noun
1. een brandewijn gedestilleerd uit gefermenteerde pruimen
Sliwowitz
noun
1. iemand die op grove wijze onordelijk is
Schlampe
Schludrian
noun
1. een klein scheepstype dat op het dek van een groter schip wordt meegevoerd
Schaluppe
Slup
/
slɔf/
noun
1n een comfortabel soort schoeisel bedoeld om in huis te gedragen te worden
Pantoffel
Puschen
Schluffen
/
slop/
noun
- 2. de daad van het slopen, afbreken
Abbruch
Abriss
Demontage
- 1. een stoffen omslag om een kussen
Kissenbezug
noun
Abbruchbirne
Abrissbirne
Abbruchkugel
Abrisskugel
/
sloːt/
noun
1. smal watergang om of tussen weilanden
Graben
verb
1. een structuur ontmantelen, afbreken
abreißen
abbrechen
adjective
1. zonder de nodige zorg uitgevoerd
nachlässig
schlampig
schluderig
noun
1. een fout doordat er iets nagelaten wordt
Schlamperei
Schlampigkeit
noun
- 1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
Schloss
- 2. een middeleeuwse versterkte woning
Schloss
Kastell
/
sloˈvens/, /
sloˈveːns/, /
sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
Slowenisch
Windisch
/
sloˈveni.jə/, /
sloˈveːni.jə/, /
sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
Slowenien
pronoun
1. internationale hulptaal
Slovio
/
slo.ˈwaks/, /
slo.ˈʋaks/, /
slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
Slowakisch
/
ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /
ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /
ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Slowakei
/
ˈslœʏpə(n)/, /
ˈslœːpə(n)/
verb
1. zeer voorzichtig lopen, op zo'n manier dat ontdekking vermeden kan worden
schleichen
noun
1.
Scharfschütze
franctirador
verb
- 1. toedoen, dichtmaken
schließen
- [een overeenkomst] sluiten
treffen
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
Sicherheitsnadel
noun
1. verlengde snuit
Rüssel
noun
1. zoogdier uit de orde Proboscidea
Rüsseltier
verb
1. ~ naar een bijzonder sterk verlangen hebben naar iets dat men ontbeert
schmachten
adjective
1. goed van smaak zijnd of van een goede smaak genietend
lecker
schmackhaft
/
ˈsmaː.kə.los/
adjective
- 1. (van voedsel) geen smaak hebbend
geschmacklos
- 2. (figuurlijk) geen fatsoen of gevoel voor esthetiek of mode hebbend, vulgair
geschmacklos
kitschig
verb
1. blijk geven van minachting
schmähen
adjective
Smaragdgrün
smaragdgrün
noun
1.
Falkenlibelle
Gemeine Smaragdlibelle
adjective
1. lijden veroorzakend
schlimm
/
ˈsmɑrtə(n)xɛlt/
noun
1. financiele vergoeding voor geleden leed
Genugtuung
Schmerzengeld
Schmerzensgeld
noun
1. smarting
Tausendfüßler
verb
1. het bewerken van metalen door deze heet te maken en met een hamer te slaan om het materiaal de gewenste vorm te geven
schmieden
noun
1. atelier, werkplaats van een smid, smederij
Schmiede
noun
1. een blok van metaal waarop een smid kan smeden
Amboss
noun
1. is ijzer dat wordt gemaakt door het te smeden
Schmiedeeisen
noun
Schmiergeld
Bestechungsgeld
noun
1. een zacht soort kaas dat uitgesmeerd kan worden op bijvoorbeeld brood
Schmelzkäse
noun
1. een ventiel voor doorsmeervet
Schmiernippel
/
smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
anflehen
flehen
noun
1. (bloemplanten)
Schmiele
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
schmelzen
/
ˈsmɛltkrus/
noun
- 2.
Schmelztiegel
- 1. vuurvaste pot voor het mengen van gesmolten metaal
Schmelztiegel
Tiegel
/
smɛltpʌnt/
noun
1. de temperatuur waarbij iets gaat smelten
Schmelzpunkt
noun
1. de hoeveelheid warmte die opgenomen wordt bij het smelten van een kristallijne vaste stof
Schmelzwärme
noun
1. water dat afkomstig is van gesmolten sneeuw of ijs
Schmelzwasser
noun
ziekelijke angst voor verontreiniging
Angst vor Schmutz
/
ˈsmø.lə(n)/
verb
- 1. zacht en langzaam branden zonder vlammen
glimmen
schwelen
- 2. verborgen aanwezig zijn
schwelen
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
Schmied
Schmiedin
noun
1. werkplaats van een smid
Schmiede
/
smɛitə(n)/
verb
1. hard gooien of werpen
schmeißen
verb
1. met smaak en genoegen eten
schlemmen
schmausen
/
smul/
noun
- 2. (vulgair of informeel) aangezicht
Fratze
Visage
- 1. (vulgair of informeel) mond
Maul
/
ˈsmɔ.kə.lə(n)/
verb
1. wederrechtelijk goederen over een grens brengen om heffingen te ontduiken
schmuggeln
/
smoːr.vər.lift/
adjective
- smoorverliefd worden
verknallen
- 1. erg verliefd
verknallt
verb
- 1. iemand of iets het ademen beletten
erdrosseln
ersticken
erwürgen
- 3. iets in enig vet aanbraden, vervolgens vocht toevoegen en afdekken om het zachtjes gaar te laten worden
schmoren
brutzeln
- 2. onderdrukken
unterdrücken
noun
- 2. berichtje verstuurd met een gsm
SMS
- 1. dienst om met behulp van een mobiele telefoon korte berichten te versturen en te ontvangen
SMS-Dienst
/
ɛsɛˈmɛsə(n)/
verb
1. een sms-bericht versturen
simsen
verb
1. genietend eten
schlemmen
schmausen
schnabulieren
/
ˈsmʏl.pa:p/
noun
Feinschmecker
noun
- 1. strip- en tekenfilmfiguur in de vorm van een soort blauwe kabouter met een wit mutsje
- 3. iemand die niet meetelt
Schlumpf
noun
2. lang zeer dun rond en flexibel voorwerp
Saite
noun
1. muziekinstrument met snaren
Saiteninstrument
noun
1. muziekinstrumenten waarbij de toon wordt geproduceerd door een trillende snaar
Chordophone
noun
1. een zaak waar men snacks en andere gefrituurde etenswaren verkoopt
Imbiss
Imbissbude
Imbissstand
Imbissstube
/
'snɑpə(n)/
verb
1. iets vatten in de zin van begrijpen, doorhebben
kapieren
/
ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
Schnabel
/
sner/
noun
1. een minachtende of vernederende opmerking
höhnische Bemerkung
/
sneʊ̯/, /
sneːβ̞/, /
snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
Schnee
Grieß
/
ˈsneʊ̯bɑl/, /
ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
Schneeball
adjective
1. verblind door de hevige schittering van de sneeuw
schneeblind
noun
1. hoornvliesontsteking door blootstelling aan een overmaat aan uv-straling op open sneeuwvlakten
Schneeblindheit
noun
1. bril ter voorkoming van sneeuwblindheid
Schneebrille
noun
1. een bui sneeuw
Schneeschauer
noun
1. een laag sneeuw op de bodem, die wordt gevormd als gevolg van sneeuwval en sneeuwstormen en gedurende een bepaalde periode blijft liggen
Schneedecke
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
schneien
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
Alpenschneehuhn
noun
1. iglo
Iglu
Schneehütte
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
Schneemann
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen sneeuw (d.i. vaste neerslag) meet
Schneemesser
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera uncia
Schneeleopard
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
Schneemann
/
snewrœymə(n)/
noun
1. de verwijdering van sneeuw van wegen, trottoirs, enz.
Schneeräumung
snerydning
/
snewrœymə(n)/
verb
1. het verwijderen van sneeuw van wegen, trottoirs, enz.
Schnee räumen
/
ˈsneʊ̯.sxœː.vər/, /
ˈsneːβ̞.sxœː.vər/, /
ˈsnɪːβ̞.sχœʏ̯.vər/
noun
- 2. een voertuig dat is uitgerust met een mechaniek waarmee het sneeuw kan verplaatsen
- 3. een mechaniek waarmee een voertuig uitgerust kan worden zodat het er sneeuw mee kan schuiven
Schneepflug
- 1. een apparaat met een steel en een blad waarmee scheeuw verschoven kan worden
Schneeschaufel
Schneeschieber
Schneeschippe
/
'snew.stɔrm/
noun
Schneesturm
noun
1. bepaald soort vogel, Bubo scandiacus
Schneeeule
Schnee-Eule
/
'snewvlɔk/
noun
1. een kleine massa aaneengehechte sneeuwkristallen
Schneeflocke
/
snɛɫ/
adjective
schnell
rasch
noun
- met (een) halsbrekende snelheid
Affenzahn
- 1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
Geschwindigkeit
noun
1. meter die de snelheid meet van de lucht (luchtvaart)
Fahrtmesser
noun
1. een overtreding van de gestelde maximumsnelheid op de openbare weg
Geschwindigkeitsübertretung
/
'snɛlʋɛx/
noun
1. een grote brede weg speciaal voor motorvoertuigen
Autobahn
noun
1. en 2. (peulvrucht van) ras van Phaseolus vulgaris
Schnittbohne
/
ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
schneiden
noun
1. vrolijk stapellied, waarbij een voorzanger telkens de regels van een nieuw couplet als een vraag zingt, waarna de andere zangers die als antwoord herhalen
Hobelbank
Schnitzelbank
noun
1. gehard stalen blokje met een van schroefdraad voorzien gat, waarmee men uitwendige schroefdraad kan snijden
Schneideisen
noun
1. snijmoer
Schneidmutter
noun
1. snijplaat
Schneideisen
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Scolopacidae
Schnepfe
/
ˈsnujə(n)/
verb
1. terugbrengen op gewenste lengte
stutzen
/
ˈsnujsxar/, /
ˈsnujsχar/
noun
1. een stevige, korte schaar voor het snoeien van planten, struiken e.d.
Baumschere
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
Hecht
noun
1. bepaald soort zoetwaterroofvis, Sander lucioperca
Zander
noun
1. een meestal grotendeels van suiker vervaardigde lekkernij
Bonbon
noun
1. soepele elektriciteitskabel die binnenshuis gebruikt wordt
Anschlusskabel
noun
- 2. vogel
Rohrschwirl
- 1. beharing
Schnurrbart
Schnauzbart
noun
- 1. een holle gebogen buis van rubber of plastic, met een mondstuk, dat je in staat stelt adem te halen als je aan het wateroppervlak zwemt met je hoofd onder water.
- 2. een toestel voor luchtverversing in een onderzeeboot.
Schnorchel
verb
1. het zwemmen in het water met een duikbril, snorkel, mogelijk duiklood en vaak ook zwemvinnen waarbij diegene met het gezicht naar beneden kijkt en via de snorkel ademhaalt
schnorcheln
noun
1. soort skiplank
Snowboard
verb
- 1. aandachtig ruiken
schnüffeln
- 2. nieuwsgierig doorzoeken
stöbern
noun
1. reukorgaan van dieren
Schnauze
verb
- 1. door beurtelings de neus samen te knijpen en door de neus te blazen slijm uit de neusholte verwijderen
- 2. het inkorten van de lont van een brandende kaars om het walmen te beperken
schnäuzen
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
schnarchen
/
soʃal/
adjective
- 1. betrekking hebbend op de menselijke samenleving
- 2. geneigd om in groepen te leven
- 3. gevoel hebbend voor de nood van de medeleden van de samenleving
sozial
adjective
1. betrekking hebbend op bedrijvigheid waar maatschappelijke doelstellingen belangrijker zijn dan winst
sozialwirtschaftlich
verb
3. in bezit geven van de gemeenschap in plaats van in bezit zijn van een particulier
sozialisieren
vergemeinschaften
vergesellschaften
pronoun
1. officiële naam van Joegoslavië van 1963 tot 1992
Sozialistische Föderative Republik Jugoslawien
/
soʃo'ekonomis/
adjective
1.
sozioökonomisch
noun
1. visuele voorstelling van de affectieve relaties in een sociale groep
Soziogramm
noun
1. wetenschap
Soziologie
Gesellschaftskunde
adjective
1. betrekking hebbend op of product zijn van de sociologie
soziologisch
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
Sociopath
/
so.si.e.'tɛit/
abbreviation
- 1. een gezelligheidsvereniging
Klub
Verein
- 2. een gebouw of lokaal waarin een sociëteit bijeenkomsten houdt
Klubhaus
Vereinsheim
/
su.ˈdɑn/, /
zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
Sudan
noun
1. vloeibaar gerecht
Suppe
noun
1. diep bord
Suppenteller
/
'supəł/
adjective
- 1. Yodio buigend en zich aanpassend
beugsam
biegsam
flexibel
- 2. weinig problemen ondervindend
flexibel
noun
2. lepel waarmee soep gegeten wordt
Suppenlöffel
noun
1. een geglazuurde schaal om soep of stoofpot uit te serveren
Suppenschüssel
Suppenterrine
noun
1. gebeurtenissen of bezigheden die meer aandacht vereisen dan wenselijk is
Brass
Heckmeck
Theater
Ärger
verb
1. dommelen, half slapen
träumen
dösen
dümmeln
noun
1. medicijn tegen slapeloosheid en misselijkheid dat ernstige afwijkingen kan veroorzaken bij ongeboren kinderen
Contergan
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
Software
noun
1. eiwitrijke boon van de sojaplant
Sojabohne
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
Socke
Strumpf
noun
1. een voetstuk, voornamelijk voor beelden
Sockel
noun
2. extra online identiteit
Sockenpuppe
noun
1. vergoeding aan de opstalgever voor opstalrecht
Bauzins
Erbbauzins
/
sɔlˈdaːt/
noun
1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
Soldat
Soldatin
noun
- 2. orchideeënsoort
Helm-Knabenkraut
- 3. een langwerpig stukje toast
Toast-Stäbchen
noun
1. een stuk gereedschap om mee te solderen
Lötkolben
noun
1. een handpomp waarmee gesmolten soldeertin bij het lossolderen kan worden opgezogen
Entlötpumpe
verb
1. een door verhitting vloeibare tussenstof aanbrengen tussen losse metaaldelen waardoor deze na afkoeling vast verbonden blijven
löten
noun
1. keerpunt van de zon
Sonnewende
/
sɔm/
noun
1. resultaat van een optelling
Summe
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Somalië
Somalisch
Somali
/
so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
Somalia
adjective
- 1. in neergeslagen stemming
deprimiert
- 2. een neergeslagen stemming veroorzakend
trübselig
verb
1. met autoriteit een bevel geven
auffordern
indefinitePronoun
1. een onbepaald, meestal klein aantal
einige
manche
noun
1. instrumentaal muziekstuk
Sonate
noun
- 1. een peilstift om de ruimte binnen een lichaam te verkennen, of om er gegevens op te nemen
- 3. een onbemand ruimtevaartuig
- 2. een instrument om voeding in vloeibare vorm toe te dienen
Sonde
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Sondershausen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Sonthofen
/
ˈsɔːrt/
noun
- 2. een groep levende wezens die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
Art
- 1. een groep voorwerpen die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
Gattung
Art
phraseologicalUnit
1. compactheid
Dichte
/
ˌsɔporaˈtif/
adjective
einschläfernd
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
Sopranblockflöte
noun
1. sopraansaxofoon
Sopransaxofon
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
Sopraninoblockflöte
noun
1. een sopraninosaxofoon
Sopraninosaxophon
noun
1. een soprillosaxofoon
Soprillosaxofon
pronoun
1. een groep Slavische talen die wordt gesproken in het oosten van Saksen en het zuidoosten van Brandenburg
Sorbisch
sorbisch
adjective
1.
sorbischsprachig
interjection
1. een informele verontschuldiging of excuses
Entschuldigung
verb
1. orde in een verzameling aanbrengen door soort bij soort te leggen
sortieren
noun
1. klein voorwerp dat helpt om aan een prettige ervaring met een plaats of persoon terug te denken
Andenken
Souvenir
noun
1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
Speiche
/
ˈspakbeɪn/
noun
bot in de onderarm
Speiche
Radius
/
ˈspandər/
noun
1. langwerpig stukje hout dat bij het hakken afvalt.
Span
/
spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
spanisch
Spanisch
/
spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
Spanisch
spanisch
/
ˈspan.sə/
noun
1.
Spanierin
noun
1.
Russischer Bär
Spanische Flagge
adjective
1.
spanischsprachig
noun
Esparnisse
Spargroschen
noun
1. spaarbank
Sparkasse
/
ˈsparlɑmp/
noun
1. een energiezuinige lamp
Sparlampe
noun
- 2. (figuurlijk) financiële reserve
Notgroschen
- 1. afgesloten voorwerp waarin contant geld opgespaard wordt
Spardose
Sparschwein
Sparbüchse
/
'spar.zam/
adjective
1. zorg dragend niet te verspillen
sparsam
noun
1. brede, zware schep, bedoeld voor het spitten van grond
Spaten
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Spangdahlem
/
ˈspɑ.ɲard/, /
ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
Spanier
/
ˈspɑ.ɲə/, /
ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
Spanien
verb
1. onder trekkracht brengen
spannen
noun
1. schakeling die een elektrische spanning afgeeft waarvan de grootte onafhankelijk is van de belasting
Spannungsquelle
noun
1. een constructie waarmee aan een draad of kabel de gewenste spanning kan worden gegegven
Spannschloss
Spannschraube
noun
1. een constructie waarmee aan een draad of kabel de gewenste spanning kan worden gegegven
Spannschloss
Spannschraube
noun
1. afstand tussen uiteinden
Spannweite
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
Fichte
/
ˈspa.rə(n)/
verb
1. geld niet uitgeven
sparen
noun
1.
Schutzblech
Kotflügel
verb
1. het voorzichtig door elkaar scheppen van twee of meer producten met behulp van een spatel
unterheben
noun
1. tussenruimte tussen twee woorden
Leerzeichen
noun
1. een langwerpige toets op de onderste rij van het toetsenbord waarmee een spatie in de tekst kan worden aangebracht
Leertaste
noun
1. de lange toets die in het midden van het standaardtoetsenbord zit een waarmee men een spatie kan typen
Leertaste
/
ˈspɑtə(n)/
verb
plätschen
spritzen
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
Specht
/
spe.si.ˈjal/, /
spe.ˈsjaːl/, /
spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
speziell
noun
- 1. bijzondere kennis of vaardigheid van iemand
- 2. bijzonder product
Spezialität
noun
1. specificatie
Spezifikation
verb
1. in details beschrijven
spezifizieren
adjective
1. kenmerkend
spezifisch
adverb
1. in het bijzonder
spezifisch
noun
donkere of juist lichte lijn in het spectrum van licht
Spektrallinie
/
ˌspe.ky.ˈlas/
noun
1. een harde, droge kruidkoek, die vooral rond Sinterklaas gegeten wordt, soms gevuld met amandelspijs
Spekulatius
noun
Spekulatiuscreme
Spekulatiuscrème
noun
1. iemand die bij het kopen of verkopen op korte termijn veel winst verwacht te maken door prijsstijging of prijsdaling
Spekulant
verb
1. inzetten op een bepaalde kans, meestal met hoog risico
spekulieren
noun
Spekulatiuscreme
Spekulatiuscrème
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
Speichel
noun
1. een klier die speeksel produceert en naar de mondholte afscheidt
Speicheldrüse
noun
- 2. rondreizend artiest
Spielmann
- 1. rondreizend kunstenaar
Spielmann
Minstrel
noun
- 1. meubelstuk
- 2. bedieningsorganen van een muziekinstrument
Spieltisch
noun
1. een omheinde plek grond met speelobjecten voor kinderen
Spielplatz
noun
2. tepel van een zoogdier
Zitze
Brustwarze
noun
1.1 bepaald soort plant met niervormige bladeren, botergele bloemen en wortelknolletjes, Ficaria verna
Scharbockskraut
noun
1. een big dat nog gezoogd wordt
Spanferkel
/
spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
Speer
noun
1. onderhuidse vetlaag bij varkens
Speck
noun
1. opzienbarend schouwspel
Spektakel
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
Spiel
/
'spɛl.kɔm.pju.tər/
noun
1. een computersysteem dat specifiek gemaakt is om spellen op te spelen
Spielkonsole
noun
1. onjuiste schrijfwijze van een woord
Rechtschreibfehler
verb
1. letters in de juiste volgorde plaatsen
buchstabieren
noun
1. spelletje
Spielchen
/
ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
Rechtschreibung
Orthographie
noun
1. een spleetvormige holte in een berg
Höhle
noun
1. fijn gemalen zaden van Triticum spelta
Dinkelmehl
Dinkelweizenmehl
/
spɛltmɪːɫ/
noun
1. fijn gemalen zaden van Triticum spelta
Dinkelmehl
Dinkelweizenmehl
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
Sperber
noun
1. bepaald soort zangvogel, Sylvia nisoria
Sperbergrasmücke
noun
1. en 2. (peul van) cultivar van Phaseolus vulgaris
grüne Bohne
noun
1.een weggeslingerde druppel
Spritzer
noun
1. speciaal opgeleide hond voor het zoeken en volgen van reuksporen
Spürhond
noun
- 1. spie
Keil
- 2. (inleg-) spie
Passfeder
noun
1. beelden terugkaatsend voorwerp
Spiegel
noun
- 1. een orgaan
Muskel
- 2. ronde paal op een schip
Spiere
noun
1. bepaald soort klein zilverwit visje, Osmerus eperlanus
Stint
/
ˈspiːrpɛɪ̯n/, /
ˈspiːrpɛːn/
noun
1. pijn in een spier
Muskelkater
Muskelschmerz
noun
1.een spierkwetsuur waarbij de spiervezels uitgerekt worden
Muskelzerrung
verb
2. ter dood brengen door doorboring met een spies
aufspießen
noun
- 4. (uitdrukking) ± Spijkers op laag water zoeken.
Haarspalterei betreiben.
- 1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
Nagel
- 2. (uitdrukking) ± De spijker op de kop slaan.
den Nagel auf den Kopf treffen.
noun
1. een broek van spijkerstof
Jeans
Jeanshose
Nietenhose
noun
1. bereid voedsel
Speise
/
spɛj.tǝ:/
verb
1. berouw veroorzaken
Leid tun
noun
- 2. de as waar iets rond draait
Achse
Drehpunkt
- 3. iets wat of iemand die een centrale plaats inneemt
Mittelpunkt
Seele
Stütze
Säule
- 1. een kaapstaander
Spill
adjective
verschwenderisch
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
Spinne
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
Spinat
/
spɪndɘ/
noun
1. een voorraadkast, een provisiekast
Spind
noun
- 1. een klos waarop de katoen- of vlasdraad wordt gewonden
- 2.
Spindel
noun
1. toetsinstrument met schuin geplaatste snaren
Spinet
verb
- 2. snorren, een brommend geluid maken
schnurren
- 1. een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
spinnen
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
Spinne
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
Spinne
noun
1. een door een spin gemaakt net om insecten te vangen
Spinnennetz
noun
1. benaming voor de groep Spirochaetes
Spirochäten
adjective
- 2. scherpzinnig
scharfsinnig
- 1. in een punt uitkomend
spitz
noun
- 3. klein vrachtschip, binnenschip (ook wel gebruikt als woonboot)
Frachtkahn
- 5. type hond met een spitse snuit
Spitz
- 4. scherp, puntig uiteinde
Spitze
- 1. grote drukte in het verkeer op terugkerende tijdstippen
Stoßzeit
Spitze
- 2. binnen een ploeg een aanvallende speler die een positie opzoekt waarin hij een doelpunt kan maken
Stürmer
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
Spitzbergen
Svalbard
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
Spitzmaus
adjective
1. scherpzinnig
geistreich
witzig
noun
1. spleetantenne
Schlizantenne
noun
1. een vulkanische uitbarsting waarbij magma over een langgerekte spleet in de aardkorst het oppervlak bereikt
Spalteneruption
verb
1. langs een nerf in tweeën breken
spalten
/
'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
Splitter
Spreißel
verb
- 1. in twee of meer delen uiteen gaan
teilen
- 2. in twee of meer delen opdelen
teilen
spalten
noun
2. plaats waar iets zich splitst
Abzweigung
Gabelung
Verzweigung
adjective
1. binnen een kort tijdsbestek
baldig
schnell
adverb
1. binnen een kort tijdsbestek
bald
gleich
kurzfristig
noun
- 1. een cilindrische vorm
- 3. fotografische
- 2. een element van zelfinductie
Spule
noun
1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
Gespenst
noun
1. een schaaf om bolle oppervlakken glad te schaven
Schweifhobel
noun
1. een legendarisch schip dat zonder bemanning eeuwig blijft rondvaren
Geisterschiff
noun
1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
Gleis
Spur
adjective
1. verdwenen zonder aanwijzing van waarnaartoe
spurlos
noun
1. een gelijkvloerse kruising tussen een verkeersweg en een spoorweg
Bahnübergang
Eisenbahnübergang
noun
1. bepaald soort loofboom, Frangula alnus
Faulbaum
/
spɔrt/
noun
- 1. lichaamsbeweging
Sport
- 2. trede van een ladder
Sprosse
- 3. stoelspaak
Steg
verb
1. aan sport doen
Sport treiben
noun
1. beoefenaar van een sport
Sportler
noun
iemand die zich toelegt op het bedrijven van sport
Sportler
noun
Sneaker
Sportschuh
Turnschuh
noun
1. terrein waar men een sport beoefenen kan
Sportfläche
Sportgelände
noun
1. (sport) grasveld met doelpalen, grenslijnen e.d. waarop diverse sporten worden bedreven
Sportplatz
noun
1. een vereniging voor personen die eenzelfde sport beoefenen of die nauw betrokken zijn bij diezelfde sport
Sportverein
noun
- 2. reclameboodschap
- 3. lamp
Spot
- 1. het spotten
Spott
verb
1. zich met belachelijk makende of oneerbiedige scherts uiten
spaßen
noun
1. een zangvogel die geluiden kan nabootsen
Gelbspötter
noun
1. (bouwkunde) luchtruimte tussen twee muren van een dubbele
Hohlraum
noun
1. een dubbele muur met ruimte ertussen
Hohlwand
/
sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
Sprache
noun
1. een spreekstoornis
Sprachfehler
Sprachstörung
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal
Grammatik
Sprachlehre
adjective
snel geneigd tot spreken
gesprächig
verb
1. korte heldere lichtflitsjes voortbrengen door weerkaatsing of door vonkjes
funkeln
glitzern
noun
1. een voordracht voor een publiek over een bepaald onderwerp
Referat
Vortrag
noun
1. een kamer waar men een gesprek met iemand kan voeren
Sprechzimmer
/
'sprekor/
noun
- 1. een groep mensen die gezamenlijk leuzen schreeuwt
- 2. de leus die door een groep mensen gezamenlijk wordt uitgeschreeuwd
Sprechchor
noun
1. de taal die men bij het gewone spreken gebruikt
Umgangssprache
/
ˈsprekyːr/
noun
1. de tijd waarin een hulpverlener patiënten te woord staat
Sprechstunde
/
sprekˈwordələk/
adjective
1.volgens het spreekwoord
sprichwörtlich
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
Star
noun
1. een balk in het want waarin korvijnagels zijn geplaatst
Nagelbrett
/
ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
sprechen
reden
noun
1. Antidorcas marsupialis, een aan de gazelle verwante antilope, leeft in Zuid-Afrika
Springbock
verb
- in de gaten springen
einspringen
- 1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
springen
noun
1. stuk touw
Springseil
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
Heuschrecke
Grashüpfer
gresshoppe
noun
1. bepaald soort vrij kleine vogel met gestreepte bovenzijde en monotone zang, Locustella naevia
Feldschwirl
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
Sommersprosse
noun
1. verzonnen vertelling
Märchen
noun
Sprattus sprattus
Sprott
europäische Sprotte
noun
2. een uitloper van de spruitkool
Rosenkohl
noun
1. koolsoort waarvan de gekookte okselknoppen als spruitjes gegeten worden
Rosenkohl
noun
1. slijmvliesontsteking in mond of darmen
Soor
/
'spy.ɣə(n)/
verb
1. speeksel uit de mond doen uitschieten
spucken
verb
1. overgankelijk: snel doen stromen
spritzen
/
spɵlə(n)/
noun
Dinge
Sachen
noun
Spionagesoftware
Spyware
/
sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
Sri Lanka
/
st/
suffix
2.vormt de overtreffende trap van bijvoeglijke naamwoorden
ste
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
St. Blasien
/
ˈstaf.kɛrk/
noun
1. een geheel uit hout opgetrokken kerkgebouw, met een typische bouwstijl die voornamelijk in Scandinavië wordt aangetroffen
Stabkirche
Mastenkirche
noun
1. overeenkomst voorlopig een einde te maken aan de gevechtshandelingen
Feuerpause
/
staːɫ/
noun
- 2. een monster van een stof, een kleine hoeveelheid van iets als proef
Muster
Probe
- 1. een legering van ijzer en koolstof
Stahl
adjective
Stahlblau
stahlblau
/
staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
stehen
noun
- 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
- 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
Schwanz
Schweif
noun
- 1. een land
Staat
- de staat van dienst
Erfahrung
- 1. toestand
Zustand
Staat
- in staat stellen
ermöglichen
noun
1. iemand die burgerrechten in een staat heeft
Staatsbürger
staatsborgar
staatsborger
noun
1. illegale afzetting van een regering
Putsch
Staatsstreich
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
Staatsoberhaupt
/
ˈstats.kɛrk/
noun
1. een kerkstroming die tot officiële staatsgodsdienst is gemaakt in een samenleving zonder scheiding van kerk en staat
Staatskirche
adjective
1. standvastig, duurzaam
stabil
noun
1. de vleugel op de staart van een vliegtuig
Hohenruderflosse
/
stɑd/, /
stɑt/
noun
Woonplaats
Stadt
Gemeinde
noun
2. iemand die in dezelfde grote plaats is geboren
Landsmann
/
ˈstɑdhœːs/, /
ˈstɑthœʏs/, /
ˈstɑthœːs/
noun
1. een gebouw waar de stadsdiensten gehuisvest zijn
Rathaus
/
ˈstɑt.stat/
noun
1. staatsvorm
Stadtstaat
noun
1. een vernieuwing van verpauperde stadswijken
Stadtsanierung
/
ˈstɑts.ʋɑn.də.lɪŋ/, /
ˈstɑts.β̞ɑn.də.lɪŋ/
noun
1. een wandeling door een stad, meestal met als doel belangrijkste plekken te bezichtigen
Stadtbummel
Stadtführung
pronoun
1. een gemeente in Luxemburg
Stadtbredimus
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Stadthagen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Stadtlohn
noun
1. een stok bedoeld voor ondersteuning of onderscheiding van een persoon
Stock
noun
1. rente berekend over een bedrag op een rekening-courant over de periode tussen twee wijzigingen
Staffel
noun
1. een touw of kabel waarmee een mast stabiel wordt gehouden
Stag
verb
- 2. beëindigen
einstellen
- 1. een werkonderbreking of (ludieke) actie houden voor betere arbeidsvoorwaarden of meer loon
streiken
/
'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
Streik
noun
1. iemand die veel pech heeft, veel tegenslagen meemaakt
armer Teufel
/
stɑl/
noun
- 4. verkoopruimte
Bude
- 2. renstal
Rennstall
- 1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
Stall
noun
meervoud van stal
Ställe
verb
in een stal zetten
stallen
noun
1. de geur en de atmosfeer in een stal
Stallgeruch
noun
- 1. dikke houtige stengel van een struik
Stamm
- 2. deel van de boom tussen de wortels en de kruin
Stamm
Baumstamm
- 4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
Stamm
Volksstamm
- 7.
Wortstamm
noun
2. vijzelstamper
Stößel
noun
1. gerecht van groente, aardappelen of een andere wortelplant, waar met een stamper gewerkt wordt
Eintopf
Stamppot
adjective
1. zo vol dat het lijkt alsof het aangestampt is
rappelvoll
noun
1. toon, zonder verhoging of verlaging, van een diatonische toonladder
Stammton
/
ˈstɑn.dard.ˌɑf.wɛɪ̯.kɪŋ/, /
ˈstɑn.dart.ˌɑf.ʋɛɪ̯.kɪŋ/, /
ˈstɑn.dart.ˌɑf.β̞ɛː.kɪŋ/
noun
1. spreidingsmaat
Standardabweichung
/
ˈstɑn.dar.de.vi.ˈja.si/, /
ˈstɑn.dar.de.vi.ˈja.tsi/, /
ˈstɑn.dar.te.vi.ˈja.si/
noun
1. spreidingsmaat
Standardabweichung
verb
1. alles onderwerpen aan een vooraf bepaalde standaard
standardisieren
noun
1. standaardmuziektoon
Kammerton
noun
1. officieel vastgelegde taalvorm die binnen een bepaald gebied als de voorgeschreven norm geldt.
Schriftsprache
Standardsprache
Ausbausprache
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
Statue
Standbild
noun
1. korte woordelijke bestraffing
Rüge
Standpauke
/
stɑmpʌnt/
noun
1. Houding ten aanzien van een vraagstuk
Stellungnahme
noun
1. snel uitgevoerde berechtiging (m.n. executies)
Standrecht
/
stɑntvɑstəxhɛɪt/
noun
1. het trouw zijn aan de eigen principes
Standfestigkeit
Standhaftigkeit
/
stɑŋ/
noun
1. meestal metalen voorwerp in de vorm van een lange stijve cilinder
Stange
noun
1. een sterke, stinkende geur
Gestank
verb
1. iets uit plaatmateriaal (metaal, rubber, leer etc.) slaan of daarin aanbrengen met een snijdende stempel
stanzen
noun
- 1. een gestructureerde hoop spullen
Haufen
Stapel
- 2. de tijdelijke constructie waarop een in aanbouw of reparatie zijnd schip rust
Stapel
noun
1.Twee bedden op elkaar
Etagenbed
Stockbett
noun
1. elk van de constructies van gestapelde houten blokken waarmee schepen worden ondersteund
Stapel
/
ˈstɑ.pə(n)/
verb
- 2. een avondje uit gaan
ausgehen
bummeln
- 1. het lichaam vooruit bewegen door een of meer keer een voet naar voren te zetten
schreiten
noun
1. een begin ergens van
Start
verb
- 2. ergens een begin mee maken
anfangen
beginnen
starten
- 1. iets op gang brengen
starten
adjective
1. klaar zijn om te gaan beginnen
startklar
/
ˈstatə(n)ˌbɛibəl/
noun
1. de bijbelvertaling in het Nederlands die in opdracht van de Staten-Generaal in 1637 voor het eerst verscheen
Bibel
noun
1. stabiel onderstel voor camera
Stativ
noun
1. reeds betaalde bijdrage die men weer terugkrijgt bij de inlevering van de verpakking (of een gebruiksvoorwerp)
Pfand
Depot
Einsatz
/
sta.ˈsʲɔn/
noun
- 1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
Bahnhof
Station
Bahnstation
- 2. een zender die radio- of televisieprogramma's uitzendt
Fernsehstation
Rundfunkstation
Sendestation
noun
het stilstaand gedeelte van een motor of generator
Stator
noun
- 1.1 aanzien in de maatschappij
Ansehen
Status
- 1. plaats in een vast geheel of een bepaald proces
Status
noun
1. huidige stand van zaken
Status quo
adverb
1. voortdurend
stets
noun
1. zeer smal straatje
Gasse
noun
1. een werktuig om moeren en bouten vast of los te draaien
Gabelschlüssel
Maulschlüssel
noun
- 1. een spel waarbij twee ridders elkaar met lansen trachtten uit het zadel te werpen
Lanzenstechen
Tjost
- een juridisch steekspel
Rechtsstreit
/
sten/, /
steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
Stein
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
Steinadler
noun
2. berg opgebouwd uit losse stenen die uit een mijn zijn gekomen als bijproduct van de mijnbouw
Halde
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
Steinbock
noun
1.1 bepaald soort zoogdier, Capra ibex
Steinbock
noun
Wendekreis des Steinbocks
südlicher Wendekreis
/
ste.nɛi̯k/, /
ste.nɛːk/, /
sten.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus ilex; een boom uit de napjesdragersfamilie
Steineiche
adjective
Steingrau
steingrau
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
Steinkohle
noun
1. een kooi of gaaswerk van roestvrij materiaal, waarin losse brokken stenen bijeen worden gehouden
Gabione
Steinkorb
noun
1. visueel baken in de bergen om zich te kunnen oriënteren
Steinmännchen
/
ˈstentɛit/
noun
Steinzeit
/
ˈstenœʏ̯ɫ/, /
ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
Steinkauz
Steineule
noun
vlezige vrucht waarvan het binnenste deel steenhard is
Steinfrucht
Steinobst
noun
1. de kennis van het op verborgen wijze overbrengen van informatie
Steganographie
Steganografie
noun
- 1. aanleggelegenheid
Anleger
Bootssteg
- 2. werkvloerconstructie in de bouw
Gerüst
/
stɛil/, /
stɛːl/
adjective
1.
steil
pronoun
1. een stad in het Zwitser kanton Schaffhausen
Stein am Rhein
pronoun
1. een meer in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Steinhuder Meer
/
ˈste.kəl/
noun
1. een langwerpig, scherp stukje van bijvoorbeeld een plant of dier
Stachel
noun
1. benaming voor kleine vissen met puntige doorns op de rug en de buik uit de familie Gasterosteidae
Stichling
/
stekələx/
adjective
1. met stekels bezet
stachelig
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
Stachelschwein
verb
- 2. doen ontvlammen
anstecken
entflammen
- 1. doorboren, prikken
stechen
stacheln
/
stɛl/, /
stɛɫ/
conjunction
1. verondersteld dat
angenommen, dass
falls
sofern
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
stehlen
noun
- 3. getimmerte ter ondersteuning
Gerüst
- 2. stelling, stander
Gestell
Stellage
/
ˈstɛ.lə(n)/
verb
- 2. beweren, verklaren
behaupten
anführen
- in staat stellen
ermöglichen
- 1. doen staan
stellen
noun
1. een bewering die men als waarheid aangenomen wil zien worden
These
Position
Stellung
/
stɛlsəl/
noun
- 1. een geordend geheel, samenstel van delen
- 2. een systeem
System
noun
- 5. een orgelregister
Register
- 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
- 2. het geluid dat een mens bij het spreken voortbrengt
- 3. het geluid dat een mens bij het zingen voortbrengt
Stimme
- 6. een keuze gemaakt door een stemmer (kiezer) bij een stemming (verkiezing)
Votum
Wahl
noun
1. geluidvoortbrengende plooien in het strottenhoofd
Stimmband
noun
- 2. het houden van een verkiezing of de uitslag daarvan
Abstimmung
Wahl
- 1. een bus waarin ingevulde stemformulieren verzameld worden
Wahlurne
noun
1. het uitbrengen van een stem door de stemgerechtigden
Urnengang
noun
1.computer die bij stemmingen (m.n. verkiezingen) gebruikt wordt om de uitgebrachte stemmen elektronisch te verwerken
Wahlgerät
noun
1. stemhamer
Stimmhammer
/
ˈstɛmɦɔkʲə/
noun
1. schrijfblad omringd door drie wanden waarbinnen een kiezer zich bij een verkiezing afzondert
Wahlkabine
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
Wirbel
/
stεmə(n)/
verb
- 2. een instrument op de juiste toonhoogte brengen
- 3. iemand een bepaald gevoel geven
stimmen
- 1. deelnemen aan een verkiezing
wählen
stimmen
/
ˈstɛmpəl/, /
ˈstɛmpəɫ/
noun
- A3. beschrijvende plantkunde: bovenste gedeelte van de stamper in een bloem
Narbe
Stigma
- A:1. voorwerp met een ingesneden oppervlak waarmee afdrukken gemaakt kunnen worden met inkt of in lak
- A2. een afdruk van [1]
Stempel
noun
1. een draaibare stift van een muziekinstrument
Stimmnägel
Wirbel
noun
1. verplichting om te stemmen
Wahlpflicht
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
Wirbel
noun
1. stemtoonhoogte
Kammerton
noun
kiezers die zich in hun stemgedrag laten beïnvloeden
Stimmvieh
/
stɛmvɔrək/
noun
1. stemvork
Stimmgabel
noun
1. langgerekt en stevig orgaan van een vaatplant dat water en voedingstoffen vervoert
Stängel
verb
1. met steenworpen doden
steinigen
noun
1. iemand die stenografische verslagen maakt
Stenograf
Stenograph
noun
1. vervoermiddel op twee wielen, (gedeeltelijk) met de voet aangedreven
Roller
Tretroller
noun
1. gras dat goed tegen de droogte van de halfwoestijn kan
Steppengras
noun
- 2. een beroemdheid
Star
Stern
- 1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
Stern
Star
noun
Stereometrie
Raumgeometrie
/
ˈstɛrvbɛt/
noun
1. het bed waarop men sterft
Sterbebett
noun
1. het voorkomen van een gebeurtenis waarbij iemand overlijdt
Sterbefall
/
'sterftə/
noun
1. het aantal sterfgevallen in een bepaalde tijd of in bepaalde omstandigheden
Mortalität
Sterblichkeit
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel sterfgevallen er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
Mortalität
Sterberate
noun
1. het verschijnsel dat in een gebied in een bepaalde periode het aantal sterfgevallen structureel hoger ligt dan het aantal geboorten
Geburtendefizit
Sterbeüberschuss
adjective
1. zonder microbiële besmetting, heel schoon
steril
keimfrei
verb
- 1. iets vrij maken van micro-organismen
- 2. onvruchtbaar maken
sterilisieren
/
stɛrk/
adjective
1. krachtig
stark
/
'stɛrktə/
noun
1. de mate waarin iets sterk is
Stärke
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige vogels uit de familie Sternidae
Seeschwalbe
noun
1. verzameling dicht bijeen staande sterren
Sternhaufen
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
Astronomie
Sternenkunde
/
stɛrən'kʏndəɣə/
noun
Astronom
noun
1. een - vooralsnog hypothetisch - ruimtevaartuig in staat tot interstellair reizen
Sternenschiff
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
sterben
/
ˈstɛːrvənsˌdyr/
adjective
1. zeer hoog in prijs, uitermate duur
sündhaft
teuer
noun
Karambole
Baumstachelbeere
/
støn/
noun
- 3. sociale uitkering
Sozialhilfe
- 1. iets om op te steunen
Stütze
- 2. morele of materiële hulp
Unterstützung
noun
1. balk waarop iets steunt
Stützbalken
/
'stønə(n)/
verb
- 3. van vermoeidheid of pijn een kreunend geluid maken
stöhnen
- 2. ~ op: de last gedeeltelijk op iets leggen
stützen
- 1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
unterstützen
beistehen
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
Stör
adjective
4. voedzaam (zonder verfijning)
deftig
kräftig
noun
2. zelfstandig vermogen met rechtspersoonlijkheid opgericht op de verwezenlijking...
Stiftung
/
ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
Stiefmutter
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
Stiefvater
pronoun
- 1. sterrenbeeld van de dierenriem
- 2. astrologisch teken
Stier
/
ˈstirənvɛxtər/
noun
1. een persoon die in een stierengevecht de stier uitdaagt, bevecht en uiteindelijk doodt
Matador
Stierkämpfer
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Steiermark
verb
- 2. (figuurlijk) onuitwisbare wonden toebrengen
brandmarken
- 1. (religie) wonden toebrengen zoals Jesus deze tijdens zijn kruisiging verkreeg
stimatisieren
/
ˈstɛi̯xˌbøː.ɣəl/
noun
1. voetsteun voor de ruiter
Steigbügel
/
ˈstɛi̯ɣə(n)/
verb
1. naar boven gaan, toenemen
steigen
/
stɛi̯l/
noun
- 3. beschrijvende plantkunde: buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
Griffel
- 2. post
Pfosten
- 1. handelswijze
Stil
noun
1. leer van de uitdrukkingswijze en zijn middelen
Stilistik
Stilkunde
noun
1. stilistische niveau van taalgebruik
Stilebene
Stilfärbung
Stilschicht
verb
- 1. om het leven komen door zuurstofgebrek in de hersenen
ersticken
- 2. een stuk stof middels een aantal vrij losse steken op zijn plaats houden
sticken
/
ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
Stickstoff
Nitrogen
/
[stɪɫ]/
adjective
- 1. geen of weinig geluid producerend
- 3. rustig, kalm
ruhig
still
- 2. onbeweeglijk
ruhig
unbeweglich
adverb
1. zonder opgemerkt te zijn
allmählich
langsam
noun
1. mes waarbij het lemmet uit het handvat kan klappen
Springmesser
Schnappmesser
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Pazifischer Ozean
Pazifik
pronoun
1. dag na Goede Vrijdag en voor Pasen
Karsamstag
noun
1. een natuurgebied waar men geen lawaai mag maken
Lärmschutzgebiet
adjective
1. zonder iets openlijk uitgesproken te hebben
stillschweigend
noun
1. krachtige aanzet
Stimulans
verb
1. maatregelen nemen om iets te bevorderen
stimulieren
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
Stinktier
Skunk
verb
1. een onaangename geur hebben
stinken
noun
- 2. gemeen persoon
Drecksack
- 1. persoon die stinkt
Stinker
noun
- 2. gemeen persoon
Drecksack
- 1. persoon die stinkt
Stinker
noun
1. (studie)beurs
Stipendium
adjective
- 1. precies op tijd komend
- nauwgezet
pünktlich
adverb
1. met grote precisie
pünktlich
noun
1. actievoering waarbij voorschriften en regels naar de letter gevolgd worden
Dienst nach Vorschrift
noun
1. Kuehneromyces mutabilis
Gemeines Stockschwämmchen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Stockach
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk
Stockerau
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Stockholm
/
stul/, /
stuɫ/
noun
1. zitmeubel
Stuhl
/
'stulɣɑŋ/
noun
- 1.
Stuhlgang
- 2.
Stuhlgang
Stuhl
/
ˈstuɫpot/
noun
1. de poot van een stoel
Stuhlbein
noun
1. een kabelbaan waarin je zittend een hoogte overbrugt
Sesselbahn
Sessellift
noun
- 2. trottoir
Bürgersteig
Gehsteig
Trottoir
- 1. verhoging bij de ingang van een woning
Eingangstreppe
Türstufe
noun
1. een element dat de scheiding verzorgt tussen een rijbaan en het meestal hoger gelegen trottoir
Bordstein
adjective
2. indruk maken door sterk te zijn of sterk proberen te zijn
bullig
stämmig
noun
1. een in een lange rij optrekkende groep mensen of dieren
Zug
noun
- 2. de locatie
Gestüt
- 1. het telen van paarden
Pferdenzucht
noun
- 2. weefsel, textiel
Stoff
- 1. heel kleine deeltjes
Staub
noun
1. een bril die de ogen bij stofwerk tegen ultraviolette straling beschermt
Staubbrille
adjective
- het stoffelijk overschot
die sterblichen Überreste, die Leiche
- 1. tot de materie behorend of eruit bestaand, materieel
greifbar
stofflich
noun
1. zachte borstel met een steel die ervoor dient om stof te verwijderen
Handfeger
adjective
Staubgrau
staubgrau
/
ˈstɔfoːrˌzak/
noun
1. de stof waaruit een voorwerp ontstaan is en die zich in dit voorwerp bevindt.
Stoffursache
materiale Ursache
/
'stɔfʋɪsəlɪɳ/
noun
1. het geheel van chemische processen dat gepaard gaat met het in leven zijn van een wezen
Stoffwechsel
Metabolismus
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
Staubsauger
noun
1. stokanker
Stockanker
/
ˈstoː.kəˌbrɑnt/
noun
1. iemand die als een vuur de gemoederen of onrust aanwakkert
Feuerbrand
noun
2. een favoriet gespreksonderwerp
Steckenpferd
/
ˈstɔlə(n)/
verb
1. overgaan van een vloeibare naar een vaste toestand
erstarren
/
ˈstɔlɪŋsɣəˌstentə/
noun
1. gesteente bestaande uit gestolde lava of gestold magma.
magmatisches Gestein
Erstarrungsgestein
adjective
- 3. dom
blöd
dämlich
- 3. saai en waardeloos
dämlich
lahm
- 1. geluidloos
- 2. niet in staat te spreken
stumm
verb
- 2. zichtbaar waterdamp afgeven
dampfen
- 1. iets ter reiniging en desinfectie met stoom bewerken
dämpfen
- 3. etenswaar garen door het in hete stoom te hangen
dünsten
schmoren
noun
- 1. dom persoon
Dödel
Trottel
- 2. iemand die domme dingen doet
Tollpatsch
noun
een bijzonder onverstandige daad
Dummheit
Stupidität
adjective
1. zo verbaasd dat men er het zwijgen toe doet
perplex
sprachlos
noun
1. een brandstof waarmee men verwarmingsketels stookt
Heizöl
noun
1. warme ruimte
Dampfbad
Schwitzbad
noun
1. een schip dat met behulp van stoom wordt voortbewogen
Dampfschiff
noun
1. een locomotief die wordt aangedreven door een stoommachine
Dampflokomotive
noun
1. een machine die door middel van stoom drijfkracht ontwikkelt
Dampfmaschine
noun
1. een muziekinstrument met een reeks door stroom aangeblazen stoomfluiten
Dampforgel
noun
1. een schip dat voortgedreven wordt middels een stoommachine
Dampfschiff
Dampfer
noun
1. door stoom voortbewogen weg wals
Dampfwalze
noun
1. stoorsignaal
Störsignal
noun
1. grote slagtand
Stoßzahn
/
ˈstɔ.pɔɫ.ˌbart/, /
ˈstɔ.pəl.ˌbard/, /
ˈstɔ.pəɫ.ˌbart/
noun
1. een baard waarvan de haren slechts enkele millimeters lang zijn, alsof deze pas een à twee dagen oud is
Stoppelbart
/
'stɔpər/
noun
1. een voorwerp waarmee iets afgestopt of afgesloten kan worden
Stöpsel
noun
1. zonnegordijn aan de binnenkant van een venster, rolgordijn
Rollo
/
ˈstorə(n)/
verb
1.het functioneren nadelig beïnvloeden
stören
noun
1. een hinderlijke onderbreking, een bepaald proces wordt onderbroken of bemoeilijkt
Störung
noun
1. erg harde wind
Sturm
noun
3. snelle pas
Sturmschritt
noun
een toestel, balk, e.d. om een deur, poort te forceren
Rammbock
verb
1. het terugdraaien van een automatische incasso
stornieren
annullieren
noun
1. het storten van geld op een bankrekening
Einzahlung
verb
1. met een korte snelle beweging (weg)duwen
stoßen
verb
1. dezelfde lettergreep een aantal malen herhalend moeilijk uit zijn woorden komen
stottern
/
stɑu̯t/
adjective
- 2. zonder angst
kühn
wagemütig
- 4. seksueel prikkelend
spitzbübisch
unanständig
- 1. in overtreding van een gestelde regel, met onvoldoende respect
spitzbübisch
unartig
ungezogen
böse
verb
- glazig stoven
dünsten
- 1. over een vrij laag vuur iets afgesloten in enig vocht gaar laten worden
dünsten
schmoren
/
straɫ/, /
ˈstral/
noun
- 1. de lijn van middelpunt naar omtrek
Halbmesser
Radius
- 2. een bundel elektromagnetische straling
- 3. spuitend gas of vloeistof
Strahl
adjective
rotzbesoffen
sturzbetrunken
noun
1. jachtvliegtuig met straalmotor
Düsenjäger
/
strat/
noun
- 1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
- 2. een smalle doorgang tussen twee zeeën
Straße
pronoun
1. zeestraat tussen het Tasmaans hoofdeiland en de Furneauxgroep
Banks-Straße
pronoun
1.
Straße von Kertsch
/
ˈstracjə/, /
ˈstratjə/
noun
1. verkleinwoord van straat
Gasse
noun
1. de naam die aan een straat gegeven wordt voor de herkenbaarheid
Straßenname
noun
1. een bord in de openbare ruimte met daarop de naam van de straat waar men zich bevindt
Straßennamensschild
Straßenschild
noun
1. hoofdstad van de Franse regio Grand Est
Straßburg
noun
1. informele, soms ruwe taal met veel invloed uit talen van immigranten,...
Gossenjargon
noun
- 1. soep
- 2. zuivelproduct
Stracciatella
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
Strafe
Bestrafung
/
ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
bestrafen
strafen
/
'strɑfrɛxt/
noun
1. het geheel van rechtsregels waarmee bepaalde handelingen strafbaar worden gesteld
Strafrecht
noun
1. directe vrije trap
Strafstoß
noun
1. gedeelte van het voetbalveld
Strafraum
16-Meter-Raum
noun
1. een rechtszaak die door de strafrechter behandeld wordt
Strafsache
adjective
- 1. nauwzittend
eng
- 4. zonder franje
schlank
- 3. streng
streng
adverb
- 1. op een later moment
bald
demnächst
gleich
- 3. een korte tijd geleden
soeben
vorhin
/
ˈstralə(n)/
verb
- 2. licht weerkaatsen
scheinen
funkeln
strahlen
- 1. straling uitzenden
- 3. een heel blije uitdrukking op het gezicht hebben
strahlen
noun
1. Strook land langs de kust
Strand
Ufer
verb
1. aan de grond vastlopen
stranden
noun
1. Mya arenaria
Sandklaffmuschel
/
straˈteɣ/
noun
1. een persoon die strategieën uitwerkt
Stratege
noun
1. een plan om iets te bereiken
Strategie
noun
1. iemand die stoepen, straten, trottoirs of pleinen betegelt
Pflasterer
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
Schichtvulkan
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Straubing
noun
angestrebte(r) Zeitpunkt
/
ˈstref.kɛrk/
pronoun
1. een dorp in de provincie Zuid-Holland
Streefkerk
noun
1. een gebied met een eigen karakter
Region
Gefilde
/
ˈstrek.tal/, /
ˈstrek.taɫ/
noun
2. één of meer taalvariëteiten van de overheid dit label hebben gekregen
Regiolekt
Regionalsprache
noun
1.
Dialektmusik
Mundartmusik
noun
- 4. koppelteken
Bindestrich
- 3. (figuurlijk) begrenzing die niet overtreden dient te worden, schreef
Grenze
- 2. lijnvormig patroon
Streifen
- 1. een min of meer rechte getrokken lijn of lijnstuk
Strich
noun
- 2. typografisch teken "-"
- 1.
Strich
/
dɑm/
noun
1. de strekdam
Leitdamm
verb
1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken
streicheln
kosen
liebkosen
noun
1. een uiting van tederheid
Liebkosung
Streicheln
verb
1. neerslaan van opgeloste eiwitten
cailler
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
Lab
noun
4. riem waarmee een trekdier voor een wagen wordt gespannen
Strang
noun
1. spanning, geestelijke druk.
Stress
noun
het willen bereiken van een doel
Bestreben
verb
1. een doel willen bereiken
streben
noun
- 2. een militair treffen
Kampf
Schlacht
- 1. een handgemeen
Streit
Kampf
verb
1. ondanks weerstand een doel proberen te bereiken
kämpfen
streiten
noun
1. een persoon die strijdt
Kämpfer
noun
1. een slagwapen in de vorm van een metalen staf met een versterkte kop
Streitkolben
noun
2. geheel van de militaire organisaties die een staat ter beschikking staan
Streitkräfte
verb
- 2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
bügeln
- 3. iets laten zakken
niederholen
einholen
/
ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /
ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /
ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
Bügeleisen
noun
1. gestreken snaarinstrument
Streichinstrument
noun
1. een plankvormig voorwerp, gewoonlijk op een inklapbaar onderstel, bedoeld als ondergrond waarop kleding gestreken kan worden
Bügelbrett
noun
1. een boek met een verhaal in beeldvorm
Bildergeschichte
Comicstrip
noun
1. een boek met een verhaal in beeldvorm
Comicstrip
Bildergeschichte
verb
1. het zich ontdoen van alle kleding of een groot deel van de kleding die het lichaam bedekt, vaak met een erotische bijbedoeling
strippen
/
stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
Stroh
adjective
1. blond in strokleur
strohblond
strohgelg
adjective
- 1. de wrijvingsweerstand van een ruw oppervlak
rau
- 1. moeilijk beweegbaar (verschuifbaar)
schwerfällig
adjective
1. met een gele kleur die lijkt op de kleur van stro
strohgelb
noun
1. hoed
Strohut
Strohhut
verb
1. in overeenstemming zijn met
entsprechen
/
'stromən/
verb
1. voortbewegen van vloeistoffen
fließen
strömen
/
'stromɪŋ/
noun
- 1. voortbewegen van een vloeistof
- 2. bepaalde beweging die zekere denkbeelden gemeen heeft
Strömung
noun
iemand die domme dingen doet
Arschloch
Scheißkopf
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
Strontium
noun
1. zweertje op het ooglid
Gerstenkorn
/
ˈstrojsxadə/
noun
1. schade die per persoon relatief klein is maar omvangrijk in zijn geheel en alleen verhaald kan worden door een collectieve schadeclaim.
Streuschaden
noun
- 2. strook stof of papier
Band
- 1, strook
Streifen
/
ˈstroklɑt/
noun
Straklatte
/
stroːm/
noun
2. elektriciteit
Strom
noun
1. een ideale stroombron levert een stroom waarvan de grootte onafhankelijk is van de belasting
Stromquelle
noun
1. elekriciteitsdraad
Stromkabel
noun
Stromgebiet
Gewässereinzugsgebiet
noun
1. materiaal met een naar verhouding hoog aantal beweeglijke ladingsdragers, waardoor het een elektrische stroom makkelijk doorlaat
Leiter
adverb
1. tegen de stroom in, in de richting van de mond naar de oorsprong, tegen de richting van de stroom
flussauf
stromauf
flussufwärts
stromaufwärts
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
Sirup
noun
Honigwaffel
Sirupwaffel
noun
1. hoeveelheid geld waarmee men financiële tegenvallers kan opvangen
Notgroschen
noun
1. versiering gemaakt uit gedroogde graanstengels in de vorm van een figuur met uitstekende punten ...
Strohstern
noun
1. een dun, dekselachtig kraakbeenklepje, bedekt met een slijmvlies, dat zich aan de basis van de tong bevindt
Kelhdeckel
adjective
1. met betrekking tot de opbouw van een geheel
strukturell
/
strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
Struktur
noun
1. heester
Strauch
Busch
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
stolpern
straucheln
noun
1. begroeiing die bestaat uit bij elkaar staande planten met houtige stengels die zich al direct boven de grond vertakken
Gebüsch
noun
1. bepaald soort in heel Europa voorkomende plant, Calluna vulgaris
Besenheide
Heidekraut
noun
1. iemand die vanuit een hinderlaag reizigers berooft
Wegelagerer
Straßenräuber
/
ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /
ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /
ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
Strauß
noun
1. zeer vergiftig alkaloïde
Strychnin
noun
1. een ruimte om te studeren
Studierzimmer
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
Student
noun
1. hoogbouwgebouw waarin meerdere studenten op kamers wonen
Studentenwohnung
noun
1. organisatie van en/of voor studenten
Studentenorganisation
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
studieren
noun
1. vriend die men kent van de studie
Studienfreund
noun
- 1. werkplaats van een beeldend kunstenaar
- 2. plaats waar geluidsopnamen, films of televisie- of radioprogramma's gemaakt worden
Studio
/
stɵx/
adverb
1 weerbarstig
hart
spröde
steif
noun
1. onderste deel van de ruggengraat, de laatste vier vergroeide ruggenwervels
Steißbein
/
ˈstœʏ̯.tə(n)/, /
ˈstœː.tə(n)/
verb
- 1. een beweging tot staan brengen
aufhalten
stoppen
- 2. door botsing in omgekeerde richting gaan bewegen
stoßen
/
stɵk/
noun
7. aantrekkelijk persoon
Kracher
noun
1. Soort bouwvakker
Stuckateur
Gipser
verb
1. onhandig bezig zijn
herumfummeln
adjective
1. dom, bot, stompzinnig
dumm
noun
onverstandigheid, onverstandige/ondoordachte daad
Dummheit
Stupidität
/
'styːrə(n)/
verb
7. [een persoon] ergens heen doen gaan
schicken
noun
1. een balk waarmee iets gestut wordt, steunbalk
Stützbalken
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Stutensee
verb
1. iets door het plaatsen van een steun voor omvallen behoeden
stützen
pronoun
1. hoofdstad van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Stuttgart
/
styːr/
noun
1. een hulpmiddel waarmee een bestuurder richting kan geven aan een voertuig
Steuer
noun
1. de rechterzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
Steuerbord
noun
1. knuppel of stok waarmee gestuurd kan worden in een vliegtuig
Steuerknüppel
/
ˈstyrlos/
adjective
- 1. zonder sturing in sociaal opzicht
richtungslos
- 2. zonder sturing in mechanisch opzicht
steuerlos
noun
1. iemand die een vaartuig bestuurt
Steuermann
noun
1. vaste of regelbare waterkering
Wehr
/
stywadɔːr/
noun
1. degene die verantwoordelijk is voor het gebalanceerd laden en lossen van schepen
Stauer
noun
1. waterkering voor energiewinning
Staudamm
Talsperre
noun
1. kunstmatig meer
Stausee
/
ˈsʏbɑtˌlɑntikʏm/
noun
Subatlantikum
/
ˈsʏborejal/
noun
Subboreal
noun
1. toonhoogtereeks “C₂ tot en met B₂”
Subkontraoktave
noun
subdominant
Subdominante
Unterdominante
noun
1. een werkwoordswijs waarmee men een wens of onzekerheid tot uitdrukking kan brengen.
Konjunktiv
noun
2. het proces waarbij een vaste stof overgaat in zijn dampfase
Sublimation
verb
1. van overheidswege financiële hulp voor een bepaalde activiteit, ver- of aankoop verlenen
subventionieren
noun
1. zelfstandig naamwoord
Substantiv
Nomen
noun
1. taal die in eerste instantie werd gesproken binnen een gemeenschap of gebied waar nu een andere taal de omgangstaal is
Substratsprache
/
sʌp'til/
adjective
- 1. alleen bij nauwkeurig toezien of voor fijn gevoel waar te nemen of te begrijpen
- 2. fijn onderscheidend, scherpzinnig
subtil
noun
1. (aardrijkskunde) de gezamenlijke streken waar een subtropisch klimaat heerst
Subtropen
adjective
1. gezagsondermijnend
subversiv
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
Erfolg
adjective
1. succes hebbend
erfolgreich
/
suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Sudan
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
Suffix
noun
1.
Praline
Zuckermandel
noun
1. bepaalde ondersoort van de biet waaruit bietsuiker gewonnen wordt
Zuckerrübe
noun
1. Coereba flaveola, een klein zangvogeltje uit de tropische delen van de Amerika's...
Zuckervogel
Bananaquit
noun
1. blokvormig stukje kristalsuiker
Würfelzucker
noun
1. een vaatje bedoeld om een voorraadje suiker op tafel te brengen
Zuckerdose
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
Zuckerrohr
/
ˈsœʏkərˌspɪn/, /
ˈsœːkərˌspɪn/
noun
1. lekkernij bestaande uit een hoeveelheid gesponnen suiker aan een stokje
Zuckerwatte
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het bloed een te hoog gehalte aan suiker bevat
Diabetes
noun
1. dom, onhandig persoon
Trottel
verb
1. kampen met een gebrekkige gezondheid of lichamelijk gebrek
plagen
noun
1. een organische verbinding met een sulfonamide functionele groep
Sulfonamide
noun
1.een organische verbinding die een sulfonylgroep gekoppeld aan een ureumgroep bevat
Sulfonylharnstoffe
noun
1., 2. en 3. (gedroogde vrycht van) een variëteit van de druif Vitis vinifera
Sultana
Sultanina
adjective
lakonisch
lapidar
noun
2. sturend deel van de persoonlijkheid dat door opvoeding en socialisatie wordt gevormd en sociale normen en waarden bevat
Über-Ich
/
ˈsypərˌfekʏnˈdasi/, /
ˈsypərˌfekʏnˈdaʦi/
noun
1. een dubbele zwangerschap.
Superfekundation
noun
1. afwezigheid van elektrische weerstand
Supraleitung
noun
1. fictieve figuur uit een stripverhaal of een film die over bovenmenselijke krachten beschikt
Superheld
noun
1. een staat die zoveel macht heeft dat ze de wereldpolitiek beslissend kan beïnvloeden
Supermacht
noun
het verschijnsel waarbij een ster op spectaculaire wijze explodeert
Supernova
noun
1. taal die wordt gesproken binnen een gemeenschap of gebied waar eerst een andere taal (de substraattaal) de omgangstaal was
Superstratsprache
noun
1. iets dat als aanvulling toegevoegd wordt
Supplement
noun
1. iemand die een bepaalde club steunt
Fan
Fussballfan
noun
1. een plank waarop men surft
Surfbrett
/
ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Surinam
Suriname
/
sʏrˈpriːzə/
noun
1. een op een speciale manier ingepakt cadeau
Überraschung
/
ˌsʏrvɛ'jerə(n)/
verb
1. toezicht houden
beaufsichtigen
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
Suaheli
Swahili
pronoun
1. stad in Namibië
Swakopmund
/
sʋɑɫm/, /
sβ̞ɑɫm/, /
zwɑlm/
pronoun
1. een kleine rivier die in de Maas uitmondt.
Schwalm
/
ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /
ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /
ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
Swasiland
noun
een sportieve katoenen trui
Pullover
noun
1. oude (riet-) fluit
Schwegel
noun
1. een logische redenering waaruit een conclusie afgeleid wordt
Syllogismus
adjective
1.
sinfonisch
symphonisch
/
si'metris/
adjective
1. aan twee zijden, bijvoorbeeld spiegelbeeldig gelijk
symmetrisch
noun
1. een gevoel van toegenegenheid
Sympathie
/
sɪmˈpoziəm/
noun
1. een wetenschappelijke samenkomst waarop verschillende wetenschappers een lezing houden over een bepaald onderwerp
Symposion
Symposium
adjective
1. met betrekking tot ziekteverschijnselen
symptomatisch
noun
1. ziekteverschijnsel
Symptom
noun
1. gebedshuis van joden.
Synagoge
/
sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
Syndrom
noun
1. gelijkbetekenend woord
Synonym
noun
een beknopte weergave, een overzicht
Synopsis
/
ˈsi.ri.jə/, /
ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
Syrien
/
siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
System
noun
- 1. een interdiscipline tussen informatie en bedrijfskunde, gericht op het analyseren van systemen, voorafgaande aan reorganisatie en of automatisering van bedrijfsprocessen
- 2. een werkwijze om verschijnselen te bestuderen voorafgaande aan de ontwikkeling van informatiesystemen
Systemanalyse
noun
1. een werkwijze om verschijnselen te bestuderen als een geheel met een onderlinge samenhang en een wisselwerking met de omgeving
systematische Verfahren
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
Systems Engineering
noun
1. de ontwerper van een systeem
Systemanalytiker
noun
1. een werkwijze om verschijnselen te bestuderen als een geheel met een onderlinge samenhang en een wisselwerking met de omgeving
Systempsychologie
noun
1. de theorie over de systematische beschouwing van systemen in de natuur, wetenschap en of maatschappij
Systemtheorie
noun
1.
Systemische Therapie
noun
1. de wetenschap en wetenschappen gebaseerd op het systeemdenken.
Systemwissenschaft
noun
1. een persoon die systematisch te werk gaat
Systematiker
noun
1. een aangebrachte ordening
Systematik
/
ˌsisteˈmatis/
adjective
1. stelselmatig, ordelijk volgens een systeem opgezet
systematisch
verb
1. het stelselmatig ordenen volgens een vooropgezet systeem
systematisieren
noun
1. een aangebrachte ordening
systematisierung
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
T-Shirt
adjective
- 1. moeizaam en plastisch vervormend onder mechanische belasting
- 2. moeilijk te snijden, kauwen (van vlees)
zäh
noun
1. het vermogen energie op te nemen door te vervormen zonder te breken
Zähigkeit
noun
1. een erfelijke aandoening van de exocriene klieren, gekenmerkt door de afscheiding van taai (visceus) slijm (mucus)
Mukoviszidose
/
taːk/
noun
1. een te verrichten werk
Aufgabe
Auftrag
/
ˈtakstrɑf/
noun
1. een door de rechter opgelegde straf waarbij de veroordeelde een bepaald aantal uren verplicht en zonder betaald te worden moet werken
gemeinnützige Arbeit als Ersatzstrafe
/
taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
Sprache
noun
1. een achterstand in de beheersing van de taal
Sprachrückstand
Sprachschwäche
adjective
1. een gebrekkige taalbeheersing en woordenschat hebbend
sprachlich zurückgeblieben
noun
1. een gebrekkige ontwikkeling van de taalbeheersing en de woordenschat
Spracharmut
/
talɑtlɑs/
noun
1. een verzameling van taalkaarten of dialectkaarten
Sprachatlas
noun
1. een belemmering in de communicatie, veroorzaakt door het verschil in taal
Sprachbarriere
/
ˈtaːlbəˌɦeːrsɪŋ/
noun
1. het vermogen zich te kunnen uitdrukken in een of meer talen
Sprachbeherrschung
noun
1. een cursus met als doel, het aanleren van een taal
Sprachkurs
noun
1. uitdrukkingen en zegswijzen uit een bepaalde taal
Idiom
noun
1. talengroepen die een zelfde voorgeschiedenis hebben
Sprachfamilie
/
talfɔut/
noun
1. een fout tegen de grammatica van een taal
Sprachverstoß
sprachliche Fehler
noun
1. een gebied waar een bepaalde taal gesproken wordt
Sprachraum
noun
1. de manier...
Sprachgebrauch
noun
1. de geschiedenis van de talen
Sprachgeschichte
/
ˈtalɣəˌvul/, /
ˈtaɫχəˌvuɫ/
noun
1. het vermogen om het juiste gebruik van een taal aan te voelen
Sprachgefühl
noun
1. grens van een taalgebied
Sprachgrenze
noun
1. performatief taalgebruik
Sprechakt
noun
1. wetenschap
Linguistik
Sprachwissenschaft
adjective
1. volgens de regels van de taalkunde
linguistisch
sprachwissenschaftlich
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
Linguist
Sprachwissenschaftler
Sprachwissenschaftlerin
noun
1. een les met als doel, het aanleren van een taal
Sprachkurs
Sprachunterricht
noun
1. een oefening om de taal beter te leren
Sprachübung
noun
1. het verschaffen van taallessen
Sprachunterricht
/
ˈtaɫɔntʋɪkəlɪŋˌstɔːrnɪs/
noun
1. een ontwikkelingsstoornis bij kinderen, waarbij het kind meer begrijpt van wat anderen ...
Dysphasie
/
ˈtalstrɛːit/, /
ˈtalstrɛːt/
noun
1. een strijd om de talen die in een bepaalde situatie gebruikt moeten worden of de wijze waarop de taal gebruikt moet worden
Sprachenkampf
Sprachenstreit
noun
1. de vaardigheid van een vlot gebruik van de taal
Sprachgewandtheit
Sprachkenntnisse
noun
1. achteruitgang van een taal vooral op gebied van woordenschat
Sprachverarmung
noun
1. de vooruitgang van een taal op gebied van taaleigen woordenschat en uitdrukkingen
Sprachbereicherung
noun
1. het steeds meer gebruiken van ruwe woorden
Sprachverrohung
noun
1. de wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
Sprachwissenschaft
Linguistik
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
Linguist
Sprachwissenschaftler
Sprachwissenschaftlerin
/
taːrt/
noun
- 1. cirkelvormig zoet gebak
Kuchen
Torte
- 3. scheldwoord
Schachtel
Schraube
noun
1. grafische weergave vernoemd naar cirkelvormig etenswaar
Tortendiagramm
Kuchendiagramm
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
Tabak
noun
1. een geordende lijst met gegevens
Tabelle
noun
Tabernakel
Hütte des Stifts
Stiftshütte
noun
- 1. pastille
Tablette
- 2. plak
Tafel
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
Tabu
/
tɑ.bu.ˈrɛt/
noun
1. stoeltje zonder leuning voor rug of armen
Hocker
Schemel
noun
1. taborfluit
Galoubet
cardinalNumeral
1. het getal 80
achtzig
pronoun
Achtzigjähriger Krieg
verb
1. op (on)geoorloofde manier een tegenstander aanvallen
angreifen
grätschen
/
tɑkˈtik/
noun
1. een manier om onder gegeven omstandigheden een doel te bereiken
Taktik
/
ˈtɑkt.fɔɫ/
adjective
taktvol
/
taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
Tadschikistan
/
ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
Tisch
/
ˈtafəlˌklet/
noun
kleed dat als bescherming of versiering over een tafel ligt
Tischdecke
Tischtuch
/
ˈtafəɫˌpot/
noun
1. een verticaal deel van een tafel dat ter ondersteuning dient
Tischbein
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
Tischtennis
noun
1. voetbal op een tafel met opstaande randen
Tischfußball
noun
1.een meestal goedkope wijn zonder specifieke afkomst, die aangenaam bij een doordeweekse maaltijd wordt gedronken.
Tischwein
noun
1. fijn zout
Tafelsalz
pronoun
1. taal die op de Filipijnen gesproken wordt
Tagalog
noun
1. een soort van pasta, gemaakt van gemalen sesamzaad met toevoeging van o.a. citrussap, knoflook, peterselie...
Tahin
Tahina
Tahini
/
tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
Taifun
/
ˌtɑjkoˈnaʊ̯t/, /
ˌtɑjkoˈnɔʊ̯t/, /
ˌtɑjkoˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Chinese ruimtevaarder.
Taikonaut
noun
1. het middelste deel van het lichaam
Taille
taille
/
tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
Ast
Zweig
noun
1. het geheel van masten en de verstaging van traditionele zeilschepen
Takelage
/
ˈtaləˌkɛnəs/
noun
1. kennis van verschillende talen
Sprachkenntnisse
noun
1. een speciaal talent voor het aanleren van vreemde talen
Sprachtalent
noun
1. bijzondere aanleg
Talent
Begabung
adjective
1. begaafd
begabt
talentier
talentvoll
/
tɑɫx/
noun
- 1. huidvet, een vetachtige substantie die geproduceerd wordt door talgklieren
Talg
- 2. het harde vet van sommige herkauwers
Talg
Unschlitt
Inselt
noun
1.een klier om de haarzakjes, die talg afgeeft
Talgdrüse
noun
2. islamitische guerrillabeweging in Afghanistan en het westen van Pakistan
Taliban
/
'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
Tallinn
Reval
adjective
1. met betrekking tot Talossa of het Talossaans
talossanisch
pronoun
1. een kunsttaal gemaakt in 1980 door R. Ben Madison voor zijn micronatie Talossa
Talossanisch
adjective
1. groot in aantal
zahlreich
/
tɑm/
adjective
1. (dierkunde) gewend aan omgang met mensen
zahm
noun
- 1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
Tamarinde
- 1. bepaald soort tropische boom, Tamarindus indica
Tamarindenbaum
noun
1. trommelslager die de maat aangeeft bij het marcheren van soldaten
Trommler
adverb
1. nogal, in relatief grote mate
ziemlich
pronoun
1. taal die gesproken wordt in India, Sri Lanka, Singapore, en Maleisië
Tamilisch
Tamile
noun
1. einde van een touw
Tampen
noun
- 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
Zahn
- 2. scherp uitsteeksel
Zahn
Sägezahn
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
Zahnarzt
Zahnärztin
/
xxxx/
noun
1. angst voor een behandeling bij de tandarts
Zahnbehandlungsangst
noun
1. de helpster van de tandarts
Zahnarzthelferin
/
'tɑndɑrtzbor/
noun
1. een soort kleine boor waarmee de tandarts zieke tanden openboort
Zahnbohrer
noun
1. aantasting van tandglazuur en het tandbeen door bacteriën
Karies
Zahnfäule
noun
1. het been waaruit tanden voor het grootste deel bestaan
Dentin
Zahnbein
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
Zahnbürste
verb
1. knarsen met de tanden
mit den Zähnen knirschen
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
Zahnstocher
noun
1. het blinkend glazuur op de tandkroon die rond het tandbeen gelegen is
Zahnschmelz
noun
1. wetenschap voor de verzorging van de tanden
Zahnmedizin
/
ˈtand.pɑs.taː/, /
ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
Zahnpasta
Zahncreme
/
tɑntpɛin/
noun
1. pijn in één of meerdere tanden
Zahnweh
Zahnschmerzen
noun
1. een dun, vaak onzichtbaar, kleverig laagje dat zich gedurende de dag op de gebitselementen afzet
Zahnbelag
noun
1. tandaanslag
Zahnbelag
noun
1. de maker van kunstgebitten en kunsttanden
Zahntechniker
/
ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
Zahnfleisch
noun
1. een ontsteking van het tandvlees
Zahnfleischenzündung
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
Zahnseide
/
tɑŋ/
noun
1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
Zange
noun
- 1. tango
Tango
- 3. spelwoord voor de letter t
Theodor
/
tɑŋk/, /
tɛŋk/
noun
- 2. een oorlogsvoertuig
Kampfpanzer
- 1. een groot vat
Tank
Panzer
noun
1. aanduiding voor de persoon die de moed had om voor een pantserwagen met kanon te gaan staan als vorm van geweldloos verzet
Tank Man
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
Tantal
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
Tantal
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
Tante
/
ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
Tansania
noun
- 5. schroefdraadsnijgereedschap
Gewindebohrer
- 8. aftakking van kabel of leiding
Steckdose
- 1. uitsteeksel, stomp
Stummel
Stumpf
- 2. uiteinde van as
Zapfen
- 7. aftapkraan aan vat
Zapfhahn
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
Tapioka
Tapiokastärke
Maniokstärke
Tapiocastärke
/
ˈtapɪr/
noun
1. hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf
Tapir
verb
1. tappen van vloeistof
zapfen
noun
1. horecagelegenheid waar men m.n. bier kan drinken
Schankwirtschaft
/
tɑˈrif/
noun
1. een vastgesteld bedrag per eenheid
Tarif
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
Tatarisch
pronoun
1. stad in Estland
Dorpat
Tartu
Dörpt
/
ˈtɑrʋə/
noun
- 3. zaad van tarwe
- 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
Weizen
/
ˈtɑrʋəˌbrot/, /
ˈtɑrβ̞əˌbrot/
noun
1. een brood op basis van tarwemeel
Weizenbrot
noun
1. en 2 grof gemalen meel van (gewone) tarwe (Triticum)
Weizengrieß
noun
1. (voorgekookte) geplette tarwegranen
Weizenflocken
noun
zemelen van tarwekorrels
Weizenkleie
Weizenspeisekleie
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
Tasche
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan, gelegen tussen Australië en Nieuw-Zeeland
Tasmansee
noun
- 2. taster van insect
- 3. een instrument
Fühler
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
Tatarisch
tatarisch
pronoun
1. de autonome republiek van Rusland met de hoofdstad Kazan
Tatarstan
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
Tätowierung
/
tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
tätowieren
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
Tätowierung
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
Tätowierung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Tauberbischofsheim
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Taucha
/
tɑuˈge/
noun
1. uitlopers van mungbonen
Mungobohnenkeime
Mungobohnenkeimlinge
Mungobohnensprosse
/
tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
Taxi
/
tiːm/
noun
- 1. een ploeg van bij elkaar horende spelers
- 2. een groep samenwerkende mensen
Team
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
Technetium
noun
1. iemand die techniek toepast
Techniker
noun
1. De bewerkingen en verrichtingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen
Technik
noun
1. zachte pluizige speelgoedbeer
Teddybär
/
tef/
noun
1. wijfjeshond
Hündin
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
Zecke
noun
1. vingers van de voet
Zeh
Zehe
noun
1. elk van de botjes in de teen
Zehenglied
/
ter/
adjective
1. broos, breekbaar
zart
zerbrechlich
/
ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
Teer
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
Würfel
noun
1. hybride kruising tussen een mannetjestijger en een vrouwtjesleeuw
Töwe
/
ˈteɣəɫ/
noun
1. een rechthoekig stenen voorwerp dat meestal wordt gebruikt voor het bedekken van oppervlakten
Fliese
Kachel
/
təɣəˈlɛɪk/
adverb
1. op hetzelfde moment
gleichzeitig
zugleich
noun
1. een bouwvakker die wandtegels zet en vloertegels legt
Fliesenleger
/
ˈteɣəmut/, /
ˈteχəmut/
adverb
1. tegen (personen)
entgegen
/
teːɣən/, /
teːχən/
preposition
- 1. zijdelings aanleunend
- 2. oneens met, ter bestrijding van
gegen
noun
1. een aanval tegen een aanval
Gegenangriff
Gegenschlag
noun
1. een actie tegen een actie
Gegenaktion
noun
1. een argument dat men tegen iets inbrengt
Gegenargument
noun
1. contrast
Gegenstück
Gegenteil
noun
1. een bericht dat een vorig bericht tegenspreekt
Abmeldung
noun
1. een beweging in tegengestelde zin
Gegenbewegung
noun
1. een bezoek ter beantwoording van een ander bezoek
Gegenbesuch
verb
1. zodanig brassen dat de wind van voor in de zeilen valt en het schip geen vaart meer maakt
gegenbrassen
noun
1. het tegenovergestelde
Gegenteil
/
ˌteɣə(n)ˈdrats/
adjective
1. tegen de draad, weerspannig
aufsässig
noun
1. druk in tegenovergestelde zin
Widerdruck
verb
1. proberen iets te stoppen of te verhinderen
entgegenwirken
noun
1. ~ geven: ergens tegenin gaan
Gegenwirkung
/
ˈteɣə(n)ɣəstɛɫt/
adjective
1. de negatieve waarde van iets hebbend
entgegengesetzt
gegensätzlich
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
Gegengift
noun
1. iemand of iets met vergelijkbare functie of eigenschappen aan gene zijde van een scheidslijn
Gegenstück
Gegenteil
verb
- 2. verhinderen
abhalten
verhindern
- 1. iets of iemand stoppen
aufhalten
adverb
1. zich tegen iets verzettend
gegen etwas
noun
1. een andere kandidaat uit een tegenpartij
Gegenkandidat
/
'te.ɣən.ko.mə(n)/
verb
1. bij toeval ontmoeten
begegnen
verb
1. lachend tegemoet zien
zulächeln
noun
1. een foto gemaakt bij verlichting achter het tafereel
Gegenlichtaufnahme
noun
1. tegemoetkomend voertuig
Gegenverkehr
adverb
1. tegen de natuur in
widernatürlich
noun
1. tegenaanval
Gegenoffensive
adjective
1. precies andersom
entgegengesetzt
noun
1. hetgeen wat precies voorstelt wat iets helemaal niet is
Gegenteil
noun
1. de andere partij
Gegenpartei
noun
1. iemand met een tegengesteld karakter
Gegenpol
noun
1. een prestatie als vergoeding
Gegenleistung
/
ˈteɣə(n)ˌslɑx/, /
ˈteχə(n)ˌslɑχ/
noun
1. het gebeuren van ongeluk
Missgeschick
verb
1. weerstand bieden door wilde bewegingen te maken
sich sträuben
sich wehren
noun
- 1. een speler van de tegenpartij
- 2. iemand die met een ander samenspeelt
Gegenspieler
noun
1. ernstige pech, toestand met belangrijke tegenslag
Unannehnlichkeiten
noun
1. tegenspreken, ontkennen
Widerspruch
Widerrede
verb
1. zich met woorden verzetten
widersprechen
verb
1. al mopperend protesteren
aufmucken
murren
noun
1. vijand, rivaal
Gegner
Widersacher
noun
- in tegenstelling tot
Gegensatz
- 1. het tegenovergestelde
Gegensatz
Kontrast
noun
het iemend tegenwerken
Widerstand
verb
iemand tegenwerken
Widerstand leisen gegen
noun
iemand die tegenwerkt
Gegner
verb
1. weerstand bieden
mucken
murren
sich sträuben
adjective
1. niet overeenstemmend
widersprüchlich
widerspruchsvoll
noun
1. iets tegenstrijdigs
Widerspruch
verb
1. minder gunstig verlopen dan verwacht
enttäuschen
noun
1. tegenslag
Enttäuschung
noun
1. voorbeeld dat aantoont dat iets niet juist is
Gegenbeispiel
noun
1. een voorstel als antwoord op een voorafgaand voorstel
Gegenvorschlag
noun
1. de overeenkomstige waarde
Gegenwert
noun
1. verdediging
Widerstand
Gegenwehr
verb
1. zich tegen iets verzetten
entgegenarbeiten
noun
1. tegenstand
Widerstand
noun
1. wat iets in evenwicht houdt
Gegenwicht
noun
1. wind tegen
Gegenwind
adjective
- 2. aanwezig
gegenwärtig
anwesend
- 1. huidig
gegenwärtig
heutig
noun
1. vorm die aangeeft dat het huidige moment bedoeld wordt
Gegenwart
Präsens
noun
1. aanwezigheid
Anwesenheit
noun
1. het geen zin hebben in iets
Widerwille
Abneigung
noun
Guthaben
Vermögenswerte
noun
1. vaste verblijfplaats
Heim
Zuhause
verb
heimsuchen
plagen
verwüsten
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
Zeichen
Anzeichen
noun
1. iemand die beroepsmatig tekent
Zeichner
verb
een tekening maken
zeichnen
/
ˈtekə(n)ˌfɪlm/, /
ˈtekə(n)ˌfɪɫm/
noun
1. een film waarin een getekende realiteit wordt verbeeld
Zeichentrickfilm
Zeichenfilm
noun
- 4. een bouwkundig ontwerp
Bauzeichnung
- 2. een ondertekening
Unterschrift
Unterzeichnung
- 1. een door tekenen ontstane afbeelding of voorstelling
- 3. een wijze waarop iets van figuren is voorzien of zich in figuren vertoont
- 5. een beschrijving
Zeichnung
noun
1. een ontbrekende hoeveelheid
Mangel
noun
1. verzameling letters en/of woorden
Text
noun
1. discipline binnen de toegepaste taalkunde
Textlinguistik
Textologie
noun
1. gestructureerde ontwikkeling van tekst
Textentwurf
noun
1. een computerprogramma waarmee teksten kunnen worden geschreven en bewerkt
Textautomat
Textverarbeitungsgerät
noun
1. natuurlijke processen
Tektonik
/
ˌtelefoˈneːrən/
verb
1. een telefoon gebruiken
telefonieren
/
ˌtelə'fon/, /
ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
Telefon
Fernsprecher
Telephon
noun
1. is een boek met een grote verzameling telefoonnummers gerangschikt op naam en woonplaats
Telefonbuch
noun
Telefongespräch
conversation téléphonique
noun
1. een uniek nummer toegewezen aan een telefoonaansluiting
Telefonnummer
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
Telefonapparat
verb
1. per telegraaf berichten
telegrafieren
noun
berichten overseinen door middel van de telegraaf
Telegrafie
adjective
Telegrau
telegrau
noun
1. grijs met RAL-nummer 7045
Telegrau 1
noun
1. tint grijs met RAL-nummer 7046
Telegrau 2
noun
1. tint grijs met RAL-nummer 7047
Telegrau 4
adjective
Telemagenta
telemagenta
verb
1. door nauwgezette verzorging doen groeien
anbauen
ziehen
züchten
noun
1. iemand die zich bezighoudt met verbouwen van bloemen, planten, fruit enz
Züchter
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
Teleskop
Fernrohr
verb
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
enttäuschen
noun
1. een emotie opgeroepen door het niet uitkomen van een verwachting
Enttäuschung
noun
- 2. medium
Fernsehen
Fernseher
- 1. elektrisch apparaat
Fernseher
Fernsehen
noun
1. televisieomroep
Fernsehen
/
ˌteləˈviziˌseːri/, /
ˌteləˈviziˌsɪːri/
noun
1. een opeenvolging van afleveringen van een programma op de televisie
Fernsehserie
noun
1. een technische norm waaraan een televisiesignaal moet voldoen
Fernsehnorm
noun
1. een toestel dat een elektrisch of elektromagnetisch signaal omzet in beeld en geluid
Fernseher
Fernsehapparat
Fernsehempfänger
Fernsehgerät
pronoun
1. een gemeente in de Oostenrijkse deelstaat Tirol
Telfs
/
ˈtɛɫkəns/
adverb
- 1. elke keer
jedes Mal
- 2. steeds
ständig
verb
1. aantal bepalen
zählen
/
ˈtɛlər/
noun
1. het getal boven de streep van een breuk
Zähler
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
Tellur
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
Tellur
pronoun
1. een Dravidische taal met ongeveer 70 miljoen sprekers
Telugu
/
ˈtɛm.pəl/, /
ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
Tempel
/
ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
Temperatur
adverb
1. luidt het eerste lid van een opsomming van minstens twee argumenten in
erstens
noun
1. beweging in bepaalde richting, neiging
Tendenz
noun
1. een peesontsteking
Sehnenscheidenentzündung
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
Teneriffa
noun
1. een scheikundig element met het symbool Ts en het atoomnummer 117
Tenness
noun
1. onderwijs in tenissen
Tennisstunde
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
Tenorblockflöte
noun
1. tenorsaxofoon
Tenorsaxophon
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde Tenrecidae
Tenrek
/
tɛnˈslɔtə/
adverb
1. immers
endlich
noun
- 2. café, restaurant of andere openbare plek
Lokal
- 1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
Zelt
noun
1. het toetsen van kennis opgedaan bij één vak
Prüfung
Tentamen
/
ˈtɛntəˌkɑmp/
noun
1. een kamp met tenten als behuizing
Zeltlager
/
tɛnˈtonstɛlə(n)/
verb
1. voor een publiek toonbaar maken
ausstellen
/
tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
Ausstellung
Schau
noun
1. snaarinstrument uit de luitfamilie
Theorbe
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
Brustwarze
noun
alcoholische drank afkomstig uit Mexico
Tequila
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
Terbium
/
təˈrɛxt/
adjective
1. gegrond op een juist oordeel, dat wat het goede is
richtig
/
təˈrɛxt/
adverb
1. teruggevonden
gefunden
wieder da
verb
1. uiteindelijk, vaak per ongeluk, ergens geraken
landen
fallen
geraten
verb
1. het beëindigen van een mensenleven op gerechtelijk bevel
hinrichten
verb
1. met teer besmeren
teeren
verb
1. iemands geduld op de proef stellen door hem te irriteren
provozieren
reizen
/
tɛrəm/
noun
1. een woord of uitdrukking
Terminus
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
Termite
/
tɛrˈmɛin/
noun
- 1. een vast tijdstip waarop iets gaat gebeuren of iets gebeurd moet zijn
Frist
Termin
- op termijn
auf Termin, bald
- op korte termijn
kurzfristig
noun
1. licht-donkergrens
Terminator
/
tərˌnaʊərˈnot/
adverb
1. bijna niet, op het nippertje
gerade noch
knapp
mit knapper Not
adjective
1. ontmoedigd, somber vanwege tegenslag
niedergeschlagen
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk
Ternitz
noun
1. een vetoplossend oplosmiddel dat uit de sappen van bepaalde dennensoorten gewonnen kan worden
Terpentin
adjective
Terrabraun
terrabraun
noun
een met een horecaterras vergelijkbare plek in een tuin
Terrasse
/
tɛ'rɛin/
noun
1. een stuk grond van enige omvang
Gelände
noun
1. grondgebied
Territorium
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
Terrorismus
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
Terrorist
Terroristin
/
ˈtɛrsəl/
noun
1. mannetje van een roofvogelsoort
Terzel
adverb
- 2. zo, aanstonds
gleich
- 1. onmiddellijk, meteen
unverzüglich
noun
1. tertssextakkoord
Sextakkord
/
trʏχ/, /
təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
zurück
/
tə'rʌxblɪk/
noun
1. een blik op voorbijgegane zaken
Rückblick
adjective
1. terugkijkend naar het verl
rückblickend
retrospektiv
/
təˈrʏxbrɛŋə(n)/
verb
- 2. naar de eigenaar brengen
- 1. naar het punt van vertrek brengen
zurückbringen
/
t(ə)ˈrʏɣ.drɪŋə(n)/
verb
- 2. beperken, zie ook verminderen
beschränken
einschränken
- 1. dringen naar de oorspronkelijke richting
zurückstoßen
zurückwerfen
/
təˈrʏχaːn/
verb
1. naar de punt van vertrek gaan
zurückgehen
zurückkehren
verb
1. weer gebruikmaken van iets ouds en vertrouwds
zurückgreifen
verb
1. een min of meer elastische botsing ondergaan
zurückprallen
verb
1. gaan naar een plaats waar men eerder vandaan kwam
zurückkehren
/
tə'rʌxkomə/
verb
1. opnieuw naar een plaats komen waar men eerder geweest is
zurückkehren
zurückkommen
verb
1.
zurückbekommen
wiedererlangen
zurückerhalten
verb
1. terug plaatsen
zurücklegen
verb
1. iets (of iemand) weer naar de plaats doen vertrekken waar het vandaan kwam
zurückschicken
/
təˈrʏxˌtɔxt/
noun
1. de tocht terug naar een eerder beginpunt
Rückfahrt
noun
1. ontstaan van een nieuw woord doordat een bestaand woord van een vermeend voorvoegsel, achtervoegsel of uitgang wordt ontdaan
Rückbildung
/
tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /
tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
- 1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
während
- 2. hoewel
während
obwohl
pronoun
1. naam van twee boeken uit het Nieuwe Testament
Thessalonicher
/
ˈtɛ.se.ˌrɑk/, /
ˈtɛ.se.ˌrɑkt/
noun
1. vierdimensionale hyperkubus
Tesserakt
/
tɛst/
noun
- 3. toets
Examen
Prüfung
- 1. probeersel
Test
noun
- 1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
- 1. gedeelte van de bijbel
Testament
noun
1. teelbal, zaadbal
Testikel
Hoden
noun
1. een kans om iets te toetsen
Testmöglichkeit
noun
1. de stift aan het meetsnoer van een meetapparaat
Prüfspitze
noun
1.behoort tot de groep geneesmiddelen die tetracycline-antibiotica worden genoemd
Tetracyclin
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een viertallige as bezittend
tetragonal
noun
1. een door vier gelijkzijdige driehoeken ingesloten lichaam
Tetraeder
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Tettnang
/
tøx/
noun
1. een grote slok
Schluck
Zug
/
ˈtøɣəl/, /
ˈtøʝəl/
noun
1. stuurriem van rijdier
Zügel
pronoun
2. spelwoord voor de letter t
Theodor
noun
1. datgene wat over is boven de gewenste hoeveelheid
Zuviel
Übermaß
adverb
daarbij, ook
zugleich
/
təˈvredə(n)/
adjective
1. geen behoefte voelend om aanmerkingen te maken
zufrieden
/
təvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel genoeg te hebben en voldaan te zijn
Zufriedenheit
/
tə'vredənˌstɛlə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iemand tevreden wordt
zufriedenstellen
zufrieden stellen
verb
1. veroorzaken
herbeiführen
hervorrufen
verursachen
verb
1. een arbeidsbetrekking verlenen aan iemand
beschäftigen
noun
1. een inwoner van Texas, of iemand afkomstig uit Texas
Texaner
/
tɛk'stilɪndʌstri/
noun
de industrie van het maken van stoffen en kleding met textiel
Textilindustrie
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
Thailändisch
/
ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /
ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
Thailand
noun
1. grijze stof van de tussenhersenen
Thalamus
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
Thallium
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
Theater
noun
1. een organisatie die zich bezighoudt met het repeteren en uitvoeren van theatervoorstellingen
Theaterensemble
/
ˈteduk/
noun
1. katoenen of linnen doek, m.n. gebruikt om serviesgoed, bestek, pannen e.d. mee af te drogen
Geschirrtuch
noun
1. een kleine lepel om thee mee te roeren
Teelöffel
pronoun
1.de grootste rivier van Engeland
Themse
noun
1. een gevoerde kap om de thee warm te houden
Teewärmer
Teemütze
noun
1. kan met deksel en schenktuit waarin een warme drank wordt bereid door bladeren in heet water te laten trekken
Teekanne
/
tema/
noun
1. een onderwerp dat behandelt wordt
Thema
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Themar
pronoun
2. spelwoord voor de letter t
Theodor
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
Theologie
noun
1. een beoefenaar van de theologie
Theologe
/
ˌteɔːˈretis/
adjective
1. wat niet perse in de werkelijkheid voorkomt, m.b.t. feiten en wetten berustende ...
theoretisch
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
Theorie
noun
iemand die een patiënt behandelt
Therapeut
noun
1. een methode om aan de genezing van zieken te werken
Therapie
noun
1. elektronisch muziekinstrument
Theremin
noun
1. een poedermengsel van een onedel metaal, gewoonlijk aluminium, en een oxide van een edeler metaal, vaak ijzer of koper
Thermit
adjective
1. met betrekking tot warmte
thermisch
noun
1. de leer van warmte en arbeid
Thermodynamik
noun
1. grafische registratie van de temperatuur opgetekend door een thermograaf of camera
Thermogramm
/
ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
Thermometer
noun
1. synoniemenwoordenboek
Thesaurus
/
ˈtiosɵlˌfat/
noun
1.
Thiosulfat
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Saarland
Tholey
/
ˈtora/
pronoun
1.-3.
Thora
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
Thorium
/
tœʏs/, /
tœːs/
noun
1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
Zuhause
/
tœysbəzɔrɣə(n)/
verb
1. afleveren aan huis
ins Haus liefern
ins Haus zustellen
noun
- 1.haven waar een schip geregistreerd is
- 2.plaats waar iemand zich thuis voelt of thuis hoort
Heimathafen
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
Thulium
/
ˌtiroˈid/, /
ˌtiroˈit/
noun
1.een klier gelegen aan de voorzijde van de hals
Schilddrüse
pronoun
2. de rivier die stroomt door Rome
Tiber
pronoun
- 1. autonome regio
- 1. voormalig land
Tibet
adjective
1. gerelateerd aan of afkomstig uit Tibet
tibetisch
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
Tibetisch
tibetanisch
pronoun
- 1. Zwitsers kanton
- 1. zijrivier van de Po
Tessin
cardinalNumeral
1. het getal 10
zehn
noun
2. kerkbelasting
Zehnt
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
zehnte
noun
1. jongere tussen 10 en 20 jaar oud
Teenager
noun
1. biljet van tien euro
Zehneuroschein
noun
1. vrouwelijke borst
Titte
pronoun
1. taal gesproken door meer dan 5 miljoen mensen in Eritrea, Ethiopië, Duitsland en Israël
Tigrinya
/
tɛit/, /
tɛɪ̯d/, /
tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
Zeit
adjective
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
vorläufig
adverb
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
vorübergehend
preposition
1. gedurende de tijd dat
während
noun
1. iemand die in dezelfde historische periode leefde
Zeitgenosse
noun
1. een schakelaar die om een bepaald tijdstip automatisch de schakeling omzet
Zeitschaltuhr
/
ˈtɛːtmɑˌʃinə/, /
ˈtɛːɪtmɑˌʃinə/
noun
1. machine om mee door de tijd te reizen
Zeitmaschine
adjective
1. een aanzienlijke hoeveelheid tijd vereisend
zeitraubend
Zeit raubend
noun
1. het laten zien hoe laat het is; het laten zien wanneer iets gebeurd is
Zeitangabe
noun
1. schakelaar die men op een bepaalde tijd kan afstellen
Zeitschalter
Zeitschaltuhr
noun
1. blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
Zeitschrift
noun
- 1. afsluitmechanisme van een kluis of ruimte waarin een of meer uurwerken zijn verwerkt
Zeitschloss
Zeitverschluss
- 1. afgebakende periode
Zeitschlitz
noun
1. een punt in de tijd
Zeitpunkt
noun
Zeitverschwendung
Zeitvergeudung
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
Tiger
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus tigrinus
Tigerkatze
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
Thymian
Quendel
noun
1. verkeerde letters aanslaan bij tikken
Tippfehler
/
ˈtɪkə(n)/
verb
- iemand op de vingers tikken
jemandem auf die Finger klopfen
jemanden rügen
- 2. het regelmatige, korte maar energieke geluid van zo'n slag of klap
ticken
- 3. typen
tippen
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor het tonen van korte filmpjes
TikTok
noun
- 1. het tillen
Aufheben
Heben
- 1. een houten constructie die vaak in een punt water overbrugt
Balkenbrücke
Holzbrücke
- 2. een vogelbehuizing zonder ren
Taubenschlag
/
tɪlə(n)/
verb
- 1. van de grond opheffen
heben
- 2. iemand tekortdoen
übervorteilen
verb
1. houten zaken in elkaar zetten
zimmern
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
Zimmermann
noun
1. plat potlood van stevige constructie dat toch dunne lijntjes kan trekken
Zimmermannsbleistift
Zimmererbleistift
Zimmermannsstift
noun
1. een vrouw die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
Zimmerfrau
noun
scheikundig element
Zinn
noun
1. elk van de stukjes onderbroken muur bovenaan een wand van een gebouw of vestingwerk
Zinne
pronoun
2. spelwoord voor de letter t
Theodor
noun
1. een handpomp waarmee gesmolten soldeertin bij het lossolderen kan worden opgezogen
Entlötpumpe
noun
1. een tent tent met een puntdak die o.a. gebruikt wordt door de Noord-Amerikaanse indianen
Tipi
/
ˈtɪ.pə.lar.stər/
noun
2. prostituée op straat
Strichmädchen
auf dem Strich
noun
1. onrechtmatige heerschappij, gekenmerkt door willekeur en geweld
Tyrannei
pronoun
- 1. regio
- 2. deelstaat van Oostenrijk
Tirol
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
Titan
noun
- 1. opschrift van een document
- 2. aanduiding van een persoon
Titel
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Titisee-Neustadt
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
Zilpzalp
adjective
1. heel erg vol zodat er niets meer bij kan
rappelvoll
verb
- 2. lijden aan een ongemak
abquälen
- 1. zich ergens zorgen over maken
brüten
grübeln
pronoun
2. apocrief boek uit de Bijbel
Tobias
Tobit
/
dɔx/, /
tɔx/, /
tɔχ/
adverb
- 1. gebruikt om iets extra te benadrukken
- 3. om bevestiging vragend
doch
- 2. in weerwil van iets
trotzdem
noun
- 2. activiteit waarbij men naar een of meer bestemmingen gaat
Reise
Fahrt
- 1. bewegende koude lucht binnen een ruimte als gevolg van openingen naar buiten
Zug
noun
1. tochtdeur
Windvangtür
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Todtnau
verb
1. het eigendom zijn van
gehören
verb
1. het doen opnemen van bijvoorbeeld een medicijn door iemand
verabreichen
noun
1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
Zugang
adjective
1.te bereiken
zugänglich
/
ˈtuɣəˌstan/
adjective
1. wat mag, geoorloofd
erlaubt
zulässig
verb
- 1. toestaan
eingestehen
zugeben
- 2. erkennen
zugeben
/
ˈtuxɪft/
noun
- 1. iets dat als overmaat, als extra gave geschonken wordt
Beilage
Zugabe
- 1. extra stuk muziek , dans enz. als dank voor het applaus als de voorstelling al is afgelopen
Zugabe
verb
1. met gejuich begroeten
zujubeln
noun
1. benaming voor tropische vogels uit de familie Ramphastidae
Tukan
verb
- 1. niet onmogelijk maken of verbieden
erlauben
zulassen
- 2. toegang verschaffen
zulassen
verb
1. verduidelijken
erläutern
verdeutlichen
/
ˈtulɪxˌtɪŋ/
noun
1. nadere tekst om het te verduidelijken
Erläuterung
/
tun/
adverb
- 2. in een vervlogen tijd
damals
- 1. op of na dat tijdstip
dann
danach
/
tun/
conjunction
1. op het tijdstip dat
als
während
noun
1. het groter worden in aantal of maat
Zunahme
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
Tundra
verb
1. groter worden in getal of maat
zunehmen
adjective
1. dat wat er goed bij hoort of op van toepassing is
anwendbar
brauchbar
verb
- 1. in de praktijk brengen
- 2. gebruiken
anwenden
noun
- 2. het in de practijk brengen van iets
- 1. een manier waarop iets gebruikt wordt
Anwendung
noun
1. het reizen voor ontspanning
Tourismus
noun
1. een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
Tourist
noun
1. een vrouwelijk persoon die voor haar plezier reist
Touristin
/
tusxɔuər/
noun
1. iemand die naar iets kijkt
Zuschauer
verb
1. het auteurschap of de eigenaar van iets associëren met iemand
zuschreiben
noun
1. een bonus vanwege een specifieke situatie
Zuschlag
/
ˈtuspra:k/
noun
1. een voordracht voor een groter publiek
Rede
verb
1. iets niet verbieden, iets mogelijk maken
erlauben
/
'tustɑnt/
noun
- een ongelukkige situatie
Zustand
- geheel van omstandigheden
Zustand
Beschaffenheit
noun
1. een werktuig dat uit meer dan één onderdeel bestaat
Apparat
Gerät
Maschine
noun
een toezegging dat iets geoorloofd is
Zustimmung
Einwilligung
verb
1. iemand zo mishandelen dat hij of zij zichtbaar lichamelijk letsel heeft
zurichten
noun
1. gerecht waarmee een maaltijd kan worden afgesloten
Dessert
Nachtisch
noun
1. het deelnemen aan iets, lid worden
Eingang
noun
3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
Taste
/
ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
- 3. klavier van een toetsinstrument
Klaviatur
- 1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
Tastatur
noun
1. muziekinstrument met een toetsenbord
Tasteninstrument
/
ˈtuːvɑl/
noun
- 2. een aanval van epilepsie
Anfall
- 1. een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
Zufall
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
hinzufügen
noun
1. datgene wat met een groter geheel verenigd wordt
Zufügung
noun
2. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
Affix
/
tuʋɛɪ̭zə(n)/
verb
1. goederen of fondsen een bestemming geven
zuweisen
zuordnen
verb
1. beloven
versprechen
zusagen
noun
1. het in de gaten houden, het letten op
Aufsicht
adjective
1. populair, gaaf, cool
toll
/
'to.ɣo/, /
ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Togo
/
tʋɑ'lɛt/
noun
1. een plaats waar men zich kan ontlasten
Toilette
pronoun
1. een taal die in Papoea-Nieuw-Guinea gesproken wordt
Tok Pisin
/
ˈtɔki ˈpoːnaː/
pronoun
1. bepaalde minimalistische kunsttaal
Toki Pona
noun
1. snaarinstrument waarvan de snaren worden getokkeld
Zupfinstrument
/
tɔl/
noun
- 2. kinderspeeltuig
Kreisel
- 3. plaats waar men slechts tegen betaling mag passeren
- 4. geld dat men bij een tol geheven wordt
Zoll
Maut
/
tolɑj/
pronoun
1. taal in Papoea-Nieuw-Guinea
Kuanua
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
Dolmetscher
/
toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
Tomate
Paradeiser
adjective
Tomatenrot
tomatenrot
noun
1. strijdbijl van de Noord-Amerikaanse indianen
Tomahawk
noun
1. een vruchtensap dat uit tomaten is bereid
Tomatensaft
noun
1. naam voor koperlegeringen met zink
Tombak
noun
1. röntgenfoto waarbij slechts één vlak scherp wordt afgebeeld (doorsnede)
Tomografie
/
tɔmˈpus/
noun
1. een gebakje bestaande uit geglazuurd bladerdeeg met room
Cremeschnittchen
noun
- 1. een vat in de vorm van...
- 3. een gewichteenheid van 1000 kilogram
Tonne
/
tonə(n)/
verb
2. laten zien
zeigen
noun
1. traditioneel Okinawaans wapen
tonfa
noun
- 2. wat gesproken wordt
Sprache
Zunge
- 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
Zunge
Lasche
pronoun
1. stad in het zuiden van Belgisch-Limburg
Tongern
noun
1. een gewelf in de vorm van een halve cilinder
Tonnengewölbe
noun
1. erotisch getinte kus waarbij de tongen van de partners elkaar raken
Zungenkuss
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
Thunfisch
/
ˈtɔnsɪl/
noun
1. een amandel
Mandel
verb
1. iets versieren
schmücken
noun
1. stuurriem van rijdier
Zügel
noun
1. het klankkarakter van een toonladder
Tonart
noun
1. een winkeltafel waarop waren worden getoond en afgerekend
Ladentheke
Tresen
Verkaufstisch
noun
1. toongenerator
Tongenerator
noun
1. het klankkarakter van een toonladder
Tonart
noun
1. een stijgende of dalende opeenvolging van tonen
Tonleiter
noun
1. toonhoogtenspectrum
Tonumfang
noun
1. een volgens bepaalde schema stijgende of dalende opeenvolging van tonen
Tonleiter
/
'tonsort/
noun
1. een stelsel van toonafstanden dat gebruikt wordt in een muziekstuk
Tonart
/
ˈtostə(n)/
verb
1. een heildronk uitbrengen, op iets of iemand drinken
toasten
noun
- 1. hoogste punt, (bovenste) uiteinde
Gipfel
- 3. de leiding van een bedrijf, de directeur en of de topmanagers
Leiter
Leiterin
Leitung
- 2. grootst mogelijke, hoogst bereikbare (topsnelheid, topsport)
Spitzen-
noun
1. het onderwerp van gesprek
Thema
noun
1. onderdeel aan de bovenkant van de toets van een gitaar
Obersattel
Sattel
adjective
1. de borsten bloot latend
oben ohne
barbusig
topless
adjective
1. verband houdend met de nauwkeurige beschrijving van een gebied
topografisch
noun
1. een eigennaam die een geografisch begrip benoemt
Toponym
verb
1. een plant besnoeien door de groeitoppen te verwijderen
beschneiden
stutzen
noun
1. uitstekend resultaat
Hochleistung
Spitzenleistung
noun
1. sport op het hoogste niveau, vaak professioneel
Leistungssport
noun
1. onderdeel aan de bovenkant van de toets van een strijkinstrument
Obersattel
Sattel
/
tɔːrə(n)/
noun
- 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
- 1. een hoog bouwwerk
Turm
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
Turmfalke
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
Tornado
Windhose
/
ˈtɔsti/
noun
1. een dubbele boterham met kaas en eventueel ander beleg die in een tosti-ijzer is verwarmd
Käse-Schinken-Toast
conjunction
1. het punt dat benaderd wordt
bis
preposition
tot dusver|
bisher
/
tɔt.ʋe.dər.ˈɦoː.rə(n)/
interjection
1. een groet waarmee iemand aan de telefoon afscheid neemt
auf Wiederhören
/
tɔt.ˈʋeːr.zins/
interjection
1. een groet waarmee iemand afscheid neemt
auf Wiedersehen
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
auf Wiedersehen
/
ˈto.to.ˌlɔs/
noun
van vaartuigen, voertuigen en goederen dat het economisch niet meer verantwoord is...
Totalschaden
/
ˈtoːtɘmˌpaːl/
noun
1. een houten standbeeld
Totempfahl
noun
1. een luxe autobus om reizen of uitstappen mee te maken
Reisebus
noun
- 1. een toegangspoortje dat personen slechts stuk voor stuk doorlaat
Drehkreuz
- 2.een knelverband
Stauschlauch
Tourniquet
noun
1. een mannelijk iemand die kan toveren
Zauberer
/
ˈtovərkʏnst/
noun
1. mogelijkheid om langs bovennatuurlijke weg resultaten te bereiken
Zauber
Zauberkunst
noun
1. staf om mee te toveren
Zauberstab
/
ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /
ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
Toxikologie
adjective
1. giftig
toxisch
noun
1. klierziekte veroorzaakt door het virus toxoplasma
Toxoplasmose
/
traːx/
adjective
1. met geringe snelheid
langsam
noun
- 2. ook inertie genoemd
- 1. het langzaam zijn
Trägheit
noun
- 2. olie bereid uit het spek van zeezoogdieren als walvissen en robben
Tran
- 1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
Träne
noun
1. een van de beederen van de schedel
Tränenbein
/
ˈtraːnɦøvəl/
noun
1. verhevenheid in de ooghoek aan de zijde van de neus
Tränenkarunkel
Tränenwärzchen
noun
1. klier, gelegen boven de oogbollen, die traanvocht produceert
Tränendrüse
noun
1. (medisch) het opensnijden van de luchtpijp
Luftröhrenschnitt
/
ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
Traktor
Schlepper
Trecker
/
tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
traditionell
herkömmlich
phraseologicalUnit
traditionelles Chinesisch
noun
1. transformator
Trafo
/
traˈxedi/
noun
- 1. een toneelspel dat handelt over een bedroevende gebeurtenis
- 2. gebeurtenis met een droevige of rampzalige afloop
Tragödie
noun
1. ± iemand in opleiding, voor een functie in een onderneming of organisatie
Azubi
verb
1. het doen van lichamelijke oefeningen
trainieren
noun
1. een oefening
Training
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk
Traiskirchen
/
trɛ.dyˈɲɔ̃/
noun
1. het teken, een liggend streepje, dat wordt geplaatst tussen delen van een...
Bindestrich
noun
1. de af te leggen of afgelegde weg van een voorwerp door de ruimte
Bahn
Route
Strecke
/
tram/, /
trɑm/, /
trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
Straßenbahn
noun
1. een morfine-achtige pijnstiller
Tramadol
/
ˈtra.nə(n).ˌdɑl/, /
ˈtra.nə(n).ˌdɑɫ/
noun
- 1. plek van enorm verdriet
- 2. alle verdriet en smart gevoeld in het leven
Jammertal
adjective
1. dwars door Siberië
transsibirisch
/
trɑnsˈkrɪpsi/
noun
- 1. de conversie naar een geschreven tekst van een andere geschreven, getypte of gedrukte tekst.
Abschrift
Abschreiben
Übertragung
- 3.
- 2. het vastleggen van de uitspraak van een gesproken tekst op schrift.
Transkription
- 4. het omzetten van een muziekstuk naar een andere vorm of bezetting.
Transkription
Umschreibung
noun
1.
Querhaus
Transept
Querschiff
abbreviation
Transformator
Trafo
/
'trɑnzitif/
adjective
transitiv
noun
1. verplaatsing, overplaatsing
Translokation
adjective
1. lichtdoorlatend
durchsichtig
transparent
noun
1. folie uit plastiek waarop tekst, figuren en foto's worden aangebracht ter ondersteuning van...
Dia
Klarsichtfolie
noun
1. doorzichtbaarheid
Transparenz
verb
1. de overzetting van biologisch materiaal naar een andere plaats in hetzelfde of naar een ander lichaam
transplantieren
verb
1. in een andere toonsoort overzetten
transponieren
noun
1. rollende band zonder einde voor het vervoer van materiaal of goederen
Transportband
noun
Transportbetrieb
Transportunternehmen
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
transportieren
befördern
noun
1. overzetting naar andere toonsoort
Transposition
pronoun
Siebenbürgen
Transsilvanien
Transsylvanien
noun
- 1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
Treppe
- 1. benaming voor vogels uit de familie Otididae
Trappe
/
trɑˈpezə/
noun
- 1. een zweefrek voor acrobaten
- 2. een hulpmiddel voor het buiten boord hangen om een zeilboot in balans te houden
Trapez
/
trɑˈpezɪʏm/
noun
1. een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
Trapez
adjective
- 2. in trappen, stap voor stap
gestaffelt
schrittweise
- 1. op de wijze van een trap
stufenweise
stufig
/
ˈtrɑptredə/
noun
1. een deel van een trap waarop men kan staan
Treppenstufe
/
ˈtrɑptre/
noun
1. een deel van een trap waarop men kan staan
Treppenstufe
noun
1. vlak terrein waarop je zonder officiële organisatie of voorzieningen kunt voetballen
Bolzplatz
noun
psychische stoornis, ontstaan door een schokkende ervaring
Trauma
noun
1. taps toelopende buis, gebruikt voor het vullen van vaten
Trichter
noun
1. 1081
Tredezilliarde
/
tre/
noun
- 2. opstapje dat deel uitmaakt van een ladder
Sprosse
Leitersprosse
- 1. opstapje dat deel uitmaakt van een trap
Stufe
verb
1. raak schieten
treffen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Treffurt
noun
1. een titelwoord van een stuk tekst in een catalogus, woordenboek of encyclopedie
Stichwort
noun
1. een krachtige vissersboot die met een trechtervormig net vist
Trawler
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
Zug
Eisenbahn
noun
1. het benutten van een trein
Zugbenutzung
/
ˈtrɛɪtərə(n)/
verb
1. rottigheid uithalen ten nadele van iemand met het doel diegene dwars te zitten
quälen
verb
- 4. aandacht opwekken
anziehen
anlocken
- 1. op een voorwerp een kracht uitoefenen in een richting die ervan wegvoert
- 2. een lijn aanbrengen
- 3. een lange tocht uitvoeren
ziehen
- iemand over de streep trekken
überzeugen
noun
2. een tractor
Traktor
Schlepper
Trecker
noun
1. paard dat een voertuig trekt
Zugpferd
/
'trɛk.sxʌʏt/
noun
1. vaartuig
Kahn
noun
1. benaming voor sprinkhanen die normaal gesproken solitair leven,...
Wanderheuschrecke
noun
1. gegraven waterweg
Kanal
noun
1. een vogel die 's winters een andere verblijfplaats kiest dan in de broedtijd
Zugvogel
noun
1. een pad langs de kant van een kanaal of vaart waarover eertijds de trekdieren van de trekschuit werden voortgedreven
Leinpfad
Treidelpfad
Treidelweg
/
trɛkzɑk/
noun
1. een instrument met een blaasbalg die een wisseltonig stelsel doorslaande tongen bedient in diatonische stemming
Quetschkommode
noun
1. diakritisch teken
Trema
noun
- ontwikkeling in een bepaalde richting
Neigung
Tendenz
- nieuwe mode
Trend
verb
1. verdrietige gevoelens koesteren, vaak na het verlies van iemand of iets
trauern
noun
1. bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, Salix babylonica
Trauerweide
/
'trøzəlar/
noun
1. iemand die niet opschiet en te veel tijd verdoet
Trödler
noun
1. behendigheidswedstrijd
Trial
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
Triangel
noun
1. de plaatsen voor het publiek
Tribüne
/
ˈtrɪf.tɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit drie klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
Triphthong
adjective
1. aan drie kanten, in twee richtingen (buitenkanten)
dreiseitig
trilateral
/
'trɪlə(n)/
verb
1. snel heen een weer bewegen
vibrieren
zittern
noun
1. een periode van drie maanden
Trimester
/
ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /
ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /
ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
Trinidad und Tobago
noun
- 3. seksuele activiteit met drie personen
Dreier
- 1. een muziekstuk voor drie spelers
Trio
noun
2. grootse overwinning of prestatie
Triumph
noun
1. de meest voorkomende vorm van dizuurstof in de grondtoestand die twee ongepaarde elektronen per molecule bezit
Triplet-Sauerstoff
noun
1. compositieplaat betaande uit 3 laagjes gelijmd hout in verschillende vezelrichtingen
Sperrholz
noun
1. politiek leiderschap dat uit drie gelijkwaardige personen bestaat
Triumvirat
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Trochtelfingen
noun
1. troepen
Streitkräfte
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Stiermarken
Trofaiach
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
Trophäe
noun
1. een driekantige platte schep met handvat voor het opbrengen van metselspecie
Maurerkelle
noun
- 2. een langgerekte, nauwe en diepe kloof in de zeebodem veroorzaakt door subductie van een tektonische plaat.
Tiefseegraben
- 1. een langgerekte voederbak.
Trog
/
'trɔ.li.bɵs/
noun
Trolleybus
/
ˌtrɔmboˌsitopeˈni/
noun
1. het symptoom dat men een te laag aantal bloedplaatjes of trombocyten heeft.
Thrombozytopenie
noun
1. een koperen blaasinstrument
Posaune
noun
1. de vorming van een bloedprop in een bloedvat of het hart
Thrombose
Thrombus
/
ˈtrɔmbʏs/
noun
1. bloedprop
Blutgerinnsel
Thrombus
noun
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
Trommel
noun
Trockner
Wäschetrockner
verb
1. ritmisch op iets slaan
trommeln
noun
1. onderdeel van een wiel, waarin twee halfcirkelvormige lichamen van binnenuit tegen de wand van een cilinder rond de as worden gedrukt
Trommelbremse
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
Trompete
noun
1. musicus die een trompet bespeelt
Trompeter
/
troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
Thron
noun
1. het aftreden als vorst
Thronverzicht
noun
1. aanvaarding van vorstelijke macht, met de daarbij horende ceremonie
Inthronisation
Krönung
noun
1. steun bij verdriet of pijn
Trost
verb
1. als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven
trösten
noun
1. streken tussen beide keerkringen
Tropen
noun
- 2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
- 1.
Traube
- 3. een scheepskabel
Trosse
adjective
- 2. vervuld van grootsheid
hochmütig
überheblich
- 1. erg blij met wat men (bereikt) heeft
stolz
noun
- 2. het gevoel dat men wil pronken met wat men heeft of doet
Stolz
- 1. denken dat men beter is dan anderen
Stolz
Hochmut
preposition
1. ondanks
trotz
ungeachtet
verb
1. niet laten afschrikken door iemand of iets
trotzen
/
trɔˈtʋar/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
Bürgersteig
Gehsteig
Gehweg
noun
1. opstaande rand van een trottoir
Bordstein
noun
- 2. rondreizend artiest
Spielmann
- 1. rondreizend kunstenaar
Troubadour
noun
1. middeleeuws dichter en zanger in Noord-Frankrijk
Trouvère
/
trʌʊ/
adjective
1. op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen
treu
loyal
treuherzig
/
trʌʊ/
noun
1. het zich houden aan...
Treue
Loyalität
Treuherzigkeit
verb
1. het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
heiraten
/
ˈtrɑuwəns/
adverb
1. overigens
übrigens
/
trɑupɑk/
noun
1. een bruidegomskostuum dat aan de trouwdag wordt gedragen
Hochzeitsanzug
/
tryk/
noun
1. een handeling om op een slimme manier een doel te bereiken
Trick
/
tryk/
noun
- 1. vrachtauto waarvan de aanhangwagen op een draaibaar onderstel zit
Lastwagen
Truck
- 3. open vrachtwagen
Pritschenwagen
- 2. het zelfrijdende deel van een vrachtwagen-opleggercombinatie
Sattelschlepper
Sattelzugmaschine
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
Pullover
/
tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
Zar
/
tʃad/, /
tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Tschad
/
ˈtʃɛxis/, /
ˈtʃɛxɪs/, /
ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
Tschechisch
tschechisch
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
Tschechische Republik
/
ˈtʃɛxi.jə/, /
ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
Tschechien
Tschechei
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
Tschechoslowakei
/
tʃɛnobil/
pronoun
Tschornobyl
Tschernobyl
pronoun
1. een taal die in Tsjetsjenië gesproken wordt
Tschetschenisch
/
tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
Tsunami
noun
1. een koperen blaasinstrument met lage toon
Tuba
noun
1. een verpakking in kokervorm gemaakt van metaal of plastic gevuld met een halfvloeibare stof
Tube
/
ˌtybɛrkyˈlozə/
noun
1. een ziekte veroorzaakt de de tuberculosebacterie Mycobacterium tuberculosis
Tuberkulose
pronoun
1. grensdorp in Duitsland
Tüddern
noun
1. het geheel van masten, bomen, zeilen en touwwerk van moderne zeilschepen
Takelage
noun
1. Tursiops truncatus, dolfijnsoort met robuust gestroomlijnd lichaam
Großtümmler
große Tümmler
/
tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
Garten
noun
1. vorm van gewassenkwekerij die zich specifiek toelegt op het intensief telen van groenten, bloemen, planten, bomen, bollen of zaden
Gartenbau
/
'tœn.bruk/
noun
1. een mouwloze overal met gespen
Latzhose
noun
1. Sylvia borin, een zangvogel ...
Gartengrasmücke
/
ˈtœʏnhœʏs/
noun
1. een gebouwtje in een tuin voor recreatief gebruik
Gartenhaus
noun
1. en 2. cultuurplant en eetbaar kruid Lepidum sativum
Gartenkresse
noun
bepaald soort kruidachtige plant, Lobelia erinus
Blaue Lobelie
Männertreu
verb
schenkpijp aan een kan of ketel
Tülle
noun
1. een gezwel
Geschwulst
Tumor
/
ty.ˈne.zi.jə/, /
tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
Tunesien
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
Tunnel
Stollen
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
Turbine
verb
1. veen als brandstof
Torf
noun
1. het delven en gebruiksklaar maken van turf
Torfabbau
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
Turin
/
tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
Türke
/
tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /
tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
Türkei
pronoun
1. de taal die door de Turkmenen in Turkmenistan en Afghanistan gesproken wordt
Turkmenisch
turkmenisch
/
tʏrˈkojs/, /
tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
Türkis
adjective
Türkisblau
türkisblau
adjective
Türkisgrün
türkisgrün
adjective
1. met de blauwgroene kleur turkoois.
türkis
/
tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
Türkisch
türkisch
noun
1. bepaald soort tuinplant, Lilium martagon
Türkenbund
pronoun
1. stad in Finland
Turku
adjective
1. blauwgroene kleur.
türkis
/
ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
zwischen
adverb
tussenbeide komen
eingreifen
einschalten
adverb
1. in de tussentijd
zwischendurch
/
ˌtʏsənˈdoːrtjə/
noun
1. een versnapering, iets te eten tussen de maaltijden door
Zwischenmahlzeit
Imbiss
verb
1. tussenbeide komen, interveniëren
beteiligen
mitbezahlen
mitzahlen
noun
1. het plastic velletje tussen plakjes vleeswaren
Trennfolie
/
ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
Interjektion
Empfindungswort
verb
1. elkaar met jij en jou aanspreken
duzen
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
- 2. een district in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Tuttlingen
/
ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
Tuvalu
pronoun
1. Austronesische taal, gesproken door 13.080 mensen in Tuvalu, Fiji, Kiribati, Nauru en Nieuw-Zeeland
Tuvaluisch
noun
2. een elektrisch apparaat om bewegende beelden en geluid te ontvangen
Fernsehapparat
Glotze
TV
/
twaːlf/, /
tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
zwölf
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
zwölfte
noun
1. twaalftoonmuziek
Zwölftonmusik
noun
1. twaalftoonstechniek
Zwölftontechnik
noun
1. Oryzoborus crassirostris, een kleine vinkensoort uit Midden- en Zuid-Amerika
Dickschnabelreisammer
Mohrenreisknacker
/
tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
zwei
zwo
/
tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
Zwei
zwei
phraseologicalUnit
(wie) Erbsen in einer Schote
/
ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
zweite
noun
1. 26 december
zweiter Weihnachsfeiertag
noun
1. de dag die volgt op paaszondag
zweiter Osterfeiertag
zweiter Ostertag
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
Zweiter Weltkrieg
/
tʋedəˈɦɑn(t)s/, /
tʋedəˈɦɑnts/
adjective
1. reeds door iemand bezeten geweest
gebraucht
/
ˈtweːˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 200
zweihundert
cardinalNumeral
1. het getal 208
zweihundertacht
cardinalNumeral
1. het getal 238
zweihundertachtunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 298
zweihundertachtundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 288
zweihundertachtundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 228
zweihundertachtundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 248
zweihundertachtundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 258
zweihundertachtundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 268
zweihundertachtundsechzig
/
ˌtwehɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 278
zweihundertachtundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 218
zweihundertachtzehn
cardinalNumeral
1. het getal 213
zweihundertdreizehn
cardinalNumeral
1. het getal 230
zweihundertdreißig
cardinalNumeral
1. het getal 203
zweihundertdrei
cardinalNumeral
1. het getal 233
zweihundertdreiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 293
zweihundertdreiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 283
zweihundertdreiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 223
zweihundertdreiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 243
zweihundertdreiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 253
zweihundertdreiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 263
zweihundertdreiundsechzig
/
ˌtwehɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 273
zweihundertdreiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 201
zweihunderteins
cardinalNumeral
1. het getal 231
zweihunderteinunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 291
zweihunderteinundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 281
zweihunderteinundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 221
zweihunderteinundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 241
zweihunderteinundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 251
zweihunderteinundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 261
zweihunderteinundsechzig
/
ˌtwehɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 271
zweihunderteinundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 211
zweihundertelf
cardinalNumeral
1. het getal 209
zweihundertneun
cardinalNumeral
1. het getal 239
zweihundertneununddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 299
zweihundertneunundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 289
zweihundertneunundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 229
zweihundertneunundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 249
zweihundertneunundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 259
zweihundertneunundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 269
zweihundertneunundsechzig
/
ˌtwehɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 279
zweihundertneunundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 219
zweihundertneunzehn
cardinalNumeral
1. het getal 290
zweihundertneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 280
zweihundertachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 210
zweihundertzehn
cardinalNumeral
1. het getal 212
zweihundertzwölf
cardinalNumeral
1. het getal 202
zweihundertzwei
cardinalNumeral
1. het getal 232
zweihundertzweiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 292
zweihundertzweiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 282
zweihundertzweiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 222
zweihundertzweiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 242
zweihundertzweiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 252
zweihundertzweiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 262
zweihundertzweiundsechzig
/
ˌtwehɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 272
zweihundertzweiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 220
zweihundertzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 214
zweihundertvierzehn
cardinalNumeral
1. het getal 240
zweihundertvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 204
zweihundertvier
cardinalNumeral
1. het getal 234
zweihundertvierunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 294
zweihundertvierundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 284
zweihundertvierundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 224
zweihundertvierundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 244
zweihundertvierundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 254
zweihundertvierundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 264
zweihundertvierundsechzig
/
ˌtwehɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 274
zweihundertvierundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 205
zweihundertfünf
cardinalNumeral
1. het getal 235
zweihundertfünfunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 295
zweihundertfünfundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 285
zweihundertfünfundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 225
zweihundertfünfundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 245
zweihundertfünfundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 255
zweihundertfünfundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 265
zweihundertfünfundsechzig
/
ˌtwehɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 275
zweihundertfünfundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 215
zweihundertfünfzehn
cardinalNumeral
1. het getal 250
zweihundertfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 206
zweihundertsechs
cardinalNumeral
1. het getal 236
zweihundertsechsunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 296
zweihundertsechsundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 286
zweihundertsechsundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 226
zweihundertsechsundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 246
zweihundertsechsundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 256
zweihundertsechsundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 266
zweihundertsechsundsechzig
/
ˌtwehɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 276
zweihundertsechsundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 216
zweihundertsechzehn
cardinalNumeral
1. het getal 260
zweihundertsechzig
/
ˌtwehɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 207
zweihundertsieben
/
ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 237
zweihundertsiebenunddreißig
/
ˌtwehɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 297
zweihundertsiebenundneunzig
/
ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 287
zweihundertsiebenundachtzig
/
ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 227
zweihundertsiebenundzwanzig
/
ˌtwehɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 247
zweihundertsiebenundvierzig
/
ˌtwehɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 257
zweihundertsiebenundfünfzig
/
ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 267
zweihundertsiebenundsechzig
/
ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 277
zweihundertsiebenundsiebzig
/
ˌtwehɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 217
zweihundertsiebzehn
/
ˌtwehɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 270
zweihundertsiebzig
/
ˈtʋeklɑŋk/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
Diphthong
Zwielaut
noun
1. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
Dämmerung
/
ˈtwelɪŋ/, /
ˈtʋelɪŋ/, /
ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
Zwilling
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 21 mei tot 21 juni
Zwillinge
adjective
1.om de twee maanden
zweimonatlich
noun
1. kamer waar twee personen kunnen slapen
Doppelzimmer
/
ˈtwesprɔŋ/
noun
- 1. plaats waar een weg zich in tweeën splitst
Abzweigung
Gabelung
cross-roads
- 2. voor een beslissende keuze staan
Scheideweg
/
ˈtʋestrɛɪt/
noun
- 1. conflict tussen twee mensen
Duell
Zweikampf
- 3. inwendige strijd bij het maken van een keuze
innere Zwiespalt
noun
- 1. welgeteld twee
Doppelpack
- 2. een groep van twee
Duo
Gespann
Paar
adjective
zweisprachig
bilingual
adjective
1. met, of aan twee kanten, belangen, partijen etc.
zweiseitig
bilateral
cardinalNumeral
1. het getal 32
zweiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 92
zweiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 82
zweiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 22
zweiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 42
zweiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 52
zweiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 62
zweiundsechzig
/
ˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 72
zweiundsiebzig
pronoun
1. een Nedersaksische taalvariëteit die wordt gesproken in Twente
Twents
/
ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
Zweifel
/
tʋɛɪ.fəɫ.χə.vɑɫ/, /
tβ̞ɛː.fəl.ɣə.vɑl/
noun
1. een situatie of entiteit waarover getwijfeld wordt
Zweifelsfall
/
twɛɪ̯x/, /
tʋɛɪ̯χ/, /
tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
Zweig
/
ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
zwanzig
ordinalAdjective
zwanzigste
noun
2. een dans uit de jaren 1960
twist
/
ˈtwɪstə(n)/, /
ˈtʋɪstə(n)/, /
ˈtβ̞ɪstə(n)/
verb
- 1. onenigheid hebben
- 2. een discussie voeren
sich streiten
/
tɑjˈkuːn/
noun
1. een rijk persoon die een groot deel van een bepaalde bedrijfstak in handen heeft.
Tycoon
/
tiˈfon/, /
tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
Taifun
noun
1. trommelholte van het oor
Tympanalorgan
noun
1. verkeerde letters aanslaan bij typen
Druckfehler
/
ˈtɛɪ̯.pə(n)/
verb
1. gegevens invoeren
tippen
adjective
1. wat kenmerkend is voor iets of iemand
bezeichnend
charakteristisch
kennzeichnend
typisch
adjective
- 1. vreemd, eigenaardig
merkwürdig
- 2. kenmerkend
typisch
kennzeichnend
noun
1. iemand die zich bezighoudt met het vormgeven, zetten en drukken van teksten
Schriftsetzer
Typograph
noun
2. grafische vorm van tekst
Typographie
Typografie
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
Tyrrhenisches Meer
/
tɵltə(n)/
verb
1. een bepaalde manier van het voortbewegen van een paard
tölten
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Tönisvorst
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
- 2. een district in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
- 3. een bestuurlijke regio in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Tübingen
/
yː/
personalPronoun
u (pers.vnw.)
Sie
noun
1. bocht van 180°
u-förmige Kurve
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Mecklenburg-Voor-Pommeren
Ueckermünde
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
- 2. een district in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Uelzen
/
ˈyfo/
noun
1. vliegend voorwerp waarvan de identiteit niet bekend is, meestal in verband met een (vermeende) buitenaardse oorsprong
UFO
Ufo
adjective
1. een inwoner van Uganda
Ugander
noun
1. een antenne voor het uhf-gebied
UHF-Antenne
/
œʏ̯/, /
œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
Zwiebel
/
œyjəsup/
noun
1. een uit uien bereide soep
Zwiebelsuppe
noun
1. de melkklier van een herkauwer
Euter
/
œʏ̯ɫ/, /
œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
Eule
Uhu
/
œʏ̯t/, /
œːt/
preposition
1. geeft aan van welke plaats iets komt
aus
noun
1. het uitademen
Ausatmung
verb
1. uitdiepen door middel van baggeren
ausbaggern
verb
1. iets uitdrijven of wegjagen
bannen
noun
- 1. een plotselinge, felle uiting
Ausbruch
- 2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
Ausbruch
Eruption
verb
1. de economische mogelijkheden van iets winstgevend benutten
betreiben
führen
leiten
verb
1. in beeld voorstellen
darstellen
verb
1. met een beitel uithakken
aushauen
ausmeißeln
/
ˈœʏtbenə(n)/, /
ˈœːdbeːnə(n)/, /
ˈœːtbenə(n)/
verb
1. het been uit (het vlees) halen
ausbeinen
entbeinen
verb
- 3. (adem, lucht, rook e.a.) naar buiten blazen
- 4. door blazen leegmaken, schoonmaken of zuiveren
ausblasen
- 2. doven door te blazen
ausblasen
auspusten
- 1. bijkomen, op adem komen, uitrusten
durchatmen
schöpfen
sich erholen
noun
1. hevige berisping
Rüffel
Standpauke
Verweis
verb
1. iets een groter oppervlak laten innemen
ausdehnen
erweitern
ausstrecken
vergrößern
ausbreiten
ausweiten
verb
- 1. zichzelf bevrijden uit gevangenschap
- 2. plotseling beginnen van een oorlog, ramp, ziekte e.d
ausbrechen
- 3. het verwijderen van een deel van een gebouw, zoals een muur of een vloer
herausbrechen
verb
1. eieren verwarmen totdat deze uitkomen
ausbrüten
/
ˈœʏtbœʏtiŋ/
noun
1. het gebruik van iemand maken zonder daar naar waarde voor te belonen
Ausbeutung
verb
1. iemand met woord of daad tot actie prikkelen
herausfordern
provozieren
/
ˈœʏdaχɪŋ/, /
ˈœːdaɣɪŋ/
noun
1. taak die moeilijk te verwezenlijken valt
Herausforderung
verb
1. meerdere personen ergens op trakteren
verteilen
/
ˈœydɛiə(n)/
verb
- 3. dikker worden
anschwellen
- 1. meer of groter worden, toenemen
anschwellen
wachsen
- 2. in omvang toenemen, aangroeien
ausdehnen
verb
- 1. uitschakelen
ausmachen
ausschalten
- 2. kleding afleggen
ausziehen
entkleiden
verb
1. iemand op opvallende wijze kleden
herausputzen
verb
1. zich in verschillende richting bewegen
variieren
adjective
1. van allerlei soorten
auseinander gehend
unterschiedlich
/
œʏˈtɛɪndələk/
adverb
1. na een hele tijd
schließlich
letztendlich
endlich
/
ˈœʏ̯tə(n)/, /
ˈœːtə(n)/
verb
2. zeggen
äußern
adverb
natürlich
gewiß
selbstverständlich
verb
1. ophouden met branden
ausgehen
noun
1. de aannames en veronderstellingen waar men van uitgaat
Ausgangspunkt
/
ˈœʏtχavə/, /
ˈœːdɣavə/, /
ˈœːtxavə/
noun
- 2. reeks van uitgeven literaire werken
Auflage
- 1. bedrag dat men uitgeeft
- 4. uitgegeven werk
Ausgabe
- 3. het uitgeven van een werk
Herausgabe
adjective
1. heel goed doordacht, (te) slim
ausgeklügelt
durchdacht
adverb
1. dodelijk vermoeid
erschöpft
verb
- 1. financiële middelen aanspreken
ausgeben
- 2. een geschrift in drukvorm verspreiden
herausgeben
noun
1. een persoon die of bedrijf dat boeken of andere publicaties in omloop brengt
Herausgeber
Chefredakteur
Verleger
verb
1. door glijden ten val komen
ausgleiten
ausrutschen
verb
2. een brei- of haakwerkje ontdoen
herausholen
/
œʏtˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens niet voorkomend
exotisch
noun
het vermogen van iemand om zich voor een lange tijd in te spannen of pijn te verdragen
Ausdauer
noun
- 1. gelegenheid waarbij mensen uitgaan en vertier zoeken
Bummel
Runde
- 2. bol van Allium cepa gebruikt om voedsel op smaak te brengen
Perlzwiebel
verb
1. honend toeroepen
ausbuhen
noun
1. betaling van geld op basis van sociale wetgeving
Leistung
verb
1. uit een aantal mogelijkheden één of meer selecteren
auswählen
verb
- 2. met verlangen op iets wachten
erfreuen
freuen
- 1. voorzichtig zijn
vorsichtig sein
verb
- 7. rondkomen
auskommen
zurechtkommen
- 8. gelegen komen
gelegen kommen
- 1. naar buiten komen
- 5. het bekend worden
- 6. iets als resultaat hebben
herauskommen
- 3. tevoorschijn komen
hervorkommen
/
'œʏ̯tkɔmst/, /
'œːtkɔms/, /
'œːtkɔmst/
noun
- 1. de afloop van een bepaald proces
- 2. middel
- 3. resultaat van een bewerking
Lösung
/
œytkopə(n)/
verb
- 1. door geld afkopen, iemand geld betalen om daardoor bepaalde rechten te verwerven of...
abfinden
auszahlen
entschädigen
freikaufen
loskaufen
- 3. (een voorraad) geheel opkoopen
aufkaufen
- 2. (een winkel)) geheel leegkoopen
leerkaufen
- 1. zich vrijkopen, afkopen
freikaufen
/
ˈœʏ̯tlat/, /
ˈœːtlaːt/
noun
1. een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden
Auspuff
Abfluss
Auslass
verb
1. vrachtgoed uit een scheepsruim of uit overdekte wagen lossen
entladen
noun
1. een verhaal bedoeld om iets begrijpelijk te maken
Erklärung
verb
- 2. iets groter, langer of ruimer maken
auslassen
- 3. iets leggend uitspreiden
auslegen
- 1. iets doen begrijpen
erklären
darlegen
verb
1. iets voor tijdelijk gebruik aan een ander afstaan
verleihen
ausleihen
verb
1. een verlangen tot verzadiging kunnen botvieren
ausleben
verb
1. een gevangene in handen van een andere autoriteit overdragen
ausliefern
verb
- 2. nieuwe takjes en blaadjes krijgen
ausschlagen
austreiben
knospen
- 1. een ruimte verlaten
hinauslaufen
adjective
1. voortreffelijk
ausgezeichnet
hervorragend
/
'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
verb
1. iemand verzoeken iets bij te wonen
einladen
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
Einladung
verb
1. in praktijk brengen
ausüben
/
ˈœʏtpɑkə(n)/, /
ˈœːtpɑkə(n)/
verb
- 1. uit een verpakking halen
- 2. uit een omhulsel halen
auspacken
/
ˈœʏ̯tpʏtə(n)/, /
ˈœːtpʏtə(n)/
verb
1. volledig leeghalen
ausbeuten
leerräumen
noun
1. de toestand waarin iets of iemand aan het eind van zijn of haar krachten is
Erschöpfung
noun
1. uitputtende oorlog, oorlogsvoering
Zermürbungskrieg
verb
1. aan bepaalde mensen iets bijzonders overhandigen
verleihen
/
œytˈrɛkə(n)/
verb
1. door trekken of uitstrekken groter maken
auseinanderziehen
dehnen
strecken
verlängern
noun
1. een plaats of opening waardoor of waarlangs men kan of moet uitrijden
Ausfahrt
verb
1. doden tot er niets meer te doden valt
ausrotten
noun
1. benodigdheden voor een taak
Ausrüstung
verb
2.door andere schakeling deactiveren
abschalten
ausschalten
verb
4. uitlopen, uitspruiten
ausschießen
hochschießen
verb
- 1.
ausziehen
- 2. uitstellen
hinausschieben
aufschieben
verb
1. door slaan iets eruit- of wegkrijgen
ausschlagen
/
'œɪtslɑχ/
noun
- 3. ziekteverschijnsel van de huid
Ausschlag
- 1. afloop, resultaat
Ergebnis
/
ˈœʏtslapə(n)/, /
ˈœːtslapə(n)/
verb
1. 's ochtends langer slapen dan normaal
ausschlafen
verb
1. zijn best doen, mogelijk overdreven
abquälen
verb
1. niet langer tot de mogelijkheden rekenen
ausschließen
/
œʏtˈslœʏtənt/
adjective
1. geen ruimte voor andere mogelijkheden latend
ausschließlich
noun
1. firmament, de hemel
Firmament
/
œytspra:k/
noun
1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
Aussprache
noun
1. woordenboek dat ook aangeeft hoe de woorden uitgesproken moeten worden
Aussprachewörterbuch
noun
2. kort plezierreisje
Ausflug
Tour
verb
- 2. de ogen met een scherp voorwerp stekend verwijderen
ausstechen
- 1. in grootte de rest voorbijstreven
ausstechen
überragen
übertrumpfen
- 3. uitstrekken, bijvoorbeeld van een ledemaat
ausstrecken
/
'ʌʏt.ste.kənt/, /
ʌʏt.'ste.kənt/
adjective
2. uitmuntend
ausgezeichnet
verb
1. naar een later tijdstip verschuiven
aufschieben
verschieben
zurückstellen
hinausschieben
verb
1. vooraf uitzoeken hoe het zal worden
austüfteln
entwerfen
entwickeln
konzipieren
skizzieren
noun
2. biologisch materiaal van de baarmoedermond dat op een objectglaasje wordt uitgesmeerd
Pap-Abstrich
Pap-Test
/
ˈœytrɛkə(n)/
verb
- 1. van je lichaam af halen
ausziehen
entkleiden
- 4. er tijd of geld voor beschikbaar stellen
bereitstellen
- 2. uit iets anders trekken
herausziehen
- 5. lostrekken, wegtrekken
losziehen
wegziehen
- 6. weggaan uit
verlassen
weggehen
noun
1. uitvaleinde
Ausfallende
noun
Nabe mit Schnellspannachsen
noun
1. persoon die uitvindingen doet
Erfinder
verb
- 2. afhandelen, voltrekken, ten uitvoer brengen
ausführen
erledigen
durchführen
- 1. exporteren
exportieren
ausführen
noun
- 1. uitgroeisel
- 2. ongewenste of ziekelijke doorontwikkeling
Auswuchs
noun
.
Freibordmarke
Plimsoll-Marke
verb
1. naar buiten werpen
auswerfen
herauswerfen
hinauswerfen
noun
2. de afvalstoffen van de spijsvertering van mens en dier zoals deze uitgeworpen worden
Ausscheidungen
verb
- 3. (in België) emigreren; ook verhuizen naar een ander landsgedeelte in België
auswandern
emigrieren
umziehen
- 1. van richting veranderen om een obstakel te vermijden
ausweichen
- 2. naar een ander land vluchten, veelal om politieke redenen
emigrieren
flüchten
verb
- 1. na een juridisch proces naar een ander land sturen
ausweisen
- 2. de waarheid aan het licht brengen
zeigen
noun
1. complete uitrusting van kleren, linnengoed, borden, etc. van een bruid of bruidspaar
Aussteuer
verb
- 2. iemand dwingen een gebied of gebouw te verlaten
ausweisen
hinaussetzen
- 1. in volume toenemen
expandieren
sich ausdehnen
noun
- 2. verwachting, iets waar men naar kan uitzien
Aussicht
- 1. wat men van de omgeving vanaf een bepaalde plek kan zien
Aussicht
Ausblick
/
'œy̆t.sin/
verb
1. een zekere aanblik hebben
aussehen
verb
- 1. een selectie maken uit een grotere verzameling
aussuchen
- 2. onderzoeken totdat het duidelijk wordt
herausfinden
verb
1. buiten een bepaalde regel plaatsen
ausschließen
/
œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
Ausnahme
/
œʏtˈzɔndərlək/
adjective
1. niet alledaags, niet gewoon
außergewöhnlich
/
ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
Ultimatum
adjective
. in een diepe tint blauw met RAL-nummer 5002
ultramarinblau
noun
- 1. blauwe verfstof, blauw pigment dat van nature wordt aangetroffen in het mineraal lazuriet
Ultramarin
- 2. tint blauw met RAL-nummer 5002
Ultramarinblau
adjective
Ultramarinblau
ultramarinblau
adjective
1. van elektromagnetische straling, net buiten het gebied van het spectrum dat met het menselijk oog zichtbaar is
ultraviolett
/
ˈumlʌʊt/
noun
- 2. vocaalwijziging o.i.v. een klinker in de volgende lettergreep
- 1. trema dat een vocaalwijziging aangeeft
Umlaut
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Ummerstadt
/
ʏnɑˈnim/
adjective
1. met eenheid van stemmen
einhellig
einstimmig
/
y.ˈnik/
adjective
1. enige in zijn soort
einzigartig
einmalig
adjective
1. éénzijdig
einseitig
unilateral
adjective
1. alom bekend, vertegenwoordigd of erkend
universell
/
ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
Universität
Hochschule
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
Universum
Weltall
All
Welt
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Unkel
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
- 2. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Unna
/
ʌnstər/
noun
- 2. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op de rek van een veer
Federwaage
- 1. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op een balans met ongelijke armen
Laufgewichtswaage
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Untergruppenbach
noun
1. scheikundig element met symbool Uub en atoomnummer 112
Ununbium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uup en het atoomnummer 115
Ununpentium
noun
1. een gemoderniseerde versie van een computerprogramma
Update
verb
1. een bestand van een lokale computer of server naar een computer of server op afstand overbrengen
uploaden
heraufladen
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
Uran
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
Uran
noun
1. een trek van de landelijke gebieden naar de stad
Urbanisierung
pronoun
1. de officiële taal van Pakistan en een van de officiële talen van India
Urdu
noun
2. Ethylcarbmaat
Urethan
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
Harnröhre
noun
1. de mate waarin iets dringend gewenst of nodig is
Dringlichkeit
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
Urin
noun
1.bij zoogdieren een orgaan dat de urine uit de nieren verzamelt en deze opslaat tot het moment van urineren
Harnblase
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
Harnröhre
noun
1. de buis die loopt tussen het nierbekken en de blaas
Harnleiter
/
ˌyriˈnɪːrə(n)/
verb
1. het via de blaas lozen van lichamelijke afvalstoffen in de vorm van vloeistof
urinieren
harnen
noun
1. eerste betekenisomschrijving
Urne
pronoun
1. de Latijnse naam van het sterrenbeeld de Grote Beer
Großer Bär
Ursa Major
pronoun
1. de Latijnse naam van het sterrenbeeld de Kleine Beer
Kleiner Bär
Ursa Minor
/
ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /
ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /
ˈuruˌɡwe/, /
ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
- 1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
Uruguay
- 1. rivier in Zuid-Amerika
Río Uruguay
/
ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
Utopie
/
ˈytrɛx/, /
ˈytrɛxt/, /
ˈytrɛχt/
pronoun
- 4. spelwoord voor de letter u
Ulrich
- 2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
Utrecht
/
yːr/
noun
- 1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
Stunde
Uhr
- 2. tijdstip, ogenblik
Uhr
noun
1. een mechaniek dat de tijd bijhoudt of aangeeft
Uhr
/
yu̯/
possessivePronoun
bezittelijk voornaamwoord uw
Ihr
noun
1. voltooid tegenwoordige tijd
Perfekt
Präsensperfekt
adjective
unbestimmt
vage
ungenau
vag
/
vaːk/
adverb
1. vele malen
oft
häufig
adjective
1. het vaakst / vaakst
am häufigsten
/
val/, /
vaɫ/
adjective
1. tot bijna kleurloos verbleekt
fahl
noun
± onderscheidende vlag van een schip en/of militaire eenheid
Seeflagge
Fahne
noun
1. desertie
Fahnenflucht
/
ˈvaːrdəxɦɛːt/, /
ˈvaːrdəxɦɛːɪt/
noun
1. het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem juist op te lossen
Fertigkeit
/
ˈvarɣøːl/, /
ˈvarχʏːɫ/
noun
- 1. een relatief smalle strook in een groter water die geschikt is om te bevaren
- 2. een strook bevaarbaar water tussen twee zandbanken
Fahrrinne
Fahrtrinne
noun
1. richting waarin een vaartuig zich voortbeweegt
Kurs
noun
- 3. het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
Fahrt
Schifffahrt
- 1. opgebouwde snelheid
Geschwindigkeit
- 2. kanaal, bevaarbaar gemaakte watergang
Kanal
/
ˈvaːrtœx/, /
ˈvaːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel op water
Wasserfahrzeug
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
Vase
noun
1. van oorsprong een aardenwerken vaas aan één zijde bespannen met een trommelvlies, nu ook in andere uitvoeringen verkrijgbaar
Vasentrommel
/
ˈvatbʏndəl/
noun
1.
Leitbündel
Gefäß
Gefäßbündel
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
Geschirrspülmaschine
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
Geschirrspülmaschine
noun
freie Stelle
Stellenausschreibung
/
vakˈsæː/, /
vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
Impfstoff
Vakzin
noun
1. een inenting
Impfung
Vakzination
Vakzinierung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Vacha
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Thüringen
Vachdorf
noun
1. behaarde huid van een dier, vel van woldragende dieren, met de wol erop
Pelz
Fell
noun
1. materievrije ruimte
Vakuum
noun
1. een mannelijke ouder
Vater
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
Vatertag
Herrentag
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
Vaterland
/
ˈvadsəχ/
adjective
1. loom, lui, slaperig, traag
träge
faul
/
ˈva.ɣə.ˌvyːr/, /
ˈva.χə.ˌvyːr/
noun
1. een toestand waar de zielen van gestorven personen gereinigd worden.
Fegefeuer
Purgatorium
Reinigungsort
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
Vagina
Scheide
noun
1. een pelswerk, een heraldische kleur die een regelmatige verdeling is van twee tinten
Feh
/
vɑˈkɑn(t)si/
noun
- 1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
Ferien
Urlaub
- 2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
Urlaub
Ferien
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
Fachgewerkschaft
Gewerkschaft
/
ˈva.kər/
adverb
1. vergrotende trap van vaak
öfter
/
'vɑgjɑrxɔn/
noun
1.
Berufsjargon
Fachjargon
Fachsprache
noun
1. een man die zijn vak of professie verstaat
Fachmann
noun
1. vaardigheid in een beroep of handel, de vaardigheid om hoog kwalitatief werk af te leveren
Fachkompetenz
Sachverstand
noun
1. (onderwijs) school waar men voor een bepaald vak wordt opgeleid
Fachschule
/
vɑɫ/
noun
10. apparaat met een vallende deur of klem met als doel dieren te vangen
Falle
noun
1. het begin van de avond, gekenmerkt door schemer
frühe Abend
pronoun
1. Catalaans zoals dat gesproken wordt in Valencia en omgeving
Valencianisch
noun
1. 14 februari, de dag van de verliefden
Valentinstag
noun
1. CH₃(CH₂)₃COOH
Valeriansäure
/
vɑlk/
noun
- 1. roofvogel
Falke
- 2. open zeiljacht
Valk
noun
1. bedrijver van valkerij
Falkner
/
vɑlkə'rɛɪ/
noun
1. africhten van roofvogels
Beizjagd
Falknerei
noun
1. een laagte tussen bergen
Tal
Senke
verb
- 1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
fallen
- laten vallen
fallenlassen
streichen
weglassen
noun
1. scharnierend vloerschot
Falltür
noun
1. bepaald soort vrij algemeen voorkomende plant, Anthemis arvensis
Hundskamille
noun
1. dunne, oppervlakkige aantasting van planten door eencelligen uit de familie Peronosporaceae
Falscher Mehltau
/
ˈvɑlstrɪk/
noun
1. een contraptie of manipulatie bedoeld mens of dier te vangen
Fallstrick
List
noun
1.
Free-Fall-Tower
Freifallturm
noun
1. mythologisch ondood wezen
Vampir
preposition
- 1. geeft bezit aan
- 2. geeft herkomst aan
von
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
Vanadium
Vanadin
adverb
- 1. op deze dag
heute
Heute
- vandaag de dag
heute
heutzutage
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
Vandalismus
adverb
er vandoor gaan
davonfahren
verb
- 1. te pakken krijgen
- 2. onderscheppen
fangen
/
ˈvɑŋ.re(i)l/
noun
1. metalen stroken langs autowegen, die dient om te voorkomen dat auto's van de rijbaan raken
Leitplanke
/
vɑ'nijə/
noun
een smaak- en geurstof geëxtraheerd van de vanilleplant
Vanille
noun
1. vloeistof onttrokken aan vanillestokjes in een ethanol oplossing
Vanilleextrakt
adverb
1. tijdens de middag van de lopende dag
heute Mittag
adverb
1. de afgelopen ochtend
heute Morgen
adverb
- 1. de komende nacht
heute Nacht
- 2. de afgelopen nacht
heute Nacht
letzte Nacht
adverb
1. de afgelopen ochtend
heute Morgen
/
va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
Vanuatu
preposition
1. door een bepaalde reden
wegen
noun
1. Varanidae, de grootste levende hagedis
Waran
noun
1. een sporenplant
Farne
Farn
adjective
Farngrün
farngrün
noun
- 1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
Schwein
- 2.
Schwein
Ferkel
pronoun
1. baai op de Cubaanse kust
Schweinebucht
noun
onder-/zijkant van de buik van een varken
Schweinebauch
noun
1. geslacht van kruidachtige planten, Polygonum
Knöteriche
/
'vɑr.kəns.ɦas/
noun
1. haas van een varken
Filet
Schweinelende
/
ˈvɑrkə(n)slerə(n)/
adjective
1. van varkensleer vervaardigd
schweinsledern
noun
2. lever van een varken
Schweineleber
noun
1. virusziekte die bij varkens voorkomt
Schweinepest
europäische Schweinepest
klassische Schweinepest
noun
1. overdekt verblijf voor varkens
Saustall
Schweinestall
noun
2. lever van een varken
Schweinezunge
adverb
3. hoogstwaarschijnlijk
höchstwahrscheinlich
/
vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
Festland
Kontinent
verb
1. zich onthouden van voedsel
fasten
verb
1. iets of iemand grijpen en vasthouden
enfassen
ergreifen
verb
2. zich met inspanning ergens aan vasthouden
festklammern
verb
1. iets of iemand grijpen en vasthouden
enfassen
ergreifen
verb
1. met een of meer spelden vastmaken
feststecken
verb
1. met spijkers bevestigen
nageln
verb
1. zeker zijn
festliegen
feststehen
noun
1. contractuele formalisering van een bereikte schikking
Vergleichsvertrag
noun
- 2. standaard inhoudsmaat
Barrel
- 1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
Fass
- 3. ader
Gefäß
/
vatiˈkanstɑt/, /
vatiˈkaːnstɑd/, /
vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
Vatikanstadt
verb
- 2. begrijpen
begreifen
kapieren
verstehen
- 1. vastgrijpen
ergreifen
festnehmen
- 3. opdoen
fassen
/
vɛxt/
pronoun
1. Overijsselse Vecht
Vechte
/
ˈvɛxtər/
noun
1. iemand die een gevecht niet uit de weg gaat
Kämpfer
/
ˈveda/
pronoun
1. elk van de vier voornaamste heilige hindoegeschriften
Veda
noun
1. middeleeuws, meestal vijfsnarig strijkinstrument
Fiedel
/
veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
Vieh
Nutzvieh
noun
1. iemand die zich specialiseert in de geneeskunst van dieren
Tierarzt
Veterinär
noun
- intensieve veehouderij
Massentierhaltung
- 1. bedrijf voor het houden van vee
Viehhaltung
/
feɪɫ/, /
veːl/
indefiniteCardinalNumeral
1. groot in hoeveelheid
viel
viele
vielen
adverb
1. in de meeste gevallen, vaak
oft
vorallem
überwiegend
adjective
vielversprechend
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
Vieleck
Polygon
adjective
1.
vieleckig
polygonal
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
Vielfraß
adjective
- 2. met diverse belangen, gebruiksmogelijkheden, interessen etc.
- 1. met een groot aantal kanten, vlakken, facetten
vielseitig
/
ven/
noun
1. grondsoort
Torf
/
veːr/, /
vɪːr/
noun
- 1. lichaamsbedekking van een vogel
Feder
- 2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
Feder
Sprungfeder
- 1. boot of schip toegewijd aan het onderhouden van een regelmatige verbinding over een rivier of een ander water
Fähre
noun
1. een persoon die een veer bedient
Fährmann
noun
1. een overzetvaartuig
Fähre
/
ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
vierzehn
ordinalAdjective
vierzehnte
noun
1. ruimtelijke figuur met veertien vlakken
Tetradekaeder
/
ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
vierzig
noun
1. het onderhouden en fokken van vee.
Viehzucht
Viehhaltung
Viehwirtschaft
verb
- 1. zonder water schoonmaken met een borstel
fegen
kehren
- 2. door ergens langs te strijken verplaatsen of verwijderen
wegfegen
wegwischen
adjective
1. als of voor vegetariërs
vegetarisch
/
ˈvɛilə(n)/
verb
1. verkopen op een openbare verkoping waar een prijs vastgesteld wordt
versteigern
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
sicher
noun
1. een situatie waarin een bepaald gevaar niets kan aanrichten
Sicherheit
noun
1. een bril die de ogen beschermt
Schutzbrille
noun
1. een stevige band die iemand in een voer- of vliegtuig vasthoudt in zijn zetel ter bescherming tegen onverhoedse bewegingen
Sicherheitsgurt
noun
1. een klep die een opening in een reservoir of een leiding afsluit en die geopend wordt als de inwendige spanning te hoog wordt
Sicherheitsventil
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
Sicherheitsrat der Vereinten Nationen
noun
1. een beweegreden die de bevordering van de veiligheid betreft
Sicherheitsgrund
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
Sicherheitsnadel
/
ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /
ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
Versteigerung
Auktion
verb
1. zich onecht voordoen
vorgeben
heucheln
tun (als ob)
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Beieren
Veitshöchheim
noun
- 1. dunne laag
Blatt
Bogen
- 2. afgestroopte huid
Haut
Fell
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Velbert
/
vɛlt/
noun
- 1. open stuk land
- nog na te kijken
Feld
- 2. stuk land voor het bedrijven van een sport
Spielfeld
Feld
noun
1. een simpel bed op pootjes dat snel geplaatst kan worden
Feldbed
/
ˈvɛltflɛs /
noun
1. een afsluitbare en draagbare fles, meestal uit metaal of plastic vervaardigd, die gebruikt wordt om de drager buitenshuis van vocht te voorzien
Feldflasche
noun
1. Microtus arvalis, familie van de woelmuis
Feldmaus
noun
1. en 2. (bladeren van) kruidachtige plant Valerianella locusta
Feldsalat
Rapunzel
noun
1. een treffen tussen twee of meer legers
Schlacht
noun
2. intensiteit van de elektromagnetische straling
Feldstärke
/
vɛltɔxt/
noun
1. een trektocht van een leger met het doel de vijand te verslaan
Feldzug
/
ˈvɛld.zyː.rɪŋ/, /
ˈvɛɫ.tsyː.rɪŋ/
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Rumex acetosa
Sauerampfer
/
ˈveːlən/
verb
ertragen
dulden
/
vɛlx/, /
vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
Felge
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door een trillend vel
Fellklinger
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Vellberg
pronoun
1. een taal die in de Veneto-regio gesproken wordt
Venezianisch
/
/
pronoun
1. provincie in Italië
Venedig
/
ˌvenəzoˈlan/, /
ˌvenəzoˈlaːn/
noun
1. een inwoner van Venezuela
Venezolaner
/
ˌvenəzyˈweːla/, /
ˌvenəzyˈβ̞ela/, /
ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
Venezuela
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
Eibe
noun
1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
Fenchel
noun
1. gedroogde zaden van Foeniculum vulgare
Fenchelsaat
Fenchelsamen
noun
1. onderneming of bedrijf met meerdere aandeelhouders
Gesellschaft
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
Fenster
adjective
Fenstergrau
fenstergrau
verb
1. verse lucht in een ruimte brengen
lüften
/
vɛn.ˈtri.kɔɫ/, /
vɛn.ˈtri.kəl/, /
vɛn.ˈtri.kəɫ/
noun
1. elk van twee kamers van het hart
Ventrikel
adverb
1. op grote afstand
weit
fern
adjective
1. waarvoor men geen enkel respect kan opbrengen
verächtlich
/
vərˈɑxtə(n)/, /
vərˈɑçtə(n)/
verb
- 1. in hoge mate minachten
verachten
missachten
- 2. trotseren
verachten
trotzen
adjective
1. op grote afstand
abgelegen
verb
1. een overdreven bewondering koesteren
anbeten
verabgöttern
/
vɛ.ˈrɑf.sxy.wə(n)/
verb
1. afschuw hebben voor
verabscheuen
verb
1. Amerikaans maken
amerikanisieren
verb
- 3. anders worden
verändern
ändern
- 1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
ändern
verwandeln
abändern
umändern
noun
1. iets dat anders is geworden
Änderung
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
Verantwortlichkeit
Verantwortung
noun
1. een geneesmiddel behorende tot de groep van calciumblokkers
Verapamil
verb
1. armer worden
verarmen
adverb
1. als je iets vreemd vindt omdat je het niet verwacht had
verwundert
noun
1. Een verbandgaas dient ter bedekking van een wond
Verbandmull
verb
1. iemand van regeringswege dwingen een bepaald gebied te verlaten
verbannen
/
vər.ˈbɑ.nɪŋ/
noun
1. het verbod opgelegd krijgen naar een bepaalde plaats terug te keren
Verbannung
verb
- 1. door iets onverwachts gevoelsmatig treffen
erstaunen
- 2. door iets onverwachts gevoelsmatig getroffen worden
sich wundern
staunen
verb
1. onvoltooid deelwoord van verbazen
erstaunlich
überraschend
noun
1. grote verwondering
Erstaunen
Verwunderung
Überraschung
Staunen
/
vərˌbazɪŋˈʋɛkənt/
adjective
1. wat verbazing opwekt, wat buitengewoon is
erstaunenswert
erstaunlich
verb
- 1. kunstzinnig weergeven
- 2. een weergave zijn van
darstellen
- 4. een ongerechtvaardigd hoge dunk van zichzelf hebben
einbilden
/
vər.ˈbeːɫ.dɪŋ/, /
vər.ˈbɪːɫ.dɪŋ/, /
vɛr.ˈbeːl.dɪŋ(g)/
noun
- 2. iets visualiseren, ergens een beeld bij maken
Phantasie
- 1. zich iets visueel voorstellen, ergens in het hoofd een beeld van maken
Vorstellung
verb
1. iets ergens plaatsen waar het niet gemakkelijk door anderen gevonden wordt
verbergen
verstecken
/
vərˈbetərə/
verb
- 2. van fouten ontdoen
korrigieren
verbessern
- 1. (iets) beter maken, de kwaliteit verhogen
verbessern
/
vər.ˈbe.tə,rɪŋ/
noun
1. een verandering ten goede
Verbesserung
Aufbesserung
verb
1. van staatswege in beslag nemen
beschlagnahmen
konfiszieren
einziehen
/
vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
verbieten
untersagen
verb
1.in verwarring of extreme verbazing brengen
entsetzen
erschüttern
adjective
1. verbazingwekkend
erstaunlich
verb
1. zijn gevoelens van ergernis of pijn onder controle houden
verbeißen
verb
- 2. met iets of iemand contact maken via de telefoonlijn
verbinden
- 1. twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken
verbinden
anschlieβen
- 3. behandelen door het aanbrengen van verband
verbinden
bandagieren
/
vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /
vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
- 1. verbinden of samenvoegen
- 3. communicatie
- 2. scheikunde
Verbindung
noun
1. teken in de vorm van een kort liggend lijntje
Bindestrich
noun
2. twee-personen-verhouding waarbij de ene tot een prestatie gerechtigd, de andere tot dezelfde verplicht is
Schuldverhältnis
verb
1. bitter maken
verbittern
adjective
Fernblau
fernblau
verb
1. alle kleur verliezen
erblassen
erbleichen
noun
1. een plaats waar men, al dan niet noodgedwongen, verblijft
Aufenthaltsort
verb
1. een onplezierig feit verbergen met schone schijn
beschönigen
kaschieren
schönreden
verblümen
/
vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
Verbot
noun
1. emotioneel contact met een ander
Verbundenheit
Verflochtenheit
adjective
1.onzichtbaar gemaakt
verborgen
versteckt
verb
- 2.planten telen
anbauen
bauen
- 1.anders bouwen
umbauen
verb
1. verteerd worden door vuur of hitte
verbrennen
noun
1. motor waarbij de kracht wordt opgewekt door verbranding van een brandstof
Verbrennungsmotor
verb
1. in vele kleine brokstukken breken
zerschmettern
noun
2. de totale verbruikte hoeveelheid
Verbrauch
Verzehr
Verbrauchswert
verb
1. door buiging blijvend vervormen
verbiegen
/
vər.ˈbœʏ̯.χɪŋ/, /
vər.ˈbœː.ɣɪŋ/
noun
1. naamwoordsflexie
Deklination
Beugung
verb
1. met een laagje chroom bedekken
verchromen
verb
1. coderen
verschlüsseln
verb
1. een zitting opschorten tot een nadere datum
vertagen
verb
1. beschermen tegen een aanval
verteidigen
verb
1. in kleinere stukken uiteendoen
teilen
einteilen
verteilen
verb
1. het vermoeden hebben van iets slechts
verdächtigen
/
vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
Verdacht
Argwohn
/
ˈvɛrdərˈzɛtə(n)/
verb
1. voortzetten, doorgaan met
fortsetzen
/
vərˈdɪxtsəl/
noun
1. iets dat niet bestaat
Erdichtung
verb
- 2. geld verkrijgen door arbeid of een andere prestatie
- 1. het recht op een beloning of bestraffing verwerven
verdienen
/
vɛr.ˈdi.pə(n)/
verb
- 2. ernstig nadenken over
sich vertiefen (in)
- 1. dieper maken
vertiefen
/
vər.ˈdi.pɪŋ/
noun
- 3. alle ruimten op één hoogte in een gebouw
Etage
Stockwerk
Stock
- 1. het dieper maken
Vertiefung
verb
- 1. dikker worden
- 2. dikker doen worden
eindicken
verdicken
verb
- 1. dor worden
ausdorren
verdorren
- 2. dor maken
verwelken
verb
1. de pijnprikkel onderdrukken, bijvoorbeeld door het toedienen van een medicijn
betäuben
lindern
noun
1. bereidheid om te aanvaarden dat anderen zich gedragen op een manier die je niet goed vindt
Toleranz
Duldsamkeit
/
vərˈdrɑx/
noun
1. een wettelijk wederzijds bindende overeenkomst tussen twee of meer staten
Vertrag
verb
- 1. bestand zijn tegen
aushalten
ertragen
- 2. kunnen verteren
vertragen
noun
1. een gevoel van droefheid
Gram
Kummer
Trauer
Schmerz
Verdruß
Ärger
adjective
1. in sombere stemming
traurig
betrübt
verb
1.uit het land verjagen
vertreiben
verb
- 1. in het water omkomen
ertrinken
- 2. in het water doen omkomen
- 3. door drinken van alcohol doen verdwijnen
ertränken
/
vər.ˈdro.ɣə(n)/, /
vər.ˈdro.χə(n)/, /
vɛr.ˈdro.ɣə(n)/
verb
1. gevaarlijk veel water verliezen
austrocknen
vertrocknen
verb
1. duidelijker maken
erläutern
/
vər.ˈdœʏ̯.də.lə.kɪŋ/, /
vər.ˈdœː.də.lə.kɪŋ/, /
vɛr.ˈdœː.də.li.kɪŋ(g)/
noun
1. iets wat ter verduidelijking dient
Erklärung
verb
- 2. iets (m.n. geld) ontvreemden/stelen
unterschlagen
veruntreuen
- 1. donkerder maken
- 3. verplicht afplakken van alle ramen om de nachtelijke geallieerde bombardementen te bemoeilijken, tijdens de Tweede Wereldoorlog
verdunkeln
/
vər.ˈdœʏ̯.stə.rɪŋ/, /
vər.ˈdœː.stə.rɪŋ/, /
vɛr.ˈdœːs.tə.rɪŋ(g)/
noun
Finsternis
verb
verirren
verlaufen
verfahren
/
vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
- 2. afnemen
schwinden
- 1. wegraken
- 3. uit het zicht gaan
verschwinden
noun
1. het verdwijnen
Verschwinden
Verschwindung
verb
- 1. in de adelstand verheffen
adeln
- 2. edeler maken, verfijnen
veredeln
/
vərenˈvʌʊdəχtʃiˌnes/, /
vərenˈvʌːdəxtʃiˌnes/
phraseologicalUnit
1. het schrift waarmee het Chinees met name op het vasteland van China geschreven wordt
vereinfachtes Chinesisch
/
vəreɱˈvɑudəɣɪŋ/
noun
1. wat iets simpeler maakt
Vereinfachung
/
vɛrɛɪsə(n)/
verb
1. nodig hebben
erfordern
benötigen
adjective
1. benodigd, noodzakelijk
erforderlich
/
vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /
vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /
vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
Vereinigtes Königreich
/
vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
Vereinigte Arabische Emirate
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Vereinigte Staaten von Amerika
/
və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /
və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /
vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Vereinigte Staaten von Amerika
verb
1. afzonderlijke delen tot één geheel maken
vereinen
/
və.ˈre.nə.ɣɪŋ/, /
və.ˈre.nə.χɪŋ/, /
vər.ˈe.ni.ɣɪŋ(g)/
noun
- 1. groepering van mensen die op een bepaald doel gericht is
Verein
Vereinigung
Verband
- 3. een operatie die twee of meer verzamelingen samenvoegt
Vereinigung
verb
1. erger worden of maken
verschlimmern
/
vɛrf/
noun
- 1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
Farbe
- niet uit de verf komen
nicht zur Geltung kommen
verb
1. fijner of gevoeliger maken
verfeinern
veredeln
/
vɛrflax/
noun
1. een laag verhard, vaak met pigment gekleurd materiaal ooit aangebracht in vloeibare vorm
Farbschicht
/
vɛr.ˈfu.jə(n)/
verb
1. afschuw hebben van
verabscheuen
verb
1. mooier maken
verschönern
schmücken
verb
1. Franstalig maken/worden
französieren
französisieren
verb
zerknittern
zerknüllen
adjective
1. grote gevolgen hebbend
weitgehend
/
vər.ˈɣa.də.rə(n)/, /
vər.ˈχa.də.rə(n)/, /
vɛr.ˈɣa.də.rə(n)/
verb
1. in vergadering bijeenkomen, een vergadering bijwonen
tagen
/
vərˈɣadəˌrɪŋ/, /
vərˈχadəˌrɪŋ/
noun
1. een georganiseerde bijeenkomst voor bespreking en overleg
Versammlung
Besprechung
Sitzung
verb
1. gefascineerd naar iets staren
begaffen
bestaunen
verb
1. bijeenbrengen
sammeln
adjective
1. niet goed kunnen onthouden
vergesslich
zerstreut
verb
1. geel worden door veroudering of invloed van de omgeving
vergilben
adjective
1. goed te vergelijken
vergleichbar
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
vergleichen
/
vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
- 2. wiskundige uitdrukking
Gleichung
- 1. relatie tussen twee zaken
Vergleich
Vergleichung
verb
1. iets eenvoudiger of makkelijker maken
erleichtern
vereinfachen
/
'vɛrɣə(n)/
verb
1. als noodzakelijke voorwaarde hebben
erfordern
abfordern
benötigen
einfordern
fordern
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
vergessen
verb
- 1. vergiffenis schenken
vergeben
verzeihen
- 2. vergiftigen
vergiften
/
vərˈxevənsxəzɪnt/
adjective
1. klaar om anderen te vergeven
nachsichtig
nachtragend
versöhnlich
verträglich
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
Vergebung
verb
1. met iemand meegaan
begleiten
/
vərˈxit/
noun
1. teiltje met gaten
Seiher
/
vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
Gift
Giftstoff
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
Vergebung
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
vergiften
verb
1. eerste betekenisomschrijving
irren
/
vər.ˈɣɪ.sɪŋ/, /
vər.ˈχɪ.sɪŋ/, /
vɛr.ˈɣɪ.sɪŋ(g)/
noun
1. iets doen dat niet juist is, of een verkeerde conclusie trekken
Irrtum
verb
1. aan iemand compensatie verlenen voor gemaakte kosten of geleden schade
vergüten
/
vərˈxudɪŋ/
noun
1. compensatie voor gemaakte kosten of geleden schade
Entgelt
Vergütung
verb
1.iemands iets onoorbaars of onzedigs aandoen
sich vergreifen
verb
- 1., 2. grijs worden, grijze haren krijgen
ergrauwen
- 3. ouder worden
vergreisen
noun
1. bolle lens waardoor de voorwerpen die men bekijkt groter lijken
Lupe
Vergrößerungsglas
verb
1. groter doen worden
vergrößern
ausbreiten
/
vərˈɣrotəndə trɑp/
noun
1. de vorm die het bijvoeglijk naamwoord aanneemt in vergelijkingen
Komparativ
Höherstufe
Mehrstufe
noun
1. een toename in grootte
Vergrößerung
/
vər'ɦal/
noun
1. verslag (mondeling of schriftelijk) van een waargebeurde of verzonnen gebeurtenis
Geschichte
verb
- 3. iemand ~ vreugde bereiden
erfreuen
- 1. zich ~: blijdschap ervaren
sich freuen
- 2. zich ~ op: reikhalzend uitzien naar iets
sich freuen auf
verb
1. heviger worden
verstärken
verb
1. voorkomen, ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
verhindern
verb
1. hoger doen worden
erhöhen
/
vər.ˈɦo.ɣɪŋ/, /
vər.ˈɦo.χɪŋ/, /
vɛr.ˈho.ɣɪŋ/
noun
- 1. een plaats die hoger aangelegd is dan zijn omgeving
Erhebung
- 3. een verhoogde lichaamstemperatuur
Erhöhung
- 2. het hoger maken van een prijs, premie e.d.
Erhöhung
Preiserhöhung
noun
1. een indringende ondervraging van een gevangene of verdachte
Verhör
Vernehmung
verb
1. iemand onderwerpen aan indringende vragen, met name over diens rol in strafbare handelingen
verhören
befragen
/
vərˈɦɔʊ̯.dɪŋ/, /
vərˈɦʌʊ̯.dɪŋ/, /
vɛrˈhaʊ̯.dɪŋ/
noun
- 2. de betrekking van personen onderling
Beziehung
Verhältnis
- 3. een intieme, duurzame relatie tussen twee personen
Liebesverhältnis
Verhältnis
- 1.
Verhältnis
verb
1. een houtachtige structuur krijgen
verholzen
verb
- 1. van woonplaats veranderen
- 2. de inboedel van een ander overbrengen
umziehen
/
vərˈhœʏzɪŋ/, /
vərˈhœːzɪŋ/
noun
1. de verwisseling van één (semi-) permanente woonplaats voor een andere
Umzug
verb
1. iets niet openlijk zeggen of tonen
verhüllen
verb
1. nagaan, controleren
verifizieren
/
ˈveː.rɪŋ/, /
ˈvɪː.rɪŋ/
noun
1. mechanisme dat dient om schokken op te vangen
Federung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Veringenstadt
verb
2. overgankelijk meer innerlijk, minder oppervlakkig maken
verinnerlichen
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
Geburtstag
Jahrestag
Wiegenfest
noun
1. het niet meer afdwingbaar zijn van een vordering door het verloop van de tijd
Verjährung
verb
1. jonger maken
verjüngen
verb
1. kalkachtig worden
verkalken
adjective
1. niet openlijk, ondergronds
verdeckt
verkappt
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
Verkehr
/
vər'kersaxɛnt/
noun
1.
Verkehrspolizist
Verkehrspolizistin
adjective
Verkehrsblau
verkehrsblau
noun
1. gestandaariseerd bord met aanwijzingen voor mensen in het verkeer
Verkehrsschild
Verkehrszeichen
adjective
Verkehrsgelb
verkehrsgelb
adjective
Verkehrsgrau
verkehrsgrau
adjective
Verkehrsgrün
verkehrsgrün
noun
1. geluidsoverlast veroorzaakt door het verkeer
Verkehrslärm
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
Ampel
Verkehrsampel
noun
1. in de maatschappij gangbare mening of verwachting die bij een vermogensrechtelijke kwestie van belang is
Verkehrsauffassung
adjective
Verkehrsorange
verkehrsorange
adjective
Verkehrspurpur
verkehrspurpur
adjective
Verkehrsrot
verkehrsrot
adjective
Verkehrsweiß
verkehrsweiß
adjective
Verkehrsschwarz
verkehrsschwarz
verb
- 2. waarnemingen in een vijandelijk of onbekend gebied uitvoeren om strategische informatie in te winnen
aufklären
- 1.
erkunden
noun
- 2. militaire verkenning
Aufklärung
Erkundung
verb
1. iemand door een stemming een ambt doen toekomen
wählen
auserwählen
/
vər.ˈki.zɪŋ/, /
vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
Wahl
adjective
1. (spreektaal) verliefd zijn op
vernarrt
/
vɛrˈklarə(n)/
verb
- 1. duidelijk maken
erklären
- 2. een officieel standpunt uitspreken
erklären
deklarieren
verkünden
melden
/
vər.ˈkla.rɪŋ/, /
vɛr.ˈkla.rɪŋ(g)/
noun
- 4. schriftelijk stuk
Attest
- 2. plechtige bekendmaking
- 3. opheldering
Erklärung
- 1 het verklaren
Erklärung
spiegazione
verb
1. tot minder grote proporties terugbrengen
verkleinern
noun
1. een afname in grootte
Verkleinerung
/
vərˈklɛɪ̯nʋɔːrt/
noun
1. woord waardoor iets als klein of weinig wordt voorgesteld
Diminutiv
Verkleinerungswort
noun
1. het van kleur veranderen
Verfärbung
/
vərˈklɪkə(n)/
verb
- 2. heimelijk informatie doorgeven
anzeigen
verraten
- 1. een informatie overbrengen
ausplaudern
hinterbringen
- 3. iets van iemand aan iemand anders vertellen
denunzieren
petzen
verpfeifen
verb
verkorksen
Scheiße bauen
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
Verkauf
/
vərˈkopə(n)/
verb
- 1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
verkaufen
- iets per opbod verkopen
versteigern
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
Verkäufer
noun
1. een virusinfectie aan keel of neus
Erkältung
Schnupfen
verb
- 1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
vergewaltigen
- 2. op grove wijze schenden
verletzen
noun
1. een seksuele daad onder dwang
Vergewaltigung
verb
1. in spiercontractie geraken
verkrampfen
verb
1. in bezit krijgen, verwerven
erhalten
bekommen
erwerben
verb
1. iets gebruiken zonder dat je het goed of volledig benut
vergeuden
verschwenden
/
vərˈlaxə(n)/
verb
1. op een lager peil brengen
senken
/
vər'lɑmə(n)/
verb
1. van het vermogen zich te bewegen beroven
lähmen
noun
1. toestand waarin men niet is staat is zich te bewegen
Lähmung
noun
1. iets willen hebben
Verlangen
Begehren
Sehnen
verb
1. iets erg graag willen hebben
wünschen
Verlangen haben nach
sich sehnen nach
verb
- 6. opgeven
aufgeben
- 1. weggaan
- 2. in de steek laten
- 3. onverzorgd achterlaten
verlassen
noun
1. de voorafgaande tijd
Vergangenheit
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
Partizip II
Partizip Perfekt
Perfektpartizip
verb
1. tot kwaad brengen
verleiten
verlocken
/
vər.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/, /
vər.ˈlɛː.dɪŋ/, /
vɛr.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het verleiden van iets of iemand
Verführung
Verlockung
/
vərlenə(n)/
verb
1. iemand begunstigen met iets, iemand iets toestaan
erteilen
gewähren
/
vərˈlɛŋə(n)/
verb
- 1. langer maken
- 2. langer laten duren
verlängern
/
vər.ˈlɛ.ŋɪŋ/, /
vɛr.ˈlɛ.ŋɪŋ/
noun
- 3. extra speeltijd
- 2. het verlengen
Verlängerung
noun
elektrisch snoer voorzien van stekker en contrastekker
Verlängerungskabel
Verlängerungsschnur
verb
- 1. van licht voorzien
beleuchten
bestrahlen
- 2. minder zwaar maken
erleichtern
mildern
- 3. minder moeilijk maken
fördern
noun
amoureuze gerichtheid op een bepaalde persoon
Verliebtheit
noun
1. het teloorgaan, kwijtraken
Verlust
verb
1. iets kwijt raken
verlieren
/
vərˈludərə(n)/
verb
1. te gronde gaan
verludern
verb
1. tot kwaad brengen
verführen
verlocken
noun
1. betaling van een loon voor geleverde diensten
Entgelt
adjective
- 2. in een vervallen toestand verkeren
verkommen
verludert
- 1. niet meer geldig of niet meer van toepassing
verstrichen
verb
- 1. zijn geldigheid verliezen
ablaufen
- 2. een neergaande lijn vertonen
zurückgehen
/
vərˈloːrə(n)/
adjective
- 1-5.
verloren
- 5.2. (Bijbel) verloren zoon
verlorener Sohn
- 5.3. (Bijbel) verloren schaap (afgedwaald van de kudde)
verlorenes Schaff
verb
- 1. daadwerkelijk of overdrachtelijk van ketenen bevrijden
befreien
erlösen
- 2. een vrouw geneeskundig bijstaan bij de bevalling
entbinden
verb
1. iemand een (informele) belofte om te trouwen geven
verloben
verb
1.aan lichaamsgewicht verliezen
abmagern
abnehmen
verb
- 1. iemand prettig en leuk bezighouden
unterhalten
amüsieren
belustigen
- 3. iets in een testament toebedelen
vermachen
hinterlassen
vererben
- 2. een kledingstuk veranderen
ändern
umarbeiten
verb
1. vervloeken
vermaledeien
verb
1. het herhaald optellen van een getal; een rekenkundige bewerking waarvan de uitkomst het product wordt genoemd
multiplizieren
malnehmen
/
vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /
vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /
vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
- 2.een voortplanting
Fortpflanzung
- 1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
Multiplikation
/
vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
vermeiden
meiden
ausweichen
entgehen
umgehen
entweichen
adjective
2. in een tint rood met RAL-nummer 2002
blutorange
noun
- 3. tint rood met RAL-nummer 2002
Blutorange
- 1. bepaalde rode kleurstof op basis van kwik(I)sulfide, HgS
Zinnober
- 2. naar oranje zwemende dieprode kleur
Zinnoberrot
phraseologicalUnit
1. een interval van een octaaf min een halve toon
verminderte Oktave
phraseologicalUnit
1. een interval van een kwart min een halve toon
verminderte Quarte
phraseologicalUnit
1. een interval van een kwint min een halve toon
verminderte Quinte
phraseologicalUnit
1. een prime min een halve toon
verminderte Prime
phraseologicalUnit
1. een kleine seconde min een halve toon
verminderte Sekunde
phraseologicalUnit
1. een kleine secunde min een halve toon
verminderte Sekunde
phraseologicalUnit
1. een kleine secunde min een halve toon
verminderte Sekunde
phraseologicalUnit
1. een kleine septiem min een halve toon
verminderte Septime
phraseologicalUnit
1. een kleine sext min een halve toon
verminderte Sexte
phraseologicalUnit
1. een kleine terts min een halve toon
verminderte Terz
verb
- 1. afnemen in aantal, kleiner worden
abnehmen
- 2. doen afnemen in aantal, kleiner maken
verringern
vermindern
noun
1. verkleining
Verminderung
verb
1. iemands lichaam blijvend en misvormend letsel toebrengen
verstümmeln
conjunction
1. omdat of aangezien, geeft onderschikkend een reden aan
weil
adjective
1. naar men denkt, maar niet zeker weet
mutmaßlich
vermütlich
noun
1. een waarschijnlijke waarheid
Vermutung
verb
1. een gedachte koesteren waarvan men niet zeker is maar die een zekere waarschijnlijkheid inhoudt
vermuten
adjective
1. behoefte hebbend om uit te rusten
müde
/
vərˈmoχə(n)/
noun
2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen
Leistung
noun
1. stelsel van regels voor leden van een samenleving over onderlinge verhoudingen en transacties...
Vermögensrecht
verb
1. zacht worden door een proces van verrotting
vermorschen
verb
- 1. zich op onherkenbare wijze uitdossen
- 2. iemand op herkenbare wijze uitdossen
verkleiden
vermummen
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
ermorden
umbringen
verb
1. in kleine stukken slaan, pletten
zerdeppern
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
Wermut
Vermouth
verb
1. een paard voorzien van een hoefijzer middels hoefnagels
beschlagen
verb
1. iemand zo behandelen dat hij zich minderwaardig voelt
demütigen
erniedrigen
verb
1. een einde maken aan, het bestaan uitwissen van, volledig tenietdoen
zerstören
vernichten
noun
1. einde maken aan het bestaan van iets
Vernichtung
Zerstörung
/
vərˈniwə(n)/
verb
2. bij de tijd brengen
erneuern
noun
1. een oplossing van filmvormende stoffen in vluchtige oplosmiddelen...
Firnis
verb
1. iets voorzien van een laag vernis
firnissen
verb
1. een bepaalde aanname maken
annehmen
/
vər.ɔnt.ˈrɛɪ̯.nə.χə(n)/, /
vər.ɔnt.ˈrɛː.nə.ɣə(n)/, /
vɛr.ɔnt.ˈrɛɪ̯.nɪ.ɣə(n)/
verb
1. ergens schadelijke en stoffen en vuiligheden inbrengen
verunreinigen
noun
Verunreinigung
Verschmutzung
verb
1. ongerust maken, zorgen baren
beunruhigen
adverb
1. gevoelens koesterend dat men te na gekomen is
empört
entrüstet
verb
1. veroordeeld (bijvoeglijk naamwoord)
verurteilt
verb
- 2. zeggen dat je iets verkeerd vindt
missbilligen
rügen
tadeln
verurteilen
- 1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
verurteilen
missbilligen
verb
1. zichzelf iets toestaan, gewoonlijk een financiële uitgave
erlauben
leisten
verb
1. de oorzaak zijn van
verursachen
/
vərˈʌʊdərə(n)/
verb
- 1. ouder worden
altern
- 2. uit de mode raken
veralten
/
vərovərə(n)/
verb
1. een gebied door een militaire operatie in zijn macht nemen
erobern
/
vər.ˈpɑχ.tə(n)/
verb
1. huur ontvangen voor het vergeven van het recht om een stuk land te gebruiken dat aan jouzelf toebehoort
verpachten
noun
1. het materiaal waarin iets verpakt is
Verpackung
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet leuk meer is
verderben
/
vər.ˈplɑn.tə(n)/
verb
1. op een andere plaats zetten
umpflanzen
verpflanzen
noun
- 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
- 2. een deskundige in de verpleegkunde
Krankenpfleger
Krankenschwester
noun
1. vrouw die zorg verleent aan zieken of gewonden
Krankenpflegerin
verb
1. een zieke verzorgen
pflegen
adjective
1. door iets of iemand gedwongen
verpflichtet
verb
1. tot regel maken dat iets moet
verpflichten
/
vər.ˈplɪx.tɪŋ/, /
vər.ˈplɪχ.tɪŋ/, /
vɛr.ˈplɪx.tɪŋ(g)/
noun
1. iets dat moet
Verpflichtung
Pflicht
verb
1. ergens anders poten
umpflanzen
verpflanzen
verb
1. een plant voorzien van een andere, doorgaans grotere, pot
umtopfen
/
vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
Verrat
verb
2. een geheim prijsgeven
verraten
noun
1. iemand die verraad pleegt
Verräter
verb
- 1. iemand onverwachts met iets confronteren
- 2. iemand onverwachts verblijden
überraschen
/
və.ˈra.sɪŋ/, /
və.ˈrɑ.sɪŋ/, /
vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
Überraschung
/
ˈvɛrəˌkɛːkər/, /
ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
Fernglas
Fernrohr
adverb
1. met afstand, zonder competitie
weitaus
verb
1. rijker maken
bereichern
noun
1. uit de dood opstaan
Auferstehung
verb
1. in beweging komen
bewegen
rühren
/
və.rɔ.tə(n)/
verb
1. vergaan als gevolg van het rottingsproces
verfaulen
verrotten
verb
1. in vervoering brengen
entzücken
adjective
- 2. niet ingeblikt, niet diepgevroren
frisch
- 1. nieuw, net gemaakt
neu
noun
- 1. gedicht
Gedicht
- 2. dichtregel
Vers
- 3. couplet
Vers
Strophe
/
vərˈsaɣə(n)/, /
vərˈsaχə(n)/
verb
1. de moed opgeven
verzagen
verb
1. benodigdheden beschikbaar maken
beschaffen
besorgen
verschaffen
noun
2. verstemlozing van obstruenten in eindpositie
Auslautverhärtung
verb
1. aan stukken rijten
zerfetzen
zerreißen
/
vər'sxɛɪnə(n)/
verb
1. aan het licht treden, zichtbaar worden
erscheinen
/
vɛrsxɛɪnsəɫ/
noun
1. iets dat zich voordoet
Phänomen
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
Differenz
Unterschied
verb
2. overbrengen op een andere rekening
umbuchen
adverb
1. zo erg dat men er van schrikt
schrecklich
verb
1. door uitdroging rimpelig en klein worden
schrumpfen
verb
- 1. het proces van in contact met de grond zich voortbewegen
- 3. naar een andere datum of tijdstip verplaatsen
- 2. iets in contact met de grond doen voortbewegen
verschieben
/
ˈfɛrsi/
noun
- 1. specifieke vorm of variant van een uitgave
- 2. bepaalde verklaring of interpretatie van een gebeurtenis
Version
/
vɛrˈsi:rə(n)/
verb
3.
anmachen
noun
1. iets aangebracht om het uiterlijk fraaier te maken
Verzierung
noun
1.iemand die verslaafd is aan iets
Süchtige
verb
1. een definitieve overwinning boeken op een tegenstander
besiegen
schlagen
/
vərˈslɑx/
noun
1. bericht over een gebeurtenis of toestand
Bericht
noun
Reporter
Berichterstatter
verb
1. te lang blijven slapen met als gevolg dat men een afspraak mist
verschlafen
verb
1. coderen
verschlüsseln
verb
1. door veelvuldig gebruik onbruikbaar worden of maken
verschleißen
abtragen
verb
1. grote hoeveelheden geheel verorberen
verschlingen
verb
1. een grotere snelheid (doen) bereiken
beschleunigen
noun
- 1. toename van het tempo
- 2. tweede tijdsafgeleide van de positie
Beschleunigung
- 3. mechaniek voor overdracht van aandrijving
Gangschaltung
Gang
noun
Schaltknüppel
Schaltknauf
noun
1. apparaat dat versnippert
Aktenvernichter
Reißwolf
verb
1. de toegankelijkheid van een weg ongedaan maken
versperren
verb
1. door nalatigheid verloren laten gaan
vergeuden
verschwenden
/
vər.ˈspɪ.lɪŋ/
noun
1. het teloor laten gaan van iets waardevols door nalatigheid
Verschwendung
verb
1. tot splinters maken
zersplittern
verb
- 2. zich ~: een proces van uitbreiding ondergaan
ausbreiten
- 1. in omloop brengen, over een groter oppervlak uitbreiden
verstreuen
verteilen
verb
1. een uitspraak doen die men niet zo bedoelde te maken
versprechen
/
vər.ˈstaːn/
verb
1. begrijpen van een uiting
verstehen
noun
- 1. kennis, weten
Kenntnis
Wissen
- 2. denkkracht, denkvermogen (met betrekking tot het brein)
Verstand
adjective
1. met verstand
klug
verscheit
adjective
1. als je iets vreemd vindt omdat je het niet verwacht had
verblüfft
verdutzt
überrascht
verb
- 1. weer in orde brengen, zorgen dat het heel wordt
ausbessern
flicken
in Stand setzen
instandsetzen
reparieren
- 2. anders stellen
verstellen
verb
- 3. beter bestand maken tegen aanvallen
verstärken
befestigen
- 1. sterker maken
verstärken
stärken
- 2. het aantal vergroten
verstärken
vergrößern
vermehren
/
vər.ˈstɛr.kɪŋ/, /
vɛr.ˈstɛr.kɪŋ(g)/
noun
- 3. een fortificatie
Befestigung
Befestigungsanlage
- 3,4. signaalversterking
Verstärkung
- 1. het versterken
Verstärkung
Stärkung
- 2. extra hulp in probleemsituaties
Verstärkung
Zuzug
verb
1. stijf worden
erstarren
verb
1. doen stikken
ersticken
verb
1. plotseling sprakeloos worden
verstummen
/
vər'stɔpə(n)/
verb
- 1. iets stoppen waar het niet gemakkelijk gevonden zal worden
verstecken
- 2. een nauwe gang of buis blokkeren
verstopfen
/
vərˈstɔ.pər.tjə/
noun
Versteckspiel
hide-and-seek
verb
1. ter beschikking stellen
liefern
geben
verschaffen
verb
1. het verlopen van een tijdslimiet
verstreichen
adjective
1. geestelijk afgeleid
zerstreut
verb
- 1. spreiden
verstreuen
zerstreuen
- 1. vermaken
zerstreuen
noun
- 1. amusement
Zerstreuung
- 2. verspreiding over een groter gebied dan oorspronkelijk het geval was
Zerstreuung
Verteilung
verb
1. in fijne nevel omzetten
zerstäuben
verb
1. iets aan een verzendbedrijf ter bezorging afgeven
verschicken
verb
1. suf worden
verblöden
verdummen
noun
1. vertaalinstallatie
Dolmetscheranlage
noun
1. plaats waar iets vertakt is
Gabelung
Verzweigung
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
übersetzen
/
vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
Übersetzung
Übersetzen
/
ˈvɛrtə/
noun
1. het gebied dat nog net binnen zichtsafstand is
Ferne
verb
1. teder stemmen
rühren
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
Vertreter
verb
1. een al of niet ware gebeurtenis verhalen
erzählen
berichten
noun
1. een persoon die vertelt
Erzähler
noun
1. een verhaal dat bedoeld is om verteld te worden
Erzählung
Geschichte
verb
- 1. voedsel afbreken
verdauen
- 2. door vlammen worden vernietigd
verzehren
adverb
senkrecht
vertikal
lotrecht
/
vər'tuvə/
verb
1. zich ophouden, ergens verblijven
aufhalten
verb
1. vertalen, het van de ene taal omzetten in een andere taal
interpretieren
verb
1. laten zien
zeigen
aufweisen
verb
1. langzamer doen worden
verlangsamen
/
vər.ˈtra.ɣɪŋ/, /
vər.ˈtra.χɪŋ/, /
vɛr.ˈtra.ɣɪŋ(g)/
noun
1. het langzamer gaan
Verlangsamung
noun
2. de actie van het vertrekken of weggaan
Abfahrt
verb
1. weggaan
fortgehen
weggehen
noun
Abfahrtszeit
Abflugzeit
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
Vertrauen
verb
1. geloven in de betrouwbaarheid van een persoon
vertrauen
verb
1. maken, samenstellen
herstellen
noun
3 verschil in waterstand
Gefälle
verb
1. een bedrieglijke kopie maken van een waardevol voorwerp
fälschen
/
vər'vɑŋə(n)/
verb
1. het ene de plaats doen innemen van het andere
ersetzen
verb
3. zich ~: niet weten wat te doen
sich langweilen
adjective
- 2. onaangenaam/onprettig en tegelijkertijd hinderlijk en lastig
ekelhaft
nervig
- 1. niet boeiend
langweilig
/
vər'vɛlə(n)/
verb
1. oude huid afwerpen om daarmee nieuwe onderliggende huid bloot te stellen
sich schälen
verb
1. met verf bestrijken
anmalen
streichen
färben
adjective
verdammt
verflucht
/
vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /
vər.ˈvu.χɪŋ/, /
vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
Konjugation
/
vər'vuχɪŋsklɑsə/
noun
1. een verzameling gelijkaardige woorden bij de vervoeging van werkwoorden
Konjugationsklasse
/
vərˈvuːr/
noun
- 1. overbrenging van zaken van één plaats naar de andere
Transport
- 2. middel waarmee overbrenging van zaken plaatsvindt
Transportmittel
Transportmöglichkeit
noun
1. een plaatsbewijs voor een openbaar vervoermiddel
Fahrausweis
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
transportieren
befördern
noun
1. voorwerp bestemd om personen of goederen naar een andere plaats te brengen
Verkehrsmittel
/
vər'vɔlɣən/
verb
- 1. een handeling voortzetten of de draad opnieuw opnemen
fortfahren
- 2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
verfolgen
verb
1. meer volmaakt maken
vervollkommnen
verb
1. de vorm van iets doen veranderen, meestal ten nadele ervan
umbilden
umformen
verzerren
verb
1. vreemd maken, van eigenaar doen wisselen
entfremden
noun
2. overdracht van het eigendom
Veräußerung
verb
1. vrouwelijk maken
verweiblichen
verb
1. bezoedelen met verontreinigingen
verschmutzen
verunreinigen
/
vərˈvœy̯lɪŋ/
noun
Beschmutzung
adjective
1. zich boven anderen verheven voelend
eingebildet
adjective
1. niet de moeite om zich met iets bezig te houden
vernachlässigbar
verb
1. iets niet de benodigde verzorging schenken
vernachlässigen
verwahrlosen
verb
1. ergens van uitgaan
erwarten
/
vər.ˈʋɑχ.tɪŋ/, /
vər.ˈβ̞ɑx.tɪŋ/, /
vɛr.ˈwɑx.tɪŋ(g)/
noun
datgene wat verwacht wordt
Erwartung
adjective
1. geparenteerd, familie zijnd
verwandt
noun
1. familielid
Verwandter
verb
- 1. iets warm maken
heizen
erwärmen
wärmen
- 2. zich ~ : zich opwarmen
sich erwärmen
sich wärmen
/
vər.ˈʋɑr.mɪŋ/, /
vər.ˈβ̞ɑr.mɪŋ/, /
vɛr.ˈwɑr.mɪŋ(g)/
noun
- 2. een installatie die voor het verwarmen zorgt
- 1. het proces van verwarmen
Heizung
/
vɛrˈʋɑrən/
verb
- 2. door elkaar halen
verwechseln
- 1. in de war brengen
verwirren
/
vɛrˈʋɛ.χɪsˌtɑn/, /
vɛrˈβ̞ɛ.ɣɪsˌtɑn/
pronoun
1. uithoek, een hypothetisch en oneindig ver land
Buxtehude
/
və(r).ˈʋɛ.kə(n)/
verb
doen ontstaan (ook in biologische zin)
erzeugen
zeugen
noun
1.iemand die de biologische vader van iemand is
Erzeuger
/
vər'ʋɛlkomə(n)/
verb
1. iemand begroeten en welkom heten
willkommen heißen
verb
- 1. zich verdedigen
verteidigen
- 2. aan erosie blootstaan
verwittern
/
vərˈʋɛrkə(n)/
verb
- 1. een grondstof of halffabrikaat gebruiken om een eindproduct te vervaardigen
- 2. overdrachtelijk: geestelijk in het reine komen met een moeilijkheid of verandering
verarbeiten
verb
1. afwijzen
verwerfen
zurückweisen
ablehnen
verb
1. in bezit zien te krijgen
erwerben
/
vərˈwɛɪ̯dərə(n)/, /
vərˈʋɛɪ̯dərə(n)/, /
vərˈβ̞ɛːdərə(n)/
verb
- de ingewanden van een vis of pluimvee verwijderen
ausnehmen
- 1. weghalen
entfernen
verweisen
- 2. zich verwijderen
sich entfernen
noun
1. het verwijderen
Entfernung
Vernichtung
/
vər'ʋɛɪzə(n)/
verb
1. naar iets of iemand anders wijzen of sturen
verweisen
noun
1. een vermelding van een bron waar meer informatie te vinden is
Verweis
verb
1. op een verwarrende, vervelende wijze bij een zaak betrokken zijn
verwickeln
verb
1. twee zaken elkaars plaats in doen nemen
verwechseln
vertauschen
/
vər.ˈʋɪ.sə.lɪŋ/, /
vər.ˈβ̞ɪ.sə.lɪŋ/, /
vɛr.ˈwɪ.sə.lɪŋ(g)/
noun
1. het verwisselen van twee zaken
Verwechslung
verb
1. ~ van iemand ergens van op de hoogte brengen
benachrichtigen
verb
1. totaal vernielen
zerstören
verwüsten
adjective
- 1. (onvoltooid deelwoord) vernielend
- 2. (bijvoeglijk naamwoord) vernielend
verheerend
/
vər'ʋustɪŋ/
noun
1. het aanbrengen van grote schade, tot een woestenij terugbrengen
Verwüstung
verb
1. lichamelijk letsel veroorzaken
verletzen
verwunden
verb
- 1. overgankelijk werkwoord
- 2. wederkerend werkwoord
verwundern
noun
1. lichamelijk letsel
Verletzung
Verwundung
verb
1. ten kwade veranderen in iets
antarten
verb
1. minder erg maken
mildern
verb
1. bijeenbrengen
sammeln
/
vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /
vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
- 2. wiskundige verzameling
Menge
- 1. meerdere voorwerpen...
Sammlung
Kollektion
/
vərzekərar/
noun
1. een bedrijf dat tegen betaling van een premie een bepaald risico voor een klant dekt
Versicherer
adjective
- 1.
- 2. wie een verzekering heeft
versichert
noun
1. iemand wiens belang of lijf is verzekerd
Versicherter
/
vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /
vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
- 1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
- 2. de mededeling dat iets ...
Versicherung
noun
1. iemand die een verzekering heeft afgesloten
Versicherter
Versicherungsnehmer
noun
1. iemand die een verzekering heeft afgesloten
Versicherter
Versicherungsnehmer
verb
1. een bericht via post of e-mail overbrengen
verschicken
versenden
noun
1. handelingen gericht tegen de heersende macht of de aanvallende vijand
Widerstand
noun
2. elke vorm van verstrooiing die iemand wat afleiding bezorgt, bijvoorbeeld een avondje uit
Zerstreuung
noun
1. beweging van het verzet, de gezamenlijke mensen die zich verzetten tegen een overheerser
Widerstand (Politik)
verb
- 4. een zijdelingse beweging maken
schlingern
- 2. van de ene op de andere plaats zetten
umsetzen
verlagern
- 1. weerstand bieden aan iets
widersetzen
verb
- 3. iets in een materiaal doen zinken
versenken
- 2. diep in gedachten zijn
versinken
- 4. met een laag zink afdekken
verzinken
noun
1. vraag om iets te doen of te laten
Bitte
Ersuchen
Gesuch
verb
1. aan iemand vragen iets al dan niet te doen
erbitten
verb
1. vrede laten sluiten
versöhnen
aussöhnen
adjective
- 1. gek, verdwaasd
bekloppt
verrückt
- 2. (figuurlijk) gek zijn op
vernarrt
verb
1. zuur (doen) worden
säuern
/
vɛrzʋɑkə(n)/
verb
- 1. zwakker worden
schwach werden
- 1. zwakker maken
schwächen
verb
- 1. figuurlijk erger maken
erschweren
verslimmern
- 2.opzettelijk beladen met extra gewicht
schwerer machen
verb
1.
verschwelgen
zerschwelgen
verb
1. een gewricht (meestal de enkel) door een ongeluk te ver buigen zodat het beschadigd raakt
verstauchen
/
ˈvɛsəˌmə(n)/
verb
1. (een draad) door het oog van een naald steken.
einfädeln
noun
1. een mouwloos jasje, te dragen onder de jas van het kostuum
Weste
Jacke
adjective
1. met betrekking tot het evenwichtsorgaan
vestibulär
verb
- 1. stichten
gründen
errichten
- 2. richten
lenken
richten
- 3. er gaan wonen
sich niederlassen
adjective
1. dik, vet inhoudend
dick
fett
noun
- 1. gladde, zeer vette vloeistoffen, smeermiddelen
- 2. gespecialiseerd dierlijk weefsel
Fett
/
vɛtblɑt/
noun
1.1 bepaald soort vleesetende plant, Pinguicula vulgaris
Gemeines fettkraut
noun
- 1. een voormalig militair die gevochten heeft, een uitgediend krijgsman
- 2. een ervaren en oud persoon in een bepaald onderwerpgebied, zoals een sporter, geleerde, etc.
Veteran
noun
gevaarlijke longontsteking, veroorzaakt door de legionellabacterie
Legionellose
noun
1. een van de gaten waardoor een veter wordt geregen
Öse
noun
1. het tot een stift verharde, afgebonden of van een rijgmalie voorziene eind van een touw, koord of veter
Nadel
Nestelspitze
verb
1. een dier/persoon overvloedig en calorierijk voedsel aanbieden zodat deze in gewicht aankomt
mästen
fett füttern
/
ˈvetorɛxt/
noun
1. zonder enige steun van de andere deelnemers in een groep een besluit kunnen tegenhouden
Vetorecht
noun
1. een drukpomp om smeervet door smeernippels te persen
Fettpresse
Schmierpresse
noun
- 1. een zak(je) met vet
Fettsack
- 2.
Fettsack
Fettwanst
noun
ziekelijke vetafzetting in menselijke weefsels
Fettsucht
/
ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
Fettsäure
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
Fohlen
Füllen
Gleiter
noun
1. een vezel is een lang, dun filament waarvan de lengte ten minste drie keer groter is dan de doorsnede
Faser
noun
1. een antenne voor het vhf-gebied
UKW-Antenne
VHF-Antenne
preposition
1. langs
via
über
pronoun
- 1. een Luxemburgse stad
- 2. een Luxemburgse kanton
- 3. een middeleeuws graafschap
Vianden
noun
1. een bespeler van een vibrafoon
Vibrafonist
Vibraphonist
noun
1. marimba met metalen toetsen en vibratosysteem
Vibraphon
Vibrafon
pronoun
2. spelwoord voor de letter V
Viktor
noun
1. een telefoontoestel waarmee geluid en beeld verzonden kunnen worden
Bildtelefon
noun
1. elektronisch spel, met beelden op een monitor of tv
Videospiel
/
viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
vier
Vier
/
ˈviːrdə/
ordinalAdjective
2. gedeeld door vier (een kwart)
Viertel
verb
- 1. een feest vieren
feiern
zelebrieren
begehen
- 2. een touw of kabel vieren
fieren
cardinalNumeral
1. het getal 34
vierunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 94
vierundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 84
vierundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 24
vierundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 44
vierundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 54
vierundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 64
vierundsechzig
/
ˈvirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 74
vierundsiebzig
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
Viereck
/
ˈviːrˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 400
vierhundert
cardinalNumeral
1. het getal 408
vierhundertacht
cardinalNumeral
1. het getal 438
vierhundertachtunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 498
vierhundertachtundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 488
vierhundertachtundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 428
vierhundertachtundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 448
vierhundertachtundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 458
vierhundertachtundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 468
vierhundertachtundsechzig
/
ˌvirhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 478
vierhundertachtundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 418
vierhundertachtzehn
cardinalNumeral
1. het getal 413
vierhundertdreizehn
cardinalNumeral
1. het getal 430
vierhundertdreißig
cardinalNumeral
1. het getal 403
vierhundertdrei
cardinalNumeral
1. het getal 433
vierhundertdreiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 493
vierhundertdreiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 483
vierhundertdreiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 423
vierhundertdreiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 443
vierhundertdreiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 453
vierhundertdreiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 463
vierhundertdreiundsechzig
/
ˌvirhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 473
vierhundertdreiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 401
vierhunderteins
cardinalNumeral
1. het getal 431
vierhunderteinunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 491
vierhunderteinundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 481
vierhunderteinundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 421
vierhunderteinundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 441
vierhunderteinundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 451
vierhunderteinundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 461
vierhunderteinundsechzig
/
ˌvirhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 471
vierhunderteinundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 411
vierhundertelf
cardinalNumeral
1. het getal 409
vierhundertneun
cardinalNumeral
1. het getal 439
vierhundertneununddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 499
vierhundertneunundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 489
vierhundertneunundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 429
vierhundertneunundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 449
vierhundertneunundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 459
vierhundertneunundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 469
vierhundertneunundsechzig
/
ˌvirhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 479
vierhundertneunundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 419
vierhundertneunzehn
cardinalNumeral
1. het getal 490
vierhundertneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 480
vierhundertachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 410
vierhundertzehn
cardinalNumeral
1. het getal 412
vierhundertzwölf
cardinalNumeral
1. het getal 402
vierhundertzwei
cardinalNumeral
1. het getal 432
vierhundertzweiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 492
vierhundertzweiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 482
vierhundertzweiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 422
vierhundertzweiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 442
vierhundertzweiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 452
vierhundertzweiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 462
vierhundertzweiundsechzig
/
ˌvirhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 472
vierhundertzweiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 420
vierhundertzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 414
vierhundertvierzehn
cardinalNumeral
1. het getal 440
vierhundertvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 404
vierhundertvier
cardinalNumeral
1. het getal 434
vierhundertvierunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 494
vierhundertvierundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 484
vierhundertvierundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 424
vierhundertvierundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 444
vierhundertvierundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 454
vierhundertvierundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 464
vierhundertvierundsechzig
/
ˌvirhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 474
vierhundertvierundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 405
vierhundertfünf
cardinalNumeral
1. het getal 435
vierhundertfünfunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 495
vierhundertfünfundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 485
vierhundertfünfundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 425
vierhundertfünfundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 445
vierhundertfünfundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 455
vierhundertfünfundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 465
vierhundertfünfundsechzig
/
ˌvirhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 475
vierhundertfünfundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 415
vierhundertfünfzehn
cardinalNumeral
1. het getal 450
vierhundertfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 406
vierhundertsechs
cardinalNumeral
1. het getal 436
vierhundertsechsunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 496
vierhundertsechsundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 486
vierhundertsechsundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 426
vierhundertsechsundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 446
vierhundertsechsundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 456
vierhundertsechsundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 466
vierhundertsechsundsechzig
/
ˌvirhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 476
vierhundertsechsundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 416
vierhundertsechzehn
cardinalNumeral
1. het getal 460
vierhundertsechzig
/
ˌvirhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 407
vierhundertsieben
/
ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 437
vierhundertsiebenunddreißig
/
ˌvirhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 497
vierhundertsiebenundneunzig
/
ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 487
vierhundertsiebenundachtzig
/
ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 427
vierhundertsiebenundzwanzig
/
ˌvirhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 447
vierhundertsiebenundvierzig
/
ˌvirhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 457
vierhundertsiebenundfünfzig
/
ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 467
vierhundertsiebenundsechzig
/
ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 477
vierhundertsiebenundsiebzig
/
ˌvirhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 417
vierhundertsiebzehn
/
ˌvirhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 470
vierhundertsiebzig
adjective
1. met de vorm van een vierkant
quadratisch
viereckig
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
Quadrat
noun
1. dat getal dat met zichzelf vermenigvuldigd een gegeven getal oplevert
Quadratwurzel
noun
1. akkoord van vier verschillende tonen
Vierklang
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Viernheim
pronoun
Vierwaldstättersee
adjective
1. smerig
schmutzig
verdreckt
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
Vietnamesisch
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
Feind
adjective
1. van de vijand
feindlich
noun
1. een vijandige daad
Feindseligkeit
Feindlichkeit
adjective
1. zich als een vijand gedragend
feindlich
noun
1. het vijandig zijn
Feindseligkeit
Feindlichkeit
noun
1. een toestand van op voet van oorlog zijn
Feindschaft
/
vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
fünf
/
ˈvɛɪ̯f.də/, /
ˈvɛɪ̯v.də/, /
ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
fünfte
fünfter
cardinalNumeral
1. het getal 35
fünfunddreißig
ordinalAdjective
- 2. gedeeld door vijfendertig
Fünfunddreißigstel
- 1. nummer vijfendertig in een rij
fünfunddreißigste
cardinalNumeral
1. het getal 95
fünfundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 85
fünfundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 25
fünfundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 45
fünfundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 55
fünfundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 65
fünfundsechzig
/
ˈvɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 75
fünfundsiebzig
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
Fünfeck
Pentagon
/
ˈvɛi̯fˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 500
fünfhundert
cardinalNumeral
1. het getal 508
fünfhundertacht
cardinalNumeral
1. het getal 538
fünfhundertachtunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 598
fünfhundertachtundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 588
fünfhundertachtundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 528
fünfhundertachtundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 548
fünfhundertachtundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 558
fünfhundertachtundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 568
fünfhundertachtundsechzig
/
ˌvɛifhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 578
fünfhundertachtundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 518
fünfhundertachtzehn
cardinalNumeral
1. het getal 513
fünfhundertdreizehn
cardinalNumeral
1. het getal 530
fünfhundertdreißig
cardinalNumeral
1. het getal 503
fünfhundertdrei
cardinalNumeral
1. het getal 533
fünfhundertdreiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 593
fünfhundertdreiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 583
fünfhundertdreiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 523
fünfhundertdreiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 543
fünfhundertdreiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 553
fünfhundertdreiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 563
fünfhundertdreiundsechzig
/
ˌvɛifhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 573
fünfhundertdreiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 501
fünfhunderteins
cardinalNumeral
1. het getal 531
fünfhunderteinunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 591
fünfhunderteinundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 581
fünfhunderteinundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 521
fünfhunderteinundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 541
fünfhunderteinundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 551
fünfhunderteinundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 561
fünfhunderteinundsechzig
/
ˌvɛifhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 571
fünfhunderteinundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 511
fünfhundertelf
cardinalNumeral
1. het getal 509
fünfhundertneun
cardinalNumeral
1. het getal 539
fünfhundertneununddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 599
fünfhundertneunundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 589
fünfhundertneunundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 529
fünfhundertneunundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 549
fünfhundertneunundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 559
fünfhundertneunundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 569
fünfhundertneunundsechzig
/
ˌvɛifhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 579
fünfhundertneunundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 519
fünfhundertneunzehn
cardinalNumeral
1. het getal 590
fünfhundertneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 580
fünfhundertachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 510
fünfhundertzehn
cardinalNumeral
1. het getal 512
fünfhundertzwölf
cardinalNumeral
1. het getal 502
fünfhundertzwei
cardinalNumeral
1. het getal 532
fünfhundertzweiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 592
fünfhundertzweiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 582
fünfhundertzweiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 522
fünfhundertzweiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 542
fünfhundertzweiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 552
fünfhundertzweiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 562
fünfhundertzweiundsechzig
/
ˌvɛifhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 572
fünfhundertzweiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 520
fünfhundertzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 514
fünfhundertvierzehn
cardinalNumeral
1. het getal 540
fünfhundertvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 504
fünfhundertvier
cardinalNumeral
1. het getal 534
fünfhundertvierunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 594
fünfhundertvierundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 584
fünfhundertvierundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 524
fünfhundertvierundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 544
fünfhundertvierundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 554
fünfhundertvierundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 564
fünfhundertvierundsechzig
/
ˌvɛifhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 574
fünfhundertvierundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 505
fünfhundertfünf
cardinalNumeral
1. het getal 535
fünfhundertfünfunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 595
fünfhundertfünfundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 585
fünfhundertfünfundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 525
fünfhundertfünfundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 545
fünfhundertfünfundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 555
fünfhundertfünfundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 565
fünfhundertfünfundsechzig
/
ˌvɛifhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 575
fünfhundertfünfundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 515
fünfhundertfünfzehn
cardinalNumeral
1. het getal 550
fünfhundertfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 506
fünfhundertsechs
cardinalNumeral
1. het getal 536
fünfhundertsechsunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 596
fünfhundertsechsundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 586
fünfhundertsechsundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 526
fünfhundertsechsundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 546
fünfhundertsechsundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 556
fünfhundertsechsundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 566
fünfhundertsechsundsechzig
/
ˌvɛifhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 576
fünfhundertsechsundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 516
fünfhundertsechzehn
cardinalNumeral
1. het getal 560
fünfhundertsechzig
/
ˌvɛifhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 507
fünfhundertsieben
/
ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 537
fünfhundertsiebenunddreißig
/
ˌvɛifhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 597
fünfhundertsiebenundneunzig
/
ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 587
fünfhundertsiebenundachtzig
/
ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 527
fünfhundertsiebenundzwanzig
/
ˌvɛifhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 547
fünfhundertsiebenundvierzig
/
ˌvɛifhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 557
fünfhundertsiebenundfünfzig
/
ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 567
fünfhundertsiebenundsechzig
/
ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 577
fünfhundertsiebenundsiebzig
/
ˌvɛifhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 517
fünfhundertsiebzehn
/
ˌvɛifhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 570
fünfhundertsiebzig
noun
1. atletiekmeerkamp met vijf onderdelen
Fünfkampf
/
ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
fünfzehn
/
ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
fünfzig
fuchzig
noun
1. vrucht van de vijgenboom
Feige
noun
1. tropische boom
Feigenbaum
Echte Feige
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
Feile
noun
1. vijlsel
Feilspan
Feilstaub
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
Teich
Weiher
noun
- A 1. een vat waarin met een stamper stoffen fijngestampt kunnen worden
Mörser
- B 2. waterschroef
Schnecke
Wasserschraube
- B 1. een dommekracht of krik
Spindelwinde
verb
1. in- of uitdraaien van een schroef
schrauben
/
ˈvikɪŋ/
noun
1. Scandinavische krijger, behorend tot de noordelijke tak van de Germanen
Wikinger
noun
1. een groot en vrijstaand huis
Villa
verb
1. van het vel ontdoen
häuten
abhäuten
pronoun
1.
Villingen-Schwenningen
noun
door langdurig bewerken verdichte wol
Filz
/
ˈvɪltə(n)/
verb
1. tot vilt maken
filzen
noun
1. een pen met een poreuze kern
Filzstift
/
vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
Flosse
Finne
/
'vɪndə(n)/
verb
- 1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
- 2. iets bedenken
- 4. iets ondervinden, iets ten deel krijgen
- 3. iets op een bepaalde wijze beschouwen of ervaren
finden
- zijn weg vinden
zurechtfinden
noun
1. beloning voor de persoon die een verloren voorwerp aan de eigenaar teruggeeft
Finderlohn
adjective
erfinderisch
erfindungsreich
findig
gewitzt
noun
1. extremiteiten van de hand
Finger
/
ˈvɪ.ŋər.ˌɑf.drʏk/, /
ˈvɪ.ŋər.ˌɑv.drʏk/
noun
1. een afdruk op een oppervlak van een vinger met meestal de unieke, persoonsgebonden figuur...
Fingerabdruck
/
ˈvɪ.ŋər.ɑl.faˌbɛt/, /
ˈvɪ.ŋər.ɑɫ.faˌbɛt/
noun
1. een verzameling gebaren waarmee alle letters van een alfabet worden uitgebeeld
Fingeralphabet
/
'vɪŋərə(n)/
verb
1. met de hand of vinger bevredigen
fingern
/
'vɪŋərˌɦut/
noun
1. hard dopje dat het eerste kootje van de vinger beschermt bij het naaien
Fingerhut
noun
topje van een vinger
Fingerspitze
Fingerkuppe
noun
1. viola d'amore
Viola d'Amore
noun
1. viola da braccio
Viola da Braccio
noun
1. knie- of beenviool
Viola da Gamba
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
Violett
violett
noun
1. musicus die een viool bespeelt
Violinist
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de violoncellist of cellist tussen de knieën wordt gehouden
Violoncello
Cello
noun
1. strijkinstrument
Geige
Violine
noun
1. vioolsleutel
Violinschlüssel
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Viola
Veilchen
noun
1. toetsinstrument
Virginal
noun
1. (beroep) deskundige op het gebied van virussen en virusziekten
Virologe
adjective
1.
virtuell
eigentlich
noun
- 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
- 2. het vlees van een vis
Fisch
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
Fischadler
noun
1. een handelaar die gespecialiseerd is in de verkoop van vis
Fischhändler
noun
1. stroperigheid van een vloeistof of gas
Viskosität
/
vi.ˈse.rə(n)/
verb
- 2. mikken met een vuurwapen
anvisieren
- 3. beogen
beabsichtigen
- 1. voor gezien tekenen
beglaubigen
bestätigen
noun
1. consumptievis waaruit de graten zijn verwijderd
Fischfilet
noun
1. de wijze waarop men zaken beoordeelt of beschouwt
Ansicht
Sicht
/
vizi'ɣotis/
adjective
1.
westgotisch
noun
1. een droombeeld
Vision
Erscheinung
noun
1. vlechtwerk van touw om zeedieren te vangen of in water te bewaren
Fischernetz
Fischnetz
noun
1. een seizoen waarin het toegestaan is om te vissen
Fangzeit
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
Fische
/
vizyʋel/
adjective
1. betreffende het zicht, betreffende het zienbare
visuell
noun
- 1. het vangen van vis
Fischerei
- 2. hoeveelheid gevangen vis
Fischfang
noun
1. een dunne gordijn gewoon van een mooie kleur die de zonnestraling enigszins tempert en inkijk voorkomt
Store
noun
- 1. een richttoestel op de loop van een vuurwapen
Visier
- 3. in het
im Visier haben
- 1. minister of hoog staatsdienaar
Wesir
noun
± vloeibaar dessert van zuivel, eieren en vanille, evt. verdikt met zetmeel
Eiercreme
/
vlax/
noun
1. een plotselinge windstoot
Böe
/
ˈflaːɪ̯/, /
ˈvlaɪ̯/
noun
- 1. Limburgse vlaai, plat rond gebak.
Kuchen
Obstkuchen
- 2. koeienvlaai
Kuhfladen
adjective
1. betrekking hebbende op Vlaanderen of de Vlamingen
flämisch
Flämisch
pronoun
1. Nederlands zoals dat in Vlaanderen gesproken wordt
Flämisch
flämisch
noun
1. achtknoop
Achtknoten
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
Eichelhäher
noun
1. achtknoop
Achtknoten
Endacht
adjective
1.
flämischsprachig
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
Flandern
/
vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
Flagge
Fahne
Banner
Standarte
noun
1. een slinger van vlaggen
Flaggenleine
/
ˈvlɑɣəˌsxɪp/
noun
1. schip waarop zich de bevelvoerder over een vloot of eskader bevindt
Flaggschiff
noun
1. bepaald soort vis, Thymallus thymallus
Europäische Äsche
/
vlɑk/
adjective
1. zonder bergen of dalen
flach
/
vlɑk/
noun
- 2. zonder hoogte- en dieptepunten
Ebene
- 1. een verzameling punten die twee dimensies vult
Fläche
noun
stuk rubber dat door wrijven potloodschrift van papier kan verwijderen
Radiergummi
noun
1. bepaald soort giftige vaste plant die sporen vormt, Diphasiastrum complanatum
gewöhnlicher Flachbärlapp
noun
1. solide vlakke ondergrond voor meetdoeleinden
Meßplatte
Prüfplatte
noun
1. vlaktafel op een onderstel
Meßplatte
Prüfplatte
noun
1. gebied met weinig of geen hoogteverschillen
Ebene
Fläche
noun
1. kleinste vorm van vuur
Flamme
/
'vlamɪŋ/
noun
1. een inwoner van Vlaanderen of iemand afkomstig uit Vlaanderen
Flame
Flamländer
noun
1. een stoomketel waarbij de hete rookgassen, door met water omringde vlampijpen, geleid worden
Flammrohrkessel
adjective
1. een lichtgele, lichtblonde kleur zoals die van rijp vlas
flachsig
noun
1. bepaald soort vinkachtige vogel Carduelis cannabina
Hänfling
noun
1. een gebonden pluk haar
Zopf
/
ˈvlɛx.tə(n)/, /
ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
flechten
noun
1. klein vliegend zoogdier
Fledermaus
noun
- 1. spierweefsel van bepaalde organen
- 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
Fleisch
noun
1. een vleesetend dier
Fleischfresser
Karnivore
adjective
1. de kleur van vlees bezittend
fleischfarbig
noun
1. dorswerktuig
Flegel
verb
1. (onoprechte) complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen
schmeicheln
einschmeicheln
noun
1. een vieze plek
Fleck
noun
- 1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
- 5. een deel van een leger
- 3. muziekinstrument
- 2. onderdeel van een vliegtuig
Flügel
/
'vlidə(n)/
verb
- 1. formeel: (van tijd) voorbijgaan
entfliehen
verrinnen
- 2. formeel: snel weg trachten te komen, vluchten
fliehen
entfliehen
entrinnen
/
vlix/, /
vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
Fliege
noun
1. een militair vliegveld
Militärflugplatz
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
Flugzeugträger
/
ˈvli.ɣə(n)/, /
ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
fliegen
noun
1. benaming voor zeevissen uit de familie Exocoetidae
Fliegende Fische
noun
1. een apparaat om een vlieg mee dood te slaan
Fliegenklatsche
noun
1. bepaald soort paddenstoel, Amanita muscaria
Fliegenpilz
noun
- 1. een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
Drachen
- 2. een vierhoek waarvan twee paar aanliggende zijden en één paar ...
Drachenviereck
Deltoid
- 6. iemand die vliegt
- 7. een dier m.b.t. zijn vaardigheid in het vliegen
- 5. een klein driehoekig scheepszeil, ...
Flieger
noun
- 1. van bijenkorf
- 2. van vogelhuisje
Einflugloch
Flugloch
noun
1. demonstratie met (stunt)vliegtuigen, parachutespringen etc.
Flugschau
/
ˈvlixtœːx/, /
ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
Flugzeug
Flieger
/
ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
Flugplatz
Flughafen
noun
Holunder
Holder
Holler
Flieder
/
'vlirbɛs/
noun
1. bessen van de gewone vlier
Holunderbeere
noun
1. bloesem van de (gewone) vlier
Holunderblüte
noun
1. bloesem van de (gewone) vlier
Holunderblütensirup
noun
1. Sambucus nigra tot boom uitgegroeide vlier
Holunderbaum
Holunderbusch
noun
1. dunne laag op een oppervlak
Film
/
'vlitə(n)/
verb
- 2. formeel: als iets vluchtigs voorbijgaan
dahinfliegen
fliehen
- 1. formeel: zachtjes vloeien of stromen
fließen
strömen
/
ˈvlɛɪ̯msxɛrp/, /
ˈvlɛɪ̯msχɛrp/, /
ˈvlɛːmsxɛrp/
adjective
1. heel erg scherp
messerscharf
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
Schmetterling
Falter
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
Floh
noun
1. verhoging van de waterstand
Flut
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
flüssig
/
ˈvlujə(n)/
verb
1. zacht stromen
fließen
noun
- 2.
Löschpapier
Fließpapier
- 1. papier om een sigaret van te rollen
Zigarettenpapier
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
Flüssigkeit
Fluid
noun
1. bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
Fluch
verb
1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
fluchen
noun
1. een samenhangend hoopje van sneeuw of andere lichte stof
Flocke
/
vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
Flotte
adjective
1. gemakkelijk, eenvoudig, zonder veel problemen
flott
zügig
noun
1. een drijvende constructie
Floß
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Vlotho
noun
1. het zich door luchtruim bewegen
Flug
/
vlɵxtə(n)/
verb
1. (onovergankelijk) trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
fliehen
flüchten
entfliehen
/
ˈvlʏxtstrok/
noun
1. een door een doorgetrokken streep gemarkeerd afgescheiden gedeelte van de rijbaan op de autosnelweg of autoweg, bedoeld voor noodsituaties
Seitenstreifen
/
vlɵx/
adjective
1. met hoge snelheid
schnell
flink
flott
/
vlɵx/
adverb
1. met hoge snelheid, in korte tijd
rasch
flink
flott
pronoun
1. wereldwijde organisatie waarin alle landen kunnen samenwerken
VN
/
vɔxt/
noun
1. water dat iets doordrenkt of als damp aanwezig is.
Feuchtigkeit
noun
1. de mate van vocht
Feuchtigkeit
verb
1. van voedsel voorzien
nähren
/
vudərə(n)/
verb
1. voedsel verschaffen aan dieren
füttern
/
ˈvu.dɪŋ(g)/, /
ˈvu.dɪŋ/
noun
1. voedsel
Ernährung
Nahrung
Verpflegung
noun
1. een product, middel dat een organisme kan gebruiken om zich te voeden
Nahrungsmittel
noun
1. voedingsmiddel dat bedoeld is als aanvulling op de normale voeding
Nahrungsergänzungsmittel
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
Nahrung
Lebensmittel
Speise
verb
3. afwerken van metselwerk
ausfugen
fugen
/
ˈvuxʋoːrt/
noun
Konjunktion
Bindewort
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
anfühlen
empfinden
noun
1. een langgerekt, gewoonlijk geleed, uitwendig orgaan op de kop van een insect dat zintuigen voor de tastzin of soms ook voor gehoor of smaak bevat
Fühler
/
vur/
noun
- 3. (verouderd) wagenvracht
Fuhre
- 1. voedsel, inzonderlijk voor huisdieren en vee
Futter
verb
- 1. geleiden, ergens heen brengen
führen
geleiten
leiten
- 3. dieren te eten geven
- 2. kleding aan de binnenkant van een isolerende laag voorzien
- 4. een kind eten in de mond stoppen
füttern
/
ˈvuː.rɪŋ(g)/, /
ˈvuː.rɪŋ/
noun
1. de binnenbekleding van een voorwerp
Futter
pronoun
sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Fuhrmann
/
ˈvuːrtœx/, /
ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
Fahrzeug
Gefährt
noun
- 3. oude lengtemaat
Fuß
- 1. voortzetting van het been beneden de enkel
Fuß
Fuss
/
ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
Fußball
Fussball
verb
1. een spel met een voetbal spelen
Fußball spielen
noun
1. een wedstrijd tussen twee voetbalelftallen
Fußballspiel
noun
1. bovenzijde van een voetzool
Fußbett
/
vuˈterə(n)/
verb
1. te voet gaan
zu Fuß gehen
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
Fußgänger
/
ˈvut.ɣɑ.ŋərs.ɣəˌbit/, /
ˈvut.χɑ.ŋərs.χəˌbit/
noun
1. een gebied waarin geen voertuigen zijn toegestaan en waar dus gelopen moet worden
Fußgängerzone
Fußgängerbereich
/
'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
Fußweg
Fußgängerweg
noun
1. een rem die met de voet bediend wordt
Fußbremse
noun
1. een steunpunt voor de voet
Fußraste
Fußstütze
noun
1. de onderzijde van de voet
Fußsohle
/
ˈvoːɣəl/, /
ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
Vogel
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
Schnabeltier
/
ˈvo.ɣəl.kɛrs/
noun
1. bepaalde boomsoort die in West-Europa thuishoort, Prunus padus
Traubenkirsche
noun
Gewöhnliche Vogelmiere
noun
1. grote behaarde spin die leeft in de tropische streken
Vogelspinne
noun
1. manshoge pop
Vogelscheuche
/
ˈvoːɣəlvlʏxt/
noun
- 4. afstand in vogelvlucht
Luftlinie
- 1. perspectief van boven
Vogelperspektive
adjective
1. buiten de wet gesteld
vogelfrei
pronoun
1. gebergte
Vogesen
/
vɔl/, /
vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
voll
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
Volapük
verb
1. een eis vervullen
befriedigen
entsprechen
genügen
adverb
- voldoende zijn
ausreichen
- 1. tot bevrediging
genug
ausreichend
genügend
indefinitePronoun
1. toereikend, genoeg
ausreichend
genügend
genug
/
'vɔlxə(n)/
verb
1. achterna gaan
folgen
adjective
1. dat later komt
nächst
folgend
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
gemäß
laut
zufolge
nach
noun
1. vergoeding aan de kunstenaar bij doorverkoop van zijn kunstwerk
Folgerecht
/
vɔlk/
noun
- 4. een aantal mensen
Leute
- 1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
- 2. de inwoners van een land
Volk
noun
1. internationaal privaat- en publiekrecht
Vólkerrecht
noun
1. brood van meel met zemelen
Vollkornbrot
noun
1. tarwe met zemelen en kiem
Vollkornweizen
noun
1. traditioneel feest dat door de gehele gemeenschap wordt gevierd gevierd
Volksfest
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
Nationalhymne
noun
1. de taal van het gewone volk, vaak informeel van aard en soms als minder beschaafd gezien, in tegenstelling tot de standaardtaal
Volkssprache
Alltagssprache
/
ˈvɔlks.tœʏn/
noun
2. moestuin beschikbaar gesteld aan stadsbewoners
Kleingarten
Schrebergarten
Familiengarten
noun
1. een vergadering van de gehele bevolking
Volksversammlung
/
ˈvɔlksvərˌhœyzɪŋ/
pronoun
1. het binnentrekken van het Romeinse rijk door stammen die voorheen ten noorden en oosten daarvan woonden
Völkerwanderung
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
Vollmond
adverb
1. zonder iets ongedaan te laten
komplett
vollständig
noun
1. de fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
Vollmond
noun
- 1. spel
- 2. bal
Volleyball
/
vɔlˈmaːkt/
adverb
1. zonder enig gebrek
perfekt
noun
1. de volmaaktheid
Idealität
noun
1. rechtsbevoegdheid om namens een ander te handelen
Vollmacht
verb
1. overvol maken door er nog iets bij te duwen
voll pfropfen
verb
- 1. helemaal vullen
- 2. heel veel eten
vollstopfen
noun
1. spanningmeter
Spannungsmesser
Spannungsmessgerät
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
Partizip II
Partizip Perfekt
Perfektpartizip
noun
Plusquamperfekt
Vorvergangenheit
Präteritumperfekt
verb
1. ten einde brengen
beenden
vollenden
noun
1. ruimtelijke capaciteit
Volumen
adjective
1. een leeftijd bereikt hebbend waarop men volgroeid en onafhankelijk kan zijn
erwachsen
noun
1. iemand die volgroeid is
Erwachsener
Erwachsene
noun
- 1. een gloeiend korreltje of brokstukje
Funke
- 3. bijnaam van de radiotelegrafist
Funker
verb
1. vonken geven
funken
noun
1. bijnaam van de radiotelegrafist
Funker
noun
1. een beslissing van een rechter in dagvaardingsprocedures
Urteil
noun
1. Haïtiaanse religie
Wodu
/
voːxt/
noun
1. belangenbehartiger van minderjarige
Vormund
Vormundin
noun
1. Iemand die als vervanger het ouderlijk gezag uitoefent
Vormundin
noun
1. belangenbehartiging van minderjarige
Vormundschaft
/
vor/
noun
1. ploegsnede
Furche
/
vor/
preposition
- 7. ten behoeve van, ten gunste van
für
- 1. dichterbij dan
vor
- 4. eerder in tijd
vor
bevor
adverb
für einen Apfel und ein Ei
conjunction
1. in die mate als
so weit
adjective
1. gezaghebbend
prominent
führend
noun
1. afbeelding van iets, zoals van voren gezien
Vorderansicht
/
vo:ɾ.ɑl/
adverb
- 1. voornamelijk
besonders
vor allem
- 2. als het voornaamste of als zeer gewichtig
vor allem
insbesondere
noun
1. begin van de avond
frühe Abend
noun
- 2. iets dat bestaat of kan bestaan, als uitleg bij een abstracte uitleg
Beispiel
- 1. iets ter navolging
Vorbild
Beispiel
noun
- 1. een voorbereidende behandeling voor de hoofdingreep
- 2. een eerste behandeling van een nog verder te bewerken product
Vorbehandlung
verb
1. handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
vorbereiten
/
vorˈbɛɪ̯ɣan/, /
vorˈbɛːɣan/, /
vo̝rˈbɛɪ̯χan/
verb
- 1. langs een bepaald punt gaan.
- 2. tot verleden gaan behoren
vorbeigehen
verb
1. tot betere prestatie komen dan de opponenten
überholen
/
ˈvorbodə/
noun
1. vooruitgestuurde bode (letterlijk)
Vorbote
noun
1. een doorwaadbare plaats in een beek of rivier
Furt
noun
1. doorwaadbare plaats
Furt
noun
- 1. profijt
Nutzen
- 3. (tennis)
Vorteil
/
'voːrdøːr/
noun
1. de hoofddeur aan de voorzijde van een woning
Haustür
Vordertür
verb
- 2. als kandidaat voorstellen
nominate
nominieren
vorschlagen
- 1. een gedicht of tekst ten gehore brengen
vortragen
/
ˈvoːrˌdrɪ.ŋə(n)/
verb
vordrängeln
noun
- 2. dienstdoende predikant in een kerkdienst
Prediger
- 1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
Vorgänger
noun
1. eerste, meestal lichte gang van een maaltijd
Vorspeise
noun
1. gevel aan de voorkant
Fassade
adverb
1. in het verleden
früher
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
Stirn
Stirne
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Stirnbein
noun
1. voorhuid van penis
Vorhaut
/
vorɪ'nxənomə(n)/
adjective
1.
voreingenommen
noun
Frühjahrsmüdigkeit
Frühlingsmüdigkeit
noun
1. Calocybe gambosa, een wittige eetbare paddenstoel
Mairitterling
noun
1. het opruimen en poetsen van een woning in het voorjaar
Frühjahrsputz
/
vorkɑnt/
noun
1. een van de zijden van een voorwerp, namelijk dewelke naar voren gericht is
Vorderseite
/
ˈvoːrkør/
noun
1. de neiging tot kiezen van het één boven het ander
Vorzug
Präferenz
/
'vɔːr.ko.mə(n)/, /
vɔːr.'ko.mə(n)/
verb
- 4. dunken, toeschijnen
dünken
scheinen
- 2. voor het gerecht verschijnen
erscheinen
- 3. soms gebeuren
geschehen
- 1. met regelmaat ergens te vinden zijn
vorkommen
- 1. ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
vorbeugen
abwenden
vermeiden
verb
1. hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
vorlesen
verb
2. iemand instructie geven, leren hoe met iets omgegaan moet worden
aufklären
informieren
/
vorˈlopəx/, /
vorˈlopəç/
adjective
1. tijdelijk in afwachting van iets definitiefs
vorläufig
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
Vorname
/
ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
Pronomen
Fürwort
noun
1. een bijwoord ter vervanging van de combinatie voorzetsel met voornaamwoord,...
Pronominaladverb
adverb
1. in hogere mate
insbesondere
vornehmlich
verb
1. van plan zijn iets te gaan doen
beabsichtigen
vornehmen
adverb
- voornemens zijn
beabsichtigen
- 1. de intentie hebbend
beabsichtigend
in der Absicht
/
vorˈɔplopə(n)/
verb
- 2. op anderen vooruit zijn
führend sein
tonangebend sein
- 1. als voorste lopen
voranlaufen
verb
1. vooropstellen
voraussetzen
noun
1. iemand van wie afgestammen wordt
Vorfahr
noun
1. een voorlopige test
Kostprobe
Vorgeschmack
/
ˈvɔːrˌraːt/
noun
1. wat voor later gebruik wordt opgeslagen
Vorrat
noun
1. glazen vlak aan de voorkant van een voertuig dat zorgt voor zicht op de weg en bescherming tegen weer en wind
Windschutzscheibe
Frontscheibe
noun
1. een vervroegde betaling op het loon
Vorschuss
/
'vɔːrsxrɛɪvə(n)/
verb
1. een schriftelijke opdracht geven
verschreiben
vorschreiben
noun
- 2. complete of gedeeltelijke uitvoering van een muziekstuk ter beoordeling
Audition
Probespiel
- 3. liefdesspel als opmaat voor seks
- 1. voorbereidende inleiding
Vorspiel
verb
1. een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
vorhersagen
prophezeien
voraussagen
noun
Wohlstand
Wohl
Wohlergehen
/
'vorsprɔŋ/
noun
1. de mate waarin men verder gevorderd is dan anderen
Vorsprung
noun
1. lijn of staalkabel die is gespannen tussen de boeg en de masttop
Vorstag
noun
1. iemand die voor iets is
Befürworter
noun
Befürworterin
Verfechterin
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
Vorschlag
verb
1. een plan voorleggen
vorschlagen
adverb
1. van nu af aan, in het vervolg
in Zukunft
künftig
noun
- 1. signaal dat aan een gebeurtenis voorafgaat
Omen
Vorzeichen
- 2. plus- of minteken voor een getal
- 3. symbolen aan het begin van een notenbalk
Vorzeichen
noun
1. symbolen aan het begin van een notenbalk
Vorzeichen
noun
1. een gedeelte van een tent dat voor de rest van de tent staat waarin niet geslapen wordt
Vorzelt
verb
1. in hoog tempo aan iets werken
beeilen
adverb
1. ter aanduiding van wat nog komt na nu, na dat andere, in het vervolg
ferner
fernerhin
verb
1. geleidelijk verder verlopen
fortschreiten
noun
1. het voortzetten van iets
Fortsetzung
/
voːˈrœːdbəˌtaːlə(n)/, /
vo̝ːˈrœʏ̯tbəˌtalə(n)/
verb
1. iets van tevoren betalen
voraus zahlen
/
voːˈrœːdˌɣaːn/, /
voːˈrœːtˌxaːn/, /
vo̝ːˈrœʏ̯tˌχan/
verb
- 2. vooruitgang boeken
aufwärtsgehen
- 1. naar voren gaan
vorwärtsgehen
noun
- 1. het proces van technologische en economische groei van een samenleving
Fortschritt
- 2. een proces van verbeteringen
Verbesserung
noun
1.
Ahn
Vorfahr
Urahn
Stammvater
noun
1. event, gebeurtenis, incident
Vorfall
/
ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
Vorsilbe
noun
1. omstandigheid die noodzakelijk is of gemaakt wordt wil iets anders plaats of...
Bedingung
Voraussetzung
noun
1. een object, iets dat fysiek bestaat
Gegenstand
Objekt
Körper
noun
1. een soort van aandrijfmechanisme, waarbij de motorkracht op de voorwielen wordt uitgeoefend
Vorderradantrieb
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
Präposition
Verhältniswort
/
vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
vorsichtig
/
vɔːrˈzɪxtəxˌhɛɪt/
noun
1. het voorzichtig zijn
Vorsicht
noun
1. een van de zijden van een voorwerp, namelijk dewelke naar voren gericht is
Vorderseite
noun
1. hoofd van een bestuur, leider van een vergadering
Vorsitzende
Vorsitzender
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Vorarlberg
adjective
1.
vorarlbergisch
pronoun
1.
Vorarlbergerisch
Vorarlbergisch
/
vɔɾ.dǝ.ɾɪŋ/
noun
- 2. opeisen
Anspruch
Forderung
- 1. vooruitgang, progressie
Fortschritt
Entwicklung
Fortgang
/
'vɔː.rə/
noun
1. ploegsnede
Furche
indefiniteOrdinalNumeral
1. degene die of datgene dat eerder een positie innam
vorig
dernier
précédent
noun
- 1. aftakking van een boomtak of van een weg
Astgabel
Gabel
- 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
Gabel
- 4. fietsonderdeel waarin het wiel wordt bevestigd: telescopische vork, voorvork en achtervork
Gabel
Fahrradgabel
- 3. bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork)
Gabel
Forke
- 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
Gabel
Springergabel
verb
- 3. maken, veroorzaken
ausmachen
verursachen
- 2. deel uitmaken van, fungeren als bouwsteen van
bilden
ausmachen
- 1. in de juiste vorm brengen
formen
bilden
noun
1. het proces en het resultaat van ontwerpen van het uiterlijk
Gestaltung
noun
1. een sacrament waardoor een gedoopte de kracht van de Heilige Geest ontvangt om zijn geloof standvastig te kunnen belijden
Firmung
/
vɔrst/
noun
2. weersomstandigheden
Frost
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
Fuchs
Füchsin
noun
1. bepaald soort plant, Vaccinium vitis-idaea
Preiselbeere
/
vra:x/, /
vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
Frage
Anfrage
/
ˈvraxzɪn/, /
ˈvraɣzɪn/, /
ˈvraχzɪn/
noun
1. een zin in de vorm van een vraag
Fragesatz
/
vrɑxt/, /
vrɑχt/
noun
1. de lading van een vervoermiddel
Fracht
/
ˡvrɑxtɑuto/
noun
1. een auto voor goederenvervoer
Lastkraftwagen
LKW
Lastwagen
Lastzug
noun
1. een boot die gebouwd is om vracht te vervoeren
Frachter
noun
1. prijs die men betaalt om een bepaalde hoeveelheid vracht naar een andere locatie te vervoeren
Frachpreis
Frachtrate
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
Frachtschiff
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
Lastkraftwagen
Lastwagen
LKW
Lastzug
noun
Fernfahrer
LKW-Fahrer
Trucker
/
ˈvraɣə(n)/, /
ˈvraχə(n)/
verb
- 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
bitten
fragen
- 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
fragen
noun
2. iemand die een antwoord op een vraag wil hebben
Frager
noun
1. ontbreken van oorlog
Frieden
Friede
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Vreden
adjective
- 1. van buiten, niet van hier
fremd
- 2. gek, onwerkelijk
seltsam
- 3. niet bekend
unbekannt
/
'vremdə/
noun
1. iemand die niet bekend is
Fremde
noun
1. iemand die afkomstig is uit een ander gebied of land dan dat waar hij verblijft
Ausländer
Fremde
noun
1.
Fremdenfeindlichkeit
Fremdenhass
Ausländerfeindlichkeit
adjective
1. bijzonder erg, schrikwekkend
furchtbar
schrecklich
verb
1. het nuttigen van voedsel op een meestal onbeleefde wijze
fressen
noun
1. een blij gevoel
Freude
/
ˈvrøx.də.ˌvyːr/, /
ˈvrøɣ.də.ˌvyːr/, /
ˈvrøχ.də.ˌvyːr/
noun
1. een groots door mensen opgebouwd en gecontroleerd vuur om iets te vieren
Freudenfeuer
Lagerfeuer
/
ˈvrezə(n)/
verb
1. bang zijn, angst hebben
fürchten
noun
- 1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
- 2. de mannelijke persoon met wie je verkering hebt
Freund
adjective
1. met het nodige respect
freundlich
noun
- 2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
- 1. een vrouwelijk persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
Freundin
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
Freundschaft
noun
1. schade aangebracht aan smaak zowel als structuur van bevroren voedsel
Gefrierbrand
/
ˈvrisdroɣə(n)/
verb
1. industriële droogmethode voor onder andere het conserveren van voedingsmiddelen
gefriertrocknen
lyophilisieren
/
vrispʌnt/
noun
Gefrierpunkt
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen in bevroren toestand gebracht, te bewaren
Gefrierschrank
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
frei
noun
- 2. iemand die niet vies is van een beetje avontuur, een avonturier
Abenteurer
- 1. een zeerover
Freibeuter
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
Freitag
verb
- 2. knuffelen
kuscheln
liebkosen
schmusen
- 1. liefde bedrijven
miteinander schlafen
sich lieben
verb
1. zonder voorbehoud beschikbaar stellen, toegankelijk maken
freigeben
adjective
1. een ongehuwde man of vrouw
ledig
noun
1. een ongehuwde man of vrouw
Junggeselle
/
ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
Freiheit
/
ˈvrɛɪhɛɪtsbəˌrovɪŋ/, /
ˈvrɛːhɛːtsbəˌrovɪŋ/
noun
2. iemand wederrechtelijk in detentie houden
Freiheitsberaubung
verb
1. door betaling iemands vrijheid verkrijgen
freikaufen
verb
1. toestaan om uit gevangenschap weg te gaan
freilassen
verb
- 2. aantoonen of betoogen dat iemand aan iets niet schuldig is
bezeugen
darlegen
entlasten
freisprechen
- 1. door pleiten vrijspraak verwerven voor iemand, door pleiten de onschuld aantonen van iemand, door pleiten verdedigen
plädieren
verteidigen
- 1. aantoonen of betoogen dat men niet aan iets schuldig is
rechtfertigen
/
'vrɛisprekə(n)/
verb
1. onschuldig verklaren
freisprechen
adverb
1. zo goed als, verwaarloosbaar weinig schelend ten opzichte van iets anders
nahezu
adjective
1. niet gedwongen
freiwillig
/
ˈvrud.vrɑu/
noun
1. een vrouw die een bevalling begeleidt
Hebamme
adjective
- 2. eerder dan verwacht
- 1. aan het begin
früh
/
ˈvruxlaˌtɛin/
pronoun
1. de voorganger van het klassiek Latijn
Altlatein
/
ˈvruxər/, /
ˈvruɣər/
adverb
1. (zoals) in het verleden
früher
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
frühstücken
/
ˈvruxlaˌtɛin/
pronoun
1. de voorganger van het klassiek Latijn
Altlatein
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
frühstücken
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
frühstücken
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
frühstücken
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
frühstücken
noun
1. begin van de morgen
Frühe
noun
1. een aangename stemming waarin men veel lacht, zich goed voelt en het leven optimistisch bekijkt
Fröhlichkeit
noun
- 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
Frau
Ehefrau
Gemahlin
Gattin
- 1. een volwassen vrouwelijke mens
Frau
Weib
phraseologicalUnit
1.
Weibliche Nadelarbeit
noun
2. grootste in Europa voorkomende orchideeënsoort, Cypripedium calceolus
Gelber Frauenschuh
noun
1. urinoir dat speciaal is ontworpen voor vrouwen
Frauenurinal
noun
1. een man die veel vrouwen verleidt
Frauenheld
Weiberheld
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
Frucht
/
'vrɵɣbar/
adjective
1. in staat vrucht af te werpen
fertil
fruchtbar
noun
1. boom die eetbare vruchten voortbrengt
Obstbaum
/
ˈvrʏxtə(n)ˌsɑp/, /
ˈvrʏχtə(n)ˌsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
Fruchtsaft
Obstsaft
noun
1. wijn van vergist sap van andere vruchten dan druiven
Obstwein
Fruchtwein
/
vœy̯l/
adjective
1. niet schoon
schmutzig
dreckig
/
vœy̯l/
noun
viezigheid, onreine materie
Schmutz
Dreck
/
vœylbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
Abfalleimer
Kehrrichteimer
Mülleimer
verb
1. obsceniteiten zeggen
ferkeln
schweinigeln
noun
- 3. een vuile, gemene uiting
Sauerei
Schweinerei
- 1. dat wat vuil is
- 2. poep
Schmutz
noun
1. materiaal dat weggeworpen wordt
Müll
/
'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
Mülleimer
Mülltonne
Kehrrichteimer
noun
1. een opstapeling van huisvuil
Müllhaufen
/
ˈvœʏɫnɪsˌʋaxə(n)/, /
ˈvœːɫnɪsˌβaɣə(n)/
noun
1. een auto van de vuilophaaldienst
Müllauto
Müllwagen
noun
- 1. gebalde hand
Faust
- 2. zware hamer
Fäustel
/
ˈvœʏ̯sbɛːɫ/, /
ˈvœːstbɛːɫ/, /
ˈvœːzbɛɪ̯l/
noun
1. een kerngereedschap uit het paleolithicum, het Acheuléen en het Moustérien
Faustkeil
noun
1. de vaak explosieve activiteit waarmee in een vulkaan opgebouwde spanningen zich ontladen
Vulkanausbruch
vulkanutbrot
vulkanutbrott
noun
1. een kolenkachel die gedurende langere tijd kan branden zonder bij te vullen
Dauerbrandofen
Dauerbrenner
adjective
1. betrekking hebbend op de processen die in een vulkaan plaatsvinden
vulkanisch
noun
1. natuurlijke processen
Vulkanismus
adjective
1.
vulkanologisch
noun
het materiaal waarmee iets opgevuld is
Füllung
/
ˈvʏl.pɛn/, /
ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
Füllfederhalter
Füller
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
Vulva
noun
1. huidplooi bij de opening van de vulva, aan beide zijden van de vagina
Vulvalippe
/
vy.rə(n)/
verb
1. schoten lossen
feuern
schießen
/
vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
Feuer
noun
1. het eerste gevecht van een soldaat
Feuertaufe
noun
1.een strijd waarbij partijen elkaar beschieten met vuurwapens
Feuergefecht
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
Feuerland
noun
1. soort godsoordeel
Feuerprobe
adjective
Feuerrot
feuerrot
/
ˈvyːrtɛmˌpəɫ/
noun
1. heiligdom waarin een eeuwigbrandend vuur onderhouden wordt.
Feuertempel
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
Leuchtturm
noun
1. iemand die ter vermaak van een publiek vlammen dooft met zijn mond
Feuerschlucker
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
Feuerwerk
noun
1. benaming voor vogels uit de onderorde Charadrii
Watvogel
noun
1. iemand die veel durft
Draufgänger
noun
1. roekeloosheid
Waghalsigkeit
/
'ʋajə(n)/
verb
1. plaatsvinden van een sterke luchtstroming
wehen
blasen
noun
1. scherm in halve schijfvorm
Fächer
/
ˈʋakɦɔnt/
noun
1. een hond die het huis of een erf bewaakt
Wachhund
noun
1. een klein vlammetje dat continu brandt in een geiser, gaskachel, gasfornuis of cv-ketel, dat ervoor zorgt dat het gas vrijwel direct ontbrandt wanneer de gaskraan van een brander wordt geopend
Zündflamme
adverb
1. oplettend
wachsam
noun
1. oplettendheid
Wachsamkeit
Aufmerksamkeit
/
wal/
noun
(demoniem) 1. bewoner of iemand die afkomstig is uit Wallonië
Wallone
/
wal/
pronoun
(eigennaam) 1. brede zijrivier van de Rijn in Nederland
Waal
adjective
1. betrekking hebbend op Wallonië of de Walen
wallonisch
Wallonisch
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
Wallonisch
wallonisch
/
wan/, /
ʋan/, /
β̞an/
noun
- 1. droomwereld
- 2. onjuiste voorstelling van zaken
Wahn
noun
1. het lijden aan een geestesstoornis
Wahnsinn
Tollheit
/
ʋar/
adjective
1. correct
wahr
/
ʋar/
adverb
1. op welke plaats
wo
/
ʋar/
noun
1. koopwaar, te verhandelen goederen
Gut
noun
1. een geldbedrag of iets anders dat tijdelijk gegeven wordt als onderpand voor het geval men een verplichting niet na kan komen
Pfand
Kaution
/
ʋaːrt/
noun
A 1. baas van een herberg, taveerne of café
Wirt
verb
- 1. op waarde schatten
- 2. op prijs stellen
schätzen
noun
1. het hechten van een waarde aan iets of het tonen daarvan
Achtung
/
'ʋardəˌvɔl/
adjective
1. een grote waarde hebbend
wertvoll
/
'ʋar.dəx/
adjective
1. op een wijze die in overeenstemming met het eergevoel is
würdevoll
noun
1. dat wat waar is
Wahrheit
verb
1. tot een realiteit maken
wahr machen
wahrmachen
noun
1. een teken aanbrengen dat de echtheid of geldigheid van iets aangeeft
beglaubigen
verb
1. iets via de zintuigen in zich opnemen
wahrnehmen
beobachten
noun
1. iets via de zintuigen registreren
Wahrnehmung
/
ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
warum
wieso
weshalb
adjective
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
wahrscheinlich
wohl
/
ˈʋaːrsxyu̯ə(n)/
verb
1. iemand verwittigen dat er mogelijke gevaren, problemen of gevolgen zijn
warnen
/
'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
Warnung
Verwarnung
noun
1. een schot ter waarschuwing
Warnschuss
adverbialPronoun
- 1. vragend: uit wat?
- 2. betrekkelijk: uit wat
woraus
adverbialPronoun
- 1. vragend van wat?, van welk?
- 2. betrekkelijk van wat, van hetwelk
wovon
noun
1. het voorspellen van de toekomst langs magische weg
Wahrsagen
noun
- 2. mat, witachtig laagje op sommige fruitsoorten
Reifbelag
- 1. nevelsluier
Schleier
/
ʋɑxt/
noun
- 2. een tijd waarin men de taak heeft iets te bewaken
Wache
- 3. een plaats waar men waakt
Wache
Wachlokal
- 4. een groep die tot taak heeft iets te bewaken
Wache
Wachmannschaft
- 1. iemand die tot taak heeft iets te bewaken
Wache
Wächter
- iets in de wacht slepen
bekommen
ergattern
/
ˈʋɑx.tə(n)/, /
ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
warten
noun
1. ruimte of vertrek voor wachtenden, bijvoorbeeld bij een arts of op een station
Wartezimmer
Warteraum
/
ˈʋɑxtlɛɪst/
noun
1. een lijst met wachtenden
Warteliste
noun
1. een aantal elementen die in een bepaalde volgorde op een gebeurtenis wachten
Warteschlange
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
Passwort
Kennwort
noun
1. een bij eb droogvallend buitendijks gebied
Watt
noun
1. een ondiep deel van de Noordzee tussen het vasteland en de reeks eilanden van Texel tot Rømø
Watt
pronoun
1. een binnenzee die aan de ene kant grenst aan de Waddeneilanden en de Noordzee en aan de andere kant begrensd wordt door het vasteland van Nederland, Duitsland en Denemarken
Wattenmeer
verb
1. door ondiep water lopen
waten
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saarland
Wadern
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Saarland
Wadgassen
verb
1. een tocht te voet maken door gebied dat alleen bij laagwater begaanbaar is
Wattlaufen
Wattwandern
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
wau
wuff
rawau
noun
1. plat gebak dat vervaardigd wordt in een wafelijzer
Waffel
noun
1. een toestel waarin wafels gebakken worden
Waffeleisen
/
ˈʋaːɣə(n)/, /
ˈʋaːχə(n)/
noun
2. een auto
Wagen
Auto
/
ˈʋaːɣə(n)/, /
ˈʋaːχə(n)/
verb
1. een poging ondernemen
wagen
noun
1. reisziekte
Reisekrankheit
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Waghäusel
/
ʋa'ɣɔn/
noun
1. een voertuig dat deel uitmaakt van een trein
Waggon
wagon
/
waɣɔˈnɛtə/
noun
1. open rijtuig met vier geveerde wielen, waarin de passagiers achter koetsier op twee banken...
Kutschwagen
Wagonette
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Waiblingen
/
ˈwa.kə(n)/, /
ˈʋa.kə(n)/, /
ˈβ̞a.kə(n)/
verb
- 2. wakker zijn
wach sein
- 1. opzettelijk wakker zijn
- 4. letten op, beschermen
wachen
adjective
1. niet in slaap
wach
noun
- 4. vetophoping onder de onderste oogleden
Augenring
- 2. aarden verhoging als verdediging tegen een overstroming
Damm
Deich
- 3. het vaste land in tegenstelling tot het boord van een schip
Ufer
- 1. aarden verhoging als verdediging tegen een vijand
Wall
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Waldbröl
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Waldenbuch
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Waldkraiburg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Waldshut-Tiengen
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
Wales
noun
1. een sterke weerzin die fysiek gevoeld wordt
Abscheu
Ekel
pronoun
1. Germaanse strijdgodin
Walküre
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Walldürn
/
ʋɑˈlonɪə/
pronoun
Wallonien
Wallonie
/
wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
Walross
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
Wal
pronoun
1. zeehaven in Namibië
Walfischbucht
Walfischbai
Walfischbay
Walvis Bay
noun
1. een misdaad, een slechte of gruwelijke handeling
Untat
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Scheitelbein
/
ˈʋɑn.dəɫ.ˌbrʏχ/, /
ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌbrʏx/
noun
1. een brug waarover men kan lopen, maar die men niet met grotere voertuigen kan oversteken
Fußgängerbrücke
/
ˈʋɑn.də.lə(n)/, /
ˈβ̞ɑn.də.lə(n)/
verb
1. een wandeling maken
wandern
/
ˈwɑndələnt/
adjective
- wandelende tak
Gespenstschrecke
Rosa geflügelte Stabschrecke
- wandelende takken
Gespenstschrecken
- wandelende nier
Senkniere
Wanderniere
- wandelend geraamte
wandelndes Gerippe
- wandelend woord
wandelndes Lexikon
- 1. zich te voet voorbewegend, zich verplaatsend
wandernd
/
ˈʋɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het lopend afleggen van een bepaalde afstand
Wanderung
/
ˈʋɑn.dəɫ.ˌsχun/, /
ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌsxun/
noun
1. een schoeisel dat speciaal geschikt is om grote wandelingen mee te maken
Wanderschuh
Bergschuh
/
ˈʋɑn.dəɫ.ˌstɔk/, /
ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌstɔk/
noun
1. stok die dient als steun bij het wandelen en beschermt tegen vallen
Spazierstock
/
ˈʋɑn.dəɫ.ˌtɔχt/
noun
1. een lange wandeling
Wanderung
/
ˈʋɑn.dəɫ.vɐ.ˌkɑn.tsi/
noun
1. een vakantie waarin men voornamelijk wandelt, waarschijnlijk om van de ene overnachtingsplek naar de volgende te komen
Wanderurlaub
verb
1. zich iets inbeelden wat niet waar is
wähnen
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
Wange
Backe
/
'ʋɑn.χə.drɑx/
noun
1. gedrag dat tegen de regels van het fatsoen ingaat
slechte Führung
/
ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
Verzweiflung
/
'wɑŋkəl/
adjective
1. wat niet stevig staat
wackelig
verb
1. onvast op de voeten staan, dreigen te vallen
schwanken
torkeln
/
ˈʋɑŋkəɫˌmotɔr/
noun
1. een verbrandingsmotor die niet met heen en weer gaande zuigers werkt, maar met een roterende zuiger.
Wankelmotor
noun
Rotationsworfelmaschine
/
ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
wann
wenn
/
ʋɑ.ˈneːr/
conjunction
1. op het moment dat
wenn
verb
1. graan zuiveren van kaf door het in de wind op te werpen of te laten vallen
worfeln
windsichten
noun
1. een ongeregelde toestand met gebrek aan orde
Unordnung
noun
1. het niet nakomen van een overeenkomst
Vertragsbruch
Vertragsverletzung
/
ʋɑnt/
conjunction
1. geeft nevenschikkend een reden aan
denn
/
ʋɑnt/
noun
- 1. handschoen
Fäustling
- 2. scheepvaart
Want
Gut
/
ˈwɑn.tu.stɑnd/, /
ˈʋɑn.tu.stɑnt/, /
ˈβ̞ɑn.tu.stɑnt/
noun
1. een onacceptabel slechte situatie
Übelstand
verb
1. niet vertrouwen
misstrauen
/
rʌst/
noun
2. bevestigingspunt voor het want
Rüste
noun
1. een spanner waarmee een stag van het want op een zeilboot, op de gewenste spanning wordt gebracht
Wantenspanner
/
ˈʋaːpən/
noun
- 1. een werktuig van geweld
Waffe
Wappen
- 2. een wapenschild
Wappen
Waffe
noun
1. een internationale sanctie waarbij een partij geen wapens kan aankopen
Waffenembargo
noun
1. een fabriek of werkplaats waar men wapens maakt
Waffenfabrik
noun
1. een korte tekst die de bedoeling van iets weergeeft
Motto
Wappenspruch
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
Waffenstillstand
/
ˈwapə(n)ˈvɛrkop/
noun
1. de handel in wapen en toebehoren
Waffenverkauf
verb
1. snel heen en weer bewegen
flattern
wehen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Warburg
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
- 2. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Warendorf
noun
1. een antistollingsmiddel
Warfarin
/
ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
warm
/
ʋɑrmˈbludəx/
adjective
- 3. temperamentvol
heißblütig
- 1. de eigen lichaamstemperatuur regulerend
warmblütig
noun
1. bladgewas Beta vulgaris
Mangold
noun
- 1. de mate waarin het weer warm is.
- 2. de hoeveelheid thermische energie.
Wärme
Hitze
noun
1. een thermische centrale waarbij de restwarmte ook wordt gebruikt.
Heizkraftwerk
noun
1. installatie voor centrale warmtevoorziening
Heizkraftwerk
noun
1. een verwarmingsinstallatie die via mechanische arbeid warmte onttrekt aan een koude omgeving en deze toevoert aan een warmere omgeving
Wärmepumpe
noun
Wärmeübertrager
Wärmetauscher
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Warschau
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Warstein
/
ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
Wachs
/
ˈʋɑsbɑk/
noun
1. een bassin waarin gewassen kan worden
Waschbecken
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
Waschbär
noun
1. Nyctereutes procyonoides, een zoogdier en roofdier uit de familie Canidae
Marderhund
noun
- geribbeld bord waarop men de was kan doen
Waschbrett
- sterk gespierde buik
Waschbrettbauch
noun
1. een toestel om de kleding die uit de wasmachine komt te drogen
Trockner
Wäschetrockner
verb
1. condenserende stoom of vocht afgeven
dampfen
/
ˈwɑs.knɛɪ̯.pər/, /
ˈʋɑs.knɛɪ̯.pər/, /
ˈβ̞ɑs.knɛː.pər/
noun
1. een knijper die gemaakt is van hout of plastic om nat wasgoed aan een waslijn te klemmen
Wäscheklammer
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
Waschmaschine
noun
1. zeep in een vorm om kleding en ander textiel in water te reinigen
Waschmittel
/
'ʋɑsə(n)/
verb
- 2. zichzelf schoonmaken
sich waschen
spülen
- 3. groeien
wachsen
- 1. iets schoonmaken
waschen
spülen
noun
1.
Mondsichel
zunehmender Mond
pronoun
1. een plaats in Luxemburg
Wasserbillig
noun
1. een plaats waar men kleding en textiel kan (laten) wassen (zonder personeel)
Waschsalon
noun
1. een bak waarin men zich of iets wast
Waschbecken
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Wasungen
/
ʋɑt/
interrogativePronoun
vragend voornaamwoord
was
phraseologicalUnit
1.
Wie heißen Sie?
Wie heißt du?
/
ˈʋaːtər/
noun
boven water komen
auftauchen
noun
1. beschikbaar komen van water voor bepaalde doelen
Wasserzufuhr
adjective
1. & 2.
wässerig
wäßrig
noun
1. een ondergrondse waterstroom
Wasserader
adjective
1. geen aantrekkingskracht vertonend ten opzichte van water
wasserabstoßend
wasserabweisend
noun
1. een constructie om water naar een bepaalde plek te geleiden
Wasserabfluss
noun
1. de balans tussen de opname en afgifte van water
Wasserbilanz
noun
1. het in of op het water uitgevoerd ballet
Wasserballet
noun
1. een bed waarvan het matras gevuld is met water
Wasserbett
noun
1. met water gevuld bekken
Wasserbecken
adjective
Wasserblau
wasserblau
noun
1. ontwerp, bouw en onderhoud van waterstaatkundige bouwwerken
Wasserbau
noun
1. wetenschap die zich richt op ontwerp en beheer van waterbouwkundige werken
Wasserbau
noun
1. Bubalus bubalis, een tot de runderen behorend trekdier...
Wasserbüffel
noun
1. kasteel op een eiland of tussen grachten
Wasserburg
noun
1. een toiletpot met waterspoeling
Toilette
adjective
1. ondoordringbaar voor water
wasserdicht
wasserfest
/
ˈʋatərˌdrʏpəɫ/
noun
1. kleine hoeveelheid water die bolvormig is wanneer hij ergens ligt / vrij valt en die...
Wassertropfen
/
ˈʋaːtərən/
verb
1. urine uitscheiden
harnen
urinieren
noun
1. een vaartuig met een aandrijving zoals op fietsen waarmee men zich over het water kan voortbewegen door middel van het trappen op pedalen
Tretboot
/
ˈwatərˌɣlɑtɦɛɪ̯t/, /
ˈʋatərˌχlɑtɦɛɪ̯t/, /
ˈβ̞atərˌɣlɑtɦɛːt/
noun
1. verschijnsel waarbij een dunne waterfilm ontstaat.
Aquaplaning
Wasserglätte
noun
1. een drinkglas voor water
Wasserglas
noun
2. een haargolving die kunstmatig is aangebracht
Wasserwelle
noun
- 1. benaming voor watervogels uit het geslacht Gallinula
Teichhun
- 1.1 bepaald soort watervogel, Gallinula chloropus
Teichralle
Teichhuhn
noun
1. ijs gemaakt op basis van water / vruchtensap / stroop
Fruchteis
noun
1. een dier dat behoort tot een van honderden soorten van de Coenagrionidae
Libelle
Wasserjungfer
noun
1. apparaat dat een zeer sterke straal water kan produceren
Wasserwerfer
noun
1. daar waar land ophoudt en een water, zoals beek, rivier, meer of kanaal begint
Ufer
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Rorippa
Brunnenkresse
noun
1. ketel waarin men water kan warmen of koken
Wasserkessel
noun
1. een leidingnetwerk om drinkwater vanuit een waterreservoir naar de verbruiker te vervoeren
Wasserleitung
/
ˈwatərˌlɛin/
noun
- 2. de grens tussen onderwaterschip en bovenwaterschip
Wasserlinie
- 1. de grens tot waar het water komt
Wasserzeichen
pronoun
1. gemeente en plaats in Waals-Brabant
Waterloo
noun
1. een - min of meer - lijnvormig watervoerend object met vrij wateroppervlak
Wasserlauf
noun
1. dunne, snelgroeiende loot aan een oude tak of aan de stam van een boom
Wasserreis
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
Wassermann
/
ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
Wassermelone
noun
Wasserzähler
Wasseruhr
/
ˈʋa.tər.ˌmɛɪ̯n/, /
ˈβ̞a.tər.ˌmɛːn/
noun
1. zeemijn, drijvende bom die bij contact met een schip ontploft
Seemine
noun
2. een molen die door stromend water aangedreven wordt
Wassermühle
noun
bepaald soort eenjarige waterplant met eetbare knollen, Trapa natans
Wassernuss
/
ˈʋa.tər.o.ˌpaɫ/, /
ˈβ̞a.tər.o.ˌpaɫ/
noun
1. een witte veldspaat, veelal schelpvormig
Adular
Mondstein
noun
1. Elodeo sp.
Wasserpest
noun
1. een stoomketel waarbij de hete rookgassen over met water gevulde pijpen geleid worden
Wasserrohrkessel
noun
1. pistool waaruit een straal water kan spuiten
Wasserpistole
noun
1. ondiep, stilstaand waterbekken van geringe omvang
Wassertümpel
noun
2. goedaardige infectieziekte die gepaard gaat met het verschijnen van rode vlekjes op de huid die daarna overgaan in jeukende blaasjes
Windpocken
noun
1. politie die waakt voor de orde en veiligheid te water
Wasserschutzpolizei
noun
1. een balsport waarbij twee ploegen van zeven spelers elkaar in het water bestrijden
Wasserball
noun
1. werktuig om water te verplaatsen
Wasserpumpe
noun
1. platte grijptang met verstelbaar scharnier
Wasserpumpenzange
noun
1. put waaruit men water haalt
Brunnen
noun
1. een schoepenrad dat draait door de stroming van het water
Wasserrad
noun
1. bepaald soort watervogel, Rallus aquaticus
Wasserralle
noun
- 1. grote halfaquatische woelmuis
Ostschermaus
große Wühlmaus
- 2. iemand die dol is op zwemmen
Wasserratte
noun
1. ski voor het waterskiën
Wasserski
verb
1. zich op waterski's achter een snelle boot laten voorttrekken
Wasserski fahren
noun
- 2. dier
Wasserschlange
- 1. sterrenbeeld
Wasserschlange
Hydra
- 3.gereedschap
Wasserschlauch
noun
1. in Nederland en Vlaanderen voorkomende soort waterjuffer, Enallagma cyathigerum
Gemeine Becherjungfer
noun
1. wateroppervlak, bovenste grensvlak van het water
Wasserspiegel
noun
1. Argyroneta aquatica, middelgrote spin die in stilstaande wateren leeft
Wasserspinne
Silberspinne
noun
1. sport die in of op het water uitgeoefend wordt
Wassersport
noun
1. beoefenaar van een watersport
Wassersportler
noun
1. vrouwelijke beoefenaar van een watersport
Wassersportlerin
noun
1. hoogte van het water in een rivier, zee of ander water
Wasserstand
Pegelstand
/
ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
Wasserstoff
Hydrogen
Hydrogenium
noun
1. een atoom van het chemisch element waterstof.
Wasserstoffatom
noun
Wasserstoffbrückenbindung
noun
1. een molecule met de formule HCN en het giftige gas dat uit deze deeltjes bestaat
Cyanwasserstoff
Cyanwasserstoffsäure
noun
1. scheikundige term voor verbinding van waterstof en fluor (HF)
Fluorwasserstoff
noun
1. middel dat gebruikt kan worden om te bleken, als desinfectiemiddel of als verbrandingshulp (in raketten)
Wasserstoffperoxid
noun
1. verbinding van twee waterstofatomen en één zwavel atoom, de formeel juiste benaming is diwaterstofsulfide
Wasserstoffsulfid
noun
1. een toren die zorgt voor een gelijkmatige waterdruk in het waterleidingnet
Wasserturm
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
Wasserfall
Katarakt
noun
1.
Aquarellfarbe
Wasserfarbe
noun
Gewässerverschmutzung
Gewässerverunreinigung
noun
Gewässerverschmutzung
Gewässerverunreinigung
noun
1. wateroppervlak, bovenste grensvlak van het water
Wasserspiegel
noun
1. een vliegtuig dat kan opstijgen en landen op het water
Wasserflugzeug
noun
1. apparaat dat een zeer sterke straal water kan produceren
Wasserwerfer
noun
1. een knaagdier
Capybara
Wasserschwein
noun
1. een stukje ongesponnen katoen of synthetische vervanging daarvan
Wattebausch
noun
1. plukje watten bevestigd op een houten of plastic stokje, gebruikt voor bepaalde medische doeleinden...
Wattestäbchen
verb
1. opvullen met watten
wattieren
noun
1. vermogensmeter
Leistungsmesser
Wattmeter
/
ʋese/
noun
1. toilet
Toilette
noun
1. een digitale videocamera die via het internet beelden en geluid verstuurt
Webcam
noun
1. iemand die een website ontwerpt en/of beheert
Webmaster
noun
1. computerprogramma
Webserver
noun
1. plaats waar zich informatie bevindt op het internet, aangeduid met een URL
Webseite
verb
1. levensmiddelen conserveren door na kokend te steriliseren luchtdicht af te sluiten
einwecken
noun
1. fles waarin levensmiddelen geweckt en bewaard worden
Weckglas
verb
1. geld wagen op een toekomstige gebeurtenis
wetten
noun
1. een werkwoord waarbij de handelende persoon tevens het voorwerp van de handeling is
reflexives Verb
noun
1. periode waarin de oorlogsschade door de Tweede Wereldoorlog werd hersteld
Wiederaufbau
/
ˈwedərˈvɛrkop/
noun
1. de inkoop van waren in 't groot en de verkoop van deze waren in 't klein
Wiederverkauf
verb
wetteifern
konkurrieren
noun
1. een strijd van twee of meer personen om uit te maken wie op een bepaald gebied de beste is
Wettstreit
Spiel
/
ˈʋeːdyʋə/
noun
vrouw
Witwe
/
'ʋedyʋnar/
noun
man
Witwer
/
ʋeː/
interjection
1. uitroep van groot verdriet
wehe
/
ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
Webstuhl
noun
1. elk van de horizontaal tussen de wanten van een zeilschip gespannen touwen
Webleine
noun
- 2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
- 1. een dunne geweven stof of textiel
Gewebe
pronoun
teken van de dierenriem van 23 september to 23 oktober
Waage
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
Waage
/
wek/, /
ʋek/, /
β̞ek/
adjective
1. slap
weich
/
wek/, /
ʋek/, /
β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
Woche
Kalenderwoche
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
Wochenende
/
ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
Wochenende
noun
1. gevoel van treurnis, verdriet, nostalgie
Wehmut
adjective
1. lichtdroevig gestemd
wehmütig
/
weːr/, /
ʋɪːr/, /
β̞eːr/
adverb
1. nog een keer
wieder
/
weːr/, /
ʋɪːr/, /
β̞eːr/
noun
- 1. atmosferische gesteldheid
Wetter
Witterung
- 1. hamel, gesneden ram
Hammel
Schöps
- 2. spocht, vochtstip
Stockfleck
- 1. visweer
Fischwehr
- 1. feodaal recht op de heerschappij over een vastgoed
Gewere
noun
1. waarschuwing van een meteorologisch instituut bij extreme
Unwetterwarnung
noun
1. bericht of mededeling over de toestand van het weer
Wettervorhersage
Wetterbericht
noun
1. het opnieuw afbeelden, weergeven van iets dat eerder is opgenomen
Darstellung
/
'ʋɪːrɦan/
noun
Wetterhahn
verb
1. beletten om iets te doen
zurückhalten
noun
1. kaart van een bepaald gebied waarop de weerssituatie is weergegeven
Wetterkarte
noun
- 1. het weerkaatsen
Reflexion
- 2. datgene wat weerkaatst wordt (licht, beeld, warmte of geluid)
Widerschein
Spiegelung
Widerhall
/
ʋerˈkɵndəx/, /
ʋerˈkʏndəç/
adjective
1. betrekking hebbend op de weerkunde
meteorologisch
noun
1. iemand die beroepsmatig het weer bestudeert
Meteorologe
verb
1. een eerdere bewering ontkrachten
widerlegen
noun
1. een betoog waarmee men iets weerlegt
Widerlegung
noun
1. plicht om in geval van conflicten...
Wehrpflicht
verb
1. stand houden, weerstand bieden aan
widerstehen
noun
- 3. een elektronica-onderdeel
- 2. de tegenstand die een stroom in een geleider ondervindt
- 1. een reactie die poogt een bepaalde actie tegen te werken
Widerstand
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
Werwolf
noun
1. sterke afkeer
Widerwille
adjective
1. waar je een weerzin tegen hebt
widerlich
ekelerregend
/
ˈʋeshœʏs/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
Waisenhaus
/
ˈʋesjɔŋə(n)/
noun
1. een jongen van wie beide ouders overleden zijn
Waisenjunge
/
ˈwes.mɛɪ̯.ʃə/, /
ˈʋes.mɛɪ̯.ʃə/, /
ˈβ̞es.mɛː.ʃə/
noun
1. een meisje van wie beide ouders overleden zijn
Vollwaise
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Weeze
/
ʋɛχ/, /
β̞ɛx/
noun
- 1. smalle strook grond voor het verkeer
Weg
- zijn weg vinden
zurechtfinden
/
'wɛxblɛivə(n)/
verb
1. niet daar zijn waar je verwacht wordt
stay off
wegbleiben
verb
- 1. iemand begeleiden bij het gaan van de ene naar de andere plaats
begleiten
- 2. iets brengen naar een andere plaats
wegbringen
noun
1. bepaald soort loofboom, Rhamnus cathartica
Purgier-Kreuzdorn
/
ˈʋeχə(n)/, /
β̞eɣə(n)/
verb
- 1. het gewicht/de massa bepalen
- 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
wiegen
wägen
/
ˈʋeːɣəns/, /
ˈʋeːχəns/
preposition
1. een reden inleidend
wegen
/
ˈwɛ.ɣaːn/, /
ˈʋɛ.χan/
verb
1. zich ergens vandaan begeven
weggehen
verlassen
verb
1. afstand nemen van iets door het aan iemand te geven
weggeben
verschenken
hingeben
verb
1. door graven verwijderen
abtragen
verb
1. van zijn plaats halen
wegnehmen
noun
1. de grond vlak naast een weg
Wegrand
verb
1. fysiek in steeds minder goede staat komen te verkeren
verkümmern
verschmachten
verb
1. rukkend wegnemen
wegreißen
wegrücken
verb
1. door geweld van zijn plaats gerukt worden
fortreißen
wegreißen
wegschlagen
verb
- een voertuig, e.d. van de openbare weg, vaar- of vluchtroute verwijderen
abschleppen
- door slepen iets of iemand verwijderen
wegschleppen
verb
- 1. iets helemaal uit mond in de slokdarm laten afdalen
- 2. (figuurlijk) zich over een negatief gevoel heenzetten
hinunterschlucken
runterschlucken
verb
1. iets elimineren door er een streep door te zetten
durchstreichen
/
'wɛxstyrə(n)/
verb
1. doen weggaan
fortschicken
wegschicken
/
'wɛxtekə(n)/
noun
1. steen of bord langs een weg waarop aangegeven is in welke richting een bepaalde plaats ligt en vaak hoe ver het is
Wegweiser
Wegzeichen
noun
1.
Bimmelbahn
Bummelzug
Minizug
Wegebahn
noun
1.
Straßenbeleuchtung
Wegbeleuchtung
/
ˈwɛxvliɣə(n)/, /
ˈʋɛχfliχə(n)/, /
ˈβ̞ɛxvliɣə(n)/
verb
- 2. heel snel en plotseling een plaats verlaten
davoneilen
- 1. vliegend een plaats verlaten
fortfliegen
- 3. een hoge verkoopsnelheid hebben
reißenden Absatz finden
/
ˈwɛxwɛrᵊpˌkaməra/
noun
1. fototoestel voor eenmalig gebruik
Einwegkamera
Wegwerfkamera
/
ʋɛɪ/
noun
- 2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
Molke
- 1. een stuk grasland voor begrazing door vee
Wiese
Weide
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
Weichsel
noun
1.
Gebänderte Prachtlibelle
verb
1. vee op een stuk grond laten grazen
grasen
weiden
/
'ʋɛɪfələ(n)/
verb
1. in besluiteloosheid niet tot handelen overgaan
schwanken
zögern
verb
1. niet voldoen aan een verzoek of opdracht
weigern
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
Ablehnung
Verweigerung
Weigerung
noun
1. zuivelproduct gemaakt uit de eiwitrijke en vetarme vloeistof die bij de bereiding van kaas uit de meer vaste bestanddelen overblijft
Molkenkäse
/
'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
Weide
Wiese
Trift
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Weilerswist
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Weinheim
/
ˈwɛɪ̯nɪx/, /
ˈʋɛɪ̯nəχ/, /
ˈβ̞ɛːnəx/
noun
- 1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
wenig
- 2. in een klein aantal
wenige
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Weinsberg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Weinstadt
/
ˈwe.kə.lɪks/, /
ˈʋe.kə.ləks/, /
ˈβ̞e.kə.ləks/
adverb
1. elke week
wöchentlich
/
ˈwe.kə(n)/, /
ˈʋe.kə(n)/, /
ˈβ̞e.kə(n)/
verb
1. door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
weichen
einweichen
/
ˈʋɛkər/
noun
1. een apparaat dat gebruikt wordt om de tijd bij te houden en een functie heeft die veel geluid produceert op een ingestelde tijd
Wecker
noun
1. dringende oproep
Auffordrung
/
ʋɛl/
adverb
- wel degelijk
durchaus
ganz bestimmt
sehr wohl
- 2. een toegeving makend
mag
wohl
- 3. een grote hoeveelheid benadrukkend
nicht weniger als
- 1. een ontkenning weerleggend
schon
wohl doch
noun
1. de kunst om iets goed te kunnen verwoorden
Eloquenz
Beredsamkeit
Redegewandtheit
noun
1. een goede daad voor iemand doen
Wohltat
/
ʋɛl'dra/
adverb
1. niet ver in de toekomst, spoedig
bald
adjective
1. financieel goed gesitueerd
wohlhabend
/
ˌʋɛləsˈʋar/
adverb
1. geeft een toegeving aan
zwar
allerdings
freilich
/
ʋɛlk/
relativePronoun
welcher
welche
/
ˈʋɛɫkɔm/
adjective
1. gewenst zijn te blijven
Willkommen
/
ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
Willkommen
willkommen
/
ʋɛˈlɪxt/
adverb
1. mogelijk, misschien
vielleicht
möglicherweise
eventuell
wahrscheinlich
adjective
wollüstig
lüsternd
noun
1. toestemming
Einverständnis
/
wɛlp/
noun
1. jong van hond, wolf, leeuw e.d.
Welpe
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
Walisisch
noun
1. een vrouwelijke inwoner van Wales
Waliserin
adjective
1.
walisischsprachig
verb
over ruime financiële middelen beschikkend
wohlhabend
noun
1. het welwillend zijn
Wohlwollen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Welzheim
/
'wɛlzɛin/
noun
1. wanneer een individu of maatschappij zich in een goede toestand bevindt ...
Wohl
Wohlbefinden
Wohlergehen
Wohlfahrt
Wohlsein
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
Wien
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
weinen
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
Augenbraue
noun
1. een bron die een wens kan vervullen.
Wunschbrunnen
/
ˈweː.ʁəlt/, /
ˈʋɪː.rɔɫt/, /
ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
Welt
noun
1. en 2. vuur dat de hele aarde vernietigt, algemene verwoesting en strijd, wereldoorlog
Weltenbrand
/
ˈweːrəlˌdeːl/, /
ˈʋɪːrəɫˌdeːɫ/, /
ˈβ̞eːrəlˌdel/
noun
1. een groot boven de zee uitstekend stuk droog land en de omringende eilanden die op hetzelfde continentale plat liggen
Erdteil
noun
1. geheel van activiteiten die de mensheid onderneemt om schaarste op te heffen
Weltwirtschaft
/
xxxx/
noun
1. uniek en als collectief bezit beschouwd cultureel of natuurlijk erfgoed
Welterbe
pronoun
Weltgesundheitsorganisation
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
Welthandelsorganisation
noun
1. persoon die of team dat tijdens een toernooi of competitie om de wereldtitel in een bepaalde tak van sport winnaar is
Weltmeister
/
ˈweː.rəld.ˌkam.pi.ˌjun.sxɑp/, /
ˈʋɪː.rəɫt.ˌkɑm.pi.ˌjun.sχɑp/, /
ˈβ̞eː.rəlt.ˌkɑm.pi.ˌjun.sxɑp/
noun
1. een kampioenschap waarin de besten van de wereld het tegen elkaar opnemen
WM
Weltmeisterschaft
noun
1. een staat die machtig genoeg is zijn invloed over de hele wereld te doen gelden
Weltmacht
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
Weltkrieg
noun
1. een tentoonstelling waaraan landen uit de wereld aan kunnen deelnemen
Weltausstellung
/
ˈweːrəlˌtɪtəl/, /
ˈʋɪːrɔɫˌtɪtɔɫ/, /
ˈβ̞eːrəɫˌtɪtəɫ/
noun
1. het recht zich wereldkampioen te noemen
Welttitel
adjective
1. onbekend buiten de eigen leefruimte
weltfremd
/
ˈweː.rəld.ˌzwɛr.vər/, /
ˈʋɪː.rɔɫt.ˌzʋɛr.vər/, /
ˈβ̞eː.rəɫt.ˌzβ̞ɛr.vər/
noun
1. een veelvoorkomende libel die de langst bekende migratieroute heeft van alle insecten
Wanderlibelle
/
wɛr(ə)f/
noun
1. een scheepswerf
Werft
/
ʋɛrk/
noun
- 1. dat wat gedaan moet worden
Arbeit
- 3. de plek waar men werkt, werkplek
Arbeitsplatz
Arbeit
- 2. beroep
Beruf
Arbeit
- 4. dat wat gemaakt is, kunstwerk
Werk
- hede, afval van vlas of hennep
Werg
Hede
noun
1 een dag waarop gewerkt wordt
Arbeitstag
Werktag
adjective
1. niet verbeeld
wirklich
/
'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
Wirklichkeit
Realität
adjective
1. niets doend, niets verrichtend, niet werkend
untätig
/
ˌwɛrkəˈloshɛit/
noun
2. geen baan hebben, betaald werk missen
Arbeitslosigkeit
/
ʋɛrkən/
verb
- 1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
arbeiten
- 2. functioneren, draaien
funktionieren
gehen
laufen
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
Arbeitgeber
Arbeitgeberin
noun
1. groep mensen die gezamenlijk een bepaald probleem aanpakt
Arbeitsgruppe
noun
1. de manier waarop iets werkt
Wirkung
/
ˈʋɛrkrɑxt/
noun
- 1. een persoon die gewoonlijk tegen betaling werk verricht
Arbeitskraft
Kraft
- 2. het vermogen om te werken
Energie
Leistungsfähigkeit
Tatkraft
/
wɛrkˈloshɛit/
noun
- 1. het werkloos zijn
- 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
Arbeitslosigkeit
noun
1. uitkering voor iemand die buiten zijn of haar schuld om werkloos is
Arbeitslosengeld
noun
Arbeitslosenversicherung
Arbeitslosigkeitsversicherung
noun
1.wettelijke regeling met betrekking tot werkloosheid
Arbeitslosengesetz
noun
1. een paard dat gehouden wordt om arbeid te verrichten
Arbeitspferd
noun
1. een stuk gereedschap om een taak eenvoudiger en/of lichter te maken
Werkzeug
noun
1.het ontwerpen, vervaardigen en in bedrijf houden van machines
Maschinenbau
/
wɛrəktœyxkʌndə/
noun
1. de leer van werktuigen
Mechanik
noun
- 1.dagen per week waarop er gewerkt wordt
- 2.het totaal aantal arbeidsuren per week
Arbeitswoche
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
Verb
Zeitwort
Tätigkeitswort
adjective
1. als werknemer bezig
tätig
beschäftigt
verb
- 2. (van zoogdieren) ter wereld brengen, baren
gebären
- 1. met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
werfen
noun
1. gewicht aan een touw
Lot
noun
1. bot van de wervelkolom
Wirbel
pronoun
1. grensdorp in Duitsland
Weseke
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
Wespe
noun
1. plotselinge sterke toenamen van het aantal wespen (Vespidae) op een bepaalde plaats
Wespeninvasion
noun
- 2. (figuurlijk) netelige situatie, waar men beter niet in verzeild raakt
- 1. door wespen gebouwd nest waar zij hun broed verzorgen
Wespennest
noun
1. een prik door een gewone wesp
Wespenstich
noun
1. een zeer smalle taille
Wespentaille
pronoun
1.
West-Berlin
Westberlin
pronoun
1. het westelijk deel van Europa
Westeuropa
noun
1. een inwoner van West-Euroa, of iemand afkomstig uit West-Europa
Westeuropäer
adjective
1. op West-Europa betrekking hebbend
westeuropäisch
/
wɛst'ɪndis/
adjective
1.
westindisch
/
ˈʋɛst nedərˌfrɑŋkis/
pronoun
1. de westelijke tak van het Nederfrankisch
Westiederfränkisch
pronoun
1. een provincie in Pruisen
Westpreußen
pronoun
1. een verzameling Vlaamse dialecten met typische kenmerken gesproken in West-Vlaanderen en een klein deel van Nederland en Frankrijk
Westflämisch
pronoun
1. Belgische provincie
Westflandern
/
ˈwɛstərlɪŋ/
noun
- 1. iemand uit het westen van het land
Wessie
- 2. iemand die in het Westen, de westerse wereld woont of daarvan afkomstig is
Westler
/
ʋɛs.tǝɾs/
adjective
1.
westlich
/
wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
Gesetz
phraseologicalUnit
Murphys Gesetz
/
ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
wissen
/
'ʋetənsxɑp/
noun
- 2. georganiseerde activiteit
- 1. het weten van de mens
Wissenschaft
/
,ʋetən'sxapələk/
adjective
wissenschaftlich
/
ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
Wissenschaftler
noun
Wissenschaftsphilosophie
noun
1. een specifiek domein binnen de wetenschap
Wissenschaftsgebiet
/
'ʋetənsχɑpsχəˈsχidəˌnɪs/, /
'β̞etənsxɑpsɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
Wissenschaftsgeschichte
noun
1. het geheel aan wetten die in een land gelden
Gesetzgebung
/
wɛtɔu(d)ər/
noun
1. een lid van het dagelijkse uitvoerende bestuur van een Nederlandse gemeente
Beigeordnete
noun
1. door de regering uitgaand voorstel tot wet
Gesetzesentwurf
/
ˈʋɛts.foːrˌstɛl/
noun
1. door het parlement uitgaand voorstel tot wet
Gesetzesentwurf
/
ˈwɛtələk/
adjective
- 2. tot de wet behorend
gesetzlich
- 1. in overeenstemming met de wet
legal
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Wetzlar
/
ˈweː.və(n)/, /
ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
weben
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
Wiesel
Mauswiesel
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
Whisky
noun
1. het verkrijgen van informatie door middel van bovennatuurlijke of niet wetenschappelijk aangetoonde middelen
Hellsehen
abbreviation
1. widia
Wolframcarbid
Widia
/
wiː/, /
ʋiː/, /
β̞iː/
relativePronoun
- 1. vragend voornaamwoord
- 2. betrekkelijk voornaamwoord
wer
interjection
degene die aan het eind het beste uit de strijd komt is de daadwerkelijke winnaar
wer zuletzt lacht, lacht am besten
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
Wiege
/
ˈwiɣə(n)/
verb
1. zachtjes heen en weer bewegen, gewoonlijk om een zuigeling in slaap te brengen
wiegen
/
ʋik/
noun
- 3. kaarsenpit
Docht
- 2. molenwiek
Flügel
noun
1. ronddraaiende schijf
Rad
noun
1. de afstand tussen de twee middelpunten van de voor- en achteras
Radstand
noun
1. deksel dat de naaf van een wiel afsluit
Radkappe
noun
1. de sport van het wielrennen
Radsport
/
'wiː.lə.wal/
noun
1. zwart-gele zangvogel
Pirol
noun
Autokralle
Parkkralle
Radkralle
noun
1. iemand die op hoge snelheid fietst in wedstrijdverband
Radfahrer
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk
Wiener Neustadt
noun
1. in water voorkomende vaatloze, plantachtige organismen
Alge
/
ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
Weihrauch
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Wiesensteig
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Wiesloch
noun
1. een metalen of houten voorwerp in de vorm van een driehoekig blok met een scherpe hoek van 5 to 20 graden
Keil
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Keilbein
adjective
1. vorm van een wig hebbend
keilförmig
noun
1. koepelvormig huis gebruikt door de Noord-Amerikaanse indianen
Wigwam
/
wɛɪ̯/, /
ʋɛɪ̯/, /
β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
wir
/
ˈʋixə(n)/
pronoun
Wijchen
/
wɛɪ̯d/, /
ʋɛɪ̯t/, /
β̞ɛːt/
adjective
weit
verb
1. geheel voor een bepaald doel bestemmen
widmen
weihen
/
ʋɛi̯k/
noun
1. een bewoond deel van een stad of een gemeente
Kiez
Stadtteil
Viertel
Ortsteil
Stadtviertel
Bezirk
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
weil
/
wɛɪ̯n/, /
ʋɛɪ̯n/, /
β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
Wein
noun
1. azijn uit wijn bereid
Weinessig
noun
1. Japanse wijnbes
japanische Weinbeere
rotborstige Himbeere
noun
het verbouwen van druiven voor de productie van wijn
Weinbau
noun
1. een druif die wordt gebruikt om wijn van te maken
Weintraube
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om wijn uit te drinken
Weinglas
noun
1. een lijst waarop men de wijnen die te verkrijgen zijn in een restaurant, wijnhuis, enz... vermeldt in soorten, jaartallen en prijzen
Weinkarte
noun
1. het inzamelen van de druiven voor het maken van wijn
Weinernte
/
ˈʋɛi̯n.stɔk/
noun
1. klimplant waaraan druiven groeien
Weinrebe
/
wɛɪ̯s/, /
ʋɛɪ̯s/, /
β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
weise
noun
1. gerijpt inzicht
Weisheit
/
ˈʋɛɪsnøs/, /
ˈβ̞ɛːsnøs/
noun
1. iemand die meent alles beter te weten dan anderen
Klugscheißer
Schlaumeier
noun
1. tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
Zeigefinger
/
ˈʋɛi.tɪŋ/
noun
1. bepaald soort straalvinnige vis, Merlangius merlangus
Wittling
Merlan
noun
1. gewijd water
Weihwasser
/
ˈʋɛɪʋatərˌvɑt/
noun
1. een meestal aan de muur van een kerk bevestigd vat met water waarmee gelovigen zich besprenkelen
Weihwasserbecken
verb
1. zodanig aan iets werken dat het anders wordt
ändern
verändern
noun
1. verandering in een regel, document, wikipagina enz
Änderung
/
ʋɪkifiˈsɪːrə(n)/
verb
1. een tekst aanpassen aan het wikisysteem
wikifizieren
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Wikipedia
/
ˈwɪkə/
noun
1. (plantkunde) naam voor planten uit het geslacht Vicia
Wicke
/
ˈwikʃoˌnɛri/, /
ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
Wikiwörterbuch
Wiktionary
/
ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
Wille
adjective
3. onbeschaafd, bruusk
wild
noun
- 3. vlees van een wild dier
- 1. dieren die niet onder menselijke beheersing zijn opgegroeid
Wild
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
Wildschwein
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
- 2. een gemeente in de Duitse deelstaat Mecklenburg-Voor-Pommeren
- 3. een gemeente in het Zwitser kanton Zürich
Wildberg
noun
1. iemand zonder beschaving
Wilde
noun
1. (onevenhoevigen) Equus africanus
Wildesel
noun
1. Lycaon pictus, een zoogdier en roofdier uit de orde Carnivora dat veel op een hond lijkt ...
Afrikaner Wildhund
noun
3. graan van Zizania palustris, die worden gegeten als rijst
Wildreis
noun
1. een bosachtig gebied dat weinig door de mens geregeld is
Wildnis
verb
1. urineren buiten de deur
wildpinkeln
/
ˈwɪləm/, /
ˈʋɪləm/, /
ˈβ̞ɪləm/
pronoun
- 1. een jongensnaam
- 2. spelwoord voor de letter w
Wilhelm
/
ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
wollen
noun
1. onvermogen om te handelen, ook al weet je wat je moet doen
Willenlosigkeit
Abulia
noun
uiterste wilsbeschikking
letztwillige Verfügung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Wilsdruff
noun
2. discrepantie tussen de reële en de verklaarde wil waardoor het totstandkomen van wilsovereenstemming verhinderd wordt
Willensmangel
noun
1. bewust uitdrukking geven van de eigen wil
Willensäußerung
noun
- 2. verklaring waarin iemand aangeeft wat zijn wensen zijn rondom behandeling of levenseinde
Patientenverfügung
- 1. eenzijdige wilsuiting die gericht is op het tot stand brengen van rechtsgevolgen
Willenserklärung
/
xxxx/
noun
1. klein, tangachtig voorwerp om de bovenste wimpers mee om te buigen zodat ze gaan krullen
Wimpernzange
/
ʋɪnt/
noun
1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
Wind
/
ˈʋɪndə(n)/
verb
1. een draad of kabel draaiend op een as of klos aanbrengen
wickeln
winden
noun
1. molen die door de wind gedreven wordt
Windmühle
noun
1. een gebied waar windenergie gewonnen wordt met behulp van een aantal molens
Windpark
noun
1. een groep bij elkaar geplaatste windturbines
Windpark
noun
1. periode met geen of weinig wind
Windstille
Flaute
noun
1.
Windfahne
Wetterfahne
Windrichtungsgeber
noun
1. ronde open zak, meestal is de zak in het rood en wit, die de richting en de sterkte van de wind aangeeft
Windsack
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
Geschäft
Laden
noun
1. de daad van het stelen van goederen uit een winkel
Ladendiebstahl
noun
1. een overdekte gang met winkels aan alle kanten
Einkaufscenter
Einkaufspassage
Ladenzeile
noun
Ladenbesitzer
Geschäftinhaber
/
ˈwɪŋkəl.jʏˈfrɑu/
noun
1. een vrouw die beroepsmatig in een winkel, een supermarkt, een warenhuis of buiten werkt, met name klanten bedient, waren verkoopt of achter de kassa zit
Verkäuferin
Ladenangestellte
noun
1. een mand waarin de klanten van een supermarkt enkele lichte artikelen kunnen dragen
Warenkorb
noun
Einkaufsstraße
Geschäftsstraße
noun
1. een wagentje dat in winkels wordt gebruikt om tijdens het winkelen producten in te verzamelen
Einkaufswagen
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
Gewinner
Sieger
noun
1. een vrouwelijk persoon die een (wed)strijd in haar voordeel beslist
Gewinnerin
Siegerin
/
ˈwɪnə(n)/, /
ˈʋɪnə(n)/, /
ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
- 1. als beste partij uit een wedstrijd komen
- 2. iets verkrijgen voor een goede prestatie bij een wedstrijd
- 4. iemand bereid vinden zich ergens voor in te zetten
gewinnen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Winnenden
/
ʋɪnst/
noun
1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde
Gewinn
adjective
1. als een bezigheid meer opbrengsten oplevert dan kosten
gewinnbringend
/
ʋɪntər/
noun
1. seizoen
Winter
Winterzeit
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Winterberg
noun
1. winterdag
Wintertag
noun
1. klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,
Zaunkönig
/
ˈwɪntərmant/
noun
1. wintermaand
Wintermonat
noun
1. winternacht
Winternacht
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
Wintersonnenwende
adjective
1. typerend voor de winter
winterlich
noun
1. een toestand van hypothermie en inactiviteit bij sommige warmbloedige dieren in de winter
Winterschlaf
noun
1. de tijd zoals die geldt in de herfst- en wintermaanden, zonder dat de klok een uur vooruit is gezet
Winter
Winterzeit
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
Wintersonnenwende
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
Wintersonnenwende
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
Wintersonnenwende
/
ʋɪp/
noun
1. een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rust
Wippe
/
'ʋɪpə(n)/
verb
2. geslachtsgemeenschap hebben, paren
bumsen
treiben
/
ˈwɪpstul/
noun
1. zetel waarin je comfortabel voor- en achterover kunt schommelen
Schaukelstuhl
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
Wisent
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
Mathematik
adjective
launenhaft
flatterhaft
sprunghaft
unbeständig
/
ʋɪsəl/
noun
- 2. handelspapier voor de overdracht van geld
Wechsel
- 1. speciale constructie in een spoorweg om een voertuig naar een ander spoor te leiden
Weiche
noun
wisselkoers
Wechselkurs
noun
1. een elektrische spanning die afhankelijk van de tijd van teken wisselt
Wechselspannung
noun
1. wisselstroom
Wechselstrom
adjective
1. een andere toon voortbrengend bij in- en uitblazen
wechseltönig
verb
1. het niet meer laten bestaan van
löschen
noun
1. iets van weinig betekenis, kwestie die eenvoudig op te lossen is
Lappalie
Bagatelle
/
ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
weiß
weiss
Weiß
/
wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /
ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /
β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
Weißrussland
Belarus
/
ˌwɪtˈrʏsɪs/, /
ˌʋɪtˈrʏsis/, /
ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
Weißrussisch
belarussisch
adjective
1.
weißrussischsprachig
noun
1. fijn tarwebrood
Weißbrot
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Lagenorhynchus acutus
Weißseitendelfin
adjective
Weißgrün
weißgrün
noun
1. loof van met dat doel in het donker geteelde varianten van cichorei, Cichorium intybus var. foliosum
Chicorée
noun
witte wijnazijn met toegevoegde druivenmost
weißer balsamico Essig
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
Gründonnerstag
Weißer Donnerstag
noun
1. Carcharodon carcharias, de bekendste en de meest gevreesde haai
Weißen Hai
noun
1. zangvogel (Motacilla alba)
Bachstelze
noun
1. gepelde en gepolijste rijst
weißer Reis
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
Weißwein
noun
1. en 2. (bladeren van) sluitkoolgewas dat lichtgroen tot wit van kleur is
Weißkohl
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Brandenburg
Wittenberge
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Wittlich
/
we.ˈka/, /
ʋe.ˈka/, /
β̞e.ˈka/
noun
1. een kampioenschap waarin de besten van de wereld het tegen elkaar opnemen
WM
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
Wodka
/
ˈʋudə/
noun
1. een gevoel van erge kwaadheid
Wut
verb
1. met veel geweld gaande zijn van een natuurverschijnsel
wüten
/
'ʋudənt/
adjective
1. bijzonder boos
wütend
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
wau
wuff
rawau
noun
1. iemand die woeker drijft
Wucherer
Kredithai
Halsabschneider
noun
1. klein, gravend, muisachtig knaagdier met stompe snuit
Wühlmaus
noun
1. grote halfaquatische woelmuis
Ostschermaus
große Wühlmaus
/
ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
Mittwoch
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
Wüste
noun
1. titel voor bestuurder of legeraanvoerder in Slavische gebieden
Woiwode
/
ˈvɔɪ̯vɔtsxɑp/
noun
1. naam voor bepaalde bestuurlijke gebieden in Oost-Europa
Woiwodschaft
/
ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
Wolle
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Wolf
/
wɔlf/, /
ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
Wolf
Wölfin
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
Wolfram
/
ˈwɔlᵊfsbʏrᵊx/
pronoun
1.
Wolfsburg
noun
1. sporenplant van het geslacht Lycopodium
Bärlappe
Drudenfuß
Schlangenmoos
Wolfsfuß
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
Wolke
Schleier
/
ˈwɔl.kə.ˌlos/, /
ˈʋɔɫ.kə.ˌlos/, /
ˈβ̞ɔɫ.kə.ˌlos/
adjective
1. zonder wolken
wolkenlos
/
ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /
ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /
ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
Wolkenkratzer
Hochhaus
noun
1. aaneengesloten bewolking over de gehele hemel
Wolkendecke
Wolkenschicht
/
wɔlə(n)/
adjective
1. gemaakt van wol
wollen
noun
1. oud Oostenrijks-Hongaars varkensras met in de winter een lang krullend haarkleed
Mangalitza
Schafschwein
Wollschwein
/
wɔlˈvɪn/, /
ʋɔlˈvɪn/
noun
vrouwelijke wolf
Wölfin
/
wɔnd/, /
ʋɔnt/, /
β̞ɔnt/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
Wunde
/
ˈwɔn.də/, /
ˈʋɔn.də/, /
ˈβ̞ɔn.də/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
Wunde
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
Wunder
Mirakel
noun
1. Ricinus cummunis, een snelgroeiende boom van tropische oorsprong uit de wolfsmelkachtigen
Wunderbaum
adjective
1. opmerkelijk, ongewoon
wunderlich
wundersam
/
ˈwo.nə(n)/, /
ˈʋo.nə(n)/, /
ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
wohnen
noun
1. een doorgaans afgesloten constructie waarin men kan leven
Wohnung
noun
1. een woning die gebouwd is in het kader van de woningwet
Sozialwohnung
noun
1. Een huis, woning of (Vlaams) woonst is een bouwwerk waarin mensen kunnen wonen.
Wohnhaus
noun
1. een kamer ingericht om in te wonen en gasten te ontvangen
Wohnzimmer
noun
1. omgeving waarin men woont
Wohngegend
Wohnlage
Wohnumfeld
noun
1. een deel van een plaats dat voor het overgrote deel uit woonhuizen bestaat
Wohngebiet
Wohngegend
boligområde
/
ʋoːrt/, /
ˈʋʊːrt/, /
ˈβoːrd/, /
ˈβoːrt/
noun
- 1. mannetjeseend
Erpel
- 2. belofte
Ehrenwort
Wort
- 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
- 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
- 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
Wort
/
ˈwoːrtˌɑvbreːkɪŋ/, /
ˈʋo̝ːrtˌɑvbreɪ̯kɪŋ/, /
ˈβ̞oːrtˌɑvbreːkɪŋ/
noun
Worttrennung
noun
1. de semantische inhoud van een woord
Wortbedeutung
/
ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
Wörterbuch
/
ˈʋɔːrdə(n)ˌlɛɪst/
noun
1. een lijst bestaande uit woorden
Wörterverzeichnis
Wortliste
noun
Redeschwall
Wortschwall
noun
1. een stroom woorden
Wörterflut
noun
1. groep woorden die eenzelfde stam hebben
Wortfamilie
noun
1. de oorsprong en ontwikkeling van een woord
Wortherkunft
noun
1. categorie waarin bepaalde woorden naar gelang het grammaticale gebruik in onderverdeeld worden
Wortart
noun
1. lexicaal veld
Wortfeld
lexikalisches Feld
noun
1. persoon
Wortführer
Sprecher
Pressesprecher
noun
1. een vrouwelijk persoon die namens anderen spreekt
Sprecherin
Pressesprecherin
noun
1. volgorde van woorden in een zin
Wortfolge
/
ˈwɔrdə(n)/, /
ˈʋɔrdə(n)/, /
ˈβ̞ɔrdə(n)/
verb
- 1. vormt de lijdende vorm
werden
- 2. gaan zijn, zich ontwikkelen tot
werden
entstehen
noun
1. geschiedenis van het ontstaan en de groei van iets
Entstehungsgeschichte
/
ʋɔrm/
noun
1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
Wurm
noun
een hypothetische mogelijkheid binnen de ruimte-tijd
Wurmloch
adjective
1. door wormen aangevreten
wurmstichig
/
ʋɔrp/
noun
- 1. de handeling van het werpen van iets
- 2. het aantal jonge dieren dat een moederdier bij één dracht op de wereld zet
Wurf
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
Wurst
/
ˈʋɔrtəl/
noun
- 1. Groente peen
Karotte
Möhre
Mohrrübe
gelbe Rübe
- 3. Getal
Wurzel
- 2. Ondergronds gedeelte van een plant
Wurzel
Wurzeln
noun
Karottensuppe
Mohrrübensuppe
Möhrensuppe
Rüeblisuppe
noun
Karottenkuchen
Karottentorte
Mohrrübenkuchen
Möhrenkuchen
Rüeblitorte
pronoun
1. Finoegrische taal die door de Woten in Ingrië gesproken werd
Wotisch
Votisch
/
ʋʌːt/, /
ʋʌːut/
noun
1. groot bos
Wald
/
ʋʌʊ̯/, /
β̞ʌːβ̞/
noun
- A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
Milan
- B 1. bepaald soort plant, Reseda luteola
Färberwau
Färber-Wau
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
Rache
verb
- afkeuren, verwerpen
ablehnen
monieren
rügen
- juridisch
für befangen erklären
adjective
1. heel onvriendelijk
grausam
noun
1. bovenkant van de voet tussen tenen en enkel
Fußrücken
Spann
/
ˈvrɛi̯fklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
Frikativ
Reibelaut
noun
1. wrijfsteen
Reibstein
/
'ʋrɪŋən/
verb
- 1. met een draaiende beweging iets vervormen
- 3. in een beperkte ruimte bewegen door te draaien
wringen
zwängen
- 2. met uitoefening van enig geweld iets ergens in- of uithalen
zwängen
noun
1. wringijzer
Windeisen
noun
1. oorspronkelijk een rol van twee ineengedraaide repen stof, gevuld met haar of wol, aangebracht bovenop de helm om vijandelijke slagen te breken
Wulst
noun
1. een besmettelijk type coronavirus dat een ontsteking van de luchtwegen veroorzaakt, in december 2019 voor het eerst opgedoken in China
COVID-19
Coronavirus
/
wœyvə/
verb
- 2. heen en weer buigen, zwenken
wiegen
- 1. een groet brengen door met de handen te zwaaien
winken
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
Großer Brachvogel
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Wunstorf
verb
1. iets of iemand vermoorden door het dichtknijpen van de keel
erwürgen
würgen
noun
1. een tang waarmee de hulsjes van kabelschoenen aan elektriciteitssnoeren en kabels worden vastgeknepen
Crimpzange
pronoun
1. West-Germaanse taal die in het de Poolse plaats Wilamowice wordt gesproken
Wilmesaurisch
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Tirol
Wörgl
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Wülfrath
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Wüstenrot
noun
1. de vierentwintigste letter van het alfabet
x
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar binnen gericht zijn.
X-Beine
/
ˈɪkstralə(n)/
noun
1. röntgenstraling
X-Strahlen
/
ksɑnˈtinə/
noun
1. een organische stof die in vlees, urine en andere dierlijke stoffen voorkomt
Xanthin
pronoun
2. spelwoord voor de letter x
Xanthippe
/
ksɑnˈtɪpə/
noun
1. een boosaardige en kijfachtige vrouw
Xanthippe
/
ˌksenokraˈsi/, /
ˌksenokraˈtsi/
noun
1. een heerschappij van vreemdelingen
Xenokratie
/
ksenofɪˈli/
noun
1. het welgezind zijn jegens vreemdelingen of buitenlanders
Xenophilie
/
ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
Xenophobie
noun
1. kruisbestuiving
Xenogamie
/
ksenoˈɣraf/, /
ksenoˈχraf/
noun
1. een deskundige betreft het schrift van vreemde talen
Xenograph
/
ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
Xenon
/
ˈksenotrɑnsplɑnˌtatsi/
noun
1. een transplantatie van dierlijke organen bij de mens
Xenotransplantation
/
ˈɣɪːrəs/
noun
1. sherry, een witte Spaanse wijn uit Jerez de la Frontera
Jerez
/
ˈɣɪːrəsˌʋɛin/
noun
1. sherry, een witte Spaanse wijn uit Jerez de la Frontera
Jerezwein
/
ˌksɪːroˈdɛrma/
noun
1.
Xeroderma
/
ˌksɪːroɣraˈfi/
noun
1. een droge, niet-chemische en fotografische methode die gebaseerd is op elektrostatische aantrekkingsverschijnselen
Xerographie
/
ˈksɪːrɔks/
noun
1. een fotokopie die gemaakt is door middel van xerografie
Xerokopie
/
ˈksɪːrɔksə(n)/
verb
1. kopieën maken volgens het systeem van de xerografie
xerokopieren
/
ˈkoːsa/
pronoun
1. een taal die in Zuid-Afrika gesproken wordt
IsiXhosa
/
ˈɛkstəsi/
noun
1. de afkorting voor ecstasy, een hallucinerende drug
XTC
/
ksiˈlen/
noun
1. een oplosmiddel voor stoffen als lak en rubber
Xylol
/
ˌksiliˈtɔl/
noun
1. een zoetstof die bereid is door hydrogenatie van xylose
Xylitol
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
Xylophon
/
ksiloɣraf/
noun
1. een houtsnijder of houtgraveur
Xylograph
/
ˌksiloɣraˈfi/
noun
- 1. houtsnijkunst
- 2. houtsnede of houtgravure
Xylographie
/
ˌksiloˈlit/
noun
- 1. versteend hout
- 2. een uit houtstof vervaardigd soort kunststeen
Xylolith
/
iˈɣrɛk/, /
ɛɪ̯/, /
ɛː/
noun
1. de vijfentwintigste letter van het alfabet
y
noun
1. een van de beide geslachtschromosomen dat in de helft van de zaadcellen voorkomt
Y-Chromosom
noun
1. antenne met dipool, reflector en director(en)
Yagi-Antenne
noun
1. antenne met dipool, reflector en director(en)
Yagi-Uda-Antenne
noun
1. antenne met dipool, reflector en director(en)
Yagi-Antenne
noun
1. spel met vijf dobbelstenen en een kaart met de geëiste worpen
Yahtzee
pronoun
1. de hoofdstad van Ivoorkust
Yamoussoukro
noun
1. een tropisch voedselgewas
Yamswurzel
noun
1. actieve, mannelijke beginsel in de kosmos (volgens de Chinese filosofie), een van beide principes die samen de tao vormen
Yang
noun
1. een Amerikaan uit het noordelijke deel van de Verenigde Staten
Yankee
noun
- 1. Amerikaan uit het noordelijke deel van de Verenigde Staten
Yankee
- 2. spelwoord voor de letter y
Ypsilon
noun
- 1. een Angelsaksische lengtemaat (3 voet is 0,9144 m)
- 2. een Engelse vlaktemaat (12,14 ha)
Yard
noun
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
Yawl
noun
1. een geschreeuwde leuze
Schlachtruf
noun
1. de munteenheid van Japan
Yen
/
ˈjeti/
noun
1. een legendarisch monster met de bijnaam 'de verschrikkelijke sneeuwman' die voor zou komen in de Himalaya
Yeti
Schneemensch
noun
1. het passieve vrouwelijke beginsel in de kosmos volgens de Chinese filosofie, een van beide principes die samen de tao vormen
Yin
/
ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
Yoga
/
ˈjɔxərt/, /
ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
Joghurt
noun
1. een beoefenaar van de yoga
Yogi
pronoun
1. taal die door de Yoruba in Nigeria, Benin, Togo en Sierra Leone gesproken wordt
Joruba
noun
- 1. de letter y
- 2. spelwoord voor de letter y
Ypsilon
noun
1. scheikundig element met symbool Yb en atoomnummer 70
Ytterbium
noun
1. lelieachtige sierplant uit Noord-Amerika
Yucca
noun
1. een jong, kindloos persoon die snel carrière gemaakt heeft en een exclusieve, trendgevoelige levensstijl heeft
Yuppie
noun
1. jong, kindloos persoon die snel carrière gemaakt heeft en een exclusieve, trendgevoelige levensstijl heeft
Yuppie
noun
1. een ronde nomadentent
Jurte
/
sɛt/, /
zɛt/
noun
1. de zesentwintigste letter van het alfabet
z
/
ˌzɛtoˈzɛt/
interjection
1. kijk op de achterkant van deze pagina
b. w.
/
zaːt/
noun
- 1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
Samen
- 2. zaadcellen uit de mannelijke geslachtsorganen van een mens of een dier
Samen
Sperma
/
zatbɑkʲə/
noun
1. klein bakje dat gevuld met zaad of ander vogelvoer in een vogelkooi gezet wordt
Futternapf
/
'zadbɑl/
noun
1. een orgaan waar de spermacellen gevormd worden
Hoden
noun
1. een vorm van kanker die ontstaat in de zaadbal
Hodenkrebs
/
ˈzadbɑŋk/
noun
- 1. een zandbank met mosselzaad
Muschelbank
- 2. een spermabank
Samenbank
Spermabank
/
ˈzatsɛl/
noun
1. de mannelijke geslachtscel
Samenzelle
noun
1. een klein knopje in het vruchtbeginsel waaruit na bevruchting een zaadje groeit
Samenanlage
/
'zadlɛɪdər/
noun
Samenleiter
/
zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
Säge
noun
1. plat stuk metaal met een lange kartelrand om hard materiaal door te snijden
Sägeblatt
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
Sägemehl
/
'zaxmolə(n)/
noun
1.een door wind- of waterkracht aangedreven installatie voor het zagen van hout
Sägemühle
/
'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
Sägemehl
/
'zaxtɑnt/
noun
- 1. scherpe tandvormige karteling aangebracht op de rand van een zaagblad
Sägezahn
- 2. iets in de vorm van een zaagtand
Zahnung
noun
1. benaming voor haaiachtige vissen met aan de kop een zaagvormig uitsteeksel uit de familie Pristidae
Sägefisch
noun
1. uit zaad opgekweekte plant, het stadium volgend op de kiemplant
Sämling
noun
1. recht om een goed te volgen in andere handen
Folgerecht
pronoun
2. spelwoord voor de letter z
Zacharias
Zeppelin
pronoun
2. boek in de Bijbel
Sacharja
Secharja
Zacharias
pronoun
2. spelwoord voor de letter z
Zacharias
Zeppelin
adverb
- 4. aangenaam voor de zinnen
mild
- 1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
weich
phraseologicalUnit
1. een aanpak die te voorzichtig is maakt problemen erger
weichliche Ärzte machen faule Wunden
adjective
1. niet al te ruw, de dingen ontziend
sacht
noun
zitplaats op dier of fiets
Sattel
noun
1. een dak met twee tegen elkaar geplaatste gelijkhellende dakschilden
Satteldach
noun
1. een persoon die zadels maakt
Sattler
noun
1. voor rijden geschikt paard
Reitpferd
noun
1. de pijnlijke gevolgen van het langdurig in het zadel zitten wanneer men daaraan niet gewend is
Sattelschmerzen
/
ˈzadənbɑŋk/
noun
1.bewaarplaats voor zaden van veel verschillende planten
Saatgut-Tresor
/
ˈza.ɣə(n)/, /
ˈza.χə(n)/
verb
1. in stukken delen door middel van een zaag
sägen
/
[ˈzɑː.greb]/
pronoun
1. hoofdstad van Kroatië
Agram
Zagreb
noun
- 1. slappe, vormeloze tas
Sack
- 2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
Tasche
- de zak geven (zie ook ontslaan)
feuern
noun
1. een klein formaat agenda
Taschenkalender
/
ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
Taschentuch
/
'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
Geschäftsmann
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de rechtsverhouding tot een goed
Sachenrecht
verb
1. naar beneden gaan
sinken
untergehen
versinken
noun
1. iemand die ongemerkt waardevolle zaken steelt
Taschendieb
noun
1. lamp op zakformaat
Taschenlampe
noun
1. een draagbare bron van licht, gewoonlijk van energie voorzien middels batterijen
Taschenlampe
noun
1. een draagbare bron van licht, gewoonlijk van energie voorzien middels batterijen
Taschenlampe
/
ˈzɑkmɛs/
noun
1. een klein invouwbaar mes, vaak met extra gereedschappen
Taschenmesser
Klappmesser
noun
1. samengeklitte textielvezeltjes die ontstaan onderin bergplaatsen in kleren
Taschenfussel
/
zɑksxakspɛl/
noun
1. een schaakspel in zakformaat waarop men de stukken op het bord kan vastzetten
Taschenschachspiel
noun
1. een woordenboek in klein formaat
Taschenwörterbuch
noun
smeerbare massa om op de huid aan te brengen
Salbe
adjective
- 2. bijzonder aangenaam, hemels
herrlich
selig
- 1. gerechtvaardigd tegenover God, doordat men van zonde bevrijd is
selig
phraseologicalUnit
1. een uitdrukking om iemand een gelukkige paasviering te wensen
Frohe Ostern
Fröhliche Ostern
noun
1. dwarshout dat het want spreidt
Saling
/
zɑlm/, /
zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
Lachs
Salm
noun
1. een stuk zalm dat door zorgvuldig snijden ontdaan is van alle minderwaardige bestanddelen
Lachsfilet
noun
1. consumptievis, meestal regenboogforel (Oncorhynchus mykiss), met zalmkleurig vlees
Lachsforelle
adjective
Lachsorange
lachsorange
adjective
Lachsrot
lachsrot
/
zɑlvə(n)/
verb
2. het aanbrengen van een welriekende olie, meestal als inhuldiging in een politieke of religieuze hoedanigheid
salben
/
'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
Sambia
/
ˈzɑmbo/
noun
1. een persoon van gemengd negroïde en indiaanse afkomst.
Zambo
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
Sand
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
Sandkasten
noun
1. een ophoping van zand op de bodem van een zee of meer
Sandbank
/
ˈzɑntbɛt/
noun
1. een laag aangestampt zand die als ondergrond voor iets dient, gewoonlijk een bouwwerk
Sandbett
noun
1. benaming voor de zoetwatervis Sander lucioperca
Zander
adjective
Sandgelb
sandgelb
noun
1. bepaalde vaste plant die van nature in Noord-Europa en aan de West-Europese kusten voorkomt, Leymus arenarius
Strandroggen
noun
1. een van zand gebouwd miniatuurkasteel
Sandburg
noun
1. een korreltje zand
Sandkorn
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
Sanduhr
noun
1. een wezen dat zand in de ogen van kinderen zou strooien
Sandmännchen
noun
een harde, droge wind die boven een woestijngebied een grote hoeveelheid zand en stof doet opwaaien
Sandsturm
noun
- 1. (gereedschap)
- 2. (beroep)
Sandstrahler
noun
1. een vlakke kuststrook die vrijwel geheel uit zand bestaat
Sandstrand
noun
1. zandweg. Weg met onverhard wegdek
Sandweg
/
ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
Sänger
noun
1. een vrouwelijk iemand die zingt
Sängerin
noun
1. Turdus philomelos, een lijstersoort die algemeen is in Nederland en Vlaanderen
Singdrossel
noun
1. een dunvloeibare transparante lak, meest op basis van nitrocellulose, opgelost in een ester of alcohol
Zaponlack
adjective
- 1. verzadigd, vol, met name van alcoholische drank
betrunken
- 2. ergens genoeg van hebbend
gesättigt
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
Samstag
Sonnabend
Sabbat
noun
1. Bos taurus indicus een rund dat in het Indische subcontinent en Afrika wordt...
Buckelrind
Zebu
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
Zebra
noun
1. een patroon van witte strepen aangebracht op het wegdek ter aanduiding van een beschermde voetgangersoversteekplaats
Zebrastreifen
noun
1. (kunst) toneelstuk waarin heersende zeden uitgebeeld en veelal gehekeld worden
Sittenspiel
/
ze/, /
zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
Meer
See
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
Seeigel
noun
1. smalle doorgang tussen twee zeeën
Meerenge
Meerstrasse
noun
1. zeevis (Conger conger)
Seeaal
conger (aal)
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Actiniaria
Seeanemonen
Seeanemone
/
ˈzeʲʔɑˌkʋarijəm/
noun
1. zoutwateraquarium voor zeevissen
Salzwasseraquarium
noun
1. bepaald soort roofvogel die in kustgebieden leeft, Haliaeetus albicilla
Seeadler
noun
1. inham van een zee
Bucht
Meerearm
noun
1. blad van de plant Zeeaster
Seestern
noun
1. baarsachtige zeevis, Dicentrarchus labrax
Seebarsch
noun
1. gevarieerde vismaaltijd
Meeresfrüchte
Fischmahlzeit
/
ˈzebenə(n)/
noun
1. zeevaste benen hebben
Seefest sein
noun
1. aardbeving waarvan het epicentrum op de bodem van de zee ligt
Seebeben
noun
1. het grondvlak van een zee
Meeresboden
Meeresgrund
/
ˈzebɔŋk/
noun
1. ervaren zeeman
Seebär
noun
1. stenen strekdam dienend om de kracht van de golven te breken
Wellenbrecher
pronoun
1. en 2. dorp, deelgemeente en zeehaven
Seebrügge
Zeebrugge
noun
1. een zeeofficier in opleiding bij de marine
Seekadett
noun
1. bepaald soort grote zeevis, Lophius piscatorius
Seeteufel
Anglerfisch
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
Sieb
noun
1. het dierlijk leven in de zee
Meeresfauna
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Siebbein
noun
1. de deining van de zee
Seegang
noun
1. uiteinde van een rivier of zeearm dat toegang biedt tot de open zee
in See stechen
Mündung
noun
1. een zeeslag
Seeschlacht
noun
- 1. zicht op de zee
Meeresblick
- 2. schilderij met de zee als onderwerp
Seestück
/
'zeɣodə(n)/, /
'zeɣɔt/
noun
Gott des Meeres
noun
1. vrouwelijke godheid die woont en heerst over de zee, ofwel de vrouw van een zeegod
Göttin des Meeres
noun
1. benaming voor planten aangepast aan het leven in zout water uit het geslacht Zostera
Seegras
noun
1. een vorm van grind, veelal van glaciale oorsprong, dat uit zee gebaggerd wordt
Seekies
adjective
1. blauwachtig groen, kleur van de zee
meergrün
noun
1. haven die in verbinding staat met de zee
Seehafen
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
Seehund
noun
1. plaats waar huilers, door de moeder verlaten jonge zeehonden, worden opgenomen en zolang worden verzorgd tot ze zelfstandig kunnen leven
Seehundeaufzuchtstation
noun
1. pier of dijk die in zee uitsteekt
Mole
noun
1. klimaat dat veel invloed van een meestal nabijgelegen zee of oceaan ondergaat, onder meer gekenmerkt door koele zomers...
Meeresklima
Seeklima
noun
1. plantenetend zoogdier uit de orde Sirenia
Seekuh
/
ˈzekut/
noun
1. zwart-witte zeevogel, Uria aalge
Trottellumme
noun
1. benaming voor op de op komkommers lijkende zeedieren uit de klasse Holothuroidea
Seegurke
Seewalze
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Salicornia
Queller
noun
1. in zee levende kreeft
Hummer
noun
1. de begrenzing van land door de zee
Küste
noun
1. neteldier in de vorm waarin het vrij in het water zwemt
Qualle
/
ˈzelɑnt/, /
ˈzeːlɑnd/, /
ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
Zeeland
Seeland
noun
1. iemand die zelen vervaardigt.
Seiler
noun
1. grote oorrob
Seelöwe
/
ˈze.le.li/
noun
1. benaming voor de sessiele zeedieren uit de klasse Crinoidea
Seelilie
noun
1. een groep van personen die voor hun beroep de zee bevaren
Seeleute
noun
1. loods die schepen van en naar de open zee loodst
Lotse
noun
1. bepaald soort karperachtiɡe zoetwatervis, Tinca tinca
Schleie
noun
1. lucht aan of op zee
Meeresluft
Seeluft
/
ˈzelœʏpart/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Hydrurga leptonyx
Seeleopard
/
zem/
noun
- 1. een stuk zeemleer waarmee men een glazen ruit droog kan wrijven
Fensterleder
- 2. zeemleer, leer gemaakt van gemzenhuid
Waschleder
noun
1. vaardigheid in het bedienen, onderhouden en het besturen van een schip
Seemannschaft
noun
1. onthaaltehuis voor zeelieden aan de wal
Seemannheim
noun
1. zeemanslied
Seemannslied
Shanty
noun
1. mythisch zeewezen
Meerjungfrau
Seejungfrau
Seejungfer
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
Möwe
noun
1. afstandsmaat, in gebruik op zee, 1852m
Seemeile
noun
1. nudibranch
Nachtkiemer
noun
1. hoogte van de zeespiegel
Meerespiegel
noun
1. rob uit het geslacht Mirounga
See-Elefant
/
ˈzeʔɔtər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Enhydra lutris
Seeotter
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
Seife
/
ˈzepaːrtʲə/
noun
2. benaming voor zeevisjes waarvan de kop op een paardenkop lijkt en die rechtopstaand zwemmen, uit het geslacht Hippocampus
Seepferdchen
noun
1. bolvormig vlies van water en zeep dat een hoeveelheid gas (meestal lucht) omringt
Seifenblase
noun
1. polder die ontstaat langs de kust, door bedijking van kwelders, als deze hoog genoeg zijn aangeslibd
Polder
noun
1. brieven en verzendingen over zee
Postbeförderung auf dem Seeweg
noun
1. het beroep van iemand die uit vet of olie en loog zeep bereidt.
Seifensieder
/
zepsidə'rɛɪ/
noun
1. een bedrijf waar uit oliën en loog zeep bereid wordt
Seifenfabrik
adverb
- 3. pijn
Schmerz
- 2. pijnlijk
schmerzhaft
- 1. in hoge mate
sehr
noun
1. zwaar ongeluk op zee, schipbreuk
Schiffbruch
noun
1. wettelijke bepaling met betrekking tot de zeevaart, zeerecht omvat een groot aantal verdragen die in de afgelopen eeuwen tot stand zijn gekomen
Seerecht
noun
1. reis per schip over de zee
Seereise
/
ˈzerɔp/
noun
2. benaming voor grote zeezoogdieren uit de familie Phocidae
Robbe
noun
1. iemand die op zee een schip berooft
Seeräuber
noun
1. benaming voor zeedieren uit de familie Cheloniidae
Meeresschildkröte
noun
1. een zeewaardig schip gebouwd om de zee te kunnen trotseren
Hochseeschiff
noun
- 1. luchtige massa die bij heftige beweging van golven in zeewater ontstaat
Gischt
- 2. inwendige schelp van een zeekat (een tienarmige inktvis)
Schulp
Phragmokon
noun
1. iemand die de zeeën bevaart om andere schepen te beroven
Pirat
Seeräuber
noun
- 2. bordspel
Schiffe versenken
- 1. militair treffen op zee
Seeschlacht
/
ˈzeslɑŋ/
noun
1. giftig reptiel dat leeft in ondiepe zeegebieden en riviermondingen
Seeschlange
noun
1. relatief kleine, maar zeer zeewaardige sterke boot die gebouwd is om schepen in nood te helpen, te bergen, drijvende vrachten over zee te slepen en olieplatforms te bevoorraden
Bergungsschiff
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
Seestern
noun
1. stormachtige wind over de zee
Seesturm
noun
1. een smalle doorgang tussen twee zeeën en daarmee tevens de scheiding tussen twee landmassa's
Meerenge
noun
1. een grote constante beweging van het zeewater
Meeresströmung
noun
1. bepaald soort platvis, Solea solea
Seezunge
pronoun
1. een streektaal bestaande uit een verzameling Nederfrankische dialecten ,gesproken in de provincie Zeeland
seeländisch
Seeländisch
noun
1. iemand die voor zijn beroep de zee bevaart
Seefahrer
noun
1. scheepvaart over de zee
Seefahrt
noun
1. school waar de leerlingen een opleiding krijgen voor een beroep op een zeeschip
Seefahrtschule
adjective
1. een varende functie op een zeeschip uitoefenen
Seefahrend
noun
1. vis die in de zee leeft
Seefisch
noun
1. visvangst vanuit de zee, per schip of van het strand
Seefischerei
/
ˈzeˌvoχɔɫ/, /
ˈzeːˌvoːɣəl/
noun
1. een vogel die vooral in de directe omgeving van de zee leeft
Seevogel
noun
2. allerlei eetbare schaal- en schelpdieren
Meeresfrüchte
adjective
1. geschikt om veilig op zee te varen
seetüchtig
noun
1. de mate waarin een schip of bemanning zeewaardig is
Seetüchtigkeit
adjective
1. naar zee gericht, in de richting van de zee
seewärts
/
ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
Meerwasser
Seewasser
noun
1. waterkering tegen de zee
Küstenbefestigung
noun
1. al de maritieme zaken
Seewesen
noun
1. in zee levend wier
Tang
Algen
Seetang
noun
1. wind vanuit de zee, die landinwaarts waait
Seewind
verb
1. zeilen op zee
Hochseesegeln
noun
1. misselijkheid als gevolg van de onregelmatige beweging van een schip
Seekrankheit
noun
1. zout, uit zeewater gewonnen
Meersalz
Seesalz
/
'zezʋalyw/
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige zeevogels met gevorkte staart uit de familie Sternidae
Seeschwalbe
/
ˈzexəl/
noun
- 2. een stukje papier meestal voorzien van een plaklaag dat dient om aan te geven dat betaling heeft plaatsgevonden
Briefmarke
- 1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
Siegel
noun
1. een mengsel van schellak en terpentine dat gebruikt wordt om er zegels van te maken
Siegellack
/
ˈzeɣəɫˌrɪŋ/
noun
1. een ring die aan de rugzijde voorzien is van een gravure, waarmee een zegel kan worden gestempeld
Siegelring
/
ˈzexəlˈvɛrkop/
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
Briefmarkenverkauf
noun
1. een gemakkelijk smeltbaar materiaal gebuikt om er zegelafdrukken mee te maken
Siegellack
Siegelwachs
verb
1. de zegen geven
segnen
benedeien
/
'zexəvirə(n)/
verb
1. de overwinning behalen
obsiegen
siegen
triumphieren
noun
1. een geslacht van zowel bladverliezende als groenblijvende kruidachtige planten
Segge
/
ˈzεɣə(n)ˌsxɑp/, /
ˈzεχə(n)ˌsχɑp/
noun
1. het recht om over iets te beslissen
Sagen
Verfügungsgewalt
Verfügungsrecht
Weisungsbefugnis
noun
1. persoon die in naam van een organisatie of een persoon het woord voert
Wortführer
Gewährsmann
noun
- 3. vloerbedekking met een onderlaag van weefsel (jute) en een harde kunststof bovenlaag
Linoleum
- 4. doek voor diverse doeleinden
Plane
Segeltuch
- 1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
Segel
- 5. schip (een vloot van x zeilen)
Segelschiff
Segler
- 2. het geheel van alle zeilen van een schip
Segelwerk
noun
1. een boot waarmee gezeild kan worden
Segelboot
Kutter
noun
1. vereniging van zeilers
Segelklub
noun
1. een grof, stevig weefsel waarvan zeilen gemaakt worden
Segeltuch
adjective
Zeltgrau
zeltgrau
/
ˈzɛilɛiɣə(n)ˌsxɑp/
noun
1. hoe een schip reageert op de stand van de tuigage - in het bijzonder de zeilen - en veranderingen in die stand
Segeleigenschaft
/
ˈzɛɪlə(n)/
noun
1. wedstrijdsport met zeilvaartuigen
Segeln
Segelregatta
/
ˈzɛɪlə(n)/
verb
- 1. voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
- 2. zich in een zeilboot met behulp van de wind over het water voortbewegen
segeln
noun
- 2. een zeilboot
Segelboot
- 1. iemand die het zeilen beoefent
Segler
Segelsportler
noun
1. (scheepvaart) een snelzeilend klein vaartuig.
Segelyacht
/
ˈzɛilklar/
adjective
1. gereed om te gaan zeilen
segelklar
noun
1. iemand die zeilen vervaardigt
Segelmacher
noun
1. zeilmakerspriem
Ahle
noun
1. surfplank
Surfbrett
noun
1. zwaartpunt van het zeil, aangrijpingspunt voor de windkracht
Segelpunkt
adjective
1. gereed om te gaan zeilen
segelklar
noun
1. een reis per zeilboot
Segelreise
noun
1. een metalen verstevigingsring om gaten waar touw of koord doorheen loopt, tegen slijtage en uitscheuren te beschermen
Ringkausch
noun
1. een schip waarmee gezeild kan worden
Segelschiff
noun
1. de sport van het zeilen
Segelsport
noun
1. vrouwelijke zeiler
Segelsportlerin
/
ˈzɛilvardəx/
adjective
1. gereed om te gaan zeilen
segelklar
noun
1. een zeilboot of zeilschip
Segelboot
Segelschiff
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
Sense
noun
1. een persoon met een zeis als verpersoonlijking van de dood
Gevatter Tod
Schnitter
Sensenmann
Dood
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen-Anhalt
Zeitz
/
ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
sicher
gewiss
/
ˈze.kə.rə(n)/
verb
1. het touw waarmee iemand klimt op een veilige manier vasthouden
sichern
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
Sicherung
noun
1. toestelletje dat helpt het touw te remmen bij het zekeren van een klimmer
Sicherungsgerät
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
selten
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
selten
rar
/
zɛlf/, /
zɛɫf/
demonstrativePronoun
- 1. in eigen persoon
- 2. in tegenstelling met iets anders
selbst
noun
- 2. de mogelijkheid voor een volk om te bepalen onder welke soevereiniteit het wil vallen
- 1. wilsvrijheid van het individu
Selbstbestimmung
adjective
- 1. aantonend zelfbesef te hebben
selbstbewusst
- 2. zelfverzekerd
selbstbewusst
selbstversichert
demonstrativePronoun
selbe
noun
1. Het zich benemen van het leven
Selbsttötung
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door trillend materiaal
Selbstklinger
noun
1. beoordeling van het zelf, meestal gericht op dat wat verbeterd zou moeten worden
Selbstkritik
/
ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
Selbstmord
Suizid
Freitod
noun
1. iemand die bereid is terreur te zaaien ook als dat tot de eigen dood leidt
Selbstmordattentäter
/
'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
Selbstporträt
Selbstbildnis
adjective
eigenständig
selbständig
noun
1. het vermogen om het leven in te richten zonder hulp van anderen
Selbständigkeit
Eigenständigkeit
adjective
1. op zichzelf staand
selbständig
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
Substantiv
Hauptwort
Dingwort
Nomen
Substantivum
Namenwort
noun
1. verbranding van zichzelf
Selbstverbrennung
noun
1. verdediging van zichzelf
Selbstverteidigung
/
ˌzɛlᵊfɛrˈnitəxənt/
adjective
1. zo ontworpen dat er na afloop praktisch niets van overblijft
selbstzerstörerisch
noun
1. geloof in eigen vermogen, kunde of kracht
Selbstvertrauen
adjective
1. vol zelfvertrouwen
selbstsicher
noun
1. de mate waarin iemand zelfverzekerd is
Selbstvertrauen
adjective
selbstgefällig
selbstzufrieden
adjective
1. vol zelfvertrouwen
selbstsicher
noun
B 1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
Kleie
/
ˈzemə(n)/
verb
1. het droogwrijven van een pas gewassen glazen oppervlak met een stuk zeemleer
abledern
noun
1. een vrij opgestelde elektrische geleider
Sendeantenne
/
'zɛndəlɪŋ/
noun
1. persoon die uitgezonden wordt om mensen tot het geloof in het protestantse christendom te bekeren
Missionar
verb
1. sturen
schicken
verschicken
senden
noun
1. hoge ondersteuningsconstructie voor zendantennes
Sendemast
/
zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
Zenit
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
Nerv
/
ˈzenʏˌʋɑxtəx/
adjective
1. onrustig, bezorgd en gespannen over iets wat gaat gebeuren
nervös
/
ˈze.ny.sɛl/, /
ˈze.nyʊ̯.sɛɫ/, /
ˈzeː.nyʊ̯.sɛl/
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
Neuron
Nervenzelle
noun
1. het gehele zenuwsysteem
Nervensystem
noun
1. klasse silicaat-mineralen met een kristalstructuur die kanalen en holtes bevat in de grootteorde van nanometers
Zeolith
noun
1. luchtschip in de lucht gehouden door een groot volume waterstof of helium
Zeppelin
/
ˈzɛs.də/, /
ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
sechste
cardinalNumeral
1. het getal 36
sechsunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 96
sechsundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 86
sechsundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 26
sechsundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 46
sechsundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 56
sechsundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 66
sechsundsechzig
/
ˈzɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 76
sechsundsiebzig
/
zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
Sechseck
Hexagon
/
ˈzɛsˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 600
sechshundert
cardinalNumeral
1. het getal 608
sechshundertacht
cardinalNumeral
1. het getal 638
sechshundertachtunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 698
sechshundertachtundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 688
sechshundertachtundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 628
sechshundertachtundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 648
sechshundertachtundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 658
sechshundertachtundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 668
sechshundertachtundsechzig
/
ˌzɛshɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 678
sechshundertachtundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 618
sechshundertachtzehn
cardinalNumeral
1. het getal 613
sechshundertdreizehn
cardinalNumeral
1. het getal 630
sechshundertdreißig
cardinalNumeral
1. het getal 603
sechshundertdrei
cardinalNumeral
1. het getal 633
sechshundertdreiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 693
sechshundertdreiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 683
sechshundertdreiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 623
sechshundertdreiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 643
sechshundertdreiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 653
sechshundertdreiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 663
sechshundertdreiundsechzig
/
ˌzɛshɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 673
sechshundertdreiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 601
sechshunderteins
cardinalNumeral
1. het getal 631
sechshunderteinunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 691
sechshunderteinundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 681
sechshunderteinundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 621
sechshunderteinundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 641
sechshunderteinundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 651
sechshunderteinundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 661
sechshunderteinundsechzig
/
ˌzɛshɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 671
sechshunderteinundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 611
sechshundertelf
cardinalNumeral
1. het getal 609
sechshundertneun
cardinalNumeral
1. het getal 639
sechshundertneununddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 699
sechshundertneunundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 689
sechshundertneunundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 629
sechshundertneunundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 649
sechshundertneunundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 659
sechshundertneunundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 669
sechshundertneunundsechzig
/
ˌzɛshɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 679
sechshundertneunundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 619
sechshundertneunzehn
cardinalNumeral
1. het getal 690
sechshundertneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 680
sechshundertachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 610
sechshundertzehn
cardinalNumeral
1. het getal 612
sechshundertzwölf
cardinalNumeral
1. het getal 602
sechshundertzwei
cardinalNumeral
1. het getal 632
sechshundertzweiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 692
sechshundertzweiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 682
sechshundertzweiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 622
sechshundertzweiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 642
sechshundertzweiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 652
sechshundertzweiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 662
sechshundertzweiundsechzig
/
ˌzɛshɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 672
sechshundertzweiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 620
sechshundertzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 614
sechshundertvierzehn
cardinalNumeral
1. het getal 640
sechshundertvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 604
sechshundertvier
cardinalNumeral
1. het getal 634
sechshundertvierunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 694
sechshundertvierundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 684
sechshundertvierundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 624
sechshundertvierundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 644
sechshundertvierundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 654
sechshundertvierundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 664
sechshundertvierundsechzig
/
ˌzɛshɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 674
sechshundertvierundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 605
sechshundertfünf
cardinalNumeral
1. het getal 635
sechshundertfünfunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 695
sechshundertfünfundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 685
sechshundertfünfundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 625
sechshundertfünfundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 645
sechshundertfünfundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 655
sechshundertfünfundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 665
sechshundertfünfundsechzig
/
ˌzɛshɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 675
sechshundertfünfundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 615
sechshundertfünfzehn
cardinalNumeral
1. het getal 650
sechshundertfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 606
sechshundertsechs
cardinalNumeral
1. het getal 636
sechshundertsechsunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 696
sechshundertsechsundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 686
sechshundertsechsundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 626
sechshundertsechsundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 646
sechshundertsechsundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 656
sechshundertsechsundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 666
sechshundertsechsundsechzig
/
ˌzɛshɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 676
sechshundertsechsundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 616
sechshundertsechzehn
cardinalNumeral
1. het getal 660
sechshundertsechzig
/
ˌzɛshɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 607
sechshundertsieben
/
ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 637
sechshundertsiebenunddreißig
/
ˌzɛshɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 697
sechshundertsiebenundneunzig
/
ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 687
sechshundertsiebenundachtzig
/
ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 627
sechshundertsiebenundzwanzig
/
ˌzɛshɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 647
sechshundertsiebenundvierzig
/
ˌzɛshɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 657
sechshundertsiebenundfünfzig
/
ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 667
sechshundertsiebenundsechzig
/
ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 677
sechshundertsiebenundsiebzig
/
ˌzɛshɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 617
sechshundertsiebzehn
/
ˌzɛshɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 670
sechshundertsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 16
sechzehn
noun
1. ruimtelijke figuur met zestien vlakken
Hexadekaeder
cardinalNumeral
1. het getal 60
sechzig
/
zɛt/
noun
- beweging waarbij iets verplaatst wordt
Stoß
- handeling gedurende een spelbeurt
Zug
noun
- 1. constructie bestemd om prettig op te zitten
- 3. plaats waar een organisatie gevestigd is
Sitz
- 2. lidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
Sitz
Mandat
noun
Satzspiegel
Schriftspiegel
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
Sau
Mutterschwein
Bache
Wildsau
verb
2. iets met grote inspanning verplaatsen
schleppen
/
ˈsʏː.rə(n)/, /
ˈzøː.rə(n)/
verb
1. veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
nörgeln
/
zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
Zeus
/
ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
sieben
Sieben
/
ˈzøvən/
verb
1. de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
sieben
noun
1. soort struik, Juniperus sabina
Stinkwacholder
/
ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
siebte
/
ˈzøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 37
siebenunddreißig
/
ˈzøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 97
siebenundneunzig
/
ˈzøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 87
siebenundachtzig
/
ˈzøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 27
siebenundzwanzig
/
ˈzøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 47
siebenundvierzig
/
ˈzøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 57
siebenundfünfzig
/
ˈzøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 67
siebenundsechzig
/
ˈzøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 77
siebenundsiebzig
noun
plant en kruid
Schabzigerklee
/
ˈzeːvə(n)ˌɦɔndərt/, /
ˈzøvənˌhɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 700
siebenhundert
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxt/
cardinalNumeral
1. het getal 708
siebenhundertacht
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 738
siebenhundertachtunddreißig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 798
siebenhundertachtundneunzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 788
siebenhundertachtundachtzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 728
siebenhundertachtundzwanzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 748
siebenhundertachtundvierzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 758
siebenhundertachtundfünfzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 768
siebenhundertachtundsechzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 778
siebenhundertachtundsiebzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtin/
cardinalNumeral
1. het getal 718
siebenhundertachtzehn
/
ˌzøvənˌhɔndərˈdɛrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 713
siebenhundertdreizehn
/
ˌzøvənˌhɔndərˈdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 730
siebenhundertdreißig
/
ˌzøvənˌhɔndərˈdri/
cardinalNumeral
1. het getal 703
siebenhundertdrei
/
ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 733
siebenhundertdreiunddreißig
/
ˌzøvənˌhɔndərˈdrijəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 793
siebenhundertdreiundneunzig
/
ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 783
siebenhundertdreiundachtzig
/
ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 723
siebenhundertdreiundzwanzig
/
ˌzøvənˌhɔndərˈdrijəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 743
siebenhundertdreiundvierzig
/
ˌzøvənˌhɔndərˈdrijəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 753
siebenhundertdreiundfünfzig
/
ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 763
siebenhundertdreiundsechzig
/
ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 773
siebenhundertdreiundsiebzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈen/
cardinalNumeral
1. het getal 701
siebenhunderteins
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 731
siebenhunderteinunddreißig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈenəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 791
siebenhunderteinundneunzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 781
siebenhunderteinundachtzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 721
siebenhunderteinundzwanzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈenəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 741
siebenhunderteinundvierzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈenəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 751
siebenhunderteinundfünfzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 761
siebenhunderteinundsechzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 771
siebenhunderteinundsiebzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈɛlᵊf/
cardinalNumeral
1. het getal 711
siebenhundertelf
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣən/
cardinalNumeral
1. het getal 709
siebenhundertneun
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 739
siebenhundertneununddreißig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 799
siebenhundertneunundneunzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 789
siebenhundertneunundachtzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 729
siebenhundertneunundzwanzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 749
siebenhundertneunundvierzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 759
siebenhundertneunundfünfzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 769
siebenhundertneunundsechzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 779
siebenhundertneunundsiebzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 719
siebenhundertneunzehn
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 790
siebenhundertneunzig
/
ˌzøvənˌhɔndərˈtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 780
siebenhundertachtzig
/
ˌzøvənˌhɔndərˈtin/
cardinalNumeral
1. het getal 710
siebenhundertzehn
/
ˌzøvənˌhɔndərˈtwalᵊf/
cardinalNumeral
1. het getal 712
siebenhundertzwölf
/
ˌzøvənˌhɔndərˈtwe/
cardinalNumeral
1. het getal 702
siebenhundertzwei
/
ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 732
siebenhundertzweiunddreißig
/
ˌzøvənˌhɔndərˈtwejəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 792
siebenhundertzweiundneunzig
/
ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 782
siebenhundertzweiundachtzig
/
ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 722
siebenhundertzweiundzwanzig
/
ˌzøvənˌhɔndərˈtwejəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 742
siebenhundertzweiundvierzig
/
ˌzøvənˌhɔndərˈtwejəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 752
siebenhundertzweiundfünfzig
/
ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 762
siebenhundertzweiundsechzig
/
ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 772
siebenhundertzweiundsiebzig
/
ˌzøvənˌhɔndərˈtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 720
siebenhundertzwanzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfertin/
cardinalNumeral
1. het getal 714
siebenhundertvierzehn
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 740
siebenhundertvierzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfir/
cardinalNumeral
1. het getal 704
siebenhundertvier
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 734
siebenhundertvierunddreißig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfirəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 794
siebenhundertvierundneunzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 784
siebenhundertvierundachtzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 724
siebenhundertvierundzwanzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfirəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 744
siebenhundertvierundvierzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfirəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 754
siebenhundertvierundfünfzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 764
siebenhundertvierundsechzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 774
siebenhundertvierundsiebzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛif/
cardinalNumeral
1. het getal 705
siebenhundertfünf
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 735
siebenhundertfünfunddreißig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 795
siebenhundertfünfundneunzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 785
siebenhundertfünfundachtzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 725
siebenhundertfünfundzwanzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 745
siebenhundertfünfundvierzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 755
siebenhundertfünfundfünfzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 765
siebenhundertfünfundsechzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 775
siebenhundertfünfundsiebzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛiftin/
cardinalNumeral
1. het getal 715
siebenhundertfünfzehn
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 750
siebenhundertfünfzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛs/
cardinalNumeral
1. het getal 706
siebenhundertsechs
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 736
siebenhundertsechsunddreißig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 796
siebenhundertsechsundneunzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 786
siebenhundertsechsundachtzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 726
siebenhundertsechsundzwanzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 746
siebenhundertsechsundvierzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 756
siebenhundertsechsundfünfzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 766
siebenhundertsechsundsechzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 776
siebenhundertsechsundsiebzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛstin/
cardinalNumeral
1. het getal 716
siebenhundertsechzehn
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 760
siebenhundertsechzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 707
siebenhundertsieben
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 737
siebenhundertsiebenunddreißig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 797
siebenhundertsiebenundneunzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 787
siebenhundertsiebenundachtzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 727
siebenhundertsiebenundzwanzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 747
siebenhundertsiebenundvierzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 757
siebenhundertsiebenundfünfzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 767
siebenhundertsiebenundsechzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 777
siebenhundertsiebenundsiebzig
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 717
siebenhundertsiebzehn
/
ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 770
siebenhundertsiebzig
/
ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
siebzehn
/
ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
siebzig
phraseologicalUnit
sich mit Hand und Fuß wehren
noun
1. wat gezien kan worden
Sicht
noun
1. het vanaf een bepaald standpunt langs een lijn geboden vrije uitzicht naar een karakteristiek punt
Sichtachse
/
ˈzɪxtrekəˌnɪŋ/
noun
1. rekening waarop men geld kan plaatsen dat op elk ogenblik beschikbaar is.
Girokonto
reflexivePersonalPronoun
sich
sich selbst
/
ˈzidə(n)/
verb
- 1. hevig beroerd worden
kochen
- 1. koken
kochen
sieden
noun
1.1 bedrijf dat zeep bereidt door vet met loog te zieden
Seifenfabrik
adjective
1. lichamelijke toestand
krank
adjective
1. geneigd om vaak ziek te zijn
kränkelnd
noun
1. compensatie voor loon gederfd door ziekte
Krankengeld
/
ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
Krankenhaus
Hospital
noun
1. een voertuig ingericht voor het vervoer van patiënten, gewoonlijk naar een ziekenhuis toe
Krankenwagen
noun
1. een van de zeven sacramenten van de Rooms-Katholieke Kerk alsmede van de Orthodoxe Kerk dat door een priester wordt toegediend aan zieken die in doodsgevaar verkeren
Krankensalbung
noun
Morbus Crohn
Crohn-Krankheit
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
Parkinson-Krankheit
noun
1. een micro-organisme dat ziekte veroorzaakt
Krankheitskeim
/
zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
Seele
verb
- 1. waarnemen met het oog
sehen
schauen
- iets over het hoofd zien
übersehen
/
ˈzɪftə(n)/
verb
1. de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
sieben
seihen
/
sɛɪ̯/, /
zɛɪ̯/, /
zɛː/
noun
1. een van beide kanten van een lichaam
Seite
/
sɛɪ̯/, /
zɛɪ̯/, /
zɛː/
personalPronoun
- 1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
- 2. 3e persoon meervoud
sie
noun
- 2. vezel van de cocon van de zijdevlinder
Seide
- 1. kant
Seite
adjective
Seidengrau
seidengrau
/
ˈzɛɪdə(n)/, /
ˈzɛːdə(n)/
adjective
- 2. op zijde gelijkend
- 1. van zijde, van zijdegaren vervaardigd
seiden
noun
1. de larve van de zijdevlinder
Seidenraupe
noun
1. de vlinder die uit de zijderups komt
Seidenspinner
noun
1. rups van de zijdevlinder, Bombyx mori
Seidenspinner
/
zɛɪkɑnt/
noun
1. datgene dat de zijde vormt
Seite
possessivePronoun
1. derde persoon enkelvoud m/o
sein
verb
- 5. gelijk zijn aan.
- 6. tot de groep behoren van
- 3. zich bevinden.
- 7. de eigenschap hebben.
- 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
sein
- 1. bestaan
sein
bestehen
geben
- 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
sein
worden
/
ˈzɛinərˌzɛits/
adverb
1. van zijn kant
seinerseits
verb
1. een proces waarbij een vloeistof zich door de kieren en poriën van een vaste massa heen begeeft
sickern
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
Nebenfluss
Zufluss
/
'zɛɪspɑn/
noun
1. karretje dat naast een motorfiets bevestigd is voor het vervoer van een passagier
Beiwagen
Seitenwagen
noun
1. een wind die haaks staat op de rij- of vaarrichting
Seitenwind
/
zɪlt/
adjective
1. met een relatief hoog zoutpercentage
salzig
phraseologicalUnit
Silberenmedaille
Silbermedaille
adjective
Silbergrau
silbergrau
noun
1. grote meeuwensoort
Silbermöwe
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Abies
Tanne
noun
1.1 bepaald soort insect Lepisma saccharina
Silberfischchen
/
'zɪlvərvlisrɛist/
noun
rijst waarvan de zemelen en de kiem niet verwijderd zijn
Vollkornreis
brauner Vollkornreis
adjective
1. lichtgrijs met een metaalglans
silberweiß
noun
1. een fijne witte zandsoort met een laag ijzergehalte die vrijwel geheel uit kwarts bestaat
Quarzsand
/
zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /
zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
Simbabwe
noun
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
Satz
adjective
- 1.1 van kinderen: poepend en plassend op een toiletpot
sauber werdend
trocken werdend
- 2. schoon, rein
sauber
rein
- 1.2 van huisdieren: alleen buitenshuis of binnenshuis op een daarvoor bestemde plaats poepend en plassend
stubenrein
noun
1. een jong kind leren om de natuurlijke behoeften te beheersen en alleen uit te oefenen op een aangewezen plek
Sauberkeitserziehung
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
singen
noun
1. (muziekinstrument) een zaag die gebruikt wordt als muziekinstrument
singende Säge
Spielsäge
noun
- 1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
- 1. zink (muziekinstrument)
Zink
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
sinken
untergehen
adjective
Zinkgelb
zinkgelb
adjective
1. iets dat geen zin (nut) heeft
sinnlos
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
Symbol
adjective
1. dat wat zin heeft, een toekomstig nut dient
sinnvoll
noun
1.syntactische eenheid binnen een zin
Satzteil
noun
1. volgorde van zinsdelen in een zin
Konstituentenfolge
Satzgliedfolge
Satzteilfolge
verb
1. op minder duidelijke wijze naar iets refereren
anspielen
/
ˈzɪntœx/, /
ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
Sinnesorgan
Sinn
/
zijoˈnɪsmə/
noun
Zionismus
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
Zirkonium
Zirconium
/
zɪr'koːn/
noun
1. een mineraal
Zirkon
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Zirndorf
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Zittau
/
ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
sitzen
noun
1. achterste, achterwerk
Gesäß
adverb
1. net, even tevoren
eben
gerade
soeben
conjunction
- 2. bijvoorbeeld
- 1. in die mate als
wie
adverb
1. in die mate
dermaßen
derart
conjunction
en daardoor
damit
noun
1. landbouwmachine die graszoden snijdt
Rasensodenschneider
adverb
1. op die wijze
somit
folglich
conjunction
1. geeft aan welke gebeurtenis eerst moe(s)t plaatsvinden
sobald
adjective
1. niet terug te vinden
abgängig
fehlend
futsch
gefragt
gesucht
verb
1. proberen te vinden
suchen
noun
1. een instrument waarmee men informatie kan zoeken in een bepaalde collectie...
Suchmaschine
verb
1. zo behandelen dat iets niet meer terug te vinden is
verlegen
verkramen
/
'zukraːkən/
verb
1. in een toestand geraken dat iets niet langer terug te vinden is
verloren gehen
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
Zulu
verb
1. een vrij zacht continu geluid voortbrengen dat op de z-klank lijkt
summen
verb
1. met de mond liefkozen
küssen
/
ˈzut/
adjective
- 5. gehoorzaam, braaf
brav
- 1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
süß
noun
1. een zetmeel houdende knol behorend tot dezelfde orde van planten als de aardappel
Sußkartoffel
Süßkartoffel
/
ˈzu.tə(n)/
verb
1. zoet maken
zuckern
/
ˈzuthʌʊt/
noun
- 2. gedroogde wortelstok van de gelijknamige plant
Süßholz
- 1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
Süßholzstrauch
Lakritze
Süßholz
/
ˈzutəxhɛit/
noun
1. etenswaar met een zoete smaak
Süßigkeit
/
ˈzoːɣ.ə(n)/
verb
1. moedermelk geven
stillen
nähren
/
zo.ɣə.'namt/
adjective
1. door anderen zo genoemd (waarmee de gebruiker afstand nemend van de naam of het begrip zelf), niet echt
so genannt
/
zo.ɣə.'namt/
adverb
1. naar (betwijfelde) bewering
so genannt
angeblich
adverb
korte tijd geleden
eben
gerade
soeben
/
ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
Dachboden
Dachgeschoss
adverb
1. op willekeurige wijze, zonder nadenken of voorbereiden
einfach so
ohne weiteres
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
Zombie
verb
1. van zomen voorzien
säumen
/
ˈzomərblum/
noun
1. kleurrijke en geurige bloeiwijze van een plant die typisch in het warmste deel van het jaar bloeit
Sommerblume
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus robur
Stieleiche
noun
1. zomermaand
Sommermonat
noun
1. modieuze kleding voor een bepaalde zomer
Sommermode
noun
1. zomernacht
Sommernacht
noun
1. noorderlijk keerpunt van de zon
Sommersonnewende
adjective
1. typerend voor de zomer
sommerlich
noun
1. regeling waarbij de klok gedurende de lente- en zomermaanden een uur vooruit wordt gezet
Sommerzeit
/
ˈzo.mər.va.ˌkɑn.si/, /
ˈzo.mər.va.ˌkɑn.tsi/
noun
1. een lange vakantie in de zomer
Sommerferien
noun
1. noorderlijk keerpunt van de zon
Sommersonnewende
noun
1. noorderlijk keerpunt van de zon
Sommersonnewende
noun
1. noorderlijk keerpunt van de zon
Sommersonnewende
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
Sonne
Sonnenschein
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
Sonntag
noun
1. een krant die op zondag verschijnt
Sonntagszeitung
noun
1. krant die op zondag verschijnt
Sonntagszeitung
noun
1. een krant die op zondag verschijnt
Sonntagszeitung
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
Sünde
preposition
1. In afwezigheid van
ohne
/
zɔndəɣə(n)/
verb
1. het overtreden van een religieuze wet
sündigen
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
Sintflut
/
ˈzoːnə/
noun
1. bepaald gebied dat is afgebakend van aangrenzend gebied
Zone
/
ˈzɔneˌklɪps/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
Sonnenfinsternis
adverb
1. als dit niet het geval zou zijn
sonst
noun
1. de zichtbare elektromagnetische straling van de ster waarrond onze aarde draait
Sonnenlicht
/
'zɔnəʔenɛr'ɣi/
noun
1. energie die gewonnen wordt uit de straling van de zon
Sonnenenergie
Solarenergie
/
ˈzɔnəban/
noun
1. de cirkel aan de hemel die de zon in één jaar schijnt te doorlopen, in werkelijkheid dus de aardbaan
Eklíptik
/
zɔnəbɑt/
noun
het doelbewust de huid aan de stralen van de zon blootstellen om bruin te worden
Sonnenbad
verb
1. een of meerdere zonnebaden nemen
sonnenbaden
noun
1. iemand die in het zonlicht plaatsneemt om daarvan te genieten en meestal ook om een bruine huid te krijgen
Sonnenanbeter
noun
1. ligbank met lampen die ultraviolette stralen uitzenden waardoor de huid bruin wordt
Sonnenbank
noun
1. vensterluik met horizontale latjes, om de zonnestralen buiten te houden
Jalousie
/
ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
Sonnenblume
noun
1. de vaak pijnlijke gevolgen van een blootstelling van de huid aan een te grote dosis ultraviolet licht
Sonnenbrand
noun
1. substantie tegen verbranding van de huid
Sonnenblocker
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
Sonnenbrille
adjective
Sonnengelb
sonnengelb
/
ˈzɔ.nə.ˌjar/
noun
1. de tijd die het de aarde kost één keer rond de zon te draaien
Solarjahr
Sonnenjahr
/
ˈzɔnəpɑˌnel/, /
ˈzɔnəpɑˌnɪːɫ/
noun
1. een paneel dat stralingsenergie van de zon omzet in elektriciteit
Solarmodul
Sonnenkollektor
noun
1. regen terwijl gelijktijdig de zon schijnt
Sonnenregen
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
Sonnenschein
noun
1. plotselinge aandoening van de hersenen ten gevolge van te felle zonneschijn of te grote hitte
Sonnenstich
noun
1. keerpunt van de zon
Sonnewende
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
Sonnenfleck
/
ˈzɔnəˌwɛndə/, /
ˈzɔnəˌʋɛndə/, /
ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
Sonnenwende
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
Sonnenwind
adjective
1. zonovergoten, met zonneschijn
sonnig
noun
1. de hoogte van de zon boven de horizon
Sonnenhöhen
/
zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
Sonnenuntergang
noun
1. het opkomen van de zon
Sonnenaufgang
/
zɔnˈsɔpkɔmst/
noun
1. het 's morgens boven de horizon uitkomen van de zon
Sonnenaufgang
/
ˈzɔnsvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /
ˈzɔnsvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
Sonnenfinsternis
/
zuː/
noun
1. verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
Zoo
Tiergarten
Tierpark
/
ˈzox.diːr/, /
ˈzoːɣ.diːr/, /
ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
Säugetier
noun
- 1. onderkant van de voet
- 3. onderkant van een schaaf
Sohle
/
zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
Sohn
noun
- 2. verpleging, voorzien in een behoefte
Pflege
- 1. behoedzame overweging
Sorge
noun
1. (economie) een stelsel en systematiek voor de regulering van de zorgvoorziening
Gesundheitssystem
noun
1.
Betreuer
Bezugsperson
noun
1. een bedrijf dat tegen betaling van een premie een bepaald risico in ziektezaken voor een klant dekt
Krankenkasse
Krankenversicherer
noun
1. het aandacht besteden aan alle mogelijke details
Sorgfalt
Genauigkeit
adjective
1. met de nodige zorg
sorgsam
noun
1. hoofddeksel van een nar
Narrenkappe
Schellenkappe
/
zɑu̯t/
adjective
1. zout bevattend of zout smakend
salzig
salzartig
/
zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
Salz
Kochsalz
adjective
1. overdrachtelijk: waar alle belangwekkendheid aan ontbreekt
fade
abgeschmackt
verb
1. met zout conserveren
salzen
/
ˈzɑutˌvacə/
noun
2. tafelgereedschap dat het zout bevat en strooit
Salzstreuer
Salzfässchen
noun
1. decoratieve pot die het zout bevat
Salzfass
noun
1. een oplossing
Salzsäure
indefiniteCardinalNumeral
- 1. een bepaalde hoeveelheid
- 2. een onbepaald, bekend of bekend geacht aantal
so viel
adverb
1. tot het genoemde of bedoelde punt
so weit
/
ˈzo.zo/
adjective
so lala
solala
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
Zoologie
Tierkunde
/
zoʔo'lox/
noun
1. een wetenschapper die zich bezig houdt met de studie van dieren.
Zoologe
Zoologin
noun
1. plantaardig plankton
Zooplankton
noun
- 1. onbedwingbare drang, verslaving
Begierde
Sucht
- 1. hoorbare uitademing
Seufzer
pronoun
1. de hoogste berg van Duitsland
Zugspitze
/
zœʏ̯t/, /
zœːd/, /
zœːt/
adverb
Süd
/
zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /
zœː'.dɑ.fri.ka/, /
zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
Südafrika
noun
Merluccius capensis
Kap-Seehecht
/
ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /
ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
Südamerika
pronoun
1. regio van Tsjechië
Südböhmische Region
pronoun
1. is een randzee van de Grote Oceaan en ligt ten zuiden van China
Südchinesisches Meer
pronoun
het zuidelijk deel van Europa
Südeuropa
/
zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /
zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /
ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
Südholland
/
ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /
ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
Republik Korea
Südkorea
pronoun
1. regio van Tsjechië
Südmährische Region
noun
1. denkbeeldige cirkel op 23,439 graden zuiderbreedte
südlicher Wendekreis
pronoun
1. Noordpool
Südpol
noun
1. hoofddeksel
Südwester
/
ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
- 1. (met de mond) naar zich toe trekken
saugen
- 2. de moedermelk in zich opnemen
säugen
noun
Kolbenbolze
Kolbenzapfe
noun
Pleuel
Pleuelstange
Treibstange
noun
1. iemand die bij wijze van terugtrekking uit de wereld boven op een zuil woont
Säulenheilige
/
ˈzœʏ̯.nəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /
ˈzœː.nəx.ˌɦɛːt/, /
ˈzœː.nɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
1. het zuinig zijn
Sparsamkeit
verb
1. zwaar of gulzig drinken
saufen
noun
1. verzamelnaam voor melkproducten
Milchprodukte
noun
1. voedingsmiddel op basis van melk
Milchprodukt
adjective
1. onbezoedeld, zonder verontreiniging
sauber
rein
adjective
Reingrün
reingrün
adjective
Reinorange
reinorange
adjective
Reinweiß
reinweiß
verb
1. van verontreinigingen ontdoen
säubern
/
zɵlk/
exclamativePronoun
solch
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
Ampfer
Sauerampfer
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
Schwester
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
Schwester
/
zyːr/
adjective
1. een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
sauer
/
zyːr/
noun
- 5. pyrosis
Sodbrennen
- 1. zure vloeistof
Säure
sauer
/
ˈzyrɣrat/
noun
1. de mate waarin iets zuur is, gewoonlijk gemeten als de negatieve logaritme (-log) van de concentratie waterstofionen
Säuregrad
noun
1. fijngesneden en licht gezouten kool die enige tijd gefermenteerd is
Sauerkraut
Sauerkohl
/
ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
Sauerstoff
Oxygen
Oxygenium
adjective
1. een laag gehalte aan zuurstof bevattend
sauerstoffarm
noun
1. snoep in de vorm van een gekleurde staaf met een zoetzure smaak
Zuckerstange
noun
1. plant
Guanabana
Guanábana
Sauersack
Stachelannone
verb
- 2. aandacht vragen door met de armen heen en weer te bewegen
fuchteln
- 1. begroeten door met de hand heen en weer te bewegen
schwingen
/
zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
Schwan
adjective
van groot gewicht
schwer
noun
1. water waarin de waterstofatomen vervangen zijn door de waterstofisotoop deuterium
Schweres Wasser
noun
1. een lang, scherp wapen
Schwert
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
Schwertfisch
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
Schwertwal
adjective
1. van groot lichaamsgewicht
beleibt
korpulent
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
Gravitation
Schwerkraft
noun
Seitenhalbierende
Median
Schwerlinie
adverb
bedeutsam
gewichtig
schwerwiegend
/
ˈzwɑbər/
noun
Wischmopp
Mopp
Schwabber
/
ˈzwɑbərə(n)/
verb
1. het reinigen met een zwabber
moppen
pronoun
1. bepaalde Opperduitse streektaal
Schwäbisch
/
ˈzʋa.ɣər/
noun
Schwager
Schwiegerbruder
/
zwaɣəˈrɛs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
Schwägerin
/
zwaɣəˈrɨn/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
Schwägerin
noun
1. overslaande golf, golvende hoeveelheid water.
Schwall
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
Schwalbe
/
ˈzʋɑmə(n)/
verb
1. doelloos en onzinnig praten
schwätzen
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
schwanger
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
Schwangerschaft
noun
1. een voortijdige en kunstmatige beëindiging van een zwangerschap
Schwangerschaftsabbruch
noun
Schwangerschaftsübelkeit
noun
1. een voortijdige en kunstmatige beëindiging van een zwangerschap
Schwangerschaftsunterbrechung
noun
2. produkt dat via de urine tekenen van een zwangerschap onthult
Schwangerschaftstest
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
schwarz
Schwarz
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
schwarzes Loch
Schwarzes Loch
noun
1. betaalmiddelen die afkomstig zijn uit belastingontduiking of onwettige handel
Schwarzgeld
noun
1. een fotoafdruk in zwart-wit
Schwarz-Weiß-Foto
adjective
Schwarzblau
schwarzblau
noun
1. een publicatie van gegevens over een misstand
Schwarzbuch
adjective
Schwarzbraun
schwarzbraun
noun
1. vruchtje van Ribes nigrum
schwarze Johannisbeere
Aalbeere
noun
1./2. plant, zaden en zaaddoos Amomum subulatum
Schwarzer Kardamom
phraseologicalUnit
Schwartzmarkt
phraseologicalUnit
1. begeleider van Sint Nikolaas
(Knecht) Ruprecht
Hans Muff
Krampus
noun
1. gepelde, ongepolijste zaden van specifieke rijstsoorten (Oryza sativa), met een heel donkere kleur
roter Reis
pronoun
1. gebergte in het zuidwesten van Duitsland
Schwarzwald
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
Schwarzes Meer
noun
1. bepaald soort zee-eend, Melanitta nigra
Trauerente
adjective
Schwarzgrau
schwarzgrau
adjective
Schwarzgrün
schwarzgrün
noun
1. bepaald soort vogel, Sylvia atricapilla
Mönchsgrasmücke
/
ˈzwɑrt.rɛɪ̯.də(n)/, /
ˈzʋɑrt.rɛɪ̯.də(n)/, /
ˈzβ̞ɑrt.rɛː.də(n)/
verb
1. van het openbaar vervoer gebruik maken zonder te betalen
schwarzfahren
noun
1. iemand die van het openbaar vervoer gebruikmaakt zonder te betalen
Schwarzfahrer
adjective
Schwarzrot
schwarzrot
noun
1. iemand die zwartwerkt
Schwarzarbeiter
/
zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
Schwefel
Sulfur
verb
1. met zwaveldamp desinfecteren
schwefeln
adjective
Schwefelgelb
schwefelgelb
noun
1. een verbinding van waterstof en zwavel met de formule H₂S
Schwefelwasserstoff
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
Schwefelsäure
/
ˈzweːdə(n)/, /
ˈzʋedə(n)/, /
ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
Schweden
/
zweds/, /
zʋets/, /
zβ̞ets/
adjective
1. betreffende Zweden of het Zweeds
schwedisch
Schwedisch
/
zweds/, /
zʋets/, /
zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
Schwedisch
schwedisch
noun
Kettenkarussell
swing carousel
noun
1. een piloot die een zweefvliegtuig bestuurt en/of die de sport zweefvliegen beoefent
Segelflieger
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
Segelflugzeug
Segler
noun
1. vliegveld waar men zweefvliegen beoefend
Segelflugplatz
noun
Beigeschmack
Hauch
Schimmer
Spur
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
Schweiß
noun
1. de geur van zweet
Schweißgeruch
noun
1.een klier in het lichaam dat zweet produceert
Schweißdrüse
noun
1. de geur van zweet
Schweißgeruch
noun
1. verkleurde of natte plek door zweten
Schweißfleck
noun
- 1. oud model fluit
- 2. eenhandsfluit
- 3. oud orgelregister
Schwegel
/
zʋɛlɣə(n)/
verb
- 1. gulzig opeten of -drinken
prassen
schlemmen
- 2. zich onmatig verlustigen in, te buiten gaan aan
schwelgen
suhlen
verb
1. in volume toenemen
anschwellen
schwellen
/
ˈzwɛmbɑd/, /
ˈzʋɛmbɑt/, /
ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
Schwimmbad
Schwimmbecken
noun
Schwimmbrille
Schwedenbrille
noun
1. kledingstuk voor mannen dat gebruikt wordt om in te zwemmen
Badehose
noun
1. de carrière van een zwemmer of zwemster
Schwimmkarriere
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
Badebekleidung
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
schwimmen
Schwimmen
noun
Fußpilz
Epidermophytie
/
'zʋɛmvlis/
noun
- 2. schoeisel
Schwimmflosse
Flosse
- 1. huidplooi
Schwimmhaut
/
'zʋɪːrə(n)/
verb
- 2. etteren
eitern
- 1. met een eed bekrachtigen
schwören
noun
1. een tocht zonder een vastgesteld reisplan
Streifzug
/
'zʋɛrvə(n)/
verb
1. doelloos of nomadisch heen en weer reizen
umherstreifen
durchstreifen
/
'zʋevɪŋ/
noun
1. een geluidsverschijnsel dat veroorzaakt wordt door de interferentie van twee tonen met een gering verschil in toonhoogte
Schwebung
noun
1. klierachtig, hormoonvormend orgaan
Thymus
Bries
Thymusdrüse
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Zwiefalten
noun
- 2. gratie, elegantie
Eleganz
- 1. draai, zwaai
Schwung
verb
1. ervan afzien te spreken
schweigen
/
'zʋɛɪxɛlt/
noun
Schweigegeld
adjective
1. weinig sprekend
schweigsam
noun
1. een bende, een vuile troep
Schweinerei
noun
1. iemand die een kudde zwijnen hoedt
Schweinehirt
/
ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
Schweinestall
noun
- 2. een heraldische figuur in de vorm van de kop van een zwijn
Schweinekopf
- 1. een oud gerecht vervaardigd van de kop van een varken of wild zwijn
Schweinskopf
/
zʋɪk/
noun
- 4. het zwikken, verstuiking
Distorsion
Verstauchung
- 2. hoekstuk tussen een cirkel en de rechthoekige omlijsting hiervan
Spandrille
Zwickel
- 1. een houten pin, wig
Zapfhahn
Zwickel
verb
2. een verdraaiing of verstuiking verkrijgen
verstauchen
/
'zʋɪŋəl/
noun
1. houten werktuig om vlas- en hennepvezels van de scheven te bevrijden
Flachsschwinge
Hanfschwinge
/
zʋɪŋələ(n)/
verb
1. van vlas- of hennepvezels de aanhangende houtdeeltjes met een zwingel verwijderen
schwingen
/
'zʋɪŋəlmolən/
noun
1.
Flachsschwingerin
Bokemühle
pronoun
- 1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
- 2. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Zwingenberg
/
ˈzwɪtsər/, /
ˈzʋɪtsər/, /
ˈzβ̞ɪtsər/
noun
1. een inwoner van Zwitserland, of iemand afkomstig uit Zwitserland
Schweizer
pronoun
1. verzamelnaam voor een groep Duitse dialecten die gesproken worden door ongeveer zes miljoen mensen in Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Liechtenstein en Oost-Frankrijk
Schweizerdeutsch
/
ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /
ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /
ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
Schweiz
noun
1. Duits zoals dat in een Zwitserland wordt gesproken
Schweizerdeutsch
adjective
1. vochtig warm, drukkend, benauwd
schwül
/
zi'mozə/
noun
1. de fermentatie van suikers door gist
Fermentation
pronoun
1. een groep eilanden in de Oostzee die tot Finland behoren, maar geheel Zweedstalig zijn
Ålandinseln
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Ötisheim
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Saarland
Überherrn
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Überlingen
interjection
1. inleiding op een opmerking die met het voorgaande verbonden is
apropos
/
ˈɔŋstrøm/
noun
1. lengtemaat met een waarde van 10-10 m
Ångström
/
eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
eins
ein
adverb
ongeacht de omstandigheden
überhaupt