/ˌsxraːvə(n)ˈɦaːɣə/, /ˌsχravə(n)ˈɦaχə/
pronoun
1. een stad en gemeente in de Nederlandse provincie [[Zuid-Holland]]
L'Aia
/ˌsɛrtoɣə(m)ˈbɔs/, /ˌsɛrtoχə(m)ˈbɔs/
pronoun
1. stad en gemeente in Noord-Brabant
  1. 's-Hertogenbosch
  2. Boscoducale
/aka'pɛla/
adverb
1. zonder instrumentale begeleiding
  1. a cappella
  2. a capella
pronoun
1. een stad in Denemarken
Åbenrå
noun
1. streling, liefkozing
carezza
verb
1. zachtjes strelen
accarezzare
noun
1. lang vaartuig met een platte bodem en een brede boeg
  1. chiatta
  2. barca
  3. chiatta rimorchiata
noun
  1. 3. paling
  2. 4. kleine en jonge paling
anguilla
noun
1. bepaald soort struik met eetbare rode bessen Ribes rubrum
  1. ribes
  2. ribes rosso
noun
1. geestelijke voor militairen, gevangenen en leden van jeugdbewegingen
elemosiniere
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalacrocorax
cormorano
noun
incudine
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
emorroidi
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
emorroidi
adjective
1. (predicatief) actief, in bedrijf
a
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
incudine
verb
1. bij iemand (aan de deur) bellen
sonare all'uscio
verb
dare a cottimo
noun
1. een kans om uitgekozen te worden voor een werk of levering
cottimo
noun
1. een eerste betaling bij het kopen van iets op afbetaling of in termijnen
acconto
adjective
1. een aanbeveling verdienend
raccomandabile
noun
  1. raccomandazione
  2. consiglio
noun
1. een brief waarin men iets of iemand aanbeveelt
lettera di raccomandazione
adjective
1. waard om aanbeden te worden
adorabile
verb
1. vereren van een god of heilige door daar een gebed aan te richten
adorare
noun
ammiratore
verb
offrire
noun
1. iets voordelig te koop aanbieden
offerta
noun
1. de blik van iemand
aspetto
noun
1. een aanbieding
offerta
verb
abbraciacchiarsi
verb
2. beginnen van tijd
sorgere
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
attenzione
noun
1. waardepapier
azione
noun
1. eigenaar van aandelen, actionaris
azionista
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
azionista
noun
1. het recht op het kopen en verkopen van aandelen tegen vastgestelde prijzen op een afgesproken datum
diritto do opzione
noun
1. het totaal van aandelen die iemand beheert
pacchetto azionario
noun
memoria
noun
2.
commozione
adjective
  1. commovente
  2. toccante
verb
  1. 2. iets in werking stellen
    accendere
  2. 1. vaster draaien
    stringere
noun
albero di transmissione
verb
2. doen bewegen
azionare
noun
1.
propulsione
verb
  1. 2. iets proberen te verkrijgen
  2. 1. doorgaan met verzoeken
insistere
verb
1. vaster drukken
premere
verb
1. aanwijzen
indicare
/'ʔan.dɵr.və(n)/
verb
1. Moed hebben
osare
verb
1. vaster duwen
premere
noun
1. iets dat belachelijk of schandelijk is
  1. derisione
  2. marameo
verb
1. betreffen
concernere
adjective
1. bij de geboorte verkregen eigenschappen
innato
adjective
1. een staat waarin je verkeert als iets je emotioneel geraakt heeft
commosso
adjective
1. een positief gevoel oproepend
piacevole
adjective
2. een beetje dronken
brillo
verb
2. aanduiden
indicare
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
  1. dato che
  2. visto che
  3. per quanto
noun
  1. 2. formulier of schriftelijke verklaring waarmee werd aangegeven
    1. denuncia
    2. dichiarazione dei redditi
    3. dichiarazione doganale
  2. 1.1. het melden van een delict bij de politie; aangifte doen
    1. denuncia
    2. presentare una denuncia
adjective
1. rechtstreeks grenzend aan iets anders
limitrofo
verb
commuovere
adjective
1. aandoenlijk, ontroerend
  1. commovente
  2. toccante
verb
2. toenemen
accrescersi
verb
2. eigen of andermans woorden ontlenen
citare
adjective
1. lief doend, geneigd tot toenadering
carezzevole
noun
1. een letterlijke passage die door iemand anders aangehaald wordt uit een bron
citazione
noun
1. leesteken om geciteerde woorden van die van de auteur te onderscheiden
virgolette
noun
1. iemand die gelooft in een bepaald idee, of die een bepaalde groep of persoon steunt.
aderente
noun
1. toevoegsel
appendice
noun
rimorchio
adjective
affezionato
noun
  1. 4. aanspreking aan het begin van een brief
    esordio
  2. intonazione
verb
intonare
verb
2. arresteren
arrestare
adverb
continuo
noun
arresto
verb
guardare
noun
1. bij de rechtbank ingediende beschuldiging of klacht
indizio
verb
1. iemands handelingen bij een hof aanhangig maken met een officiële beschuldiging
accusare
noun
1. iemand die een proces aanspant
accusatore
verb
1. enteren
abbordare
verb
1. kloppen om binnen te komen
picchiare (alla porta)
verb
1. een bestemming bereiken
arrivare
noun
1. de bestemming bereiken, het aankomen
arrivo
verb
1. bekendmaken
annunziare
noun
1. datgene wat men aankoopt
acquisto
noun
1.
costruzione
adjective
1. verleidelijk ogend
allettante
noun
3. een loop of tred voorafgaand aan een sprong, duik, enzovoort
rincorsa
verb
1. zich opgeven
annunziare
verb
  1. ormeggiare
  2. amarrare
noun
osservazione
verb
1. moed inspreken
animare
adjective
accettabile
verb
1. overnemen
adottare
/ˈaːneːmər/
noun
1. iemand die een (bouw)werk uitvoert tegen een bepaalde prijs
appaltatore
verb
1. aanvatten
afferrare
adjective
1. in staat om zich aan te passen
adattabile
/ˈaːmpɑsə(n)/
verb
1. aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken
  1. aggiustare
  2. adattare
noun
2. het zich aanpassen
adattamento
noun
1. affiche
manifesto
/ˈanrakˌsxɛrm/, /ˈanrakˌsχɛrm/
noun
1. een beeldscherm dat ook als invoerapparaat voor een computer kan worden gebruikt door het scherm aan te raken.
  1. schermo tattile
  2. schermo a sfioramento
  3. touchscreen
verb
1. raad geven om iets te doen
consigliare
verb
1. fysiek contact maken met iets
toccare
noun
1. het aanraken
contatto
noun
1. botsing met een voertuig
collisione
verb
1.
chiamare
verb
1. kopen
  1. comprare
  2. acquistare
/ˈanslœytɪŋ/
noun
comunicazione
verb
1. opwekken
eccitare
noun
  1. 2. de gelegenheid om te praten
    discorso
  2. 3. aanspraak maken
    1. reclamare
    2. pretendere
adjective
1. verantwoordelijk, om vergoeding of betaling aangesproken kunnen worden
responsabile
noun
responsabilità
noun
1. overeenkomst waarbij je premie betaalt aan een verzekeraar zodat die zal betalen voor schade die je per ongeluk veroorzaakt of waarvoor je verantwoordelijk wordt gehouden
assicurazione di responsabilità civile
adjective
prossimo
adverb
contagioso
noun
1. apparaatje om vuur te maken
accendino
verb
1. benoemen
nominare
noun
affettazione
noun
1. benoeming in een functie, dienst etc.
nomina
verb
1. veroorzaken
istigare
adverb
1. binnen zeer korte tijd
subito
adverb
scandaloso
noun
1. een telbare hoeveelheid
numero
verb
1. (langzaam) beschadigen, aangrijpen
attaccare
noun
2. klein formaat bundel onbeschreven papier die men bij zich draagt om opmerkingen in op te schrijven
taccuino
verb
1. opschrijven om te onthouden
raccomandare
noun
annotazione
noun
1. de werkwoordsmodus die de gewone werkelijkheid aangeeft
indicativo
verb
1. ontmoeten, vinden
incontrare
adjective
1. bekoorlijk
attraente
verb
1. dankzij een kracht objecten naar zich toe doen bewegen
  1. attrarre
  2. attirare
verb
2. accepteren, in bezit ontvangen
accettare
noun
1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven
  1. assalto
  2. attacco
verb
assalire
noun
  1. 2. een persoon in de voorste linie
  2. 1. iemand die aanvalt
attaccante
adverb
1. in het begin
di prima
noun
1.
collisione
verb
1. vegend reinigen
spazzare
noun
1. werkwoordswijs van mogelijkheid
congiuntivo
noun
1. een bevelhebber, een leider
capo
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
domanda
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
domanda
verb
1. verzoeken, min of meer officieel
domandare
/ˈanvʏlə(n)/
verb
1. het ontbrekende bijvoegen
empire
adjective
1. die of dat aanvult
  1. addizionale
  2. supplementare
noun
complimento
noun
1. hebbelijkheid
vizio
adjective
presente
noun
1. het aanwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
presenza
verb
1. door wijzen tonen
designare
noun
1. het aanwijzen
indicazione
noun
1. iets nieuws dat erbij komt
acquisto
noun
riguardo
adjective
1. voornáám, groot
notabile
/ˈanzuk/
noun
in te delen vertalingen
richiesta
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
scimmia
noun
  1. 1. bloeiwijze van granen
  2. 2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
spiga
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
patata
/ˈar.dɑ.pɔɫ.ke.vər/, /ˈar.dɑ.pəɫ.ke.vər/, /ˈaːrd.ɑ.pəl.ke.vər/
noun
1. bepaald soort tor, Leptinotarsa decemlineata
dorifora della patata
noun
fecola di patate
/ˈardɑpəɫˌmɛʃə/
noun
1. een mesje voor het schillen van aardappelen
sbucciapatate
/ˈardɑˌpəɫpyˈre/
noun
1. een puree van zeer fijn gemaakte, met melk aangemengde aardappels
purè di patate
noun
1. een salade die gemaakt wordt uit aardappelen
  1. insalada di patate
  2. insalata di patate
noun
1. soep op basis van blokjes aardappel
zuppa di patate
noun
asse della terra
noun
1. een baan die de aarde rond de zon volgt
orbita terrestre
/\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
fragola
noun
1. bepaald soort plant, Arbutus unedo
corbezzolo
adjective
rosso fragola
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
  1. terremoto
  2. sisma
noun
1. bewoner van de planeet aarde
abitante della terra
noun
  1. suolo
  2. terra
  3. terreno
/ʔardbɔl/
noun
globo
/ˈardə/
pronoun
Terra
/ˈardə/
noun
  1. 1. planeet
  2. 2. grond
terra
adjective
buio pesto
noun
  1. ceramica
  2. terraglie
/artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
gas naturale
noun
1. het ontginnen van aardgas
estrazione di gas naturale
/ˈart.ɦɔ.mɔɫ/, /ˈart.ɦɔ.məɫ/, /ˈaːrd.hɔ.məl/
noun
1. benaming voor insecten uit vier nauw verwante soorten hommels, Bombus (Bombus), die hun nest onder de grond hebben
bombo
/ˈar.dəx/, /ˈar.dəχ/, /ˈaːr.dɪx/
adjective
1. aangenaam in omgang
  1. piacevole
  2. buono
  3. gentil
noun
1. kleine attentie of gift die iemands waardering of genegenheid uitdrukt
celia
noun
1. de aarde, de blauwe planeet
globo
/ˈart.kɔrst/
noun
1. het buitenste gedeelte van de planeet Aarde
crosta terrestre
noun
geologia
/ˈartpɪːr/
noun
bepaald soort zonnebloem, Helianthus tuberosus
  1. topinambur
  2. girasole articiocco
/ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
geografia
noun
geografo
adjective
1. betrekking hebbende op de aarde, tot de aarde behorend
  1. terrestre
  2. terreno
noun
1. een plotselinge aardbeving
  1. scossa sismica
  2. scossa tellurica
/ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
oritteropo
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
frana
noun
sciences della terra
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Argovia
pronoun
1. een Waalse provinciehoofdstad
Arlon
noun
1. en 2. (blaadjes van) de plant Mentha spicata
  1. menta romana
  2. menta gentile
  3. menta spicata
/ˈaːrz.bɪz.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪs.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪz.dɔm/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
arcidiocesi
/ˈaːrzbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
arcivescovo
/ˈaːrz.di.jo.ˌses/, /ˈaːrʦ.di.ʲo.ˌses/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
arcidiocesi
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
arciduca
noun
arciducato
noun
1. adellijke titel, vrouw van een aartshertog
arciduchessa
noun
arciprete
/ˈarzələ(n)/
verb
1. onzeker zijn, twijfelen
esitare
noun
1. onzekerheid, twijfel, weifel
esitazione
noun
1. speelkaart
asso
noun
saprofago
/'as.xir/
noun
  1. 1. bepaald soort roofvogel, Neophron percnopterus
  2. 2. iemand die profijt probeert te halen uit de tegenslag van iemand anders
avvoltoio
/ˈɑbɑkʏs/
noun
  1. 1. raam met staven
  2. 2. dekplaat van een kapiteel
abaco
/a.bɑ.ˈtwaːr/, /ɑ.bɑ.ˈtβ̞ar/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
macello
pronoun
1. West-Kaukasische taal gesproken in Rusland en Turkije
lingua abazina
adjective
1. betrekking hebbend op een abt of een abdij
abbaziale
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
abbreviazione
noun
1. een ophoping van pus in het lichaam, daarbij een onnatuurlijke holte vormend
ascesso
/ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
  1. abcaso
  2. lingua abcasa
noun
abdicazione
/ɑbˈdɛɪ̯/, /ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
  1. abbazia
  2. badia
/ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
badessa
noun
addome
/ˌɑbdoʊmiˈnaːɫ/
adjective
1. de onderbuik betreffend
addominale
noun
wegvoering
abduzione
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus alba
pioppo bianco
noun
aberrazione
/ˌɑb.la.ˈtif/, /ˌɑb.la.ˈtiːf/
noun
1. de zesde naamval die onder meer de instantie aangeeft waarvan iets uitgaat of vertrekt
ablativo
/ˈɑb.laut/, /ˈɑp.lɔut/, /ˈɑp.lʌut/
noun
1. regelmatige, grammaticaal bepaalde klinkerwisseling
apofonia
adverb
1. ongewoon
  1. anormale
  2. abnorme
/ɑbɔ'ne/
noun
1. iemand die op iets geabonneerd is
abbonato
noun
abbonamento
/ɑbɔ'nerə(n)/
verb
1. een abonnement aangaan
abbonarsi
noun
  1. albicocca
  2. albicocco
pronoun
Abruzzo
noun
1. de afstand tot de opstaande as van een coördinatenstelsel
ascissa
/ɑp'sɛnt/
adjective
assente
/ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
assenzio
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
  1. assenzio maggiore
  2. assenzio
noun
1. grootte van een reëel getal of lengte van een andere grootheid
valore assoluto
/ɑpso'lysi/
noun
1. het vergeven van de zonden
assoluzione
/ɑpsɔr'berə(n)/
verb
assorbire
noun
assorbimento
/ɑp'strɑksi/
noun
1. een begrip dat los staat van de dagelijkse werkelijkheid
astrazione
/ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
assurdo
/ɑb/, /ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
abate
/aˈbœys/
noun
sbaglio
noun
accademia
noun
acanto
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van mijten en teken
acarologia
noun
1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
accento
/ɑksɛp'terə/
verb
  1. 1. aanvaarden
  2. 2. aannemen, graag ontvangen
accettare
noun
1. belasting die direct geheven wordt bij de aan- en verkoop van verbruiksgoederen
accisa
verb
1. aan een andere omgeving wennen
acclimatare
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
fisarmonica
noun
1. een toestel om elektriciteit op te slaan
accumulatore
noun
1. toestel dat de opeenhoping van elektrische lading mogelijk maakt
accumulatore
/ˌɑkusaˈtif/, /ˌɑkyzaˈtiːf/
noun
1. naamval voor het lijdend voorwerp
accusativo
noun
1. bepaald soort plant, Malpighia emarginata
malpighia glabra
noun
1. een ester of zout afgeleid van azijnzuur
acetato
/ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
acetilcolina
/ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
acetilene
/xxxx/
noun
1.
acido acetilsalicilico
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
Achille
noun
1. kwetsbare plaats
tallone d'Achille
cardinalNumeral
1. het getal 8
otto
/ˈɑxtbaːn/
noun
1. een attractie met een karretje dat over een baan met bochten, stijgingen en dalingen rijdt
  1. otto volante
  2. montagne russe
adjective
1. zonder de vereiste belangstelling of zorg
negligente
noun
1. gebrek aan aandacht voor mogelijke problemen
noncuranza
cardinalNumeral
1. het getal 38
trentotto
cardinalNumeral
1. het getal 98
novantotto
cardinalNumeral
1. het getal 88
ottantotto
cardinalNumeral
1. het getal 28
ventotto
cardinalNumeral
1. het getal 48
quarantotto
cardinalNumeral
1. het getal 58
cinquantotto
cardinalNumeral
1. het getal 68
sessantotto
/ˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 78
settantotto
preposition
dietro
noun
1. een van twee of meer banden aan de achterzijde van een voertuig
pneumatico posteriore
verb
1. nog steeds ergens zijn waar anderen of iets anders niet meer aanwezig is
rimaner indietro
noun
sbandato
noun
1. een buurt die voornamelijk bewoond wordt door mensen met een laag inkomen
quartiere populare
noun
1. deur
porta di dietro
noun
1. twijfel aan de oprechte intentie
sospetto
adjective
sospettoso
adverb
1. één voor één
successivamente
noun
1. de indirecte oorzaak van actualiteiten
sfondo
noun
1. de posities op het speelveld het dichtste bij het eigen doel
retroguardia
noun
1. het achterste deel van het hoofd
occipite
noun
1. kamer gelegen langs de achterzijde van een gebouw
retrostanza
noun
1. besluitvorming zonder discussie in een volksvertegenwoordiging en met vermijding van openbaarheid
politica sottobanco
noun
1. besluitvorming zonder discussie in een volksvertegenwoordiging en met vermijding van openbaarheid
politica sottobanco
/ˈɑxtərkɑnt/
noun
retro
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
lasciare
adjective
1. achterstand vertonend in de ontwikkeling
tardivo
verb
1. een vroegere tijd aangeven dan de juiste
ritardare
/ɑxtər'na/
adverb
1. iemand of iets volgend
  1. dietro
  2. dopo
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
cognome
adjective
1. niet op tijd
arretrato
noun
1. de achterzijde van een schip
poppa
noun
1. een spiegel aan een auto of motorfiets waarmee men de situatie op de weg achter zich kan zien
retrovisore
/'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
suffisso
verb
1. iemand inhalen
perseguire
noun
1. dubbelzijdig uitgevoerde achterwielophanging van een motorfiets
forcellone
adjective
retrogrado
noun
1. een zak aan de achterkant van een kledingstuk
tasca posteriore
noun
1. een vorm met acht hoeken
ottagono
/ɑxt'ɦukəx/
adjective
1.
ottagonale
/ˈɑxtˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 800
ottocento
cardinalNumeral
1. het getal 808
ottocentotto
cardinalNumeral
1. het getal 838
ottocentotrentotto
cardinalNumeral
1. het getal 898
ottocentonovantotto
cardinalNumeral
1. het getal 888
ottocentottantotto
cardinalNumeral
1. het getal 828
ottocentoventotto
cardinalNumeral
1. het getal 848
ottocentoquarantotto
cardinalNumeral
1. het getal 858
ottocentocinquantotto
cardinalNumeral
1. het getal 868
ottocentosessantotto
/ˌɑxthɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 878
ottocentosettantotto
cardinalNumeral
1. het getal 818
ottocentodiciotto
cardinalNumeral
1. het getal 813
ottocentotredici
cardinalNumeral
1. het getal 830
ottocentotrenta
cardinalNumeral
1. het getal 803
ottocentotré
cardinalNumeral
1. het getal 833
ottocentotrentatré
cardinalNumeral
1. het getal 893
ottocentonovantatré
cardinalNumeral
1. het getal 883
ottocentottantatré
cardinalNumeral
1. het getal 823
ottocentoventitré
cardinalNumeral
1. het getal 843
ottocentoquarantatré
cardinalNumeral
1. het getal 853
ottocentocinquantatré
cardinalNumeral
1. het getal 863
ottocentosessantatré
/ˌɑxthɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 873
ottocentosettantatré
cardinalNumeral
1. het getal 801
ottocentouno
cardinalNumeral
1. het getal 831
ottocentotrentuno
cardinalNumeral
1. het getal 891
ottocentonovantuno
cardinalNumeral
1. het getal 881
ottocentottantuno
cardinalNumeral
1. het getal 821
ottocentoventuno
cardinalNumeral
1. het getal 841
ottocentoquarantuno
cardinalNumeral
1. het getal 851
ottocentocinquantuno
cardinalNumeral
1. het getal 861
ottocentosessantuno
/ˌɑxthɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 871
ottocentosettantuno
cardinalNumeral
1. het getal 811
ottocentoundici
cardinalNumeral
1. het getal 809
ottocentonove
cardinalNumeral
1. het getal 839
ottocentotrentanove
cardinalNumeral
1. het getal 899
ottocentonovantanove
cardinalNumeral
1. het getal 889
ottocentottantanove
cardinalNumeral
1. het getal 829
ottocentoventinove
cardinalNumeral
1. het getal 849
ottocentoquarantanove
cardinalNumeral
1. het getal 859
ottocentocinquantanove
cardinalNumeral
1. het getal 869
ottocentosessantanove
/ˌɑxthɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 879
ottocentosettantanove
cardinalNumeral
1. het getal 819
ottocentodiciannove
cardinalNumeral
1. het getal 890
ottocentonovanta
cardinalNumeral
1. het getal 880
ottocentottanta
cardinalNumeral
1. het getal 810
ottocentodieci
cardinalNumeral
1. het getal 812
ottocentododici
cardinalNumeral
1. het getal 802
ottocentodue
cardinalNumeral
1. het getal 832
ottocentotrentadue
cardinalNumeral
1. het getal 892
ottocentonovantadue
cardinalNumeral
1. het getal 882
ottocentottantadue
cardinalNumeral
1. het getal 822
ottocentoventidue
cardinalNumeral
1. het getal 842
ottocentoquarantadue
cardinalNumeral
1. het getal 852
ottocentocinquantadue
cardinalNumeral
1. het getal 862
ottocentosessantadue
/ˌɑxthɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 872
ottocentosettantadue
cardinalNumeral
1. het getal 820
ottocentoventi
cardinalNumeral
1. het getal 814
ottocentoquattordici
cardinalNumeral
1. het getal 840
ottocentoquaranta
cardinalNumeral
1. het getal 804
ottocentoquattro
cardinalNumeral
1. het getal 834
ottocentotrentaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 894
ottocentonovantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 884
ottocentottantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 824
ottocentoventiquattro
cardinalNumeral
1. het getal 844
ottocentoquarantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 854
ottocentocinquantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 864
ottocentosessantaquattro
/ˌɑxthɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 874
ottocentosettantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 805
ottocentocinque
cardinalNumeral
1. het getal 835
ottocentotrentacinque
cardinalNumeral
1. het getal 895
ottocentonovantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 885
ottocentottantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 825
ottocentoventicinque
cardinalNumeral
1. het getal 845
ottocentoquarantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 855
ottocentocinquantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 865
ottocentosessantacinque
/ˌɑxthɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 875
ottocentosettantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 815
ottocentoquindici
cardinalNumeral
1. het getal 850
ottocentocinquanta
cardinalNumeral
1. het getal 806
ottocentosei
cardinalNumeral
1. het getal 836
ottocentotrentasei
cardinalNumeral
1. het getal 896
ottocentonovantasei
cardinalNumeral
1. het getal 886
ottocentottantasei
cardinalNumeral
1. het getal 826
ottocentoventisei
cardinalNumeral
1. het getal 846
ottocentoquarantasei
cardinalNumeral
1. het getal 856
ottocentocinquantasei
cardinalNumeral
1. het getal 866
ottocentosessantasei
/ˌɑxthɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 876
ottocentosettantasei
cardinalNumeral
1. het getal 816
ottocentosedici
cardinalNumeral
1. het getal 860
ottocentosessanta
/ˌɑxthɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 807
ottocentosette
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 837
ottocentotrentasette
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 897
ottocentonovantasette
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 887
ottocentottantasette
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 827
ottocentoventisette
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 847
ottocentoquarantasette
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 857
ottocentocinquantasette
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 867
ottocentosessantasette
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 877
ottocentosettantasette
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 817
ottocentodiciassette
/ˌɑxthɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 870
ottocentosettanta
noun
1. aanzien
stima
noun
ottavo
noun
1.
croma
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
diciotto
ordinalAdjective
diciottesimo
noun
acne
noun
1. gymnast
acrobata
noun
acronimo
noun
1.
acrilico
noun
acrilonitrile butadiene stirene
/ɑkˈtør/
noun
1. persoon
attore
noun
azione
adjective
1. met iets bezig zijnde
attivo
noun
gruppo di azione
noun
1. Scheikundig element
attinio
noun
1. in geld uitgedrukte waarde van de bezittingen van een onderneming
attivo
noun
1. iets waarmee men actief is
attività
noun
1. bedrijvende vorm
  1. attivo
  2. diatesi attiva
noun
1. vrouw
attrice
verb
attualizzare
noun
attuario
/ɑktyˈwel/
adjective
attuale
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
agopuntura
/aˈkyt/
adjective
1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend
acuto
/aˈdaɣijʏm/
noun
1.
adagio
pronoun
Adamo
/ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
pomo d'Adamo
noun
  1. 1. gifslang
  2. 2. persoon
vipera
noun
1. chemisch product
additivo
noun
1. bevoorrechte groep personen
nobiltà
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
aquila
/adəm/
noun
fiato
/ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
respirare
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
respirazione
noun
1. bloedvat met zuurstofarm bloed
  1. vena
  2. filone
/ɑtˈhezi/
noun
  1. 2. onderlinge aantrekkingskracht tussen ongelijke moleculen zonder dat er sprake is van een chemische binding
  2. 1. een vergroeiing van organen
adesione
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
aggettivo
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
aggettivo
/ˌɑtminɪsˈtrasi/, /ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
  1. 1. de plaats waar gegevens zorgvuldig worden vastgelegd zodat ze later terug te vinden of te controleren zijn
  2. 3. bestuur
amministrazione
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
ammiraglio
noun
1. de reciproke complexe impedantie
ammettenza
verb
1. een kind aannemen
adottare
noun
adozione
/aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
indirizzo
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
mare Adriatico
noun
1. een fenomeen dat optreedt aan het grensvlak van twee fasen, waarbij moleculen of atomen zich aan dit grensvlak hechten
adsorbimento
/ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis    2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
  1. Avvento
  2. avvento
noun
1. de kalender bestaat vaak uit een platte kartonnen doos waarin 24 genummerde vakjes zijn aangebracht
calendario dell'avvento
noun
1. een aankondiging in een krant, reclameblad, tijdschrift ...
annunzio
noun
1. een gegeven raad
avviso
noun
1. raadgever, raadsman
consigliere
noun
1. pleiter, verdediger in rechtszaken
  1. avvocato
  2. legale
noun
aerodinamica
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die een toon voortbrengen door een trillende luchtkolom
aerofono
adjective
1.
aerobico
/ˌæːroˈzol/, /ˌɛːroˈzɔɫ/
noun
2. scheikunde
aerosol
adverb
1. op onregelmatige tijden
di tanto in tanto
noun
1. het onvermogen te spreken
  1. afasia
  2. afemia
noun
1. een grafisch beeld
immagine
verb
1. niet aanraken
non toccare
verb
1. een pak of ander kledingstuk van aanklevende haren of stof ontdoen met een borstel
spazzolare
/'ɑfbrak/
noun
1. afbreken, slopen
demolizione
verb
1. geheel door brand teloorgaan
bruciare
verb
1. met de grond gelijk maken
demolire
verb
sbriciolare
/ˈɑf.dɑk/, /ˈɑv.dɑk/
noun
1. een schuin van een gebouw uitstekend stuk dak dat beschutting verleent aan de buitenmuur
tettoia
verb
1. naar een lagere hoogte gaan
  1. discendere
  2. scendere
verb
1. wegdoen vanwege gebrek aan nut
congedare
/ˈɑfdelɪŋ/
noun
1. groep van werknemers die aan soortgelijke taken werken
divisione
adjective
1. toereikend om het probleem op te lossen
efficace
noun
1. resultaat van het afdrukken
impronta
noun
1. een vrij fors stuk drukwerk dat op muren of ramen aangebracht kan worden
affisso
verb
affiliare
noun
1. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
affisso
noun
affusto
adjective
1. oud en versleten
decrepito
/ɑf.ˈxan/, /ɑf.ˈχan/
noun
  1. 1. Afghaanse windhond
    (levriero) afgano
  2. 2. Afghaans tapijt
    tappeto afgano
/ɑf.ˈxans/, /ɑf.ˈχans/, /ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
afghano
/ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
  1. Afghanistan
  2. Afganistan
noun
calco
/'ɑfxɔt/
noun
idolo
/ˈɑfxrɔnt/, /ˈɑfχrɔnt/, /ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
abisso
/ˈɑfxɵnst/, /ˈɑfxʏnst/
noun
1. gevoel
gelosia
adjective
1. iemand niet gunnen dat die iets heeft dat men zelf wil hebben
invidioso
verb
1. regelen zodat het tot een einde komt
terminare
verb
1. ~ van: naargelang iets verandert mee veranderen
dipendere
adjective
dipendente
noun
dipendenza
noun
1. een sterke behoefte om zich tegen iets te keren
avversione
verb
1. niet geschikt verklaren
disapprovare
noun
1. het uitspreken van een negatief oordeel over iets
disapprovazione
noun
1. een proces waarbij de temperatuur geleidelijk lager wordt
rinfrescamento
verb
estrarre
noun
origine
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
abbreviazione
/ˈɑflat/
noun
1. een kwijtschelding van tijdelijke straffen die men zou moeten ondergaan na het sterven..
indulgenza
verb
1. de aandacht opvragen
distrarre
noun
1. een gebeurtenis of activiteit die de gedachten op iets anders richt
distrazione
verb
1. leren iets niet langer te doen of een fout in het geleerde te verbeteren
disimperare
verb
1. brengen naar en achterlaten op de plek van bestemming
consegnare
/ˈɑflop/, /ˈɑfloːp/
noun
1. einde
fine
/ˈɑflopə(n)/, /ˈɑfloːpə(n)/
verb
1. eindigen
finire
verb
1. onder dreiging van geweld iemand geld afnemen
estorcere
verb
dissuadere
verb
1. een plaats verlaten om aan een reis te beginnen
partire
verb
1. een aankoop of schuld betalen
  1. pagare
  2. saldare
/ˈɑfrekənɪŋ/
noun
2. een moord in het criminele circuit
liquidazione
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
Africa
/afriˈkaːns/
adjective
1. komende van of betreffende het continent Afrika
africano
/afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
afrikaans
noun
1.
afrodisiaco
verb
1. het vervangen van een getal met te veel decimalen door het meest dichtbije getal met het gewenste aantal decimalen
arrotondare
verb
1. tot een einde brengen
abolire
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
  1. congedo
  2. addio
verb
1. afzonderen, uit de aanwezigheid van iets verwijderen
disgiungere
noun
separazione
verb
2. met een scheurbeweging losmaken
staccare
noun
1. een jaarlijks afgeboekt bedrag op een begroting om in rekening te brengen dat sommige goederen een beperkte levensduur beziten
  1. ammortamento
  2. ammortizzamento
noun
1. hevige afkeer
ripugnanza
/ɑfˈsxyu̯ələk/
adjective
orribile
verb
1. iets weigeren aan te nemen
battere
/'ɑf.slœy.tə(n)/
verb
1. zorgen dat iets of iemand niet in, uit of door iets kan gaan, alle openingen dicht doen
chiudere
verb
1. ergens een stuk vanaf halen
tagliare
noun
2. belofte van twee verliefde mensen om elkaar op een bepaalde tijd en plaats te ontmoeten
appuntamento
verb
1. uit handen geven
cedere
noun
discendente
/ˈɑfstɑnt/
noun
1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
distanza
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
telecomando
/'ɑfstɛmə(n)/
verb
1. op de juiste toonhoogte brengen
sintonizzare
verb
1. er een stempel opzetten
timbrare
verb
1. ontdoen van stof
spolverare
verb
repellere
noun
1. het weggaan
ritiro
noun
1. de eerste trap vanuit de middencirkel bij het begin van speeltijd van een voetbalwedstrijd
calcio d'inizio
verb
1. een bepaalde positie of een bepaald ambt opgeven
dimettersi
noun
te controleren vertalingen
deduzione
verb
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
sottrarre
/ˈɑftrɛkɪŋ/
noun
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal van een ander getal afgetrokken wordt
sottrazione
/ˈɑftrɛksəɫ/
noun
1. een vloeistof waarin men de oplosbare delen van iets heeft laten oplossen
infusione
noun
1. bak waar het afval in wordt gedeponeerd totdat de vuilnisdienst het ophaalt
secchio delle immondizie
/ ˈɑfɑlə(n) /
verb
  1. 3. ontrouw worden aan zijn geloof
    apostatare
  2. 1. gewicht verliezen.
    dimagrire
adjective
1. niet trouw of loyaal aan
apostata
noun
1. het ontrouw worden aan zijn geloof
apostasia
noun
1. water dat gebruikt is in de industrie of in het huishouden en dat na gebruik geloosd wordt
acque reflue
/ˈɑfwɑxtə(n)/, /ˈɑfʋɑxtə(n)/, /ˈɑfʋɑχtə(n)/
verb
1. wachten op wat er gaat gebeuren
aspettare
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
lavastoviglie
/'ɑfwɑsə(n)/, /'ɑfʋɑsə(n)/, /'ɑfβ̞ɑsə(n)/
verb
[1] het schoonmaken van de vaat, zoals, messen, vorken, lepels, borden
lavare
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
lavastoviglie
noun
1. de paden waarlangs water uit een stuk land afgevoerd kan worden
scarico
/ɑfwergəsxʌt/
noun
1. verzamelterm voor vuurwapens waarmee verdedigers aanvallende vliegtuigen kunnen bestoken
artiglieria antiaerea
verb
1. de laatste en kleine details afmaken
terminare
adjective
1. niet op een bepaald tijdstip en plaats zijn
assente
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
assenza
verb
1. niet de gangbare norm volgen
deviare
verb
1. een negatieve beslissing ergens over nemen
rifiutare
/ˈɑfʋɪsələ(n)/
verb
1. om en om plaatsvinden
alternare
adjective
1. elkaar vervangend
alternatamente
verb
1. naar beneden glijden
scendere
verb
1. aangeven dat men niet gaat komen
disdire
verb
1. iets met een bode of koeriersdienst meegeven ten einde het ergens te laten bestellen
spedire
noun
1. iemand die iets naar een adres verzendt
mittente
noun
consumo
noun
mercato
noun
estorzione
/ɑf'sɪxtələk/
adjective
orrendo
/ˈɑfˌsɔnd(ə)rən/
verb
1. uit de groep halen
isolare
/ˈɑfzœʏχkɑp/, /ˈɑfzœːxkɑp/
noun
1. een huishoudelijk apparaat in de keuken dat de kookluchtjes moet afvoeren
cappa
noun
  1. 1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
  2. 2. een stenen voorwerp bestaande of vervaardigd uit agaat
agata
adjective
grigio agata
noun
2. een vertegenwoordiger van een bedrijf
agente
noun
1. elk van de toestanden, afhankelijk van druk en temperatuur, waarin een stof kan voorkomen
fase (chimica)
noun
agnosticismo
adjective
agnostico
noun
agorafobia
noun
aggressione
adjective
1. aanvallend
  1. aggressivo
  2. aggressiva
noun
  1. 1. de neiging tot agressie
  2. 2. het agressief zijn
aggressività
/aɣriˈmoni/
noun
1. benaming voor overblijvende, kruidachtige planten uit het geslacht Agrimonia
agrimonia
noun
1. de landbouwkunde
agronomia
/a.ˈhɔrn/
noun
1. een boom of heester van het geslacht Acer.
acero
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
  1. AIDS
  2. SIDA
noun
1. beschermingssysteem in voertuigen
airbag
pronoun
1. hoofdstad van de Franse regio Corsica
  1. Aiaccio
  2. Ajaccio
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
Aquisgrana
/'akər/
noun
2. vrucht van de eik
ghianda
noun
1. afgeperkt stuk land dat bestemd is bebouwd te worde met een gewas of graan
campo
noun
1. bepaald soort vaste plant, Cerastium arvense
peverina dei campi
noun
1. bepaald soort plant, Lapsana communis
lapsana communis
noun
2. samenklank van drie of meer, verschillende tonen
accordo
/ˌakusˈtik/
noun
1. de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting ...
acustica
noun
1. officieel schriftelijk stuk
atto
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Alagoas
/ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
albanese
/ɑlˈbaːni.jə/, /ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
Albania
noun
alabastro
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
  1. albatros
  2. albatro
noun
album
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
alchimia
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
  1. alcol
  2. alcool
adjective
1. alcohol bevattend
alcoolico
noun
  1. alcolismo
  2. alcoolismo
adjective
1. met een verwaarloosbaar alcoholgehalte
  1. privo d'alcole
  2. analcolico
adverb
1. zo, op deze manier
così
pronoun
1. verzamelnaam voor een groep Duitse dialecten die gesproken worden door ongeveer zes miljoen mensen in Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Liechtenstein en Oost-Frankrijk
alemannico
pronoun
1. keten van vulkanische eilanden in Alaska ,die zich boogvormig uitstrekt en een scheiding vormt tussen de Grote Oceaan en de Beringzee
Isole Aleutine
/ˈɑlfa/
noun
1. een aanduiding of markering van "de eerste" van een reeks
alfa
noun
de lettertekens van een taal
alfabeto
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
alfabetico
noun
1. Oryx dammah, een antilope van de droge streken in het midden-Oosten en Noord-Afrika
orice dalle corna a sciabola
/ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
algebra
/ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
Algeria
adjective
1. Uit/afkomstig van Algerije
algerino
/ɑɫˈxiːrs/, /ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
Algeri
noun
algoritmo
conjunction
1. leidt een toegeving in waarvan de hoofdzin de geldigheid wegneemt
benchè
/ˈaː.liˌbi/
noun
1. het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad,...
alibi
/aˈlinija/
noun
alinea
/ɑlk/
noun
1. bepaald soort zeevogel die veel op de zeekoet lijkt, maar een dikkere snavel heeft
gazzamarina
noun
1. een kleine raamloze zijkamer, vaak gebruikt als slaapkamer
alcova
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
Allah
/ˈɑlə/
indefinitePronoun
1. elke, geen, uitgezonderd
tutti
/ɑl.ˈen/
adjective
1. zonder gezelschap
  1. solo
  2. da solo
/ɑ.ˈlɛl/, /ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
allele
indefinitePronoun
  1. tutto
  2. tutti
adverb
1. geleidelijk over een langere tijd
gradualmente
/ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
allergia
adjective
1. overgevoelig
allergico
indefinitePronoun
differenti
pronoun
1. een rooms-katholieke feestdag op 1 november ter gezamenlijke verering van alle heiligen van de Kerk
Ognissanti
adjective
santissimo
indefinitePronoun
differenti
/ˌɑlərˈzilə(n)/
pronoun
1. Katholieke feestdag
giorno dei morti
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
tutto
adverb
tutt'altro che
noun
1. een bondgenootschap
alleanza
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
alligatore
noun
1.
allofono
/ɑɫmɑxt/
noun
1. absolute macht, macht over alles
onnipotenza
noun
almanacco
noun
alnico
adverb
1. overal, onder velen
dappertutto
noun
  1. onnipresenza
  2. ubiquità
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
aloe
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier Vicugna pacos
    alpaca
  2. 2. zilverkleurige metaallegering
    alpacca
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
Alpi
noun
  1. cembro
  2. cirmolo
noun
1. een optisch fenomeen dat net voor zonsopgang en na zonsondergang in gebergten waar te nemen is en waarbij met name besneeuwde bergtoppen een roodachtig licht weerschijnen
rossegiare delle Alpi
verb
1. sport waarbij men op ski's een heuvel of berg afdaalt.
sci alpino
phraseologicalUnit
1. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
quando il gatto non c'è, i topi ballano
noun
1. benaming voor planten van het composietengeslacht Artemisia
assenzio
conjunction
1. en ook
  1. nonché
  2. come pure
  3. così come
conjunction
1. luidt een vergelijking in
come se
noun
1. lage vrouwenstem
contralto
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
altare
/ɑltərnaˈtif/
noun
1. een andere mogelijkheid of methode
alternativa
conjunction
1. geeft in het tweede gedeelte meer specifiek aan wat er bedoeld wordt
almeno
adverb
  1. 1. op elk moment, blijvend
  2. 2. telkens opnieuw
  3. 3. in elk geval
sempre
noun
altruismo
noun
1. altviolist
violista
/ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
viola
noun
1. KAl(SO₄)₂
allume
/alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
alluminio
noun
cuprallumini
noun
1. ontsteking van de longblaasjes
alveolite
noun
  1. alburno
  2. alborella
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
pancreas
conjunction
1. luidt een handeling in die in de tijd voorafgaat aan die van de hoofdzin
avanti che
/amɑl'ɣaːm/
noun
1. kwiklegering
amalgama
noun
  1. 1. kleine bladverliezende loofboom, Amygdalus dulcis
  2. 1. eetbare pit van de amandelvrucht
  1. mandorlo
  2. mandorla
noun
mandorlo
noun
1. een mengsel van amandelen en suiker dat wordt gebruikt in o.a. gevulde speculaas en boterletters
mandorlato
noun
euforbia delle faggete
noun
1. of 2. (zaden van) geslacht Amaranthus
amaranto
noun
smeriglio
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
  1. amatore
  2. dilettante
noun
1. vrouw die iets als hobby doet en dus niet beroepsmatig
amatrice
pronoun
Rio delle Amazzoni
noun
1. een handwerkvak dat vaak aanzienlijke vaardigheden vereist
mestiere
noun
spondias dulcis
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
ambasciata
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
ambasciatore
adjective
1. vervelend, onprettig
  1. sgradevole
  2. spiacevole
/ɑmˈbi(t)si/
noun
ambizione
noun
1. officiële betrekking
ufficio
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
ambulanza
/ɑˈmɛxtəx/
adjective
1. sterk hijgend
sfiatato
pronoun
Ameland
noun
americio
/aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
  1. Americhe
  2. America
noun
  1. 1. een persoon die in Amerika woont
    1. Americano
    2. americano
  2. 2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
    1. americano
    2. americana
    3. statunitense
adjective
1. betreffende of komende van Amerika
  1. americano
  2. statunitense
noun
1. een vaak prachtig violet gekleurde vorm van kristallijn kwarts, die kleine hoeveelheden titaan en ijzer bevat
ametista
noun
mobilia
noun
1. in water en op land levend dier
anfibio
noun
1. een door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
anfora
adjective
1.
anfotero
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
amarico
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
amarico
noun
1. een organische verbinding die kan worden beschouwd afgeleid te zijn van ammoniak...
ammina
noun
  1. amminoacido
  2. aminoacido
noun
1. een chemische verbinding van stikstof en waterstof
ammoniaca
noun
1. een verklaring dat afgezien zal worden van strafvervolging voor een bepaalde groep
amnistia
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
ameba
/aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
Amos
noun
ampiezza
noun
1. dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
ampolla
verb
1. een lichaamsdeel chirurgisch verwijderen
amputare
noun
ampere
/ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
Amsterdam
adjective
1. met betrekking tot de darmuitgang van de mens
anale
noun
anacoreta
noun
anacronismo
/ɑnakroˈnɪstis/
adjective
1. niet passend in de tijdsvolgorde of in de periode waarin het wordt gepresenteerd
anacronistico
/anaˈkɔnda/
noun
1. zeer grote en zware wurgslang uit het geslacht Eunectes
anaconda
noun
1. een pijnstiller
analgesico
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
analogia
/ɑnɐ'liːzə/
noun
analisi
verb
1. gedetailleerd en nauwkeurig bekijken
analizzare
noun
1. een vraaggesprek naar de ziektegeschiedenis
anamnesi
noun
1. een vrucht van de ananasplant
  1. ananas
  2. ananasso
noun
anarchismo
noun
anatomia
adjective
1. met betrekking tot de anatomie
anatomico
noun
1. een persoon die kennis draagt van de (menselijke) anatomie
anatomista
pronoun
Andalusia
pronoun
Andalusia
adjective
1. niet deze
altro
cardinalNumeral
uno e mezzo
adverb
all'inverso
adverb
in altro modo
pronoun
Ande
noun
1. Cichorium endiva, een eetbaar eenjarig gewas dat nauw verwant is aan witlof
indivia
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
Andorra
adjective
1. van/uit Andorra
andorrano
noun
andrologo
pronoun
    1. 1. mythologische figuur
    2. 2. sterrenbeeld
    Andromeda
  1. 3. melkwegstelsel
    1. Andromeda
    2. galassia di Andromeda
/a.nɛg.ˈdo.tə/
noun
1. een amusant, kort verhaal
aneddoto
noun
1.
anemia
/ɑnəmon/
noun
1. een plant van het geslacht Anemone
anemone
/ɑŋəl'sɑksis/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die tussen ca. tussen 400 en 1100 werd gesproken en die geldt als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels
anglosassone
noun
anglicanesimo
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Engels of gevormd naar Engels voorbeeld
anglicismo
/ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
Angola
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
paura
adjective
inquieto
pronoun
Anguilla
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
anice
noun
anione
/ˌɑniˈonis/
adjective
1. met negatief geladen deeltjes
anionico
noun
  1. garofano
  2. dianto
/ˈɑ.nʲər.re.voˌly.si/, /ˈɑ.ɲər.re.voˌly.tsi/
pronoun
1. geweldloze militaire staatsgreep
rivoluzione dei garofani
noun
  1. 1. onderdeel van een vaartuig
  2. 3. onderdeel van een uurwerk
  3. 2. muuranker
  4. 6. onderdeel van een elektromotor/dynamo
ancora
pronoun
2. spelwoord voor de letter a
Ancona
/ˌɑnɛkˈsatsi/
noun
1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
annessione
/ɑny'lerə/
verb
1. iets afgelasten
annullare
noun
1. afwijking van organen
anomalia
adjective
1. naamloos
anonimo
noun
1. naamloosheid
anonimato
adjective
1. niet tot de koolstofverbindingen behorend
inorganico
noun
  1. acciaga
  2. acciuga
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
Antartide
noun
1. de naam voor het woord waarnaar een ander woord, meestal een betrekkelijk voornaamwoord, verwijst
antecedente
noun
1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
antenna
noun
antibiotico
noun
anticristo
noun
1. technieken voor het voorkomen van zwangerschap na geslachtsgemeenschap
contraccezione
noun
1. een methode van anticonceptie in de vorm van een pil, dat je niet zwanger wordt
pillola anticoncezionale
noun
1. een tegengif
  1. antidoto
  2. antiveleno
noun
1. vers dat gezongen wordt als inleiding of afsluiting van een psalm
antifona
/ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
Antigua e Barbuda
noun
1. een hoofdpersonage in een verhaal met niet de typerende positieve eigenschappen van een held
antieroe
adjective
1.
anticlericale
noun
anticorpo
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
Antille
/ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
antilope
noun
antimonio
pronoun
1. een provinciehoofdstad in Turkije
Antiochia di Siria
noun
1. stof die reacties tegengaat waarbij elektronen worden uitgewisseld
antiossidante
noun
1. negatieve gevoelens die men tegen iemand koestert
antipatia
noun
1.
antipiretico
noun
antiquario
noun
iemand met antisemitische denkbeelden
antisemita
noun
antisettico
noun
antitossina
noun
1. een stof die veelal aan koelwater wordt toegevoegd om het vriespunt ervan te verlagen om bevriezen ervan te voorkomen
antigelo
adjective
1. tegengesteld van betekenis
antonimo
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
antonimo
adjective
grigio antracite
noun
1. een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
antrace
noun
antropologia
/ˈantˌwɛrpə(n)/, /ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Anversa
noun
1. een inwoner van Antwerpen
anversese
/ˈantwɛrps/, /ˈɑntʋɛrps/, /ˈɑntβ̞ɛrps/
adjective
1. van, uit, betreffende of als in Antwerpen.
anversese
/ˈant.wɛrp.sə/, /ˈɑnt.ʋɛrp.sə/, /ˈɑnt.β̞ɛrp.sə/
noun
1. een vrouwelijke inwoner van de stad of provincie Antwerpen
anversese
/ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
risposta
noun
segreteria telefonica
/ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
rispondere
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
ano
/aˈɔrta/
noun
1. de slagader die van het hart naar het lichaam, behalve de longen, loopt
aorte
pronoun
Valle d'Aosta
noun
1. lusteloosheid
apatia
pronoun
1. gebergte
Apennini
noun
2. zaad van de pindaplant
arachide
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
apocalisse
noun
1. wegval van slotklank
apòcope
adjective
1. niet als gezaghebbend erkend
apocrifo
/ɑˈpɔstəl/
noun
  1. 1. leerling van Jezus
  2. 2. verkondiger van een nieuwe leer
apostolo
noun
  1. 2. aanspreking van afwezige personen of zaken
    apostrofe
  2. 1. afkappings- of weglatingsteken
    1. apostrofo
    2. apostrofe
/apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
farmacia
noun
farmacista
pronoun
1. gebergte in het oostelijk deel van Noord-Amerika
Monti Appalachi
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
apparecchio
noun
1. een afzonderlijke woning in een groter gebouw
appartamento
/ɑ.ˈpɛl/, /ɑ.ˈpɛɫ/, /ˈɑ.pəl/, /ˈɑ.pəɫ/, /ˈɑpəɫ/
noun
  1. 1. vrucht
    1. mela
    2. pomo
  2. 1. verzoek
    appello
noun
aceto di mele
noun
1. boom waaraan appels groeien
pomo
noun
cavatorsoli
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
succo di mela
/ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
arancia
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
torta di mele
/ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
applauso
/ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
aprile
pronoun
Puglia
noun
nog uit te zoeken
  1. acquerello
  2. acquarello
/ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
acquario
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
  1. ara
  2. macao
/ˌɑ.ra.ˈbiːr/
noun
1. een persoon met het Arabisch als moedertaal
Arabo
/ɑ'rabis/
adjective
1. verwijzend naar de Arabische taal,cultuur,het alfabet of Arabië
arabo
/ɑ'rabis/
pronoun
  1. 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
  2. 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
arabo
pronoun
Arabia
noun
olio di arachidi
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van de spinachtigen
aracnologia
pronoun
Aragona
noun
1. Een inwoner van Aragon
aragonese
pronoun
1. taal gesproken in Aragon
aragonese
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
lavoro
verb
1. werk verrichten
lavorare
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
lavorante
noun
1. inkomsten die men ontvangt door het uitvoeren van werk
paga
noun
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
diritto del lavoro
noun
operaia
noun
energia
adjective
1. behorend tot of betrekking hebbend op een zeer oud tijdperk
arcaico
noun
arcaismo
/ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
archeologia
noun
archeologo
noun
archetipo
noun
archivio
noun
1. een eilandengroep
arcipelago
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
architetto
noun
1. de bouwstijl van een gebouw
architettura
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
archiviare
pronoun
1. naam voor het noordpoolgebied
Artide
adjective
artico
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
Mar Glaciale Artico
noun
ara
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Aquila
noun
1. roofvogel
aquila
adjective
1. zonder zich van mogelijk gevaar bewust te zijn
senza sospetti
/ˌɑrɣɛnˈtɛɪ̯n/, /ˌɑrɣɛnˈtɛːn/, /ˌɑrχɛnˈtɛɪ̯n/
noun
1. iemand van Argentijnse komaf
argentino
/ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
Argentina
/ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
  1. argon
  2. argo
/ˌɑrɣyˈmɛnt/
noun
1. een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
argomento
/arijaˈnɪsmə/
noun
1.
arianesimo
noun
1. een persoon die lid is van de aristocratie
aristocratico
noun
1. een regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten
aristocrazia
noun
arca
/ɑrṃ/
adjective
  1. 1. weinig bezittend
  2. 2. beklagenswaardig
  1. povero
  2. povera
/ɑrṃ/
noun
1. lichaamsdeel
  1. braccio
  2. arto
noun
1. sieraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
braccialetto
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
adjective
1. betreffende Armenië of het Armeens
  1. armeno
  2. armena
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Armenië
armeno
pronoun
genocidio armeno
/ɑrˈmeni.jə/, /ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
Armenia
/ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
povertà
pronoun
Arnhem
/aruˈmens/
pronoun
1. een Romaanse taal die in de Balkan gesproken wordt
aromeno
/aroˈmans/
pronoun
1. een Romaanse taal die in de Balkan gesproken wordt
aromeno
adjective
  1. 1. met geurstof
  2. 2. voldoende aan de regel van Hückel
aromatico
/ɑrpiˈtaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Frankrijk, Italië en Zwitserland
Arpitano
noun
1. een aanhouding
arresto
noun
1. iemand die in hechtenis is genomen door de politie
arrestato
noun
1. een aanhouding door de sterke arm der wet
arresto
noun
1. document
mandato di arresto
verb
1. van overheidswege in hechtenis nemen
arrestare
/ˈɛrɔwru:t/
noun
1. meel van de pijlwortel dat vaak wordt gebruikt als bindmiddel voor voedsel.
amido di maranta arundinacea
noun
arsenico
noun
artista
/ɑrˈtiːkəl/
noun
4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
articolo
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
artiglieria
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
carciofo
noun
1. gewrichtsontsteking
artrite
noun
1. een aandoening van het gewrichtskraakbeen
artrosie
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
medico
/a.ˈru.ba/, /a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Aruba
noun
    1. 2. lijn
    2. 1. centrale staaf
    asse
  1. 1. verbrandingsrest
    cenere
/ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
  1. portacenere
  2. posacenere
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
  1. amianto
  2. asbesto
noun
asessualità
noun
  1. bitume
  2. asfalto
noun
asilo
pronoun
1.
Azoto
pronoun
1.
  1. Ascalona
  2. Ashqelon
/ɑʃkə'nazi/
noun
1. Hoogduitse jood, jood afkomstig uit Midden- of Oost-Europa
  1. ashkenazita
  2. askenazita
noun
aspartame
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
asparago
noun
1. een middel tegen allerlei kwalen met als werkzame stof acetylsalicylzuur
aspirina
pronoun
1. een taal die in Assam, een staat in India, gesproken wordt
assamese
noun
1. aanbod van producten
assortimento
noun
1. een onderneming die verzekeringen afsluit
assicuratore
noun
1. de wetenschappelijke studie van het oude Mesopotamië
assiriologia
noun
astato
/ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
asterisco
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
asteroide
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
asma
/ɑstrolo'gi/
noun
1. de leer die gebeurtenissen aan het hemelgewelf in verband brengt met gebeurtenissen op aarde
astrologia
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
astrologo
/ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
astronauta
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomia
adjective
astronomico
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Asturië
asturiano
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Asturie
noun
1. eerste dag van de vastentijd
Mercoledì delle Ceneri
adverb
asimmetrico
adjective
1. zonder ziekteverschijnselen
asintomatico
/a.sɪmp.ˈtot/
noun
1. een lijn die door een kromme of functie willekeurig dicht benaderd wordt, maar deze nooit raakt
asintoto
adjective
asincrono
/atɑkˈsi/
noun
1. een onzekere gang bij het lopen
atassia
noun
1. de werkruimte van een kunstenaar
laboratorio
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
Atene
/ˌa.te.ˈjɪsmə/, /ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
ateismo
/ˌa.te.ˈjɪst/, /ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
ateo
pronoun
1. mythologisch eiland
Atlantide
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
Oceano Atlantico
noun
1. anadrome vis die tot 4 meter lang en 250 kg zwaar kan worden, Acipenser oxyrinchus
adano attilus
noun
  1. 1. een boek dat geografische kaarten bevat
  2. 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
  3. 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
  4. 1. satijn
atlante
/ɑtlet/
noun
1. iemand die grote prestaties op sportief gebied verricht
atleta
noun
sporttak waarin vooral lopen, springen en werpen aan bod komen
atletica
noun
  1. 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
  2. 2. een stemming.
atmosfera
adjective
atmosferico
noun
atollo
adjective
atonale
noun
atomo
noun
nucleo atomico
noun
orologio atomico
noun
1. de kernlading van een atoom
numero atomico
pronoun
1. een stad in Frans-Vlaanderen
Arazzo
noun
2. centraal vertrek
atrio
noun
1. schriftelijk bewijs
attestato
noun
1.
attometro
noun
attosecondo
/ɑtrɪbʏˈtif/
adjective
1. wanneer het voor een zelfstandig naamwoord geplaatst wordt
attributivo
adjective
1. afwijkend van het gemiddelde
atipico
noun
serenata mattutina
/obɛrˈʒinə/
adjective
1. dieppaars
melanzana
/obɛrˈʒinə/
noun
  1. 2. purperachtige, vlezige vrucht
  2. 1. plant uit de nachtschadefamilie
melanzana
noun
1. een examen waarbij iemand zijn muzikale vaardigheden in klank bewijst.
audizione
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Augusta
/ʌuˈɣɵrk/, /ʌˈʝʏrk/
noun
1. kleine, in het zuur ingemaakte komkommer
  1. cetriolo
  2. cetriolino
/aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
agosto
noun
1. luisteren naar lichaamsgeruis van bijv. hart of longen
auscultazione
/aʊ̯ˈstraːlɪs/, /ɔʊ̯ˈstraːlis/, /ʌʊ̯ˈstralis/
adjective
1. van Australië
australiano
/aʊ̯ˈstraːli.jə/, /ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
Australia
/aʊ̯ˈstraːli.jər/, /ɔʊ̯ˈstraːli.jər/, /ʌʊ̯ˈstrali.jər/
noun
1. een inwoner van Australië
australiano
noun
autarchia
/oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
autore
adverb
autentico
/ʌuˈtɪsmə/, /ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
autismo
/ʌuˈtɪstɪs/, /ʌˈtɪstɪs/
adjective
1. lijdend aan autisme
autista
/ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
  1. macchina
  2. automobile
  3. auto
  4. vettura
noun
autobiografia
adjective
autobiografico
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
autobus
adjective
1. oorspronkelijk in een bepaald gebied thuishorend
autoctono
noun
autocrazia
noun
1. een toestel dat, eenmaal in werking gezet, zonder verdere tussenkomst een aantal handelingen verricht
automa
adjective
automagico
adjective
  1. 1. niet bestuurd door de hand van de mens
  2. 2. vanzelfgaand
  3. 3. gedachteloos
automatico
noun
  1. automatizzazione
  2. automazione
noun
1. gemotoriseerd voertuig op vier of meer wielen
automobile
noun
1. een bestuurder van een auto
automobilista
noun
1. vakman die beroepshalve reparaties verricht aan en onderhoud doet van auto's
meccanico
/aʊ̯.to.no.ˈmi/, /ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
autonomia
/ˌʌʊtoˈnom/
adjective
1. op zichzelf staand
autonomo
/ɑʊ̯torɛi(d)ə(n)/
verb
1. zich voortbewegen door een auto te besturen
guidare la macchina
/ˈɑʊ̯.to.ˌrɛɪ.sxol/
noun
autoscuola
noun
1. de overheid
autorità
/ ˈɑutospɔrt /
noun
1. verzamelnaam voor wedstrijden die verreden worden met een gemotoriseerd voertuig met vier of meer wielen
automobilismo
noun
1. een weg waarop alleen gemotoriseerd verkeer zoals autos, motorfietsen en vrachtautos wordt toegelaten en waar voor dat verkeer toepasselijke voorzieningen zijn aangebracht
autostrada
/ɑu̯ˈtri.sə/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
autrice
/'avatɑr/
noun
2. (informatica) een kleine afbeelding die een bepaalde gebruiker symboliseert
avatar
adjective
1. in omgekeerde richting
rovescio
pronoun
1. een stad in Frankrijk
Avignone
/ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
avocado
/ˌavoˈkadobom/
noun
1. immergroene boom uit Midden-Amerika die de avocadoperen voortbrengt
avocado
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
sera
noun
1. een maaltijd die 's avonds genuttigd wordt
cena
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
coprifuoco
noun
1. de maaltijd die men 's avonds nuttigt
cena
noun
1. iemand die graag het avontuur opzoekt
avventuriere
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
avventura
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
ayatollah
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
aymara
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
  1. Azerbaigian
  2. Azerbaijan
/aˈzeːri/, /aˈzɪːri/
pronoun
1. Turkse taal die door 22 miljoen mensen vooral in Azerbeidzjan, maar ook in Iran, Georgië en Turkije wordt gesproken
azerbaigiano
adjective
1. afkomstig uit of betreffend Azië
asiatico
/aˈzɛɪn/, /aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
aceto
noun
1. CH₃COOH
acido acetico
/azimɵt/
noun
1. horizontale hoek
azimut
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
Asia
pronoun
1.
Costa Azzurra
adjective
blu azzurro
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
baia
noun
1. een stapel bijeengebonden plantaardig materiaal zoals hooi of tabak
balla
adjective
1. nieuwe wegen openend, innoverend
pionero
adjective
1. in gereed geld, cash
contanti
/baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
barba
noun
1. een alleen in India voorkomende zwarte aap met een kwastachtige staart en een opvallende grijze kraag
  1. scimmia dalla barba bianca
  2. sileno
noun
3. bepaald soort vogel, Panurus biarmicas
basettino
noun
1. bepaalde soort paardenmossel met een behaarde schelp, Modiolus barbatus
cozza pelosa
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
  1. utero
  2. grembo
noun
1. een vorm van kanker die zich in de baarmoederhals ontwikkelt
cancro della cervice uterina
noun
1. stekelvinnige riviervis
  1. persico
  2. pesce persico
/baːs/
noun
1. overste, leider, chef
capo
noun
1. iets met een gunstig effect
  1. vantaggio
  2. profitto
  3. beneficio
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
  1. bebè
  2. lattante
/ˈbebibɑt/
noun
1. kuip bedoeld om heel jonge kinderen in te wassen
vaschetta da bagno
noun
  1. biberon
  2. poppatoio
noun
1. benaming voor soorten uit de klasse Bacilli
bacillo
noun
  1. batteri
  2. batterio
/bɑkteriɔfaɣ/
noun
1.
batteriofago
adjective
batteriologico
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Bacteria
batteri
/bɑt/
noun
1. voorwerp waarin men zich wast met water
bagno
pronoun
1.
  1. Baden-Vurtemberga
  2. Baden-Württemberg
noun
accappatoio
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
  1. bagno
  2. stanza da bagno
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
costume da bagno
/ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
vasca da bagno
noun
1. een sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
badminton
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
  1. costume da bagno
  2. costume
/ba.ˈha.mas/, /ba.ˈɦa.mas/, /bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
  1. Bahamas
  2. Bahama
/ba.ˈrɛɪ̯n/, /bɑx.ˈrɛːn/, /bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
  1. Bahrein
  2. Bahrain
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
baionetta
noun
1. de linkerzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
babordo
noun
1. een driewielige fiets die voorzien is van een laadbak
triciclo
noun
1. deel van het baardhaar dat groeit vanaf de kaaklijnen tot aan de haargrens boven de oren.
basetta
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
cuocere
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
  1. panettiere
  2. panificatore
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
  1. panetteria
  2. panificio
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
Baku
noun
1. speciaal geprepareerd papier dat in de oven gebruikt wordt om te bakken etenswaar niet aan de bakplaat of de bakvorm te laten kleven
  1. carta da forno
  2. cartaforno
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
  1. mattone
  2. laterizio
noun
  1. 1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
    1. palla
    2. pallone
  2. 1. een danspartij
    ballo
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
  1. balalaica
  2. balalaika
/balaˈnitɪs/
noun
1. ontsteking van de eikel bij de man.
balanite
noun
  1. 2. een meetapparaat met twee armen (bedoeld om het verschil te kunnen meten)
    bilancia
  2. 3. (economie) een volledige opsomming van de waarde van alle bezit en alle tegoeden en ...
    bilancio
  3. 1. evenwicht
    equilibrio
pronoun
Isole Baleari
/bɑlk/, /bɑɫk/
noun
2. veelvlak met 6 rechthoekige zijvlakken, 8 hoekpunten en 12 ribben
cuboide
/ˈbɑlkə(n)/, /ˈbɑɫkə(n)/
verb
1. het geluid van een ezel maken
ragliare
noun
1. een bouwkundig onderdeel
balcone
noun
ballata
noun
1. vervanging van de nuttige lading door iets dat voldoende weegt om een schip te stabiliseren
zavorra
/ˈbɑ.lə/
noun
branie, moed
palle
noun
1.
raccattapalle
noun
2. een damesschoen zonder sluiting en zonder hak
ballerina
noun
1. een artistieke dansvorm
balletto
noun
!. gokspelletje
gioco delle tre campanelle
noun
1. gedwongen verblijf elders dan waar men thuis is
esilio
noun
1. leer die de banen van projectielen bestudeert
balistica
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
palloncino
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
penna a sfera
noun
aceto balsamico
noun
balsamo
verb
1. het prepareren van een stoffelijk overschot om het tegen ontbinding te beschermen
imbalsamare
noun
balsamita major
noun
1.huidplooi waarin de testikels liggen
scroto
pronoun
1. de nationale taal van Mali
bambara
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
bambù
noun
germoglio di bambù
noun
germoglio di bambù
noun
1. een vrucht van de bananenboom
banana
noun
  1. 1. een van de Midden-Amerikaanse staten zoals Honduras, Nicaragua, El Salvador of Guatemala, eens zo genoemd vanwege de bananenindustrie die daar alles overheerste
  2. 2. een in politiek en economisch opzicht corrupt en instabiel land, dat bovendien vaak rijk is aan grondstoffen
repubblica delle banane
noun
1. de schil van een banaaan
buccia di banana
noun
  1. 3. groep muzikanten die een bepaald muzikaal repertoire ten gehore brengt
    fascia
  2. 1. ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
    1. pneumatico
    2. gomma
noun
1. een schurk of misdadiger
bandito
noun
1. apparaat waarmee men geluid kan vastleggen op magnetische tape
magnetofono
/ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
Bangladesh
noun
    1. 5. gebouw waarin een financiële instelling gevestigd is
    2. 6. een opslagsysteem voor gegevens of voorwerpen b.v. beeldbank, bloedbank, boekenbank, kennisbank, spermabank
    banca
    1. 3. een financiële instelling
    2. 4. een ondiepte in het water
    1. banca
    2. banco
  1. 1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon
    divano
noun
1. een betaalmiddel van papier
banconota
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
banchiere
noun
1. een rekening-courant bij een bank
conto bancario
noun
1. een handig hulpmiddel om werkstukken in vast te houden
morsa
/ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
  1. esiliato
  2. esule
noun
benaming voor dikstammige bomen uit droge, warme gebieden uit het geslacht Adansonia
baobab
adjective
1. zonder beperkingen opgelegd door beschaafd gedrag
  1. barbaro
  2. barbarico
/ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
Barbados
/ˈbɑrbəkju/
noun
  1. 2. bijeenkomst
  2. 1. apparaat
barbecue
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in de middenlopen van rivieren, Barbus barbus
  1. barbio
  2. barbo
noun
1. Een slaapmiddel in de vorm van een barbituurzuur verbinding
barbiturico
pronoun
Barcellona
noun
mare di Barents
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
basco
noun
bario
noun
1. iemand die achter de bar staat en drankjes voor de gasten inschenkt
barista
noun
1. een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
barocco
/ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
barometro
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
barone
noun
1. vrouwelijke baron
baronessa
noun
baronia
noun
1. straatversperring die de doorgang door een straat onmogelijk maakt
barricata
noun
bassorilievo
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
basalto
adjective
grigio basalto
verb
basare
pronoun
Basilicata
/baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
basilico
noun
basilica
/'bɑskən,lɑnd/
pronoun
  1. 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
  2. 3. Spaanse autonome regio
Paese basco
noun
1. doel
canestro
noun
  1. 1. sport
    1. pallacanestro
    2. basket
  2. 2. bal
    1. pallone da basket
    2. pallone da pallacanestro
adjective
  1. 1. met betrekking tot de Basken
  2. 2. met betrekking tot de Baskische taal
basco
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
basco
noun
1. geurige rijstzaden
riso Basmati
noun
1. een kind dat niet geboren is uit een wettig huwelijk
bastardo
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Luxemburg
Bastogne
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
batteria
noun
1. een mineraal dat een belangrijk erts van aluminium vormt. Bauxiet bestaat voor een groot deel uit aluminiumoxide...
bauxite
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
babbuino
pronoun
1. stad in Zwitserland
Basilea
/bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
rispondere
noun
Beat Generation
pronoun
1. deel van de Noordelijke IJszee, ten noordwesten van Canada en ten noorden van Alaska
Mar di Beaufort
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
barbuto
/bɛd/, /bɛt/
noun
1. een meubel gemaakt om in te slapen
  1. letto
  2. giaciglio
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
grazie
verb
1. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
coprire
noun
1. een persoon die vraagt om geld zonder daar iets voor te doen
mendicante
verb
1. om een aalmoes vragen
  1. mendicare
  2. elemosinare
noun
pellegrinaggio
/bɛdleɣərəɣ/
adjective
1. niet in staat uit bed te komen
degente
verb
1. iemand met een mogelijk gevaar confronteren
minacciare
/bəˈdrɛɪ̯f/, /bəˈdrɛːf/
noun
1. organisatie, samenspel van mensen en middelen om producten en of diensten te leveren
atto
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
economia aziendale
noun
1.1 Cimex lectularius, een parasitair insect
cimice dei letti
/bek/
noun
1. stromend watertje
ruscello
noun
1. zeldzaam visje dat inheems voorkomt in de Benelux, Lampetra planeri
lampreda minore
noun
1. driedimensionaal kunstwerk
immagine
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
scultore
/beːn/
noun
  1. 1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
    1. gamba
    2. zampa
  2. 3. stof waaruit benen/botten bestaan
    osso
noun
1. een verkoper van vlees
macellaio
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
midollo osseo
/beːr/, /bɪːr/
noun
  1. 1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
    orso
  2. 1. mannetjesvarken
    verro
/beːst/
noun
1. dier
  1. bestia
  2. animale
noun
1. bepaald soort lijster, Turdus torquatus
merlo dal collare
noun
1. verlangen
  1. desiderio
  2. voglia
/bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
1. vergezellen
accompagnare
noun
1. personen die iemand vergezellen of bewaken
accompagnamento
verb
1. aanvangen
  1. cominciare
  2. iniziare
noun
1. (plantk.) Begonia, een geslacht bloeiende planten uit de begoniafamilie
begonia
/bəˈɣrafənɪsɔndərˌnemər/
noun
1. Een persoon die de begrafenis van overledenen verzorgt
impresario di pompe funebri
verb
  1. 1. iets onder de grond stoppen
  2. 2. een overledene begraven
  3. 3. iets wegstoppen
seppellire
/bə.χrɛɪ.pə(n)/
verb
1. met het verstand vatten
capire
/beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
  1. reggiseno
  2. reggipetto
noun
2. een handeling gericht op herstel
  1. cura
  2. trattamento
noun
1. muurbedekking
  1. carta da parati
  2. tappezzeria
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
amministratore
/ˈbə'huftə/
noun
1. iets wat benodigd is
  1. bisogno
  2. necessità
/bəˈhuvə(n)/
verb
  1. 2. nodig hebben
    aver bisogno di
  2. 1. moeten
    dovere
cardinalNumeral
1. alle twee
entrambi
pronoun
Baviera
pronoun
1. taal gesproken door ten minste 12 miljoen mensen in Oostenrijk...
bavarese
adjective
beige
adjective
marrone beige
adjective
grigio beige
adjective
rosso beige
/bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Beirut
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
  1. scalpello
  2. cesello
adjective
1. vertrouwd
conosciuto
verb
1. toegeven
confessare
noun
1. het (doen) overgaan van iemand tot een bepaald geloof.
conversione
noun
1. een boete die wordt opgelegd voor het overtreden van een wet
  1. multa,
  2. sanzione pecuniaria
noun
2. gebeente tussen beide heupen
bacino
noun
2. metalen kapje dat onder of in plaats van een echte helm werd gedragen
cervelliera
verb
1. ontevredenheid uiten, klachten indienen
  1. lamentarsi
  2. lagnarsi
adjective
1. tot het belangrijkste en noodzakelijkste teruggebracht
conciso
/bəˈkopə(n)/
verb
1. iets ~ met een prijs ergens voor betalen
pagare
noun
1. iets wat belangrijk is voor een persoon
importanza
adjective
1. van grote betekenis
  1. importante
  2. grave
noun
1. de daad van het belasteren.
diffamazione
noun
1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
imposta
verb
1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
offendere
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
  1. ingiuria
  2. insulto
/bəˈlɛx/
noun
1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
assedio
verb
1. met een leger omsingeld houden
assediare
noun
1. geld besteed aan iets waarvan men verwacht dat het later meer waarde zal hebben
investimento
/bɛlx/, /bɛɫx/, /bɛɫχ/
noun
1. een staatsburger van België
belga
noun
1. woord of uitdrukking die alleen voorkomt in het Nederlands of Frans zoals dat in België wordt gesproken
belgicismo
/ˈbɛl.ɣɪs/, /ˈbɛɫ.ɣis/, /ˈbɛɫ.χis/
adjective
1. met betrekking tot België
belga
pronoun
Congo Belga
/ˈbɛlɣijə/, /ˈbɛɫɣijə/, /ˈbɛɫχijə/
pronoun
Belgio
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
  1. Belgrade
  2. Belgrado
/be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
Belize
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
promessa
verb
1. een prestatie of goede daad met geld of anderszins erkennen
ricompensare
noun
ricompensa
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
promettere
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
  1. equipaggio
  2. ciurma
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
  1. equipaggio
  2. ciurma
verb
1. amoureuze gevoelens voor iemand koesteren
amare
noun
1. iemand die zich bemoeit met zaken van anderen
  1. ficcanaso
  2. intrigante
verb
1. zich inlaten met zaken waar men niets mee te maken heeft
impedire
noun
2. buitengewoon onevenwicht tussen de contractuele prestaties van de betrokken partijen
lesione
noun
  1. 2. gezichtspunt, de richting van waaruit men naar iets beschouwd .
    accesso
  2. 1. getalswaarde die voor een bepaald praktisch doel voldoende dicht in de buurt ligt van de exacte waarde van die grootheid.
    approssimazione
/ˈbɛn.də/
noun
1. een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
banda
adjective
2. bekrompen
meschino
pronoun
1. een taal die in Bangladesh en West-Bengalen gesproken wordt
bengalese
/be.ˈnin/, /ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Benin
verb
1. nodig hebben
aver bisogno di
noun
benzene
/bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
benzina
noun
storno triste
/bə.ˈplɑn.tə(n)/
verb
1. bezetten met de geschikte planten
piantare
/bə'rɛɪkən/
verb
1. fysiek bij de andere kant aankomen
raggiungere
/bɛrx/
noun
  1. 1. hoge terreinverheffing
  2. 2. een grote hoeveelheid
  1. montagna
  2. monte
adjective
1. met bergen
montagnoso
noun
1. iemand die zich toelegt op het alpinisme
alpinista
noun
1. Tadorna tadorna, een forse bijna gansachtige eend
volpoca
pronoun
1. stad in Noorwegen
Bergen
noun
1. een soort geit die leeft op rotsachtige ondergrond in de bergen.
camoscio
noun
1. een lager
passo
noun
1. vrouwelijk dier van de berenfamilie, Ursidae
orsa
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
  1. Stretto di Bering
  2. stretto di Bering
pronoun
1. is de zee in het noordelijk deel van de Grote Oceaan
Mar di Bering
/bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
betulla
noun
berkelio
pronoun
  1. 1. de hoofdstad van Duitsland
  2. 2. een duitse deelstaat
Berlino
noun
2. een van de drie in de Benelux inheemse modderkruipers, Barbatula barbatula
cobite barbatello
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
  1. Bermuda
  2. Bermude
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Berna
noun
1. Borago officinalis, een kruid dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
borragine
pronoun
2. spelwoord voor de letter b
Bologna
/bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
famoso
noun
1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
professione
/bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
berillio
/bɛs/
noun
1. kleine vrucht
bacca
/bəˈsxaːvə(n)/
verb
1. glad maken (met een schaaf)
piallare
/bə.ˈsxa.vɪŋ/, /bə.ˈsχa.vɪŋ/
noun
1. de complexe maatschappij waarin veel van de mensen in steden leven en hun voedsel door middel van landbouw verkrijgen
civiltà
/bə'sxɛi(d)ə/
adjective
  1. 1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
  2. 2. niet de indruk makend te hoge verwachtingen van zichzelf te hebben
  3. 3. niet groots of talrijk
  1. modesto
  2. umile
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
proteggere
noun
1. een heilige onder wiens bescherming een bepaalde persoon of groep staat
santo patrono
/bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
protezione
/bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
disponibile
adjective
1. onder invloed van alcohol
ubriaco
verb
1. in woorden uitdrukken
descrivere
/bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
descrizione
/bə'sxœyt/
noun
1. een licht, tweemaal gebakken baksel van tarwe
fetta biscottata
/bəˈsxʌldəgə/
verb
1. iemand de schuld geven van iets
accusare
verb
2. een paard van een hoefijzer voorzien
ferrare
/bə.ˈslɪ.sɪŋ/
noun
decisione
adjective
1. niet in staat een besluit te nemen.
ignavo
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
circoncidere
/bəˈsnɛidənɪs/
noun
circoncisione
/bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
discussione
verb
1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
esistere
noun
  1. 3. een wapenstilstand
    armistizio
  2. 1. een verzameling van gegevens die een eenheid vormen
    file
noun
1.
  1. posateria
  2. posate
verb
1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
ordinare
/bə.ˈstɛ.mɪŋ/
noun
1. het eindpunt van een route
destinazione
noun
impollinazione
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
sistema operativo
/bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
pagare
noun
1. iemand die betaalt
pagatore
/bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
pagamento
verb
1. ergens voor staan
significare
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
  1. significato
  2. accezione
/ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Betelgeuse
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
Betlemme
adjective
grigio calcestruzzo
verb
1. gaan over, als onderwerp hebben
riguadare
/bə.ˈtraʊ̯.bar.hɛɪ̯ds.ˌɪn.tər.ˌvɑl/, /bə.ˈtrɔʊ̯β̞.bar.ɦɛːts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/, /bə.ˈtrʌʊ̯.bar.ɦɛɪ̯ts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/
noun
1. een statistische intervalschatting voor een parameter
  1. intervallo di confidenza
  2. intervallo di fiducia
noun
  1. 1. boomsoort
    faggio
  2. 3. lange smalle centrale hal van een kruiskerk
    navata
/bøːl/
noun
  1. 1. uitvoerder van lijfstraffen
    1. boia
    2. carnefice
  2. 2. wreedaard
    1. bruto
    2. bestia
noun
  1. 3. toelage voor iemand die studeren wil
    borsa di studio
  2. 1. het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
    1. borsa valori
    2. borsa
  3. 2. een houder voor munten en biljetten
    1. borsellino
    2. borsa
  4. 4. bijeenkomst waar producenten van een bepaald vakgebied meest nieuwe producten tentoonspreiden
    fiera
noun
1. een makelaar aan de beurs
  1. agente di cambio e di borsa
  2. mediatore di borsa
noun
1. een makelaar aan de beurs
  1. agente di cambio e di borsa
  2. mediatore di borsa
/bøːrt/
noun
1. gelegenheid of opdracht die bewust telkens aan een andere persoon uit en groep gegeven wordt
turno
noun
1. eigendoms- en ontvangstbewijs waarin zeevrachtbrief en vervoersovereenkomst worden gecombineerd
polizza di carico
adjective
1. breed, diep en stromingsarm genoeg om bevaren te worden
navigabile
adjective
1. -gewoonlijk vrouwelijke- schoonheid bezittend die bij anderen -gewoonlijk mannen- in de smaak valt
gentile
verb
  1. 2. begrijpen
    comprendere
  2. 1. omvatten, in zich sluiten
    1. contenere
    2. comprendere
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
castoro
noun
1. Myocastor coypus, een schadelijk knaagdier, leeft vooral in moerassige omgeving
nutria
verb
1. zeggen dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
confermare
/bə.ˈvɛs.ti.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈvɛs.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛs.tə.χɪŋ/
noun
1. het bevestigen, het mededelen aan iemand dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
conferma
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
popolazione
adjective
fertilizato
noun
1. persoon die een goed ter bewaring toevertrouwt
depositante
noun
1. handeling waarbij men een goed van een ander ter bewaring aanneemt onder teruggaveverplichting
deposito
noun
1. persoon die een goed voor een ander ter bewaring aanneemt
depositario
/bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
1. iemand van wapens voorzien
armare
/bə.ˈweː.ɣə(n)/, /bə.ˈʋe.χə(n)/, /bə.ˈβ̞e.ɣə(n)/
verb
  1. 1. van plaats veranderen
    muovere
  2. 3. zich bewegen
    muoversi
verb
1. iets met stelligheid verklaren waarvan het voor anderen niet duidelijk is of het waar is
affermare
verb
1. wierookdampen over iets of iemand aanbrengen
incensare
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
prova
noun
1.
forza probatoria
/bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
nuvoloso
verb
1. bekijken met respect
ammirare
/bə.ˈwɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈʋɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔn.də.rɪŋ/
noun
1. het bekijken met enig ontzag
ammirazione
noun
1. iemand die in of op iets woont
abitante
/bəw'ɤstəlos/
adverb
1. in een toestand waarin men het bewustzijn voor de omgeving is verloren
inconscio
/bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
  1. coscienza
  2. conoscenza
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
  1. scopa
  2. granata
/bezəx/
adjective
1. aan het werken
  1. occupato
  2. impegnato
noun
  1. 1. al iemands bezittingen
    possedimenti
  2. 2. het houden van een goed voor zichzelf
    possesso
/bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
possedere
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
possessore
noun
1. het bezoeken
visita
noun
1. een persoon die iemand of iets bezoekt
visitatore
adjective
1. heraldisch attribuut
boccheggiante
verb
1. tot een afsluiting brengen
finire
pronoun
1.
Be'er Sheva
/bu.ˈtan/, /bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
Bhutan
pronoun
Biafra
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
biathlon
noun
1.
bibliobus
/ˌbiblijotekaˈrɛsə/
noun
1. beheerster van een bibliotheek
bibliotecaria
/ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
bibliotecario
/bib(l)ijo'tek/
noun
1. een plaats waar boeken verzameld staan
biblioteca
noun
1.
bibliobus
noun
  1. 1. tweehoofdige spier
  2. 1.2 spier in de bovenarm
bicipite
verb
1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
pregare
noun
1. soort van aan de muur bevestigde kom of bak voor het met behulp van water reinigen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet, of om de voeten te wassen
  1. bidè
  2. bidet
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Mantodea
mantide religiosa
/ˈbɪt.stul/, /ˈbɪt.stuɫ/
noun
inginocchiatoio
noun
1. de erkenning van zonden aan een geestelijke
confessione
noun
1. de verplichting om datgene wat de priester tijdens de biecht verneemt geheim te houden
segreto della confessione
noun
1. een meubelstuk dat bedoeld is voor het aanhoren en afleggen van de biecht
confessionale
noun
1. een priester die biechten afneemt
  1. confessore
  2. padre confessore
noun
1. dunne lap vlees van de bovenbil van een rund
bistecca
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
birra
noun
1. vette buik
pancione
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
  1. cippolina
  2. erba cipollina
noun
bifobia
/bɪx/, /bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
  1. maialino
  2. porcellino
/bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
  1. ape
  2. ape domestica
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
  1. bibbia
  2. Bibbia
verb
1. een aandeel leveren
contribuire
noun
1. benaming voor veelkleurige en insectenetende vogels die...
gruccione
noun
1. kunstmatige behuizing waarbinnen een bijenvolk zijn raten kan bouwen, oorspronkelijk in de vorm van een gevlochten korf
arnia
noun
ophrys apifera
/ˈbɛː.jə(n)ˌteɫt/
noun
1. het houden van bijen
apicoltura
/ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
superstizione
adjective
1. iemand die gelooft in bijgeloof
superstizioso
/bɛɪˈkɑns/
adverb
quasi
/bɛɪ̯l/, /bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
  1. ascia
  2. accetta
  3. scure
noun
2. een bestand dat bij een e-mail is meegezonden
allegato
/'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
quasi
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
soprannome
noun
surrene
verb
1. een naar verhouding kleine verandering aanbrengen in de instelling van iets
aggiustare
/ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
  1. mordere
  2. morsicare
noun
1. een werkwoordswijs waarmee men een wens of onzekerheid tot uitdrukking kan brengen.
congiuntivo
/bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
aggettivo
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
  1. ad esempio
  2. per esempio
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
avverbio
/bɛizɪn/
noun
1. een deel van een uiting dat een ondergeschikte rol speelt ten opzichte van de hoofdzin
proposizione subordinata
noun
1. tweedelige zwemkleding voor de vrouw
  1. bikini
  2. due pezzi
  3. bichini
  4. duepezzi
noun
1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
  1. natica
  2. chiappa
noun
1. spel
  1. biliardo
  2. biliardi
cardinalNumeral
1. 1.000.000.000.000
bilione
noun
biglione
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
giusquiamo
noun
1. boekbinder
rilegatore
noun
1. en 2. (bladeren van) sla met een stevige rechte krop
lattuga romana
/ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
tessuto connettivo
verb
1. ergens in gaan
entrare
noun
1. een wetenschapper die de biochemie beoefent
  1. biochimico
  2. biochimica
/'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
biochimica
/ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
biodiversità
noun
biografia
adjective
biografico
/ˌbiʲoloˈɣi/, /ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
biologia
/ˌbijo'loːɣis/
adjective
  1. 3. van dier en plantvriendelijke landbouw en veeteeld
    biologico
  2. 1. te maken hebbend met de biologie
    1. biologico
    2. biologica
  3. 2. van gelijke afstamming
    1. consanguineo
    2. consanguinea
/ˌbioˈlox/, /ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
biologo
noun
biomassa
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
cinema
noun
1. een gebied met een uniform landschapstype waarin bepaalde organismen kunnen gedijen
biotopo
noun
1. middelgroot waterbewonend zoogdier
topo muschiato
/ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
  1. diocesi
  2. vescovato
noun
bisessualità
/bisɛksye:l/
adjective
1. seksueel gericht op beide geslachten
bisessuale
pronoun
1. streek en provincie van Spanje rond de stad Bilbao
Biscaglia
pronoun
1. de taal die naast Engels en Frans in de staat Vanuatu wordt gesproken
bislama
noun
bismuto
/bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
  1. vescovo
  2. vescova
adjective
1. op het ambt van bisschop betrekking hebbend
episcopale
noun
bitcoin
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
amaro
noun
1. een viskeuze vloeistof die van nature voorkomt als de minst vluchtige fractie van ruwe aardolie
asfalto
noun
1. muts die tot onder de kin doorloopt met openingen om door te kijken en te ademen
passamontagna
noun
1. Noord-Amerikaans zoogdier, Bison bison
bisonte
noun
1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
vescica
noun
  1. 1. plat, groen onderdeel van planten
    1. foglia
    2. foglio
  2. 2. vel papier
    1. foglio
    2. foglia
noun
1. een dun folie van goud dat wordt gebruikt voor decoratieve doeleinden
foglia oro
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
afide
noun
  1. 1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
  2. 2. bewaarde hyperlink
segnalibro
/ˈblɑtsɛidɚ/
noun
1. elk van de beide zijden van een blad papier in boek, krant of tijdschrift
pagina
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
abbaiare
/blɑŋk/
adjective
  1. 1. met lichte huidskleur
    bianco
  2. 4. overspoeld
    inondata
  3. 2. onbeschreven
    vuoto
noun
1. tint grijs met RAL-nummer 9006
alluminio brillante
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Rutilus rutilus
  1. rutilo
  2. gardon
/ˈblatə(n)/
verb
het geluid van een schaap maken
belare
/blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
  1. blu
  2. azzurro
/blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
  1. blu
  2. azzurro
noun
1. bepaald soort visje van maximaal 11 cm dat van oorsprong uit Azië komt, Pseudorasbora parva
pseudorasbora
noun
1. bepaald soort lijsterachtige, Luscinia svecica
pettazzurro
noun
1. Vaccinium corymbosum, een plant uit de heifamilie Ericaceae
mirtillo gigante americano
noun
1. bepaald soort vaste plant, Vaccinium myrtillus
mirtillo nero
noun
1. witte kraaiachtige met lavendelblauw verenkleed op de rug en kop Cyanocitta cristata
ghiandaia azzurra
noun
1. bepaalde soort roofvogel uit de familie van de arendachtigen, Circus cyaneus
albanella reale
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
airone cenerino
noun
1. Balaenoptera musculus, een baleinwalvis, de grootste van alle walvisachtige
balenottera azzurra
noun
1. bepaald soort vaste plant, Eryngium maritimum
calcatrèppola marina
/ˈblɑuɣrɛis/
adjective
grigio bluastro
/ˈblɑuɣrun/
adjective
verde bluastro
/ˈblʌʊəχ/, /ˈblʌːβ̞əx/
adjective
2. op blauw lijkend
  1. bluastro
  2. azzurrognolo
  3. azzurrastro
adjective
lilla bluastro
/'bla.zə(n)/, /'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
soffiare
adjective
1. gering van kleur
pallido
adjective
marrone pallido
/ˈblekɣrun/
adjective
verde pallido
adjective
rosato
noun
1. ontsteking van een ooglid
blefarite
verb
1. witter of lichter doen worden
imbiancare
noun
1. een verwonding die men door sportbeoefening heeft gekregen
lesione
/blɛ.və(n)/
verb
1. niet veranderen
restare
noun
  1. 1.1 vertind dun plaatstaal
    latta
  2. 2.1 cilindervormig luchtdicht afgesloten vaatje van dun metaal
    1. lattina
    2. barattolo
noun
apriscatole
/blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
  1. fulmine
  2. lampo
adjective
1. niet in staat te zien
  1. cieco
  2. orbo
/'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
cecità
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
sangue
noun
banca del sangue
noun
1. daad
donazione di sangue
verb
1. het vloeien van bloed
sanguinare
noun
emorragia
noun
siero sanguigno
noun
1. een bloedader
vaso sanguigno
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
sanguisuga
verb
  1. 1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen
  2. 2. het bijzonder goed maken
fiorire
noun
  1. 2. fijngemalen poeder, meestal van granen
    farina
  2. 1. een deel van plant met zaden
    fiore
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
cavolfiore
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
vaso da fiori
noun
taglio a scodella
noun
1.
blogghista
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
flauto dolce
noun
blocco
/ˈblɔkə(n)/
verb
1. heel hard studeren
sgobbare
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
  1. pialla
  2. piallatrice
/blɔnd/, /blɔnt/
adjective
1.
biondo
/blɔnˈdiːnə/
noun
1. blond meisje, blonde vrouw
  1. bionda
  2. biondina
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
arrossire
/blʏf/
noun
1. poging tot intimidatie
bluff
verb
  1. 2. blaten
    belare
  2. 1. heel hard huilen
    1. belare
    2. frignare
    3. piagnucolare
    4. sbraitare
noun
sneetje brood
fetta di pane
noun
1. zeer grote wurgslang
boa
noun
bobina d'accensione
verb
1. een sport waarbij een bochtig ijsparcours wordt afgelegd in een bestuurbare slee
  1. bob
  2. guidoslitta
noun
  1. 2. een brede baai aan de kustlijn
    baia
  2. 1. gebogen weg of pad
    curva
pronoun
1.
Bochum
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Budapest
pronoun
Budda
noun
1. volger van de leer van Boeddha
buddista
noun
1. de voorkant van een schip
  1. prua
  2. prora
noun
1. een beeld dat ter versiering aangebracht werd op de voorsteven van een schip
polena
noun
1. uitstekend rondhout aan de voorsteven van een zeilschip
bompresso
noun
1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
boa
/bujə(n)/
verb
2. fascineren
affascinare
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
libro
noun
bucaniere
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Bucarest
noun
  1. rilegatore
  2. legatore
noun
1. de in de 15de eeuw ontwikkelde kunst om teksten door middel van een drukpers te vermenigvuldigen
stampa
/ˈbukən/
verb
1. reserveren van bijvoorbeeld een hotelkamer
riservare
noun
1.
bibliobus
/ˈbu.kə.ˌkɑs/, /ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
libreria
noun
1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
segnalibro
/ˈbu.klɔŋ(g)/, /ˈbu.klɔŋ/
noun
1. een long die gestapeld en gevouwen is in weefsel, zo dat de gevouwen...
polmone a libro
noun
omaso
noun
1. en 2. (gepelde zaden van) plant Fagopyrum esculentum
grano saraceno
noun
fijn gemalen zaden van boekweit
farina di grano saraceno
/ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
libreria
noun
1. een gebogen werpstok die de neiging heeft terug te keren naar de werper
boomerang
/buːr/
noun
  1. 1. landbouwer
    1. contadino
    2. agricoltore
  2. 4. speelkaart
    fante
noun
  1. 1. een woning met bedrijfsruimte van een boer
    fattoria
  2. 2. een onderneming van een boer
    1. fattoria
    2. podere
/ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
  1. rondine
  2. rondine comune
noun
1. het gehele lichaam, inclusief gezicht en ogen, verhullend gewaad gedragen door (streng) islamitische vrouwen
burqa
noun
burqini
noun
penitenza
/bɔf/
noun
2. ziekte
  1. parotite epidemica
  2. orecchioni
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
Boemia
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
bohrio
noun
1. een tactische vechtsport
pugilato
noun
1. handschoen gedragen tijdens het boksen
  1. guantone
  2. guantone da boxe
  3. guantone da pugile
noun
1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
sfera
noun
1. hoed
bombetta
noun
1. een bolvormige groep sterren zoals die in galactische halo's kunnen worden aangetroffen
ammasso
/boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
Bolivia
noun
1. bergtrui in de Ronde van Frankrijk
maglia a pois
pronoun
1. een stad in Italië
Bologna
noun
bolscevismo
pronoun
1. hoofdstad van de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Bolzano
/bɔm/
noun
1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
  1. bomba
  2. esplosivo
noun
1. beschieting met bommen, het werpen van bommen
bombardamento
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
bombardare
noun
1. een brief die explodeert wanneer men hem opent
cartabomba
noun
1. een mededeling dat er een bom gaat ontploffen
allarme per bomba
noun
1. een militair vliegtuig dat is ontworpen voor het werpen van bommen op gronddoelen
bombardiere
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Bonaire
pronoun
1.
Bundestag
noun
santoreggia
/bɔnt/
noun
pelliccia
noun
1. bepaalde vogelsoort uit de familie van plevieren, Charadrius hiaticula
corriere grosso
noun
1. overgebracht bericht
messaggio
noun
  1. 1. wapen
  2. 3. deel van bouwwerk
  3. 2. cirkelboog
arco
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
Sagittario
noun
1. iemand die schiet met een boog
arciere
noun
1. meerjarige plant met houten stam
  1. albero
  2. arbore
noun
1. een stuk grond met vruchtbomen
frutteto
noun
radica
noun
1. Hyla arborea, klein kikkertje dat zich in bomen en heesters kan begeven
raganella
/ˈbom.leː.β̞əˌrɪk/, /ˈbom.lɪː.β̞əˌrɪk/
noun
1. een vogelsoort die inheems is in Nederland en België
tottavilla
/'bomslɑŋ/
noun
2. bepaald landdier zonder poten Dispholidus typus
boomslang
noun
1. een rechtop gaande houten schacht van een boom
tronco
noun
1. kleine sierlijke valk, familie van de torenvalk, Falco subbuteo
  1. lodolaio
  2. lodolaio eurasiatico
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
  1. fagiolo
  2. fagiolino
noun
B. chemisch element en een zwart metalloïde
boro
/ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
trapano
noun
nave da perforazione
noun
1. hoge boorinstallatie
  1. derrick
  2. torre di perforazione
  3. torre di trivellazione
/boʊt/, /boːt/
noun
1. klein vaartuig
  1. nave
  2. barca
noun
1. een rang gelijk aan sergeant bij de marine en de hoogste onderofficier bij de koopvaardij
nostromo
/bɔRd/, /bɔrt/
noun
  1. 2. Vlak voorwerp aan een muur
    lavagna
  2. [1] Schijfvormig voorwerp
    piatto
adjective
viola bordeaux
/ˈbɔr.də(n).ˌwɑr.mər/, /ˈbɔr.də(n).ˌβ̞ɑr.mər/, /ˈbɔr.də.ˌʋɑr.mər/
noun
1. een toestel om borden voor het eten te verwarmen
scaldavivande
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
ricamare
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
  1. perforare
  2. trapanare
  3. trivellare
noun
  1. 2. borgsom, borgtocht, waarborgsom, cautie
    cauzione
  2. 1. iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag
    fideiussore
noun
  1. 2.
    cauzione
  2. 1. overeenkomst waarbij een borg zich garant stelt
    fideiussione
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
boro
pronoun
Borneo
noun
  1. 1. bovenste deel van de voorkant van de romp van mens of dier
    petto
  2. 2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
    1. seno
    2. petto
    3. mammella
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
sterno
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
spazzola
noun
allattamento
noun
1. een groep bomen
foresta
noun
fragola di bosco
noun
  1. 1. en 3. plant, en bessen, uit geslacht Vaccinium
    mirtillo
  2. 2. plant Vaccinium myrtillus
    mirtillo nero
/ˈbɔsnis/, /ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
bosniaco
/ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
  1. Bosnia-Erzegovina
  2. Bosnia ed Erzegovina
pronoun
1. zeestraat tussen de Zee van Marmara en de Zwarte Zee
Bosforo
noun
cannaiola verdognola
noun
1. jonge, onvolgroeide geboste ui met blad
cipollotto
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
allocco
noun
3. onderdeel van het skelet
osso
/ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
burro
noun
1. gele variant van de sperzieboon
fagiolo giallo
noun
  1. 1. een snee brood
    fetta di pane
  2. 2. een belegde snee brood
    sandwich
noun
1. een bakje om boter in te bewaren
burriera
/bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /bɔts.ˈʋa.na/, /bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
Botswana
/ˈbʌʊdəˌʋɛɪn/, /ˈbʌːdəˌβ̞ɛːn/
pronoun
1. een jongensnaam
Baldovino
noun
1. het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
candela
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
brodo
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Borgogna
/ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
  1. costruire
  2. edificare
noun
1. (wetenschap)
ingegneria edile
/ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
sopra
adjective
1. boven op het dek van een schip
sopraccoperta
/bovənˈdin/
adverb
1. op de koop toe, daarenboven
inoltre
noun
2. werktuig om vlas of hennep te braken of te kneden.
gramola
noun
1. struik & 2. vrucht
  1. mora
  2. rovo
noun
braille
verb
  1. 2. vlas of hennep breken
    gramolare
  2. 1. genuttigd voedselwaar ongewild door de mond naar buiten brengen
    vomitare
/ˈbrɑnd/, /ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
incendio
noun
1. een draagbaar toestel dat dient om een kleine of een beginnende brand te bestrijden
estintore portatile
verb
1. verteerd worden door vuur
bruciare
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
Brandeburgo
noun
1. een soort sterke drank
brandy
noun
1. bepaald soort gans, Branta leucopsis
oca facciabianca
noun
2-3. een harige plant die bij aanraking een brandend gevoel en zwelling veroorzaakt
ortica
noun
manichetta anticendio
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
incendiario
noun
incendio doloso
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
  1. combustible
  2. carburante
  3. combustibile
noun
vigili del fuoco
noun
carri dei pompieri
noun
1. lid van de brandweer
  1. vigile del fuoco
  2. pompiere
noun
carri dei pompieri
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
  1. abramide
  2. breme
/braˈʃɛːrə/
noun
1. dameskledingstuk
reggiseno
/braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
Brasile
noun
1. bepaald soort orchidee, Epipactis helleborine
elleborina comune
/ˈbred.bɑnd/, /ˈbred.bɑnt/
noun
1. een internetverbinding met een hoog debiet
banda larga
adjective
1. breed van borst en schouders
dalle spalle larghe
adjective
1. breed van borst en schouders, breedgebouwd
dalle spalle larghe
noun
1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
larghezza
noun
1. cirkel van gelijke geografische breedten
latitudine
noun
1. stevige metalen stang, meestal voorzien van een gespleten einde, de koevoet, gebruikt om zaken open te breken.
levachiodi
/ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
  1. sferruzzare
  2. lavorare a maglia
/ˈbrɛɪ̯nald/, /ˈbrɛɪ̯naɫt/, /ˈbrɛːnalt/
noun
1. een naald die gebruikt kan worden bij het breien
  1. ferro da calza
  2. ferro da maglia
verb
  1. 1. in stukken uiteenvallen
  2. 5. in stukken uiteen doen vallen
  1. rompere
  2. spezzare
noun
indice di rifrazione
pronoun
Brema
adjective
giallo scopa
noun
1. dialektische taal die in Brescia wordt gesproken, gebaseerd op het Italiaans
bresciano
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
Bretagna
noun
1. broekophouder
  1. bretelle
  2. bretella
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
bretone
noun
1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
frazione
noun
breviario
noun
1. verzonden geschreven boodschap
lettera
noun
1. tekst bovenaan een brief met gegevens van de afzender en de geadresseerde en de datum van verzending
intestazione
noun
1. een doorgaans sierlijk mesje dat men gebruikt om briefomslagen met te openen
tagliacarte
/bris/
noun
1. zachte frisse wind
brezza
noun
  1. buca delle lettere
  2. cassetta delle lettere
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
occhiali
/ˈbrɪl.beːr/, /ˈbrɪɫ.beːr/, /ˈbrɪɫ.bɪːr/
noun
1. een beer met grote cirkels rond de ogen, als een bril
orso dagli occhiali
noun
1. Bucephala clangula, een vogel uit de familie Anatidae
quattrocchi
noun
blu brillante
adjective
arancio chiaro brillante
adjective
rosso chiaro brillante
adjective
arancio brillante
adjective
blu brillante
adjective
giallo brillante
adjective
verde brillante
adjective
rosso brillante
/brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
britannico
pronoun
Gran Bretagna
/ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
  1. brocollo
  2. broccolo
noun
zuppa di broccoli
/'bru.də(n)/
verb
1. een gelegd ei met lichaamswarmte warm houden
covare
noun
effetto serra
noun
gas serra
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
  1. pantalone
  2. pantaloni
/bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
fratello
noun
ciclomotore
noun
ciclomotore
noun
  1. 1. daar waar men informatie vandaan haalt
  2. 2. begin van een waterloop
  1. fonte
  2. sorgente
noun
1. ontsteking van de luchtpijptak
bronchite
noun
bronzo
/broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
pane
noun
impastatrice
noun
tostapane
noun
bromo
noun
1. iemand die bier maakt om te verhandelen
birraio
/brɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
birrificio
/brʏx/, /brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
ponte
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
Bruges
/brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
sposa
noun
1. man die in het huwelijk treedt
sposo
noun
1. jurk gedragen door een bruid
  1. abito da sposa
  2. vestito da sposa
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
dote
noun
1. kosteloze lening voor tijdelijk gebruik onder voorwaarde van teruggave
comodato
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
  1. bruno
  2. marrone
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
  1. bruno
  2. marrone
adjective
beige marrone
/ˌbrœʏnəˈbeːr/
noun
1. Ursus arctos, een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt.
ursus arctos
noun
1. hemellichaam met een massa tussen die van een gasreus en een ster, onvoldoende voor kernfusie tussen protonen
nana bruna
noun
1. bepaald soort roofvogel, Circus aeruginosus
falco di palude
/ˈbrœyŋɣrɛis/
adjective
grigio brunastro
adjective
verde brunastro
/ˈbrœʏnəχ/, /ˈbrœːnəx/, /ˈbrœːnɪx/
adjective
2. op bruin lijkend
  1. brunastro
  2. brunastra
noun
lignite
adjective
1. brood van tarwemeel dat nog zemelen bevat
rosso marrone
/ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
focena
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Brunico
/bry.ˈnɛɪ̯/, /bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
Brunei
pronoun
Braunschweig
pronoun
1. de hoofdstad van België
  1. Bruxelles
  2. Brusselle
adjective
brussellese
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
IVA
/'bɵfəl/
noun
1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
bufalo
/ˈby.χəɫ/, /ˈbyː.ɣəl/
noun
1. een koperen blaaasinstrument.
flicorno
noun
1. zoogdier dat het jong in een buidel draagt
marsupiale
/bœʏ̯χə(n)/, /bœːɣə(n)/
verb
  1. 1. krom maken
    1. curvare
    2. piegare
  2. 2. krom worden
    1. curvarsi
    2. piegarsi
  3. 3. een buiging maken, zich buigen
    1. inchinarsi
    2. fare la riverenza
noun
  1. 6. vormverandering van woorden
    flessione
  2. 1. nijging als beleefde groet
    inchino
/bœʏ̯k/, /bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
  1. pancia
  2. ventre
noun
1.
peritoneo
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
tubo
/ˈbœʏ̯tə(n)/, /ˈbœːtə(n)/
adverb
fuori
adjective
1. niet binnen het raamwerk van het huwelijk
extraconiugale
/ˈbœytə(n)lɑndər/
noun
1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
straniero
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
straniero
noun
1.
fuorigioco
/ˈbœy̯.tə(n)ˌsta:n.dər/
noun
iemand buiten de groep, van buiten
esterno
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
  1. poiana
  2. poiana comune
/bʏl/
noun
1. mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
toro
noun
1. een gestroomlijnde boeg in de vorm van een bulb, om via de daardoor verminderde waterweerstand het brandstofverbruik te laten dalen
bulbo
noun
1. een stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken...
bulldog
/bɵɫˈγ̊aːrs/
adjective
1. met betrekking tot Bulgarije of de Bulgaarse taal
bulgaro
/bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
bulgaro
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
Bulgaria
noun
1. gestoomde, daarna gedroogde en vervolgens grof gemalen of gebroken tarwekorrels, meestal durumtarwe
bulgur
noun
1. een schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om droge stortgoederen zoals ertsen, kolen, graan, enz, te vervoeren.
nave per il transporto delle merci
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
  1. bulldozer
  2. apripista
/ˈbʏltrʏx/
noun
1. benaming voor een van de grotere baardwalvissen met lange borstvinnen
megattera
noun
1. stootstang
paraurti
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela putorius
puzzola
noun
  1. 1. een werkmeubel voor administratief- en studiewerk
    scrivania
  2. 2. een (politie)kantoor
    ufficio
noun
burocrazia
noun
1. overlast uit nabuurschap
disturbo di vicinato
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. rechten, plichten en hinder uit de nabuurschap
diritto di vicinato
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
sindaco
noun
sindaca
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
guerra civile
noun
1. edelman
visconte
noun
viscontessa
/bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
Burkina Faso
/bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
Burundi
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
  1. polvere da sparo
  2. polvere pirica
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
  1. reggiseno
  2. reggipetto
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
  1. zucca butternut
  2. zucca trombetta
noun
1. een man naast wie men woont
vicino
noun
1. een (deel van een) wijk
distretto
noun
1. vrouw woonachtig in het belendende huis
vicina
adjective
bizantino
/ˌkɑbɑˈrɛ(t)/
noun
1. een kleinkunst, vermaak met toneel, zang, dans, en voordracht
  1. cabaret
  2. varietà
noun
1. een beoefenaar van de cabaretkunst
animator
/kakaˈoː/, /kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
cacao
noun
1.
burro di cacao
noun
1. een vetplant met stekels
cactus
/kaˈdoː/
noun
1. iets dat men aan iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
regalo
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
cadmio
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
caffeina
noun
1. een dialect van het Napolitaans, gesproken in Italië, meer bepaald Calabrië
calabrese
pronoun
Calabria
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
calcio
/kɑlkʏˈlatɔr/
noun
1. machine
calcolatore
verb
1. rekenen
calcolare
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
californio
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten. De staat grenst aan de Pacifische Oceaan en aan de Mexicaanse deelstaat Baja California, alsmede aan de Amerikaanse deelstaten Nevada, Oregon en Arizona.
California
pronoun
  1. 1. nimf uit de Griekse mythologie
  2. 2. een van de vier grote manen van Jupiter
Callisto
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
caloria
adjective
1. weinig calorieën bevattend, light
ipocalorico
/kɑm.ˈbɔ.dja/, /kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
Cambogia
pronoun
Cambridge
/ˈkaməˌra/
noun
1. een apparaat om beelden mee te registreren
macchina fotographica
/kɑmuflerən/
verb
1. een voorwerp onopvallend maken
cammuffare
/kɑmˈpɑɲə/
noun
campagna
pronoun
Campania
/ˈkɑmpʏs/
noun
1. universiteitsterrein
campus
/ˈka.na.da/, /ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
Canada
pronoun
Isole Canarie
pronoun
1. de federale hoofdstad van Australië, gelegen in het Australisch Hoofdstedelijk Territorium
Canberra
/'ka.nɔn/
noun
1. de strengste vorm van een meerstemmige compositie, waarin de stemmen elkaar in de tijd verschoven imiteren
canone
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Cantabria
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. cantalupensis
melone di cantalupo
/ˌkɑntaˈrɛɫ/
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak, Cantharellus cibarius
canterello
noun
1. mogelijkheid om iets te bevatten
capacità
/ˌkapiˈbaːra/
noun
1. Hydrochoerus hydrochaeris, een groot knaagdier...
capibara
noun
1. internationaalrechtelijke verklaring dat een partij de strijd tijdens een oorlog opgeeft
  1. capitolazione
  2. resa
verb
1. het verzet staken, zich overgeven
  1. capitolare
  2. arrendersi
noun
1. kopje koffie dat uit gelijke delen espresso, melk en melkschuim bestaat
cappuccino
pronoun
Isola di Capri
adjective
blu capri
/ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
cappuccio
noun
1. bepaald soort zoogdier, Profelis caracal
  1. caracal
  2. lince persiana
/karákas/
pronoun
1. de hoofdstad van de Zuid-Amerikaanse staat Venezuela
Caracas
noun
1. kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonst
roulotte
noun
1. carbidgas/acetyleen
acetilene
noun
carbonato
noun
1. toestel dat vloeibare brandstof (bv. benzine) in fijn verdeelde toestand vermengt met lucht
carburatore
/kɑrdijolo'xi/
noun
1. een medisch specialisme dat zich bezighoudt met het opsporen, diagnosticeren en behandelen van hartziekten
cardiologia
/kɑrdijo'lox/
noun
  1. cardiologo
  2. cardiologa
pronoun
1. de zee ten westen van de Atlantische Oceaan, begrensd door de Kleine en de Grote Antillen, de noordkust van Zuid-Amerika en de oostkust van Midden-Amerika
Mar Caribico
noun
carie
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
carnevale
/kɑrniˈvor/
noun
1. een vleesetend dier
carnivoro
noun
1. loopbaan, werkgerelateerde maatschappelijke positie
carriera
noun
1. koetswerk van een voertuig
carozzeria
noun
1. iemand die land-, zee- en/of luchtkaarten maakt
cartografo
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
cartografia
noun
anacardio
noun
1. een gelegenheid waar in een luxe omgeving gegokt wordt
casinò
noun
1. Manihot esculenta, een eetbare wortelknol
manioca
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
cassetta
noun
specerij
cassia
pronoun
1. landstreek in Spanje
Castiglia
pronoun
Castiglia e León
pronoun
Castiglia-La Mancia
pronoun
  1. 1. mythologische figuur
  2. 2. ster
  3. 3. berg
Castore
noun
castrato
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
castrare
noun
  1. 1. een naamval
    caso
  2. 2. concrete voorbeeld(en) van iets in de praktijk, vooral gebruikt in wetenschappelijke uitleg en cursussen
    esempio
noun
1. onderaardse ruimte, onderaards gangenstelsel in het algemeen
catacomba
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
catalano
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
Catalogna
noun
1. grijze staar, een troebeling van de ooglens die het zien verstoort
cataratta
noun
1. een algemene ramp
cataclisma
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
categoria
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
cavia
noun
1. en 2. een peper, een scherp specerij
pepe di cayenna
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
Il Cairo
noun
1. compact disc
CD
noun
1. persoon die een vordering overdraagt
cedente
/ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
cedro
noun
    1. 1. een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
    2. 2. een kleine ruimte (in een klooster)
    1. cella
    2. cellula
    1. 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
    2. 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
    1. cellula
    2. cella
verb
1. plechtig herdenken
celebrare
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
violoncello
/ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
cellulosa
noun
1. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
membrana cellulare
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
cemento
noun
1. een fabriek waar cement geproduceerd wordt
cementificio
adjective
grigio cemento
noun
1. hoge ambtenaar in de Romeinse republiek
censore
verb
1. bewust informatie uit de media weghalen
censurare
/sɛnˈsyr/
noun
1. de controle van de kant van de overheid op alles wat de media uitbrengen
censura
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Centauro
/'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
centimetro
adjective
1. in het midden gelegen
centrale
/sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
Repubblica Centrafricana
pronoun
  1. America centrale
  2. Centro america
pronoun
Asia centrale
pronoun
Europa centrale
pronoun
1. Iraanse taal gesproken door 6 miljoen mensen in Irak en Iran
curdo
adjective
1.
centrifugo, a
noun
1. centrifugaalmachine
centrifuga
verb
1. met een centrifuge scheiden, zuiveren of drogen
centrifugare
noun
1. middelpunt
centro
noun
1. een plechtige aangelegenheid
cerimonia
noun
cerio
/ˌsɛrtifiˈkat/
noun
1. een schriftelijk bewijs
attestato
noun
cesio
noun
1. overdracht van schuldvordering
cessione
noun
1. persoon die een vordering verkrijgt
cessionario
pronoun
Ceuta
noun
kaneel gemaakt van Cinnamomum verum
cannella di Ceylon
/ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
  1. champagne
  2. sciampagna
noun
1. bepaald soort eetbare en speciaal gekweekte witte paddenstoel, Agaricus bisporus
fungo coltivato
noun
chanson
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
ricatto
noun
1. grote wanorde
caos
noun
1. deelgebied van de wiskunde en natuurwetenschappen dat zich bezighoudt met het gedrag van dynamische systemen zoals dat sterk door hun begintoestand wordt bepaald.
teoria del caos
adjective
caotico
noun
1. uitstraling
carisma
/ˈʃar.la.tan/
noun
ciarlatano
/sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
fascino
noun
  1. 3. charterpartij
    contratto di noleggio
  2. 2. handvest, beperkte grondwet
    statuto
noun
1. vlucht met afgehuurd vliegtuig
  1. charter
  2. volo charter
/ˈtʃɑtə(n)/, /ˈtʃɛtə(n)/
verb
1. op synchrone wijze met elkaar korte tekstberichten uitwisselen
chattare
/ʃaʊ̯.ˈføːr/, /ʃo.ˈføːr/, /ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
autista
noun
sciovinismo
/ˈtʃɛkən/
verb
1. controleren, nakijken
controllare
noun
1. Acinonyx jubatus, een zeer snel Afrikaans katachtig roofdier
ghepardo
noun
1. de baas, iemand die de leiding heeft
capo
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
chimica
noun
elemento chimico
/ʃɛk/
noun
assegno
noun
2. eetbare hartvormige vrucht van Annona cherimola
cirimoia
/tʃɛ.ˈrɔ.ki/, /ˈtʃeː.ro.keː/
pronoun
1. inheemse taal gesproken door enkele duizenden mensen in Noord-Amerika
cherokee
/ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
Cile
/ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
scimpanzé
/ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
Cina
/ʃi.ˈnes/
adjective
  1. 1. betreffende China
  2. 2. idem als 1., behalve:
cinese
/ʃi.ˈnes/
pronoun
  1. 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
  2. 2. persoon
cinese
noun
(bladeren van) Brassica rapa subsp. pekinensis
  1. cavolo di pechino
  2. pe-tsai
noun
1. bepaald soort grasachtige plant, Eleocharis dulcis
castagna d’acqua
noun
1. niet bezegelde, door identieke gedeeltes bevestigde oorkonde
carta partita
/ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
chirurgo
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
chirurgia
noun
cloro
noun
cloruro
/ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
cioccolato
/ˌʃo.ko.ˈla.də/, /ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
  1. cioccolato
  2. cioccolata
adjective
marrone cioccolata
noun
1. drank gemaakt van cacao, suiker en melk
cioccolata
noun
budino di cioccolato
/χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
colera
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
colesterolo
/ˌɣɔndroˈblɑst/, /ˌχɔndroˈblɑst/
noun
1. een cel die bot aanmaakt
condroblasto
noun
1. muziekinstrumenten waarbij de toon wordt geproduceerd door een trillende snaar
cordofoni
noun
coreografo
noun
coreografia
adjective
1. te maken hebbend met het christendom
cristiano
/ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
  1. cristiano
  2. cristiana
/ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
  1. cristianesimo
  2. cristianità
/ˈxrɪstʏs/
pronoun
Cristo
/ˌxromatisiˈtɛɪt/, /ˌɣromatisiˈtɛɪt/, /ˌχromatisiˈtɛɪt/
noun
1. de kwaliteit van een kleur zoals gedefinieerd door zijn kleurvolheid en helderheid
cromaticità
/ˌɣro.mo.zo.ˈmal/, /ˌɣro.mo.zo.ˈmaɫ/, /ˌχro.mo.zo.ˈmaɫ/
adjective
1. met betrekking tot de chromosomen, de eiwitten die erfelijke informatie bevatten
cromosomico
/ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
cromosoma
/ˈkronis/
adjective
1. voortdurend, aanhoudend
cronico
/xrono.lo'ɣiː/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
cronologia
adjective
1. naar tijdstip gerangschikt
cronologico
noun
1. een uurwerk waarop zeer kleine tijdsdelen kunnen worden afgelezen
cronometro
noun
cromo
adjective
verde cromo
/ˌxi.lo.mi.ˈkrɔn/, /ˌχi.lo.mi.ˈkrɔn/
noun
1. een grote door darmwandcellen geproduceerde lipoproteïne, waarin lipiden uit het voedsel van de darmwandcellen naar andere weefsels worden getransporteerd
chilomicroni
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
cicala
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
sidro
noun
aceto sidro
noun
1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
cifra
noun
2. een aan onroerend goed gerelateerde jaarlijkse uitkering aan de leen- of grondheer
censo fondiario
noun
cilindro
adjective
1. zoals een cilinder, cilindervormig, buisvormig
cilindrico
pronoun
1. een taal die tegenwoordig gesproken wordt in de gemeente Lusern in Trentino in Italië
cimbro
noun
1. iemand die gevangenen bewaakt en verzorgt
guardia carceraria
noun
1. bepaald soort naaldboom, Cupressus sempervirens
cipresso
noun
1. omloop voor snelheidswedstrijden
circuito
noun
  1. 1. attractie
    circo
  2. 2. chaotische toestand
    1. circo
    2. baraonda
/ˈsɪrkəɫ/
noun
circolo
/ˈsɪrkəlzax/
noun
1. motorzaag met een rond zaagblad
sega circolare
noun
1.
cirrosi
noun
1. aanhaling, ontleende passage
citazione
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
  1. cetra
  2. zither
verb
1. eigen of andermans woorden ontlenen
citare
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
limone
adjective
giallo limone
noun
1. Melissa officinalis, een vaste plant die naar citroen ruikt; van de bladeren kan thee gezet worden
melissa
noun
1. en 2. schil van een citroen
scorza di limone
noun
acido citrico
noun
agrume
noun
1. Viverra, een geslacht van kleine slank gebouwde roofdieren dat ---
zibetto
noun
ingegneria civile
noun
1. artistieke techniek
chiaroscuro
noun
classificazione
/klʌstrofoˈbiː/, /klʌustrofoˈbiː/
noun
1. vrees voor afgesloten ruimten
claustrofobia
/klʌʊˈsylə/
noun
1. een extra bepaling in een ambtelijke brief.
clausola
noun
1. de leiders van een kerkgenootschap
clero
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
clitoride
/kloːn/, /klʌːun/
noun
  1. 2. bespottelijk iemand
    1. pagliaccio
    2. buffone
    3. pagliaccia
    4. buffona
  2. 1. komische artiest
    1. pagliaccio
    2. clown
    3. pagliaccia
/klɵp/
noun
  1. 1. besloten gemeenschap
    1. club
    2. circolo
    3. associazione
    4. società
  2. 3. golfstok
    1. mazza
    2. bastone da golf
    3. mazza da golf
/kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
coalizione
noun
cavo coassiale
noun
1. gevaarlijke gifslang
cobra
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
cocaina
noun
1. heel stevig apparaat dat de gesprekken in de cockpit opneemt en bewaart, ook als het vliegtuig neerstort
registratore di volo
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
cocktail
noun
  1. shaker
  2. sbattighiaccio
noun
bozzolo
/'kodə/
noun
codice
/kɔxniˈtif/
adjective
1. met betrekking tot het leerproces
cognitivo
noun
1. eigendoms- en ontvangstbewijs waarin zeevrachtbrief en vervoersovereenkomst worden gecombineerd
polizza di carico
noun
2. een onderlinge aantrekking van moleculen van een zelfde stof
coesione
noun
1. ontgaste steenkool
coke
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
  1. coca
  2. coca-cola
noun
collage
noun
1. meerdere groepen die onder één noemer worden aangesproken
collettivo
/kɔˈleɣa/, /kɔˈleχa/
noun
1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt
collega
noun
1. naam voor Schotse langharige herdershond
collie
noun
collimatore
noun
colloide
/ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Colombia
noun
1. een inwoner van Colombia of persoon die de Colombiaanse nationaliteit bezit
colombiano
/ko'lɔnə/
noun
  1. 1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
    colonna
  2. 2. vijfde colonne: een groep mensen die zich voordoet als loyaal, maar die in dienst staat van de vijand en in het geheim ondermijnende acties uitvoert
    quinta colonna
noun
1. een kever die op de aardappelplant leeft van ongeveer 1 cm lang en met een geel...
dorifora della patata
noun
1. de eerste, gelige moedermelk
colostro
noun
coltan
/ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
coma
noun
1. werktuig waarmee je zowel op verschillende manieren kan vastknijpen als afknippen
pinza universale
/kɔmən'tar/
noun
  1. 1. toelichting of verklaring
  2. 2. kritiek
commento
/kɔmərˈʃel/, /kɔmɛrˈsjel/
adjective
1. zakelijk
commerciale
noun
1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
commissione
noun
1. onrust bij een groep mensen
  1. clamore
  2. scalpore
/ˌkɔ.my.nɪ.ˈkaː.si/, /ˌkɔmyniˈkasi/, /ˌkɔmyniˈkaʦi/
noun
1. het uitwisselen van informatie
comunicazione
noun
1.
errore di comunicazione
noun
scienze della comunicazione
verb
2. met elkaar in contact komen
comunicare
/kɔ.ˈmy.ni/, /kɔ.ˈmyː.nɪə̯/
noun
1. de gemeenschap met lichaam en bloed van Jezus Christus in de vorm van brood en wijn
comunione
/kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
comunismo
/ko.ˈmoː.rə(n)/, /ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
Comore
adjective
1. ruimte beperkende uitvoering, gedrongen
compatto
noun
2. vennootschap
compagnia
noun
1. iemand die voor een notaris verschijnt om een akte op te maken
comparente
noun
1. verschijning in rechte
comparizione
noun
1. iets wat minder is uitvallen, weer goed (proberen te) maken (met een extra toegift)
compensazione
noun
1. wedijver, concurrentie
  1. competizione
  2. concorrenza
  3. gara
adjective
1. volledig, voltallig
  1. completo
  2. completamente
noun
1. de mate waarin iets complex is
epistemologia della complessità
noun
1. de studie van de complexiteit en mate van oplosbaarheid van wiskundige vraagstukken binnen het kader van...
teoria della complessità computazionale
noun
1. een lovende of vleiende opmerking
complimento
noun
1. iemand die muziekstukken schrijft
compositore
noun
een samengesteld materiaal dat is opgebouwd uit verschillende componenten
materiale composito
noun
1. een muziekstuk, werkstuk van een componist
composizione
noun
1. is het residu dat ontstaat na ontbinding van organisch materiaal (d.w.z. van plantaardige of dierlijke oorsprong)
compost
verb
1. tot compost verwerken
compostare
noun
1. samendrukking
compressione
verb
1. samenpersen, compact maken
comprimere
/kɔmproˈmi/
noun
1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen...
compromesso
/kɔm.ˈpju.tər/, /kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
  1. computer
  2. elaboratore
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
gioco elettronico
noun
informatica
noun
concentrazione
verb
1. op één plek samenbrengen
concentrare
noun
1. een ontwerp, een project
progetto
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
concerto
/kɔn.si.ˈjɛr.ʒə/, /kɔn.ˈʒɛr.ʒə/
noun
1. een huisbewaarder, een toezichter in een gebouw
portiere
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
conclave
/ˌkɔŋklyˈderən/
verb
2. (overgankelijk) tot een besluit komen
  1. concludere
  2. dedurre
/kɔŋˈklyzi/
noun
conclusione
/kɔnˈkret/
adjective
2. in realiteit bestaand
concreto
adjective
1. gelijkgerechtigd, noch zekerheid noch voorrang hebbend
chirografario
noun
1. mededinger, wedijveraar
concorrente
noun
1.
concorrenza
/kɔndɛn'zasi/
noun
condensazione
noun
1. elektrische component
condensatore
noun
capacità elettrica
noun
1. gezondheidstoestand
forma
noun
  1. preservativo
  2. profilattico
noun
1. benaming voor sommige roofvogels uit de Amerikaanse tak (Cathartidae) van de gierenfamilie
condor
noun
conduttanza elettrica
noun
1.
confezione
noun
conferenza
noun
1. felgekleurde papiersnippers
coriandoli
verb
1. van staatswege in beslag nemen
confiscare
noun
conflitto
noun
affrontamento
/kɔŋˈɣrɛs/, /kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
congresso
/ˈkɔn.jʏŋk.tif/
noun
1. aanvoegende wijs
congiuntivo
noun
1. de bijklank of gevoelswaarde van een woord of woordgroep, die tot op zekere hoogte losstaat van de letterlijke betekenis
connotazione
verb
1. consecratie verrichten
consacrare
/kɔnˈsɛnzʏs/
noun
consenso
/kɔnsɛrvaˈtif/
adjective
1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde
  1. conservativo
  2. conservatore
noun
1. een school in het hoger onderwijs waar men zich kan laten opleiden tot professioneel musicus, acteur/actrice of danser(es)
conservatorio
noun
2. ingeblikt voedsel ter bewaring tegen bederf
conserva
verb
1.
conservare
/kɔnsɪstɔˈri/
noun
1. een vergadering van de paus met het college van kardinalen
concistoro
adjective
1. Altijd onveranderlijk
costante
noun
costantana
pronoun
Costantinopoli
/kɔnsta'terə(n)/
verb
1. vaststellen
constatare
noun
1. een situatie waarin men zich geen raad meer weet
costernazione
noun
1. verstopping, harde of uitblijvende ontlasting
stitichezza
noun
2. grondwet
costituzione
adjective
costituzionale
noun
1. een ontwerper van constructies
meccanico
noun
  1. 1. Romeins overheidspersoon
  2. 1. vertegenwoordiger
console
noun
1.
consolato
noun
1. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
lente a contatto
noun
  1. container
  2. contenitore
noun
nave portacontainer
adjective
1.
contanti
/ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
contesto
noun
1. een werelddeel
continente
/ˌkɔntinyˈweːrə(n)/
verb
1. voortzetten
  1. continuare
  2. durare
  3. proseguire
  4. seguitare
noun
1.
isoclina
noun
1. het laagstklinkende muziekinstrument van de strijkinstrumenten
contrabbasso
/kɔnˈtrɑkt/
noun
1. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
contratto
noun
1. vrijheid van rechtssubjecten om inhoud, werking en vorm van een overeenkomst te bepalen
libertà di contratto
noun
1. vrijheid van rechtssubjecten om inhoud, werking en vorm van een overeenkomst te bepalen
libertà di contratto
noun
quota
noun
controllo
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
  1. controllare
  2. verificare
  3. esaminare
noun
1. iemand die belast is met de controle
controllore
verb
1. een gesprek voeren
conversare
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
copernicio
noun
1. een gezamenlijke productie
coproduzione
pronoun
2. spelwoord voor de letter c
Como
/ˈkɔrnis/, /ˈkɔrnɪs/
pronoun
1. een Keltische taal die gesproken wordt in Cornwall
  1. cornico
  2. cornovagliese
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
Cornovaglia
noun
1. samenhang
correlazione
noun
corrispondenza
/ˌkɔriˈʒeːrə(n)/, /ˌkɔriˈʒɪːrə(n)/
verb
1. iets van fouten ontdoen
correggere
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
corrosione
adjective
1. met behulp van geschenken, geld e.d. over te halen om zijn plicht, partij, of overtuiging te verzaken
corrotto
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
corruzione
/'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Corsica
pronoun
1. een taal die op Corsica gesproken wordt
corso
noun
coseno
/ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
Costa Rica
noun
coulomb
/kup/
noun
1. staatsgreep
  1. colpo di Stato
  2. putsch
noun
1. massamedium
giornale
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
  1. zucchina
  2. zucchino
noun
cuscus
noun
1. modeontwerper,ontwerper en maker van modieuze kledij
sarto
noun
1. iemand die tijdens de coronapandemie de maatregelen tegen de verspreiding...
covidiota
noun
1. veedrijver/veehoeder
cowboy
noun
1. heuppijn
coxalgia
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
coyote
noun
1. een constante factor van een onbekende of van een veranderlijke grootheid
  1. cefficiente
  2. coefficiente
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
società cooperativa
noun
1. iemand die zorgt dat de dingen in hun samenhang geregeld worden
coordinatore
verb
1. zo organiseren dat alles en iedereen goed kan samenwerken
coordinare
noun
1. bepaald soort struik en 2. vrucht daarvan, Vaccinium macrocarpon
  1. mirtillo rosso americano
  2. cranberry
noun
1. een schepping, iets totaal nieuw
creazione
/krejaˈtif/
adjective
1. scheppend vermogen bezittend, met een scheppende geest
creativo
noun
creazionismo
noun
1. gedrevenheid of vaardigheid om iets oorspronkelijks te maken
creatività
noun
cree
noun
1. de lijkverbranding, de verassing
cremazione
noun
1. centrum voor lijkverbranding
crematorio
verb
cremare
noun
1. de wetenschap die pidgin- en creooltalen bestudeert.
creolistica
noun
1. een taal die is ontstaan doordat bevolkingsgroepen die twee verschillende talen spraken met elkaar in contact kwamen en een nieuwe taal ontwikkelden
lingua creola
/krɛˈʃɛndo/
noun
crescendo
/kreˈjeːrə(n)/
verb
1. iets nieuws maken, iets scheppen
creare
noun
1. de misdadigheid, het begaan van misdaden
delinquenza
adjective
1. met betrekking tot misdaad
criminale
noun
1. iemand door zich onderhoudt door de wet te breken
deliquente
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
criminologia
noun
1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
crisi
/kriˈterijʏm/
noun
1. toets, een doorslag gevende reden
criterio
/krʋɑˈsɑ̃/
noun
1. halvemaanvormig broodje
  1. cornetto
  2. croissant
noun
1. vakantie op een varend schip met uitgebreide voorzieningen voor de passagiers
crociera
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
nave da crociera
adjective
bianco crema
noun
1.
  1. carta crespata
  2. carta crespa
/ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
Cuba
adjective
cubano
adjective
1. met betrekking tot de kookkunst
culinario
/kʏltyˈrel/
adjective
1.met betrekking tot cultuur
culturale
/kɵl'tyːr/
noun
1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
cultura
noun
1. belangenbehartiging van meerderjarige
curatela
/ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
Curaçao
noun
2. gele voedselkleurstof
  1. curcumina
  2. estratto di curcuma
noun
1. het bestuursorgaan van de Heilige Stoel ten behoeve van de gehele Rooms-katholieke Kerk
Curia Romana
noun
curio
noun
1. een precisiesport die lijkt op bowls, jeu de boules en bocce, die op ijs gespeeld wordt gespeeld met zware stenen in plaats van metalen (of plastic) ballen
curling
adjective
1.
corsivo
noun
curva
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
cibernetica
noun
  1. ciclocampestre
  2. ciclocrossismo
  3. ciclopratismo
noun
2.
ciclone
noun
ciclope
noun
1. terugkerende, regelmatige reeks
ciclo
/ˈsinis/
adjective
cinico
/ˈki.prʏs/, /ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
Cipro
/sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
cirillico
/ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
  1. ciste
  2. cisti
/ˌsitɔˈplɑsma/
noun
citoplasma
/daːt/
noun
1. bewust gepleegde handeling
  1. fatto
  2. azione
/daːr/
adverb
1. op die plaats
là
adverbialPronoun
1. met die reden
perciò
noun
tafano
/daˈsit/
noun
1. vulkanisch stollingsgesteente.
dacite
noun
dadaismo
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
dattero
/dɑx/, /dɑχ/
interjection
  1. 1. ontmoetingsgroet
  2. 2. afscheidsgroet
ciao
/dɑx/, /dɑχ/
noun
  1. 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
  2. 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
  1. giorno
  2. giornata
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
  1. quotidiano
  2. giornale
noun
diario
adverb
1. iedere dag
  1. giornaliero
  2. ogni giorno
noun
1. een oproep om voor een rechtbank te verschijnen
  1. convocazione
  2. citazione
adjective
giallo dalia
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
tetto
noun
1. een langgerekte bakvormige of halfronde constructie voor het afvoeren van (regen)water dat van het dak komt
grondaia
noun
1. iemand die op de straat leeft, zonder vaste verblijfplaats
senzatetto
/dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
valle
verb
1. naar beneden gaan
scendere
pronoun
1.
Dalmazia
noun
dalmata
noun
1. een inwoner van Damascus
  1. damasceno
  2. damaschino
adjective
1. op Damascus betrekking hebbend
  1. damasceno
  2. damaschino
noun
1. een inwoonster van Damascus
  1. damascena
  2. damaschina
adjective
1. op Damascus betrekking hebbend
  1. damasceno
  2. damaschino
noun
1. een inwoner van Damascus
  1. damasceno
  2. damaschino
/daːmə/
noun
  1. 3. koningin in het schaakspel
    1. regina
    2. donna
  2. 1. beschaafde vrouw
    1. signora
    2. dama
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
daino
verb
1. het damspel spelen
dama
/dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
vapore
noun
1. het geleiden van damp of uitwaseming van warme geneesmiddelen naar een ziekelijk deel des lichaams voor inhalatie, huidreiniging
inhalasjon
noun
2. huishoudelijk apparaat in de keuken dat de kookluchtjes moet afvoeren
cappa
pronoun
3. jongensnaam
Daniele
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
grazie
noun
1. het dankbaar zijn
  1. gratitudine
  2. riconoscenza
preposition
1. door de positieve werking van
grazie a
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
  1. danza
  2. ballo
verb
1. ritmisch bewegen
  1. ballare
  2. danzare
/dɑnsə'rɛs/
noun
1. een vrouwelijk persoon die danst
  1. ballerina
  2. danzatrice
/ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
coraggioso
noun
1. mannelijke bij
fuco
/dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
intestino
noun
darmstadtio
noun
1. evolutieleer die het ontstaan van de soorten verklaart door natuurlijke selectie uit varianten die bij reproductie optreden
darwinismo
/dɑs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
tasso
/ˈdɑs.lok/
noun
1. sterk riekende, eetbare plant uit de lookfamilie
aglio orsino
conjunction
1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
che
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
dativo
noun
1. Russisch buitenverblijf
dacia
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
data
noun
rugiada
noun
punto di rugiada
article
1. (de) wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en altijd voor het meervoud, waarbij het een specifieke persoon of ding aanduidt in plaats van het algemene geval
il
phraseologicalUnit
1. het opgeven
gettare la spugna
verb
1. een lastige kwestie voortvarend en vastberaden aanpakken
prendere il toro per le corna
interjection
1. er is een onomkeerbare stap gezet
il dado è tratto
noun
dibattito
noun
2. hoofd van een faculteit
decano
noun
1. verwildering van zeden
decadenza
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
dicembre
verb
1.sterk in aantal terugbrengen, gewoonlijk door afslachting
decimare
noun
1. een lengtemaat met een waarde van één tiende meter
decimetro
/dekliˈna(t)si/
noun
1, 2
declinazione
noun
1. laag uitgesneden halslijn bij vrouwenkleding
scollatura
noun
2. faillissement, bankroet
  1. bancarotta
  2. fallimento
verb
1. methoden en technieken gebruikt om bouwwerken, meubels of andere objecten te verfraaien
decorare
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
  1. impasto
  2. pasta
noun
1. rol om deeg uit te rollen
matterello
noun
1. rol om deeg uit te rollen
matterello
/ˈdeːl/
noun
  1. 1. een afsplitsing van een geheel
  2. 2. één uit een reeks
  1. parte
  2. tempo
verb
1. meedoen, meevoelen
partecipare
noun
1. iemand die meedoet aan een wedstrijd of ander evenement
partecipante
noun
fisica delle particelle
noun
acceleratore di particelle
noun
participio
/den/, /deːn/
noun
1. een inwoner van Denemarken
danese
/dens/, /deːns/
adjective
1. betreffende Denemarken of het Deens
danese
/dens/, /deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
danese
/ˈdensə/, /ˈdeːnsə/
noun
danese
noun
1. Duits hondenras dat gefokt werd als waakhond
alano
verb
1. uit het raam gooien
defenestrare
noun
1. begripsbepaling
definizione
verb
definire
noun
1. het vallen van het prijspeil waardoor het geld in waarde toeneemt
deflazione
noun
6. verwijzing naar een lagere speelklasse
retrocessione
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. kleinste van de twee manen van Mars
Deimos
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
  1. piumino
  2. piumone
/dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
coperta
/'dɛk.pɵnt/
noun
1.
punto fisso
verb
2. in meer dan één stuk snijden of hakken
dividere
noun
1. waanzinnigheid, acuut psychische stoornis ten gevolge van lichamelijke aandoening, vergiftiging...
delirio
noun
1. een aandoening van de hersenen waardoor de verstandelijke en cognitieve vermogens verminderen
demenza
noun
democrazia
adjective
1. in overeenstemming met de principes van een democratie
democratico
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
demografia
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
L'Aia
noun
dendrite
/ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
Danimarca
verb
  1. 3. een bepaalde mening toegedaan zijn
    pensare
  2. 1. een oplossing zoeken
    1. pensare
    2. riflettere
noun
pigna
adjective
verde abete
noun
1. het been waaruit tanden bestaan
dentina
/ˈdejo/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
deodorante
/ˌdejodɔːˈrɑnt/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
deodorante
noun
deontologia
noun
    1. 2. gebied met lage luchtdruk
    2. 3. langdurige inzinking in de economische ontwikkeling
    depressione
  1. 1. ziekelijke neerslachtigheid
    1. disturbo depressivo
    2. depressione
/ˈdɛrdə/
noun
1. door drie gedeeld iets
terzo
/ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
terzo
noun
1. overeenkomst ten gunste van een derde die normaal erbuiten blijft
  1. contratto a favore di terzi
  2. stipulazione per altri
noun
1. huidontsteking
dermatite
noun
1. Huidspecialist
dermatologo
cardinalNumeral
1. het getal 13
tredici
ordinalAdjective
tredicesimo
cardinalNumeral
1. het getal 30
trenta
verb
1. eenduidig maken, van zijn dubbelzinnigheid ontdoen
disambiguare
noun
1.
disertore
noun
1. onjuiste of misleidende informatie, die bewust verstrekt wordt met het oogmerk...
disinformazione
noun
  1. dNA
  2. acido desossiribonucleico
noun
dessert
noun
1. onderdeel, kleinigheid
dettaglio
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
virtù
adjective
1. bereid zich te gedragen in overeenstemming met algemeen aanvaarde waarden
virtuoso
/døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
  1. porta
  2. portiera
  3. sportello
noun
1. handvat dat de grendel van een deur bedient.
maniglia
/dœyˈterijʏm/
noun
1. een isotoop van waterstof
deuterio
/dewteɾoˈnomjum/
pronoun
Deuteronomio
/'devəntər/
adjective
1. gemeente en oudste stad in de provincie Overijssel
Deventer
noun
1. woord of korte tekst die snel en tegelijkertijd duidelijk een bepaalde boodschap moet overbrengen
motto
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
perché
/deʲɪsmə/
noun
deismo
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam geen of te weinig insuline produceert
diabete
noun
1. vaststelling van een ziekte
diagnosi
adjective
diagonale
noun
1. een symbolische en grafische voorstelling van een aantal zaken en hun onderling verband
diagramma
noun
diacono
/dijaˈkritis/
adjective
diacritico
/diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
dialetto
/ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
dialettologia
noun
dialogo
noun
  1. 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
  2. 2. een edelsteen gesneden uit [1]
diamante
noun
1. middellijn
diametro
/diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
diarrea
preposition
1. op een korte afstand van
vicino a
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
poeta
noun
1. compactheid
densità
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
dittatore
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
dittatura
/dɪk'te/
noun
1. een tekst die wordt gedicteerd en door andere personen wordt opgeschreven als toets in het correct spellen
dettato
/ˈdɪk.tʏm/
noun
1. beschikkend gedeelte van een vonnis of arrest
dispositivo
/diˈdimijʏm/
noun
1. scheikundige stof
didimio
noun
2. een aanpassing in het eet- en voedingspatroon
dieta
/dif/
noun
1. iem. die steelt
ladro
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
furto
noun
vassoio
/ˈdinst.plɪxt/
noun
1. verplichting om ergens te werken
coscrizione
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
  1. profondo
  2. fondo
adjective
arancio profondo
/'diptə/
noun
1. de mate waarin iets diep is
profondità
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen...
congelatore
noun
congelatore
/diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
animale
adjective
1. waaraan men grote waarde hecht
  1. caro
  2. amato
/ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
zoo
noun
1. wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van dierziektes
medicina veterinaria
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologia
noun
diffamazione
noun
vergelijking voor een functie waarin een of meer van de afgeleiden van die functie voorkomen
equazione differenziale
/ˈdɪftɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
dittongo
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong
dittongazione
adjective
1. met betrekking tot de spijsvertering
digestivo
noun
1. middel dat
digestivo
/dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
coscia
noun
femore
noun
1. een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
  1. argine
  2. diga
noun
  1. 3. kleine bruine motachtige dagvlindersoorten met een snelle schietvlucht
    esperido
  2. 4. in het zand levende grondelsoort
    ghiozzetto minuto
adverb
spesso
noun
ciccione
/dɪ'lɛmɑ/
noun
moeilijke keuze
dilemma
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
aneto
verb
1. het diner gebruiken
cenare
noun
1. voorwerp
cosa
/ˈdɪ.ŋəs/
noun
coso
noun
1. Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
dingo
/ˌdinoˈsʌʊriər/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
dinosaur
/ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
  1. dinosaur
  2. dinosauro
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
martedì
noun
diodo
noun
1. een bewijs van bevoegdheid
diploma
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
diplomatico
adjective
1. betrekking hebbende op de diplomatie
diplomatico
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
diplomatica
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
direttore d’orchestra
pronoun
2. spelwoord voor de letter d
Domodossola
/dɪs/
noun
3. verhoogde toon d
re diesis
noun
1. beschrijvend overzicht van de elpee's of cd's van een artiest of muziekgroep
discografia
noun
discriminazione
/ˈdɪskʏs/
noun
1. een zware werpschijf die gebruikt wordt bij de atletische sport discuswerpen.
disco
noun
1. een atletiekdiscipline waarbij men een discus zo ver mogelijk probeert te werpen
lancio del disco
/dɪsəl/
noun
3. houtbewerkingsbijl
asciola
adjective
dissidente
noun
cardo
noun
1. verdeling, verspreiding
distribuzione
demonstrativePronoun
  1. questo
  2. questa
noun
1. (weinig gebruikte) scheikundige term voor water (H2O)
monossido di diidrogeno
noun
1. specialist op het gebied van voeding en voedingspatronen
dietista
noun
1. een vrouwelijke specialist op het gebied van voeding en voedingspatronen
dietista
/(d)ʒi.ˈbu.ti/, /dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
Gibuti
noun
1. de afkorting van desoxyribonucleic acid (desoxyribonucleïnezuur)
DNA
pronoun
1.
Dnepr
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
dado
noun
1. een vrouwelijk kind
figlia
/ˈdɔktɔr/
abbreviation
1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
  1. dottore di ricerca
  2. dottore
noun
1. een verzameling leerstellingen of dogmas die niet ter discussie staan
dottrina
noun
1. een verzameling gegevens
documento
/dokymɛn'taʦi/
noun
1. geschreven materiaal dat een bepaald onderwerp om- en beschrijft
documentazione
/'do:dələk/
adjective
1. de dood veroorzakend
mortale
/ˈdo.də(n)/
verb
1. iemand van het leven beroven.
  1. uccidere
  2. ammazzare
noun
1. het herdenken van de doden die vielen in de Tweede Wereldoorlog, meestal op 4 mei
commemorazione dei defunti
/ˈdodə(n)ˌmɪs/
noun
1. een mis opgedragen voor een overledene
requiem
/ˈdudɔɫˌzɑk/, /ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
  1. zampogna
  2. comusa
  3. cornamuse
noun
1. een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld
  1. porta
  2. rete
noun
target
noun
portiere
noun
  1. goal
  2. rete
verb
1. een actie ondernemen
fare
/dɔx/
noun
1. grote kortharige hond met brede kop
alano
noun
doge
/'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
dogma
noun
dottore
/dɔl/
noun
  1. 2. U-vormig steunpunt waarin een roeispaan rust
    1. scalmiera
    2. forcola
  2. 1. roeipen
    scalmo
noun
dolce far niente
/dɔlˈfɛɪ̯n/, /dɔlˈfɛːn/, /dɔɫˈfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛːn/, /ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
delfino
noun
  1. pugnale
  2. daga
/ ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
dollaro
adjective
1. van weinig verstand getuigend
  1. stupido
  2. scemo
noun
  1. 2. bolvormig dak
    cupola
  2. 1. hoofdkerk van een bisdom
    duomo
noun
1. temming tot huisdier of cultuurgewas
domesticazione
verb
1. tot huisdier of cultuurgewas temmen
domesticare
noun
2. vijfde trede van toonladder
dominante
noun
1. voorganger van een protestantse eredienst
pastore
/domiˈnɪːrə(n)/
verb
1. het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden
dominare
/ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
  1. Repubblica Dominicana
  2. Repubblica dominicana
noun
1.
effetto domino
noun
1. een schenking
donazione
noun
1. een pagina waarop gevraagd wordt om voor een goed doel een financiële bijdrage te leveren
pagina sulle donazioni
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Danubio
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
tuono
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
giovedì
adjective
1. zonder licht
scuro
noun
1. fijne veren die onder de taaiere buitenveren zitten, vaak gebruikt als vulstof voor kussens, dekbedden en slaapzakken
calugine
/doːt/
adjective
1. niet meer levend
morto
/doːt/
noun
  1. 2. skeletvormige figuur, vaak met zeis, die bovengenoemde toestand personifieert
    morte
  2. 1. de toestand na het leven
    1. morte
    2. decesso
/ˈdotxan/
verb
1. het leven verlaten
morire
adjective
1. bij de geboorte al overleden
nato morto
noun
1. (beroep) persoon
becchino
noun
3. hevige vrees
  1. agonia
  2. calvario
  3. croce
  4. angoscia mortale
/ˈdoːts.ɛsˌka.dər/
noun
1. bende die gevormd is om een of meerdere personen te doden
squadrone della morte
noun
bara
noun
1.
causa di morte
noun
1. als straf gedood worden
  1. pena di morte
  2. pena capitale
/doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
sordo
noun
sordità
noun
1. smelten
  1. disgelamento
  2. disgelo
/'dojə(n)/
verb
1. het stijgen van de buitentemperatuur boven het vriespunt waardoor alle ijs en sneeuw begint te smelten
sgelare
noun
tuorlo
noun
1. stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
labirinto
noun
1. de doop
battesimo
/ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
fonte battesimale
verb
farti
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
spina
/ˈdornəkron/
noun
1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
corona di spine
/ˈdorvərˌkopə(n)/, /ˈdo̝rvərˌkopə(n)/
verb
1. iets verkopen dat onlangs is gekocht
rivendere
/doʊs/, /doːs/
noun
  1. 5. informele naam voor toilet
    cesso
  2. 1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
    scatola
verb
2. iemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
battezzare
noun
1. en 2. (zaden uit / peulen van) het gewas Pisum sativum L. subsp. sativum var. sativum
pisellini
noun
1. stimulerende (genees)middelen
doping
/dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
  1. villaggio
  2. paese
verb
trebbiare
noun
sete
noun
correggiato
noun
1. vloer waarop gedorst wordt
aia
noun
1. hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen
dose
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
dogana
/duʃ/
noun
1. stortbad
doccia
noun
1. een set van twaalf
dozzina
/draːt/
noun
  1. 1. in elkaar gesponnen vezels
    filo
  2. 3. elektrisch verbindingsmateriaal
    1. filo
    2. filo metallico
noun
1. ongemoduleerde elektromagnetische radiogolf
onda portante
noun
1. stok waaraan men iets draagt
  1. bilanciere
  2. bicollo
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
tornio
noun
sceneggiatura
/ˈdraːi̯ən/
verb
Vertalingen: na te kijken
girare
noun
1. een mechanisch bediend of automatisch spelend orgel, meestal op straat spelend
  1. organo a rullo
  2. organetto
/draːk/
noun
1. fabeldier
  1. drago
  2. dragone
verb
  1. 1. al van de vloer houdend vervoeren
  2. 2. als kledingstuk of sieraad aanhebben
portare
noun
5. voorwerp dat iets ondersteund
supporto
/ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
  1. dragoncello
  2. estragone
noun
1.
dragone
noun
1. vochtafvoering
drenaggio
noun
  1. 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
  2. 2. een bepaald soort film of toneelstuk
dramma
/drɑŋk/
noun
  1. 2. vloeistof om de dorst te lessen
  2. 1. alcoholhoudende vloeistof
bevanda
/ˈdrɑs.tis/, /ˈdrɑs.tɪs/
adjective
1. doelgericht zeer ingrijpend
drastico
verb
1. van paarden
  1. trottare
  2. andare al trotto
noun
1. grassoort
forasacco
verb
1. een bestraffende handeling in het vooruitzicht stellen
minacciare
noun
1. onderdorpel van een kozijn
soglia
/ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Drenthe
noun
punzone
cardinalNumeral
1. telwoord
tre
noun
1. het cijfer 3
tre
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
triangolo
noun
1. (romantische) verhouding waarbij drie mensen zijn betrokken
triangolo amoroso
/ˈdriˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 300
trecento
cardinalNumeral
1. het getal 308
trecentotto
cardinalNumeral
1. het getal 338
trecentotrentotto
cardinalNumeral
1. het getal 398
trecentonovantotto
cardinalNumeral
1. het getal 388
trecentottantotto
cardinalNumeral
1. het getal 328
trecentoventotto
cardinalNumeral
1. het getal 348
trecentoquarantotto
cardinalNumeral
1. het getal 358
trecentocinquantotto
cardinalNumeral
1. het getal 368
trecentosessantotto
/ˌdrihɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 378
trecentosettantotto
cardinalNumeral
1. het getal 318
trecentodiciotto
cardinalNumeral
1. het getal 313
trecentotredici
cardinalNumeral
1. het getal 330
trecentotrenta
cardinalNumeral
1. het getal 303
trecentotré
cardinalNumeral
1. het getal 333
trecentotrentatré
cardinalNumeral
1. het getal 393
trecentonovantatré
cardinalNumeral
1. het getal 383
trecentottantatré
cardinalNumeral
1. het getal 323
trecentoventitré
cardinalNumeral
1. het getal 343
trecentoquarantatré
cardinalNumeral
1. het getal 353
trecentocinquantatré
cardinalNumeral
1. het getal 363
trecentosessantatré
/ˌdrihɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 373
trecentosettantatré
cardinalNumeral
1. het getal 301
trecentouno
cardinalNumeral
1. het getal 331
trecentotrentuno
cardinalNumeral
1. het getal 391
trecentonovantuno
cardinalNumeral
1. het getal 381
trecentottantuno
cardinalNumeral
1. het getal 321
trecentoventuno
cardinalNumeral
1. het getal 341
trecentoquarantuno
cardinalNumeral
1. het getal 351
trecentocinquantuno
cardinalNumeral
1. het getal 361
trecentosessantuno
/ˌdrihɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 371
trecentosettantuno
cardinalNumeral
1. het getal 311
trecentoundici
cardinalNumeral
1. het getal 309
trecentonove
cardinalNumeral
1. het getal 339
trecentotrentanove
cardinalNumeral
1. het getal 399
trecentonovantanove
cardinalNumeral
1. het getal 389
trecentottantanove
cardinalNumeral
1. het getal 329
trecentoventinove
cardinalNumeral
1. het getal 349
trecentoquarantanove
cardinalNumeral
1. het getal 359
trecentocinquantanove
cardinalNumeral
1. het getal 369
trecentosessantanove
/ˌdrihɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 379
trecentosettantanove
cardinalNumeral
1. het getal 319
trecentodiciannove
cardinalNumeral
1. het getal 390
trecentonovanta
cardinalNumeral
1. het getal 380
trecentottanta
cardinalNumeral
1. het getal 310
trecentodieci
cardinalNumeral
1. het getal 312
trecentododici
cardinalNumeral
1. het getal 302
trecentodue
cardinalNumeral
1. het getal 332
trecentotrentadue
cardinalNumeral
1. het getal 392
trecentonovantadue
cardinalNumeral
1. het getal 382
trecentottantadue
cardinalNumeral
1. het getal 322
trecentoventidue
cardinalNumeral
1. het getal 342
trecentoquarantadue
cardinalNumeral
1. het getal 352
trecentocinquantadue
cardinalNumeral
1. het getal 362
trecentosessantadue
/ˌdrihɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 372
trecentosettantadue
cardinalNumeral
1. het getal 320
trecentoventi
cardinalNumeral
1. het getal 314
trecentoquattordici
cardinalNumeral
1. het getal 340
trecentoquaranta
cardinalNumeral
1. het getal 304
trecentoquattro
cardinalNumeral
1. het getal 334
trecentotrentaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 394
trecentonovantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 384
trecentottantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 324
trecentoventiquattro
cardinalNumeral
1. het getal 344
trecentoquarantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 354
trecentocinquantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 364
trecentosessantaquattro
/ˌdrihɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 374
trecentosettantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 305
trecentocinque
cardinalNumeral
1. het getal 335
trecentotrentacinque
cardinalNumeral
1. het getal 395
trecentonovantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 385
trecentottantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 325
trecentoventicinque
cardinalNumeral
1. het getal 345
trecentoquarantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 355
trecentocinquantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 365
trecentosessantacinque
/ˌdrihɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 375
trecentosettantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 315
trecentoquindici
cardinalNumeral
1. het getal 350
trecentocinquanta
cardinalNumeral
1. het getal 306
trecentosei
cardinalNumeral
1. het getal 336
trecentotrentasei
cardinalNumeral
1. het getal 396
trecentonovantasei
cardinalNumeral
1. het getal 386
trecentottantasei
cardinalNumeral
1. het getal 326
trecentoventisei
cardinalNumeral
1. het getal 346
trecentoquarantasei
cardinalNumeral
1. het getal 356
trecentocinquantasei
cardinalNumeral
1. het getal 366
trecentosessantasei
/ˌdrihɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 376
trecentosettantasei
cardinalNumeral
1. het getal 316
trecentosedici
cardinalNumeral
1. het getal 360
trecentosessanta
/ˌdrihɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 307
trecentosette
/ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 337
trecentotrentasette
/ˌdrihɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 397
trecentonovantasette
/ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 387
trecentottantasette
/ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 327
trecentoventisette
/ˌdrihɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 347
trecentoquarantasette
/ˌdrihɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 357
trecentocinquantasette
/ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 367
trecentosessantasette
/ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 377
trecentosettantasette
/ˌdrihɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 317
trecentodiciassette
/ˌdrihɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 370
trecentosettanta
noun
tricolore
noun
tridente
noun
1.
gabbiano tridattilo
cardinalNumeral
1. het getal 33
trentatré
cardinalNumeral
1. het getal 93
novantatré
cardinalNumeral
1. het getal 83
ottantatré
cardinalNumeral
1. het getal 23
ventitré
cardinalNumeral
1. het getal 43
quarantatré
cardinalNumeral
1. het getal 53
cinquantatré
cardinalNumeral
1. het getal 63
sessantatré
/ˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 73
settantatré
noun
1. gas dat in spuitbussen gebruikt wordt om de inhoud onder druk te zetten
propellente
noun
biella
noun
1. bodem bestaand uit heel kleine korreltjes vergruisd gesteente, verzadigd met zoveel water dat alles wat zwaar is er in wegzakt
sabbie mobili
verb
e1. op het oppervlak van een vloeistof rusten
galleggiare
/'drɪŋkə(n)/
noun
bere
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
acqua potabile
verb
1. vocht laten of doen verdampen
seccare
noun
winkel van een drogist
drogheria
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
dromedario
verb
  1. 1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
  2. je een voorstelling maken van wat je graag wil
sognare
/drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
ubriaco
/droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
  1. secco
  2. asciutto
noun
asciugatrice
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
siccità
noun
asciugatrice
noun
  1. 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
  2. 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
sogno
noun
2. vrucht van de wijnstok
uva
noun
1. bundel druiven
grappolo
noun
1. pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
pressione
noun
batteria
/drɵ.pəl/
noun
goccia
noun
druido
noun
1. mythologisch, vrouwelijk wezen dat in een bos of boom leeft
driade
noun
1.
doppio concerto
/ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
stella binaria
noun
1. een scheikundig element met het symbool Db
dubnio
noun
1. een muziekstuk voor twee uitvoerders (instrumenten of stemmen)
  1. duetto
  2. duo
/dʏf/
adjective
1. saai, doods
  1. noioso
  2. noiosa
/ˈdœy̯dələk/
adverb
  1. 2. goed te herkennen
    chiaro
  2. 1. niet mis te verstaan
    1. chiaro
    2. ovvio
/dœʏ̯f/, /dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
  1. piccione
  2. colombo
adjective
blu colomba
noun
1. wandplank van een vat
doga
noun
sottomarino
/ˈdœy̯kə(n)/
verb
2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
  1. tuffarsi
  2. tuffare
/dœy̯m/
noun
  1. 1. eerste, kortste en dikste vinger
  2. 2. lengtemaat
pollice
/dœʏ̯n/, /dœːn/
noun
duna
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
oscurità
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
tedesco
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
tedesco
/ˈdœʏ̯tsə/, /ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
tedesca
pronoun
Repubblica Democratica Tedesca
noun
1. hond uit een oorspronkelijk in Duitsland gefokt ras
pastore tedesco
/ˈdœʏ̯tsər/, /ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
tedesco
/ˈdœʏ̯tslɑnt/, /ˈdœːtslɑnd/, /ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
Germania
noun
diavolo
/ˈdœy̆zənt/
noun
1000
mille
noun
millefoglio
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
centopiedi
ordinalAdjective
millesimo
verb
1. bereid zijn iets ongestraft te laten
sopportare
/dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
sottile
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon ramada
acuccotto
noun
1. deel van het spijsverteringskanaal tussen de maag en de dikke darm
intestino tenue
noun
1. gebruiksvoorwerp
sbucciatore
/'dyːrə(n)/
verb
1. een bepaalde tijd in beslag nemen
durare
noun
1. enige tetraploïde tarwesoort die nog veel wordt verbouwd
grano duro
verb
1. ~ te de moed hebben om iets gewaagds te doen
osare
conjunction
1.om die reden, daarom
dunque
/dʏt/
noun
dormitina
verb
niet goedkoop
  1. costoso
  2. caro
/dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
spingere
noun
1. de afkorting voor digital versatile disc,...
dvd
/dʋɑŋ/
noun
coercizione
noun
1. werk dat onder dwang gedaan moet worden
lavoro forzato
noun
1. een kledingstuk dat de drager bewegingsvrijheid van de armen en handen ontneemt
camicia di forza
/ˈdʋɑrsflœʏt/
noun
1. een blaasinstrument dat dwars op de lippen geblazen wordt
  1. flauto
  2. flauto traverso
noun
1. een buitengewoon klein mens
nano
noun
1.
pianeta nano
noun
springstof waarin nitroglycerine door een poreuze stof wordt vastgehouden
dinamite
noun
dinamo
noun
1.
disfemismo
noun
discinesia
/dɪslɛkˈsi/
noun
1. het onvermogen om woorden, waarvan men wel de letters ziet, in hun betekenis te vatten
dislessia
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
disprosio
noun
1. een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
riflusso
/ˈɛ.xo/, /ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
eco
noun
1. het dwangmatig herhalen van woorden of zinnen, zonder de betekenis ervan daadwerkelijk te doorgronden
ecolalia
noun
ecolocalizzazione
noun
ecoscopio
adjective
2. waarachtig, juist, niet vervalst
vero
/ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
  1. marito
  2. sposo
/ˈɛxtxəˌnotə/, /ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
  1. moglie
  2. sposa
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
divorzio
/ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
ecologia
adjective
ecologico
/ˌe.ko.ˈlox/, /ˌe.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
  1. ecologo
  2. ecologista
noun
  1. 2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
  2. 1. de leer die zich bezighoudt met de voortbrenging en verdeling van schaarse goederen en diensten
economia
adjective
1. betreffende economie
economico
noun
1. deskundige op het gebied van de economie
economista
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
ecosistema
noun
ectoplasma
noun
1. iemand van adel
nobile
noun
1. de naam voor elk element uit de achtste chemische reeks van het periodiek systeem
gas nobile
noun
1. Cervus elaphus, hertensoort
cervo nobile
noun
1. een stuk edelgesteente
  1. pietra preziosa
  2. gemma
noun
edizione
pronoun
2. spelwoord voor de letter e
Empoli
/et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
giuramento
/ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
scoiattolo
noun
1. Bolletus edulis, een eetbare paddenstoel
porcino
adjective
  1. uno
  2. un
/eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
  1. anatra
  2. anitra
noun
fegato d'anatra
noun
1.
grasso d'anatra
noun
concordia
cardinalNumeral
1. het getal 31
trentuno
cardinalNumeral
1. het getal 91
novantuno
cardinalNumeral
1. het getal 81
ottantuno
/ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
ventuno
cardinalNumeral
1. het getal 41
quarantuno
cardinalNumeral
1. het getal 51
cinquantuno
cardinalNumeral
1. het getal 61
sessantuno
/ˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 71
settantuno
noun
  1. unicorno
  2. liocorno
noun
1. een gezin met slechts één ouder
famiglia monoparentale
noun
monolinguismo
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
solitudine
adjective
1. met of aan één kant, belang, partij etc.
unilaterale
/er/
noun
1. aanzien, roem
onore
/ˈeːrɣɪstər/, /ˈɪːrχɪstər/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
ieri l'altro
/ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
ieri l'altro
/ˈeːrlək/
adverb
1. vrij van leugen en bedrog
  1. onesto
  2. onesta
noun
1. het vertellen van de waarheid
onestà
noun
1. nummer één in een volgorde
primo
noun
1. eerste kwartier
primo quarto
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
Prima guerra mondiale
/ˈer.wrak/
noun
delitto d'onore
/ˈeːitbaːr/, /ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
commestibile
/ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
sala da pranzo
noun
1. de behoefte om voedsel tot zich te nemen.
appetito
noun
bacchetta
/eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
secolo
/eːwɪx/, /eːʋəχ/, /eːβ̞əx/
adjective
1. voortdurend, zonder einde
eterno
/ɪːβ̞əχɛɪ̯t/
noun
1. alle tijd die nog zal komen
eternità
/e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Efeso
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
Efesini
noun
2. verhandelbaar waardepapier
valore mobiliare
adjective
1. nuttig effect hebbend
efficiente
/ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
riccio
noun
1. wilde roos met gestekelde takken, geurige blaadjes, felroze bloemen en scharlaken bottels
rosa balsamina
pronoun
mar Egeo
/e.ˈɣɪp.tə/, /e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
Egitto
/ɛɪ/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
uovo
noun
1. bepaald soort zeevogel, Somateria mollissima
edredone
adjective
1. betrekking hebbend op de visuele vermogens
eidetico
noun
1. eierschaal
guscio d'uovo
noun
1. pasta bereid met ei
pasta all'uovo
noun
affetauova
noun
1. het geslachtsorgaan van de vrouw waarin eicellen gevormd worden
  1. ovaia
  2. ovario
  3. ovaio
/ˈɛi̯ɣə(n)/
adjective
proprio
/'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
1. eigendomsrecht
proprietà
noun
1. het meest omvattend zakeljike recht dat een eigenaar op zijn goed kan uitoefenen
diritto di proprietà
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
  1. nome propio
  2. nome proprio
/ɛi̯k/, /ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
quercia
/ˈɛɪkəɫ/
noun
  1. 3. dom persoon; sufferd, zak
    coglione
  2. 1. vrucht van de eik
    ghianda
  3. 2. top van een penis
    1. glande
    2. ghianda
/ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
isola
noun
1. iemand die op een eiland woont
  1. isolana
  2. isolano
noun
1. deel van de geslachtsorganen van de vrouw
tuba di Falloppio
/ɛɪ̯nd/, /ɛɪ̯nt/, /ɛːnt/
noun
fine
phraseologicalUnit
1.
tutto è bene quel che finisce bene
/ˈɛɪ̯ndə/, /ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
fine
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
  1. einstenio
  2. einsteinio
/ɛiwɪt/
noun
2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
proteina
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
gazza
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
auna
/ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
El Salvador
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
alce
noun
elasticità
adverb
1.
altrove
/eləˈɣɑnt/
adverb
1. een prettige uitstraling hebbend door de subtiele afwerking
elegante
noun
1. vakman op gebied van elektriciteit
elettricista
/eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
elettricità
noun
1. een krachtcentale waar elektriciteit wordt opgewekt
impianto di produzione di energia elettrica
adjective
1. door middel van elektriciteit
elettrico
noun
1.
macchina elettrostatica
abbreviation
1. hersenfilm
elettroencefalogramma
noun
elettrocuzione
noun
elettrodo
noun
1. een magneet waarvan het veld door een elektrische stroom veroorzaakt wordt
  1. elettromagnete
  2. elettrocalamita
adjective
elettromagnetico
noun
elettromagnetismo
noun
1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
elettrone
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
elettronica
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
elettrotecnica
noun
1. legering van goud en zilver
elettro
noun
elemento
cardinalNumeral
1. het getal 11
undici
pronoun
1. een regionale Noord-Germaanse taal die gesproken wordt in de Zweedse gemeente Älvdalen
Älvdalsmål
/ˈɛlf.də/, /ˈɛlv.də/
ordinalAdjective
1. nummer elf in een rij
undicesimo
noun
1. Gewricht
gomito
noun
1. armoedige, beklagenswaardige omstandigheden
miseria
adjective
1. erg onaangenaam
miserabile
/ˈɛləpɛɪp/, /ˈɛləpɛːp/
noun
bot in de onderarm
ulna
noun
1. twee-dimensionale figuur die wordt gevormd door alle punten waarvoor de som ...
ellisse
noun
  1. 1. boomsoort
    ontano
  2. 1. priem
    1. punteruolo
    2. lesina
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
Alsazia
/ɛlˈzɑsis/
noun
1. Een verzameling Alemannische dialecten die in de Elzas (Frankrijk) gesproken worden
alsaziano
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
emblema
noun
embolia
noun
1. een organisme in het eerste ontwikkelingsstadium na de bevruchting
embrione
noun
1. longaandoening
enfisema
noun
emigrazione
/ˌemiˈχrɪːrə(n)/
verb
1. naar het buitenland verhuizen
emigrare
pronoun
Emilia-Romagna
/ˌemiliˈjans/
pronoun
1. taal die in Emilia en enkele aangrenzende gebieden gesproken wordt
emiliano
/emiliˌjansromɑɲˈjols/
pronoun
1. verzamelnaam voor Emiliaans en Romagnools
emiliano-romagnolo
/emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
emirato
/ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
  1. secchio
  2. secchia
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
emù
noun
1. hevig gevoel, sterke gemoedsbeweging
emozione
adjective
1. zeer vatbaar voor gevoelens
emotivo
adjective
1. wat op ervaring of proefneming berust
empirico
noun
empiema
noun
stof die helpt bij het mengen van twee stoffen die normaal gesproken niet of moeilijk mengbaar zijn
emulsificante
conjunction
  1. e
  2. ed
conjunction
1. zowel afzonderlijk van als gezamenlijk met elkaar
e/o
noun
encefalopatia
noun
1. een brief van de paus aan alle katholieke gelovigen
enciclica
/ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
enciclopedia
noun
1. laatste deel van het spijsverteringskanaal vlak voor de anus
retto
adjective
1. van nature alleen in een specifiek gebied voorkomend
endemico
noun
endocrinologo
noun
1. baarmoederslijmvlies buiten baarmoeder
endometriosi
noun
endoscopio
noun
1. (kijk)onderzoek van lichaamsholten of inwendige kanalen
endoscopia
/enər'ʒi/, /enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
energia
noun
1. hemels wezen
angelo
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Inghilterra
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
inglese
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
inglese
noun
1. een grotere en lagere uitvoering van de hobo
corno inglese
/ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /ɛ.ŋəls.man/, /ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
inglese
adjective
2. uniek
unico
adjective
1. niet dubbel, bijvoorbeeld enkel spoor, enkele reis
unico
adverb
1. niet dubbel
unico
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
caviglia
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
singolare
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
adjective
1. hartstochelijk, met geestdrift
entusiasta
noun
entità
noun
entomologia
noun
1. een getal evenredig met de logaritme van het aantal realiseringmogelijkheden, ook wel gedefinieerd als de reversibele warmte gedeeld door de temperatuur
entropia
noun
1. papieren omslag voor brieven
busta
/ˈepɛnˌtezɪs/
noun
1. invoeging van middenlank
epentesi
noun
1. het punt op het aardoppervlak loodrecht boven de haard van de aardbeving
epicentro
/epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
epidemia
noun
epidemiologia
adjective
epidemico
/ˌepiˈfizə/
noun
1. een klier die onderdeel is van de epithalamus en melatonine uitscheidt
ghiandola pineale
noun
piante epifite
noun
1. het vakgebied binnen de genetica dat de invloed bestudeert van de omkeerbare erfelijke veranderingen in de genexpressie die optreden zonder wijzigingen in de sequentie (volgorde van de basenparen) van het DNA in de celkern
epigenetica
noun
epigrafia
noun
1. vallende ziekte, toevallen
epilessia
adjective
epico
noun
1. neusbloeding
epistassi
noun
1. dekweefsel, bovenste laag van de huid en slijmvliezen
epitelio
noun
1. woord dat gevormd is op basis van een eigennaam van een persoon
eponimo
noun
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
equatore
/ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
Guinea Equatoriale
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
erbio
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
erezione
noun
1. grond behorend bij boerderijhuis
  1. aia
  2. bassa corte
noun
1. zakelijk recht op andermans onroerend goed
servitù
noun
1. degene die andermans nalatenschap erft
erede
noun
  1. 1. regeling voor de overgang van de nalatenschap
  2. 2. regeling voor troonwisseling
successione
noun
1. overerfbare, langdurige of eeuwige pacht
enfiteusi
noun
1. het samenstel van regels dat de vererving regelt
diritto delle successioni
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
peccato originale
noun
ergonomia
/ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
Eritrea
pronoun
1. + 2. stad en stadsdistrict
Erlangen
adjective
1.
erogeno
noun
1-2. beschadiging en afslijting
erosione
noun
1. steen
minerale
noun
  1. 3. plotselinge huiduitslag
    1. eruzione cutanea
    2. sfogo
  2. 2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
    eruzione vulcanica
noun
1. een vorm van kennis
esperienza
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
pisello
noun
1. de vorming van rode bloedlichaampjes
eritropoiesi
pronoun
1. taal vooral in het oosten van Mordovië gesproken wordt
ersiano
/\ˈɛs\/
suffix
essa
noun
1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
frassino
/ɛsˌxatolo'gi/
noun
escatologia
/ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
acero
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
esperanto
noun
1. filologie van de kunsttaal Esperanto
esperantologia
noun
1. geconcentreerde koffie
espresso
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
estere
/ɛsˈtetiˌka/
noun
1. het filosofisch discours over het wezen van kunst of het wezen van schoonheid
estetica
adjective
estetico
/ˈɛstis/, /ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
estone
/ˈɛslɑnd/, /ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
Estonia
noun
1. dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden
  1. cibo
  2. mangiare
verb
1. het nuttigen van voedsel
mangiare
/etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
etanolo
noun
1. een praktische wijsbegeerte die zich bezighoudt met wat goed en kwaad is
etica
adjective
1.
  1. etiope
  2. etiopico
/ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
Etiopia
noun
1. onderdeel van de pathologie dat zich bezighoudt met de oorzaken van ziekten
eziologia
adjective
etnico
/ɛtnoːloːɣi/, /ɛtnoːloːʝi/
noun
etnologia
/ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
pus
verb
1.
suppurare
noun
  1. 1. woordherkomst
  2. 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
etimologia
noun
1-2.
eufemismo
/ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
euforia
/œykɑriotən/
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Eukaryota
eukaryota
noun
eunuco
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
lince eurasiatica
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
Eurasia
/'øː.ro/, /'ɵː.ro/
abbreviation
1. munt en munteenheid
euro
/øːˈroːpa/, /ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
Europa
/ˌøːropeˈjaːn/, /ˌʏːropeˈjan/
noun
1. bewoner van het Europese continent of iemand die daarvan afkomstig is
europeo
/øːroˈpeːs/, /ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
europeo
pronoun
Corte europea dei diritti dell'uomo
pronoun
  1. Parlamento europeo
  2. Europarlamento
pronoun
  1. Banca centrale europea
  2. Banca Centrale Europea
pronoun
Commissione europea
pronoun
Corte europea dei diritti dell'uomo
pronoun
Banca europea degli investimenti
pronoun
Mediatore europeo
pronoun
Consiglio europeo
pronoun
Corte dei conti europea
/ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
  1. Unione europea
  2. Unione Europea
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
europio
pronoun
Europoort
pronoun
Eurotunnel
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
eutanasia
noun
eutrofizzazione
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Eva
noun
  1. evacuazione
  2. evacuamento
noun
vangelo
adjective
1. Deelbaar door twee
pari
/evəˈnar/, /ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
equatore
noun
1.
equilibrio
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
cinghiale
noun
1. wild varken
cinghiale
/ˌevoˈlysi/, /ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
evoluzione
noun
2. uitvoerder van een testament
esecutore testamentario
noun
1. uitvoering van een vonnis
processo di esecuzione
noun
esegesi
/ɛksɛm'plar/
noun
1. een individueel voorbeeld ergens van
esemplare
pronoun
Esodo
noun
1. uittocht van een grote groep mensen met als doel niet meer terug te komen
esodo
adjective
1. door oorzaken van buitenaf
esogeno
noun
esonimo
noun
esorcismo
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
esotico
noun
esperimento
verb
1.
sperimentare
noun
1. een computersysteem dat specifieke kennis van menselijke experts representeert en gebruikt om een probleem binnen een bepaald gebied op te lossen
sistema esperto
noun
esplosione
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
esportare
noun
espressionismo
adjective
1. uiterst, uitzonderlijk
estremo
pronoun
Estremadura
noun
estremismo
noun
1. iemand met radicale, extremistische standpunten, een aanhanger van een ideologie die ver van het politieke of maatschappelijke centrum ligt
estremista
pronoun
Ezechiele
/ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
  1. asino
  2. somaro
noun
1. vrouwelijke ezel
asina
noun
  1. 2. omgevouwen hoek
    orecchia
  2. 1. oor van een ezel
    orecchia d'asino
pronoun
Esdra
noun
1. een der herautstukken; een horizontale band die het middelste derde deel van het veld van het wapen beslaat
fascia
/ˈfabəl/
noun
  1. 1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
    favola
  2. 2. een verzinsel
    1. favola
    2. frottola
  3. 3. een verhaallijn
    trama
verb
1. een product door middel van werktuigen bewerken of vervaardigen
fabbricare
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
fabbrica
noun
1. cosmetische ingreep van de chirurgie ter verfraaiing van het gezicht
  1. ritidectomia
  2. ritidoplastica
noun
1. document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
fattura
noun
  1. 1. hoofdafdeling van een universiteit
    facoltà
  2. 3. product van een reeks factoren
    fattoriale
/ˈfæːrøːə̯r/, /ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
  1. Faerøerne
  2. Føroyar
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op de Faeröer
  1. faraonese
  2. faroese
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
fagotto
/ˌfajisəˈmɛnt/
noun
  1. 1. de toestand van iemand die, blijkens rechterlijk onderzoek, niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.
    bancarotta
  2. 2. een in de wet geregelde procedure voor een persoon of onderneming die niet (meer) in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.
    fallimento
/ˈfaːlən/
verb
1. niet bereiken van doelen
fallire
pronoun
  1. Isole Falkland
  2. Isole Malvine
adjective
1. met betrekking tot het mannelijk lid
fallico
/fa.ˈmi.li/, /fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
famiglia
noun
1. naam die van generatie op generatie en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
cognome
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de familiale verhoudingen tussen personen
diritto di famiglia
noun
1.
terapia familiare
noun
fanatismo
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
  1. fantasia
  2. immaginazione
noun
farad
/ˈfarao/
noun
1.
faraone
noun
1.
fariseo
noun
farmacista
adjective
1. uit de farmacie, met betrekking tot de productie van geneesmiddelen
farmaceutico
noun
farmacologia
verb
1. iemands aandacht vasthouden
affascinare
/fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
fascismo
noun
1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
fase
adjective
1. noodlottig
fatale
/fɑt'sun/
noun
1. goede manieren
decenza
/ˈfʌʊna/, /ˈfʌːna/
noun
1. het geheel aan dieren in een gebied
fauna
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
fagiano
/fa.ˈsa.də/
noun
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
facciata
/febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
febbraio
pronoun
  1. 2. Franse revolutie
    Rivoluzione francese del 1848
  2. 1. Russische revolutie
    rivoluzione di febbraio
noun
federalismo
/fe:/
noun
1.
fata
noun
bisbetica
noun
1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid
festa
noun
1. een avond waarop er feest gevierd wordt
serata
noun
giorno festivo
noun
festaiolo
/fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
fatto
noun
1. het stimuleren van de penis met de mond, tong of keel
fellatio
noun
1. een zeilschip
feluca
/ˈfɛlsis/
adjective
1. rijk aan silica of silicahoudende mineralen
felsico
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
femminismo
noun
femtosecondo
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
fieno greco
noun
blad van de plant Trigonella foenum-graecum
foglie di trigonella
noun
plant, en zaad van, Trigonella foenum-graecum
seme di fieno greco
noun
fenice
noun
1. Fennecus zerda, leeft in de woestijn en is de kleinste van alle vossen
fennec
/fenoˈmen/
noun
1. een verschijnsel
fenomeno
noun
fenomenologia
/fenilɑlɑninə/
noun
1. aminozuur
fenilalanina
pronoun
2. spelwoord voor de letter f
Firenze
noun
1.
fermione
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
fermio
noun
1. een schip dat speciaal gebouwd en uitgerust is om in een veerdienst ingelegd te worden.
nave traghetto
noun
1. een speciaal gebouwd en uitgerust schip om in een veerdienst ingelegd te worden.
nave traghetto
/fɛs/
noun
1. bepaald soort hoed van Turkse oorsprong
fez
adjective
fittizio
/fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
  1. bicicletta
  2. bici
/ˈfits.bɑnt/
noun
1. een binnen- of buitenband voor een fiets
gomma della bicicletta
/ˈfitsərɛk/
noun
1. rek om fietsen te parkeren
portabiciclette
/ˈfiːtsər/
noun
1. iemand die met een fiets rijdt
ciclista
/ˈfitspɑt/
noun
1. een weggedeelte of vrijliggend pad dat is gereserveerd voor het gebruik door fietsers en snorfietsers.
pista ciclabile
noun
pompa per bicicletta
/ˈfits.snɛl.β̞ɛx/, /ˈfits.snɛɫ.ʋɛχ/
noun
1. een fietspad dat een voorrangsroute vormt voor langeafstandsfietsers
superstrada ciclabile
noun
ciclismo
/ˈfi.(d)ʒi/, /ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
Figi
phraseologicalUnit
1. kerstwens
buone feste
noun
1. ontsteking aan vinger
  1. giradito
  2. patereccio
noun
filatelia
/faɪl/
noun
  1. 1. lange rij met stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen of personen
    1. coda
    2. colonna
    3. fila
  2. 1. bestand op de computer
    1. file
    2. archivio
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
Filemone
/filiˈjal/
noun
1. een pand in een reeks van panden
succursale
/ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Filippine
pronoun
  1. Filipesi
  2. Filippesi
noun
  1. 1. een dunne laag
  2. 3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
  3. 2. een dun en oprolbaar medium om beelden op te nemen in een camera
  1. film
  2. pellicola
noun
filologia
/filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
filosofia
adjective
1.
filosofico
/fɪltər/
noun
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
filtro
noun
  1. 1. de beslissende wedstrijd in een toernooi tussen de laatste twee deelnemers
  2. 2. het slotstuk van een meerdelig toneel- of muziekstuk
finale
adjective
1. met betrekking tot geld, geldelijk
finanza
verb
1. voorzien van de benodigde geldmiddelen
finanziare
/ˈfɪnlɑnd/, /ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Finlandia
/fɪns/
adjective
1. betreffende Finland of het Fins
finlandese
/fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
  1. finlandese
  2. finnico
pronoun
1.
golfo di Finlandia
noun
2. een zaak of bedrijf
ditta
noun
1. een kanaalvormige zweer
fistola
/fjɔrd/, /fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
fiordo
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
fenicottero
noun
1. een textielsoort van los gesponnen garen, gewoonlijk van geruwde wollen of katoenen stof, ...
flanella
noun
1. een in de breedte uitbreidende, maar moeilijk te begrenzen weefselontsteking die gepaard gaat met ettervorming
flemmone
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
flerovio
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
bottiglia
adjective
verde bottiglia
/ˈflevoˌlɑnt/, /ˈfleːvoˌlɑnd/, /ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Flevoland
/flɛkˈsibəl/
adjective
1. het vermogen hebbend gebogen te worden
flessibile
/ˈflɛk.si/
noun
  1. 2. vormverandering van een woord
  2. 1. een buiging, een buigbeweging in een gewricht door de buigspieren
flessione
noun
4. (scheldwoord) iemand van het mannelijke geslacht met een seksuele voorkeur voor andere mannen
  1. finocchio
  2. frocio
/ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
Firenze
pronoun
1.
Florida
verb
1. spreken met gedempte stem
sussurrare
noun
  1. 1. buisvormig blaasinstrument
  2. 4. een slank drinkglas
  3. 3. een scheepstype
flauto
verb
1. een fluit bespelen
  1. fishiare
  2. fischiare
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
fluoro
noun
fluoruro
noun
1. een ziekelijke vrees
fobia
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
feto
noun
A 1. driehoekig zeil bevestigd aan de voorstag
fiocco
noun
1.
folclorista
noun
3. effect (waardepapier)
fondi comuni di investimento
noun
1.
fonema
/ˌfoneˈtik/
noun
1.
fonetica
/ˌfonɔˈloɣ/
noun
1. een persoon die fonologie gestudeerd heeft
  1. fonologo
  2. fonologa
/fɔnˈtɛɪn/, /fɔnˈtɛːn/
noun
1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
fontana
noun
  1. ciuccio
  2. succhiotto
  3. ciucciotto
  4. tettarella
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
trota
noun
1. een resonantie (een significante smalle piek) op een bepaalde frequentie
formante
pronoun
1. categorie in de autosport
  1. Formula 1
  2. Formula Uno
/fɔrmyˈlir/
noun
1. een stuk papier waarop voorgedrukte vragen kunnen worden beantwoord
modulo
noun
cucina
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
fosforo
noun
1 en 2
  1. foto
  2. fotografia
noun
1. iemand die fotos maakt
fotografo
verb
1. een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag
fotografare
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
fotografia
noun
1. een fotografisch gemaakte kopie
fotocopia
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
fotone
noun
1.
fotosintesi
/fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
  1. sbaglio
  2. errore
/ˈfrɑksi/
noun
1. een klein deel
frazione
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
lampone
adjective
rosso lampone
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
francio
noun
1. reeks afhangende draden die ter versiering aan de rand van een kleed of kledingstuk gehangen worden
frangia
pronoun
Francoforte sul Meno
/ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
Francia
/frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
francese
/frɑns/
pronoun
  1. 1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
    francese
  2. 1. een mannelijke voornaam
    Franco
pronoun
Polinesia francese
/ˈfrɑns.man/, /ˈfrɑns.mɑn/
noun
1. iemand uit Frankrijk
francese
adjective
1. de Franse taal sprekend
francofono
noun
1. een aantal woorden die een begrip uitdrukken, vaak een zinsdeel, soms een hele zin
  1. frase
  2. espressione
/fratər/
noun
1. bepaald soort vogel, Linaria flavirostris
fanello nordico
noun
1. bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
truffa
noun
1. graanproduct gemaakt van geroosterde groene tarwe
freekeh
noun
fresatrice
noun
  1. 1. Oorlogsschip
  2. 2. Driemaster
fregata
noun
fregata
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
frequenza
noun
affresco
noun
  1. 1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
    furetto
  2. C 1. metalen richel op de hals van een snaarinstrument (gitaar) waarop de snaar wordt afgeknepen
    tasto
/frɔɪdɪˈaːns/
adjective
1. volgens de leer van Sigmund Freud of zoals men vindt in diens geschriften en leerstellingen
freudiano
pronoun
1.
Friedrichshafen
noun
1. en 2.
frisone
pronoun
  1. 2. benaming voor een Germaanse taal
    frisone
  2. 1. Westerlauwers Fries
    frisone occidentale
/ˈfrislɑnd/, /ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Frisia
noun
1. de benaming voor een gerecht van gefrituurde aardappelreepjes ('patat frites')
patate fritte
noun
1. everjong
cinghialetto
noun
1. een huishoudtoestel dat gebruikt wordt om in olie bepaalde gerechten te frituren
friggitrice
noun
friggitrice
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in het noordoosten van Italië en in Slovenië
friulano
pronoun
Friuli
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
fruttosio
/frœʏ̯t/, /frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
  1. frutta
  2. frutto
noun
1.
albero da frutto
/ˈfrœʏtsɑp/, /ˈfrœːtsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
succo di frutta
noun
1. Drosophila melanogaster; een tweevleugelig insect uit de orde tweevleugeligen
  1. drosofila
  2. moscerino dell'aceto
  3. moscerino della frutta
noun
1. een gevoel van ongenoegen omdat verwachte voortgang uitblijft
frustrazione
noun
  1. 1. een zout afgeleid van een ftaalzuur
  2. 2. een ester afgeleid van een ftaalzuur
ftalato
noun
fuga
/fœyf/
noun
festa
noun
  1. 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
  2. 1. taak
  3. 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
  4. 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
funzione
noun
parola vuota
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
fondamentalismo
noun
fusione
/fʏt/
noun
1. de benodigde energie en zin ergens voor
energia
noun
1.
futurismo
noun
1. bepaald soort watervogel, Podiceps cristatus
  1. svasso maggiore
  2. svasso
/ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
fisica
noun
fisiologia
noun
patologia vegetale
/ɣaːj/
noun
1. middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, Garrulus glandarius
ghiandaia
/ɣaːn/, /χaːn/
verb
1. zich in een bepaalde richting bewegen
andare
/'ɣa.bɔn/, /ɣa.'bɔn/, /χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
Gabon
noun
1. echtgenoot, echtgenote
  1. sposa
  2. sposo
/ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
gadolinio
noun
[A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
  1. bile
  2. fiele
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
Galati
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
cistifellea
noun
galleria
/χɑlx/
noun
1. houten constructie bestaande uit één of meer staande balken met een horizontale balk haaks daarop en één of meer diagonale balken ter ondersteuning, in het verleden veel gebruikt om mensen door ophanging ter dood te brengen
patibolo
/'ɣɑlɣə(n)strɔp/
noun
1. een tot strop geknoopt touw zoals dat aan een galg gehangen wordt ter verhanging van een veroordeelde
cappio
pronoun
1. Romaanse taal gesproken in Galicië
  1. galiziano
  2. gallego
/ɣɑˈlisɪə/, /ʝɑˈlisɪə/
pronoun
  1. 1. Spaanse regio
  2. 2. historische landstreek
Galizia
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
gallio
pronoun
Gallia
noun
1. de snelste gang van een paard
galoppo
noun
1. een vaste structuur in de galwegen of de galblaas bestaande uit neergeslagen cholesterol, bilirubine of kalkzouten
calcolosi biliare
adjective
1. door een elektrochemisch proces aangebracht
galvanico
/'ɣɑm.bi.ja/, /'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Gambia
adjective
gambiano
/ˈɣɑməl/
adjective
1. niet stevig meer, vervallen
precario
noun
1. mannelijke gans (Anser en Branta)
  1. oca maschio
  2. maschio dell'oca
  3. papero
noun
1. lange smalle ruimte
corridoio
noun
1. zenuwknoop
ganglio
/ˈɣɑŋ(g).pɑd/, /ˈɣɑŋ.pɑt/, /ˈχɑŋ.pɑt/
noun
1. een pad voor wandelaars, voetpad
  1. corridoio
  2. corsia
  3. passaggio
/gɑŋ'gren/
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
gangrena
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
  1. oca
  2. papero
noun
1.
gioco dell'oca
noun
1. orgaan dat een grote rol speelt in de stofwisseling van een gans (Anser anser), na het slachten vaak gegeten als delicatesse
fegato d'oca
noun
1.
grasso d'oca
/ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
1. een overdekte autostalling
garage
/ɣa'rɑn(t)si/, /ɣa'rɑnsi/
noun
1. verklaring waarin men verklaart voor bepaalde gevolgen in te staan
garanzia
noun
1. bewegelijke pasvorm waaraan de trekstrengen bevestigd worden om het halsjuk uit te balanceren
bilancino
noun
1. samengebonden bundel halmen
covone
noun
  1. gamberetto
  2. granchiolino
pronoun
1.
Garonna
/ɣɑs/, /χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
gas
noun
1. een buis waardoor verschillende materialen in gasvorm vervoerd kunnen worden
gasdotto
/ɣɑst/, /χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
  1. ospite
  2. invitato
noun
gastroenterite
noun
gastronomia
/ɣɑstˈfrɛɪ/, /ʝɑstˈfrɛː/
adjective
1. gul in het onthalen of herbergen van gasten
ospitale
noun
ospitalità
/ɣɑt/, /χɑt/
noun
1. opening
buco
noun
1. benaming voor slanke hoefdieren
gazzella
noun
  1. linguaggio mimico
  2. lingua dei segni
/ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
  1. preghiera
  2. orazione
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
catena montuosa
/ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
  1. accadere
  2. succedere
/ɣəˈbit/, /χəˈbit/
noun
1. een deel van het aardoppervlak
territorio
noun
1. de vorm waarin een werkwoord gebruikt wordt als iets zeker gedaan moet worden
imperativo
noun
1. alle tanden en kiezen van een dier of mens
denti
/ɣəˈbladərtə/, /χəˈbladərtə/
noun
1. een verzameling van bladeren van één of meer bomen
fogliame
noun
comandamento
/ɣəˈboːrtə/, /χəˈbo̝ːrtə/
noun
1. actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint
nascita
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
  1. edificio
  2. palazzo
noun
2. toepassen van iets
uso
adjective
1. naar gewoonte, zoals men regelmatig doet
  1. abituale
  2. usuale
/ɣəˈbrœʏkən/, /χəˈbrœʏkən/
verb
1. zich bedienen van, toepassen
  1. usare
  2. impiegare
/ɣə'brœːkər/, /χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
  1. utente
  2. utilizzatore
/ɣə'dɑɣdə/, /ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
pensiero
/ɣəˈdɑɣdəˌstreːp/, /χəˈdɑχtəˌstrep/
noun
1. leesteken in de vorm van een half kastlijntje
lineetta di sospensione
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
  1. poema
  2. poesia
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
  1. comportamento
  2. condotta
  3. atteggiamento
noun
1.
codice di condotta
/ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
pazienza
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
giallo
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
noun
1. kleur tussen oranje en groen
giallo
adjective
1. een kleur hebbend die tussen geel en bruin in ligt
bistro
adjective
grigio giallastro
adjective
verde giallastro
adjective
arancio giallastro
indefinitePronoun
1. ontkennend onbepaald lidwoord: tegenovergestelde van één, niet een
  1. nessuno
  2. non
/ɣer/
noun
1. heraldisch element
gherone
adjective
1. met humor, gevat
spiritoso
adverb
1. met humor, gevat
spiritosamente
/ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
sbadigliare
adjective
1. met geren bezet
gheronato
/xəˈɦɛndiˌkɛpt/, /ɣəˈɦɑndiˌkɑpt/
adjective
1. met een lichamelijke afwijking
andicappato
/ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
segreto
/ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
segreto
noun
  1. 1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
  2. 2. snel toegankelijke plaats om data op te slaan
memoria
noun
materiali a memoria di forma
noun
amnesia
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
udito
/ɣə'hoːrzam/, /ɣə'ɦoːrzam/, /χə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. bereid gehoor te geven aan regels of bevelen
ubbidiente
verb
1. gevolg geven aan een opdracht of bevel
  1. obbedire
  2. ubbidire
/ˈɣɛɪ̯t/, /ˈɣɛːt/, /ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
capra
noun
formaggio di capra
noun
voedzaam vocht dat tepels van een geit afscheiden
  1. latte caprino
  2. latte di capra
adjective
1. heraldisch attribuut
crestato
noun
1. gekko
geco
/ˈɣɛlt/, /ˈχɛlt/
noun
1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
  1. denaro
  2. soldi
  3. moneta
/ˈɣɛldərˌlɑnd/, /ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Gheldria
adjective
1. waarvan de waarde of wettigheid erkend wordt
valido
noun
moneta
/ɣəˈledə(n)/, /χəˈledə(n)/
adverb
1. een woord om aan te duiden dat iets zich in het verleden af heeft gespeeld
fa
/ɣǝ.'le.ɣǝn.ɦɛjt/
noun
1. mogelijkheid tot
  1. opportunità
  2. occasione
/ɣəlɛɪgˈbenəx/
adjective
1 & 2.
isoscele
interjection
Ciò che vale per l'uno vale anche per l'altro
noun
uguaglianza
adjective
1.
omofono
verb
1. egaliseren, vlak maken
  1. uguagliare
  2. pareggiare
adjective
1. alle zijden gelijk in lengte
equilatero
/ɣəˈlof/, /χəˈlof/
noun
  1. 2. de overtuiging dat iets zo is
    fede
  2. 1. godsdienst
    religione
noun
1. de mate waarin iets of iemand verdient geloofd te worden
credibilità
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
credere
/ɣə.ˈlo.vi.ɣə/, /ɣə.ˈlo.və.ɣə/, /χə.ˈlo.və.χə/
noun
1. iemand die een bepaald geloof aanhangt
credente
/ɣəˈlɵk/, /χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
fortuna
adjective
  1. 1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
  2. 2. door gunstig toeval, met mazzel
felice
phraseologicalUnit
1. een traditionele wens bij een nieuw jaar
Felice Anno Nuovo!
/ɣə.'mal/
noun
installatie die overtollig water een polder uitmaalt
noria
adjective
moderato
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
zenzero
noun
1. fijngemalen gedroogde wortels van Zingiber officinale
zenzero macinato
/ɣəˈmentə/, /ɣəˈmeɪntə/, /ʝəˈmentə/
noun
1. bestuurlijke eenheid
comune
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
media
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
camoscio
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
gene
noun
1. de laatste slag toegebracht aan een zwaargewonde vijand om hem uit zijn lijden te helpen
colpo di grazia
/ˈdʒɛndər/
noun
1. sekse
genere
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
genealogia
/γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
medicina
noun
1. iemand die het bevel heeft over een leger
generale
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
generazione
pronoun
Genesi
noun
1.de wetenschap van alles wat de werking van genen betreft, in het bijzonder erfelijke overdracht
genetica
/ɣəˈnetis/
adjective
1. gerelateerd aan de erfelijkheid
genetico
noun
1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
genio
verb
1. voordeel hebben van iets
  1. beneficiare
  2. godere
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
  1. genitivo
  2. caso genitivo
indefinitePronoun
abbastanza
noun
1. iets waar men plezier aan beleeft
piacere
/xəˈnom/
noun
1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme
genoma
noun
1. het geheel van genetische kenmerken dat een soort onderscheidt
genotipo
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
  1. Gand
  2. Guanto
noun
genziana
adjective
blu genziana
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Genova
pronoun
1.
genovese
pronoun
2. stad in Zwitserland
Ginevra
noun
geofisica
noun
geografo
noun
1. aardrijkskunde
geografia
noun
1. aardkunde
geologia
adjective
1. op de geologie betrekking hebbend
geologico
noun
geologo
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
geometria
noun
geomorfologia
noun
1. futensoort met zwarte nek, zwarte kop en een goudgele oorpluim, Podiceps nigricollis
svasso piccolo
/ɣeˈjɔrɣis/, /ɣeˈjɔrɣɪs/, /χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
georgiano
/ɣeˈjɔrɣi.jə/, /χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
Georgia
adjective
1.
geostazionario
/ˈɣeː.rɑrd/, /ˈɣeː.rɑrt/, /ˈχɪː.rɑrt/
pronoun
2. spelwoord voor de letter g
Genova
noun
  1. 2. rechtbank, de rechter
    corte
  2. 1. een bepaald soort voedsel op een bepaalde wijze bereid
    1. piatto
    2. pietanza
noun
geriatria
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Duits of gevormd naar het Duits
germanismo
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
germanio
noun
1. tak van wetenschap die het "ouder worden" bestudeert
gerontologia
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
orzo
noun
1. zelfstandig gebruikte verbogen infinitief
gerundio
/ɣəˈsxɛŋk/, /ʝəˈsçɛŋk/
noun
1. iets dat men geeft
regalo
/ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
storia
noun
storiografia
adjective
1. met de juiste eigenschappen
appropriato
noun
1. geweldloos conflict
conflitto
/ɣesələ(n)/
verb
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
  1. fustigare
  2. frustare
noun
truffa
/χəˈslɑχt/
noun
  1. 4. grammaticaal geslacht
  2. 3. (biologisch) genus
genere
/ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
fibbia
adjective
1. met sterk ontwikkelde stevige spieren
muscoloso
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
conversazione
/ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
roccia
noun
numero
noun
1. een elektrische centrale die functioneert op het verschil tussen eb en vloed
centrale mareomotrice
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) elektrische centrale die werkt door middel van getijdenstromen ontstaan door het hoogteverschil tussen eb en vloed
centrale mareomotrice
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
testimone
verb
1. een veelal beëdigde verklaring afleggen ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
testimoniare
/ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
pericolo
/ɣəˈvarlək/, /ɣəˈvaːrlɪk/, /χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
pericoloso
noun
1. iemand die gevangen genomen is
prigioniero
/ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
  1. prigione
  2. carcere
/ˈɣevə(n)/, /ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
dare
noun
1. gewaarwording
sensazione
noun
  1. 1. een aandoenlijkheid
  2. 2. de nauwkeurigheid van instrumenten
sensibilità
noun
1. dat wat aanwast op het veld, maar nog niet geoogst is.
coltura
noun
fucile
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
  1. corna
  2. palco
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
violenza
/ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
coscienza
/ɣəˈʋɪxt/, /χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
peso
noun
1. een sport waarbij de beoefenaars proberen om zware gewichten op te heffen die aan stalen staven zijn bevestigd
sollevamento pesi
noun
de vrucht van de gewone walnoten- of okkernotenboom
noce
noun
1. een samengesteldbloemige veldbloem met zeer fijn ingesneden blad en wit, roze of paars bloemscherm
Achillea millefoglie
/ɣəˈwoːntə/, /ɣəˈβ̞oːntə/, /χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
  1. abitudine
  2. consuetudine
noun
1. verbinding
articolazione
noun
2. alle zinsdelen behalve het onderwerp
predicato
noun
1. de voorkant van een menselijk hoofd
faccia
noun
1. doorzichtige kunststof gezichtsbedekking
schermo facciale
/xə.ˈzɔnt/, /ɣə.ˈzɔnt/
adjective
  1. 1. vrij van ziektes en zeertes
  2. 2. bevorderlijk voor een goede conditie
sano
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
salute
noun
1. het volledige fysieke, spirituele en sociale welzijn
stato di salute
adjective
1. heraldisch attribuut
accostato
/'ɣa.na/, /'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
Ghana
pronoun
Gibilterra
/ɣɪts/, /χɪts/
noun
persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
guida
noun
1. rondhout bevestigd aan het onderlijk van een zeil
boma
/ɣiːr/, /χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
avvoltoio
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
avaro
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
miglio
/ˈɣirˌzʋalyw/
noun
1. bepaald soort vogel, Apus apus
rondone
noun
1. een soort emmer met sproeibuis om de planten te begieten
  1. annaffiatoio
  2. innaffiatoio
noun
ghisa
noun
1. een giftige slang
  1. aspide
  2. serpente velenoso
/ˈɣɪftəx/, /ˈχɪftəx/
adjective
1. gif bevattend
  1. velenoso
  2. tossico
noun
gigabyte
/ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /ˈɣɛːzəlaːr/, /ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
ostaggio
noun
1. iemand die personen in gijzeling houdt
  1. sequestratore
  2. rapitore
noun
1. iemand die personen in gijzeling neemt
  1. sequestratore
  2. rapitore
noun
gin
noun
1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
gesso
/ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
giraffa
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
giraffa
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
  1. lievito
  2. fermento
/ˈɣɪstər/, /ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
ieri
adverb
1. de avond vóór de afgelopen nacht
ieri sera
/ˈɣɪstərə(n)/, /ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
ieri
/ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
chitarra
adjective
nero intenso
pronoun
1. stad in Armenië
Gyumri
noun
glaciologia
adjective
  1. liscio
  2. mellifluo
noun
1. betoverend uiterlijk, schone schijn
glamour
/ɣlɑs/, /χlɑs/
noun
  1. 1. niet-kristallijne vaste stof
    1. bicchiere
    2. vetro
    1. 2. op basis van SiO₂
    2. 3. om uit te drinken
    1. vetro
    2. bicchiere
noun
corpo vitreo
noun
isolatiemateriaal gemaakt van glas
lana di vetro
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
glaucoma
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
ghiacciaio
adjective
1. glad, moeilijk houvast op te krijgen
  1. scivoloso
  2. scivolosa
noun
scivolo
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
sorriso
/'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
sorridere
noun
1. een nachtelijk lichtgevend kevertje uit de familie Lampyridae
lucciola
noun
1. een voortgaand proces van wereldwijde economische, culturele en politieke integratie
globalizzazione
/ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
lampadina
noun
glossario
/ˈɣlyː.rə(n)/
verb
1. in het geheim aandachtig naar iemand kijken
  1. sbirciare
  2. guardare di soppiatto
/'ɣly.tə(n)/
noun
glutine
noun
1. een metamorf gesteente met verschillend gekleurde banden of aders
gneiso
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
gnu
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
Dio
/ɣɔd/, /ɣɔt/, /χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
dio
adjective
divino
noun
1. gebrek aan eerbied of geloof in een godheid
empietà
noun
1. een vrouwelijke godheid
dea
noun
1. een geloof en alle daar bij horende rituelen en doctrines
religione
adjective
1. kwaliteit bezittend
  1. buono
  2. buona
adverb
1. op goede wijze
bene
noun
1. iets concreets of abstracts dat men in bezit kan hebben
bene
/ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
  1. Venerdì Santo
  2. venerdì santo
interjection
buongiorno
/ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
buongiorno
interjection
avondwens
  1. buona notte
  2. buonanotte
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
  1. buona sera
  2. buonasera
noun
1. trein die uitsluitend is bestemd om goederen te vervoeren
treno merci
adjective
1. laag in prijs
  1. economico
  2. economica
/ɣɔk/, /χɔk/
noun
  1. 2. een keuze zonder het juiste antwoord te weten
    azzardo
  2. 3. neus
    1. nasone
    2. proboscide
/ˈɣɔkən/, /ˈχɔkən/
verb
1. iets van waarde, veelal geld, inzetten op de mogelijke uitkomst van iets onzekers
scommettere
noun
corsa all'oro
/gɔlf/, /χɔl(ə)f/
noun
  1. 4. grote baai
    golfo
  2. 1, 2 en 3
    1. onda
    2. ondata
  3. 1. balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
    1. golf
    2. golfo
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
Golfo del Messico
pronoun
1.
golfo di Riga
noun
verpakkingsmateriaal, bestaande uit één of meer lagen dun, gegolfd karton
cartone ondulato
noun
lunghezza d'onda
/ˈɣɔndəl/
noun
1. een pleziervaartuig in Venetië
gondola
noun
1. een hangend slagwerk
gong
noun
1. een geslachtziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Neisseria gonorrhea
gonorrea
/ˈgu:gələ(n)/, /ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
googlare
noun
googol
noun
1. zoogdier met pantser van beweegbare schubben uit de familie Dasipodidae
armadillo
/ɣɔrˈdɛːn/, /χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
  1. tenda
  2. drappeggio
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
gorilla
noun
gospel
/ˈɣɔtlɑnt/, /ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
Gotland
/ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
oro
phraseologicalUnit
medaglia d'oro
adjective
giallo oro
noun
1. bepaald soort klein vogeltje met een goudkleurig kruintje Regulus regulus
regolo
noun
febbre dell'oro
noun
1. een smid die met goud werkt
  1. orafo
  2. orefice
noun
1. bepaald soort vogel, Pyrrhul pyrrhula
  1. ciuffolotto
  2. ciuffolotto europeo
/ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
pesce rosso
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
  1. gulasch
  2. gulash
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
governatore
pronoun
Gozo
noun
1. eenheid om hoeken te meten
grado
noun
1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
conte
noun
contea
/ɣrax/, /χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
volentieri
interjection
1. beleefd antwoord nadat je bedankt bent
non c'è di che
noun
cereale
noun
lisca
noun
2. ± (lid van) een linksgeoriënteerde, stedelijke elite
radical chic
/ɣrɑf/, /χrɑf/
noun
  1. 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
  2. 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
tomba
noun
in plaatjes gekristalliseerde koolstof
grafite
adjective
grigio grafite
adjective
nero grafite
adjective
grafico
noun
1. op een grafsteen gegraveerde korte tekst, gewijd aan de overledene
epitaffio
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
  1. lapide
  2. pietra tombale
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
grammo
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
grammatica
adjective
grammaticale
noun
  1. 2. met springlading gevuld projectiel
    granata
  2. 5. groep kubische mineralen
    granato
noun
  1. 2. vrucht
    1. melagrana
    2. melograno
  2. 1. boom
    melograno
/ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
granito
adjective
grigio granito
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
pompelmo
noun
1. sap van de vrucht van de boom Citrus paradisi
succo di pompelmo
noun
  1. 1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
  2. 1.1 benaming voor planten uit de familie Poaceae die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien
erba
adjective
verde erba
/ɣrɑsmajər/
noun
tosaerba
noun
1. Sylvia communis, een zangvogel uit de familie zangers Syviidae
sterpazzola
noun
1. Anthus pratensis, een zangvogel uit de familie Motacillidae
pispola
/ˈɣrɑs.trɪ.mər/, /ˈχrɑs.trɪ.mər/
noun
1. een apparaat dat gras maait op moeilijke plekken en randen van het gazon
decespugliatore
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
gratis
adjective
1. donkergrijs, kleurloos
grigio
noun
1. bepaalde soort grijsbruine vogel met oranje snavel, Anser anser
oca selvatica
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
  1. scavare
  2. zappare
noun
1. vrouwelijke graaf
contessa
adjective
gregoriano
/ɣre.ˈna.da/, /ɣrɛ.ˈna.da/, /χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Grenada
noun
  1. 1. een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
    1. confine
    2. frontiera
  2. 2. de raaklijn tussen twee landen
    1. frontiera
    2. confine
/ɣrik/, /χrik/
noun
1. inwoner van Griekenland
greco
/ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
Grecia
/ɣriks/, /χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
greco
/ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
influenza
noun
1. grof gemalen meel
  1. semolino
  2. semola
/ɣrit/, /χrit/
noun
  1. B. grutto
    pittima reale
  2. A. jonge vrouw, meisje
    ragazza
  3. C. vissoort
    rombo liscio
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
grifone
adjective
1. de kleur grijs hebbend
grigio
noun
tint grijs met RAL-nummer 9007
alluminio grigiastro
adjective
beige grigiastro
adjective
blu grigiastro
adjective
marrone grigiastro
adjective
bianco grigiastro
noun
1. stevige zwarte walvis, met bolvormig voorhoofd en een heel kleine snuit
balena grigia
noun
grisaglia
/ˈgrɪzliˌbeːr/, /ˈɣrɪzliˌbeːr/
noun
1. Ursus arctos horribilis, een Amerikaanse ondersoort van de bruine beer.
  1. grizzly
  2. orso grizzly
/ɣruj/, /χruj/
noun
1. het groter worden
crescita
/ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
crescere
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
verde
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
verde
/'ɣrun lɑxə(n)/
phraseologicalUnit
1. geforceerd glimlachen
risata verde
adjective
beige verdastro
adjective
blu verdastro
adjective
marrone verdastro
noun
1. de jonge scheuten van Asparagus officinalis
asparago verde
noun
1. bepaald soort orchidee, Coeloglossum viride
testicolo di volpe
noun
1. Picus viridis
picchio verde
adjective
grigio verdastro
/ˈɣrun.lɑnd/, /ˈɣrun.lɑnt/, /ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
Groenlandia
adjective
groenlandese
pronoun
1. de zee ten westen van Groenland
Mar di Groenlandia
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
  1. verdura
  2. legume
/ɣrup/, /ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
gruppo
noun
immunità di gregge
/ˈɣrut/, /ˈχrut/
noun
1. een uiting waarbij men elkaars aanwezigheid erkent wanneer men elkaar ontmoet
saluto
/ˈɣrutə(n)/
noun
1. iemand goedendag of gedag zeggen
salutare
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Gobiidae
ghiozzo
noun
materia prima
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
acqua freatica
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
costituzione
/ˈɣroːˌnɪŋə(n)/, /ˈχroˌnɪŋə(n)/
pronoun
  1. 1. hoofdstad van de provincie Groningen
  2. 2. gemeente in de provincie Groningen waarin de stad Groningen ligt
  3. 3. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Drenthe en het Duitse Oost-Friesland wordt begrensd
Groninga
/ɣroːt/
adjective
  1. 1. meer dan normaal in formaat
  2. 2. bewonderenswaardig, goed
  3. 3. machtig, belangrijk
grande
adjective
1. met een zeer forse penis
ben dotato
/ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
Gran Bretagna
pronoun
1. stad in Namibië
Grootfontein
noun
1. adellijke titel die hoger is dan die van hertog maar lager dan die van koning
granduca
noun
1.
granducato
noun
grandangolo
noun
1. een moeder van een ouder
nonna
noun
otocyon megalotis
/ˈɣrotˌʌʊdər/
noun
1. de ouder van een ouder
  1. nonna
  2. nonno
noun
grandezza
/ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
nonno
noun
  1. 1. in de klassieke zeilvaart de onderste, grootste zeil aan de grote mast
  2. 2. in de moderne zeilvaart het zeil bevestigd met het voorlijk aan de achterkant van de (grootste) mast
  1. randa
  2. vela maestra
pronoun
1. hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk zichtbaar sterrenbeeld
Orsa Maggiore
noun
1. de eindhersenen en de tussenhersenen vormen samen de grote hersenen
cervello
noun
stercorario maggiore
noun
  1. papavera rossa
  2. papavero rosso
noun
1. soort zeevogel, Larus marinus
mugnaiaccio
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
Grandi Laghi
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Oceano Pacifico
noun
1. bepaalde soort zeevogel, te herkennen aan zijn zwarte kuif en snavel met een klein geel puntje, Sterna sandvicensis
beccapesci
phraseologicalUnit
1. een interval dat vier halve tonen omvat
terza maggiore
noun
1. Melanitta fusca, een vrijwel geheel zwarte eendensoort die voornamelijk op zee voorkomt
orchetto vellutato
adverb
1. voor het grootste gedeelte
in gran parte
adjective
1. op afschrikwekkende wijze buitenissig
grottesco
/ˈxrʏto/, /ˈɣrʏto/
noun
1. bepaald soort weidevogel en een van de grootste steltlopers
pittima reale
pronoun
Guadalupa
/ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
Guatemala
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
  1. guava
  2. guaiave
pronoun
Guernsey
/ɣi.ˈne/, /χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
Guinea
adjective
1. op Guinee betrekking hebbend
guineano
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk in Gujerat gesproken wordt. De taal wordt nu ook in Uganda, Tanzania, Kenia en Pakistan gesproken
gujarati
/ɣɵlp/
noun
1. een door een strook stof afgesloten opening aan de voorzijde van een broek van de man,...
  1. brachetta
  2. braghetta
noun
benpensante
/ɣi.ˈja.na/, /ɣβ̞i.ˈja.na/, /χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
  1. Guyana
  2. Guayana
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
ginnastica
/ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
Gottinga
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
siepe
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
carpino
/haːɪ̯/, /ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
  1. squalo
  2. pescecane
noun
1.
zuppa di pinne di squalo
/haːk/
noun
  1. gancio
  2. uncino
noun
2. elk van de tekens, rond of met hoeken, gebruikt in paren om woorden of getallen af te zonderen
parentesi
/ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
gallo
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
  1. capello
  2. capelli
noun
asciugacapelli
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
lepre
/hast/
adverb
1. bijna
quasi
/ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
odio
pronoun
2. boek in de Bijbel
Abacuc
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
adrone
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
afnio
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
lucertola
/haɣəɫ/
noun
1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
grandine
noun
1. een bui met hagel
grandinata
verb
1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
grandinare
noun
1. een soort broodbeleg, bestaande uit strooisel van chocolade of gekleurde suiker
  1. grandine di cioccolato
  2. spruzzate di cioccolato
pronoun
2. boek in de Bijbel
Ageo
noun
1. hiel van de voet
tacco
/ˈhaː.kə(n)ˌkrœys/
noun
croce gammata
noun
1-2
semiconduttore
noun
1. het oppervlak van een halve bol, met name van de aarde
emisfero
adjective
2. waaruit de helft van de vetten verwijderd is
parzialmente scremato
interjection
1. groet
buongiorno
noun
alogeno
noun
collo
noun
capestro
/ˈhɑɫtə/
noun
1. een plaats waar gestopt wordt
fermata
noun
manubrio
noun
1.
minima
noun
1.schijngestalte van de maan
primo quarto
/ɦɑm/
noun
  1. 1. vlees van de achterkant van een varken
  2. 2. dikke dij van een mens
prosciutto
noun
Amburgo
noun
  1. 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
  2. 2. een van de gehoorsbeentjes in het oor
martello
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
criceto
/ɦɑnt/
noun
1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
mano
noun
bagaglio a mano
noun
pallamano
noun
1. een doek waarmee men zich afdroogt
asciugamano
/ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
commercio
noun
1. datgene dat gedaan is
atto
pronoun
Atti degli Apostoli
noun
1. vaste activapool van een winkel of bedrijf die wordt gebruikt om een zaak te drijven
fondo di commercio
noun
1. verhandelbaar waardepapier aan toonder of aan order
effetto negoziabile
noun
2. deel van het privaatrecht m.b.t. handelszaken
diritto commerciale
noun
1. binnenzijde van de hand
palmo
noun
1. met de hand bediende rem
freno a mano
/hɑnd.sxun/, /ɦɑnt.sxun/, /ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
guanto
noun
firma
/ˈhanə(n)kɑm/
noun
1. Cantharellus cibarius, een eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak
  1. gallinaccio
  2. canterello
/ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
  1. amaca
  2. branda
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
lucchetto
pronoun
1. stad in Duitsland
Hannover
noun
  1. 1. toneelfiguur, het meest overeenkomende Harlekijn
    Arlecchino
    1. 2. grappenmaker
    2. 3. belachelijk persoon
    buffone
noun
1. stad die deel uitmaakt van de Hanze
città anseantica
noun
1. en 2 grof gemalen meel van harde tarwe (Triticum durum)
  1. granito di grano tenero
  2. semolino di frumento
noun
1. een vrouwelijke beoefenaar van de hardloopsport
podista
noun
1. een mannelijke beoefenaar van de hardloopsport
podista
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
hardware
/ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
aringa
noun
1. bepaalde middelgrote haai en consumptievis, Lamna nasus
smeriglio
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
rastrello
noun
1.
  1. arpa
  2. cianfa
  3. granfa
  4. ranfa
  5. zàmpa
/hɑrˈpun/, /ɦɑrˈpun/
noun
  1. 1. een grote pijl met weerhaken aan een touw
    arpione
  2. 2. een speer met weerhaken
    1. arpione
    2. arpone
/ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
resina
/ɦɑrt/
noun
cuore
noun
1. het afsterven van hartspierweefsel door afsluiting van een kransslagader of een tak hiervan
infarto del miocardio
adjective
saporito
/ˈhɑrt.ka.mər/, /ˈɦɑrt.ka.mər/
noun
1. elk van twee holten van het hart
ventricolo
noun
1. hartweefsel in de vorm van een vlies dat samengetrokken door een spiertje terugstromen van het verder gepompte bloed tegengaat
valvola cardiaca
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
hassio
/'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
  1. odiare
  2. aborrire
interjection
  1. eccì
  2. etciù
pronoun
1. taal die wordt gesproken door meer dan 85 miljoen mensen, vooral in Niger en Nigeria
hausa
/ˌotkuˈtyr/
noun
alta moda
/ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
porto
noun
  1. 1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
    avena
  2. 1. éénjarig graangewas Avena sativa
    avena comune
/ˈhavərˌmɪːɫ/
noun
zeer fijn gemalen haver
farina d'avena
noun
  1. pappa d'avena
  2. zuppa d'avena
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
fibra d'avena
noun
havervlokken
  1. fiocchi d'avena
  2. fiocchi di avena
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
crusca d'avena
/ˈɦavɪk/
noun
  1. 1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
    astore
  2. 2. iemand die graag oorlog wil voeren
    1. falco
    2. sparviero
noun
1. een heester waaraan hazelnoten groeien
nocciolo
/ˈɦa.zəlˌmœːs/, /ˈɦa.zəɫˌmœʏ̯s/
noun
1. knaagdier in de familie van slaapmuizen, Muscardinus avellanarius
moscardino
/ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
nocciola
/ˈhaː.zə(n)ˌlɪp/
noun
  1. labbro leporino
  2. cheiloschisi
/ha.ˈhi.ti/, /ɦa.ˈi.ti/, /ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Haiti
/ˈɦɛbə(n)/
verb
  1. 1. bezitten
  2. 1. voor voltooide tijd
avere
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
  1. ebreo
  2. ebraico
noun
1. 100 liter
ettolitro
noun
1.
ettometro
/ˈɦeː.də/
noun
1. werk, afval van vlas of hennep
  1. capecchio
  2. stoppa
noun
1. leer dat genot het hoogste goed is
edonismo
noun
nasello
/he.ˈlal/, /ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
universo
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
  1. Dio
  2. Signore
/ɦɪːr/
noun
1.
signore
noun
coda cavallina dei campi
noun
1. iemand die de macht uitoefent
sovrano
noun
1. een (meestal lijnvormige) aanplanting van struiken en/of bomen die dient om ruimten te scheiden
siepe
noun
1. een stuk tuingereedschap dat gebruikt wordt om heggen te snoeien
forbici tagliasiepi
/ˈhɛɪ̯də/, /ˈhɛːdə/
noun
1. een met heidekruid begroeide vlakte
brughiera
noun
1. mensen die geen jood of christen zijn
pagano
adjective
1. van de heidenen
pagano
adjective
viola erica
noun
1. bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis, Hippoglossus hippoglossus
  1. ippoglosso
  2. halibut
/ɦɛj.ləɣ/
adjective
1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
  1. santo
  2. sacro
noun
1. plaats of gebouw gewijd aan een god of godin
santuario
noun
1.
Spirito Santo
noun
1. de pauselijke regering
Santa Sede
noun
vergrijp aan iets heiligs
sacrilegio
/'hɛɪmʋe/
noun
1. sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
nostalgia
noun
1. werktuig gebruikt bij het verwerken van hennep of vlas
  1. pettine
  2. diliscatoio
/ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
strega
/ˈhɛksə(n)ˌjɑxt/
noun
1. het jagen op vermeende heksen
caccia alle streghe
/'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
inferno
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
purtroppo
/ɦɛlt/
noun
eroe
noun
1.
semibreve
/ɦɛlft/
noun
metà
pronoun
1. mythologische hond
Cerbero
/ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
elicottero
/ˈhe.lɪŋ/
noun
  1. 1. het gezond worden of maken van iemand
    guarigione
  2. 2. het verkopen van gestolen goederen zonder dat de verkoper ze zelf gestolen heeft
    ricettazione
adjective
eliocentrico
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
elio
noun
1. lang middeleeuws wapen
alabarda
noun
1. een glooiing in het landschap
pendio
/ɦɛlm/
noun
  1. 1. beschermend hoofddeksel
    1. casco
    2. elmetto
  2. 2. helmgras
    erba arenaria
/ˈɦɛlm.bɪn(t).səɫ/
noun
connettivo
noun
barra del timone
/ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
  1. aiutare
  2. assistere
/ɦɛm/
personalPronoun
1.
  1. lo
  2. lui
noun
1. kledingstuk voor het bovenlijf
camicia
/ˈɦeːməl/
noun
  1. 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
    1. cielo
    2. paradiso
  2. 2. het hiernamaals, leven na de dood
    1. paradiso
    2. cielo
noun
corpo celeste
adjective
blu cielo
noun
1. christelijke feestdag waarin gevierd wordt dat Jezus na de opstanding naar de Hemel ging
Ascensione
noun
  1. semisfera
  2. emisfero
noun
1. bloederziekte
emofilia
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
emorroidi
/ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
gallina
/ˈhɛndrɪk/
pronoun
  1. 1. mannelijke voornaam
    Enrico
  2. 2. spelwoord voor de letter h
    Hacca
/ɦɛŋst/
noun
1. mannelijk paard
stallone
/ˈɦɛ.nəp/
noun
canapa
adjective
1. met betrekking tot de lever
  1. epatico
  2. epatica
noun
1. leverontsteking
epatite
/herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
araldica
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
locanda
noun
1. dier dat zich met plantaardig voedsel voedt
erbivoro
/'ɦɛrdər/
noun
1. begeleider en bewaker van een kudde
pastore
noun
1.
pastorella
noun
1. hond die een kudde bewaakt
cane da pastore
noun
1. een geestelijke die in afzondering leeft
eremita
noun
1. een kreeftachtige (Eupagurus bernhardus) uit de orde van tienpotigen, die in de schelp van een zeeslak woont
  1. paguro
  2. bernardo l’eremita
noun
1. derde jaargetijde
autunno
noun
1. bepaald soort plant, Colchicum autumnale
colchico autumnale
adjective
  1. bijwoord: herhaaldelijke keren
    ripetutamente
  2. bijvoeglijk naamwoord
    ripetuto
verb
1. iets opnieuw zeggen
ripetere
noun
1. lastige en hinderlijke veldmosterd die meestal op en rond akkers groeit
  1. senape dei campi
  2. senape selvatica
/ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
1. opnieuw in gedachte brengen
ricordare
noun
1. een herbivoor die zijn voedsel herkauwt
ruminante
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
  1. ermellino
  2. armellino
pronoun
Ermes
noun
1. uitstulping van een orgaan of weefsel uit de lichaamsholte waar het normaliter in ligt
ernia
noun
1.
riscoperta
noun
een verdovend middel
eroina
noun
erpetologia
noun
morte cerebrale
noun
1. brein
cervello
noun
1. de buitenste laag van de grote hersenen
corteccia cerebrale
noun
1. schade aan de hersenen door uitwendig geweld
commozione cerebrale
noun
indoctrinatietechniek
lavaggio del cervello
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
  1. cervo
  2. capriolo
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
duca
noun
1. het gebied dat onder leiding staat of stond van een hertog
ducato
noun
1. adellijke titel, vrouw van een hertog
duchessa
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
hertz
pronoun
Assia
/(ɦ)ət/, /hɛt/
article
1. bepaald lidwoord
  1. lo
  2. le
  3. la
/(ɦ)ət/, /hɛt/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
  1. lo
  2. la
  3. essa
  4. esso
phraseologicalUnit
1. het kan me niets schelen
  1. me ne fotto
  2. non me ne frega un cazzo
  3. non mi importa
verb
buttare il bambino con l'acqua sporca
/hət ˈre.γənt ˈpɛipə.ˌste.lə(n)/
phraseologicalUnit
Piove a catinelle.
/'he.tə(n)/, /'ɦe.tə(n)/
verb
1. de naam dragen
chiamarsi
adjective
1. gericht op het andere geslacht of betrekking hebbend op liefde voor mensen met een ander geslacht
eterosessuale
/ˈhetroziˌgot/
adjective
1. in het bezit zijnde van twee allelen van een gen bij een (diploïd) organisme
  1. eterozigote
  2. eterozigotico
pronoun
1. een dode taal die in het huidige Turkije werd gesproken
ittita
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
anca
/ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
  1. collina
  2. colle
/'ɦevəl/
noun
2. een geheel met vloeistof gevulde pijp of slang waarvan het ene einde lager gehouden wordt dan de andere, waardoor vloeistof van de laatste mond naar de eerste stroomt
sifone
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
tallone
/ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
  1. qui
  2. qua
noun
1. leven na de dood
aldilà
/hɛɪ̯/, /ɦɛɪ̯/, /ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
  1. lui
  2. egli
verb
1. zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
  1. ansimare
  2. ansare
verb
1. iets met een touw of kabel in opwaartse richting trekken, al dan niet middels een katrol
issare
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
  1. singhiozzo
  2. singulto
pronoun
1. + 2. stad en district
Hildesheim
/ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
cerva
/'ɦɪndərə(n)/
verb
ostacolare
noun
imboscata
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
hindi
noun
2. kinderspel, waarbij men zich deels op één been verplaatst
campana
verb
zoppicare
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
nitrire
noun
hippy
noun
1. ovale paardenrenbaan
ippodromo
noun
storico
adjective
storico
adjective
1.
hitleriano
/ˈhɪtə/
noun
caldo
noun
ondata di caldo
noun
1. rangorde
gerarchia
adjective
1. van of volgens de opeenvolging van rangen
gerarchico
noun
cavallo a dondolo
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
oboe
noun
1. balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
hockey
pronoun
1. stad in Israël
Hod HaSharon
/ɦu/
adverb
1. op welke wijze
come
/hud/, /ɦut/
noun
  1. 2. deel van een zwam
    1. cappella
    2. cappello
  2. 1. een hoofddeksel
    cappello
noun
  1. een functie die men vervult
    qualità
  2. een gesteldheid
    stato
/ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
zoccolo
noun
laminite
noun
1. hoefdragend zoogdier
ungulato
noun
ferro di cavallo
noun
maniscalco
/ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
angolo
noun
velocità angolare
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
tosse
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
tossire
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
quanto
/huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
quantità
pronoun
Corte di giustizia dell'Unione europea
noun
polymerisatieproduct van etheen
polietilene ad alta densità
noun
1. een gebied waar relatief een hogere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
anticiclone
noun
pentola a pressione
noun
1. hoge cilindervormige hoed
  1. cilindro
  2. cappello a cilindro
  3. tuba
abbreviation
1. een trein geschikt voor dienstsnelheden van 200km/h en hoger
treno ad alta velocità
noun
1. bepaald soort vis, Macruronus novaezelandiae
nasello azzurro
noun
1. grot, spelonk
caverna
noun
1. bepaald soort vogel, Columba oenas
colombella
/ˈɦɔlɑnt/
pronoun
  1. 1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
  2. 2. heel Nederland
Olanda
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
olmio
/ˈholoˌkɔːstɔntˌkɛnɪŋ/
noun
negazionismo dell'Olocausto
noun
aanhanger of beoefenaar van de homeopathische geneeswijze
omeopata
adjective
1.volgens de homeopathie
omeopatico
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
omeostasi
/ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
bombo
noun
omofobia
noun
1. gelijkklinkend woord
omofono
adjective
omogeneo
noun
1. op dezelfde manier gespeld woord
omografo
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
omonimo
noun
omosessualità
/ˈhɔnd/, /ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
  1. cane
  2. cagna
/ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
cento
cardinalNumeral
1. het getal 108
centotto
cardinalNumeral
1. het getal 138
centotrentotto
cardinalNumeral
1. het getal 198
centonovantotto
cardinalNumeral
1. het getal 188
centottantotto
cardinalNumeral
1. het getal 128
centoventotto
cardinalNumeral
1. het getal 148
centoquarantotto
cardinalNumeral
1. het getal 158
centocinquantotto
cardinalNumeral
1. het getal 168
centosessantotto
/ˌhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 178
centosettantotto
cardinalNumeral
1. het getal 118
centodiciotto
cardinalNumeral
1. het getal 113
centotredici
cardinalNumeral
1. het getal 130
centotrenta
cardinalNumeral
1. het getal 103
centotré
cardinalNumeral
1. het getal 133
centotrentatré
cardinalNumeral
1. het getal 193
centonovantatré
cardinalNumeral
1. het getal 183
centottantatré
cardinalNumeral
1. het getal 123
centoventitré
cardinalNumeral
1. het getal 143
centoquarantatré
cardinalNumeral
1. het getal 153
centocinquantatré
cardinalNumeral
1. het getal 163
centosessantatré
/ˌhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 173
centosettantatré
cardinalNumeral
1. het getal 101
centouno
cardinalNumeral
1. het getal 131
centotrentuno
cardinalNumeral
1. het getal 191
centonovantuno
cardinalNumeral
1. het getal 181
centottantuno
cardinalNumeral
1. het getal 121
centoventuno
cardinalNumeral
1. het getal 141
centoquarantuno
cardinalNumeral
1. het getal 151
centocinquantuno
cardinalNumeral
1. het getal 161
centosessantuno
/ˌhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 171
centosettantuno
cardinalNumeral
1. het getal 111
centoundici
cardinalNumeral
1. het getal 109
centonove
cardinalNumeral
1. het getal 139
centotrentanove
cardinalNumeral
1. het getal 199
centonovantanove
cardinalNumeral
1. het getal 189
centottantanove
cardinalNumeral
1. het getal 129
centoventinove
cardinalNumeral
1. het getal 149
centoquarantanove
cardinalNumeral
1. het getal 159
centocinquantanove
cardinalNumeral
1. het getal 169
centosessantanove
/ˌhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 179
centosettantanove
cardinalNumeral
1. het getal 119
centodiciannove
cardinalNumeral
1. het getal 190
centonovanta
cardinalNumeral
1. het getal 180
centottanta
cardinalNumeral
1. het getal 110
centodieci
cardinalNumeral
1. het getal 112
centododici
cardinalNumeral
1. het getal 102
centodue
cardinalNumeral
1. het getal 132
centotrentadue
cardinalNumeral
1. het getal 192
centonovantadue
cardinalNumeral
1. het getal 182
centottantadue
cardinalNumeral
1. het getal 122
centoventidue
cardinalNumeral
1. het getal 142
centoquarantadue
cardinalNumeral
1. het getal 152
centocinquantadue
cardinalNumeral
1. het getal 162
centosessantadue
/ˌhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 172
centosettantadue
cardinalNumeral
1. het getal 120
centoventi
cardinalNumeral
1. het getal 114
centoquattordici
cardinalNumeral
1. het getal 140
centoquaranta
cardinalNumeral
1. het getal 104
centoquattro
cardinalNumeral
1. het getal 134
centotrentaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 194
centonovantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 184
centottantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 124
centoventiquattro
cardinalNumeral
1. het getal 144
centoquarantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 154
centocinquantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 164
centosessantaquattro
/ˌhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 174
centosettantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 105
centocinque
cardinalNumeral
1. het getal 135
centotrentacinque
cardinalNumeral
1. het getal 195
centonovantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 185
centottantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 125
centoventicinque
cardinalNumeral
1. het getal 145
centoquarantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 155
centocinquantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 165
centosessantacinque
/ˌhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 175
centosettantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 115
centoquindici
cardinalNumeral
1. het getal 150
centocinquanta
cardinalNumeral
1. het getal 106
centosei
cardinalNumeral
1. het getal 136
centotrentasei
cardinalNumeral
1. het getal 196
centonovantasei
cardinalNumeral
1. het getal 186
centottantasei
cardinalNumeral
1. het getal 126
centoventisei
cardinalNumeral
1. het getal 146
centoquarantasei
cardinalNumeral
1. het getal 156
centocinquantasei
cardinalNumeral
1. het getal 166
centosessantasei
/ˌhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 176
centosettantasei
cardinalNumeral
1. het getal 116
centosedici
cardinalNumeral
1. het getal 160
centosessanta
/ˌhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 107
centosette
/ˌhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 137
centotrentasette
/ˌhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 197
centonovantasette
/ˌhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 187
centottantasette
/ˌhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 127
centoventisette
/ˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 147
centoquarantasette
/ˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 157
centocinquantasette
/ˌhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 167
centosessantasette
/ˌhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 177
centosettantasette
/ˌhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 117
centodiciassette
/ˌhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 170
centosettanta
noun
rabbia
/hɔn.ˈdyː.rɑs/, /ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
Honduras
/hɔŋ(g).ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
ungherese
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
adjective
1. betreffende Hongarije of het Hongaars
ungherese
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
  1. ungherese
  2. magiaro
/hɔŋ(g).ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈχar.sə/
noun
ungherese
/ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
Ungheria
/ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
fame
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
carestia
noun
1. het weigeren van voedsel uit protest
sciopero della fame
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
miele
noun
1. een bij van de soort Apis mellifera die honing maakt uit nectar en bloemen bestuift
ape domestica
adjective
giallo miele
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. inodorus
melone verde
adjective
  1. 4.
    1. mellifluo
    2. mieloso
  2. 1. zeer zoet
    mielato
  3. 3.
    sdolcinato
  4. 2.
    soave
/ɦoːft/
noun
1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
  1. testa
  2. capo
/'ɦovduk/
noun
1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
  1. foulard
  2. fazzoletto
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
pidocchio
noun
1. de voorste pagina van een website
pagina principale
noun
1. pijn in het hoofd
mal di testa
/'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
  1. capitale
  2. capoluogo
noun
1. het tuig dat een paard om het hoofd gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken
briglia
/ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
alto
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
  1. Cantico dei cantici
  2. Cantico dei Cantici
noun
alta tensione
noun
1. atletiekdiscipline waarbij het de bedoeling is over een tussen twee staanders bevestigde lat of touw te springen
salto in alto
noun
  1. 2. niveau
    altezza
  2. 1. een verheffing van de aardkorst
    altitudine
/ˈɦoxtəvres/, /ˈɦoçtəvres/
noun
1. angst voor hoogten
acrofobia
noun
alto tradimento
noun
1. gedroogd gras
fieno
/ˈɦojbɛrx/
noun
1. een ter bewaring opgestapelde hoeveelheid gedroogd gras
  1. pagliaio
  2. bica
/ɦoːp/
noun
3. verwachting van iets wenselijks
speranza
/hoːrnar/, /ho̝ːrnar/
noun
1. Vespa crabro, een soort grote wesp
calabrone
noun
  1. 1. bepaald soort vogel, Upupa epops
    upupa
  2. 1. bepaalde plant die onder andere wordt gebruikt bij de bereiding van bier
    luppolo
adjective
1. waaraan hoop op succes ontbreekt
disperato
/ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
sperare
/hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
  1. sentire
  2. udire
noun
orizzonte
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
orizzontale
noun
1. een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
orologio
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
ormone
noun
oroscopo
/ˈɦɔrzəɫ/
noun
1. parasitaire vliegsoort
estro
pronoun
Osea
noun
1. opneming in een ziekenhuis
ospedalizzazione
/hoˈtɛl/, /ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
  1. hotel
  2. albergo
noun
1. het onder zich hebben van andermans goed
detenzione
noun
1. een pose
atteggiamento
/ɦɑʊ̯t/, /[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
legno
noun
1. bepaalde soort wilde duif, Columba palumbus
colombaccio
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
boscaiolo
noun
1. jas die sluit met staafjes en lussen
montgomery
noun
1. een vogel uit de familie van snipachtigen, Scolopacidae
beccaccia
noun
1. benaming voor verschillende in hout levende insectenlarven
tarlo
noun
1.
obice
/hovəlɪŋ/
noun
1. een onderdaan die tot het dagelijkse gezelschap van een vorst behoort
cortigiano
pronoun
1. bepaalde telescoop die als een kunstmaan rond de aarde draait
telescopio spaziale Hubble
pronoun
1. binnenzee in Noordoost-Canada
Baia di Hudson
noun
ipocrita
/hœːd/, /ɦœʏ̯t/, /ɦœːt/
noun
  1. 2. de buitenbekleding van een schip
    fasciame
  2. 1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
    1. pelle
    2. cute
noun
dermatologo
/hœːx/, /ɦœʏ̯χ/, /ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
ugola
/ɦœy̯lə(n)/
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
paingere
/hœːs/, /ɦœʏ̯s/, /ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
  1. casa
  2. abitazione
/ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
animale domestico
noun
1. iets dat men zonder bewijs als geneesmiddel gebruikt
rimedi della nonna
noun
1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
passero domestico
noun
numero civico
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
  1. casalinga
  2. donna di casa
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
compito
noun
1. Delichon urbica, een zwaluw die zijn nest tegen de huizen aanbouwt
  1. rondine
  2. balestruccio
/ɦʏlp/
noun
1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
  1. aiuto
  2. assistenza
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
  1. verbo ausiliare
  2. ausiliare
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
agrifoglio
noun
1.aanhanger van het humanisme
umanista
noun
1. puree van o.m. gekookte kikkererwten
hummus
noun
  1. humour
  2. umorismo
noun
1.
umorista
/ˈɦynəbɛt/
noun
1. neolithische begraafplaats
dolmen
verb
saltellare
/ɦyrə(n)/
verb
1. tegen betaling gebruiken
  1. affittare
  2. noleggiare
  3. prendere in affitto
pronoun
1.
Hurghada
/ɦʏt/
noun
1. een primitieve woning
capanna
/ɦyr/
noun
1. tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
locazione
noun
inquilino
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de huur en verhuur van woon- en bedrijfsruimte
diritto di locazione
/ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
matrimonio
noun
1. akte van de burgerlijke stand waarin staat dat twee mensen met elkaar getrouwd zijn
atto di matrimonio
noun
1. notarieel contract waarin de vermogenspositie van beide huwelijkspartners wordt geregeld
convenzione matrimoniale
/ˈɦiu̯ələksˌrɛɪ̯s/
noun
1. de reis die een pasgetrouwd stel gewoonlijk onmiddellijk na hun trouwen onderneemt
viaggio di nozze
noun
1. notarieel contract waarin de vermogenspositie van beide huwelijkspartners wordt geregeld
convenzione matrimoniale
/hʊ.ˈzaːʁ/
noun
1. een ruiterijsoldaat.
  1. ussaro
  2. hussardo
noun
3. bolgewas
giacinto
noun
1. een speciale uitgeruste waterkraan geplaatst ten behoeve van de brandweer
idrante a colonna
noun
idrografia
noun
idrologia
noun
1. de splitsing van scheikundige verbindingen door opneming van water
idrolisi
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
iena
noun
igiene
adjective
1. schoon, gezond
igienico
noun
1.een instrument om vochtigheid van de lucht te meten
igrometro
noun
ipercorrettismo
noun
ipertermia
noun
1. bovenmatige groei
ipertrofia
noun
1.
ipnosi
/ɦipoˈkrit/
noun
1. iemand die voordoet bepaalde waarden te huldigen, maar zich er zelf niet aan houdt
ipocrita
/ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
ipofisi
noun
parola macedonia
noun
1. term die een subcategorie van een algemenere klasse aanduidt
iponimo
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
ipoteca
noun
1. onderkoeling
ipotermia
noun
1. Hyssopus officinalis, een gewas met geneeskundige kracht
issopo
/ɦe/
interjection
  1. 5. informele groet
    ciao
  2. 1. uitroep om aandacht
    ehi
  3. 2. uitroep van verbazing
    1. to'
    2. toh
adjective
1. door medisch ingrijpen veroorzaakt
iatrogeno
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
  1. Penisola iberica
  2. penisola iberica
noun
1. een vogel met een lange gebogen snavel behorend tot de familie Threskiornithidae
ibis
noun
  1. 1. heiligenafbeelding, zoals vereerd in de kerken van het oosten
  2. 2.
icona
verb
1. iets gunstiger of zelfs als ideaal beoordelen
idealizzare
/iˈde/
noun
1. gedachte, plan
  1. idea
  2. nozione
verb
identificare
noun
1. geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
identità
/idɛnti'tɛitskart/
noun
1. een identiteitsbewijs dat op een kaart gedrukt is
carta d'identità
/ˌideo'ɣrɑm/
noun
1. een grafisch teken dat een voorwerp symboliseert
ideogramma
/ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
ideologia
adjective
1. van, betreffend of volgens een ideologie
ideologico
noun
1. iemand die een ideologie opstelt
ideologo
adjective
1. het idioom betreffend
idiomatico
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
idioma
/idi'ot/
noun
1. iemand die een grote maat van zwakzinnigheid heeft
idiota
adjective
1. van onbekende oorzaak
idiopatico
pronoun
ido
noun
  1. idolopeia
  2. idolopea
adjective
1. bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid
  1. idilliaco
  2. idillico
personalPronoun
1. clitische vorm van de 3e persoon enkelvoud mannelijk nominatief
egli
indefinitePronoun
qualcuno
/ˈiːrlɑnd/, /ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
Irlanda
/iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
  1. irlandese
  2. gaelico
indefinitePronoun
1. een of ander ding
  1. qualcosa
  2. qualche cosa
/ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
  1. igloo
  2. iglù
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
vanità
/ɛɪ̯s/, /ɛːs/
noun
  1. 1. de vaste vorm van water, bevroren water
  2. 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
ghiaccio
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
  1. orso polare
  2. orso bianco
noun
1. een zeer groot brok ijs dat in de zee drijft
iceberg
noun
1. en 2 (bladeren van) Lactuca sativa var. capitata
  1. lattuga iceberg
  2. insalata iceberg
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
rompighiaccio
verb
1. een discipline van het kunstschaatsen
danza su ghiaccio
noun
1. bepaald soort vogel Gavia immer
  1. gavial immer
  2. strolaga maggiore
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
hockey su ghiaccio
/ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
gelato
/ˈɛɪ̯slɑnd/, /ˈɛɪ̯slɑnt/, /ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
Islanda
/ˈɛɪ̯slɑnds/, /ˈɛɪ̯slɑnts/, /ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
islandese
/ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
martin pescatore
/ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
ferro
adjective
grigio ferro
adjective
1. het element ijzer bevattend
ferrifero
noun
età del ferro
personalPronoun
1.
io
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
ti amo
noun
1. een buitenlander die zonder werk- en verblijfsvergunning in een land verblijft
clandestino
adjective
1. beroemd, zeer bekend van reputatie
  1. famoso
  2. celebre
  3. rinomato
/ˌimiˈterən/
verb
1. doen wat iemand anders doet
imitare
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
apicoltore
adjective
1.
immenso
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
immigrazione
verb
1. een land binnenkomen om zich er te vestigen
immigrare
noun
impala
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
impedenza
noun
importanza
adjective
impotente
noun
impressionismo
noun
1. ter plekke verbeterde versie van een muziekstuk, voorlezing enz.
improvvisazione
verb
1. iets bedenken zonder vooropgesteld plan
improvvisare
/ɪmˈpʏls/
noun
2. product van massa en snelheid
  1. quantità di moto
  2. impulso
preposition
2. in (tijdelijk)
in
adverb
1. snel doordat het weinig moeite kost, vlot alsof het gemakkelijk is
in un batter d'occhio
phraseologicalUnit
1. in een omgeving waar weinig gepresteerd wordt...
nella terra dei ciechi beato chi ha un occhio
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
  1. invece di
  2. anziché
verb
1. lucht uit de omgeving opnemen
  1. inspirare
  2. respirare
/ˌɪnʌʊɣyˈratsi/
noun
1. de feestelijke of plechtige inwijding in een ambt
inaugurazione
/ɪmbɪndə/
verb
  1. 3. minder heftig tekeergaan
    1. contenersi
    2. moderarsi
    1. 1. door stevige omwikkeling bijeenhouden
    2. 2. losse geschriften tot een enkel boekwerk verwerken
    rilegare
noun
1. het inbreken
  1. scasso
  2. furto con scasso
noun
3. terugbrengen van een als voorschot op de erfenis geschonken goed dat dient te worden verrekend met het erfdeel
collazione
/ˈɪntʃɛˌkə(n)/
verb
1. zich aanmelden aan een balie om een instapkaart te krijgen en eventueel bagage af te geven.
registrarsi
/ˌiŋkɔmpəˈtɛn(t)si/
noun
  1. incompetenza
  2. incapacità
noun
1. het onvermogen om urine of ontlasting op te houden
incontinenza
/ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
India
noun
1. inwoner van Amerika voor de komst van de Europeanen
  1. indiano
  2. amerindio
  3. indiana
  4. indiano d'America
  5. amerindia
noun
1. de vorm van het werkwoord die de werkelijkheid aangeeft
indicativo
conjunction
1. onder de voorwaarde dat
se
/ɪn.ˈdi.ɣo/, /ɪn.ˈdi.χo/
noun
1. een kleur die in het het lichtspectrum voorkomt met een golflengte van 440 tot 420 nanometer
indaco
/ˌɪndisəˌosiˈan/, /ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
Oceano Indiano
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
indio
adjective
1. afzonderlijk, op zichzelf
individuale
noun
addottrinamento
verb
1. dwingen om bepaalde opvattingen te aanvaarden
addottrinare
/ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
indonesiano
/ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Indonesia
noun
induttanza
noun
1. Nijverheid
industria
noun
1. traagheid
inerzia
noun
1.
caso inessivo
noun
1. een besmetting van lichaamsweefsel met ziekteverwekkers als bacteriën, virussen, schimmels of...
infezione
noun
1. hel, oord van helse verschrikkingen
inferno
verb
infiltrare
/ɪɱfinitif/
noun
1. het hele werkwoord
infinito
noun
1. stijging van het prijspeil waardoor het geld in waarde daalt
inflazione
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
informatica
noun
1.
informazione
noun
1.
sistema informativo
adjective
infrarosso
noun
2. een opening waar iets doorheen kan
  1. entrata
  2. ingresso
/ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
  1. ingegnere
  2. ingegnera
pronoun
1. Finoegrische taal die door ongeveer 300 Ingriërs gesproken wordt
ingrio
/'ɪnɦɑm/
noun
calanco
/ˈɪnhɑut/
noun
  1. 1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
  2. 3. alles wat in een geschrift of ander medium staat
contenuto
noun
1. feestelijke gelegenheid waarbij iemand wordt gehuldigd, zoals een koning/vorst door diens onderdanen, bij aanvaarding van diens ambt
inaugurazione
noun
iniziazione
verb
1. het inbrengen van een vloeistof in een gesloten vat of lichaam middels een holle naald
iniettare
noun
1. regelmatig verkregen som geld
reddito
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
inchiostro
/ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
calamaio
/ˈɪŋktfɪs/
noun
1. een koppotig weekdier met vangarmen dat een inktachtig vocht afscheidt ter verdediging
calamari
/ˈɪnlɛɪvə(n)/
verb
1. iemand in een groep opnemen
incorporar
noun
1. een rechtbank van de Rooms-Katholieke Kerk, die was belast met de opsporing, het onderzoek en het opleggen van straffen van ketters
inquisizione
/'ɪnsxepə(n)/
verb
1. aan boord gaan van een schip voor een reis ermee
imbarcare
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
insetto
noun
1. horizontale draden die tijdens het weven tussen de opgespannen draden van de schering worden ingebracht
trama
/ˈɪn.slœʏ̯.tə(n)/, /ˈɪn.slœː.tə(n)/
verb
1. opsluiten in iets
rinserrare
noun
1. slapeloosheid
insonnia
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
  1. sforzo
  2. fatica
verb
1. de geest gaande maken
ispirare
noun
8. een kunstvorm
installazione
noun
istigazione
noun
1. gedrag dat geheel genetisch bepaald is
istinto
noun
  1. 2. verkort voor muziekinstrument
  2. 1. werktuig
strumento
/ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
insulina
noun
1. een epileptische aanval, een toeval
convulsione
adjective
1. in goede staat, onaangetast
intatto
/ɪnˈtexə(n)del/
adverb
  1. al contrario
  2. anzi
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
  1. inteligenza
  2. intelligenza
verb
intensificare
noun
1. onderlinge beïnvloeding
interazione
adjective
1. wekt interesse
interessante
noun
  1. 1. belang
  2. 2. belangstelling
  3. 3. iets waar belangstelling voor is
interesse
/ĭn'tə(r)lĭng"wə/
pronoun
1. een hulptaal bedoeld is om de communicatie met anderstaligen te vereenvoudigen
interlingua
noun
1. regelafstand
interlinea
adjective
1. inwendig, binnen
interno
/ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
internazionale
pronoun
Fondo Monetario Internazionale
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
  1. internet
  2. Internet
noun
1.
internet point
adjective
1. voor interpretatie vatbaar
interpretabile
noun
  1. 1. tussenperiode
  2. 3. de afstand tussen twee verschillende tonen
intervallo
verb
1.een vraaggesprek met iemand houden
intervistare
/ɪntimi'dɪːrə(n)/
verb
1. iemands gedrag beïnvloeden door hem angst aan te jagen
intimidire
adjective
1. zonder de mogelijkheid van een lijdend of meewerkend voorwerp
intransitivo
noun
1.
introito
/ɪn'tʌsə/
adverb
1. gedurende de tijd die het genoemde vereist
nel frattempo
noun
inverzione
verb
investire
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
investimento
verb
2. een persoon op een doorgaans vriendelijke en vrijblijvende manier vragen om iets te doen
invitare
adjective
influente
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Io
/jɔn/
noun
ione
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Zuid-Italië en West-Griekenland
mar Ionio
noun
ionosfera
/i'peʔadrɛs/
noun
1. een combinatie van getallen waarmee een computer in een IP-netwerk kan worden herkend
indirizzo IP
pronoun
1.
iraniano
/i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
Iraq
/i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
Iran
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
iridio
/ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
ironia
noun
1. een zenuwontsteking bij de heup
sciatica
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
islam
pronoun
Islamabad
noun
1. ruimtelijke afzondering
isolamento
verb
  1. 1. persoonlijk
  2. 2. chemisch
isolare
noun
isoclina
adjective
1. bij constante temperatuur
isotermico
noun
1. een verzameling punten constante temperatuur gemeten of waar de temperatuur dezelfde waarde heeft
isoterma
noun
isotopo
noun
isotopia
/ˈɪs.ra.hɛl/, /ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
Israele
/italiˈjaːn/
noun
1. een persoon die uit Italië komt
italiano
/italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
italiano
/italiˈjaːnsə/
noun
1. vrouwelijke persoon die uit Italië komt
italiana
/iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
  1. Italia
  2. Itåleye
noun
avorio
noun
1. gebroken witte kleur zoals de slagtanden van de olifant
avorio
adjective
avorio
/i.ˈvoːr.kʏs/, /i.ˈvoːr.kʏst/, /i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
Costa d'Avorio
pronoun
. spelwoord voor de letter i
Imola
/jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
sì
/jaː/
interjection
1. kreet van opwinding
sì
/'jaxpɑt/
noun
1. een pad langs de kant van een kanaal of vaart waarover eertijds de trekdieren van de trekschuit werden voortgedreven
  1. alaggio
  2. alzaia
/ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
anno
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
  1. annuale
  2. annuo
/jɑxt/
noun
  1. 1. het achtervolgen van wild
    caccia
  2. 3. een snel vaartuig
    1. yacht
    2. panfilo
noun
1. hond die speciaal gefokt wordt voor de jacht
bracco
noun
1. een hoorn als signaalinstrument op de jacht
corno da caccia
noun
1. zeer snel, betrekkelijk groot Afrikaans katachtig roofdier, Acinonyx jubatus
ghepardo
noun
gevechtsvliegtuig
  1. aereo da caccia
  2. caccia
/ˈjaːɣə(n)/
verb
1. bewegende wezens proberen te vangen
cacciare
noun
  1. 2. jachtvliegtuig
    1. aereo da caccia
    2. caccia
  2. 1. iemand die op jacht gaat
    1. cacciatore
    2. cacciatrice
noun
cacciatore-raccoglitore
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
giaguaro
noun
yak
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
sciacallo
noun
1. benaming voor bepaald soort mosselachtig schelpdier
capasanta
/jaˈkobʏs/
pronoun
Giacomo
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
geloso
/ʃɛm/
noun
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
  1. confettura
  2. marmellata
/(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Giamaica
pronoun
1. (taal) een creooltaal
creolo giamaicano
interjection
1. uitroep van teleurstelling
peccato
/jɑn/
pronoun
. spelwoord voor de letter j
Jolly
/jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
gennaio
pronoun
  1. 2. Romeinse god
  2. 3. maan
Giano
/jaˈpɑn/, /jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
Giappone
noun
giapponese
/jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
  1. giapponese
  2. nipponico
/jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
giapponese
noun
1.
giacca
pronoun
1. een taal die door meer dan 75 miljoen mensen op Java en Bali gesproken wordt
giavanese
noun
1. Rhinoceros sondaicus, neushoornsoort levend op West-Java en in Vietnam
rinoceronte de Giava
/jaʋɔːrt/
noun
1. het bevestigende antwoord op een huwelijksaanzoek
sì
/ˈjemən/, /ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
Yemen
pronoun
1. en 2.
Jena
noun
  1. 2. vrucht
    bacca di ginepro
  2. 1. Juniperus communis
    ginepro
pronoun
Geremia
noun
lamentazione
pronoun
Isaia
/ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
  1. gioventù
  2. giovinezza
/ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Gesù
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Gesù Cristo
/je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
gesuita
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
gotta
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
yiddish
noun
jihad
/jEi/, /jɛɪ̯/, /jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
tu
/'jɔb/
pronoun
Giobbe
/joˈdɪn/
noun
ebrea
/joˈdin/
noun
1.
  1. ebrea
  2. giudea
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
iodio
pronoun
  1. Jugoslavia
  2. Iugoslavia
pronoun
  1. 2.1 een van de vier Evangeliën
    1. Giovanni
    2. Giano
    3. Gianni
  2. 4. spelwoord voor de letter j
    Jolly
noun
  1. ceratonia
  2. carrubo
pronoun
. spelwoord voor de letter j
Jolly
noun
1. speelgoed
yo-yo
verb
  1. jolly
  2. matta
adjective
1. van geringe leeftijd
giovane
noun
1. onvolwassen man
  1. ragazzo
  2. bambino
noun
1. het taalgebruik van jongeren
linguaggio giovanile
/jɔŋˈle.rə(n)/
verb
giocolare
/jɔŋˈlør/
noun
1. rondreizend kunstenaar
giocoliere
noun
1. schip
giunca
/jot/
noun
  1. ebrea
  2. ebreo
noun
  1. 1. aanhanger van het joodse geloof
    1. ebreo
    2. giudeo
  2. 1. element jodium
    iodio
/jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
Giordania
/ʒurˈnaɫ/
noun
1. een televisieprogramma dat dagelijks het nieuws brengt
telegiornale
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
giornalista
/jɑu̯/
possessivePronoun
1.
  1. tuo
  2. tua
  3. tue
  4. tuoi
/joˈʔel/
pronoun
Gioele
/jybələ/
verb
1. juichen
esultare
noun
1. feestelijke herdenking van de dag waarop iets gebeurde of begon
giubileo
pronoun
2. boek in de Bijbel
Giuda
noun
1. kus die Judas aan Jezus gaf
bacio di Giuda
noun
1. vriendelijk gebaar van een iemand die veinst een vriend te zijn, kort voordat zijn ware bedoelingen duidelijk worden
bacio di Giuda
/'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
  1. judo
  2. giudò
/jʏˈfrɑu/
noun
signorina
adjective
1. zoals het moet, waar
corretto
noun
1. houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten verbindt
giogo
noun
1. een van de beenderen van de schedel
  1. zigomo
  2. osso zigomatico
/jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
luglio
pronoun
Rivoluzione di Luglio
/ˈjʏli/
personalPronoun
1.
voi
noun
1. de zesde maand van het jaar
giugno
/ˈjypiˌtɛr/
pronoun
Giove
noun
  1. 1. kanton
  2. 2. gebergte
Giura
adjective
1. betrekking hebbend op het recht en de rechtsleer
giuridico
noun
giurisprudenza
noun
1. een deskundige op het gebied van rechtsleer
giurista
/jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
  1. vestito
  2. abito
adjective
de bastvezels
iuta
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
  1. gioielliere
  2. gioielliera
noun
1. krokodilachtige uit de onderfamilie Caimaninae van de familie alligators
caimano
noun
1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
mascella
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
tetano
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
calvo
noun
1. persoon
  1. calva
  2. calvo
  3. pelata
  4. pelato
noun
1. een in zee vooruitstekende landpunt
capo
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Capo Arkona
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Capo de Buona Speranza
pronoun
Capo Horn
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
Città del Capo
/ˈkaːp.stɑn.dər/
noun
1. kaapstander
cabestano
/kab.ˈvɛr.di.jə/, /kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Capo Verde
/kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
  1. candela
  2. cero
noun
  1. 1. schematische afbeelding van een ruimtelijk gebied op een plat vlak in een verkleinde schaal
    carta
    1. 2. bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
    2. 3. kartonnen of plastic vel uit een kaartspel, om mee te spelen
    1. carta
    2. biglietto
  2. nog in te delen vertalingen
    mappa
/kartspɛl/
noun
  1. 1. een spel met speelkaarten
    gioco di carte
  2. 2. een spel kaarten
    1. mazzo di carte
    2. gioco di carte
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
  1. formaggio
  2. cacio
/ˈkasfɔndy/
noun
1. een gerecht waarbij etenswaren in een saus van kaas gedompeld worden
fonduta
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
cavo
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
  1. merluzzo
  2. baccalà
noun
  1. 2. padvindster
    coccinella
  2. 1. sprookjesfiguur
    gnomo
/ˈkɑxtəl/, /ˈkɑxtəɫ/, /ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
  1. puledro
  2. pattino
  3. vannino
noun
1. dood lichaam van een dier
cadavere
noun
1. een gesloten kano om in wild water of op zee te varen
kayak
noun
1. overdekte gemeenschappelijke verblijfplaats op schepen
cabina
adjective
grigio kaki
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
  1. scarafaggio
  2. blatta
noun
1. rommelig geheel van vele klanken door elkaar
cacofonia
noun
1. kaalhoofdig iemand
  1. calva
  2. calvo
  3. pelata
  4. pelato
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
calendario
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
vitello
noun
califfo
noun
califfato
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
potassio
/ˈkɑl(ə)k/
noun
aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium
calce
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
  1. tacchino
  2. tacchina
noun
calcare
/ˌkɑ.lɪ.ˈpi.ɣɪs/
adjective
1. met een mooi achterste
callipigio
/ˈkɑlmus/, /ˈkɑɫmus/
noun
calamo aromatico
/kɑm/
noun
1. getand object om haren mee te verzorgen
pettine
/kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
cammello
/ka'melejɔn/
noun
  1. 1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
  2. 2. veranderlijk persoon
camaleonte
noun
1. deel van een huis
  1. camera
  2. stanza
noun
1. een lange huisjas
vestaglia
/ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
Camerun
noun
pianta da appartamento
noun
temperatura ambiente
noun
canfora
noun
1. elk van de planten van het geslacht Matricaria
camomilla
noun
1. mannenvest met lange mouwen en diepe zakken
camiciola
/kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
pettinare
verb
1. een vorm van openluchtrecreatie
campeggiare
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
caprifoglio
noun
1. wedstrijd waar bepaald wordt wie de kampioenstitel mag dragen
campionato
pronoun
La Manica
/ka'naːl/
noun
canale
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
  1. canario
  2. canarino
pronoun
1. een stad gelegen in Zuid-Afghanistan en de hoofdstad van de gelijknamige provincie
Kandahar
noun
candeliere
noun
zucchero candito
/kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
cannella
noun
1. tot poeder vermalen kaneel
cannella in polvere
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
canguro
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
cancro
noun
oncologo
noun
1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
  1. cannibale
  2. antropofago
  3. antropofaga
  4. antropófaga
  5. antropófago
noun
canoa
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
cannone
noun
1.
cannoniera
noun
  1. 2. een mooie gelegenheid
    1. possibilità
    2. opportunità
  2. 1. mogelijkheid dat er iets gaat gebeuren
    probabilità
noun
  1. 1. eerste minister
  2. 2. hoofd van een kanselarij
cancelliere
/kɑnt/
noun
1. een vorm van vlechtwerk
  1. merletto
  2. pizzo
/kɑnˈtel/
noun
1. elk van de opstaande delen van de getande bovenkant van (oude) verdedigingsmuren
merlo
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
ufficio
noun
1. klein kerkgebouw
  1. cappella
  2. chiesetta
noun
1. een priester van de katholieke kerk, werkzaam in een parochie
cappellano
/ˈka.pər.ˌbrif/
noun
1. een brief door de overheid of koning werd geschreven, waarmee een schip dat die brieven aan boord had het recht werd gegeven om schepen van vijandelijke mogendheden aan te vallen en leeg te roven
lettera di corsa
noun
1.
capitello
noun
1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
capitano
/'kɑpmɛs/
noun
1. stevig mes
  1. machete
  2. mezzaluna
  3. roncola
noun
cappone
/ka'pɔtʲə/
noun
2.
guanto
noun
parrucchiere
/kɑpsɛɪ̯zə(n)/, /kɑpsɛːzə(n)/
verb
1. ondersteboven komen liggen
capovolgersi
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
  1. capigliatura
  2. taglio
noun
1. tafelfles met wijde buik en smalle hals
  1. bottiglia da tavola
  2. decanter
noun
1. aard
carattere
noun
1. gebrande suiker
caramello
noun
1. vorm van vermaak, waarbij muziek wordt afgespeeld van een lied, en de amateur zanger in een microfoon de tekst (die op een televisiescherm te lezen is) live zingt
karaoke
pronoun
1. stad in Namibië
Karasburg
noun
1. japanse gevechtsport
  1. karaté
  2. karate
noun
1.
carovana
/kɑrboˈnadə/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
braciola
noun
plant en zaad
cardamomo
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
cardinale
noun
1. en 2. bladeren van Cynara cardunculus
cardo
pronoun
2. spelwoord voor de letter k
Kappa
pronoun
1. een aan het Fins verwante taal die wordt gesproken in Karelië, Rusland en Finland
careliano
/kɑˈrelɪə/
pronoun
1. deel van Rusland
Carelia
pronoun
1.
Carinzia
adjective
  1. carminio
  2. rosso carminio
noun
1. de rode kleur van karmijn
cremisi(no)
noun
1. gefermenteerde melk
latticello
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
carpa
noun
plant, zaad en specerij
  1. carvi
  2. caro
noun
1. gedroogde (gemalen) aromatische zaad van Carum carvi
seme di cumino dei prati
/'kɑs/
noun
3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...
serra
pronoun
1. een Westslavische taal die gesproken wordt in het oosten van Pommeren
casciubico
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
Mar Caspio
noun
1. plaats waar men aankopen betaalt in een winkel
cassa
/kɑs/, /kɑst/
noun
1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
armadio
adjective
marrone castagna
noun
1. streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
casta
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
castello
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
  1. gatto
  2. felino
noun
catafalco
noun
    1. 1. belegeringswapen
    2. 3. lanceerinrichting voor vliegtuigen
    catapulta
  1. 2. speeltuig
    1. fionda
    2. catapulta
noun
  1. 1. mannetje van de kat
    gatto
  2. 2. gevolgen van alcoholgebruik
    1. postumi della sbornia
    2. postumi dell'ubriachezza
    3. postumi
/kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
  1. cattedrale
  2. duomo
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
catetere
noun
1-2 scheikunde + elektronica
catodo
/ˌka.to.ˈlik/
adjective
  1. 1. overeenkomstig de geloofsleer van de Katholieke Kerk
  2. 2. te maken hebbend met de Katholieke Kerk
cattolico
noun
catione
/kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
cotone
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
carrucola
noun
  1. erba gatta
  2. erba gattaria
  3. gattàia
pronoun
1. gebergte
Caucaso
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
taccola
verb
masticare
noun
caviale
pronoun
1. een taal die van oorsprong door de Kazachen in Kazachstan gesproken werd
  1. cazacco
  2. kazako
/ˈka.zɑx.stɑn/, /ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
  1. Kazakistan
  2. Kazakstan
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
casula
pronoun
1. oudste zoon van Adam en Eva
Caino
/keːl/
noun
1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
gola
noun
1. pijnlijke irritatie van het slijmvlies in de keelholte, meestal door een ontsteking ervan
mal di gola
/keːp/
noun
2. kleurrijke vinkensoort
peppola
/ˈkipər/
noun
portiere
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
volta
noun
tropico
pronoun
1. stad in Namibië
Keetmanshoop
/ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
cono
noun
1. een kromme gevormd door het snijden van een kegel met een plat vlak
sezione conica
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
imperatore
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
imperatrice
adjective
imperiale
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
impero
noun
1. een ondergrondse bergruimte
  1. cantina
  2. scantinato
noun
calice
noun
cameriere
/kɛɫtən/
noun
2. Indo-Europees volk waarvan de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
Celti
/ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
Kenya
/ˈkɛnɪs/
noun
1. wat je weet of hebt geleerd
conoscenza
noun
  1. armatura
  2. scaglione
/ˈkɛpəl/
noun
1. hoofddeksel in de vorm van een ondiep bolsegment
papalina
noun
ceramica
/kɛrk/
noun
    1. 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
    2. 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
    1. Chiesa
    2. chiesa
  1. 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
    1. chiesa
    2. Chiesa
/ˈkɛrgœːl/, /ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
barbagianni
noun
1. energie geproduceerd door kernfusie of kernsplijting, waarmee in een kerncentrale elektriciteit wordt opgewekt
energia nucleare
noun
1. het proces waarbij twee atoomkernen botsen en één zwaardere kern vormen waarbij energie vrij komt
fusione nucleare
noun
reattore nucleare
noun
specerij
curry
adjective
giallo curry
noun
1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
ciliegia
noun
1. benaming voor bomen waaraan kleine ronde vruchten groeien, uit het ondergeslacht Prunus subg. Cerasus
ciliegio
/kɛr.ˈsta.vɔnt/, /kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
Vigilia di Natale
/ˈkɛrsd.bɑɫ/, /ˈkɛrz.bɑl/
noun
1. een bal die men als versiering ophangt aan de takken van een kerstboom
pallina di Natale
noun
messaggio di Natale
/ˈkɛrsd.bom/, /ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
albero di Natale
/ˈkɛr.stə.ˌnə(n)/
verb
2. heidense volkeren, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren; veelal in historische context
cristianizzare
/ˈkɛr.stə.ˌnɪŋ/
noun
1. het proces waarbij heidense volkeren zich, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren
cristianizzazione
/ˈkɛrs.lid/, /ˈkɛrst.lit/
noun
1. een op Kerstmis betrekking hebbend lied
  1. canto natalizio
  2. canto di natale
/ˈkɛrs(t)məs/, /ˈkɛrsmɪs/, /ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
Natale
/ˈkɛr.sto.ˌmat/
noun
1. een trostomaat zo groot als een kers
pomodorini a grappolo
/ˈkɛr.stɑl/, /ˈkɛr.stɑɫ/
noun
1. een voorstelling van de geboorte van Jezus met figuren van hout of gips, die vooral in katholieke gezinnen rond Kerstmis in huis te vinden is, vaak onder de kerstboom
  1. presepio
  2. presepe
/ˈkɛrstɛr/
noun
stella di Natale
noun
  1. 2. keukenkruid
  2. 1. plant
cerfoglio
noun
1. een saus op basis van tomaten
ketchup
noun
1. meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
caldaia
/ˈke.təl.dɑl/, /ˈke.təɫ.dɑɫ/, /ˈkeː.təl.dɑl/
noun
1. een half cirkelvormige vallei gevormd door de erosie die een gletsjer veroorzaakt
circo glaciale
noun
1. iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
eretico
/ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
eresia
noun
4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
collana
/ˈkøːkə(n)/
noun
  1. 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
  2. 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
cucina
noun
1. alle gebruiksvoorwerpen in de keuken
utensili da cucina
pronoun
Colonia
verb
1.zich een oordeel vormen over de waarde of deugdelijkheid van iets
esaminare
noun
elettore
/'kø:s/
noun
gelegenheid
scelta
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
scelta
/ˈkevər/, /ˈkɛvər/
noun
1. bepaald insect
scarabeo
/ˈkiːbɔː(r)d/, /ˈkiːbɔː(r)t/
noun
  1. 1. een elektronisch muziekinstrument met een toetsenbord
  2. 2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
tastiera
pronoun
1. taal die in Cambodja gesproken wordt
khmer
/ˈkɪbuts/
noun
kibbutz
/ˈkɪd.ˌnɑ.pər/, /ˈkɪt.ˌnɑ.pər/, /ˈkɪt.ˌnɛ.pər/
noun
1. iemand die mensen kidnapt of ontvoert
  1. rapitore
  2. sequestratore
noun
1.1 benaming voor roofvogels uit het geslacht Circus
albanella
noun
1. verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip
  1. chiglia
  2. carena
noun
1. spoor van waterstroom (achter een schip)
scia
noun
1. de wijze waarop de volksvertegenwoordiging bij verkiezingen wordt gekozen.
sistema elettorale
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiev
noun
pavoncella
adjective
grigio ghiaia
adjective
1. iemand niet gunnen dat die iets heeft dat men zelf wil hebben
invidioso
verb
guardare
noun
1. iemand die kijkt
veditore
noun
1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
rana
noun
1. legsel
uova di rana
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
cece
noun
1. fijn gemalen kikkererwten
farina di ceci
noun
1. kikker- of paddenlarve
girino
abbreviation
1. kilogram
  1. chilogrammo
  2. chilo
noun
1. duizend meter
chilometro
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
mento
noun
  1. 1. mens tussen 0 en 18 jaar
  2. 2. persoon voortkomend uit
  1. bambino
  2. figlio
noun
1. een arts die gespecialiseerd is in de behandeling van kinderen
pediatra
noun
filastrocca
noun
bambinaia
noun
1. kind dat deelneemt aan een gewapend conflict
bambino soldato
noun
chinino
/kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
  1. pertosse
  2. tosse canina
pronoun
1. officiële taal van Ruanda, behoort tot de Bantoe-talen
kinyarwanda
/kɪp/
noun
  1. 1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
    1. gallina
    2. pollo
    3. gallo
  2. 2. kippenvlees
    1. pollo
    2. carne di pollo
noun
hok voor kippen
pollaio
noun
1. orgaan dat een grote rol speelt in de stofwisseling van een hoen, na het slachten vaak gegeten als delicatesse
fegato di pollo
/ˈkɪpəvɛɫ/
noun
1. het verschijnsel waarbij als gevolg van kou de huid gaat kleine bubbeltjes vertoont
pelle d’oca
noun
grasso di pollo
pronoun
1. de taal die in Kirgizië gesproken wordt
  1. kirghiso
  2. chirghiso
/kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
Kirghizistan
/ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Kiribati
noun
1. schijnkunst die niet aanslaat met veel versieringen en/of de verkeerde materialen waarvan de meeste mensen denken dat het wansmaak is
kitsch
noun
  1. 2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
  2. 1. benaming voor vogels uit het geslacht Apteryx
kiwi
pronoun
Lamentazioni
noun
1. fijn net waaronder men slaapt om muggen buiten te houden
zanzariera
noun
1. in het algemeen wordt hiermee het totaal aan eigenschappen van een geluid aangeduid
suono
noun
fonetica
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
cliente
noun
scroccone
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
papavero
noun
1. een schaats die bij het langeafstandsschaatsen gebruikt wordt
  1. clap skate
  2. pattino ad incastro
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
clarinetto
noun
1. een soort trompet met een schelle klank
tromba militare
noun
1. een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
aula
noun
classe
/klʌu/
noun
  1. 1. poot van een roofdier
  2. 2. hand
artiglio
noun
martello da falegname
noun
1. toetsinstrument
clavicembalo
noun
trifoglio
noun
1.
vestito
/ˈmɑjsɛtmel/
noun
1. bindmiddel dat uit de korrels van kleefmais wordt gewonnen
amido di mais ceroso
noun
1. rijstsoort die veel zetmeel bevat
riso glutinoso
noun
guardaroba
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
sarto
noun
1. nachtvlindersoort waarvan de rupsen textiel eten
  1. tignola comune
  2. tignola dei crini
/klɛɪ̯/, /klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
  1. argilla
  2. creta
adjective
1. van geringe grootte
piccolo
noun
senecione comune
/ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
nipote
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Cane Minora
/ˈklɛːŋkɪnt/, /ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
nipote
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
nipote
noun
accento
/ˈkleː.rən/
noun
1. kleding of kledingstukken
abbigliamento
verb
2. praten, babbelen
chiacchierare
/kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
colore
verb
1. van kleur voorzien met potloden, stiften, wasko etc.
colorare
noun
matita colorata
noun
2. orgaan
ghiandola
noun
1. steile hoge rots
falesia
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
clima
noun
zona climatica
/klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
climatologia
verb
1. het bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
scalare
/'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
edera
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
klingon
/ˈklɪŋkər/
noun
1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
vocale
noun
1. een metalen verbinding tussen twee platen bestaande uit twee cilidrische delen die van weerszijden,...
  1. rivetto
  2. ribattino
noun
1. plant met kleverige bloemknoppen
  1. bardana
  2. lappa
noun
1., 2. plant met kleverige bloemknoppen
  1. bardana
  2. lappa
noun
  1. 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
    campana
  2. 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
    orologio
/klɔmp/
noun
1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
zoccolo
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
  1. canyon
  2. gola
/klon/
noun
1. een levend wezen dat een exacte genetische kopie is van een ander wezen
clone
/klostər/
noun
  1. 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
  2. 2. een kloostergemeenschap als zodanig
  1. monastero
  2. convento
noun
stronzo
verb
1. tegen iets slaan
bussare
noun
    1. 2. lachwekkend voorval
    2. 3. schijnvertoning
    farsa
  1. 1. toneelstuk
    1. farsa
    2. commedia
/klœʏs/, /klœːs/
noun
1. een tegen inbraak en brand beveiligde kist of kast
cassaforte
noun
1. tot een bol opgewonden draad
gomitolo
/ˈknaxdiːr/, /ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
roditore
verb
  1. mordicchiare
  2. rosicare
  3. rosicchiare
verb
1. met de tanden aanvreten
  1. rodere
  2. rosicchiare
verb
1. een hard geluid of knal geven
scoppiare
verb
1. een massa soepel maken door er steeds in te knijpen
impastare
noun
1. bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
fanello
noun
1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
ginocchio
noun
1.1. buiging als eerbetoon
genuflessione
noun
1. balletje van glas, marmer, steen, hout of klei
  1. biglia
  2. bilia
noun
1. teken in de vorm van het kort toeknijpen van een oog om verstandhouding of waardering uit te drukken
ammiccamento
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
aglio
noun
1. vingergewricht
nocca
verb
1. vechten
  1. lottare
  2. azzuffarsi
  3. battersi
noun
1. verdikte plantenwortel.
tubero
noun
rapa
noun
sedano rapa
noun
  1. 3. aan een jas e.d.
    bottone
    1. 1. in een draad
    2. 2. snelheidsmaat
    nodo
noun
1. spleet die in een stuk stof is gemaakt zodat een ander stuk stof daaraan kan worden vastgemaakt
  1. occhiello
  2. asola
verb
1. een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
legare
noun
  1. 2. speelgoed
    1. animale di peluche
    2. peluche
  2. 1. omhelzing
    1. coccola
    2. abbraccio
    3. carezza
verb
1. omhelzen
coccolare
noun
1. een Australisch buideldier
koala
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
cobalto
adjective
blu cobalto
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
ragno
noun
1. Ursus arctos middendorffi, de grootste beer en het grootste bekende landroofdier
orso Kodiak
noun
1. vrouwelijk rund
  1. vacca
  2. mucca
/[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
biscotto
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
  1. cuculo
  2. cucù
  3. cuccù
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
frigorifero
noun
1. koelvloeistof
liquido refrigerante
noun
  1. 2. een ruimtelijke figuur, veelvlak
  2. 1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
cupola
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
curdo
noun
1. de uitgezette koers die een vliegtuig / vaartuig zou moeten volgen
vestito
noun
1. overdekte ruimte waarin koeien kunnen verblijven
vaccheria
noun
1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
carrozza
/ˈkuwɛɪ̯t/, /ˈkuʋɛɪ̯t/, /ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
Kuwait
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
valigia
noun
1. samensmelting van twee of meer bestaande woorden
parola macedonia
noun
1. drank uit koffiebonen
  1. caffè
  2. pianta del caffè
noun
misto
noun
1. sterk geconcentreerd aftreksel van koffie
estratto di caffè
noun
1. het donkere bezinksel van gemalen koffiebonen dat overblijft na het zetten van koffie
  1. fondi di caffè
  2. fondo di caffè
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
caffetteria
noun
1. een huishoudelijk apparaat waarin koffiebonen kunnen worden gemalen
macinacaffè
noun
coffea
noun
  1. 3. metalen bal gebruikt bij kogelstaten
    pallottola
  2. 1-2. munitie
    1. pallottola
    2. proiettile
noun
  1. cuoco
  2. cuoca
verb
  1. 1. vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
    bollire
  2. 2. met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
    cucinare
/ˈko.kɔsˌbom/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
palma da cocco
/'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
noce di cocco
/ˈko.kɔsˌpɑlm/, /ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
palma da cocco
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
colibrì
noun
colonna
verb
1. koloniën vormen
colonizzare
adjective
colossale
pronoun
Colossesi
noun
1. eetgerei zoals een bord, maar dan dieper
ciotola
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
cometa
verb
  1. 1. bewegen van verder weg naar dichterbij
  2. 2. een orgasme hebben
venire
pronoun
1. macrotaal die door 220 duizend mensen in Rusland gesproken wordt
komi
noun
plant, zaden en specerij
  1. cumino
  2. cumino romano
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
grano di cumino
/kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
cetriolo
/ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
virgola
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
bussola
pronoun
Stato Libero del Congo
/kɔˈnɛɪn/, /kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
coniglio
/ˈkonɪŋ/, /ˈkoːnɪŋ/
noun
  1. 1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
  2. 2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
re
pronoun
Re
/konɪˈŋɣɪn/, /konɪˈŋɪn/, /koʊnɪˈŋɪn/
noun
regina
noun
1. een bewuste moord op een koning.
regicidio
/ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
reale
/ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
  1. regno
  2. reame
noun
1. de billen, het achterwerk
culo
noun
1.
convoglio
/koːɪ/
noun
  1. 4. slaapplaats op een schip
    cuccetta
  2. 1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
    gabbia
noun
boek waaruit men leert koken
  1. ricettario
  2. libro di cucina
noun
cucina
noun
  1. 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
    carbone
  2. 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
    cavolo
noun
1. een bepaald type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
  1. glicido
  2. glucido
  3. carboidrato
noun
cinciallegra
noun
  1. navone
  2. ravizzone
noun
  1. cavola rapa
  2. cavolo rapa
/ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
carbonio
noun
1. bepaald soort vis met donker gekleurde mondholte en rug die voorkomt in het hoge noorden van de Atlantische Oceaan, Pollachius virens
  1. merluzzo carbonaro
  2. merluzzo nero
/kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
idrocarburo
adjective
giallo navone
/'kolzyr/
noun
1. H₂CO₃
acido carbonico
noun
1. de hoeveelheid goederen of diensten die gekocht kan worden met een bepaald geldbedrag
potere d'acquisto
noun
1. een groep mensen die samen zingen
  1. coro
  2. corale
noun
1. rechte tussen twee cirkelpunten
corda
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
febbre
adjective
kasher
noun
1. beentje van vinger of teen
falange
noun
  1. 9. zijde van een geldstuk met een afgebeeld hoofd
  2. 1. hoofd van een dier
  3. 2. hoofd van een mens
testa
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
  1. comprare
  2. acquistare
pronoun
1.
Copenaghen
noun
  1. 1. persoon die koopt
    compratore
  2. 2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
    rame
adjective
marrone rame
noun
1. een afschrift of andere reproductie van een document of ander voorwerp
copia
/kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
  1. 1. een duplicaat maken van
    copiare
  2. 2. imiteren
    imitare
/ˈkɔplɑmp/
noun
1. een witte of gele lamp aan de voorzijde van een voertuig
fanale
noun
1. een constructie die in een motor of voertuig mechanische krachten op een te onderbreken wijze overbrengt
frizione
noun
1. een werkwoord dat een eigenschap koppelt aan het onderwerp
copula
/ˈkɔpəx/, /ˈkɔpəç/
adjective
1. vasthoudend aan eigen wil of inzicht
testardo
noun
1. stel van twee kleine luidsprekers die men tegen of in de oren plaatst
  1. auricolare
  2. cuffia
noun
1. skelet van de koraalpoliep
  1. corrallo
  2. corallo
adjective
rosso corallo
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
Corano
adjective
1. vastbesloten, vastberaden
deciso
/koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Corea
/koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
coreano
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
coriandolo
/korijɑndərblɑt/
noun
1. (gedroogd) blad van Coriandrum sativum
foglie di coriandolo
noun
1. gemalen gedroogde zaden van Coriandrum sativum
polvere di coriandolo
/korijɑndərzaːt/
noun
1. gedroogde zaden van Coriandrum sativum
seme di coriandolo
pronoun
Corinzi
noun
corniolo
noun
corsetto
/kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
crosta
noun
lichene
adverb
  1. 2. van geringe lengte
  2. 1. van geringe duur
  1. corto
  2. breve
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
sconto
noun
corindone
noun
cosmologia
noun
cosmonauta
noun
1. het gehele tijd-ruimte continuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
cosmo
/ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
  1. Cossovo
  2. Kossovo
  3. Kosovo
adjective
caro
verb
1. als te betalen prijs hebben
costare
noun
1. kerkelijke bediende, die met de zorg van het kerkgebouw, en het vlot verloop van de kerkdiensten belast is
  1. sagrestano
  2. sagrestana
/kotəˈlɛt/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
costoletta
noun
cutter
/kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
freddo
/ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
freddo
/kaʊ̯s/, /kɔʊ̯s/, /kʌʊ̯s/
noun
1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
calza
noun
2. extreem lange peulvrucht
fagiolo asparagio
noun
1. zoon van oom of tante
cugino
/kraɪ̯/, /kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
  1. cornacchia
  2. corvo
/ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
cartilagine
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
gru
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
granchio
verb
1. met de nagels bewerken
  1. grattare
  2. raschiare
noun
1. vermogen om iets te verrichten
forza
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Cracovia
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
crampo
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
  1. giornale
  2. quotidiano
/'krɑntəpaˌpir/
noun
1. een soort papier zoals waarop de kranten gedrukt worden
carta da giornale
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
Cancro
/kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
  1. aragosta
  2. astice
  3. gambero (di mare)
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
Tropico del Cancro
noun
1. Gryllidae
grillo
noun
  1. 3. zitvlak
    1. sedere
    2. deretano
    3. didietro
  2. 2. gierigaard
    1. taccagno
    2. spilorcia
    3. spilorcio
    4. taccagna
    5. tirchia
    6. tirchio
  3. 1. druif
    uva passa
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
Creta
noun
1.laag stuikgewas waarbij de takken van de boompjes door elkaar heen groeien
sottobosco
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
guerriero
noun
signore della guerra
noun
1. een olifant die vroeger tijdens op het land uitgevochten oorlogen werd ingezet als strijddier
elefante da guerra
noun
  1. 1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
    1. creta
    2. gesso
  2. 2. schrijfmateriaal uit dat materiaal vervaardigd
    gesso
/krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Crimea
pronoun
1. een van de Turkse talen, gesproken door ongeveer een half miljoen mensen, oorspronkelijk van de Krim afkomstig, maar door een deportatie in 1944, nu vooral in Oezbekistan en Kirgizië, maar ook in Moldavië, Roemenië en Turkije gesproken
tataro di Crimea
noun
  1. 1. een ronde figuur zoals een cirkel
    cerchio
  2. 2. een gemeenschap van mensen
    circolo
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
cristallo
verb
1. ordeningsproces
cristallizzare
noun
radio a galena
noun
zucchero in grani
noun
  1. 1. uitingen waarmee bepaald gedrag, een bepaalde zienswijze e.d. van anderen worden veroordeeld of in twijfel getrokken
  2. 2. een document dat kunstzinnig commentaar levert op een optreden, tentoonstelling, boek , film of andere kunstuiting
critica
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
adjective
croato
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
croato
/kroˈwatsi.jə/, /kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
Croazia
/krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
  1. béttola
  2. osteria
noun
1. een rol ragout die gepaneerd en gefrituurd wordt
crocchetta
/krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
coccodrillo
/kroko'dɪlwɑxtər/
noun
1.
guardiano dei coccodrilli
noun
1. irisachtige lentebloem
croco
noun
1. kromhoorn
cromorno
verb
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
incoronare
noun
Croniche
/ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
  1. incoronazione
  2. coronazione
noun
1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
corona
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva var. latifolia
indivia scarola
noun
1. slaplant waarvan de bladeren een vaste krop vormen
lattuga cappuccina
/krœʏ̯t/, /krœːd/, /krœːt/
noun
erba
verb
1. specerij bij een gerecht doen
  1. condire
  2. insaporire
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
chiodo di garofano
noun
  1. 1. geometrisch figuur
  2. 4. symbool
croce
noun
1. Ribes uva-crispa
uva spina
/ˈkrœʏsər/
noun
  1. 1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
  2. 2. een type jacht
incrociatore
noun
1. een door een blok hout verschuifbare liniaal, die is voorzien van een ijzeren punt
  1. graffietto
  2. truschino
verb
1. een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt
crocifiggere
noun
  1. crocefissione
  2. crocifissione
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
incrocio
noun
1. ondernemingen van de westerse christenen tussen 1095 en 1271 in Palestina
crociata
noun
1.
crociato
noun
via crucis
noun
  1. cruciverba
  2. parole crociate
noun
1. kruiswoordpuzzel
  1. parole crociate
  2. cruciverba
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
carriola
noun
2. hulpmiddel bij het lopen
  1. stampella
  2. gruccia
noun
1. een element in de vorm van een kruis met zijbalken aan ieder eind
croce potenziata
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva
indivia riccia
/ˈkrʏɫsla/
noun
1. slaplant met gekrulde bladeren
insalata riccia
/ˈkrʏl.spɛlt/
noun
1. hulpmiddel waarom je een haarlok kunt wikkelen om krullen te maken in stijlhaar
bigodino
noun
arricciacapelli
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
  1. kripton
  2. cripto
  3. kripto
/kup/
noun
1. Zweeds buitenspel
kubb
noun
1. 20-eeuwse stroming binnen de beeldende kunst waarin de werkelijkheid op een sterk vereenvoudigde manier wordt weergegeven
cubismo
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
cubo
/ˈkœʏ̯kə(n)/, /ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
pulcino
adjective
casto
noun
  1. 1. deel van het been
    polpaccio
  2. 2. visseneitjes
    uova
/kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
  1. chicchirichí
  2. chicchirichì
noun
1. en 2. (citrusvrucht van) plant Citrus japonica
  1. kumquat
  2. mandarino cinese
verb
1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
potere
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
arte
noun
1. iemand die zijn creatieve talenten gebruikt om kunst te maken
artista
adjective
1. door menselijk, moedwillig ingrijpen tot stand gekomen
artificiale
noun
1. sport waarbij individuelen, paren en groepen schaatsers rotaties, sprongen en andere bewegingen op het ijs maken, die vaak met muziek wordt uitgevoerd
pattinaggio di figura
noun
1. een schilderes van kunstwerken
pittrice
/ˈkʏns.tal/, /ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
lingua artificiale
/kʌnstwɛrk/
noun
1. resultaat van een inspanning om iets te maken dat bijzonder mooi of indringend is
opera d'arte
/kʏrk/
noun
  1. 1. afdichting voor flessen, gemaakt uit de veerkrachtige schors van een bepaalde boomsoort, Quercus suber
    1. tappo
    2. turacciolo
  2. 1. licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
    sughero
/kʏr.kɛi̯k/, /kʏr.kɛːk/, /kʏrk.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus suber; een boom uit de napjesdragersfamilie
sughera
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
cavatappi
noun
plant en specerij
  1. curcuma
  2. turmerico
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
bacio
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
  1. cuscino
  2. guanciale
verb
1. een kus geven
baciare
/'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
costa
noun
1. kustgebied
litorale
/kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
fica
noun
1. een behandeling ter genezing van een ziekte of een ongezonde situatie (zoals een verslaving)
cura
/kʋɑp/
noun
2. een gedeelte van lever, longen of hersenen
lobo
noun
1. langwerpige, op de bodem levende zoetwatervis, Lota lota
bottatrice
/kʋɑk/
noun
2. bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax
nitticora
/kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
medusa
noun
2. eigenschap
qualità
noun
quantità
noun
vorm van onkraakbare beveiliging voor elektronische communicatie
crittografia quantistica
noun
getal dat in de kwantummechanica wordt gebruikt voor het beschrijven van de eigenschappen van bepaalde deeltjes
numero quantico
noun
1. studie en beschrijving van het gedrag van de kleinste deeltjes
meccanica quantistica
noun
een kwart van een kalenderjaar
trimestre
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
  1. quaglia
  2. quaglia comune
noun
1. bepaald soort vogel, Crex crex
  1. re di quaglie
  2. gallinella terrestre
noun
1. een groep van vier muzikanten
quartetto
noun
1.
semiminima
noun
1.
pausa di semiminima
noun
een vorm van siliciumdioxide
quarzo
adjective
grigio quarzo
/ˈkwe.peːr/, /ˈkʋe.pɪːr/, /ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
  1. mela cotogna
  2. cotogna
adjective
1. weinig beschermd tegen beschadiging
vulnerabile
noun
remissione di debito
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
mercurio
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Motacilla en Dendronanthus
  1. ballerina
  2. cutrettola
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
argento vivo
verb
1. druk met de staart zwaaien.
  1. agitare
  2. dimenare
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiev
pronoun
La Mancia
pronoun
La Rioja
/lax/
adjective
    1. 2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
    2. 3. geluid met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
    3. 4. met een beperkt aanzien
    basso
  1. 1. niet ver boven iets anders zijn
    1. basso
    2. bassa
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
viale
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
stivale
adjective
  1. 1. na het voorziene ogenblik
    1. in ritardo
    2. tardivo
  2. 2. 's avonds, 's nachts
    1. tardo
    2. tardi
adjective
1. overtreffende trap van laat
ultimo
noun
1. laatste kwartier
ultimo quarto
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
laboratorio
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
labirinto
/lɑ.ˈka.zə/
noun
1. een enzym dat met behulp van koperionen andere stoffen kan oxideren
laccasi
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
ridere
noun
1. iets dat ontbreekt
lacuna
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
scala
noun
autoscala
pronoun
1. Romaanse taal gesproken door 35 duizend mensen in Italië en de Verenigde Staten
ladino
pronoun
1. op het Castiliaans gebaseerde taal van nakomelingen van Sefardische joden
giudaico-spagnolo
noun
1. beschadiging van het weefsel in een organisme
lesione
/lɑf/
adjective
1. een gebrek aan moed tonend
  1. vigliacco
  2. codardo
/ˈlɑfɦɛit/
noun
1. de neiging keuzes te maken die van weinig moed getuigen
codardia
noun
1. ondiep meer
laguna
pronoun
1. stad in Pakistan
Lahore
noun
1. stof die een dunne beschermlaag vormt nadat ze opgelost in een vluchtig oplosmiddel...
lacca
/ˈlakə(n)/
noun
2. een rechthoekig stuk stof dat ter bedekking dient, m.n. bij het slapen
lenzuolo
noun
1. jong van het schaap
agnello
noun
1. soort Zuid-Amerikaans eeltpotig zoogdier Lama glama
lama
/lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
lampada
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
paralume
noun
1. lont van een olie- of gaslamp
lucignolo
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Petromyzontidae
lampreda
noun
  1. 4. niet verstedelijkt gebied
    1. campagna
    2. paese
  2. 3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
    1. paese
    2. terra
    1. 1. gedeelte van het aardoppervlak dat boven water uitsteekt
    2. 2. dat deel van de aardbodem dat geschikt is voor bebouwing...
    terra
/ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
agricoltura
/lɑntbɑuwər/
noun
1. iemand die met landbouw of/en veeteelt zijn geld verdient
  1. contadino
  2. agricoltore
verb
1. vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
atterrare
noun
1. iemand uit hetzelfde land
compatriota
noun
2. vlucht van vliegtuigen...
atterraggio
noun
paesaggio
noun
1. schildpad uit de familie Testudinidae
tartaruga
noun
1. smalle strook land die zich in zee of meer uitstrekt
capo
adjective
1. van grote duur
lungo
noun
1. een manier van voortbewegen op latten door de sneeuw
sci di fondo
noun
1.
aragosta
noun
1. benaming voor muggen met opvallend lange broze poten, die de familie Tipulidae vormen
tipula
/ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
  1. lento
  2. melenso
adverb
piano piano
noun
1. Chemisch element
lantanio
/ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
Laos
pronoun
1. een taal die in Laos gesproken wordt
laotiano
noun
1. een stuk van iets
toppa
noun
1. kleine draagbare computer
  1. portatile
  2. computer portatile
  3. laptop
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
larva
noun
1. Bovenste deel van de luchtpijp
laringe
noun
lasagna
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
laser
verb
1. door plaatselijke sterke verhitting van de voeg twee metalen voorwerpen met elkaar verbinden
  1. saldare
  2. sanguinare
noun
1. een gedomesticeerd dier dat men gebruikt om vracht te vervoeren
  1. animale da fatica
  2. animale da soma
noun
2. gever van een lastgeving
mandante
noun
1. opdrachtovereenkomst met verplichting tot handelen in eigen of andermans naam
mandato
/ˈlɑs.təx.fɑ.lə(n)/, /ˈlɑs.təχ.fɑ.lə(n)/, /ˈlɑs.tɪɣ.vɑ.lə(n)/
verb
  1. 1. op hinderlijke wijze iemands aandacht opeisen, storen, hinderen in iemands concentratie of bezigheden
    disturbare
  2. 2. op vervelende wijze iemands aandacht trekken door na te roepen, dreigende of obscene gebaren te maken e.d.
    molestare
adjective
1. sluimerend
latente
/'la.tɛks/
noun
lattice
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
  1. latino
  2. lingua latina
pronoun
America latina
pronoun
1.
Lazio
noun
boom en kruid
  1. alloro
  2. lauro
  3. laurier
pronoun
1.
Losanna
/laʊ̯/, /lʌʊ̯/, /lʌː/
adjective
1. een temperatuuraanduiding die tussen warm en koud ligt
tiepido
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
lava
noun
1. meubel of plaats in een gebouw met voorzieningen om zich te wassen
lavabo
noun
1. koepelvormige structuur die ontstaat als lava die rijk is aan silica naar buiten treedt uit de barsten en spleten van een groeiende kussenachtige structuur
duomo di lava
noun
1. bepaald kruid, Levisticum officinale, dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
sedano di monte
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
lavanda
/la'ʋaj/
noun
1. luid en storend geluid
rumore
/la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
  1. valanga
  2. slavina
noun
1. Chemisch element
laurenzio
noun
1. de vierde maag van een herkauwer, zoals een rund
abomaso
noun
1. dialect dat in Lecce wordt gesproken
leccese
/ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
arto
noun
1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
età
noun
1.
coetaneo
noun
1. middelen tot levensonderhoud, proviand
vettovaglie
/lex/
adjective
1. zonder inhoud
  1. vuoto
  2. vuota
/lek/
noun
1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
  1. laico
  2. profano
/lem/, /leɪm/
noun
1. kleihoudende grondsoort
terra grassa
adjective
marrone fango
/len/
noun
1. leengoed; vastgoed dat door de heer aan zijn vazal ten gebruike werd afgestaan
feudo
/ˈlenvərˌtalɪŋ/
noun
1. woord dat aan een vreemde taal is ontleend in letterlijke vertaling en analoge constructie
calco
/ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
  1. prestito
  2. forestierismo
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
libro di testo
noun
1.
apprendista
noun
2. rubberen opzetstuk tussen pijpstukken
guarnizione
noun
1. een bril die op leesafstand een scherp beeld geeft
occhiali da lettura
noun
1. conventioneel symbool in interpunctie
  1. segno d'interpunzione
  2. segno di punteggiatura
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
Leone
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
leone
noun
parte del leone
noun
  1. allodola
  2. lodola
noun
1. vrouwtje van de leeuw
leonessa
adjective
branie, moed
  1. fegato
  2. coraggio
adjective
1. wettig, rechtmatig
legale
noun
1. testamentaire beschikking
  1. legato
  2. lascito
/ˈleːɣər/, /ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
  1. esercito
  2. armata
noun
1. Metaalverbinding van twee of meer elementen
lega
/ˌleɣyˈwan/
noun
1. hagedis
iguana
noun
  1. 2. schrijflei
    lavagnetta
  2. 3. daklei
    tegola d'ardesia
pronoun
Leida
noun
leitmotiv
adjective
grigio ardesia
noun
  1. 1. blauwgrijs gesteente
    1. ardesia
    2. lavagna
  2. 2. een plat stuk van dit gesteente
    lastra di lavagna
adjective
1. vloeistof of gas doorlatend
perdente
noun
1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
  1. falla
  2. perdita
adjective
1. aangenaam van smaak
  1. deliziosa
  2. delizioso
noun
giglio
/le.li.tʲə.vɑn.da.ləⁿ/
noun
1. bepaald soort kleine tot 30 centimeter hoge vaste plant, Convallaria majalis
mughetto
/ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
  1. brutto
  2. brutta
noun
3. een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen
lemma
noun
1. een knaagdier dat vooral in het hoge noorden op de toendra's voorkomt
  1. lemming
  2. lemmo
noun
1. laagste deel van de rug voor het kruis
vita
verb
1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
prendere in prestito
noun
  1. 1. ontlener, leningnemer
    1. mutuatario
    2. comodatario
  2. 2. uitlener, leninggever
    prestatore
noun
1. kabeljauwachtige zoutwatervis, Molva molva
molva
/ˈlɛ.ŋə(n)/
verb
3. langer worden
allungarsi
/ˈlɛŋktə/
noun
  1. 1. afmeting van een voorwerp
  2. 2. tijdsduur
lunghezza
noun
prestito
noun
1. een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
lente
noun
1. seizoen
primavera
pronoun
. spelwoord voor de letter l
Livorno
noun
1.
leonese
/ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
cucchiaio
noun
1. een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
  1. spatola bianca
  2. spatola
noun
lebbra
/ˈleːrə/, /ˈlɪːrə/
verb
  1. 1. kennis of vaardigheid verwerven
    1. imparare
    2. apprendere
  2. 2. kennis of vaardigheid doen verwerven
    insegnare
/lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
lezione
/le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
Lesotho
/ˈlɛtlɑnd/, /ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
Lettonia
/lɛts/
adjective
1. betreffende Letland
lettone
/lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
lettone
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
lettera
/ˈlɛtərˌxrep/, /ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
sillaba
/ˈløːɣən/, /ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
  1. bugia
  2. menzogna
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
  1. bugiardo
  2. mentitore
noun
1. bloedkanker
leucemia
/ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
Lovanio
/'levən/
noun
  1. 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
  2. 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
vita
/'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
vivere
noun
1.
lucertola vivipara
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
fegato
/ˈlevərˌblumpʲə/
noun
1. Hepatica nobilis, een plant uit de ranonkelfamilie
  1. erba trinità
  2. Hepatica nobilis
  3. anemone epatica
noun
olio di fegato di merluzzo
pronoun
Levitico
noun
lessema
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
leggere
/ˈli.ba.nɔn/, /ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
Libano
/li.ˈbɛl/, /li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
libellula
noun
liberalità
/li.'beː.ri.ja/, /li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
Liberia
/ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
Libia
noun
1.de gangbare benaming voor het tekstboekje van een opera, operette, ballet of musical
libretto
noun
    1. 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
    2. 2. een instantie
    corpo
  1. 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
    1. corpo
    2. salma
noun
linguaggio del corpo
adjective
  1. 1. helder van kleur
    1. chiaro
    2. chiara
    1. 2. van een gewicht
    2. Vertalingen: na te kijken en onderverdelen per verklaring
    3. 3. van een gerecht
    leggero
noun
  1. 1. Elektromagnetische golven
  2. 2. lichtbron
luce
adjective
avorio chiaro
adjective
1. een lichte oranje kleur die naar rood zweemt
rosso arancio chiaro
adjective
azzurro
adjective
grigio luce
adjective
verde chiaro
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
anno luce
adjective
rosa chiaro
noun
1. de snelheid waarmee het licht zich voortplant in het luchtledige (ongeveer 299792 km/s)
velocità della luce
noun
inquinamento luminoso
noun
1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
  1. membro
  2. iscritto
noun
1. de status van iemand als lid van een organisatie
appartenenza
noun
1. een staat die toegetreden is tot een inter- of supranationale organisatie
stato membro
noun
articolo
/ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
Liechtenstein
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
  1. canzone
  2. canto
noun
1.het geven van hulp
  1. carità
  2. beneficenza
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
amore
noun
1. brief waarin men zijn liefde betuigt
lettera d'amore
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
amare
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
mentire
/lir/
noun
  1. 2. een werktuig om te hijsen, trekken of slepen
    argano
  2. 1. een Grieks snaarinstrument
    lira
noun
1. anatomie
inguine
noun
1.
ernia inguinale
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
coccinella
/ˌlivə'vraʊ̯wəˌbɛtstro/, /ˌlivəˌvrɔʊ̯β̞ə'bɛtstro/, /ˌlivəˌvrʌʊ̯β̞ə'bɛtstro/
noun
1.
  1. stellina odorosa
  2. asperula
  3. asperula odorata
  4. caglio odoroso
noun
1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
ascensore
noun
1. opwaartse kracht
portanza
noun
bicicletta reclinata
verb
1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
giacere
noun
1. de wijze waarop iets of iemand gelegen is
posizione
noun
1. een stoel waarin men gemakkelijk kan liggen
sdraio
pronoun
Liguria
noun
1. olijfachtige heester veel gebruikt voor het maken van heggen
ligustro
verb
1. smart en ellende ondergaan
soffrire
phraseologicalUnit
1. zinsdeel waarop de actie die wordt uitgedrukt door een overgankelijk werkwoord rechtstreeks van toepassing is
complemento diretto
noun
1. het stelsel vormen van een werkwoord dat aangeeft dat het onderwerp...
diatesi passiva
pronoun
1. een Finoegrische taal die in Estland en Letland gesproken wordt
  1. livonio
  2. livone
noun
1. levenslange rente
vitalizio
noun
1. een spreuk waarnaar iemand zijn leven inricht
motto
noun
1. een straf waarbij iemand lijfelijk pijn gedaan wordt
  1. pena corporale
  2. punizione corporale
noun
1. dood lichaam
  1. cadavere
  2. salma
/lɛikə(n)hœys/
noun
1. een plaats waar lijken tijdelijk opgebaard liggen
camera mortuaria
noun
1. een voortuig ingericht om een stoffelijk overschot te vervoeren
carro funebre
noun
1. plakmiddel
colla
/ˈlɛɪnzat/
noun
1.
seme di lino
/lɛist/
noun
1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
lista
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
tordo
noun
1. geslacht van loofbomen, Sorbus
sorbo
noun
1. een drank bereid met gestookte alcohol, aangevuld met smaakstoffen en veelal ook suiker
liquore
verb
1. met de tong aanraken
leccare
noun
1. lichte tint van paars
lilla
noun
1. en 2. (zaden van) plant Phaseolus lunatus
fagiolo di Lima
/ˈlɪm.bʏrx/, /ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
  1. 1. provincie in het zuidoosten van Nederland
  2. 2. een provincie in België
Limburgo
/ˈlɪm.bʏrxs/, /ˈlɪm.bʏrχs/
pronoun
1. verzamelnaam van een reeks variëteiten van de Germaanse taalfamilie
limburghese
noun
1. Een citrusvrucht
  1. limetta
  2. lima
noun
1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
limonata
/ˈlɪndə/
noun
loofboom
tiglio
noun
1. beoefenaar van de taalkunde
linguista
/ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
righello
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
  1. sinistro
  2. a sinistra
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
mancino
noun
1. een platte worm die parasiteert in de darm bij mens en dier
  1. tenia
  2. verme solitario
noun
sega a nastro
noun
1. anatomie
labbro
/liˈpidə/
noun
1. vetten en vetachtige stoffen die in de biochemie een belangrijke rol spelen
lipide
noun
  1. 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
  2. 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
rossetto
noun
1. Typha
  1. stiancia
  2. tifa
pronoun
1.
Lisbona
/litər/
noun
1. een inhoudsmaat voor voornamelijk vloeistoffen en gassen
litro
noun
  1. 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
  2. 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
letteratura
/ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
litio
noun
litografia
noun
litote
/liˈtaʊ̯.wə(n)/, /liˈtɑuwə(n)/, /liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
Lituania
/liˈtaʊ̯.wər/, /ˈlitɔʊ̯.β̞ər/, /ˈlitʌʊ̯.β̞ər/
noun
1. inwoner van Litouwen
lituano
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
  1. lituano
  2. lingua lituana
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
liturgia
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
livermorio
noun
lobotomia
noun
1. officiële instructie waardoor mensen of informatie een plaats of gebied niet mogen verlaten of binnenkomen
  1. confinamento
  2. misure di confinamento
pronoun
  1. 2. spelwoord voor de letter l
    1. Livorno
    2. Luigi
  2. 1. eigennaam van Frankische herkomst
    1. Luigi
    2. Ludovico
/ˈlu.jə(n)/
verb
1. een langgerekt klagend geluid voortbrengen
muggire
noun
lente di ingrandimento
noun
zibetto delle palme comune
noun
  1. 1. prijzen
    1. elogio
    2. lode
  2. 2. groente
    1. insalata belga
    2. radicchio
noun
1. de exponent van de macht waartoe een gegeven getal verheven moet worden om een ander getal te krijgen
logaritmo
noun
logica
adjective
logistica
noun
1. beeldmerk, logogram, naambeeld
  1. logo
  2. logotipo
/lɔk/
noun
1. haarlok, pluk haar
ricciolo
noun
1. plaatsbepaling
localizzazione
/ˈlɔlɪ/
noun
snoepje
lecca-lecca
pronoun
Lombardia
/ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
Londra
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
polmone
/'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
polmonite
noun
1. bloedvat dat vanuit de rechter hartkamer naar de longen gaat
arteria pulmonare
noun
1. koord voor ontsteking
miccia
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
piombo
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
idraulico
/lo:f/
noun
fogliame
noun
  1. 2. bladverliezend boom
    caducifoglia
  2. 1. gebladerde boom
    latifoglia
adjective
verde foglia
/loːx/
noun
een alkalische substantie
liscivia
adjective
van groot gewicht
pesante
/loːp/
noun
voorste deel van een wapen
canna
/ˈlopχraf/
noun
1. een uitgegraven geul, diep en breed genoeg dat men er in kan lopen...
trincea
verb
1. stappen, gaan
  1. camminare
  2. andare a piedi
noun
  1. 4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
    alfiere
  2. 2. sleutel waarmee een hele serie verschillende sloten geopend kan worden
    chiave uiversale
noun
  1. 2. de oranje vrucht van de Eriobotrya japonica
    nespola del Giappone
  2. 1. een fruitboom van de rozenfamilie
    nespolo del Giappone
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
riscatto
pronoun
Lorena
pronoun
1. meisjesnaam
Luisa
pronoun
1.
Louisiana
noun
1. het geheel van bladeren van een of meer bomen
fogliame
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Luca
/lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
aria
noun
mongolfiera
noun
fotografie vanuit de lucht
fotografia aerea
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
aeroporto
noun
1. een vaartuig dat zowel over water als over land op een luchtkussen voortzweeft.
hovercraft
/ˈlʏxmɑxt/, /ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
forza aerea
noun
trachea
noun
1. verkeer in de lucht
aviazione
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
fiammifero
adjective
1. door de geslachtsziekte lues veroorzaakt
luetico
/lœʏ/, /lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
pigro
noun
2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
bradipo
noun
altoparlante
noun
pannolino
noun
1. het ontbreken van de wil iets te doen
pigrizia
/lœʏ̯k/, /lœːk/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Liegi
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
leopardo
/lœʏ̯s/, /lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
pidocchio
/'lœstərə(n)/
verb
1. gericht waarnemen met het oor
ascoltare
noun
1. luit
liuto
noun
1. luitist
liutista
/ˈlykɑs/
pronoun
Luca
noun
  1. 2. scheldwoord voor een man
    cazzo
  2. 1. geslachtsdeel van de man
    coglione
verb
1. de lunch gebruiken
pranzare
noun
1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
  1. lupini
  2. lupino
noun
1. tot meel vermalen zaden van de plant Lupinus
farina di lupino
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
lutezio
/lyks/
noun
1. niet alledaagse dingen die gebruikt worden voor het persoonlijk genot
lusso
/ˈlyksəmˌbʏrx/, /ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
Lussemburgo
adjective
lussuoso
pronoun
Leopoli
noun
linfagite
adjective
1.
linfatico
adjective
1. met betrekking tot de witte bloedlichaampjes
linfocitico
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
lince
pronoun
1.
Lione
adjective
lirico
/maːx/
noun
1. Orgaan
stomaco
noun
1. het kanaal
apparato gastrointestinale
pronoun
  1. 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
  2. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  3. 3. de moeder van Jesus
Vergine
/maːxt/, /maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
vergine
pronoun
Isole Vergini
/ˈmaɪ̯ə(n)/
verb
1. met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
falciare
/ma:l/
verb
1 1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
volta
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
pasto
/maːn/
noun
  1. luna
  2. satellite
/maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
mese
/ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
lunedì
noun
allunaggio
noun
  1. semi di papavero
  2. seme di papavero
/maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
  1. ma
  2. però
noun
maresciallo
/maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
marzo
/mas/
pronoun
1. een rivier die onspringt in Frankrijk en door België en Nederland stroomt
Mosa
/mas.ˈtrɪxt/, /mas.ˈtrɪχt/, /məs.ˈtreːx/
pronoun
1. een stad en gemeente in de Nederlandse provincie Limburg, tevens de hoofdstad hiervan
Maastricht
/maːt/
noun
3. eenheid van lengte enz.
misura
noun
1. een glas met maatverdelingen
recipiente graduato
noun
1. een glazen kolf met een geijkte maatstreep voor het nauwkeurig bepalen van een volume vloeistof
matraccio
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
  1. misura
  2. provvedimento
pronoun
1. een stad op een eiland aan de zuidkust van China, ten westen van Hong Kong
Macao
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
macedone
/ˌmasəˈdoni.jə/, /ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
  1. 3. land
  2. 1. historisch Grieks koninkrijk
  3. 2. regio in Griekenland
Macedonia
/mɑˈʃinə/
noun
macchina
noun
1. het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
potere
noun
1.het gebruiken van macht voor doeleinden waarvoor het niet bedoeld is
  1. abuso di potere
  2. prepotenza
  3. sopruso
/ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Madagascar
noun
1. Pootloze larve
  1. verme
  2. baco
noun
1. Bellis perennis
pratolina
pronoun
Madrid
noun
1. muzikale stroming uit de 16e eeuw, waarbij het door middel van toonschilderingen uitbeelden van woorden en tekst centraal staat
madrigalismo
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
mafia
/ˈmafis/
adjective
1. arm aan silica of silicahoudende mineralen
  1. femico
  2. mafico
noun
1. kleur tussen rood en blauw
magenta
/ˈma.ɣər/, /ˈma.χər/
adjective
1.
magro
adjective
1.met een bijzondere, bovennatuurlijke betekenis
magico
noun
  1. 2. persoon, zaak of plaats
    1. calamita
    2. polo d'attrazione
  2. 1. gemagnetiseerd metaal
    1. magnete
    2. calamita
noun
campo magnetico
noun
1. Chemisch element
magnesio
noun
1. magnetisch, ijzer bevattend mineraal; magnetisch erts
magnetite
adjective
1. verschijnselen vertonend die toegeschreven kunnen worden aan een kringstroom...
magnetico
noun
magnetismo
/ˈmɑɣ.nə.trɔn/, /ˈmɑχ.nə.trɔn/
noun
1. een toestel waarin met zeer korte en gerichte golven voedsel in zeer korte tijd warm kan worden gemaakt
forno a microonde
adjective
marrone mogano
/mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
  1. mais
  2. granturco
  3. granoturco
adjective
giallo polenta
noun
olio di mais
noun
1. en 2. verbinding van glucose en koolhydraten of bindmiddel dat uit maiskorrels wordt gewonnen
amido di mais
noun
1.
maggiorità
noun
1. schoonheidsproducten
  1. trucco
  2. make-up
adjective
1. niet moeilijk, waar weinig moeite en inspanning voor vereist is
facile
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
  1. sgombro
  2. scombro
/ma.'la.wi/, /ma.'la.ʋi/, /ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
Malawi
/mɑl.ˈdi.və(n)/, /mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Maldive
pronoun
Malachia
/mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
malese
/maˈlɛ:zi.jə/, /maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
  1. Malaysia
  2. Malesia
/'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
Mali
noun
1.
cotta di maglia
/ˈmɑlta/, /ˈmɑɫta/
pronoun
  1. 1. eiland in de Middellandse Zee
  2. 2. land in de Middellandse Zee
Malta
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
maltese
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Mammuthus
mammut
noun
  1. 2. een echtgenoot, een getrouwde man
    marito
    1. 1. persoon van het mannelijk geslacht
    2. 3. een mens
    uomo
noun
  1. 2. de activiteit van het besturen van een organisatie
    amministrazione
  2. 1. de leiding van een organisatie, de verzameling managers
    direzione
pronoun
Manaus
noun
1. een sierknoop die de manchet aan de mouw van een overhemd sluit
  1. gemello
  2. gemello da polso
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
cestino
noun
1. Een citrusvrucht
mandarino
noun
1. vloeistof uit een geperste mandarijn
succo di mandarino
noun
1. schil van Citrus reticulata, Citrus reticulata var. 'mandarine' of Citrus × tangerina
scorze di mandarino
noun
1. een klein, luitvormig tokkelinstrument met vier paar snaren waarop met een plectrum getokkeld wordt
mandolino
noun
1. Chrysocyon brachyurus, Zuid-Amerikaanse wilde hondachtige, meer verwant met de vos dan met de wolf
crisocione
/manəsxɛɪn/
noun
1. Het door de maan weerkaatste licht dat op de aarde schijnt, maanlicht
chiaro di luna
/ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
manga
noun
1. Chemisch element
manganese
/mɑn.ˈχan.pɛr.ɔk.si.ˌda.zə/
noun
1. een enzym dat met behulp van mangaanionen andere stoffen kan oxideren
manganese perossidasi
/'mɑnɣɑt/
noun
1.
tombino
noun
1. onderfamilie van de civetkatten, zeer snelle en behendige roofdiertjes...
mangusta
noun
mangrovia
/ mɑˈniːr/
noun
maniera
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
manioca
noun
manipolazione
adjective
  1. 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
  2. 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
mascolino
noun
manometro
noun
1. bepaald zoogdier, Papio hamadryas
amadriade
pronoun
1. taal die door de Mantsjoes gesproken werd.
mancese
noun
1. variant van het communisme zoals uitgedragen en toegepast in China gedurende het derde kwart van de 20e eeuw
maoismo
/mɑp/
noun
  1. 3. deel van het bestandssysteem
    cartella
  2. 1. een stevig omhulsel voor papieren
    1. cartella
    2. raccoglitore
noun
1. een bitterzoete, heldere likeur gemaakt op basis van de marascakers, een variëteit van de zure kers.
maraschino
pronoun
1. taal die met name in Maharashtra, een staat in India gesproken wordt, onder andere in Mumbai (Bombay)
maratto
noun
maratona
noun
margarina
noun
1. het hoogfeest ter gedachtenis van de aankondiging (annunciatie) van de geboorte van Jezus aan Maria
annunciazione
pronoun
2. spelwoord voor de letter m
Milano
/maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
marina
noun
2. kruid
maggiorana
/mɑr.ˈkeːr.stɪft/
noun
1. een viltstift waarmee met stukken tekst doet opvallen
evidenziatore
pronoun
1. Italiaanse regio
Marche
noun
  1. mercatistica
  2. mercatologia
  3. vendistica
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
marchese
noun
  1. warenverkoop op pleinen en straten
  2. geheel van omstandigheden waaronder hoeveelheden van producten of diensten verhandeld worden
mercato
/mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
marmo
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
marmotta
adjective
1.
marocchino
/ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
Marocco
pronoun
Marte
noun
1. een Italiaanse versterkte wijn die gemaakt wordt in de omgeving van Marsala op het westelijk deel van Sicilië
vino marsala
noun
1.
marzapane
/mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
Isole Marshall
noun
1. sponzig snoepje
toffoletta
noun
1. iemand die voor een zaak lijdt of sterft en daarmee tot symbool wordt gezien van de strijd voor die zaak
martire
noun
1. opzettelijk toegebrachte pijniging van een gevangene
tortura
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Martes
martora
pronoun
Martinica
pronoun
2. spelwoord voor de letter m
Milano
noun
1. schoonheidsmiddel
  1. mascara
  2. rimmel
noun
1.
  1. maschera
  2. mascherina
/ˈmɑsaː/
noun
1. totale hoeveelheid materie in een object
massa
noun
1. een wapen dat zeer velen doodt
arma di distruzione di massa
verb
1. het toepassen van uitwendige druk op de zachte weefsels
massaggiare
noun
  1. 1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
  2. 4. hoge antenne
  3. 5. varkensvoer
albero
noun
materia
/maθe'mat/
noun
matematico
noun
matematico
/mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
materasso
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
matrice
noun
1. een zeeman van de laagste rang
marinaio
pronoun
1.
Cervino
pronoun
Matteo
/ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
Mauritania
/maʊ̯.'ri.si.jəs/, /mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
  1. Mauritius
  2. Maurizio
/ˌmajoˈnɛːzə/
noun
1. een saus op basis van eieren
maionese
pronoun
  1. Maiotta
  2. Mayotte
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
morbillo
/ˈmɑzəl/
noun
1. goed geluk
fortuna
noun
1. een vrouw die een relatie heeft met een getrouwde man
amante
/ˈmaʲɪs/, /ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
  1. mais
  2. granturco
  3. granoturco
/ˈmaʲɪsɣel/
adjective
giallo polenta
/ˈmaʲɪsˌoli/
noun
olio di mais
adjective
1. met betrekking op de mechanica, machinaal, automatisch zonder na te denken
meccanico
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
medaglia
/ˈmedəˌdelən/
verb
2. doen vernemen
  1. informare
  2. annunciare
noun
1. informatie die bekend wordt gemaakt
comunicazione
/ˈme.dəˌklɪŋ.kər/
noun
1. een klank waarbij de lucht niet ongehinderd door de mond naar buiten kan
consonante
noun
1. verdriet over het leed van anderen
  1. compassione
  2. pietà
noun
mediazione
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
  1. medicina
  2. farmaco
adjective
1. op de geneeskunde betrekking hebbend
medico
noun
1. spirituele bezigheid
meditazione
noun
1. Rubia tinctorum
  1. garanza
  2. robbia
/mel/, /meɫ/, /mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
  1. farina
  2. polvere
/meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
lago
pronoun
1.
  1. Lago Lemano
  2. lago Lemano
pronoun
1. meer tussen Italië en Zwitserland
  1. Ceresio
  2. lago di Lugano
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
maggiorità
adjective
1. de leeftijd bereikt hebbend dat men alle rechten en plichten van een volwassene heeft
maggiorenne
noun
1. bepaald soort watervogel, Fulica atra
folaga
adjective
  1. 1. gerelateerd aan meerdere talen
  2. 2. (persoon) meerdere talen sprekend
multilingue
noun
1. de staat van meerdere talen te kunnen spreken
  1. plurilinguismo
  2. multilinguismo
/ˈmeːrvɑɫ/
noun
1. benaming voor grote roofvissen uit het geslacht Siluris
siluro
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
plurale
noun
1. benaming voor kleine weinig schuwe vogels uit de familie Paridae
  1. cincia
  2. cinciallegra
  3. cingallegra
noun
1. baas, heer, patroon
maestro
noun
  1. imperatoria
  2. erba rena
/'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
geometria
/meːβ̞/, /mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
gabbiano
noun
1. de vijfde maand van het jaar
maggio
/ˈmɛɪ̯.dorn/
noun
1.
biancospino
adjective
verde maggio
noun
1. Melolontha melolontha, schildvleugelig insect dat in mei te voorschijn komt
maggiolino
noun
1. Convallaria majalis
mughetto
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
spergiuro
/mɛɪˈozə/
noun
1.
  1. meiosi
  2. mitosi eterotipica
noun
rapa
/ˈmɛɪ̯ʃə/, /ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
  1. ragazza
  2. bambina
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
meitnerio
pronoun
1. geboorteplaats van Mohammed en bedevaartplaats voor islamieten
La Mecca
pronoun
Melanesia
noun
melanoma
noun
1. een restproduct bij de suikerproductie
melassa
pronoun
1. tweede grootste stad van Australië en hoofdstad van de deelstaat Victoria
Melbourne
noun
1. Atriplex sp, een geslacht van meer dan tweehonderd soorten plantjes...
bietolone
pronoun
Melilla
/mɛlk/
noun
latte
noun
1. chocolade die bereid is met room of melk
cioccolato al latte
noun
sonchus oleraceus
/mɛlkə(n)/
verb
1.
mungere
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
via lattea
noun
1. organisch zuur
acido lattico
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
melodia
noun
melone
adjective
giallo melone
/ˈme:mə/
noun
meme
/ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
mendelevio
noun
1.
menhir
noun
menisco
noun
1. levensfase waarin vrouwen niet langer menstrueren
menopausa
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
  1. uomo
  2. umano
  3. essere umano
noun
1. een gemeenschappelijke naam voor dieren uit de orde van de primaten
antropoide
adjective
  1. 1. zoals de mens
  2. 2. goed voor de medemens
umano
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
diritti umani
noun
1. het schenden van mensenrechten
violazione dei diritti dell'uomo
pronoun
1. benaming voor Jezus Christus als eerder door Daniël aangekondigde verlosser
diritti umani
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
umanità
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
mestruazione
verb
1. hard slaan
picchiare
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Merano
pronoun
Mercurio
/meːrəl/, /ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
merlo
noun
  1. 1. zacht weefsel in de kern van een bot
  2. 2.
midollo
noun
1. halve cirkel die de beide polen met elkaar verbindt
meridiano
noun
meritocrazia
noun
1. een term die een deel van iets anders weergeeft
meronimo
noun
1. vrouwelijk paard
  1. cavalla
  2. giumenta
noun
1. snijwerktuig
coltello
noun
1.
mesone
adjective
1.
mesopotamico
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
Mesopotamia
noun
mesosfera
/ˈmɛssxedə/
noun
2. een marien tweekleppig weekdier, met een geheel rechte schelp
  1. cannolicchio
  2. cappalunga
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
  1. letame
  2. fertilizzante
/ˈmɛstkevər/
noun
1. een donkergekleurde kever die zich met mest voedt
scarabeo stercorario
/mɛd/, /mɛt/
preposition
con
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
metallo
noun
1. instrument om metalen voorwerpen op te sporen
cercametalli
noun
1. het geheel van de biochemische processen op celniveau
metabolismo
/me.ta.ˈfɔːr/, /mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
metafora
noun
metallurgia
noun
1. taal met behulp waarvan dezelfde of een andere taal wordt beschreven
metalinguaggio
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
misurare
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
meteora
/meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
meteorologia
/meteoroˈloʝɪs/, /meteɔroˈloɣis/
adjective
1. betrekking hebbend op de meteorologie
meteorologico
noun
1. de SI-eenheid van lengte
metro
noun
1. CH₄
metano
/meˈtodə/
noun
metodo
noun
1. Een stroming in het protestantisme
metodismo
noun
misurazione
/mæː.to.ˈny.mi.ja/
noun
metonimia
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
  1. metropolitana
  2. metrò
  3. metro
noun
metronomo
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
  1. muratore
  2. operaio edile
/ˌmɛ.tər.ˈtɛɪ̯t/
adverb
1. na verloop van (een zekere) tijd
  1. col tempo
  2. nel corso del tempo
noun
1. stuk huisraad
mobile
noun
1. groep (jacht)honden, e.d.
muta
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
signora
adjective
messicano
/ˈmɛg.zi.ˌko/, /ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
Messico
noun
mezzanino
interjection
1. het geluid van een kat
miao
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
miagolare
noun
micella
/miˈxa/, /ˈmiʃa/
pronoun
Michea
/ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
  1. microrganismo
  2. microorganismo
noun
1. een levend micro-organisme
  1. microbo
  2. microbio
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
microbiologia
noun
1. miljoenste gram
microgrammo
noun
  1. 2.
    micrometro
  2. 1. een meetinstrument waarmee zeer nauwkeurig dikten, afstanden en diepten kunnen worden gemeten
    micrometro a vite
/ˌmi.kro.ˈne.zi.ja/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Federale Staten van Micronesia
Micronesia
/mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
microscopio
adjective
1. zeer klein, voor het blote oog onzichtbaar
microscopico
noun
microsecondo
noun
  1. 1. het midden van de dag, 12.00
    mezzogiorno
  2. 2. het gedeelte van de dag tussen 12.00 en 18.00 uur
    pomeriggio
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
pranzo
/ˈmɪdəɫ/
noun
1. middendeel van het lichaam
vita
/ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
Medioevo
/ˈmɪdəɫɪ:ws/
adjective
1. gerelateerd aan de middeleeuwen
medievale
pronoun
1.
francese medio
pronoun
1. Hoogduitse dialecten uit de periode 1050-1350
alto tedesco medio
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
  1. Mar Mediterraneo
  2. Mediterraneo
pronoun
1. de voorloper van het Nieuwnederlands.
olandese medio
noun
  1. 1. vinger
  2. 2. als beledigend gebaar
dito medio
pronoun
1. het gebied tussen Noord-Amerika en Zuid-Amerika
America Centrale
noun
1. regio die bestaat uit Zuidwest-Azië en het noordoosten van Afrika
Medio Oriente
noun
spier- en peesachtig tussenschot tussen borstholte en buikholte
diaframma
noun
1.
centrocampista
noun
  1. 2. (gulden) middenweg, de ideale positie tussen twee uitersten
    giusto mezzo
  2. 1. weg, pad tussen twee andere wegen
    strada di mezzo
/ˌmɪdərˈnɑxt/, /ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
mezzanotte
noun
sole di mezzanotte
verb
1. via de blaas als vloeistof lozen van lichamelijke afvalstoffen
pisciare
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
formica
noun
1. benaming voor tandloze zoogdieren uit de onderorde Vermilingua
formichiere
noun
2. wortel
  1. barbaforte
  2. rafano
noun
2. (scheldwoord) slappe, verwijfde homoseksueel
checca
noun
1. schele hoofdpijn
emicrania
verb
  1. 1. trekken, verhuizen, zich verplaatsen
  2. 2. gegevens zoals een bestand of code overzetten naar een ander computersysteem en/of netwerk
migrare
verb
1. ontwijken, trachten niet in aanraking te komen met iets of iemand
  1. schivare
  2. rifuggire
/mɛi̯l/
abbreviation
miglio
/mɛi̯n/
noun
1. onderaardse plaats waar delfstoffen gewonnen worden
  1. miniera
  2. mina
/mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
mio
adverb
1. van mijn kant
da parte mia
noun
1. brandbaar, giftig, reukloos gas dat in steenkoolmijnen voor kan komen vooral bestaande uit methaan (CH₄)
grisou
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
minatore
noun
1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
acaro
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
mitra
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Milano
/mi.li.ˈjøː/, /mɪɫˈjø/
noun
2. de wereldwijde natuurlijke omgeving
ambiente
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
adjective
1. met het leger te maken hebbend
militare
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
miliardo
noun
1. 1.000.000
milione
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
milionario
noun
1. dikke koude drank
  1. milkshake
  2. frullato
  3. frappè
  4. frappé
noun
1. een periode van 1000 jaar
millennio
noun
1. een lengtemaat ter grootte van een duizendste meter
millimetro
noun
millisecondo
/mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
  1. milza
  2. splene
/ˈmɪltfyr/
noun
1. een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
antrace
/ˈmɪnɑxtɪŋ/
noun
1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
disprezzo
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal minder dan de helft uitmaakt
minoranza
/minəˈral/
noun
minerale
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
acqua minerale
noun
1. groentesoep
minestrone
noun
1.
minigonna
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
ministro
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
  1. primo ministro
  2. premier
  3. presidente del consiglio
adjective
ministeriale
noun
1. bepaald zoogdier, Neovison vison
visone
noun
segno meno
adjective
verde menta
adjective
turchese menta
noun
  1. 1. tijdeenheid
  2. 2. hoek
minuto
noun
1. een godsdienstoefening in de katholieke kerk, een eucharistieviering
messa
/'mɪsbrʌʏk/
noun
abuso
/mɪzˈbrœykən/, /mɪzˈbrœːkən/
verb
op een slechte wijze gebruik maken van iets of iemand
abusare
noun
1. een handeling die een ernstig vergrijp tegen het wetboek van strafrecht is
  1. crimine
  2. reato
noun
1. is iemand die de priester helpt tijdens het opdragen van de mis
  1. chierichetto
  2. chierico
verb
1. iemand slecht behandelen en pijn doen of verwonden
maltrattare
noun
  1. 1. bepaald soort loofboom Mespilus germanica
  2. 2. vrucht van de mispelboom
nespola
/məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
forse
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
nebbia
noun
1. mengsel van niet of maar gedeeltelijk gegist druivensap, alcohol en soms ook suiker
mistella
noun
1.wijn die gebruikt wordt in de misdiensten
vino da messa
/ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
mitocondrio
/miˈtozə/
noun
1.
mitosi
conjunction
1. indien, op voorwaarde dat
purché
interjection
1. uitroep van verrukking
  1. gnam
  2. mmm
/moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
  1. telefonino
  2. telefono cellulare
/'mɔkɑsɛː/, /mokɑ'sæː/
noun
  1. 1. een Noord-Amerikaans indianenschoeisel
    mocassino
  2. 2. een leren lage schoen, zonder veters
    mocassino classico
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
fango
/ˈmodə/
noun
moda
noun
1.
  1. modelismo
  2. modellismo
/moˈdɛrn/
adjective
1. van deze tijd, volgens de laatste mode
moderno
/muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
  1. stanco
  2. affaticato
noun
1. een vrouwelijke ouder
  1. madre
  2. mamma
noun
scheda madre
noun
1. een dag ter ere van de moeders
giorno della mamma
/ˈmu.dərs.kɪnt/
noun
1. onzelfstandig, afhankelijk kind dat (te) erg op de moeder is gericht
mammone
noun
  1. madrelingua
  2. lingua madre
/ˈmuːdəx/, /ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
  1. coraggioso
  2. ardito
noun
1. de diersoort waartoe het tamme schaap behoort, Ovis gmelini
muflone
/mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
difficile
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
difficoltà
noun
[A]
dado
noun
mora
noun
1. wijfjesvos
volpina
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
monsone
verb
1. gedwongen zijn
dovere
pronoun
1. een rivier die ontspringt in de Vogezen en na 544 kilometer bij Koblenz in de Rijn uitmondt
Mosella
noun
1. scheldnaam voor een Duitser
crucco
adjective
1. een keuze om iets te doen
possibile
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
possibilità
/'mo.χə(n)/
verb
1. toegestaan zijn
potere
noun
1. zware hamer met korte steel
mazzetta
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Mordovië gesproken wordt
  1. moksha
  2. moxel
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
    talpa
  2. 2. teken in het muziekschrift
    bemolle
  3. 3. hoeveelheid van een stof die net zo veel deeltjes bevat als er atomen...
    mole
/mɔlˈdaːvi.jə/, /mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
  1. Moldova
  2. Moldavia
adjective
1. bestaande uit moleculen
molecolare
/moləˈkyle/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molecola
/moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molecola
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
mulino
/ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
  1. mugnaio
  2. mulinaro
noun
1. molenarm
pala
pronoun
Molise
adjective
1. een beetje dik, volslank
paffuto
noun
1. met brandbare stof gevulde glazen fles die via een lont of lap stof wordt ontstoken
bomba Molotov
noun
1. Chemisch element
molibdeno
noun
1. zeer korte tijd
  1. momento
  2. attimo
/moˈnako/, /ˈmo.na.ko/
pronoun
1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
  1. Monaco
  2. Principato di Monaco
noun
monarca
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
monarchia
/[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
bocca
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
  1. armonica a bocca
  2. armonica
noun
1. het inwendige deel van de mond
cavità orale
/ˈmɔndɪŋ/
noun
1. plaats waar een rivier uitkomt in zee of meer
foce
/ˈmɔnt.kɑp/
noun
mascherina
noun
1. dat deel van een blaasinstrument dat in de mond genomen wordt of aan de lippen gezet
imboccatura
/ˈmɔntwatər/
noun
1. vloeistof waarmee de mondholte kan worden gespoeld
collutorio
/mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Mongolia
noun
1. iemand met het syndroom van Down
mongolo
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
  1. mongolo
  2. mongolico
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
  1. monaco
  2. frate
noun
  1. 3. plant
    aconito
  2. 1. van een monnikspij
    cappuccio
  3. 2. op een schoorsteen
    mitra
noun
1. een bril voor één oog
monocolo
/ˈmonokʏɫˌtyːr/
noun
1. landbouw met één gespecialiseerd gewas
monocoltura
/ˈmonɔfˌtɔŋ/
noun
1. de benaming voor één enkele klinker die de nucleus vormt van een lettergreep
monottongo
noun
monolito
/ˌmonoˈlox/
noun
1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
monologo
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
monopolio
noun
1. schrikwekkend wezen
mostro
/ˌmɔntəneˈgrɛɪ̯ns/, /ˌmɔntəneˈgrɛːns/, /ˌmɔntəneˈɣrɛɪ̯ns/
pronoun
1. vorm van het Servo-Kroatisch, gesproken in Montenegro
montenegrino
/ˌmɔntəˈnegro/, /ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Montenegro
/mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
  1. Monserrat
  2. Montserrat
noun
1. een groot gedenkteken
monumento
/moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
  1. bello
  2. carino
/ˈmoːrd/, /ˈmoːrt/, /ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
  1. assassinio
  2. omicidio
/mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
assassino
verb
1. onvrede uiten
  1. brontolare
  2. borbottare
noun
1. een uitstel van betaling
moratoria
pronoun
Moravia
/moˈrel/
adjective
morale
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
morfema
/ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
  1. 1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
  2. 4. de wetenschap die de vorm van de oppervlakte van de aarde bestudeert
  3. 2. de wetenschap van de bouw van organismen
morfologia
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
domani
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
noun
1. eerste deel van de dag
mattina
noun
1. een bruidsschat die binnen het Morganatische huwelijk door een man aan zijn vrouw wordt gegeven de ochtend na de huwelijksnacht
morgengabio
noun
1. benaming voor de planeet Venus
  1. lucifero
  2. stella del mattino
noun
1. seinalfabet
  1. codice Morse
  2. alfabeto Morse
  3. morse
adjective
1. onzindelijk, slonzig
  1. sporco
  2. sudicio
noun
  1. 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
  2. 2,3 korte kanontypen
mortaio
noun
  1. musco
  2. muschio
adjective
grigio muschio
adjective
verde muschio
noun
1. gebedshuis
moschea
pronoun
1.
Mosca
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
musulmano
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
  1. mitilo
  2. cozza
noun
1. gistend vruchtensap, meestal van druiven
mosto
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
senape
adjective
1. met de gele kleur van mosterd
senape
noun
1. kleur geel als die van mosterd
senape
noun
1. een vlinderachtig insect
  1. falena
  2. tarma
noun
1. vermogen om spontaan te bewegen
motilità
noun
motivazione
/moːtiˈveːrə(n)/
verb
1. met redenen omkleden
motivare
/'mo.tɔr/
noun
1. krachtbron
motore
noun
1. een klein tot middelgroot bootje dat voortbewogen wordt door middel van een motor
motoscafo da diporto
noun
1.
  1. motocampestre
  2. motocrossismo
  3. motopratismo
noun
motocicletta
noun
yacht a motore
noun
1.
freno motore
noun
1. lichte neerslag in de vorm van heel kleine druppeltjes water
pioviggine
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky,...
malto
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
manica
/ˌmo.zɑm.ˈbik/, /ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
Mozambico
noun
mosaico
noun
1. Italiaanse kaas
mozzarella
/ˈmysli/, /ˈmyə̯zli/
noun
1. eten gemaakt van graanvlokken, zuivel, fruit en noten
cereali
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
nematocero
verb
  1. criticare
  2. bisticciare
  3. disputare
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
mulo
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
bardotto
/mœʏ̯s/, /mœːs/
noun
  1. 3. computermuis
    1. topo
    2. sorcio
  2. 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
    1. topo
    2. sorcio
    3. ratto
adjective
grigio topo
noun
1.
trappola per topi
noun
multinazionale
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
mummia
noun
1. en 2. (boon van) eenjarige plant Vigna radiata
  1. fagiolo mung
  2. fagiolo mungo
noun
  1. 5. muntzijde van geldstuk
    croce
  2. 1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
    menta
pronoun
Murcia
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
passero
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
museo
verb
1. het ten gehore brengen van muziek door middel van een muziekinstrument of de stem
fare musica
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
musicista
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
  1. zucca butternut
  2. zucca trombetta
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
  1. zucca butternut
  2. zucca trombetta
/'mɵskɵs/
noun
1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
muschio
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
  1. zucca butternut
  2. zucca trombetta
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
topo muschiato
noun
1. een sprongsgewijze verandering
mutazione
noun
1. onvermogen om te spreken
mutismo
/mʏʦ/
noun
1. hoofddeksel van textiel zonder harde rand.
berretto
/myːr/
noun
  1. 1. verticale vlakke constructie van metselwerk
    1. muro
    2. parete
  2. 1. kruidachtige plant
    centocchio
/my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
musica
/myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
strumento musicale
noun
1. iemand die muziek maakt
musicista
/ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
micologia
/miˈkozə/
noun
1. een door een schimmel veroorzaakte ziekte
micosi
/ˈmitə/
noun
mito
adjective
mitico
/mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
mitologia
preposition
1. in tijd volgend op
  1. dopo
  2. dietro
adjective
1. iemand niet gunnen dat die iets heeft dat men zelf wil hebben
invidioso
/naf/
noun
1. centrale as of middenstuk van een wiel of rad
mozzo
/ˈnaːi̯ə(n)/
verb
1. naaldwerk verrichten
cucire
noun
  1. macchina da cucire
  2. macchina per cucire
/naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
nudo
noun
1. het naakt zijn
nudità
/nald/, /naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
ago
noun
  1. 2. bekendheid, reputatie
    1. fama
    2. riputazione
    3. nome
  2. 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
    nome
noun
1. een dag waarop een heilige wordt herdacht
onomastico
noun
targhetta
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
caso
/namwort/
noun
1. een woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt
nome
noun
complemento predicativo del soggetto
preposition
1. aan de zijkant van
  1. accanto a
  2. vicino a
/'na.bo.tsə(n)/
verb
1. nadoen, imiteren
imitare
adjective
1. in de buurt ervan gelegen
avvicinante
/nɑx/, /nɑxt/, /nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
notte
adjective
blu notte
noun
1. een dier dat overdag slaapt en 's nachts actief is
animale notturno
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
usignolo
noun
1. lage kast of tafel zonder laden die bij het hoofdeinde van het bed staat
comodino
noun
comodino
noun
  1. 1. een zeer angstige droom
  2. 2. een schrikbeeld
incubo
noun
comodino
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
farfalla notturna
noun
succiacapre
noun
1. ongunstige eigenschap
svantaggio
noun
1. denkbeeldig punt aan de sterrenhemel loodrecht onder de waarnemer
nadir
noun
  1. 3. spijker
    1. chiodo
    2. unghia
  2. 1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
    unghia
noun
1. een weefsel onder en achter de nagel, waar de nagel uitgroeit
letto ungueale
noun
1. schoonheidsmiddel
  1. smalto per unghie
  2. smalto
noun
dessert
/ˈna.wɑtl̥̩/, /ˈna.wɑtl̩/
pronoun
1. benaming voor de talen die door de oorspronkelijke bewoners van Mexico gesproken worden
  1. Nahuatl
  2. nahuatl
/ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Naum
noun
discendente
noun
1. een fout doordat er iets nagelaten wordt
negligenza
/ˈnamələk/
abbreviation
  1. cioè
  2. vale a dire
pronoun
1. provincie in het oosten van België
Namur
/na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
Namibia
noun
1. tijd aan het einde van de middag
pomeriggio
noun
1. vrouw die zorgt voor de kinderen van haar opdrachtgevers
tata
noun
nanogrammo
pronoun
1. stad in Italië
Napoli
adjective
1.
napoleonico
adjective
1. een taal die in Napels, Campanië, Basilicata en noordelijk Calabrië gesproken wordt
napoletano
noun
narciso
noun
narcisismo
adjective
giallo narciso
noun
1. een kunstmatige algehele verdoving
  1. narcosi
  2. anestesia
pronoun
1. de taal van de Narom
narone
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Monodon monoceros
  1. unicorno
  2. narvalo
noun
1. een veranderde smaak van iets dat men al heeft doorgeslikt heeft en in het begin anders smaakte
retrogusto
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
bagnato
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
nazione
noun
Stato-nazione
adjective
1. op een volk met een eigen land betrekking hebbend
nazionale
noun
nazionalsocialismo
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
nazionalismo
noun
nazionalista
noun
nazionalità
noun
sodio
noun
überhaupt
natura
noun
fotografie van de natuur
fotografia naturalistica
/naˈtyrkʏndə/, /naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
fisica
adjective
1. uit de natuur afkomstig
naturale
noun
1. mens van vlees en bloed die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
persona fisica
/na.ˈu.ru/, /naˈuru/, /ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
Nauru
pronoun
Navarra
/'navəl/
noun
ombelico
noun
1. opeenhoping van wollig materiaal in iemands navel
lanugine ombelicale
/ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
  1. funicolo ombelicale
  2. cordone ombelicale
noun
1. varkensachtig dier, met een kort gedrongen gestalte en korte kop
pecari
noun
1. NAVO
NATO
noun
1. interstellaire gas- en stofwolken die worden beschouwd als de geboorteplaats van de sterren
nebulosa
noun
1. een biografie van een overleden persoon en/of een bespreking van diens werk
necrologia
noun
1. de afsterving van weefsel
necrosi
noun
2. een perzikachtige vrucht van boom Prunus persica var. nucipersica
  1. nettarina
  2. pesca noce
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Bassa Austria
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal...
basso tedesco
/ˈne.dər.ˌfrɑŋ.kis/
noun
1. de verzamelnaam voor een aantal West-Germaanse talen en taalvariëteiten die van het Oudnederfrankisch afstammen
basso francone
noun
1. het aannemen van een houding waarbij geen aanspraak gemaakt wordt op macht of eer
umiltà
noun
1. het verlies van een strijd
  1. disfatta
  2. sconfitta
/ˈnedərˌlɑnt/, /ˈneːdərˌlɑnd/, /ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
  1. Paesi Bassi
  2. Olanda
/ˈne.dər.ˌlɑn.dər/
noun
1. inwoner van Nederland of persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit
olandese
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
adjective
1. met betrekking tot Nederland of de Nederlandse taal
olandese
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
  1. olandese
  2. neerlandese
/ˈne.dər.ˌlɑn.tsə/, /ˈne.dər.ˌlɑnd.sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Nederland, vrouw uit Nederland
olandese
/ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
  1. Antille olandesi
  2. Antille Olandesi
noun
1. gebarentaal gebruikt door de dovengemeenschap van Nederland
lingua dei segni olandese
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal zonder Hoogduitse klankverschuiving
basso tedesco
/neː/
interjection
1. ontkenning
no
noun
  1. 2. kozijn
    cugino
  2. 1. mannelijke oomzegger
    nipote
/nen/
interjection
nee
no
noun
1. hemelwater
precipitazione
/ˈnerslɑχˌmetər/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag meet
pluviometro
noun
1.
nefrologo
adjective
1. ontkennend, afwijzend
  1. negativi
  2. negativo
noun
1. een in het kader van een fotografisch procédé ontwikkelde plaat of film met een lichtgevoelige laag, waarop de lichtwaarden omgekeerd zijn t.o.v. de werkelijkheid
negativo
/ˈne.ɣə(n)/, /ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
nove
/ˈne.ɣən.də/, /ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
nono
cardinalNumeral
1. het getal 39
trentanove
cardinalNumeral
1. het getal 99
novantanove
cardinalNumeral
1. het getal 89
ottantanove
cardinalNumeral
1. het getal 29
ventinove
cardinalNumeral
1. het getal 49
quarantanove
cardinalNumeral
1. het getal 59
cinquantanove
cardinalNumeral
1. het getal 69
sessantanove
/ˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 79
settantanove
/ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
novecento
cardinalNumeral
1. het getal 908
novecentotto
cardinalNumeral
1. het getal 938
novecentotrentotto
cardinalNumeral
1. het getal 998
novecentonovantotto
cardinalNumeral
1. het getal 988
novecentottantotto
cardinalNumeral
1. het getal 928
novecentoventotto
cardinalNumeral
1. het getal 948
novecentoquarantotto
cardinalNumeral
1. het getal 958
novecentocinquantotto
cardinalNumeral
1. het getal 968
novecentosessantotto
/ˌneɣənˌhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 978
novecentosettantotto
cardinalNumeral
1. het getal 918
novecentodiciotto
cardinalNumeral
1. het getal 913
novecentotredici
cardinalNumeral
1. het getal 930
novecentotrenta
cardinalNumeral
1. het getal 903
novecentotré
cardinalNumeral
1. het getal 933
novecentotrentatré
cardinalNumeral
1. het getal 993
novecentonovantatré
cardinalNumeral
1. het getal 983
novecentottantatré
cardinalNumeral
1. het getal 923
novecentoventitré
cardinalNumeral
1. het getal 943
novecentoquarantatré
cardinalNumeral
1. het getal 953
novecentocinquantatré
cardinalNumeral
1. het getal 963
novecentosessantatré
/ˌneɣənˌhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 973
novecentosettantatré
cardinalNumeral
1. het getal 901
novecentouno
cardinalNumeral
1. het getal 931
novecentotrentuno
cardinalNumeral
1. het getal 991
novecentonovantuno
cardinalNumeral
1. het getal 981
novecentottantuno
cardinalNumeral
1. het getal 921
novecentoventuno
cardinalNumeral
1. het getal 941
novecentoquarantuno
cardinalNumeral
1. het getal 951
novecentocinquantuno
cardinalNumeral
1. het getal 961
novecentosessantuno
/ˌneɣənˌhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 971
novecentosettantuno
cardinalNumeral
1. het getal 911
novecentoundici
cardinalNumeral
1. het getal 909
novecentonove
cardinalNumeral
1. het getal 939
novecentotrentanove
cardinalNumeral
1. het getal 999
novecentonovantanove
cardinalNumeral
1. het getal 989
novecentottantanove
cardinalNumeral
1. het getal 929
novecentoventinove
cardinalNumeral
1. het getal 949
novecentoquarantanove
cardinalNumeral
1. het getal 959
novecentocinquantanove
cardinalNumeral
1. het getal 969
novecentosessantanove
/ˌneɣənˌhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 979
novecentosettantanove
cardinalNumeral
1. het getal 919
novecentodiciannove
cardinalNumeral
1. het getal 990
novecentonovanta
cardinalNumeral
1. het getal 980
novecentottanta
cardinalNumeral
1. het getal 910
novecentodieci
cardinalNumeral
1. het getal 912
novecentododici
cardinalNumeral
1. het getal 902
novecentodue
cardinalNumeral
1. het getal 932
novecentotrentadue
cardinalNumeral
1. het getal 992
novecentonovantadue
cardinalNumeral
1. het getal 982
novecentottantadue
cardinalNumeral
1. het getal 922
novecentoventidue
cardinalNumeral
1. het getal 942
novecentoquarantadue
cardinalNumeral
1. het getal 952
novecentocinquantadue
cardinalNumeral
1. het getal 962
novecentosessantadue
/ˌneɣənˌhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 972
novecentosettantadue
cardinalNumeral
1. het getal 920
novecentoventi
cardinalNumeral
1. het getal 914
novecentoquattordici
cardinalNumeral
1. het getal 940
novecentoquaranta
cardinalNumeral
1. het getal 904
novecentoquattro
cardinalNumeral
1. het getal 934
novecentotrentaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 994
novecentonovantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 984
novecentottantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 924
novecentoventiquattro
cardinalNumeral
1. het getal 944
novecentoquarantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 954
novecentocinquantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 964
novecentosessantaquattro
/ˌneɣənˌhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 974
novecentosettantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 905
novecentocinque
cardinalNumeral
1. het getal 935
novecentotrentacinque
cardinalNumeral
1. het getal 995
novecentonovantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 985
novecentottantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 925
novecentoventicinque
cardinalNumeral
1. het getal 945
novecentoquarantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 955
novecentocinquantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 965
novecentosessantacinque
/ˌneɣənˌhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 975
novecentosettantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 915
novecentoquindici
cardinalNumeral
1. het getal 950
novecentocinquanta
cardinalNumeral
1. het getal 906
novecentosei
cardinalNumeral
1. het getal 936
novecentotrentasei
cardinalNumeral
1. het getal 996
novecentonovantasei
cardinalNumeral
1. het getal 986
novecentottantasei
cardinalNumeral
1. het getal 926
novecentoventisei
cardinalNumeral
1. het getal 946
novecentoquarantasei
cardinalNumeral
1. het getal 956
novecentocinquantasei
cardinalNumeral
1. het getal 966
novecentosessantasei
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 976
novecentosettantasei
cardinalNumeral
1. het getal 916
novecentosedici
cardinalNumeral
1. het getal 960
novecentosessanta
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 907
novecentosette
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 937
novecentotrentasette
/ˌneɣə(n)ˌhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 997
novecentonovantasette
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 987
novecentottantasette
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 927
novecentoventisette
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 947
novecentoquarantasette
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 957
novecentocinquantasette
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 967
novecentosessantasette
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 977
novecentosettantasette
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 917
novecentodiciassette
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 970
novecentosettanta
cardinalNumeral
1. het getal 19
diciannove
ordinalAdjective
diciannovesimo
/ˈne.ɣə(n).təx/, /ˈne.ɣə(n).tɪx/, /ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
novanta
noun
1. iemand met voorouders uit Afrika bezuiden de Sahara met lichamelijke kenmerken daarvan
negro
verb
1. doen alsof iemand of iets niet bestaat
ignorare
pronoun
Neemia
/nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
nuca
/ˈne.mə(n)/
verb
1. iets vastpakken met de handen
prendere
noun
neodimio
/ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
  1. neologismo
  2. neoformazione
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
  1. neon
  2. neo
noun
1. licht afkomstig van een neonlamp
luce al neon
noun
neoplasma
noun
neoplasma
/ˈnepɑɫ/, /ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
Nepal
pronoun
1. een taal die vooral in Nepal gesproken wordt
nepalese
/nepo'tɨzmə/
noun
1.
nepotismo
noun
1. Chemisch element
nettunio
pronoun
Nettuno
adverb
da nessuna parte
adverb
1. lijdend aan gespannen zenuwen
nervoso
/nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
nido
/nɛst'flidənt/
adjective
1. jongen hebbend die nestvlieders zijn
nidifugo
noun
1. een geheel van fijne draden
rete
pronoun
1.
  1. Natanya
  2. Nathaniya
  3. Netanya
noun
1. plant
ortica
noun
1. een vlies aan de binnenkant van het oog waarop een beeld wordt gevormd
retina
/ˈnøːk.bar/
adjective
scopabile
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
  1. scopare
  2. fottere
verb
1. met gesloten mond zingen
canticchiare
noun
1. de studie van alles wat met de ontwikkeling en werking van het zenuwstelsels te maken heeft.
neurobiologia
noun
1. de chemische processen in zenuwstelsels
neurochimica
/nøʏs/, /nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
  1. naso
  2. muso
noun
narice
noun
1. het eerste stuk van het luchtwegstelsel waar de ingeademde lucht doorheen gaat
cavità nasale
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
rinoceronte
noun
1.
bucero
/nøˈtral/
adjective
  1. 1. geen partij kiezend in een conflict
    neutrale
    1. 2. natuurkunde: noch een positieve noch een negatieve lading dragend
    2. 4. scheikunde: noch zuur noch alkaline
    neutro
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
neutralità
noun
neutrino
noun
neutrone
/nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
New York
noun
1. een van de voor de mens noodzakelijke vitaminen, een wateroplosbaar microvoedingsmiddel dat van belang is voor de menselijke gezondheid
niacina
noun
La canzone dei Nibelunghi
/ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
Nicaragua
noun
  1. 3. dochter van iemands oom of tante
    cugina
  2. 4. mannelijke homoseksueel
    1. frocio
    2. checca
    3. finocchio
  3. 1. dochter van iemands broer of zus
    nipote
pronoun
2. spelwoord voor de letter n
Napoli
noun
nicotina
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
nessuno
indefinitePronoun
niente
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
rene
noun
1. een samengroeisel in het nierbekken dat meestal uit urinezuur en urinezure zouten bestaat
calcolo renale
noun
1. giftige plant die vroeg in het voorjaar bloeit
elleboro
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
  1. non
  2. no
noun
1.
non fumatore
noun
1. een apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
cucitrice
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
graffetta
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
  1. niente
  2. nulla
noun
1. iemand die voor niets deugt
buono a nulla
/niβ̞/, /nyʊ̯/
adjective
    1. woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
    2. 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
    3. 5. in originele staat
    4. 3. huidige
    5. 6. vreemd, onbekend
    nuovo
    1. 1. recentelijk gemaakt
    2. 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
    3. 2. recentelijk ontdekt
    1. nuovo
    2. nuova
pronoun
Nuova Caledonia
pronoun
1.
Nuova Guinea
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten van Amerika
Nuova Hampshire
pronoun
1.
Nuovo Messico
/niβ̞.ˈze.lɑnt/, /nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
Nuova Zelanda
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Nuovo Galles del Sud
noun
1. nieuwe maan
  1. luna nuova
  2. novilunio
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
Nuovo Testamento
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
  1. Capodanno
  2. capodanno
/ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
curioso
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
starnutire
/'ni.ɣər/, /'ni.χər/
pronoun
  1. 1. land in West-Afrika
  2. 2. een rivier in West-Afrika
Niger
/ni.'ɣeː.ri.ja/, /ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Nigeria
noun
1. buiging als beleefde groet
inchino
pronoun
1.
Nilo
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
ippopotamo
pronoun
Nimega
noun
niqab
noun
1. Chemisch element
  1. nichel
  2. nickelio
noun
  1. 1. wezen dat rivieren, bossen enz. bewoont
  2. 4. insect in de tweede toestand van gedaanteverwisseling
  3. 2. bekoorlijk meisje
ninfa
/niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
niobio
/nɪs/
noun
1. een inham in een muur
nicchia
noun
  1. 1. een zout van salpeterzuur dat het ion NO₃− bevat
  2. 2, een ester van salpeterzuur
nitrato
noun
1. een verbinding van stikstof waarin dit element in de oxidatietoestand -3 optreedt
nitruro
/ˈnivoˌmetər/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen sneeuw (d.i. vaste neerslag) meet
nivometro
noun
1. scheikundig element
nobelio
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
  1. Premio Nobel
  2. premio Nobel
/'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
necessarui
verb
1. met een naam aanduiden
chiamare
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
denominatore
noun
3. uitstulpingen aan as
camma
noun
1. as met nokken
albero a camme
noun
nomenclatura
adjective
nominale
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
nominativo
/nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
  1. suora
  2. monaca
/ˈnɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
zio
noun
2. soort eend, Mergellus albellus
pesciaiola
adjective
1. erg nodig
necessario
/ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
mai
/noːr/, /no̝ːr/
noun
1. een inwoner van Noorwegen
norvegese
/nɔːrt ˈafrɪkɑ/, /nɔːrt ˈɑfrɪkɑ/
pronoun
gedeelte van het Afrikaanse continent ten noorden van de Sahara
Nordafrica
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
  1. America Settentrionale
  2. America del Nord
/noːrd.ˈbra.bɑnt/, /no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
  1. Brabante Settentrionale
  2. Brabante del Nord
pronoun
1.
Carolina del Nord
pronoun
1.
Dakota del Nord
pronoun
het noordelijk deel van Europa
Europa settentrionale
/noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
Olanda Settentrionale
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1.
Irlanda del Nord
/ˌnoːrt koˈre.ja/, /ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
Corea del Nord
pronoun
1.
Macedonia del Nord
pronoun
1. Australisch territorium gelegen in het noorden van het land
Territorio del Nord
noun
1. windrichting
nord
pronoun
1. een vorm van skisport waarbij de twee onderdelen van het Noords skiën, schansspringen en langlaufen, gecombineerd worden
combinata nordica
/ˈnoːrdzeː/, /ˈnoːrtseː/, /ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
  1. Mare del Nord
  2. mare del Nord
/noːrs/, /no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
norvegese
/noːrs/, /no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
norvegese
/ˈnoːrˌweɣə(n)/, /ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Norvegia
/noːt/
noun
  1. 2. (plantkunde) boomvrucht met verhoute vruchtwand
    frutto a guscio
  2. 1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
    noce
noun
1. en 2. (gepeld) zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
noce muscata
noun
1. sport waarbij gelopen wordt met aangepaste skistokken
camminata nordica
noun
norma
/nɔrˈmaɫ/
adjective
2. als norm dienend
normale
noun
normalità
/nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Normandia
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
notaio
noun
1. een boomsoort uit het geslacht Juglans
noce
adjective
marrone noce
noun
schiaccianoci
noun
1. een verslag van een bijeenkomst
verbale
noun
1. de elfde maand van het jaar
novembre
pronoun
Rivoluzione di novembre
adverb
1. op het huidige tijdstip
  1. adesso
  2. ora
/nɵxtər/
adjective
1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
sobrio
/ˈnykleəsˌsypraxiɑsˈmatikəs/, /ˈnykleəsˌsypraχiɑsˈmatikəs/
noun
1. een groep gespecialiseerde neuronen in de hypothalamus die het ritme van de biologische klok in zoogdieren regelt
nucleo soprachiasmatico
/nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
  1. zero
  2. nullità
/ˈnumeɾi/
pronoun
Numeri
/ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
numero
adjective
utile
pronoun
1.
Nuuk
noun
1. een verhoogde urinelozing in de nacht
nicturia
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar buiten staan
gambestorte
/o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
oasi
/oˈbɑtja/
pronoun
2. boek in de Bijbel
  1. Abdia
  2. Obadia
noun
1. een bediende in een restaurant of café
cameriere
noun
1. vetzucht
obesità
/ˈɔpjɛkt/
noun
1. voorwerp
oggetto
adjective
2. onpartijdig, volgens de feiten, neutraal
obiettivo
noun
1. lens
obiettivo
noun
1. (muziekinstrument) een fluit die veelal gemaakt wordt van gebakken klei
ocarina
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
  1. occitanico
  2. occitano
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
oceano
adjective
blu oceano
/oseˈjani.jə/, /oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
Oceania
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
  1. ocelot
  2. ocelotto
  3. gattopardo
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
  1. mattina
  2. mattino
noun
1,2,3. toontrap, interval en toonhoogtereeks
ottava
noun
1. hoekmeetinstrument
ottante
/ɔkta'ʔedər/
noun
1. een regelmatig achtvlak, een ruimtelijke figuur begrensd door acht gelijkzijdige driehoeken
ottaedro
noun
1. achtarmige inktvis
piovra
noun
ode
pronoun
Odessa
noun
1. een beweging
ecumene
noun
1. (medisch) waterzucht
edema
/u.'ɣɑn.da/, /u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Uganda
noun
1.
gufo reale
/ukraˈɦins/, /ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
ucraino
/ukraˈɦinə/, /ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
Ucraina
/ˌenoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap van de wijnbereiding
enologia
/ˈuː.rɔs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius
uro
/uˈsʲɑŋka/
noun
1. muts
colbacco
noun
1. ontsteking van de slokdarm
esofagite
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
ostrica
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel die meestal groeit op de stam van een loofboom, Pleurotus ostreatus
gelone
noun
1. een vrouwelijk hormoon
estrogeno
noun
1. waterkant
  1. riva
  2. sponda
noun
topino
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Turks en die door de Oezbeken gesproken wordt
  1. uzbeco
  2. uzbeko
/us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
Uzbekistan
conjunction
  1. 1. keuze
    1. o
    2. od
  2. 2. onzekerheid
    se
verb
1. wijden aan
sacrificare
/ɔ'fɛrtə/
noun
1. een aanbieding van goederen of diensten tegen een vaste prijs
offerta
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
ufficiale
conjunction
benchè
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
oculistica
noun
oftalmologa
noun
1. een scheikundig element met het symbool Og en het atoomnummer 118
  1. oganesson
  2. oganessio
noun
1. Een bepaald tijdstip
  1. attimo
  2. istante
noun
1. ohm
ohm
noun
1. groot zoogdier dat nauw verwant is aan de giraffe
okapi
noun
1. een mineraal dat als gele of oranje kleurstof gebruikt wordt
ocra
adjective
marrone ocra
adjective
giallo ocra
noun
1. walnoot
  1. noce bianco
  2. noce da frutto
noun
gombo
noun
1. holte tussen de arm en de romp
ascella
noun
1. de tiende maand van het jaar
ottobre
pronoun
Rivoluzione d'ottobre
noun
1. vettige vloeistof
olio
noun
oleodotto
noun
1. een sedimentair fijnkorrelig gesteente dat organische en chemische stoffen bevat en waar synthetisch olie en gas uit gewonnen kan worden
scisto bituminoso
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
elefante
noun
oligarca
noun
oligarchia
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
oligomero
/oˈlɛɪf/, /oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
  1. oliva
  2. uliva
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
olivo
adjective
marrone oliva
adjective
giallo olivastro
adjective
grigio olivastro
adjective
verde oliva
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
  1. olio di oliva
  2. olio d'oliva
verb
1. met olie bewerken
oliare
noun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
olimpiade
adjective
olimpico
adjective
1. verband houdend met de Olympische Spelen
olimpico
/o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
  1. Giochi Olimpici
  2. giochi olimpici
pronoun
1. evenement dat eens in de vier jaar wordt gehouden waarbij allerlei wintersporten competitief beoefend worden
Olimpiadi invernali
noun
1. moeder van een ouder
nonna
/o.ˈman/, /ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
Oman
adjective
grigio ombra
/ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
perché
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
  1. frittata
  2. omelette
verb
1. aan alle kanten omsluiten
cingere
verb
  1. 1. de armen om iemand slaan
  2. 2. aannemen
abbracciare
verb
1. het uitzetten van een alternatief pad rondom een ontoegankelijk deel van de weg
deviare
noun
1. een aangegeven andere route
deviazione
noun
4. nagelriemontsteking, paronychia
paronichia
noun
1. de achterkant van een blad papier
  1. retro
  2. verso
verb
1. omsluiten met een stenen muur
sbarrare
/ɔm.ˈplɑn.tə(n)/, /ˈɔm.plɑn.tə(n)/
verb
2. op een andere plaats zetten
trapiantare
noun
hoe de zaken er voorliggen
circostanza
adjective
1. geen verbinding hebbend met
indipendente
adjective
1. niet mogelijk om te kunnen veranderen of vermijden
  1. inevitabile
  2. ineluttabile
adjective
1. niet behorend tot de kennis
  1. sconosciuto
  2. ignoto
noun
1. de onverbogen werkwoordsvorm die naar persoon en getal onvervoegd is
infinito
noun
1. gedrag dat schaamte op zou moeten roepen maar het bij die persoon niet doet
  1. impudenza
  2. sfrontatezza
adjective
1.
innavigabile
adjective
infertilizato
adjective
1.
inabitabile
noun
1. een medisch specialist die zich bezighoudt met de gezwelgroei, in het bijzonder met kanker
oncologo
/ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
avambraccio
verb
1. te weinig betalen
sottopagare
/ɔn.dər.ˈbre.kɪŋ/, /ɔn.dər.ˈbreː.kɪŋ(g)/
noun
1. een tijdelijk staken van activiteit door een onverwachte gebeurtenis
interruzione
noun
een chemische verbinding met de formule H₃PO₂.
acido ipofosforoso
verb
1. onderhevig gemaakt worden
soffrire
noun
1.
sottogenere
noun
negoziatore
verb
1. overleggen om tot een afspraak te komen
negoziare
/ɔndər'ɦɑndəlɪŋ/
noun
1. een proces van overleg waarbij partijen trachten tot een voor beiden aanvaardbare afspraak te komen
  1. negoziazione
  2. negoziato
noun
1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden.
manutenzione
noun
1. de onderste kaak
mandibola
noun
1. gouverneur van een land of een provincie die als vervanger van de monarch optreedt
viceré
verb
1. een bedrijf of actie in werking stellen
intraprendere
verb
1. iets kleiner of van kleiner belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
  1. sottovalutare
  2. sottostimare
noun
  1. 2. tekst onder een afbeelding
    1. didascalia
    2. leggenda
  2. 1. handtekening
    firma
noun
2.
sottospecie
/ˌɔn.dər.ˈʋa.tər.ˌfo.to.χra.ˌfi/, /ˌɔn.dər.ˈβ̞a.tər.ˌfo.to.ɣra.ˌfi/
noun
1. een vorm van fotografie onder water
fotografia subacquea
noun
  1. 1. de kringen van de criminaliteit
    malavita
  2. 2. het schimmenrijk van de doden
    oltretomba
noun
  1. 2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
  2. 1. waar iets over gaat, een thema
soggetto
noun
1. de voorziening van opleidingen
  1. educazione
  2. istruzione
noun
1. iemand die lesgeeft
docente
noun
sottomarino
/ˌɔn.dər.ˈzuk.stər/
noun
1. een vrouwelijk persoon die vraagstukken onderzoekt
  1. ricercatrice
  2. studiosa
adjective
1. zonder einde
infinito
adjective
1. Niet deelbaar door twee
dispari
noun
impazienza
adjective
  1. 2. niet onderricht in lezen en schrijven
    analfabetico
  2. 1. niet belezen, hebbende een gebrekkige, literaire kennis
    1. ineducato
    2. senza lettere
adjective
2. bijzonder, uitzonderlijk
incredibile
noun
  1. 1. onaangename verstoring
    1. disturbo
    2. molestia
  2. 2. kwaal aan het lichaam
    1. indisposizione
    2. acciacco
    3. male
adverb
scomodo
adjective
1. heraldisch attribuut
allegro
/ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
incidente
adjective
1. zonder mogelijkheid om ongedaan gemaakt te worden
irrevocabile
/ˈɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
zio
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
erbacce
noun
1. gif of andere methode om planten die op de verkeerde plaats staan uit te roeien
  1. erbicida
  2. diserbante
adjective
1. niet te verwezenlijken
impossibile
adjective
1.expres je anders voordoen dan je bent
insincero
noun
1. een werkwoord dat niet vergezeld kan worden door een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in een zin
verbo intransitivo
adjective
niet partijdig , niet bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
imparziale
noun
1. schadeverwekkende inbreuk op een zorgvuldigheids- of rechtsnorm waardoor burgerrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat
illecito civile
noun
1. niet-verplaatsbare zaak, bijv. grond, delfstoffen, beplantingen en opstallen
bene immobile
possessivePronoun
1. van de 1e persoon meervoud
nostro
/ɔnˈsxʏɫdəx/
adjective
1. niet schuldig
innocente
adjective
immortale
noun
1. eerste maaltijd van de dag
  1. colazione
  2. prima colazione
/ɔnˈdɛ.kə(n)/
verb
1. ergens achter komen
scoprire
noun
1. het vinden van iets nieuws
scoperta
noun
espropriazione
verb
1.
diseredare
noun
1.
diseredazione
noun
1. rituele toelating tot een studentencorps
nonnismo
verb
  1. 1. iets wat gewijd is schenden, onteren
    desacralizzare
  2. 2. de gewijde functie van iets verwijderen
    sconsacrare
verb
1. iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
decapitare
verb
1. in het geheugen bewaren
ricordare
/ɔnt.ˈkɑl.kə(n)/, /ɔnt.ˈkɑɫ.kə(n)/
verb
1. kalk van een metalen oppervlak verwijderen
decalcificare
/ɔnt.ˈkɑl.kɪŋ/, /ɔnt.ˈkɑɫ.kɪŋ/
noun
1. het verwijderen van kalk van een metalen oppervlak
decalcificazione
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
negare
verb
1. anatomiseren, analyseren
dissecare
verb
1. de ware aard laten zien van iets of iemand
smascherare
verb
1. de moed ontnemen
scoraggiare
verb
1. zorgen dat iemand ergens niet meer over beschikt
togliere
adjective
1. aandoenlijk, aangrijpend
  1. commovente
  2. toccante
verb
1. arbeidsovereenkomst beëindigen
licenziare
/ɔnt'slɑx/
noun
1. het verbreken van het dienstverband met een werknemer
licenziamento
verb
1. aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
scappare
/ɔnt.ˈstan/
verb
1. de verandering ondergaan van niet bestaan naar wel bestaan
  1. nascere
  2. sorgere
noun
1. (medisch) ontsteking
infiammazione
/ɔntʌxt/
noun
1. seks die tegen de heersende moraal ingaat
atti osceni
/ɔndˈvaŋ(g)ə(n)/, /ɔntfɑŋə(n)/
verb
  1. 1. het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
  2. 2. het op bezoek krijgen van gasten
ricevere
noun
ricevibilità
adjective
infiammabile
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
rapire
noun
1. het, tegen iemands zin, wederrechtelijk verplaatsen van een persoon
sequestro
/ɔntʋɪkələ(n)/
verb
  1. 1. iets ~ een aanwezige aanleg tot bloei brengen
  2. 3. een film ~ het latente beeld van een belicht fotografisch materiaal chemisch zichtbaar maken
  3. 4. ontwerpen en uitvoeren op basis van onderzoek
sviluppare
noun
1. geleidelijke verandering in een zekere richting
sviluppo
adjective
1.
indimenticabile
/ɔnvɛrˈsxɪləɣˌɦɛit/
noun
1. houding waarbij men zich niets aantrekt van omstandigheden en de opvattingen van anderen
indifferenza
adjective
1. duidt de onmogelijkheid aan de plaats van iets door iets anders in te laten nemen
insostituibile
adjective
1. niet van tevoren zien aankomen
  1. inatteso
  2. inaspettato
/ˌɔn.vərˈʋust.bar/, /ˌɔn.vərˈβ̞ust.bar/
adjective
1. niet stuk te krijgen, buitengewoon robuust
indistruttibile
noun
participio presente
noun
presente indicativo
noun
indicativo imperfetto
adjective
1. bij verrassing optredend
imprevisto
/ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
temporale
noun
1. benaming voor torren uit de familie Coccinellidae
coccinella
adjective
invisibile
/ox/, /oːx/, /oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
occhio
/ˌox.ɔm.ˌox, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/, /ˌoɣ.ɔm.ˌox, ˌtɑnd.ɔm.ˈtɑnd/, /ˌoχ.ɔm.ˌoχ, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/
interjection
1. benadrukt volledige vergelding
occhio per occhio, dente per dente
noun
2. een oogbol
pupilla
noun
oculista
/ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
palpebra
verb
1. het volgroeide gewas van het veld halen
raccogliere
noun
1. vrouwelijk schaap
pecora
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
cicogna
/oːɪt/
adverb
2. een mogelijk tijdstip in de toekomst
mai
/oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
  1. anche
  2. pure
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
zio
/oːr/
noun
1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
  1. orecchio
  2. orecchia
noun
1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
orecchino
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
diplomatica
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
guerra
/ 'orlɔxsmɪsdadəxər/
noun
1. iemand die een oorlogsmisdaad pleegt of heeft gepleegd en daarvoor individueel aansprakelijk gesteld...
criminale di guerra
noun
  1. monumento ai caduti
  2. monumento ai morti
noun
nave da guerra
/ˈorɔntˌstekɪŋ/
noun
1. een ontsteking van het oor
otite
/orsxɛlp/, /o̝rsχɛɫp/
noun
1. het uit het hoofd stekende deel van een oor
padiglione auricolare
noun
1.1 gewone oorworm (Forficula auricularia)
forfecchia
adverb
est
pronoun
1.
Berlino Est
/os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
  1. Timor Est
  2. Timor orientale
/ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
est
pronoun
1. een gemeente in de Belgische provincie West-Vlaanderen
Ostenda
/ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
Austria
/ˈo.stə.ˌrɛɪ̯.kər/, /ˈo.stə.ˌrɛː.kər/, /ˈos.tə(n).ˌrɛɪ̯.kər/
noun
1. een inwoner van Oostenrijk of persoon die de Oostenrijkse nationaliteit bezit
austriaco
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
Mar Baltico
verb
3. (van een ambassadeur) laten komen om een kritiek op beleid van zijn regering over te brengen
convocare
noun
1. de vader van een ouder
nonno
/o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
opale
adjective
verde opale
noun
1. een te verrichten werk
compito
/ˈɔpɛːsə(n)/
verb
eisen dat iets of iemand waarop men recht heeft, wordt overgegeven
  1. rivendicare
  2. esigere
/ˈoː.pə(n)/
adverb
1. niet gesloten
  1. aperto
  2. dischiuso
noun
1. openbaar toegankelijk personenvervoer
trasporto pubblico
noun
1. laatste boek van de Bijbel
Apocalisse
verb
  1. 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
  2. 3. openstellen, toegankelijk maken
  3. 4. (informatica) een bestand inladen
  4. 1. laten beginnen, in bedrijf brengen
aprire
noun
1. plechtigheid als opening van een evenement
cerimonia di apertura
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
  1. opera
  2. opera lirica
noun
1. ruimte waar heelkundige bewerkingen uitgevoerd worden
sala operatoria
noun
1.
operetta
verb
1. alles gebruiken tot het op is
consumare
verb
1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
crescere
noun
1. onderzoek naar de mening van...
sondaggio d’opinione
noun
1. een steekproefsgewijs onderzoek naar de mening van de bevolking
sondaggio d’opinione
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
oppio
/ˈɔp.la.jə(n)/
verb
  1. 1. plotseling heviger gaan branden
  2. 2. plotseling in brand vliegen
  3. 3. plotseling hevig de kop opsteken
divampare
noun
1. totaal aantal afdrukken van een drukwerk dat in één keer wordt vervaardigd
tiratura
noun
1. bedrog waarbij men iemand geld of goed afhandig weet te maken
  1. truffa
  2. frode
noun
1. bedrog waarbij men iemand geld of goed afhandig weet te maken
  1. truffa
  2. frode
verb
3. een probleem ophelderen
risolvere
noun
  1. 1. een mengsel
  2. 2. een manier om van een probleem af te komen
soluzione
noun
anacrusi
/ˈɔpniu/
adverb
1. nog een keer, een vorige gebeurtenis herhalend
  1. nuovamente
  2. di nuovo
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Alta Austria
noun
1. bot in de bovenarm
omero
/ɔpər'vlɑkəx/
adjective
  1. 1. niet diepgaand of niet grondig
  2. 2. zich aan de oppervlakte bevindend
superficiale
verb
  1. 2. iets uitverkopen
    liquidare
    1. 3. iets in orde brengen, netjes maken
    2. 1. iets uit de weg ruimen
    riordinare
noun
1. een lange, grote en diepe lepel
mestelo
/ˈɔpslan/
verb
5. informatica: vastleggen of bewaren van gegevens
salvare
verb
1. in zich opnemen
absorbire
noun
enumerazione
verb
1. in de hoogte springen
saltare
verb
  1. 1. gaan staan
  2. 2. het bed verlaten
alzarsi
/ˈɔpstɑnt/
noun
1. een massale, vaak gewelddadige, poging het heersende gezag af te schudden
rivolta
noun
1. verrijzenis
  1. resurrezione
  2. risurrezione
noun
1.1 kleinschalige verstoring van de openbare orde
scandalo
verb
1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
  1. addizionare
  2. sommare
noun
1. het samenvoegen van een of meer termen tot een totaal, de som
addizione
noun
ottica
noun
1. iemand die kundig is in de optica
  1. ottico
  2. occhialaio
noun
1. het proces waarin iemand wordt gevormd naar de normen van diens opvoeders, en daarmee meestal de samenleving waarin hij leeft
educazione
noun
1. iemand die een ambt bekleedt na iemand anders
successore
noun
1. mensaap met lange armen en roodbruinachtig haar
  1. orangotango
  2. orango
adjective
1. de kleur oranje hebbend
  1. arancione
  2. arancio
pronoun
Stato Libero dell'Orange
adjective
marrone arancio
pronoun
1. en 2.
Oranjemund
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
orchidea
noun
  1. 3. (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families
  2. 1. gewenste regelmaat
  3. 2. een hiërarchische organisatie
ordine
noun
  1. 2. keukenkruid
  2. 1. Origanum vulgare
origano
noun
  1. 1. Onderdeel van het organisme
  2. 2. Communicatiemiddel
organo
/ˌɔrɣɑniˈzasi/, /ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
  1. 3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
  2. 1. het organiseren
  3. 2. de manier waarop iets georganiseerd is
organizzazione
pronoun
Organizzazione per la cooperazione e lo sviluppo economico
pronoun
Organizzazione per la sicurezza e la cooperazione in Europa
noun
1. iemand die organiseert of die organisatietalent heeft
organizzatore
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
organismo
/ɔr.ˈɣaː.no.ɣe.ˌneːzə/
noun
1. het zich ontwikkelen van organen uit enkele typen weefsel
organogenesi
noun
1. diagram dat laat zien hoe taken en zeggenschap in een bedrijf of ander samenwerkingsverband zijn verdeeld
organigramma
/ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
organo
/ˈɔrxi/
noun
orgia
adjective
rosso oriente
/ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
orca
noun
1. een bijzonder hevige storm
uragano
/ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
orchestra
/ɔrtodɔk'si/
noun
ortodossia
noun
1. gecastreerde stier
  1. bue
  2. bove
noun
1. Chemisch element
osmio
pronoun
1. een taal uit de centrale Kaukasus
ossetico
/oˈtitəs/
noun
1.
otite
pronoun
1. de hoofdstad van Canada
Ottawa
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
lontra
pronoun
2. spelwoord voor de letter o
Otranto
/aʊ̯d/, /ɔʊ̯t/, /ʌʊ̯t/
adjective
  1. 3. vorige
    vecchio
    1. 2. oud ding, concept
    2. 1. oud mens, dier
    1. vecchio
    2. anziano
noun
1. reeks boeken in de christelijke Bijbel die zijn ontleend aan de joodse Tenach
antico testamento
pronoun
1. het Engels zoals dat tussen ca. 400 en 1100 werd gesproken en dat wordt gezien als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels en nog later het moderne Engels
anglosassone
/ˈaʊ̯.dər/, /ˈɔʊ̯.dər/, /ˈʌʊ̯.dər/
noun
1. de moeder of vader van een kind
genitore
noun
vecchiaia
pronoun
1. het Frans zoals dat in het noorden van Frankrijk gesproken werd van de 10e tot de 14e eeuw
  1. francese antico
  2. antico francese
pronoun
1. een nu dode taal die werd gesproken in Griekenland
greco antico
/ɑʊ̭tɦɛɪ̭t/
noun
1. het tijdperk van de geschiedenis vóór de middeleeuwen
antichità
pronoun
1. de voorloper van het huidige Duits in de periode 700-1050
alto tedesco antico
pronoun
1. de Slavische taal die rond de negende eeuw rond Thessaloniki gesproken werd
  1. slavo ecclesiastico antico
  2. antico slavo ecclesiastico
pronoun
1. een West-Germaanse taal die gesproken werd tussen ongeveer 800 en 1150 in delen van Nederland, België, Frankrijk en Duitsland en die de voorloper was van het Middelnederlands en vervolgens het huidige Nederlands.
antico olandese
/'ʌʊtom/
noun
1.
prozio
adjective
rosa antico
pronoun
1. taal die vanaf de 10e tot in de 15e eeuw werd gesproken door de bewoners van Castilië
spagnolo antico
/'ʌʊtɑntə/
noun
1.
prozia
noun
1. een meestal instrumentaal muziekstuk dat als opening fungeert van een opera of operette
ouverture
noun
  1. ovaia
  2. ovario
  3. ovaio
noun
ovazione
/ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
forno
adverb
1.
  1. dappertutto
  2. ovunque
noun
sovraprenotazione
noun
1. excessief verbruik van goederen en/of diensten
consumo eccessivo
verb
1. de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn
esagerare
noun
1.
esagerazione
noun
2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
contratto
noun
1. een werkwoord dat vergezeld wordt door een lijdend voorwerp in een zin, dat gewoonlijk in de lijdende vorm het onderwerp kan worden
verbo transitivo
verb
  1. 2. capituleren
    1. capitolare
    2. arrendersi
  2. 1. braken
    1. vomitare
    2. rimettere
noun
1. moeder van de grootvader of van de grootmoeder
  1. bisnonna
  2. bisavola
/ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
  1. bisnonno
  2. bisavolo
/ˈovərɦɛit/
noun
1. het geheel aan gezagvoerende lichamen
autorità
/ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Overijssel
/ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
sopravvivere
conjunction
1. omdat of aangezien, geeft onderschikkend een reden aan
perché
adverb
  1. dopodomani
  2. posdomani
verb
1. ergens de nacht doorbrengen
pernottare
verb
1. iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
sovrastimare
noun
galoscia
noun
2. verandering van vervoermiddel
coincidenza
verb
1. doorkruisen om de overzijde te bereiken
attraversare
/ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
  1. inondazione
  2. allagamento
  3. alluvione
noun
1.
  1. iperturismo
  2. sovraturismo
verb
1. bepaalde denkbeeldige of daadwerkelijke lijnen te buiten gaan
violare
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
convincere
/'ovərʋɛx/, /ovər'ʋɛx/
noun
1. een kruising van een weg met een spoorbaan
incrocio ferroviario
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
ovulazione
pronoun
Oxford
noun
ossidazione
noun
ossido
adjective
rosso ossido
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
ozono
noun
4. (heraldiek) een loodrechte band midden over een wapenschild
palo
noun
palafitta
noun
2. bepaald soort Europese kleine zangvogel, Saxicola rubetra
stiaccino
/paːrt/
noun
  1. 1. tam hoefdier met manen
  2. 3. schaakstuk
cavallo
noun
  1. 1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
    1. dente di leone
    2. soffione
  2. 1. samengesteldbloemige plant Taraxacum officinale
    1. taràssaco comune
    2. soffione
/'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
cavallo vapore
noun
    1. 2. haardracht
    2. 3. staart van een paard
    coda di cavallo
  1. 1. sporenplant
    equiseto
/ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
scuderia
/ˈpaːrt.rɛidə(n)/
noun
het rijden op een paard, ter ontspanning of als sportbeoefening
equitazione
adjective
blu violaceo
/ˈparsəx/, /ˈparsəχ/
adjective
2. op paars lijkend
  1. violastro
  2. violastra
noun
  1. 2. ter gelegenheid van Pasen gekleurd en versierd kippenei
  2. 1. ei van chocolade of suiker dat op of omstreeks Pasen gegeten wordt
uovo di Pasqua
noun
  1. coniglietto pasquale
  2. coniglio di Pasqua
  3. coniglio pasquale
noun
  1. cardiostimolatore
  2. segnapassi
noun
affitto
pronoun
1. oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Ausralië
Oceano Pacifico
/pɛːt/
noun
  1. 1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
    rospo
  2. 1. een smalle weg of voetweg
    1. sentiero
    2. cammino
  3. 1. deel van een fietsframe
    portamozzo
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
fungo
/paˈeʎa/
noun
1. gerecht
paella
noun
1. persoonlijke dienaar van iemand
paggio
noun
pagina
/ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
  1. Pakistan
  2. Pachistania
noun
1. Aziatische groene koolsoort met witte stelen Brassica rapa subsp. chinensis
  1. bok choy
  2. pak-choi
/palaˈdɛin/
noun
2. een ridder of hofdienaar
  1. paladina
  2. paladino
/pa.ˈlaʊ̯/, /pa.ˈlɔʊ̯/, /pa.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Palau
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
palazzo
/palejoˈɣen/
noun
1.
Paleogene
adjective
paleolitico
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
paleontologia
/ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
Paleozoico
pronoun
Palermo
adjective
1.
palestinese
pronoun
Palestina
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
palindromo
noun
1. bepaald soort langwerpige consumptievis, Anguilla anguilla
anguilla
noun
1. chemisch element
palladio
noun
pallio
noun
  1. 1. (sub-)tropisch gewas
  2. 2. binnenzijde van de hand
palma
noun
palma
noun
olio di palma
pronoun
1. de zondag voor Pasen
Domenica delle Palme
/pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
padella
adjective
1.
paneuropeo
/ˈpa.na.ma/, /ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
Panama
noun
panama
pronoun
Canale di Panama
noun
4. kanaaldeel
tratto
noun
1. (zoogdieren) een beerachtig dier uit het Himalayagebied
panda
/ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
pandemia
noun
1. de theologische positie dat God immanent is in de gehele schepping en dat het universum een deel is van God en dat God de drijvende kracht vormt achter het universum
panenteismo
noun
1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
  1. crespolino
  2. crespella
noun
pantaloni
noun
1. benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
pantera
noun
1.
pantheon
/pɑn.teʲ'ɪsmə/
noun
panteismo
noun
pantofola
/pɑnˈtɔfəldirtʲə/
noun
1. eencellig diertje
paramecio
/paˈpa.ja/
noun
1. en 2. (vrucht van) de boom Carica papaya
  1. papaia
  2. papaya
noun
1. een plantengeslacht waarin ook de opiumpapaver thuis hoort
papavero
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
pappagallo
noun
graffetta
pronoun
1. taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
papiamento
pronoun
1. een taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
papiamento
/pɑ'pir/
noun
1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
carta
/ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
Papua Nuova Guinea
/ˈpaprika/, /ˈpɑprika/
noun
2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
peperone
adjective
bianco papiro
/ˌparaˈboɫ/
noun
1. kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt.
parabola
noun
paradiso
/ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoɣəl/, /ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoχəɫ/, /ˌpɑrɑˈdɛːsvoɣəl/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Paradisaeidae
  1. paradisea
  2. uccello del paradiso
noun
paradosso
/ˌparadɔkˈsal/
adjective
1. tegenstrijdig lijkend
paradossale
noun
1. achtervoeging van slotklank
epitesi
/ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /ˈparaˌɡwe/
pronoun
Paraguay
noun
parallasse
noun
parallelepipedo
/paralɛloˈɣrɑm/, /pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
parallelogramma
/ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
  1. ombrello
  2. ombrella
noun
1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
parassita
noun
1. leer en studie van de parasieten en het parasitisme
parassitologia
noun
parasole
noun
1. in het kaf voorgekookte rijst
riso bianco
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx pardinus
  1. lince iberica
  2. lince pardena
  3. lince spagnola
noun
1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
perla
noun
1. rond gepolijste gepelde gerst
orzo perlato
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Numididae
faraona
/parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
madreperla
adjective
blu genziana perlato
adjective
grigio scuro perlato
adjective
verde perlato
adjective
rosso rubino perlato
adjective
violetto perlato
adjective
oro perlato
adjective
beige perlato
noun
rame perlato
adjective
rame perlato
adjective
grigio chiaro perlato
adjective
verde opalo perlato
adjective
rosa perlato
adjective
mora perlato
adjective
grigio topo perlato
adjective
blu notte perlato
adjective
arancio perlato
adjective
bianco perla
verb
profumare
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
Parigi
noun
1. een installatie met klok die na de muntinworp de toegestane parkeertijd aangeeft
  1. parcometro
  2. parchimetro
verb
1. (een voertuig) tijdelijk ergens laten staan
parcheggiare
noun
vogel
parrocchetto
noun
parlamento
adjective
1. betreffende Parma
Parmigiano
noun
1. gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
parrocchia
/pa.ˈrɔ.xiˌkɛrk/, /pa.ˈrɔ.χiˌkɛrk/
noun
1. een lokaal kerkgebouw dat het religieuze centrum van een parochie vormt
chiesa parrocchiale
noun
1. ontsteking van het nagelbed
paronichia
noun
parsec
noun
1. eenheid voor druk (symbool: Pa)
pascal
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
Pasqua
noun
passaporto
noun
aereo di linea
noun
compasso
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
  1. frutto della passione
  2. maracuja
noun
1. de benaming voor een aantal Italiaanse deegproducten
pasta
adjective
blu pastello
adjective
giallo pastello
adjective
arancio pastello
adjective
turchese pastello
adjective
violetto pastello
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
pastinaca
noun
  1. pastore
  2. prete
noun
1. remise doordat een speler geen zet meer kan doen
stallo
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
Patagonia
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
patologia
adjective
1. ziekte betreffend
patologico
noun
1. een medisch specialist die de pathologie beoefent
patologo
adjective
verde patina
noun
1. een al dan niet omheinde binnenplaats bij een huis of ander pand
patio
/pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
paziente
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
pernice
verb
pattugliare
pronoun
1. stad in Thailand
Pattaya
/pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
  1. papa
  2. pontefice
adjective
1. betrekking hebbend op de paus, het hoofd van de rooms-katholieke kerk
papale
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
pavone
/ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
pausa
noun
  1. 1. met de voet te bedienen hefboom
  2. 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
pedale
noun
1.
  1. paidofilia
  2. pedofilia
noun
1. vrucht
  1. pera
  2. pero
adjective
1. de vorm hebbend van een peer, dus rond met één enkele uitloper
piriforme
/pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
tendine
noun
padrino
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
pellicano
noun
1. zoogdier waarvan de behaarde huid als bont gebruikt wordt
animale da pelliccia
adjective
grigio vaio
noun
1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
penna
noun
1. een directe vrije trap voor de aanvallende partij na een zware overtreding van de verdedigende partij binnen het strafschopgebied
  1. calcio di rigore
  2. rigore
  3. penalty
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
pene
noun
pennello
noun
1.
buchi contributivi
noun
fondo pensione
noun
1. C₅H12
pentano
noun
pentagramma
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
pepe
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Mentha × piperita
menta piperita
noun
1. vluchtige olie, uit de bladeren en bloesemtoppen van de pepermuntstruik Mentha × piperita bereid
olio di menta piperita
noun
pepaiola
/pɛrsɛnˈtaʒə/
noun
1. een percentsgewijze berekend bedrag of hoeveelheid
percentuale
/perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
pero
/pɛrˈfɛkt/
adjective
1. zonder enig gebrek
perfetto
noun
perfezione
verb
1. meer perfect of volmaakt maken
perfezionare
noun
perineo
/pɪri'jodɘ/
noun
1. tijdperk
periodo
adjective
1. periodisch, regelmatig terugkerend
periodica
noun
1.
tavola periodica degli elementi
noun
1. een dun schrijfmateriaal, gemaakt van huid van kalveren, koeien, geiten, schapen, konijnen of ezels
pergamena
noun
1. populistische en nationalistische politieke stroming in Argentinië
peronismo
/pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
banchina
noun
1. samengeperste lucht onder een bepaalde druk
aria compressa
noun
  1. 1. menselijk individu
  2. 2. grammaticaal begrip
persona
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
pronome personale
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
personalità
/pɛrˈsoːnsˌfɔrm/
noun
1. finiet werkwoord
verbo finito
/peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Perù
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
pesca
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
  1. persiano
  2. farsi
pronoun
1.
Golfo Persico
pronoun
Peshawar
noun
(medisch) Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis
peste
noun
pesticida
noun
1. bepaald soort vogel, Bombycilla garrulus
beccofrusone
noun
1. tamelijk plat hoofddeksel met een klep
berreto
noun
2. kruid
prezzemolo
noun
groente
radice di prezzemolo
noun
1. gesteentekunde
petrologia
pronoun
  1. 1. discipel van Jezus
  2. 3. Peter
Pietro
noun
  1. 2. sigaret
    cicca
  2. 1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
    1. cicca
    2. mozzicone
    3. mozzicone di sigaretta
noun
2. en 3. (peulen van) Pisum sativum var. saccharatum
taccole
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. grotere van de twee manen van Mars
Fobos
noun
1. musicus die een piano bespeelt
pianista
noun
1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
  1. pianoforte
  2. piano
/pɪˈkɑrdɪʲə/
pronoun
regio in Noord-Frankrijk
  1. Piccardia
  2. Picardia
noun
1. piccolofluit
ottavino
noun
1. een maaltijd in de vrije natuur
picnic
noun
1.
picometro
noun
picosecondo
noun
1. geslachtsdeel van de man, penis gebruikt voor onvolgroeide jongens
  1. pistolino
  2. pisello
/piːr/
noun
2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
  1. molo
  2. pontile
noun
ringetje, staafje enz.
piercing
pronoun
1. jongensnaam
  1. Pietro
  2. Piero
pronoun
1. hoofdstad van KwaZoeloe-Natal
Pietermaritzburg
noun
1. projectiel
freccia
noun
sfinge
/pɛɪ̯n/, /pɛːn/
noun
    1. 1. lichamelijk leed
    2. 2. geestelijk leed
    dolore
  1. 1. pijnboom, een naaldboom uit het geslacht Pinus
    pino
/ˈpɛɪ̯nɑpəɫˌkliːr/, /ˈpɛːnɑpəlˌkliːr/
noun
1. klier in de hersenen, die melatonine uitscheidt
ghiandola pineale
adjective
verde pino
/ˈpɛːinlək/, /ˈpɛːnlək/
adjective
1. pijn gevend
doloroso
/'pɛːinstɪlər/
noun
1. middel
analgesico
noun
  1. 3. pek
    pece
  2. 4. wrok
    picca
  3. 2. houweel
    piccone
/ˈpɪkhʌʊʋɪ:ɫ/
noun
1. hakwerktuig met steel, voorzien van een punt aan de ene zijde en een beitelachtige voorziening aan de andere zijde
piccone
noun
  1. 1
  2. 2
pillola
noun
1. een bestuurder van een vliegtuig, luchtschip of race-auto
pilota
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
cinciarella
noun
  1. 1. een tot de vlinderbloemenfamilie behorende plant
    arachide
  2. 2. een vrucht van deze plant
    1. arachide
    2. nocciolina
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
burro di arachidi
/ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
pinguino
noun
1. de vijfde, kleinste en buitenste vinger
mignolo
pronoun
1. Christelijk feest
Pentecoste
noun
1. tweede pinksterdag
lunedì di Pentecoste
noun
1. de zaterdag voor Pinksteren
sabato di Pentecoste
/piˈɔn/
noun
  1. 1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
    pedone
  2. 2. subatomair deeltje dat bestaat uit twee quarks en dus een boson is
    pione
noun
  1. pioniere
  2. iniziatore
noun
1.
pirata
noun
1.
piramide
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
uretra
verb
1. plassen
pisciare
noun
pistacchio
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
pistola
noun
2. kaarsen- of lampenpit
  1. lucignolo
  2. stoppino
noun
1. een beeldpunt
pixel
/ˈpidza/, /ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
pizza
noun
  1. 1. persoon
    pizzaiolo
  2. 2. bedrijf of winkel
    pizzeria
noun
1. restaurant
pizzeria
pronoun
Piemonte
noun
piezoelettricità
/plaːts/
noun
1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
  1. luogo
  2. posto
noun
1. precieze plek waar een misdaad is gebeurd
scena del crimine
verb
1. op een bepaalde plaats zetten
  1. collocare
  2. piazzare
/platsˈvɪndə(n)/
verb
1. gebeuren, geschieden, plaatshebben
avere luogo
/plɑˈfɔnt/
noun
1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
soffitto
/ˈplɑg.bɑnt/
noun
1. een lintvormige drager die aan één of beide zijden bedekt is met kleefstoffen
  1. nastro adesivo
  2. scotch
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
pianeta
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
planetario
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
  1. asteroide
  2. planetoide
/plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
tavola
noun
planologia
noun
  1. 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
  2. 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
pianta
/plɑntˈaːr.dəx/
adjective
1. tot de planten behorend, uit planten bestaand of daarvan afkomstig
vegetale
verb
1. (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
piantare
noun
1. dier dat uitsluitend plantaardig voedsel eet
erbivoro
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
botanica
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
uretra
/plɑs.ˈmi.də/
noun
1. een ringvormig DNA-molecuul dat voornamelijk voorkomt voor bij bacteriën
plasmidio
/plɑs.mo.ˈdɛs.ma/
noun
plasmodesma
/'plɑstik/, /'plɛstɪk/
noun
plastisch vervormbare polymere kunststof
plastica
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
platino
adjective
grigio platino
noun
1. het plaatje waarmee snaren worden aangeslagen
plettro
noun
1.
affido familiare
noun
piazza
/ˈplɛinˌvreːs/
noun
agorafobia
noun
  1. 2. zelfklevend verband
    cerotto
  2. 1. (gipshoudend) kalkmengsel
    1. gesso
    2. stucco
/plejoˈnɑsmə/
noun
1.
pleonasmo
noun
1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen
dovere
noun
1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
aratro
verb
2. land met de ploeg bewerken
arare
noun
1. snijdend deel van ploeg
vomere
/ploˈsif/
noun
1. medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie...
consonante occlusiva
/'plɵkə(n)/
verb
  1. 1. (bloemen) afbreken of oogsten
  2. 4. (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
raccogliere
noun
segno più
pronoun
1.
Plutone
noun
1. Chemisch element
plutonio
/ˌplyvioˈɣraf/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag meet
pluviografo
/ˈplyvioˌmetər/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag meet
pluviometro
noun
1. longontsteking
polmonite
/po/
pronoun
1. stroom in Italië
Po
noun
1. digitale radio-uitzending waarbij een audiobestand op internet wordt gezet...
podcast
noun
1. Frans krulharig hondenras
barbone
noun
1. platte doos voor cosmetisch poeder
portacipria
noun
1. zeer fijn gemalen suiker
zucchero a velo
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis concolor
  1. puma
  2. coguaro
noun
1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
cacca
noun
1.kaartspel
poker
noun
2. epidemische huidziekte
vaiolo
pronoun
1. Polaris
Polaris
/ˈpɔldəʀ/
noun
1. een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
polder
/ˈpolə(n)/, /ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
Polonia
noun
1.
politica
noun
1. een discipline
scienza politica
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
  1. polizia
  2. forza pubblica
/poliˈtik/
adjective
1. betreffende de politiek
politico
/poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
politica
verb
politicizzare
noun
  1. 1.(Nederland) een vrij vlakke, houten of kunststoffen lepel gebruikt voor het roeren van voedsel dat toebereid wordt
    cucchiaio di legno
  2. 2.(België) een diepe, grote lepel met een lange steel gebruikt voor het opdienen van soepen, sauzen e.d.
    mestelo
noun
1. Chemisch element
polonio
noun
anatomie: 1. gewricht
polso
noun
1. een spook dat veel lawaai maakt
poltergeist
noun
poliammide
noun
poliandria
noun
2. thermoplastisch polymeer
policarbonato
adjective
poliestere
noun
polifonia
noun
poligamia
noun
poliglotta
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
poligono
noun
1.
polimero
noun
acido polilattico
noun
polimetilmetacrilato
noun
polimorfismo
pronoun
1. eilanden in de Grote Oceaan of Stille Oceaan die samen Oceanië vormen
Polinesia
noun
thermoplastische kunststof, bereid door polymerisatie van propeen
polipropilene
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
polisemia
noun
1. godsdienst met meer dan één god
politeismo
noun
1. en 2. (vrucht van de) boom Citrus maxima × Citrus ×paradisi
pomelo
pronoun
1. historische regio in het zuiden van de Oostzee
Pomerania
noun
pompa
/ˈpɔmpəlˌmus/, /ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
2. een vrucht van deze boom
  1. pompelmo
  2. pomelo
pronoun
1.
Pompei
noun
vigile de fuoco
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
zucca
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
  1. libbra
  2. lira
noun
kaart die tot de jaren 80 werd gebruikt voor het vastleggen van gegevens d.m.v. erin geponste gaatjes
scheda perforata
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
pony
/'poːjər/
noun
1. een man die prostituees tegen betaling beschermt en helpt.
  1. magnaccia
  2. lenone
/pok/
noun
1. stang om het vuur op te porren
attizzatoio
/pol/, /poɫ/, /po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
polacco
noun
A 1. uiteinde van een draaiingsas
polo
noun
1.
aurora polare
/poɫs/, /poːls/, /po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
polacco
noun
1. bepaald soort zoogdier, Alopex lagopus
volpe artica
noun
1. benaming voor zeevissen uit familie Triglidae
pesce cappone
/poːrt/
noun
1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
cancello
noun
zampa
noun
1. speeltuig
  1. bambola
  2. burattino
  3. pupazzo
  4. bambolotto
noun
1. een in het klein uitgevoerde versie
  1. casa delle bambole
  2. casa della bambola
noun
1.
  1. pioppo
  2. albero
noun
pornografia
/pɔrsəlɛːn/, /pɔrsəˈlɛɪn/
noun
  1. 1. fijn, geglazuurd aardewerk
  2. 2. voorwerpen van fijn, geglazuurd aardewerk
porcellana
noun
parola macedonia
noun
1. een deel van een voorraad toebedeeld aan een bepaald persoon
porzione
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
ritratto
/'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
Portogallo
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
adjective
1. verwijzend naar Portugal of naar de Portugese taal
portoghese
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
noun
1. inwoner van Portugal
portoghese
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
portoghese
noun
1. bepaald soort vis, Gymnocephalus cernuus
acerina
/po'zisi/
noun
  1. 7. de ligging van de hand
  2. 1. een stand van het lichaam
  3. 2. een innerlijke houding
  4. 3. een plaats van waaruit men iets onderneemt
  5. 4. een toestand waarin iemand zich bevindt
  6. 6. een maatschappelijke stand
  7. 8. een opstelling van troepen en materieel
posizione
adjective
positivo
noun
positrone
/pɔs/, /pɔst/
noun
1. toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
posta
noun
1. postbeambte
  1. postino
  2. portalettere
noun
1. een afgerichte duif die berichten kan overbrengen
  1. piccione viaggiatore
  2. colombo viaggiatore
noun
1. bepaalde soort eenjarige groene plant, Portulaca oleracea
porcellana
noun
1. koerier die de post vervoerde
postiglione
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
posta
adjective
1.
postcoloniale
adjective
1. na een letsel
post-traumatico
/ˈpɔ(st)sɑk/
noun
1. zak om poststukken in te verzamelen en te vervoeren
sacco postale
/ˈpɔseɣəl/, /ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
  1. francobollo
  2. bollo
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
  1. matita
  2. lapis
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
capodoglio
adjective
1. teleurstellend klein of gering
povero
noun
1. in ritme, maat en klank verwoorden
poesia
/prax/, /praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Praga
noun
1.
pragmatismo
/ˈprɑkə(n)/
verb
1. eten fijndrukken
schiacciare
/ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
praseodimio
/ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
parlare
/presəˈdɛnt/
noun
  1. 1. eerder plaatsgevonden hebbend geval
    precedente
  2. 2. bestaande jurisprudentie die dient ter beslechting van een vergelijkbaar geschil
    pregiudiziale
noun
3. (grammaticaal) gezegde
predicato
noun
aggettivo predicativo
noun
nome predicativo
/ˌpredikaˈtif/
adjective
predicativo
pronoun
Ecclesiaste
noun
predica
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
prefisso
noun
preistoria
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
porro
noun
cacciatore di taglie
noun
1. de eerste vaak feestelijke vertoning van een film, toneelstuk of een andere vorm van entertainment
prima
noun
libro illustrato
noun
1. voorhuid van penis
prepuzio
noun
1. het staatshoofd van een republiek
presidente
noun
1. vaak fraai gevormd, zwaar voorwerp dat men boven op een stapel losse papieren kan leggen zodat de papieren niet kunnen wegwaaien
fermacarte
noun
  1. prestazione
  2. realizzazione
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
priapismo
noun
1. priemgetal
numero primo
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
  1. prete
  2. sacerdote
noun
1. een vrouw die de taak heeft religieuze rituelen te verzorgen
sacerdotessa
noun
  1. 2. een uitzonderlijke beloning, bijvoorbeeld voor een bepaalde prestatie
    premio
  2. 1. de gevraagde geldsom bij verkoop
    1. prezzo
    2. premio
verb
1. iemand lof toezwaaien
lodare
noun
1. materiaal bestaande uit een dubbele, in elkaar gedraaide metalen draad...
filo spinato
/ˈprɪkələn/
verb
5. (seksueel) opwinden
eccitare
noun
1. eerste sopraan van een operagezelschap
prima dona
noun
  1. 1. benaming voor zoogdieren uit de orde Primates
  2. 2. kerkelijke titel
primate
/'primyla/
noun
1.
primula
/prɪnˈsipə/
noun
principio
noun
  1. 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
  2. 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
principe
noun
  1. 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
  2. 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
principessa
/ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
stampante
noun
priore
/pri'vatrɛxt/
noun
1. vakgebied van het recht m.b.t. de onderlinge verhoudingen tussen private personen, maar ook hun privébelangen
diritto privato
noun
1. de tijd die besteed wordt aan persoonlijke bezigheden
vita privata
/proˈberə(n)/
verb
  1. provare
  2. cercare
  3. tentare
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
problema
adjective
1. een probleem vormend
problematico
/prosəˈdyrə/, /proseˈdyrə/
noun
  1. 1.
  2. 4.
  1. procedura
  2. procedimento
/proˈsɛs/
noun
2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
  1. processo
  2. procedimento
/proˈsɛˌsi/
noun
processione
noun
1. het resultaat van een bewerking
prodotto
noun
1. voortbrenging
produzione
adjective
1. vruchten afwerpend
produttivo
noun
2. proefpersoon
cavia
noun
progesterone
noun
1. een applicatie voor de computer
programma
noun
linguaggio di programmazione
verb
1. het schrijven van computerporgramma
programmare
/proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
progetto
noun
proiezione
noun
proletario
noun
1. verhandelbare schuldbekentenis
pagherò
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
promezio
/proˈmotsi/
noun
  1. 2. bevordering naar een hogere speelklasse
  2. 1. een verhoging in rang
promozione
noun
1. en 2. (peulvrucht van) Phaseolus coccineus
fagiolo di spagna
/prost/
interjection
1. heildronk
  1. cin cin
  2. salute
  3. alla salute
  4. cincin
noun
1. C₃H₈
propano
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
propaganda
noun
1. CH₃CH₂COOH
acido propionico
noun
1. een Italiaanse mousserende wijn
prosecco
noun
1.een klier tussen de blaas en de penis van de man
prostata
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
  1. prostituzione
  2. meretricio
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
protoattinio
noun
1.
protagonista
noun
2.
protezionismo
verb
1. grote bezwaren uiten
protestare
noun
1.
proteina
noun
1. een kunstmatig lichaamsdeel
protesi
noun
1. voorvoeging van beginklank
prostesi
noun
4. geheel van voorschriften en afspraken in de internationale diplomatieke omgang
protocollo
/'protɔn/
noun
protone
noun
1. oorspronkelijk model, eerste model van een product
prototipo
/pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
provincia
noun
provocazione
noun
1. een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordt
parrucca
noun
2. vrucht van de pruimenboom
  1. prugna
  2. susina
noun
prugne secche
pronoun
Prussia
noun
1. een variant van de kleur blauw met een groenachtige ondertoon
azzurro di Prussia
noun
ferraglia
noun
1. een bak waar het afval in wordt gedeponeerd totdat de vuilnisdienst het ophaalt
secchio delle immondizie
/psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
salmo
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
Salmi
noun
1. een vorm van kristalartropathie door afzetting van calciumpyrofosfaat
pseudogotta
/psœydoˈnim/
noun
1. een aangenomen naam waaronder men iets publiceert
pseudonimo
noun
pseudoscienza
/ˌpsɪxeˈdelɪs/
adjective
1. de werking van het bewustzijn verruimend
psichedelico
noun
psichiatra
noun
psichiatria
adjective
1. met betrekking tot de behandeling van geestelijke stoornissen
psichiatrico
/psixoloˈɣi/, /psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
psicologia
adjective
1. met betrekking tot het gevoelsleven.
psicologico
/ˌpsi.χo.ˈloχ/, /ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
psicologo
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
psicopatico
/psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
psicosi
noun
1. stroming in de psychologie
psicoterapia
noun
1. het proces van seksuele rijping van kind naar volwassene en het gedrag dat daar bij hoort
pubertà
/pyˈblik/
adjective
2. wat het publiek aangaat
pubblico
/pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
pubblico
noun
1. harde rubberen schijf gebruikt bij ijshockey
dichetto
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Porto Rico
noun
1. een damesschoen zonder sluiting en met hoge hak
scarpa décolleté
pronoun
1. taal die in de Punjab, zowel in India als in Pakistan gesproken wordt
punjabi
noun
1. een positie in de ruimte
punto
noun
1. taps toelopende houder met een mesje dat bedoeld is voor het aanslijpen van een verse punt aan een potlood
temperamatite
noun
1. een leesteken dat twee nauw aan elkaar gerelateerde zinnen tot een geheel verbindt (;)
punto e virgola
noun
1. oogappel
pupilla
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
  1. cagnolino
  2. cucciolo
noun
1. chocolade van zuivere cacaopasta plus suiker
cioccolato fondente
noun
1.
purista
adjective
rosso porpora
adjective
porpora violetto
/pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
pozzo
noun
acroniem van polyvinylchloride
cloruro di polivinile
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
pigiama
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Pirenei
noun
2. een vaste stof die het structuurtype heeft waarvan [1] het archetype is
pirite
noun
1. een niet-giftige en grote wurgslang
pitone
/kɑt/
noun
1. blad van een bedektzadige plant Catha edulis
qat
/ka'tar/, /ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
Qatar
noun
1. volgeling van een religieuze beweging gekend onder de naam Genootschap der Vrienden
quacchero
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
quarantena
/kwɑrk/
noun
quark
noun
quasar
noun
1. iemand die voortdurend klaagt over onrecht dat hem zou zijn aangedaan
lamentoso
/kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
quinoa
pronoun
3. spelwoord voor de letter q
Quartomiglio
noun
1. spel waarbij de deelnemers vragen moeten proberen te beantwoorden
quiz
noun
  1. 2. spelwoord voor de letter q
    Quartomiglio
  2. 1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
    quoziente
/rat/, /raːd/
noun
2. een orgaan dat bestaat uit leden die raadgevende of beslissende bevoegdheden bezitten
consiglio
pronoun
Consiglio dell'Unione europea
pronoun
Consiglio d'Europa
verb
1. een bron van informatie of ervaring aanspeken
consultare
noun
1. iets waarnaar men moet raden
  1. indovinello
  2. enigma
/raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
  1. corvo
  2. corvo imperiale
noun
1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
finestra
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
rabarbaro
noun
1. vocht uit de stengels van Rheum rhabarbarum
succo di rabarbaro
/rɑˈbɛin/
noun
rabbino
noun
razzismo
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
radiante
noun
1. een toestel dat door straling warmte afgeeft, ofwel ter verwarming van een ruimte, ofwel ter koeling van bijvoorbeeld een motor
  1. radiatore
  2. calorifero
verb
radicalizzare
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
ravanello
/ˈradijo/
noun
  1. 1. toestel
  2. 2. medium
radio
adjective
radioattivo
noun
1.
radioattività
noun
1. het medisch specialisme...
radiologia
noun
  1. radiologista
  2. radiologisto
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
  1. radio
  2. radium
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
  1. radon
  2. rado
noun
  1. 2. een baan waar een railvoertuig over rijdt
    1. binario
    2. ferrovia
  2. 4. een metalen richel waarover een gordijn dat aan wieltjes hangt, kan rollen
    guida
  3. 1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
    rotaia
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
  1. missile
  2. razzo
noun
1. tint van een kleur zoals gedefinieerd door een Duitse organisatie voor handelsnormen
colori RAL
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
Ariete
noun
1. mannelijk schaap
  1. montone
  2. ariete
noun
1. gammel voertuig op wielen
  1. trabiccolo
  2. macinino
noun
rango
noun
1. een telwoord dat een rangorde of volgorde aanduidt
numerale ordinale
noun
1. bepaald soort vogel, Asio otus
gufo comune
pronoun
1. een taal die op Paaseiland gesproken wordt
rapanui
verb
1. het uitbrengen van een verslag of rapport
riferire
noun
razza
noun
1. een grofgetande vijl die wordt gebruikt om rondingen aan hout te maken
grattugia
/rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
  1. ratto
  2. topo
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
  1. serpente a sonagli
  2. crotalo
adverb
1. ongekookt en vers
crudo
noun
1. kleine vierkante deegplakjes die gevuld zijn met gehakt, tomaten en kruiden, overgoten met bijpassende saus
ravioli
noun
reattanza
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
reazione
noun
provetta
verb
1. op een nieuwe situatie actie ondernemen
reagire
noun
realismo
noun
1. soort raadsel
rebus
noun
  1. 1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
  2. 2. doktersvoorschrift voor (de bereiding van) een geneesmiddel
ricetta
noun
recessione
noun
1. het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
diritto
noun
1. hoek van 90 graden
angolo retto
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
diritti umani
noun
1. student in de rechtsgeleerdheid
studente di giurisprudenza
/ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
giudice
pronoun
Giudici
noun
avente diritto
/'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
rettangolo
adjective
1. tegenovergestelde van links
  1. destro
  2. destra
noun
1. feit of samenstelling van feiten waaraan het recht rechtsgevolgen verbindt
fatto giuridico
noun
1. kennis of studie van recht
giurisprudenza
noun
1. doelgerichte wilsuiting die rechtsgevolgen heeft
atto giuridico
/ɾɛχts.pɛɾ.soːn/
noun
1. groepering van goederen of natuurlijke personen die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
persona giuridica
noun
1. staat waarvan de macht gereguleerd en beperkt wordt door het geldende recht
stato di diritto
noun
1. drager van subjectieve rechten en plichten
soggetto di diritto
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
  1. giusto
  2. equo
verb
1. onderbouwen volgens bepaalde ethische beginselen
giustificare
verb
1. geld terugvragen
reclamare
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
salvare
noun
1. een speciaal gebouwde en uitgeruste boot om het schip in geval van nood veilig te kunnen verlaten.
sciallupa di salvataggio
noun
3. een ankerplaats buitengaats
rada
/ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
ragione
/ˌredəˈnɪːrɪŋ/
noun
1. het proces waarmee men van een aantal argumenten, premissen of axioma's tot een standpunt of conclusie komt
ragionamento
noun
1. eigenaar van een schip
armatore
noun
ridondanza
/redypliˈkatsi/
noun
1. vorming van een nieuw woorden of zinsneden door geheel of gedeeltelijke herhalen van een deel daarvan
reduplicazione
noun
1. sierlijk slank hert, komt bijna in heel Europa voor
capriolo
adjective
marrone capriolo
adverb
1. al
già
noun
1. een glycoproteïne dat vooral een belangrijke rol speelt bij het sturen van de neuronale migratie...
relina
noun
1. een stemming over een wetsvoorstel, waarbij gestemd wordt door het volk zelf...
referendum
noun
1. verwijzing
riferimento
noun
riflessione
noun
1. een onwillekeurige reactie op bepaalde prikkels
  1. riflesso
  2. rispecchiamento
noun
rifrazione
noun
ritornello
/ˈreɣəɫ/
noun
3. een voorschrift, richtlijn, norm
regola
adjective
1. aan een bepaalde regel gehoorzamend
regolarmente
adverb
1. op gezette tijden
regolare
/reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
pioggia
adjective
1. regelmatig regenend of neigend naar regen
piovoso
/ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
  1. arcobaleno
  2. iride
noun
1. het gekleurde vlies in het oog waarin de pupil zich bevindt
iride
noun
1. een tijdelijke periode van regen tengevolge van het overtrekken van een wolkenveld
pioggia
/ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
  1. pioggia
  2. piovere
noun
2. herstelgroei
rigenerazione
noun
1. toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag in een bepaalde periode op een bepaalde plaats meet
pluviometro
noun
1. een paraplu
ombrello
noun
reggenza
noun
acqua piovana
noun
chiurlo piccolo
/re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /rə.'ɣeː.rɪŋ/, /rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
governo
/ˌreɣiˈsidə/
noun
1. een bewuste moord op een koning.
regicidio
noun
1. bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
regime
noun
1. geografisch gebied
regione
noun
1. regionaal taalgebruik binnen de landstaal
regioletto
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
airone
adjective
1. met een zuiver witte kleur
bianco puro
/rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
viaggio
noun
agenzia turistica
verb
1. onderweg zijn
viaggiare
/ˈrɛɪzəɣər/
noun
  1. 2. persoon die vaak reist
    1. passeggera
    2. passeggero
  2. 1. persoon op reis
    1. viaggiatore
    2. viaggiatrice
noun
1. de optelsom van te betalen bedragen
conto
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
aritmetica
noun
1. apparaat dat rekenkundige berekeningen kan uitvoeren
calcolatore
/rəlaˈtif/
adverb
1. betrekkelijk
relativo
verb
relativizzare
/rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
religione
/relɪˈɣɪøs/, /relɪˈʝɪøs/
adjective
1. te maken hebbend met godsdienst of geloof
religioso
noun
rilievo
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
freno
/rəˈmedi/, /reˈmedi/
noun
  1. 2. iets dat iets anders corrigeert of iets schadelijks wegwerkt
    rimedio
  2. 1. een medicijn of een op genezing gerichte behandeling
    1. rimedio
    2. medicamento
verb
1. snelheid doen verminderen
frenare
/ˈrɛm.spor/
noun
  1. 1. spoor van een rubberband
    1. segno della frenata
    2. traccia di frenata
  2. 2.
    sgommata
adjective
1. met betrekking tot de nier
renale
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
renna
noun
1. Chemisch element
renio
noun
[A] 1. zeer snel lopen
correre
noun
rinnovo
verb
1. iets weer in werkende staat brengen
riparare
noun
1. vlaskam
scapecchiatoio
/rɛp'til/
noun
1.
  1. reptilia
  2. rettile
/repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
repubblica
pronoun
Repubblica delle Sette Province Unite
noun
repubblicano
adjective
repubblicano
noun
1. de manier waarop iemand bekend is
reputazione
noun
1. mis opgedragen voor een overledene
requiem
adjective
verde reseda
noun
1.
ruota di scorta
noun
1. iemand die oproepbaar is voor militaire dienst in tijden van oorlog, oorlogsdreiging of andere situaties waarin inzet van het leger nodig is
riservista
noun
resistenza elettrica
noun
risonanza
/rɛsˈpɛkt/
noun
eerbied uit hoogachting of angst
rispetto
noun
ristorante
noun
2. het minitieus herstellen van een voorwerp van kunstzinnig of historisch belang
  1. restaurazione
  2. restauro
noun
1. ophouding, het vertraagd afgeven of vasthouden van iets
ritenzione
noun
1. een verouderd toestel voor het destilleren bestaande uit een vat met een neergebogen tuit
storta
noun
3. vergoeding aan de grondeigenaar voor opstalrecht
canone
noun
1. een mannelijke hond
cane
noun
1. een buitengewoon grote man
gigante
adjective
  1. 1. zeer groot
  2. 2. in zeer hoge mate, enorm
gigantesco
adjective
gigantesco
noun
1. verkregen door uitsmelting van varkensvet
strutto
adjective
gigantesco
noun
1. een beer die leeft in de hooggelegen hellingen van berggebieden in centraal China
panda gigante
noun
1. kermisattractie
ruota panoramica
noun
  1. 4. politieke stroming die herziening van bepaalde verdragen over het afstaan van gebieden wil
    revanscismo
  2. 1-3. streven naar herziening (van het marxisme, de geschiedenis)
    revisionismo
noun
1.
rivoluzione
noun
1. een handvuurwapen met een roterende trommel met kogels
  1. rivoltella
  2. revorbaro
noun
reincarnazione
pronoun
Rhodesia
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
  1. costa
  2. costola
noun
1. een van de platte, dunne, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
costa
noun
rNA
pronoun
2. spelwoord voor de letter r
Roma
verb
1. op een bepaald doel afstemmen
puntare
/ˈrɪxtɪŋ/, /ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
direzione
noun
1. aanwijzing voor een te volgen gedrag
direttiva
noun
ricotta
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
cavaliere
noun
2. onderscheiding die door de koning wordt gegeven aan mensen die een uitzonderlijke prestatie hebben geleverd
ordine
/rim/
noun
  1. 1. een band van leer of een ander materiaal
    cintura
  2. 2. steel met een bladvormig uiteinde, bedoeld om een vaartuig voort te bewegen
    remo
  3. 3. hoeveelheid papier voor het drukken van 20 boeken, eerst 480 later 500 vellen
    risma
/rit/
noun
  1. 2. onderdeel muziekinstrument
    ancia
  2. 1. plantensoort
    canna
adjective
verde canna
noun
2. drinkbuisje
cannuccia
noun
suiker, verkregen uit het sap van suikerriet
zucchero di canna
noun
forapaglie
noun
1. een ondiepte in water, koraalbank, klip
scogliera
pronoun
1.
Riga
/rɛɪ̯/, /rɛː/
noun
2. een opeenvolging van elementen
successione
noun
1. weggedeelte bestemd voor voertuigen
carreggiata
/ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
  1. patente di guida
  2. licenza di condurre
/ˈrɛɪ̯də(n)/, /ˈrɛːdə(n)/
verb
1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
guidare
pronoun
1.
Fiume
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
  1. ricco
  2. ricca
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
noun
1. een staat of natie onder een vorst of heerser
impero
noun
1. fraai uitgevoerde bol met bovenop een kruis die symbolisch de wereld voorstelt
globo crucigero
noun
  1. 1. bevroren dauw
    1. brina
    2. calaverna
  2. 1. gelijkheid van klank in een vers
    rima
/rɛɪ̯n/, /rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
Reno
pronoun
Renania
adjective
1. geschikt voor de oogst
maturo
noun
1. bevroren dauw
  1. brina
  2. calaverna
/rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
riso
noun
1.
risicoltura
noun
1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
crusca di riso
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
ruga
noun
  1. 1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
    anello
  2. 2. cirkelvormig voorwerp
    1. anello
    2. cerchio
  3. 5. ringweg
    1. raccordo anulare
    2. anello
  4. 3. plaats waar gestreden wordt
    1. ring
    2. quadrato
noun
1. Natrix natrix
  1. serpente giarrettiera
  2. biscia dal collare
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
anulare
noun
2. huidziekte door een schimmel veroorzaakt
tigna
noun
1. apparatuur die het mogelijk maakt water uit de riolen weer voor gebruik gereed te maken
  1. impianto di chiarificazione
  2. impianto di depurazione
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
ritmo
noun
2. ritssluiting
cerniera lampo
/riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
fiume
noun
1. bepaald soort slanke eetbare Euraziatisch zoetwatervis, Gobio gobio
gobione
noun
1. een soort kreeft die in riviertjes leeft
gambero di fiume
noun
rubino
adjective
rosso rubino
/ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
robot
noun
1. kwaadsprekerij, achterklap
pettegolezzo
verb
1. op een vervelende manier over anderen praten
  1. spettegolare
  2. chiacchierare
noun
barbabietola
pronoun
Croce Rossa
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx rufus
lince rossa
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
vino rosso
noun
1. Canis rufus, een lid van de Canivora, leefde in het gehele oostelijk deel van de Verenigde Staten...
lupo rosso
noun
1.
nibbio reale
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
Mar Rosso
/ˌro.də.ˈhɔnt/
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
rosolia
noun
1. en 2. donkerrood sluitkoolgewas
cavolo rosso
noun
1. chemisch element met symbool Rh
rodio
noun
rododendro
noun
barca aremi
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
remare
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
corvo comune
noun
1. eer en glorie
gloria
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
adjective
1. betreffende Roemenië of het Roemeens
  1. romeno
  2. romena
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
  1. romeno
  2. rumeno
/ruˈmeni.jə/, /ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
Romania
noun
roentgenio
noun
1. vlak waarmee gestuurd wordt
timone
noun
1. beweegbare, stoffelijke zaak
bene mobile
noun
1. degene die aan het roer staat
timoniere
noun
1.
passaverdure
noun
1. geoxideerd ijzer
ruggine
/rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
  1. fuliggine
  2. nerofumo
//
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt door Roethenen
Ruteno
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
razza
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
segale
/ˈrɔɣəbrod/
noun
1. een van rogge gebakken brood
pane di segale
noun
1. gekiemde en gedroogde granen van rogge
malto di segale
noun
1. plat gewalste granen van rogge
fiocchi di segale
noun
1. met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van roggekorrels
crusca di segale
noun
  1. 1. buis- of kegelvormig kledingstuk
    gonna
  2. 2. rokkostuum
    marsina
noun
1. zet in een schaakspel
arrocco
/ˈroːkə(n)/
verb
  1. 3. conserveren door langdurige blootstelling aan rook
    1. affumicare
    2. fumare
    1. 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
    2. 1. rook afgeven
    fumare
verb
1.1. het doen van een zet waarbij de koning en een toren elkaar passeren
arroccare
noun
1. een gordijn dat bij het sluiten van een ronde stok wordt afgerold
  1. avvolgibile
  2. tapparella
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
  1. sedia a rotelle
  2. carrozzella
noun
1. trap met bewegende treden
scala mobile
/romɑɲˈjols/
pronoun
1. taal die in Romagna en enkele aangrenzende gebieden gesproken wordt
romagnolo
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
romanzo
pronoun
1.
Romandia
noun
1. (kool van) groentesoort Brassica oleracea convar. botrytis var. botrytis
broccolo romanesco
noun
1.
romanizzazione
adjective
romantico
/ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Roma
adjective
1. met betrekking tot Rome
romano
/roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
Impero romano
noun
  1. 2. het gedeelte van een vliegtuig zonder vleugels en stabilo
    fusoliera
  2. 1. het lichaam van een mens of dier zonder ledematen, kop of staart
    torso
adjective
1. cirkelvormig
tondo
/rod/, /rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
rosso
/rod/, /rot/
noun
1. een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm.
rosso
adjective
rossastro
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
pettirosso
adjective
marrone rossiccio
adjective
lilla rossastro
noun
1. en 2. (bladeren van) Cichorium intybus var. foliosum
radicchio
adjective
arancio rossastro
adjective
viola rossastro
noun
1. exotische roof- en zoetwatervis die voorkomt in de wateren van de Benelux, Leuciscus aspius
aspio
/ˈroˌfoχɔɫ/, /ˈroːˌfoːɣəl/, /ˈroːˌvoːɣəl/
noun
1. eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
rapace
/roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
fumo
noun
rilevatore di fumo
noun
1. een verbod om te roken
divieto di fumare
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
panna
/roːs/
noun
  1. 3. aandoening
    forfora
  2. 1. bloem
    rosa
/'rɔskɑm/
noun
1. een grof soort kam die voor het verzorgen van paarden of het schoonmaken van andere borstels gebruikt wordt
striglia
verb
1. vlas blootstellen aan fermentatie om het pectine te verwijderen dat de stengel samenhoudt
macerare
noun
2. bepaald soort vuurwerk dat na het aansteken van de lont wordt weggegooid en dan een harde knal geeft
mortaretto
noun
1. een grote ruwe steen
roccia
/ˈrɔtstœʏn/, /ˈrɔtstœːn/
noun
1. een tuin met rotspartijen en rotsplanten
giardino alla giapponese
pronoun
Rottumeroog
/ra<sup>ʊ</sup>/, /rʌʊβ̞/, /rʌːβ̞/
noun
1. grote smart of droefenis na een verlies
  1. lutto
  2. cordoglio
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
  1. ladrone
  2. rapinatore
/roːzə/, /rɔːs/, /rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
rosa
noun
2. keukenkruid
  1. rosmarino
  2. ramerino
noun
1. schijnvrucht van wilde rozen
cinorrodo
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
rosario
noun
1. kleine gedroogde vruchtjes van Vitis vinifera
uva passa
/ˈrɵ.bər/
noun
gomma
noun
1. Chemisch element
rubidio
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
  1. ruchetta
  2. rucola
  3. ruca
  4. rughetta
pronoun
2. spelwoord voor de letter r
Roma
/rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
  1. schiena
  2. dorso
noun
rugby
noun
  1. spina dorsale
  2. colonna vertebrale
noun
midollo spinale
noun
1. pijn in de rug
mal di schiena
noun
  1. zaino
  2. bisacca
noun
1. traliewerk waarachter hooi ligt
rastrelliera
/rœʏkə(n)/, /rœːkə(n)/
verb
  1. 1. een geur waarnemen
    1. fiutare
    2. sentire
  2. 2. een geur verspreiden
    sentire
/rœʏl/, /rœːl/
noun
permuta
noun
3. heelal
spazio
noun
1. vaartuig geschikt om zich buiten de aardse atmosfeer te begeven
  1. nave spaziale
  2. astronave
  3. navicella spaziale
noun
navetta spaziale
noun
2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
  1. rombo
  2. losanga
noun
1. installatie om de ruiten van een auto schoon te sproeien
lavacristallo
noun
1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
tergicristallo
noun
  1. 1. berijder van een rijdier
    1. cavaliere
    2. cavalcatore
  2. 2. uitstekend stukje
    cavalierino
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
rum
/ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
manzo
/ˈrynə/
noun
1. een schriftteken van het Oud-Germaanse alfabet
runa
noun
1. vlinderlarve
bruco
noun
1. een inwoner van Rusland
Russo
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
Russia
/ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
russo
/ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
russo
/rɵst/
noun
  1. 2. tijdelijke toestand van ontspanning na arbeid, moeite of inspanning
    riposo
  2. 1. voortdurende toestand van kalmte
    tranquillità
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
rutenio
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
rutherfordio
/ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
  1. rovina
  2. diruto
/ˌryiˈnerə(n)/
verb
1. helemaal kapotmaken
distruggere
/ru.ˈwɑn.da/, /ru.ˈʋɑn.da/, /ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
Ruanda
/saɪ̯/, /saːɪ̯/
adjective
noioso
pronoun
1.
Saarland
pronoun
Saba
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
sabotaggio
verb
sabotare
noun
1. caloriearme kunstmatige zoetstof die geen directe invloed heeft het bloedsuikergehalte
saccarina
noun
1. plechtige gebeurtenis in de katholieke kerk
  1. sacramenti
  2. sacramento
noun
1. een ruimte in een rooms-katholieke kerk, waarin men alles bewaart dat nodig kan zijn om een kerkdienst te houden.
  1. sacristia
  2. sagrestia
/sɑˈfarɪ/
noun
1. expeditie in de wildgebieden in Afrika
safari
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
zaffiro
adjective
blu zaffiro
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
zafferano
adjective
giallo zafferano
/ˈsaɣə/
noun
saga
pronoun
1. zandwoestijn in Noord-Afrika
Sahara
/sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
Saint Vincent e Grenadine
pronoun
Saint-Pierre e Miquelon
noun
  1. 2. inroeping van de bevoegdheid van de rechter
    adizione
  2. 1. directe eigendomsovergang onder algemene titel op de erfgenamen
    saisine ereditaria
pronoun
1. Duitse deelstaat
Sassonia
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
salamandra
/ˈsalami/
noun
1. Italiaanse worst
salame
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
salvia
/ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
Isole Salomone
noun
1.
salottiera
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
acido nitrico
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
samario
adverb
insieme
noun
1. gezin met kinderen van één of beide partners uit een eerdere relatie met een ander
  1. famiglia ricomposta
  2. famiglia patchwork
noun
1. een bevolking die een sociaal geheel vormt
società
verb
1. meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
comporre
noun
2. verbinding van twee of meer zelfstandige woorden
composto
noun
1. het samenwerken van meerdere personen
cooperazione
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
sami
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
sami
/sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Samoa
/ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
samurai
pronoun
Samuele
/ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
San Marino
/sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
sandalo
/ˈsɑndiˌɣemiˈnasi/, /ˈsɑndiˌχemiˈnaʦi/
noun
1. fonetisch procedé in het Fins en Italiaans, waarbij de beginklinker van een morfeem verdubbeld...
  1. raddoppiamento fonosintattico
  2. rinforzamento fonosintattico
noun
1. een Spaanse licht-alcoholische drank
sangria
noun
1. een persoon die zonder identiteitspapieren in een land verblijft
  1. clandestino
  2. immigrato senza documenti
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
sanscrito
/saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
São Tomé e Príncipe
/sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Arabia Saudita
noun
1. plantenvocht
succo
noun
1. plant die van organisch afval leeft
saprofita
noun
1.
sarcasmo
adjective
1.
sarcastico
noun
1. een stenen doodskist
sarcofago
noun
1. klein zilverkleurig haringachtig visje, Sardina pilchardus
sardina
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
sardina
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Sardegna
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 1,3 miljoen mensen op Sardinië
sardo
/sɑsaˈres/
pronoun
1.
sassarese
/ˈsatɑn/
pronoun
Satana
/sɑtɛ'lit/
noun
satellite
noun
satira
pronoun
1.
Saturno
/saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Arabia Saudita
/'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
sauna
/sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
salsa
noun
1. een grasland met verspreid voorkomende bomengroei
savana
noun
1. en 2. (bladeren van) Brassica oleracea convar. capitata var. sabauda)
  1. cavolo verza
  2. cavolo di milano
  3. cavolo verzotto
noun
cavolo verzotto
/sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
sassofono
/skɑn.ˈdeː.rə(n)/, /skɑn.ˈdɪː.rə(n)/
verb
2. ritmisch declameren met één sterke nadruk per versvoet.
scandire
pronoun
1. Denemarken, Noorwegen en Zweden.
Scandinavia
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
scandio
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
scettro
/ˈskɛptɪs/
adjective
1. geneigd tot twijfel
scettico
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
  1. pialla
  2. piallatrice
interjection
scacco
noun
2. het schaakspel als zodanig
scacchi
/ˈsxagbɔrt/, /ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
scacchiera
adverb
scacco matto
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
scacchi
/ˈsxakstʌk/
noun
1. een onderdeel van het schaken dat over het schaakbord bewogen wordt.
pezzo degli scacchi
noun
1. kleine parasieten die voorkomen in het schaamhaar, maar ook op wimpers...
  1. pidocchio del pube
  2. piattola
/'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
vergogna
noun
1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
pecora
noun
  1. 3. grijporgaan van sommige schaaldieren en spinachtigen
    chela
  2. 1. werktuig om te knippen
    1. forbici
    2. forbice
noun
  1. pattinaggio
  2. pattinaggio sul ghiaccio
verb
1. zich voortbewegen op schaatsen
pattinare
noun
1. geheel van beschadigingen
danno
/ˈsxadələk/
adjective
1. schade toebrengend
dannoso
/ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
ombra
verb
1. blaasinstrument met een rechte conische boring en een los dubbel riet dat de toon vormt
  1. cennamella
  2. zufolo
noun
1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
scandalo
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
vergogna
noun
1. een wintersport waarbij op skis van een helling (de schans) gesprongen wordt. Het doel daarbij is om zowel zo ver als zo mooi mogelijk te springen
salto con gli sci
noun
1. een plank om iets op te zetten
scaffale
noun
1. verblijf voor schapen die als kleinvee worden gehouden
  1. ovile
  2. pecorile
noun
1. bepaald soort platvis Limanda limanda
limanda
verb
5. Seksuele handeling
  1. tribadismo
  2. sforbiciare
adjective
scarlatto
/sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
cerniera
noun
3. vogel uit de familie van de scharrelaars
ghiandaia marina
noun
1. verzamelde rijkdom
tesoro
/'sxɑtə(n)/, /'sχɑtə(n)/
verb
  1. 2. benaderen van een waarde door berekening
    stimare
  2. 1. op prijs stellen
    valutare
adjective
1. leuk, aardig, enig
carino
noun
1. onnauwkeurige meting
stima
noun
1. een persoon die kwaad bedrijft of in de zin heeft
birbone
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
  1. guaina
  2. fodero
/'sχedəl/
noun
  1. cranio
  2. teschio
/sxeːf/
adjective
1. niet recht, schuin
  1. storto
  2. obliquo
  3. di traverso
/sxeːf/
noun
1. afvaldeeltje van de houtpijp
  1. canapule
  2. lisca
/sxeːl/
adjective
1. het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
strabico
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
  1. stinco
  2. tibia
/ˈsxenben/
noun
tibia
noun
1. de goederen die in het ruim van een vrachtschip vervoerd worden
carico
noun
1. de bemanning van een schip
equipaggio
noun
1. (scheepvaart) een werkgebied
cantiere navale
noun
1. het verkeer op het water
navigazione
noun
rasoio elettrico
/ˈsxɪːrkʋɑst/
noun
1. een dikke kwast waarmee men scheerzeep aanbrengen
pennello da barba
/sxeːrmɛs/, /sχɪːrmɛs/
noun
1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
  1. rasoio
  2. razio à mano libero
noun
1. het uiteenhalen van iets in zijn onderdelen
separazione
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
chimica
noun
chimico
noun
1. bepaald soort kabeljauwachtige consumptievis, Melanogrammus aeglefinus
  1. asinello
  2. eglefino
noun
schema
/'sxɛŋ.kə(n)/
verb
1. geven
dare
noun
1. ambt
scabino
/ˈsxɛpə(n)/
verb
1. doen ontstaan uit niets
creare
/sxeːrə(n)/, /sχɪːrə(n)/
verb
  1. 2. zich de baard kort afsnijden
    radere
  2. 1. baard afsnijden
    1. radere
    2. rasare
noun
1. verticale draden van het weefgetouw
ordito
/sxɛr'mɵʦəlɪŋ/
noun
  1. scaramuccia
  2. schermaglia
adjective
1. goed snijdend
  1. affilato
  2. aguzzo
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
scorbuto
adverb
quasi
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
penisola
pronoun
Schiermonnikoog
/ˈsxi.tə(n)/, /ˈsχi.tə(n)/
verb
1. een projectiel afvuren met een wapen
sparare
noun
1. een draad met loden balletje om de loodrechte stand van iets te onderzoeken
filo a piombo
noun
1. een confrontatie waarbij partijen elkaar beschieten
sparatoria
/sxɛi̯f/
noun
1. plat en rond voorwerp
disco
noun
1. een rem, waarbij op de as van het af te remmen toestel een schijf meedraait, die door middel van remblokken afgeremd kan worden.
freno a disco
verb
3. straling uitzenden
splendere
/sxɛɪtə(n)/, /sxɛːtə(n)/, /sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
cacare
noun
  1. 1. compromis, overeenkomst waarbij iedereen iets toegeeft
    compromesso
  2. 2. beslechting door partijen van hun rechtsgeschil(len)
    transazione
  3. 3. verval van strafvordering tegen betaling van een geldsom
    transazione penale
noun
1. buitenste bekleding van een vrucht
buccia
/sxɪlt/
noun
1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
scudo
noun
  1. 2. een handwerksman die huizen schildert
    pittore
  2. 1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
    1. pittore
    2. pittrice
/ˌsxɪldə'rɛː/, /ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
  1. dipinto
  2. quadro
noun
1. een van beide figuren -menselijk of anderszins- die het wapen flankeren
  1. tenente
  2. sostegno
/sxɪldkliːr/, /sxɪɫtkliːr/, /sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
tiroide
noun
scudiero
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
  1. tartaruga
  2. testuggine
noun
1. een band langs de omtrek van een wapenschild
bordura
verb
1. de schil van een vrucht verwijderen
  1. pelare
  2. sbucciare
noun
  1. 2. grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk
    1. navata
    2. nave
  2. 1. groot zeewaardig vaartuig
    1. nave
    2. bastimento
/sxɪbrøk/
noun
1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
naufragio
noun
1. het slachtoffer van een schipbreuk
naufrago
noun
1. uit elkaar vallen van een kerkgenootschap in twee delen door sterk verschillende opvattingen
scisma
noun
1. gesteente
scisto
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
schizofrenia
noun
1. bepaald Duits hondenras
schnauzer
noun
1. alles wat men om de voeten heen kan dragen, zoals schoenen en laarzen
calzatura
/sxun/
noun
1. voetbekleedsel
  1. scarpa
  2. calzatura
noun
1.
becco a scarpa
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
  1. scuna
  2. goletta
noun
calzolaio
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
  1. laccio
  2. stringa
  3. laccio da scarpe
  4. stringa da scarpe
noun
1. schouder van paard of rund
garrese
noun
1. onderdeel dat een granaat bij inslag tot ontploffing brengt
spoletta a percussione
noun
1. mechanisme om schokken te dempen
ammortizzatore
noun
1. bepaald soort platvis, Pleuronectus platessa
passera di mare
noun
1. zwart-witte waadvogel met luide roep, Haematopus ostralegus
ostrichiere
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
  1. scolaro
  2. alunno
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
altalena
noun
2. wiskundige structuur
fascio
/sxoːl/, /sxoːɫ/, /sχoːɫ/
noun
  1. 1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
  2. 2. een zwemmende groep gelijksoortige vissen
scuola
noun
lavagna
noun
direttore di scuola
/ˈsxoːl.tɑs/
noun
zaino
noun
abbandono scolastico
/ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
cognato
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
nuora
/ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
  1. bellezza
  2. bella
noun
concorso di bellezza
/ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
suocera
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
suocero
noun
1. de man van een dochter of zoon
genero
/ˈsxonzʉs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
cognata
noun
1. de echtgenote van broer of zus, of de zus van de echtgenoot of echtgenote
cognata
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
  1. fumaiuolo
  2. camino
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
spazzacamino
/sxot/, /sχot/
noun
3. een lijn, aan de benedenhoek (de schoothoek) van een zeil bevestigd om het zeil mee in de wind te richten
scotta
/ˈsxotkɔmˌpjutər/
noun
1. een invouwbare, draagbare computer
computer portatile
/'sxɔ.pə(n)/
noun
1. kaartkleur
picche
noun
1. aas van schoppen
asso di picche
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 oktober tot 22 november
Scorpione
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
scorpione
noun
scorzonera
noun
1. een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen ...
grembiule
noun
1. een persoon afkomstig uit Schotland
scozzese
noun
3. kop en schotel
  1. piattino
  2. sottocoppa
/ˈsxɔtlɑnt/, /ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Scozia
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
spalla
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
scapola
/srɪft/, /sxrɪf/, /sxrɪft/
noun
  1. 1. een dun boekje met lege bladzijden om in te schrijven
    quaderno
    1. 3. de letter- en cijfertekens van een taal
    2. 4. de lettersoort gebruikt in boeken, teksten en inscripties
    scrittura
/ˈsrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛːfstər/
noun
1. een persoon van het vrouwelijk geslacht die op professionele manier boeken of verhalen schrijft
  1. scrittrice
  2. autrice
noun
stipettaio
/ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
scrivere
/ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
  1. scrittore
  2. autore
noun
1. het ervaren van een gevoel van angst, bijvoorbeeld als gevolg van een plotselinge verandering of gevaarlijke situatie
paventi
noun
1. een jaar met 366 dagen
anno bisestile
noun
  1. 2. werktuig met twee of meer gebogen bladen die door draaiing een schip of vliegtuig voortbewegen
    elica
  2. 1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
    1. vite
    2. elica
noun
1. een meetinstrument waarmee zeer nauwkeurig dikten, afstanden en diepten kunnen worden gemeten
micrometro a vite
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
  1. cacciavite
  2. giravite
/sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
  1. squama
  2. scaglia
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
  1. agitare
  2. scuotere
noun
  1. calibro a corsoio nonio
  2. calibro Vernier
noun
schiumaiola
noun
  1. schiumaiola
  2. schiumarola
noun
  1. 2. een verantwoordelijkheid die iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
    1. colpa
    2. colpevolezza
    3. torto
  2. 1. een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe niet betaald wordt
    debito
noun
1. schriftelijk bewijs van financiële schuld
riconoscimento di debito
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
creditore
/'sxɵldəx/
adverb
colpevole
/sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
  1. furfante
  2. scellerato
  3. canaglia
  4. mascalzone
  5. criminale
  6. farabutto
/sxyːr/, /sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
  1. granaio
  2. fienile
noun
1. ziekelijke verharding
sclerosi
/sku.bi.ˈdu/
noun
scoubidou
/ˈskrɪp.si/
noun
1. een werkstuk over een (literatuur-) onderzoek dat gemaakt wordt om een opleiding te kunnen voltooien
tesi
adjective
1. zorgvuldig, zeer gewetensvol
scrupuloso
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
seaborgio
noun
  1. 1. SI-grondeenheid van tijd
  2. 5. een interval met een toonafstand
secondo
pronoun
Sedna
pronoun
Sofonia
/sɛɪn/
noun
1. een betekenisvolle beweging
  1. segnale
  2. segno
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Senna
noun
1. een toestel dat beweging en of trillingen van de aardkorst waarneemt en registreert
sismografo
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
sismologia
/sɛɪ̯.ˈzun/, /sɛː.ˈzun/
noun
  1. 1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
  2. 2. een jaarlijks terugkerende periode
stagione
noun
1. sekse
sesso
noun
sessismo
adjective
1.
sessista
noun
sessualità
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
malattia sessualmente trasmissibile
noun
1. ziekten die vooral worden overgedragen door seksueel contact.
malattie a trasmissione sessuale
/ˌsɛksʏwolo'ɣi/
noun
sessuologia
/ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
setta
noun
1. tuinkruid, vergelijkbaar met peterselie, maar dan met een veel sterkere smaak
sedano
adjective
1. uitkiezend
selettivo
noun
1. Scheikundig element met symbool Se en atoomnummer 34
selenio
noun
selenio
pronoun
Sellafield
noun
1. taalkunde
semantica
/se'mɑntis/
adjective
1. de semantiek betreffend
semantico
noun
een half jaar
semestre
noun
senato
noun
senatore
/ˈse.ne.ˌɣɑl/, /ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Senegal
noun
1.
  1. stampa scandalistica
  2. tabloid
noun
separatismo
adjective
marrone seppia
noun
1. negende maand van het jaar
settembre
noun
1.
serendipità
noun
1. een rang onder de onderofficieren
sergente
noun
1. een aantal elementen op volgorde
serie
/sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
  1. lillà
  2. serenella
noun
1. een slang
  1. serpente
  2. serpentone
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
server
/sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
  1. tovagliolo
  2. salvietta
/ˈsɛrvis/, /ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
serbo
/ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
Serbia
/sɛrvoːkroːˈaːtis/
pronoun
serbocroato
noun
1. een uit Afrika afkomstige plant uit de familie Pedaliaceae
sesamo
noun
olio di sesamo
noun
1. hoekmeetinstrument
sestante
/se.ˈʃɛ.lə(n)/, /sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
  1. Seicelle
  2. Seychelles
noun
1.
sfinge
/ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
  1. sciampo
  2. shampoo
noun
1. een schaatsdiscipline waarbij op een baan van 111,12 meter op diverse afstanden geschaatst wordt door meerdere rijders tegelijk
short track
/ˈsʲowrum/
noun
1. zaal waarin koopwaar tentoongesteld staat
  1. sala d'esposizione
  2. salone d'esposizione
  3. showroom
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
Sistema internazionale di unità di misura
pronoun
Siberia
adjective
2. zeer onduidelijk
sibillino
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 10 miljoen mensen op Sicilië, in Zuid-Calabrië en Salento
siciliano
/sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
Sicilia
/ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
Sierra Leone
noun
sigaro
/sɪɣɑˈrɛt/, /sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
sigaretta
adjective
blu segnale
adjective
marrone segnale
adjective
giallo segnale
adjective
grigio segnale
adjective
verde segnale
adjective
arancio segnale
adjective
rosso segnale
adjective
violetto segnale
adjective
bianco segnale
adjective
nero segnale
/ˈsɪkəl/
noun
1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
falcetto
/siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
Slesia
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
  1. sagoma
  2. silhouette
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
silicio
pronoun
2. spelwoord voor de letter s
Savona
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
arancia
noun
1. vruchtvlees van een sinaasappel, nadat het sap verwijderd is
polpe d'arancia
/ˌsɪŋɣaˈles/
pronoun
1. een taal die op Sri Lanka gesproken wordt
singalese
/sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /sɪŋ.gɑ.poːr/, /sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Singapore
/ˈsɪŋk.sə(n)/
noun
1. christelijk feest waarbij herdacht wordt dat de Heilige Geest over de apostelen neergedaald is
Pentecoste
/ˌsɪntøˈsta(t)sijʏs/
pronoun
Sint Eustatius
/sɪnt.'maːr.tən/
pronoun
1. eiland in het noordoostelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Saint Martin
noun
1. bepaald Zwitsers ras van grote dogachtige honden
sanbernardo
noun
hypericum perforatum
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
San Pietroburgo
noun
seno
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
  1. tromba
  2. sirena
/sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
situazione
noun
1.
scià
noun
1. een kleine uiensoort
scalogno
noun
sciismo
/ʃul/
noun
sinagoga
/ˈʃu.mə.lə(n)/
verb
barare
noun
skateboard
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
scheletro
noun
sci
noun
1. een kabelbaan voor skiërs
impianto di risalita
verb
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
sciare
/ˈskɔp.jə/
pronoun
1. de hoofdstad van Noord-Macedonië
Skopje
noun
  1. 4. salade
    1. insalata
    2. lattuga
  2. 1. plant van de soort Lactuca
    1. lactuca
    2. lattuga
  3. 2 en 3. (bladeren van) Lactuca sativa
    lattuga
/slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
schiavo
/slap/
noun
  1. 1. periode van inactiviteit
    1. sonno
    2. dormita
  2. 3. zijvlak van het hoofd
    tempia
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
  1. camera da letto
  2. camera
noun
1. melodie met eenvoudige tekst die gezongen wordt om een kind in slaap te krijgen
ninna nanna
noun
1. meestal in een punt uitlopend hoofdbedekking van textiel, gedragen tijdens de nachtrust
berretto da notte
noun
1. iemand die loopt in een toestand van verminderd bewustzijn
sonnambulo
noun
sacco a pelo
/slɑp/
noun
1. doekje om op te morsen
bavaglino
/ˈslɑx.hœːs/, /ˈslɑxt.ɦœːs/, /ˈslɑχ.tœʏ̯s/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
macello
noun
  1. 2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
  2. 1. een dier dat gedood wordt als offer voor een godheid
  3. 3. in het bijzonder iemand die sterft (of gewond raakt) ten gevolge van een gebeurtenis (ramp of gewelddaad)
vittima
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
arteria
noun
1. een verkoper van vlees
macellaio
noun
1. bedrijf van een slager
macelleria
noun
panna montata
/ˈslaxfɛlt/
noun
1. een gebied waarop een militair treffen tussen twee legers plaatsvindt of plaatsgevonden heeft
campo di battaglia
noun
  1. 1. een buikpotig weekdier (huisjesslak)
    chiocciola
  2. 1. een buikpotig weekdier (wijngaardslak)
    lumaca
noun
1. Rostrhamus sociabilis, een roofvogel van de moerassen van de warmere streken van de beide...
nibbio delle Everglades
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
serpente
noun
incantatore di serpenti
adjective
snello
noun
insonnia
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
dormire
/ˈsla.pə.rəx/, /ˈsla.pə.rəχ/, /ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
  1. assonnato
  2. sonnolento
/ˈslaː.və(n)ˌsxɪp/
noun
nave negriera
noun
1.
schiavismo
/slɛçt/
adjective
1. niet goed
cattivo
/slɛçt/
adverb
1. niet goed
male
adverb
1. alleen maar, vervoeging van slecht
soltanto
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
  1. pellegrino
  2. falco pellegrino
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
slitta
noun
1. bepaald soort plant met blauwe vruchten, Prunus spinosa
prugnolo
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
rimorchiatore
/sløːtəl/, /sløːtəɫ/, /ˈslø.tɔɫ/
noun
    1. 1. werktuig om te (ont)sluiten
    2. 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
    chiave
  1. 2. moer- of Engelse sleutel
    chiave inglese
  2. 3. een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
    1. chiavetta
    2. chiave
noun
1. het bot dat het borstbeen met de schouder verbindt
clavicola
/ˈsløtəɫˌbɔs/
noun
1. aantal sleutels dat aan eenzelfde ring of band hangt
mazzo di chiavi
/ˈsløtəɫˌɦɑŋər/
noun
1. ring om sleutels aan te hangen, vaak voorzien van een logo of label.
portachiavi
noun
1.
parola chiave
/slɛːk/, /slɛːɪk/
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
fango
/slɛɪm/
noun
1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
muco
noun
1. slijm afscheidend membraan
mucosa
noun
esofago
/sloːt/
noun
1. smal watergang om of tussen weilanden
fossato
noun
  1. 2. een middeleeuwse versterkte woning
    castello
  2. 1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
    1. serratura
    2. chiavistello
    3. lucchetto
/sloˈvens/, /sloˈveːns/, /sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
sloveno
/sloˈveni.jə/, /sloˈveːni.jə/, /sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
Slovenia
pronoun
1. internationale hulptaal
slovinzo
/slo.ˈwaks/, /slo.ˈʋaks/, /slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
slovacco
/ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Slovacchia
noun
velo
noun
1.
tiratore scelto
noun
chiusa
verb
1. toedoen, dichtmaken
chiudere
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
spilla di sicurezza
noun
1. verlengde snuit
proboscide
noun
1. zoogdier uit de orde Proboscidea
proboscidato
noun
papilla gustativa
noun
smeraldo
adjective
verde smeraldo
/ˈsmɑrtə(n)xɛlt/
noun
1. financiele vergoeding voor geleden leed
pretium doloris
verb
1. het bewerken van metalen door deze heet te maken en met een hamer te slaan om het materiaal de gewenste vorm te geven
forgiare
noun
1. is ijzer dat wordt gemaakt door het te smeden
ferro battuto
/smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
  1. implorare
  2. pregare
noun
smeriglio
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
  1. fondere
  2. sciogliere
/ˈsmɛltkrus/
noun
1. vuurvaste pot voor het mengen van gesmolten metaal
crogiolo
/smɛltpʌnt/
noun
1. de temperatuur waarbij iets gaat smelten
punto di fusione
adjective
1. Bijzonder vuil
  1. sudicio
  2. lurido
/ˈsmø.lə(n)/
verb
  1. 1. zacht en langzaam branden zonder vlammen
    covare
  2. 2. verborgen aanwezig zijn
    1. covare
    2. essere latente
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
  1. fabbro
  2. ferraio
noun
1. smient
fischione
/smɛitə(n)/
verb
1. hard gooien of werpen
  1. scagliare
  2. buttare
  3. gettare
  4. sbatacchiare
  5. scaraventare
  6. schiaffare
noun
smoking
verb
  1. 3. iets in enig vet aanbraden, vervolgens vocht toevoegen en afdekken om het zachtjes gaar te laten worden
    brasare
  2. 2. onderdrukken
    soffocare
noun
1. strip- en tekenfilmfiguur in de vorm van een soort blauwe kabouter met een wit mutsje
puffo
noun
2. schoondochter
nuora
noun
1. muziekinstrument met snaren
strumento a corda
noun
1. muziekinstrumenten waarbij de toon wordt geproduceerd door een trillende snaar
cordofoni
/ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
becco
/sneʊ̯/, /sneːβ̞/, /snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
  1. neve
  2. effetto neve
/ˈsneʊ̯bɑl/, /ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
palla di neve
noun
1. een bui sneeuw
rovescio di neve
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
nevicare
noun
  1. chen caerulescens
  2. oca delle nevi
noun
1.
zigolo delle nevi
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
lagopus muta
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
pupazzo di neve
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen sneeuw (d.i. vaste neerslag) meet
nivometro
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera uncia
leopardo delle nevi
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
pupazzo di neve
/'snew.stɔrm/
noun
  1. bufera di neve
  2. tempesta di neve
  3. tormenta
  4. tormenta di neve
noun
1. bepaald soort vogel, Bubo scandiacus
  1. nyctea scandiaca
  2. gufo delle nevi
pronoun
Biancaneve
/snɛɫ/
adjective
  1. rapido
  2. veloce
  3. presto
  4. pronto
noun
1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
velocità
noun
  1. bietola da coste
  2. bietola
noun
1. en 2. (peulvrucht van) ras van Phaseolus vulgaris
  1. fagiolo
  2. fagiuolo
/ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
tagliare
noun
sedano
noun
1.
roncolina
/ˈsnujsxar/, /ˈsnujsχar/
noun
1. een stevige, korte schaar voor het snoeien van planten, struiken e.d.
cesoie da giardino
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
luccio
noun
1. bepaald soort zoetwaterroofvis, Sander lucioperca
  1. lucioperca
  2. sandra
noun
1. een meestal grotendeels van suiker vervaardigde lekkernij
caramella
noun
1. beharing
baffi
noun
1. soort skiplank
snowboard
noun
1. reukorgaan van dieren
muso
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
  1. russare
  2. ronfare
/soʃal/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de menselijke samenleving
  2. 2. geneigd om in groepen te leven
  3. 3. gevoel hebbend voor de nood van de medeleden van de samenleving
sociale
noun
socialismo
noun
1. een aanhanger van het socinianisme
sociniano
noun
1. wetenschap
sociologia
noun
sociologo
/su.ˈdɑn/, /zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
Sudan
noun
sunnismo
noun
1. vloeibaar gerecht
  1. zuppa
  2. minestra
noun
1. diep bord
  1. piatto fondo
  2. scodella
noun
2. lepel waarmee soep gegeten wordt
cucchiaio da minestra
noun
1. een geglazuurde schaal om soep of stoofpot uit te serveren
zuppiera
noun
sofisma
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
software
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
  1. calzino
  2. calza
noun
1. een voetstuk, voornamelijk voor beelden
  1. piedistallo
  2. zoccolo
noun
1. vergoeding aan de opstalgever voor opstalrecht
canone
/sɔlˈdaːt/
noun
1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
soldato
noun
1. een stuk gereedschap om mee te solderen
saldatore
verb
1. een door verhitting vloeibare tussenstof aanbrengen tussen losse metaaldelen waardoor deze na afkoeling vast verbonden blijven
saldare
noun
solfeggio
noun
solipsismo
/sɔm/
noun
1. resultaat van een optelling
somma
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Somalië
somalo
/so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
Somalia
adjective
1. in neergeslagen stemming
tetro
noun
1. instrumentaal muziekstuk
sonata
/ˈsɔːrt/
noun
2. een groep levende wezens die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
specie
pronoun
1. een groep Slavische talen die wordt gesproken in het oosten van Saksen en het zuidoosten van Brandenburg
  1. sorbico
  2. sorbo
noun
sordino
noun
1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
  1. raggio
  2. razzo
/ˈspakbeɪn/
noun
bot in de onderarm
radio
/spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
spagnolo
/spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
spagnolo
/ˈspan.sə/
noun
1.
spagnola
noun
1. afgesloten voorwerp waarin contant geld opgespaard wordt
salvadanaio
noun
  1. spaghetti
  2. spaghetto
/ˈspɑ.ɲard/, /ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
spagnolo
/ˈspɑ.ɲə/, /ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
Spagna
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
  1. picea
  2. abete rosso
/ˈspa.rə(n)/
verb
1. geld niet uitgeven
risparmiare
noun
1.
parafango
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
picchio
/spe.si.ˈjal/, /spe.ˈsjaːl/, /spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
speciale
noun
1. bijzondere kennis of vaardigheid van iemand
specialità
verb
1. in details beschrijven
specificare
adjective
1. kenmerkend
specifico
adverb
1. in het bijzonder
specifico
noun
1. kleurenband
spettro
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
saliva
noun
1. een klier die speeksel produceert en naar de mondholte afscheidt
ghiandole salivari
/ˈspelɣud/, /ˈspelɣut/, /ˈspɪːɫχut/
noun
1. één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
  1. giocattolo
  2. balocco
noun
carta da gioco
/spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
  1. lancia
  2. giavellotto
noun
1. opzienbarend schouwspel
spettacolo
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
gioco
/ˈspeːlə(n)/
verb
  1. giocare
  2. suonare
noun
1. onjuiste schrijfwijze van een woord
errore di ortografia
/ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
ortografia
noun
1. grove tarwesoort
  1. spelta
  2. farro
  3. granfarro
noun
1. fijn gemalen zaden van Triticum spelta
  1. farina di granfarro
  2. farina di spelta
noun
1. een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat
teoria dei giochi
/spɛltmɪːɫ/
noun
1. fijn gemalen zaden van Triticum spelta
  1. farina di granfarro
  2. farina di spelta
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
sparviero
noun
1. en 2. (peul van) cultivar van Phaseolus vulgaris
  1. fagiolino
  2. fagiolo verde
pronoun
1.
Spira
noun
1. beelden terugkaatsend voorwerp
specchio
noun
1. een orgaan
muscolo
verb
1.
marinare
noun
  1. 4. (uitdrukking) ± Spijkers op laag water zoeken.
    cercare il pelo nell'uovo.
  2. 1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
    chiodo
  3. 2. (uitdrukking) ± De spijker op de kop slaan.
    colpire nel segno.
  4. 3. (uitdrukking) ± Spijkers met koppen slaan.
    1. venire al dunque.
    2. venire al sodo.
noun
1. een kaapstaander
albero
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
ragno
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
spinacio
verb
1. een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
filare
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
ragno
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
ragno
noun
1. een door een spin gemaakt net om insecten te vangen
ragnatela
noun
1. de handeling van het spioneren
spionaggio
noun
1. een kromme lijn
spirale
noun
2. binnen een ploeg een aanvallende speler die een positie opzoekt waarin hij een doelpunt kan maken
attaccante
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
Svalbard
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
toporagno
/splet/
noun
fenditura
/'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
scheggia
noun
2. een element van zelfinductie
induttore
noun
1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
  1. fantasma
  2. spettro
noun
1. een legendarisch schip dat zonder bemanning eeuwig blijft rondvaren
nave fantasma
noun
1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
  1. binario
  2. traccia
noun
ferrovia
noun
1. bepaald soort loofboom, Frangula alnus
frangola
/spɔrt/
noun
1. lichaamsbeweging
  1. sport
  2. diporto
verb
1. aan sport doen
fare sport
noun
1. een zangvogel die geluiden kan nabootsen
canapino maggiore
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal
grammatica
noun
proverbio
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
  1. storno
  2. storno comune
/ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
parlare
/ˈspɾøkə(n)/
noun
Proverbi
verb
1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
saltare
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
  1. cavalletta
  2. locusta
noun
1. bepaald soort vrij kleine vogel met gestreepte bovenzijde en monotone zang, Locustella naevia
forapaglie macchiettato
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
lentiggine
noun
1. verzonnen vertelling
  1. favola
  2. fiaba
noun
Sprattus sprattus
  1. papalina
  2. spratto
noun
2. een uitloper van de spruitkool
cavolini di Bruxelles
noun
1. slijmvliesontsteking in mond of darmen
mughetto
/'spy.ɣə(n)/
verb
1. speeksel uit de mond doen uitschieten
sputare
noun
bottiglia spray
noun
vigile de fuoco
noun
spyware
/sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
Sri Lanka
noun
frullatore a immersione
noun
1. overeenkomst voorlopig een einde te maken aan de gevechtshandelingen
cessate il fuoco
/staːɫ/
noun
  1. 1. een legering van ijzer en koolstof
    acciaio
  2. 2. een monster van een stof, een kleine hoeveelheid van iets als proef
    campione
adjective
blu acciaio
/staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
stare in piedi
noun
  1. 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
  2. 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
coda
noun
coccige
noun
codibugnolo
noun
cometa
noun
1.
pinna caudale
noun
  1. 1. een land
  2. 1. toestand
stato
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
  1. capo di stato
  2. capo dello stato
noun
stabilità
noun
1.
staccato
/stɑd/, /stɑt/
noun
Woonplaats
città
noun
stadio
noun
1.
porta cittadina
/ˈstɑt.stat/
noun
1. staatsvorm
città-stato
noun
1. een touw of kabel waarmee een mast stabiel wordt gehouden
strallo
noun
1.
stagflazione
/'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
sciopero
/stɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
stalla
noun
  1. 1. dikke houtige stengel van een struik
    1. ceppo
    2. tronco
  2. 7.
    1. radice
    2. tema
    3. radicale
  3. 4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
    tribù
  4. 2. deel van de boom tussen de wortels en de kruin
    tronco
noun
cellula staminale
noun
2. vijzelstamper
pestello
noun
1. officieel vastgelegde taalvorm die binnen een bepaald gebied als de voorgeschreven norm geldt.
lingua standard
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
statua
noun
1. een sterke, stinkende geur
  1. fetore
  2. puzza
noun
1. een gestructureerde hoop spullen
  1. mucchio
  2. pila
noun
1.Twee bedden op elkaar
letto a castello
noun
1. een begin ergens van
  1. inizio
  2. avvio
noun
cavo di accoppiamento
/sta.ˈsʲɔn/
noun
1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
  1. stazione
  2. stazione ferroviaria
adverb
1. voortdurend
  1. sempre
  2. continuamente
  3. di continuo
noun
1. een spel waarbij twee ridders elkaar met lansen trachtten uit het zadel te werpen
giostra
noun
1.
carrello
/sten/, /steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
  1. pietra
  2. sasso
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
aquila reale
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
Capricorno
noun
  1. 1. benaming voor sommige zoogdieren uit het geslacht geiten waarvan de bokken grote hoorns hebben
    capricorno
  2. 1.1 bepaald soort zoogdier, Capra ibex
    stambecco
noun
litografia
/ste.nɛi̯k/, /ste.nɛːk/, /sten.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus ilex; een boom uit de napjesdragersfamilie
  1. leccio
  2. elce
adjective
grigio pietra
noun
  1. scalpellino
  2. tagliapietre
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
carbone fossile
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes foina
faina
/ˈstentɛit/
noun
Età della pietra
/ˈstenœʏ̯ɫ/, /ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
civetta
noun
vlezige vrucht waarvan het binnenste deel steenhard is
drupa
noun
1. de kennis van het op verborgen wijze overbrengen van informatie
steganografia
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
  1. porcospino
  2. istrice
noun
1. stekker
spina
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
rubare
/stɛlt/
noun
trampolo
noun
    1. 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
    2. 2. het geluid dat een mens bij het spreken voortbrengt
    3. 3. het geluid dat een mens bij het zingen voortbrengt
    1. voce
    2. voto
  1. 6. een keuze gemaakt door een stemmer (kiezer) bij een stemming (verkiezing)
    voto
noun
1. geluidvoortbrengende plooien in het strottenhoofd
corda vocale
/ˈstɛmɦɔkʲə/
noun
1. schrijfblad omringd door drie wanden waarbinnen een kiezer zich bij een verkiezing afzondert
cabina elettorale
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
  1. pirolo
  2. rullo
/stεmə(n)/
verb
2. een instrument op de juiste toonhoogte brengen
accordare
/ˈstɛmpəl/, /ˈstɛmpəɫ/
noun
A3. beschrijvende plantkunde: bovenste gedeelte van de stamper in een bloem
stigma
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
pirolo
verb
1. met steenworpen doden
lapidare
noun
lapidazione
noun
1. vervoermiddel op twee wielen, (gedeeltelijk) met de voet aangedreven
monopattino
noun
  1. 2. een beroemdheid
    stella
  2. 1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
    1. stella
    2. astro
noun
stereotipo
/ˈstɛrvbɛt/
noun
1. het bed waarop men sterft
letto di morte
/'sterftə/
noun
1. het aantal sterfgevallen in een bepaalde tijd of in bepaalde omstandigheden
mortalità
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel sterfgevallen er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
tasso di mortalità
adjective
1. zonder microbiële besmetting, heel schoon
sterile
verb
  1. 2. onvruchtbaar maken
  2. 1. iets vrij maken van micro-organismen
sterilizzare
/stɛrk/
adjective
1. krachtig
forte
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige vogels uit de familie Sternidae
sterna
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomia
noun
galassia
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
morire
noun
carambola
/'stønə(n)/
verb
1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
appoggiare
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
storione
adjective
edificante
noun
2. zelfstandig vermogen met rechtspersoonlijkheid opgericht op de verwezenlijking...
fondazione
/ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
matrigna
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
patrigno
pronoun
  1. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  2. 2. astrologisch teken
Toro
/stiːr/
noun
toro
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Stiria
/ˈstɛi̯xˌbøː.ɣəl/
noun
1. voetsteun voor de ruiter
staffa
/ˈstɛi̯ɣə(n)/
verb
1. naar boven gaan, toenemen
  1. salire
  2. montare
noun
1. leer van de uitdrukkingswijze en zijn middelen
stilistica
noun
1. stilistische niveau van taalgebruik
registro
/ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
azoto
noun
  1. 1. mes waarbij het lemmet uit het handvat kan klappen
    coltello a scatto
  2. 3. damesschoen met zeer hoge en spitse hak
    scarpa con tacco a spillo
  3. 2. zeer hoge en spitse hak van een damesschoen
    1. tacco a spillo
    2. tacco stiletto
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Oceano Pacifico
noun
natura morta
/'stɪl.tə/
noun
silenzio
verb
1. maatregelen nemen om iets te bevorderen
stimulare
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
  1. moffeta
  2. moffetta
verb
1. een onaangename geur hebben
puzzare
noun
1. actievoering waarbij voorschriften en regels naar de letter gevolgd worden
sciopero bianco
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Stoccolma
/stul/, /stuɫ/
noun
1. zitmeubel
  1. sedia
  2. seggiola
noun
1. een kabelbaan waarin je zittend een hoogte overbrugt
seggiovia
noun
1. heel kleine deeltjes
polvere
adjective
grigio polvere
/'stɔfʋɪsəlɪɳ/
noun
1. het geheel van chemische processen dat gepaard gaat met het in leven zijn van een wezen
metabolismo
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
aspirapolvere
noun
baguette
noun
1. gedroogde kabeljauw of kabeljauwachtige vis, zoals heek, leng, lom, schelvis en koolvis
stoccafisso
/ˈstɔlɪŋsɣəˌstentə/
noun
1. gesteente bestaande uit gestolde lava of gestold magma.
roccia magmatica
adjective
  1. 1. geluidloos
  2. 2. niet in staat te spreken
muto
noun
1. een brandstof waarmee men verwarmingsketels stookt
gasolio
noun
vapore
noun
1. warme ruimte
bagno di vapore
noun
caldaia vapore
noun
pentola a vapore
noun
1. een locomotief die wordt aangedreven door een stoommachine
  1. locomotiva a vapore
  2. vaporiera
noun
1. een machine die door middel van stoom drijfkracht ontwikkelt
macchina a vapore
noun
1. een schip dat voortgedreven wordt middels een stoommachine
nave a vapore
noun
treno a vapore
noun
turbina a vapore
noun
1. grote slagtand
zanna
/ˈstɔplɪxt/
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
semaforo
/ˈstorə(n)/
verb
1.het functioneren nadelig beïnvloeden
disturbare
noun
1. erg harde wind
  1. tempesta
  2. bufera
  3. burrasca
  4. tormenta
  5. temporale
noun
een toestel, balk, e.d. om een deur, poort te forceren
ariete
noun
1. het storten van geld op een bankrekening
caparra
noun
1. een wijsbegeerte die leert slechts de rede te volgen en de hartstochten uit te bannen
stoicismo
/straɫ/, /ˈstral/
noun
  1. 2. een bundel elektromagnetische straling
  2. 1. de lijn van middelpunt naar omtrek
raggio
noun
1. jachtvliegtuig met straalmotor
  1. caccia a reazione
  2. cacciareattore
/strat/
noun
  1. 2. een smalle doorgang tussen twee zeeën
    stretto
  2. 1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
    1. via
    2. strada
pronoun
1.
Bocche di Bonifacio
noun
1. hoofdstad van de Franse regio Grand Est
Strasburgo
noun
  1. 1. soep
  2. 2. zuivelproduct
stracciatella
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
  1. punizione
  2. pena
noun
1.
impunità
/ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
  1. punire
  2. castigare
/'strɑfrɛxt/
noun
1. het geheel van rechtsregels waarmee bepaalde handelingen strafbaar worden gesteld
diritto penale
noun
1. directe vrije trap
  1. calcio di rigore
  2. rigore
noun
1. gedeelte van het voetbalveld
area di rigore
noun
radiazione
noun
1. Strook land langs de kust
  1. spiaggia
  2. lido
/straˈteɣ/
noun
1. een persoon die strategieën uitwerkt
stratega
noun
1. een plan om iets te bereiken
strategia
noun
stratosfera
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
stratovulcano
verb
1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken
accarezzare
noun
1. een uiting van tederheid
carezza
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
  1. caglio
  2. presame
noun
4. riem waarmee een trekdier voor een wagen wordt gespannen
tirella
noun
1. spanning, geestelijke druk.
stress
noun
1. een slagwapen in de vorm van een metalen staf met een versterkte kop
mazza
verb
2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
stirare
/ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
ferro da stiro
noun
1. een plankvormig voorwerp, gewoonlijk op een inklapbaar onderstel, bedoeld als ondergrond waarop kleding gestreken kan worden
asse da stiro
noun
1. een constructie waarmee de snaren van een strijkinstrument in trilling gebracht worden
  1. archetto
  2. arco
verb
1. het zich ontdoen van alle kleding of een groot deel van de kleding die het lichaam bedekt, vaak met een erotische bijbedoeling
fare lo spogliarello
/stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
paglia
noun
1. hoed
  1. paglietta
  2. cappello di paglia
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
stronzio
noun
1. zweertje op het ooglid
orzaiolo
/stroːm/
noun
2. elektriciteit
corrente
noun
area di raccolta delle acque
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
sciroppo
noun
cravatta
noun
laringe
noun
1. een dun, dekselachtig kraakbeenklepje, bedekt met een slijmvlies, dat zich aan de basis van de tong bevindt
epiglottide
noun
laringe
/strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
struttura
noun
1. heester
arbusto
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
  1. inciampare
  2. incespicare
noun
1. bepaald soort in heel Europa voorkomende plant, Calluna vulgaris
brugo
/ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
struzzo
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
studente
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
studiare
noun
1. onderste deel van de ruggengraat, de laatste vier vergroeide ruggenwervels
coccige
/stɵk/
noun
1. deel
pezzo
noun
1. Soort bouwvakker
stuccatore
noun
  1. cascatore
  2. controfigura
/styːr/
noun
1. een hulpmiddel waarmee een bestuurder richting kan geven aan een voertuig
volante
noun
1. de rechterzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
  1. tribordo
  2. dritta
noun
1. iemand die een vaartuig bestuurt
  1. nocchiere
  2. timoniere
noun
1. kunstmatig meer
bacino
noun
1. een werkwoordswijs waarmee men een wens of onzekerheid tot uitdrukking kan brengen.
congiuntivo
noun
sussidiarietà
noun
1. door de overheid beschikbaar gestelde fondsen bedoeld om een prijs te verlagen...
sovvenzione
adjective
1. gezagsondermijnend
sovversivo
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
  1. successo
  2. riuscita
/suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Sudan
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
suffisso
/sʏˈxɛsti/
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
suggestione
noun
1. zoetstof
zucchero
noun
1. bepaalde ondersoort van de biet waaruit bietsuiker gewonnen wordt
  1. barbabietola
  2. barbabietola da zucchero
noun
1. blokvormig stukje kristalsuiker
  1. zolletta
  2. cubetto di zucchero
noun
1. een vaatje bedoeld om een voorraadje suiker op tafel te brengen
zuccheriera
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
canna da zucchero
/ˈsœʏkərˌspɪn/, /ˈsœːkərˌspɪn/
noun
1. lekkernij bestaande uit een hoeveelheid gesponnen suiker aan een stokje
zucchero filato
noun
1. zouten die het sulfiet-ion SO₃2- bevatten
solfito
noun
1., 2. en 3. (gedroogde vrycht van) een variëteit van de druif Vitis vinifera
sultanina
pronoun
Sumatra
noun
1. fictieve figuur uit een stripverhaal of een film die over bovenmenselijke krachten beschikt
supereroe
noun
supermercato
noun
het verschijnsel waarbij een ster op spectaculaire wijze explodeert
supernova
noun
1. iets dat als aanvulling toegevoegd wordt
supplemento
verb
1. een toevoeging verstrekken
pagara un supplemento
noun
1. iemand die een bepaalde club steunt
tifoso
noun
1. een plank waarop men surft
windsurf
/ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Suriname
noun
surrealismo
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
swahili
pronoun
1. stad in Namibië
Swakopmund
/ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
Swaziland
pronoun
1. de grootste stad van Australië en de hoofdstad van de deelstaat Nieuw-Zuid-Wales
Sydney
verb
1. een betekenis hebben die verwijst naar
simbolizzare
noun
1. Teken
simbolo
noun
sinfonia
adjective
1.
sinfonico
/sɪmˈpoziəm/
noun
1. een wetenschappelijke samenkomst waarop verschillende wetenschappers een lezing houden over een bepaald onderwerp
simposio
noun
1. ziekteverschijnsel
sintomo
noun
1. gebedshuis van joden.
sinagoga
noun
  1. 1. plotseling bewustzijnsverlies
  2. 3. wegval van middenklank
sincope
/sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
sindrome
noun
1. gelijkbetekenend woord
sinonimo
/sɪnˈtɑksəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
sintassi
/ˈsi.ri.jə/, /ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
Siria
/siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
sistema
noun
pensiero sistemico
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
ingegneria dei sistemi
noun
1. de theorie over de systematische beschouwing van systemen in de natuur, wetenschap en of maatschappij
teoria dei sistemi
noun
1.
terapia familiare
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
  1. maglietta
  2. T-shirt
pronoun
1.
Tago
noun
1. een erfelijke aandoening van de exocriene klieren, gekenmerkt door de afscheiding van taai (visceus) slijm (mucus)
cistofibrosi
/taːk/
noun
1. een te verrichten werk
compito
/taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
  1. lingua
  2. linguaggio
noun
1. een belemmering in de communicatie, veroorzaakt door het verschil in taal
barriera linguistica
noun
1. uitdrukkingen en zegswijzen uit een bepaalde taal
idioma
noun
1. talengroepen die een zelfde voorgeschiedenis hebben
famiglia linguistica
/ˈtalklɑŋk/
noun
1.
fonema
noun
1. wetenschap
linguistica
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
linguista
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
linguista
/taːrt/
noun
1. cirkelvormig zoet gebak
torta
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
tabacco
noun
pipa
noun
1. een geordende lijst met gegevens
tabella
noun
tabernacolo
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
tabù
cardinalNumeral
1. het getal 80
ottanta
noun
tachicardia
/tɑkˈtik/
noun
1. een manier om onder gegeven omstandigheden een doel te bereiken
tattica
/taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
Tagikistan
/ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
  1. tavola
  2. tavolo
/ˈtafəlˌklet/
noun
kleed dat als bescherming of versiering over een tafel ligt
tovaglia
noun
1.
coltello da tavola
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
  1. tennistavolo
  2. tennis da tavolo
noun
1.een meestal goedkope wijn zonder specifieke afkomst, die aangenaam bij een doordeweekse maaltijd wordt gedronken.
  1. vino da pasto
  2. vino da tavola
noun
1. fijn zout
sale fino
pronoun
1. taal die op de Filipijnen gesproken wordt
tagalog
noun
tagliatelle
pronoun
1. een Polynesche taal uit de Oceanische tak van de Austronesische talen gesproken op Tahiti
tahitiano
noun
1. naaldbossen in koude streken
taiga
/ˌtɑjkoˈnaʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnɔʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Chinese ruimtevaarder.
taikonauta
/tɑj'ʋɑn/
pronoun
Taiwan
/tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
ramo
noun
sega da giardiniere
noun
1. bijzondere aanleg
talento
/tɑɫx/
noun
  1. 1. huidvet, een vetachtige substantie die geproduceerd wordt door talgklieren
    sebo
  2. 2. het harde vet van sommige herkauwers
    sego
/tɑlk/
noun
talco
/'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
Tallinn
adjective
1. groot in aantal
numeroso
noun
1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
tamarindo
pronoun
1. taal die gesproken wordt in India, Sri Lanka, Singapore, en Maleisië
tamil
noun
  1. 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
  2. 2. scherp uitsteeksel
dente
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
dentista
noun
1. het been waaruit tanden voor het grootste deel bestaan
dentina
noun
1. fiets
tandem
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
spazzolino da denti
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
  1. stuzzicadenti
  2. stecchino
noun
1. het blinkend glazuur op de tandkroon die rond het tandbeen gelegen is
smalto
noun
1. wetenschap voor de verzorging van de tanden
odontoiatria
/ˈtand.pɑs.taː/, /ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
dentifricio
/ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
gengiva
/tɑŋ/
noun
1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
  1. tenaglie
  2. pinza
pronoun
Tangeri
noun
3. spelwoord voor de letter t
Torino
/tɑŋk/, /tɛŋk/
noun
2. een oorlogsvoertuig
carro armato
noun
1. schip
  1. petroliera
  2. nave cisterna
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantalio
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantalio
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
zia
/ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
Tanzania
noun
tappeto
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
  1. tapioca
  2. amido di tapioca
/ˈtapɪr/
noun
1. hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf
tapiro
noun
1. gifspin
tarantola
noun
tara
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tataro
pronoun
1. stad in Estland
Tartu
/ˈtɑrʋə/
noun
  1. 3. zaad van tarwe
  2. 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
  1. frumento
  2. grano
noun
1. en 2 grof gemalen meel van (gewone) tarwe (Triticum)
  1. semolino di frumento
  2. granito di grano tenero
noun
1. (voorgekookte) geplette tarwegranen
fiocchi di frumento
noun
zemelen van tarwekorrels
crusca di frumento
pronoun
Tasmania
verb
  1. palpare
  2. tastare
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tataro
pronoun
1. de autonome republiek van Rusland met de hoofdstad Kazan
Tatarstan
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
tatuaggio
/tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
tatuare
/tɑuˈge/
noun
1. uitlopers van mungbonen
germogli di fagioli mung
/tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
  1. taxi
  2. tassì
noun
tassonomia
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
tecnezio
noun
1. De bewerkingen en verrichtingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen
tecnica
noun
tecnologia
/tef/
noun
1. wijfjeshond
cagna
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
zecca
noun
1. vingers van de voet
  1. dito del piede
  2. dito
noun
infradito
/ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
catrame
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
dado
noun
1. een bouwvakker die wandtegels zet en vloertegels legt
piastrellista
/teːɣən/, /teːχən/
preposition
1. zijdelings aanleunend
contro
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
antidoto
preposition
1. aan de overzijde van
di fronte a
noun
1. hetgeen wat precies voorstelt wat iets helemaal niet is
contrario
noun
1. ernstige pech, toestand met belangrijke tegenslag
avversita
adjective
1. niet overeenstemmend
contraddittorio
noun
1. vorm die aangeeft dat het huidige moment bedoeld wordt
presente
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
  1. segno
  2. indicazione
  3. insegna
verb
een tekening maken
disegnare
/ˈtekə(n)ˌfɪlm/, /ˈtekə(n)ˌfɪɫm/
noun
1. een film waarin een getekende realiteit wordt verbeeld
cartone animato
noun
1. een door tekenen ontstane afbeelding of voorstelling
disegno
noun
1. verzameling letters en/of woorden
testo
noun
1. een computerprogramma waarmee teksten kunnen worden geschreven en bewerkt
  1. elaboratore testi
  2. videoscrittura
noun
1. natuurlijke processen
tectonica
/ˌtelefoˈneːrən/
verb
1. een telefoon gebruiken
telefonare
noun
telefonia
/ˌtelə'fon/, /ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
telefono
noun
telegrafo
verb
1. per telegraaf berichten
telegrafare
noun
telegramma
adjective
telegrigio
noun
1. grijs met RAL-nummer 7045
telegrigio 1
noun
1. tint grijs met RAL-nummer 7046
telegrigio 2
noun
1. tint grijs met RAL-nummer 7047
telegrigio 4
adjective
telemagenta
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
telescopio
verb
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
  1. delure
  2. deludere
noun
  1. 2. medium
    1. televisione
    2. televisore
  2. 1. elektrisch apparaat
    1. televisore
    2. televisione
noun
1. een technische norm waaraan een televisiesignaal moet voldoen
standard televisivi
noun
discorso televisivo
verb
1. aantal bepalen
contare
/ˈtɛlər/
noun
1. het getal boven de streep van een breuk
numeratore
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
tellurio
noun
  1. numerale
  2. aggettivo numerale
verb
1. tam maken
  1. addomesticare
  2. ammansire
/ˈtɛm.pəl/, /ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
tempio
/ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
temperatura
adverb
1. luidt het eerste lid van een opsomming van minstens twee argumenten in
in primo luogo
noun
1. beweging in bepaalde richting, neiging
tendenza
noun
1. een peesontsteking
tendinite
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
  1. Tenerife
  2. Teneriffa
noun
1. balsport
tennis
noun
scarpa da tennis
noun
tenore
adjective
1. van invloed op de oppervlaktespanning
tensioattivo
noun
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
tenda
/tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
  1. esposizione
  2. mostra
/ˈtɛn.zɛɪ/
conjunction
1. behalve wanneer
a meno che
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
capezzolo
noun
1. bedekking op de tepel voor erotische of artistieke doeleinden
copricapezzolo
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
terbio
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
termite
noun
terminologia
noun
terpene
noun
1. een vetoplossend oplosmiddel dat uit de sappen van bepaalde dennensoorten gewonnen kan worden
trementina
adjective
marrone terra
noun
1. grondgebied
territorio
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
terrorismo
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
terrorista
pronoun
Terschelling
noun
1.
terza
/trʏχ/, /təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
  1. indietro
  2. a posto
noun
1. ontstaan van een nieuw woord doordat een bestaand woord van een vermeend voorvoegsel, achtervoegsel of uitgang wordt ontdaan
retroformazione
/tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
  1. 1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
    mentre
  2. 2. hoewel
    1. mentre
    2. anche se
pronoun
1. naam van twee boeken uit het Nieuwe Testament
Tessalonicesi
/tɛst/
noun
3. toets
esame
noun
1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
testamento
/ˈtøɣəl/, /ˈtøʝəl/
noun
1. stuurriem van rijdier
redine
pronoun
2. spelwoord voor de letter t
Torino
/təvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel genoeg te hebben en voldaan te zijn
soddisfazione
pronoun
Texel
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
tailandese
/ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
  1. Tailandia
  2. Thailandia
noun
1. grijze stof van de tussenhersenen
talamo
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
tallio
/teː/
noun
tè
noun
1. een gevoerde kap om de thee warm te houden
copriteiera
noun
1. kan met deksel en schenktuit waarin een warme drank wordt bereid door bladeren in heet water te laten trekken
teiera
pronoun
2. spelwoord voor de letter t
Torino
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
teologia
noun
1. een beoefenaar van de theologie
teologo
/ˌteɔːˈretis/
adjective
1. wat niet perse in de werkelijkheid voorkomt, m.b.t. feiten en wetten berustende ...
teorico
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
teoria
noun
iemand die een patiënt behandelt
terapeuta
noun
1. een methode om aan de genezing van zieken te werken
terapia
noun
1. elektronisch muziekinstrument
theremin
noun
1. een poedermengsel van een onedel metaal, gewoonlijk aluminium, en een oxide van een edeler metaal, vaak ijzer of koper
termite
/ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
termometro
noun
1. synoniemenwoordenboek
  1. dizionario dei sinonimi
  2. tesoro
/ˈtiosɵlˌfat/
noun
1.
tiosolfato
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
torio
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
tulio
noun
tiroxina
noun
tiara
pronoun
2. de rivier die stroomt door Rome
Tevere
pronoun
  1. 1. autonome regio
  2. 1. voormalig land
Tibet
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
tibetano
pronoun
  1. 1. Zwitsers kanton
  2. 1. zijrivier van de Po
Ticino
cardinalNumeral
1. het getal 10
dieci
noun
2. kerkbelasting
decima
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
  1. decimo
  2. decima
noun
miriagono
noun
1. vrouwelijke borst
tetta
pronoun
1. taal gesproken door meer dan 5 miljoen mensen in Eritrea, Ethiopië, Duitsland en Israël
tigrigna
/tɛit/, /tɛɪ̯d/, /tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
tempo
preposition
1. gedurende de tijd dat
durante
noun
spirito del tempo
adjective
1.
intemporale
/ˈtɛːtmɑˌʃinə/, /ˈtɛːɪtmɑˌʃinə/
noun
1. machine om mee door de tijd te reizen
macchina del tempo
adjective
1. een aanzienlijke hoeveelheid tijd vereisend
che richiede molto tempo
noun
1. het laten zien hoe laat het is; het laten zien wanneer iets gebeurd is
indicazione oraria
noun
  1. perdita di tempo
  2. spreco di tempo
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
tigre
noun
1.
squalo tigre
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
timo
pronoun
Tilburg
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
falegname
pronoun
Timoteo
noun
scheikundig element
stagno
noun
acufene
pronoun
2. spelwoord voor de letter t
Torino
pronoun
  1. 1. regio
  2. 2. deelstaat van Oostenrijk
Tirolo
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
titanio
noun
  1. 1. opschrift van een document
  2. 2. aanduiding van een persoon
titolo
/ˈtitʏs/
pronoun
Tito
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
luì piccolo
noun
1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
accesso
noun
1. benaming voor tropische vogels uit de familie Ramphastidae
tucano
noun
1.
futuro
noun
  1. futuro
  2. avvenire
adjective
1. van de tijd die komen gaat
futuro
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
tundra
noun
1. het reizen voor ontspanning
turismo
/tusxɔuər/
noun
1. iemand die naar iets kijkt
veditore
verb
1. iets niet verbieden, iets mogelijk maken
permettere
noun
1. gerecht waarmee een maaltijd kan worden afgesloten
dessert
/ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
tastiera
/ˈtuːvɑl/
noun
2. een aanval van epilepsie
attacco
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
aggiungere
noun
1. datgene wat met een groter geheel verenigd wordt
addizione
noun
2. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
affisso
/'to.ɣo/, /ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Togo
/tʋɑ'lɛt/
noun
1. een plaats waar men zich kan ontlasten
toilette
/tɔl/
noun
    1. 3. plaats waar men slechts tegen betaling mag passeren
    2. 4. geld dat men bij een tol geheven wordt
    pedaggio
  1. 2. kinderspeeltuig
    trottola
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
interprete
/toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
  1. pomodoro
  2. tomato
adjective
rosso pomodoro
noun
ketchup
noun
1. naam voor koperlegeringen met zink
  1. similoro
  2. tombacco
noun
3. een gewichteenheid van 1000 kilogram
tonnellata
/tonə(n)/
verb
2. laten zien
mostrare
noun
  1. 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
  2. 2. wat gesproken wordt
lingua
noun
1. een gewelf in de vorm van een halve cilinder
volta a botte
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
tonno
noun
1. stuurriem van rijdier
redine
noun
1. een stijgende of dalende opeenvolging van tonen
scala
/ˈtostə(n)/
verb
1. een heildronk uitbrengen, op iets of iemand drinken
brindare
noun
topazio
adjective
1. de borsten bloot latend
in topless
/tɔːrə(n)/
noun
  1. 1. een hoog bouwwerk
    torre
  2. 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
    1. torre
    2. rocco
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
gheppio
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
tornado
noun
siluro
noun
toro
pronoun
Toscana
/tɔt.ˈʋeːr.zins/
interjection
1. een groet waarmee iemand afscheid neemt
arrivederci
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
  1. arrivederci
  2. arrivederla
noun
1. een luxe autobus om reizen of uitstappen mee te maken
pullman
/ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
tossicologia
noun
1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
lacrima
noun
1.
gas lacrimogeno
/ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
trattore
/tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
tradizionale
phraseologicalUnit
cinese tradizionale
/traˈxedi/
noun
  1. 1. een toneelspel dat handelt over een bedroevende gebeurtenis
  2. 2. gebeurtenis met een droevige of rampzalige afloop
tragedia
adjective
tragico
verb
1. het doen van lichamelijke oefeningen
allenare
noun
allenatore
noun
1. een oefening
allenamento
/tram/, /trɑm/, /trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
  1. tram
  2. tranvai
noun
  1. tappeto elastico
  2. trampolino elastico
noun
transazione
/trɑnsˈkrɪpsi/
noun
  1. 1. de conversie naar een geschreven tekst van een andere geschreven, getypte of gedrukte tekst.
  2. 2. het vastleggen van de uitspraak van een gesproken tekst op schrift.
  3. 3.
  4. 4. het omzetten van een muziekstuk naar een andere vorm of bezetting.
trascrizione
noun
1.
transetto
abbreviation
trasformatore
noun
transistor
noun
traslazione
noun
1.
traslitterazione
noun
1. verplaatsing, overplaatsing
traslocazione
noun
trasmutazione
pronoun
1.
Transnistria
adjective
1. lichtdoorlatend
trasparente
noun
1. doorzichtbaarheid
trasparenza
noun
1.
trasponditore
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
trasportere
pronoun
Transilvania
pronoun
Transvaal
noun
  1. 1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
    scala
  2. 1. benaming voor vogels uit de familie Otididae
    otarda
/trɑˈpezɪʏm/
noun
1. een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
trapezio
verb
1.
traumatizzare
noun
  1. 1. handlanger
    1. complice
    2. scagnozzo
  2. 2. satelliet
    satellite
noun
1. taps toelopende buis, gebruikt voor het vullen van vaten
  1. imbuto
  2. funnel
/tre/
noun
1. opstapje dat deel uitmaakt van een trap
  1. scalino
  2. gradino
noun
1. een titelwoord van een stuk tekst in een catalogus, woordenboek of encyclopedie
voce
noun
1. een krachtige vissersboot die met een trechtervormig net vist
peschereccio
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
treno
verb
  1. nog te sorteren
  2. 1. op een voorwerp een kracht uitoefenen in een richting die ervan wegvoert
tirare
noun
1. een vogel die 's winters een andere verblijfplaats kiest dan in de broedtijd
uccello migratore
noun
1. diakritisch teken
dieresi
pronoun
Trentino
pronoun
Trentino-Alto Adige
noun
1. bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, Salix babylonica
salice piangente
noun
1. hoge tenor
tenor buffo
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
triangolo
noun
1. de plaatsen voor het publiek
tribuna
pronoun
1.
Treviri
noun
1. een dialect van het Venetiaans dat in Italië gesproken wor
triestino
noun
trigliceride
cardinalNumeral
trilione
noun
1. een periode van drie maanden
trimestre
/ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
Trinidad e Tobago
noun
  1. 3. seksuele activiteit met drie personen
    1. threesome
    2. triangolo
  2. 1. een muziekstuk voor drie spelers
    1. trio
    2. terzetto
noun
2. grootse overwinning of prestatie
trionfo
noun
1. triool
terzina
noun
1.
tritono
pronoun
Trieste
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
trofeo
noun
1. een driekantige platte schep met handvat voor het opbrengen van metselspecie
cazzuola
noun
1. een langgerekte voederbak.
trogolo
/'trɔ.li.bɵs/
noun
filobus
noun
1. een koperen blaasinstrument
trombone
noun
1. de vorming van een bloedprop in een bloedvat of het hart
trombosi
noun
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
tamburo
noun
asciugatrice
noun
memoria a tamburo
noun
1. onderdeel van een wiel, waarin twee halfcirkelvormige lichamen van binnenuit tegen de wand van een cilinder rond de as worden gedrukt
freno a tamburo
noun
timpano
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
tromba
/troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
trono
noun
1. steun bij verdriet of pijn
consolazione
verb
1. als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven
consolare
noun
1. streken tussen beide keerkringen
tropici
noun
troposfera
noun
3. een scheepskabel
  1. cavo
  2. canapo
  3. cima
  4. gomena
adjective
1. erg blij met wat men (bereikt) heeft
fiero
/trɔˈtʋar/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
marciapiede
/trʌʊ/
noun
1. het zich houden aan...
  1. fedeltà
  2. lealtà
noun
  1. vera
  2. fede
/tryk/
noun
1. een handeling om op een slimme manier een doel te bereiken
trucco
noun
tartufo
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
maglione
/tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
zar
/tʃad/, /tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Ciad
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
adjective
1. op Tsjechië betrekking hebbend
ceco
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
ceco
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
Repubblica Ceca
/ˈtʃɛxi.jə/, /ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
  1. Cechia
  2. Repubblica Ceca
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
Cecoslovacchia
/tʃɛnobil/
pronoun
Cernobil
pronoun
1. een taal die in Tsjetsjenië gesproken wordt
ceceno
pronoun
1.
Cecenia
/tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
  1. tsunami
  2. maremoto
noun
1. een koperen blaasinstrument met lage toon
tuba
/tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
giardino
noun
1. en 2. cultuurplant en eetbaar kruid Lepidum sativum
  1. crescione inglese
  2. crescione di giardino
verb
schenkpijp aan een kan of ketel
beccuccio
noun
1. hoofddeksel
turbante
noun
1. plant
tulipano
/'cu:nər/
noun
1. ontvanger
sintonizzatore
/ty.ˈne.zi.jə/, /tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
Tunisia
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
  1. galleria
  2. traforo
  3. cunicolo
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
turbina
verb
1. veen als brandstof
torba
noun
1. het delven en gebruiksklaar maken van turf
estrazione di torba
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
Torino
/tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
turco
/tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
Turchia
pronoun
1. de taal die door de Turkmenen in Turkmenistan en Afghanistan gesproken wordt
turkmeno
pronoun
Turkmenistan
/tʏrˈkojs/, /tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
turchese
adjective
blu turchese
adjective
verde turchese
adjective
1. met de blauwgroene kleur turkoois.
turchese
/tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
turco
noun
1. bepaald soort tuinplant, Lilium martagon
giglio martagone
adjective
1. blauwgroene kleur.
turchese
/ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
  1. fra
  2. tra
/ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
interiezione
/ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
Tuvalu
pronoun
1. Austronesische taal, gesproken door 13.080 mensen in Tuvalu, Fiji, Kiribati, Nauru en Nieuw-Zeeland
tuvalu
noun
2. een elektrisch apparaat om bewegende beelden en geluid te ontvangen
televisore
/twaːlf/, /tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
dodici
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
dodicesimo
/tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
due
/tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
due
/ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
  1. secundo
  2. secondo
noun
1. 26 december
Santo Stefano
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
  1. caso genitivo
  2. genitivo
noun
seconda persona
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
Seconda guerra mondiale
/ˈtweːˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 200
duecento
cardinalNumeral
1. het getal 208
duecentotto
cardinalNumeral
1. het getal 238
duecentotrentotto
cardinalNumeral
1. het getal 298
duecentonovantotto
cardinalNumeral
1. het getal 288
duecentottantotto
cardinalNumeral
1. het getal 228
duecentoventotto
cardinalNumeral
1. het getal 248
duecentoquarantotto
cardinalNumeral
1. het getal 258
duecentocinquantotto
cardinalNumeral
1. het getal 268
duecentosessantotto
/ˌtwehɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 278
duecentosettantotto
cardinalNumeral
1. het getal 218
duecentodiciotto
cardinalNumeral
1. het getal 213
duecentotredici
cardinalNumeral
1. het getal 230
duecentotrenta
cardinalNumeral
1. het getal 203
duecentotré
cardinalNumeral
1. het getal 233
duecentotrentatré
cardinalNumeral
1. het getal 293
duecentonovantatré
cardinalNumeral
1. het getal 283
duecentottantatré
cardinalNumeral
1. het getal 223
duecentoventitré
cardinalNumeral
1. het getal 243
duecentoquarantatré
cardinalNumeral
1. het getal 253
duecentocinquantatré
cardinalNumeral
1. het getal 263
duecentosessantatré
/ˌtwehɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 273
duecentosettantatré
cardinalNumeral
1. het getal 201
duecentouno
cardinalNumeral
1. het getal 231
duecentotrentuno
cardinalNumeral
1. het getal 291
duecentonovantuno
cardinalNumeral
1. het getal 281
duecentottantuno
cardinalNumeral
1. het getal 221
duecentoventuno
cardinalNumeral
1. het getal 241
duecentoquarantuno
cardinalNumeral
1. het getal 251
duecentocinquantuno
cardinalNumeral
1. het getal 261
duecentosessantuno
/ˌtwehɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 271
duecentosettantuno
cardinalNumeral
1. het getal 211
duecentoundici
cardinalNumeral
1. het getal 209
duecentonove
cardinalNumeral
1. het getal 239
duecentotrentanove
cardinalNumeral
1. het getal 299
duecentonovantanove
cardinalNumeral
1. het getal 289
duecentottantanove
cardinalNumeral
1. het getal 229
duecentoventinove
cardinalNumeral
1. het getal 249
duecentoquarantanove
cardinalNumeral
1. het getal 259
duecentocinquantanove
cardinalNumeral
1. het getal 269
duecentosessantanove
/ˌtwehɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 279
duecentosettantanove
cardinalNumeral
1. het getal 219
duecentodiciannove
cardinalNumeral
1. het getal 290
duecentonovanta
cardinalNumeral
1. het getal 280
duecentottanta
cardinalNumeral
1. het getal 210
duecentodieci
cardinalNumeral
1. het getal 212
duecentododici
cardinalNumeral
1. het getal 202
duecentodue
cardinalNumeral
1. het getal 232
duecentotrentadue
cardinalNumeral
1. het getal 292
duecentonovantadue
cardinalNumeral
1. het getal 282
duecentottantadue
cardinalNumeral
1. het getal 222
duecentoventidue
cardinalNumeral
1. het getal 242
duecentoquarantadue
cardinalNumeral
1. het getal 252
duecentocinquantadue
cardinalNumeral
1. het getal 262
duecentosessantadue
/ˌtwehɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 272
duecentosettantadue
cardinalNumeral
1. het getal 220
duecentoventi
cardinalNumeral
1. het getal 214
duecentoquattordici
cardinalNumeral
1. het getal 240
duecentoquaranta
cardinalNumeral
1. het getal 204
duecentoquattro
cardinalNumeral
1. het getal 234
duecentotrentaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 294
duecentonovantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 284
duecentottantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 224
duecentoventiquattro
cardinalNumeral
1. het getal 244
duecentoquarantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 254
duecentocinquantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 264
duecentosessantaquattro
/ˌtwehɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 274
duecentosettantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 205
duecentocinque
cardinalNumeral
1. het getal 235
duecentotrentacinque
cardinalNumeral
1. het getal 295
duecentonovantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 285
duecentottantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 225
duecentoventicinque
cardinalNumeral
1. het getal 245
duecentoquarantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 255
duecentocinquantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 265
duecentosessantacinque
/ˌtwehɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 275
duecentosettantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 215
duecentoquindici
cardinalNumeral
1. het getal 250
duecentocinquanta
cardinalNumeral
1. het getal 206
duecentosei
cardinalNumeral
1. het getal 236
duecentotrentasei
cardinalNumeral
1. het getal 296
duecentonovantasei
cardinalNumeral
1. het getal 286
duecentottantasei
cardinalNumeral
1. het getal 226
duecentoventisei
cardinalNumeral
1. het getal 246
duecentoquarantasei
cardinalNumeral
1. het getal 256
duecentocinquantasei
cardinalNumeral
1. het getal 266
duecentosessantasei
/ˌtwehɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 276
duecentosettantasei
cardinalNumeral
1. het getal 216
duecentosedici
cardinalNumeral
1. het getal 260
duecentosessanta
/ˌtwehɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 207
duecentosette
/ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 237
duecentotrentasette
/ˌtwehɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 297
duecentonovantasette
/ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 287
duecentottantasette
/ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 227
duecentoventisette
/ˌtwehɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 247
duecentoquarantasette
/ˌtwehɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 257
duecentocinquantasette
/ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 267
duecentosessantasette
/ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 277
duecentosettantasette
/ˌtwehɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 217
duecentodiciassette
/ˌtwehɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 270
duecentosettanta
/ˈtwelɪŋ/, /ˈtʋelɪŋ/, /ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
gemello
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 21 mei tot 21 juni
Gemelli
noun
1.
letto a due piazze
adjective
bilingue
noun
bilinguismo
cardinalNumeral
1. het getal 32
trentadue
noun
1.
biscroma
cardinalNumeral
1. het getal 92
novantadue
cardinalNumeral
1. het getal 82
ottantadue
cardinalNumeral
1. het getal 22
ventidue
cardinalNumeral
1. het getal 42
quarantadue
cardinalNumeral
1. het getal 52
cinquantadue
cardinalNumeral
1. het getal 62
sessantadue
/ˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 72
settantadue
/ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
dubbio
/twɛɪ̯x/, /tʋɛɪ̯χ/, /tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
  1. ramoscello
  2. rametto
/ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
venti
ordinalAdjective
ventesimo
/tɑjˈkuːn/
noun
1. een rijk persoon die een groot deel van een bepaalde bedrijfstak in handen heeft.
magnate
/tiˈfon/, /tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
tifone
noun
2. grafische vorm van tekst
tipografia
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
Mar Tirreno
/yː/
personalPronoun
u (pers.vnw.)
Lei
noun
1. bocht van 180°
  1. conversione a U
  2. inversione a U
/ˈyfo/
noun
1. vliegend voorwerp waarvan de identiteit niet bekend is, meestal in verband met een (vermeende) buitenaardse oorsprong
  1. OVNI
  2. UFO
  3. ufo
/œʏ̯/, /œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
cipolla
noun
1. de melkklier van een herkauwer
mammella
/œʏ̯ɫ/, /œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
  1. gufo
  2. civetta
/ˈœʏtbenə(n)/, /ˈœːdbeːnə(n)/, /ˈœːtbenə(n)/
verb
1. het been uit (het vlees) halen
disossare
verb
  1. subappaltare
  2. esternalizzare
noun
2.
esternalizzazione
/ˈœʏdaχɪŋ/, /ˈœːdaɣɪŋ/
noun
1. taak die moeilijk te verwezenlijken valt
sfida
verb
1. een gevoel of gedachte in taal verwoorden
esprimere
/œʏˈtɛɪndələk/
adverb
1. na een hele tijd
infine
verb
4. naar buiten gaan
uscire
/'œʏtχɑŋ/, /'œːtɣaŋ/
noun
uscita
verb
  1. 2. iets groter, langer of ruimer maken
    allargare
  2. 1. iets doen begrijpen
    spiegare
  3. 3. iets leggend uitspreiden
    1. stendere
    2. srotolare
/'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
verb
1. iemand verzoeken iets bij te wonen
invitare
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
invito
verb
1. officieel verklaren
proclamare
/œytspra:k/
noun
1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
  1. pronuncia
  2. pronunzia
noun
1. uitvaleinde
portamozzo
noun
1. persoon die uitvindingen doet
inventore
noun
1. de daad van het uitvinden, het ontdekken van een nieuwe methode of een nieuw toestel
invenzione
noun
metastasi
noun
1. complete uitrusting van kleren, linnengoed, borden, etc. van een bruid of bruidspaar
corredo
/œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
eccezione
/ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
ultimatum
adjective
. in een diepe tint blauw met RAL-nummer 5002
blu oltremare
noun
2. tint blauw met RAL-nummer 5002
blu oltremare
adjective
blu oltremare
pronoun
1. een uitgestorven taal uit de Italische taalfamilie die tot in het begin van onze jaartelling gesproken werd in het huidige Midden-Italië
Umbro
pronoun
Umbria
/ˈumlʌʊt/
noun
  1. 1. trema dat een vocaalwijziging aangeeft
    dieresi
  2. 2. vocaalwijziging o.i.v. een klinker in de volgende lettergreep
    metafonesi
/y.ˈnik/
adjective
1. enige in zijn soort
unico
adjective
1. alom bekend, vertegenwoordigd of erkend
universale
/ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
  1. università
  2. ateneo
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
universo
/ʌnstər/
noun
  1. 2. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op de rek van een veer
    bilancia a molla
  2. 1. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op een balans met ongelijke armen
    stadera
noun
1. scheikundig element met symbool Uub en atoomnummer 112
ununbio
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuo en het atoomnummer 118
ununoctio
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uup en het atoomnummer 115
ununpentio
verb
1. een bestand van een lokale computer of server naar een computer of server op afstand overbrengen
caricare
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
uranio
pronoun
Urano
pronoun
1. de officiële taal van Pakistan en een van de officiële talen van India
urdu
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
uretra
noun
1. de mate waarin iets dringend gewenst of nodig is
urgenza
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
  1. urina
  2. orina
noun
1.bij zoogdieren een orgaan dat de urine uit de nieren verzamelt en deze opslaat tot het moment van urineren
vessie
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
uretra
noun
1. de buis die loopt tussen het nierbekken en de blaas
uretere
/ˌyriˈnɪːrə(n)/
verb
1. het via de blaas lozen van lichamelijke afvalstoffen in de vorm van vloeistof
  1. urinare
  2. orinare
  3. pisciare
noun
1. eerste betekenisomschrijving
urna
noun
urologa
noun
urologia
noun
urologo
/ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /ˈuruˌɡwe/, /ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
Uruguay
/yʔɛsˈbeʔport/
noun
1. aansluitmogelijkheid waardoor apparaten gegevens uit kunnen wisselen volgens de USB-standaard
porta USB
/ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
utopia
/ˈytrɛx/, /ˈytrɛxt/, /ˈytrɛχt/
pronoun
  1. 4. spelwoord voor de letter u
    Udine
  2. 2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
    Utrecht
/yːr/
noun
1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
  1. ora
  2. 時間
noun
1. een mechaniek dat de tijd bijhoudt of aangeeft
orologio
noun
uveite
adjective
vago
/vaːk/
adverb
1. vele malen
spesso
noun
± onderscheidende vlag van een schip en/of militaire eenheid
  1. vessillo
  2. insegna
/ˈvaːrdəxɦɛːt/, /ˈvaːrdəxɦɛːɪt/
noun
1. het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem juist op te lossen
abilità
noun
giovenca
noun
  1. 2. kanaal, bevaarbaar gemaakte watergang
    canale
  2. 3. het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
    navigazione
  3. 1. opgebouwde snelheid
    velocità
/ˈvaːrtœx/, /ˈvaːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel op water
imbarcazione
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
vaso
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
lavastoviglie
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
lavastoviglie
/vakˈsæː/, /vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
vaccino
noun
1. materievrije ruimte
vuoto
noun
1. een mannelijke ouder
padre
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
festa del papà
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
patria
/ˈva.ɣə.ˌvyːr/, /ˈva.χə.ˌvyːr/
noun
1. een toestand waar de zielen van gestorven personen gereinigd worden.
purgatorio
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
vagina
adjective
vaginale
noun
1. een pelswerk, een heraldische kleur die een regelmatige verdeling is van twee tinten
vaio
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
sindacato
noun
1. een man die zijn vak of professie verstaat
artéfice
/vɑɫ/
noun
    1. 1. omlaag gaan
    2. 2. ten gevolge van de zwaartekracht naar beneden gaan
    3. 3. onvrijwillig ergens op terecht komen
    4. 4. hoogte van waarvandaan iets naar beneden valt
    caduta
  1. 10. apparaat met een vallende deur of klem met als doel dieren te vangen
    1. tranello
    2. trappola
pronoun
Valencia
pronoun
1. Catalaans zoals dat gesproken wordt in Valencia en omgeving
valenziano
noun
validità
/vɑlk/
noun
1. roofvogel
  1. falco
  2. falcone
noun
1. bedrijver van valkerij
falconiere
/vɑlkə'rɛɪ/
noun
1. africhten van roofvogels
falconeria
noun
1. een laagte tussen bergen
valle
verb
1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
cadere
noun
1. mythologisch ondood wezen
vampiro
preposition
  1. 1. geeft bezit aan
  2. 2. geeft herkomst aan
di
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
vanadio
adverb
1.duidt een tijdstip aan waarna (en waarop) iets geldt
dal
adverb
stasera
adverb
1. op deze dag
oggi
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
vandalismo
/ˈvɑŋ.re(i)l/
noun
1. metalen stroken langs autowegen, die dient om te voorkomen dat auto's van de rijbaan raken
  1. guardastrada
  2. guardavia
  3. guidovia
  4. sicurvia
noun
1. vloeistof onttrokken aan vanillestokjes in een ethanol oplossing
estratto di vaniglia
/va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
Vanuatu
noun
1. Varanidae, de grootste levende hagedis
varano
noun
1. een sporenplant
felce
adjective
verde felce
noun
variante
/ˌva.ri.ˈjɑn.si/, /ˌva.ri.ˈjɑn.tsi/
noun
1. een maat voor de spreiding van een variabele of van een verdeling gedefinieerd als de wortel uit de variantie
varianza
noun
varietà
noun
varice
noun
  1. 1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
  2. 2.
  1. maiale
  2. porco
/'vɑr.kəns.ɦas/
noun
1. haas van een varken
lombata di maiale
noun
2. lever van een varken
fegato di maiale
noun
1. overdekt verblijf voor varkens
porcile
noun
2. lever van een varken
lingua di maiale
noun
  1. grasso di maiale
  2. grasso di suino
noun
maiale
/vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
  1. continente
  2. terra emersa
verb
1. zich onthouden van voedsel
digiunare
noun
1. contractuele formalisering van een bereikte schikking
contratto di transazione
noun
  1. 1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
    barile
  2. 3. ader
    vaso
/vatiˈkanstɑt/, /vatiˈkaːnstɑd/, /vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
  1. Città del Vaticano
  2. Vaticano
pronoun
1.
Vaud
noun
vettore
/ˈveda/
pronoun
1. elk van de vier voornaamste heilige hindoegeschriften
Salmi
noun
1. middeleeuws, meestal vijfsnarig strijkinstrument
viella
/veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
bestiame
/feɪɫ/, /veːl/
indefiniteCardinalNumeral
1. groot in hoeveelheid
molto
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
poligono
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
ghiottone
/veːr/, /vɪːr/
noun
  1. 2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
    molla
  2. 1. lichaamsbedekking van een vogel
    piuma
  3. 1. boot of schip toegewijd aan het onderhouden van een regelmatige verbinding over een rivier of een ander water
    traghetto
noun
2. herstellingsvermogen van iemands gestel of gemoed
resilienza
noun
1. een persoon die een veer bedient
  1. traghettatore
  2. battelliere
noun
1. een overzetvaartuig
traghetto
/ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
quattordici
ordinalAdjective
quattordicesimo
/ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
quaranta
noun
1. het onderhouden en fokken van vee.
allevamento del bestiame
noun
veganismo
adjective
1. als of voor vegetariërs
vegetariano
/ˈvɛilə(n)/
verb
1. verkopen op een openbare verkoping waar een prijs vastgesteld wordt
vendere all'asta
noun
1. een stevige band die iemand in een voer- of vliegtuig vasthoudt in zijn zetel ter bescherming tegen onverhoedse bewegingen
cintura di sicurezza
noun
1. een klep die een opening in een reservoir of een leiding afsluit en die geopend wordt als de inwendige spanning te hoog wordt
valvola di sicurezza
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
Consiglio di sicurezza delle Nazioni Unite
noun
scarponcino di sicurezza
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
spilla di sicurezza
/ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
asta
noun
  1. 1. dunne laag
    foglio
  2. 2. afgestroopte huid
    pelle
/ ˈvɛltflɛs /
noun
1. een afsluitbare en draagbare fles, meestal uit metaal of plastic vervaardigd, die gebruikt wordt om de drager buitenshuis van vocht te voorzien
borraccia
noun
ospedale da campo
noun
allodola
noun
1. Microtus arvalis, familie van de woelmuis
topo campagnolo
noun
1. en 2. (bladeren van) kruidachtige plant Valerianella locusta
  1. dolcetta
  2. valerianella
  3. lattughella
  4. songino
noun
1. een treffen tussen twee of meer legers
battaglia
/ˈvɛld.zyː.rɪŋ/, /ˈvɛɫ.tsyː.rɪŋ/
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Rumex acetosa
acetosa
/vɛlx/, /vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
cerchione
pronoun
1. een taal die in de Veneto-regio gesproken wordt
veneto
//
pronoun
1. provincie in Italië
Venezia
pronoun
Veneto
/ˌvenəzoˈlan/, /ˌvenəzoˈlaːn/
noun
1. een inwoner van Venezuela
venezuelano
/ˌvenəzyˈweːla/, /ˌvenəzyˈβ̞ela/, /ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
Venezuela
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
tasso
noun
1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
finocchio
noun
1. gedroogde zaden van Foeniculum vulgare
seme di finocchio
noun
1. onderneming of bedrijf met meerdere aandeelhouders
società
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
finestra
adjective
grigio finestra
noun
ventilatore
/vɛn.ˈtri.kɔɫ/, /vɛn.ˈtri.kəl/, /vɛn.ˈtri.kəɫ/
noun
1. elk van twee kamers van het hart
ventricolo
pronoun
1. planeet
Venere
noun
  1. dionea
  2. venere acchiappamosche
adverb
1. op grote afstand
lontano
/vərˈɑxtə(n)/, /vərˈɑçtə(n)/
verb
1. in hoge mate minachten
disprezzare
adjective
1. op grote afstand
  1. lontano
  2. remoto
/vɛ.ˈrɑf.sxy.wə(n)/
verb
1. afschuw hebben voor
detestare
verb
1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
mutare
noun
1. iets dat anders is geworden
  1. cambiamento
  2. modifica
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
responsabilità
verb
1. armer worden
  1. immiserirsi
  2. impoverirsi
verb
1. iemand van regeringswege dwingen een bepaald gebied te verlaten
  1. esiliare
  2. bandire
/vər.ˈbe.tə,rɪŋ/
noun
1. een verandering ten goede
miglioramento
/vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
  1. proibire
  2. vietare
/vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
2. scheikunde
composto
noun
2. twee-personen-verhouding waarbij de ene tot een prestatie gerechtigd, de andere tot dezelfde verplicht is
obbligazione
adjective
blu distante
/vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
divieto
noun
combustione
/vər.ˈbœʏ̯.χɪŋ/, /vər.ˈbœː.ɣɪŋ/
noun
1. naamwoordsflexie
declinazione
verb
1. met een laagje chroom bedekken
cromare
verb
1. een zitting opschorten tot een nadere datum
aggiornare
verb
1. beschermen tegen een aanval
  1. difendere
  2. proteggere
noun
defensa
verb
1. in kleinere stukken uiteendoen
dividere
verb
1. het vermoeden hebben van iets slechts
sospettare
/vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
sospetto
/vərˈdɪxtsəl/
noun
1. iets dat niet bestaat
  1. invenzione
  2. frottola
verb
  1. 2. geld verkrijgen door arbeid of een andere prestatie
    guadagnare
  2. 1. het recht op een beloning of bestraffing verwerven
    meritare
/vər.ˈdi.pɪŋ/
noun
  1. 1. het dieper maken
    approfondimento
  2. 3. alle ruimten op één hoogte in een gebouw
    piano
noun
1. bereidheid om te aanvaarden dat anderen zich gedragen op een manier die je niet goed vindt
  1. tolleranza
  2. sopportazione
noun
annegamento
/vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
1. wegraken
scomparire
/vərenˈvʌʊdəχtʃiˌnes/, /vərenˈvʌːdəxtʃiˌnes/
phraseologicalUnit
1. het schrift waarmee het Chinees met name op het vasteland van China geschreven wordt
cinese semplificato
/vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
Regno Unito
/vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
Emirati Arabi Uniti
noun
  1. Organizzazione delle Nazioni Unite
  2. Nazioni Unite
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
  1. Stati Uniti d'America
  2. Stati Uniti
/və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Stati Uniti d'America
/və.ˈre.nə.ɣɪŋ/, /və.ˈre.nə.χɪŋ/, /vər.ˈe.ni.ɣɪŋ(g)/
noun
1. groepering van mensen die op een bepaald doel gericht is
associazione
/vɛrf/
noun
1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
  1. vernice
  2. pittura
verb
1. geel worden door veroudering of invloed van de omgeving
ingiallire
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
  1. comparare
  2. confrontare
/vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
2. wiskundige uitdrukking
equazione
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
  1. dimenticare
  2. scordare
verb
1. vergiffenis schenken
perdonare
/vərˈxevənsxəzɪnt/
adjective
1. klaar om anderen te vergeven
  1. clemente
  2. indulgente
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
remissione
/vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
veleno
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
remissione
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
  1. avvelenare
  2. intossicare
/vər.ˈɣɪ.sɪŋ/, /vər.ˈχɪ.sɪŋ/, /vɛr.ˈɣɪ.sɪŋ(g)/
noun
1. iets doen dat niet juist is, of een verkeerde conclusie trekken
errore
noun
1. bolle lens waardoor de voorwerpen die men bekijkt groter lijken
  1. lente d'ingrandimento
  2. contrada della Lupa
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje goud
dorare
noun
1. een indringende ondervraging van een gevangene of verdachte
interrogatorio
verb
1. een houtachtige structuur krijgen
lignificare
verb
  1. 1. van woonplaats veranderen
  2. 2. de inboedel van een ander overbrengen
traslocare
/vərˈhœʏzɪŋ/, /vərˈhœːzɪŋ/
noun
1. de verwisseling van één (semi-) permanente woonplaats voor een andere
trasloco
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
compleanno
noun
1. het niet meer afdwingbaar zijn van een vordering door het verloop van de tijd
prescrizione
verb
1. jonger maken
ringiovanire
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
  1. traffico
  2. viabilità
adjective
blu traffico
noun
1. gestandaariseerd bord met aanwijzingen voor mensen in het verkeer
  1. cartello stradale
  2. segnale stradale
adjective
giallo traffico
adjective
grigio traffico
noun
grigio traffico A
noun
grigio traffico B
adjective
verde traffico
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
semaforo
adjective
arancio pastello
adjective
porpora traffico
adjective
rosso traffico
adjective
bianco traffico
adjective
nero traffico
noun
2. militaire verkenning
ricognizione
/vər.ˈki.zɪŋ/, /vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
  1. scelta
  2. elezione
/vɛrˈklarə(n)/
verb
  1. 2. een officieel standpunt uitspreken
    dichiarare
  2. 1. duidelijk maken
    spiegare
/vərˈklɛɪ̯nʋɔːrt/
noun
1. woord waardoor iets als klein of weinig wordt voorgesteld
diminutivo
noun
1. het van kleur veranderen
decolorazione
/vərˈkopə(n)/
verb
1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
vendere
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
venditore
noun
1. een virusinfectie aan keel of neus
raffreddore
verb
1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
  1. stuprare
  2. violentare
noun
1. een seksuele daad onder dwang
stupro
/vər'lɑmə(n)/
verb
1. van het vermogen zich te bewegen beroven
paralizzare
noun
1. toestand waarin men niet is staat is zich te bewegen
paralisi
noun
1. iets willen hebben
desiderio
verb
1. iets erg graag willen hebben
desiderare
verb
  1. 2. in de steek laten
    abbandonare
  2. 1. weggaan
    1. abbandonare
    2. partire
noun
1. de voorafgaande tijd
passato
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
participio passato
noun
elektrisch snoer voorzien van stekker en contrastekker
prolunga
noun
amoureuze gerichtheid op een bepaalde persoon
innamoramento
noun
1. het teloorgaan, kwijtraken
perdita
verb
1. iets kwijt raken
perdere
noun
1. iemand die in een spel, wedstrijd, onderhandeling of oorlog verliest
perdente
noun
1. iemand die toegezegd heeft met een partner in het huwelijk te willen treden
  1. fidanzata
  2. fidanzato
/vərˈloːrə(n)/
adjective
  1. 5.2. (Bijbel) verloren zoon
    figlio prodigo
  2. 5.3. (Bijbel) verloren schaap (afgedwaald van de kudde)
    pecora smarrita
  3. 1-5.
    1. perduto
    2. perso
verb
1. iemand prettig en leuk bezighouden
divertire
verb
1. het herhaald optellen van een getal; een rekenkundige bewerking waarvan de uitkomst het product wordt genoemd
moltiplicare
/vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
moltiplicazione
noun
1.
minestra primavera
/vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
evitare
adjective
2. in een tint rood met RAL-nummer 2002
arancio sanguigno
noun
  1. 3. tint rood met RAL-nummer 2002
    arancio sanguigno
  2. 1. bepaalde rode kleurstof op basis van kwik(I)sulfide, HgS
    cinabro
  3. 2. naar oranje zwemende dieprode kleur
    vermiglione
conjunction
1. omdat of aangezien, geeft onderschikkend een reden aan
perché
noun
1. een waarschijnlijke waarheid
congettura
/vərˈmoχə(n)/
noun
2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen
potenza
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
  1. assassinare
  2. uccidere
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
vermut
verb
1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
condannare
verb
1. de oorzaak zijn van
causare
/vərovərə(n)/
verb
1. een gebied door een militaire operatie in zijn macht nemen
  1. conquistare
  2. sconfiggere
noun
conquista
noun
1. het materiaal waarin iets verpakt is
imballaggio
/vər.ˈplɑn.tə(n)/
verb
1. op een andere plaats zetten
trapiantare
noun
infermiere
verb
1. tot regel maken dat iets moet
  1. obbligare
  2. costringere
/vər.ˈplɪx.tɪŋ/, /vər.ˈplɪχ.tɪŋ/, /vɛr.ˈplɪx.tɪŋ(g)/
noun
1. iets dat moet
obbligo
/vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
tradimento
noun
1. iemand die verraad pleegt
traditore
/və.ˈra.sɪŋ/, /və.ˈrɑ.sɪŋ/, /vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
sorpresa
/ˈvɛrəˌkɛːkər/, /ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
  1. binocolo
  2. cannocchiale
verb
1. rijker maken
arricchire
noun
1. uit de dood opstaan
resurrezione
noun
  1. 2. dichtregel
  2. 3. couplet
verso
noun
2. verstemlozing van obstruenten in eindpositie
desonorizzazione finale
/vər'sxɛɪnə(n)/
verb
1. aan het licht treden, zichtbaar worden
apparire
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
differenza
adverb
1. zo erg dat men er van schrikt
terribile
/ˈfɛrsi/
noun
  1. 1. specifieke vorm of variant van een uitgave
  2. 2. bepaalde verklaring of interpretatie van een gebeurtenis
versione
/vɛrˈsi:rə(n)/
verb
3.
rimorchiare
noun
1. iets aangebracht om het uiterlijk fraaier te maken
decorazione
/vər.ˈsla.vɪŋ/, /vɛr.ˈsla.vɪŋ(g)/
noun
1. een toestand waarin een persoon fysiek en/of mentaal van een gewoonte of stof afhankelijk is
dipendenza
verb
1. grote hoeveelheden geheel verorberen
inghiottire
verb
1. een grotere snelheid (doen) bereiken
accelerare
noun
    1. 1. toename van het tempo
    2. 2. tweede tijdsafgeleide van de positie
    accelerazione
  1. 3. mechaniek voor overdracht van aandrijving
    cambio
verb
1. in omloop brengen, over een groter oppervlak uitbreiden
divulgare
verb
1.
  1. pietrificare
  2. petrificare
verb
2. het aantal vergroten
rinforzare
/vərˈstɔ.pər.tjə/
noun
Nascondino
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
tradurre
noun
traduttore
/vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
traduzione
/ˈvɛrtə/
noun
1. het gebied dat nog net binnen zichtsafstand is
lontananza
verb
1.
rappresentare
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
rappresentante
adverb
verticale
noun
2. de actie van het vertrekken of weggaan
partenza
noun
ora di partenza
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
fiducia
/vər'vɑŋə(n)/
verb
1. het ene de plaats doen innemen van het andere
  1. sostituire
  2. rimpiazzare
noun
sostituzione
verb
1. met verf bestrijken
tingere
adjective
maledetto
interjection
mannaggia
verb
A.1 omvormen van een werkwoord om wijze, tijd en persoon uit te drukken
coniugare
/vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /vər.ˈvu.χɪŋ/, /vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
coniugazione
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
trasportere
noun
1. voorwerp bestemd om personen of goederen naar een andere plaats te brengen
veicolo
verb
1. vreemd maken, van eigenaar doen wisselen
  1. alienare
  2. allontanare
  3. estraniare
noun
2. overdracht van het eigendom
alienazione
verb
1. vrouwelijk maken
femminilizzare
adjective
1. niet de moeite om zich met iets bezig te houden
trascurabile
verb
1. iets niet de benodigde verzorging schenken
  1. trascurare
  2. negligere
verb
1. ergens van uitgaan
aspettarsi
adjective
  1. 1. geparenteerd, familie zijnd
    imparentato
  2. 2. op een of andere wijze gerelateerd
    relazionato
/vər.ˈʋɑr.mɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑr.mɪŋ/, /vɛr.ˈwɑr.mɪŋ(g)/
noun
  1. 2. een installatie die voor het verwarmen zorgt
  2. 1. het proces van verwarmen
riscaldamento
/vɛrˈʋɛ.χɪsˌtɑn/, /vɛrˈβ̞ɛ.ɣɪsˌtɑn/
pronoun
1. uithoek, een hypothetisch en oneindig ver land
casa del diavolo
/vərˈwɛɪ̯dərə(n)/, /vərˈʋɛɪ̯dərə(n)/, /vərˈβ̞ɛːdərə(n)/
verb
1. weghalen
rimuovere
/vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
2. wiskundige verzameling
insieme
/vərzekərar/
noun
1. een bedrijf dat tegen betaling van een premie een bepaald risico voor een klant dekt
assicuratore
/vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
  1. 1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
  2. 2. de mededeling dat iets ...
assicurazione
noun
1. beweging van het verzet, de gezamenlijke mensen die zich verzetten tegen een overheerser
resistenza (politica)
noun
1. vraag om iets te doen of te laten
richiesta
verb
1. vrede laten sluiten
riconciliare
/vɛrzʋɑkə(n)/
verb
  1. 1. zwakker maken
    indebolire
  2. 1. zwakker worden
    indebolirsi
verb
1.
inghiottire
noun
1. een mouwloos jasje, te dragen onder de jas van het kostuum
gilé
adjective
1. dik, vet inhoudend
  1. grasso
  2. grosso
  3. obeso
noun
  1. 1. gladde, zeer vette vloeistoffen, smeermiddelen
  2. 2. gespecialiseerd dierlijk weefsel
grasso
noun
stringa
verb
1. een dier/persoon overvloedig en calorierijk voedsel aanbieden zodat deze in gewicht aankomt
ingrassare
/ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
acido grasso
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
  1. puledro
  2. pattino
  3. vannino
noun
1.
vessillologia
noun
1. marimba met metalen toetsen en vibratosysteem
vibrafono
pronoun
2. spelwoord voor de letter V
Venezia
/viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
quattro
/ˈviːrdə/
ordinalAdjective
1. nummer vier in een rij
quarto
verb
1. een feest vieren
  1. festeggiare
  2. celebrare
cardinalNumeral
1. het getal 34
trentaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 94
novantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 84
ottantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 24
ventiquattro
cardinalNumeral
1. het getal 44
quarantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 54
cinquantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 64
sessantaquattro
/ˈvirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 74
settantaquattro
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
  1. quadrangolo
  2. tetragono
/ˈviːrˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 400
quattrocento
cardinalNumeral
1. het getal 408
quattrocentotto
cardinalNumeral
1. het getal 438
quattrocentotrentotto
cardinalNumeral
1. het getal 498
quattrocentonovantotto
cardinalNumeral
1. het getal 488
quattrocentottantotto
cardinalNumeral
1. het getal 428
quattrocentoventotto
cardinalNumeral
1. het getal 448
quattrocentoquarantotto
cardinalNumeral
1. het getal 458
quattrocentocinquantotto
cardinalNumeral
1. het getal 468
quattrocentosessantotto
/ˌvirhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 478
quattrocentosettantotto
cardinalNumeral
1. het getal 418
quattrocentodiciotto
cardinalNumeral
1. het getal 413
quattrocentotredici
cardinalNumeral
1. het getal 430
quattrocentotrenta
cardinalNumeral
1. het getal 403
quattrocentotré
cardinalNumeral
1. het getal 433
quattrocentotrentatré
cardinalNumeral
1. het getal 493
quattrocentonovantatré
cardinalNumeral
1. het getal 483
quattrocentottantatré
cardinalNumeral
1. het getal 423
quattrocentoventitré
cardinalNumeral
1. het getal 443
quattrocentoquarantatré
cardinalNumeral
1. het getal 453
quattrocentocinquantatré
cardinalNumeral
1. het getal 463
quattrocentosessantatré
/ˌvirhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 473
quattrocentosettantatré
cardinalNumeral
1. het getal 401
quattrocentouno
cardinalNumeral
1. het getal 431
quattrocentotrentuno
cardinalNumeral
1. het getal 491
quattrocentonovantuno
cardinalNumeral
1. het getal 481
quattrocentottantuno
cardinalNumeral
1. het getal 421
quattrocentoventuno
cardinalNumeral
1. het getal 441
quattrocentoquarantuno
cardinalNumeral
1. het getal 451
quattrocentocinquantuno
cardinalNumeral
1. het getal 461
quattrocentosessantuno
/ˌvirhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 471
quattrocentosettantuno
cardinalNumeral
1. het getal 411
quattrocentoundici
cardinalNumeral
1. het getal 409
quattrocentonove
cardinalNumeral
1. het getal 439
quattrocentotrentanove
cardinalNumeral
1. het getal 499
quattrocentonovantanove
cardinalNumeral
1. het getal 489
quattrocentottantanove
cardinalNumeral
1. het getal 429
quattrocentoventinove
cardinalNumeral
1. het getal 449
quattrocentoquarantanove
cardinalNumeral
1. het getal 459
quattrocentocinquantanove
cardinalNumeral
1. het getal 469
quattrocentosessantanove
/ˌvirhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 479
quattrocentosettantanove
cardinalNumeral
1. het getal 419
quattrocentodiciannove
cardinalNumeral
1. het getal 490
quattrocentonovanta
cardinalNumeral
1. het getal 480
quattrocentottanta
cardinalNumeral
1. het getal 410
quattrocentodieci
cardinalNumeral
1. het getal 412
quattrocentododici
cardinalNumeral
1. het getal 402
quattrocentodue
cardinalNumeral
1. het getal 432
quattrocentotrentadue
cardinalNumeral
1. het getal 492
quattrocentonovantadue
cardinalNumeral
1. het getal 482
quattrocentottantadue
cardinalNumeral
1. het getal 422
quattrocentoventidue
cardinalNumeral
1. het getal 442
quattrocentoquarantadue
cardinalNumeral
1. het getal 452
quattrocentocinquantadue
cardinalNumeral
1. het getal 462
quattrocentosessantadue
/ˌvirhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 472
quattrocentosettantadue
cardinalNumeral
1. het getal 420
quattrocentoventi
cardinalNumeral
1. het getal 414
quattrocentoquattordici
cardinalNumeral
1. het getal 440
quattrocentoquaranta
cardinalNumeral
1. het getal 404
quattrocentoquattro
cardinalNumeral
1. het getal 434
quattrocentotrentaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 494
quattrocentonovantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 484
quattrocentottantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 424
quattrocentoventiquattro
cardinalNumeral
1. het getal 444
quattrocentoquarantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 454
quattrocentocinquantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 464
quattrocentosessantaquattro
/ˌvirhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 474
quattrocentosettantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 405
quattrocentocinque
cardinalNumeral
1. het getal 435
quattrocentotrentacinque
cardinalNumeral
1. het getal 495
quattrocentonovantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 485
quattrocentottantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 425
quattrocentoventicinque
cardinalNumeral
1. het getal 445
quattrocentoquarantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 455
quattrocentocinquantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 465
quattrocentosessantacinque
/ˌvirhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 475
quattrocentosettantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 415
quattrocentoquindici
cardinalNumeral
1. het getal 450
quattrocentocinquanta
cardinalNumeral
1. het getal 406
quattrocentosei
cardinalNumeral
1. het getal 436
quattrocentotrentasei
cardinalNumeral
1. het getal 496
quattrocentonovantasei
cardinalNumeral
1. het getal 486
quattrocentottantasei
cardinalNumeral
1. het getal 426
quattrocentoventisei
cardinalNumeral
1. het getal 446
quattrocentoquarantasei
cardinalNumeral
1. het getal 456
quattrocentocinquantasei
cardinalNumeral
1. het getal 466
quattrocentosessantasei
/ˌvirhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 476
quattrocentosettantasei
cardinalNumeral
1. het getal 416
quattrocentosedici
cardinalNumeral
1. het getal 460
quattrocentosessanta
/ˌvirhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 407
quattrocentosette
/ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 437
quattrocentotrentasette
/ˌvirhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 497
quattrocentonovantasette
/ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 487
quattrocentottantasette
/ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 427
quattrocentoventisette
/ˌvirhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 447
quattrocentoquarantasette
/ˌvirhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 457
quattrocentocinquantasette
/ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 467
quattrocentosessantasette
/ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 477
quattrocentosettantasette
/ˌvirhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 417
quattrocentodiciassette
/ˌvirhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 470
quattrocentosettanta
/ˈviː.rɪŋ(g)/, /ˈviː.rɪŋ/
noun
1. het vieren
celebrazione
adjective
1. met de vorm van een vierkant
quadrato
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
quadrato
noun
1.
metro quadrato
noun
1. dat getal dat met zichzelf vermenigvuldigd een gegeven getal oplevert
radice quadrata
pronoun
  1. lago dei Quattro Cantoni
  2. lago di Lucerna
adjective
1. smerig
  1. sporco
  2. sporca
pronoun
Vietnam
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
vietnamita
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
nemico
/vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
cinque
/ˈvɛɪ̯f.də/, /ˈvɛɪ̯v.də/, /ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
  1. quinto
  2. quinta
cardinalNumeral
1. het getal 35
trentacinque
cardinalNumeral
1. het getal 95
novantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 85
ottantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 25
venticinque
cardinalNumeral
1. het getal 45
quarantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 55
cinquantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 65
sessantacinque
/ˈvɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 75
settantacinque
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
pentagono
/ˈvɛi̯fˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 500
cinquecento
cardinalNumeral
1. het getal 508
cinquecentotto
cardinalNumeral
1. het getal 538
cinquecentotrentotto
cardinalNumeral
1. het getal 598
cinquecentonovantotto
cardinalNumeral
1. het getal 588
cinquecentottantotto
cardinalNumeral
1. het getal 528
cinquecentoventotto
cardinalNumeral
1. het getal 548
cinquecentoquarantotto
cardinalNumeral
1. het getal 558
cinquecentocinquantotto
cardinalNumeral
1. het getal 568
cinquecentosessantotto
/ˌvɛifhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 578
cinquecentosettantotto
cardinalNumeral
1. het getal 518
cinquecentodiciotto
cardinalNumeral
1. het getal 513
cinquecentotredici
cardinalNumeral
1. het getal 530
cinquecentotrenta
cardinalNumeral
1. het getal 503
cinquecentotré
cardinalNumeral
1. het getal 533
cinquecentotrentatré
cardinalNumeral
1. het getal 593
cinquecentonovantatré
cardinalNumeral
1. het getal 583
cinquecentottantatré
cardinalNumeral
1. het getal 523
cinquecentoventitré
cardinalNumeral
1. het getal 543
cinquecentoquarantatré
cardinalNumeral
1. het getal 553
cinquecentocinquantatré
cardinalNumeral
1. het getal 563
cinquecentosessantatré
/ˌvɛifhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 573
cinquecentosettantatré
cardinalNumeral
1. het getal 501
cinquecentouno
cardinalNumeral
1. het getal 531
cinquecentotrentuno
cardinalNumeral
1. het getal 591
cinquecentonovantuno
cardinalNumeral
1. het getal 581
cinquecentottantuno
cardinalNumeral
1. het getal 521
cinquecentoventuno
cardinalNumeral
1. het getal 541
cinquecentoquarantuno
cardinalNumeral
1. het getal 551
cinquecentocinquantuno
cardinalNumeral
1. het getal 561
cinquecentosessantuno
/ˌvɛifhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 571
cinquecentosettantuno
cardinalNumeral
1. het getal 511
cinquecentoundici
cardinalNumeral
1. het getal 509
cinquecentonove
cardinalNumeral
1. het getal 539
cinquecentotrentanove
cardinalNumeral
1. het getal 599
cinquecentonovantanove
cardinalNumeral
1. het getal 589
cinquecentottantanove
cardinalNumeral
1. het getal 529
cinquecentoventinove
cardinalNumeral
1. het getal 549
cinquecentoquarantanove
cardinalNumeral
1. het getal 559
cinquecentocinquantanove
cardinalNumeral
1. het getal 569
cinquecentosessantanove
/ˌvɛifhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 579
cinquecentosettantanove
cardinalNumeral
1. het getal 519
cinquecentodiciannove
cardinalNumeral
1. het getal 590
cinquecentonovanta
cardinalNumeral
1. het getal 580
cinquecentottanta
cardinalNumeral
1. het getal 510
cinquecentodieci
cardinalNumeral
1. het getal 512
cinquecentododici
cardinalNumeral
1. het getal 502
cinquecentodue
cardinalNumeral
1. het getal 532
cinquecentotrentadue
cardinalNumeral
1. het getal 592
cinquecentonovantadue
cardinalNumeral
1. het getal 582
cinquecentottantadue
cardinalNumeral
1. het getal 522
cinquecentoventidue
cardinalNumeral
1. het getal 542
cinquecentoquarantadue
cardinalNumeral
1. het getal 552
cinquecentocinquantadue
cardinalNumeral
1. het getal 562
cinquecentosessantadue
/ˌvɛifhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 572
cinquecentosettantadue
cardinalNumeral
1. het getal 520
cinquecentoventi
cardinalNumeral
1. het getal 514
cinquecentoquattordici
cardinalNumeral
1. het getal 540
cinquecentoquaranta
cardinalNumeral
1. het getal 504
cinquecentoquattro
cardinalNumeral
1. het getal 534
cinquecentotrentaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 594
cinquecentonovantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 584
cinquecentottantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 524
cinquecentoventiquattro
cardinalNumeral
1. het getal 544
cinquecentoquarantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 554
cinquecentocinquantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 564
cinquecentosessantaquattro
/ˌvɛifhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 574
cinquecentosettantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 505
cinquecentocinque
cardinalNumeral
1. het getal 535
cinquecentotrentacinque
cardinalNumeral
1. het getal 595
cinquecentonovantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 585
cinquecentottantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 525
cinquecentoventicinque
cardinalNumeral
1. het getal 545
cinquecentoquarantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 555
cinquecentocinquantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 565
cinquecentosessantacinque
/ˌvɛifhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 575
cinquecentosettantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 515
cinquecentoquindici
cardinalNumeral
1. het getal 550
cinquecentocinquanta
cardinalNumeral
1. het getal 506
cinquecentosei
cardinalNumeral
1. het getal 536
cinquecentotrentasei
cardinalNumeral
1. het getal 596
cinquecentonovantasei
cardinalNumeral
1. het getal 586
cinquecentottantasei
cardinalNumeral
1. het getal 526
cinquecentoventisei
cardinalNumeral
1. het getal 546
cinquecentoquarantasei
cardinalNumeral
1. het getal 556
cinquecentocinquantasei
cardinalNumeral
1. het getal 566
cinquecentosessantasei
/ˌvɛifhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 576
cinquecentosettantasei
cardinalNumeral
1. het getal 516
cinquecentosedici
cardinalNumeral
1. het getal 560
cinquecentosessanta
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 507
cinquecentosette
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 537
cinquecentotrentasette
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 597
cinquecentonovantasette
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 587
cinquecentottantasette
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 527
cinquecentoventisette
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 547
cinquecentoquarantasette
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 557
cinquecentocinquantasette
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 567
cinquecentosessantasette
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 577
cinquecentosettantasette
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 517
cinquecentodiciassette
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 570
cinquecentosettanta
/ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
quindici
ordinalAdjective
quindicesimo
/ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
cinquanta
noun
1. vrucht van de vijgenboom
fico
noun
1. tropische boom
fico
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
lima
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
stagno
pronoun
1.
Villaco
noun
door langdurig bewerken verdichte wol
feltro
noun
1. hoed
  1. cappello di feltro
  2. feltro
noun
1. een pen met een poreuze kern
pennarello
/vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
pinna
/'vɪndə(n)/
verb
  1. 1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
  2. 2. iets bedenken
  3. 4. iets ondervinden, iets ten deel krijgen
  4. 3. iets op een bepaalde wijze beschouwen of ervaren
trovare
noun
2. ontdekking, uitvinding
invenzione
noun
1. extremiteiten van de hand
  1. dito
  2. dita
/ˈvɪ.ŋər.ˌɑf.drʏk/, /ˈvɪ.ŋər.ˌɑv.drʏk/
noun
1. een afdruk op een oppervlak van een vinger met meestal de unieke, persoonsgebonden figuur...
impronta digitale
/'vɪŋərˌɦut/
noun
1. hard dopje dat het eerste kootje van de vinger beschermt bij het naaien
ditale
noun
fringuello
noun
1. knie- of beenviool
viola da gamba
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
  1. violetto
  2. viola
noun
1. musicus die een viool bespeelt
violista
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de violoncellist of cellist tussen de knieën wordt gehouden
violoncello
noun
1. strijkinstrument
violino
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Viola
viola
adjective
1.
virtuale
adjective
virtuoso
/virəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
virus
noun
  1. 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
  2. 2. het vlees van een vis
pesce
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
falco pescatore
noun
1. vlechtwerk van touw om zeedieren te vangen of in water te bewaren
rete da pesca
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
Pesci
verb
1. proberen te vangen
pescare
/vizyʋel/
adjective
1. betreffende het zicht, betreffende het zienbare
visuale
noun
1. een stof die het lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft, maar niet of bijna niet door het lichaam zelf aangemaakt kan worden en derhalve in voldoende mate via voedsel of supplement ingenomen moet worden
vitamina
noun
  1. 1. een richttoestel op de loop van een vuurwapen
    mirino
  2. 2. klep aan een hoofddeksel
    visiera
noun
± vloeibaar dessert van zuivel, eieren en vanille, evt. verdikt met zetmeel
crema inglese
adjective
1. betrekking hebbende op Vlaanderen of de Vlamingen
fiammingo
pronoun
1. Nederlands zoals dat in Vlaanderen gesproken wordt
fiammingo
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
ghiandaia
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
Fiandre
/vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
  1. bandiera
  2. stendardo
/ˈvlɑɣəˌsxɪp/
noun
1. schip waarop zich de bevelvoerder over een vloot of eskader bevindt
  1. ammiraglia
  2. nave ammiraglia
noun
1. bepaald soort vis, Thymallus thymallus
temolo
noun
1. kleinste vorm van vuur
fiamma
noun
forno elettrico ad arco
/'vlamɪŋ/
noun
1. een inwoner van Vlaanderen of iemand afkomstig uit Vlaanderen
fiammingo
noun
lino
noun
1. een gebonden pluk haar
treccia
/ˈvlɛx.tə(n)/, /ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
intrecciare
noun
1. klein vliegend zoogdier
  1. pipistrello
  2. maglio
noun
  1. 1. spierweefsel van bepaalde organen
  2. 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
carne
noun
1. een vleesetend dier
carnivoro
verb
1. (onoprechte) complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen
  1. adulare
  2. blandire
noun
1. een vieze plek
macchia
noun
  1. 1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
  2. 2. onderdeel van een vliegtuig
  3. 5. een deel van een leger
ala
noun
aliscafo
/vlix/, /vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
mosca
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
portaerei
/ˈvli.ɣə(n)/, /ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
volare
noun
1. bepaald soort paddenstoel, Amanita muscaria
  1. ovolo malefico
  2. ovolaccio
noun
    1. 1. een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
    2. 2. een vierhoek waarvan twee paar aanliggende zijden en één paar ...
    aquilone
  1. 6. iemand die vliegt
    1. aviatore
    2. aviatrice
  2. 7. een dier m.b.t. zijn vaardigheid in het vliegen
    volatore
/ˈvlixtœːx/, /ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
  1. aereo
  2. aeroplano
  3. aeromobile
/ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
aeroporto
pronoun
Vlieland
noun
sambuco
noun
1. dunne laag op een oppervlak
pellicola
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
farfalla
noun
papillon
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
pulce
noun
1. verhoging van de waterstand
alta marea
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
liquido
noun
2.
  1. carta assorbente
  2. tampone
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
liquido
verb
1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
imprecare
/vlur/
noun
pavimento
noun
1. los houten bruggetje
graticcio
noun
mercato delle pulci
/vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
flotta
adjective
1. gemakkelijk, eenvoudig, zonder veel problemen
liscio
noun
1. een drijvende constructie
zattera
noun
1. het zich door luchtruim bewegen
volo
/'vlɵxtəlɪŋ/
noun
1.
rifugiato
pronoun
1. wereldwijde organisatie waarin alle landen kunnen samenwerken
ONU
adjective
umido
noun
1. de mate van vocht
umidità
verb
1. van voedsel voorzien
nutrire
noun
1. toevoeging aan voeding
additivo alimentare
noun
1. voedingsmiddel dat bedoeld is als aanvulling op de normale voeding
  1. integratore alimentare
  2. supplementi dietetici
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
  1. cibo
  2. nutrimento
/ˈvuxʋoːrt/
noun
congiunzione
/vur/
noun
1. voedsel, inzonderlijk voor huisdieren en vee
  1. foraggio
  2. biado
/ˈvuː.rɪŋ(g)/, /ˈvuː.rɪŋ/
noun
1. de binnenbekleding van een voorwerp
fodera
/ˈvuːrtœx/, /ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
veicolo
noun
  1. 1. voortzetting van het been beneden de enkel
  2. 3. oude lengtemaat
piede
/ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
  1. calcio
  2. pallone
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
pedone
/'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
sentiero
noun
1. de onderzijde van de voet
pianta del piede
/ˈvoːɣəl/, /ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
uccello
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
ornitorinco
noun
1. grote behaarde spin die leeft in de tropische streken
  1. migale
  2. tarantola
noun
1. manshoge pop
spaventapasseri
pronoun
1. gebergte
Vosgi
pronoun
1.
Voivodina
/vɔl/, /vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
  1. pieno
  2. colmo
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
volapük
indefinitePronoun
1. toereikend, genoeg
sufficiente
/'vɔlxə(n)/
verb
1. achterna gaan
seguire
adjective
1. dat later komt
seguente
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
secondo
verb
persistere
/vɔlk/
noun
  1. 4. een aantal mensen
    gente
    1. 1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
    2. 2. de inwoners van een land
    popolo
pronoun
Società delle Nazioni
noun
1. brood van meel met zemelen
pane integrale
noun
1. tarwe met zemelen en kiem
frumento integrale
noun
1.
  1. paretimologia
  2. pseudoetimologia
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
inno nazionale
noun
repubblica popolare
/ˈvɔlksvərˌhœyzɪŋ/
pronoun
1. het binnentrekken van het Romeinse rijk door stammen die voorheen ten noorden en oosten daarvan woonden
invasioni barbariche
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
  1. luna piena
  2. plenilunio
noun
  1. 1. spel
    1. pallavolo
    2. volley
  2. 2. bal
    1. pallone da pallavolo
    2. pallavolo
/vɔlˈmaːkt/
adverb
1. zonder enig gebrek
perfetto
noun
1. rechtsbevoegdheid om namens een ander te handelen
procura
noun
volt
noun
1. spanningmeter
voltmetro
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
participio pasato
noun
passato prossimo
noun
trapassato prossimo
verb
1. ten einde brengen
  1. completare
  2. terminare
noun
  1. 1. ruimtelijke capaciteit
  2. 3. fysieke informatiedrager
volume
adjective
1. een leeftijd bereikt hebbend waarop men volgroeid en onafhankelijk kan zijn
adulto
noun
1. iemand die volgroeid is
adulto
noun
trovatello
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
scintilla
noun
1. een beslissing van een rechter in dagvaardingsprocedures
sentenza
noun
1. Haïtiaanse religie
  1. voodoo
  2. vudu
  3. vudù
/voːxt/
noun
1. belangenbehartiger van minderjarige
tutore
noun
1. belangenbehartiging van minderjarige
tutela
/vor/
noun
1. ploegsnede
solco
/vor/
preposition
  1. 1. dichterbij dan
    davanti
  2. 7. ten behoeve van, ten gunste van
    per
  3. 4. eerder in tijd
    1. prima
    2. innanzi
noun
1.
avambraccio
noun
1. iets ter navolging
esempio
verb
1. handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
preparare
/ˈvor.bə.rɛɪ̯.dɪŋ(g)/, /ˈvor.bə.rɛː.dɪŋ/, /ˈvo̝r.bə.rɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het voorbereiden
  1. preparativo
  2. preparazione
/'voːrdøːr/
noun
1. de hoofddeur aan de voorzijde van een woning
porta principale
noun
1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
predecessore
noun
premonizione
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
fronte
noun
1. voorhuid van penis
prepuzio
noun
1. het opruimen en poetsen van een woning in het voorjaar
pulizie di primavera
verb
1. hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
  1. leggere
  2. leggere ad alta voce
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
  1. nome
  2. nome proprio
/ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
pronome
noun
1. glazen vlak aan de voorkant van een voertuig dat zorgt voor zicht op de weg en bescherming tegen weer en wind
parabrezza
/'vɔːrsxrɛɪvə(n)/
verb
1. een schriftelijke opdracht geven
prescrivere
verb
1. een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
predire
noun
1. signaal dat aan een gebeurtenis voorafgaat
presagio
noun
1. het proces van technologische en economische groei van een samenleving
progresso
noun
1.
antenato
/ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
prefisso
noun
1. een object, iets dat fysiek bestaat
oggetto
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
preposizione
/vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
  1. prudente
  2. cauto
/vɔɾ.dǝ.ɾɪŋ/
noun
1. vooruitgang, progressie
progresso
/'vɔː.rə/
noun
1. ploegsnede
solco
noun
  1. 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
  2. 1. aftakking van een boomtak of van een weg
  3. 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
forchetta
noun
1. een sacrament waardoor een gedoopte de kracht van de Heilige Geest ontvangt om zijn geloof standvastig te kunnen belijden
cresima
/vɔrst/
noun
2. weersomstandigheden
  1. gelo
  2. gelata
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
volpe
/vra:x/, /vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
  1. domanda
  2. questione
noun
1. een leesteken (?) dat men aan het eind van een zin plaatst om deze vragend te maken
punto interrogativo
/vrɑxt/, /vrɑχt/
noun
1. de lading van een vervoermiddel
carico
noun
1. een boot die gebouwd is om vracht te vervoeren
cargo
noun
1.
lettera di vettura
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
  1. nave cargo
  2. nave da carico
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
camion
noun
camionista
/ˈvraɣə(n)/, /ˈvraχə(n)/
verb
  1. 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
    1. chiedere
    2. domandare
  2. 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
    1. domandare
    2. chiedere
    3. interrogare
noun
1. ontbreken van oorlog
pace
noun
1. het gevoel dat iets gevaarlijk is of kan zijn
paura
noun
avaro
noun
1. een blij gevoel
  1. gioia
  2. gaiezza
  3. allegria
/ˈvrøx.də.ˌvyːr/, /ˈvrøɣ.də.ˌvyːr/, /ˈvrøχ.də.ˌvyːr/
noun
1. een groots door mensen opgebouwd en gecontroleerd vuur om iets te vieren
falò
/ˈvrezə(n)/
verb
1. bang zijn, angst hebben
temere
noun
1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
amico
adjective
1. met het nodige respect
amichevole
noun
2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
amica
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
amicizia
/vrispʌnt/
noun
punto di congelamento
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen in bevroren toestand gebracht, te bewaren
congelatore
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
libero
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
venerdì
noun
corteggiatore
noun
libero scambio
/ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
libertà
noun
assoluzione
adjective
1. niet gedwongen
  1. volontario
  2. spontaneo
/ˈvrud.vrɑu/
noun
1. een vrouw die een bevalling begeleidt
  1. levatrice
  2. ostetrica
/ˈvruxlaˌtɛin/
pronoun
1. de voorganger van het klassiek Latijn
latino arcaico
/ˈvruxlaˌtɛin/
pronoun
1. de voorganger van het klassiek Latijn
latino arcaico
adjective
1. in goede stemming
allegro
noun
1. een aangename stemming waarin men veel lacht, zich goed voelt en het leven optimistisch bekijkt
allegria
noun
  1. 1. een volwassen vrouwelijke mens
    1. donna
    2. femmina
  2. 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
    1. moglie
    2. donna
adjective
femminile
noun
1.
femminilità
noun
2. grootste in Europa voorkomende orchideeënsoort, Cypripedium calceolus
scarpetta di venere
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
frutto
/'vrɵɣbar/
adjective
2. tot resultaat leidend
fruttuoso
/'vrʏxt.bar.ɦɛɪ̯t/, /'vrʏxt.bar.ɦɛːt/, /'vrʏɣ.ba.rɛɪ̯d/
noun
1. het vermogen vrucht te dragen
fertilità
/ˈvrʏxtə(n)ˌsɑp/, /ˈvrʏχtə(n)ˌsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
succo di frutta
noun
1. wijn van vergist sap van andere vruchten dan druiven
vino di frutta
noun
1.
usufrutto
/vœy̯l/
noun
viezigheid, onreine materie
sudiciume
noun
  1. 2. zware hamer
    mazzetta
  2. 1. gebalde hand
    pugno
/ˈvœʏ̯sbɛːɫ/, /ˈvœːstbɛːɫ/, /ˈvœːzbɛɪ̯l/
noun
1. een kerngereedschap uit het paleolithicum, het Acheuléen en het Moustérien
bifacciale
adjective
volgare
noun
vulcano
noun
1. natuurlijke processen
vulcanismo
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
vulcanologia
adjective
1.
vulcanologico
/ˈvʏl.pɛn/, /ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
penna stilografica
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
vulva
/vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
  1. fuoco
  2. fiamma
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
  1. Terra del fuoco
  2. Terra del Fuoco
adjective
rosso fuoco
noun
1.
selce
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
faro
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
  1. fuochi d'artificio
  2. fuochi artificiali
noun
1. benaming voor vogels uit de onderorde Charadrii
trampoliere
/'ʋajə(n)/
verb
1. plaatsvinden van een sterke luchtstroming
soffiare
noun
1. scherm in halve schijfvorm
ventaglio
/ˈʋakɦɔnt/
noun
1. een hond die het huis of een erf bewaakt
cane da guardia
noun
1. een klein vlammetje dat continu brandt in een geiser, gaskachel, gasfornuis of cv-ketel, dat ervoor zorgt dat het gas vrijwel direct ontbrandt wanneer de gaskraan van een brander wordt geopend
fiamma pilota
adjective
1. betrekking hebbend op Wallonië of de Walen
vallone
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
vallone
/ʋar/
adjective
1. correct
vero
/ʋar/
adverb
1. op welke plaats
dove
noun
1. een geldbedrag of iets anders dat tijdelijk gegeven wordt als onderpand voor het geval men een verplichting niet na kan komen
garanzia
/ʋaːrt/
noun
A 1. baas van een herberg, taveerne of café
oste
noun
valore
noun
1. document met geldswaarde
cartavalore
noun
1. het hechten van een waarde aan iets of het tonen daarvan
apprezzamento
noun
1. dat wat waar is
verità
verb
1. iets via de zintuigen in zich opnemen
percepire
/ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
perché
adjective
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
  1. probabilmente
  2. probabile
adverb
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
probabilmente
/ˈʋaːrsxyu̯ə(n)/
verb
1. iemand verwittigen dat er mogelijke gevaren, problemen of gevolgen zijn
avvertire
noun
2. mat, witachtig laagje op sommige fruitsoorten
pruina
/ˈʋɑx.tə(n)/, /ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
  1. aspettare
  2. attendere
noun
1. een aantal elementen die in een bepaalde volgorde op een gebeurtenis wachten
coda
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
password
pronoun
1. een binnenzee die aan de ene kant grenst aan de Waddeneilanden en de Noordzee en aan de andere kant begrensd wordt door het vasteland van Nederland, Duitsland en Denemarken
mare di Wadden
noun
1. een toestel waarin wafels gebakken worden
griglia
/waɣɔˈnɛtə/
noun
1. open rijtuig met vier geveerde wielen, waarin de passagiers achter koetsier op twee banken...
wagonette
pronoun
1.
lago di Walenstadt
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
Galles
pronoun
1. een speciale hemel in de Noorse mythologie, voorbehouden voor de gesneuvelden in de strijd
Walhalla
pronoun
1. Germaanse strijdgodin
valchiria
/ʋɑˈlonɪə/
pronoun
Vallonia
/wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
tricheco
noun
4. dans
valzer
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
  1. balena
  2. cetacei
pronoun
1. zeehaven in Namibië
Walvis Bay
/ʋɑnt/
noun
muro
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌsχun/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌsxun/
noun
1. een schoeisel dat speciaal geschikt is om grote wandelingen mee te maken
pedula
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌstɔk/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌstɔk/
noun
1. stok die dient als steun bij het wandelen en beschermt tegen vallen
bastone da passeggio
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
  1. guancia
  2. gota
adjective
1. iemand niet gunnen dat die iets heeft dat men zelf wil hebben
invidioso
/ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
disperazione
verb
disperare
/ˈʋɑŋkəɫˌmotɔr/
noun
1. een verbrandingsmotor die niet met heen en weer gaande zuigers werkt, maar met een roterende zuiger.
motore Wankel
noun
tarara
/ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
quando
noun
1. het niet nakomen van een overeenkomst
  1. inadempienza contrattuale
  2. violazione di contratto
/ʋɑnt/
noun
  1. 1. handschoen
    1. muffola
    2. guanto a manopola
  2. 2. scheepvaart
    sarta
noun
orchide cimicina
/ˈʋaːpən/
noun
  1. 1. een werktuig van geweld
    1. arma
    2. stemma
  2. 2. een wapenschild
    1. stemma
    2. arma
noun
armaiolo
noun
  1. scudo
  2. blasone
noun
1. een korte tekst die de bedoeling van iets weergeeft
motto
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
tregua
noun
corsa agli armamenti
/ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
caldo
noun
1. bladgewas Beta vulgaris
bietola da coste
noun
  1. 1. de mate waarin het weer warm is.
  2. 2. de hoeveelheid thermische energie.
calore
noun
1. een verwarmingsinstallatie die via mechanische arbeid warmte onttrekt aan een koude omgeving en deze toevoert aan een warmere omgeving
pompa di calore
noun
scambiatore di calore
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Varsavia
/ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
cera
/ˈʋɑsbɑk/
noun
1. een bassin waarin gewassen kan worden
lavabo
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
  1. procione
  2. orsetto lavatore
noun
  1. geribbeld bord waarop men de was kan doen
    1. asse per lavare
    2. asse per il bucato
  2. sterk gespierde buik
    1. tartaruga
    2. addominali a tartaruga
noun
1. een toestel om de kleding die uit de wasmachine komt te drogen
asciugatrice
noun
cappa
/ˈwɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈʋɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈβ̞ɑs.knɛː.pər/
noun
1. een knijper die gemaakt is van hout of plastic om nat wasgoed aan een waslijn te klemmen
  1. molletta
  2. pinza da bucato
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
lavatrice
noun
1. zeep in een vorm om kleding en ander textiel in water te reinigen
detersivo
/'ʋɑsə(n)/
verb
  1. 3. groeien
    crescere
  2. 1. iets schoonmaken
    lavare
  3. 2. zichzelf schoonmaken
    lavarsi
noun
1.
luna crescente
noun
1. een plaats waar men kleding en textiel kan (laten) wassen (zonder personeel)
lavanderia
noun
1. een bak waarin men zich of iets wast
  1. lavabo
  2. lavandino
phraseologicalUnit
1.
  1. Come si chiama?
  2. Come ti chiami?
noun
1. een constructie om water naar een bepaalde plek te geleiden
scarico
noun
1. het in of op het water uitgevoerd ballet
balletto acquatico
noun
1. een bed waarvan het matras gevuld is met water
materasso ad acqua
noun
1. met water gevuld bekken
bacino idrico
adjective
blu acqua
noun
  1. vapore acqueo
  2. vapore
adjective
1. ondoordringbaar voor water
impermeabile
/ˈʋaːtərən/
verb
1. urine uitscheiden
  1. orinare
  2. urinare
/ˈwatərˌɣlɑtɦɛɪ̯t/, /ˈʋatərˌχlɑtɦɛɪ̯t/, /ˈβ̞atərˌɣlɑtɦɛːt/
noun
1. verschijnsel waarbij een dunne waterfilm ontstaat.
  1. acquaplanaggio
  2. acquaplanamento
  3. idroplanaggio
  4. idroplanamento
  5. idroscivolamento
  6. idroslittamento
noun
1. een dier dat behoort tot een van honderden soorten van de Coenagrionidae
libellula
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Rorippa
cresione
noun
1. een leidingnetwerk om drinkwater vanuit een waterreservoir naar de verbruiker te vervoeren
acquedotto
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
  1. Acquario
  2. Aquario
/ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
  1. cocomero
  2. anguria
noun
filigrana
noun
2. een molen die door stromend water aangedreven wordt
mulino ad acqua
noun
menta acquatica
noun
bepaald soort eenjarige waterplant met eetbare knollen, Trapa natans
  1. castagna d'acqua
  2. trapa
  3. tribolo acquatico
noun
narghilè
noun
1. pistool waaruit een straal water kan spuiten
pistola ad acqua
noun
pianta acquatica
noun
2. goedaardige infectieziekte die gepaard gaat met het verschijnen van rode vlekjes op de huid die daarna overgaan in jeukende blaasjes
varicella
noun
1. een balsport waarbij twee ploegen van zeven spelers elkaar in het water bestrijden
pallanuoto
noun
1. platte grijptang met verstelbaar scharnier
  1. pinza a pappagallo
  2. pinza regolabile
noun
1. put waaruit men water haalt
pozzo
noun
1. een schoepenrad dat draait door de stroming van het water
ruota idraulica
noun
1. grote halfaquatische woelmuis
  1. arvicola acquatica
  2. ratto d'acqua
noun
pagliarolo
noun
1. ski voor het waterskiën
  1. sci nautico
  2. sci acquatico
  3. sci d'acqua
noun
1. Argyroneta aquatica, middelgrote spin die in stilstaande wateren leeft
ragno acquatico
noun
  1. doccione
  2. gargolla
/ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
idrogeno
noun
legame idrogeno
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
  1. cascata
  2. rapida
noun
1. een vliegtuig dat kan opstijgen en landen op het water
idrovolante
noun
pulce d'acqua
noun
1. (medisch) waterzucht
edema
noun
1. een digitale videocamera die via het internet beelden en geluid verstuurt
webcam
noun
1. plaats waar zich informatie bevindt op het internet, aangeduid met een URL
sito web
verb
1. geld wagen op een toekomstige gebeurtenis
scommettere
noun
pronome riflessivo
noun
1. een werkwoord waarbij de handelende persoon tevens het voorwerp van de handeling is
verbo riflessivo
/ˈwedərˈvɛrkop/
noun
1. de inkoop van waren in 't groot en de verkoop van deze waren in 't klein
rivendita
verb
  1. gareggiare
  2. rivaleggiare
/ˈʋeːdyʋə/
noun
vrouw
vedova
/'ʋedyʋnar/
noun
man
vedovo
/ʋeː/
interjection
1. uitroep van groot verdriet
guai
/ʋeː/
noun
1. pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt
  1. doglie
  2. doglie del parto
/ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
telaio
noun
  1. 1. een dunne geweven stof of textiel
  2. 2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
tessuto
pronoun
teken van de dierenriem van 23 september to 23 oktober
Bilancia
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
bilancia
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
adjective
1. slap
molle
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
settimana
/'ʋekblɑt/
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
settimanale
noun
mollusco
/ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
  1. fine settimana
  2. weekend
/weːr/, /ʋɪːr/, /β̞eːr/
noun
  1. 1. atmosferische gesteldheid
    1. tempo
    2. clima
  2. 1. hamel, gesneden ram
    montone
  3. 2. spocht, vochtstip
    fioritura
/ʋerˈkɵndəx/, /ʋerˈkʏndəç/
adjective
1. betrekking hebbend op de weerkunde
meteorologico
verb
1. stand houden, weerstand bieden aan
resistere
noun
  1. 3. een elektronica-onderdeel
  2. 1. een reactie die poogt een bepaalde actie tegen te werken
  3. 2. de tegenstand die een stroom in een geleider ondervindt
resistore
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
  1. licantropo
  2. lupo mannaro
/ʋes/
noun
orfano
/ˈʋeshœʏs/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
orfanotrofio
/ˈwes.mɛɪ̯.ʃə/, /ˈʋes.mɛɪ̯.ʃə/, /ˈβ̞es.mɛː.ʃə/
noun
1. een meisje van wie beide ouders overleden zijn
orfana
/ʋɛχ/, /β̞ɛx/
noun
1. smalle strook grond voor het verkeer
  1. strada
  2. via
noun
1. bepaald soort loofboom, Rhamnus cathartica
spino cervino
/ˈʋeχə(n)/, /β̞eɣə(n)/
verb
  1. 1. het gewicht/de massa bepalen
  2. 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
pesare
noun
mappa stradale
/ˈwɛ.ɣaːn/, /ˈʋɛ.χan/
verb
1. zich ergens vandaan begeven
andarsene
/'wɛxstyrə(n)/
verb
1. doen weggaan
mandar via
/ʋɛɪ/
noun
2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
siero di latte
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
Vistola
verb
1. niet voldoen aan een verzoek of opdracht
  1. rifiutare
  2. rifiutarsi
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
rifiuto
pronoun
Repubblica di Weimar
/ˈwe.kə(n)/, /ˈʋe.kə(n)/, /ˈβ̞e.kə(n)/
verb
1. door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
mettere a bagno
/ˈʋɛkər/
noun
1. een apparaat dat gebruikt wordt om de tijd bij te houden en een functie heeft die veel geluid produceert op een ingestelde tijd
sveglia
noun
1. de kunst om iets goed te kunnen verwoorden
eloquenza
/ˈʋɛɫkɔm/
adjective
1. gewenst zijn te blijven
benvenuto
/ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
benvenuto
adjective
1.
beneducato
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
gallese
/'wɛlzɛin/
noun
1. wanneer een individu of maatschappij zich in een goede toestand bevindt ...
benessere
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
Vienna
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
sopracciglio
/ʋεns/
noun
desiderio
/'ʋɛnsən/
verb
desiderare
/ˈweː.ʁəlt/, /ˈʋɪː.rɔɫt/, /ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
mondo
noun
1. geheel van activiteiten die de mensheid onderneemt om schaarste op te heffen
economia mondiale
pronoun
  1. Organizzazione mondiale della sanità
  2. Organizzazione Mondiale della Sanità
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
Organizzazione mondiale del commercio
/ˈweː.rəld.ˌkam.pi.ˌjun.sxɑp/, /ˈʋɪː.rəɫt.ˌkɑm.pi.ˌjun.sχɑp/, /ˈβ̞eː.rəlt.ˌkɑm.pi.ˌjun.sxɑp/
noun
1. een kampioenschap waarin de besten van de wereld het tegen elkaar opnemen
Coppa del Mondo
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
guerra mondiale
adjective
1. niet op het geestelijke, maar op de wereld gericht
mondano
noun
1. een tentoonstelling waaraan landen uit de wereld aan kunnen deelnemen
esposizione universale
/ʋɛrk/
noun
    1. 1. dat wat gedaan moet worden
    2. 2. beroep
    3. 3. de plek waar men werkt, werkplek
    lavoro
  1. 4. dat wat gemaakt is, kunstwerk
    opera
  2. hede, afval van vlas of hennep
    1. capecchio
    2. stoppa
/'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
realtà
/ʋɛrkən/
verb
1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
lavorare
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
datore di lavoro
/ˈʋɛrkrɑxt/
noun
  1. 2. het vermogen om te werken
    forza di lavorare
  2. 1. een persoon die gewoonlijk tegen betaling werk verricht
    forza lavoro
/wɛrkˈloshɛit/
noun
  1. 1. het werkloos zijn
  2. 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
disoccupazione
noun
1. uitkering voor iemand die buiten zijn of haar schuld om werkloos is
indennità di disoccupazione
noun
1.
macchina utensile
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
verbo
noun
1. bot van de wervelkolom
vertebra
noun
colonna vertebrale
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
vespa
noun
elleborine
pronoun
1.
Berlino Ovest
pronoun
1. het westelijk deel van Europa
Europa occidentale
pronoun
1. een verzameling Vlaamse dialecten met typische kenmerken gesproken in West-Vlaanderen en een klein deel van Nederland en Frankrijk
fiammingo occidentale
pronoun
Sahara Occidentale
/ˈʋɛs.tə(n)/
noun
  1. ovest
  2. occidente
/ˈwɛstərlɪŋ/
noun
2. iemand die in het Westen, de westerse wereld woont of daarvan afkomstig is
occidentale
/ʋɛs.tǝɾs/
adjective
1.
occidentale
noun
1.
febbre del Nilo occidentale
/wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
legge
phraseologicalUnit
legge di Murphy
/ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
  1. sapere
  2. conoscere
/'ʋetənsxɑp/
noun
  1. 1. het weten van de mens
  2. 2. georganiseerde activiteit
scienza
/,ʋetən'sxapələk/
adjective
scientifico
/ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
scienziato
/'ʋetənsχɑpsχəˈsχidəˌnɪs/, /'β̞etənsxɑpsɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
storia della scienza
noun
1. het geheel aan wetten die in een land gelden
legislazione
/ˈweː.və(n)/, /ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
tessere
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
donnola
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
whisky
noun
1. het verkrijgen van informatie door middel van bovennatuurlijke of niet wetenschappelijk aangetoonde middelen
divinazione
/wiː/, /ʋiː/, /β̞iː/
relativePronoun
  1. 1. vragend voornaamwoord
  2. 2. betrekkelijk voornaamwoord
chi
interjection
degene die aan het eind het beste uit de strijd komt is de daadwerkelijke winnaar
ride bene chi ride ultimo
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
culla
/ʋik/
noun
2. molenwiek
pala
noun
1. ronddraaiende schijf
ruota
noun
1. de afstand tussen de twee middelpunten van de voor- en achteras
passo
noun
1. de sport van het wielrennen
ciclismo
/'wiː.lə.wal/
noun
1. zwart-gele zangvogel
  1. oriolo
  2. rigogolo
/ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
  1. incenso
  2. olibano
noun
turiferario
pronoun
1.
Wiesbaden
adjective
1. vorm van een wig hebbend
cuneiforme
noun
1. koepelvormig huis gebruikt door de Noord-Amerikaanse indianen
wigwam
/wɛɪ̯/, /ʋɛɪ̯/, /β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
noi
/ˈʋixə(n)/
pronoun
Wijchen
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
perché
/wɛɪ̯n/, /ʋɛɪ̯n/, /β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
vino
noun
1. azijn uit wijn bereid
aceto di vino
noun
1. Japanse wijnbes
uva giapponese
noun
het verbouwen van druiven voor de productie van wijn
viticoltura
noun
1. een lijst waarop men de wijnen die te verkrijgen zijn in een restaurant, wijnhuis, enz... vermeldt in soorten, jaartallen en prijzen
  1. lista dei vini
  2. carta dei vini
noun
1.
cantina
adjective
rosso vino
/ˈʋɛi̯n.stɔk/
noun
1. klimplant waaraan druiven groeien
vite
/wɛɪ̯s/, /ʋɛɪ̯s/, /β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
saggio
noun
1. gerijpt inzicht
saggezza
noun
1. tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
  1. indice
  2. dito indice
noun
1. gewijd water
  1. acqua santa
  2. acquasanta
verb
indicare
/ʋɪkifiˈsɪːrə(n)/
verb
1. een tekst aanpassen aan het wikisysteem
wikificare
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Wikipedia
/ˈwikʃoˌnɛri/, /ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
Wikzionario
/ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
volontà
adjective
3. onbeschaafd, bruusk
  1. selvatico
  2. brado
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
cinghiale
noun
1. Lycaon pictus, een zoogdier en roofdier uit de orde Carnivora dat veel op een hond lijkt ...
licaone
noun
3. graan van Zizania palustris, die worden gegeten als rijst
riso selvatico
noun
1. Salix sp.
salice
/ˈwɪləm/, /ˈʋɪləm/, /ˈβ̞ɪləm/
pronoun
  1. 1. een jongensnaam
    Guglielmo
  2. 2. spelwoord voor de letter w
    Wagner
/ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
volere
noun
2. discrepantie tussen de reële en de verklaarde wil waardoor het totstandkomen van wilsovereenstemming verhinderd wordt
vizio del consenso
noun
1. bewust uitdrukking geven van de eigen wil
manifestazione di volontà
noun
  1. 1. eenzijdige wilsuiting die gericht is op het tot stand brengen van rechtsgevolgen
    dichiarazione di volontà
  2. 2. verklaring waarin iemand aangeeft wat zijn wensen zijn rondom behandeling of levenseinde
    disposizione anticipata di trattamento
noun
ciglio
/ʋɪnt/
noun
1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
vento
noun
energia eolica
noun
1. molen die door de wind gedreven wordt
mulino a vento
noun
1. een gebied waar windenergie gewonnen wordt met behulp van een aantal molens
parco eolico
noun
rosa del venti
noun
  1. folata
  2. raffica
noun
1. ronde open zak, meestal is de zak in het rood en wit, die de richting en de sterkte van de wind aangeeft
  1. calza a vento
  2. calzino a vento
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
  1. negozio
  2. bottega
noun
1. gebied of overdekte galerij waar meerdere winkels en horecazaken zijn gevestigd
centro commerciale
noun
1. een wagentje dat in winkels wordt gebruikt om tijdens het winkelen producten in te verzamelen
carrello della spesa
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
vincitore
/ˈwɪnə(n)/, /ˈʋɪnə(n)/, /ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
  1. 1. als beste partij uit een wedstrijd komen
  2. 2. iets verkrijgen voor een goede prestatie bij een wedstrijd
vincere
/ʋɪntər/
noun
1. seizoen
inverno
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus petrae
rovere
noun
1. klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,
scricciolo
noun
1. een toestand van hypothermie en inactiviteit bij sommige warmbloedige dieren in de winter
  1. ibernazione
  2. letargo
noun
sport invernali
/'ʋɪpə(n)/
verb
2. geslachtsgemeenschap hebben, paren
scopare
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
bisonte europeo
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
matematica
noun
matematico
/ʋɪsəl/
noun
  1. 2. handelspapier voor de overdracht van geld
    cambiale
  2. 1. speciale constructie in een spoorweg om een voertuig naar een ander spoor te leiden
    1. deviatoio
    2. scambio
noun
1. wisselstroom
corrente alternata
/ʋɪt/
adverb
1. kleur
bianco
/ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
bianco
/wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
Bielorussia
/ˌwɪtˈrʏsɪs/, /ˌʋɪtˈrʏsis/, /ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
bielorusso
adjective
biancastro
noun
1. fijn tarwebrood
pane blanco
adjective
verde biancastro
noun
1. loof van met dat doel in het donker geteelde varianten van cichorei, Cichorium intybus var. foliosum
  1. insalata belga
  2. radicchio
noun
witte wijnazijn met toegevoegde druivenmost
aceto balsamico bianco
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
giovedì santo
noun
1.
nana bianca
pronoun
Casa Bianca
noun
1. gepelde en gepolijste rijst
riso bianco
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
vino bianco
pronoun
Mar Bianco
noun
  1. criminalità dei colletti bianchi
  2. reati dei colletti bianchi
noun
1. en 2. (bladeren van) sluitkoolgewas dat lichtgroen tot wit van kleur is
  1. cavolo cappuccio
  2. cavolo blanco
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
vodka
/ˈʋudə/
noun
1. een gevoel van erge kwaadheid
  1. collera
  2. rabbia
noun
1. iemand die woeker drijft
usuraio
noun
1. klein, gravend, muisachtig knaagdier met stompe snuit
  1. arvicola
  2. campagnolo
noun
1. grote halfaquatische woelmuis
  1. arvicola acquatica
  2. ratto d'acqua
/ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
mercoledì
noun
1.mannetjeseend
  1. anatra
  2. maschio
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
deserto
/ˈvɔɪ̯vɔtsxɑp/
noun
1. naam voor bepaalde bestuurlijke gebieden in Oost-Europa
voivodato
/ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
lana
/wɔlf/, /ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
lupo
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
  1. tungsteno
  2. wolframio
noun
belladonna
noun
1. sporenplant van het geslacht Lycopodium
licopodio
noun
euforbia
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
rinoceronte lanoso
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
  1. nuvola
  2. nube
/ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
grattacielo
/wɔlˈvɪn/, /ʋɔlˈvɪn/
noun
vrouwelijke wolf
lupa
noun
vombato
/wɔnd/, /ʋɔnt/, /β̞ɔnt/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
ferita
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
miracolo
/ˈwo.nə(n)/, /ˈʋo.nə(n)/, /ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
abitare
noun
casa gallegiante
/ʋoːrt/, /ˈʋʊːrt/, /ˈβoːrd/, /ˈβoːrt/
noun
  1. 1. mannetjeseend
    1. anatra
    2. maschio
  2. 2. belofte
    1. parola
    2. termine
  3. 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
    1. parola
    2. verbo
  4. 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
    1. parola
    2. vocabolo
    3. termine
  5. 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
    1. word
    2. parola
/ˈwoːrtˌɑvbreːkɪŋ/, /ˈʋo̝ːrtˌɑvbreɪ̯kɪŋ/, /ˈβ̞oːrtˌɑvbreːkɪŋ/
noun
  1. sillabazione
  2. suddivisione in sillabe
noun
1. de semantische inhoud van een woord
  1. accezione
  2. significato
/ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
  1. dizionario
  2. vocabolario
noun
vocabolario
noun
scelta di parole
noun
1. lexicaal veld
campo lessicale
/ʋɔrm/
noun
1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
  1. verme
  2. baco
adjective
1. door wormen aangevreten
bacato
/ʋɔrp/
noun
  1. 2. het aantal jonge dieren dat een moederdier bij één dracht op de wereld zet
    cucciolata
  2. 1. de handeling van het werpen van iets
    lancio
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
  1. salsiccia
  2. salume
/ˈʋɔrtəl/
noun
  1. 1. Groente peen
    carota
    1. 2. Ondergronds gedeelte van een plant
    2. 3. Getal
    3. 4. Woord
    radice
pronoun
1. Finoegrische taal die door de Woten in Ingrië gesproken werd
voto
/ʋʌːt/, /ʋʌːut/
noun
1. groot bos
bosco
/ʋʌʊ̯/, /β̞ʌːβ̞/
noun
  1. A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
    nibbio
  2. B 1. bepaald soort plant, Reseda luteola
    1. erba guada
    2. guaderella
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
  1. vendetta
  2. rivalsa
noun
relitto
noun
1. knobbeltje
  1. verruca
  2. porro
adjective
1. heel onvriendelijk
crudele
noun
1. bovenkant van de voet tussen tenen en enkel
  1. collo del piede
  2. dorso del piede
verb
1.
vendicare
noun
vendicatore
verb
1. handeling
strofinare
noun
attrito
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
chiurlo maggiore
noun
1. de vierentwintigste letter van het alfabet
x
/ˈɪksantɑl/
noun
1. een onbekend aantal
numero x
/ˈɪksɑs/
noun
1.
asse x
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar binnen gericht zijn.
gambe ad ics
noun
1.
cromosoma x
/ˈɪkstralə(n)/
noun
1. röntgenstraling
raggi x
/ksɑnˈtinə/
noun
1. een organische stof die in vlees, urine en andere dierlijke stoffen voorkomt
xantina
pronoun
2. spelwoord voor de letter x
xilofono
/ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
xenofobia
adjective
1. een sterke afkeer van vreemdelingen hebbend
xenofobo
noun
1. iemand die een sterke afkeer van vreemdelingen heeft
xenofobo
/ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
  1. xeno
  2. xenon
/ˈɣɪːrəs/
noun
1. sherry, een witte Spaanse wijn uit Jerez de la Frontera
xeres
noun
xerofita
/ˈɛkstəsi/
noun
1. de afkorting voor ecstasy, een hallucinerende drug
ecstasy
/ksiˈlem/
noun
1.
xilema
/ˌksiliˈtɔl/
noun
1. een zoetstof die bereid is door hydrogenatie van xylose
xilitolo
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
xilofono
/iˈɣrɛk/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. de vijfentwintigste letter van het alfabet
y
noun
1.
asse y
noun
1. een van de beide geslachtschromosomen dat in de helft van de zaadcellen voorkomt
cromosoma y
noun
2. spelwoord voor de letter y
York
noun
1. een geschreeuwde leuze
grido
noun
1. de munteenheid van Japan
yen
/ˈjeti/
noun
1. een legendarisch monster met de bijnaam 'de verschrikkelijke sneeuwman' die voor zou komen in de Himalaya
  1. yeti
  2. abominevole uomo delle nevi
/ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
yoga
/ˈjɔxərt/, /ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
yogurt
noun
1. een beoefenaar van de yoga
yoghi
pronoun
1. taal die door de Yoruba in Nigeria, Benin, Togo en Sierra Leone gesproken wordt
yoruba
noun
  1. 2. spelwoord voor de letter y
    York
  2. 1. de letter y
    ipsilon
noun
1. scheikundig element met symbool Yb en atoomnummer 70
itterbio
noun
1.
ittrio
noun
1. een jong, kindloos persoon die snel carrière gemaakt heeft en een exclusieve, trendgevoelige levensstijl heeft
yuppie
noun
1. jong, kindloos persoon die snel carrière gemaakt heeft en een exclusieve, trendgevoelige levensstijl heeft
yuppie
noun
1. een ronde nomadentent
iurta
/sɛt/, /zɛt/
noun
1. de zesentwintigste letter van het alfabet
z
/ˌzɛtoˈzɛt/
interjection
1. kijk op de achterkant van deze pagina
v.r.
/zaːt/
noun
  1. 1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
    seme
  2. 2. zaadcellen uit de mannelijke geslachtsorganen van een mens of een dier
    1. seme
    2. sperma
/'zadbɑl/
noun
1. een orgaan waar de spermacellen gevormd worden
testicolo
/ˈzatsɛl/
noun
1. de mannelijke geslachtscel
spermatozoo
/'zadlɛɪdər/
noun
dotto deferente
/zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
sega
/'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
segatura
verb
1. zaad strooien
seminare
noun
1. recht om een goed te volgen in andere handen
  1. diritto di seguito
  2. diritto di sequela
noun
1. room
panna
pronoun
2. spelwoord voor de letter z
Zara
pronoun
2. boek in de Bijbel
Zaccaria
pronoun
2. spelwoord voor de letter z
Zara
adverb
  1. 4. aangenaam voor de zinnen
    dolce
  2. 1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
    morbido
noun
zitplaats op dier of fiets
  1. selle
  2. sella
noun
1. een persoon die zadels maakt
sellaio
/ˈza.ɣə(n)/, /ˈza.χə(n)/
verb
1. in stukken delen door middel van een zaag
segare
/[ˈzɑː.greb]/
pronoun
1. hoofdstad van Kroatië
Zagabria
noun
  1. 1. slappe, vormeloze tas
    sacco
  2. 2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
    tasca
/ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
fazzoletto
/'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
  1. uomo d'affari
  2. affarista
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de rechtsverhouding tot een goed
diritto dei beni
noun
1. lamp op zakformaat
torcia elettrica
/ˈzɑkmɛs/
noun
1. een klein invouwbaar mes, vaak met extra gereedschappen
  1. coltellino
  2. temperino
noun
smeerbare massa om op de huid aan te brengen
  1. pomata
  2. unguento
noun
1. een vaatje waarin zalf bewaard wordt
ampolla d'unguento
phraseologicalUnit
1. een uitdrukking om iemand een gelukkige paasviering te wensen
  1. Buona Pasqua
  2. Felice Pasqua
/zɑlm/, /zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
salmone
adjective
arancio salmone
adjective
rosso salmone
/'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
Zambia
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
  1. sabbia
  2. arena
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
sabbionaia
noun
1. benaming voor de zoetwatervis Sander lucioperca
luccioperca
adjective
giallo sabbia
noun
1. een van zand gebouwd miniatuurkasteel
castello di sabbia
noun
1. een korreltje zand
granello di sabbia
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
  1. clessidra
  2. clepsamia
noun
  1. gres
  2. arenaria
/ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
cantante
noun
1. een vrouwelijk iemand die zingt
cantante
noun
1. Turdus philomelos, een lijstersoort die algemeen is in Nederland en Vlaanderen
tordo bottaccio
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
sabato
/za.ˈiː.rə/
pronoun
Zaire
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
zebra
noun
1. een patroon van witte strepen aangebracht op het wegdek ter aanduiding van een beschermde voetgangersoversteekplaats
attraversamento pedonale
/ze/, /zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
mare
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
riccio di mare
noun
1. bepaald soort roofvogel die in kustgebieden leeft, Haliaeetus albicilla
aquila di mare
noun
1. gevarieerde vismaaltijd
pesce
noun
1. aardbeving waarvan het epicentrum op de bodem van de zee ligt
maremoto
noun
1. het grondvlak van een zee
fondale marino
noun
1. bepaald soort grote zeevis, Lophius piscatorius
pesce rospo
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
setaccio
/'zeɣodə(n)/, /'zeɣɔt/
noun
dio del mare
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
foca
/ˈzekut/
noun
1. zwart-witte zeevogel, Uria aalge
uria
noun
1. benaming voor op de op komkommers lijkende zeedieren uit de klasse Holothuroidea
oloturia
noun
1. in zee levende kreeft
aragosta
/ˈzelɑnt/, /ˈzeːlɑnd/, /ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
Zelanda
noun
1. grote oorrob
  1. leone marino
  2. otaria
noun
marinaio
noun
1. mythisch zeewezen
sirena
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
gabbiano
noun
1. afstandsmaat, in gebruik op zee, 1852m
  1. miglio marino
  2. miglio nautico
noun
1. rob uit het geslacht Mirounga
elefante marino
/ˈzeʔɔtər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Enhydra lutris
lontra marina
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
sapone
noun
1. in zee levende kongeraal, Conger conger
grongo
noun
1. bolvormig vlies van water en zeep dat een hoeveelheid gas (meestal lucht) omringt
bolla di sapone
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
  1. stella di mare
  2. stella marina
noun
1. iemand die voor zijn beroep de zee bevaart
navigatore
noun
1. scheepvaart over de zee
navigazione
/ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
acqua di mare
noun
1. in zee levend wier
alga
noun
1. misselijkheid als gevolg van de onregelmatige beweging van een schip
mal di mare
noun
mammifero marino
noun
1. zout, uit zeewater gewonnen
sale marino
/ˈzeɣəɫˌrɪŋ/
noun
1. een ring die aan de rugzijde voorzien is van een gravure, waarmee een zegel kan worden gestempeld
anello con sigillo
verb
1. de zegen geven
benedire
noun
1. een geslacht van zowel bladverliezende als groenblijvende kruidachtige planten
  1. carice
  2. sala
verb
1. mededelen
dire
/ˈzεɣə(n)ˌsxɑp/, /ˈzεχə(n)ˌsχɑp/
noun
1. het recht om over iets te beslissen
potere decisionale
noun
1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
vela
noun
1. een boot waarmee gezeild kan worden
barca a vela
adjective
grigio tenda
/ˈzɛɪlə(n)/
verb
1. voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
navigare a vela
noun
2. een zeilboot
barca a vela
noun
1. surfplank
windsurf
noun
1. een schip waarmee gezeild kan worden
  1. veliero
  2. nave a vela
noun
1. de sport van het zeilen
vela
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
falce
noun
1. een persoon met een zeis als verpersoonlijking van de dood
Tristo Mietitore
/ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
certo
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
fusibile
noun
1. toestelletje dat helpt het touw te remmen bij het zekeren van een klimmer
  1. assicuratore
  2. freno
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
  1. raramente
  2. di rado
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
  1. rare
  2. raro
noun
2. de mogelijkheid voor een volk om te bepalen onder welke soevereiniteit het wil vallen
autodeterminazione
noun
autoimpollinazione
noun
1.
autovalutazione
noun
1. beoordeling van het zelf, meestal gericht op dat wat verbeterd zou moeten worden
autocritica
/ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
suicidio
/'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
autoritratto
noun
1. jezelf belachelijk maken met humoristische intentie
autoironia
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
  1. sostantivo
  2. nome
noun
1. verdediging van zichzelf
autodifesa
noun
B 1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
  1. crusca
  2. semola
/zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
zenit
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
nervo
noun
1. het gehele zenuwsysteem
sistema nervoso
noun
1. het getal 6
sei
/ˈzɛs.də/, /ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
sesto
cardinalNumeral
1. het getal 36
trentasei
cardinalNumeral
1. het getal 96
novantasei
cardinalNumeral
1. het getal 86
ottantasei
cardinalNumeral
1. het getal 26
ventisei
cardinalNumeral
1. het getal 46
quarantasei
cardinalNumeral
1. het getal 56
cinquantasei
cardinalNumeral
1. het getal 66
sessantasei
/ˈzɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 76
settantasei
/zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
esagono
/ˈzɛsˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 600
seicento
cardinalNumeral
1. het getal 608
seicentotto
cardinalNumeral
1. het getal 638
seicentotrentotto
cardinalNumeral
1. het getal 698
seicentonovantotto
cardinalNumeral
1. het getal 688
seicentottantotto
cardinalNumeral
1. het getal 628
seicentoventotto
cardinalNumeral
1. het getal 648
seicentoquarantotto
cardinalNumeral
1. het getal 658
seicentocinquantotto
cardinalNumeral
1. het getal 668
seicentosessantotto
/ˌzɛshɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 678
seicentosettantotto
cardinalNumeral
1. het getal 618
seicentodiciotto
cardinalNumeral
1. het getal 613
seicentotredici
cardinalNumeral
1. het getal 630
seicentotrenta
cardinalNumeral
1. het getal 603
seicentotré
cardinalNumeral
1. het getal 633
seicentotrentatré
cardinalNumeral
1. het getal 693
seicentonovantatré
cardinalNumeral
1. het getal 683
seicentottantatré
cardinalNumeral
1. het getal 623
seicentoventitré
cardinalNumeral
1. het getal 643
seicentoquarantatré
cardinalNumeral
1. het getal 653
seicentocinquantatré
cardinalNumeral
1. het getal 663
seicentosessantatré
/ˌzɛshɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 673
seicentosettantatré
cardinalNumeral
1. het getal 601
seicentouno
cardinalNumeral
1. het getal 631
seicentotrentuno
cardinalNumeral
1. het getal 691
seicentonovantuno
cardinalNumeral
1. het getal 681
seicentottantuno
cardinalNumeral
1. het getal 621
seicentoventuno
cardinalNumeral
1. het getal 641
seicentoquarantuno
cardinalNumeral
1. het getal 651
seicentocinquantuno
cardinalNumeral
1. het getal 661
seicentosessantuno
/ˌzɛshɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 671
seicentosettantuno
cardinalNumeral
1. het getal 611
seicentoundici
cardinalNumeral
1. het getal 609
seicentonove
cardinalNumeral
1. het getal 639
seicentotrentanove
cardinalNumeral
1. het getal 699
seicentonovantanove
cardinalNumeral
1. het getal 689
seicentottantanove
cardinalNumeral
1. het getal 629
seicentoventinove
cardinalNumeral
1. het getal 649
seicentoquarantanove
cardinalNumeral
1. het getal 659
seicentocinquantanove
cardinalNumeral
1. het getal 669
seicentosessantanove
/ˌzɛshɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 679
seicentosettantanove
cardinalNumeral
1. het getal 619
seicentodiciannove
cardinalNumeral
1. het getal 690
seicentonovanta
cardinalNumeral
1. het getal 680
seicentottanta
cardinalNumeral
1. het getal 610
seicentodieci
cardinalNumeral
1. het getal 612
seicentododici
cardinalNumeral
1. het getal 602
seicentodue
cardinalNumeral
1. het getal 632
seicentotrentadue
cardinalNumeral
1. het getal 692
seicentonovantadue
cardinalNumeral
1. het getal 682
seicentottantadue
cardinalNumeral
1. het getal 622
seicentoventidue
cardinalNumeral
1. het getal 642
seicentoquarantadue
cardinalNumeral
1. het getal 652
seicentocinquantadue
cardinalNumeral
1. het getal 662
seicentosessantadue
/ˌzɛshɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 672
seicentosettantadue
cardinalNumeral
1. het getal 620
seicentoventi
cardinalNumeral
1. het getal 614
seicentoquattordici
cardinalNumeral
1. het getal 640
seicentoquaranta
cardinalNumeral
1. het getal 604
seicentoquattro
cardinalNumeral
1. het getal 634
seicentotrentaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 694
seicentonovantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 684
seicentottantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 624
seicentoventiquattro
cardinalNumeral
1. het getal 644
seicentoquarantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 654
seicentocinquantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 664
seicentosessantaquattro
/ˌzɛshɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 674
seicentosettantaquattro
cardinalNumeral
1. het getal 605
seicentocinque
cardinalNumeral
1. het getal 635
seicentotrentacinque
cardinalNumeral
1. het getal 695
seicentonovantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 685
seicentottantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 625
seicentoventicinque
cardinalNumeral
1. het getal 645
seicentoquarantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 655
seicentocinquantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 665
seicentosessantacinque
/ˌzɛshɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 675
seicentosettantacinque
cardinalNumeral
1. het getal 615
seicentoquindici
cardinalNumeral
1. het getal 650
seicentocinquanta
cardinalNumeral
1. het getal 606
seicentosei
cardinalNumeral
1. het getal 636
seicentotrentasei
cardinalNumeral
1. het getal 696
seicentonovantasei
cardinalNumeral
1. het getal 686
seicentottantasei
cardinalNumeral
1. het getal 626
seicentoventisei
cardinalNumeral
1. het getal 646
seicentoquarantasei
cardinalNumeral
1. het getal 656
seicentocinquantasei
cardinalNumeral
1. het getal 666
seicentosessantasei
/ˌzɛshɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 676
seicentosettantasei
cardinalNumeral
1. het getal 616
seicentosedici
cardinalNumeral
1. het getal 660
seicentosessanta
/ˌzɛshɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 607
seicentosette
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 637
seicentotrentasette
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 697
seicentonovantasette
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 687
seicentottantasette
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 627
seicentoventisette
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 647
seicentoquarantasette
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 657
seicentocinquantasette
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 667
seicentosessantasette
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 677
seicentosettantasette
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 617
seicentodiciassette
/ˌzɛshɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 670
seicentosettanta
cardinalNumeral
1. het getal 16
sedici
noun
1.
semicroma
cardinalNumeral
1. het getal 60
sessanta
ordinalAdjective
sessantesimo
/zɛt/
noun
  1. handeling gedurende een spelbeurt
    mossa
  2. beweging waarbij iets verplaatst wordt
    spinta
noun
  1. 3. plaats waar een organisatie gevestigd is
  2. 1. constructie bestemd om prettig op te zitten
  3. 2. lidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
sede
noun
1.
tipocomposizione
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
  1. scrofa
  2. troia
/zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
Zeus
/ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
sette
noun
1. soort struik, Juniperus sabina
genepro sabina
/ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
settimo
/ˈzøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 37
trentasette
/ˈzøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 97
novantasette
/ˈzøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 87
ottantasette
/ˈzøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 27
ventisette
/ˈzøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 47
quarantasette
/ˈzøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 57
cinquantasette
/ˈzøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 67
sessantasette
/ˈzøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 77
settantasette
/ˈzeːvə(n)ˌɦɔndərt/, /ˈzøvənˌhɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 700
settecento
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxt/
cardinalNumeral
1. het getal 708
settecentotto
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 738
settecentotrentotto
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 798
settecentonovantotto
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 788
settecentottantotto
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 728
settecentoventotto
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 748
settecentoquarantotto
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 758
settecentocinquantotto
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 768
settecentosessantotto
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 778
settecentosettantotto
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtin/
cardinalNumeral
1. het getal 718
settecentodiciotto
/ˌzøvənˌhɔndərˈdɛrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 713
settecentotredici
/ˌzøvənˌhɔndərˈdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 730
settecentotrenta
/ˌzøvənˌhɔndərˈdri/
cardinalNumeral
1. het getal 703
settecentotré
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 733
settecentotrentatré
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 793
settecentonovantatré
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 783
settecentottantatré
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 723
settecentoventitré
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 743
settecentoquarantatré
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 753
settecentocinquantatré
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 763
settecentosessantatré
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 773
settecentosettantatré
/ˌzøvənˌhɔndərtˈen/
cardinalNumeral
1. het getal 701
settecentouno
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 731
settecentotrentuno
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 791
settecentonovantuno
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 781
settecentottantuno
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 721
settecentoventuno
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 741
settecentoquarantuno
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 751
settecentocinquantuno
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 761
settecentosessantuno
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 771
settecentosettantuno
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɛlᵊf/
cardinalNumeral
1. het getal 711
settecentoundici
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣən/
cardinalNumeral
1. het getal 709
settecentonove
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 739
settecentotrentanove
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 799
settecentonovantanove
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 789
settecentottantanove
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 729
settecentoventinove
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 749
settecentoquarantanove
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 759
settecentocinquantanove
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 769
settecentosessantanove
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 779
settecentosettantanove
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 719
settecentodiciannove
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 790
settecentonovanta
/ˌzøvənˌhɔndərˈtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 780
settecentottanta
/ˌzøvənˌhɔndərˈtin/
cardinalNumeral
1. het getal 710
settecentodieci
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwalᵊf/
cardinalNumeral
1. het getal 712
settecentododici
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwe/
cardinalNumeral
1. het getal 702
settecentodue
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 732
settecentotrentadue
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 792
settecentonovantadue
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 782
settecentottantadue
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 722
settecentoventidue
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 742
settecentoquarantadue
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 752
settecentocinquantadue
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 762
settecentosessantadue
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 772
settecentosettantadue
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 720
settecentoventi
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfertin/
cardinalNumeral
1. het getal 714
settecentoquattordici
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 740
settecentoquaranta
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfir/
cardinalNumeral
1. het getal 704
settecentoquattro
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 734
settecentotrentaquattro
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 794
settecentonovantaquattro
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 784
settecentottantaquattro
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 724
settecentoventiquattro
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 744
settecentoquarantaquattro
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 754
settecentocinquantaquattro
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 764
settecentosessantaquattro
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 774
settecentosettantaquattro
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛif/
cardinalNumeral
1. het getal 705
settecentocinque
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 735
settecentotrentacinque
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 795
settecentonovantacinque
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 785
settecentottantacinque
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 725
settecentoventicinque
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 745
settecentoquarantacinque
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 755
settecentocinquantacinque
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 765
settecentosessantacinque
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 775
settecentosettantacinque
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛiftin/
cardinalNumeral
1. het getal 715
settecentoquindici
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 750
settecentocinquanta
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛs/
cardinalNumeral
1. het getal 706
settecentosei
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 736
settecentotrentasei
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 796
settecentonovantasei
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 786
settecentottantasei
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 726
settecentoventisei
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 746
settecentoquarantasei
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 756
settecentocinquantasei
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 766
settecentosessantasei
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 776
settecentosettantasei
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛstin/
cardinalNumeral
1. het getal 716
settecentosedici
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 760
settecentosessanta
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 707
settecentosette
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 737
settecentotrentasette
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 797
settecentonovantasette
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 787
settecentottantasette
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 727
settecentoventisette
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 747
settecentoquarantasette
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 757
settecentocinquantasette
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 767
settecentosessantasette
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 777
settecentosettantasette
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 717
settecentodiciassette
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 770
settecentosettanta
/ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
diciassette
ordinalAdjective
diciassettesimo
/ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
settanta
adjective
  1. visibile
  2. vedibile
reflexivePersonalPronoun
si
adjective
1. lichamelijke toestand
malato
/ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
ospedale
noun
1. een van de zeven sacramenten van de Rooms-Katholieke Kerk alsmede van de Orthodoxe Kerk dat door een priester wordt toegediend aan zieken die in doodsgevaar verkeren
unzione dei malati
noun
malattia
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
malattia di Parkinson
noun
patologia
/zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
anima
verb
1. waarnemen met het oog
vedere
/sɛɪ̯/, /zɛɪ̯/, /zɛː/
personalPronoun
  1. 1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
    1. ella
    2. lei
  2. 2. 3e persoon meervoud
    1. loro
    2. essi
noun
  1. 1. kant
    1. lato
    2. fianco
  2. 2. vezel van de cocon van de zijdevlinder
    seta
adjective
grigio seta
/zɛɪkɑnt/
noun
1. datgene dat de zijde vormt
lato
possessivePronoun
1. derde persoon enkelvoud m/o
  1. suo
  2. sua
verb
  1. 5. gelijk zijn aan.
  2. 1. bestaan
  3. 3. zich bevinden.
  4. 6. tot de groep behoren van
  5. 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
  6. 7. de eigenschap hebben.
  7. 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
essere
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
affluente
noun
argento
phraseologicalUnit
medaglia d'argento
adjective
grigio argento
noun
1. grote meeuwensoort
  1. gabbiano reale
  2. gabbiano reale nordico
noun
1
pivieressa
/'zɪlvərvlisrɛist/
noun
rijst waarvan de zemelen en de kiem niet verwijderd zijn
riso integrale
/zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
Zimbabwe
noun
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
  1. frase
  2. proposizione
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
cantare
noun
1. (muziekinstrument) een zaag die gebruikt wordt als muziekinstrument
sega cantante
noun
1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
zinco
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
  1. affondare
  2. sprofondare
adjective
giallo zinco
/ˈzɪntœx/, /ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
senso
/zijoˈnɪsmə/
noun
sionismo
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
zirconio
/zɪr'koːn/
noun
1. een mineraal
zircone
/ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
sedere
noun
1. achterste, achterwerk
sedere
noun
1. zitmeubel
  1. pouf
  2. puf
verb
1. proberen te vinden
  1. cercare
  2. buscare
noun
1. een instrument waarmee men informatie kan zoeken in een bepaalde collectie...
motore di ricerca
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
zulù
/ˈzut/
adjective
1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
  1. dolce
  2. zuccheroso
noun
1. een zetmeel houdende knol behorend tot dezelfde orde van planten als de aardappel
  1. patata americana
  2. patata dolce
/ˈzu.tə(n)/
verb
1. zoet maken
zuccherare
/ˈzuthʌʊt/
noun
1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
liquirizia
noun
zoetwater
acqua dolce
/ˈzoːɣ.ə(n)/
verb
1. moedermelk geven
allattare
/ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
soffitta
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
  1. zombi
  2. zombie
noun
estate
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus robur
farnia
noun
1. regeling waarbij de klok gedurende de lente- en zomermaanden een uur vooruit wordt gezet
ora legale
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
sole
noun
1.
peccatore
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
domenica
adverb
domenicale
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
  1. peccato
  2. colpa
noun
  1. 1.
  2. 2.
capro espiatorio
preposition
1. In afwezigheid van
senza
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
  1. diluvio
  2. diluvio universale
/ˈzoːnə/
noun
1. bepaald gebied dat is afgebakend van aangrenzend gebied
zona
noun
1. de zichtbare elektromagnetische straling van de ster waarrond onze aarde draait
luce solare
/'zɔnəʔenɛr'ɣi/
noun
1. energie die gewonnen wordt uit de straling van de zon
energia solare
/zɔnəbɑt/
noun
het doelbewust de huid aan de stralen van de zon blootstellen om bruin te worden
bagno di sole
/ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
girasole
noun
1.
  1. olio di semi di girasole
  2. olio di girasole
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
occhiali da sole
adjective
giallo sole
noun
Cantico delle creature
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
luce del sole
noun
1. plotselinge aandoening van de hersenen ten gevolge van te felle zonneschijn of te grote hitte
  1. colpo di calore
  2. ipertermia
noun
1.
sistema solare
noun
raggio di sole
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
macchia solare
/ˈzɔnəˌwɛndə/, /ˈzɔnəˌʋɛndə/, /ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
solstizio
noun
  1. meridiana
  2. orologio solare
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
vento solare
adjective
1. zonovergoten, met zonneschijn
  1. soleggiato
  2. assolato
/zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
tramonto
/zuː/
noun
1. verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
zoo
/ˈzox.diːr/, /ˈzoːɣ.diːr/, /ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
mammifero
noun
  1. 1. onderkant van de voet
  2. 3. onderkant van een schaaf
suola
/zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
  1. figlio
  2. figliolo
noun
1. behoedzame overweging
preoccupazione
noun
1. hoofddeksel van een nar
  1. berretto a sonagli
  2. berretto da giullare
/zɑu̯t/
adjective
1. zout bevattend of zout smakend
salato
/zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
sale
verb
1. met zout conserveren
salare
/ˈzɑutˌvacə/
noun
2. tafelgereedschap dat het zout bevat en strooit
  1. saliera
  2. spargisale
noun
1. een oplossing
acido cloridrico
/ˈzo.zo/
adjective
così così
noun
zoogeografia
/zœʏ̯t/, /zœːd/, /zœːt/
adverb
sud
/zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /zœː'.dɑ.fri.ka/, /zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
Sudafrica
noun
Merluccius capensis
  1. merluzzo Sudafricano
  2. nasello dal'Atlantico sud orientale
/ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
  1. America Meridionale
  2. America meridionale
pronoun
1.
Carolina del Sud
pronoun
1. is een randzee van de Grote Oceaan en ligt ten zuiden van China
Mar Cinese Meridionale
pronoun
1.
Dakota del Sud
/zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
Olanda Meridionale
/ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
Corea del Sud
/ˌzœʏ̯t koreˈjans/, /ˌzœːt koreˈjaːns/
adjective
1.
sudcoreano
pronoun
Alto Adige
/ˈzœy̯.də(n)/
noun
sud
noun
1. hoofddeksel
  1. sud-ovest
  2. berreto impermeabile
/ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
  1. 2. de moedermelk in zich opnemen
    poppare
  2. 1. (met de mond) naar zich toe trekken
    1. succhiare
    2. suggere
noun
pistone
noun
  1. fascia
  2. segmento del pistone
noun
  1. fascia
  2. segmento del pistone
noun
cappa
/ˈzœʏ̯.nəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /ˈzœː.nəx.ˌɦɛːt/, /ˈzœː.nɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
1. het zuinig zijn
  1. parsimonia
  2. economia
noun
1. verzamelnaam voor melkproducten
prodotti caseari
adjective
verde puro
adjective
arancio puro
adjective
rosso puro
adjective
bianco puro
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
  1. lapazio
  2. romice
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
sorella
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
sorella
/zyːr/
adjective
1. een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
  1. agro
  2. acido
/zyːr/
noun
1. zure vloeistof
acido
noun
1. fijngesneden en licht gezouten kool die enige tijd gefermenteerd is
crauti
/ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
ossigeno
noun
2. vrucht
  1. graviola
  2. guanabana
noun
luce rotante
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Cigno
/zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
cigno
adjective
van groot gewicht
pesante
noun
1. water waarin de waterstofatomen vervangen zijn door de waterstofisotoop deuterium
acqua pesante
noun
1. een lang, scherp wapen
spada
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
pesce spada
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
orca
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
  1. gravità
  2. gravitazione
/ˈzwɑbər/
noun
mocio
/ˈzʋa.ɣər/
noun
cognato
/zwaɣəˈrɛs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
cognata
/zwaɣəˈrɨn/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
cognata
/zʋɑk/
adjective
debole
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
rondine
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
incinta
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
  1. gravidanza
  2. gestazione
noun
2. produkt dat via de urine tekenen van een zwangerschap onthult
test di gravidanza
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
nero
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
buco nero
noun
1. betaalmiddelen die afkomstig zijn uit belastingontduiking of onwettige handel
denaro sporco
adjective
blu nerastro
adjective
marrone nerastro
noun
1. vruchtje van Ribes nigrum
ribes nero
noun
1./2. plant, zaden en zaaddoos Amomum subulatum
cardamomo nero
noun
1.
cincia mora
noun
1.
picchio nero
pronoun
1. gebergte in het zuidwesten van Duitsland
Foresta Nera
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
Mar Nero
adjective
grigio nerastro
adjective
verde nerastro
adjective
rosso nerastro
/zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
zolfo
noun
diossido di zolfo
adjective
giallo zolfo
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
acido solforico
/ˈzweːdə(n)/, /ˈzʋedə(n)/, /ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
Svezia
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
adjective
1. betreffende Zweden of het Zweeds
svedese
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
svedese
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
aliante
noun
1. een handwapen in de vorm van een lang ineengedraaid stuk leer dat met een zwiepende beweging pijnlijke slagen uit kan delen
frusta
noun
1.
ulcera
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
sudore
/zʋɛlɣə(n)/
verb
2. zich onmatig verlustigen in, te buiten gaan aan
  1. crogiolarsi
  2. indulgere
verb
1. in volume toenemen
gonfiare
/ˈzwɛmbɑd/, /ˈzʋɛmbɑt/, /ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
piscina
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
costume da bagno
noun
1. iemand die zwemles geeft
  1. istruttore di nuoto
  2. maestro di nuoto
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
  1. nuotare
  2. nuotata
noun
piede d'atleta
/'zʋɛmvlis/
noun
  1. 1. huidplooi
    membrana interdigitale
  2. 2. schoeisel
    pinna
noun
parola viaggiante
/'zʋevɪŋ/
noun
1. een geluidsverschijnsel dat veroorzaakt wordt door de interferentie van twee tonen met een gering verschil in toonhoogte
battimenti
noun
1. klierachtig, hormoonvormend orgaan
timo
verb
1. ervan afzien te spreken
tacere
noun
1. een varken
  1. maiale
  2. porco
/ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
  1. porcile
  2. porcilaia
/zʋɪk/
noun
4. het zwikken, verstuiking
distorsione
/'zʋɪŋəl/
noun
1. houten werktuig om vlas- en hennepvezels van de scheven te bevrijden
scotola
/zʋɪŋələ(n)/
verb
1. van vlas- of hennepvezels de aanhangende houtdeeltjes met een zwingel verwijderen
scotolare
/ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
Svizzera
pronoun
Zurigo
/eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
  1. uno
  2. una
  3. un
/eːn/
noun
1. het getal 1
uno