/
ˈsnɑxs/
adverb
1. gedurende de nacht.
om natta
om natten
adverb
1. in de ochtend
om formiddagen
om morgenen
verb
1. zachtjes strelen
kjæle
noun
- 3. paling
- 4. kleine en jonge paling
ål
noun
1.bepaald soort plant, Artemisia absinthium
ekte malurt
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hemoroider
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hemoroider
adjective
1. (predicatief) actief, in bedrijf
til
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
ambolt
verb
1. over iets of iemand bij iemand (positief) vertellen en adviseren om datgene/diegene te gebruiken/in te schakelen
anbefale
verb
- 2. een persoon op hogere waarde inschatten
dyrke
- 1. vereren van een god of heilige door daar een gebed aan te richten
tilbe
dyrke
verb
2. iets tegen bepaalde voorwaarden of prijs verhandelbaar stellen
tilby
noun
1. iets voordelig te koop aanbieden
tilbud
noun
1. een aanbieding
tilbud
/
ˈambʌʊə(n)/
verb
1. ergens iets tegenaan bouwen
dyrke
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
aksjonær
noun
1. de handel in aandelen in het algemeen
aksjemarked
/
'ʔan.dɵr.və(n)/
verb
1. Moed hebben
våge
verb
1. betreffen
rake
vedgå
adjective
1. een positief gevoel oproepend
behagelig
conjunction
1. verondersteld dat
hvis
stell at
så
så framt
så fremt
såframt
noun
1. toename
økning
auke
øking
noun
- 2. rijdend object dat achter de auto gehangen kan worden voor het vervoeren van goederen.
- 1. iemand die gelooft in een bepaald idee, of die een bepaalde groep of persoon steunt.
tilhenger
noun
1. bij de rechtbank ingediende beschuldiging of klacht
anklage
verb
1. iemands handelingen bij een hof aanhangig maken met een officiële beschuldiging
anklage
verb
1. kloppen om binnen te komen
banke
verb
1. een bestemming bereiken
ankomme
noun
1. de bestemming bereiken, het aankomen
ankomst
verb
1. bekendmaken
meddele
tillyse
noun
1. datgene wat iets tot gevolg heeft
foranledning
verb
1. moed inspreken
anbefale
/
ˈaːneːmər/
noun
1. iemand die een (bouw)werk uitvoert tegen een bepaalde prijs
entreprenør
noun
1. manier van aanpakken
tilnærmelsesmåte
/
ˈaːmpɑsə(n)/
verb
1. aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken
tilpasse
verb
1. door beplanting aanbrengen
plante
verb
1. fysiek contact maken met iets
røre
verb
1. fysiek aanvallen
voldta
noun
- 1. aanvaller
- 2. een persoon, in de regel van het mannelijke geslacht die iemand anders aanvalt om seksuele redenen
overfallsmann
noun
- 2. aanval
overgrep
- 3. een fysieke aanval op iemand met als doel seksuele handelingen af te dwingen
seksuelt overgrep
sexovergrep
noun
4. terroristische aanval
attentat
verb
2. een verbinding tot stand brengen
slutte seg til
noun
1. overeenkomst waarbij je premie betaalt aan een verzekeraar zodat die zal betalen voor schade die je per ongeluk veroorzaakt of waarvoor je verantwoordelijk wordt gehouden
ansvarsforsikring
verb
1. doen ontbranden
tenne
noun
1. iemand die zich aanstelt
posør
noun
1. een telbare hoeveelheid
antall
verb
1. (langzaam) beschadigen, aangrijpen
affektere
verb
1. aanwrijven, beschuldigen van iets
sikte
verb
- 1. bewijzen
bevise
- 1. wijzen
vise
verb
1. ontmoeten, vinden
treffe
påtreffe
verb
1. dankzij een kracht objecten naar zich toe doen bewegen
tiltrekke
verb
2. accepteren, in bezit ontvangen
akseptere
noun
1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven
anfall
noun
- 1. iemand die aanvalt
- 2. een persoon in de voorste linie
angriper
verb
1. beginnen, starten
begynne
adverb
1. in het begin
i begynnelsen
noun
1. een papieren of elektronisch blad waarin men de benodigde informatie dient in te vullen voor het aanvragen ergens van
søknadsskjema
noun
2. aangroei
auke
øking
økning
verb
1. door wijzen tonen
anvise
noun
- 1. het aanwijzen
- 2. vingerwijzing
henvisning
noun
1. iets nieuws dat erbij komt
erverv
ervervelse
adjective
1. voornáám, groot
betydelig
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
ape
/
aːrt/
noun
1. wezen, natuur, karakter
særpreg
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
potet
/
ˈar.dɑ.pɔɫ.ke.vər/, /
ˈar.dɑ.pəɫ.ke.vər/, /
ˈaːrd.ɑ.pəl.ke.vər/
noun
1. bepaald soort tor, Leptinotarsa decemlineata
koloradobille
/
ˈardɑˌpəɫpyˈre/
noun
1. een puree van zeer fijn gemaakte, met melk aangemengde aardappels
potetmos
noun
1. een salade die gemaakt wordt uit aardappelen
potetsalat
/
\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
jordbær
noun
1. bepaald soort plant, Arbutus unedo
jordbærtre
noun
1. jam van aardbeien
jordbær syltetøy
noun
1. bepaald soort plant, Trifolium fragiferum
jordbærkløver
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
jordskjelv
/
ˈardə/
noun
1. planeet
midgard
jorda
/
artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
naturgass
noun
1. het ontginnen van aardgas
naturgassutvinning
/
ˈar.dəx/, /
ˈar.dəχ/, /
ˈaːr.dɪx/
adjective
1. aangenaam in omgang
vennlig
snill
elskverdig
/
ˈart.kɔrst/
noun
1. het buitenste gedeelte van de planeet Aarde
jordskorpe
noun
1. Microtus agrestus, een zoogdier uit de orde van knaagdieren
markmus
/
ˈartpɪːr/
noun
bepaald soort zonnebloem, Helianthus tuberosus
jordskokk
/
ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
geografi
adjective
1. betrekking hebbende op de aarde, tot de aarde behorend
jordisk
noun
1. een continentale plaat
tektonisk plate
/
ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
jordsvin
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
jordras
/
ˈaːrzbɪsxɔp/, /
ˈaːrʦbɪsxɔp/, /
ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
erkebiskop
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
erkehertug
/
ˈarzələ(n)/
verb
1. onzeker zijn, twijfelen
nøle med å
/
ˈɑbɑkʏs/
noun
- 1. raam met staven
abacus
abakus
- 2. dekplaat van een kapiteel
abakus
/
a.bɑ.ˈtwaːr/, /
ɑ.bɑ.ˈtβ̞ar/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
slaktehus
adjective
1. betrekking hebbend op een abt of een abdij
abbed-
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
forkortelse
/
ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
abkhasisk
/
ɑbˈdɛɪ̯/, /
ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
abbedi
/
ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
abbedisse
/
abri/
noun
1. een wachthuisje bij een halte van het openbaar vervoer
busskur
/
ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
absint
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
ekte malurt
/
ɑpsɔr'berə(n)/
verb
absorbere
/
ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
absurd
/
ɑb/, /
ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
abate
abbed
/
ɑkɑ'demis/
adjective
akademisk
noun
1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
aksent
noun
- 1. voorzieningen ten behoeve van ...
- 2. aanpassing
akkommodasjon
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
trekkspill
noun
1. een toestel om elektriciteit op te slaan
akkumulator
/
ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /
ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /
ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
acetylkolin
/
ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
acetylen
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
Akilles
noun
1. kwetsbare plaats
akilleshæl
cardinalNumeral
1. het getal 8
åtte
/
ˈɑxtbaːn/
noun
1. een attractie met een karretje dat over een baan met bochten, stijgingen en dalingen rijdt
berg-og-dal-bane
cardinalNumeral
1. het getal 38
trettiåtte
cardinalNumeral
1. het getal 88
åttiåtte
cardinalNumeral
1. het getal 28
tjueåtte
adverb
1. in de laatste of een van de laatste posities in een rangschikking, op een verder weg liggende plaats
bak
noun
1. de indirecte oorzaak van actualiteiten
bakgrunn
/
ˈɑxtərklɛɪŋkɪnt/
noun
1. het kind van iemands kleinkind
oldebarn
/
ˈɑxtərklɛɪ̯nzon/
noun
1. de zoon van iemands kleinkind
oldebarn
noun
3. toestel dat aan de achterkant van een tractor kan worden gemonteerd om lasten op te tillen
baklaster
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
etterlate
adjective
1. achterstand vertonend in de ontwikkeling
tilbakestående
noun
1. een spiegel aan een auto of motorfiets waarmee men de situatie op de weg achter zich kan zien
bakspeil
/
'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
suffiks
noun
1. een vorm met acht hoeken
åttekant
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
atten
pronoun
1. begripomschrijving
Aconcagua
/
ɑkˈtør/
noun
1. persoon
skuespiller
adjective
1. met iets bezig zijnde
aktiv
noun
1. Scheikundig element
actinium
noun
1. iets waarmee men actief is
aktivitet
noun
1. vrouw
skuespillerinne
/
ɑktyˈwel/
adjective
aktuell
/
aˈkyt/
adjective
1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend
akutt
/
ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
adamseple
noun
- 1. gifslang
hoggorm
- 2. persoon
huggorm
noun
1. chemisch product
tilsetningsstoff
noun
1. bevoorrechte groep personen
adel
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
ørn
/
ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
puste
/
ˈa.də.ˌma.lə(n)/
verb
1. door levende wezens inblazen en uitblazen van lucht om zuurstof te krijgen
puste
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
åndedrett
/
a.de.'kʋat/
adverb
1. correct en passend bij het beoogde doel
adekvat
noun
1. bloedvat met zuurstofarm bloed
åre
noun
1. de afkorting voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder,...
ADHD
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
adjektiv
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
adjektiv
verb
1. zorgvuldig vastleggen van gegevens zodat het later terug te vinden of controleren is
administrere
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
admiral
noun
1. de reciproke complexe impedantie
admittans
verb
1. aanbidden, verafgoden, vereren
dyrke
/
aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
adresse
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
Adriaterhavet
noun
1. een fenomeen dat optreedt aan het grensvlak van twee fasen, waarbij moleculen of atomen zich aan dit grensvlak hechten
adsorpsjon
/
ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis 2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
advent
noun
1. de kalender bestaat vaak uit een platte kartonnen doos waarin 24 genummerde vakjes zijn aangebracht
adventskalender
noun
1. een aankondiging in een krant, reclameblad, tijdschrift ...
annonse
/
ɑtfiˈzerə(n)/
verb
1. raad geven aan
råde
noun
- 1. pleiter, verdediger in rechtszaken
advokat
- alcoholische dikvloeibare drank van eieren, eierlikeur
eggelikør
adverb
1. op onregelmatige tijden
av og til
imellom
noun
1. het onvermogen te spreken
afasi
verb
2. voortijdig beëindigen
avbryte
bryte
droppe ut av
verb
1. naar een lagere hoogte gaan
å stige ned
/
ˈɑfdelɪŋ/
noun
1. groep van werknemers die aan soortgelijke taken werken
avdeling
noun
1. resultaat van het afdrukken
avtrykk
verb
1. verbranden van overtollig gas via een hoge fakkel
fakling
noun
1. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
affiks
/
ɑf.ˈxan/, /
ɑf.ˈχan/
noun
2. Afghaans tapijt
afghan
/
ɑf.ˈxans/, /
ɑf.ˈχans/, /
ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
afghansk
/
ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /
ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /
ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
Afghanistan
adjective
1. iemand niet gunnen dat die iets heeft dat men zelf wil hebben
misunnelig
verb
1. goederen die klaargelegd zijn in bezit komen nemen
avhente
verb
1. happen zodat er iets verdwijnt
bite av
verb
1. geleidelijk land verliezen doordat de oever in het water verzakt
kalve
rase
verb
1. niet geschikt verklaren
avvise
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
forkortelse
verb
1. de aandacht opvragen
avlede
avleie
noun
- 1. een gebeurtenis of activiteit die de gedachten op iets anders richt
- 2. een woord dat middels toevoeging van een voor-, in- of achtervoegsel gevormd wordt uit een ander
avledning
avleiing
verb
1. brengen naar en achterlaten op de plek van bestemming
avlevere
verb
1. ongemerkt luisteren naar de communicatie van anderen
avlytte
verb
1. iets tot voltooiing brengen
fullende
verb
1. de sessie binnen een programma beëindigen
logge ut
noun
1. de ruimte die iets in beslag neemt
dimensjon
verb
1. doen verliezen
avta
noun
1. korte spreuk met een kernachtige boodschap
aforisme
verb
1. onder dreiging van geweld iemand geld afnemen
utpresse
/
ˈɑf.pɛr.sɪŋ/
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
utpressing
utpresning
verb
1. een pak rammel geven, afranselen
banke opp
gi juling
jule opp
verb
1. een pak slaag geven
banke opp
banke
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
Afrika
/
afriˈkaːns/
adjective
1. komende van of betreffende het continent Afrika
afrikansk
/
afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
afrikaans
Afrikaans
noun
1. een verkeersweg waarlangs men naar beneden van een autoweg of autosnelweg af kan rijden
avkjøringsveg
avkjøringsvei
verb
1. een pak ransel geven, afranselen
gi juling
jule opp
verb
1. tot een einde brengen
avskaffe
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
avskjed
verb
1. met een schot doden
skyte
/
ɑfsxɪldərə(n)/
verb
1. een meestal niet geheel terechte weergave van iets of iemand geven
beskrive
skildre
/
ɑfˈsxyu̯ələk/
adjective
grusom
/
ˈɑfslɑxtɪŋ/
noun
1. het zinloos vermoorden van mensen op een gruwelijke manier
blodbad
massakre
noun
1. een uitrit die van een snelweg afvoert
avkjøringsveg
avkjøringsvei
/
'ɑf.slœy.tə(n)/
verb
- 4. een einde maken aan
avslutte
- 1. zorgen dat iets of iemand niet in, uit of door iets kan gaan, alle openingen dicht doen
stenge av
verb
1. met een snoer afbinden
avbinde
verb
1. een onderling vergelijk vastleggen
avtale
/
ˈɑfstɑnt/
noun
1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
avstand
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
fjernkontroll
/
ɑfstɛmox/
noun
1. inrichting aan een radio- of tv-toestel waarop men kan aflezen hoe sterk de ontvangst is van het ontvangen radiosignaal
trolløye
verb
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
trekke fra
fraregne
verb
3. iemand een flinke afstraffing geven
banke
banke opp
noun
1. onbruikbare resten die weggegooid worden
avfall
/
ˈɑfɑlə(n) /
verb
- 2. de koers van een schip in de richting van de lijzijde wijzigen
falle av
- 3. ontrouw worden aan zijn geloof
falle fra
gå over til
- 4. vallen vanaf een hoger gelegen plek
falle
falle av
falle ned
/
ˈɑfwɑxtə(n)/, /
ˈɑfʋɑxtə(n)/, /
ˈɑfʋɑχtə(n)/
verb
1. wachten op wat er gaat gebeuren
avvente
/
ɑfˈwerə(n)/
verb
1. een aanval neutraliseren
avverge
adjective
1. niet op een bepaald tijdstip en plaats zijn
fraværende
verb
1. niet de gangbare norm volgen
avvikelse
verb
1. een negatieve beslissing ergens over nemen
avvise
verb
1. aangeven dat men niet gaat komen
avlyse
noun
1. een termijn mondeling afbestellen
avbud
verb
1. amputeren
amputere
fjerne
noun
1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
agat
noun
2. een vertegenwoordiger van een bedrijf
agent
/
aɤ'ɛntsxɑp/
noun
1. lokale vertegenwoording van een grotere organisatie
agentur
adjective
1. aanvallend
aggressiv
/
aɣriˈmoni/
noun
1. benaming voor overblijvende, kruidachtige planten uit het geslacht Agrimonia
Åkermåne
/
a.ˈhɔrn/
noun
1. een boom of heester van het geslacht Acer.
lønn
adjective
1. aardig
elskverdig
/
ˈɛːrʃo/
noun
1. evenement waar publiek kan kijken naar bijzondere vliegtuigen en naar vluchten waarmee piloten hun vaardigheden laten zien
flystevne
pronoun
1. hoofdstad van de Franse regio Corsica
Ajaccio
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
Aachen
/
'akər/
noun
2. vrucht van de eik
ekenøtt
noun
1. bewegingsarmoede
akinesi
akinesia
noun
- 1. overeenkomst
akkord
- 2. samenklank van drie of meer, verschillende tonen
akkord
note
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Alagoas
/
ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
albansk
/
ɑlˈbaːni.jə/, /
ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
Albania
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
albatross
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
alkymi
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
alkohol
pronoun
1. verzamelnaam voor een groep Duitse dialecten die gesproken worden door ongeveer zes miljoen mensen in Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Liechtenstein en Oost-Frankrijk
alemannisk
noun
de lettertekens van een taal
alfabet
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
alfabetisk
noun
1. ontkiemde zaden van luzerne
lusern
/
ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
algebra
/
ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /
ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /
ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
Algerie
adjective
1. Uit/afkomstig van Algerije
algerisk
/
ɑɫˈxiːrs/, /
ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
Alger
/
ˈaː.liˌbi/
noun
1. het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad,...
alibi
noun
1. eetbare zeeslak
strandsnegl
/
ɑlk/
noun
1. bepaald soort zeevogel die veel op de zeekoet lijkt, maar een dikkere snavel heeft
alke
/
ɑlkˈmar/
pronoun
1. een stad en gemeente
Alkmaar
noun
1. een kleine raamloze zijkamer, vaak gebruikt als slaapkamer
alkove
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
Allah
/
ˈɑlə/
indefinitePronoun
1. elke, geen, uitgezonderd
all
/
ɑl.ˈen/
adjective
1. zonder gezelschap
alene
noun
1. iemand die met onbeperkte oppermacht regeert
eineherskar
enehersker
/
ɑ.ˈlɛl/, /
ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
allel
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
allting
noun
1. een bondgenootschap
allianse
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
alligator
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
aloe
noun
1. bepaald soort succulent, Aloe vera
aloe vera
noun
2. zilverkleurige metaallegering
nysølv
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
Alpene
verb
1. sport waarbij men op ski's een heuvel of berg afdaalt.
alpin skiidrett
noun
1. iemand die de bergsport beoefent
alpinist
/
ɑls/, /
ɑs/
conjunction
2. indien
dersom
phraseologicalUnit
1. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
når katten er borte, danser musene på bordet
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
vær så snill
noun
- 1. lage vrouwenstem
- 2. altinstrument, vaak de altviool
- 3. bespeler van een altinstrument
- 4. altzangeres
alt
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Altaret
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
alter
pronoun
1. Atair/Altair
Altair
/
ɑltərnaˈtif/
noun
1. een andere mogelijkheid of methode
alternativ
adverb
- 1. op elk moment, blijvend
- 2. telkens opnieuw
- 3. in elk geval
alltid
noun
1. altsaxofoon
altsaksofon
/
ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
bratsj
/
alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
aluminium
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
bukspyttkjertel
/
amɑl'ɣaːm/
noun
1. kwiklegering
amalgam
noun
1. eetbare pit van de amandelvrucht
mandel
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
ambassade
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
ambassadør
adjective
1. vervelend, onprettig
unbehagelig
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
ambulanse
/
aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
Amerika
noun
2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
amerikaner
amerikanere
adjective
1. betreffende of komende van Amerika
amerikansk
noun
1. bepaald soort snelgroeiende boom, Quercus rubra
rødeik
noun
1. Ursus americanus, een zwarte berensoort die in Noord - Amerika leeft.
svartbjørn
noun
1. in water en op land levend dier
amfibium
noun
1. een door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
amfora
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
amharisk
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
amharisk
noun
1. een organische verbinding die kan worden beschouwd afgeleid te zijn van ammoniak...
amin
noun
1. een chemische verbinding van stikstof en waterstof
ammoniakk
noun
1. NH₄NO₃, het ammoniumzout van salpeterzuur
ammoniumnitrat
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
amøbe
/
aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
Amos
noun
1. dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
ampulle
verb
1. een lichaamsdeel chirurgisch verwijderen
fjerne
amputere
/
ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
Amsterdam
noun
1. opbouw bij de stofwisseling waarbij simpele stoffen omgezet worden tot chemisch ingewikkeldere stoffen
anabolisme
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
analogi
noun
1. een vraaggesprek naar de ziektegeschiedenis
anamnese
noun
1. een vrucht van de ananasplant
ananas
noun
1. sap afkomstig van de ananas
ananasjuice
noun
1. een persoon die kennis draagt van de (menselijke) anatomie
anatom
adjective
1. niet deze
andre
noun
1. diegene die je niet zelf bent
andre
/
'ɑndərmɑns/
indefinitePronoun
1. genitief van een andere man, wordt gebruikt in bezittelijke zin
fremmed
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
Andorra
pronoun
- 1. mythologische figuur
- 2. sterrenbeeld
Andromeda
/
ɑŋəl'sɑksis/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die tussen ca. tussen 400 en 1100 werd gesproken en die geldt als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels
angelsaksisk
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Engels of gevormd naar Engels voorbeeld
anglisisme
/
ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /
ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
Angola
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
frykt
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
anis
/
ˈɑ.nʲər.re.voˌly.si/, /
ˈɑ.ɲər.re.voˌly.tsi/
pronoun
1. geweldloze militaire staatsgreep
nellikrevolusjonen
noun
1. onderdeel van een vaartuig
anker
verb
- 1. het anker uitgooien met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen
- 4. iets vastmaken/vastzetten met ankers
ankre
/
ˌɑnɛkˈsɪːrə(n)/
verb
1. het toeëigenen van een grondgebied
annektere
/
ɑny'lerə/
verb
1. iets afgelasten
annullere
adjective
1. naamloos
anonym
noun
1. een postkaart met een afbeelding
kort
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
Antarktis
Antarktika
noun
- 1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
- 2. een voelspriet bij dieren
- 3. een staafje aan een dobber
antenne
noun
1. een methode van anticonceptie in de vorm van een pil, dat je niet zwanger wordt
p-pille
prevensjonspille
noun
1. een tegengif
motgift
adjective
1. oud, maar waardevol
antikvarisk
noun
1. oude kunst-, sier- en gebruiksvoorwerpen, die verzameld en verhandeld worden
antikvarisk
/
ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /
ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
Antigua og Barbuda
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
Antillene
/
ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
antilope
Antilope
adjective
1. tegengesteld van betekenis
antonym
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
antonym
noun
1. een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
miltbrann
/
ˈantˌwɛrpə(n)/, /
ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /
ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
- 1. een provinciehoofdstad in België
- 2. een Belgische provincie
Antwerpen
/
ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
svar
/
ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
svare
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
anus
adjective
2. bijzonder, opmerkelijk
spesielt
noun
1. een eetlust opwekkende alcoholische drank die voor de maaltijd genuttigd wordt
aperitif
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
apokalypse
adjective
1. niet als gezaghebbend erkend
apokryfer
/
ɑˈpɔstəl/
noun
1. leerling van Jezus
apostel
noun
1. afkappings- of weglatingsteken
apostrof
/
apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
apotek
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
apparat
/
ɑ.ˈpɛl/, /
ɑ.ˈpɛɫ/, /
ˈɑ.pəl/, /
ˈɑ.pəɫ/, /
ˈɑpəɫ/
noun
1. vrucht
eple
noun
1. boom waaraan appels groeien
epletre
noun
1. een moes van gekookte appels
eplemos
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
eplejuice
/
ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
appelsin
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
eplepai
noun
1. Campaea margaritaria
lauvskogmåler
/
ɑplɔudi'serə/
verb
1. in de handen klappen om goedkeuring of bewondering te tonen
applaudere
/
ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
applaus
/
ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
april
noun
nog uit te zoeken
akvarell
/
ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
akvarium
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
ara
/
ˌɑ.ra.ˈbiːr/
noun
1. een persoon met het Arabisch als moedertaal
arabar
/
ɑ'rabis/
adjective
1. verwijzend naar de Arabische taal,cultuur,het alfabet of Arabië
arabisk
/
ɑ'rabis/
pronoun
- 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
- 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
arabisk
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
arbeid
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
arbeider
noun
1. de interactie tussen vraag naar en aanbod van arbeid
arbeidsmarked
noun
1. ongeval dat tijdens het werk (of onderweg van en naar het werk) optreedt, bedrijfsongeval
arbeidsulykke
noun
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
arbeidsrett
/
ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /
ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /
ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
arkeologi
noun
1. een eilandengroep
arkipelet
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
arkitekt
noun
1. de bouwstijl van een gebouw
arkitektur
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
arkivere
pronoun
1. naam voor het noordpoolgebied
Arktis
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
Nordishavet
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Ardèche
/
ˌɑrɣɛnˈtɛɪ̯n/, /
ˌɑrɣɛnˈtɛːn/, /
ˌɑrχɛnˈtɛɪ̯n/
noun
1. iemand van Argentijnse komaf
argentinar
/
ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /
ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
Argentina
/
ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
argon
noun
1. een regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten
aristokrati
/
ɑrṃ/
adjective
1. weinig bezittend
fattig
arm
/
ɑrṃ/
noun
1. lichaamsdeel
arm
/
ɑrˈmens/, /
ɑrˈmeːns/
adjective
1. betreffende Armenië of het Armeens
armensk
/
ɑrˈmens/, /
ɑrˈmeːns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Armenië
armensk
pronoun
folkemordet på armenerne
/
ɑrˈmeni.jə/, /
ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
Armenia
/
ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
armod
fattigdom
noun
1. (aangename) geur van spijzen, dranken, genotmiddelen enz
aroma
adjective
- 1. met geurstof
- 2. voldoende aan de regel van Hückel
aromatisk
noun
2. muziekbewerking
arrangement
noun
1. document
arrestordre
noun
1. kunstvoorwerp of -product
kulturgjenstand
/
ɑrˈtiːkəl/
noun
- 1. een voorwerp dat te koop is
- 2. een publicatie in een tijdschrift
- 3. een van de bepalingen waaruit een wet bestaat
- 4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
artikkel
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
artilleri
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
artisjokk
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
lege
/
a.ˈru.ba/, /
a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Aruba
noun
- 2. lijn
akse
- 1. centrale staaf
aksel
- 3. deel van een plant
stengel
- 1. verbrandingsrest
aske
/
ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
askebeger
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
asbest
adjective
1. zonder sociaal besef
asosial
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
asparges
/
ˈɑsəˌpustər/
pronoun
1. het meisje dat hoofdpersoon is het het gelijknamige sprookje
Askepott
/
ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /
ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
asterisk
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
asteroide
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
astma
/
ɑstrolo'gi/
noun
1. de leer die gebeurtenissen aan het hemelgewelf in verband brengt met gebeurtenissen op aarde
astrologi
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
astrolog
/
ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /
ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /
ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
astronaut
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomi
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Asturië
asturiansk
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Asturias
noun
1. eerste dag van de vastentijd
askeonsdag
noun
1. een aerosol van fijnverdeelde vulkanische as
askesky
/
a.sɪmp.ˈtot/
noun
1. een lijn die door een kromme of functie willekeurig dicht benaderd wordt, maar deze nooit raakt
asymptote
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
Aten
/
ˌa.te.ˈjɪsmə/, /
ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
ateisme
/
ˌa.te.ˈjɪst/, /
ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
ateist
pronoun
1. mythologisch eiland
Atlantis
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
Atlanterhavet
noun
- 1. een boek dat geografische kaarten bevat
- 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
- 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
atlas
noun
sporttak waarin vooral lopen, springen en werpen aan bod komen
friidrett
noun
1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
atmosfære
noun
1. de massa van een atoom, uitgedrukt in de atomaire massa-eenheid u
atommasse
noun
1. de kernlading van een atoom
atomnummer
noun
2. centraal vertrek
atrium
noun
4. tot het wezen (de entiteit) behorende eigenschap
attributt
adjective
1. afwijkend van het gemiddelde
atypisk
/
obɛrˈʒinə/
noun
2. purperachtige, vlezige vrucht
aubergine
/
aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /
ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /
ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
august
noun
4. een grote zaal voor bijeenkomsten, voorstellingen enz. in een middelbare school, een museum of eenigerlei andere instelling
aula
pronoun
1. een stad in Polen
Oświęcim
/
aʊ̯ˈstraːlɪs/, /
ɔʊ̯ˈstraːlis/, /
ʌʊ̯ˈstralis/
adjective
1. van Australië
australsk
/
aʊ̯ˈstraːli.jə/, /
ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /
ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
Australia
/
aʊ̯ˈstraːli.jər/, /
ɔʊ̯ˈstraːli.jər/, /
ʌʊ̯ˈstrali.jər/
noun
1. een inwoner van Australië
australier
/
oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
forfatter
/
ʌuˈtɪsmə/, /
ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
autisme
/
ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
bil
adjective
1. met betrekking tot afweerstoffen gericht tegen de eigen lichaamsweefsels
autoimmun
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
buss
noun
1. handtekening van een beroemd persoon
autograf
dedikasjon
adjective
- 1. niet bestuurd door de hand van de mens
- 2. vanzelfgaand
- 3. gedachteloos
automatisk
noun
1. een bestuurder van een auto
bilist
/
aʊ̯.to.no.ˈmi/, /
ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /
ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
autonomi
noun
1. weg voor snelverkeer (dat sneller kan en mag rijden dan 60 km per uur), met gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen
motorvei
/
ˈɑutospɔrt /
noun
1. verzamelnaam voor wedstrijden die verreden worden met een gemotoriseerd voertuig met vier of meer wielen
bilsport
pronoun
1. een stad in Frankrijk
Avignon
/
ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
avokado
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
kveld
aften
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
portforbud
adjective
1. gedurende de avond
aftenlig
noun
2. de rituele viering van het laatste avondmaal dat Jesus met zijn leerlingen nuttigde voor zijn terechtstelling aan het kruis
altergang
nattverd
noun
1. rode kleur van het hemelgewelf
aftenrøde
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
eventyr
noun
2. neiging om ongewone dingen te willen beleven
eventyrlyst
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
ayatollah
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
aymara
/
ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /
ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
Aserbajdsjan
/
aˈzeːri/, /
aˈzɪːri/
pronoun
1. Turkse taal die door 22 miljoen mensen vooral in Azerbeidzjan, maar ook in Iran, Georgië en Turkije wordt gesproken
aserbajdsjansk
adjective
1. afkomstig uit of betreffend Azië
asiatisk
noun
1. Berensoort
Asiatisk svartbjørn
/
aˈzɛɪn/, /
aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
eddik
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
Asia
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
bukt
noun
1. een stapel bijeengebonden plantaardig materiaal zoals hooi of tabak
dott
/
baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
skjegg
noun
3. bepaald soort vogel, Panurus biarmicas
skjeggmeis
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
livmor
noun
1. smal en buisvormig gedeelte van de baarmoeder dat aan een kant in de vagina eindigt ...
livmorhals
noun
1. stekelvinnige riviervis
abbor
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
baby
/
ˈbebibɑt/
noun
1. kuip bedoeld om heel jonge kinderen in te wassen
badebalje
/
ˈbebiˌlɛik/
noun
1. lichaam van een klein kind dat gestorven is
babylik
noun
1. speelmateriaal dat geschikt is voor een baby
babyleike
babyleke
/
bɑt/
noun
- 2. hoeveelheid water of andere vloeistof waarin iets of iemand ondergedompeld kan worden
bad
- 1. voorwerp waarin men zich wast met water
badkar
pronoun
1.
Baden-Wurttemberg
noun
1. openbare inrichting waar men tegen betaling een bad of douche kan nemen
badehus
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
baderom
bad
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
badedrakt
/
ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
badekar
badebalje
noun
1. een sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
badminton
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
badedrakt
/
bɑtplaːts/
noun
1. aan zee gelegen plaats waar mensen vaak gaan zwemmen
bad
/
ba.ˈɣaːʃ/, /
ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
bagasje
/
ba.ˈha.mas/, /
ba.ˈɦa.mas/, /
bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
Bahamas
/
ba.ˈrɛɪ̯n/, /
bɑx.ˈrɛːn/, /
bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
Bahrain
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
bajonett
noun
1. de linkerzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
babord
noun
1. een markering, meer in het bijzonder gebruikt in de lucht- en scheepvaart...
landemerke
noun
1. deel van het baardhaar dat groeit vanaf de kaaklijnen tot aan de haargrens boven de oren.
kinnskjegg
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
bake
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
baker
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
bakeri
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
Baku
noun
1. speciaal geprepareerd papier dat in de oven gebruikt wordt om te bakken etenswaar niet aan de bakplaat of de bakvorm te laten kleven
bakepapir
noun
1. rijsmiddel op basis van natriumbicarbonaat
bakepulver
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
murstein
noun
1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
ball
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
balalaika
noun
- 1. evenwicht
balanse
- 2. een meetapparaat met twee armen (bedoeld om het verschil te kunnen meten)
vekt
/
bɑlk/, /
bɑɫk/
noun
1. deel van een constructie met een lengte die veel groter is dan de breedte en de hoogte in doorsnede
bjelke
bjelk
pronoun
1. gebied...
Balkan
pronoun
1. een schiereiland aan het uiterste zuidwesten van Europa
Balkanhalvøya
/
ˈbɑlkə(n)/, /
ˈbɑɫkə(n)/
verb
1. het geluid van een ezel maken
skryte
noun
1. een bouwkundig onderdeel
balkong
noun
1. een artistieke dansvorm
ballett
noun
1. leer die de banen van projectielen bestudeert
ballistikk
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
ballong
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
kulepenn
pronoun
1. de nationale taal van Mali
bambara
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
bambus
noun
1. een vrucht van de bananenboom
banan
noun
- 1. een van de Midden-Amerikaanse staten zoals Honduras, Nicaragua, El Salvador of Guatemala, eens zo genoemd vanwege de bananenindustrie die daar alles overheerste
- 2. een in politiek en economisch opzicht corrupt en instabiel land, dat bovendien vaak rijk is aan grondstoffen
bananrepublikk
noun
1. de schil van een banaaan
bananskall
noun
2. breed koord
band
bånd
adjective
1. angst hebbend
redd
/
ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /
ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
Bangladesh
noun
- 3. een financiële instelling
- 5. gebouw waarin een financiële instelling gevestigd is
- 6. een opslagsysteem voor gegevens of voorwerpen b.v. beeldbank, bloedbank, boekenbank, kennisbank, spermabank
bank
- 4. een ondiepte in het water
banke
- 1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon
benk
noun
1. een betaalmiddel van papier
pengesetel
noun
1. een bakker die voornamelijk taarten, klein gebak en chocolade maakt
konditor
/
bɑŋkˈɦɑŋər/
noun
1. iemand die bankhangt
sofagris
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
bankier
/
ˈbɑntutaːl/
noun
1. een taal die tot de Bantoetak van de Niger-Congotalen behoort
Bantuspråk
/
ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /
ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
Barbados
noun
1. een herenkapper die ook baarden bijwerkt
barber
noun
1. Een slaapmiddel in de vorm van een barbituurzuur verbinding
barbiturat
noun
1. (informatica) een op artikelen, verpakkingen afgedrukte reeks smalle en brede streepjes waarmee in gecodeerde vorm productinformatie is vastgelegd die met een scanner kan worden gelezen
strekkode
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
beret
/
bɑrx/
noun
1. gecastreerd mannetjesvarken
galte
/
bɑrn/
noun
1. eenheid van oppervlakte in de atoomfysica, 10−28 m²
barn
noun
1. een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
barokk
/
ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
barometer
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
baron
noun
1. vrouwelijke baron
baronesse
noun
1. straatversperring die de doorgang door een straat onmogelijk maakt
barrikade
noun
1. breuklijn in een breekbaar voorwerp
brist
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
basalt
/
baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
basilikum
/
'bɑskən,lɑnd/
pronoun
- 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
- 3. Spaanse autonome regio
Baskerland
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
baskisk
noun
1. bassaxofoon
bassaksofon
noun
1. bekken met een ondoorlaatbare bodem waarin water opgelagen kan worden
basseng
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
batteri
noun
1. eenheid van snelheid van informatieoverdracht van een datatransmissiekanaal (modem, telefoonlijn etc.)
baud
noun
1. een mineraal dat een belangrijk erts van aluminium vormt. Bauxiet bestaat voor een groot deel uit aluminiumoxide...
bauksitt
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
bavian
pronoun
1. stad in Zwitserland
Basel
/
bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
oppfylle
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
skjeggete
verb
2. landbouwgrond bewerken
dyrke
verb
1. van commentaar voorzien
kommentere
/
bɛd/, /
bɛt/
noun
1. een meubel gemaakt om in te slapen
seng
adjective
1. goed doordacht iets doen
lun
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
takk
/
bə'darə(n)/
verb
1. tot rust komen
roe seg
verb
1. om een aalmoes vragen
tigge
adjective
1. dat iets kan verrotten of vergaan en daardoor niet meer bruikbaar of eetbaar is
lettbedervelig
verb
- 2. verpesten, verknoeien
- 3. te veel verwennen
- 4. verrotten, oneetbaar worden
forderve
/
bɛdleɣərəɣ/
adjective
1. niet in staat uit bed te komen
sengeliggende
verb
1. iemand met een mogelijk gevaar confronteren
true
verb
1. iemand met kwade opzet in de waan brengen
jukse
noun
1. vrouw die bedriegt
svindler
/
bəˈdrɛɪ̯f/, /
bəˈdrɛːf/
noun
1. organisatie, samenspel van mensen en middelen om producten en of diensten te leveren
bedrift
/
bə'drɔx/
noun
1. het met kwade opzet misleiden van iemand
bedrag
svindel
/
bek/
noun
1. stromend watertje
bekk
å
noun
1. bepaalde ondersoort van vissen die voorkomt in stromend water, Salmo trutta fario
bekkeørret
noun
1. zeldzaam visje dat inheems voorkomt in de Benelux, Lampetra planeri
bekkeniøye
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Bildehoggaren
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
billedhogger
/
beːn/
noun
1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
bein
ben
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
beinmarg
/
beːr/, /
bɪːr/
noun
- 1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
bjørn
- 1. mannetjesvarken
råne
adjective
1. op een goede manier bekend staan
berømt
navngjeten
noun
1. bepaald soort lijster, Turdus torquatus
ringtrost
/
bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /
bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /
bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
1. vergezellen
akkompagnere
/
bəˈχɪn/
noun
1. het eerste deel
begynnelse
verb
- 1. aanvangen
begynne
- 2. initiëren
påbegynne
noun
1. regel waar je je in ieder geval aan wilt houden
prinsipp
noun
1. (plantk.) Begonia, een geslacht bloeiende planten uit de begoniafamilie
begonia
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
gravlund
verb
2. een overledene begraven
jarða
verb
1. beperken, limiteren
begrense
/
beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
behå
brystholder
BH
bh
bysteholder
preposition
1. met uitzondering van
bortsett fra
verb
3. medisch verzorgen
behandle
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
administrator
adjective
1. zonder uitspatten
lun
verb
- 2. iets leiden, besturen
administrere
bestyre
- 1. het beheer hebben over iets
administrere
forvalte
/
ˈbə'huftə/
noun
1. iets wat benodigd is
behov
/
bəˈhuvə(n)/
verb
2. nodig hebben
trenge
pronoun
1.
Bayerischer Wald
/
bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Beirut
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
stemjern
verb
1. iets met een beitel (be)werken, met een scherp voorwerp steen bewerken
meisle
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Begeret
noun
- 1. vrij ondiepe maar brede schaal
basseng
bekken
- 2. gebeente tussen beide heupen
bekken
noun
1. aangetrokken zijn
særpreg
verb
2. kracht van wet geven
stadfeste
verb
1. belonen voor uitmuntendheid
hedre med en pris
verb
1. min of meer bij toeval op een bepaalde plaats geraken
havne
adjective
1. van grote betekenis
viktig
noun
1. bereidheid en verlangen aandacht aan iets te schenken
interesse
noun
1. de daad van het belasteren.
ærekrenkelse
ærekrenking
noun
1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
skatt
verb
1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
fornærme
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
fornærmelse
adjective
1. van goede omgangsvormen getuigend
høflig
noun
1. een sociale vaardigheid, die de omgang in de maatschappij vergemakkelijkt.
høflighet
/
bəˈlɛx/
noun
1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
beleiring
verb
1. geld steken in een naar verwacht winstgevende onderneming
investere
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
politikk
/
ˈbɛl.ɣɪs/, /
ˈbɛɫ.ɣis/, /
ˈbɛɫ.χis/
adjective
1. met betrekking tot België
belgisk
/
ˈbɛlɣijə/, /
ˈbɛɫɣijə/, /
ˈbɛɫχijə/
pronoun
Belgia
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
Beograd
/
be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
Belize
verb
1. een prestatie of goede daad met geld of anderszins erkennen
belønne
verb
1. met moeite in handen krijgen
knipe
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
mannskap
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
mannskap
adjective
1. (van personen) aardig in de omgang
elskverdig
verb
1. iemand of iets nadeel toebrengen, iemand of iets schade toebrengen
forbigå
/
be.ˈnin/, /
ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Benin
verb
1. nodig hebben
trenge
/
bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
bensin
verb
1. een verminderde reikwijdte geven
begrense
verb
1. onderzoeken of het de juiste is
friste
verb
1. overleg plegen over de gezamenlijk te voeren actie
diskutere
verb
1. het klaarmaken van bijvoorbeeld een maaltijd
lage
/
bə'rɛɪkən/
verb
1. fysiek bij de andere kant aankomen
rekke
/
ˈberə(n)jɑxt/
noun
1. achter in het wild levende beren aangaan om ze te vangen of te doden
bjørnejakt
/
bɛrx/
noun
- 2. een grote hoeveelheid
berg
dott
- 1. hoge terreinverheffing
fjell
berg
noun
1. iemand die zich toelegt op het alpinisme
fjellklatrer
noun
1. Tadorna tadorna, een forse bijna gansachtige eend
gravand
fagergås
pronoun
- 1. stad in Noorwegen
Bergen
- 2. stad in België
Mons
/
ˈbɛrgɪŋ/
noun
1. het bergen van iets
berging
noun
1. een langgerekt gebergte
fjellkjede
noun
1. de steile zijkant van een berg
fjellvegg
noun
1. ziekte veroorzaakt door een tekort aan vitamine B1 (thiamine)
beriberi
noun
1. vrouwelijk dier van de berenfamilie, Ursidae
binne
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
Beringsundet
/
bə.ˈrɪs.pɪŋ/
noun
1. een strenge afkeuring van gedrag
skrape
/
bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
bjørk
bjerk
pronoun
- 1. de hoofdstad van Duitsland
- 2. een duitse deelstaat
Berlin
noun
2. een van de drie in de Benelux inheemse modderkruipers, Barbatula barbatula
smerling
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
Bermuda
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Bern
/
bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
berømt
noun
1. een acute beschadiging van de hersenen die veroorzaakt wordt door een bloeduitstorting in de hersenen
slag
verb
1. iemand met geweld zijn bezit ontnemen
berøve
/
bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
beryllium
/
bɛs/
noun
1. kleine vrucht
bær
/
bə.ˈsxa.vɪŋ/, /
bə.ˈsχa.vɪŋ/
noun
1. de complexe maatschappij waarin veel van de mensen in steden leven en hun voedsel door middel van landbouw verkrijgen
kulturen
/
bə'sxɛi(d)ə/
adjective
1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
beskjeden
noun
1. een heilige onder wiens bescherming een bepaalde persoon of groep staat
skytshelgen
/
bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /
bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
beskyttelse
/
bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
tilgjengelig
/
bəˈsxɪmələ(n)/
verb
1. aangevreten worden door schimmels
mugne
verb
1. in woorden uitdrukken
beskrive
/
bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /
bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /
bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
beskrivelse
/
bəˈsxʌldəgə/
verb
1. iemand de schuld geven van iets
anklage
bebreide
/
bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /
bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /
bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
beskyldning
anklage
noun
1. gerechtelijke handeling waardoor iemand niet meer vrij over zijn eigendom kan beschikken
ta utlegg i
verb
2. minder geld uitgeven, bezuinigen
spare
verb
- 2. recenseren
behandle
- 1. een gesprek over een bepaald onderwerp voeren
diskutere
behandle
/
bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
diskusjon
verb
1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
bestå
verb
1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
bestille
noun
1. auto die structureel ingericht is voor het vervoer van goederen
varebil
noun
1.een aanduiding voor een werk dat op korte termijn uitzonderlijk goed verkoopt
bestselger
verb
- 2. het vervullen van regeringstaken over een gebied of organisatie
administrere
- 1. zorgen dat [een toestel] de gewenste taken uitvoert
bestyre
styre
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
operativsystem
noun
1. de leiding van een organisatie, de verzameling managers
styre
/
bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
betale
noun
1. iemand die betaalt
betaler
/
bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
betaling
verb
- 1. ergens toe doen
- 1. ergens voor staan
bety
/
ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /
ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /
ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Betelgeuse
verb
1. in bedwang houden, intomen, bedwingen
bisle
tøyle
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
Betlehem
verb
1. gaan over, als onderwerp hebben
rake
/
bə.ˈtraʊ̯.bar.hɛɪ̯ds.ˌɪn.tər.ˌvɑl/, /
bə.ˈtrɔʊ̯β̞.bar.ɦɛːts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/, /
bə.ˈtrʌʊ̯.bar.ɦɛɪ̯ts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/
noun
1. een statistische intervalschatting voor een parameter
konfidensintervall
verb
1. ergens fors op slaan
banke
/
bøːl/
noun
1. uitvoerder van lijfstraffen
bøddel
noun
- 1. het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
børs
- 2. een houder voor munten en biljetten
pengepung
noun
1. een balkje dat ervoor dient in een supermarkt met een lopende band boodschappen van klanten te scheiden
skillepinne
adjective
1. breed, diep en stromingsarm genoeg om bevaren te worden
farbar
/
bə.ˈvɛɪ̯.lə.χɪŋ/, /
bə.ˈvɛɪ̯.lɪ.ɣɪŋ/, /
bə.ˈvɛː.lə.ɣɪŋ/
noun
1. de genomen maatregelen die er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt
sikkerhet
trygghet
noun
1. iemand die zorgt voor de veiligheid, bijvoorbeeld door diefstal of geweld te voorkomen
vokter
verb
1. een dwingende opdracht geven.
befale
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
bever
verb
1. zeggen dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
stadfeste
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
befolkning
verb
1. bijzondere rechten toekennen aan de één boven de ander
fortrekke
/
bə'vrizə(n)/
verb
1. door afkoeling in vaste toestand komen
djupfryse
adjective
1. door afkoeling in vaste toestand gekomen; volledig met ijs bedekt
frossen
noun
2. een persoon die ervoor zorgt dat gevangenen niet kunnen ontsnappen
fangevokter
verb
1. toezicht houden op de veiligheid van iets of iemand
bevokte
noun
- 2. een persoon die ervoor zorgt dat gevangenen niet ontsnappen, cipier, gevangenbewaarder
fangevokter
- 1. een persoon die toezicht houdt op de veiligheid van iets of iemand
vokter
/
bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
1. iemand van wapens voorzien
væpne
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet verloren raakt
oppbevare
ta vare på
verb
1. iets met stelligheid verklaren waarvan het voor anderen niet duidelijk is of het waar is
hevde
/
bə'wɛrkə(n)/
verb
1. veranderen om iets voor een of ander doel geschikt te maken
behandle
verb
1. aantonen; staven
påvise
noun
1. een groep personen die de macht uitoefent
regjering
styre
/
bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
skyet
verb
1. bekijken met respect
beundre
dyrke
/
bə.ˈwɔn.də.rɪŋ/, /
bə.ˈʋɔn.də.rɪŋ/, /
bə.ˈβ̞ɔn.də.rɪŋ/
noun
1. het bekijken met enig ontzag
beundring
/
bəw'ɤstəlos/
adverb
1. in een toestand waarin men het bewustzijn voor de omgeving is verloren
bevisstløs
noun
1. de staat van het bewusteloos zijn
bevisstløshet
/
bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
bevissthet
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
kost
noun
1. de lange stok waaraan de borstel van een bezem bevestigd is
kosteskaft
verb
1. in gebruik nemen
besette
/
bə.ˈzɛ.tɪŋ/
noun
1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
okkupasjon
noun
1. een plaats die of een voorwerp dat door velen bezocht en bekeken wordt
severdighet
/
bezəx/
adjective
1. aan het werken
opptatt
/
ˈbe.zəx.ɦʌː.də(n)/, /
ˈbe.zəχ.ɦʌʊ.də(n)/, /
ˈbeː.zɪx.haʊ̯.də(n)/
verb
zich bezighouden met iets
behandle
noun
2. het houden van een goed voor zichzelf
besittelse
/
bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
besitte
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
besitter
noun
- 1. het bezoeken
- 2. de personen die op visite zijn of komen
besøk
/
bəˈzukə(n)/
verb
1. bij iemand langsgaan of langskomen
besøke
/
bə'zʌʏniɣə(n)/
verb
1. door zuinig met geld of iets anders om te gaan de uitgaven verminderen
spare
verb
1. tot een afsluiting brengen
avslutte
ende
rakne
/
bəˈɪnvludə(n)/
verb
1. iemand of iets proberen te veranderen, invloed nemen op
påvirke
ramme
/
bu.ˈtan/, /
bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
Bhutan
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
skiskyting
/
ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
bibliotekar
/
bib(l)ijo'tek/
noun
- 1. een plaats waar boeken verzameld staan
- 2. een instelling die boeken en andere media aan het publiek uitleent of ter inzage biedt
bibliotek
- [2]: openbare bibliotheek
folkebibliotek
noun
1.2 spier in de bovenarm
biceps
verb
- 1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
- 2. dringend iets vragen, smeken
be
noun
1. soort van aan de muur bevestigde kom of bak voor het met behulp van water reinigen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet, of om de voeten te wassen
bidet
verb
1. als koper een prijs voorstellen
by
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
øl
/
birbrɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
ølbryggeri
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om bier uit te drinken
ølglass
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
gressløk
/
bist/
noun
1. colostrum van koe
råmelk
/
bɪx/, /
bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
smågris
/
bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
bie
noun
1. (de heilige tekst van) het heilige boek der christenen
Bibelen
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
Bibelen
bibel
verb
1. een aandeel leveren
bidra
verb
1. aanspreken om zich te groeperen
tillyse
noun
1. benaming voor veelkleurige en insectenetende vogels die...
bieter
noun
1. kunstmatige behuizing waarbinnen een bijenvolk zijn raten kan bouwen, oorspronkelijk in de vorm van een gevlochten korf
bikube
/
ˈbɛː.jə(n)ˌteɫt/
noun
1. het houden van bijen
birøkt
/
ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /
ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /
ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
overtru
/
bɛɪ̯l/, /
bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
øks
noun
1. geschrift ter aanvulling
bilag
vedlegg
verb
2. meningsverschil of ruzie oplossen.
bilegge
verb
1. licht laten schijnen op de handen van iemand die ergens mee bezig is
lyse
/
'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
nesten
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
kallenavn
noun
- 1. een extra smaak die er eigenlijk niet bij hoort
- 2. een minder aangename meewerkende factor
bismak
/
ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
bite
/
bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /
bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /
ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
adjektiv
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
for eksempel
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
adverb
adjective
1. alleen van dichtbij scherp kunnen zien
nærsynt
noun
1. een afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
myopi
nærsynthet
/
biˈzɔndər/, /
bɛ<sup>ɪ</sup>ˈzɔndər/
adjective
1. een hoogst eigenaardige kwaliteit of eigenschap hebbend
sær-
noun
1. tweedelige zwemkleding voor de vrouw
bikini
noun
- 1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
bakende
ende
- uitdrukking: iemand op de billen slaan
gi (noen) en pryl
gi (noen) en ris
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
bulmeurt
verb
1. vastmaken (evt. figuurlijk)
binde
/
ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
støttevev
interjection
1. een uitroep gebruikt door spelers van bingo om aanspraak te maken op een overwinning
bingo
/
ˈbɪnənˌbɑnt/
noun
1. binnenste band, de band waarin de lucht aanwezig is
slange
verb
1. ergens in gaan
komme inn
/
ˈbɪnə(n)ˌstɑt/
noun
1. een, meestal oud, stadscentrum
sentrum
/
'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
biokjemi
/
ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
biodiversitet
/
ˌbiʲoloˈɣi/, /
ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
biologi
/
ˌbijo'loːɣis/
adjective
- 1. te maken hebbend met de biologie
- 2. van gelijke afstamming
biologisk
/
ˌbioˈlox/, /
ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
biolog
noun
2. verzameling technieken gericht op het meten en vaststellen van alle meetbare eigenschappen van levende wezens
biometri
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
kino
/
bis/
noun
1. verhoogde toon b
hiss
/
ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
bispedømme
stift
/
bisɛksye:l/
adjective
1. seksueel gericht op beide geslachten
bifil
/
bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
biskop
bisp
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
bitter
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in schoon stilstaand of langzaam stromend water Rhodeus amarus
bitterling
noun
1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
blære
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
blåseinstrument
noun
- 1. plat, groen onderdeel van planten
- 2. vel papier
blad
noun
1. een deegsoort die in rechthoekige plakken wordt gebruikt
butterdeig
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
bladlus
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
bjeffe
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Rutilus rutilus
mort
/
ˈblatə(n)/
verb
het geluid van een schaap maken
breke
/
blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
blå
/
blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
blåfarge
blå
/
ˈblʌʊɑɫɣə(n)/
noun
2. taxonomisch rijk binnen het domein van de bacteriën waarvan de leden zich met behulp van oxynogene fotosynthese voeden.
cyanobakterier
noun
1. bepaald soort lijsterachtige, Luscinia svecica
blåstrupe
/
blɑudrʏk/
noun
1. een directe fotografische kopie in witte lijnen op een achtergrond van Pruisisch blauw
blåkopi
noun
1. bepaald soort vaste plant, Vaccinium myrtillus
blåbær
noun
1. bepaalde soort roofvogel uit de familie van de arendachtigen, Circus cyaneus
myrhauk
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
gråhegre
hegre
heire
noun
1. Balaenoptera musculus, een baleinwalvis, de grootste van alle walvisachtige
blåhval
blåkval
noun
2. blauw gekleurde vlindersoorten uit het ondergeslacht Polyommatinae
blåving
blåvinge
/
'bla.zə(n)/, /
'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
blåse
puste
adjective
1. gering van kleur
blek
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Alyssum alyssoides
grådodre
verb
1. witter of lichter doen worden
få
noun
1. een aangename stemming
glede
/
blɛ.və(n)/
verb
- 1. niet veranderen
- 3. ergens vertoeven
bli
noun
- 1. metaal dat tot dunne bladen is uitgeslagen
blikk
- 3. manier van kijken, gezichtsuitdrukking
utsikt
/
blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
lyn
adjective
1. niet in staat te zien
blind
/
'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
blindhet
verb
1. in opvallende mate licht weerkaatsen of uitzenden
blinke
glinse
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
blod
/
ˈblutbɑt/
noun
1. een gebeurtenis waarbij op grote schaal bloed vergoten wordt
blodbad
massakre
verb
1. het vloeien van bloed
blø
noun
1. de vloeistof van het bloed waar geen bloedlichaampjes meer in zitten maar nog wel stollingseiwitten
blodplasma
noun
1. spoor van bloed
blodspor
noun
1. bloeduitstorting in de huid
blåmerke
noun
1. het genetisch aan elkaar verwant zijn
konsangvinitet
/
'blutʋɔrst/
noun
1. vleeswaar vervaardigd van het bloed en het vet van een varken
blodpølse
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
igle
verb
- 1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen
- 2. het bijzonder goed maken
blomstre
noun
- 1. een deel van plant met zaden
blomst
- 2. fijngemalen poeder, meestal van granen
mel
noun
1. bolvormig stengeldeel van een plant, onder de grond
blomsterløk
/
bluməkɔrso/
noun
1. een geur afkomstig van bloemen of die aan bloemen doet denken
blomsterduft
noun
- 2. een lokale winkel of onderneming die in bloemen handelt
blomsterbutikk
blomsterhandel
- 1. de handel in bloemen
blomsterhandel
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
blomkål
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
blomsterpotte
noun
1. een vaak hoekig massief stuk materiaal
kloss
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
blokkfløyte
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
høvel
/
blɔnd/, /
blɔnt/
adjective
1.
blond
noun
1. cocktail van wodka en tomatensap
bloody mary
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
rødme
noun
1. een onverwacht domme, vaak erg publieke, daad die meestal iemands geloofwaardigheid aantast
glipp
/
blɵt/
adjective
1. geen geld meer hebbend
blakk
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Budapest
noun
1. volger van de leer van Boeddha
buddhist
noun
1. de voorkant van een schip
baug
noun
1. een beeld dat ter versiering aangebracht werd op de voorsteven van een schip
gallionsfigur
noun
1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
bøye
/
bujə(n)/
verb
1. kluisteren
jern
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
bok
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Bucuresti
/
ˈbukən/
verb
1. reserveren van bijvoorbeeld een hotelkamer
booke
reservere
/
ˈbu.kə.ˌkɑs/, /
ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
bokhylle
noun
1. hulpmiddel dat ervoor zorgt dat boeken rechtop blijven staan op een niet geheel gevulde boekenplank
bokstøtte
noun
1. een bos snijbloemen, vaak sierlijk gerangschikt
blomsterbukett
bukett
blomsterkvast
noun
bijhouden van gegevens
bokholderi
noun
1. en 2. (gepelde zaden van) plant Fagopyrum esculentum
bokhvete
/
ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /
ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /
ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
bokhandel
/
bumɑn/
noun
1. een denkbeeldig wezen dat als schrikbeeld dient
busemann
noun
1. een gebogen werpstok die de neiging heeft terug te keren naar de werper
bumerang
/
buːr/
noun
1. landbouwer
bonde
noun
- 1. een woning met bedrijfsruimte van een boer
bondegard
bondegård
- 2. een onderneming van een boer
gardsbruk
gårdsbruk
/
buːrən/
verb
3. een boer laten
rape
/
burə'kol/
noun
1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
grønnkål
noun
1. bepaald soort samengesteldbloemige plant Tanacetum vulgare
reinfann
/
ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
låvesvale
noun
1. het gehele lichaam, inclusief gezicht en ogen, verhullend gewaad gedragen door (streng) islamitische vrouwen
burka
noun
1. een bedrag dat je moet betalen als je een overtreding hebt begaan
bot
forelegg
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
Böhmen
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
bohrium
noun
1. mannelijke geit
geitebukk
noun
1. een gevechtswapen bestaande uit een stuk ijzer dat men gebruikt om mee te slaan
knokejern
noun
1. een tactische vechtsport
boksing
noun
- 1. een persoon die het boksen beoefent
- 2. een lid van een geheime Chinese organisatie omstreeks 1900
bokser
noun
1. handschoen gedragen tijdens het boksen
boksehanske
noun
1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
kule
noun
1. een helder oplichtend bolvormig object met een diameter van maximaal 40 centimeter, dat soms waargenomen wordt in de buurt van een blikseminslag en dan gedurende meerdere seconden zichtbaar is
kulelyn
noun
1. Agrostemma githago
klinte
/
boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
Bolivia
pronoun
1. een stad in Italië
Bologna
noun
1. lid van een factie van de marxistische Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (RSDAP) die zich ...
bolsjevik
/
bɔm/
noun
1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
bombe
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
bombe
noun
1. een mededeling dat er een bom gaat ontploffen
bombetrussel
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Bonaire
/
bɔnt/
adjective
1. met veel verschillende felle kleuren
broket
noun
1. bepaalde vogelsoort uit de familie van plevieren, Charadrius hiaticula
sandlo
verb
1. bij herhaling slaande, een luid, laag geluid maken
banke
noun
1. overgebracht bericht
melding
noun
1. een sport waarbij pijlen worden weggeschoten naar een doel met behulp van een boog
bueskyting
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
Skytten
noun
1. iemand die schiet met een boog
bueskytter
noun
1. meerjarige plant met houten stam
tre
noun
1. een stuk grond met vruchtbomen
frukthage
/
ˈbom.ɣrɛns/, /
ˈbom.χrɛns/
noun
1. een grens waarboven geen bomen meer groeien
tregrense
noun
1. bepaald soort vogeltje, Sitta europaea
spettmeis
/
ˈbom.leː.β̞əˌrɪk/, /
ˈbom.lɪː.β̞əˌrɪk/
noun
1. een vogelsoort die inheems is in Nederland en België
trelerke
/
ˈbom.mɑr.tər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes martes
mår
/
'bomslɑŋ/
noun
2. bepaald landdier zonder poten Dispholidus typus
boomslange
noun
1. een rechtop gaande houten schacht van een boom
trestamme
noun
1. kleine sierlijke valk, familie van de torenvalk, Falco subbuteo
lerkefalk
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
bønne
noun
B. chemisch element en een zwart metalloïde
bor
/
ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
boremaskin
/
boʊs/, /
boːs/
adjective
1. kwaad, woedend
olm
/
bo'zardəx/
adverb
1. met de intentie om kwaad te doen
ondartet
ondskapsfull
/
boʊt/, /
boːt/
noun
1. klein vaartuig
båt
noun
1. iemand die in havens schepen laadt en lost
havnearbeider
/
bɔRd/, /
bɔrt/
noun
- [1] Schijfvormig voorwerp
fat
tallerken
- 2. Vlak voorwerp aan een muur
tavle
noun
1. een huis waarin tegen betaling seksuele diensten worden aangeboden
horehus
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
brodere
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
bore
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
bor
noun
- 1. bovenste deel van de voorkant van de romp van mens of dier
bryst
- 2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
bryst
pupp
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
brystbein
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
børste
noun
1. geraamte van de borst
brystkasse
noun
- 2. een bundel stelen of vezels
bukett
dott
- 1. een groep bomen
skog
noun
1. Calopteryx virgo, een bepaald soort van de beekjuffers.
blåvingevannymfe
/
ˈbɔsbɑuw/
noun
1. het systematisch bosbeheer (teelt en verzorging van bossen) voor de productie van hout
skogbruk
skaubruk
noun
1. brand van of in een bos
skogbrann
/
ˈbɔsnis/, /
ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
bosnisk
/
ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /
ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /
ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
Bosnia-Hercegovina
Bosnia og Hercegovina
pronoun
1. zeestraat tussen de Zee van Marmara en de Zwarte Zee
Bosporos
noun
1. jonge, onvolgroeide geboste ui met blad
vårløk
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
kattugle
noun
1. een beheerder van een boswachterij
skogvokter
noun
1. bepaald soort loofboom Salix caprea
selje (tre)
noun
- 3. onderdeel van het skelet
ben
- 1. platvis
skrubbe
/
ˈbɔtbrøk /
noun
1. een onderbreking van een bot
beinbrott
beinbrudd
benbrudd
fraktur
/
ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
smør
noun
1. een snee brood
brødskive
/
ˈbɔt.sə(n)/
verb
- 1. met een flinke snelheid tegen elkaar aankomen
- 2. in een conflict of ruzie geraken
kollidere
/
ˈbɔt.sɪŋ/
noun
1. het botsen
bulk
/
bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /
bɔts.ˈʋa.na/, /
bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
Botswana
noun
psychologische toestand waarin een persoon terugkerende eetbuien heeft
bulimi
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Burgund
/
ˈbɑu̯ə(n)/
verb
- 1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
bygge
- het bouwen
bygging
/
ˈboː.vən/
adverb
1. bovenaan, erboven, niet beneden, niet eronder
over
/
ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
over
/
bovənˈdin/
adverb
1. op de koop toe, daarenboven
dessuten
adjective
1. behorende tot een orde van dingen die buiten het menselijke ligt
overnaturlig
noun
1. struik & 2. vrucht
bjørnebær
/
ˈbramslœʏpər/
noun
1. bepaald soort zangvogel, Sylvia curruca
møller
verb
1. slecht en onduidelijk praten met name van baby's
bable
verb
1. vlees bereiden door het in vet te verhitten
steke
/
ˈbrɑnd/, /
ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
brann
verb
1. verteerd worden door vuur
forbrenne
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
Brandenburg
noun
1. een soort sterke drank
brennevin
noun
1. bepaald soort gans, Branta leucopsis
hvitkinngås
verb
1. (vee) merken door het inbranden van een teken
brennemerke
noun
2-3. een harige plant die bij aanraking een brandend gevoel en zwelling veroorzaakt
stornesle
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
brensel
drivstoff
noun
1. lid van de brandweer
brannmann
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
brasme
brasen
/
braˈʃɛːrə/
noun
1. dameskledingstuk
brystholder
/
braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
Brasil
noun
1. bepaald soort orchidee, Epipactis helleborine
bredflangre
breiflangre
/
ˈbred.bɑnd/, /
ˈbred.bɑnt/
noun
1. een internetverbinding met een hoog debiet
bredbånd
noun
1. stevige metalen stang, meestal voorzien van een gespleten einde, de koevoet, gebruikt om zaken open te breken.
brekkjern
kubein
brekkjarn
kuben
/
ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
strikke
/
ˈbrɛɪ̯nald/, /
ˈbrɛɪ̯naɫt/, /
ˈbrɛːnalt/
noun
1. een naald die gebruikt kan worden bij het breien
strikkepinne
pinne
verb
- 1. in stukken uiteenvallen
- 5. in stukken uiteen doen vallen
brekke
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
Bretagne
noun
1. broekophouder
buksesele
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
bretonsk
bretangsk
noun
1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
brist
noun
1. streep die teller en noemer in een deling van elkaar scheidt
brøkstrek
noun
1. verzonden geschreven boodschap
brev
noun
1. een korte brief in de vorm van een kaart
postkort
/
bris/
noun
1. zachte frisse wind
bris
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
briller
/
ˈbrɪl.beːr/, /
ˈbrɪɫ.beːr/, /
ˈbrɪɫ.bɪːr/
noun
1. een beer met grote cirkels rond de ogen, als een bril
brillebjørn
noun
1. Bucephala clangula, een vogel uit de familie Anatidae
kvinand
/
brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
britisk
pronoun
Britiske Jomfruøyer
/
ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
brokkoli
/
'bru.də(n)/
verb
1. een gelegd ei met lichaamswarmte warm houden
ruge
noun
- 1. kerkelijk goedgekeurde vereniging
- 2. vereniging van beroepsgenoten
- 1. vriendschappelijke betrekking als tussen broers
brorskap
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
bukse
/
bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
bror
noun
1. een blok met een grillige vorm, stuk van iets groters
dott
noun
- 1. daar waar men informatie vandaan haalt
- 2. begin van een waterloop
kilde
/
broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
brød
noun
1. boom Artocarpus altilis
brødfrukt
verb
1. (bier) brouwen
brygge
/
brɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
bryggeri
/
brʏx/, /
brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
bro
bru
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
Brugge
/
brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
brud
noun
1. man die in het huwelijk treedt
brudgom
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
medgift
adjective
1. nuttig, eenvoudig in het gebruik
anvendbar
anvendelig
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
brun
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
brun
/
ˌbrœʏnəˈbeːr/
noun
1. Ursus arctos, een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt.
brunbjørn
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis Ameiurus nebulosus
dvergmalle
noun
1. bepaald soort roofvogel, Circus aeruginosus
sivhauk
noun
1. grijsbruin knaagdier met een kale geringde staart Rattus norvegicus
brunrotte
/
ˈbrœyŋɣəˌbrɑnt/
adjective
1. door zonlicht donker gekleurd
brunsvidd
/
ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
nise
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Bruneck
/
bry.ˈnɛɪ̯/, /
bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
Brunei
/
ˈbrunɛɪs/
adjective
1. met betrekking tot of afkomstig van Brunei.
bruneisk
pronoun
1. de hoofdstad van België
Brussel
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
moms
/
'bɵfəl/
noun
1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
bøffel
/
ˈby.χəɫ/, /
ˈbyː.ɣəl/
noun
1. een koperen blaaasinstrument.
flygelhorn
noun
1. zoogdier dat het jong in een buidel draagt
pungdyr
/
bœʏ̯χə(n)/, /
bœːɣə(n)/
verb
- 2. krom worden
- 1. krom maken
bøye
/
bœʏ̯k/, /
bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
buk
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
rør
/
ˈbœʏ̯tə(n)/, /
ˈbœːtə(n)/
adverb
utenfor
/
ˈbœʏtə(n)bortmotər/
noun
1. een motor die aan de achterzijde (de spiegel) van een boot bevestigd is die als een roer dient en de boot voortstuwt.
påhengsmotor
utenbordsmotor
noun
1. ieder land buiten het eigene
utanlands
/
ˈbœytə(n)lɑndər/
noun
1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
utlending
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
utenlandsk
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
musvåk
/
ˈbɵkən/
verb
1. het lichaam geheel vooroverbuigen om bij iets lagers te komen
bukke
/
bʏl/
noun
1. mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
tyr
/
bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
bulgarsk
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
Bulgaria
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
bulldosar
/
ˈbʏltrʏx/
noun
1. benaming voor een van de grotere baardwalvissen met lange borstvinnen
knølhval
noun
1. zijdelings bijeengehouden verzameling langwerpige voorwerpen
dott
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela putorius
ilder
noun
2. een (politie)kantoor
kontor
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
borgermester
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
borgerkrig
/
bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /
bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
Burkina Faso
/
bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
Burundi
/
bɵs/
noun
1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
buss
/
ˈbʏshɑltə/, /
ˈbʏshɑɫtə/
noun
1. een plek waar een bus stopt
bussholdeplass
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
brystholder
BH
behå
bh
bysteholder
noun
1. een man naast wie men woont
nabo
noun
1. een (deel van een) wijk
nabolag
/
ˌkɑbɑˈrɛ(t)/
noun
1. een kleinkunst, vermaak met toneel, zang, dans, en voordracht
kabaret
/
kakaˈoː/, /
kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
kakao
/
kɑˈkʌʊbom/
noun
1. een boom waarvan uit de vruchten de cacao wordt gewonnen
kakaotre
noun
1. als geschenk gegeven bon, die recht geeft op aankoop tot het bedrag dat op de bon vermeld wordt
gavekort
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
kadmium
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
koffein
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar men dranken kan nuttigen
vertshus
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
kalsium
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
californium
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten. De staat grenst aan de Pacifische Oceaan en aan de Mexicaanse deelstaat Baja California, alsmede aan de Amerikaanse deelstaten Nevada, Oregon en Arizona.
California
pronoun
- 1. nimf uit de Griekse mythologie
- 2. een van de vier grote manen van Jupiter
Callisto
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
kalori
noun
1. gereformeerde substroming binnen het Christendom waarin o.a. het voorbestemd zijn centraal staat
kalvinisme
/
kɑm.ˈbɔ.dja/, /
kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
Kambodsja
/
ˈkaməˌra/
noun
1. een apparaat om beelden mee te registreren
kamera
/
ˈkɑmpɪŋ/, /
ˈkɛmpɪŋ/
noun
1. een terrein met voorzieningen om te kamperen
campingplass
/
ˈka.na.da/, /
ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
Canada
noun
1. bewust vervalst nieuwsbericht; valse hype
avisand
pronoun
1. de federale hoofdstad van Australië, gelegen in het Australisch Hoofdstedelijk Territorium
Canberra
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Cantabria
/
ˌkɑntaˈrɛɫ/
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak, Cantharellus cibarius
kantarell
adjective
1. rubber
kautsjuk
noun
1. kopje koffie dat uit gelijke delen espresso, melk en melkschuim bestaat
cappuccino
noun
2.een omhulsel, veelal van gelatine met een medicijn erin
kapsel
/
ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /
ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
hette
/
karákas/
pronoun
1. de hoofdstad van de Zuid-Amerikaanse staat Venezuela
Caracas
noun
1. kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonst
campingvogn
/
kɑrdijolo'xi/
noun
1. een medisch specialisme dat zich bezighoudt met het opsporen, diagnosticeren en behandelen van hartziekten
kardiologi
/
kɑrdijo'lox/
noun
kardiolog
adjective
1. giftig voor het hart
kardiotoksisk
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
karneval
noun
1. iemand die land-, zee- en/of luchtkaarten maakt
kartograf
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
kartografi
noun
1. Manihot esculenta, een eetbare wortelknol
maniok
pronoun
1. landstreek in Spanje
Castilla
pronoun
Castilla-La Mancha
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
gjelle
noun
1. onderaardse ruimte, onderaards gangenstelsel in het algemeen
katakombe
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
katalansk
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
Catalonia
noun
1. een algemene ramp
katastrofe
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
kategori
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
marsvin
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
Kairo
/
ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
seder
noun
1. een diakritisch teken dat onder andere in de spelling van het Catalaans, het Frans, het Turks en het Portugees wordt gebruikt en als een haakje onder een medeklinker wordt geplaatst.
cédille
noun
- 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
- 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
selle
noun
1. slagwerkinstrument met een klavier
celesta
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
cello
/
ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
cellulose
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
sement
noun
1. een fabriek waar cement geproduceerd wordt
sementfabrikk
/
'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
centimeter
/
sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /
sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /
sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
Den sentralafrikanske republikk
pronoun
1. Iraanse taal gesproken door 6 miljoen mensen in Irak en Iran
kurdisk
noun
1. pomp die een vloeistof verpompt door het met een draaiend rad naar buiten te slingeren
sentrifugalpumpe
verb
1. met een centrifuge scheiden, zuiveren of drogen
sentrifugere
adjective
1. met betrekking tot de grote hersenen
cerebral
noun
1. een plechtige aangelegenheid
seremoni
/
ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
champagne
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
utpresning
utpressing
noun
1. deelgebied van de wiskunde en natuurwetenschappen dat zich bezighoudt met het gedrag van dynamische systemen zoals dat sterk door hun begintoestand wordt bepaald.
kaosteori
pronoun
1. grootste stad van Henegouwen
Charleroi
adjective
1. aangenaam in omgang
sjarmerende
/
sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
særpreg
/
ʃaʊ̯.ˈføːr/, /
ʃo.ˈføːr/, /
ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
sjåfør
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
kjemi
adjective
1. dat wat tot de chemie behoort, volgens de chemie
kjemisk
/
sʲik/
noun
- 1. modieus verfijnd
flott
lekker
- 2. uit de hoge stand
fornem
fin
/
ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
Chile
/
ˈtʃɪlə(n)/
verb
1. tot rust komen, ontspannen
chille
/
ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
sjimpanse
/
ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
Kina
Folkerepublikken Kina
/
ʃi.ˈnes/
adjective
1. betreffende China
kinesisk
/
ʃi.ˈnes/
pronoun
1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
kinesisk
/
ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
kirurg
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
kirurgi
/
ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
sjokolade
/
ˌʃo.ko.ˈla.də/, /
ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
sjokolade
/
χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
kolera
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
kolesterol
/
ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
kristen
/
ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
kristendom
/
ˈxrɪstʏs/
pronoun
Kristus
/
ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
kromosom
/
ˈkronis/
adjective
1. voortdurend, aanhoudend
kronisk
adjective
1. naar tijdstip gerangschikt
kronologisk
/
ˌxi.lo.mi.ˈkrɔn/, /
ˌχi.lo.mi.ˈkrɔn/
noun
1. een grote door darmwandcellen geproduceerde lipoproteïne, waarin lipiden uit het voedsel van de darmwandcellen naar andere weefsels worden getransporteerd
kylomikron
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
sikade
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
sider
noun
1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
siffer
tall
noun
1. bepaald soort naaldboom, Cupressus sempervirens
sypress
/
ˈsɪrkəlzax/
noun
1. motorzaag met een rond zaagblad
sirkelsag
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
siter
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
sitron
noun
1. dagvlinder van de Pieridaefamilie
sitronsommerfugl
noun
1. artistieke techniek
chiaroscuro
noun
1. de leiders van een kerkgenootschap
kleresi
noun
4. maximale waarde, uiterste
klimaks
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
klitoris
/
kloːn/, /
klʌːun/
noun
- 1. komische artiest
- 2. bespottelijk iemand
klovn
/
klɵp/
noun
1. besloten gemeenschap
klubb
/
kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
koalisjon
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
kokain
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
cocktail
noun
1. ontgaste steenkool
koks
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
cola
verb
1. met de vijand samenwerken
kollaborere
noun
1. halsketting, halsband, halssnoer
halsband
halsbånd
/
ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Colombia
noun
1. een inwoner van Colombia of persoon die de Colombiaanse nationaliteit bezit
colombian
/
ko'lɔnə/
noun
1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
søyle
noun
1. een kever die op de aardappelplant leeft van ongeveer 1 cm lang en met een geel...
koloradobille
potetbille
noun
1. de eerste, gelige moedermelk
råmelk
/
ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
koma
/
kɔmən'tar/
noun
1. toelichting of verklaring
kommentar
/
kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
kommunisme
/
ko.ˈmoː.rə(n)/, /
ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
Komorene
noun
1. iemand die muziekstukken schrijft
komponist
verb
1. tot compost verwerken
kompostere
/
kɔm.ˈpju.tər/, /
kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
datamaskin
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
dataspill
noun
1. afgesloten terrein met barakken waar machthebbers bepaalde groepen mensen zonder rechtsgang onder dwang van de samenleving afgezonderd houden
konsentrasjonsleir
verb
1. op één plek samenbrengen
konsentrere
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
konsert
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
pavevalg
/
kɔnˈkret/
adjective
2. in realiteit bestaand
konkret
noun
1. mededinger, wedijveraar
konkurrent
/
kɔndɛn'zasi/
noun
kondensasjon
noun
1. elektrische component
kondensator
noun
1. benaming voor sommige roofvogels uit de Amerikaanse tak (Cathartidae) van de gierenfamilie
kondor
noun
1. een medewerker van de spoorwegen die reizigers op vervoersbewijzen controleert en de orde in de trein of tram dient te bewaren
konduktør
noun
1. felgekleurde papiersnippers
konfetti
/
kɔnfixy'rerə(n)/
verb
1. opbouwen en aanpassen aan eigen behoefte
konfigurer
/
kɔŋˈɣrɛs/, /
kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
kongress
noun
1. een noodzakelijk gevolg
konsekvens
/
kɔnsɛrvaˈtif/
adjective
1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde
konservativ
verb
- 1. verorberen
- 2. verbruik van goederen en diensten in de economie
fortære
verb
1. contact opnemen met
kontakte
noun
1. een sleutel waarmee men een motor kan starten en dus onontbeerlijk is voor het gebruik van het voertuig
tenningsnøkkel
/
ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
kontext
noun
1. een werelddeel
kontinent
noun
1. het laagstklinkende muziekinstrument van de strijkinstrumenten
kontrabass
noun
1. (muziekinstrument) fagot waarvan de noten een octaaf lager klinken dan de gewone fagot
kontrafagott
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
kontrollere
sjekke
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
copernicium
/
ˈkɔrnis/, /
ˈkɔrnɪs/
pronoun
1. een Keltische taal die gesproken wordt in Cornwall
kornisk
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
Cornwall
noun
1. een crisis rondom de uitbraak van een coronavirus
koronakrise
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
korrosjon
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
korrupsjon
/
'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Korsika
pronoun
1. een taal die op Corsica gesproken wordt
korsikansk
/
ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
Costa Rica
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
squash
noun
1. hoed gedragen door een cowboy
cowboyhatt
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
prærieulv
verb
1. samenvallen in ruimte of tijd
kollidere
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
samvirke
noun
1. bepaald soort struik en 2. vrucht daarvan, Vaccinium macrocarpon
tranebær
amerikansk tranebær
/
krejaˈtif/
adjective
1. scheppend vermogen bezittend, met een scheppende geest
skapende
verb
1. als tegoed boeken
kreditere
noun
1. een taal die is ontstaan doordat bevolkingsgroepen die twee verschillende talen spraken met elkaar in contact kwamen en een nieuwe taal ontwikkelden
kreolspråk
noun
1. een uit Engeland afkomstig slagbalspel in de open lucht
cricket
noun
1. de misdadigheid, het begaan van misdaden
kriminalitet
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
kriminologi
noun
1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
krise
/
krʋɑˈsɑ̃/
noun
1. halvemaanvormig broodje
horn
noun
1. vakantie op een varend schip met uitgebreide voorzieningen voor de passagiers
cruisefart
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
cruiseskip
/
ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
Cuba
noun
1. een inwoner van Cuba, of iemand afkomstig uit Cuba
cubaner
kubaner
noun
1. een inwoonster van Cuba, of een vrouwlijke persoon afkomstig uit Cuba
cubaner
kubaner
noun
1. film die populair is bij een kleine maar betrokken groep fans
kultfilm
verb
1. in cultuur brengen
dyrke
/
kɵl'tyːr/
noun
1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
kultur
/
ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /
kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
Curaçao
noun
1. het bestuursorgaan van de Heilige Stoel ten behoeve van de gehele Rooms-katholieke Kerk
Den romerske kurie
noun
1. een precisiesport die lijkt op bowls, jeu de boules en bocce, die op ijs gespeeld wordt gespeeld met zware stenen in plaats van metalen (of plastic) ballen
curling
noun
1. soort Engelse vla, gebonden door eidooiers of ook door eieren (oeufs au Karamel)...
eggekrem
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
kybernetikk
adjective
1. op Cyprus betrekking hebbend
kypriotisk
/
ˈki.prʏs/, /
ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
Kypros
/
sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
kyrillisk
/
ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
cyste
/
daˈsit/
noun
1. vulkanisch stollingsgesteente.
dacitt
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
daddel
noun
1. palm waaraan dadels groeien
daddelpalme
noun
1. iemand die iets (slechts) gedaan heeft
gjerningsmann
/
dɑx/, /
dɑχ/
noun
- 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
dag
- 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
dag
døgn
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
dagsavis
avis
/
'dɑxlɪxt/
noun
1. licht van de zon
dagslys
noun
1. bepaalde soort dagvlinder, Aglais io
dagpåfugløye
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
tak
noun
1. elkaar overlappende stenen of betonnen elementen waarmee een schuin dak lekdicht gedekt wordt
takstein
/
dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
dal
noun
1. weeftechniek, waarbij tekeningen aangebracht worden op een achtergrond van dezelfde kleur
damask
/
daːmə/
noun
- 1. beschaafde vrouw
- 3. koningin in het schaakspel
dame
noun
1.
mine damer og herrer
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
dådyr
dåhjort
verb
1. het damspel spelen
dam
noun
1. het geleiden van damp of uitwaseming van warme geneesmiddelen naar een ziekelijk deel des lichaams voor inhalatie, huidreiniging
inhalasjon
conjunction
1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord.
enn
pronoun
3. jongensnaam
Daniel
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
takk
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
dans
verb
1. ritmisch bewegen
danse
svinse
noun
1. iemand die op een dansschool dansles geeft
danselærer
/
ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
modig
noun
1. mannelijke bij
drone
/
dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
tarm
noun
1. evolutieleer die het ontstaan van de soorten verklaart door natuurlijke selectie uit varianten die bij reproductie optreden
darwinisme
/
dɑs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
grevling
/
ˈdɑs.lok/
noun
1. sterk riekende, eetbare plant uit de lookfamilie
ramsløk
conjunction
- 2. een voegwoord dat een onderwerpszin inluidt
- 1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
at
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
dativ
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
datering
article
1. (de) wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en altijd voor het meervoud, waarbij het een specifieke persoon of ding aanduidt in plaats van het algemene geval
-a
-en
-et
phraseologicalUnit
1. het opgeven
kaste inn håndkledet
/
də ˌɦœy̯t ˈnit fɛrˈkoː.pə(n) ˌvoːr də ˈbeːr ɣəˈsxoː.tə(n) ˌɪs/
phraseologicalUnit
selge skinnet før bjørnen er skutt.
verb
1. een lastige kwestie voortvarend en vastberaden aanpakken
ta tyren ved horna
interjection
1. er is een onomkeerbare stap gezet
terningen er kastet
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
desember
noun
1. een lengtemaat met een waarde van één tiende meter
desimeter
verb
1. methoden en technieken gebruikt om bouwwerken, meubels of andere objecten te verfraaien
besette
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
deig
noun
1. rol om deeg uit te rollen
kjevle
verb
1. meedoen, meevoelen
delta
noun
1. iemand die meedoet aan een wedstrijd of ander evenement
deltager
deltakar
deltaker
/
den/, /
deːn/
noun
1. een inwoner van Denemarken
danske
/
dens/, /
deːns/
adjective
1. betreffende Denemarken of het Deens
dansk
/
dens/, /
deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
dansk
pronoun
- 1. Griekse god van de paniek
- 2. kleinste van de twee manen van Mars
Deimos
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
dyne
/
dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
teppe
noun
1. ordinaire vrouw
sjuske
verb
1. taken en verantwoordelijkheden doorgeven
delegere
verb
- 1. samen met een ander gebruiken
- 2. in meer dan één stuk snijden of hakken
dele
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
demografi
/
dɛmpən/
verb
1. zwakker maken, de kracht verminderen van
dempe
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
Haag
/
ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /
ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
Danmark
verb
- 3. een bepaalde mening toegedaan zijn
synes
- 1. een oplossing zoeken
tenke
noun
1. ziekelijke neerslachtigheid
depresjon
/
ˈdɛrdə/
noun
- 1. door drie gedeeld iets
tredje
- 2. (vooral meervoud) onbetrokken partij
tredjeperson
/
ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
tredje
noun
1. Huidspecialist
dermatolog
cardinalNumeral
1. het getal 13
tretten
cardinalNumeral
1. het getal 30
tredve
tretti
noun
1. onderdeel, kleinigheid
detalj
/
døk/
noun
1. vervorming van het oppervlak van een voorwerp in de vorm van een put of uitholling, meest veroorzaakt door botsing met een ander voorwerp
bulk
/
døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
dør
noun
1. een handvat waarmee een deur wordt geopend of gesloten
dørhandtak
dørhåndtak
/
dewteɾoˈnomjum/
pronoun
Femte Mosebok
/
'devəntər/
adjective
1. gemeente en oudste stad in de provincie Overijssel
Deventer
noun
1. woord of korte tekst die snel en tegelijkertijd duidelijk een bepaalde boodschap moet overbrengen
motto
noun
1. band (met edelstenen versierd) voor om het hoofd
diadem
noun
1. een symbolische en grafische voorstelling van een aantal zaken en hun onderling verband
diagram
/
diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
dialekt
/
ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /
ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
dialektologi
noun
- 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
- 2. een edelsteen gesneden uit [1]
diamant
/
diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
diaré
/
diˈjaspora/
noun
diaspora
adjective
- 1. compact
- 2. gesloten
tett
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
dikter
noun
1. compactheid
tetthet
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
diktator
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
diktatur
demonstrativePronoun
1. wijst iets aan dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de spreker bevindt
de
/
dif/
noun
1. iem. die steelt
tyv
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
tyveri
tjuveri
/
ˈdinən/
verb
1. werken voor; in dienst zijn van
tjene
/
ˈdinst.plɪxt/
noun
1. verplichting om ergens te werken
verneplikt
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
dyp
/
diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
dyr
noun
1. arts voor dieren, met name kleine huisdieren
dyrlege
noun
1. figuur in de vorm van een dier
dyrefigur
/
ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /
ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
zoo
noun
1. wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van dierziektes
veterinærmedisin
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologi
/
ˈdirpruf/
noun
1. onderzoek gedaan met proefdieren
dyreforsøk
/
ˈdivən.bɛndə/
noun
1. een groep mensen die samen diefstal plegen, meestal herhaaldelijk en georganiseerd
tyvebande
noun
ærekrenkelse
ærekrenking
noun
1. het digitaliseren
digitalisering
/
dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
lår
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
aneto
dill
noun
1. Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
dingo
noun
1. stam van eencelligen met een tweetal zweepstaartjes die in water leven, Dinoflagellata
dinoflagellater
/
ˈdinoflɑɣɛˌlatə(n)/
noun
1. stam van eencelligen met een tweetal zweepstaartjes die in water leven, Dinoflagellata
dinoflagellater
/
ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
dinosaurus
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
tirsdag
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
diplomat
adjective
1. zonder te wachten, zonder iets daartussen
direkte
adverb
1. zonder te wachten, zonder omweg
direkte
noun
1. de leiding van een bedrijf, de directeur en of de topmanagers
styre
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
dirigent
noun
1. beschrijvend overzicht van de elpee's of cd's van een artiest of muziekgroep
diskografi
adjective
1. zonder aandacht te trekken, onopvallend
diskret
intim
noun
- 1. bescheidenheid of kiesheid
- 2. geheimhouding
diskresjon
noun
1. een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld
diskusjon
demonstrativePronoun
denne
dette
disse
noun
1. (weinig gebruikte) scheikundige term voor water (H2O)
dihydrogenmonoksid
/
(d)ʒi.ˈbu.ti/, /
dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
Djibouti
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
terning
noun
1. een vrouwelijk kind
datter
/
ˈdɔktɔr/
abbreviation
1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
doktor
noun
1. een op waarheid beruste film
dokumentarfilm
noun
1. iemand die dood is, een gestorvene, overledene
daud
/
'do:dələk/
adjective
1. de dood veroorzakend
dødelig
/
ˈdo.də(n)/
verb
1. iemand van het leven beroven.
drepe
noun
1. een afgietsel van het gelaat van een dood persoon, gewoonlijk gemaakt van was of gips
dødsmaske
/
ˈdudɔɫˌzɑk/, /
ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
sekkepipe
noun
1. een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld
mål
verb
1. een actie ondernemen
gjøre
noun
1. een boom met zeer smakelijke maar stinkende vruchten
durian
/
ˈdɔkˌʋɛr.kər/
noun
1. iemand die in de havens werkt
havnearbeider
/
dɔl/
noun
2. U-vormig steunpunt waarin een roeispaan rust
åregaffel
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Delfinen
/
dɔlˈfɛɪ̯n/, /
dɔlˈfɛːn/, /
dɔɫˈfɛɪ̯n/, /
ˈdɔlfɛɪ̯n/, /
ˈdɔlfɛːn/, /
ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
delfin
/
ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
dollar
adjective
1. van weinig verstand getuigend
dum
noun
1. temming tot huisdier of cultuurgewas
domestisering
/
ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /
ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
Den dominikanske republikk
/
ˈdɔm.or/
noun
(milde benaming) dom persoon
dumming
noun
1. een schenking
donasjon
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Donau
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
torden
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
torsdag
adverb
1. de latere uren van de donderdag
natt til fredag
/
ˈdɔndərə(n)/
verb
- 1. het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading.
- 2. op luide en barse toon een bevel geven of zijn ongenoegen uiten.
tordne
adjective
1. zonder licht
mørk
noun
1. fijne veren die onder de taaiere buitenveren zitten, vaak gebruikt als vulstof voor kussens, dekbedden en slaapzakken
dun
/
doːt/
noun
- 2. skeletvormige figuur, vaak met zeis, die bovengenoemde toestand personifieert
død
- 1. de toestand na het leven
dødsfall
død
/
ˈdotxan/
verb
- 1. het leven verlaten
- 2. theaterterm
dø
adjective
1. bij de geboorte al overleden
dødfødt
noun
2. keversoort
åtselgraver
/
ˈdoːts.ɛsˌka.dər/
noun
1. bende die gevormd is om een of meerdere personen te doden
dødsskvadron
/
dotslɑx/
noun
1. het iemand anders opzettelijk, maar zonder voorbedachten rade van het leven beroven
drap
adjective
1. erg stil
stille som i graven
noun
1. als straf gedood worden
dødsstraff
/
doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
døv
noun
- 2. ingewikkelde zaak
floke
- 1. stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
labyrint
/
ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
døpefont
/
ˈdoːr/, /
[doːr]/, /
[dʊːr]/
preposition
- 1. bij lijdende vorm
- 2. oorzaak
av
- 3. in
- 6. als achterzetsel: doorheen
gjennom at
adverb
1. volkomen, volledig
fra ende til annen
noun
2. een cruciale ontdekking
gjennombrudd
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
torn
/
doʊs/, /
doːs/
noun
1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
kasse
verb
2. iemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
døpe
noun
1. stimulerende (genees)middelen
doping
/
dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
landsby
/
dɔt/
noun
1. een pluk vezelig, wollig of donzig materiaal
dott
/
ˈdɔtərɣeləˌwevər/
noun
1. soort zangvogel met een gele borst en buik
eggeplommevever
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
toll
/
duʃ/
noun
1. stortbad
dusj
/
ˈdovə(n)/
verb
1. een vlam uit doen gaan
kvele
noun
1. een set van twaalf
dusin
/
draːt/
noun
3. elektrisch verbindingsmateriaal
bektråd
/
drat.los/, /
ˈdraːd.loːs/
adjective
1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
trådløs
trådlaus
noun
1. stok waaraan men iets draagt
åk
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
dreiebenk
/
ˈdraːi̯ən/
verb
- Vertalingen: na te kijken
snu
- 1. om een middelpunt bewegen
spinne
noun
1. strijkinstrument met strijkwiel
dreielire
noun
1. een mechanisch bediend of automatisch spelend orgel, meestal op straat spelend
lirekasse
/
draːk/
noun
1. fabeldier
drage
drake
/
drɑf/
noun
1. draf bij viervoeters
trav
verb
- 1. al van de vloer houdend vervoeren
- 2. als kledingstuk of sieraad aanhebben
bære
noun
- 1.
- 2. forse, bazige vrouw
dragon
noun
- 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
- 2. een bepaald soort film of toneelstuk
drama
verb
1. een bestraffende handeling in het vooruitzicht stellen
true
/
ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Drenthe
/
ˈdrɛsɪŋ /
noun
1. een soort saus, die meestal bestaat uit een combinatie van olie, water, citroensap of azijn en kruiden; saus, slasaus, vinaigrette
dressing
cardinalNumeral
1. telwoord
tre
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
trekant
cardinalNumeral
1. het getal 33
trettitre
cardinalNumeral
1. het getal 23
tjuetre
noun
1. gas dat in spuitbussen gebruikt wordt om de inhoud onder druk te zetten
drivstoff
noun
1. bodem bestaand uit heel kleine korreltjes vergruisd gesteente, verzadigd met zoveel water dat alles wat zwaar is er in wegzakt
kvikksand
/
ˈdrɪŋgbekər/
noun
1. een beker waaruit gedronken kan worden
krus
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
drikkevann
verb
1. vocht laten of doen verdampen
tørke
noun
1. een toestel dat natte voorwerpen, bijvoorbeeld wasgoed droogmaakt
tørketrommel
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
dromedar
verb
- 1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
- je een voorstelling maken van wat je graag wil
drømme
/
drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
drita
/
droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
tørr
noun
- 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
- 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
drøm
noun
zwart gekleurd snoepgoed
lakris
verb
3. uit een vliegtuig laten neerkomen
droppe
noun
2. vrucht van de wijnstok
drue
noun
1. geslachtziekte veroorzaakt door de bacterie Neisseria gonorrhea
gonoré
dryppert
noun
1. pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
trykk
noun
1. mythologisch, vrouwelijk wezen dat in een bos of boom leeft
dryade
/
ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /
ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
dobbeltstjerne
noun
1. een scheikundig element met het symbool Db
dubnium
/
dʏf/
adjective
1. saai, doods
kjedelig
/
dœʏ̯f/, /
dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
due
/
ˈdœy̯kə(n)/
verb
2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
dykke
/
dœy̯m/
noun
1. eerste, kortste en dikste vinger
tommelfinger
tommel
/
dœʏ̯n/, /
dœːn/
noun
sanddyne
dyne
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
mørke
/
dœʏ̯ts/, /
dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
germansk
tysk
/
dœʏ̯ts/, /
dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
tysk
/
ˈdœʏ̯tsə/, /
ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
tysker
pronoun
Den tyske demokratiske republikk
noun
1. hond uit een oorspronkelijk in Duitsland gefokt ras
schäferhund
/
ˈdœʏ̯tsər/, /
ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
tyskar
/
ˈdœʏ̯tslɑnt/, /
ˈdœːtslɑnd/, /
ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
Tyskland
Føderale Republikken Tyskland
/
ˈdœy̆zənt/
noun
1000
tusen
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
tusenbein
tusenben
/
dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
tynn
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon ramada
multe
conjunction
1.om die reden, daarom
altså
/
dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
trille
noun
1. een reeks misleidende aanwijzingen nagelaten om iemand van het juiste spoor weg te leiden
villspor
/
ˈdʋɑrsflœʏt/
noun
1. een blaasinstrument dat dwars op de lippen geblazen wordt
tverrfløyte
verb
1. ergens gek op zijn, een grote aantrekking tot iets voelen
dyrke
noun
1. een buitengewoon klein mens
dverg
noun
1. kleinste soort van de vinvissen, Balaenoptera acutorostrata
minkehval
noun
springstof waarin nitroglycerine door een poreuze stof wordt vastgehouden
dynamitt
/
dɪslɛkˈsi/
noun
1. het onvermogen om woorden, waarvan men wel de letters ziet, in hun betekenis te vatten
dysleksi
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
dysprosium
pronoun
- 1. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Düren
/
ˈiːmeːɫ/, /
ˈiːmɪːɫ/
noun
- 1. systeem voor het verzenden van berichten via een computernetwerk
- 2. bericht dat verstuurd is via e-mail
e-post
/
ˌodəkoˈlɔɲə/
noun
1. keulswater, reukwater
kølnervann
noun
1. een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
fjære
/
ˈɛ.xo/, /
ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
ekko
conjunction
1. een beperkende tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) beperkt
ikke desto mindre
/
ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
ektemann
/
ˈɛxtxəˌnotə/, /
ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
kone
noun
1. twee mensen die met elkaar getrouwd zijn
ektepar
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
skilsmisse
/
ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /
ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
økologi
noun
2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
økonomi
noun
1. deskundige op het gebied van de economie
økonom
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
økosystem
noun
1. de naam voor elk element uit de achtste chemische reeks van het periodiek systeem
edelgass
noun
1. een metaal dat niet licht aan corrosie of oxidatie ten prooi valt
edelmetal
/
et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
ed
/
ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
ekorn
noun
1. Bolletus edulis, een eetbare paddenstoel
steinsopp
verb
1. worden afgewezen door iemand die je amoureus benaderd hebt
få kurven
phraseologicalUnit
1. iets kopen zonder te weten wat de koopwaar is
kjøpe katta i sekken
/
eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
and
cardinalNumeral
1. het getal 31
trettien
/
ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
tjueen
noun
1. een matrix waarvan alle diagonale elementen 1 zijn en alle andere 0
identitetsmatrise
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
ensomhet
adjective
1. met of aan één kant, belang, partij etc.
unilateral
noun
1. nummer één in een volgorde
først
phraseologicalUnit
1. grammaticale term die de spreker of sprekers aanduidt.
førsteperson
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
første verdenskrig
/
ˈeːitbaːr/, /
ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
spiselig
noun
1. de behoefte om voedsel tot zich te nemen.
appetitt
/
eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
århundre
noun
1. een feestelijke herdenking naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van iets
hundreårsdag
/
ɪːβ̞əχɛɪ̯t/
noun
1. alle tijd die nog zal komen
evighet
/
e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Efesos
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
Efeserne
adverb
1. doeltreffend
virkningsfull
/
ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
pinnsvin
piggsvin
noun
1. een zelfzuchtig persoon
egoist
/
e.ˈɣɪp.tə/, /
e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
Egypt
/
ɛɪ/, /
ɛɪ̯/, /
ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
egg
noun
1. bepaald soort zeevogel, Somateria mollissima
ærfugl
noun
1. het binnenste, gele deel, van een ei
eggeplomme
plomme
/
ˈɛijərbir/
noun
1. drank gemaakt met warm bier en geklopte eieren
eggeøl
noun
1. de gele eidooier die in het midden van het ei zit
eggeplomme
plomme
noun
1. een bijzondere hoedanigheid
særpreg
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
egennavn
/
ɛi̯k/, /
ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
eik
/
ˈɛɪkəɫ/
noun
- 1. vrucht van de eik
kongle
ekenøtt
- 2. top van een penis
penishode
/
ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
Øy
øy
noun
1. deel van de geslachtsorganen van de vrouw
eggleder
phraseologicalUnit
1.
når enden er god er allting godt
/
ˈɛɪ̯ndə/, /
ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
ende
adverb
1. na een (te) lange tijd.
endelig
langt om lenge
adjective
1. een einde hebbende
endelig
verb
1. iets tot een besluit voeren
ende
rakne
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
einsteinium
adjective
1. met de vorm van een ei
eggeforma
eggeformet
eggeformig
eggforma
eggformet
eggformig
/
ɛiwɪt/
noun
1. het deel van een ei waarin de dooier ligt
eggehvite
eggekvite
hvite
kvite
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
skjære
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
alen
/
ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /
ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
El Salvador
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
elg
/
eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
elektrisitet
noun
1. een krachtcentale waar elektriciteit wordt opgewekt
elektrisitetskraftverk
adjective
1. door middel van elektriciteit
elektrisk
noun
1. een magneet waarvan het veld door een elektrische stroom veroorzaakt wordt
elektromagnet
adjective
elektromagnetisk
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
elektronikk
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
elektroteknikk
noun
1. legering van goud en zilver
elektrum
cardinalNumeral
1. het getal 11
elleve
noun
1. haringachtige, die paait in de bovenloop van rivieren en beken en ooit inheems was in de Benelux, Alosa alosa
maisild
verb
- 1. verwijderen uit de vergelijking
- 2. verwijderen uit de bevolking, doden
eliminere
/
ˈɛləpɛɪp/, /
ˈɛləpɛːp/
noun
bot in de onderarm
ulna
/
ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
Alsace
/
ˌemiˈχrɪːrə(n)/
verb
1. naar het buitenland verhuizen
utvandre
/
emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
emirat
/
ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
bøtte
spann
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
emu
conjunction
1. zowel afzonderlijk van als gezamenlijk met elkaar
og/eller
noun
1. een brief van de paus aan alle katholieke gelovigen
encyklika
/
ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
encyklopedi
adjective
1. waarbij warmte opgenomen wordt
endoterm
/
enər'ʒi/, /
enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
ork
energi
adjective
1. angst veroorzakend
skummel
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
England
noun
1. een koor van engelen
englekor
/
ˈɛ.ŋ(g)əls/, /
ˈɛ.ŋɔɫs/, /
ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
engelsk
/
ˈɛ.ŋ(g)əls/, /
ˈɛ.ŋɔɫs/, /
ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
engelsk
noun
1. een grotere en lagere uitvoering van de hobo
engelsk horn
/
ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /
ɛ.ŋəls.man/, /
ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
engelskmann
adjective
1. niet dubbel, bijvoorbeeld enkel spoor, enkele reis
enkel
adverb
1. niet dubbel
enkelt
indefinitePronoun
1. weinig, een paar
noen
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
ankel
ankelledd
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
entall
/
eˈnɔrm/
adjective
1. buitensporig groot
enorm
/
epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
epidemi
/
ˌepiˈfizə/
noun
1. een klier die onderdeel is van de epithalamus en melatonine uitscheidt
konglekjertelen
noun
1. vallende ziekte, toevallen
epilepsi
noun
1. dekweefsel, bovenste laag van de huid en slijmvliezen
epitel
noun
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
ekvator
/
ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /
ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /
ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
Ekvatorial-Guinea
noun
1. passage van de zon door het vlak van de evenaar
jevndøgn
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
erbium
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
ereksjon
noun
1. grond behorend bij boerderijhuis
gard
noun
1. een veelal kostbaar goed van van generatie op generatie door vererving overgegeven wordt
arvestykke
noun
1. overgeërfd inheems woord
arveord
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
arvesynd
/
ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /
ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
Eritrea
verb
1. inzien, toegeven
vedgå
/
ˌɛrˈkɛn.tə.lək/
adjective
takknemlig
/
ˈɛrkər/
noun
1. uitbouw aan een gevel
karnapp
pronoun
1. + 2. stad en stadsdistrict
Erlangen
noun
1. stemming waarin men de dingen in hun wezenlijke waarde wil zien
alvor
noun
1-2. beschadiging en afslijting
erosjon
noun
- 1. plotselinge, felle uiting
- 2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
utbrott
utbrudd
noun
1. een vorm van kennis
erfaring
/
ˈʔɛr.və(n)/
verb
1. de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
arve
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
ert
noun
1. een groenige, lobbige soep vervaardigd van erwten
ertesuppe
noun
1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
ask
/
ɛsˌxatolo'gi/
noun
eskatologi
/
ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
lønn
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
esperanto
noun
1. geconcentreerde koffie
espresso
/
ɛsˈter/
pronoun
3. meisjesnaam
Ester
/
ˈɛstis/, /
ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
estisk
/
ˈɛslɑnd/, /
ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
Estland
noun
1. een vrouwelijk hormoon
østrogen
noun
1. dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden
mat
spise
verb
1. het nuttigen van voedsel
spise
ete
/
etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
etanol
noun
1. een organische verbinding met de functionele groep R-O-R'
eter
/
ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
Etiopia
noun
1. onderdeel van de pathologie dat zich bezighoudt met de oorzaken van ziekten
etiologi
/
ɛtnoːloːɣi/, /
ɛtnoːloːʝi/
noun
etnologi
noun
- 1. woordherkomst
- 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
etymologi
noun
1. een rooms-katholiek sacrament dat een voortzetting is van het laatste avondmaal van Christus
nattverd
noun
1-2.
eufemisme
evfemisme
noun
- 1. eufonium
- 2. een instrument van gestemde glazen
eufonium
/
ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
eufori
/
œykɑriotən/
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Eukaryota
eukaryoter
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
Eurasia
/
'øː.ro/, /
'ɵː.ro/
abbreviation
1. munt en munteenheid
euro
/
øːˈroːpa/, /
ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
Europa
/
ˌøːropeˈjaːn/, /
ˌʏːropeˈjan/
noun
1. bewoner van het Europese continent of iemand die daarvan afkomstig is
europear
/
øːroˈpeːs/, /
ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
europeisk
pronoun
Den europeiske menneskerettsdomstol
pronoun
Den europeiske sentralbank
pronoun
Den europeiske menneskerettsdomstol
pronoun
Den europeiske investeringsbank
pronoun
Den europeiske ombudsmann
pronoun
Det europeiske råd
/
ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /
ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
Den europeiske union
Europeiske Union
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
europium
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
eutanasi
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Eve
/
evəˈnar/, /
ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
ekvator
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
villsvin
noun
1. wild varken
villsvin
/
ˌevoˈlysi/, /
ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
evolusjon
noun
1. theorie over de stapsgewijze ontwikkeling van het leven
evolusjonsteori
noun
1. onderzoek naar de kennis of vaardigheden van iemand door middel van ondervraging of opgedragen verrichtingen
eksamen
noun
1. uitvoering van een vonnis
tvangssalg
/
ɛksɛm'plar/
noun
1. een individueel voorbeeld ergens van
eksemplar
noun
1. een deel van het pre-mRNA dat de kern verlaat en dus getranscribeerd wordt
ekson
/
ɛk'stazə/
noun
1. een toestand van buiten zichzelf zijn door verrukking
ekstase
/
ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
esel
/
fam/
noun
1. reputatie
rykte
/
ˈfabəl/
noun
- 1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
- 2. een verzinsel
- 3. een verhaallijn
fabel
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
fabrikk
noun
1. cosmetische ingreep van de chirurgie ter verfraaiing van het gezicht
ansiktsløftning
noun
1. document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
faktura
noun
3. product van een reeks factoren
fakultet
/
ˈfæːrøːə̯r/, /
ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
Færøyene
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op de Faeröer
færøysk
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
fagott
noun
1. staaf of stok die aan de bovenkant in een brandbare stof gedrenkt is, brandend zorgt het voor verlichting
fakkel
adjective
1. met betrekking tot het mannelijk lid
fallisk
/
fa.ˈmi.li/, /
fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
familie
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de familiale verhoudingen tussen personen
familierett
adjective
1. uit de farmacie, met betrekking tot de productie van geneesmiddelen
farmasøytisk
/
fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
fascisme
noun
1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
fase
adjective
1. noodlottig
fatal
adjective
1. degelijk
ryddig
/
fo.tœj/
noun
1. Soort stoel
lenestol
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
fasan
/
fa.ˈsa.də/
noun
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
fasade
/
febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
februar
pronoun
- 2. Franse revolutie
Februarrevolusjonen 1848
- 1. Russische revolutie
februarrevolusjonen (Russland)
noun
1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid
fest
/
fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
faktum
noun
1. een zeilschip
felukk
/
ˈfɛlsis/
adjective
1. rijk aan silica of silicahoudende mineralen
felsisk
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
feminisme
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
bukkehornkløver
/
fenilɑlɑninə/
noun
1. aminozuur
fenylalanin
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
fermium
/
fɛs/
noun
1. bepaald soort hoed van Turkse oorsprong
fess
/
fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
sykkel
/
ˈfits.bɑnt/
noun
1. een binnen- of buitenband voor een fiets
dekk (sykkel)
verb
1. op een fiets rijden
sykle
/
ˈfitsərɛk/
noun
1. rek om fietsen te parkeren
sykkelstativ
/
ˈfiːtsər/
noun
1. iemand die met een fiets rijdt
syklist
noun
1. onderdeel van de kettingaandrijving van een fiets
kjede (sykkel)
/
ˈfitspɑt/
noun
1. een weggedeelte of vrijliggend pad dat is gereserveerd voor het gebruik door fietsers en snorfietsers.
sykkelvei
sykkelsti
/
ˈfi.(d)ʒi/, /
ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
Fiji
adjective
- 1. van geringe dikte
- 3. leuk
fin
/
faɪl/
noun
1. lange rij met stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen of personen
bilkø
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
Filemon
/
filiˈjal/
noun
1. een pand in een reeks van panden
filial
/
ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /
ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /
ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Filippinene
/
fili'pɛɪns/
pronoun
1. de officiële taal van de Filipijnen
Filippinsk
noun
3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
film
noun
1. feestelijk evenement waarbij het tonen van films centraal staat
filmfestival
/
filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
filosofi
/
fɪltər/
noun
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
filter
noun
- 1. de beslissende wedstrijd in een toernooi tussen de laatste twee deelnemers
- 2. het slotstuk van een meerdelig toneel- of muziekstuk
finale
/
ˈfɪnlɑnd/, /
ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Finland
/
fɪns/
adjective
1. betreffende Finland of het Fins
finsk
/
fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
finsk
noun
- 1. een handelsvennootschap waarbij de vennoten hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk zijn
- 2. een zaak of bedrijf
firma
noun
1. middel om iets vast te zetten, fixeermiddel
fiksativ
/
fjɔrd/, /
fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
fjord
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
flamingo
noun
1. dun soort pannenkoekje dat zowel als hoofdgerecht en als nagerecht gegeten wordt
pannekake
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
flerovium
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
flaske
/
ˈflevoˌlɑnt/, /
ˈfleːvoˌlɑnd/, /
ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Flevoland
adjective
1. stevig van lichaamsbouw
røslig
/
ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
Firenze
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
spytt
verb
1. spreken met gedempte stem
hviske
noun
- 1. buisvormig blaasinstrument
- 4. een slank drinkglas
fløyte
verb
1. een fluit bespelen
plystre
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
fluor
noun
1. een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde...
fløyel
noun
1. een ziekelijke vrees
fobi
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
foster
verb
1. dieren houden om ze te laten voortplanten
dyrke
noun
3. effect (waardepapier)
verdipapirfond
/
ˌfonoloˈɣi/
noun
1.
fonologi
/
fɔnˈtɛɪn/, /
fɔnˈtɛːn/
noun
1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
fontene
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
ørret
/
fɔrs/
adjective
2. groot in zijn soort
røslig
noun
1. een zout van een van de vormen van fosforzuur
fosfat
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
fosfor
noun
1. lichtschuwheid
lysømfintlighet
noun
1. iemand die fotos maakt
fotograf
verb
1. een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag
fotografere
skyte
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
fotografi
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
foton
/
fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
feil
/
ˈfrɑksi/
noun
1. een klein deel
andel
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
bringebær
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
francium
noun
1. reeks afhangende draden die ter versiering aan de rand van een kleed of kledingstuk gehangen worden
frynse
/
ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /
ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
Frankrike
/
frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
fransk
/
frɑns/
pronoun
1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
fransk
/
ˈfrɑns.man/, /
ˈfrɑns.mɑn/
noun
1. iemand uit Frankrijk
franskmann
/
fratər/
noun
1. bepaald soort vogel, Linaria flavirostris
bergirisk
noun
1. bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
bedrageri
verb
1. gelden wederrechtelijk ontvreemden
jukse
noun
- 1. Oorlogsschip
- 2. Driemaster
fregatt
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
frekvens
noun
1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
frett
/
ˈfrislɑnd/, /
ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Friesland
noun
1. de benaming voor een gerecht van gefrituurde aardappelreepjes ('patat frites')
pommes frites
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
fruktose
/
frœʏ̯t/, /
frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
frukt
verb
1. ~ als een bepaalde functie vervullen
fungere
noun
1. bepaald soort watervogel, Podiceps cristatus
toppdykker
/
ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
fysikk
noun
1. plantaardig plankton
fytoplankton
/
føn/
noun
1. een toestel dat een warme luchtstroom voortbrengt voor het drogen en opmaken van het kapsel
føn
/
ɣaːj/
noun
1. middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, Garrulus glandarius
nøtteskrike
/
ɣaːn/, /
χaːn/
verb
1. zich in een bepaalde richting bewegen
gå
/
'ɣa.bɔn/, /
ɣa.'bɔn/, /
χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
Gabon
noun
1. echtgenoot, echtgenote
ektefelle
/
ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
gadolinium
/
ˈɣɑ.fəl/, /
ˈɣɑ.fəɫ/, /
ˈχɑ.fəɫ/
noun
- 1. rondhout
- 2. gevorkt werktuig
gaffel
noun
- 1. eenheid van versnelling in het c.g.s-stelsel (centimeter-gram-seconde-stelsel)
Gal
gal
- [A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
- [B] 2. uitwas aan blad van boom of struik
gall
galle
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
Galaterne
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
galleblære
noun
1. een loodsulfide met de chemische formule PbS
blyglans
/
χɑlx/
noun
1. houten constructie bestaande uit één of meer staande balken met een horizontale balk haaks daarop en één of meer diagonale balken ter ondersteuning, in het verleden veel gebruikt om mensen door ophanging ter dood te brengen
galge
/
'ɣɑlɣə(n)strɔp/
noun
1. een tot strop geknoopt touw zoals dat aan een galg gehangen wordt ter verhanging van een veroordeelde
renneløkke
rennesnare
pronoun
1. Romaanse taal gesproken in Galicië
galisisk
/
ɣɑˈlisɪə/, /
ʝɑˈlisɪə/
pronoun
1. Spaanse regio
Galicia
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
gallium
/
'ɣɑm.bi.ja/, /
'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Gambia
noun
1. lange smalle ruimte
korridor
noun
1. zenuwknoop
ganglion
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
gås
/
ˈɣa.pə(n)/, /
ˈɣaː.pə(n)/, /
ˈχa.pə(n)/
verb
- 2. met open mond vol verwondering ergens naar kijken
- 3. wijd openstaan
gape
- 1. heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
gjespe
/
ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
1. een overdekte autostalling
garasje
/
ɣɑs/, /
χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
gass
noun
1. een buis waardoor verschillende materialen in gasvorm vervoerd kunnen worden
gassledning
/
ɣɑst/, /
χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
gjest
noun
1. een boek of elektronische versie daarvan waarin bezoekers hun opmerkingen achter kunnen laten
gjestebok
/
ɣɑstˈfrɛɪ/, /
ʝɑstˈfrɛː/
adjective
1. gul in het onthalen of herbergen van gasten
gjestfri
noun
1. politieke beweging in Frankrijk ontstaan na de Tweede Wereldoorlog gekenmerkt door een sterke nationale republiek, eenheid en een sterk presidentschap
Gaullisme
noun
- 1. een bijzondere aanleg
- 2. een geschenk
gave
pronoun
1. exclave van Palestina tussen Egypte, Israël en de Middellandse Zee
Gazastripa
/
ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
bønn
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
fjellkjede
/
ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
skje
hende
/
ɣəˈbit/, /
χəˈbit/
noun
1. een deel van het aardoppervlak
område
noun
1. de vorm waarin een werkwoord gebruikt wordt als iets zeker gedaan moet worden
imperativ
adjective
1. met bloemversieringen
blomstret
blomstrete
/
ɣəˈboːrtə/, /
χəˈbo̝ːrtə/
noun
1. actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint
fødsel
noun
1. een opvallende tijdelijke toename in het aantal geboorten
babyboom
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
bygning
noun
- 2. toepassen van iets
bruk
- 1. een standaard manier van doen
kutyme
/
ɣəˈbrœʏkən/, /
χəˈbrœʏkən/
verb
1. zich bedienen van, toepassen
bruke
/
ɣə'brœːkər/, /
χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
bruker
/
ɣə'dɑɣdə/, /
ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
tanke
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
dikt
/
ɣə'dɛɪə(n)/
verb
1. voorspoedig groeien
blomstre
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
oppførsel
/
xə'drɑxswɛizə/
noun
1.
oppførsel
/
ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
tålmodighet
preposition
tijdens
gjennom
/
ɣeːl/, /
ɣeːɫ/, /
χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
gul
/
ɣeːl/, /
ɣeːɫ/, /
χeɪɫ/
noun
1. kleur tussen oranje en groen
gul
indefinitePronoun
1. ontkennend onbepaald lidwoord: tegenovergestelde van één, niet een
ingen
adjective
1. met humor, gevat
vittig
/
ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
gjespe
/
ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
hemmelig
/
ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
hemmelig
noun
1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
hukommelse
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
hørsel
verb
1. gevolg geven aan een opdracht of bevel
adlyde
/
ˈɣɛɪ̯t/, /
ˈɣɛːt/, /
ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
geit
noun
voedzaam vocht dat tepels van een geit afscheiden
geitemelk
/
ɣɛk/, /
χɛk/
adjective
- 2. bezittende een zeer lage intelligentie, krankzinnig
- 4. knettergek
gal
noun
1. de lijnen in het gezicht die een bepaalde uitdrukking geven
andletsdrag
andletstrekk
ansiktsdrag
ansiktstrekk
noun
1. weerspiegeling van de gemoedstoestand in het gelaat
ansiktsuttrykk
/
ˈɣɛlt/, /
ˈχɛlt/
noun
1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
penger
/
ˈɣɛldərˌlɑnd/, /
ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /
ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Gelderland
/
ɣəˈledə(n)/, /
χəˈledə(n)/
adverb
1. een woord om aan te duiden dat iets zich in het verleden af heeft gespeeld
siden
noun
- 1. elektrische stroomgeleider
- 2. warmtegeleider
leiar
noun
1. de mate waarin iets of iemand aan een ander doet denken
likhet
adjective
1. met diepe insnijdingen die niet verder gaan dan de helft van het blad
lappet
lappete
/
ɣəˈlof/, /
χəˈlof/
noun
1. godsdienst
religion
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
tro
/
ɣəˈlɵk/, /
χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
lykke
hell
adjective
1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
lykkelig
heldig
god
phraseologicalUnit
1. een traditionele wens bij een nieuw jaar
godt nytt år
godt nyttår
godt år
adverb
1. op een gelukkige manier
heldigvis
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
ingefær
noun
1. fijngemalen gedroogde wortels van Zingiber officinale
malen ingefær
/
ɣəmenˈsxɑpələk/, /
χəmenˈsχɑpələk/
adjective
3. gerelateerd aan meer dan een entiteit
felles
/
ɣəˈmentə/, /
ɣəˈmeɪntə/, /
ʝəˈmentə/
noun
1. bestuurlijke eenheid
kommune
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
gjennomsnitt
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
gemse
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
gen
noun
1. de laatste slag toegebracht aan een zwaargewonde vijand om hem uit zijn lijden te helpen
coup de grâce
/
ˈdʒɛndər/
noun
1. sekse
sosialt kjønn
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
genealogi
slektsgransking
/
γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
medisin
noun
1. iemand die het bevel heeft over een leger
general
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
generasjon
adjective
2. algemeen
generisk
/
ɣəˈnetis/
adjective
1. gerelateerd aan de erfelijkheid
genetisk
noun
1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
geni
verb
1. voordeel hebben van iets
nyte
noun
1. stelselmatige uitroeiing van een volk
folkemord
/
xəˈnom/
noun
1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme
genom
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
Gent
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Genova
pronoun
2. stad in Zwitserland
Genève
noun
1. aardrijkskunde
geografi
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
geometri
noun
1. futensoort met zwarte nek, zwarte kop en een goudgele oorpluim, Podiceps nigricollis
svarthalsdykker
/
ɣeˈjɔrɣis/, /
ɣeˈjɔrɣɪs/, /
χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
georgisk
/
ɣeˈjɔrɣi.jə/, /
χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
Georgia
noun
1. een mechanisch instrument dat gebruikt wordt om werk te kunnen doen
redskap
verktøy
noun
1. afsluitbare bak waarin gereedschap opgeborgen en bijeengehouden wordt
verktøykasse
/
ɣɛrˈmaːns/, /
χɛrˈmans/
adjective
- 1. betrekking hebbend op de taal der Germanen of de talen die er van afstammen
- 1. op de Germanen betrekking hebbend
germansk
/
ɣɛrˈmaːns/, /
χɛrˈmans/
pronoun
1. taal zoals die eertijds door de Germanen gesproken werd
germansk
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Duits of gevormd naar het Duits
germanisme
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
germanium
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
bygg
/
ɣə'rɵxt/
noun
2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
rykte
noun
1. zelfstandig gebruikte verbogen infinitief
gerundium
/
ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
historie
adjective
1. met de juiste eigenschappen
egnet
/
ˈɣeː.zəl/, /
ˈχe.səɫ/
noun
1. werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaat
svøpe
/
ɣesələ(n)/
verb
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
piske
/
χəˈslɑχt/
noun
- 4. grammaticaal geslacht
kjønn
- 3. (biologisch) genus
slekt
/
ɣəˈslɑxtsɔrɣaːn/, /
ʝəˈslɑxtsɔrʝaːn/
noun
1. lichaamsdeel
kjønnsorgan
noun
1. een aandoening aan de geslachtsorganen, vaak een seksueel overdraagbare aandoening
kjønnssjukdom
kjønnssykdom
/
ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
spenne
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
samtale
adjective
1. geleidelijk maar persistent
bestandig
adverb
1. op gestage wijze
bestandig
noun
1. een verticale vlakke constructie van stenen of houtsblokken zonder mortel tussen de stenen of blokken.
tørrmur
/
ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
bergart
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis, Alburnoides bipunctatus
strmlaue
noun
1. een elektrische centrale die functioneert op het verschil tussen eb en vloed
tidevannskraftverk
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) elektrische centrale die werkt door middel van getijdenstromen ontstaan door het hoogteverschil tussen eb en vloed
tidevannskraftverk
/
xøl/
noun
- 1. een lange en smalle verlaging in de grond waar water door kan stromen
renne
- 2. een lange en smalle verlaging in de bodem van een rivier
skipslei
/
ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
fare
/
ɣəˈvarlək/, /
ɣəˈvaːrlɪk/, /
χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
farlig
noun
1. iemand die gevangen genomen is
fange
/
ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
fengsel
/
ˈɣevə(n)/, /
ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
gi
noun
1. dat wat aanwast op het veld, maar nog niet geoogst is.
plante
vekst
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
gevir
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
vold
/
ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
samvittighet
/
ɣəˈʋɪxt/, /
χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
vekt
noun
1. Balaenoptera physalus, een groot zeezoogdier, lang en gestroomlijnd met puntige kop
finnhval
/
ɣəˈwoːn/, /
ɣəˈβ̞oːn/, /
χəˈʋon/
adjective
vanlig
noun
1. Galanthus nivalis, een vroegbloeiend bolgewas met witte bloempjes
snøklokke
/
χəˈzɛləx/
adjective
- 3. knus
- 4. leuk, onderhoudend
koselig
- 2. sociaal aangenaam
koselig
intim
noun
- 1. de voorkant van een menselijk hoofd
ansikt
- 3. dat wat men ziet, een landschap
utsikt
/
xə.ˈzɔnt/, /
ɣə.ˈzɔnt/
adjective
1. vrij van ziektes en zeertes
frisk
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
helse
noun
1. het volledige fysieke, spirituele en sociale welzijn
helsetilstand
noun
1. een onnatuurlijke verdikking in het weefsel
svulst
tumor
/
'ɣa.na/, /
'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
Ghana
/
ˈɣixələ(n)/
verb
1. een snelle, wat ingehouden vorm van lachen
fnise
knise
/
ɣiːr/, /
χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
gribb
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
gjerrig
lusen
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
hirse
/
ˈɣirˌzʋalyw/
noun
1. bepaald soort vogel, Apus apus
tårnseiler
/
ˈɣɪftəx/, /
ˈχɪftəx/
adjective
1. gif bevattend
giftig
/
ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /
ˈɣɛːzəlaːr/, /
ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
gissel
/
'ɣɛɪzələ(n)/
verb
1. iemand gevangen nemen om daarmee een losprijs te bedingen
bortføre
/
ˈɣɪldə/, /
ˈχɪɫdə/
noun
laug
noun
1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
gips
/
ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
sjiraff
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
sjiraff
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
gjær
/
ˈɣɪstər/, /
ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
i går
igår
/
ˈɣɪstərə(n)/, /
ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
igår
i går
/
ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
gitar
noun
1. Poecile palustris, een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae)
løvmeis
/
ɣlɑs/, /
χlɑs/
noun
- 1. niet-kristallijne vaste stof
- 2. op basis van SiO₂
- 3. om uit te drinken
glass
noun
1. glasharmonica
glassharmonika
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
glaukom
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
isbre
/
ˈxlɛɪdə(n)/, /
ˈɣlɛːdə(n)/
verb
1. met geringe wrijving gericht voortschuiven
ake
/
'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
smile
noun
1. een nachtelijk lichtgevend kevertje uit de familie Lampyridae
ildfluer
/
ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
lyspære
/
ˈɣlyː.rə(n)/
verb
1. in het geheim aandachtig naar iemand kijken
gløtte
titte
noun
1. een metamorf gesteente met verschillend gekleurde banden of aders
gneis
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
gnu
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Goa
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
Gud
Herre
/
ɣɔd/, /
ɣɔt/, /
χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
gud
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
gud
noun
1. een vrouwelijke godheid
gudinne
noun
1. belediging of bespotting van God/een godheid
blasfemi
adjective
1. kwaliteit bezittend
god
/
ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
langfredag
/
ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
god morgen
interjection
avondwens
god natt
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
god kveld
god aften
adjective
1. laag in prijs
billig
/
gɔlf/, /
χɔl(ə)f/
noun
- 1, 2 en 3
bølge
- 4. grote baai
- 1. balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
golf
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
Mexicogolfen
/
ˈɣɔlvən/, /
ˈχɔlvən/
verb
1. een golfvormige beweging maken
vaie
/
ˈɣɔndəl/
noun
1. een pleziervaartuig in Venetië
gondol
noun
1. een hangend slagwerk
gong
noun
1. een geslachtziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Neisseria gonorrhea
gonoré
dryppert
/
ˈgu:gələ(n)/, /
ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /
ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
google
googla
/
ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
vask
/
ɣɔrˈdɛːn/, /
χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
gardin
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
gorilla
/
ˈɣɔtlɑnt/, /
ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
Gotland
/
ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
gull
noun
1. Physalis peruviana
ananaskirsebær
phraseologicalUnit
gullmedalje
noun
1. bepaald soort klein vogeltje met een goudkleurig kruintje Regulus regulus
fuglekonge
noun
1. soort plevier, Pluvialis apricaria
heilo
noun
1. een smid die met goud werkt
gullsmed
noun
1. bepaald soort vogel, Pyrrhul pyrrhula
dompap
/
ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /
ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /
ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
gullfisk
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
gulasj
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
guvernør
stattholder
noun
1. eenheid om hoeken te meten
grad
noun
1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
greve
/
ɣrax/, /
χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
gjerne
noun
1. een instrument waarmee een hoek van een gekende grote uitgezet of gemeten kan worden
vinkelmåler
/
ɣrɑf/, /
χrɑf/
noun
- 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
- 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
grav
noun
- 1. het binnengaan van een graf of tombe met als doel er artefacten...
- 2. het binnengaan van een graf of tombe om het lichaam van een begravene te onteren...
gravplyndring
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
gravstein
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
gram
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
grammatikk
/
ɣṛɑm.ˌpo.zi.ˈtiː.və.bɑk.ˈteːri.jə(n)/, /
χrɑm.ˌpo.zi.ˈti.və.bɑk.ˈtɪː.ri.jə(n)/
noun
1. verzamelnaam voor soorten met een dikke laag peptidoglycaan in hun celwand
gram-positiv bakterie
noun
- 5. groep kubische mineralen
- 2. met springlading gevuld projectiel
granat
noun
- 2. vrucht
granateple
granat
- 1. boom
granattre
noun
1. wapen, of deel van een wapen, bestemd voor het lanceren van stuwloze ontploffende projectielen
granatkaster
/
ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
granitt
/
ɣrɑp/, /
χrɑp/
noun
1. verhaal dat of handeling die erop gericht is om de lachlust op te wekken
spøk
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
grapefrukt
noun
1.een Italiaanse alcoholische drank
grappa
/
ˈɣrɑpəχ/
adjective
1. de lust tot (glim-) lachen opwekkend
morsom
/
ɣrɑsmajər/
noun
gressklipper
noun
1. Sylvia communis, een zangvogel uit de familie zangers Syviidae
tornsanger
noun
1. Anthus pratensis, een zangvogel uit de familie Motacillidae
heipiplerke
noun
1. het afzien van de uitvoering van een straf
benådning
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
gratis
noun
1. bepaalde soort grijsbruine vogel met oranje snavel, Anser anser
grågås
noun
1. bepaalde soort roofvogel, Circus pygargus
enghauk
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
grave
verb
1. met een scherp gereedschap iets krassen in glas of metaal
gravere
noun
1. vrouwelijke graaf
grevinne
/
'χrazə(n)/
verb
1. het eten van gras en andere bodemvegetatie zoals bijvoorbeeld runderen dit doen
beite
hamne
havne
/
ɣre.ˈna.da/, /
ɣrɛ.ˈna.da/, /
χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Grenada
noun
2. de raaklijn tussen twee landen
grense
noun
1. een smalle, ondiepe uitgraving in de grond voor de afvoer van teveel water
grøft
vanngrøft
veigrøft
/
ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /
ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /
ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
Hellas
Grekenland
/
ɣriks/, /
χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
gresk
/
ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
influensa
/
ɣrit/, /
χrit/
noun
C. vissoort
slettvar
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
griff
verb
1. plotseling iets of iemand beetpakken
knipe
adjective
1. de kleur grijs hebbend
grå
/
ɣrɛɪsˈɦarəx/
adjective
1. met grijs haar
gråhåret
noun
1. stevige zwarte walvis, met bolvormig voorhoofd en een heel kleine snuit
gråhval
noun
1. bepaald soort zoogdier, Halichoerus grypus
gråsel
havert
/
ˈgrɪzliˌbeːr/, /
ˈɣrɪzliˌbeːr/
noun
1. Ursus arctos horribilis, een Amerikaanse ondersoort van de bruine beer.
grizzlybjørn
/
ɣruj/, /
χruj/
noun
1. het groter worden
auke
vekst
øking
økning
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
grønn
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
grønn
grøn
noun
1. bepaald soort orchidee, Coeloglossum viride
grønnkurle
noun
1. Picus viridis
grønnspett
/
ˈɣrun.lɑnd/, /
ˈɣrun.lɑnt/, /
ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
Grønland
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
grønnsak
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
grunnvann
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
konstitusjon
grunnlov
/
ˈɣroːˌnɪŋə(n)/, /
ˈχroˌnɪŋə(n)/
pronoun
- 1. hoofdstad van de provincie Groningen
- 2. gemeente in de provincie Groningen waarin de stad Groningen ligt
- 3. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Drenthe en het Duitse Oost-Friesland wordt begrensd
Groningen
/
ɣroːt/
adjective
- 1. meer dan normaal in formaat
- 2. bewonderenswaardig, goed
- 3. machtig, belangrijk
stor
/
ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /
ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
Storbritannia
noun
1. een moeder van een ouder
bestemor
/
ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
bestefar
farfar
noun
1. bepaald soort vrij grote vogel met zwarte rug- en lichtere buikzijde, Dendrocopos major
flaggspett
noun
1. soort zeevogel van ongeveer 70 centimeter groot, Larus hyperboreus
polarmåke
noun
1. soort zeevogel, Larus marinus
svartbak
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
De store sjøer
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Stillehavet
noun
1. bepaalde soort zeevogel, te herkennen aan zijn zwarte kuif en snavel met een klein geel puntje, Sterna sandvicensis
splitterne
noun
1. Melanitta fusca, een vrijwel geheel zwarte eendensoort die voornamelijk op zee voorkomt
sjøorre
adjective
1. op afschrikwekkende wijze buitenissig
grotesk
/
ˈxrʏto/, /
ˈɣrʏto/
noun
1. bepaald soort weidevogel en een van de grootste steltlopers
svarthalespove
noun
een dipsaus uit Midden-Amerika
guacamole
/
ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /
ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /
ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
Guatemala
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
guava
/
ɣi.ˈne/, /
χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
Guinea
/
ˌɣi.ne.bɪ.ˈsaʊ̯/, /
ˌɣi.ne.ˈbɪ.sɔʊ̯/, /
ˌχi.ne.ˈbɪ.sʌʊ̯/
pronoun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
Guinea-Bissau
adjective
1. op Guinee betrekking hebbend
guinean
/
ɣɵlp/
noun
1. een door een strook stof afgesloten opening aan de voorzijde van een broek van de man,...
glidelås
noun
1. toewijzing van een aanbesteding of levering
tilslag
/
ɣi.ˈja.na/, /
ɣβ̞i.ˈja.na/, /
χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
Guyana
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
gymnastikk
/
ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
Göttingen
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
hekk
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
agnbøk
/
haːɪ̯/, /
ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
hai
/
ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
hane
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
hår
noun
1. plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
grue
/
ˈharspɛldˌboχt/
noun
1. een zeer scherpe bocht in de weg, gelijkend op een haarspeld, die gebruikt wordt om op een beperkte ruimte sterke hoogteverschillen te overbruggen
hårnålssving
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
hare
/
hast/
adverb
1. bijna
nesten
/
ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
hat
pronoun
2. boek in de Bijbel
Habakuk
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
hadron
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
hafnium
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
øgle
firfisle
/
haɣəɫ/
noun
1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
hagl
verb
1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
hagle
pronoun
2. boek in de Bijbel
Haggai
/
ˈhaː.kə(n)ˌkrœys/
noun
hakekors
/
ˈɦalə(n)/
verb
1. ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
hente
noun
1. een halfgeleider met een negatieve indirecte bandgap
halvmetall
noun
1. gras- of graanstengel
halm
noun
1. een om de hals en nek gesnoerde band
halsband
halsbånd
noun
1. halsketting
halskjede
/
ɦɑlt/
interjection
1. aansporing om te stoppen
holdt
/
ɦɑm/
noun
1. vlees van de achterkant van een varken
skinke
noun
1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
hammer
hammar
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
hamster
verb
1. een voorraad aanleggen bij voedselschaarste
hamstre
/
ɦɑnt/
noun
1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
hånd
hand
/
ˈɦɑnt.buk/
noun
1. een boek waarin getracht wordt alle informatie nuttig voor een bepaalde bezigheid bijeen te brengen
håndbok
noun
1. een doek waarmee men zich afdroogt
håndkle
/
ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
handel
verb
- 2. handel drijven
handle
- 1. iets doen, al of niet met de handen, optreden
opptre
pronoun
Apostlenes gjerninger
noun
1. commerciële organisatie die zich met de -gewoonlijk koloniale- handel bezighield.
handelsselskap
verb
1. iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
bevare
noun
1. met de hand bediende rem
håndbrekk
/
hɑnd.sxun/, /
ɦɑnt.sxun/, /
ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
hanske
noun
1. door mensen georganiseerd gevecht tussen kamphanen waarbij de toeschouwers kunnen wedden op de uitkomst van het gevecht
hanekamp
/
ˈhanə(n)kɑm/
noun
1. Cantharellus cibarius, een eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak
kantarell
/
ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
hengekøye
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
hengelås
pronoun
1. stad in Duitsland
Hannover
noun
1. stad die deel uitmaakt van de Hanze
Hansastad
noun
1. voedsel of iets anders dat je door het openen en sluiten van je lippen in je mond krijgt
jafs
/
ɦɑrt/
adverb
1. stevig, een uitwendige kracht onverzettelijk weerstaand
hard
/
'ɦɑrdər/
noun
1. Mugil curema, een straalvinnige vissoort
multe
adjective
1. zonder medelijden
kald
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
maskinvare
/
ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
sild
noun
1. bepaalde middelgrote haai en consumptievis, Lamna nasus
håbrann
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
rake
/
hɑrˈpun/, /
ɦɑrˈpun/
noun
2. een speer met weerhaken
harpun
/
ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
harpiks
noun
1. verstopping van een kransslagader of een tak hiervan, leidend tot het afsterven van hartspierweefsel
hjerteinfarkt
noun
1. hartweefsel in de vorm van een vlies dat samengetrokken door een spiertje terugstromen van het verder gepompte bloed tegengaat
hjerteklaff
/
ˈhɑrtstɪlstand/, /
ˈhɑrtstɪlstɑnt/, /
ˈhɑrtstɪɫstɑnt/
noun
1. het stoppen van het kloppen van een hart
hjertestans
noun
1. grafisch symbool #
emneknagg
noun
1. softdrug, bereid uit ingedikt sap van gedroogde en fijngestampte vrouwelijke hennepbloemen
hasj
hasjisj
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
hassium
/
'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
hate
pronoun
1. taal die wordt gesproken door meer dan 85 miljoen mensen, vooral in Niger en Nigeria
hausa
/
ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
havn
port
/
ˈɦaːvən.ˌɑrbɛidər /
noun
1. arbeider die in een haven werkt
havnearbeider
noun
1. havenarbeider, dokwerker, bootwerker
havnearbeider
noun
1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
havre
/
ˈhavərˌmɪːɫ/
noun
zeer fijn gemalen haver
havremel
/
ˈɦavɪk/
noun
- 2. iemand die graag oorlog wil voeren
hauk
- 1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
hønsehauk
/
ˈɦa.zəlˌmœːs/, /
ˈɦa.zəɫˌmœʏ̯s/
noun
1. knaagdier in de familie van slaapmuizen, Muscardinus avellanarius
hasselmus
/
ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
hasselnøtt
/
ha.ˈhi.ti/, /
ɦa.ˈi.ti/, /
ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Haiti
noun
1. hoofdtelefoon met ingebouwde microfoon
hodesett
/
ˈɦɛbə(n)/
verb
- 1. bezitten
- 1. voor voltooide tijd
ha
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
hebraisk
adjective
1. blijk gevend van hebzucht, hebberig
grådig
/
heːl/
adjective
1. niet stuk
hel
/
heːl/
adverb
1. in hoge mate
helt
/
he.ˈlal/, /
ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
verdensrom
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
Herre
noun
1. iemand die de macht uitoefent
hersker
noun
1. een luchtvaartuig dat door middel van een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
helikopter
noun
1. een (meestal lijnvormige) aanplanting van struiken en/of bomen die dient om ruimten te scheiden
hekk
noun
1. een zangvogel ter grootte van een huismus met opvallend grijs op de kop
jernspurv
/
ˈhɛɪ̯də/, /
ˈhɛːdə/
noun
1. een met heidekruid begroeide vlakte
hede
hei
lynghei
mo
noun
1. mensen die geen jood of christen zijn
hedning
adjective
1. van de heidenen
hedensk
noun
1. bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis, Hippoglossus hippoglossus
kveite
noun
1. de pauselijke regering
Den hellige stol
/
'hɛɪmʋe/
noun
1. sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
hjemlengsel
noun
- 1. werktuig gebruikt bij het verwerken van hennep of vlas
hekle
- 2. sterke afkeer
vemmelse
/
ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
heks
/
ˈhɛksə(n)ˌjɑxt/
noun
1. het jagen op vermeende heksen
hekseforfølgingane
noun
1. het geheel van staven etc. waardoor een hek wordt gevormd, rastering of balustrade
rekkverk
/
'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
helvete
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
dessverre
adjective
- 1. duidelijk en zuiver
- 1. klaar, doorzichtig
ryddig
/
'ɦelə(n)/
verb
2. gestolen goed in ontvangst nemen
skjule
/
ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
helikopter
/
ˈhe.lɪŋ/
noun
2. het verkopen van gestolen goederen zonder dat de verkoper ze zelf gestolen heeft
heleri
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
helium
noun
1. lang middeleeuws wapen
hellebard
noun
1. inwoner van het oude Griekenland of persoon die de oud-Griekse nationaliteit bezit
Hellener
/
ɦɛlə(n)/
verb
1. schuin staan
krenge
noun
1. een glooiing in het landschap
skråning
/
ɦɛlm/
noun
1. beschermend hoofddeksel
hjelm
/
ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
hjelpe
pronoun
1. de hoofdstad van Finland
Helsingfors
/
ɦɛm/
personalPronoun
- 1.
- 2.
ham
/
ˈɦeːməl/
noun
- 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
- 2. het hiernamaals, leven na de dood
himmel
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hemoroider
/
ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
høne
/
ˈhɛndrɪk/
pronoun
- 1. mannelijke voornaam
- 2. spelwoord voor de letter h
Henrik
/
ɦɛŋst/
noun
1. mannelijk paard
hingst
/
herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
heraldikk
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
vertshus
noun
1. hond die een kudde bewaakt
fårehund
noun
1. een kreeftachtige (Eupagurus bernhardus) uit de orde van tienpotigen, die in de schelp van een zeeslak woont
eremittkreps
noun
1. derde jaargetijde
høst
verb
1. iets opnieuw zeggen
gjenta
noun
1. een herbivoor die zijn voedsel herkauwt
drøvtygger
/
ˈɦɛr.mɑn/
pronoun
1. een jongensnaam
Herman
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
røyskatt
noun
een verdovend middel
heroin
noun
1. schade aan de hersenen door uitwendig geweld
hjernerystelse
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
hjort
rådyr
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
hertug
noun
1. het gebied dat onder leiding staat of stond van een hertog
hertugdømme
noun
1. adellijke titel, vrouw van een hertog
hertuginne
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
hertz
/
(ɦ)ət/, /
hɛt/
article
1. bepaald lidwoord
et
/
(ɦ)ət/, /
hɛt/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
det
verb
helle barnet ut med badevannet
adjective
1. gericht op het andere geslacht of betrekking hebbend op liefde voor mensen met een ander geslacht
heteroseksuell
demonstrativePronoun
1. de gelijke identiteit bezittend; onzijdig enkelvoud, zowel zelfstandig als bijvoeglijk gebruikt
lignende
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
hofte
noun
1. tasje dat je om je heupen als een riem kan dragen
rumpetaske
/
ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
ås
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
hæl
/
ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
her
/
hɛɪ̯/, /
ɦɛɪ̯/, /
ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
han
noun
1. een constructie om zware lasten op te tillen
kran
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
hikk
hikke
pronoun
1. + 2. stad en district
Hildesheim
/
ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
hind
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
hindi
noun
2. kinderspel, waarbij men zich deels op één been verplaatst
paradis
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
knegge
vrinske
noun
hippopotomonstrosesquippedaliofobi
noun
1. menselijk immuundeficiëntievirus
hiv
/
ɦɔbələç/, /
ˈɦɔbələx/
adjective
1. met hobbels, oneffen
ujamn
ujevn
/
hɔbi/
noun
1. een liefhebberij of bezigheid ter ontspanning voor in de vrije tijd
hobby
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
obo
noun
1. balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
hockey
/
ɦu/
adverb
1. op welke wijze
hvordan
/
hud/, /
ɦut/
noun
- 1. een hoofddeksel
- 2. deel van een zwam
hatt
/
ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
hov
/
ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
hjørne
/
ɦur/
noun
1. vrouw die tegen betaling seksuele diensten verricht
hore
noun
1. pand waar mannen tegen betaling seks hebben met vrouwen
horehus
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
hoste
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
hvor meget
/
huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
mengde
pronoun
Den europeiske unions domstol
noun
1. een gebied waar relatief een hogere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
høgtrykk
abbreviation
1. een trein geschikt voor dienstsnelheden van 200km/h en hoger
høghastighetstog
høyhastighetstog
lyntog
adjective
1. zonder inhoud, zonder betekenis, leeg
hol
noun
- 1. grot, spelonk
grotte
hule
- 2. ondergrondse woning of schuilplaats van een dier
hi
hule
noun
1. bepaald soort vogel, Columba oenas
skogdue
/
ˈɦɔlɑnt/
pronoun
- 1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
- 2. heel Nederland
Holland
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
holmium
/
ˈholokaust/
pronoun
holocaust
/
ˈholoˌkɔːstɔntˌkɛnɪŋ/
noun
Holocaust-benektelse
/
'ɦɔltə/
noun
1. een lege ruimte ingesloten is iets anders
holrom
hule
hulrom
tomrom
adjective
1.volgens de homeopathie
homeopatisk
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
homeostase
/
ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
humle
noun
1. een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht
homofilt ekteskap
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
homonym
adjective
1. betrekking hebbend op de liefde voor geslachtsgenoten
homofil
homoseksuell
/
ˈhɔnd/, /
ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
hund
bikkje
/
ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
hundre
cardinalNumeral
1. het getal 100.000, een tiende deel van een miljoen
hundretusen
/
hɔn.ˈdyː.rɑs/, /
ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
Honduras
/
hɔŋ(g).ˈɣar/, /
ɦɔŋ.ˈɣar/, /
ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
ungarar
/
hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /
ɦɔŋ.ˈɣars/, /
ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
ungarsk
hungarsk
/
ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /
ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /
ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
Ungarn
/
ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
sult
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
hungersnød
/
hɔŋˈkɔŋ/
pronoun
1. een speciale administratieve regio van de Volksrepubliek China
Hongkong
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
honning
noun
1. een bij van de soort Apis mellifera die honing maakt uit nectar en bloemen bestuift
honningbie
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mellivora capensis
honninggrevling
/
ɦoːft/
noun
1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
hode
/
'ɦovduk/
noun
1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
hodetørkle
noun
1.voornaamste kantoor van een instelling
hovedkontor
noun
1. een letter die een groter formaat en meestal ook een andere vorm heeft dan een kleine letter
stor
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
lus
noun
1. de voorste pagina van een website
hovedside
/
'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
hovedstad
noun
bepaalde opdeling van tekst of beeld in een boek
kapittel
/
ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /
ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
høy
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
Høysangen
Høgsongen
noun
1. een verheffing van de aardkorst
høyde
noun
1. bijzonder belangrijk of goed ogenblik
klimaks
/
ˈɦoxtəvres/, /
ˈɦoçtəvres/
noun
1. angst voor hoogten
akrofobi
noun
2. hoge waterstand in 't algemeen
høyvann
noun
2.1. bepaald soort kleine standvlinder, Coenonympha pamphilus
engringvinge
/
ˈɦojbɛrx/
noun
1. een ter bewaring opgestapelde hoeveelheid gedroogd gras
høystakk
/
ɦoːp/
noun
3. verwachting van iets wenselijks
håp
/
hoːrnar/, /
ho̝ːrnar/
noun
1. Vespa crabro, een soort grote wesp
geithams
noun
1. bepaald soort vogel, Upupa epops
hærfugl
adjective
1. waaraan hoop op succes ontbreekt
håpløs
/
ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
håpe
/
hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
høre
noun
1. onderdanige en onvrije gehoorzaamheid
livegenskap
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
horisontal
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
hormon
noun
1. ziekenhuis, vooral voor militairen
hospital
/
hoˈtɛl/, /
ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
hotel
hotell
noun
1. een kamer die voor gasten per nacht te huur is in een hotel
hotellrom
/
ˈɦɑʊdə(n)/
verb
1. niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen
beholde
/
ɦɑʊ̯t/, /
[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
tre
noun
1. houtblaasinstrument
treblåseinstrument
noun
1. bepaalde soort wilde duif, Columba palumbus
ringdue
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
tømmerhoggar
noun
q. bepaald soort zoutwatervis, Coregonus oxyrinchus
sik
noun
1. een vogel uit de familie van snipachtigen, Scolopacidae
rugde
/
hœːd/, /
ɦœʏ̯t/, /
ɦœːt/
noun
1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
hud
/
hœːx/, /
ɦœʏ̯χ/, /
ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
drøvel
/
hœːs/, /
ɦœʏ̯s/, /
ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
hus
/
ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
kjæledyr
husdyr
noun
1. vrouw die andermans huishouden verzorgt
husholderske
noun
1. iemand die vaak slechte huizen (woningen) tegen woekerprijzen verhuurt, een onbarmhartige woekeraar ofwel malafide huiseigenaar
bolighai
noun
1. bepaald soort knaagdier dat vaak in en rond gebouwen voorkomt, Mus domesticus
husmus
noun
1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
gråspurv
noun
1. Delichon urbica, een zwaluw die zijn nest tegen de huizen aanbouwt
taksvale
/
ɦʏlp/
noun
1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
hjelp
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
kristtorn
personalPronoun
Persoonlijk voornaamwoord
dem
/
ɦyrə(n)/
verb
1. tegen betaling gebruiken
leie
verb
1. op de onderbenen gaan zitten
huk
/
ɦyr/
noun
1. tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
leie
/
ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
giftermål
/
ˈɦiu̯ələksˌrɛɪ̯s/
noun
1. de reis die een pasgetrouwd stel gewoonlijk onmiddellijk na hun trouwen onderneemt
bryllupsreise
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
hyene
noun
1. een woord dat een verzameling van verwante specifiekere woorden samenvoegt, een overkoepelende term
hyperonym
/
ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
hypofyse
noun
1. lichte vorm van ziekelijke aandrift (psychische opwindingstoestand)
hypomani
noun
1. onderkoeling
hypotermi
noun
1. Hyssopus officinalis, een gewas met geneeskundige kracht
isop
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
hytteost
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
Den iberiske halvøy
noun
- 1. heiligenafbeelding, zoals vereerd in de kerken van het oosten
- 2.
- 3.
ikon
/
iˈde/
noun
1. gedachte, plan
idé
noun
1. geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
identitet
/
ˌideo'ɣrɑm/
noun
1. een grafisch teken dat een voorwerp symboliseert
ideogram
/
ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
ideologi
adjective
1. het idioom betreffend
idiomatisk
personalPronoun
1. clitische vorm van de 3e persoon enkelvoud mannelijk nominatief
han
/
iːr/
noun
1. inwoner van Ierland, of iemand afkomstig uit Ierland
ire
/
ˈiːrlɑnd/, /
ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
Irland
Republikken Irland
/
iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
irsk
indefinitePronoun
1. een of ander ding
noe
adverb
1. in bescheiden mate
noe
litt
/
ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
iglo
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
forfengelighet
/
ɛɪ̯s/, /
ɛːs/
noun
- 1. de vaste vorm van water, bevroren water
- 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
is
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
isbjørn
noun
1. een zeer groot brok ijs dat in de zee drijft
isberg
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
isbryter
verb
1. een discipline van het kunstschaatsen
isdans
noun
1. bepaald soort vogel Gavia immer
islom
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
ishockey
/
ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
iskrem
adjective
1. bijzonder koud, zo koud als ijs
iskald
/
ˈɛɪ̯slɑnd/, /
ˈɛɪ̯slɑnt/, /
ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
Island
/
ˈɛɪ̯slɑnds/, /
ˈɛɪ̯slɑnts/, /
ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
islandsk
/
ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
jern
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
jeg elsker deg
/
ˌimiˈtasi/, /
ˌimiˈtatsi/
noun
1. nabootsing
herming
/
ˌimiˈterən/
verb
1. doen wat iemand anders doet
herme
etterligne
etterlikne
imitere
/
ˈɪmiɣrɑnt/
noun
immigrant
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
innvandring
verb
1. een land binnenkomen om zich er te vestigen
immigrere
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
impedans
noun
1. een stof, voorwerp, toestel etc. dat in een lichaam wordt aangebracht
implantat
verb
1.stilzwijgend ten gevolge hebben
insinuere
noun
1. zeer snel ineenklappen van een holle ruimte
implosjon
noun
1. een organisator van toneeluitvoeringen, concerten enz.
impresario
noun
1. ter plekke verbeterde versie van een muziekstuk, voorlezing enz.
improvisasjon
verb
1. iets bedenken zonder vooropgesteld plan
improvisere
/
ɪmˈpʏls/
noun
- 2. product van massa en snelheid
bevegelsesmengde
- 1. innerlijke drang
løft
preposition
- 2. in (tijdelijk)
- 1.-12. in (ruimtelijk)
i
på
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
i stedet for
verb
4. met een brandijzer merken
svi
noun
1. iets schenden
overgrep
noun
1. het onvermogen om urine of ontlasting op te houden
inkontinens
/
ˌɪŋkʏltyˈrasi/, /
ˌɪŋkʏltyˈraʦi/
noun
1. het proces waarbij elementen uit een bepaalde religie of cultuur geïntegreerd worden in een andere cultuur.
inkulturasjon
/
ˌɪndərˈdad/, /
ˌɪndərˈdat/
adverb
1. een bevestiging dat iets het geval is
faktisk
/
ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
India
noun
1. inwoner van Amerika voor de komst van de Europeanen
indianer
noun
1. de vorm van het werkwoord die de werkelijkheid aangeeft
indikativ
conjunction
1. onder de voorwaarde dat
dersom
/
ˌɪndisəˌosiˈan/, /
ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
Det indiske havet
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
indium
adjective
1. afzonderlijk, op zichzelf
individuell
/
ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
indonesisk
/
ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Indonesia
adjective
1. binnen een gebouw beoefend; overdekt plaatsvindend
innendørs
noun
1. het ineenstorten
sammenbrott
sammenbrudd
noun
1. een besmetting van lichaamsweefsel met ziekteverwekkers als bacteriën, virussen, schimmels of...
infeksjon
noun
1. hel, oord van helse verschrikkingen
inferno
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
informatikk
verb
1. inlichten
informere
opplyse
/
ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
ingeniør
noun
2. verzamelnaam voor de inwendige organen van het darmkanaal
tarmer
verb
1. een officieel afschrift (grosse) opstellen; eertijds vaak in het Latijn
tinglyse
/
ˈɪnhɑut/
noun
- 1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
- 3. alles wat in een geschrift of ander medium staat
innhold
/
ini(t)ʃali'zerə(n)/
verb
1.
initialisere
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
blekk
/
ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
blekkhus
verb
1. opheldering geven
informere
meddele
underrette
/
ɪnˈemənt/
adjective
1. aardig, sympathiek
elskverdig
verb
1. een lidmaatschap of deelnemerschap schriftelijk vastleggen
tinglyse
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
insekt
noun
1.1 zoogdier uit de taxonomische orde Eulipotyphla
insekteter
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
ork
noun
- 1. de actie van het installeren
- 8. een kunstvorm
installasjon
verb
1. het op juiste wijze afregelen van een toestel
innstille
noun
- 2. verkort voor muziekinstrument
instrument
- 1. werktuig
redskap
/
ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
insulin
/
ɪntɛli'xɛnt/
adjective
1. met een goed verstand of daarvan blijk gevend
ryddig
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
intelligens
adjective
1. wekt interesse
interessant
pronoun
Det internasjonale pengefondet
pronoun
Det internasjonale byrå for mål og vekt
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
Internett
/
ɪntimi'dɪːrə(n)/
verb
1. iemands gedrag beïnvloeden door hem angst aan te jagen
true
adjective
1. in de spier
intramuskulær
/
ˈɪntrɔn/
noun
1. stukje DNA dat zich bevindt in een gen maar dat niet wordt gebruikt om het eiwit te coderen
intron
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
investering
/
ˈɪnvluːt/
noun
1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
løft
verb
1. ritueel voor een bepaalde geheiligde functie geschikt maken
døpe
noun
het inzinken
sammenbrott
sammenbrudd
/
i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
Irak
/
i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
Iran
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
iridium
/
ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
ironi
adjective
1. in hoge mate vervelend
irritende
verb
1. op onaangename wijze prikkelen
irritere
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
islam
verb
- 1. persoonlijk
- 2. chemisch
isolere
/
ˈɪs.ra.hɛl/, /
ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
Israel
/
italiˈjaːn/
noun
1. een persoon die uit Italië komt
italiener
/
italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
italiensk
/
iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
Italia
/
i.ˈvoːr.kʏs/, /
i.ˈvoːr.kʏst/, /
i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
Elfenbenskysten
/
jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
ja
jo
/
ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
år
/
ˈjar.ləks/, /
ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
årlig
/
jɑxt/
noun
- 1. het achtervolgen van wild
- 3. een snel vaartuig
jakt
noun
1. hond die speciaal gefokt wordt voor de jacht
hund
/
ˈjaːɣə(n)/
verb
1. bewegende wezens proberen te vangen
jage
jakte
noun
- 2. jachtvliegtuig
jagerfly
- 1. iemand die op jacht gaat
jeger
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
jaguar
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
sjakal
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
sjalu
/
(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /
dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Jamaica
noun
1. een grote bijeenkomst van scouts in de leeftijd van 14 tot 17 jaar uit landen verspreid over de gehele wereld die eens per 4 jaar wordt georganiseerd
jamboree
/
jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
januar
pronoun
- 2. Romeinse god
- 3. maan
Janus
/
jaˈpɑn/, /
jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
Japan
/
jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
japansk
/
jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
japansk
pronoun
1. taalfamilie van Japans en een tiental verwante talen die in Japan worden gesproken
japoniske språk
pronoun
1. een taal die door meer dan 75 miljoen mensen op Java en Bali gesproken wordt
javanesisk
/
'jɑʋɛl/
adverb
ja, antwoordend op een ontkennende vraag
jo
/
ˈdʒɛ:zɑŋəˌrɛs/
noun
1. een vrouwelijke persoon die zich op het zingen van jazz toelegt
jazzsangerinne
/
jə/
possessivePronoun
1. tweede persoon enkelvoud onbenadrukte vorm van jouw
di
din
ditt
/
ˈjemən/, /
ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
Jemen
noun
- 2. vrucht
einebær
- 1. Juniperus communis
einer
/
ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Jesus
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Jesus Kristus
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
urinsyregikt
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
jiddisk
/
jEi/, /
jɛɪ̯/, /
jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
du
/
ˈjodələ(n)/
verb
1. zingen met een snelle wisseling van borst- naar keelstem
jodle
/
ˈjo.də(n).kuk/
noun
jødekake
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
jod
pronoun
2.1 een van de vier Evangeliën
Johannes
Jens
adjective
1. van geringe leeftijd
ung
noun
1. een directe nakomeling van een dier
ung
noun
1. onvolwassen man
gutt
gut
/
jɔŋˈle.rə(n)/
verb
sjonglere
noun
- 1. aanhanger van het joodse geloof
jøde
- 1. element jodium
jod
/
jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
Jordan
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
journalist
/
jɑu̯/
possessivePronoun
1.
din
di
ditt
pronoun
2. boek in de Bijbel
Judas
/
'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
judo
adjective
1. zoals het moet, waar
riktig
noun
1. een van de beenderen van de schedel
kinnbein
/
jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
juli
/
ˈjʏli/
personalPronoun
1.
dere
noun
1. de zesde maand van het jaar
juni
noun
1. een verzamelnaam voor snel bereid en geserveerd voedsel dat vaak ongezond is
søppelmat
/
ˈjypiˌtɛr/
pronoun
Jupiter
adjective
1. betrekking hebbend op het recht en de rechtsleer
juridisk
/
jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
kjole
adjective
de bastvezels
jute
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
juveler
noun
1. krokodilachtige uit de onderfamilie Caimaninae van de familie alligators
kaiman
noun
- 3. een houten of stenen podest, waarop de te straffen misdadigers tentoon werden gesteld
gapestokk
- 2. een wang
kinn
- 1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
kjeve
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
stivkrampe
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
skallet
verb
1. door plukken kaal maken
ribbe
noun
1. een in zee vooruitstekende landpunt
kapp
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Kapp Arkona
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Kapp det gode håp
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
Cape Town
/
kab.ˈvɛr.di.jə/, /
kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Kapp Verde
/
kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
lys
noun
nog in te delen vertalingen
kart
/
kartspɛl/
noun
- 1. een spel met speelkaarten
- 2. een spel kaarten
kortspell
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
ost
/
ˈkasfɔndy/
noun
1. een gerecht waarbij etenswaren in een saus van kaas gedompeld worden
fondue
/
ˈkasxaf/, /
ˈkasχaf/
noun
1. een gebruiksvoorwerp waarmee een dun plakje van een stuk kaas kan worden gesneden
ostehøvel
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
kabel
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
torsk
noun
1. sprookjesfiguur
nisse
pronoun
1. Tibeto-Birmaanse taal gesproken door 900 duizend mensen in Myanmar
Kachin
/
ˈkɑxtəl/, /
ˈkɑxtəɫ/, /
ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
føll
verb
1. een afbakening maken van de eigendomsrechten van grondbezit en deze in kaart brengen
tinglyse
noun
1. dood lichaam van een dier
kadaver
noun
1. beschoeide of gemetselde oeverstrook waaraan de schepen kunnen aanleggen
kai
noun
1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
kader
noun
1. een gesloten kano om in wild water of op zee te varen
kajakk
verb
1. een vis van de ingewanden ontdoen
rense
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
kakerlakk
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
kalender
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
kalv
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
kalium
/
ˈkɑl(ə)k/
noun
aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium
kalk
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
kalkun
/
kɑlm/
adjective
1. weinig in beroering, zonder opwinding
lun
/
kɑm/
noun
1. getand object om haren mee te verzorgen
kam
/
kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
kamel
/
ka'melejɔn/
noun
1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
kameleon
noun
1. deel van een huis
rom
kammer
/
ka.mər.lɪt/
noun
1. iemand die een zetel in een der kamers van de volksvertegenwoordiging bekleedt
parlamentsmedlem
/
ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
Kamerun
/
kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
gre
kjemme
noun
1. een plaats waar een aantal troepen geruime tijd of permanent gehuisvest zijn
leir
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
leddved
noun
vuur in een kamp waaromheen mensen zich (ter gezelligheid) verzamelen
bål
noun
1. serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
kanne
pronoun
Den engelske kanal
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
kanarifugl
pronoun
1. een stad gelegen in Zuid-Afghanistan en de hoofdstad van de gelijknamige provincie
Kandahar
noun
kandelaar met verscheidene armen
kandelaber
/
kɑndiˈdat/
noun
- 1. iemand die zich verkiesbaar gesteld heeft voor een politiek ambt
- 2. iemand die zich beschikbaar gesteld heeft voor een baan of functie
kandidat
/
kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
kanel
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
kenguru
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
kreft
cancer
noun
1. een zwelling van het weefsel door kwaadaardige groei
kreftsvulst
pronoun
1. taal die in de Indische staat Karnataka gesproken wordt
kannada
noun
1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
kannibal
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
kanon
noun
2. een mooie gelegenheid
utsikt
noun
- 1. eerste minister
- 2. hoofd van een kanselarij
kansler
/
kɑnt/
noun
1. een vorm van vlechtwerk
knipling
noun
1. een titel die aan bepaalde geestelijken wordt verleend binnen enkele christelijke kerkgemeenschappen.
domherre
noun
1. klein kerkgebouw
kapell
noun
1. een priester van de katholieke kerk, werkzaam in een parochie
kapellan
noun
- 1. persoon die fanatiek met geld bezig is
- 2. aanhanger van het kapitalisme
kapitalist
noun
1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
kaptein
noun
1. bepaald soort zeevogel, Larus ridibundus
hettemåke
/
'kɑ.pər.tʲə/
noun
2. klein groen bloemknopje van de kappertjesplant, Capparis spinosa, dat meestal op zuur bewaard wordt en dat als kruiderij gebruikt wordt
kapers
/
kɑpsɛɪ̯zə(n)/, /
kɑpsɛːzə(n)/
verb
1. ondersteboven komen liggen
kantre
hvelve
kollseile
kullsegle
kullseile
kvelve
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
frisyre
noun
1. tafelfles met wijde buik en smalle hals
karaffel
noun
1. vorm van vermaak, waarbij muziek wordt afgespeeld van een lied, en de amateur zanger in een microfoon de tekst (die op een televisiescherm te lezen is) live zingt
karaoke
noun
1. japanse gevechtsport
karate
noun
plant en zaad
kardemomme
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
kardinal
pronoun
1. een aan het Fins verwante taal die wordt gesproken in Karelië, Rusland en Finland
karelsk
/
kɑˈrelɪə/
pronoun
1. deel van Rusland
Karelen
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het zuiden van het land
Karnataka
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
karpe
noun
1. de verzameling verschijnselen die samenhangen met de oplosbaarheid van kalksteen onder invloed van koolzuur in de atmosfeer
karstlandskap
/
kɑrˈtɔn/
noun
- 1. bordpapier
- 2. verpakking
kartong
noun
plant, zaad en specerij
karve
/
'kɑs/
noun
3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...
drivhus
veksthus
pronoun
1. een Westslavische taal die gesproken wordt in het oosten van Pommeren
kasjubisk
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
Kaspihavet
/
kɑs/, /
kɑst/
noun
1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
skap
noun
- 1. de boom
- 1. de vrucht
kastanje
noun
1. streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
kaste
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
slott
noun
1. een systeem van rangen en standen in de maatschappij
kastesystem
noun
1. een kastenstelsel
kastesystem
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
katt
katte
kǫttr
noun
1. geheel van de afbraakprocessen in een lichaam
katabolisme
noun
- 1. belegeringswapen
- 3. lanceerinrichting voor vliegtuigen
katapult
noun
2. gevolgen van alcoholgebruik
fyllesyke
/
kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
katedral
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
kateter
noun
1-2 scheikunde + elektronica
katode
/
ˌka.to.ˈlik/
adjective
- 1. overeenkomstig de geloofsleer van de Katholieke Kerk
- 2. te maken hebbend met de Katholieke Kerk
katolsk
/
kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
bomull
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
trinse
pronoun
1. gebergte
Kaukasus
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
kaie
noun
1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
tyggegummi
pronoun
1. een taal die van oorsprong door de Kazachen in Kazachstan gesproken werd
kasakhisk
/
ˈka.zɑx.stɑn/, /
ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
Kasakhstan
pronoun
1. oudste zoon van Adam en Eva
Kain
/
keːl/
noun
1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
strupe
/
kelɔntstekɪŋ/
noun
1. een infectie van de slijmhuid van de keel
halsbetennelse
/
keːp/
noun
2. kleurrijke vinkensoort
bjørkefink
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
gang
/
ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
kjegle
konus
noun
1. een kromme gevormd door het snijden van een kegel met een plat vlak
kjeglesnitt
/
'kɛɪɦɑrt/
adverb
1. bijzonder hard: zo hard als een kei
knallhard
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
keiser
keisar
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
keiserinne
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
keiserdømme
keiserrike
noun
1. operatieve verlossing
keisersnitt
noun
1. een ondergrondse bergruimte
kjeller
/
kɛɫtən/
noun
2. Indo-Europees volk waarvan de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
keltere
/
ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
Kenya
verb
1. bekend, vertrouwd zijn met
kjenne
noun
- 1. een teken waaraan iets of iemand herkenbaar is
kjennetegn
- 2. een identificatienummer van een (gemotoriseerd) voertuig
registreringsnummer
/
kɛrk/
noun
1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
kirke
noun
1. bijeenkomst van een christelijke gemeente waarin God vereerd wordt
gudstjeneste
/
kɛrkər/
noun
1. een ondergrondse ruimte die bestemd is voor het opsluiten van gevangenen
fangehull
/
ˈkɛrkχɑŋər /
noun
1. een gelovige die zich naar de kerk begeeft om de kerkdienst bij te wonen
kirkegjenger
/
ˈkɛrkχɑŋstər /
noun
1. een gelovige vrouw die zich naar de kerk begeeft om de kerkdienst bij te wonen
kirkegjenger
/
ˈkɛr.klɔk/
noun
1. een bel in de toren van een kerk
kirkeklokke
noun
1.
kirkerotte
kjerkerotte
/
ˈkɛrgœːl/, /
ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /
ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
tårnugle
noun
1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
kirsebær
/
kɛr.ˈsta.vɔnt/, /
kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
julaften
/
ˈkɛrsd.bom/, /
ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
juletre
noun
1. uitvoering ter gelegenheid van Kerstmis, vaak met speciaal voor Kerstmis geschreven muziek
Weihnachtskonzert
kerstkonsert
/
ˈkɛrs.kart/, /
ˈkɛrst.kart/
noun
1. een wenskaart die wordt gekenmerkt door een kerstgroet en wensen voor het komende nieuwe jaar
julekort
/
ˈkɛrs.lid/, /
ˈkɛrst.lit/
noun
1. een op Kerstmis betrekking hebbend lied
julemusikk
/
ˈkɛrs(t)məs/, /
ˈkɛrsmɪs/, /
ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
jul
/
ˈkɛr.stɑl/, /
ˈkɛr.stɑɫ/
noun
1. een voorstelling van de geboorte van Jezus met figuren van hout of gips, die vooral in katholieke gezinnen rond Kerstmis in huis te vinden is, vaak onder de kerstboom
julekrybbe
/
ˈkɛrstɛr/
noun
julestjerne
/
ˈkɛrst.fa.ˌkɑn.si/, /
ˈkɛrst.fa.ˌkɑn.ʦi/, /
ˈkɛrz.va.ˌkɑn.si/
noun
1. een schoolvakantie op het einde van het jaar die gewoonlijk twee weken duurt
juleferie
/
ˈkɛrst.fər.ˌsiː.rɪŋ/, /
ˈkɛrz.vɛr.ˌsiː.rɪŋ/
noun
1. aangekochte of zelfgemaakte voorwerpen die gebruikt worden ter versiering ter gelegenheid van Kerstmis
julepynt
noun
2. keukenkruid
kjørvel
noun
1. meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
dampkjele
/
ˈke.təl.dɑl/, /
ˈke.təɫ.dɑɫ/, /
ˈkeː.təl.dɑl/
noun
1. een half cirkelvormige vallei gevormd door de erosie die een gletsjer veroorzaakt
botn
noun
1. uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
kjede
/
ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
heresi
noun
1. motorzaag die een ketting met getande schakels heeft
kjedesag
/
ˈkøːkə(n)/
noun
- 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
- 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
kjøkken
/
'kø:s/
noun
gelegenheid
valg
/
ˈkevər/, /
ˈkɛvər/
noun
1. bepaald insect
bille
/
ˈkiːbɔː(r)d/, /
ˈkiːbɔː(r)t/
noun
- 1. een elektronisch muziekinstrument met een toetsenbord
- 2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
tastatur
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
kidnappe
bortføre
noun
1. verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip
kjøl
noun
1. een gebied, waar bij verkiezingen op dezelfde kandidaten kan worden gestemd
valgkrets
verb
1. het prikkelen van gevoelige stukken huid bij anderen door middel van licht aanraken
kile
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kyiv
verb
1. uit meerdere mogelijkheden één nemen
velge
adjective
1. iemand niet gunnen dat die iets heeft dat men zelf wil hebben
misunnelig
noun
- 1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
frosk
- 2. een dubbele haak ter bevestiging van een touw
kryssholt
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
kikert
abbreviation
1. kilogram
kilogram
noun
1. duizend meter
kilometer
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
hake
noun
- 1. mens tussen 0 en 18 jaar
- 2. persoon voortkomend uit
barn
adjective
1. zich niet als volwassene gedragend alsof men nog een kind is
barnaktig
noun
1. kindermeisje (in een huishouden)
barnepike
dadda
noun
1. een kamer die speciaal is ingericht voor kinderen
barnerom
noun
1. het om het leven brengen van een kind
barnedrap
/
kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
kikhoste
noun
1. klein vrijstaand winkeltje waar men snoep, koffie, kranten en tijdschriften kan kopen
kiosk
/
kɪp/
noun
- 2. kippenvlees
kylling
- 1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
kylling
høne
hane
/
ˈkɪpəvɛɫ/
noun
1. het verschijnsel waarbij als gevolg van kou de huid gaat kleine bubbeltjes vertoont
gåsehud
/
kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /
kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
Kirgisistan
/
ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Kiribati
/
kɪts/
adjective
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
ketch
noun
- 1. benaming voor vogels uit het geslacht Apteryx
- 2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
kivi
noun
1. in het algemeen wordt hiermee het totaal aan eigenschappen van een geluid aangeduid
klang
lyd
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
kunde
verb
1. applaudisseren
applaudere
klappe
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
valmue
/
ˈklɑpstuːl/
noun
stoel met opklapbare zitting
klappstol
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
klarinett
noun
1. een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
klasserom
/
ˈklʌʊtərə(n)/
verb
1. klimmen, zich verticaal verplaatsen met behulp van alle vier de ledematen
klatre
noun
1. toetsinstrument
cembalo
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
klær
/
klɛɪ̯/, /
klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
leire
adjective
1. van geringe grootte
liten
noun
1. bepaald soort meeuw, Larus glaucoides
grønlandsmåke
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Cobitis taenia
piggsmerling
noun
1. de handel die tatbare producten direct aan consumenten verkoopt
detaljhandel
/
ˈklɛːŋkɪnt/, /
ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
barnebarn
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
barnebarn
noun
1. een werktuig waarin iets door samendrukken bijeengehouden of vastgezet kan worden
klemme
noun
1. de onweerstaanbare drang om te stelen
kleptomani
verb
2. praten, babbelen
skravle
/
kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
farge
/
ˈkleːvərɪx/
adjective
1. vasthechtend bij aanraking
klissete
/
ˈklivə(n)/
verb
1. langs een scherp breukvlak in tweeën hakken
kløyve
noun
1. steile hoge rots
klippe
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
klima
noun
1. de verandering van het klimaat in een bepaald gebied over een bepaalde periode, m.n. de wereldwijde opwarming sinds de 19e eeuw
klimaendring
klimaforandring
/
klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
klimatologi
noun
1. beoefenaar van klimatologie, de leer van de lucht- en weersgesteldheid
klimaforsker
klimatolog
verb
- 1. het bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
- 2. stijgen, omhooggaan, groeien, hoger worden of komen
klatre
/
'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
eføy
bergflette
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
klingonsk
klingon
/
klɪŋk/
noun
1. handvat om de deur te openen of te sluiten
klinke
/
ˈklɪŋkər/
noun
1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
vokal
noun
1. een metalen verbinding tussen twee platen bestaande uit twee cilidrische delen die van weerszijden,...
nagle
noun
4. een zeer aanhankelijke persoon
påheng
noun
- 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
- 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
klokke
/
klɔmp/
noun
- 2. een vrij vormeloze hoeveelheid materiaal
dott
- 1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
tresko
verb
1. een identieke kopie van een levend wezen maken
klone
noun
1. een hoeveelheid verdikt materiaal met een omvang die niet goed te definiëren is.
dott
noun
1. een brok min of meer vaste stof in een vloeiende massa
dott
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
canyon
juv
/
klon/
noun
1. een levend wezen dat een exacte genetische kopie is van een ander wezen
klon
/
klostər/
noun
- 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
- 2. een kloostergemeenschap als zodanig
kloster
verb
1. tegen iets slaan
banke
/
klœʏt/, /
klœːt/
noun
2. een brokkelige onsamenhangende massa
dott
noun
1. iemand die alleen en in afzondering leeft
eremitt
noun
1. een onhandig persoon
kløne
/
ˈknaxdiːr/, /
ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
gnager
verb
1. met de tanden aanvreten
gnage
verb
1. een massa soepel maken door er steeds in te knijpen
kna
noun
1. bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
tornirisk
noun
1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
kne
verb
1. op de knieën gaan
knele
verb
1. tussen twee punten druk uitoefenen
knipe
/
'knɪkə(n)/
verb
1. een verticale beweging met het hoofd maken
nikke
noun
1. balletje van glas, marmer, steen, hout of klei
klinkekule
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
hvitløk
kvitløk
noun
1. vingergewricht
knoke
noun
- 3. aan een jas e.d.
knapp
- 2. snelheidsmaat
knop
- 1. in een draad
knute
knop
adjective
1. zeer slecht
luset
lusete
noun
1. korte dikke stok, bedoeld om lijfstraf mee uit te delen
kølle
adjective
1. aangenaam van gezelschap en eniszins intiem
intim
noun
1. een Australisch buideldier
koala
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
kobolt
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
gjøk
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
kjøleskap
noun
1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
kuppel
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
kurdisk
Kurdisk
noun
1. kleine witte reigersoort
kuhegre
noun
1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
hestevogn
noun
1. iemand die de paarden van een koets ment
kusk
noun
1. stevige metalen stang voorzien van een gespleten einde, gebruikt om er zaken mee open te breken
brekkjern
kubein
kuben
/
ˈkuwɛɪ̯t/, /
ˈkuʋɛɪ̯t/, /
ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
Kuwait
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
koffert
noun
1. het gedeelte van een auto waar de bagage in geplaatst wordt
bagasjerom
noun
1. drank uit koffiebonen
kaffe
kaffi
noun
1. het donkere bezinksel van gemalen koffiebonen dat overblijft na het zetten van koffie
kaffegrut
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
kafé
noun
1. een huishoudelijk apparaat waarin koffiebonen kunnen worden gemalen
kaffekvern
verb
- 1. vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
- 2. met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
koke
noun
1. bepaald soort zeevogel met een gekleurde kop en een lachende roep, Chroicocephalus ridibundus
hettemåke
/
ˈko.kɔsˌbom/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
kokosnøtt
/
ˈko.kɔsˌmɛlk/, /
ˈko.kɔsˌmɛɫk/
noun
1. vocht verkregen door het kiemwit van een kokosnoot met water te vermengen en uit te knijpen
kokosmelk
/
'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
kokosnøtt
/
ˈko.kɔsˌpɑlm/, /
ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
kokosnøtt
noun
1. ganzensoort
tundragås
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
kolibri
noun
1. een hoge militaire rang
oberst
noun
1. een rang in het Pruisische leger, het Duitse keizerlijke leger en de Wehrmacht, het leger van nazi-Duitsland
generaloberst
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
komet
verb
1. bewegen van verder weg naar dichterbij
komme
ta
pronoun
1. macrotaal die door 220 duizend mensen in Rusland gesproken wordt
Komi
/
kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
agurk
/
ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
komma
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
kompass
/
kɔˈnɛɪn/, /
kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
kanin
/
ˈkonɪŋ/, /
ˈkoːnɪŋ/
noun
1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
konge
pronoun
Andre kongebok
Første kongebok
/
konɪˈŋɣɪn/, /
konɪˈŋɪn/, /
koʊnɪˈŋɪn/
noun
dronning
noun
1. een bewuste moord op een koning.
kongemord
/
ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
kongeleg
/
ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /
ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /
ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
kongerike
kongedømme
/
koːɪ/
noun
- 1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
bur
- 4. slaapplaats op een schip
køye
noun
boek waaruit men leert koken
kokebok
noun
- 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
kull
- 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
kål
/
ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
karbon
noun
1. bepaald soort vis met donker gekleurde mondholte en rug die voorkomt in het hoge noorden van de Atlantische Oceaan, Pollachius virens
sei
/
kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
hydrokarbon
/
'kolzyr/
noun
1. H₂CO₃
karbonsyre
noun
1. zeeschip voor het vervoer van handelsgoederen
handelsskip
noun
- 2. een groep mensen die samen zingen
- 3. een groep mensen die samen zingen
kor
- 1. een groep mensen die samen zingen
sangkor
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
feber
noun
1. porseleinen recipiënt met oor, om uit te drinken
kopp
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
kjøpe
noun
2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
kobber
/
kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
1. een duplicaat maken van
kopiere
noun
1. een streepje om twee of meer woorden een eenheid te laten vormen
bindestrek
verb
1. een bal een stotende beweging met het hoofd geven
heade
nikke
hedde
skalle
noun
1. stel van twee kleine luidsprekers die men tegen of in de oren plaatst
hodetelefon
noun
1. skelet van de koraalpoliep
korall
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
Koranen
/
koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Korea
/
koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
Koreansk
koreansk
noun
1. een balsport waarbij een bal door een mand (korf) moet worden gegooid
kurvball
noun
1. Corbula gibba
kurvskjell
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
koriander
/
korijɑndərzaːt/
noun
1. gedroogde zaden van Coriandrum sativum
korianderfrö
adverb
- 1. van geringe duur
- 2. van geringe lengte
kort
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
rabatt
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie West-Vlaanderen
Kortrijk
/
ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
Kosovo
verb
- 1. als te betalen prijs hebben
- 2. als tegenprestatie vereisen
koste
noun
1. kerkelijke bediende, die met de zorg van het kerkgebouw, en het vlot verloop van de kerkdiensten belast is
klokker
/
kɑu̯/
noun
- 2. een virusinfectie aan keel of neus
forkjølelse
- 1. lage temperatuur
kulde
/
kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
kald
/
ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
kulde
/
kaʊ̯s/, /
kɔʊ̯s/, /
kʌʊ̯s/
noun
- 1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
strømpe
- 2. een hulpmiddel om een brandstof in licht om te zetten, dat deel uitmaakt van een olie- of petroleumlamp
veike
veke
/
kraɪ̯/, /
kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
kråke
/
ˈkraɪ̯.jə/, /
ˈkraː.jə/
verb
1. het voor de haan kenmerkende geluid voortbrengen
gale
/
ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
brusk
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
trane
noun
1. een voertuig waarop een kraan gemonteerd is
kranbil
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
krabbe
verb
1. met de nagels bewerken
skrape
noun
1. vermogen om iets te verrichten
kraft
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Kraków
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
krampe
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
avis
/
'krɑntəpaˌpir/
noun
1. een soort papier zoals waarop de kranten gedrukt worden
avispapir
noun
3. langrekte oppervlaktebeschadiging voorwerp veroorzaakt door het bewegen van een scherpe ...
skrape
noun
1. een lot waarbij men direct weet of men wel of niet gewonnen heeft als men een beschermfolie wegkrast
skrapelodd
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
kreps
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
Krepsens vendekrets
/
krek/
noun
- 3. een kleine, door de natuur gevormde zeearm
fjord
- 5. een smal vaarwater tussen ondiepten of eilanden
skipslei
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
Kreta
noun
1. een klein soort kip
bantamhøns
/
ˈkrɛɪ.ɣə(n)/
verb
1. verwerven, ontvangen
motta
noun
1. een handeling die erop gericht is om door list en bedrog de vijand te misleiden, zoals het verspreiden van valse geruchten
krigslist
noun
1. een olifant die vroeger tijdens op het land uitgevochten oorlogen werd ingezet als strijddier
krigselefant
noun
- 1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
- 2. schrijfmateriaal uit dat materiaal vervaardigd
- 3. een periode die deel uitmaakt van het mesozoïcum
kritt
/
krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Krim
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
krystall
adjective
1. op het scherp van de snede, met onzekere uitkomst, zeer ernstig
kritisk
noun
- 1. uitingen waarmee bepaald gedrag, een bepaalde zienswijze e.d. van anderen worden veroordeeld of in twijfel getrokken
- 2. een document dat kunstzinnig commentaar levert op een optreden, tentoonstelling, boek , film of andere kunstuiting
kritikk
adjective
- 1. ernaar geneigd vraagtekens te plaatsen achter iets
- 2. onder zulke omstandigheden dat er meer neutronen geproduceerd dan geabsorbeerd worden, waardoor een nucleaire kettingreactie op gang kan komen
kritisk
/
kroˈwatis/, /
kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
kroatisk
/
kroˈwatsi.jə/, /
kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
Kroatia
/
krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
vertshus
/
krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
krokodille
verb
1. krom maken
hvelve
kvelve
noun
Første Krønikebok
Andre Krønikebok
/
ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
kroning
/
ˈkrɔŋkələ(n)/
verb
1. in veel bochten lopen of bewegen
åle
noun
1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
krone
noun
1. een prins die in een monarchie de eerste is die de rechtmatige vorst opvolgt bij aftreden of overlijden
kronprins
/
krœʏ̯t/, /
krœːd/, /
krœːt/
noun
urt
verb
1. specerij bij een gerecht doen
krydre
noun
1. winkelier in levensmiddelen
kjøpmann
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
kryddernellik
/
krœyjər/
noun
1. iemand die bagage vervoert op o.a. stations en vliegvelden
bærer
noun
- 4. symbool
kors
kryss
- 1. geometrisch figuur
kryss
kors
noun
1. Ribes uva-crispa
stikkelsbær
/
ˈkrœʏsər/
noun
1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
krysser
noun
1. kruissleutel
hjulkryss
noun
1. kruiswoordpuzzel
kryssord
kryssordopgave
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
trillebår
trille
trillebor
noun
1. simpel zitmeubel zonder leuningen
krakk
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
krypton
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
terning
kube
/
'kɵdə/
noun
- 1. een groep samenlevende (zoog)dieren
flokk
- een kudde schapen
saueflokk
/
ˈkœʏ̯kə(n)/, /
ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
kylling
noun
- 1. uitholling, holte, diepte
grop
- 1. zakvormig visnet
håv
- 2. achterste deel van een sleepnet
not
noun
1. wijd, houten, metalen of plastic vat
fat
noun
1. deel van het been
legg
/
kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
kykkeliky
kykeliky
verb
1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
kunne
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
kunst
adjective
1. door menselijk, moedwillig ingrijpen tot stand gekomen
kunstig
noun
1. een combinatie van chemische stoffen die aan de aarde wordt toegevoegd ter bemesting daarvan
kunstgjødsel
noun
1. sport waarbij individuelen, paren en groepen schaatsers rotaties, sprongen en andere bewegingen op het ijs maken, die vaak met muziek wordt uitgevoerd
kunstløp
/
ˈkʏns.tal/, /
ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
kunstig språk
/
kʌnstwɛrk/
noun
1. resultaat van een inspanning om iets te maken dat bijzonder mooi of indringend is
kunstverk
/
kʏr.kɛi̯k/, /
kʏr.kɛːk/, /
kʏrk.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus suber; een boom uit de napjesdragersfamilie
korkeik
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
korketrekker
noun
plant en specerij
gurkemeie
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
pute
verb
1. een kus geven
kysse
/
'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
kyst
adjective
2. met een slecht karakter
ondartet
ondskapsfull
noun
1. langwerpige, op de bodem levende zoetwatervis, Lota lota
lake
/
kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
manet
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
kvant
noun
getal dat in de kwantummechanica wordt gebruikt voor het beschrijven van de eigenschappen van bepaalde deeltjes
kvantetall
noun
een theoretisch kader voor de constructie van kwantummechanische modellen van veld-achtige systemen of, equivalent, veeldeeltjessystemen
kvantefeltteori
noun
een kwart van een kalenderjaar
kvartal
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
vaktel
noun
1. bepaald soort vogel, Crex crex
åkerrikse
noun
1. (in een toernooi) een van de vier wedstrijden waarin gestreden wordt voor een plaats in de halve finale(s)
kvartfinale
noun
een vorm van siliciumdioxide
kvarts
/
kʋɑst/
noun
- 1. Versiering
dusk
- 3. Vreemd persoon
eksentriker
/
ˈkwe.peːr/, /
ˈkʋe.pɪːr/, /
ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
kvede
/
'kʋekə(n)/
verb
1. dieren of planten verzorgen en hun voortplanting mogelijk maken
dyrke
verb
1. pijn of ergernis bezorgen
pine
verb
1. een vloed van speeksel onwillekeurig uit de mond laten lopen
sikle
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
kvikksølv
verb
1. druk met de staart zwaaien.
logre
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kyiv
/
lax/
adjective
- 1. niet ver boven iets anders zijn
- 2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
- 3. geluid met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
- 4. met een beperkt aanzien
lav
noun
1. toestand van volkomen eb
lavvann
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
allé
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
støvel
adjective
2. 's avonds, 's nachts
sein
adjective
1. overtreffende trap van laat
senest
sist
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
laboratorium
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
labyrint
/
lɑx/, /
lɑχ/
noun
1. een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak...
latter
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
le
skratte
noun
is een suiker die o.a. in melk voorkomt
laktose
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
stige
noun
1. uitschuifbare bergplaats
skuff
skuffe
noun
3. opeengehoopte elektriciteit
ladning
noun
1. beschadiging van het weefsel in een organisme
lesjon
/
lɑf/
adjective
1. een gebrek aan moed tonend
feig
noun
1. ondiep meer
biologisk dam
pronoun
1. stad in Pakistan
Lahore
/
ˈlakə(n)/
noun
2. een rechthoekig stuk stof dat ter bedekking dient, m.n. bij het slapen
laken
noun
1. jong van het schaap
lam
noun
1. soort Zuid-Amerikaans eeltpotig zoogdier Lama glama
llama
/
lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
lampe
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
lampeskjerm
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Petromyzontidae
niøyer
noun
- 3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
- 4. niet verstedelijkt gebied
- 5. het eigen land, het land waar men geboren is
land
/
ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
landbruk
noun
1. een type bedrijf gericht op landbouw
gardsbruk
gårdsbruk
adjective
2. met betrekking tot minder bevolkte, niet-stedelijke gebieden
landleg
noun
1. smalle strook land die zich in zee of meer uitstrekt
nes
adjective
- 1. van grote duur
- 2. van grote lengte
lang
adverb
1. absoluut, volstrekt
langt
noun
1. een manier van voortbewegen op latten door de sneeuw
langrenn
noun
1. benaming voor muggen met opvallend lange broze poten, die de familie Tipulidae vormen
stankelbein
/
ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
langsom
langsam
/
ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
Laos
noun
1. een stuk van iets
lapp
noun
1. kleine draagbare computer
bærbar datamaskin
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
larve
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
laser
noun
1. onterechte beweringen die iemand in een kwaad daglicht stellen
baktalelse
verb
- laten uitvallen
- laten vallen
droppe
/
ˈlaː.tər/
adjective
senere
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
latin
noun
2. (gedroogde) bladeren van Laurus nobilis
laurbærblad
/
laʊ̯/, /
lʌʊ̯/, /
lʌː/
adjective
1. een temperatuuraanduiding die tussen warm en koud ligt
lunken
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
lava
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
lavendel
/
la'ʋaj/
noun
1. luid en storend geluid
larm
/
la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
lavine
snøskred
noun
1. Chemisch element
lawrencium
/
la'zyːr/
noun
- 4. transparante verflaag
- 5. transparante verf
lasur
- 1. kostbaar blauw gesteente
lasurstein
- 2. helderblauwe kleur
ultramarin
noun
1. de vierde maag van een herkauwer, zoals een rund
løypemage
/
ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
lem
noun
1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
alder
/
lex/
adjective
1. zonder inhoud
tom
/
lek/
noun
- 2. iemand die niet tot de geestelijke stand behoort, gewone gelovige
legmann
- 1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
legmann
amatør
noun
1. een plaats waar iets ontbreekt
tomrom
/
ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
importord
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
lærebok
noun
1. een bril die op leesafstand een scherp beeld geeft
lesebrille
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
løve
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
løve
noun
1. vrouwtje van de leeuw
løvinne
/
ˈleːɣər/, /
ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
hær
noun
1. Metaalverbinding van twee of meer elementen
legering
/
ˈlɛɣə(n)/, /
ˈlɛχə(n)/
verb
1. doen liggen
putte
verb
1. een leidinggevende functie hebben
administrere
dirigere
styre
noun
1. blauwgrijs gesteente
skifer
adjective
1. vloeistof of gas doorlatend
lekk
adjective
1. aangenaam van smaak
deilig
lekker
smakfull
velsmakende
/
ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
stygg
frastøtende
noun
1. laagste deel van de rug voor het kruis
lende
noun
1. kabeljauwachtige zoutwatervis, Molva molva
lange
verb
1. verzachten, minder indringend of nijpend maken
døyve
pronoun
. spelwoord voor de letter l
Leo
/
ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
skje
skei
noun
1. een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
skjestork
/
ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
lærer
/
ˈleːrə/, /
ˈlɪːrə/
verb
1. kennis of vaardigheid verwerven
lære
/
le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
Lesotho
/
ˈlɛsə(n)/
verb
1. met vocht de dorst beëindigen
slukke
/
lɛt/
noun
1. een inwoner van Letland, of iemand afkomstig uit Letland
latvier
/
ˈlɛtlɑnd/, /
ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
Latvia
/
lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
latvisk
noun
1. lichamelijke schade met name aangericht in een ongeluk of gevecht
skade
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
bokstav
/
ˈlɛtərˌxrep/, /
ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
stavelse
staving
/
'lɛtərzɛtər/
noun
2. Ips typographus, een schorskever die vooral leeft op de spar
stor granbarkbille
/
ˈløːɣən/, /
ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
løgn
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
løgner
noun
1. bloedkanker
leukemi
noun
- 1. iets waartegen men aan kan leunen
- 2. de achterkant van een stoel
rekkverk
noun
1. een stoel met leuningen om lekker in te zitten
lenestol
/
ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
Leuven
Louvain
/
'levən/
noun
- 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
- 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
liv
/
'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
leve
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
lever
/
ˈlevərˌblumpʲə/
noun
1. Hepatica nobilis, een plant uit de ranonkelfamilie
blåveis
blåsymre
blåsømmer
blåvissel
/
ˈlevərə(n)/
verb
1. voor de aanvoer van iets zorg dragen
leveren
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
lese
/
ˈli.ba.nɔn/, /
ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
Libanon
/
li.'beː.ri.ja/, /
li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
Liberia
/
'libido/
noun
1. geslachtsdrift
libido
adjective
1. op Libië betrekking hebbend
libysk
/
ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
Libya
noun
- 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
- 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
kropp
adjective
- 2. van een gewicht
lett
- 1. helder van kleur
lys
blek
noun
- 1. Elektromagnetische golven
- 2. lichtbron
lys
adjective
1. met lichte haren.
lyshåret
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
lysår
noun
1. de snelheid waarmee het licht zich voortplant in het luchtledige (ongeveer 299792 km/s)
lysets hastighet
noun
1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
medlem
noun
1. de status van iemand als lid van een organisatie
medlemskap
/
ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /
ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /
ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
Liechtenstein
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
sang
noun
1.het geven van hulp
veldedighet
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
kjærlighet
adjective
1. niet getuigend van enige vorm van liefde
kjærlighetsløst
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
elske
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
lyve
juge
ljuge
lyge
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
marifly
marihøne
/
ˌlivə'vraʊ̯wəˌbɛtstro/, /
ˌlivəˌvrɔʊ̯β̞ə'bɛtstro/, /
ˌlivəˌvrʌʊ̯β̞ə'bɛtstro/
noun
1.
myske
noun
1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
heis
verb
1. liften (meerijden)
haike
noun
1. opwaartse kracht
løft
verb
- 2. op een bepaalde plaats bevinden
holde
ligge
- 1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
ligge
noun
1. een stoel waarin men gemakkelijk kan liggen
sjeselong
noun
1. de kant waar de wind niet vandaan komt
le
verb
1. smart en ellende ondergaan
lide
/
lɛi̯f/
noun
1. lichaam
legeme
pronoun
1. een Finoegrische taal die in Estland en Letland gesproken wordt
livisk
suffix
- 1. het hebben van de karakteristieken (bv. kinderlijk)
- 2. in staat zijn tot (bv. redelijk)
- 3. toevoeging om van een werkwoord of zelfstandig naamwoord een bijvoeglijk naamwoord te maken (bv. gevaarlijk)
lig
/
ˈlɛi.kə(n)/
verb
- 1. uitzien als
ligne
likne
- 2. naar aanschijn zijn
se
/
lɛikə(n)hœys/
noun
1. een plaats waar lijken tijdelijk opgebaard liggen
bårehus
likhus
/
lɛi̯n/
noun
11. een band, riem om een huisdier in te tomen
kobbel
/
lɛist/
noun
2. een rand in een speciale vorm om iets in te vatten, zoals een schilderij
ramme
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
trost
noun
1. geslacht van loofbomen, Sorbus
asalslekten
noun
1. een drank bereid met gestookte alcohol, aangevuld met smaakstoffen en veelal ook suiker
likør
verb
1. met de tong aanraken
sleike
slikke
/
ˈlɪm.bʏrx/, /
ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
1. provincie in het zuidoosten van Nederland
Limburg
noun
1. Een citrusvrucht
lime
/
ˈlɪndə/
noun
loofboom
lind
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
venstre
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
venstrehendt
noun
1. een platte worm die parasiteert in de darm bij mens en dier
bendelorm
noun
- 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
- 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
leppestift
/
'lɪst/
noun
1. een oplossing voor een probleem waardoor tegenstrevers worden verrast
list
noun
- 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
- 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
litteratur
/
ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
litium
noun
1. de wetenschap van de beschrijving en het ontstaan van sedimentgesteenten (steen- en rotsenkunde)
litologi
/
liˈtaʊ̯.wə(n)/, /
liˈtɑuwə(n)/, /
liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /
ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
Litauen
/
liˈtaʊ̯s/, /
ˈlitɔʊ̯β̞s/, /
ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
litauisk
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
liturgi
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
livermorium
pronoun
1. eigennaam van Frankische herkomst
Ludvig
noun
1. de kant waar de wind vandaan komt
lo
/
ˈlu.jə(n)/
verb
1. een langgerekt klagend geluid voortbrengen
raute
noun
1. met vlees en groente gevulde en gefrituurde lap deeg
vårrull
noun
1. boek met gegevens over de navigatie
loggbok
noun
1. een vissersschip, tegenwoordig met een motor aangedreven, dat vroeger een loggergetuigd zeilschip was
lugger
/
ˈloʒban/
pronoun
1. een kunsttaal ontwikkeld door James Cooke Brown
lojban
/
loˈkal/
adjective
1. plaatselijk, van beperkte omvang
lokal
noun
1. plaatsbepaling
lokalisering
noun
1. zeevis, behorende tot de dorsvissen
brosme
adjective
zich op een onwellevende en onbehouwen manier gedragend
rå
/
ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
London
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
lunge
noun
1. koord voor ontsteking
fenghette
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
bly
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
rørlegger
/
loːts/
noun
2. iemand die schepen als stuurman begeleidt bij het varen van en naar een haven
los
/
lo:f/
noun
bladverk
løvverk
noun
1. gebladerde boom
lauvtre
/
loːn/
noun
1. financiële vergoeding voor geleverde arbeid
lønn
/
-los/
suffix
1. een achtervoegsel dat het ontbreken van het eerste aangeeft
løs
verb
1. stappen, gaan
gå
løpe
noun
4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
løper
verb
1.iets uitwerpen, kwijt zien te raken, gewoonlijk een vloeistof
avleie
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Lukas
/
lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
luft
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
flyplass
lufthavn
/
ˈlʏxmɑxt/, /
ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
flyvåpen
noun
1. de luchtlagen boven een bepaald grondgebied
luftrom
noun
1. demonstratie met (stunt)vliegtuigen, parachutespringen etc.
flystevne
noun
1. verkeer in de lucht
luftfart
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
fyrstikk
/
lœʏ/, /
lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
lat
noun
2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
dovendyr
noun
1. het ontbreken van de wil iets te doen
dovenskap
/
lœʏ̯k/, /
lœːk/
pronoun
- 1. een provinciehoofdstad in België
- 2. een Belgische provincie
Liège
/
lœʏ̯k/, /
lœːk/
noun
- 3. openklappende plank die een raam afdekt en beschermt
lem
- 1. openklappend vlak, klapdeur
- 2. afdekking van een scheepsruim
luke
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
leopard
/
lœʏ̯s/, /
lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
lus
/
'lœstərə(n)/
verb
1. gericht waarnemen met het oor
lytte
noun
1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
lupin
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
lutetium
/
lyw/
adjective
- 1. uit de wind, windstil
- 2. redelijk warm, lauw
lun
/
lyks/
noun
1. niet alledaagse dingen die gebruikt worden voor het persoonlijk genot
luksus
/
ˈlyksəmˌbʏrx/, /
ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
Luxembourg
Luxemburg
/
ˈlyksəmˌbʏrxs/, /
ˈlyksəmˌbʏrχs/
adjective
1. betreffende Luxemburg of het Luxemburgs
luxembourgsk
luxemburgsk
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
gaupe
/
maːx/
noun
1. Orgaan
mave
mage
pronoun
- 1. sterrenbeeld van de dierenriem
- 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
Jomfrua
/
maːxt/, /
maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
jomfru
/
ˈmaɪ̯ə(n)/
verb
1. met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
klippe
/
ma:l/
verb
2 1. de handeling van eten zoals die dagelijks op geregelde tijden plaatsvindt
måltid
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
måltid
/
maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
måned
/
ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
mandag
/
ˈman.də.ləks/, /
ˈmaːn.də.lɪks/
adverb
1. iedere maand een keer
månedlig
noun
1. het zonlicht dat van de maan naar de aarde reflecteert
månelys
/
ˈmansvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /
ˈmansvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan verduisterd raakt doordat ze in de schaduw...
måneformørkelse
/
maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
men
/
maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
mars
pronoun
Revolusjonen i Tyskland i 1848
/
mas/
pronoun
1. een rivier die onspringt in Frankrijk en door België en Nederland stroomt
Maas
/
mas.ˈtrɪxt/, /
mas.ˈtrɪχt/, /
məs.ˈtreːx/
pronoun
1. een stad en gemeente in de Nederlandse provincie Limburg, tevens de hoofdstad hiervan
Maastricht
/
maːt/
noun
- 3. eenheid van lengte enz.
- 6. (muziek) manier om een muziekstuk ritmisch in te delen
- 5. grootte van kledingstuk/schoen
mål
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
tiltak
noun
2. gerecht op basis van gebogen pijpjes van deeg
makaroni
pronoun
1. een stad op een eiland aan de zuidkust van China, ten westen van Hong Kong
Macao
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
makedonsk
/
ˌmasəˈdoni.jə/, /
ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
- 3. land
- 1. historisch Grieks koninkrijk
- 2. regio in Griekenland
Makedonia
noun
1. een ruimte voor machines
maskinrom
noun
1. het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
makt
/
ˈmɑxtəx/, /
ˈmɑxtɪx/, /
ˈmɑχtəχ/
adjective
1. meer invloed hebben dan anderen
mektig
verb
1. aan iemand anders het recht overdragen in je naam te handelen
bemyndige
noun
1. gevecht om de macht
maktkamp
/
ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /
ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Madagaskar
noun
1. Bellis perennis
tusenfryd
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
mafia
/
ˈmafis/
adjective
1. arm aan silica of silicahoudende mineralen
mafisk
/
ˈma.ɣər/, /
ˈma.χər/
adjective
1.
mager
noun
- 1. gemagnetiseerd metaal
- 2. persoon, zaak of plaats
magnet
noun
1. Chemisch element
magnesium
noun
1. magnetisch, ijzer bevattend mineraal; magnetisch erts
magnetitt
adjective
1. verschijnselen vertonend die toegeschreven kunnen worden aan een kringstroom...
magnetisk
/
ˈmelə(n)/
verb
1. per elektronische post verzenden
sende epost
/
mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
mais
noun
1.
storslagenhet
storslåtthet
/
ˈmaːkən/
verb
1. in elkaar zetten
lage
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
makrell
noun
1. infectieziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten van het geslacht Plasmodium
malaria
/
ma.'la.wi/, /
ma.'la.ʋi/, /
ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
Malawi
/
mɑl.ˈdi.və(n)/, /
mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Maldivene
/
mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
malayisk
/
maˈlɛ:zi.jə/, /
maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
Malaysia
/
malə(n)/
verb
1. tussen twee harde voorwerpen fijnwrijven
male
/
'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
Mali
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky, vervaardigd door het laten kiemen...
malt
/
ˈmɑlta/, /
ˈmɑɫta/
pronoun
- 1. eiland in de Middellandse Zee
- 2. land in de Middellandse Zee
Malta
/
mɑlˈteːs/, /
mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
maltesisk
/
mɑlˈteːsə/, /
mɑɫˈtesə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Malta
maltesar
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Mammuthus
mammut
noun
- 2. een echtgenoot, een getrouwde man
ektemann
mann
- 1. persoon van het mannelijk geslacht
mann
- 3. een mens
menneske
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
kurv
korg
noun
1. Een citrusvrucht
mandarin
noun
1. een klein, luitvormig tokkelinstrument met vier paar snaren waarop met een plectrum getokkeld wordt
mandolin
noun
1. bepaald soort zoogdier, Otaria flavescens, zeeroofdier dat leeft aan de kusten van het zuidelijk deel...
søramerikansk sjøløve
noun
1. Chrysocyon brachyurus, Zuid-Amerikaanse wilde hondachtige, meer verwant met de vos dan met de wolf
mankeulv
noun
1. Chemisch element
mangan
noun
1. soort oranje-groene sappige tropische vrucht
mango
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
maniok
noun
1. variant van het communisme zoals uitgedragen en toegepast in China gedurende het derde kwart van de 20e eeuw
maoisme
pronoun
1. taal die met name in Maharashtra, een staat in India gesproken wordt, onder andere in Mumbai (Bombay)
marathi
noun
1. het hoogfeest ter gedachtenis van de aankondiging (annunciatie) van de geboorte van Jezus aan Maria
Maria Budskapsdag
/
maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
marine
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
marki
noun
warenverkoop op pleinen en straten
marked
/
mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
marmor
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
murmeldyr
/
ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
Marokko
/
mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /
mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /
mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
Marshalløyene
pronoun
1. eilandengroep in de Indische Oceaan
Maskarenane
noun
1. moord op een groot aantal personen
blodbad
massakre
noun
1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
mast
noun
- 1. ontsteking van de borstklier
brystbetennelse
mastitt
- 2. ontsteking van de uier
jurbetennelse
mastitt
/
mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
madrass
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
matrise
/
ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /
ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /
ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
Mauritania
/
maʊ̯.'ri.si.jəs/, /
mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /
mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
Mauritius
adjective
1. het grootst mogelijk
maksimal
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
meslinger
/
ˈmaʲɪs/, /
ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
mais
/
ˈmedəˌdelən/
verb
2. doen vernemen
meddele
noun
1. iemand die met anderen in hetzelfde bedrijf, organisatie of vestiging werkt
medarbeider
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
legemiddel
medisin
medikament
noun
1. spirituele bezigheid
meditasjon
noun
1. Rubia tinctorum
krapp
/
mel/, /
meɫ/, /
mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
mel
/
ˈme.ma.kə(n)/
verb
1. getuige zijn van een gebeurtenis
oppleve
noun
1. niet-biologische moeder in een lesbisch koppel
medmor
verb
1. bij het vertrek meevoeren
få
/
meːr/
indefiniteCardinalNumeral
1. vergrotende trap van veel
mer
/
meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
sjø
innsjø
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
majoritet
noun
1. bepaald soort watervogel, Fulica atra
sothøne
/
ˈmeːrvɑɫ/
noun
1. benaming voor grote roofvissen uit het geslacht Siluris
malle
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
pluralis
noun
1. benaming voor kleine weinig schuwe vogels uit de familie Paridae
meis
meise
/
'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
geometri
/
meːβ̞/, /
mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
måke
måse
noun
1. de vijfde maand van het jaar
mai
noun
1. Melolontha melolontha, schildvleugelig insect dat in mei te voorschijn komt
oldenborre
/
'mɛɪlər/
noun
1. houtstapel
kullmile
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
mened
/
ˈmɛɪ̯ʃə/, /
ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
jente
pike
/
ˈmɛɪ̯ʃəsˌnam/, /
ˈmɛːsjəsˌnam/
noun
2. eigen achternaam van een vrouw die de naam van haar echtgenoot of geregistreerd partner voert
pikenavn
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
meitnerium
pronoun
1. geboorteplaats van Mohammed en bedevaartplaats voor islamieten
Mekka
adjective
met droevige gedachten aan de dagen van weleer
melankolsk
pronoun
1. tweede grootste stad van Australië en hoofdstad van de deelstaat Victoria
Melbourne
noun
1. Atriplex sp, een geslacht van meer dan tweehonderd soorten plantjes...
melde
verb
1. iets rapporteren, bekendmaken
varsle
/
mɛl.dɪŋ(g)/
noun
1. een bericht over een gebeurtenis
melding
noun
1. chocolade die bereid is met room of melk
melkesjokolade
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
Melkeveien
noun
1. organisch zuur
melkesyre
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
melodi
/
mɛmbran/
noun
2. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
hinne
membran
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door een trillend vel
membranofon
/
ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
mendelevium
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
menneske
noun
1. een gemeenschappelijke naam voor dieren uit de orde van de primaten
menneskeape
adjective
1. zoals de mens
menneskelig
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
menneskerettigheter
pronoun
1. benaming voor Jezus Christus als eerder door Daniël aangekondigde verlosser
menneskesonen
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
menneskehet
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
menstruasjon
noun
1. bloed dat vrijkomt bij het menstrueren van een vrouw
menstruasjonsblod
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Meran
/
meːrəl/, /
ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
svarttrost
noun
1. halve cirkel die de beide polen met elkaar verbindt
meridian
noun
1. vrouwelijk paard
hoppe
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
Mesopotamia
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
møkk
/
mɛd/, /
mɛt/
preposition
med
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
metall
/
me.ta.ˈfɔːr/, /
mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
metafor
noun
1. taal met behulp waarvan dezelfde of een andere taal wordt beschreven
metaspråk
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
måle
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
meteor
/
meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
meteorologi
/
meteoroˈloʝɪs/, /
meteɔroˈloɣis/
adjective
1. betrekking hebbend op de meteorologie
meteorologisk
noun
1. de SI-eenheid van lengte
meter
noun
1. Een stroming in het protestantisme
metodisme
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
metro
tunnelbane
/
ˌmetroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
metrologi
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
murer
noun
1. stuk huisraad
møbel
/
'møbəl.kʏnst/
noun
1. de esthetische en creatieve vormgeving van functionele meubels
møbelkunst
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
fru
/
ˈmɛg.zi.ˌko/, /
ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
Mexico
interjection
1. het geluid van een kat
mjau
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
mjaue
/
miˈxa/, /
ˈmiʃa/
pronoun
Mika
/
ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /
ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
mikroorganisme
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
mikrobiologi
noun
1. miljoenste gram
mikrogram
/
ˌmi.kro.ˈne.zi.ja/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Federale Staten van Micronesia
Mikronesiaføderasjonen
/
mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
mikroskop
noun
- 2. het gedeelte van de dag tussen 12.00 en 18.00 uur
ettermiddag
- 1. het midden van de dag, 12.00
middag
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
lunsj
/
ˈmɪdəɫ/
noun
- 1. het midden
- 2. iets met behulp waarvan een doel bereikt kan worden
- 4. geld, bezit
middel
- 1. middendeel van het lichaam
liv
midje
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
Middelhavet
/
ˌmɪdəɫˈmatəx/
adjective
2. niet in positieve zin opvallen
laber
pronoun
1. de West-Germaanse taal die van 1100-1400 in het noorden van Duitsland, met name in de Hanzesteden gesproken werd
middellågtysk
pronoun
1. de voorloper van het Nieuwnederlands.
middelnederfrankisk
noun
1. het centrale deel
midt
pronoun
1. het gebied tussen Noord-Amerika en Zuid-Amerika
Mellom-Amerika
noun
1. regio die bestaat uit Zuidwest-Azië en het noordoosten van Afrika
Midtausten
/
ˌmɪdərˈnɑxt/, /
ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
midnatt
verb
1. via de blaas als vloeistof lozen van lichamelijke afvalstoffen
pisse
late vannet
tisse
urinere
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
maur
noun
myrmeleon formicarius
noun
1. slapjanus, kleinzerig persoon
Pyse
noun
1. schele hoofdpijn
migrene
verb
- 1. trekken, verhuizen, zich verplaatsen
- 2. gegevens zoals een bestand of code overzetten naar een ander computersysteem en/of netwerk
vandre
noun
1. een paal die op elke mijl staat
milepæl
verb
1. in gedachten verzonken zijn
drømme
/
mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
min
noun
1. het bedrijven van winning van delfstoffen
gruvedrift
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
gruvearbeider
noun
1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
midd
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
mitra
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Milano
/
ˌmiliˈtæːr/, /
ˌmiliˈtɛːr/
adjective
1. met het leger te maken hebbend
militær
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
milliard
noun
1. een lengtemaat ter grootte van een duizendste meter
millimeter
/
mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
milt
/
ˈmɪltfyr/
noun
1. een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
miltbrann
adverb
1. minus, verminderd met (-)
minus
noun
1. vrouw die tegen betaling het kind van een andere vrouw zoogt
amme
/
ˈmɪnɑxtɪŋ/
noun
1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
forakt
/
ˈmɪndər/
indefiniteCardinalNumeral
1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
færre
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
Minecraft
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
mineralvann
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
minister
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
statsminister
/
ˌminɪsˈtɪːri/
noun
Openbaar Ministerie
påtalemyndighet
noun
- 1. tijdeenheid
- 2. hoek
minutt
noun
1. een misdaad of delict
lovbrott
lovbrudd
verb
1. iemand slecht behandelen en pijn doen of verwonden
mishandle
/
məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
kanskje
/
ˈmɪsə(n)/
verb
- 2. niet halen
miste
- 1. niet raken, niet treffen
sakne
savne
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
tåke
/
moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
mobiltelefon
/
muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
trett
/
mud/, /
mut/
noun
1. dapperheid, lef, branie
mot
noun
1. een vrouwelijke ouder
mor
moder
noun
1. een dag ter ere van de moeders
morsdag
/
ˈmudər.kuk/
noun
alternatieve benaming van placenta
morkake
/
ˈmuːdəx/, /
ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
modig
noun
1. de diersoort waartoe het tamme schaap behoort, Ovis gmelini
mufflon
/
mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
vanskelig
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
knipe
/
ˈmuitə/
noun
1. een grote inspanning
ork
noun
- [A]
mutter
- [C] 1. drassig land, vooral gebruikt voor natte veengebieden
marsk
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Henegouwen
Mouscron
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
monsun
verb
1. gedwongen zijn
måtte
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
mulighet
/
'mo.χə(n)/
verb
1. toegestaan zijn
få
noun
- 1. drinkbeker
- 2. paardenziekte
krus
noun
1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
moldvarp
/
mɔlˈdaːvi.jə/, /
mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
Moldova
/
moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molekyl
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
mølle
/
ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
møller
noun
1. Chemisch element
molybden
/
moˈnako/, /
ˈmo.na.ko/
pronoun
- 1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
- 2. de hoofdstad van Monaco
Monaco
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
monarki
/
[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
munn
abbreviation
1. een zeer besmettelijke virusziekte (Aphtae epizooticae) die evenhoevige dieren, vooral runderen treft
munn- og klovsyke
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
munnspill
munnspell
/
ˈmɔndɪŋ/
noun
1. plaats waar een rivier uitkomt in zee of meer
munning
/
mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /
mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /
mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Mongolia
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
Mongolsk
mongolsk
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
munk
noun
1. een bril voor één oog
monokkel
/
ˈmonokʏɫˌtyːr/
noun
1. landbouw met één gespecialiseerd gewas
monokultur
/
ˈmonɔfˌtɔŋ/
noun
1. de benaming voor één enkele klinker die de nucleus vormt van een lettergreep
monoftong
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong.
monoftongering
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
monopol
noun
1. toestand waarin men het monopolie van iets bezit
monopolstilling
noun
1. schrikwekkend wezen
monster
/
ˌmɔntəˈnegro/, /
ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Montenegro
/
mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
Montserrat
adjective
zeer groot en indrukwekkend
monumental
/
moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
vakker
/
ˈmoːrd/, /
ˈmoːrt/, /
ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
mord
/
mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
morder
noun
1. anekdote met een verrassend en komisch slot
vits
noun
1. een uitstel van betaling
moratorium
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
morfem
/
ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /
ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
- 1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
- 2. de wetenschap van de bouw van organismen
- 4. de wetenschap die de vorm van de oppervlakte van de aarde bestudeert
morfologi
/
ˈmɔrxə(n)/, /
ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
i morgen
/
ˈmɔrxə(n)/, /
ˈmɔrɣə(n)/
noun
1. eerste deel van de dag
morgen
noun
1. pejoratieve benaming voor een hond, bastaardhond
kjøter
noun
- 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
- 2,3 korte kanontypen
bombekaster
noun
1. een boom uit de napjesdragersfamilie
frynseeik
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
muhammedansk
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
blåskjell
musling
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
sennep
adjective
1. met de gele kleur van mosterd
sennepsgul
noun
1. een vlinderachtig insect
møll
/
'mo.tɔr/
noun
1. krachtbron
motor
noun
spoorvoertuig
motorvogn
noun
1. lichte neerslag in de vorm van heel kleine druppeltjes water
duskregn
yr
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky,...
malt
noun
1. fabriek waar van granen mout wordt gemaakt, door het in water te weken waardoor het onkiemt, en het daarna te drogen
malteri
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
erme
/
ˌmo.zɑm.ˈbik/, /
ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
Mosambik
/
ˈmysli/, /
ˈmyə̯zli/
noun
1. eten gemaakt van graanvlokken, zuivel, fruit en noten
müsli
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
mygg
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
mulesel
verb
2. beletten te spreken
få
/
mœʏ̯s/, /
mœːs/
noun
- 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
- 3. computermuis
mus
/
ˈmœʏsmɑt/, /
ˈmœːsmɑt/
noun
1. een onderlegger voor een computermuis
musematte
noun
multinasjonalt selskap
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
mumie
noun
- 1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
- 3. geldstuk
- 6. geldsoort
mynt
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
spurv
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
museum
noun
1. plomp hoefdier met grote kop en brede snuit
moskus
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
bisamrotte
moskusrotte
noun
1. een sprongsgewijze verandering
mutasjon
/
myːr/
noun
1. verticale vlakke constructie van metselwerk
vegg
mur
/
my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
musikk
/
myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
musikkinstrument
noun
1. iemand die muziek maakt
musiker
/
ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
mykologi
noun
1. afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
myopi
nærsynthet
/
mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
mytologi
preposition
1. in tijd volgend op
etter
adjective
1. iemand niet gunnen dat die iets heeft dat men zelf wil hebben
misunnelig
/
naf/
noun
1. centrale as of middenstuk van een wiel of rad
nav (hjul)
/
naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
naken
noun
1. het naakt zijn
nakenhet
/
nald/, /
naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
nål
noun
- 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
navn
- 2. bekendheid, reputatie
rykte
navn
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
kasus
/
naːr/
preposition
1. in de richting van
etter
noun
1. liefde jegens de medemens
nestekjærlighet
noun
1. een verdere behandeling na de hoofdingreep
etterbehandling
/
nɑx/, /
nɑxt/, /
nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
natt
mørke
noun
1. een dier dat overdag slaapt en 's nachts actief is
nattdyr
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
nattergal
noun
- 1. een zeer angstige droom
- 2. een schrikbeeld
mareritt
/
na'dɑt/
conjunction
etter
noun
1. ongunstige eigenschap
ulempe
noun
1. denkbeeldig punt aan de sterrenhemel loodrecht onder de waarnemer
nadir
verb
1. doen wat iemand anders doet
herme
etterligne
etterlikne
imitere
/
ˈnaː.ɣəˌbor.tə/
noun
3. de moederkoek, navelstreng en vliezen die het lichaam van de moeder verlaten nadat de baby is geboren
etterbyrd
noun
1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
negl
noun
1. schoonheidsmiddel
neglelakk
/
ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Nahum
pronoun
1. provincie in het oosten van België
Namur
/
na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
Namibia
noun
1. tijd aan het einde van de middag
ettermiddag
pronoun
1. stad in Italië
Napoli
noun
påskeliljeslekta
påskelilje
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Monodon monoceros
narhval
/
naˈsal/
adjective
1. met betrekking tot de neus
nasal
/
ˈna.slɑx.ˌwɛrk/, /
ˈna.slɑx.ˌβ̞ɛrk/, /
ˈna.slɑχ.ˌʋɛrk/
noun
1. een boek dat dient om iets in op te zoeken
oppslagsverk
noun
1. een veranderde smaak van iets dat men al heeft doorgeslikt heeft en in het begin anders smaakte
ettersmak
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
våt
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
nasjon
adjective
1. op een volk met een eigen land betrekking hebbend
nasjonal
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
nasjonalisme
/
naˈtyrkʏndə/, /
naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
fysikk
noun
1. een verticale vlakke constructie van natuursteen
natursteinsmur
/
na.ˈu.ru/, /
naˈuru/, /
ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
Nauru
/
nɑuruˈwans/
pronoun
1. taal die door 6 000 mensen wordt gesproken in Nauru
Naurisk
noun
1. de mate waarin men zaken tot in de puntjes behandelt
nøyaktighet
noun
1. opeenhoping van wollig materiaal in iemands navel
navlelo
/
ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
navlestreng
verb
1. ontbrekende informatie trachten te achterhalen
spørre
noun
1. het verlies van een strijd
nederlag
/
ˈnedərˌlɑnt/, /
ˈneːdərˌlɑnd/, /
ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
Nederland
/
ˈne.dər.ˌlɑn.dər/
noun
1. inwoner van Nederland of persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit
nederlender
/
ˈne.dər.ˌlɑnds/, /
ˈne.dər.ˌlɑnts/
adjective
1. met betrekking tot Nederland of de Nederlandse taal
nederlandsk
hollandsk
/
ˈne.dər.ˌlɑnds/, /
ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
nederlandsk
Nederlandsk
/
ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /
ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
De nederlandske Antillene
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal zonder Hoogduitse klankverschuiving
lavtysk
/
neː/
interjection
1. ontkenning
nei
noun
- 1. mannelijke oomzegger
nevø
brorsønn
- 2. kozijn
søskenbarn
fetter
verb
1. het vliegvermogen verliezen en onzacht op de aarde terugvallen
krasje
adjective
1. ontkennend, afwijzend
negativ
noun
1. een in het kader van een fotografisch procédé ontwikkelde plaat of film met een lichtgevoelige laag, waarop de lichtwaarden omgekeerd zijn t.o.v. de werkelijkheid
negativ
/
ˈne.ɣə(n)/, /
ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
ni
cardinalNumeral
1. het getal 39
trettini
cardinalNumeral
1. het getal 29
tjueni
cardinalNumeral
1. het getal 69
niogseksti
/
ˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 79
syttini
/
ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /
ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /
ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
ni hundre
cardinalNumeral
1. het getal 19
nitten
/
ˈne.ɣə(n).təx/, /
ˈne.ɣə(n).tɪx/, /
ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
nitti
noun
1. iemand met voorouders uit Afrika bezuiden de Sahara met lichamelijke kenmerken daarvan
neger
noun
1. een afgelegen gehucht
avkrok
reir
/
nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
nakke
/
ˈne.mə(n)/
verb
1. iets vastpakken met de handen
knipe
ta
noun
1. kunststroming
nyklassisisme
/
ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /
ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
neologisme
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
neon
/
ˈnepɑɫ/, /
ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
Nepal
noun
1. Chemisch element
neptunium
adverb
1. lijdend aan gespannen zenuwen
nervøs
/
nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
rede
/
ˈnɛcəs/
adverb
1. op een nette manier
ryddig
/
ˈnøːk.bar/
adjective
pulbar
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
knulle
noun
1. een discipline binnen de biologie en geneeskunde die zich bezighoudt met alles wat aandoeningen van het centrale zenuwstelsel betreft
nevrologi
/
nøʏs/, /
nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
nese
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
nesehorn
/
nøˈtral/
adjective
1. geen partij kiezend in een conflict
nøytral
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
nøytralitet
noun
2. wolken in de nabijheid van de grond, ontstaan door plaatselijke oorzaken zoals door afkoeling of door menging van koude met warme vochtige lucht
stjernetåke
noun
1. bepaald soort zoogdier, Neofelis nebulosa
treleopard
/
nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
New York
noun
1. een van de voor de mens noodzakelijke vitaminen, een wateroplosbaar microvoedingsmiddel dat van belang is voor de menselijke gezondheid
niacin
nikotinsyre
/
ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /
ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /
ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
Nicaragua
noun
- 3. dochter van iemands oom of tante
kusine
- 1. dochter van iemands broer of zus
niese
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
ingen
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
nyre
noun
1. giftige plant die vroeg in het voorjaar bloeit
julerose
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
ikke
ei
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
ingenting
intet
/
niβ̞/, /
nyʊ̯/
adjective
- woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
- 2. recentelijk ontdekt
- 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
- 5. in originele staat
- 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
- 6. vreemd, onbekend
ny
- 1. recentelijk gemaakt
ny
fersk
- 3. huidige
ny
nåværende
/
niβ̞.ˈze.lɑnt/, /
nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
New Zealand
Ny-Zealand
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
New South Wales
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
nyttår
nyår
/
niwˈjarskart/
noun
1. een kaart die verstuurd wordt voor Nieuwjaar met nieuwjaarswensen
nyttårskort
/
ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
nysgjerrig
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
nyse
/
'ni.ɣər/, /
'ni.χər/
pronoun
- 1. land in West-Afrika
- 2. een rivier in West-Afrika
Niger
/
ni.'ɣeː.ri.ja/, /
ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Nigeria
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
flodhest
noun
1. Chemisch element
nikkel
/
niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
niob
/
nɪs/
noun
1. een inham in een muur
nisje
noun
- 1. een zout van salpeterzuur dat het ion NO₃− bevat
- 2, een ester van salpeterzuur
nitrat
noun
1. scheikundig element
nobelium
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
Nobelprisen
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
nevner
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
nominativ
/
nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
nonne
/
ˈnɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
onkel
noun
3. in zee levende tweekleppige, Limecola balthica
fjæreskjell
østersjø-skjell
noun
- 1. zeer slecht weer
uvær
- 1. noodzakelijke verdediging van zichzelf of iemand anders, diens eerbaarheid of bezittingen
nødverge
/
ˈnotzak/
noun
1. iets moeten hebben voor vaak praktische of medische redenen
nødvendighet
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
Nord-Amerika
/
noːrd.ˈbra.bɑnt/, /
no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /
ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
Nord-Brabant
pronoun
het noordelijk deel van Europa
Nord-Europa
/
noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /
no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /
ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
Noord-Holland
/
ˈɛlzɑs/
pronoun
1.
Nord-Irland
pronoun
1. regio van Finland
Norra Karelen
/
ˌnoːrt koˈre.ja/, /
ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
Nord-Korea
pronoun
1. Australisch territorium gelegen in het noorden van het land
Nordterritoriet
pronoun
1. wordt beschouwd als het noordelijkste punt van het Europese vasteland
Nordkapp
/
ˈnoːrtkrɔmp/
noun
1. bepaalde soort in zee levend schelpdier, Arctica islandica
kuskjell
pronoun
1. een vorm van skisport waarbij de twee onderdelen van het Noords skiën, schansspringen en langlaufen, gecombineerd worden
kombinert
/
ˈnoːrdzeː/, /
ˈnoːrtseː/, /
ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
Nordsjøen
/
noːrs/, /
no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
norsk
/
noːrs/, /
no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
norsk
/
ˈnoːrˌweɣə(n)/, /
ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /
ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Norge
Noreg
/
noːt/
noun
- 3. (muziek) een geluid van zekere tijdsduur
note
- 1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
nøtt
noun
2. gepeld zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
muskat
/
nɔrˈmaɫ/
adjective
2. als norm dienend
normal
alminnelig
ordinær
vanlig
/
nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Normandie
/
nʌu ˈɛn/
interjection
1. uitdrukking van onverschilligheid
(og) hva så
noun
1. de elfde maand van het jaar
november
pronoun
Novemberrevolusjonen
adverb
1. op het huidige tijdstip
nu
nå
adverb
1. op onregelmatige tijden
av og til
imellom
/
nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
null
/
ˈnumeɾi/
pronoun
Fjerde Mosebok
/
nʏt/
noun
1. baat, voordeel
nytte
/
o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
oase
/
oˈbɑtja/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Obadias
noun
- 1. hostie, ouwel
hostie
oblat
- 2. avondmaalsbrood
nattverdsbrød
- 3. lid van een katholieke kloosterorde of iemand die van plan is om daar lid van te worden
oblat
noun
- 1. hostie, ouwel
hostie
oblat
- 2. avondmaalsbrood
nattverdsbrød
- 3. lid van een katholieke kloosterorde of iemand die van plan is om daar lid van te worden
oblat
verb
1. in buitensporige, ziekelijke mate boeien
være besatt
noun
1. (muziekinstrument) een fluit die veelal gemaakt wordt van gebakken klei
okarina
adjective
1. met betrekking tot Occitanië of het Occitaans
oksitansk
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
oksitansk
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
osean
/
oseˈjani.jə/, /
oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
Oseania
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
ozelot
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
morgen
formiddag
otte
ótta
/
ˈɔxtəntblɑt/
noun
1. een krant die 's morgens vroeg wordt bezorgd
morgenavis
/
ˈɔxtəntkrɑnt/
noun
1. een blad dat 's morgens vroeg wordt bezorgd
morgenavis
noun
1. een persoon die meestal vroeg opstaat en zich `s morgens het meest fit voelt en reeds vroeg actief is
morgenfugl
/
ˈɔxtəntzɔn/
noun
1. zonneschijn vroeg in de morgen
morgensol
noun
1. hoekmeetinstrument
oktant
noun
1. achtarmige inktvis
octopus
/
ˌø.kyˈme.nis/
adjective
1. tussen kerken, van meerdere kerkgenootschappen
økumenisk
/
u.'ɣɑn.da/, /
u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Uganda
/
ukraˈɦins/, /
ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
Ukrainsk
ukrainsk
/
ukraˈɦinə/, /
ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
Ukraina
/
ukraˈɦinər/, /
ukraˈʔinər/
noun
1. een inwoner van Oekraïne
ukrainer
noun
een bos dat van oudsher bestaat
urskog
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
østers
noun
1. een vrouwelijk hormoon
østrogen
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Turks en die door de Oezbeken gesproken wordt
usbekisk
/
us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /
uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
Usbekistan
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
offisiell
verb
1. aanbieden, specifiek het aanbieden van een dienst of product door een bedrijf
tilby
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
oftalmologi
noun
1. Een bepaald tijdstip
øyeblikk
noun
1. groot zoogdier dat nauw verwant is aan de giraffe
okapi
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten van Amerika.
Oklahoma
pronoun
1. de hoofdstad en grootste stad van de Amerikaanse staat Oklahoma en hoofdplaats van Oklahoma County.
Oklahoma City
noun
1. holte tussen de arm en de romp
armhulle
noun
1. de tiende maand van het jaar
oktober
noun
1. vettige vloeistof
olje
noun
1. een baksel gemaakt van een vloeibaar gerezen beslag dat in hete olie gebakken is
berlinerbolle
noun
1. een sedimentair fijnkorrelig gesteente dat organische en chemische stoffen bevat en waar synthetisch olie en gas uit gewonnen kan worden
oljeskifer
noun
1. het belangrijkste enkelvoudig onverzadigde vetzuur met brutoformule C18H34O₂
oljesyre
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
elefant
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
oligomer
/
oˈlɛɪf/, /
oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
oliven
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
oliven
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
olivenolje
/
o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
Olympiske leker
pronoun
1. evenement dat eens in de vier jaar wordt gehouden waarbij allerlei wintersporten competitief beoefend worden
Olympiske vinterleker
noun
1. moeder van een ouder
bestemor
/
o.ˈman/, /
ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
Oman
verb
1. doden, om het leven brengen
drepe
/
ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
fordi
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
omelett
noun
1. de nabijheid
nabolag
/
ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
bestikke
adverb
1. in neerwaartse richting
ned
/
ɔm.ˈplɑn.tə(n)/, /
ˈɔm.plɑn.tə(n)/
verb
2. op een andere plaats zetten
plante
prefix
1. toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord drukt dit voorvoegsel het tegendeel uit.
u-
adjective
1. helemaal bij elkaar horend
uatskillelig
adjective
1. niet behorend tot de kennis
ukjent
/
'ɔmbə'wexələk/
adjective
- 2. niet bewogen kunnen worden
fast
ubevegelig
- 1. zonder enige beweging
stillestående
ubevegelig
adjective
1. zonder erkentelijk te zijn voor ontvangen hulp of producten
utakknemlig
preposition
1. ook al is het zo dat
tross
/
ˈɔn.dər/
preposition
1. niet gesorteerd
under
/
ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
underarm
verb
1. actie ondernemen om een in gang zijnd proces tot staan te brengen
avbryte
/
ɔn.dər.ˈbre.kɪŋ/, /
ɔn.dər.ˈbreː.kɪŋ(g)/
noun
1. een tijdelijk staken van activiteit door een onverwachte gebeurtenis
pause
noun
1. kledingstuk dat onder de gewone broek wordt gedragen
underbukse
noun
1. plaats waar men kan verblijven of schuilen
husrom
verb
1. een wens, verlangen, uiting of ontwikkeling eventueel met geweld tegengaan
kvele
verb
1. onder water gaan
dukke
dykke
verb
- 1. onderhevig gemaakt worden
gjennomgå
- 2. te gronde gaan
dø
verb
1. overleggen om tot een afspraak te komen
forhandle
/
ɔndər'ɦɑndəlɪŋ/
noun
1. een proces van overleg waarbij partijen trachten tot een voor beiden aanvaardbare afspraak te komen
forhandling
noun
1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden.
vedlikehold
verb
1. iets kleiner of van kleiner belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
undervurdere
noun
1. handtekening
underskrift
noun
1. een geschreven vertaling die bij een film(pje) in beeld wordt gebracht
undertekst
/
ˌɔndərˈvɪndə(n)/
verb
1. door ervaring ergens achter komen
oppleve
/
ɔndərˈvraxə(n)/
verb
1. iemand aan een intensieve reeks vragen onderwerpen
spørre
noun
1. het onderwerpen aan indringende vragen van een arrestant of gevangene
avhør
noun
- 2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
subjekt
- 1. waar iets over gaat, een thema
tema
noun
1. de voorziening van opleidingen
utdannelse
noun
1. iemand die lesgeeft
lærer
/
ɔndər'zuːk/
noun
1. het onderzoeken van iets
etterforskning
etterforsking
verb
etterforske
behandle
utrede
adjective
1. niet diep
grunn
adjective
1. niet mis de verstaan, met slechts één betekenis
entydig
adjective
1. ter zake nieuw
fersk
uøvd
adjective
1. niet getrouwd
ugift
/
ˌɔnɣəˈlɛi̯k/, /
ˌɔnχəˈlɛi̯k/
adjective
1. niet met elkaar overeenstemmend
ujamn
ujevn
adjective
2. bijzonder, uitzonderlijk
utrolig
utrulig
adjective
2. bijzonder, uitzonderlijk
utrolig
utrulig
adverb
1. geen geloof verdienend (omdat het onwaarschijnlijk overkomt)
utrolig
utrulig
/
ˈɔnɣəˌlɵk/, /
ˈɔnɣəˌlʏk/
noun
1. een onvoorziene gebeurtenis met negatieve en soms zelfs fatale gevolgen
ulykke
adjective
1. niet gepast, niet geschikt
uskikket
/
ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
ulykke
abbreviation
bij benadering
om lag
adjective
1. zonder mogelijkheid om ongedaan gemaakt te worden
ugjenkallelig
/
ˈɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
onkel
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
ugress
phraseologicalUnit
1. het slechte is moeilijk uit te roeien
ukrutt forgår ikke så lett
/
ɔnlaŋs/
adverb
1. recentelijk, niet lang geleden
for
adjective
2. zonder omwegen
direkte
adjective
1. niet te verwezenlijken
umulig
/
ˌonomatoˈpe/
noun
1. door klanknabootsing gevormd woord
onomatopoetikon
adjective
niet partijdig , niet bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
objektiv
noun
1. het verstoord zijn van de maatschappelijke of sociale orde, rust
uro
noun
1. iemand die opschudding teweegbrengt met schrikbarende verhalen die vaak overdreven of gewoonweg onwaar zijn
urostifter
/
ɔnˈsxʏɫdəx/
adjective
1. niet schuldig
uskyldig
/
ɔntˈberə(n)/
verb
1. iets missen waaraan men grote behoefte heeft
sakne
savne
noun
1. eerste maaltijd van de dag
frokost
verb
1. een organisatie opheffen
avskaffe
/
ɔnˈdɛ.kə(n)/
verb
- 1. ergens achter komen
- 2. een onbekend gebied verkennen en onderzoeken
oppdage
/
ɔntəˈvredə(n)/
adjective
1. behoefte voelend om aanmerkingen te maken
misfornøyd
/
ɔntəˈvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel niet genoeg te hebben en onvoldaan te zijn
misnøye
verb
1. een wildernis geschikt maken voor landbouw
dyrke
verb
1. iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
halshogge
halshugge
noun
1. iemand die bepaalde genotmiddelen niet gebruikt
avholdsmann
/
ɔntˈɦɵlə(n)/, /
ɔntˈɦʏlə(n)/
verb
- 1. van het hulsel ontdoen
avdekke
- 2. openbaren van onbekende feiten
avsløre
avdekke
/
ɔnt.ˈkɑl.kə(n)/, /
ɔnt.ˈkɑɫ.kə(n)/
verb
1. kalk van een metalen oppervlak verwijderen
avkalke
/
ɔnt.ˈkɑl.kɪŋ/, /
ɔnt.ˈkɑɫ.kɪŋ/
noun
1. het verwijderen van kalk van een metalen oppervlak
avkalking
noun
1. handeling of uiting waarmee iemand kan laten weten dat iets niet waar is
benektelse
verb
1. een geheel dusdanig in delen uiteennemen dat het niet meer als geheel fuctioneert
demontere
verb
1. de ware aard laten zien van iets of iemand
avdekke
verb
1. met iemand kennismaken en een gesprek voeren
møte
verb
1. arbeidsovereenkomst beëindigen
fjerne
verb
1. aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
unnkomme
noun
1. (medisch) ontsteking
betennelse
/
ɔndˈvaŋ(g)ə(n)/, /
ɔntfɑŋə(n)/
verb
1. het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
få
motta
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
bortføre
noun
1. het, tegen iemands zin, wederrechtelijk verplaatsen van een persoon
bortførelse
verb
1. uit de slaap weer tot vol bewustzijn terugkeren
vakne
/
ɔntʋɪkələ(n)/
verb
3. een film ~ het latente beeld van een belicht fotografisch materiaal chemisch zichtbaar maken
fremkalle
framkalle
adjective
1. niet geneigd om zich door smeekbeden tot andere handelwijze te laten bewegen
ubønnhørlig
adjective
1. van een drank: zonder toevoegingen van mindere kwaliteit
uforfalsket
adjective
1. waarvan de uitkomst niet bij voorbaat te kennen is
ujamn
ujevn
adjective
1. een geringe kans bezittend om waar te worden of te blijken
utrolig
utrulig
/
ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
tordenvær
uvær
noun
een variëteit van kwarts
onyx
/
ɔn'zɛidəx/
adjective
nøytral
/
ox/, /
oːx/, /
oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
øye
/
ˌox.ɔm.ˌox, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/, /
ˌoɣ.ɔm.ˌox, ˌtɑnd.ɔm.ˈtɑnd/, /
ˌoχ.ɔm.ˌoχ, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/
interjection
1. benadrukt volledige vergelding
øye for øye, tann for tann
/
ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
øyelokk
verb
1. het van het land halen van het rijpe gewas
høst
noun
1. vrouwelijk schaap
søye
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
stork
/
oːɪt/
adverb
1. op een zeker tijdstip in het verleden
noensinne
/
oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
enn
også
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
onkel
/
oːr/
noun
1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
øre
noun
1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
ørering
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
diplomatikk
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
krig
noun
1. iemand die met ernstige gebreken kampt door deelname aan een gewapend conflict...
krigsinvalid
noun
1. een daad in tijd van oorlog die het oorlogsrecht of -gebruik schendt
krigsforbrytelse
/
ˈorɔntˌstekɪŋ/
noun
1. een ontsteking van het oor
øyrebetennelse
/
orsxɛlp/, /
o̝rsχɛɫp/
noun
1. het uit het hoofd stekende deel van een oor
aurikkel
noun
stroperige vloeistof in de gehoorgangen
ørevoks
noun
1.1 gewone oorworm (Forficula auricularia)
saksedyr
/
os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
Øst-Timor
/
ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
øst
aust
/
ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /
ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /
ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
Østerrike
Austerrike
/
ˈo.stə.ˌrɛɪ̯.kər/, /
ˈo.stə.ˌrɛː.kər/, /
ˈos.tə(n).ˌrɛɪ̯.kər/
noun
1. een inwoner van Oostenrijk of persoon die de Oostenrijkse nationaliteit bezit
østerriker
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
Østersjøen
preposition
- 3. omhoog
opp
- 1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op
på
noun
1. de vader van een ouder
bestefar
/
o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
opal
verb
1. op een veilige plaats wegdoen
oppbevare
ta vare på
verb
1. toegeven dat men iets kwaads gedaan heeft
vedgå
/
'ɔp.bla.zə(n)/
verb
- 1. doen ontploffen
minere
skyte
sprenge
- 3. op overdreven manier beschrijven
overdrive
- 2. een gas in een uitzetbare ruimte pompen
pumpe opp
/
ˈɔpbɑu(w)ə(n)/
verb
- 1. maken uit losse onderdelen
- 2. laten ontstaan
bygge
noun
1. een te verrichten werk
oppdrag
verb
- 2. als eerbewijs iets wijden aan iemand
dedikere
- 1. iemand iets te doen geven
gi oppgave
/
ˈoː.pə(n)/
adverb
1. niet gesloten
åpen
adjective
Openbaar Ministerie
påtalemyndighet
verb
1. wat voorheen een geheim was algemeen bekend maken
avdekke
noun
1. laatste boek van de Bijbel
Åpenbaring
verb
- 1. laten beginnen, in bedrijf brengen
- 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
- 3. openstellen, toegankelijk maken
- 4. (informatica) een bestand inladen
åpne
/
ˈoː.pə(n).ɣaːn/
verb
1. zich openen
rakne
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
opera
verb
- 2. acties uitvoeren, optreden
arbeide
operere
- 1. aan een chirurgische ingreep onderwerpen
operere
verb
1. alles gebruiken tot het op is
bruke
noun
1. het seksueel of emotioneel (te) gespannen zijn
opphisselse
verb
1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
bli voksen
/
'ɔpɦɑŋə(n)/
verb
1. iets in een hangende positie bevestigen
henge opp
noun
1. een steekproefsgewijs onderzoek naar de mening van de bevolking
meningsmåling
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
opium
/
'ɔpkɛɪkə(n)/, /
'ɔpkɛːkə(n)/
verb
3. (~ naar) bewonderen
dyrke
verb
1. zorgen dat iemands stemming verbeterd
muntre opp
/
ˈɔpklɪmə(n)/
verb
1. een hoger punt trachten te bereiken
klatre opp
noun
1. totaal aantal afdrukken van een drukwerk dat in één keer wordt vervaardigd
opplag
verb
3. een probleem ophelderen
rense
/
'ɔpnam(ə)/
noun
2. geluid
opptak
verb
7. (beeld, geluid) registreren, vastleggen
spille inn
/
ˈɔpniu/
adverb
1. nog een keer, een vorige gebeurtenis herhalend
igjen
verb
2. (gevoelens) veroorzaken
framkalle
fremkalle
verb
3. iets in orde brengen, netjes maken
rense
rydde
/
ˈɔpslan/
verb
5. informatica: vastleggen of bewaren van gegevens
lagre
verb
- 1. gaan staan
- 2. het bed verlaten
stå opp
noun
1. verrijzenis
oppstandelse
/
ˈɔpstɛːɣə(n)/, /
ˈɔpstɛːɪχə(n)/
verb
- 1. in de lucht stijgen
lette
stige opp
- 2. te paard stijgen
stige
verb
1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
addere
noun
1. iemand die kundig is in de optica
optiker
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
løfte
heve
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen gunstig gaan uitvallen
optimisme
noun
1. iemand die alles van de positieve kant beschouwt
Optimist
adjective
1. van het positieve uitgaand
optimistisk
noun
1. het proces waarin iemand wordt gevormd naar de normen van diens opvoeders, en daarmee meestal de samenleving waarin hij leeft
oppdragelse
noun
2. het proces van temperatuursverhoging
oppvarming
verb
3. in staat van agitatie brengen
tenne
/
'ɔpsʋɛlə(n)/
verb
1. in volume toenemen
hovne
svellen
svulme
noun
1. mensaap met lange armen en roodbruinachtig haar
orangutang
adjective
1. de kleur oranje hebbend
oransje
noun
- 1. Origanum vulgare
- 2. keukenkruid
oregano
noun
- 1. Onderdeel van het organisme
- 2. Communicatiemiddel
organ
/
ˌɔrɣɑniˈzasi/, /
ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
organisasjon
pronoun
Organisasjonen for økonomisk samarbeid og utvikling
pronoun
Organisasjonen for sikkerhet og samarbeid i Europa
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
organisme
/
ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
orgel
/
ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
spekkhogger
noun
1. een bijzonder hevige storm
orkan
/
ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
orkester
/
ɔrtoˈdɔks/
adjective
- 1. star vasthoudend aan een bepaald geloof
- 2. star vasthoudend aan bepaalde opvattingen of gewoontes die algemeen zijn aanvaard
ortodoks
/
ɔrtodɔk'si/
noun
ortodoksi
noun
1. gecastreerde stier
okse
pronoun
- 1. de hoofdstad en grootste stad van Noorwegen en is gelegen in het zuidoosten van het land
- 2. een provincie in Noorwegen
Oslo
noun
1. Chemisch element
osmium
pronoun
1. de hoofdstad van Canada
Ottawa
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
oter
/
aʊ̯d/, /
ɔʊ̯t/, /
ʌʊ̯t/
adjective
- 2. oud ding, concept
- 1. oud mens, dier
- 3. vorige
gammel
noun
1. reeks boeken in de christelijke Bijbel die zijn ontleend aan de joodse Tenach
det gamle testamente
/
ˈaʊ̯.dər/, /
ˈɔʊ̯.dər/, /
ˈʌʊ̯.dər/
noun
1. de moeder of vader van een kind
forelder
adjective
1. niet langer gebruikt of in de mode
gammelmodig
pronoun
1. een nu dode taal die werd gesproken in Griekenland
gammelgresk
/
ɑʊ̭tɦɛɪ̭t/
noun
1. het tijdperk van de geschiedenis vóór de middeleeuwen
oldtid
pronoun
1. de voorloper van het huidige Duits in de periode 700-1050
gammelhøytysk
pronoun
1. een West-Germaanse taal die gesproken werd tussen ongeveer 800 en 1150 in delen van Nederland, België, Frankrijk en Duitsland en die de voorloper was van het Middelnederlands en vervolgens het huidige Nederlands.
gammelnederlandsk
pronoun
1. een taal die de voorganger van de Scandinavische talen was
norrønt
pronoun
1. een taal die de voorloper van het Noors was
gammelnorsk
/
ɑutˈsɑksis/
pronoun
1. de voorloper van het huidige Nedersaksisch in de periode 650-1100
Gammelsaksisk
/
'ʌʊtɑntə/
noun
1.
grandtante
/
ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
ovn
preposition
6. meer dan
over
verb
1. de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn
overdrive
verb
2. tot een bindende afspraak komen
avtale
verb
3. veranderen in
forvandle seg til
/
ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
oldefar
verb
1. in de handen van een ander geven
overrekke
/
ˈovərɦɛit/
noun
1. het geheel aan gezagvoerende lichamen
øvrighet
/
ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /
ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /
ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Overijssel
/
ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
leve lenger enn
verb
1. ophouden met leven
dø
verb
1. ergens de nacht doorbrengen
overnatte
verb
1. met de wielen van een voertuig over iets of iemand heen rijden
kjøre ned
verb
1. iets domineren, naar de achtergrond drukken
overskygge
verb
1. iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
overvurdere
/
ˈo.vər.sxɔt/
noun
1. wat er overblijft, de rest
overskudd
rest
noun
3. trapje, laddertje om over een heining te komen
stente
verb
1. doorkruisen om de overzijde te bereiken
krysse
verb
1. het onder water komen staan van een laaggelegen gebied
oversvømme
/
ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
flom
verb
1. bepaalde denkbeeldige of daadwerkelijke lijnen te buiten gaan
overtre
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
overbevise
overtyde
noun
1. sterke mening of geloof
overtyding
/
ovər'ʋeɣən/, /
ˈovərʋeɣən/
verb
de voor- en nadelen bezien alvorens een beslissing te nemen
vurdere
noun
- 1. toestand dat je het geheel kunt duidelijk overzien
overblikk
oversyn
- 2. samenvatting van de inhoud, beschrijving in hoofdlijnen
oversikt
oversyn
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
eggløsning
eggløysing
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
ozon
noun
4. (heraldiek) een loodrechte band midden over een wapenschild
stolpe
/
paːrt/
noun
- 1. tam hoefdier met manen
hest
- 3. schaakstuk
springer
noun
- 1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
løvetann
- 1. samengesteldbloemige plant Taraxacum officinale
vanlig løvetann
/
'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
hestekraft
noun
1. bepaald soort schelpdier, Modiolus modiolus
hesteskjell
oskjell
vobbskjell
noun
1. de postdienst zoals deze vóór de mechanisatie te paard verzorgd werd
skysstasjon
noun
- 2. haardracht
- 3. staart van een paard
hestehale
- 1. sporenplant
snelle
/
ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
stall
noun
- 2. ter gelegenheid van Pasen gekleurd en versierd kippenei
- 1. ei van chocolade of suiker dat op of omstreeks Pasen gegeten wordt
påskeegg
pronoun
1. oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Ausralië
Stillehavet
/
pɛːt/
noun
1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
padde
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
sopp
sjampinjong
noun
1. persoonlijke dienaar van iemand
pasje
noun
1. de meest voorkomende vorm van zee-ijs en bestaat uit op elkaar geschoven ijsschollen; opeengepakt drijfijs
pakkis
/
ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
Pakistan
/
pa.ˈlaʊ̯/, /
pa.ˈlɔʊ̯/, /
pa.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Palau
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
palass
/
palejoˈɣen/
noun
1.
Paleogen
/
ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
Paleozoikum
noun
1. chemisch element
palladium
noun
2. binnenzijde van de hand
håndflate
pronoun
1. de zondag voor Pasen
palmesøndag
/
pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
panne
/
ˈpa.na.ma/, /
ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
Panama
noun
1. (zoogdieren) een beerachtig dier uit het Himalayagebied
panda
/
pɑn.deʲ'ɪsmə/
noun
1. een theologische positie
pandeisme
noun
1. de theologische positie dat God immanent is in de gehele schepping en dat het universum een deel is van God en dat God de drijvende kracht vormt achter het universum
panenteisme
noun
1. blaasinstrument dat is samengesteld uit een reeks van eentonige fluiten
panfløyte
noun
1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
pannekake
noun
1. benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
panter
noun
1. stam van eencelligen met een tweetal zweepstaartjes die in water leven, Dinoflagellata
dinoflagellater
/
paˈpa.ja/
noun
1. en 2. (vrucht van) de boom Carica papaya
papaya
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
papegøye
noun
1.1 bepaald soort opvallende zeevogel die zelfs onder water kan vliegen, Fratercula arctica
lundefugl
/
pɑ'pir/
noun
1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
papir
/
ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /
ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /
ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
Papua Ny-Guinea
/
ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /
ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /
ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /
ˈparaˌɡwe/
pronoun
Paraguay
/
paralɛloˈɣrɑm/, /
pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
parallellogram
/
ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
paraply
noun
1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
perle
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Numididae
perlehøne
/
parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
perlemor
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
Paris
noun
1. een automaat waar voor het parkeren betaald kan worden
parkeringsautomat
noun
1. garage voor het parkeren van motorvoertuigen
parkeringshus
noun
1. een installatie met klok die na de muntinworp de toegestane parkeertijd aangeeft
parkometer
noun
1. plek waar auto's of andere voertuigen geparkeerd kunnen worden
parkeringsplass
verb
1. (een voertuig) tijdelijk ergens laten staan
parkere
/
pa.ˈrɔ.xiˌkɛrk/, /
pa.ˈrɔ.χiˌkɛrk/
noun
1. een lokaal kerkgebouw dat het religieuze centrum van een parochie vormt
sognekirke
soknekyrkje
noun
1. eenheid voor druk (symbool: Pa)
pascal
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
påske
adjective
1. kort geleden geboren
nyfødd
adjective
1. niet zelfstandig werkzaam
passiv
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
pasjonsfrukt
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
pastinakk
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
Patagonia
noun
1. gefrituurde aardappelreepjes
pommes frites
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
patologi
adjective
1. ziekte betreffend
patologisk
/
pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
pasient
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
rapphøne
noun
1. klein rond raam in een scheepswand dat waterdicht kan worden afgesloten
kuøye
noun
1. een grote verstembare keteltrommel zoals gebruikt in een orkest
pauke
/
pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
pave
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Påfuglen
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
påfugl
/
ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
pause
/
pɛx/, /
pɛχ/
noun
1. de conditie waarin er tegenslag te verwerken is die niet door eigen schuld veroorzaakt is
uflaks
noun
- 1. met de voet te bedienen hefboom
- 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
- 2. voetklavier van een orgel
pedal
/
pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
sene
/
pɛːl/, /
pɛːɫ/
noun
1. niveau of stand van bijvoorbeeld water
speil
/
ˈpɛɪ̯nzə(n)/, /
ˈpɛːnzə(n)/
verb
1. heel diep nadenken
grubble
/
'pejorɑ'tif/
adjective
pejorativ
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
pelikan
noun
1. zoogdier waarvan de behaarde huid als bont gebruikt wordt
pelsdyr
noun
1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
stift
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
penis
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
pepper
verb
1. met peper bestrooien, kruiden
pepre
noun
1. een rond stuk peperkoek dat traditioneel veel rond Sinterklaas gegeten worden
peppernøtt
preposition
1. door middel van
etter
/
perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
pæretre
noun
1. hervormingen zoals deze door Gorbatsjov werden voorgesteld in de Sovjet-Unie
perestrojka
/
ˌpɛrfoˈratɔr/
noun
1. een apparaat om gaten te maken in papier, karton, kunststof folie of metaalplaat.
hullemaskin
/
pɪri'jodɘ/
noun
1. tijdperk
periode
adjective
1. periodisch, regelmatig terugkerend
periodisk
adjective
1. voortdurend
permanent
noun
1. krullen in het haar
permanent
noun
1. populistische en nationalistische politieke stroming in Argentinië
peronisme
/
pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
perrong
plattform
noun
- 1. menselijk individu
- 2. grammaticaal begrip
person
noun
personlighetsforstyrrelse
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat West-Australië
Perth
/
peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Peru
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
fersken
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
Farsi
persisk
noun
(medisch) Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis
pest
noun
1. bepaald soort vogel, Bombycilla garrulus
sidensvans
noun
1. tamelijk plat hoofddeksel met een klep
skyggelue
noun
1. gesteentekunde
petrologi
pronoun
- 1. discipel van Jezus
- 3. Peter
Peter
Peder
Petter
noun
1. een jong kind in de leeftijd van een tot vier jaar
tulle
pronoun
- 1. Griekse god van de paniek
- 2. grotere van de twee manen van Mars
Phobos
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Phoenix
noun
1. musicus die een piano bespeelt
pianist
noun
1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
piano
/
pɪˈkɑrdɪʲə/
pronoun
regio in Noord-Frankrijk
Picardie
verb
3. stiekem, snel of oppervlakkig naar iets kijken
titte
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Anthus
piplerke
pronoun
1. jongensnaam
Peter
Petter
/
pɛɪ̯n/, /
pɛːn/
noun
- 1. lichamelijk leed
- 2. geestelijk leed
pine
/
ˈpɛɪ̯nɑpəɫˌkliːr/, /
ˈpɛːnɑpəlˌkliːr/
noun
1. klier in de hersenen, die melatonine uitscheidt
konglekjertel
noun
1. samenstel van pijpen om vloeistoffen of gassen door te leiden
rørledning
noun
1. pijptang, een zware verstelbare tang
rørtang
noun
2. bestuurder van een sulky bij drafsport
kusk
verb
- 4. (met de snavel) prikken
pikke
- 3. dulden, accepteren
tåle
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
blåmeis
noun
2. een vrucht van deze plant
peanøtt
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
peanøttsmør
/
ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
pingvin
pronoun
1. Christelijk feest
pinse
/
piˈɔn/
noun
1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
bonde
verb
1. plassen
pisse
late vannet
tisse
urinere
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
pistol
noun
2. kaarsen- of lampenpit
veike
veke
/
ˈpidza/, /
ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
pizza
noun
- 1. persoon
- 2. bedrijf of winkel
pizzabaker
noun
1. restaurant
pizzeria
pronoun
1. taal gesproken door 3 106 620 mensen in Italië, Argentinië, Australië en de Verenigde Staten
piemontesisk
/
plaːts/
noun
- 1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
- 2. een plein
plass
noun
1. precieze plek waar een misdaad is gebeurd
åsted
verb
1. op een bepaalde plaats zetten
anbringe
plante
noun
1. het aantal argumenten van een relatie of functie
aritet
noun
1. geneesmiddel zonder werkzame stof
placebo
noun
1. moederkoek, orgaan dat verbinding vormt tussen moeder en de zich ontwikkelende vrucht in de buik van de moeder.
morkake
placenta
/
plɑˈfɔnt/
noun
- 1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
- 2. hoogste niveau
tak
verb
1. iemand lastigvallen
plage
/
ˈplɑg.bɑnt/
noun
1. een lintvormige drager die aan één of beide zijden bedekt is met kleefstoffen
limbånd
tape
teip
klebebånd
verb
1. steenachtige, houten of andere ondergronden met plamuur egaliseren of repareren
sparkle
noun
1. een voorgenomen handelswijze
plan
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
planet
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
planetarium
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
asteroide
/
plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
brett
noun
- 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
- 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
plante
verb
1. (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
plante
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
plantelære
/
'plɑstik/, /
'plɛstɪk/
noun
plastisch vervormbare polymere kunststof
plastikk
noun
1. een chirurgisch specialisme waarin men zich richt op het uit esthetisch en/of functioneel oogpunt aanpassen van het uiterlijk
kosmetisk kirurgi
noun
1. benaming voor loofbomen uit het geslacht Platanus
platan
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
platina
adjective
1. een variant van de blonde haarkleur, herinnerend aan de kleur van platina.
platinablond
noun
1. platte of afgezaagde zinsnede
platthet
/
ˈplɑtvɪs/
noun
1. een orde van vissoorten die op hun zijde op de bodem leven, en geheel plat zijn
flatfisk
flyndrefisk
noun
1. het plaatje waarmee snaren worden aangeslagen
plekter
/
ˈplɛinˌvreːs/
noun
agorafobi
noun
- 2. zelfklevend verband
- 1. (gipshoudend) kalkmengsel
plaster
/
plejoˈnɑsmə/
noun
1.
pleonasme
noun
1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
plog
verb
2. land met de ploeg bewerken
pløye
/
ploˈsif/
noun
1. medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie...
plosiver
/
plɵk/
noun
1. uitgetrokken bundeltje
dott
/
'plɵkə(n)/
verb
- 4. (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
plukke
- 2. ontdoen van de veren
plukke
ribbe
- 1. (bloemen) afbreken of oogsten
plukke
sanke
verb
1. met geweld zich roerende goederen toeëigenen uit de woning van iemand anders
plyndre
noun
1. Chemisch element
plutonium
/
po/
pronoun
1. stroom in Italië
Po
noun
1. Frans krulharig hondenras
puddel
/
pudərsnew/
noun
1. fijne sneeuw
pulversnø
noun
1. zeer fijn gemalen suiker
melis
noun
1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
bæsj
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
katt
huskatt
verb
1. in eigen vocht gaar laten worden
riste
noun
2. epidemische huidziekte
koppar
/
ˈpɔldəʀ/
noun
1. een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
polder
/
ˈpolə(n)/, /
ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
Polen
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
politi
/
poliˈtik/
adjective
1. betreffende de politiek
politisk
/
poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
politikk
noun
2.(België) een diepe, grote lepel met een lange steel gebruikt voor het opdienen van soepen, sauzen e.d.
øse
noun
1. Chemisch element
polonium
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
polysem
pronoun
1. historische regio in het zuiden van de Oostzee
Pommern
/
ˈpɔmpəlˌmus/, /
ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
2. een vrucht van deze boom
pomelo
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
gresskar
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
pund
noun
1. instrument dat of machine die gaten slaat in papier, metalen platen e.d.
stanse
verb
gaten in iets (vaak papier of metaal) maken door middel van een pons
stanse
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
ponni
/
'poːjər/
noun
1. een man die prostituees tegen betaling beschermt en helpt.
hallik
/
pol/, /
poɫ/, /
po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
polakk
noun
A 1. uiteinde van een draaiingsas
pol
noun
1. de begrenzing van het gebied waar 's zomer de middernachtszon gezien kan worden en 's winters de nacht een heel etmaal kan duren
polarsirkel
/
poɫs/, /
poːls/, /
po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
polsk
noun
1. bepaald soort zoogdier, Alopex lagopus
fjellrev
blårev
noun
1. benaming voor zeevissen uit familie Triglidae
knurr
/
poːrt/
noun
1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
port
noun
1. gezicht met weinig uitdrukking of karakter
dokkeansikt
dukkeansikt
noun
1. een in het klein uitgevoerde versie
dukkehus
/
pɔrsəlɛːn/, /
pɔrsəˈlɛɪn/
noun
1. fijn, geglazuurd aardewerk
porselen
noun
1. geldbuidel
portemoné
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
portrett
/
'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
Portugal
/
ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /
ˌpɔr.ty.ˈχes/
adjective
1. verwijzend naar Portugal of naar de Portugese taal
portugisisk
/
ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /
ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
portugisisk
noun
1. bepaald soort vis, Gymnocephalus cernuus
hork
/
pɔs/, /
pɔst/
noun
1. toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
post
noun
1. postbeambte
postbud
noun
1. een afgerichte duif die berichten kan overbrengen
brevdue
/
pɔs'terə(n)/
verb
1. ergens neerzetten
stasjonere
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
postkontor
adjective
1. na een letsel
posttraumatisk
/
ˈpɔseɣəl/, /
ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
frimerke
verb
1. ondiep in de aarde stoppen, met name van bollen, wortels, zaden e.d. om deze te laten groeien
plante
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
blyant
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
spermhval
/
prax/, /
praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Praha
/
ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
praseodym
/
ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
prate
/
ˌpredikaˈtif/
adjective
predikativ
verb
1. de voorkeur geven
foretrekke
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
purre
purreløk
noun
1. de eerste vaak feestelijke vertoning van een film, toneelstuk of een andere vorm van entertainment
premiere
verb
1. op een goed voorbereide wijze aanbieden aan anderen
presentere
noun
1. het staatshoofd van een republiek
president
noun
1. vaak fraai gevormd, zwaar voorwerp dat men boven op een stapel losse papieren kan leggen zodat de papieren niet kunnen wegwaaien
brevvekt
/
prøts/
adjective
1. zeer ingetogen, overdreven kuis
fisefin
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
priapisme
noun
1. priemgetal
primtall
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
prest
noun
1. de gevraagde geldsom bij verkoop
pris
noun
1. materiaal bestaande uit een dubbele, in elkaar gedraaide metalen draad...
piggtråd
noun
- 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
- 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
prins
noun
- 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
- 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
prinsesse
/
ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
skriver
/
proˈberə(n)/
verb
- 3. iets met succes trachten te beëindigen waarvan men niet weet of het gaat lukken
prøve
forsøke
- 2. onderzoeken
prøve
undersøke
undersøkje
- 1. testen
teste
utprøve
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
problem
knipe
adjective
1. met problemen behept
problematisk
noun
1. het geheel van problemen en bijzonderheden rond een vraagstuk
problematikk
adjective
1. een probleem vormend
problematisk
/
pro'sɛnt/
noun
1. een honderdste deel
procent
/
proˈsɛs/
noun
2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
forløp
noun
2. proefpersoon
forsøkskanin
verb
- 1. onderzoeken hoe iets smaakt
- 2. smaak waarnemen
smake
/
proˈfɛsɔr/
noun
1. de aanspreektitel voor een hoogleraar
professor
/
prɔx'nozə/
noun
1. een uitspraak over het vermoedelijk verloop van iets
utsikt
/
proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
prosjekt
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
promethium
/
proˈmotsi/
noun
1. een verhoging in rang
forfremmelse
/
prost/
interjection
1. heildronk
skål
/
ˈprostə(n)/
verb
1. het glas heffen en een gelukwens uitbrengen
skåle
noun
1. samengepakte massa weefsel of papier, vaak gebruikt om iets af te stoppen
dott
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
propaganda
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
prostitusjon
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
protactinium
verb
1. grote bezwaren uiten
protestere
pronoun
1. hypothetische, gereconstrueerde taal waar vele Europese talen, waaronder het Nederlands en het Frans, van afstammen
protoindoeuropeisk
/
pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
provins
noun
2. vrucht van de pruimenboom
plomme
noun
1. kerftabak die geschikt is om gepruimd te worden (om op te kauwen)
skrå
skråtobakk
tyggetobakk
/
psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
salme
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
Salmene
adjective
1. met betrekking tot de behandeling van geestelijke stoornissen
psykiatrisk
/
psixoloˈɣi/, /
psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
psykologi
adjective
1. met betrekking tot het gevoelsleven.
psykologisk
/
ˌpsi.χo.ˈloχ/, /
ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
psykolog
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
psykopat
/
psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
psykose
adjective
1. met betrekking tot het verband tussen geest en lichaam
psykosomatisk
noun
1. stroming in de psychologie
psykoterapi
/
pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
publikum
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Puerto Rico
/
pœʏ̯n/, /
pœːn/
noun
1. een massa vergruizelde steen
grus
noun
- 2. leerling
- 1. oogappel
pupill
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
valp
noun
1. chocolade van zuivere cacaopasta plus suiker
mork kokesjokolade
/
pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
brønn
noun
1. een stevig aan dek of boord verankerd oog waaraan het want of een stag want wordt bevestigd
røst
/
pyzəl/, /
pʏzɔl/
noun
1. een raadsel of moeilijke opgave die men als tijdverdrijf probeert op te lossen
puslespill
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
pyjamas
pysj
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Pyreneene
/
kɑt/
noun
1. blad van een bedektzadige plant Catha edulis
khat
/
ka'tar/, /
ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
Qatar
noun
1. een motorfiets of brommer op vier wielen
ATV
noun
1. volgeling van een religieuze beweging gekend onder de naam Genootschap der Vrienden
kveker
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
karantene
/
kwɑtʃ/, /
kʋɑtsʲ/
noun
1. onzin
vrøvl
pronoun
1. macrotaal die door indianen in Ecuador, Peru en Bolivia wordt gesproken
quechua
pronoun
1. een door de schrijver J.R.R. Tolkien bedachte kunsttaal die toegeschreven is aan de Elven
quenya
/
kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
quinoa
noun
1. spel waarbij de deelnemers vragen moeten proberen te beantwoorden
quiz
noun
1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
kvotient
interjection
1. horizontaal draaibare boom aan mast
rå
pronoun
Den europeiske unions råd
verb
1. een bron van informatie of ervaring aanspeken
rådspørre
noun
1. iets waarnaar men moet raden
gåte
/
raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
ravn
noun
1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
vindu
adjective
1. afwijkend van gewoonlijk, verbazing opwekkend
rar
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
rabarbra
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
radian
noun
1. een toestel dat door straling warmte afgeeft, ofwel ter verwarming van een ruimte, ofwel ter koeling van bijvoorbeeld een motor
radiator
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
reddik
/
ˈradijo/
noun
- 1. toestel
- 2. medium
radio
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
radium
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
radon
noun
- 1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
- 2. een baan waar een railvoertuig over rijdt
skinne
verb
2. emoties opwekken
affect
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
rakett
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
Væren
noun
1. mannelijk schaap
vær
noun
1. gammel voertuig op wielen
skranglekasse
noun
1. een gammel voertuig
skranglekasse
/
rɑnt/
abbreviation
1. een munteenheid in Zuid-Afrika
rand
/
rɑnt/
noun
- 1. de bovenkant van een bak of vat
- 3. de buitenkant van een gebied of een ding
rand
verb
1. iemand met een stok of karwats een pak slaag geven
banke
noun
1. bepaald soort vogel, Asio otus
hornugle
noun
1. schriftelijk bericht over een gebeurtenis of toestand
rapport
verb
1. met een rasp afvijlen en fijnmaken
raspe
/
rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
rotte
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
osp
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
klapperslange
noun
1. een diepe, steile insnijding in een terrein
juv
verb
2. voortbewegen of overtrekken van een natuurverschijnsel ...
herja
noun
1. soort raadsel
rebus
adjective
1. een korte tijd geleden gebeurd of begonnen
nylig
adverb
1. nog niet lang geleden
nylig
noun
- 1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
oppskrift
resept
- 2. doktersvoorschrift voor (de bereiding van) een geneesmiddel
resept
oppskrift
noun
1. het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
rett
noun
1. een instelling waar rechtgesproken wordt
domstol
noun
1. hoek van 90 graden
rett vinkel
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
menneskerettigheter
/
ˈrɛxtər/
adjective
1. aan de tegenovergestelde zijde van het lichaam waar gewoonlijk het hart zit
høyre
/
ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
dommer
noun
1. de hand aan de overzijde van waar zich in het lichaam gewoonlijk het hart bevindt
høyre
/
'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
rektangel
adjective
1. tegenovergestelde van links
høyre
noun
1. het voeren van een gerechtszaak
rettssak
noun
1. doelgerichte wilsuiting die rechtsgevolgen heeft
rettshandel
/
ɾɛχts.pɛɾ.soːn/
noun
1. groepering van goederen of natuurlijke personen die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
juridisk person
noun
1. staat waarvan de macht gereguleerd en beperkt wordt door het geldende recht
rettsstat
/
rɛx'streks/
adjective
1. zonder omwegen
direkte
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
rettferdig
adjective
1. een dimensie bezittend die de omgekeerde is van een andere dimensie
resiprok
noun
1,2 informatie over, en aanprijzing van diensten, producten en ideeën
reklame
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
redde
berge
frelse
noun
1. iemand die iemand anders redt
redder
noun
1. een speciaal gebouwde en uitgeruste boot om het schip in geval van nood veilig te kunnen verlaten.
livbåt
/
ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
grunn
/
ˈrɛtstər/
noun
1. vrouwelijk persoon die een ander uit de nood helpt
redder
/
redypliˈkatsi/
noun
1. vorming van een nieuw woorden of zinsneden door geheel of gedeeltelijke herhalen van een deel daarvan
reduplikasjon
noun
1. sierlijk slank hert, komt bijna in heel Europa voor
rådyr
noun
1. een opeenvolgende rij van gebeurtenissen
rekke
/
ˈreɣəɫ/
noun
3. een voorschrift, richtlijn, norm
regel
adjective
1. aan een bepaalde regel gehoorzamend
regelmessig
/
reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
regn
/
ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
regnbue
noun
1. een trui voor de wereldkampioen wielrennen
regnbuetrøya
/
ˈreɣə(n)ˌdrʏpəɫ/
noun
1. een druppel die als regen uit de lucht naar beneden valt
regndråpe
/
ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
regne
noun
1. een paraplu
paraply
/
'reɣəʋɔrm/
noun
1. benaming voor dieren uit de familie Lumbricidae
meitemark
noun
1. een bos in een klimaat met het hele jaar door neerslag
regnskog
verb
1. het uitoefenen van de politieke macht...
regjere
styre
/
re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /
rə.'ɣeː.rɪŋ/, /
rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
regjering
/
ˌreɣiˈsidə/
noun
1. een bewuste moord op een koning.
kongemord
verb
1. vastleggen in een register
tinglyse
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
hegre
adjective
1. zonder vuil
ren
rein
verb
1. zichtbare en onzichtbare vervuiling van een oppervlak verwijderen
rense
/
rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
tur
reise
noun
1. een rijtuig dat bedoeld is voor lange reizen
turbuss
verb
1. onderweg zijn
kjøre
/
ˈre.kə.nə(n)/
verb
- 2. in rekening brengen
beregne
- 1. getallen manipuleren
regne
noun
1. de optelsom van te betalen bedragen
regning
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
aritmetikk
adjective
1. van toepassing
relevant
/
rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
religion
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
brems
/
ˈrɛm.spor/
noun
- 1. spoor van een rubberband
- 2.
bremsespor
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
reinsdyr
rein
noun
1. Chemisch element
rhenium
noun
[A] 1. zeer snel lopen
løpe
/
rənoˈverə(n)/
verb
1. opknappen, repareren, vernieuwen
renovere
/
rɛp'til/
noun
1.
reptil
krypdyr
/
repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
republikk
republik
pronoun
De forente Nederlandene
noun
1. de manier waarop iemand bekend is
rykte
/
resər'vʷar/
noun
1. plaats waar water of een andere vloeistof bewaard kan worden
basseng
reservoar
/
rezɵl'tat/
noun
1. een uitkomst
resultat
noun
1. een buitengewoon grote man
kjempe
noun
1. bepaald soort vaste plant, Equisetum telmateia
kjempesnelle
noun
1. kermisattractie
pariserhjul
noun
1. een handvuurwapen met een roterende trommel met kogels
revolver
pronoun
1. een rivier van 812 km lengte die ontspringt in Zwitserland, door Frankrijk naar het zuiden stroomt en uitmondt in de Middellandse Zee
Rhône
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
Rippe
ribbein
noun
1. een van de platte, dunne, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
ribbein
ribb-bein
ribb-ben
ribben
verb
2. zich ~ op: een bepaald doel nastreven
stile til
/
ˈrɪxtɪŋ/, /
ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
retning
noun
1. een systeem om richting aan te geven in een voertuig
viser
noun
1. aanwijzing voor een te volgen gedrag
retningslinje
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
ridder
noun
1. een handwerktuig voor het verplaatsen van bladeren, gras of gewied materiaal in de vorm van een grote vork met smalle tanden
greip
/
rim/
noun
2. steel met een bladvormig uiteinde, bedoeld om een vaartuig voort te bewegen
styre
/
rit/
noun
- 1. plantensoort
- 2. onderdeel muziekinstrument
rør
noun
2. drinkbuisje
sugerør
noun
suiker, verkregen uit het sap van suikerriet
rørsukker
noun
1. een ondiepte in water, koraalbank, klip
rev
/
rɛɪ̯/, /
rɛː/
noun
- 1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
- 2. een opeenvolging van elementen
rad
noun
1. weggedeelte bestemd voor voertuigen
kjørebane
/
ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /
ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /
ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
førerkort
/
ˈrɛɪ̯də(n)/, /
ˈrɛːdə(n)/
verb
1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
kjøre
ake
/
rɛɪ̯k/, /
rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
rik
/
rɛɪ̯k/, /
rɛːk/
noun
1. een staat of natie onder een vorst of heerser
rike
noun
1. fraai uitgevoerde bol met bovenop een kruis die symbolisch de wereld voorstelt
rikseple
noun
- 1. bevroren dauw
rim
hele
- 1. gelijkheid van klank in een vers
rim
/
rɛɪ̯n/, /
rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
Rhinen
noun
1. bevroren dauw
rim
hele
pronoun
1. stad in Noord-Frankrijk nabij de Belgische grens
Lille
/
rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
ris
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
rynke
noun
1. een zangvogel uit de familie van mussen en sneeuwvinken
pilfink
noun
1. Natrix natrix
buorm
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
ringfinger
/
'rɪŋwɛx/
noun
1. een weg die als een ring rond een bepaald gebied ligt
ringveg
noun
1. een mogelijk gevaar voor schade
risiko
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
rytme
noun
1. deel van een bandje of orkest dat het ritme van een muziekstuk aangeeft
rytmeseksjonen
noun
2. ritssluiting
glidelås
/
riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
flod
elv
/
ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
robot
noun
1. kwaadsprekerij, achterklap
rykte
verb
1. op een vervelende manier over anderen praten
skravle
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx rufus
rødgaupe
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
rødvin
noun
1. Canis rufus, een lid van de Canivora, leefde in het gehele oostelijk deel van de Verenigde Staten...
rødulv
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
Rødehavet
/
ˌro.də.ˈhɔnt/
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
røde hunder
noun
1. chemisch element met symbool Rh
rhodium
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
ro
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
kornkråke
adjective
1. zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
hensynsløs
/
ruˈmens/, /
ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
rumensk
/
ruˈmeni.jə/, /
ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
Romania
/
rup/
noun
2. faam, reputatie
rykte
noun
- 2. stuurmiddel
styre
- 1. vlak waarmee gestuurd wordt
styre
ror
/
rurɛi/
noun
1. een gerecht van gebakken eieren en losgeklopte melk
eggerøre
noun
1. geoxideerd ijzer
rust
/
rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
sot
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
rokke
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
dyrket rug
rug
noun
1. buis- of kegelvormig kledingstuk
skjørt
/
ˈroːkə(n)/
verb
- 1. rook afgeven
- 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
- 3. conserveren door langdurige blootstelling aan rook
røyke
noun
1. een gordijn dat bij het sluiten van een ronde stok wordt afgerold
rullegardin
verb
1. zich wentelend over een oppervlak bewegen
rulle
trille
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
rullestol
noun
1. trap met bewegende treden
rulletrapp
noun
B 1. volk in Europa en Azië dat traditioneel een zwervend bestaan leidt
Romafolket
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
roman
/
roˈmɑns(x)rɛɪvər/
noun
1. een mannelijke persoon die romans schrijft
romanforfatter
/
ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Roma
/
roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
Romerriket
adjective
1. cirkelvormig
rund
verb
1. naar vele plaatsen onderweg zijn
reise
/
rod/, /
rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
rød
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
rødstrupe
raudstrupe
noun
1. Turdus migratorius, een in Noord-Amerika veel voorkomende lijstersoort
vandretrost
adjective
1. met rood gekleurde haren
rødhåret
raudhåret
pronoun
1. sprookjesfiguur
Rødhette
noun
1. het openlijk en gewelddadig wegnemen van hetgeen een ander toebehoort
ran
noun
1. exotische roof- en zoetwatervis die voorkomt in de wateren van de Benelux, Leuciscus aspius
asp
/
ˈrovdir/
noun
1. dier dat zijn prooi bejaagt en doodt
rovdyr
noun
1. benaming voor gewervelde waterdieren met kieuwen die hun prooi bejagen en doden
rovfisk
/
ˈroˌfoχɔɫ/, /
ˈroːˌfoːɣəl/, /
ˈroːˌvoːɣəl/
noun
1. eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
rovfugl
/
roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
røyk
noun
1. een verbod om te roken
røykeforbud
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
fløte
/
'rɔskɑm/
noun
1. een grof soort kam die voor het verzorgen van paarden of het schoonmaken van andere borstels gebruikt wordt
strigle
noun
1. kleine wit-zwarte gans met een ver klinkende rott-rott roep, Branta bernicla
ringgås
noun
2. bepaald soort vuurwerk dat na het aansteken van de lont wordt weggegooid en dan een harde knal geeft
kinaputt
noun
1. een grote ruwe steen
bergart
/
ˈrɔtstœʏn/, /
ˈrɔtstœːn/
noun
1. een tuin met rotspartijen en rotsplanten
fjellhage
steinbed
noun
1. een zich min of meer loodrecht verheffend deel van een berg
bergvegg
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
røver
/
roːzə/, /
rɔːs/, /
rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
rosa
noun
2. keukenkruid
rosmarijn
rosmarin
noun
1. schijnvrucht van wilde rozen
nype
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
rosenkrans
noun
1. Chemisch element
rubidium
/
rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
rygg
noun
1. pijn in de rug
ryggsmerte
/
rœʏkə(n)/, /
rœːkə(n)/
verb
- 1. een geur waarnemen
- 2. een geur verspreiden
lukte
noun
1. een boeket
blomsterbukett
/
rœy̯m/
adjective
1. van grote omvang of uitgestrektheid
rommelig
noun
- 2. vertrek, kamer
rom
- 3. heelal
verdensrom
rom
/
rœʏn/
noun
1. gecastreerde hengst
vallak
noun
1. bepaald soort zoetwatervis die zich graag tussen het riet ophoudt, Scardinius erythrophtalmus
sørv
noun
- 1. een glazen plaat in een venster
glasrute
- 2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
rombe
noun
1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
vindusvisker
noun
1. berijder van een rijdier
rytter
verb
- 2. masturberen
runke
masturbere
onanere
- 1. in een snelle beweging trekken
røske
/
ˈrʏk.wɪnd/, /
ˈrʏk.ʋɪnt/, /
ˈrʏk.β̞ɪnt/
noun
1. een zeer harde windvlaag
vindkast
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
rom
/
rʏnd/, /
rʏnt/
noun
- 1. holhoornig herkauwend zoogdier
ku
- 2. een dom en onhandig iemand
kveg
naut
stut
noun
1. als vee gehouden runderen
naut
/
ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
oksekjøtt
/
ˈrynə/
noun
1. een schriftteken van het Oud-Germaanse alfabet
runer
noun
1. een inwoner van Rusland
russer
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
Russland
/
ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
russisk
/
ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
russisk
/
rɵst/
noun
2. tijdelijke toestand van ontspanning na arbeid, moeite of inspanning
ro
pause
adjective
1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
lun
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
ruthenium
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
rutherfordium
noun
1. toestand waarin men in ernstig conflict is met anderen
krangel
/
ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
ruin
/
ru.ˈwɑn.da/, /
ru.ˈʋɑn.da/, /
ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
Rwanda
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
sabotasje
noun
1. plechtige gebeurtenis in de katholieke kerk
sakrament
noun
1. een ruimte in een rooms-katholieke kerk, waarin men alles bewaart dat nodig kan zijn om een kerkdienst te houden.
sakristi
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
safir
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
safran
/
sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
Saint Vincent og Grenadinene
pronoun
Saint-Pierre og Miquelon
noun
1. Falco cherrug
tatarfalk
pronoun
1. Duitse deelstaat
Sachsen
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
salvie
pronoun
1. koning van Israël
Salomo
/
ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /
ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
Salomonøyene
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
salpetersyre
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
samarium
noun
1. gezin met kinderen van één of beide partners uit een eerdere relatie met een ander
flettverksfamilie
verb
1. met een of meer aan hetzelfde werken
samarbeide
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
samisk språk
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
samisk språk
/
sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Samoa
/
ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
samurai
pronoun
1. Baltische taal gesproken door 500 duizend mensen in Litouwen
samogitisk
/
ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
San Marino
/
'sɑŋksi/
noun
1. strafmaatregel
sanksjonere
/
sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
sandal
noun
1. een bepaald houtsoort (Santalum album of verwante soorten)
sandeltre
noun
1. een Spaanse licht-alcoholische drank
sangria
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
sanskrit
/
saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /
ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /
ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
São Tomé og Príncipe
/
sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /
zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Saudi-Arabia
noun
1. plant die van organisch afval leeft
saprofytt
noun
1. een stenen doodskist
sarkofag
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
sardin
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Sardinia
/
sɑr'donis/
adjective
1. op een bittere manier grijnzen of lachen
bitter
/
saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Saudi-Arabia
/
saˈul/
pronoun
2. jongensnaam
Saul
/
'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
badstue
/
sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
saus
/
ˈsa.va/
pronoun
1. een rivier in Zuidoost-Europa met een lengte van 940 km.
Sava
noun
1. een grasland met verspreid voorkomende bomengroei
savanne
noun
1. iemand die (beroepshalve) saxofoon speelt
saksofonist
/
sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
saksofon
/
skɑn.ˈdeː.rə(n)/, /
skɑn.ˈdɪː.rə(n)/
verb
2. ritmisch declameren met één sterke nadruk per versvoet.
skandere
pronoun
1. Denemarken, Noorwegen en Zweden.
Skandinavia
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
scandium
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
septer
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
høvel
noun
2. het schaakspel als zodanig
sjakk
sjakkspill
/
ˈsxagbɔrt/, /
ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
sjakkbrett
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
sjakk
sjakkspill
/
sxaːldir/
noun
1. een dier met een schaal als uitwendig skelet
skalldyr
noun
1. huidplooi bij de opening van de vulva, aan beide zijden van de vagina
kjønnslepper
noun
1. kleine parasieten die voorkomen in het schaamhaar, maar ook op wimpers...
flatlus
noun
- 1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
får
sau
- een kudde schapen
saueflokk
noun
1. werktuig om te knippen
saks
/
'sxarstə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
mangel
noun
1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
skeise
noun
2. bepaald soort insect, Gerris lacustris
vannløpere
noun
1. geheel van beschadigingen
skade
/
ˈsxadələk/
adjective
1. schade toebrengend
skadeleg
/
ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
skygge
noun
1. een sedimentair gesteente
leirskifer
/
ˈsxaː.mə(n)/, /
ˈsχa.mə(n)/
verb
1. schaamte voelen
skjemmes
noun
1. een paal op een plein, waaraan mensen bij wijze van straf werden vastgemaakt om vernederd...
gapestokk
noun
1. een wintersport waarbij op skis van een helling (de schans) gesprongen wordt. Het doel daarbij is om zowel zo ver als zo mooi mogelijk te springen
skihopping
noun
1. bepaald soort platvis Limanda limanda
sandflyndre
noun
1. verzamelde rijkdom
skatt
verb
1. gladmaken door middel van een schaaf.
skrape
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
skjede
/
sxeːf/
adjective
1. niet recht, schuin
skjev
/
sxeːl/
adjective
1. het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
skjeløyd
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
skinnebein
/
sxeːrmɛs/, /
sχɪːrmɛs/
noun
- 1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
barberkniv
- 2. Ensis
knivskjell
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
kjemi
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
kjemisk
/
ˈsχɛldə/
pronoun
1.een rivier die ontspringt in de gemeente Gouy in noordelijk Frankrijk
Schelde
/
'sxɛltwoːrt/
noun
1. een term die bedoeld is om iets of iemand te beledigen
skjellsord
/
sxɛlp/
noun
1. een uit kalk gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier wordt aangemaakt
skjell
noun
1. bepaald soort kabeljauwachtige consumptievis, Melanogrammus aeglefinus
hyse
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
skumring
/
ˈsxɛpə(n)/
verb
- 1. doen ontstaan uit niets
skape
- 1. met bijv. een lepel of spaan een hoeveelheid van een bep. materiaal uit iets (bijv. een vat) naar boven halen, of het juist daarin doen
øse
/
sxeːrə(n)/, /
sχɪːrə(n)/
verb
1. baard afsnijden
barbere
rake
noun
1. verticale draden van het weefgetouw
renning
adjective
1. goed snijdend
skarp
/
sxøːr/, /
sχʏːr/
noun
1. een kloof in een vlies of weefsel
brist
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
skjørbuk
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
halvø
halvøy
/
ˈsxi.tə(n)/, /
ˈsχi.tə(n)/
verb
- 1. een projectiel afvuren met een wapen
- 2. de bal een trap geven
skyte
noun
1. gat om door te schieten
skyteskår
noun
1. een confrontatie waarbij partijen elkaar beschieten
skyting
/
sxɛi̯f/
noun
1. plat en rond voorwerp
skive
verb
3. straling uitzenden
lyse
/
sxɪlt/
noun
1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
skjold
noun
- 1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
- 2. een handwerksman die huizen schildert
maler
verb
- 1. een kunstwerk vervaardigen door met verf een beeld op een oppervlak te maken
- 2. een bouwwerk of voorwerp van een beschermend laag verf voorzien
male
/
ˌsxɪldə'rɛː/, /
ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
maleri
/
sxɪldkliːr/, /
sxɪɫtkliːr/, /
sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
skjoldbruskkjertel
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
skilpadde
verb
1. de schil van een vrucht verwijderen
skrelle
noun
- 2. zwamsoort of substantie die op dode of levende organismen groeit.
mugg
hussopp
- 1. paardenras met een grotendeels witte vacht met fijne grijze of blauwige tekening
skimmel
noun
2. rijk binnen de eukaryoten, Fungi
sopp
noun
1. groot zeewaardig vaartuig
skip
/
sxɪbrøk/
noun
1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
forlis
verb
1. een sterk licht verspreiden
lyse
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
schizofreni
noun
1. een vervelend iemand
drittsekk
/
sxun/
noun
1. voetbekleedsel
sko
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
skonnert
skonnertskip
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
skolisse
noun
2. een gebeurtenis die iemand hevig van de wijs brengt
sjokk
noun
1. heftige uitwerking
virkning
noun
1. zwart-witte waadvogel met luide roep, Haematopus ostralegus
tjeld
verb
1. aan een opleiding onderwerpen
lære opp
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
elev
disippel
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
dumphuske
noun
- 2. wiskundige structuur
knippe
- 1. samengebonden bundel halmen
nek
/
sxoːl/, /
sxoːɫ/, /
sχoːɫ/
noun
1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
skole
/
ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
svoger
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
svigerdatter
/
ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
- 1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
- 2. iemand (gewoonlijk een vrouw) die schoonheid bezit
skjønnhet
verb
1. reinigen
rense
rydde
/
ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
svigermor
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
svigerfar
noun
1. de man van een dochter of zoon
svigersønn
/
ˈsxonzʉs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
svigerinne
noun
1. de echtgenote van broer of zus, of de zus van de echtgenoot of echtgenote
svigerinne
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
skorstein
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
feier
/
ˈsxoːrwɑl/, /
ˈsxoːrβ̞ɑl/, /
ˈsχɔːrʋɑl/
noun
1. een lange, smalle landtong die gevormd wordt door afzetting van zand in een bocht van de zeekust, en die de bocht op deze manier geheel of gedeeltelijk afsluit van de open zee
nes
/
sxot/, /
sχot/
noun
1. de bovenkant van de dijen van iemand die zit
fang
/
'sxɔ.pə(n)/
verb
1. een trap geven
tråkke
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 oktober tot 22 november
Skorpionen
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
skorpion
/
sxɔrs/
noun
1. buitenste laag van (boom)stam
bark
verb
2. tijdelijk onderbreken
avbryte
noun
1. een persoon afkomstig uit Schotland
skotte
/
ˈsxɔtlɑnt/, /
ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Skottland
/
ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lis/, /
ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lɪs/, /
ˌsχɔts.χa.ˈe.lis/
pronoun
1. Keltische taal die door ongeveer 60.000 personen wordt gesproken op de Schotse eilanden ...
skotsk-gælisk
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
skulder
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
skulderblad
/
'srɑpə(n)/, /
'sxrɑpə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp zoals een mes de oppervlaktelaag verwijderen
skrape
/
ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
hyle
/
srɪft/, /
sxrɪf/, /
sxrɪft/
noun
- 4. de lettersoort gebruikt in boeken, teksten en inscripties
- 3. de letter- en cijfertekens van een taal
skrift
/
'srɛɪ̯fʋɛɪ̯zə/, /
'sxrɛɪ̯fwɛɪ̯zə/, /
'sxrɛːfβ̞ɛːzə/
noun
1. spelling
ortografi
rettskriving
rettskrivning
/
ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
skrive
/
ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
forfatter
noun
1. een jaar met 366 dagen
skuddår
noun
1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
skrue
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
skrujern
skrutrekker
skruvjern
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
riste
noun
- 1. een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe niet betaald wordt
- 2. een verantwoordelijkheid die iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
gjeld
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
troende
/
sxyrə(n)/
verb
1. een oppervlak glad maken door wrijving met een ruw oppervlak van grotere hardheid
skrape
/
sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
skurk
/
sxyːr/, /
sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
låve
/
ˈskrɪp.si/
noun
1. een werkstuk over een (literatuur-) onderzoek dat gemaakt wordt om een opleiding te kunnen voltooien
avhandling
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
seaborgium
noun
- 1. SI-grondeenheid van tijd
- 5. een interval met een toonafstand
sekund
noun
1. schrijfmeubel met laatjes
sekretær
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Seinen
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
seismologi
/
sɛɪ̯.ˈzun/, /
sɛː.ˈzun/
noun
- 2. een jaarlijks terugkerende periode
sesong
- 1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
årstid
/
sɛks/
noun
2. geslachtsgemeenschap
sex
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
seksuelt overførbar sykdom
noun
1. ziekten die vooral worden overgedragen door seksueel contact.
seksuelt overførbare infeksjoner
/
ˌsɛksʏwolo'ɣi/
noun
sexologi
/
ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
sekt
noun
1. bepaald soort plant, Apium graveolens
selleri
noun
1. taalkunde
semantikk
/
ˈse.ne.ˌɣɑl/, /
ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Senegal
noun
1. negende maand van het jaar
september
adjective
1.vredig en kalm
fredelig
/
sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
syrin
noun
1. een neurotransmitter met een overwegend inhiberende werking
serotonin
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
tjener
server
sørver
/
sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
serviett
/
ˈsɛrvis/, /
ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
serbisk
/
ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
Serbia
/
ˈsɛrvi.jər/
noun
1. een inwoner van Servië, of iemand afkomstig uit Servië
Serbiske
/
sɛrvoːkroːˈaːtis/
pronoun
serbokroatisk
noun
1. een uit Afrika afkomstige plant uit de familie Pedaliaceae
sesam
noun
1. hoekmeetinstrument
sekstant
/
se.ˈʃɛ.lə(n)/, /
sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
Seychellene
/
ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
sjampo
/
ʃɔp/
noun
1. een winkel
butikk
noun
1. een schaatsdiscipline waarbij op een baan van 111,12 meter op diverse afstanden geschaatst wordt door meerdere rijders tegelijk
kortbaneløp
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
SI-systemet
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 10 miljoen mensen op Sicilië, in Zuid-Calabrië en Salento
siciliansk
/
sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
Sicilia
noun
1. bepaald soort grote, palingachtige vis die zware stroomstoten kan afgeven, Electrophorus electricus
elektrisk ål
/
ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /
ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /
ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
Sierra Leone
/
sɪɣɑˈrɛt/, /
sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
sigarett
noun
1. benaming voor een hoefdier Cervus nippon
sikahjort
/
ˈsɪkəl/
noun
1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
sigd
/
siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
Schlesien
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
silisium
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
appelsin
/
sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /
sɪŋ.gɑ.poːr/, /
sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Singapore
noun
1. kort onderhemd zonder mouwen
singlet
noun
de linguïstieke en culturele assimilatie van termen en concepten naar die van de taal en cultuur van China
sinifisering
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Sinsheim
/
ˌsɪntøˈsta(t)sijʏs/
pronoun
Sint Eustatius
/
sɪnt.'maːr.tən/
pronoun
1. eiland in het noordoostelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Saint Martin
noun
1. Pecten jakobeus
kamskjell
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
St. Petersburg
pronoun
1. Sirius
Hundestjernen
verb
1. hoogfrequente ruis voortbrengen, zoals het geluid van de s-klank
frese
/
sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
situasjon
noun
1. een langwerpige lap stof die om de hals gedragen wordt
skjerf
noun
1. een kleine uiensoort
sjalottløk
noun
1. aan een spit geroosterde stukjes vlees en paprika
sjasjlyk
noun
1. iemand die beroepsmatig zware lasten verplaatst
havnearbeider
noun
1. een Noordse hofdichter, heldendichter, volksdichter, dichterzanger en geschiedschrijver.
skald
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
skjelett
noun
1. bril die tijdens het skiën gedragen wordt
skibriller
verb
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
gå på ski
noun
- 2 en 3. (bladeren van) Lactuca sativa
- 1. plant van de soort Lactuca
bladsalat
/
slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
slave
verb
1. een klap uitdelen; met de arm of een vastgehouden voorwerp een snelle, rakende beweging maken
banke
/
slap/
noun
- 1. periode van inactiviteit
søvn
- 3. zijvlak van het hoofd
tinning
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
soverom
soveværelse
noun
1. melodie met eenvoudige tekst die gezongen wordt om een kind in slaap te krijgen
vuggevise
bånsull
/
slɑp/
noun
1. doekje om op te morsen
smekke
/
slɑxtə(n)/
verb
1. een dier doden voor het vlees of als offer
slakte
/
ˈslɑx.hœːs/, /
ˈslɑxt.ɦœːs/, /
ˈslɑχ.tœʏ̯s/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
slaktehus
noun
- 2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
- 1. een dier dat gedood wordt als offer voor een godheid
- 3. in het bijzonder iemand die sterft (of gewond raakt) ten gevolge van een gebeurtenis (ramp of gewelddaad)
offer
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
pulsåre
/
ˈslɑxbom/, /
ˈslɑçbom/
noun
balk die dwars over een weg kan worden neergelaten als afsluiting
bom
noun
1. muziekinstrument waarop wordt geslagen
slagverkinstrument
/
ˈslaxfɛlt/
noun
1. een gebied waarop een militair treffen tussen twee legers plaatsvindt of plaatsgevonden heeft
slagmark
noun
1. door schade sterk naar één kan overhellen van een schip
slagside
noun
2. een onoplosbaar afvalproduct bij het smelten van metaal
sinder
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
slange
orm
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
sove
/
ˈsla.pə.rəx/, /
ˈsla.pə.rəχ/, /
ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
døsig
søvnig
/
ˈslaː.və(n)ˌsxɪp/
noun
slaveskip
/
slɛçt/
adjective
1. niet goed
dårlig
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
vandrefalk
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
kjelke
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
bukserbåt
noun
1. vlechtwerk van touw dat over een waterbodem gesleept kan worden om zo waterdieren te vangen
vad
verb
1. met een slee door de sneeuw glijden
ake
verb
1. (langzaam) ergens heen lopen, futloos of lusteloos
slentre
/
sløːtəl/, /
sløːtəɫ/, /
ˈslø.tɔɫ/
noun
- 1. werktuig om te (ont)sluiten
- 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
nøkkel
- 2. moer- of Engelse sleutel
skiftenøkkel
fastnøkkel
/
ˈsløtəɫˌbɔs/
noun
1. aantal sleutels dat aan eenzelfde ring of band hangt
nøkkelknippe
/
slirt/
noun
1. een lang, dun, slap hangend voorwerp met betrekking tot haar
dott
noun
1. slijm afscheidend membraan
slimhinne
adjective
1. intelligent, snel van begrip
listig
lur
slu
/
slɪp/
noun
- 1. kort, strak onderbroekje zonder pijpen
truse
underbukse
- 1. punt van een stof die naar beneden hangt
snipp
/
sloːt/
noun
1. smal watergang om of tussen weilanden
grøft
noun
- 1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
lås
- 2. een middeleeuwse versterkte woning
slott
lås
/
sloˈvens/, /
sloˈveːns/, /
sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
Slovensk
/
sloˈveni.jə/, /
sloˈveːni.jə/, /
sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
Slovenia
/
slo.ˈwaks/, /
slo.ˈʋaks/, /
slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
Slovakisk
slovakisk
/
ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /
ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /
ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Slovakia
noun
1. het in een lichte slaap verkeren
dorme
verb
1. toedoen, dichtmaken
avslutte
slutte
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
sikkerhetsnål
/
slyw/
adjective
1. op een doortrapte wijze slim
sleip
/
ˈsmaː.kə.los/
adjective
- 1. (van voedsel) geen smaak hebbend
smakløs
- 2. (figuurlijk) geen fatsoen of gevoel voor esthetiek of mode hebbend, vulgair
smakløs
harry
/
smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
tigge
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
smelte
/
ˈsmɛltkrus/
noun
2.
smeltedigel
/
smɛltpʌnt/
noun
1. de temperatuur waarbij iets gaat smelten
smeltepunkt
verb
1. met een zachte massa bestrijken
smøre
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
smed
/
ˈsmɔ.kə.lə(n)/
verb
1. wederrechtelijk goederen over een grens brengen om heffingen te ontduiken
smugle
noun
1. muziekinstrument met snaren
strengeinstrument
/
ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
nebb
/
sneʊ̯/, /
sneːβ̞/, /
snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
snø
sne
/
ˈsneʊ̯bɑl/, /
ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
snøball
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
snø
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
fjellrype
/
'snewjɑxt/
noun
1. sneeuwval bij harde wind
snøstorm
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
snømann
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
snømann
/
'snew.stɔrm/
noun
snøstorm
noun
1. bepaald soort vogel, Bubo scandiacus
snøugle
noun
1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
hastighet
fart
hurtighet
tempo
/
ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
skjære
/
ˈsnujə(n)/
verb
1. terugbrengen op gewenste lengte
kviste
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
gjedde
noun
1. bepaald soort zoetwaterroofvis, Sander lucioperca
gjørs
noun
1. een slijmerige afscheiding uit de neusholte
snørr
noun
1. reukorgaan van dieren
tryne
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
snorke
noun
1. wetenschap
sosiologi
/
su.ˈdɑn/, /
zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
Sudan
noun
1. vloeibaar gerecht
suppe
noun
1. een geglazuurde schaal om soep of stoofpot uit te serveren
suppeterrin
verb
1. dommelen, half slapen
drømme
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
programvare
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
sokk
noun
2. extra online identiteit
sokkedukke
/
sɔlˈdaːt/
noun
1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
soldat
noun
1. een stuk gereedschap om mee te solderen
loddebolt
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Somalië
Somalisk
/
so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
Somalia
noun
- 1. een peilstift om de ruimte binnen een lichaam te verkennen, of om er gegevens op te nemen
- 3. een onbemand ruimtevaartuig
sonde
/
ˈsɔːrt/
noun
1. een groep voorwerpen die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
slags
noun
2. de naam van de groep waartoe iets behoort
appellativ
noun
1. sopraansaxofoon
sopransaksofon
pronoun
1. een groep Slavische talen die wordt gesproken in het oosten van Saksen en het zuidoosten van Brandenburg
Sorbisk
sorbisk
noun
1. klein voorwerp dat helpt om aan een prettige ervaring met een plaats of persoon terug te denken
suvenir
noun
1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
eike (hjul)
/
ˈspakbeɪn/
noun
bot in de onderarm
spolebein
/
spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
spansk
/
spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
spansk
noun
1. afgesloten voorwerp waarin contant geld opgespaard wordt
sparegris
noun
1. plankje e.d. om arm of been rust te geven
spjelke
verb
1. fixeren van een gewricht
spjelke
/
ˈspɑ.ɲard/, /
ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
spanjol
/
ˈspɑ.ɲə/, /
ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
Spania
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
gran
/
ˈspa.rə(n)/
verb
1. geld niet uitgeven
spare
noun
1. spaan, lepel, e.d. met plat, bot uiteinde om mee te smeren
stekespade
noun
1. een gedroogd plantendeel, anders dan een groen blad of stengel, dat als geur-, kleur- of smaakstof aan voedsel wordt toegevoegd
krydder
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
hakkespett
/
spe.si.ˈjal/, /
spe.ˈsjaːl/, /
spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
spesiell
noun
1. kleurenband
spekter
noun
1. iemand die bij het kopen of verkopen op korte termijn veel winst verwacht te maken door prijsstijging of prijsdaling
jobber
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
spytt
noun
1. een omheinde plek grond met speelobjecten voor kinderen
lekeplass
noun
2. tepel van een zoogdier
patte
/
spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
spyd
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
spill
verb
1. letters in de juiste volgorde plaatsen
stave
/
ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
rettskriving
rettskrivning
ortografi
noun
1. grove tarwesoort
spelt
noun
1. een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat
spillteori
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
spurvehauk
noun
1. beelden terugkaatsend voorwerp
speil
verb
1. bedrog plegen bij een schooltest
jukse
/
ˈspiːrpɛɪ̯n/, /
ˈspiːrpɛːn/
noun
1. pijn in een spier
gangsperr
gangsperre
noun
1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
spiker
noun
1. een broek van spijkerstof
olabukse
dongeribukse
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
edderkopp
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
spinat
verb
- 2. snorren, een brommend geluid maken
male
- 1. een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
spinne
noun
1. de handeling van het spioneren
spionasje
noun
1. benaming voor de groep Spirochaetes
spiroketer
noun
4. scherp, puntig uiteinde
spir
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
Svalbard
verb
- 1. in twee of meer delen uiteen gaan
- 2. in twee of meer delen opdelen
dele
noun
2. een element van zelfinductie
spole
noun
1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
spøkelse
noun
1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
spor
noun
1. bepaald soort loofboom, Frangula alnus
trollhegg
/
spɔrt/
noun
1. lichaamsbeweging
sport
idrett
noun
1. beoefenaar van een sport
idrettsmann
noun
1. een zangvogel die geluiden kan nabootsen
gulsanger
/
sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
språk
/
'sprakhɛrkɛnɪŋ/
noun
1. het omzetten van geluiden in taal
talegjenkjenning
noun
1. geneigdheid om veel te praten
snakkesalighet
noun
1. de taal die men bij het gewone spreken gebruikt
dagligtale
talespråk
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
stær
/
ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
snakke
tale
/
ˈspɾøkə(n)/
noun
Ordspråkene
verb
1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
bykse
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
grashoppe
gresshoppe
noun
1. bepaald soort vrij kleine vogel met gestreepte bovenzijde en monotone zang, Locustella naevia
gresshoppesanger
noun
1. verzonnen vertelling
eventyr
noun
1. koolsoort waarvan de gekookte okselknoppen als spruitjes gegeten worden
rosenkål
/
sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
Sri Lanka
/
ˈstaf.kɛrk/
noun
1. een geheel uit hout opgetrokken kerkgebouw, met een typische bouwstijl die voornamelijk in Scandinavië wordt aangetroffen
stavkirke
/
staːɫ/
noun
- 2. een monster van een stof, een kleine hoeveelheid van iets als proef
prøve
mønster
- 1. een legering van ijzer en koolstof
stål
/
staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
stå
noun
- 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
- 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
hale
noun
- 1. een land
stat
- 1. toestand
tilstand
stat
noun
1. illegale afzetting van een regering
kupp
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
statsoverhode
adjective
1. standvastig, duurzaam
stabil
/
stɑd/, /
stɑt/
noun
Woonplaats
by
/
ˈstɑdhœːs/, /
ˈstɑthœʏs/, /
ˈstɑthœːs/
noun
1. een gebouw waar de stadsdiensten gehuisvest zijn
rådhus
/
ˈstɑt.stat/
noun
1. staatsvorm
bystat
/
ˈstɑts.ʋɑn.də.lɪŋ/, /
ˈstɑts.β̞ɑn.də.lɪŋ/
noun
1. een wandeling door een stad, meestal met als doel belangrijkste plekken te bezichtigen
bytur
noun
1. een stok bedoeld voor ondersteuning of onderscheiding van een persoon
stav
verb
1. een werkonderbreking of (ludieke) actie houden voor betere arbeidsvoorwaarden of meer loon
streike
/
'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
streik
/
stɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
stall
noun
4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
stamme
verb
1. alles onderwerpen aan een vooraf bepaalde standaard
standardisera
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
statue
noun
1. korte woordelijke bestraffing
skrape
verb
1. iets uit plaatmateriaal (metaal, rubber, leer etc.) slaan of daarin aanbrengen met een snijdende stempel
stanse
noun
1. een gestructureerde hoop spullen
stabel
noun
1.Twee bedden op elkaar
køyeseng
noun
1. een begin ergens van
start
adjective
1. klaar zijn om te gaan beginnen
gangfør
startklar
/
sta.ˈsʲɔn/
noun
- 1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
jernbanestasjon
station
togstation
- 2. een zender die radio- of televisieprogramma's uitzendt
kringkastingsstasjon
verb
1. aantonen, bevestigen, ondersteunen
stadfeste
/
steːk/
noun
1. een penetratie met een scherp puntig voorwerp
stikk
/
sten/, /
steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
stein
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
kongeørn
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
Steinbukken
noun
1.1 bepaald soort zoogdier, Capra ibex
steinbukk
noun
Stenbukkens vendekrets
/
ste.nɛi̯k/, /
ste.nɛːk/, /
sten.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus ilex; een boom uit de napjesdragersfamilie
steineik
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
kull
/
ˈstentɛit/
noun
Steinalderen
/
ˈstenœʏ̯ɫ/, /
ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
kirkeugle
/
stɛil/, /
stɛːl/
adjective
1.
bratt
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
hulepinnsvin
verb
1. doorboren, prikken
putte
/
stɛl/, /
stɛɫ/
conjunction
1. verondersteld dat
hvis
stell at
så
så framt
så fremt
såframt
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
stjele
noun
1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
røst
noun
1. geluidvoortbrengende plooien in het strottenhoofd
røstband
/
stεmə(n)/
verb
1. deelnemen aan een verkiezing
stemme
/
ˈstɛmpəl/, /
ˈstɛmpəɫ/
noun
A:1. voorwerp met een ingesneden oppervlak waarmee afdrukken gemaakt kunnen worden met inkt of in lak
stempel
noun
kiezers die zich in hun stemgedrag laten beïnvloeden
stemmekveg
verb
1. met steenworpen doden
steine
noun
1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
stjerne
/
ˈstɛrvbɛt/
noun
1. het bed waarop men sterft
dødsleie
noun
1. het voorkomen van een gebeurtenis waarbij iemand overlijdt
dødsfall
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel sterfgevallen er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
dødsrate
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomi
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
dø
/
støn/
noun
- 3. sociale uitkering
sosial bistand
- 1. iets om op te steunen
støtte
- 2. morele of materiële hulp
understøttelse
/
'stønə(n)/
verb
- 3. van vermoeidheid of pijn een kreunend geluid maken
stønne
- 1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
støtte
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
stør
adjective
1. van aanzienlijk sterkte
røslig
verb
1. de grondslag voor iets leggen, iets instellen
grunnlegge
/
ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
stemor
pronoun
- 1. sterrenbeeld van de dierenriem
- 2. astrologisch teken
Tyren
/
stɛi̯l/
noun
- 1. handelswijze
- 3. beschrijvende plantkunde: buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
stil
verb
- 2. een stuk stof middels een aantal vrij losse steken op zijn plaats houden
brodere
- 1. om het leven komen door zuurstofgebrek in de hersenen
kvele
/
ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
nitrogen
kvelstoff
/
[stɪɫ]/
adjective
- 1. geen of weinig geluid producerend
- 2. onbeweeglijk
- 3. rustig, kalm
stille
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Stillehavet
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
stinkdyr
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Stockholm
/
stul/, /
stuɫ/
noun
1. zitmeubel
stol
noun
1. een kabelbaan waarin je zittend een hoogte overbrugt
stolheis
noun
1. heel kleine deeltjes
støv
noun
1. zachte borstel met een steel die ervoor dient om stof te verwijderen
feiekost
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
støvsuger
noun
1.Suricata suricatta, roofdier behorend tot de mangoesten
surikat
noun
1. gedroogde kabeljauw of kabeljauwachtige vis, zoals heek, leng, lom, schelvis en koolvis
tørrfisk
/
ˈstɔlə(n)/
verb
1. overgaan van een vloeibare naar een vaste toestand
størkne
/
ˈstɔlɪŋsɣəˌstentə/
noun
1. gesteente bestaande uit gestolde lava of gestold magma.
magmatisk bergart
adjective
- 1. geluidloos
- 2. niet in staat te spreken
stum
adjective
1. zo verbaasd dat men er het zwijgen toe doet
paff
noun
1. warme ruimte
dampbad
noun
1. een locomotief die wordt aangedreven door een stoommachine
damplokomotiv
noun
1. een machine die door middel van stoom drijfkracht ontwikkelt
dampmaskin
noun
1. een schip dat voortgedreven wordt middels een stoommachine
dampskip
/
ˈstɔplɪxt/
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
trafikkfyr
noun
1. naald die men gebruikt bij het repareren van weefsels of breiwerk
stoppenål
verb
3. doen halthouden
stanse
/
ˈstorə(n)/
verb
1.het functioneren nadelig beïnvloeden
forstyrre
ramme
skiple
noun
1. erg harde wind
storm
noun
een toestel, balk, e.d. om een deur, poort te forceren
rambukk
/
straɫ/, /
ˈstral/
noun
- 1. de lijn van middelpunt naar omtrek
radius
- 2. een bundel elektromagnetische straling
- 3. spuitend gas of vloeistof
stråle
/
strat/
noun
- 1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
gate
- 2. een smalle doorgang tussen twee zeeën
sund
strede
noun
1. hoofdstad van de Franse regio Grand Est
Strasbourg
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
straff
noun
1. directe vrije trap
straffe
adjective
1. nauwzittend
snever
/
ˈstralə(n)/
verb
- 2. licht weerkaatsen
- 3. een heel blije uitdrukking op het gezicht hebben
- 1. straling uitzenden
lyse
noun
1. Strook land langs de kust
strand
noun
1. Mya arenaria
sandmige
sandmusling
vanlig sandskjell
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
stratovulkan
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Straubing
noun
- 1. een gebied met een eigen karakter
region
strøk
- 2. een handige manipulatie
strek
- 3. een veeg of streep met een werktuig
strøk
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
løype
noun
1. spanning, geestelijke druk.
stress
verb
1. een doel willen bereiken
streve
noun
2. geheel van de militaire organisaties die een staat ter beschikking staan
styrker
verb
2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
stryke
/
ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /
ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /
ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
strykejern
noun
1. gestreken snaarinstrument
strykeinstrument
noun
1. een plankvormig voorwerp, gewoonlijk op een inklapbaar onderstel, bedoeld als ondergrond waarop kleding gestreken kan worden
strykebrett
noun
1. een constructie waarmee de snaren van een strijkinstrument in trilling gebracht worden
boge
/
stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
halm
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
estroncio
noun
1. zweertje op het ooglid
byggkorn
sti
/
stroːm/
noun
2. elektriciteit
strøm
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
sirup
noun
1. lus van stevig touw
løkke
/
strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
struktur
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
snuble
noun
1. bepaald soort in heel Europa voorkomende plant, Calluna vulgaris
røsslyng
/
ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /
ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /
ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
struts
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
student
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
studere
noun
3. een eenkamerappartement
hybelleilighet
noun
1. onderste deel van de ruggengraat, de laatste vier vergroeide ruggenwervels
halebein
pronoun
1. hoofdstad van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Stuttgart
/
styːr/
noun
1. een hulpmiddel waarmee een bestuurder richting kan geven aan een voertuig
styre
/
ˈstyrbəkrɑxtəxɪŋ/
noun
1. ondersteuning bij het sturen
servostyring
noun
1. de rechterzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
styrbord
noun
1. stof (stoffen)
masse
/
suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Sudan
noun
1. bepaalde ondersoort van de biet waaruit bietsuiker gewonnen wordt
sukkerbete
noun
1. Coereba flaveola, een klein zangvogeltje uit de tropische delen van de Amerika's...
bananasmett
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
sukkerrør
/
ˈsœʏkərˌspɪn/, /
ˈsœːkərˌspɪn/
noun
1. lekkernij bestaande uit een hoeveelheid gesponnen suiker aan een stokje
sukkerspinn
noun
1. dom, onhandig persoon
dott
noun
1. fictieve figuur uit een stripverhaal of een film die over bovenmenselijke krachten beschikt
superhelt
/
ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Surinam
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
Swahili
/
ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /
ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /
ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
Swaziland
pronoun
1. de grootste stad van Australië en de hoofdstad van de deelstaat Nieuw-Zuid-Wales
Sydney
noun
1. een gevoel van toegenegenheid
sympati
noun
1. ziekteverschijnsel
symptom
noun
1. gebedshuis van joden.
synagoge
/
sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
syndrom
/
sɪnˈtɑksəs/
noun
- 1.
- 2.
syntaks
/
ˈsi.ri.jə/, /
ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
Syria
/
siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
system
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
T-skjorte
adjective
- 1. moeizaam en plastisch vervormend onder mechanische belasting
- 2. moeilijk te snijden, kauwen (van vlees)
seig
/
taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
språk
noun
1. talengroepen die een zelfde voorgeschiedenis hebben
språkfamilie
noun
1. wetenschap
lingvistikk
/
taːrt/
noun
1. cirkelvormig zoet gebak
kake
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
tobakk
noun
1. een geordende lijst met gegevens
tabell
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
tabu
cardinalNumeral
1. het getal 80
åtti
pronoun
1. de officiële taal van Tadzjikistan en een variant van het Perzisch
tadsjikisk språk
/
taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
Tadsjikistan
/
ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
bord
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Bordet
/
ˈtafəlˌklet/
noun
kleed dat als bescherming of versiering over een tafel ligt
duk
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
bordtennis
pronoun
1. taal die op de Filipijnen gesproken wordt
tagalog
noun
1. naaldbossen in koude streken
taiga
/
ˌtɑjkoˈnaʊ̯t/, /
ˌtɑjkoˈnɔʊ̯t/, /
ˌtɑjkoˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Chinese ruimtevaarder.
taikonaut
/
tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
grein
gren
kvist
noun
1. bijzondere aanleg
talent
/
'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
Tallinn
pronoun
1. taal die gesproken wordt in India, Sri Lanka, Singapore, en Maleisië
Tamilsk
noun
- 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
- 2. scherp uitsteeksel
tann
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
tannlege
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
tannbørste
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
tannpirker
tannstikker
noun
1. wetenschap voor de verzorging van de tanden
odontologi
/
ˈtand.pɑs.taː/, /
ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
tannkrem
tannpasta
/
tɑntpɛin/
noun
1. pijn in één of meerdere tanden
tannverk
/
tɑŋ/
noun
1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
tang
/
tɑŋk/, /
tɛŋk/
noun
1. een groot vat
tank
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
ciotka
tante
/
ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
Tanzania
noun
1. plakband
limband
limbånd
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
tapioka
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tatarisk
/
ˈtɑrʋə/
noun
- 3. zaad van tarwe
- 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
hvete
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
veske
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tatarisk
pronoun
1. de autonome republiek van Rusland met de hoofdstad Kazan
Tatarstan
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
tatovering
/
tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
tatovere
/
tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
drosje
taxi
verb
1. over de grond op wielen voortbewegen van vliegtuigen
takse
/
tiːm/
noun
- 1. een ploeg van bij elkaar horende spelers
- 2. een groep samenwerkende mensen
team
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
technetium
noun
1. iemand die techniek toepast
tekniker
adjective
1. op techniek betrekking hebbend
teknisk
/
tef/
noun
1. wijfjeshond
tispe
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
flått
noun
1. vingers van de voet
tå
/
ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
tjære
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
terning
noun
1. een bouwvakker die wandtegels zet en vloertegels legt
fliselegger
flislegger
/
teːɣən/, /
teːχən/
preposition
1. zijdelings aanleunend
mot
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
motgift
verb
- 1. iets of iemand stoppen
- 2. verhinderen
holde
noun
1. hetgeen wat precies voorstelt wat iets helemaal niet is
motsatt
noun
1. vijand, rivaal
motstander
adjective
1. niet overeenstemmend
selvmotsigende
verb
1. minder gunstig verlopen dan verwacht
skuffe
noun
1. een ontbrekende hoeveelheid
mangel
noun
1. verzameling letters en/of woorden
tekst
noun
1. een computerprogramma waarmee teksten kunnen worden geschreven en bewerkt
tekstbehandling
noun
1. natuurlijke processen
tektonikk
/
ˌtelefoˈneːrən/
verb
1. een telefoon gebruiken
telefonere
/
ˌtelə'fon/, /
ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
telefon
verb
1. door nauwgezette verzorging doen groeien
dyrke
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
teleskop
adverb
1. een onaangenaam gevoel hebbend omdat een verwachting of hoop niet uitgekomen is
skuffet
noun
- 2. medium
- 1. elektrisch apparaat
fjernsyn
/
tɛlx/
noun
1. lid van een familie
etterkommer
/
ˈtɛɫkəns/
adverb
- 1. elke keer
hver gang
- 2. steeds
stadig
pronoun
1. een Dravidische taal met ongeveer 70 miljoen sprekers
telugu
/
ˈtɛm.pəl/, /
ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
tempel
/
ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
temperatur
noun
1. beweging in bepaalde richting, neiging
tendens
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
Tenerife
/
tɛnˈslɔtə/
adverb
1. immers
endelig
noun
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
telt
/
tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
utstilling
/
ˈtɛn.zɛɪ/
conjunction
1. behalve wanneer
hvis ikke
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
patte
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
terbium
verb
1. het beëindigen van een mensenleven op gerechtelijk bevel
avrette
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
termitt
adjective
1. ontmoedigd, somber vanwege tegenslag
nedslått
/
tɛ'rɛin/
noun
1. een stuk grond van enige omvang
terreng
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
terrorisme
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
terrorist
/
trʏχ/, /
təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
tilbake
/
tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /
tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
mens
pronoun
1. naam van twee boeken uit het Nieuwe Testament
Tessalonikerne
noun
- 1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
- 1. gedeelte van de bijbel
testament
noun
1. teelbal, zaadbal
testikkel
/
tə'vredənˌstɛlə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iemand tevreden wordt
mette
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
thailandsk
/
ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /
ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
Thailand
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
thallium
noun
1. blad van de theestruik
teblad
noun
1. een kleine lepel om thee mee te roeren
teskje
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
teologi
noun
1. een beoefenaar van de theologie
teolog
/
ˌteɔːˈretis/
adjective
1. wat niet perse in de werkelijkheid voorkomt, m.b.t. feiten en wetten berustende ...
teoretisk
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
teori
noun
iemand die een patiënt behandelt
terapeut
/
ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
termometer
noun
1. synoniemenwoordenboek
tesaurus
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
thorium
/
tœʏs/, /
tœːs/
noun
1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
hjemme
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
thulium
pronoun
2. de rivier die stroomt door Rome
Tiber
pronoun
- 1. autonome regio
- 1. voormalig land
Tibet
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
tibetansk
pronoun
- 1. Zwitsers kanton
- 1. zijrivier van de Po
Ticino
cardinalNumeral
1. het getal 10
ti
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
tiende
/
tɛit/, /
tɛɪ̯d/, /
tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
tid
noun
1. blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
tidsskrift
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
tiger
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
timian
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
tømmermann
tømrer
snekker
tømrar
noun
1. plat potlood van stevige constructie dat toch dunne lijntjes kan trekken
tømmermannsblyant
noun
scheikundig element
tinn
noun
1. Italiaans dessert
tiramisu
pronoun
- 1. regio
- 2. deelstaat van Oostenrijk
Tirol
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
titan
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
gransanger
verb
1. brood roosteren
skål
noun
2. activiteit waarbij men naar een of meer bestemmingen gaat
tur
noun
1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
aksess
verb
- 1. toestaan
- 2. erkennen
vedgå
/
ˈtuxɪft/
noun
1. extra stuk muziek , dans enz. als dank voor het applaus als de voorstelling al is afgelopen
ekstranummer
/
tun/
adverb
1. op of na dat tijdstip
da
/
tun/
conjunction
1. op het tijdstip dat
da
noun
1. het groter worden in aantal of maat
auke
øking
økning
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
tundra
adjective
1. dat wat er goed bij hoort of op van toepassing is
anvendbar
anvendelig
noun
1. het reizen voor ontspanning
turisme
noun
1. een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
turist
adjective
1. een plaats die veel toeristen aantrekt
turistisk
noun
1. een bonus vanwege een specifieke situatie
auke
verb
1. iets niet verbieden, iets mogelijk maken
føye
noun
1. gerecht waarmee een maaltijd kan worden afgesloten
dessert
noun
- 1. onderdeel van een klavier
- 3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
napp
/
ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
tastatur
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
tilføye
noun
1. datgene wat met een groter geheel verenigd wordt
tillegg
/
'to.ɣo/, /
ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Togo
/
tʋɑ'lɛt/
noun
1. een plaats waar men zich kan ontlasten
toalett
/
ˈtɔki ˈpoːnaː/
pronoun
1. bepaalde minimalistische kunsttaal
toki pona
pronoun
1. de hoofdstad van Japan
Tokyo
noun
1. snaarinstrument waarvan de snaren worden getokkeld
klimpreinstrument
/
tɔl/
noun
- 1. om zijn as draaiend voorwerp
- 2. kinderspeeltuig
snurrebass
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
tolk
noun
1. weg voor het gebruik waarvan betaald moet worden
bomvei
/
toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
tomat
noun
1. strijdbijl van de Noord-Amerikaanse indianen
tomahawk
noun
- 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
- 2. wat gesproken wordt
tunge
noun
1. een gewelf in de vorm van een halve cilinder
tønnehvelv
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
tunfisk
/
ton/
noun
een geluid met een bepaalde herkenbare hoogte
tone
/
tɔːrə(n)/
noun
- 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
- 1. een hoog bouwwerk
tårn
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
tårnfalk
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
tornado
conjunction
1. het punt dat benaderd wordt
til
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
ha det
noun
1. staf om mee te toveren
tryllestav
noun
1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
tåre
/
ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
traktor
/
tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
tradisjonell
/
traˈxedi/
noun
- 1. een toneelspel dat handelt over een bedroevende gebeurtenis
- 2. gebeurtenis met een droevige of rampzalige afloop
tragedie
verb
1. het doen van lichamelijke oefeningen
mosjonere
noun
1. een oefening
trening
/
tram/, /
trɑm/, /
trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
trikk
sporvogn
noun
1. verplaatsing, overplaatsing
translokasjon
adjective
1. lichtdoorlatend
gjennomsiktig
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
trille
noun
1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
trapp
adjective
1. door een letsel ontstaan
traumatisk
/
tre/
noun
1. opstapje dat deel uitmaakt van een trap
trinn
verb
1. raak schieten
ramme
noun
1. een titelwoord van een stuk tekst in een catalogus, woordenboek of encyclopedie
oppslagsord
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
tog
verb
1. op een voorwerp een kracht uitoefenen in een richting die ervan wegvoert
røske
trekke
noun
- ontwikkeling in een bepaalde richting
hovedretning
tendens
- nieuwe mode
trend
noun
1. bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, Salix babylonica
sørgepil
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
triangel
noun
1. een ion in oplossing dat niet aan de onderhavige reactie deelneemt
tilskuerion
/
'trɪlə(n)/
verb
1. snel heen een weer bewegen
vibrere
/
ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /
ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /
ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
Trinidad og Tobago
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
trofé
noun
1. een langgerekte voederbak.
trau
/
'trɔ.li.bɵs/
noun
trolleybuss
noun
1. een koperen blaasinstrument
trombone
noun
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
tromme
verb
1. ritmisch op iets slaan
tromme
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
trompet
/
troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
trone
noun
1. steun bij verdriet of pijn
trøst
verb
1. als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven
trøste
noun
2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
klase
noun
1. stroming binnen het leninisme, die Stalins politiek te weinig marxistisch vindt en een minder autoritaire en meer internationalistische benadering voorstaat
trotskisme
/
trʌʊ/
adjective
1. op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen
troende
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
genser
/
tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
tsar
/
tʃad/, /
tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Tsjad
/
ˈtʃɛxis/, /
ˈtʃɛxɪs/, /
ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
tsjekkisk
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
Den tsjekkiske republikk
/
ˈtʃɛxi.jə/, /
ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
Tsjekkia
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
Tsjekkoslovakia
/
tʃɛnobil/
pronoun
Tsjernobyl
pronoun
1. een taal die in Tsjetsjenië gesproken wordt
tsjetsjensk
/
tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
tsunami
noun
- 1. een koperen blaasinstrument met lage toon
tuba
- 2. een buis met trompetvormig
tube
/
ˌtybɛrkyˈlozə/
noun
1. een ziekte veroorzaakt de de tuberculosebacterie Mycobacterium tuberculosis
tuberkulose
noun
1. Tursiops truncatus, dolfijnsoort met robuust gestroomlijnd lichaam
tumler
/
tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
hage
noun
1. Sylvia borin, een zangvogel ...
hagesanger
/
ty.ˈne.zi.jə/, /
tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
Tunisia
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
tunnel
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
turbin
/
ˌtyːrəˈlyːr/
noun
1. een weidevogel
rødstilk
verb
1. veen als brandstof
torvjord
torv
noun
1. het delven en gebruiksklaar maken van turf
torvutvinning
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
Torino
/
tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
Tyrker
/
tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /
tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
Tyrkia
pronoun
1. de taal die door de Turkmenen in Turkmenistan en Afghanistan gesproken wordt
turkmensk
/
tʏrˈkojs/, /
tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
turkis
adjective
1. met de blauwgroene kleur turkoois.
turkis
/
tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
tyrkisk
noun
1. bepaald soort tuinplant, Lilium martagon
martagonlilje
pronoun
1. stad in Finland
Åbo
adjective
1. blauwgroene kleur.
turkis
/
ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
mellom
imellom
adverb
1. in de tussentijd
imellom
/
ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
interjeksjon
/
ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
Tuvalu
/
twaːlf/, /
tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
tolv
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
tolvte
/
tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
to
/
tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
to
/
ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
andre
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
andre verdenskrig
noun
1. levend wezen dat 2 jaar oud is of iets dat 2 jaar bestaat
toåring
cardinalNumeral
1. het getal 32
trettito
cardinalNumeral
1. het getal 22
tjueto
cardinalNumeral
1. het getal 42
førtito
/
ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
tvil
/
twɛɪ̯x/, /
tʋɛɪ̯χ/, /
tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
kvist
/
ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
tjue
tyve
noun
1. trommelholte van het oor
tympanon
noun
1. door bepaalde karakteristieken herkenbare soort
type
noun
2. grafische vorm van tekst
typografi
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
Tyrrenhavet
/
œʏ̯/, /
œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
løk
noun
1. de melkklier van een herkauwer
jur
/
œʏ̯ɫ/, /
œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
ugle
/
œʏ̯t/, /
œːt/
preposition
1. geeft aan van welke plaats iets komt
fra
noun
- 1. een plotselinge, felle uiting
- 2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
utbrott
utbrudd
verb
1. iets een groter oppervlak laten innemen
bre
breie
verb
- 1. zichzelf bevrijden uit gevangenschap
bryte
- 2. plotseling beginnen van een oorlog, ramp, ziekte e.d
utbryte
verb
1. iemand met woord of daad tot actie prikkelen
utfordre
/
ˈœʏdaχɪŋ/, /
ˈœːdaɣɪŋ/
noun
1. taak die moeilijk te verwezenlijken valt
utfordring
verb
1. meerdere personen ergens op trakteren
dele
verb
1. een gevoel of gedachte in taal verwoorden
uttrykke
/
œʏˈtɛɪndələk/
adverb
1. na een hele tijd
omsider
verb
1. betalingen verzorgen, meestal door een instantie aan individuen
dele
verb
- 2. met verlangen op iets wachten
glede
- 1. voorzichtig zijn
være forsiktig
verb
1. naar buiten komen
komme ut
/
ˈœʏ̯tlat/, /
ˈœːtlaːt/
noun
1. een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden
eksos
verb
2. nieuwe takjes en blaadjes krijgen
skyte
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
innbydelse
verb
1. aan bepaalde mensen iets bijzonders overhandigen
dele
/
œytspra:k/
noun
1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
uttale
noun
2. kort plezierreisje
tur
noun
1. persoon die uitvindingen doet
oppfinner
noun
1. complete uitrusting van kleren, linnengoed, borden, etc. van een bruid of bruidspaar
brudekiste
noun
- 1. wat men van de omgeving vanaf een bepaalde plek kan zien
- 2. verwachting, iets waar men naar kan uitzien
utsikt
/
'œy̆t.sin/
verb
1. een zekere aanblik hebben
se
/
œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
unntak
noun
1. een lichtbewapende bereden soldaat in enkele Europese legers
ulan
/
ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
ultimatum
adjective
1. van elektromagnetische straling, net buiten het gebied van het spectrum dat met het menselijk oog zichtbaar is
ultrafiolett
/
ˈumlʌʊt/
noun
- 2. vocaalwijziging o.i.v. een klinker in de volgende lettergreep
omlyd
- 1. trema dat een vocaalwijziging aangeeft
tøddel
/
ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
universitet
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
verdensrom
noun
1. scheikundig element met symbool Uub en atoomnummer 112
ununbium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uup en het atoomnummer 115
ununpentium
pronoun
1. de officiële taal van Pakistan en een van de officiële talen van India
urdu
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
urin
noun
1.bij zoogdieren een orgaan dat de urine uit de nieren verzamelt en deze opslaat tot het moment van urineren
urinblære
/
ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /
ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /
ˈuruˌɡwe/, /
ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
- 1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
- 1. rivier in Zuid-Amerika
Uruguay
/
yʔɛsˈbeʔstɪk/
noun
minnepinne
/
ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
utopi
/
ˈytrɛx/, /
ˈytrɛxt/, /
ˈytrɛχt/
pronoun
2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
Utrecht
/
yːr/
noun
1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
time
/
yu̯/
possessivePronoun
bezittelijk voornaamwoord uw
Deres
/
vaːk/
adverb
1. vele malen
ofte
noun
± onderscheidende vlag van een schip en/of militaire eenheid
fane
noun
1. een aspirant-reserveofficier
fenrik
noun
1. richting waarin een vaartuig zich voortbeweegt
seglretning
seilretning
noun
1. opgebouwde snelheid
fart
hastighet
hurtighet
tempo
/
ˈvaːrtœx/, /
ˈvaːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel op water
fartøy
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
vase
/
vakˈsæː/, /
vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
vaksine
noun
1. materievrije ruimte
vakuum
noun
1. een mannelijke ouder
far
fader
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
Farsdag
farsdag
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
fedreland
/
ˈva.ɣə.ˌvyːr/, /
ˈva.χə.ˌvyːr/
noun
1. een toestand waar de zielen van gestorven personen gereinigd worden.
skjærseld
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
vagina
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
fagforening
/
vɑɫ/
noun
- 1. omlaag gaan
- 2. ten gevolge van de zwaartekracht naar beneden gaan
- 3. onvrijwillig ergens op terecht komen
fall
/
vɑlk/
noun
1. roofvogel
falk
noun
1. een laagte tussen bergen
dal
verb
- laten vallen
droppe
- 1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
trille
falle
noun
1. mythologisch ondood wezen
vampyr
preposition
1. geeft bezit aan
fra
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
vanadium
adverb
1. op deze dag
I dag
verb
- 1. te pakken krijgen
- 2. onderscheppen
fange
/
ˈvɑŋ.re(i)l/
noun
1. metalen stroken langs autowegen, die dient om te voorkomen dat auto's van de rijbaan raken
rekkverk
noun
1. vloeistof onttrokken aan vanillestokjes in een ethanol oplossing
vaniljeekstrakt
/
va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
Vanuatu
noun
1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
svin
gris
pronoun
1. baai op de Cubaanse kust
Grisebukta
/
vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
fastland
verb
1. zich onthouden van voedsel
faste
noun
1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
fat
/
vatiˈkanstɑt/, /
vatiˈkaːnstɑd/, /
vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
Vatikanstaten
/
veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
fe
krøtter
/
feɪɫ/, /
veːl/
indefiniteCardinalNumeral
- 2. groot in aantal
mange
- 1. groot in hoeveelheid
mye
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
polygon
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
jerv
/
veːr/, /
vɪːr/
noun
2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
fjær
noun
1. een overzetvaartuig
ferje
/
ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
fjorten
/
ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
förti
førti
noun
1. het onderhouden en fokken van vee.
feavl
verb
1. zonder water schoonmaken met een borstel
feie
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
trygg
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
FNs sikkerhetsråd
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
sikkerhetsnål
/
ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /
ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
auksjon
noun
- 1. dunne laag
ark
blad
- 2. afgestroopte huid
hud
/
vɛlt/
noun
- 2. stuk land voor het bedrijven van een sport
bane
- nog na te kijken
felt
/
vɛlx/, /
vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
felg
/
/
pronoun
1. provincie in Italië
Venezia
/
ˌvenəzyˈweːla/, /
ˌvenəzyˈβ̞ela/, /
ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
Venezuela
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
barlind
noun
1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
fennikel
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
vindu
adverb
1. op grote afstand
fjern
/
vərˈɑxtə(n)/, /
vərˈɑçtə(n)/
verb
1. in hoge mate minachten
forakte
verb
1. een overdreven bewondering koesteren
dyrke
verb
- 1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
- 3. anders worden
- 2. zodanig aan zichzelf werken of zichzelf behandelen dat men anders wordt
forandre
adjective
1. geneigd wijzigingen te ondergaan
ujamn
ujevn
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
ansvar
verb
1. iemand van regeringswege dwingen een bepaald gebied te verlaten
bannlyse
verb
1. onvoltooid deelwoord van verbazen
utrolig
utrulig
verb
1. iets ergens plaatsen waar het niet gemakkelijk door anderen gevonden wordt
gjemme
skjule
/
vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
forby
bannlyse
adjective
1. verbazingwekkend
utrolig
utrulig
verb
3. behandelen door het aanbrengen van verband
forbinde
/
vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /
vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
3. communicatie
forbindelse
verb
1. verstomd doen staan van verbazing
forvirre
/
vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
forbud
verb
1. verteerd worden door vuur of hitte
brenne
verb
2. het stelselmatig veranderen van de uitgang van een naamwoord al naargelang de functie van het woord in de zin
bøye
verb
1. beschermen tegen een aanval
beskytte
verb
1. in kleinere stukken uiteendoen
dele
verb
1. het vermoeden hebben van iets slechts
mistenke
/
vər.ˈdi.pɪŋ/
noun
3. alle ruimten op één hoogte in een gebouw
etasje
verb
1. de pijnprikkel onderdrukken, bijvoorbeeld door het toedienen van een medicijn
døyve
verb
1. bestand zijn tegen
holde
verb
- 1. driemaal zo groot maken
- 2. driemaal zo groot worden
tredoble
verb
1.uit het land verjagen
fordrive
verb
1. donkerder maken
mørklegge
/
vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
- 1. wegraken
forsvinne
- 3. uit het zicht gaan
fortrekke
/
vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /
vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /
vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
Storbritannia
Det forente kongerike Storbritannia og Nord-Irland
/
vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
De forente arabiske emirater
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Amerikas forente stater
USA
/
və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /
və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /
vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Amerikas forente stater
verb
1. tot onderwerp van aanbidding hebben, eer bewijzen
dyrke
/
vɛrf/
noun
1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
maling
adjective
1. grote gevolgen hebbend
i stort sett
adjective
1. niet goed kunnen onthouden
svinset
svinsete
vimset
vimsete
verb
1. geel worden door veroudering of invloed van de omgeving
gulne
adjective
1. goed te vergelijken
sammenlignbar
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
sammenligne
sammenlikne
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
glemme
/
vərˈxit/
noun
1. teiltje met gaten
dørslag
/
vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
gift
verb
1. eerste betekenisomschrijving
ta feil
verb
1. een probleem uit de weg ruimen
lette
verb
- 1. zich ~: blijdschap ervaren
- 3. iemand ~ vreugde bereiden
glede
- 2. zich ~ op: reikhalzend uitzien naar iets
glede seg til
/
vər.ˈɦo.ɣɪŋ/, /
vər.ˈɦo.χɪŋ/, /
vɛr.ˈho.ɣɪŋ/
noun
- 3. een verhoogde lichaamstemperatuur
feber
- 2. het hoger maken van een prijs, premie e.d.
forhøyelse
prisforhøyelse
økning
- 1. een plaats die hoger aangelegd is dan zijn omgeving
haug
noun
1. een indringende ondervraging van een gevangene of verdachte
avhør
/
vərˈɦɔʊ̯.dɪŋ/, /
vərˈɦʌʊ̯.dɪŋ/, /
vɛrˈhaʊ̯.dɪŋ/
noun
- 1.
- 2. de betrekking van personen onderling
- 3. een intieme, duurzame relatie tussen twee personen
forhold
verb
1. nagaan, controleren
verifisere
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
bursdag
fødselsdag
/
vər'jɔŋɪŋ/
noun
2. vernieuwen van de (levens)krachten
rejuvenering
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
trafikk
noun
1. gestandaariseerd bord met aanwijzingen voor mensen in het verkeer
trafikkskilt
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
trafikkfyr
noun
2. militaire verkenning
rekognosering
verb
1. iemand door een stemming een ambt doen toekomen
foretrekke
/
vər.ˈki.zɪŋ/, /
vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
valg
/
vɛrˈklarə(n)/
verb
2. een officieel standpunt uitspreken
erklære
stadfeste
/
vər.ˈkla.rɪŋ/, /
vɛr.ˈkla.rɪŋ(g)/
noun
1 het verklaren
forklaring
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
salg
/
vərˈkopə(n)/
verb
1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
selge
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
seljar
noun
1. een virusinfectie aan keel of neus
forkjølelse
verb
1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
voldta
noun
1. een seksuele daad onder dwang
seksuelt overgrep
sexovergrep
verb
1. iets gebruiken zonder dat je het goed of volledig benut
sette over styr
/
vərˈlaxə(n)/
verb
1. op een lager peil brengen
senke
noun
1. toestand waarin men niet is staat is zich te bewegen
lammelse
noun
1. de voorafgaande tijd
fortid
verb
1. tot kwaad brengen
friste
/
vərlenə(n)/
verb
1. iemand begunstigen met iets, iemand iets toestaan
innvilge
/
vərˈlɛŋə(n)/
verb
- 1. langer maken
- 2. langer laten duren
forlenge
noun
elektrisch snoer voorzien van stekker en contrastekker
skøteledning
verb
- 2. minder zwaar maken
døyve
- 3. minder moeilijk maken
lette
- 1. van licht voorzien
lyse
noun
1. het teloorgaan, kwijtraken
tap
verb
1. iets kwijt raken
miste
/
vər.ˈlɔ.sɪŋ/, /
vɛr.ˈlɔ.sɪŋ/
noun
1. de bevrijding van de gevolgen van de zonden van de mens door het geloof in Jesus
frelse
verb
1. het herhaald optellen van een getal; een rekenkundige bewerking waarvan de uitkomst het product wordt genoemd
multiplisere
/
vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /
vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /
vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
multiplikasjon
/
vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
unngå
adjective
2. in een tint rood met RAL-nummer 2002
sinober
noun
- 2. naar oranje zwemende dieprode kleur
- 3. tint rood met RAL-nummer 2002
sinober
noun
1. een waarschijnlijke waarheid
formodning
verb
1. zacht worden door een proces van verrotting
råtne
verb
- 2. iemand op herkenbare wijze uitdossen
forkle
- 1. zich op onherkenbare wijze uitdossen
forkle
maskere
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
myrde
verb
1. door morsen verloren laten gaan
spille
verb
1. in kleine stukken slaan, pletten
knuse
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
vermut
verb
1. een paard voorzien van een hoefijzer middels hoefnagels
sko
verb
1. een einde maken aan, het bestaan uitwissen van, volledig tenietdoen
drepe
verb
1. een bepaalde aanname maken
anta
verb
1. veroordeeld (bijvoeglijk naamwoord)
dømt
tiltalt
verb
- 1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
dømme
- 2. zeggen dat je iets verkeerd vindt
fordømme
verb
1. de oorzaak zijn van
framkalle
fremkalle
noun
1. het materiaal waarin iets verpakt is
innpakking
/
vər'plaːʦə(n)/
verb
1. van de ene plek naar de andere brengen
forskyve
/
vər.ˈplɑn.tə(n)/
verb
1. op een andere plaats zetten
omprikle
plante om
noun
- 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
- 2. een deskundige in de verpleegkunde
søster
adjective
1. vernietigend
knusende
verb
1. tot regel maken dat iets moet
tvinge
verb
1. ergens anders poten
omprikle
verb
1. een plant voorzien van een andere, doorgaans grotere, pot
ompotte
potte om
verb
2. een geheim prijsgeven
fortelle
verb
1. iemand onverwachts met iets confronteren
overraske
/
və.ˈra.sɪŋ/, /
və.ˈrɑ.sɪŋ/, /
vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
overraskelse
/
ˈvɛrəˌkɛːkər/, /
ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
teleskop
verb
1. rijker maken
berike
/
və.rɔ.tə(n)/
verb
1. vergaan als gevolg van het rottingsproces
råtne
adjective
- 2. niet ingeblikt, niet diepgevroren
- 1. nieuw, net gemaakt
fersk
noun
- 1. gedicht
dikt
- 2. dichtregel
vers
- 3. couplet
vers
strofe
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
forskjell
verb
2. iets in contact met de grond doen voortbewegen
forskyve
verb
1. een definitieve overwinning boeken op een tegenstander
slå
verb
1. te lang blijven slapen met als gevolg dat men een afspraak mist
forsove
verb
1. slechter worden
forverres
verb
1. een grotere snelheid (doen) bereiken
akselerere
noun
1. toename van het tempo
akselerasjon
noun
1. een schakelinrichting aan een motorvoertuig om van de ene naar de andere versnelling te gaan
girkasse
verb
- 2. zich ~: een proces van uitbreiding ondergaan
bre
breie
- 1. in omloop brengen, over een groter oppervlak uitbreiden
bre
breie
dele
/
vər.ˈstaːn/
verb
1. begrijpen van een uiting
forstå
noun
2. denkkracht, denkvermogen (met betrekking tot het brein)
forstand
/
vərˈstorə(n)/
verb
1. uit de concentratie brengen, onderbreken wat men aan het doen is
skiple
verb
1. ter beschikking stellen
bringe ut
noun
1. in de poëzie gebruikte term voor een combinatie van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen
versefot
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
oversette
omsetje
/
vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
oversettelse
/
ˈvɛrtə/
noun
1. het gebied dat nog net binnen zichtsafstand is
fjerne
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
representant
verb
1. een al of niet ware gebeurtenis verhalen
fortelle
noun
1. een persoon die vertelt
forteller
/
vər'tuvə/
verb
1. zich ophouden, ergens verblijven
oppholde seg
/
vər.ˈtra.ɣɪŋ/, /
vər.ˈtra.χɪŋ/, /
vɛr.ˈtra.ɣɪŋ(g)/
noun
1. het langzamer gaan
forsinkelse
noun
2. de actie van het vertrekken of weggaan
avgang
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
tillit
noun
3 verschil in waterstand
nedgang
/
vər'vɑŋə(n)/
verb
1. het ene de plaats doen innemen van het andere
erstatte
verb
1. met verf bestrijken
farge
verb
1. iets viermaal zo groot maken
firedoble
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
frakte
trille
/
vər'vɔlɣən/
verb
2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
forfølge
verb
1. vreemd maken, van eigenaar doen wisselen
fremmedgjøre
/
vərˈwɛɪ̯dərə(n)/, /
vərˈʋɛɪ̯dərə(n)/, /
vərˈβ̞ɛːdərə(n)/
verb
- 1. weghalen
- 2. zich verwijderen
fjerne
- de ingewanden van een vis of pluimvee verwijderen
rense
/
vər'wɛift/
adjective
1.
bløtaktig
noun
1. lichamelijk letsel
lesjon
verb
1. minder erg maken
døyve
verb
1. bijeenbrengen
sanke
/
vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /
vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
2. wiskundige verzameling
mengde
/
vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /
vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
- 1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
- 2. de mededeling dat iets ...
forsikring
noun
1. handelingen gericht tegen de heersende macht of de aanvallende vijand
motstand
noun
1. beweging van het verzet, de gezamenlijke mensen die zich verzetten tegen een overheerser
motstandsbevegelse
verb
1. aan iemand vragen iets al dan niet te doen
friste
noun
1. een mouwloos jasje, te dragen onder de jas van het kostuum
vest
adjective
1. dik, vet inhoudend
feit
fet
korpulent
noun
- 1. gladde, zeer vette vloeistoffen, smeermiddelen
- 2. gespecialiseerd dierlijk weefsel
fett
/
vɛtblɑt/
noun
1.1 bepaald soort vleesetende plant, Pinguicula vulgaris
tettegras
noun
- 1. een voormalig militair die gevochten heeft, een uitgediend krijgsman
- 2. een ervaren en oud persoon in een bepaald onderwerpgebied, zoals een sporter, geleerde, etc.
veteran
/
ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
fettsyre
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
føll
fole
noun
1. een vezel is een lang, dun filament waarvan de lengte ten minste drie keer groter is dan de doorsnede
fiber
noun
1. marimba met metalen toetsen en vibratosysteem
vibrafon
/
viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
fire
/
ˈviːrdə/
ordinalAdjective
1. nummer vier in een rij
fjerde
verb
1. een feest vieren
feire
cardinalNumeral
1. het getal 34
trettifire
cardinalNumeral
1. het getal 24
tjuefire
cardinalNumeral
1. het getal 44
førtifire
cardinalNumeral
1. het getal 54
førtifire
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
firkant
/
ˈviːrˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 400
fire hundre
/
ˈviː.rɪŋ(g)/, /
ˈviː.rɪŋ/
noun
1. het vieren
feiring
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
kvadrat
noun
1. dat getal dat met zichzelf vermenigvuldigd een gegeven getal oplevert
kvadratrot
pronoun
Vierwaldstättersjøen
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
vietnamesisk
adjective
1. van de vijand
fiendtlig
adjective
1. zich als een vijand gedragend
fiendtlig
/
vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
fem
/
ˈvɛɪ̯f.də/, /
ˈvɛɪ̯v.də/, /
ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
femte
cardinalNumeral
1. het getal 35
trettifem
cardinalNumeral
1. het getal 25
tjuefem
cardinalNumeral
1. het getal 55
femtifem
cardinalNumeral
1. het getal 65
sekstifem
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
femkant
/
ˈvɛi̯fˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 500
fem hundre
/
ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
femten
/
ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
femti
noun
1. vrucht van de vijgenboom
fiken
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
fil
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
tjern
noun
1. een groot en vrijstaand huis
villa
verb
1. van het vel ontdoen
flå
/
vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
finne
/
'vɪndə(n)/
verb
1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
finne
synes
noun
1. extremiteiten van de hand
finger
/
ˈvɪ.ŋər.ˌɑf.drʏk/, /
ˈvɪ.ŋər.ˌɑv.drʏk/
noun
1. een afdruk op een oppervlak van een vinger met meestal de unieke, persoonsgebonden figuur...
fingeravtrykk
noun
topje van een vinger
fingertupp
noun
1. knie- of beenviool
gambe
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
fiolett
noun
1. strijkinstrument
fiolin
noun
- 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
- 2. het vlees van een vis
fisk
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
fiskeørn
noun
1. de wijze waarop men zaken beoordeelt of beschouwt
sikte
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
Fiskane
pronoun
1. Nederlands zoals dat in Vlaanderen gesproken wordt
flamsk
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
nøtteskrike
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
Flandern
/
vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
flagg
/
ˈvlɑɣəˌsxɪp/
noun
1. schip waarop zich de bevelvoerder over een vloot of eskader bevindt
flaggskip
noun
1. bepaald soort vis, Thymallus thymallus
harr
noun
1. kleinste vorm van vuur
flamme
noun
1. een gebonden pluk haar
flette
/
ˈvlɛx.tə(n)/, /
ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
flette
noun
1. klein vliegend zoogdier
flaggermus
noun
- 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
- 1. spierweefsel van bepaalde organen
kjøtt
verb
1. (onoprechte) complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen
smigre
noun
1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
vinge
/
'vlidə(n)/
verb
2. formeel: snel weg trachten te komen, vluchten
flykte
rømme
/
vlix/, /
vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
flue
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
hangarskip
/
ˈvli.ɣə(n)/, /
ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
fly
noun
1. een apparaat om een vlieg mee dood te slaan
fluesmekke
fluesmekker
noun
1. bepaald soort paddenstoel, Amanita muscaria
rød fluesopp
noun
1. demonstratie met (stunt)vliegtuigen, parachutespringen etc.
flystevne
/
ˈvlixtœːx/, /
ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
fly
flygemaskin
flyvemaskin
/
ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
flyplass
lufthavn
/
'vlirbɛs/
noun
1. bessen van de gewone vlier
hyllebær
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
sommerfugl
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
loppe
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
flytende
adjective
2. zonder haperingen een taal kunnen spreken
flytende
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
væske
noun
1. een samenhangend hoopje van sneeuw of andere lichte stof
dott
noun
1. een drijvende constructie
flåte
noun
1. het zich door luchtruim bewegen
flukt
/
'vlɵxtəlɪŋ/
noun
1.
flyktning
/
vlɵxtə(n)/
verb
1. (onovergankelijk) trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
flykte
rømme
pronoun
1. wereldwijde organisatie waarin alle landen kunnen samenwerken
FN
verb
1. van voedsel voorzien
mate
noun
1. voedingsmiddel dat bedoeld is als aanvulling op de normale voeding
kosttilskudd
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
mat
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
føle
/
ˈvuː.rɪŋ(g)/, /
ˈvuː.rɪŋ/
noun
1. de binnenbekleding van een voorwerp
fôr
/
ˈvuːrtœx/, /
ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
kjøretøy
noun
1. voortzetting van het been beneden de enkel
fot
/
ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
fotball
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
fotgjenger
/
'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
gangsti
gangveg
gangvei
gongeveg
/
ˈvoːɣəl/, /
ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
fugl
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
nebbdyr
/
ˈvoɣəlˌɛː/, /
ˈvoχəɫˌɛɪ/
noun
1. een ei van een vogel
fugleegg
noun
1. manshoge pop
fugleskremsel
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
volapyk
indefinitePronoun
1. toereikend, genoeg
tilstrekkelig
/
vɔl.ˈdu.nɪŋ(g)/, /
vɔɫ.ˈdu.nɪŋ/
noun
1. tevredenheid
oppreisning
/
'vɔlxə(n)/
verb
- 1. achterna gaan
følge
- 4. doen wat wordt voorgeschreven, aangeraden enz.
føye
adjective
1. dat later komt
neste
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
ifølge
etter
/
vɔlk/
noun
- 1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
- 2. de inwoners van een land
- 3. de lagere klassen
folk
noun
1. brood van meel met zemelen
fullkornbrød
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
nasjonalsang
/
ˈvɔlks.tœʏn/
noun
2. moestuin beschikbaar gesteld aan stadsbewoners
kolonihage
noun
1. een vergadering van de gehele bevolking
folkeforsamling
/
ˈvɔlksvərˌhœyzɪŋ/
pronoun
1. het binnentrekken van het Romeinse rijk door stammen die voorheen ten noorden en oosten daarvan woonden
Folkevandringstiden
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
fullmåne
noun
- 1. spel
- 2. bal
volleyball
verb
1. overvol maken door er nog iets bij te duwen
stappe
/
volymi'nøs/
adjective
1.
omfangsrik
noun
1. iemand die volgroeid is
voksen
/
vor/
preposition
- 7. ten behoeve van, ten gunste van
for
- 4. eerder in tijd
før
noun
1. iets ter navolging
eksempel
/
ˈvor.bə.rɛɪ̯.dɪŋ(g)/, /
ˈvor.bə.rɛː.dɪŋ/, /
ˈvo̝r.bə.rɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het voorbereiden
forberedelse
adjective
1. wat al in het verleden ligt
forbi
/
ˈvorbodə/
noun
1. vooruitgestuurde bode (letterlijk)
forsmak
noun
1. een doorwaadbare plaats in een beek of rivier
vad
noun
1. doorwaadbare plaats
vad
/
'voːrdøːr/
noun
1. de hoofddeur aan de voorzijde van een woning
inngangsdør
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
panne
noun
1. voorhuid van penis
forhud
/
vorɪ'nxənomə(n)/
adjective
1.
fordomsfull
/
'vɔːr.ko.mə(n)/, /
vɔːr.'ko.mə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
avverge
verb
2. iemand instructie geven, leren hoe met iets omgegaan moet worden
meddele
opplyse
underrette
/
vorˈlopəx/, /
vorˈlopəç/
adjective
1. tijdelijk in afwachting van iets definitiefs
foreløpig
førebels
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
fornavn
/
ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
pronomen
noun
1. glazen vlak aan de voorkant van een voertuig dat zorgt voor zicht op de weg en bescherming tegen weer en wind
frontrute
verb
1. een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
forutsi
/
'vorsprɔŋ/
noun
1. de mate waarin men verder gevorderd is dan anderen
forsprang
verb
1. een plan voorleggen
foreslå
adverb
1. van nu af aan, in het vervolg
fra nå av
/
ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
prefiks
noun
1. omstandigheid die noodzakelijk is of gemaakt wordt wil iets anders plaats of...
forutsetning
noun
1. een object, iets dat fysiek bestaat
gjenstand
ting
objekt
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
preposisjon
/
vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
forsiktig
/
vɔːr.'zin/
verb
2. beschikbaar maken, voorzorgen treffen voor
utstyre
indefiniteOrdinalNumeral
1. degene die of datgene dat eerder een positie innam
forrige
noun
- 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
- 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
- 4. fietsonderdeel waarin het wiel wordt bevestigd: telescopische vork, voorvork en achtervork
- 1. aftakking van een boomtak of van een weg
gaffel
- 3. bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork)
gaffel
greip
verb
1. in de juiste vorm brengen
avdreie
noun
1. een sacrament waardoor een gedoopte de kracht van de Heilige Geest ontvangt om zijn geloof standvastig te kunnen belijden
konfirmasjon
/
vɔrst/
noun
2. weersomstandigheden
frost
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
rev
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Reven
noun
1. bepaald soort plant, Vaccinium vitis-idaea
tyttebær
/
vra:x/, /
vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
spørsmål
noun
1. een leesteken (?) dat men aan het eind van een zin plaatst om deze vragend te maken
spørsmålstegn
/
ˡvrɑxtɑuto/
noun
1. een auto voor goederenvervoer
lastebil
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
fraktskip
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
lastebil
/
ˈvraɣə(n)/, /
ˈvraχə(n)/
verb
- 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
be om
- 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
spørre
noun
1. ontbreken van oorlog
fred
adjective
1. van buiten, niet van hier
fremmed
noun
1. een blij gevoel
glede
/
ˈvrøx.də.ˌvyːr/, /
ˈvrøɣ.də.ˌvyːr/, /
ˈvrøχ.də.ˌvyːr/
noun
1. een groots door mensen opgebouwd en gecontroleerd vuur om iets te vieren
bål
noun
1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
venn
adjective
1. met het nodige respect
elskverdig
noun
- 1. een vrouwelijk persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
- 2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
venninne
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
vennskap
noun
1. schade aangebracht aan smaak zowel als structuur van bevroren voedsel
fryser brenne
/
ˈvrisdroɣə(n)/
verb
1. industriële droogmethode voor onder andere het conserveren van voedingsmiddelen
frysetørre
/
vrispʌnt/
noun
frysepunkt
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen in bevroren toestand gebracht, te bewaren
djupfryser
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
fri
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
fredag
verb
1. liefde bedrijven
elske
/
ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
frihet
noun
1. vrije schop bij voetballen
frispark
adjective
1. niet gedwongen
frivillig
/
ˈvrud.vrɑu/
noun
1. een vrouw die een bevalling begeleidt
jordmor
noun
1. een aangename stemming waarin men veel lacht, zich goed voelt en het leven optimistisch bekijkt
glede
noun
- 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
kone
kvinne
- 1. een volwassen vrouwelijke mens
kvinne
noun
2. grootste in Europa voorkomende orchideeënsoort, Cypripedium calceolus
marisko
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
frukt
/
'vrɵɣbar/
adjective
2. tot resultaat leidend
fruktbar
noun
1. boom die eetbare vruchten voortbrengt
frukttre
/
ˈvrʏxtə(n)ˌsɑp/, /
ˈvrʏχtə(n)ˌsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
fruktsaft
/
'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
søppeldunk
noun
1. gebalde hand
knyttneve
noun
1. de vaak explosieve activiteit waarmee in een vulkaan opgebouwde spanningen zich ontladen
vulkanutbrott
vulkanutbrudd
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
vulkanologi
/
ˈvʏl.pɛn/, /
ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
fyllepenn
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
vulva
/
vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
ild
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
Ildlandet
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
fyr
fyrtårn
noun
1. iemand die ter vermaak van een publiek vlammen dooft met zijn mond
flammesluker
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
fyrverkeri
pronoun
1. meer in Zweden
Vänern
pronoun
1. meer in Zweden
Vättern
noun
1. iemand die veel durft
våghals
/
'ʋajə(n)/
verb
1. plaatsvinden van een sterke luchtstroming
blåse
noun
1. scherm in halve schijfvorm
vifte
verb
1. een waaier gebruiken
vifte
/
ˈʋakɦɔnt/
noun
1. een hond die het huis of een erf bewaakt
vakthund
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
Vallonsk
vallonsk
/
ʋar/
adverb
1. op welke plaats
hvor
/
ʋaːrt/
noun
A 1. baas van een herberg, taveerne of café
vert
noun
1. dat wat waar is
sannhet
verb
1. iets via de zintuigen in zich opnemen
oppfatte
/
ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
hvorfor
adverb
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
antakeligvis
trolig
/
ˈʋaːrsxyu̯ə(n)/
verb
1. iemand verwittigen dat er mogelijke gevaren, problemen of gevolgen zijn
advare
varsku
/
'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
åtvaring
adverbialPronoun
2. betrekkelijk: uit wat
hvorav
adverbialPronoun
2. betrekkelijk van wat, van hetwelk
hvorav
/
ˈʋɑx.tə(n)/, /
ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
vente
noun
1. een aantal elementen die in een bepaalde volgorde op een gebeurtenis wachten
kø
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
passord
pronoun
1. een binnenzee die aan de ene kant grenst aan de Waddeneilanden en de Noordzee en aan de andere kant begrensd wordt door het vasteland van Nederland, Duitsland en Denemarken
vadehavet
verb
1. door ondiep water lopen
vade
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
voff
vov
noun
1. reisziekte
reisesyke
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
Wales
pronoun
1. een speciale hemel in de Noorse mythologie, voorbehouden voor de gesneuvelden in de strijd
Valhall
pronoun
1. Germaanse strijdgodin
valkyrje
/
ʋɑˈlonɪə/
pronoun
Vallonien
/
wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
valross
hvalross
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
hval
kval
noun
1. een misdaad, een slechte of gruwelijke handeling
skjenselsgjerning
noun
1. een van de beenderen van de schedel
issebein
isseben
/
ˈʋɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het lopend afleggen van een bepaalde afstand
fottur
/
ˈʋɑn.dəɫ.ˌsχun/, /
ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌsxun/
noun
1. een schoeisel dat speciaal geschikt is om grote wandelingen mee te maken
fjellsko
/
ˈʋɑn.dəɫ.ˌtɔχt/
noun
1. een lange wandeling
fottur
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
kinn
noun
1. een slecht en lelijk mens of dier
uhyrlighet
adjective
1. iemand niet gunnen dat die iets heeft dat men zelf wil hebben
misunnelig
/
'wɑŋkəl/
adjective
1. wat niet stevig staat
ujamn
ujevn
/
ˈʋɑŋkəɫˌmotɔr/
noun
1. een verbrandingsmotor die niet met heen en weer gaande zuigers werkt, maar met een roterende zuiger.
wankelmotor
/
ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
når
noun
1. het niet nakomen van een overeenkomst
kontraktsbrudd
/
ʋɑnt/
noun
2. scheepvaart
vant
/
ˈʋaːpən/
noun
- 2. een wapenschild
- 1. een werktuig van geweld
våpen
noun
1. een korte tekst die de bedoeling van iets weergeeft
motto
verb
1. snel heen en weer bewegen
vaie
/
ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
varm
noun
2. de hoeveelheid thermische energie.
varme
noun
1. het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht
kogenerasjon
noun
1. een verwarmingsinstallatie die via mechanische arbeid warmte onttrekt aan een koude omgeving en deze toevoert aan een warmere omgeving
varmepumpe
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Warszawa
/
ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
voks
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
vaskebjørn
noun
1. Nyctereutes procyonoides, een zoogdier en roofdier uit de familie Canidae
mårhund
noun
geribbeld bord waarop men de was kan doen
vaskebrett
/
ˈwɑs.knɛɪ̯.pər/, /
ˈʋɑs.knɛɪ̯.pər/, /
ˈβ̞ɑs.knɛː.pər/
noun
1. een knijper die gemaakt is van hout of plastic om nat wasgoed aan een waslijn te klemmen
klesklype
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
vaskemaskin
/
'ʋɑsə(n)/
verb
1. iets schoonmaken
vaske
noun
1. een bak waarin men zich of iets wast
vask
noun
1. een ondergrondse waterstroom
vannåre
vassåre
noun
1. kasteel op een eiland of tussen grachten
vannborg
/
ˈʋaːtərən/
verb
3. waterachtig vocht afscheiden
felle tårer
/
ˈwatərˌɣlɑtɦɛɪ̯t/, /
ˈʋatərˌχlɑtɦɛɪ̯t/, /
ˈβ̞atərˌɣlɑtɦɛːt/
noun
1. verschijnsel waarbij een dunne waterfilm ontstaat.
vannplaning
noun
1.1 bepaald soort watervogel, Gallinula chloropus
sivhøne
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
vannmann
/
ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
vannmelon
vassmelon
noun
2. een molen die door stromend water aangedreven wordt
vannmølle
noun
1. Elodeo sp.
langskuddsplanter
noun
1. pistool waaruit een straal water kan spuiten
vannpistol
noun
2. goedaardige infectieziekte die gepaard gaat met het verschijnen van rode vlekjes op de huid die daarna overgaan in jeukende blaasjes
vannkopper
noun
1. een schoepenrad dat draait door de stroming van het water
vannhjul
noun
1. grote halfaquatische woelmuis
jordratte
vannratte
vånd
noun
1. ski voor het waterskiën
vannski
/
ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
hydrogen
vannstoff
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
foss
noun
1. een vliegtuig dat kan opstijgen en landen op het water
sjøfly
noun
1. een stukje ongesponnen katoen of synthetische vervanging daarvan
dott
noun
1. plukje watten bevestigd op een houten of plastic stokje, gebruikt voor bepaalde medische doeleinden...
bomullspinner
verb
1. geld wagen op een toekomstige gebeurtenis
vedde
noun
1. een werkwoord waarbij de handelende persoon tevens het voorwerp van de handeling is
refleksivt verb
/
wedərˈzɛits/
adjective
gjensidig
noun
1. een strijd van twee of meer personen om uit te maken wie op een bepaald gebied de beste is
konkurranse
/
'ʋedyʋnar/
noun
man
enkemann
/
ʋeː/
noun
1. pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt
sammentrekning
/
ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
vevstol
pronoun
teken van de dierenriem van 23 september to 23 oktober
vekt
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
vekt
/
wek/, /
ʋek/, /
β̞ek/
adjective
1. slap
svak
bløt
/
wek/, /
ʋek/, /
β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
uke
veke
/
ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
helg
noun
1. gevoel van treurnis, verdriet, nostalgie
vemod
adjective
1. lichtdroevig gestemd
vemodig
/
weːr/, /
ʋɪːr/, /
β̞eːr/
noun
1. atmosferische gesteldheid
vær
/
ʋerˈkɵndəx/, /
ʋerˈkʏndəç/
adjective
1. betrekking hebbend op de weerkunde
meteorologisk
noun
- 1. een reactie die poogt een bepaalde actie tegen te werken
- 2. de tegenstand die een stroom in een geleider ondervindt
- 3. een elektronica-onderdeel
motstand
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
varulv
/
ʋes/
noun
foreldreløst barn
/
ʋɛχ/, /
β̞ɛx/
noun
1. smalle strook grond voor het verkeer
vei
/
'wɛxblɛivə(n)/
verb
1. niet daar zijn waar je verwacht wordt
droppe
svikte
/
ˈʋeχə(n)/, /
β̞eɣə(n)/
verb
- 1. het gewicht/de massa bepalen
- 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
veie
noun
1. een winkel waar alle goederen gratis te verkrijgen zijn voor alle mensen
gratis butikk
verb
1. te midden van andere informatie iets niet insluiten
hoppe over
/
ʋɛɪ/
noun
- 1. een stuk grasland voor begrazing door vee
beite
hamn
- 2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
myse
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
Wisła
verb
1. niet voldoen aan een verzoek of opdracht
vegre
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
nekt
/
'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
beite
hamn
pronoun
Tysklands historie (1918-1933)
/
ˈwɛɪ̯nɪx/, /
ˈʋɛɪ̯nəχ/, /
ˈβ̞ɛːnəx/
noun
- 2. in een klein aantal
få
fåtallig
- 1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
lite
verb
2. veroorzaken
framkalle
fremkalle
/
ˈʋɛkər/
noun
1. een apparaat dat gebruikt wordt om de tijd bij te houden en een functie heeft die veel geluid produceert op een ingestelde tijd
vekkerklokke
noun
1. de kunst om iets goed te kunnen verwoorden
veltalenhet
språkferdighet
/
ʋɛlk/
relativePronoun
hvilke
/
ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
velkommen
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
walisisk
/
ˌʋɛltə'rʏstə(n)/
interjection
god natt
verb
3. zich welven
hvelve seg
kvelve seg
noun
1. het gemak waarin iets of iemand van richting kan veranderen
spenst
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
Wien
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
øyebryn
øyenbryn
/
ˈweː.ʁəlt/, /
ˈʋɪː.rɔɫt/, /
ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
verden
noun
1. en 2. vuur dat de hele aarde vernietigt, algemene verwoesting en strijd, wereldoorlog
verdensbrann
/
ˈweːrəlˌdeːl/, /
ˈʋɪːrəɫˌdeːɫ/, /
ˈβ̞eːrəlˌdel/
noun
1. een groot boven de zee uitstekend stuk droog land en de omringende eilanden die op hetzelfde continentale plat liggen
verdensdel
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
Verdens handelsorganisasjon
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
verdenskrig
noun
1. een tentoonstelling waaraan landen uit de wereld aan kunnen deelnemen
verdensutstilling
/
wɛr(ə)f/
noun
1. een scheepswerf
verft
noun
1 een dag waarop gewerkt wordt
arbeidsdag
/
'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
virkelighet
/
ʋɛrkən/
verb
1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
arbeide
operere
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
arbeidsgiver
noun
1. groep mensen die gezamenlijk een bepaald probleem aanpakt
arbeidsgruppe
/
wɛrkˈloshɛit/
noun
- 1. het werkloos zijn
- 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
arbeidsløshet
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
verb
verb
1. met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
kaste
droppe
noun
1. bot van de wervelkolom
virvel
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
veps
noun
1. een prik door een gewone wesp
vepsestikk
noun
1. een zeer smalle taille
vepsetalje
pronoun
1. het westelijk deel van Europa
Vest-Europa
pronoun
1. een verzameling Vlaamse dialecten met typische kenmerken gesproken in West-Vlaanderen en een klein deel van Nederland en Frankrijk
Vestflamsk
/
ʋɛs.tǝɾs/
adjective
1.
vestlig
/
wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
lov
phraseologicalUnit
Murphys lov
/
ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
vite
/
'ʋetənsxɑp/
noun
2. georganiseerde activiteit
vitenskap
/
,ʋetən'sxapələk/
adjective
vitenskapelig
/
ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
vitenskapsmann
/
ˈwɛtələk/
adjective
- 2. tot de wet behorend
- 1. in overeenstemming met de wet
lovlig
/
ˈweː.və(n)/, /
ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
veve
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
snømus
/
ˈʋeː.zə(n)/
noun
1. individu
vesen
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
whisky
/
wiː/, /
ʋiː/, /
β̞iː/
relativePronoun
1. vragend voornaamwoord
hvem
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
vogge
vugge
/
ˈwiɣə(n)/
verb
1. zachtjes heen en weer bewegen, gewoonlijk om een zuigeling in slaap te brengen
gynge
/
ʋik/
noun
3. kaarsenpit
veike
veke
noun
1. ronddraaiende schijf
hjul
noun
1. de afstand tussen de twee middelpunten van de voor- en achteras
akselavstand
noun
1. de sport van het wielrennen
sykling
/
'wiː.lə.wal/
noun
1. zwart-gele zangvogel
pirol
noun
1. in water voorkomende vaatloze, plantachtige organismen
alge
/
ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
røkelse
/
ʋit/
noun
1. een softdrug die bestaat uit gedroogde hennep
pot
noun
1. koepelvormig huis gebruikt door de Noord-Amerikaanse indianen
wigwam
/
wɛɪ̯/, /
ʋɛɪ̯/, /
β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
vi
/
ʋɛi̯k/
noun
1. een bewoond deel van een stad of een gemeente
nabolag
/
wɛɪ̯n/, /
ʋɛɪ̯n/, /
β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
vin
noun
1. een druif die wordt gebruikt om wijn van te maken
vindrue
/
wɛɪ̯s/, /
ʋɛɪ̯s/, /
β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
vis
noun
1. gerijpt inzicht
visdom
/
ˈʋɛi.tɪŋ/
noun
1. bepaald soort straalvinnige vis, Merlangius merlangus
hvitting
noun
1. steel met slappe borstel waarmee in de liturgie van de Rooms-Katholieke Kerk de priester wijwater over de gelovigen heen sprenkelt
aspergil
noun
1. een constructiesysteem voor internetpagina's waar, in het algemeen, iedereen alle pagina's kan wijzigen
wiki
/
ʋɪkifiˈsɪːrə(n)/
verb
1. een tekst aanpassen aan het wikisysteem
wikifisere
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Wikipedia
/
ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
vilje
noun
- 3. vlees van een wild dier
- 1. dieren die niet onder menselijke beheersing zijn opgegroeid
vilt
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
villsvin
noun
1. (onevenhoevigen) Equus africanus
villesel
noun
1. een bosachtig gebied dat weinig door de mens geregeld is
villnis
/
ˈwɪləm/, /
ˈʋɪləm/, /
ˈβ̞ɪləm/
pronoun
1. een jongensnaam
Vilhelm
/
ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
ville
noun
1. eenzijdige wilsuiting die gericht is op het tot stand brengen van rechtsgevolgen
viljeserklæring
/
ʋɪnt/
noun
1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
vind
noun
1. molen die door de wind gedreven wordt
vindmølle
noun
1. een gebied waar windenergie gewonnen wordt met behulp van een aantal molens
vindpark
noun
1. periode met geen of weinig wind
vindstille
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
butikk
/
ˈwɪŋkəl.jʏˈfrɑu/
noun
1. een vrouw die beroepsmatig in een winkel, een supermarkt, een warenhuis of buiten werkt, met name klanten bedient, waren verkoopt of achter de kassa zit
ekspeditrise
noun
1. een wagentje dat in winkels wordt gebruikt om tijdens het winkelen producten in te verzamelen
handlevogn
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
vinner
noun
1. een vrouwelijk persoon die een (wed)strijd in haar voordeel beslist
vinner
/
ˈwɪnə(n)/, /
ˈʋɪnə(n)/, /
ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
- 1. als beste partij uit een wedstrijd komen
- 2. iets verkrijgen voor een goede prestatie bij een wedstrijd
vinne
/
ʋɪntər/
noun
1. seizoen
vinter
noun
1. klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,
gjerdesmett
noun
1. de tijd zoals die geldt in de herfst- en wintermaanden, zonder dat de klok een uur vooruit is gezet
vinter
/
ʋɪp/
noun
1. een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rust
dumphuske
vippe
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
europeisk bison
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
matematikk
matte
/
ʋɪsˈkʏndəx/
adjective
1. op wiskunde betrekking hebbend of er gebruik van makend
matematisk
/
ˈʋɪsələnt/
adjective
1. aan wisseling onderhevig
skiftande
skiftende
ujamn
ujevn
noun
wisselkoers
valutakurs
noun
1. wisselstroom
vekselstrøm
/
ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
hvit
/
wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /
ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /
β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
Hviterussland
Kviterussland
/
ˌwɪtˈrʏsɪs/, /
ˌʋɪtˈrʏsis/, /
ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
hviterussisk
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
skjærtorsdag
noun
1. Carcharodon carcharias, de bekendste en de meest gevreesde haai
hvithai
noun
1. zangvogel (Motacilla alba)
linerle
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
hvitvin
/
we.ˈka/, /
ʋe.ˈka/, /
β̞e.ˈka/
noun
1. een kampioenschap waarin de besten van de wereld het tegen elkaar opnemen
VM
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
vodka
/
ˈʋudə/
noun
1. een gevoel van erge kwaadheid
sinne
verb
1. met veel geweld gaande zijn van een natuurverschijnsel
rase
/
'ʋudənt/
adjective
1. bijzonder boos
olm
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
voff
vov
noun
1. iemand die woeker drijft
ågerkar
ågerkarl
ågrer
noun
1. grote halfaquatische woelmuis
jordratte
vannratte
vånd
/
ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
onsdag
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
ørken
/
ˈvɔɪ̯vɔtsxɑp/
noun
1. naam voor bepaalde bestuurlijke gebieden in Oost-Europa
voivodskap
/
ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
ull
/
wɔlf/, /
ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
ulv
varg
noun
1. sporenplant van het geslacht Lycopodium
kråkefotslekten
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
ullhåra nashornet
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
sky
/
ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /
ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /
ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
skyskraper
/
wɔlˈvɪn/, /
ʋɔlˈvɪn/
noun
vrouwelijke wolf
hunnulv
/
wɔnd/, /
ʋɔnt/, /
β̞ɔnt/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
sår
/
ˈwo.nə(n)/, /
ˈʋo.nə(n)/, /
ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
holde
bo
noun
1. een doorgaans afgesloten constructie waarin men kan leven
leilighet
noun
1. een kamer ingericht om in te wonen en gasten te ontvangen
stue
noun
1. omgeving waarin men woont
boligmiljø
/
ʋoːrt/, /
ˈʋʊːrt/, /
ˈβoːrd/, /
ˈβoːrt/
noun
- 1. mannetjeseend
andrik
- 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
- 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
- 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
ord
- 2. belofte
æresord
ord
/
ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
ordbok
/
ˈʋɔːrdə(n)ˌlɛɪst/
noun
1. een lijst bestaande uit woorden
ordliste
noun
1. volgorde van woorden in een zin
ordstilling
/
ˈwɔrdə(n)/, /
ˈʋɔrdə(n)/, /
ˈβ̞ɔrdə(n)/
verb
2. gaan zijn, zich ontwikkelen tot
bli
/
ʋɔrp/
noun
- 1. de handeling van het werpen van iets
kast
- 2. het aantal jonge dieren dat een moederdier bij één dracht op de wereld zet
kull
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
pølse
/
ˈʋɔrtəl/
noun
- 1. Groente peen
gulrot
- 2. Ondergronds gedeelte van een plant
- 3. Getal
rot
pronoun
1. Finoegrische taal die door de Woten in Ingrië gesproken werd
votisk
/
ʋʌʊ̯/, /
β̞ʌːβ̞/
noun
A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
glente
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
hevn
/
wœyvə/
verb
2. heen en weer buigen, zwenken
svinse
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
storspove
verb
1. iets of iemand vermoorden door het dichtknijpen van de keel
kvele
/
ˈɪkstralə(n)/
noun
1. röntgenstraling
røntgenstraler
/
ksɑnˈtɪpə/
noun
1. een boosaardige en kijfachtige vrouw
xantippe
/
ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
xenofobi
/
ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
xenon
/
ˌksiliˈtɔl/
noun
1. een zoetstof die bereid is door hydrogenatie van xylose
xylitol
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
xylofon
noun
- 1. een Angelsaksische lengtemaat (3 voet is 0,9144 m)
- 2. een Engelse vlaktemaat (12,14 ha)
yard
noun
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
yawl
/
ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
yoga
/
ˈjɔxərt/, /
ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
yoghurt
/
sɛt/, /
zɛt/
noun
1. de zesentwintigste letter van het alfabet
z
/
zaːt/
noun
1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
frø
/
zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
sag
/
'zaxmolə(n)/
noun
1.een door wind- of waterkracht aangedreven installatie voor het zagen van hout
sagbruk
/
'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
sagmugg
pronoun
2. boek in de Bijbel
Sakarias
Sakarja
adverb
- 4. aangenaam voor de zinnen
lun
- 1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
svak
adjective
1. niet al te ruw, de dingen ontziend
lun
noun
zitplaats op dier of fiets
sal
sadel
verb
1. een zadel plaatsen op
sale
/
ˈzadənbɑŋk/
noun
1.bewaarplaats voor zaden van veel verschillende planten
frøhvelv
/
ˈza.ɣə(n)/, /
ˈza.χə(n)/
verb
1. in stukken delen door middel van een zaag
sage
/
[ˈzɑː.greb]/
pronoun
1. hoofdstad van Kroatië
Zagreb
noun
- 2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
lomme
- 1. slappe, vormeloze tas
sekk
pose
/
ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
lommetørkle
noun
1. iemand die ongemerkt waardevolle zaken steelt
lommetyv
noun
1. lamp op zakformaat
lommelykt
/
ˈzɑkmɛs/
noun
1. een klein invouwbaar mes, vaak met extra gereedschappen
lommekniv
adjective
- 1. gerechtvaardigd tegenover God, doordat men van zonde bevrijd is
- 2. bijzonder aangenaam, hemels
salig
/
zɑlm/, /
zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
laks
noun
1. een stuk zalm dat door zorgvuldig snijden ontdaan is van alle minderwaardige bestanddelen
laksefilet
/
'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
Zambia
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
sand
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
sandkasse
noun
1. bepaalde vaste plant die van nature in Noord-Europa en aan de West-Europese kusten voorkomt, Leymus arenarius
strandrug
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
timeglass
noun
een harde, droge wind die boven een woestijngebied een grote hoeveelheid zand en stof doet opwaaien
sandstorm
noun
1. Turdus philomelos, een lijstersoort die algemeen is in Nederland en Vlaanderen
måltrost
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
lørdag
noun
1. Bos taurus indicus een rund dat in het Indische subcontinent en Afrika wordt...
sebu
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
sebra
noun
1. een patroon van witte strepen aangebracht op het wegdek ter aanduiding van een beschermde voetgangersoversteekplaats
fotgjengerfelt
fotgjengerovergang
gangfelt
/
ze/, /
zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
hav
sjø
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
sjøpiggsvin
sjøpinnsvin
kråkebolle
noun
1. bepaald soort roofvogel die in kustgebieden leeft, Haliaeetus albicilla
havørn
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
sikt
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
fjordsel
/
ˈzekut/
noun
1. zwart-witte zeevogel, Uria aalge
lomvi
noun
1. benaming voor op de op komkommers lijkende zeedieren uit de klasse Holothuroidea
sjøpølse
noun
1. bepaald soort op de kusten van centraal Europa voorkomende plant, Crambe maritima
strandkål
/
ˈzelɑnt/, /
ˈzeːlɑnd/, /
ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
Zeeland
noun
1. iemand die zelen vervaardigt.
repslager
/
ˈze.le.li/
noun
1. benaming voor de sessiele zeedieren uit de klasse Crinoidea
sjølilje
noun
1. bepaald soort karperachtiɡe zoetwatervis, Tinca tinca
suter
sudre
noun
1. vaardigheid in het bedienen, onderhouden en het besturen van een schip
sjømannskap
noun
1. mythisch zeewezen
havfrue
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
måke
noun
1. afstandsmaat, in gebruik op zee, 1852m
nautisk mil
/
ˈzeʔɔtər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Enhydra lutris
havoter
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
såpe
noun
1. bolvormig vlies van water en zeep dat een hoeveelheid gas (meestal lucht) omringt
Zeepbel
noun
1. het beroep van iemand die uit vet of olie en loog zeep bereidt.
såpekoker
noun
2. inwendige schelp van een zeekat (een tienarmige inktvis)
hvalsprø
noun
1. militair treffen op zee
sjøslag
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
sjøstjerne
pronoun
1. een streektaal bestaande uit een verzameling Nederfrankische dialecten ,gesproken in de provincie Zeeland
zeeuws
noun
1. scheepvaart over de zee
sjøfart
/
ˈzeˌvoχɔɫ/, /
ˈzeːˌvoːɣəl/
noun
1. een vogel die vooral in de directe omgeving van de zee leeft
sjøfugl
noun
2. allerlei eetbare schaal- en schelpdieren
havets frukter
/
ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
sjøvann
noun
1. in zee levend wier
tang
noun
1. misselijkheid als gevolg van de onregelmatige beweging van een schip
sjøsyke
noun
1. zout, uit zeewater gewonnen
havsalt
/
ˈzexəl/
noun
- 2. een stukje papier meestal voorzien van een plaklaag dat dient om aan te geven dat betaling heeft plaatsgevonden
frimerke
- 1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
segl
verb
1. de zegen geven
velsigne
noun
1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
seil
noun
1. een boot waarmee gezeild kan worden
seilbåt
kutter
/
ˈzɛilklar/
adjective
1. gereed om te gaan zeilen
sjøklar
noun
1. een schip waarmee gezeild kan worden
seilfartøy
/
ˈzɛilvardəx/
adjective
1. gereed om te gaan zeilen
sjøklar
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
ljå
/
ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
sikker
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
sikring
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
sjelden
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
sjeldne
noun
2. de mogelijkheid voor een volk om te bepalen onder welke soevereiniteit het wil vallen
selvbestemmelse
demonstrativePronoun
samme
/
ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
selvmord
selvdrap
noun
1. brief die als verklaring of afscheid achtergelaten wordt door iemand die zelfmoord pleegt
avskjedsbrev
/
'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
selvportrett
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
substantiv
/
ˌzɛlᵊfɛrˈnitəxənt/
adjective
1. zo ontworpen dat er na afloop praktisch niets van overblijft
drepende
/
zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
senit
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
nerve
noun
1. het gehele zenuwsysteem
nervesystem
noun
1. luchtschip in de lucht gehouden door een groot volume waterstof of helium
luftskip
zeppeliner
/
ˈzɛs.də/, /
ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
sjette
cardinalNumeral
1. het getal 36
trettiseks
cardinalNumeral
1. het getal 26
tjueseks
cardinalNumeral
1. het getal 66
sekstiseks
cardinalNumeral
1. het getal 16
seksten
ordinalAdjective
sekstende
cardinalNumeral
1. het getal 60
seksti
/
zɛt/
noun
handeling gedurende een spelbeurt
trekk
noun
1. een medicament in de vorm van een pil die via de anus toegediend wordt
stikkpille
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
sugga
/
ˈsʏː.rə(n)/, /
ˈzøː.rə(n)/
verb
1. veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
jamre
/
ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
sju
syv
/
ˈzøvən/
verb
1. de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
sikte
/
ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
syvende
/
ˈzøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 37
trettisju
/
ˈzøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 97
nittisyv
/
ˈzøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 27
tjuesju
/
ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
sytten
/
ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
sytti
adjective
1. lichamelijke toestand
syk
adjective
1. geneigd om vaak ziek te zijn
sykelig
/
ˈzikənˌɑuto/
noun
1. een voertuig ingericht voor het vervoer van zieken of gewonden
ambulanse
/
ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
sykehus
sjukehus
hospital
noun
1. een voertuig ingericht voor het vervoer van patiënten, gewoonlijk naar een ziekenhuis toe
ambulanse
noun
1. een van de zeven sacramenten van de Rooms-Katholieke Kerk alsmede van de Orthodoxe Kerk dat door een priester wordt toegediend aan zieken die in doodsgevaar verkeren
sykesalving
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
Parkinsons sykdom
/
zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
sjel
verb
1. waarnemen met het oog
se
/
ˈzɪftə(n)/
verb
1. de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
sikte
/
sɛɪ̯/, /
zɛɪ̯/, /
zɛː/
personalPronoun
2. 3e persoon meervoud
de
noun
- 1. kant
kant
- 2. vezel van de cocon van de zijdevlinder
silke
/
zɛɪkɑnt/
noun
1. datgene dat de zijde vormt
side
possessivePronoun
1. derde persoon enkelvoud m/o
sin
si
sitt
verb
- 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
- 3. zich bevinden.
- 5. gelijk zijn aan.
- 6. tot de groep behoren van
- 7. de eigenschap hebben.
- 1. bestaan
- 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
være
noun
1. een wind die haaks staat op de rij- of vaarrichting
sidevind
phraseologicalUnit
sølvmedalje
noun
1. grote meeuwensoort
gråmåke
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Abies
edelgran
/
'zɪlvərvlisrɛist/
noun
rijst waarvan de zemelen en de kiem niet verwijderd zijn
brune fullkornris
/
zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /
zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
Zimbabwe
noun
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
setning
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
synge
noun
1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
sink
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
synke
/
ˈzɪntœx/, /
ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
sanseorgan
sans
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
zirkonium
/
zɪr'koːn/
noun
1. een mineraal
zirkon
/
ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
sitte
verb
1. proberen te vinden
etterlyse
lete
noun
1. een instrument waarmee men informatie kan zoeken in een bepaalde collectie...
søkemotor
/
'zukraːkən/
verb
1. in een toestand geraken dat iets niet langer terug te vinden is
gå til spille
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
Zulu
/
ˈzut/
adjective
1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
søt
/
ˈzu.tə(n)/
verb
1. zoet maken
sukre
/
ˈzuthʌʊt/
noun
1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
lakris
/
ˈzoːɣ.ə(n)/
verb
1. moedermelk geven
amme
/
ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
loft
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
zombie
/
ˈzomərblum/
noun
1. kleurrijke en geurige bloeiwijze van een plant die typisch in het warmste deel van het jaar bloeit
sommerblomst
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus robur
sommereik
/
ˈzo.mər.ˌhœʏ̯s/, /
ˈzo.mər.ˌhœːs/
noun
1. huis om de zomer en de vakanties door te brengen
sommerhus
noun
1. Anas querquedula
knekkand
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
sol
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
søndag
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
synd
preposition
1. In afwezigheid van
uten
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
syndflod
/
ˈzoːnə/
noun
1. bepaald gebied dat is afgebakend van aangrenzend gebied
sone
noun
1. de zichtbare elektromagnetische straling van de ster waarrond onze aarde draait
sollys
/
'zɔnəʔenɛr'ɣi/
noun
1. energie die gewonnen wordt uit de straling van de zon
solenergi
noun
1. ligbank met lampen die ultraviolette stralen uitzenden waardoor de huid bruin wordt
solarium
/
ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
solsikke
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
solbriller
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
solskinn
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
solflekk
/
ˈzɔnəˌwɛndə/, /
ˈzɔnəˌʋɛndə/, /
ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
solhverv
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
solvind
/
zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
solnedgang
/
zuː/
noun
1. verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
zoo
/
ˈzox.diːr/, /
ˈzoːɣ.diːr/, /
ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
pattedyr
noun
- 1. onderkant van de voet
- 3. onderkant van een schaaf
såle
/
zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
sønn
noun
2. verpleging, voorzien in een behoefte
bekymring
adjective
1. met de nodige zorg
omsorgsfull
/
zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
salt
verb
1. met zout conserveren
salte
noun
1. een oplossing
saltsyre
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologi
/
zoʔo'lox/
noun
1. een wetenschapper die zich bezig houdt met de studie van dieren.
zoolog
/
zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /
zœː'.dɑ.fri.ka/, /
zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
Sør-Afrika
Republikken Sør-Afrika
/
ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /
ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
Sør-Amerika
/
zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /
zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /
ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
Zuid-Holland
/
ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /
ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
Sør-Korea
noun
1. hoofddeksel
sydvest
/
ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
1. (met de mond) naar zich toe trekken
patte
suge
verb
1. van verontreinigingen ontdoen
rense
/
zɵlk/
exclamativePronoun
sånn
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
syrer
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
søster
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
søster
lillesøster
storesøster
/
zyːr/
adjective
1. een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
sur
/
zyːr/
noun
1. zure vloeistof
sur
noun
1. fijngesneden en licht gezouten kool die enige tijd gefermenteerd is
surkål
/
ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
oksygen
surstoff
/
zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
svane
adjective
van groot gewicht
tung
noun
1. een lang, scherp wapen
sverd
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
sverdfisk
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
spekkhogger
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
tyngdekraft
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
svale
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
gravid
svanger
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
svangerskap
graviditet
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
svart
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
sort hull
noun
1. een publicatie van gegevens over een misstand
svartebok
noun
1. vruchtje van Ribes nigrum
solbær
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
Svartehavet
noun
1. bepaald soort zee-eend, Melanitta nigra
svartand
noun
1. bepaald soort vogel, Sylvia atricapilla
munk
/
zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
svovel
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
svovelsyre
/
ˈzweːdə(n)/, /
ˈzʋedə(n)/, /
ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
Sverige
/
zweds/, /
zʋets/, /
zβ̞ets/
adjective
1. betreffende Zweden of het Zweeds
svensk
/
zweds/, /
zʋets/, /
zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
svensk
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
svette
noun
1. kledingstuk voor mannen dat gebruikt wordt om in te zwemmen
badebukse
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
badedrakt
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
svømme
flyte
bade
noun
1. klierachtig, hormoonvormend orgaan
brissel
tymus
adjective
1. weinig sprekend
tagal
noun
1. een varken
svin
gris
/
ˈzwɪtsər/, /
ˈzʋɪtsər/, /
ˈzβ̞ɪtsər/
noun
1. een inwoner van Zwitserland, of iemand afkomstig uit Zwitserland
sveitser
/
ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /
ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /
ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
Sveits
/
eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
én